Bent u bekend met de uitspraak van misdaadjournalist Paul Vugts in de Parool Misdaadpodcast van 11 juni 2026, waarin hij stelt dat Amsterdamse ambtenaren hem zouden hebben benaderd nadat hij had gepubliceerd over Syrische asielzoekers die verantwoordelijk zouden zijn voor een golf van straatroven in Amsterdam, met de boodschap dat dergelijke berichtgeving «rechts in de kaart» zou spelen?1
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is wanneer ambtenaren feitelijke journalistieke berichtgeving beoordelen aan de hand van de vraag welke politieke stroming daar mogelijk baat bij zou hebben?
Deelt u de mening dat de waarheidsvinding door journalisten nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan de vraag of feiten «links», «rechts» of enig ander politiek kamp in de kaart spelen?
Acht u het verenigbaar met de persvrijheid wanneer overheidsfunctionarissen journalisten benaderen met de suggestie dat bepaalde feiten beter niet gepubliceerd kunnen worden omdat deze een politiek onwenselijk effect zouden kunnen hebben?
Deelt u de mening dat het kwalificeren van feitelijke berichtgeving als iets wat «rechts in de kaart speelt» een vorm van politieke framing is die niet thuishoort in het contact tussen overheid en journalistiek?
Deelt u de mening dat een overheid die journalisten probeert te bewegen om feiten niet of minder prominent te publiceren uit angst voor electorale of ideologische gevolgen, zich begeeft op een hellend vlak richting politieke beïnvloeding van de pers?
Vindt u het acceptabel dat ambtenaren kennelijk niet primair bezwaar zouden hebben tegen de feitelijke juistheid van berichtgeving, maar tegen de mogelijke politieke interpretatie daarvan?
Deelt u de mening dat de taak van journalisten is om relevante feiten boven tafel te krijgen en te publiceren en niet om bij iedere publicatie af te wegen of die publicatie «rechts in de kaart» zou kunnen spelen?
Bent u bereid uit te spreken dat feiten over criminaliteit, migratie, asiel en openbare veiligheid niet mogen worden verzwegen of afgezwakt omdat de politieke consequenties daarvan bepaalde partijen of stromingen zouden kunnen bevoordelen?
Deelt u de mening dat het bestrijden van «rechtse» politieke duiding nooit een taak kan is van gemeentelijke ambtenaren in hun contact met journalisten?
Bent u bereid bij de gemeente Amsterdam na te vragen of de term «rechts in de kaart spelen», of woorden van gelijke strekking, daadwerkelijk is gebruikt in contact met Paul Vugts of met andere journalisten?
Bent u bereid daarbij ook na te gaan of binnen de gemeente Amsterdam interne richtlijnen, instructies of communicatiestrategieën bestaan waarin wordt gesproken over het voorkomen van berichtgeving die «rechts», «populistisch», «extreemrechts» of andere politieke stromingen in de kaart zou kunnen spelen?
Kunt u uitsluiten dat er binnen de gemeente Amsterdam of andere overheidslagen beleid, instructies of informele werkwijzen bestaan om berichtgeving over asielzoekers, statushouders, migranten of criminaliteit te ontmoedigen wanneer deze politiek ongewenst wordt geacht?
Bent u bereid te onderzoeken of overheidscommunicatieafdelingen journalisten vaker benaderen met politieke argumenten over de mogelijke impact van hun berichtgeving, in plaats van met feitelijke correcties of wederhoor?
Bent u bereid heldere richtlijnen op te stellen of aan te scherpen waarin wordt vastgelegd dat overheidsfunctionarissen journalisten niet mogen aanzetten tot het achterwege laten van berichtgeving op grond van het argument dat deze «rechts in de kaart» zou spelen?
Deelt u de mening dat juist het achterhouden of ontmoedigen van feitelijke berichtgeving over gevoelige onderwerpen het wantrouwen in overheid en media voedt?
Bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van iedere vorm van overheidsdruk op journalisten die is gebaseerd op de politieke gevolgen van hun berichtgeving?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
Klopt het dat medio 2025 ambtelijk is gesignaleerd dat mogelijk defensiegevoelige infrastructuurgegevens openbaar beschikbaar waren op websites en in registers van de overheid, maar dat deze gegevens nog steeds online staan?1
Deelt u de opvatting dat bij een concreet risico op sabotage van militaire infrastructuur de nationale veiligheid leidend moet zijn en dat informatie daarom bij twijfel op zijn minst eerst tijdelijk moet worden afgeschermd, waarna de juridische discussie kan worden afgerond? Zo nee, waarom niet?
Kan de Minister van Defensie andere ministeries daadwerkelijk opdragen defensiegevoelige informatie onmiddellijk af te schermen? Zo nee, wie kan binnen het kabinet bij een acute dreiging wel een bindend besluit nemen?
Welke maatregelen zijn direct na de ambtelijke signalering van deze veiligheidsrisico’s medio 2025 genomen?
Klopt het dat pas in het najaar van 2025 is begonnen met het verwijderen of afschermen van deze informatie? Kunt u toelichten waarom dit na de eerste signalering nog maanden heeft geduurd?
Wat is de reden dat de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Economische Zaken en Klimaat vooralsnog geen volledige uitvoering hebben gegeven aan het verzoek van de Minister van Defensie om de kwetsbare informatie per direct offline te halen?
Waarom is pas in maart 2026 een interdepartementale werkgroep «Openbaarheid en nationale veiligheid» ingesteld, terwijl al sinds medio 2025 bekend was dat mogelijk gevoelige informatie openbaar was?
Deelt u de opvatting dat het instellen van een ambtelijke werkgroep geen alternatief kan zijn voor een onmiddellijk bestuurlijk besluit wanneer informatie per direct offline moet worden gehaald vanwege risico’s op spionage en sabotage? Zo nee, waarom niet?
Zijn de MIVD, AIVD en de NCTV betrokken bij deze ambtelijke werkgroep? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe beoordelen zij dat deze gevoelige informatie nog niet offline is gehaald?
Erkent u dat deze gang van zaken – eerst signaleren, vervolgens maanden overleggen, daarna een werkgroep instellen en uiteindelijk nog steeds geen volledige verwijdering realiseren – niet past bij de snelheid en slagkracht die nodig zijn in de huidige veiligheidssituatie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zo spoedig mogelijk alle gegevens die Defensie als potentieel sabotagegevoelig beoordeelt in ieder geval tijdelijk af te schermen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid één bewindspersoon aan te wijzen die doorzettingsmacht krijgt bij conflicten tussen openbaarmakingsverplichtingen en de nationale veiligheid, zodat niet opnieuw maandenlang interdepartementaal overleg nodig is voordat wordt ingegrepen? Zo nee, waarom niet?
Het artikel ‘Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op: radicaal besluit leidt tot geschokte reacties’ |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op: radicaal besluit leidt tot geschokte reacties»?1
Ja.
Was u vooraf op de hoogte van deze onderhoudsstop? Zo ja, waarom is niet eerder ingegrepen om reeds geplande werkzaamheden te voltooien?
Ja, de tekorten op de instandhoudingsopgave maken onderdeel uit van de grote financiële opgave op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds. Daarover is de Tweede Kamer op 16 maart jl. geïnformeerd. Voor exploitatie en onderhoud moet Rijkswaterstaat scherpe keuzes maken en werkzaamheden in tijd naar achteren schuiven om binnen de financiële kaders te blijven voor 2026–2030. Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is hier een concreet voorbeeld van.
Het gaat hierbij om niet-acuut noodzakelijk onderhoud waarbij de veiligheid en bereikbaarheid ook bij uitstel niet direct in het geding zijn. Het leidt daarbij ook niet tot snelheidsbeperkende maatregelen of afsluitingen. Waar nodig worden aanvullende maatregelen genomen om de verkeersveiligheid te blijven waarborgen.
Het verschuiven van werkzaamheden binnen de programmering is op zichzelf niet nieuw en maakt deel uit van de reguliere uitvoeringspraktijk van Rijkswaterstaat. Werkzaamheden kunnen bijvoorbeeld worden verschoven omdat zij gecombineerd kunnen worden met andere projecten, vanwege beperkingen in de beschikbare uitvoeringscapaciteit of vanwege de beschikbare financiële middelen.
In de brief van 16 maart jl. is tevens geconcludeerd dat de grote financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds het noodzakelijk maakt om over de volle breedte van de opgaven, het MIRT en de fondsen te prioriteren (Kamerstuk 36 800 A, nr. 39). De uitgestelde werkzaamheden worden meegenomen in deze grote prioritering, waarvoor in de brief van 19 juni jl. het afweegkader is gedeeld. Aan de hand hiervan zal middels een transparant proces, in afstemming met de Kamer en de regio's worden geprioriteerd, waarmee de basis van onze infrastructuur de komende jaren weer op orde wordt gebracht.
Was u op de hoogte van het feit dat om dezelfde reden eerder ook al werkzaamheden in de regio zijn geschrapt, zoals in het artikel te lezen is?
Naast het uitstellen van onderhoudswerkzaamheden in Noord-Nederland zijn geen andere projecten in die regio om dezelfde reden uitgesteld. Wel is eerder dit jaar besloten het geplande groot onderhoud aan de A12 naar een later moment te verschuiven.
Was het de bedoeling dat ook projecten die zich zo dicht bij de uitvoeringsfase bevinden (binnen twee jaar) opnieuw zouden worden beoordeeld, aangezien Rijkswaterstaat meldt dat deze projecten ook worden meegenomen in de herprioritering?
Om binnen de financiële kaders voor de periode 2026–2030 te blijven, moet Rijkswaterstaat scherpe keuzes maken in de programmering van werkzaamheden. Omdat dit geen lopend project is, er sprake is van niet-acuut noodzakelijk onderhoud en de veiligheid en bereikbaarheid niet in het geding zijn, is ervoor gekozen de aanbesteding van de preventieve onderhoudswerkzaamheden die voor 2027 en 2028 waren voorzien, niet voort te zetten.
