Het bericht dat de Defensie investeert in Spaanse en Chinese 3D Machines |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie voor ruim € 6 miljoen metaal-3D-printsystemen van Chinese makelij aanschaft, terwijl er ook Nederlandse producenten zijn die systemen van dezelfde of hogere kwaliteit aanbieden?1
Dit klopt niet. Defensie heeft een aanbesteding in concurrentie op de markt gezet met een waarde van € 6 miljoen voor drie metaalprinters, inclusief optieruimte, software, installatie, instructie, dienstverlening en onderhoud voor een periode van vijf jaar. Deze opdracht is conform de Aanbestedingswet 2012 met een Europese openbare aanbestedingsprocedure gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving. Eén van deze percelen betreft een Europese leverancier waarvan het specifieke product in China wordt geassembleerd. De componenten zijn afkomstig uit Europa, de VS, Japan en China.
Hoe verhoudt deze aanschaf zich tot de kabinetsambitie om verhoogde defensiebestedingen te laten neerslaan in de Nederlandse maakindustrie?
De doelstellingen uit het coalitieakkoord zien op het versterken van de Nederlandse en Europese defensie-industrie en strategische autonomie. Defensie is bij Europese Aanbestedingsprocedures gehouden aan aanbestedingsregelgeving. Inschrijvende partijen en de producten die zij aanbieden worden niet uitgesloten op basis van nationaliteit of herkomst.
Voor deze specifieke aanschaf is een behoefte gesteld voor drie metaalprinters om de haalbaarheid van het metaalprinten voor Defensie te onderzoeken, inclusief software, installatie, instructie, dienstverlening en onderhoud voor een periode van vijf jaar. Gunning vond plaats op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding en additionele kwaliteitseisen als levertijd, de afhandeltijd van defecten en storingen en het bouwvolume. In de commercieel vertrouwelijke bijlage vindt uw Kamer meer informatie over de productvergelijking.2
Is bij de voorbereiding van deze aanbesteding onderzocht of en onder welke voorwaarden Nederlandse fabrikanten aan de gestelde eisen konden voldoen, en zo ja, wat was de uitkomst daarvan?
Zie antwoord bij vraag 4.
Hoe beoordeelt u het dat het eisenpakket in de praktijk zo uitpakte dat een Nederlandse partij alleen via een constructie met een buitenlandse distributeur van Chinese systemen kon inschrijven?
In de voorbereiding van deze aanbesteding is een marktonderzoek uitgevoerd. Aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek heeft Defensie een aantal kwalitatieve eisen en gunningscriteria opgesteld, op basis waarvan de aanbesteding op de markt is gezet en de aanbiedingen zijn beoordeeld. Vier Europese leveranciers konden aan de gestelde eisen voldoen en hebben ingeschreven op deze aanbesteding, waaronder twee Nederlandse partijen.
Deelt u de opvatting dat een dergelijk traject, met een uitvoerig eisenpakket en een langdurig proces, voor relatief kleinschalige investeringen in productietechnologie onevenredig zwaar is? Zo niet, waarom niet? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of vereenvoudiging mogelijk is zodat kansen voor Nederlandse leveranciers beter benut kunnen worden?
Defensie moet zo snel mogelijk het militair vermogen versterken, waarbij Defensie vanzelfsprekend ook onder deze omstandigheden blijft toezien op de doelmatige, rechtmatige en navolgbare besteding van overheidsmiddelen. Een zorgvuldige en controleerbare besteding van publiek geld is van groot belang voor Defensie. Daarnaast is en blijft Defensie gebonden aan de Europese aanbestedingsregelgeving.
Deze specifieke Europese aanbesteding is efficiënt binnen enkele maanden uitgevoerd met een pakket aan criteria dat aansluit bij de eisen en wensen van Defensie en het actuele marktaanbod.
In hoeverre wordt bij aanbestedingen voor strategische productietechnologie de herkomst van leveranciers, Nederlands, Europees of van buiten de EU, meegewogen, en acht u de huidige weging afdoende om te voorkomen dat Nederlandse en Europese bedrijven structureel worden gemist?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, strategische autonomie en leveringszekerheid, ook de herkomst van het materieel meewegen binnen de mogelijkheden van de huidige (aanbestedings-)regelgeving.
Acht u het wenselijk dat de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Marine ervaring met metaal-3D-printen opdoen op Chinese machines, gelet op de ambitie de strategische afhankelijkheden van een land als China af te bouwen?
Het betreft geen Chinese machine, maar een in China geassembleerd systeem. De kritieke componenten van dit systeem zijn afkomstig uit Europa en Japan. In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor een bepaald systeem altijd een afhankelijkheid van de (buitenlandse) leverancier oplevert. Voor elke aanschaf worden daarin afgewogen keuzes gemaakt over de risico’s voor de continuïteit, die per aanschaf kunnen verschillen.
Voor deze specifieke technologie geldt dat Defensie de printers aanschaft om onderzoek te doen naar de potentiële operationele toepassingen van 3D printtechniek. Het doel is om ervaring en kennis op te doen met het ontwerpen en produceren van metalen reservedelen voor uiteenlopende machines en voertuigen. Deze techniek biedt nieuwe mogelijkheden om gevechtsschade snel te repareren.
Hoe wordt geborgd dat de data veilig blijft op een systeem van Chinese makelij, en dat de kennis en kunde, zoals certificeringen, die Defensie opbouwt op deze systemen niet verloren gaan bij een eventuele overstap naar een ander systeem?
Defensie beveiligt haar data door het maken van contractuele afspraken, het beperken van operationele risico’s en het doorlopend onderzoeken van alternatieve leveringsmogelijkheden. In dit geval is de machine geassembleerd in China, maar zijn de kritieke componenten van het systeem afkomstig uit Europa en Japan. Met de software kan op een afgesloten netwerk worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers hoeft te draaien. Verder gebruikt Defensie deze printer voor het opdoen van kennis over een productietechniek van metaalprinten. Het betreft enkele stuks en geen productielijn, wat de eventuele overstap naar een ander systeem niet in de weg zit. De opgebouwde kennis wordt meegenomen in eventuele toekomstige aanschaf.
Hoe schat u het risico in dat Defensie zich met deze aanschaf afhankelijk maakt van een Chinese fabrikant die op elk moment, door exportrestricties of geopolitieke ontwikkelingen, de levering van vervangende systemen, service en reserveonderdelen kan staken?
Defensie doet in het openbaar geen uitspraken over eventuele afhankelijkheden ten aanzien van defensietechnologie. Onderwerpen die inzicht geven in operationele belangen worden om veiligheidsredenen alleen in beslotenheid besproken.
Voor deze aanschaf is de mate van afhankelijkheid laag. De aanschaf wordt gedaan in het kader van opdoen van kennis, expertise en lessen. Defensie is hier operationeel niet van afhankelijk.
Welke maatregelen heeft u genomen om deze afhankelijkheid te beperken, bijvoorbeeld ten aanzien van de beschikbaarheid van reserveonderdelen, software-updates en technische ondersteuning bij een eventuele verstoring van de handelsrelatie met China?
Het vergroten van strategische autonomie en daarmee het beperken van afhankelijkheden heeft prioriteit voor Defensie. Dit is daarbij geen doel op zichzelf, maar een middel om operationele continuïteit te kunnen waarborgen. Daarom worden in de samenwerking met (niet-Europese) technologiebedrijven contractuele, organisatorische en technische maatregelen getroffen. Daarnaast onderzoekt Defensie de mogelijkheden om, al dan niet samen met bondgenoten, Europese alternatieven te (helpen) ontwikkelen.
Zo worden bijvoorbeeld in EU-programma’s voor defensie-industrie zoals het European Defence Industry Programma (EDIP) verschillende eisen opgenomen die dit moeten bevorderen. Ten eerste moet 65 procent van de componenten uit de EU komen. Ten tweede moet de hoofdaannemer uit de EU komen en juridisch bevoegd zijn om componenten uit derde landen te vervangen voor EU-alternatieven.
Bent u bereid te onderzoeken hoe bij toekomstige aanbestedingen van strategische productietechnologie Nederlandse en Europese leveranciers beter in beeld komen, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Er zijn en worden meerdere concrete maatregelen genomen om de Nederlandse en Europese industriële basis te versterken en strategische afhankelijkheden te verminderen. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) is ingezet op gerichte versterking van de Nederlandse en Europese defensiesector, onder meer door meer industrieversterkend in te kopen en nadrukkelijker te kijken naar productie en instandhouding in Nederland en Europa. In de D-SII is daarnaast aangekondigd dat Defensie, waar passend binnen operationele en juridische kaders, nadrukkelijker inzet op inkoop en samenwerking binnen Nederland en Europa om afhankelijkheden van niet-Europese leveranciers te verkleinen. Grensoverschrijdende industriële samenwerking binnen Europa blijft essentieel om de Europese productiecapaciteit en leveringszekerheid structureel te versterken.
Uw Kamer wordt in Q3 2026 via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie geïnformeerd over de stappen die we zetten om de Nederlandse en Europese industrie te versterken. Met de inzet op industrieversterkend inkopen verhoogt Defensie het aandeel van Nederlandse bedrijven in defensiecontracten.
De blokkade van de Betuweroute op 19 juni jl. |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na nieuwe blokkade is goederenvervoer er klaar mee: «machinisten vast in snikhete locomotief»»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat als gevolg van deze blokkade gedurende ongeveer vijf uur geen goederenvervoer over de Betuweroute mogelijk was? Welke factoren hebben ertoe geleid dat het circa vijf uur duurde voordat het spoor werd vrijgemaakt en weer kon worden vrijgegeven voor treinverkeer?
Van ProRail begrijp ik dat er inderdaad gedurende een periode van vijf uur geen treinverkeer op de Betuweroute mogelijk was. Dit is de periode vanaf het moment dat door ProRail is geconstateerd dat er zich demonstranten op het spoor bevonden tot het moment dat de demonstranten verwijderd waren en het spoor weer kon worden vrijgegeven. Gedurende deze periode heeft de lokale driehoek de opdracht gegeven om de blokkade te beëindigen.
Klopt het dat ProRail tijdens de blokkade de bovenleidingen heeft uitgeschakeld, waardoor de klimaatbeheersing in de locomotieven uitviel, met als gevolg dat machinisten te maken kregen met temperaturen tot wel 42 graden?
Dat klopt. De spanning op de bovenleiding van de Betuweroute en de HSL wijkt af van het reguliere spoor (25.000 Volt in plaats van 1500 Volt). In het CLU+-convenant zijn afspraken met veiligheidsregio’s opgenomen over interventies bij incidenten, waaronder het spanningsloos maken van de bovenleiding en de inzet van 25kV-teams van de veiligheidsregio’s. Bij incidenten kan ProRail de procedure van centrale lijnuitschakeling (CLU) in werking doen treden. Deze procedure is bedoeld voor hulpdiensten, zodat zij veilig hun werk kunnen doen. Bij de demonstratie op 19 juni heeft ProRail, op last van de hulpdiensten, de bovenleiding uitgeschakeld. Ik begrijp inderdaad dat de temperatuur in de locomotieven in combinatie met het warme weer daardoor sterk zijn opgelopen.
Recentelijk heb ik u geïnformeerd dat uit de evaluatie van het CLU+-convenant is gebleken dat de oorspronkelijke uitgangspunten van het convenant op onderdelen aanleiding geven tot nadere beschouwing, onder andere ten aanzien van de gehanteerde normen en de inrichting van de afspraken. De komende periode worden de uitkomsten van de evaluatie nader bezien, waaronder de nut en noodzaak van de huidige invulling van het convenant2.