Vindt u het evenwichtig dat de onderhoudsstop aan het wegennet disproportioneel het noorden treft, een regio waar minder openbaar vervoer beschikbaar is?
Rijkswaterstaat moet prioriteiten stellen, om binnen de financiële kaders voor 2026–2030 te blijven. Daarom wordt kritisch gekeken naar al het werk wat nog niet verplicht is en wordt continu de vraag gesteld: moet dit werk echt nu of kan dit ook later? Deze vraag speelt ook in andere delen van het land. Op basis van het afweegkader zullen alle werkzaamheden worden getoetst aan de met de Tweede Kamer besproken criteria. Noodzakelijk acuut onderhoud wordt overigens overal in het land wel uitgevoerd, zodat de veiligheid en bereikbaarheid op het Hoofdwegennet (HWN) geborgd blijven. Tegelijkertijd wordt er ook in Noord-Nederland dit jaar, net als vorig jaar, veel groot onderhoud aan de wegen uitgevoerd.
Zo nee, hoe verklaart u dat deze onderhoudsstop zich zo concentreert in dit deel van het land?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat is de economische impact van de onderhoudsstop op de economie van Noord-Nederland en op het handelsverkeer?
Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 heeft geen effect op de verkeersveiligheid en de beschikbaarheid van het netwerk voor economisch verkeer.
Rijkswaterstaat blijft vanzelfsprekend de noodzakelijke maatregelen treffen om de veiligheid en bereikbaarheid te garanderen. Voor de lange termijn zullen via toetsing aan het afweegkader nog prioriteiten moeten worden gesteld.
Wat betekent deze onderhoudsstop in Noord-Nederland voor het goederenvervoer richting Noord-Duitsland en Denemarken?
Zie het antwoord op vraag 7.
Hoe rijmt u de hoge opbrengsten uit belastingen en heffingen voor weggebruikers, zoals de motorrijtuigenbelasting, accijnzen en andere heffingen, met het beperkte budget voor het meest basale onderhoud?
De belastingen gaan naar de Algemene middelen. De overheid zet deze middelen vervolgens in voor collectieve voorzieningen in Nederland, waaronder de infrastructuur. Met deze middelen wordt jaarlijks onder andere fors geïnvesteerd in de Nederlandse infrastructuur via het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds. Zo investeert het kabinet incidenteel € 7 miljard en structureel € 0,5 miljard extra in onder andere instandhouding. Mede daardoor beschikt Nederland over een sterk en goed functionerend netwerk van wegen, vaarwegen, bruggen, tunnels en waterwerken. Tegelijkertijd bereikt een groot deel van deze infrastructuur, die in de jaren zestig en zeventig is aangelegd, het einde van de technische levensduur. Om de infrastructuur ook in de toekomst veilig, betrouwbaar en beschikbaar te houden, zijn daarom extra investeringen in instandhouding nodig. Daarnaast is het nodig om te prioriteren.
Is het te verwachten dat dergelijke onderhoudsstops zich ook zullen voordoen in Oost-, Zuid-, West- of Midden-Nederland?
Op basis van de aangekondigde brede prioritering wordt vastgesteld hoe de programmering voor de komende jaren eruit komt te zien. Met deze prioritering willen we de basis van onze infrastructuur weer op orde te brengen en beschikbare middelen zo doelmatig mogelijk inzetten.
De veiligheid is door het uitstellen van het onderhoud niet in het geding en er is daarom geen sprake van snelheidsverlagende maatregelen en afsluitingen. Daar waar de veiligheid wel in het geding is neemt Rijkswaterstaat altijd de noodzakelijke maatregelen. De werkzaamheden die in uitvoering zijn gaan gewoon door.
Heeft u zicht op de onderhoudsopgave bij provincies, aangezien N-wegen ook deel uitmaken van deze onderhoudsstop? Zo ja, kan u deze toelichten?
De onderhoudsopgave van provincies en gemeenten valt onder hun eigen verantwoordelijkheid. Ook zij staan voor aanzienlijke uitdagingen op het gebied van beheer en onderhoud en vernieuwing. Ik blijf daarom goed met provincies en gemeenten in gesprek, mede ook omdat de uitkomsten van de prioritering gevolgen zullen hebben voor hun netwerken. Deze gesprekken zal ik blijven voeren, onder meer bij bestuurlijke overleggen MIRT die in het najaar van 2026 plaatsvinden.
Daarnaast stemmen Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten de planning en uitvoering van werkzaamheden op hoofd- en onderliggende netwerken zoveel mogelijk op elkaar af, zodat de bereikbaarheid gewaarborgd blijft en hinder voor gebruikers wordt beperkt.
In hoeverre speelt bij provincies een vergelijkbaar tekort voor de onderhoudsopgave als bij het Rijk?
Zie het antwoord op vraag 11.
Welke impact heeft deze onderhoudsstop op het aankomende afwegingskader voor de prioritering van infrastructuurprojecten?
Binnen de huidige financiële kaders is het noodzakelijk om onderhoudsmaatregelen zorgvuldig te prioriteren en waar nodig te faseren. Het geheel aan exploitatie en onderhoud inclusief uitgestelde werkzaamheden wordt meegenomen in deze prioritering op basis van het met de Tweede Kamer besproken afweegkader. In september zal ik de Kamer informeren over de uitwerking van het afweegkader. Deze uitwerking zal vervolgens met de Kamer en de regio’s worden besproken. De keuzes die hieruit voortvloeien worden in de Voorjaarsnota 2027 verwerkt.
Het massaal niet doorbetalen van huishoudelijke hulpen bij ziekte |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat negen op de tien huishoudens hun huishoudelijke hulp niet doorbetalen bij ziekte terwijl dat wel wettelijk verplicht is?1
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat een grote groep huishoudelijke hulpen inkomsten misloopt doordat werkgevers hun wettelijke verplichtingen niet nakomen? Zo nee, waarom niet?
Welke acties heeft het kabinet de afgelopen tien jaar ondernomen om huishoudens en huishoudhulpen te informeren over hun rechten en plichten?
Vindt u deze voorlichting voldoende? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt momenteel gecontroleerd of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting om loon door te betalen bij ziekte?
Hoeveel meldingen, klachten, onderzoeken en handhavingsacties zijn er de afgelopen vijf jaar geweest met betrekking tot het niet naleven van de Regeling dienstverlening aan huis?
Welke mogelijkheden hebben huishoudelijke hulpen om hun recht op loondoorbetaling af te dwingen?
Vindt u deze mogelijkheden toegankelijk genoeg voor mensen met een laag inkomen?
Deelt u de mening dat huishoudelijke hulpen door de huidige regeling in een kwetsbare positie verkeren, omdat zij afhankelijk zijn van particuliere werkgevers die vaak niet op de hoogte zijn van hun verplichtingen of deze niet nakomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat huishoudhulpen krijgen waar zij recht op hebben?
Bent u het ermee eens dat de regeling dienstverlening aan huis opnieuw tegen het licht moet worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u uitdrukken welke groepen door de aanscherping van de referte-eis geen recht meer hebben op Werkloosheidswet (WW-)uitkering (in de huidige situatie wel WW zouden krijgen, maar door de aanscherping niet meer)? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot Algemene Ouderdomswet (AOW-)leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Kunt u uitdrukken wat de gevolgen zijn van de inkorting van de maximale WW-duur en de vertraagde opbouw van WW op de gemiddelde WW-duur? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot AOW-leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW daadwerkelijk werkloos is?
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW een baan naast de WW heeft?
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst binnen keuringen er wordt bespaard door de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) af te schaffen? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst het oplevert dat mensen binnen de IVA niet herkeurd hoeven te worden, terwijl dit voor andere populaties binnen de WIA wel geldt? Kunt u aangeven hoe vaak er gemiddeld herkeuringen plaatsvinden binnen de periode dat mensen in de WIA zitten? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
Heeft u kennisgenomen van het artikel van de Telegraaf over «Broer van ernstig mishandeld meisje (6) Stadskanaal wil nooit meer iets met zijn moeder te maken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de gerechtelijke uitspraak waarin wordt vastgesteld dat deze 14-jarige jongen slachtoffer is geweest van mishandeling, misbruik en een langdurig onveilige opvoedsituatie?2
Ja.
Welke concrete hulp ontvangt deze jongen op dit moment en welke organisatie voert de regie over zijn herstel en veiligheid?
Ieder kind verdient het om veilig op te groeien en de juiste zorg te ontvangen. Wanneer een kinderrechter heeft besloten tot een kinderbeschermingsmaatregel, is het aan de gecertificeerde instelling om vervolgens uitvoering daaraan te geven. Het is de verantwoordelijkheid van de gecertificeerde instelling om een plan van aanpak op te stellen, jeugdhulp in te zetten en zicht te houden op de veiligheid van het kind. Het is niet mijn rol om te oordelen over of te controleren hoe de uitvoering van specifieke kinderbeschermingsmaatregelen plaatsvindt.
Wie is eindverantwoordelijk voor de veiligheid van deze jongen en hoe wordt gecontroleerd of gemaakte veiligheidsafspraken daadwerkelijk worden nageleefd?
De gecertificeerde instelling is verantwoordelijk voor het zicht op de veiligheid van het kind.
Kan worden bevestigd dat deze jongen, ondanks de ernstige bevindingen van de rechter, nog steeds bij zijn vader verblijft? Op basis van welke veiligheidsafweging is dat gebeurd?
Zie het antwoord op vraag 3 en de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland.
Hebben onafhankelijke deskundigen beoordeeld dat verblijf bij de vader in het belang van deze jongen is? Zo ja, welke deskundigen waren daarbij betrokken en welke overwegingen lagen aan dat oordeel ten grondslag?
Zie het antwoord op vraag 3. Aanvullend daarop wijs ik erop dat de onafhankelijke kinderrechter zich over deze zaak heeft gebogen en een beslissing heeft genomen. Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken deze casus expliciet mee te nemen in het lopende onderzoek naar de opvolging van signalen van kindermishandeling en kindveiligheid?
Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie Justitie en Veiligheid om te beoordelen of en welk onderzoek nodig is. De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht. Het is niet aan mij om onderzoek op te dragen.
Bent u bereid de IGJ specifiek te laten onderzoeken hoe signalen over deze jongen zijn opgepakt, welke instanties betrokken waren, wie de regie voerde en waarom niet eerder is ingegrepen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Deelt u de opvatting dat wanneer een rechter vaststelt dat een minderjarige slachtoffer is geweest van mishandeling en misbruik, maximale duidelijkheid nodig is over de vraag welke bescherming en begeleiding vervolgens wordt geboden?
De bescherming en begeleiding van kinderen op wie een kinderbeschermingsmaatregel van toepassing is, wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. Dit is ook in dit geval aan de orde. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
Bent u bereid bij de betrokken instanties op te vragen welke veiligheidsvoorwaarden zijn verbonden aan het verblijf van deze jongen bij zijn vader en de Kamer hierover te informeren?
Het is aan de betrokken uitvoeringsorganisaties om zorg te dragen voor het adviseren over, het besluiten over en het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen. Als stelselverantwoordelijke is het niet mijn rol om in casuïstiek te oordelen of te controleren.
Bent u bereid te laten toetsen of de huidige hulpverlening en veiligheidsmaatregelen passend zijn bij de ernst van de door de rechter vastgestelde feiten?
Ik verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 en vraag 10.
Kunt u inzichtelijk maken welke instanties voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak signalen hebben ontvangen over mishandeling, misbruik, verwaarlozing, schoolproblemen of andere veiligheidsrisico’s rond deze jongen?
Het is aan de inspecties om dit al dan niet mee te nemen in hun onderzoek naar de gebeurtenissen in Stadskanaal.
Bent u bereid een onafhankelijk feitenrelaas te laten opstellen van alle meldingen, interventies, risico-inschattingen en besluiten rondom deze jongen, zodat duidelijk wordt waar het stelsel heeft gefaald en welke verbeteringen noodzakelijk zijn?
Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen 3, 10 en 12.
Welke bevoegdheden gaat u vanaf vandaag concreet inzetten om te controleren of deze jongen daadwerkelijk veilig is, passende hulp ontvangt en niet opnieuw tussen instanties uit beeld raakt?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3. Het is aan de betrokken gecertificeerde instelling om hiervoor zorg te dragen.
Wilt u deze vragen uiterlijk 19 juni 16.30 uur beantwoorden in het belang van het kind?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Bent u bekend met de verklaring van de Amerikaanse Director of National Intelligence (DNI) Tulsi Gabbard van 12 juni 2026 en het bijbehorende persbericht van de Office of the Director of National Intelligence (ODNI), waarin openbaar is gemaakt dat de Verenigde Staten, en specifiek het Amerikaanse Ministerie van Oorlog, sinds 2005 meer dan veertig biolaboratoria in Oekraïne hebben gefinancierd en ondersteund?1, 2
Ja.
Was het kabinet eerder op de hoogte van de omvang en de aard van deze investeringen van het Amerikaanse Ministerie van Oorlog in Oekraïense biolaboratoria?
Het kabinet is op de hoogte van het Amerikaanse Biological Threat Reduction Programme.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, kunt u toelichten sinds wanneer u deze kennis had?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het denkbaar dat de aanwezigheid van door de Verenigde Staten en het Ministerie van Oorlog gefinancierde biolaboratoria met gevaarlijke pathogenen, dicht bij de Russische grens, door Rusland als een bedreiging is opgevat?
Nee.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, hoe duidt u dit provocerende handelen door de Verenigde Staten?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het denkbaar dat de Amerikaanse activiteiten in de ogen van Rusland een reden kunnen zijn geweest om in 2022 Oekraïne binnen te vallen?
Nee. Het is volstrekt duidelijk dat Rusland een illegale agressie oorlog tegen Oekraïne voert waar geen enkele rechtvaardiging voor bestaat.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u deze activiteiten niet relevant acht voor de duiding van de aanloop naar de oorlog in Oekraïne?
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u van de stelling van DNI Gabbard dat de volledige omvang van deze financiering destijds bewust verzwegen is gebleven voor het publiek?
Het kabinet recenseert dergelijke stellingen niet.
Hoe beoordeelt u het feit dat eerdere signalen over biolabs in Oekraïne destijds door de Minister van Buitenlandse Zaken zijn afgedaan als desinformatie en zelfs als een door Rusland geënsceneerde complottheorie?3
Het kabinet ziet geen reden om de eerdere classificatie aan te passen, namelijk dat deze berichtgeving over biolabs in Oekraïne desinformatie betreft.
Kunt u uiteenzetten welke gevolgen deze onthulling volgens u heeft voor de voortzetting van EU- en Nederlandse steun aan Oekraïne?
De Russische agressieoorlog tegen Oekraïne is en blijft illegaal. Rusland dient de oorlog te stoppen. Nederland steunt Oekraïne in de strijd tegen Russische agressie.
Dreigende elektriciteitstekorten |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe alarmerend is voor u de berichtgeving dat er volgens netbeheerder Tennet niet – zoals eerder voorspeld – vanaf 2030, maar al vanaf 2028 elektriciteitstekorten dreigen, waardoor delen van het land urenlang zonder elektriciteit komen te zitten?1
Het kabinet neemt de signalen uit de Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026, waarin TenneT waarschuwt dat het risico op een mogelijk elektriciteitstekort vanaf 2028 toeneemt, zeer serieus. Daarom heeft het kabinet de Kamer op 19 juni jl. geïnformeerd2 over het besluit om een capaciteitsmechanisme te introduceren om de voorzieningszekerheid te waarborgen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel en beschamend is dat – in Nederland waar het hebben van elektriciteit ooit, zoals het hoort, vanzelfsprekend was – de norm van een jaarlijks elektriciteitstekort van maximaal vier uur ruimschoots overschreden zal worden?
Het kabinet deelt de zorg van de Kamer en vindt het essentieel dat de norm niet overschreden wordt. Daarom introduceert het kabinet een capaciteitsmechanisme om voldoende elektriciteit beschikbaar te hebben.
Deelt u de mening dat het ronduit zorgwekkend is dat elektriciteitstekorten zich met name in de winter in de ochtend- en avonduren zullen voordoen, terwijl dat júíst de momenten zijn waarop huishoudens relatief veel energie verbruiken? Kunt u garanderen dat huishoudens níét in het donker en de kou komen te zitten?
Het kabinet erkent dat elektriciteitstekorten tijdens winterse ochtend- en avonduren, wanneer de vraag naar elektriciteit het hoogst is, volgens de MVZ 2026 een risico vormen. Het door het kabinet te introduceren capaciteitsmechanisme is er daarom op gericht om voldoende aanbod te genereren, ook tijdens deze piekmomenten. Hiermee wordt het risico dat huishoudens zonder stroom komen te zitten zoveel mogelijk beperkt.
Deelt u de mening dat het volstrekt tegenstrijdig en onuitlegbaar is:
De Europese en ook de Nederlandse economie is zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. Dat is een transitie.
De MVZ 2026 laat zien dat de druk op de voorzieningszekerheid het gevolg is van een combinatie van factoren, waaronder de groeiende elektriciteitsvraag door elektrificatie en de afname van regelbaar vermogen in Nederland evenals in omringende landen. De energietransitie brengt veranderingen in het elektriciteitssysteem met zich mee die vragen om aanpassing van zowel de energie-infrastructuur, zoals de aanpak van netcongestie, als de elektriciteitsmarkt middels een capaciteitsmechanisme.
Voorzieningszekerheid draait daarbij om voldoende beschikbaar vermogen en flexibiliteit in het elektriciteitssysteem als geheel, niet om één specifieke technologie. Daaraan kunnen verschillende technologieën bijdragen, waaronder batterijen, opslag, vraagrespons en gascentrales.
Hoe reageert u op Tennet dat stelt: «Vorig jaar adviseerden we nog om zo’n capaciteitsmechanisme te besturen. Dat heeft het kabinet ook gedaan. Maar nu is de tijd van bestuderen en adviesrapporten wel voorbij»? Komt u met een capaciteitsmechanisme? Zo ja, zal dit – zoals door Tennet geadviseerd – in de winter van 2029–2030 operationeel zijn? Zo nee, wat is dan wél uw oplossing?
Ja. Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld3.
Wat bedoelt u met uw uitspraak: «Ik wil een «verzekering» afsluiten die de risico’s op uitval vermindert, zodat Tennet ervoor kan zorgen dat er ook op termijn voldoende elektriciteit is»? Wat voor «verzekering» precies?
Met de «verzekering» wordt het marktbrede capaciteitsmechanisme bedoeld waar het kabinet aan werkt. Dit mechanisme zorgt ervoor dat voldoende regelbaar vermogen beschikbaar blijft om ook op piekmomenten aan de elektriciteitsvraag te voldoen. Aanbieders van elektriciteit ontvangen hiervoor een vergoeding voor het beschikbaar houden van capaciteit.