Hoe beoordeelt u het feit dat machinisten en ander treinpersoneel met deze omstandigheden te maken kregen op een dag waarop het Nationaal Hitteplan van kracht was?
Voor de betrokken machinisten en ander treinpersoneel is dit heel vervelend. Demonstreren op het spoor vind ik onaanvaardbaar en is bovendien verboden. De situatie waarin dit personeel zich bevond laat dit nog eens extra zien. Mijn oproep aan demonstranten is onveranderd: stop hiermee, er zijn voldoende andere plekken waar gedemonstreerd kan worden.
Van ProRail begrijp ik dat zowel vanuit de werkgever als door ProRail zelf inzet is gepleegd om de impact te beperken. In antwoord op vraag 7 is dit nader toegelicht.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat machinisten en ander spoorpersoneel als gevolg van een blokkade gedurende langere tijd worden blootgesteld aan dergelijke temperaturen?
Dit deel ik volledig. Dit is onaanvaardbaar.
Hoe zijn de belangen van de machinisten en het andere spoorpersoneel meegewogen in de besluitvorming van ProRail om de bovenleiding uit te schakelen vanwege de blokkade?
ProRail heeft de bovenleiding op last van de hulpdiensten uitgeschakeld. Van ProRail begrijp ik dat zij de mogelijke gevolgen voor treinpersoneel aan de hulpdiensten kenbaar hebben gemaakt en dit belang daarmee is meegewogen.
Welke maatregelen zijn tijdens de blokkade genomen om de gezondheid en veiligheid van de machinisten en het andere spoorpersoneel te waarborgen?
Machinisten en ander spoorpersoneel moeten te allen tijde veilig kunnen werken. Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de werkgever om handelend richting het personeel op te treden. Ik begrijp dat dit ook gebeurd is. Daarnaast heeft ProRail extra inzet gepleegd om de machinisten van de gestrande treinen zo spoedig mogelijk te voorzien van water. ProRail heeft dit enige tijd moeten onderbreken vanwege een ander incident waar prioriteit aan moest worden gegeven, maar direct daarna is deze inzet weer hervat. Daarnaast heeft ProRail geprobeerd om enkele gestrande treinen met een diesellocomotief weg te slepen naar het dichtstbijzijnde station/emplacement. Uiteindelijk is dit proces gestopt, omdat het uitgeschakelde gebied veilig verkleind kon worden, waardoor gestrande goederentreinen op eigen kracht konden vertrekken. Ik heb waardering voor het snelle en adequate handelen van ProRail.
Neemt u de gevolgen van spoorblokkades voor machinisten, spoorvervoerders en de continuïteit van het spoorgoederenvervoer mee in uw overleg met andere ministeries en betrokken organisaties?
Jazeker. Demonstreren op het spoor is om veel redenen onaanvaardbaar en verboden. Het is gevaarlijk voor demonstranten zelf en voor mensen die op het spoor werken. Dit sterkt het kabinet in de in antwoord op vraag 11 beschreven aanpak.
Deelt u de opvatting dat het blokkeren van vitale infrastructuur, zoals de Betuweroute, niet alleen gevolgen heeft voor de openbare orde maar ook voor de betrouwbaarheid van de Nederlandse logistieke keten en het vestigingsklimaat?
Leveringszekerheid is van essentieel belang voor onze bedrijven en industrie en daarmee ook voor ons vestigingsklimaat. Deze demonstraties beïnvloeden de betrouwbaarheid van het spoorgoederenvervoer.
Bent u bekend met signalen dat dezelfde actiegroep die nu de Betuweroute blokkeerde, voornemens is om op 27 juni de spoorwegen van de haven van Rotterdam te blokkeren?
Ja, ik ben hiermee bekend. Deze demonstratie heeft niet plaatsgevonden.
Welke maatregelen neemt het kabinet om dergelijke toekomstige blokkades te voorkomen?
Ik kan niet voorkomen dat demonstranten het goederenspoor betreden. De Betuweroute is 160 km lang, het is niet mogelijk deze volledige route dusdanig te beveiligen dat betreden van het spoor geheel voorkomen kan worden.
Wanneer blokkades plaatsvinden is het de verantwoordelijkheid van de lokale driehoek om op te treden. ProRail verschaft daarbij informatie onder andere in de vorm van een operationeel beeld. In algemene zin heeft het kabinet als inzet op het demonstratierecht om met enkele gerichte wetsaanpassingen het lokaal gezag meer mogelijkheden te geven voor bestuursrechtelijke handhaving. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt binnen het kabinet bij de Ministers van BZK en JenV. Recentelijk heeft u hierover een brief ontvangen3. Specifiek voor demonstraties op het spoor faciliteert het kabinet het opstellen van een handreiking die lokale driehoeken kan helpen met direct optreden tegen blokkadeacties, zodra deze zich aandienen, en die schadelijdende partijen zoals ProRail, de NS en goederenvervoerders kan helpen met het aansprakelijk stellen van demonstranten die schade veroorzaken.
Acht u het wenselijk dat een relatief kleine groep actievoerders gedurende vijf uren een vitale goederenverbinding kan stilleggen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze gebeurtenis?
Nee, dit vind ik onaanvaardbaar. In antwoord op vraag 11 heb ik de inzet van het kabinet benoemd.
Welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat het spoor bij toekomstige blokkades sneller kan worden vrijgemaakt voor het treinverkeer?
In antwoord op vraag 11 heb ik de inzet van het kabinet benoemd.
Welke gevolgen hebben herhaalde spoorblokkades volgens u voor de betrouwbaarheid en aantrekkelijkheid van het spoorgoederenvervoer en voor de door het kabinet nagestreefde modal shift van weg naar spoor?
In antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven dat de herhaalde acties op het spoor de betrouwbaarheid van het spoorgoederenvervoer schaden. Voor verladers speelt betrouwbaarheid sterk mee in de keuze van vervoerswijze. In de afgelopen jaren hebben demonstranten zowel de weg als het spoor geblokkeerd. Het risico bestaat dat verladers bij herhaaldelijke demonstraties hun keuze voor een modaliteit daarop aanpassen. Ik vind het echter onbegrijpelijk dat demonstranten zich op spoorvervoer richten, terwijl het spoor een duurzame vervoerswijze is.
Deelt u de zorg dat herhaalde blokkades de concurrentiepositie van het spoorgoederenvervoer verslechteren en ertoe kunnen leiden dat goederenstromen terugkeren naar de weg?
Ja, in antwoord op vraag 13 heb ik dit toegelicht.
Welke maatregelen treft het kabinet om de continuïteit van het spoorgoederenvervoer te waarborgen?
In antwoord op vraag 11 heb ik de inzet van het kabinet benoemd.
Ziet u aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen of procedures aan te passen om sneller en effectiever op te treden bij spoorblokkades? Zo ja, welke?
Naast de in antwoord op vraag 11 genoemde inzet zie ik vanuit mijn ministerie geen mogelijkheden voor aanvullende maatregelen. Het demonstratierecht en de politieke verantwoordelijkheid voor de lokale driehoeken valt onder de verantwoordelijkheid van de Ministers van JenV en BZK. De betrokken lokale driehoek is en blijft verantwoordelijk voor het optreden bij demonstraties. Hierbij wil ik benadrukken dat onder het huidige wettelijk kader demonstranten die strafbare feiten plegen ten aanzien van vitale infrastructuur, al kunnen en worden vervolgd. Zo bestaan er, verspreid over de Spoorwegwet en het Wetboek van Strafrecht, verschillende strafbepalingen waardoor strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen actievoerders die het (goederen)spoor blokkeren of die schade veroorzaken aan een spoorweg. In de praktijk vinden ook daadwerkelijk veroordelingen plaats voor spoorblokkades.
Het rapport ‘Geldzaken in de praktijk (2026)’ van het Nibud. |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Geldzaken in de praktijk van het Nibud?1
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de financiële situatie van jongvolwassenen het meest verslechterd is ten opzichte van 2024, en dat op dit moment 54% van de jongvolwassenen aangeeft moeite te hebben met rondkomen, welke verklaring ziet u hiervoor en welke gerichte maatregelen neemt u om te voorkomen dat jongvolwassenen in de schulden belanden?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat inmiddels meer dan de helft van de huishoudens ten minste één betalingsprobleem heeft gehad en dat betalingsproblemen zich opstapele, en dat de financiële problemen vaak al groot zijn voordat huishoudens geholpen kunnen worden door gemeenten of schuldhulp, en dat de moties Hamstra2 door de Kamer zijn aangenomen en dat deze de regering oproepen te onderzoeken of banken hun klanten en werkgevers hun werknemers kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening bij signalen van geldzorgen, welke aanvullende maatregelen neemt u om mensen eerder in beeld te krijgen voordat betalingsachterstanden uitgroeien tot problematische schulden?
Constaterende dat uit het rapport van het Nibud blijkt dat inkomenszekerheid ministens zo belangrijk is als de inkomstenhoogte, en dat mensen met weinig grip op hun inkomen in 80% van de gevallen moeite hebben met rondkomen, en dat in het coalitieakkoord staat het streven naar één vaste betaaldag, welke stappen heeft u al genomen om dit te bereiken en welke stappen bent u nog voornemens om te nemen om dit te bereiken? Welke andere maatregelen neemt u om de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van inkomen te bevorderen?
Constaterende dat huishoudens met wisselende inkomens en jongvolwassenen vaak niet weten op welke inkomensondersteuning zij recht hebben en waar zij informatie kunnen vinden over toeslagen, terwijl deze doelgroep juist vaak recht heeft op inkomensondersteuning, en dat de Wet proactieve dienstverlening een stap in de goede richting is om niet-gebruik tegen te gaan, bent u het eens dat verregaandere stappen vereist zijn om toe te werken naar automatisch uitkeren? Welke stappen bent u voornemens om te nemen en op welk termijn?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de meeste huishoudens bij geldproblemen hun vaste lasten zo lang mogelijk proberen te betalen en als eerste bezuinigen op voeding, kleding, hobby’s, sociale activiteiten en zorg, hoe voorkomt u dat huishoudens, in het bijzonder huishoudens met kinderen, niet in staat zijn om deel te nemen aan het sociale leven omdat zij anders hun vaste lasten niet kunnen betalen?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport volgt dat 25% van de huishoudens aankopen via creditcard of achteraf betalen niet betalen wanneer zij in geldproblemen zitten, en dat hierdoor een grote kans bestaat dat schulden ontstaan of verergeren, en met name jongvolwassenen zijn kwetsbaar hiervoor, bent u het eens dat deze doelgroep daartegen beschermd moet worden en op welke wijze is de Minister van plan om dit te doen?
Hoewel op papier de koopkracht de afgelopen jaren is verbeterd, constateert het Nibud dat huishoudens een duidelijke verslechtering ervaren in hun financiële situatie, hoe verklaart u dit verschil?
Het bericht ‘Zorgverzekeraars: premieopslag bij betalingsachterstand voor laagste inkomens naar 0%’ |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de wens van Zorgverzekeraars Nederland om de premieopslag in de wanbetalersregeling in de Zorgverzekeringswet te verlagen van 10% naar 0%? Wat is volgens u het effect van de huidige premieopslag in de wanbetalersregeling?1 Heeft de premieopslag volgens u het effect wat ermee is beoogd? Deelt u de conclusie van Zorgverzekeraars Nederland dat de huidige premieopslag een extra belasting is voor kwetsbare verzekerden?