Deelt u, resumerend, bovenal de conclusie dat het veel beter is om:
Nee, het kabinet deelt die conclusie niet. Het doel van het klimaat- en energiebeleid is juist om toe te werken naar een energiesysteem dat betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam is. Daarbij zet het kabinet in op diverse maatregelen die leiden tot een mix van hernieuwbare energie, kernenergie, energiebesparing, flexibiliteit, opslag en voldoende regelbaar vermogen. Zoals ook aangegeven is in het antwoord op vraag 4, is de Europese en ook de Nederlandse economie zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. De MVZ 2026 onderstreept het belang van aanvullende maatregelen om de voorzieningszekerheid ook in de toekomst te waarborgen. Het kabinet neemt dit signaal serieus en werkt daarom aan een technologieneutraal capaciteitsmechanisme, waardoor verschillende technologieën en flexibiliteitsopties kunnen bijdragen aan de voorzieningszekerheid. Een dergelijke diversiteit draagt eveneens bij aan de weerbaarheid van het energiesysteem.
De detentie van de Nederlandse staatsburger Omar Elshal in Egypte |
|
Stephan van Baarle (DENK), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Eindhovense Omar kwijnt al acht maanden weg in Egyptische cel: een nachtmerrie»?1
Ja.
Welke consulaire en diplomatieke ondersteuning heeft Nederland sinds zijn arrestatie verleend aan de heer Elshal en zijn familie?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de diplomatieke inspanningen. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Wereldwijd zetten het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ambassades zich ten volle in voor consulaire bijstand aan en toegang tot Nederlandse gedetineerden die dat op prijs stellen. Dit geldt nadrukkelijk ook voor de door u opgebrachte gedetineerde Nederlander in Egypte.
Heeft de Nederlandse ambassade de heer Elshal bezocht tijdens zijn detentie? Zo ja, wat waren de bevindingen van deze bezoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke contacten heeft Nederland sinds zijn arrestatie onderhouden met de Egyptische autoriteiten over zijn detentie, rechtspositie, detentieomstandigheden en mogelijke vrijlating?
Zie het antwoord op vraag 2. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade blijven – als nodig in het individuele geval – de lokale autoriteiten verzoeken in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Heeft het kabinet bij de Egyptische autoriteiten zorgen geuit over zijn gezondheid, toegang tot medische zorg, juridische bijstand en contact met zijn familie? Zo ja, welke reactie heeft Egypte daarop gegeven?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de signalen van familieleden en vrienden dat de heer Elshal al maanden vastzit op basis van een volgens hen vage aanklacht en dat zijn voorlopige hechtenis herhaaldelijk wordt verlengd?
Zie het antwoord op vraag 2. De Nederlandse overheid mengt zich niet in het juridische proces van de staat van detentie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade dringen er wel bij de lokale autoriteiten op aan om, in lijn met internationale wet- en regelgeving, een eerlijke rechtsgang te waarborgen.
Hoe beoordeelt u de signalen van familieleden en vrienden dat zij de Nederlandse inzet tot nu toe als onvoldoende ervaren en aandringen op actievere betrokkenheid van de Nederlandse ambassade?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een Nederlandse staatsburger die al acht maanden vastzit in een buitenlandse gevangenis recht heeft op maximale diplomatieke inzet van de Nederlandse regering? Zo ja, hoe geeft u daar in deze zaak invulling aan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid deze zaak op politiek niveau bij de Egyptische autoriteiten aan de orde te stellen en alle beschikbare diplomatieke middelen in te zetten om de vrijlating van de heer Elshal en zijn terugkeer naar Nederland te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Taakdelegatie |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht verstrekken van alle taken die onderdeel uitmaken van de totale sociaal medische dienstverlening bij UWV; van het in ontvangst nemen van een aanvraag, het verzamelen van informatie, de onderdelen van een beoordeling, de monitoring en begeleiding van een uitkeringsgerechtigde, etc?
Het opstellen van het overzicht waar om wordt gevraagd is onderdeel van het onderzoekstraject dat SZW en UWV ingaan met de betrokken beroepsgroepen. Het doel van het onderzoekstraject is om, in samenwerking met professionals zoals verzekeringsartsen, sociaal-medisch verpleegkundigen, arbeidsdeskundigen en eventueel proces- of re-integratiebegeleiders, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden binnen de sociaal-medische dienstverlening.
De inzet is om het onderzoekstraject direct na de zomer 2026 op te starten. Het traject start met een inventariserend basisonderzoek. De resultaten van dit basisonderzoek moet in Q4 2026 worden opgeleverd.
Kan bij de beantwoording van vraag 1 per taak worden aangegeven wie deze taak nu (meestal) verricht en kan daarnaast worden aangegeven welke professionals die taak op basis van huidige wetgeving mogen verrichten?
Ja dat kan. Het vaststellen van het recht, de hoogte en de duur van een uitkering is een multidisciplinair proces. Binnen dit proces werken verschillende professionals samen.
Het doel van het onderzoekstraject (zoals ook omschreven in het antwoord op vraag 1) is om in samenwerking met professionals, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden. Daarbij wordt in beeld gebracht welke taken nu in de praktijk door welke professional worden uitgevoerd én welke taken binnen de huidige wet- en regelgeving door welke professional mogen worden uitgevoerd. Vanuit die basis onderzoeken we naar welke situatie we willen groeien en wat hiervoor nodig is.
In het kader van de kwaliteit van de beoordeling is het essentieel om helder vast te leggen waar de (eind)verantwoordelijkheid voor de beoordeling ligt, met bijzondere aandacht voor het borgen van de verantwoordelijkheden van de betrokken professionals. Ten aanzien van de sociaal-medische beoordeling wordt onderzocht welke taken zijn voorbehouden aan de arts en welke taken door andere professionals kunnen worden uitgevoerd. Dit onderscheid maakt onderdeel uit van het onderzoekstraject.
Kan bij de beantwoording van vraag 1 een onderscheid worden aangebracht tussen taken die volledig zijn voorbehouden aan verzekeringsartsen en taken die binnen de huidige wettelijk kaders ook door een andere sociaal medische professional mogen worden verricht?
Zie antwoord vraag 2.
Kan een dergelijk overzicht zoals bij vragen 2 en 3 voor de Ziektewet, WIA en Wajong afzonderlijk worden gegeven?
Per wet zal het gehele beoordelingsproces in beeld worden gebracht, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt welke specifieke taken door welke professional worden uitgevoerd. Dit is onderdeel van het onderzoekstraject.
Indien er taken worden uitgevoerd door de verzekeringsarts, terwijl deze binnen het huidige wettelijk kader ook door een andere professional kunnen worden uitgevoerd: welke (verklarende) factoren spelen daarbij een rol? Welke belemmeringen kunnen worden geduid? Welke randvoorwaarden zijn hier nodig? En hoe worden deze in de werkprocessen van UWV (structureel) geborgd of zouden deze geborgd kunnen worden?
Alle taken in het proces van de sociaal-medische beoordeling en dienstverlening worden in het onderzoekstraject geduid, waarna moet worden bepaald welke professional welke taken in de toekomstige situatie mag verrichten. Dit moet vervolgens een plaats krijgen in wet- en regelgeving. Naast de wet WIA bepalen ook het schattingsbesluit, jurisprudentie, professionele handreikingen en beroepsrichtlijnen welke taken wel of niet door andere professionals kunnen worden uitgevoerd.
Voor de dienstverlening in de Ziektewet geldt dat er nu al mogelijkheden zijn binnen de huidige wet- en regelgeving om andere professionals, zoals de sociaal-medische verpleegkundige, zelfstandiger in te zetten. Het werken met taakdelegatie is nu voor de verzekerarts nog steeds op vrijwillige basis en wordt op verschillende manieren uitgevoerd. UWV zet in de dienstverlening van de Ziektewet daarom reeds stappen richting verzelfstandiging van de sociaal-medisch verpleegkundige en werkt daarbij toe naar een meer uniforme uitvoering, binnen de huidige wet- en regelgeving. Belangrijke randvoorwaarden hierbij zijn een duidelijke taakafbakening, borging van de voor de taken benodigde competenties, passende opleiding en scholing, heldere professionele kaders, goede werkafspraken, juridische borging en een structurele verankering in processen, protocollen en de HRM-inrichting.
Bij wie ligt de (uiteindelijke) beslissing welke taak door wie wordt uitgevoerd? Welke sturing vindt hierop plaats, is hier sprake van een overkoepelend beleid of vaste werkafspraken?
De uiteindelijke verdeling van taken en bevoegdheden moet uiteindelijk een plaats krijgen in wet- en regelgeving, professionele richtlijnen, opleidingen, protocollen en de werkprocessen binnen UWV. Wet- en regelgeving wordt vastgesteld door de Tweede Kamer, de richtlijnen worden ontwikkeld door de professionals, en de protocollen en werkinstructies door UWV in samenwerking met de professionals.
Welke grenzen stelt de huidige wetgeving als het gaat om het laten uitvoeren van taken door een andere professional dan de verzekeringsarts? Welke aanpassingen zijn hierin mogelijk en worden hier al stappen op gezet?
Van oudsher zijn alleen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige opgenomen in de wetgeving omtrent de WIA. In het onderzoekstraject wordt onderzocht welke professional welke taken mag uitvoeren onder welke bevoegdheid. Naar aanleiding hiervan zal worden bezien of, en op welke wijze, wet- en regelgeving moeten worden aangepast.
Kunt u een beeld geven van de productiviteitswinst die er binnen de huidige wettelijke kaders kan worden bereikt door het beleggen van taken bij een andere professional dan de verzekeringsarts, zoals bij de sociaal medisch verpleegkundige (SMV’er)?
Dit moet in de loop van het onderzoekstraject duidelijk worden. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd over informeren. De mate van productiviteit is ook afhankelijk van andere factoren waar nu al hard aan wordt gewerkt binnen UWV. Ik verwijs hiervoor naar de kamerbrief
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
De cursusdag "Pleiten voor Palestina" voor advocaten |
|
Gidi Markuszower (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Eerenberg , van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de cursusdag voor advocaten onder de titel «Pleiten voor Palestina»?1
Ja, daarvan heb ik kennisgenomen.
Deelt u de mening dat advocaten in de eerste plaats juristen horen te zijn en geen politieke activisten? Zo nee, waarom niet?
Advocaten hebben dezelfde vrijheden als eenieder in Nederland. Daarbij hebben zij zich te houden aan de wet die geldt voor alle Nederlanders en, vanwege hun functie als advocaat, de beroepsspecifieke wet- en regelgeving voor de advocatuur. Het staat advocaten vrij om cursussen en trainingen te volgen die hun interesse wekken of die zij relevant achten voor hun beroepsuitoefening. Dat geldt ook voor deze cursusdag.
Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat permanente educatie voor advocaten wordt gebruikt voor politieke campagnes of ideologische beïnvloeding in plaats van juridische scholing?
Zie het antwoord op vraag 2. Het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten stelt bij verordening regels vast die betrekking hebben op de eisen ter bevordering van de vakbekwaamheid van advocaten en de kwaliteit van de beroepsuitoefening.2 De wijze waarop dat gebeurt is vastgelegd in door het college van afgevaardigden vastgestelde Verordening op de advocatuur.3 Het is daarmee dus aan de Nederlandse orde van advocaten om als regelgevende bevoegdheid voor de advocatuur de educatie voor advocaten in te richten. Als bewindspersoon heb ik daar geen bemoeienis mee.
De Nederlandse orde van advocaten heeft mij laten weten dat de organisatie die de betreffende cursus organiseert een niet door de Nederlandse orde van advocaten erkende opleidingsinstelling is en bijgevolg niet bevoegd is tot het zelfstandig toekennen van erkende PO-punten. Na deelname aan de cursus kan een advocaat aan de lokale deken verzoeken om toekenning van PO-punten. Het is aan de lokale deken om deze punten wel of niet toe te kennen.
Deelt u de opvatting dat een cursusdag onder de titel «Pleiten voor Palestina» geen recht zou mogen geven op PO-punten voor advocaten en bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de voor deze cursusdag toegekende vier PO-punten alsnog worden geschrapt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de organiserende stichting Muslim Rights Watch Nederland beschikt over een ANBI-status? Zo ja, op basis van welke activiteiten is deze status verleend?
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat Stichting Muslim Rights Watch Nederland de ANBI-status heeft vanaf 7 juli 2020. Omdat de Belastingdienst is gehouden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
Deelt u de opvatting dat een ANBI-status bedoeld is voor organisaties die zich inzetten voor het algemeen belang en niet voor politieke campagnes of activistische belangenbehartiging? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut moet beogen om als ANBI aangemerkt te worden. Het begrip algemeen nut is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën4 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig.
Vindt u dat het organiseren van een cursusdag als «Pleiten voor Palestina» past bij de voorwaarden die gelden voor organisaties met een ANBI-status? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid kritisch te kijken naar de ANBI-status van organisaties die zich in de praktijk steeds meer bezighouden met politieke actievoering en activisme? Zo nee, waarom niet?
Uit artikel 5b AWR volgt dat de beoordeling inzake de ANBI-status uitsluitend aan de inspecteur van de Belastingdienst is en dat de inspecteur voor de beslissing om een ANBI-status in te trekken is gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Vanwege het eerder genoemde neutrale karakter van de ANBI-regeling zijn gedragingen die niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut geen reden om de ANBI-status in te trekken.
Bent u bereid de ANBI-status van Muslim Rights Watch Nederland in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
De inzet van externe verzekeringsartsen door het UWV |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe zorgt UWV ervoor dat zij gebruik kan maken van verzekeringsartsen die niet werkzaam zijn bij UWV maar elders werken?
UWV ziet binnen de huidige wetgeving geen mogelijkheden om verzekeringsartsen in te huren die als zelfstandige werken (ZZP-ers), daarom heeft UWV de inhuur van ZZP verzekeringsartsen per 1 oktober 2025 afgebouwd. UWV kan binnen de huidige wet- en regelgeving nog wel artsen inhuren op detacheringsbasis.
Klopt het dat UWV vanwege de wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) geen zelfstandige verzekeringsartsen meer inhuurt waarbij geldt dat zij door de aard van het werk eigenlijk werknemers zouden moeten zijn?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat UWV deze zelfstandigen een aanbod voor een dienstverband heeft gedaan? Hoeveel van hen hebben dit geaccepteerd en hoeveel fte levert dit op?
Dat klopt, alle verzekeringsartsen die als zelfstandige bij UWV werkzaam waren hebben in de periode voor 1 oktober 2025 meerdere keren het aanbod gehad om bij UWV in dienst te komen. Er hebben 23 mensen van dat aanbod gebruik gemaakt.
Klopt het dat UWV echter ook geen partijen meer inzet waar verzekeringsartsen zijn aangesloten en werken op basis van een dienstverband?
Nee dat klopt niet. De wet DBA verhinderd dit niet, mits de externe artsen in loondienst zijn bij deze externe partijen. Zie vraag 6 voor een toelichting.
Klopt het dat dit binnen de wet DBA wel mogelijk zou zijn?
Het inzetten van externe partijen kan juridisch veilig onder de Wet DBA, mits de artsen die het werk uitvoeren in loondienst zijn bij die externe partij.
Klopt het dat dergelijke externe partijen tot wel duizenden keuringen zouden kunnen uitvoeren? Om hoeveel capaciteit gaat het?
UWV heeft regelmatig contact met de partijen in de markt. Op dit moment is er geen aanbod van te detacheren verzekeringsartsen.
Hoe veel capaciteit zou er nodig zijn om de tekorten bij UWV weg te werken?
UWV kampt al enkele jaren met een tekort aan verzekeringsartsen. Daardoor zijn de achterstanden de afgelopen jaren fors opgelopen. Er is op jaarbasis een tekort van ruim 200 artsen. En om opgelopen achterstanden weg te werken is er voor de duur van 1 jaar een capaciteit van 750 Fte nodig. Deze capaciteit is op dit moment niet in de markt van te detacheren verzekeringsartsen beschikbaar.
Ziet u mogelijkheden om partijen in het veld waar verzekeringsartsen werkzaam zijn binnen de wet DBA in te zetten voor aanvragen, herbeoordelingen of eerstejaars ziektewetbeoordelingen of anderzijds projecten op te pakken die de workload van UWV kunnen verlichten?
Het inhuren van verzekeringsartsen op detacheringsbasis is mogelijk binnen de huidige wet- en regelgeving. Een inventarisatie door UWV heeft uitgewezen dat deze markt geen groot aanbod aan te detacheren verzekeringsartsen kent. Juridisch is dit mogelijk maar de benodigde capaciteit is op dit moment niet beschikbaar.
UWV richt zich op de mogelijkheden die wél kunnen. Voor de werving van verzekeringsartsen hanteert UWV hanteert al jarenlang actieve wervingsstrategieën om artsen aan te trekken voor de verzekeringsgeneeskunde bij UWV. In het strategische personeelsplan van UWV wordt een apart hoofdstuk gewijd aan de werving van artsen inclusief gerichte doelstellingen. Hierover heb ik u geïnformeerd in de Kamerbrief van juni 20251.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
Ja
De woonquote van starters |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Huurders veel groter deel inkomen kwijt aan woonlasten» van de Volkskrant en de onderliggende CBS-cijfers?1
Ja.
Hoe ziet u de relatie tussen het schaarse aanbod in de koopsector en de private huursector en de oplopende woonlasten?
Het CBS brengt jaarlijks de woonquote in beeld, wat de totale woonlasten weergeeft als percentage van het besteedbaar inkomen. Daaruit blijkt een daling in woonquote voor alle doelgroepen op de woningmarkt in de periode van 2018–2024. Voor huurders van een woningcorporatie daalde de woonquote het sterkst. Huurders in de private sector zijn het grootste deel van hun inkomen kwijt aan woonlasten. Alhoewel de woonquote voor alle groepen is gedaald, zijn de absolute woonlasten gestegen in zowel de koopsector als de private huursector. Dit is met name het gevolg van de algehele schaarste op de woningmarkt en inflatie, die de prijzen omhoog drukken. Desondanks daalt de woonquote, doordat inkomens harder zijn gestegen dan deze woonlasten.
Hoe ziet u de relatie tussen de hoge inkomstenbelastingen en de woonquote?
Zoals toegelicht in antwoord 2 is de woonquote de afgelopen jaren gedaald, mede doordat inkomens sterker zijn gestegen dan woonlasten. De stijging van het besteedbaar inkomen is met name toe te schrijven aan een stijging van de cao-lonen.2 Ik zie dan ook geen oorzakelijk verband tussen de ontwikkeling van de inkomstenbelasting en de woonquote.
Volgens het onderzoek zijn de absolute woonlasten met ruim 22% gestegen tussen 2018 en 2023, wat gaat u doen om de absolute lasten terug te dringen?
Uit het onderzoek blijkt dat de absolute woonlasten voor huurders in de private sector zijn gestegen met ruim 22% tussen 2018 en 2023. Voor huurders bij een woningcorporatie zijn de absolute woonlasten in deze periode gestegen met circa 11% en voor eigenaar-bewoners met ruim 6%. In procentuele zin zijn de woonlasten voor alle groepen afgenomen in dezelfde periode, doordat inkomens harder zijn gestegen dan deze woonlasten.
Een deel van de stijgende absolute woonlasten is het gevolg van de hoge energieprijzen. Naar aanleiding van het conflict in het Midden-Oosten zijn er door het kabinet maatregelen genomen om verduurzaming te versterken en energiegebruik te verminderen. Energiebesparende maatregelen vormen een structurele oplossing om het energiegebruik te verminderen en daarmee de absolute woonlasten terug te dringen.