Wat zegt het u dat zowel de uitvoerder van de wanbetalersregeling2 (het CAK) als de zorgverzekeraars het standpunt hebben dat de premieopslag verlaagd moet worden naar 0%?
Bent u bereid deze verlaging te gaan realiseren door een wetsvoorstel aanhangig te maken? Zo nee, wat houdt u tegen?
Zijn er (relevante) (advies)organen voorstander van het behouden van de premieopslag van 10%? Zo ja, welke en met welke argumentatie?
Heeft u informatie over hoeveel verzekerden in de wanbetalersregeling terechtgekomen zijn vanwege hun problematische schuldensituatie? Zo ja, wat zeggen deze cijfers u over de effectiviteit en het doel van de wanbetalersregeling met premieopslag?
Bent u bereid om met het CAK en Zorgverzekeraars Nederland in gesprek te gaan over hoe een wanbetalersregeling (waarbij verzekerden wel verzekerd blijven ondanks hun betalingsachterstand) eruit kan zien zonder premieopslag? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zou dit uitvoeringstechnisch haalbaar zijn?
Hoeveel levert de premieopslag nu aan inkomsten op, na verrekening van incasso- en deurwaarderskosten? Hoeveel van de opgelegde premieopslag wordt daadwerkelijk geïnd? Hoeveel incasso- en deurwaarderskosten worden hiervoor gemaakt?
Welke financiële gevolgen heeft het verlagen van de premieopslag naar 0% voor de Rijksbegroting?
Sluit u zich aan bij de Kamerbrede uitspraak (motie Ceder, Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) dat de premieopslag in de wanbetalersregeling moet verdwijnen? Zo nee, op welke wijze geeft u dan navolging aan de aangenomen motie? Zo ja, wanneer kan de Kamer een wetsvoorstel verwachten?
Kunt u de Kamer (alsnog) informeren over de in motie Ceder (Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) gevraagde informatie over wat er nodig is om de premieopslag uit de wanbetalersregeling te schrappen?
Het bericht ‘Werknemers vallen volgens de vakbond bijna flauw op de werkvloer’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Werknemers vallen volgens de FNV bijna flauw op de werkvloer. Welke rechten hebben ze?»?1
Ja, ik ben op de hoogte van de inhoud van dit artikel.
Bent u het met de FNV eens dat het een slechte zaak is dat er in het Arbobesluit alleen staat dat de temperatuur op de werkplek «niet nadelig» mag zijn voor de gezondheid van de werknemer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Ja. Ik ben het hierover eens met de FNV.
De Arbeidsinspectie heeft in 2023 een verkenning uitgevoerd naar hittestress. In deze verkenning wijst de Arbeidsinspectie erop dat artikel 6.1 van het Arbobesluit alleen de factor temperatuur benoemt en niet ingaat op factoren als luchtvochtigheid, luchtverplaatsing en straling. Dit kan ertoe leiden dat bij werkgevers andere relevante (bron)maatregelen niet of minder snel in beeld komen. In de reactie hierop in de Verzamelbrief van 18 juni 20242 wordt dit bevestigd. Het gaat hier om onderliggende factoren die beïnvloeden wat het effect is van de temperatuur op de werkplek op de gezondheid. Een werkgever moet deze factoren wel in beschouwing nemen. De regelgeving zal daarom op dit punt worden verduidelijkt, door in artikel 6.1 op te nemen dat werkgevers bij het nemen van (bron)maatregelen ook rekening moeten houden met factoren als de luchttemperatuur, de luchtvochtigheid, de stralingstemperatuur en de luchtsnelheid. Hieraan wordt momenteel gewerkt.
Welke misstanden heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie de afgelopen vijf jaar geconstateerd rond werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie voerde in 2023 een verkenning uit naar hittestress. Deze verkenning was op basis van 28 inspecties in risicosectoren. Het onderzoek geeft als indicatief beeld dat werkgevers en werknemers zich grotendeels bewust zijn van de negatieve gevolgen van werken onder hoge buitentemperaturen en van de blootstelling aan Uv-straling. Ongeveer twee derde van de werkgevers geeft aan beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of een hitteprotocol, met maatregelen als drinkpauzes en tropenroosters. Wel ontbreekt het soms aan kennis om het risico op hittestress goed vast te stellen of is er sprake van een verouderde of onvolledige Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E).
Arbo in Bedrijf 2024–20253 kijkt breder naar alle bedrijven, dus niet alleen naar risicosectoren. Daarin wordt geconstateerd dat het risico «werken in warme omstandigheden» buiten bij 10 procent van de bedrijven aanwezig is en binnen bij 13%. Bij 16% van de bedrijven waar het risico aanwezig is, is dit niet adequaat beheerst. Als het risico aanwezig is, hebben werkgevers in 95% van de gevallen wel één of meer maatregelen getroffen, waarvan 49% aan de bron, 53% technisch, 72% organisatorisch en 67% persoonlijk.
Hoeveel bedrijven komt de Nederlandse Arbeidsinspectie tegen waar helemaal geen hitteplan is geformuleerd?
Op grond van de Arbowet moeten werkgevers zorgen voor een veilige en gezonde werkplek. Daarbij mag de temperatuur op de werkplek niet nadelig zijn voor de gezondheid van de werknemer. Het is niet voorgeschreven dat werkgevers een hitteplan moeten hebben. Als hitte of kou een risico is in het bedrijf, moeten werkgevers dit opnemen in de RI&E en in het plan van aanpak aangeven welke maatregelen ze gaan nemen. Daarbij kunnen ze gebruik maken van de tips en adviezen op het Arboportaal. Andere nuttige bronnen van tips en informatie zijn bijvoorbeeld de website van Volandis, het kennis- en adviescentrum voor de bouw en infrasector; het SER-dossier werken bij hitte, de FNV Werkklimaat app en de CNV weerverlet app. Verder kunnen sectoren de aanpak van hittestress opnemen in hun Arbocatalogi of afspraken opnemen in een cao. Uit de verkenning van de Arbeidsinspectie in 2023 in een beperkt aantal bedrijven in risicosectoren, komt dat ongeveer twee-derde van de werkgevers aangeeft beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of hitteprotocol.
Hoe handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie krijg regelmatig meldingen over werkzaamheden in de hitte. In 2025 waren dat ca. 150 meldingen. Eind juni 2026 heeft de Arbeidsinspectie al meer meldingen ontvangen dan in heel 2025.
Bij een melding over werken bij hitte, stelt de Arbeidsinspectie extra vragen om te kunnen beoordelen of er een kans op hittestress is door een te hoge temperatuur in combinatie met de aard van de werkzaamheden. Met behulp van een objectief weeginstrument gaat de Inspectie na of er een verhoogde kans is op gezondheidsschade. Daarbij kijkt de Inspectie naar drie factoren: of er gezondheidsklachten zijn; of het gaat om risicovolle werkzaamheden en of er risicogroepen werkzaam zijn. Bij een kans op hittestress met een verhoogde kans op gezondheidsschade neemt een inspecteur de melding in behandeling. In het onderzoek wordt beoordeeld of de getroffen maatregelen doeltreffend zijn en of de risico-inventarisatie voldoende aandacht besteedt aan dit onderwerp en aan risicogroepen.
Vindt u de huidige wetgeving op dit moment toereikend genoeg om te voorkomen dat mensen in extreme warmte moeten werken? Zo ja, waarom? Zo nee, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Als de temperatuur in een bedrijf een risico vormt voor de gezondheid van de werknemers, moeten werkgevers dit risico opnemen in de RI&E. In het plan van aanpak geven ze dan aan welke maatregelen ze gaan nemen. Als met andere (bron)maatregelen het risico niet voldoende kan worden weggenomen, kan de werkgever het werk volledig stilleggen. Dit kan al worden bereikt op basis van de huidige wetgeving. Deze is daarvoor dus al toereikend. De ervaring bij de hittegolf van eind juni 2026 laat zien dat diverse werkgevers hiervoor hebben gekozen, als dat in hun bedrijf een optie was. Bedrijven gingen dicht, winkels sloten eerder of helemaal, bezorgtijden werden aangepast en er werd gewerkt volgens tropenroosters. Wel zal, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, de regelgeving worden verduidelijkt. Het doel hiervan is dat werkgevers bij het bepalen van maatregelen ook rekening houden met onderliggende factoren die van invloed zijn op het effect op de gezondheid van de temperatuur op de werkplek, zoals de impact van een hoge luchtvochtigheid.
Bent u het ermee eens dat de huidige wetgeving moet worden aangepast om duidelijkere normen en maatregelen rond werken in de hitte te verankeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, zal de regelgeving worden verduidelijkt zodat duidelijker is welke factoren in beschouwing moeten worden genomen bij het bepalen van maatregelen. Daarnaast zal ik het tweede lid van artikel 6.1 van het Arbobesluit intrekken. Dit lid is strijdig met de arbeidshygiënische strategie uit artikel 3 van de Arbowet. Het lid noemt als eerst te nemen maatregelen het bieden van persoonlijke beschermingsmiddelen aan werknemers. Pas daarna worden andere maatregelen, hoger in de arbeidshygiënische strategie, genoemd. Ook dit is een verduidelijking; werkgevers kunnen niet gelijktijdig aan beide regels voldoen.
Hoe staat u tegenover het idee van de FNV om een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet waarbij de kerntemperatuur van het lichaam niet boven de 38 graden mag komen?
Ik ben daar geen voorstander van. Werkgevers moeten op grond van de Arbowet rekening houden met de specifieke omstandigheden. Dat bereik je niet met zo’n norm. Verder heeft de Gezondheidsraad in 2011 een Briefadvies over hittestress uitgebracht.4 Daarin geeft de Raad aan dat een gezondheidskundige grenswaarde in de vorm van een lichaamskerntemperatuur op individueel niveau niet mogelijk is. Daarvoor fluctueert de lichaamskerntemperatuur binnen een persoon en tussen personen te veel. Bovendien is inwendige vaststelling van de lichaamskerntemperatuur in het rectum, de slokdarm en het maagdarmstelsel te prefereren boven metingen onder de tong, in de oksel of in het oor. Maar inwendige metingen zijn lastig, gevoelig voor de inname van koude of warme dranken en gaan gepaard met ongemak voor de werknemer. Inwendig vaststellen is overigens ook in strijd met artikel 11 van de Grondwet, het recht op de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.
Bent u van plan een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op dit terrein niet voor normen of grenswaarden. Er zijn geen normen die voor iedere persoon en voor elke situatie gelden. De invloed van temperatuur op het lichaam verschilt onder meer door luchtvochtigheid, zonnekracht, wind, kleding, de zwaarte van het werk, de gezondheid. Dit is niet te vertalen in een algemene norm, die in alle gevallen geldt. Er zijn diverse landen die wel zo’n systeem hanteren. Daarbij gaat het veelal om systemen die over een enkele situatie gaan zoals buiten werken, of er zijn complexe systemen met meerdere normen. Als sprake is van een hoge hitte moeten werkgevers en werknemers er samen voor zorgen dat er gezond en veilig kan worden gewerkt.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Deze vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Het bericht ‘Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere»?1
Hoe verhoudt de oprichting van scholen die zich nadrukkelijk richten op een specifieke levensbeschouwelijke of politieke gemeenschap zich volgens u tot de ambitie uit uw beleidsbrief om onderwijs te laten bijdragen aan verbinding in de samenleving, het tegengaan van segregatie en een sterke democratische rechtsstaat?
Deelt u de mening dat scholen niet alleen een onderwijsfunctie hebben, maar ook een belangrijke maatschappelijke functie vervullen doordat kinderen met verschillende achtergronden elkaar daar ontmoeten?
Hoe beoordeelt u in dat licht de ontwikkeling dat steeds meer nieuwe scholen zich richten op specifieke levensbeschouwelijke, religieuze en zelfs ideologische doelgroepen?
Klopt het dat uit de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen blijkt dat nieuwe scholen gemiddeld een homogenere leerlingenpopulatie hebben dan scholen in hun omgeving en dat effecten op onderwijssegregatie zichtbaar zijn op lokaal niveau?
Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken?
Klopt het dat uit dezelfde evaluatie blijkt dat het aantal nieuwe basisscholen sinds de invoering van de wet aanzienlijk is gestegen en dat islamitische scholen inmiddels de grootste categorie nieuw gestichte basisscholen vormen?
Welke lessen heeft u uit deze ontwikkeling getrokken voor de verdere uitvoering van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen?
Op welke wijze wordt bij aanvragen voor nieuwe scholen momenteel beoordeeld wat de gevolgen zijn voor segregatie en de ontmoeting tussen verschillende groepen leerlingen?
Acht u het wenselijk dat publiek bekostigd onderwijs zich steeds verder organiseert langs ideologische of zelfs politieke scheidslijnen?
Klopt het dat in het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet de uitkomsten van de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zal betrekken bij een herziening van de wet? Wat is de actuele stand van zaken van deze herziening?
Deelt u de opvatting dat de huidige wet sterk uitgaat van aangetoonde ouderbelangstelling maar onvoldoende rekening houdt met bredere belangen zoals huisvesting, arbeidsmarkt, segregatie en een evenwichtig onderwijsaanbod?
Welke mogelijkheden ziet u om in de wet een explicietere afweging op te nemen tussen oudervoorkeuren enerzijds en deze belangen, zoals segregatie, anderzijds?
Deelt u de mening dat gemeenten momenteel onvoldoende instrumenten hebben om ongewenste versnippering van het onderwijsaanbod tegen te gaan?
Bent u bereid te verkennen of gemeenten een zwaardere rol moeten krijgen bij nieuwe schoolstichtingen, bijvoorbeeld door hun oordeel over segregatie-effecten of de gevolgen voor het lokale onderwijsaanbod zwaarder te laten meewegen?
Het opheffen van het gespecialiseerde IGJ-team voor de aanpak van zorgfraude |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Team dat zorgfraude onderzoekt opgeheven bij Inspectie, terwijl regulier toezicht signalen niet oppakt: «Inspecteurs worden misleid door malafide zorgaanbieders»»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het speciale team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) wordt opgeheven?
Ik ben op de hoogte en heb hierover op 26 juni contact gehad met de IGJ.
Wat is volgens u de verklaring voor het opheffen van dit team?
De IGJ heeft aangegeven dat het programma IBZ vanaf de start in 2022 tijdelijk is ingericht om kennis, expertise en werkwijzen op te bouwen rond integere bedrijfsvoering, zorgfraude en zorgverwaarlozing. Het was vanaf het begin de bedoeling om deze kennis en werkwijzen vervolgens structureel te borgen in de organisatie. Er is volgens de IGJ dan ook geen sprake van afbouw of van een inhoudelijke koerswijziging, maar van een andere organisatorische inbedding.
De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en bepaalt zelf hoe zij haar organisatie inricht. Het past mij daarom niet om in die organisatorische keuzes te treden. De IGJ heeft benadrukt dat zorgfraude een prioriteit blijft en dat de opgebouwde kennis en expertise behouden blijven.
Hebben overwegingen rond de veiligheid van de zorg invloed gehad op dit besluit? Zo ja, op welke manier?
De IGJ geeft aan dat veiligheid en kwaliteit van zorg leidend zijn en blijven voor het toezicht van de IGJ. De IGJ treedt op wanneer fraude, ondermijnende criminaliteit in de zorg of niet-integere bedrijfsvoering leidt tot ernstige en concrete risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van zorg.
De organisatorische wijziging rond IBZ is door de IGJ toegelicht als een stap om de opgebouwde kennis en werkwijzen structureel te borgen binnen het toezicht. De gedachte daarbij is dat signalen van zorgfraude, misleiding, niet-integere bedrijfsvoering en zorgverwaarlozing breder in de organisatie kunnen worden herkend, gewogen en opgepakt.
Deelt u de zorg dat de aanpak van zorgfraude in de praktijk nog altijd tekortschiet en dat juist daarom specialistische expertise binnen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) noodzakelijk blijft?
Ja, ik deel de zorgen van de Kamer dat de aanpak van zorgfraude verstevigd moet worden. In mijn brief van 8 juni heb ik de Kamer geïnformeerd over een breed pakket aan maatregelen tegen zorgfraude. Bij de aanpak van zorgfraude zijn naast de IGJ vele partners betrokken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheden, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit en de recherche zorgfraude van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Zorgfraude is een prioriteit van alle betrokken partners, ook van de IGJ. De IGJ treedt op wanneer fraude, ondermijnende criminaliteit of niet-integere bedrijfsvoering leidt tot ernstige en concrete risico's voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Ik vind het belangrijk dat de IGJ hierbij multidisciplinair samenwerkt en dat de specialistische expertise behouden blijft. De IGJ heeft mij laten weten dat de binnen IBZ opgebouwde expertise behouden blijft en structureel wordt geborgd.
Acht u het uitlegbaar dat juist dit gespecialiseerde team voor de aanpak van zorgfraude wordt opgeheven, terwijl u in juni nog een plan presenteerde waarin wordt ingezet op multidisciplinaire teams om zorgfraude beter te bestrijden? Kunt u hier een toelichting op geven?
De IGJ heeft mij laten weten dat er geen sprake is van afbouw of van een inhoudelijke koerswijziging, maar van een andere organisatorische inbedding en zal nauw blijven samenwerken met de betrokken partners. Dit is in lijn met de brief van 8 juni die gaat over een versterkte en samenhangende aanpak van zorgfraude door alle betrokken ketenpartners, ieder vanuit de eigen wettelijke taak. Daarbij is juist multidisciplinaire samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten, gemeenten, zorgverzekeraars, zorgkantoren en andere partners noodzakelijk.
Was u op de hoogte van de interne spanningen binnen de IGJ over de aanpak van zorgfraude en het verschil van inzicht tussen het reguliere toezicht en het gespecialiseerde IBZ-team?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving hierover. De berichtgeving heeft mij wel verrast. Naar aanleiding van de uitzending, de motie, en de vragen die deze heeft opgeroepen, heb ik op 26 juni met de IGJ gesproken over de organisatorische wijzigingen rond IBZ en over de borging van kennis en expertise.
Het is niet aan mij om interne verhoudingen of professionele verschillen van inzicht binnen de IGJ te beoordelen. De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en maakt eigen professionele en organisatorische afwegingen. Voor mij is van belang dat zorgfraude, ondermijnende criminaliteit in de zorg en zorgverwaarlozing serieus worden opgepakt waar deze raken aan kwaliteit en veiligheid van zorg, en dat de daarvoor opgebouwde kennis en inzet behouden blijft. De IGJ heeft benadrukt dat zorgfraude een prioriteit blijft en dat de opgebouwde kennis en expertise behouden blijven.
Is er volgens u een verband tussen deze spanningen binnen de IGJ en het opheffen van het IBZ-team?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat er binnen de IGJ zorgen zijn geuit over verlies van expertise over de aanpak van zorgfraude door het verdwijnen van dit gespecialiseerde team?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe bent u van plan deze kennis over zorgfraude te borgen binnen de IGJ? Kunt u dat toelichten?
De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder. De IGJ is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar organisatie en de wijze waarop zij haar toezicht uitvoert. De IGJ heeft mij laten weten dat zij de binnen IBZ opgebouwde kennis, expertise en werkwijzen structureel borgt in het toezicht.
Concreet gaat het volgens de IGJ om het borgen van expertise, taken, capaciteit, werkprocessen, multidisciplinaire casusbeoordeling, de externe liaisonfunctie en de samenwerking en informatie-uitwisseling met ketenpartners. De gedachte is dat deze kennis niet geïsoleerd blijft in een tijdelijk programma, maar breder beschikbaar wordt binnen het toezicht, zodat de samenhang in de werkzaamheden kan worden gerealiseerd.
Ik heb er vertrouwen in dat de IGJ de kennis, expertise en taken die binnen het programma IBZ zijn opgebouwd, zorgvuldig borgt in het toezicht. In mijn gesprekken met de IGJ zal ik de voortgang hiervan volgen.
Wat bent u concreet van plan met de in uw plan aangekondigde multidisciplinaire teams voor de aanpak van zorgfraude?
In de brief van 8 juni heeft het kabinet uiteengezet dat zorgfraude alleen effectief kan worden aangepakt door samenwerking tussen alle betrokken partijen. Malafide aanbieders maken gebruik van versnippering tussen domeinen, organisaties en bevoegdheden. Daarom zet het kabinet in op vernieuwende vormen van multidisciplinaire samenwerking, waarbij toezichthouders en opsporingsinstanties waar mogelijk gezamenlijk optrekken.
De ervaringen met het Multidisciplinair Operationeel Plan laten zien dat deze werkwijze kan bijdragen aan sneller en effectiever optreden bij complexe fraudesignalen. Het kabinet wil deze vorm van samenwerking structureler inzetten en verder versterken. Daarnaast wordt gewerkt aan betere gegevensdeling, meer fysieke controles bij nieuwe en herstartende aanbieders, aanscherping van toetredingseisen en extra capaciteit voor toezicht, opsporing en handhaving.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn en voor de opheffing van het IBZ-team te informeren over hoe de specialistische kennis wordt geborgd?
De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en bepaalt zelf hoe zij haar organisatie inricht. Het is daarom niet aan mij om voorafgaand aan een interne organisatorische wijziging afzonderlijk aan uw Kamer te rapporteren over de precieze inrichting daarvan.
De IGJ heeft toegelicht dat de tijdelijke programmafase van IBZ wordt afgerond en dat de opgebouwde kennis, expertise, taken, werkprocessen, multidisciplinaire casusbeoordeling en samenwerking met ketenpartners structureel worden ondergebracht in het toezicht.
De obstakels bij integratie voor de buitenlandse partners van Nederlanders |
|
Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Nederlanders die een liefdesrelatie hebben met een niet-EU-inwoner en aan de inkomenseisen voldoen, de mogelijkheid zouden moeten hebben om samen met hun geliefde een leven op te bouwen in Nederland, waarbij de niet-Nederlandse partner zo snel mogelijk zou moeten kunnen inburgeren?
Ja, wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Deelt u de mening dat praktische obstakels die de vlotte inburgering van deze liefdespartners in de weg staan, zo veel mogelijk vermeden en opgeheven moeten worden?
In zijn algemeenheid wel. Dat wil zeggen: voor zover andere belangen dan die van de betrokken liefdespartners daardoor niet onevenredig geschaad worden. Het gaat dan onder meer om het belang van de Nederlandse samenleving dat de vreemdeling die naar Nederland komt al een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving heeft (Wet inburgering buitenland) en dat van tevoren al is getoetst of hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet (mvv-vereiste).