Daarnaast komt het kabinet in september vanuit de Taskforce Versnelling Woningbouw met een integraal actieplan om het aanbod aan betaalbare huurwoningen toe te laten nemen.
In hoeverre heeft de invoering van de Wet betaalbare huur bijgedragen aan het verder verkrappen van het aanbod en in hoeverre heeft dit geleid tot een netto uitstroom van huurwoningen uit de private sector?
Vanaf de invoering van de Wet betaalbare huur op 1 juli 2024 zijn er ca. 124.000 woningen door private verhuurders verkocht en ca. 55.000 woningen aangekocht. Per saldo zijn er dus ca. 69.000 woningen door private verhuurders verkocht. Gecorrigeerd voor nieuwe toevoegingen door onder andere nieuwbouw is de totale woningvoorraad van private verhuurders sinds 1 juli 2024 afgenomen met ca. 19.000 woningen.
Dit is niet enkel het gevolg van de Wet betaalbare huur, maar is het gevolg van een combinatie aan beleidsmaatregelen en macro-economische omstandigheden. Sinds 2021 verkopen investeerders namelijk al meer woningen dan dat ze aankopen. Daarnaast is het belangrijk om te benoemen dat de verkochte woningen niet allemaal betaalbare huurwoningen zijn. Wel zie ik dat het aanbod aan (midden)huurwoningen onder druk staat. Per 1 januari 2027 wordt de Wet betaalbare huur geoptimaliseerd. Deze maatregelen bieden verlichting op specifieke knelpunten die worden ervaren door private verhuurders. Daarnaast bevat het actieplan van de Taskforce maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren.
In hoeverre zorgen fiscale prikkels als de overdrachtsbelasting voor een stagnerende doorstroom?
In algemene zin zorgt de overdrachtsbelasting ervoor dat eigenaar-bewoners een fiscale prikkel ervaren om in de huidige woning te blijven wonen.3 Tegelijkertijd gelden er binnen de overdrachtsbelasting verlaagde tarieven; 2% voor verkrijgers van woningen die er zelf in gaan wonen en voor starters die aan de voorwaarden voldoen geldt sinds 2021 een vrijstelling.
Bent u bereid dit fiscale instrument te heroverwegen?
Zoals in het vorige antwoord aangegeven zijn er reeds verlaagde tarieven in de overdrachtsbelasting voor eigenaar-bewoners. Het aantal woningverkopen is de afgelopen jaren stabiel en het afschaffen van de overdrachtsbelasting gaat gepaard met een forse derving die gedekt moet worden.
In hoeverre heeft de toegenomen regulering van de huurmarkt particuliere beleggers ontmoedigd te investeren in nieuwe huurwoningen?
Zoals aangegeven bij vraag 5 heeft een combinatie aan maatregelen in het huur- en fiscale beleid en veranderde macro-economische omstandigheden bijgedragen aan een verslechterd investeringsklimaat voor private verhuurders.
Hoeveel private huurwoningen zijn er de afgelopen drie jaar uit de markt gehaald als gevolg van de gewijzigde regelgeving rondom huurprijsregulering en de box 3-belasting?
Sinds 1 juli 2023 zijn er ca. 158.000 woningen door private verhuurders verkocht en ca 60.000 woningen aangekocht. Per saldo zijn er dus ca. 98.000 woningen door private verhuurders verkocht. Daarnaast zijn er 87.000 woningen toegevoegd door o.a. nieuwbouw en transformaties. De totale woningvoorraad van private verhuurders is daarmee sinds 1 juli 2023 afgenomen met ca. 11.000 woningen.
Zoals in eerdere antwoorden aangegeven, heeft een combinatie aan maatregelen in zowel het huur- als fiscale beleid en de veranderde (macro-)economische omstandigheden geresulteerd in een verslechterd investeringsklimaat voor private verhuurders. Dit heeft ertoe geleid dat sommige verhuurders besluiten hun woningen te verkopen. Het is niet mogelijk onderscheid te maken tussen het effect van individuele maatregelen.
Kunt u onderzoeken of een verlaging van de inkomstenbelasting, specifiek op werkenden, kan bijdragen aan het vergroten van de financiële ruimte?
Een verlaging van de inkomstenbelasting voor werkenden kan uiteraard bijdragen aan het vergroten van de financiële ruimte van huishoudens. Hier is volgens de begrotingsregels vanzelfsprekend wel dekking voor nodig.
Overweegt u een verhoging van de arbeidskorting of algemene heffingskorting als instrument om het netto besteedbaar inkomen van huurders reëel te vergroten?
Beide zijn generieke instrumenten die aangrijpen op arbeid en inkomen. Ze maken geen onderscheid tussen huurders en eigenaar-bewoners en zijn daarom geen logisch of geschikt instrument om gericht te sturen op de positie van huurders of eigenaren.
Indien het antwoord op vraag 11 ontkennend luidt, welke alternatieven ziet u dan?
Een instrument dat wel specifiek aangrijpt op sommige huurders is de huurtoeslag.
Het artikel ‘Waarom pakt de politie het misbruik van witte kentekenplaten niet aan?’ |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Waarom pakt de politie het misbruik van witte kentekenplaten niet aan?»1
Klopt het dat bestuurders van auto’s met een buitenlands kenteken de wegenbelasting, BPM én APK-verplichtingen ontlopen?
Hoeveel boetes zijn de afgelopen vijf jaar uitgeschreven met betrekking tot voertuigen die te lang zijn blijven rijden met een buitenlands kenteken?
Heeft u zicht op het aantal langdurig in Nederland verblijvende arbeidsmigranten die niet geregistreerd staan in de Basisregistratie Personen?
Gelet op het feit dat volgens het rapport «Onderzoek opgave arbeidsmigratie in de provincie Zuid-Holland» het aantal niet geregistreerde arbeidsmigranten maar liefst 47% van het totaal zou kunnen zijn: is deze verhouding indicatief voor Nederland an sich?2
Welke criteria worden gebruikt om vast te stellen of er bij een auto sprake is van «duurzaam gebruik» in Nederland, waarbij een Nederlands kenteken verplicht is?
In hoeverre is handhaving op «duurzaam gebruik» realistisch aangezien het langdurig, individueel, anderszins onopvallend gedrag betreft?
In hoeverre wordt handhaving bemoeilijkt door het feit dat voertuigregistratie, fiscale afhandeling en de signalering van overtredingen allemaal bij andere instanties liggen?
Bij wie ligt de bewijslast bij een mogelijke overtreding? Wanneer is het aannemelijk genoeg dat er sprake is van een voertuig met «duurzaam gebruik» om te handhaven op het kenteken?
Heeft u zicht op hoeveel geld de overheid misloopt door gebrekkige handhaving wat betreft het langdurig gebruik van buitenlandse kentekens?
Is het mogelijk de handhavingsketen te stroomlijnen zonder extra administratieve lasten te creëren voor zowel bedrijven als overheidsinstanties?
In hoeverre ziet u kansen om met ANPR-systemen en (bestaande) verkeerscamera’s signalering en dus handhaving te vereenvoudigen?
Bent u bekend met het plan «Zo werkt arbeidsmigratie voor iedereen»?3
Bent u bereid om uitvoering te geven aan het eerste punt onder hoofdstuk 2.1 waar gevraagd wordt om een dekkend registratiesysteem voor arbeidsmigranten, gekoppeld aan het BRP?
Bent u het met ons eens dat een dergelijk systeem zou kunnen helpen bij de handhaving rondom het «duurzaam gebruik» van auto’s in Nederland die desondanks met een buitenlands kenteken blijven rijden?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Aerdts , Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Ja, ik ben bekend met het artikel. Ik erken dat de combinatie van sociale media, gepersonaliseerde aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve aankopen kan vergroten.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Ik deel de zorgen over manipulatieve ontwerpkeuzes bij sommige webshops. In dat kader zet het kabinet via de aangekondigde Digital Fairness Act (DFA) in op een verdere aanpak van dark patterns door het reeds bestaande verbod uit de Digital Services Act (DSA)2 over te nemen in het algemene consumentenrecht en het expliciet verbieden van specifieke dark patterns, zoals het emotioneel manipuleren van consumenten om bepaalde acties te verrichten3. Daarnaast is misleiding van consumenten reeds verboden onder het bestaande consumentenrecht. Of er sprake is van een overtreding is aan het oordeel van de toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Ik erken dat deze verkooptechnieken consumenten – en met name jongeren – kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten. Dat is zorgelijk. TikTok geeft aan een leeftijdsgrens van 18 jaar te hanteren voor de Tiktokshop. Op grond van het consumentenrecht zijn misleidende praktijken – zoals misleidende aftelklokken en het onterecht claimen van schaarste- reeds verboden4. Monitoring en handhaving hiervan valt in Nederland onder de verantwoordelijkheid van ACM.
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
De ACM en de Europese Commissie houden toezicht op de naleving van de DSA. In het geval van «zeer grote online platforms» zoals Tiktok is dit primair de taak van de Europese Commissie. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op naleving van de AVG.
Voor een «zeer groot online platform» als Tiktok gelden op basis van de DSA de meest strenge eisen. Zo is TikTok verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeem risico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van Tiktokshop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeem risicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd. Ook heeft TikTok desgevraagd aangegeven doorlopend contact te houden met nationale toezichthouders.
TikTok is niet gevestigd in Nederland, maar in Ierland. Hierdoor is het handhavingsperspectief van de ACM wanneer het gaat om optreden op basis van de DSA in deze casus beperkt. Dit is aan de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder. Wel werkt de ACM nauw samen met de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder, bijvoorbeeld door het verzamelen en doorsturen van ontvangen meldingen over Tiktok(shop). De ACM heeft naar aanleiding van de inwerkingtreding van de DSA extra capaciteit gekregen om haar taken uit te voeren.