Acht u het wenselijk dat liefdespartners van Nederlanders honderden euro’s kwijt zijn louter en alleen aan de reiskosten om het basisexamen inburgering in het buitenland te kunnen afleggen?
Het is van belang dat alle examens op een betrouwbare, veilige en objectieve wijze worden afgenomen. Dit is alleen mogelijk op een diplomatieke Nederlandse post in het buitenland. Gezien het beperkte aantal locaties van deze posten kan het zijn dat personen hiervoor moeten reizen. Dat brengt kosten met zich mee: de onwenselijkheid van kosten die de vreemdeling moet maken weegt echter niet op tegen het borgen van de objectiviteit en betrouwbaarheid van het examen.
Is het mogelijk om buitenlandse partners van Nederlanders het basisexamen inburgering in het buitenland digitaal van op afstand te laten afleggen wanneer er geen examenfaciliteit in hun stad of dorp beschikbaar is? Zo nee, wat is ervoor nodig om dat wel mogelijk te maken?
Het is op dit moment technisch en organisatorisch niet mogelijk om het basisexamen inburgering buitenland digitaal af te leggen, anders dan op een diplomatieke post. Zoals gezegd kan alleen op deze manier gecontroleerd worden op fraude.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het basisexamen inburgering in het buitenland? En wat is de gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf?
Als het gaat om het basisexamen dan verschilt het per diplomatieke post wanneer iemand daar terecht kan voor het afleggen van een examen. In principe kan iemand binnen enkele maanden examen doen, uitzonderingen daargelaten. Examens worden door de aanvrager vaak verder van tevoren aangevraagd zodat diegene zich hier nog op voor kan bereiden.
De gemiddelde doorlooptijd van de mvv-procedure voor gezinshereniging/-vorming bedroeg in 2025 83 dagen.
Kan de termijn van acht weken waarover DUO beschikt om de examenuitslag bekend te maken, ingekort worden? Zo ja, met hoeveel weken? Zo nee, wat precies staat een inkorting in de weg?
Nee. De termijn van maximaal acht weken heeft te maken met het examenonderdeel Spreekvaardigheid. Dit onderdeel wordt nagekeken door menselijke beoordelaars, waarbij elke beoordelaar in principe maar 2 opgaven mag beoordelen, om te komen tot een uitslag met een hoge betrouwbaarheid. Dit proces vergt al snel 4 á 5 weken, dat is op dit moment ook de gemiddelde beoordelingstermijn. Om ook uitschieters op te kunnen vangen is de maximale termijn op 8 weken gesteld.
Hoe verhoudt de lange duurtijd van de combinatie van het basisexamen inburgering in het buitenland plus de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf zich tot het recht op gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wanneer aan alle inkomens- en huisvestingseisen wordt voldaan, en wanneer de wachttijd in de praktijk samenvalt met perioden waarin echtgenoten elkaar door visumtellingen niet eens fysiek mogen ontmoeten?
Een lidstaat heeft de taak om zorgvuldig te toetsen of aan al de toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging is voldaan. De EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2003/86) geeft lidstaten daarvoor maximaal negen maanden de tijd. In Nederland is de wettelijke beslistermijn voor gezinshereniging maximaal 90 dagen en bij statushouders negen maanden. Hier wordt aan voldaan. Van schending van artikel 8 van de EVRM is dus geen sprake.
Een fysieke ontmoeting tussen echtgenoten is mogelijk buiten Nederland. Vreemdelingen die visumvrij (voor kort verblijf) zijn kunnen dit ook in Nederland doen (gedurende de vrije termijn). Bij visumplichtige vreemdelingen ligt dat genuanceerder. Bij de beoordeling van de aanvraag van een visum kort verblijf wordt door Buitenlandse Zaken in overweging genomen of er een duidelijk en concreet motief is om tijdens de lopende mvv-procedure naar NL te reizen, of de reden legitiem en goed onderbouwd is, en of het verblijfsdoel van de mvv-aanvraag relevant is voor de beoordeling van de aanvraag om het visum kort verblijf.
Is het mogelijk bij het inplannen van het basisexamen inburgering in het buitenland al het proces voor een machtiging tot voorlopig verblijf op te starten, zodat deze processen parallel lopen en mensen dus niet onnodig lang hoeven te wachten? Zo nee, wat concreet staat dat in de weg?
Nee, dat is niet mogelijk. Een geslaagd basisexamen inburgering buitenland is noodzakelijk voor de mvv-aanvraag. Zonder dit document is er sprake van een incomplete aanvraag. Voor de IND is het inefficiënt en onwenselijk om een niet-complete aanvraag toch te behandelen en vervolgens te wachten tot het ontbrekende diploma wordt overgelegd. De IND moet dan twee keer de aanvraag behandelen. Bovendien bestaat het risico dat het diploma nooit wordt overgelegd omdat het niet is gehaald.
Op welke objectieve gronden zijn partners uit Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea of Zwitserland vrijgesteld van het basisexamen buitenland, terwijl partners uit andere landen deze eis wel krijgen opgelegd? Is dit onderscheid nog te rechtvaardigen?
Op grond van buitenlands-politieke en economische redenen zijn bovengenoemde landen vrijgesteld van het basisexamen buitenland. Nederland vindt het wenselijk dat burgers van deze landen op een snellere en eenvoudiger wijze toelating tot Nederland kunnen krijgen. Het kabinet meent dat genoemde redenen een voldoende rechtvaardigingsgrond is voor het onderscheid dat gemaakt wordt in het mvv-vereiste, conform de EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2002/86).1
Overigens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen over precies deze kwestie gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (C-394–25, Volta).
Overweegt u de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland uit te breiden naar andere landen wanneer het gaat om de liefdespartners van Nederlanders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet overweegt geen uitbreiding van de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland.
Het kabinet hecht eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben, voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven.
Is het kabinet bereid te onderzoeken of inburgering in Nederland zelf, onder begeleiding van de Nederlandse echtgenoot en familie, een gelijkwaardig of beter alternatief kan zijn voor het examen in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit voorstel wordt als niet wenselijk gezien. Zoals geantwoord op vraag 10 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de wet inburgering buitenland, hecht het kabinet eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven. Het voorgestelde alternatief is daarmee strijdig.
Hoe weegt het kabinet de mentale en relationele schade van maandenlange gedwongen scheiding mee in de proportionaliteitstoets? Welke maatregelen zal het kabinet nemen om een vlottere inreis en integratie van liefdespartners van Nederlanders te garanderen om dit soort mentale en relationele schade te voorkomen?
Het kabinet onderkent dat langdurige scheiding van partners mentale en relationele impact kan hebben. Tegelijkertijd moeten toelatingsprocedures objectief, uitvoerbaar en juridisch houdbaar zijn. Omdat de mate van mentale en relationele impact per persoon sterk kan verschillen en niet op een objectieve manier vast te stellen is, kan dit geen afzonderlijk criterium zijn binnen de toelatingsprocedure.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat VUmc in 2040 stopt als ziekenhuis en de zorgtaken naar locatie AMC gaan |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VUmc stopt in 2040 als ziekenhuis, zorgtaken gaan naar locatie AMC»1 en van de strategische huisvestingsroute van Amsterdam UMC richting 2040?2
Ja.
Wat betekent dit voorgenomen besluit concreet voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc?
Voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc verandert er op dit moment niets3. Het gaat hier om een voorgenomen besluit van Amsterdam UMC, waarbij een richting is aangegeven voor de ontwikkeling van de organisatie tot 2040. Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat deze richting het komende jaar verder wordt uitgewerkt in een zogenoemd «masterplan». Pas nadat dit plan gereed is, zal duidelijk worden wanneer en welke zorgactiviteiten worden verplaatst van locatie VUmc naar de locatie van AMC.
Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat het de zorg uiteindelijk wil concentreren op één locatie, zodat voor patiënten duidelijker wordt waar zij voor hun zorg terechtkunnen en om de kwaliteit en continuïteit van de zorg verder te versterken.
Het is aan Amsterdam UMC om de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg verder uit te werken en daarbij de gevolgen voor patiënten, waaronder de bereikbaarheid van de zorg, zorgvuldig te betrekken.
Het kabinet hecht eraan dat besluiten over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod zorgvuldig tot stand komen, waarbij alle relevante belangen in een vroeg stadium worden betrokken en gewogen. Om de regionale dialoog tussen betrokkenen bij (mogelijke of voorgenomen) wijzigingen in het aanbod van acute zorg en ziekenhuiszorg te bevorderen, heeft het kabinet een handreiking opgesteld4.
In de handreiking staan adviezen om de betrokkenheid van alle belanghebbenden te borgen. Door alle belangen te horen en te wegen en hier vroegtijdig met elkaar over in gesprek te gaan, wordt begrip gecreëerd en worden besluiten breed gedragen in de regio. Dit bevordert een zorgvuldig besluitvormingsproces. Bij de verdere uitwerking en eventuele besluitvorming over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod dient het Amsterdam UMC uiteraard ook de daarvoor geldende wet- en regelgeving in acht te nemen. Daaronder vallen, indien van toepassing, ook de voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz over een zorgvuldige besluitvormingsprocedure bij wijzigingen in het (acute) zorgaanbod.
Begrijpt u dat patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking zich zorgen kunnen maken als een ziekenhuislocatie in hun buurt op termijn verdwijnt?
Uiteraard kan het zo zijn dat de berichtgeving over het voorgenomen besluit vragen oproept bij patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking. Tegelijkertijd is op dit moment nog geen sprake van een uitgewerkt plan voor de verplaatsing van zorgactiviteiten. Zoals aangegeven werkt Amsterdam UMC het voorgenomen besluit het komende jaar verder uit. Daarna zal duidelijk worden wanneer en welke zorgactiviteiten worden verplaatst. Voor het kabinet staat voorop dat patiënten ook tijdens eventuele veranderingen moeten kunnen blijven rekenen op toegankelijke, kwalitatief goede en continu beschikbare zorg. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor een zorgvuldige uitvoering van dergelijke veranderingen en voor de continuïteit van zorg gedurende het hele proces.
Wat betekent het verdwijnen van de ziekenhuisfunctie op locatie VUmc voor de bereikbaarheid van ziekenhuiszorg voor inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten?
Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat het als universitair medisch centrum (umc) voornamelijk hoogcomplexe derdelijnszorg verleent aan patiënten die veelal vanuit andere ziekenhuizen (de tweedelijn) worden doorverwezen. Deze patiënten komen niet alleen uit de regio Noord-Holland en Flevoland, maar uit het hele land. Het Amsterdam UMC heeft daarnaast toegelicht dat inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten voor veel medisch-specialistische zorg ook terechtkunnen bij andere ziekenhuizen in de regio. Voor patiënten die zijn aangewezen op de hoogcomplexe zorg van het Amsterdam UMC wordt aangegeven dat een eventuele concentratie van de zorg op locatie AMC naar verwachting slechts een beperkte verandering van de reistijd met zich mee zal brengen. Ook is de spoedeisende hulp van Amsterdam UMC sinds 2024 al geconcentreerd op locatie AMC. Dus voor de acute zorg verandert er niets ten opzichte van de situatie zoals die sinds 2024 was.
Is onderzocht hoeveel langer patiënten straks onderweg zijn naar het ziekenhuis, zowel met de auto, het openbaar vervoer als de ambulance?
Nee, dit is (nog) niet onderzocht.
Voor wat betreft vervoer per ambulance geldt dat de spoedeisende hulp van Amsterdam UMC sinds 2024 al geconcentreerd is op locatie AMC. Dat betekent dat patiënten al niet meer door de ambulance naar de VUmc locatie worden gebracht.
Kunt u uitsluiten dat deze concentratie van ziekenhuiszorg leidt tot langere reistijden, langere wachttijden of minder toegankelijke zorg voor patiënten?
Het kabinet kan daar op dit moment geen uitspraken over doen. De inrichting van het zorgaanbod en de organisatie van de zorgverlening zijn in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder, in dit geval dus het Amsterdam UMC. Het is aan Amsterdam UMC om de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg verder uit te werken en daarbij de gevolgen voor patiënten, waaronder de bereikbaarheid van de zorg, zorgvuldig te betrekken. Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat voor een beperkte groep patiënten de reistijd naar verwachting met maximaal 30 minuten zal toenemen, terwijl voor een andere groep patiënten de reistijd juist zal afnemen. Daarnaast heeft het ziekenhuis laten weten dat het niet verwacht dat de voorgenomen concentratie zal leiden tot langere wachttijden of een verminderde toegankelijkheid van de zorg. Volgens het Amsterdam UMC biedt het samenbrengen van de patiëntenzorg op één locatie de mogelijkheid om de beschikbare capaciteit, waaronder schaars personeel, efficiënter in te zetten en daarmee op termijn de toegankelijkheid van de zorg te verbeteren.
Klopt het dat financiële redenen, zoals te veel vierkante meters en hoge huisvestingskosten, een belangrijke rol spelen bij dit voorgenomen besluit?
Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat naast het verder verbeteren van de kwaliteit en continuïteit van zorg ook de omvang van de vastgoedportefeuille, de daarmee samenhangende huisvestings- en exploitatiekosten en duurzaamheidsdoelstellingen belangrijke redenen zijn voor het voorgenomen besluit. Volgens het ziekenhuis maakt de huidige situatie met twee ziekenhuislocaties het bovendien complexer om hoogcomplexe zorg te organiseren, onder meer vanwege de schaarste aan gespecialiseerd personeel, de inzet van expertise en voorzieningen op twee locaties en de toenemende zorgvraag van patiënten met complexe aandoeningen. Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat het door de patiëntenzorg op één locatie te concentreren de beschikbare middelen en capaciteit doelmatiger kan inzetten, zodat meer middelen beschikbaar blijven voor de zorgverlening.
Hoe voorkomt u dat betaalbaarheid, vastgoed en efficiency zwaarder gaan wegen dan goede en bereikbare zorg voor patiënten?
Het is niet aan het kabinet om te treden in de bedrijfsvoering of strategische keuzes van individuele zorgaanbieders. Bij keuzes over de inrichting van de zorg is steeds een zorgvuldige afweging nodig tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Deze aspecten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en moeten alle drie voldoende worden geborgd.
Hoe kijkt u terug op het eerdere verdwijnen van de spoedeisende hulp en de huisartsenpost op locatie VUmc, juist omdat toen al zorgen bestonden over werkdruk en toegankelijkheid van zorg?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zorgaanbieders voortdurend nadenken over een toekomstbestendige organisatie van hun zorgaanbod, mede gezien de toenemende zorgvraag en de schaarste aan zorgpersoneel. Daarbij is het van belang dat keuzes zorgvuldig worden gemaakt en dat kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor patiënten steeds geborgd blijven. Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat deze overwegingen, waaronder de werkdruk en de duurzame inzetbaarheid van schaarse zorgprofessionals, een belangrijke rol hebben gespeeld bij de het eerdere besluit om de acute zorg te concentreren.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing dat het door dit besluit moeilijker kan worden om de geneeskundeopleiding van de Vrije Universiteit in stand te houden?
Het kabinet heeft begrepen dat het uitgangspunt is dat de geneeskundeopleidingen aan beide medische faculteiten van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) blijven bestaan.
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit volgens u voor de opleidingscapaciteit van artsen en medisch specialisten in Amsterdam?
Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat het voorgenomen besluit geen impact heeft op de opleidingscapaciteit.
Deelt u de zorg dat het verminderen van ziekenhuiscapaciteit onverstandig kan zijn met het oog op de vergrijzing, waarbij de zorgvraag juist verder zal toenemen?
Het Amsterdam UMC heeft in dit verband aangegeven dat met de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg op locatie AMC weliswaar sprake is van minder vierkante meters, maar niet feitelijk van een afname van de ziekenhuiscapaciteit. Volgens het ziekenhuis blijft de personele inzet behouden en biedt concentratie juist mogelijkheden om personeel efficiënter in te zetten en meer middelen beschikbaar te houden voor de zorgverlening, in plaats van voor vastgoed en huisvesting.
Deelt u de zorg dat met het verdwijnen van ziekenhuiscapaciteit ook de beschikbare capaciteit voor rampen, calamiteiten, infectie-uitbraken of oorlogssituaties verder afneemt?
UMC's hebben vanuit hun wettelijke taken binnen de acute zorg en traumazorg een belangrijke verantwoordelijkheid in de voorbereiding op en de inzet tijdens rampen, calamiteiten en grootschalige infectie-uitbraken. Het kabinet ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC leidt tot een afname van de hiervoor beschikbare capaciteit.
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit voor het zorgpersoneel op beide locaties, en hoe wordt voorkomen dat medewerkers door onzekerheid over hun werkplek of toekomst afhaken?
Het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC is een richting voor de komende 15 jaar, dus tot 2040. Op korte termijn verandert er niets voor patiënten, medewerkers van Amsterdam UMC of studenten.
Het is aan het Amsterdam UMC als werkgever om invulling te geven aan de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de medewerkers en hen daarbij zorgvuldig te betrekken. Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat de voorgenomen concentratie van de patiëntenzorg op één locatie uiteindelijk moet bijdragen aan een doelmatigere inzet van zorgprofessionals en middelen. Het ziekenhuis heeft daarbij aangegeven zich ervan bewust te zijn dat het voorgenomen besluit onzekerheid kan meebrengen voor medewerkers, mede omdat een deel van hen de afgelopen jaren al een verhuizing heeft meegemaakt. Volgens het Amsterdam UMC verandert er op korte termijn niets voor de inzet van zorgprofessionals en zijn hun kennis en inzet de komende jaren onverminderd nodig. Daarnaast heeft het ziekenhuis aangegeven zorgprofessionals te betrekken bij de uitwerking van de plannen en medewerkers gedurende het proces tijdig te informeren en ruimte te bieden om mee te denken over de verdere invulling van de plannen.
Heeft de cliëntenraad Amsterdam UMC al advies uitgebracht over dit voorgenomen besluit en zo ja, kunt u dit advies met de Kamer delen? Zo nee, waarom is de cliëntenraad nog niet om advies gevraagd?
Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat het voorgenomen besluit gelijktijdig is voorgelegd aan de medezeggenschapsorganen van het ziekenhuis. Het gaat hierbij naast de ondernemingsraden ook om de verpleegkundige adviesraad (VAR), het stafconvent, de studentenraden en de cliëntenraad. Volgens het Amsterdam UMC heeft de cliëntenraad het voorgenomen besluit op 19 juni jl. ontvangen met het verzoek hierover advies uit te brengen. De raad van bestuur van het Amsterdam UMC verwacht na de zomer een definitief besluit te nemen, waarbij de adviezen van de medezeggenschapsorganen worden betrokken.
Het is aan Amsterdam UMC om te bepalen hoe wordt omgegaan met de adviezen van de medezeggenschapsorganen en of deze openbaar worden gemaakt. Het kabinet beschikt niet over dit document.
Bent u bereid de Kamer voor het definitieve besluit te informeren over de gevolgen voor patiënten, bereikbaarheid, acute zorg, wachttijden, personeel, opleidingscapaciteit, rampenopvang en de toegankelijkheid van ziekenhuiszorg in de regio? Zo nee, waarom niet?
Bij de verdere uitwerking en eventuele besluitvorming over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod dient het Amsterdam UMC de daarvoor geldende wet- en regelgeving in acht te nemen. Daaronder vallen, indien van toepassing, ook de voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz over een zorgvuldige besluitvormingsprocedure bij wijzigingen in het (acute) zorgaanbod, waaronder het tijdig betrekken en informeren van relevante stakeholders en andere betrokkenen. Daarnaast werd hierboven al verwezen naar de handreiking die het kabinet heeft opgesteld over het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden. De verdere uitwerking door het Amsterdam UMC vindt plaats in het eerder genoemde «masterplan» dat naar verwachting eind 2027 gereed zal zijn. Volgens het Amsterdam UMC worden onder meer de gevolgen voor patiënten, medewerkers, opleiden en onderzoek, de zorgcapaciteit en de borging van de kwaliteit van zorg nog nader uitgewerkt. Ook zullen onderdelen van de planvorming opnieuw ter advisering worden voorgelegd aan de medezeggenschapsorganen.
Klopt het dat het eerder genoemde plan voor een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie voor Amsterdam UMC, waarover in 2025 werd bericht, niet langer aan de orde is? Zo nee, welke onderdelen van dat plan spelen nog wel een rol bij de huidige strategische huisvestingsroute?3
Het kabinet beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat sprake is geweest van een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie van het Amsterdam UMC. Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat de berichtgeving waarnaar wordt verwezen betrekking had op een idee dat destijds door een aantal (oud-)medewerkers is geopperd en niet op een formeel plan van het ziekenhuis.
Misstanden bij You-Zorg Nederland en misbruik van mensen met een verstandelijke beperking |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorginstelling in Assen moet zorg deels staken. Eigenaar verdacht van verkrachting cliënt, zijn vrouw verzweeg geen diploma te hebben»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het feit dat opnieuw cliënten in een kwetsbare positie, mishandeld zijn door hun zorgaanbieder, laat zien dat het te makkelijk is om misbruik te maken van ons zorgsysteem?
Misbruik maken van mensen die afhankelijk zijn van zorg of ondersteuning is volstrekt onacceptabel. Juist mensen in een kwetsbare positie moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilige en goede zorg en ondersteuning ontvangen en dat publiek geld wordt besteed aan de zorg waarvoor het is bedoeld. Iedere situatie waarin dat vertrouwen wordt geschaad, is er één te veel. Daarom zet het kabinet in op een verdere versterking van de aanpak van zorgfraude en op maatregelen die voorkomen dat malafide aanbieders zich in de zorg kunnen vestigen of actief kunnen blijven (zie ook het antwoord op vraag 7).
Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of uw ministerie eerder signalen ontvangen over onveiligheid en gebrekkige zorg bij You-Zorg Noord? Zo ja, wanneer zijn deze signalen binnengekomen, wat was de aard van deze signalen en welke vervolgacties zijn ondernomen? Zijn er elders signalen binnengekomen? Zo ja, waar, wanneer en hoe zijn die opgepakt?
De Inspectie heeft sinds de oprichting van You-Zorg Noord signalen en meldingen ontvangen over You-Zorg Noord. De Inspectie mag volgens de wet geen uitspraken doen over de inhoud van signalen en meldingen. Sommige van die meldingen heeft de Inspectie eind 2025, na overleg met de politie en het Openbaar Ministerie, niet op de gebruikelijke wijze opgepakt. Dit deed de Inspectie om het gerechtelijk onderzoek ongehinderd doorgang te laten vinden. De andere meldingen waren voor de Inspectie aanleiding om in maart jl. een onderzoek te doen naar de kwaliteit en veiligheid van zorg binnen de organisatie als geheel. Dit onderzoek gaf aanleiding tot de aanwijzing die op 23 juni jl. is gepubliceerd. Het zorgkantoor heeft in 2025 1 melding ontvangen, waaraan opvolging is gegeven.