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
De ACM heeft richting mij aangegeven actief te zullen toezien op de naleving van de relevante wet- en regelgeving, waaronder het monitoren van consumentenklachten en andere parameters die zij relevant acht. Ook de Europese Commissie houdt actief toezicht op de naleving van de DSA. Zo heeft de Europese Commissie in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA.5 De ACM staat in dit verband ook in nauw contact met de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder op de DSA. Mochten hieruit bevindingen komen die van belang zijn voor het bredere beleid, dan zal ik de Kamer hierover informeren.
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van Tiktokshop in andere landen. Waar nodig werkt de ACM echter (in het kader van de DSA en consumentenwetgeving) samen met toezichthouders uit andere lidstaten.
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Momenteel biedt bestaande regelgeving – onder meer de DSA, de AVG en de consumentenwetgeving – al een stevig kader voor social-commerce platforms. Zo is TikTok in het kader van de DSA verplicht om jaarlijks systeemrisicobeoordelingen uit te voeren en moet het bedrijf voldoen aan regels met betrekking tot transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns). Van een dark pattern onder de DSA is sprake in het geval dat online platforms hun interface zodanig ontwerpen, organiseren of beheren dat zij de afnemers van hun dienst misleiden of manipuleren of hun vermogen om vrije en geïnformeerde beslissingen te nemen, anderszins wezenlijk verstoren of ondermijnen.
Daarbovenop biedt de DFA, die momenteel in Europees verband wordt ontwikkeld, een goede mogelijkheid om de bestaande consumentenregelgeving verder aan te scherpen. Hiermee zal aanvullende bescherming worden geboden aan consumenten online, met name voor kwetsbare groepen zoals jongeren. In dat kader zet ik mij actief in voor de opname van een verbod op verslavende ontwerptechnieken, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en een verbod op dark patterns in het consumentenrecht. Met deze aanvullende regelgeving zal een nog stevigere basis worden gelegd voor de regulering van social-commerceplatforms.
Het bericht 'Gronings chemiebedrijf liet illegaal zoutafval dumpen rond Nederlands-Belgische grens' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Bertram , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Welke informatie heeft u ontvangen over de illegale verspreiding van circa vijf miljoen kilogram afvalzout nabij de Nederlands-Belgische grens, waaronder de periode waarin dit heeft plaatsgevonden, de betrokken locaties en de mogelijke gevolgen voor bodem, grond- en oppervlaktewater?1
Vanuit de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is in kader van toezicht en handhaving onderzoek gedaan. De ILT heeft in 2025 een melding ontvangen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Het Openbaar Ministerie (OM) is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar het handelen van het bedrijf. Zolang er een strafrechtelijk onderzoek loopt, kan er verder niet in detail op de zaak worden ingegaan.
Heeft onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijke gevolgen van deze afvaldumpingen voor Nederlandse KRW-oppervlaktewaterlichamen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog uit te laten voeren?
Dit ligt bij het bevoegd gezag. Voor Nederlandse regionale oppervlaktewateren is dit het waterschap, niet het Rijk.
Op welke wijze wordt momenteel in beeld gebracht welke gevolgen de verhoogde zoutbelasting kan hebben voor de kwaliteit en het gebruik van landbouwgronden, natuurgebieden en waterlichamen in het grensgebied?
Ook dit ligt bij de bevoegde gezagen. In Nederland is dat voor oppervlaktewaterkwaliteit het waterschap, voor grondwater de provincie.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van deze verontreiniging voor het behalen van de KRW-doelen en voor reeds gedane investeringen in de verbetering van de waterkwaliteit in grensoverschrijdende stroomgebieden?
Voor de KRW wordt gemonitord en getoetst volgens het voorgeschreven protocol. Indien nodig zou het bevoegd gezag aanvullend hierop extra metingen kunnen doen om mogelijke effecten te kunnen bepalen.
Hoe beoordeelt u het feit dat een stof die mogelijk als afvalstof had moeten worden aangemerkt gedurende meerdere jaren als product of bodemverbeteraar kon worden verhandeld en toegepast? Welke lessen worden hieruit gehaald voor het verbeteren van het toezicht op dergelijke reststromen?
In zijn algemeenheid is het onwenselijk wanneer materialen worden toegepast die ongunstige effecten voor mens en milieu hebben. Ik kan echter niet ingaan op of hiervan sprake is in deze specifieke casus, aangezien er een strafrechtelijk onderzoek loopt.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat afvalstoffen onder het mom van een product of grondstof worden verspreid? En welke maatregelen worden genomen om het toezicht op industriële afvalstromen en grensoverschrijdende afvalverwerking te verbeteren?
In Nederland geldt dat de verantwoordelijkheid voor het beoordelen of een materiaal een product/grondstof is of afval (de afvalstatus), in eerste instantie bij de bedrijven zelf ligt. Het is aan de omgevingsdiensten om die beoordeling te toetsen en erop toe te zien dat bedrijven handelen conform wet- en regelgeving. Het ministerie biedt diverse ondersteuning voor bedrijven en bevoegde gezagen bij de afvalstatusbeoordeling.
Een juiste afvalstatusbeoordeling is van belang voor de toepassing van afvalstoffenwetgeving in het geval van afvalstoffen, waaronder de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) wanneer sprake is van grensoverschrijdend transport. Dan kan de Inspectie Leefomgeving en Transport, als toezichthouder voor de EVOA, toezien op het transport en controleren of de voorgestelde toepassing of verwerking van de afvalstoffen in het land van ontvangst zijn toegestaan.
Het ministerie neemt op dit moment verschillende maatregelen om de uitvoeringspraktijk nog verder te versterken. De beschikbare ondersteuning vanuit het Rijk is getoetst bij stakeholders en wordt aangescherpt om beter aan te sluiten bij wensen en behoeften van bedrijven en bevoegde gezagen. Daarnaast zorgt kennisplatform «Afval of niet» voor meer kennisopbouw en -deling tussen omgevingsdiensten.
Op 21 mei jl. is de nieuwe Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA 2024) in werking getreden. Onder deze nieuwe EVOA vinden een aantal wijzigingen en aanscherpingen plaats t.a.v. afvaltransport, waardoor het toezicht wordt verbeterd. Dankzij een centraal EU digitaal systeem (DIWASS) kan er beter toezicht worden gehouden op afvalstromen. Dankzij dit systeem krijgen de ILT en inspecteurs van omgevingsdiensten een compleet beeld van de aan- en afvoer van afvalstoffen bij (afval-)bedrijven waarop zij toezicht houden. De ILT zal ervoor zorgen dat Douane en politie direct toegang tot dit systeem kunnen krijgen en betrokkenen opleiden voor gebruik ervan. Bij hun (transport-)controles kunnen zij dan nagaan of aan alle vereisten wordt voldaan.
Is bekend of vergelijkbare afvalstromen van dit bedrijf ook op andere locaties in Nederland of andere Europese landen zijn toegepast of verspreid? Zo ja, welke risico’s brengt dit met zich mee en welke maatregelen worden genomen om eventuele verdere milieuschade te voorkomen?
Bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) zijn alleen gevallen van de illegale overbrenging van afvalzout naar België, Polen en Duitsland bekend. ILT heeft met de buitenlandse autoriteiten contact hierover opgenomen. Vanuit België en Polen ligt er een verzoek om het afval terug te halen. Afvalstoffen die illegaal zijn overgebracht moeten namelijk terug naar het land van herkomst (in dit geval Nederland). Daar is het betrokken bedrijf verantwoordelijk voor en de ILT houdt daar toezicht op.
Voor de afvalstoffen die reeds (voorlopig) zijn toegepast of verwerkt, bestaat niet meer de plicht van artikel 25 EVOA om het terug te halen. De ILT heeft hierover contact gehad met de Duitse en Belgische autoriteiten. In Duitsland is het zout gemengd met grit, wat gebruikt wordt om bij gladheid op de wegen te strooien. Het zout is dan zodanig gemengd, dat het niet meer als afvalzout aangemerkt kan worden.
De continuïteit van huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u net als de indiener signalen ontvangen dat de continuïteit van de huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden onder druk staat doordat er geen structurele vergoeding bestaat voor de beschikbaarheid tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW)?
VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en ben ervan op de hoogte dat er uitdagingen zijn bij het organiseren van de huisartsenzorg tijdens avond-, nacht- en weekenduren op de (Friese) Waddeneilanden. Het is bekend dat praktijkhouders zelf aangeven dat de vergoeding voor (bereikbaarheid tijdens) ANW-diensten hier een van de oorzaken van is.
Het is de inzet van het kabinet dat de continuïteit en kwaliteit van huisartsenzorg overal in Nederland, en dus ook op de (Friese) Waddeneilanden, gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de preferente zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de situatie op de Friese Waddeneilanden wezenlijk verschilt van die op het vasteland, omdat patiënten niet eenvoudig kunnen uitwijken naar een huisartsenpost, spoedeisende hulp of andere vormen van vervolgzorg? Zo nee, waarom niet?
Ja, zowel partijen uit de regio als de NZa en LHV geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de Kamerleden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Bent u ermee bekend dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden naast reguliere huisartsenzorg vaak ook taken verrichten op het gebied van spoedzorg, radiologie, traumatologie, apotheekzorg en op sommige eilanden zelfs verloskunde?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden tijdens ANW-diensten uitsluitend worden vergoed voor daadwerkelijk geleverde consulten en verrichtingen, terwijl zij gedurende die gehele periode beschikbaar en inzetbaar moeten zijn voor spoedzorg?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland en dat hiervoor ook een andere wijze van bekostigen geldt. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Deelt u de zorg dat het ontbreken van een vergoeding voor beschikbaarheid en bereikbaarheid het voeren van een huisartsenpraktijk op de Friese Waddeneilanden minder aantrekkelijk maakt en daarmee een risico vormt voor de continuïteit van zorg voor zowel inwoners als bezoekers van de eilanden? Zo nee, waarom niet?
Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor wel van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat verzekeraars passende en doelmatige financiering kunnen organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en de preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Acht u het op de langere termijn houdbaar dat een zeer beperkte groep huisartsen verantwoordelijk is voor een groot aantal ANW-diensten per jaar, terwijl de werkdruk hoog is en het door de gebrekkige financiering van deze diensten steeds moeilijker wordt om waarnemers en huisartsen in dienstverband te vinden en te behouden?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5, zet het kabinet in op continuïteit van huisartsenzorg in elke regio en is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de Nederlandse Zorgautoriteit en zorgverzekeraars, te komen tot een structurele oplossing waarbij de bijzondere omstandigheden van de Friese Waddeneilanden worden meegewogen en ook de beschikbaarheid van huisartsenzorg tijdens ANW-diensten passend wordt bekostigd?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 en 6, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. De bekostigingssystematiek biedt preferente zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Bent u bereid hierover op korte termijn in gesprek te gaan met de betrokken huisartsenpraktijken, de Nederlandse Zorgautoriteit en de zorgverzekeraar, en de Kamer te informeren over de uitkomsten daarvan? Zo nee, waarom niet?
Het is, zoals in het antwoord op vraag 5, 6 en 7 aangegeven, aan partijen zelf om vanuit hun rollen en verantwoordelijkheden de hen toegereikte instrumenten in te zetten om de continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden te borgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat Eerstelijnszorg?
Ja.
Het bericht ‘Isolatiebedrijven in nood’ |
|
Robin van Leijen (D66), Felix Klos (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Isolatiebedrijven in nood» van de Telegraaf1 en «Isolatiebedrijven in zwaar weer» van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?2
Ja.
Herkent u de signalen uit de isolatiesector over de gevolgen van versnipperd lokaal, regionaal en nationaal beleid?
Ja.
Herkent u tevens signalen over de gevolgen van de uit 2 augustus 2023 stammende uitspraak van de Raad van State inzake toepassing van de Wet natuurbescherming, en de zorgplicht?
Ja.
Wat zijn volgens u de gevolgen van de delegatie van de voor het Nationaal Isolatieprogramma beschikbare subsidies naar gemeentelijk niveau op de voortgang van het Nationaal Isolatieoffensief?
Versnelde isolatie van woningen is voor mij een zeer belangrijke inzet. Met de middelen uit het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) die beschikbaar zijn op gemeentelijk niveau kan er gericht ondersteuning worden gegeven, tot achter de voordeur. Het gaat in totaal om 1,6 miljard euro, waarmee 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) van huishoudens die extra ondersteuning nodig hebben worden geïsoleerd.
Gerichte, pro-actieve ondersteuning is voor veel doelgroepen met energiearmoede of een risico daarop van belang om tot verduurzamingsmaatregelen te komen en de energierekening omlaag te brengen.
Gemeenten weten het beste wat er in de wijk speelt en kunnen hun isolatieaanpak zo vormgeven dat de juiste ondersteuning geboden wordt die nodig is voor de bewoners. De ondersteuning gaat dan ook verder dan alleen subsidie en behelst ook advies en ondersteuning in het proces. Zo is er in de lokale isolatieaanpak 120.000 keer een energieadvies afgegeven, 6.000 keer financieel advies gegeven en is 13.000 keer ondersteund bij het aanvragen van landelijke subsidies.
Er zijn gemeenten die zo al bijna hun volledige isolatieopgave hebben voltooid3, maar er zijn ook gemeenten waar de aanpak minder snel op gang komt en versnelling nodig is. Via het Nationaal Isolatieoffensief, waar ik bij het antwoord op vraag 8 verder op in ga, zetten we in op versnelling in de wijken die achterlopen en waar de urgentie het grootst is.
Welke impact heeft de maximering van prijzen, zoals vastgelegd in de maatregelencatalogus binnen het programma Nij Begun op de mogelijkheid om maatwerk te leveren dat nodig is in verschillende situaties?
Binnen de isolatieaanpak van Nij Begun is ervoor gekozen om het beproefde model van de Nationaal Coördinator Groningen bij de versterking toe te passen en een maatregelencatalogus op te stellen met een prijzenoverzicht van alle isolatie- en ventilatiemaatregelen. Al meer dan 1.000 bedrijven in de regio en daarbuiten hebben zich bij het bedrijvennetwerk van de isolatieaanpak aangesloten en zich aan deze maatregelencatalogus gecommitteerd. Het doel is om er voor te zorgen dat uniforme prijzen gehanteerd worden en verschillen tussen woningeigenaren in de kosten van maatregelen en de uitvoering voorkomen worden. De prijzen uit de catalogus worden in nauwe samenwerking vastgesteld met verschillende belanghebbenden zoals (vertegenwoordigers van) marktpartijen. De verschillende partijen praten en denken mee over de prijzen. Zo hanteren we voor de verschillende maatregelen marktconforme prijzen.
Binnen de isolatieaanpak is het mogelijk om via de maatregelencatalogus maatwerk te leveren als dat nodig is. Er zijn verschillende categorieën, zoals de bijkomende kosten welke afhankelijk zijn van de situatie. Dit is bijvoorbeeld het plaatsen van een steiger maar ook het natuurvriendelijk werken als er spouwmuurisolatie toegepast wordt. Daarnaast is maatwerk via een offerte mogelijk als dit noodzakelijk is om de isolatie- of ventilatiemaatregel uit te voeren en de kosten niet onder de reguliere bijkomende kosten uit de maatregelencatalogus vallen. Het is en blijft dus altijd mogelijk om maatwerk te leveren.
Wat is de huidige stand van zaken in de uitvoering van de doelstelling om tot 2030 2,5 miljoen woningen te verduurzamen?
Via het NIP zijn al veel huishoudens geholpen aan een lagere energierekening dankzij isolatiemaatregelen. Een grove inschatting is dat op dit moment circa 800.000 woningen van de 2,5 miljoen woningen zijn geïsoleerd in het Nationaal Isolatieprogramma.
Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en de Subsidieregeling verduurzaming voor verenigingen van eigenaars (SVVE) zijn sinds 2022 t/m nu in circa 550.000 woningen isolatiemaatregelen toegepast. Ruim 80.000 woningen zijn via gemeenten geholpen met isoleren. Omdat de subsidies uit de lokale aanpak en de landelijke subsidies kunnen worden gecombineerd zal er overlap tussen deze cijfers zitten. Hoeveel unieke woningen precies zijn geïsoleerd, is na de zomer bekend, wanneer de gegevens over de lokale aanpak zijn opgenomen in het dashboard energiesubsidies woningen van het CBS4.
Voor de huursector is geen volledig beeld beschikbaar van het aantal woningen dat is geïsoleerd sinds de start van het NIP in 2022. Wel blijkt uit de jaarlijkse benchmark van Aedes dat tussen medio 2023 en medio 2025 er 331.000 isolatiemaatregelen zijn genomen in de corporatiesector.5 Op energielabelniveau zien we ook dat corporaties goed op weg zijn: het aantal EFG labels bij corporaties is tussen 2022 en 2025 gedaald van ca 247.000 tot 115.000.
Voor de private huursector ontbreekt een vergelijkbare registratie van uitgevoerde maatregelen. We baseren ons daarom op de energielabels. ABF heeft tweemaal een onderzoek gedaan naar de stand van zaken van de energielabels in de private huursector. We zien daarin dat het aantal huurwoningen met een EFG-label is gedaald van circa 292.000 in 2023 naar circa 244.000 in 2025. Volgens ABF zal het aantal private huurwoningen met een E-, F- of G-label richting 2029 naar verwachting met circa 202.000 afnemen. Daarmee is de verwachting dat het grootste deel van de huidige EFG-opgave in de private huursector de komende jaren wordt uitgefaseerd.
Acht u aanvullende maatregelen noodzakelijk om deze doelstelling te halen?
Ja, versnelling blijft nodig om het doel van 2,5 miljoen woningen van het NIP voor 2031 te behalen. Met name in wijken waar de urgentie het grootst is, is versnelling het meest belangrijk. Via het recent aangekondigde isolatieoffensief wil ik deze versnelling creëren.
Zo ja, welke maatregelen overweegt u?
Met het Nationaal Isolatieoffensief zet ik in op versnelling van de isolatieaanpak, zoals aangekondigd in mijn brief van 22 juni 20266. Met onder andere standaardisatie en toepassing van geleerde lessen, een versnellingsteam voor wijken die achterlopen en extra inzet in de NPLV-wijken pakken we door in de isolatieaanpak en zetten we een belangrijke stap van leren en ontdekken, naar concluderen en toepassen.
Om meer eenduidigheid en handelingsperspectief te creëren rond natuurvriendelijk isoleren werkt het Rijk samen met het IPO, de provincies, de VNG, soortenorganisaties en de isolatiebranche aan een landelijke, tijdelijke gedragscode als overbrugging naar de Soorten Management Plannen (SMP’s), zoals aangegeven in de brief. De gedragscode geeft vrijstelling van de vergunningplicht bij een positieve eDNA-test voor de twee meest voorkomende vleermuissoorten indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de gedragscode. Bij een negatieve eDNA-test kan spouwmuurisolatie direct plaatsvinden. Het Rijk zet zich in om de nieuwe gedragscode dit jaar nog te consulteren.
Ziet u daarbij kansen voor het uniformeren van voorwaarden voor subsidieverstrekking binnen het Nationaal Isolatieprogramma?
Ja. Via het eerste spoor van het isolatieoffensief wordt onder andere ingezet op standaardisatie waar dat de isolatieopgave kan helpen versnellen. Met het Energiehuis zorgen we voor uniforme ondersteuning en een centraal punt voor de verduurzaming, ook op de langere termijn.