Hoe wordt geborgd dat alle cliënten van You-Zorg Noord zo snel mogelijk bij een andere zorgaanbieder terecht kunnen en hier ook passende zorg ontvangen?
De Inspectie heeft You-Zorg Noord zes weken de tijd gegeven voor de overdracht van cliënten. De zorgaanbieder is primair verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg en een zorgvuldige overdracht. Deze overdracht dient te gebeuren in overleg met de cliënt, de cliëntvertegenwoordiger en het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft contact met de mentoren van de betreffende cliënten om te bespreken hoe zij hen zo goed mogelijk kan ondersteunen bij het zoeken naar een nieuwe zorgaanbieder. De Inspectie verwacht dat cliënten zorgvuldig worden overgedragen waardoor de zorgaanbieder rechtmatig kan stoppen met het verlenen van zorg aan de betreffende cliënten. Als het You-Zorg Noord niet lukt om alle cliënten binnen de gestelde termijn over te dragen, zal de Inspectie op basis van de voortgangsrapportages en contextinformatie bepalen welke vervolgstappen zij dan nodig vindt. De Inspectie kan dan vervolgmaatregelen nemen zoals een nieuwe (zwaardere) aanwijzing of een last onder dwangsom of bestuursdwang.
Is er direct passende nazorg en ondersteuning geregeld voor de cliënten en de familieleden van deze cliënten?
Ik vind het van het grootst belang dat cliënten en hun familie de juiste nazorg ontvangen. Nazorg bij seksueel geweld is een verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder. De Inspectie heeft You-Zorg Noord gevraagd de cliënten en hun cliëntvertegenwoordigers op een passende manier te informeren over de aanwijzing, zodat cliënten zo snel mogelijk passende (na)zorg kunnen ontvangen. In een situatie waarin sprake is van signalen van ernstig grensoverschrijdend gedrag en mogelijke betrokkenheid van iemand met een bepalende positie binnen de organisatie, kan echter niet zonder meer worden verwacht dat de nazorg volledig door diezelfde organisatie wordt ingericht. In die gevallen is het van belang dat cliënten en hun naasten toegang hebben tot onafhankelijke ondersteuning. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 heeft het zorgkantoor contact met (de mentoren van) de betreffende cliënten om hen hierover te informeren.
Is er ooit door de Inspectie, vertrouwenspersonen of een andere onafhankelijke instantie gesproken met de cliënten van You-Zorg in het kader van een reguliere kwaliteitscontrole of specifiek ter preventie van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag?
De Inspectie heeft tijdens het bezoek in maart jl. gesproken met meerdere cliënten. Omdat er een gerechtelijk onderzoek liep naar de ex-bestuurder, heeft de Inspectie tijdens dit bezoek geen vragen gesteld over (mogelijke gedragingen van) de ex-bestuurder. Het zorgkantoor legt periodiek huisbezoeken af bij cliënten met een pgb. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de kwaliteit van de zorg en in hoeverre de budgethouder/pgb beheerder in staat is om daarop toe te zien. Dat er sprake was van ondermaatse zorg en ondersteuning of ongewenst gedrag richting cliënten van You-zorg Noord is hierbij niet naar voren gekomen.
Bent u van mening dat er momenteel voldoende waarborgen zijn om te voorkomen dat zorgverleners zonder voldoende deskundigheid of met verkeerde bedoelingen (langdurig) toegang hebben tot kwetsbare cliënten? Zo ja, kunt u dit onderbouwen aan de hand van concrete data en argumenten? Zo nee, welke concrete maatregelen gaat u op korte en lange termijn nemen om dit te verbeteren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zie ik dat kwaadwillenden de mazen van het zorgstelsel zoeken en misbruiken.
In mijn brief «Versterkte en samenhangende aanpak van zorgfraude» van 8 juni jl. (Kamerstukken II, 2025–2026, 28 828, nr. 163), heb ik beschreven hoe dit kabinet inzet op een stevig pakket maatregelen om zorgfraude en ondermijnende criminaliteit in de zorg harder aan te pakken. Dit gebeurt door malafide aanbieders nog strenger te toetsen bij de start. Nieuwe en herstartende zorgaanbieders worden strenger gecontroleerd, de inzet van de Wet Bibob wordt uitgebreid en toezicht- en opsporingsdiensten krijgen extra capaciteit om fraudeurs sneller op te sporen en aan te pakken en de samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en andere betrokken partijen wordt verder geïntensiveerd. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat publiek zorggeld verdwijnt in plaats van dat het ten goede komt aan mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben.
Met deze maatregelen wil het kabinet de weerbaarheid van het zorgstelsel vergroten, cliënten in een kwetsbare situatie beter beschermen en ervoor zorgen dat publiek geld terechtkomt waar het voor bedoeld is.
Welke concrete verbeteringen zijn er geweest na eerdere misstanden bij pgb-gefinancierde initiatieven, zoals bijvoorbeeld Aurora Borealis?
In de Kamerbrief over pgb-gefinancierde wooninitiatieven van juni 2024 (Kamerstukken II, 2023–2024, 25 657, nr. 360) en de antwoorden op de in vraag 9 bedoelde Kamervragen zijn verschillende maatregelen genoemd om de positie van bewoners van kleinschalige wooninitiatieven te verbeteren:
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de beloften die zijn gedaan in antwoord op mijn vragen uit oktober 20242 om het risico op misbruik in bij pgb-gefinancierde wooninitiatieven te verminderen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe vaak voert de IGJ momenteel risicogericht toezicht uit bij kleinschalige wooninitiatieven en zorgaanbieders waarbij de zorg grotendeels vanuit pgb’s wordt gefinancierd?
De Inspectie heeft in 2025 200 bezoeken gebracht aan aanbieders van gehandicaptenzorg. Deze aanbieders bieden vaak zorg en ondersteuning vanuit verschillende sectoren zoals gehandicaptenzorg, ggz, jeugdzorg en ouderenzorg. Hieronder vallen ook wooninitiatieven die (gedeeltelijk) vanuit een pgb worden gefinancierd. De Inspectie houdt geen gegevens bij over hoeveel toezichtstrajecten er bij vanuit pgb gefinancierde zorgaanbieders lopen.
Waarom wordt er niet voor gekozen om onze moties uit te voeren die vragen om meer inspecteurs voor specifiek deze doelgroep en gespecialiseerde vertrouwenspersonen die proactief instellingen en wooninitiatieven voor mensen met een (meervoudige) en/of psychische problematiek beperking te bezoeken?
In eerdere correspondentie met uw Kamer, waaronder de voortgangrapportages van de Toekomstagenda3 en ondersteuning voor mensen met een beperking, is gerapporteerd op de uitvoering van bovengenoemde moties Westerveld. Mijn ambtsvoorgangers vermelden de uitvoering van de moties langs meerdere lijnen waaronder de ophoging van het aantal inspecteurs dat namens de Inspectie actief is in de gehandicaptenzorg.
In de eerste voortgangsrapportage van de Toekomstagenda heeft mijn ambtsvoorganger opgemerkt dat de nadruk bij deze motie voor de ophoging van het aantal inspecteurs ligt op toezicht en controle. Uit gevoerde gesprekken met veldpartijen blijkt dat zij het werk van gespecialiseerde vertrouwenspersonen beschouwen als sluitstuk en geen signalen ontvangen van een gebrek aan vertrouwenspersonen.
Een cultuur waarin men zich bewust is van de risico’s omtrent (seksueel) grensoverschrijdend gedrag en waarbij grenzen bespreekbaar zijn is hierbij cruciaal. De afgelopen jaren heb ik samen met verschillende partijen gewerkt aan bewustwording en het bespreekbaar maken van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dit wordt onder andere gedaan door de ontwikkeling van een nieuwe richtlijn: seksualiteit en intimiteit in de langdurige zorg4. Door de toepassing van de richtlijn kunnen zorgverleners beter aansluiten bij de behoeften van cliënten. Dit helpt goede herkenning van seksuele en intieme ongewenst gedrag en daar op een goede wijze mee om te gaan. Op dit moment ben ik in gesprek met partijen over het verspreiden van kennis over grensoverschrijdend gedrag en daar zal ik mij voor blijven inzetten.
Bent u van mening dat ons zorgstelsel voldoende waarborgen bevat om mensen met een (meervoudige) beperking die vaak niet zelf kunnen melden en afhankelijk zijn van hun zorgverleners, te beschermen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze afschuwelijke situatie?
Ik ben van mening dat ons zorgstelsel in de basis een dekkend stelsel van waarborgen biedt om mensen in een kwetsbare situatie die zorg en ondersteuning nodig hebben te beschermen. Omdat veiligheid geen statisch gegeven is, maar continue aandacht vraagt, blijf ik in nauw contact met de Inspectie, zorgkantoren, brancheorganisaties en belangenbehartigers om te bezien waar regelgeving en/of uitvoering verder aangescherpt kan worden om bescherming van kwetsbare zorgvragers te kunnen garanderen.
De aanpak van seksueel kindermisbruik in Nederland |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de verdenkingen van seksueel misbruik van minderjarige kinderen op een basisschool in Zoetermeer? Deelt u de opvatting dat deze zaak opnieuw duidelijk maakt welke verstrekkende gevolgen seksueel misbruik heeft voor slachtoffers, hun ouders en de betrokken gemeenschap?
Kunt u aangeven hoeveel minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik jaarlijks naar schatting buiten beeld blijven van politie en hulpinstanties, en welke concrete maatregelen u neemt om deze groep beter te bereiken?
Kunt u een overzicht geven van het aantal meldingen, aangiften, vervolgingen en veroordelingen wegens seksueel misbruik van minderjarigen in de afgelopen vijf jaar? Hoe beoordeelt u deze cijfers in verhouding tot de door experts en onderzoeksinstanties geschetste omvang van de problematiek?
Hoe reflecteert u op de bevinding van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat jaarlijks ten minste 20.000 Nederlandse mannen seksueel kindermisbruik plegen in het buitenland? Welke conclusies trekt u uit deze bevinding over de omvang van seksuele interesse in kinderen en het risico op seksueel misbruik door Nederlandse daders, zowel binnen als buiten Nederland?
Welke preventieve voorzieningen zijn momenteel beschikbaar voor personen die seksuele gevoelens richting minderjarigen ervaren en daarvoor hulp zoeken voordat zij strafbare feiten plegen? Is bekend hoeveel personen jaarlijks gebruik van deze voorzieningen en acht u het bereik hiervan voldoende gelet op de omvang van de problematiek die onder meer uit WODC-onderzoek naar voren komt?
Kunt u reflecteren op de conclusies van de Nationaal Rapporteur op het belang van vroegsignalering? In hoeverre zijn scholen, kinderopvangorganisaties, sportverenigingen en andere instellingen die met kinderen werken verplicht om medewerkers te scholen in het herkennen van signalen van seksueel misbruik? Kunt u een overzicht geven van alle bij u bekende preventieve maatregelen, en acht u deze voldoende?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens minderjarigen de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis zijn binnengekomen en welk percentage daarvan heeft geleid tot nader onderzoek, hulpverlening of strafrechtelijke vervolging?
Kunt u reflecteren op de bevinding van de Nationaal Rapporteur dat slachtoffers van seksueel geweld vaak pas jaren na het misbruik melding maken? Welke aanvullende maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat kinderen eerder hulp kunnen zoeken en misbruik sneller wordt gesignaleerd en gestopt?
Beschikken de politie en gespecialiseerde zedenteams volgens u over voldoende capaciteit en expertise om meldingen van seksueel misbruik van kinderen tijdig te onderzoeken? Kunt u inzicht geven in de huidige wachttijden, achterstanden en personele capaciteit binnen de zedenketen?
Kunt u uiteenzetten welke concrete en meetbare doelstellingen het kabinet hanteert voor het terugdringen van seksueel kindermisbruik in Nederland? Welke indicatoren gebruikt u om vast te stellen of het beleid daadwerkelijk leidt tot minder slachtoffers?
De toename van explosies in woonwijken |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de recente explosies in Amsterdam, Breda, Poortugaal, Eindhoven en Spijkenisse en het beeld dat explosies in woonwijken steeds vaker voorkomen en zich op sommige locaties herhalen?
Hoeveel explosies en pogingen daartoe hebben in de afgelopen tien jaar plaatsgevonden in woonwijken? Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, politieregio en naar (vermoedelijk) motief?
Hoe heeft het aantal explosies en pogingen daartoe in woonwijken zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld en welke mogelijke trend ziet u daarin voor de komende jaren? Kunt u daarbij aangeven welke factoren volgens politie, het Openbaar Ministerie en andere betrokken instanties bijdragen aan deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de maatschappelijke impact van deze ontwikkeling op bewoners, in het bijzonder in buurten waar herhaaldelijk explosies plaatsvinden en gevoelens van onveiligheid langdurig aanwezig blijven?
Hoe verklaart u dat in meerdere gevallen in korte tijd opnieuw explosies konden plaatsvinden in dezelfde straat of directe omgeving, zoals recent in Breda, Poortugaal en Spijkenisse?
Beschikken gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie momenteel over een eenduidige werkwijze voor risicobeoordeling en opvolging na een eerste explosie om herhaling te voorkomen? Zo ja, hoe ziet die eruit en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Welke concrete maatregelen worden direct ingezet nadat sprake is van een explosie bij een woning, bijvoorbeeld op het gebied van beveiliging, toezicht, informatievoorziening en bescherming van bewoners en omwonenden?
Welke juridische, bestuurlijke en operationele instrumenten hebben burgemeesters op dit moment om op te treden na een explosie en acht u dat instrumentarium toereikend?
Hoeveel explosiezaken zijn in de afgelopen tien jaar opgehelderd? Dat wil zeggen: hoe veel verdachten zijn aangehouden en in hoeveel zaken is het daadwerkelijk gekomen tot een veroordeling?
Acht u de huidige opsporings- en vervolgingscapaciteit binnen politie, forensische opsporing en het Openbaar Ministerie voldoende om explosiezaken snel en zichtbaar af te handelen? En zo ja, waar blijkt dat uit?
Hoe vaak waren in de afgelopen tien jaar minderjarigen of jongvolwassenen betrokken bij explosiezaken en welke inzichten bestaan over de rekrutering van jongeren voor dit type geweld?
Welke interventies worden ingezet om te voorkomen dat jongeren worden ingezet voor intimidatie, geweld en explosies en hoe wordt de effectiviteit van die aanpak beoordeeld?
Heeft u voldoende zicht op de herkomst, handel en verspreiding van de explosieve middelen die worden gebruikt bij deze incidenten?
Het bericht 'Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol' |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Letschert , Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol»?1
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Gaza naar Jordanië te reizen?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 waarin de Minister slechts verplicht wordt om een geringe inspanning te verrichten?
Waarom is er niet gewacht met het bieden van ondersteuning aan de rest van de groep van 42 Gazanen totdat er een uitspraak in de bodemprocedure ligt?
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Jordanië naar Nederland te reizen?
Hoe verklaart u dat er naast 21 Gazaanse studenten ook 18 meereizende gezinsleden naar Nederland zijn gekomen? Op grond van welke rechterlijke uitspraak heeft Nederland de plicht om deze meereizende gezinsleden ondersteuning te bieden?
Hoe verklaart u dat de verhouding studenten versus meereizende gezinsleden bijna 1 op 1 is? Hoe verhoudt zich dit tot het gemiddelde aantal gezinsleden dat meereist met migranten met een studievisum?
Klopt het dat Gazaanse studenten tijdens het verblijf de meereizende gezinsleden financieel moeten onderhouden? In hoeverre is dit mogelijk gezien de levensstandaard in Gaza en het feit dat deze Gazanen naar Nederland komen om te studeren?
Klopt het dat deze meereizende gezinsleden geen zelfstandig verblijfsrecht hebben en Nederland dus moeten verlaten zodra de gezinsband wordt verbroken?
Hoe groot schat u de kans in dat deze meereizende gezinsleden daadwerkelijk Nederland zullen verlaten en zullen terugkeren naar Gaza indien de gezinsband wordt verbroken?
Op basis waarvan bepalen universiteiten welke buitenlandse studenten zij toelaten tot hun universiteit?
Welke ondersteuning hebben universiteiten geboden om deze studenten van Jordanië naar Nederland te laten reizen? Hebben zij bijvoorbeeld één of meerdere overnachtingen in Jordanië en de vliegtickets betaald?
Hoe komen de Nederlandse universiteiten aan het geld om deze Gazaanse studenten te ondersteunen?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan deze studenten tijdens hun verblijf in Nederland? Valt onder deze ondersteuning ook huisvesting?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de ondersteuning die Nederlandse studenten krijgen van universiteiten in hun zoektocht naar een studentenkamer, indien universiteiten inderdaad huisvesting aan deze groep bieden?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich tot het kabinetsvoornemen om het aantrekken van internationale studenten zo veel als kan te beperken tot internationaal toptalent? Is daar hier sprake van?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich voorts tot de ambitie uit het regeerakkoord om te zorgen voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn? Is daar hier sprake van?
Hoe past het toelaten van deze Gazaanse studenten in de huidige bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van anderstalige opleidingen dan wel de regionale draagkracht?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan de meereizende gezinsleden?
Wat zijn de totale kosten voor de universiteiten om deze Gazaanse studenten in Nederland te laten studeren?
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat universiteiten actief ondersteuning bieden bij het naar Nederland halen van studenten en hun gezinsleden uit oorlogsgebieden?
Het met hulp van de Nederlandse overheid overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat 42 Palestijnen uit Gaza met actieve hulp van de Nederlandse overheid naar Nederland zijn overgebracht1?
Waarom acht u het uw taak om Palestijnen uit Gaza naar Nederland te halen, terwijl Nederland al kampt met een ongekende asiel- en migratiecrisis?
Wie heeft aangedrongen op het overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland? Welke non-gouvernementele organisaties (ngo), universiteiten, actiegroepen, ambtenaren, internationale organisaties en andere belanghebbenden hebben hierbij een rol gespeeld en welke kosten zijn er gemaakt?
Waarom staat u het toe dat complete gezinnen meekomen terwijl de verleende visa bedoeld zijn voor studie of werk van individuele personen?
Binnen welke termijn moeten de eerste Palestijnen Nederland weer verlaten? Welke concrete maatregelen worden genomen als zij weigeren terug te keren?
Welke harde garanties bestaan er dat alle 42 Palestijnen Nederland daadwerkelijk verlaten zodra hun visum eindigt?
Kunt u garanderen dat geen van deze Palestijnen na afloop van hun visum een asielaanvraag zal indienen om alsnog permanent verblijf in Nederland af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het binnenhalen van personen uit een door Hamas bestuurd gebied enorme veiligheidsrisico’s met zich kan brengen? Zo ja, waarom brengt u Nederlanders bewust in gevaar door onze grens open te zetten voor personen uit Gaza?
Zijn alle Palestijnen individueel en uitgebreid gescreend op veiligheidsrisico’s, radicalisering, banden met terroristische organisaties, extremistische activiteiten en identiteitsfraude? Hoeveel van deze personen beschikken niet over volledige of verifieerbare identiteitsdocumenten?
Bent u bereid per direct te stoppen met het actief faciliteren van de komst van Palestijnen naar Nederland en ook geen nieuwe visa meer te verstrekken aan personen uit Gaza? Zo nee, waarom niet?
Wilt u al deze Palestijnen samen met alle andere Palestijnen die in Nederland verblijven direct naar Jordanië sturen, de enige echte legitieme Palestijnse Staat en het verzet vanuit het Hashemitische Koninkrijk de prullenbak in gooien? Zo nee, waarom niet?
Herhaalde aanvallen van het Israëlische leger op medisch personeel in Libanon |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De eerste ambulance werd geraakt; toen de tweede, derde en vierde. Hoe Israël medisch personeel aanvalt in Libanon»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat het Israëlische leger in Libanon zogenoemde double-tap-aanvallen uitvoert, waarbij hulpverleners die na een eerste aanval te hulp schieten herhaaldelijk opnieuw worden beschoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet inderdaad dat herhaaldelijk sprake is van situaties waarin medisch en humanitair personeel dat toestroomt na een aanval wordt getroffen door een vervolgaanval. Aanvallen waarbij hulpverleners worden getroffen verontrusten het kabinet altijd, en dit geldt des te meer voor vervolgaanvallen, waarbij het risico aanzienlijk toeneemt dat hulpverleners worden getroffen. Het kabinet kent ook de cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie over het hoge aantal zorgverleners dat is omgekomen in Libanon sinds de start van het conflict op 2 maart. De impact van de geweldsescalatie tussen Israël en Hezbollah op hulpverleners en medische faciliteiten, en daarmee op de gehele hulpverlening, in Libanon is zorgwekkend.
Deelt u de conclusie van de door NRC geraadpleegde experts dat deze aanvallen in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht, in het bijzonder met de bescherming van medisch personeel en ambulances? Zo nee, waarom niet?
Volgens het humanitair oorlogsrecht genieten ziekenhuizen, medisch personeel en ambulances een speciale, beschermde status. Het doelbewust aanvallen van medische gebouwen, transporten of medisch personeel die herkenbaar zijn en hun neutrale taak uitvoeren, is een ernstige schending van het humanitair oorlogsrecht. Onder het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof is het opzettelijk aanvallen van medische gebouwen, medische eenheden en transporten gecategoriseerd als een oorlogsmisdrijf. De bescherming onder het humanitair oorlogsrecht vervalt alleen als een medische entiteit buiten haar humanitaire taak wordt gebruikt om handelingen te verrichten die schadelijk zijn voor de vijand.
Het kabinet onderstreept deze uitgangspunten en veroordeelt dan ook doelbewuste aanvallen op hulpverleners en medische faciliteiten. Tegelijkertijd kan in complexe conflictsituaties niet altijd worden vastgesteld wat de precieze omstandigheden zijn. Het kabinet dringt aan op transparant en onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Het is in eerste instantie aan de lokale autoriteiten om dergelijk onderzoek te doen. In dat kader steunt Nederland de komende vier jaar het Nationale Comité voor het Humanitair Oorlogsrecht (National International Humanitarian Law Committee) van Libanon met een financiële bijdrage, zodat dit onderzoek kan doen naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht.
Hoe beoordeelt u deze aanvallen op medisch personeel en ambulances in het licht van de verplichtingen van Israël onder artikel 2 van de EU-Israël Associatieovereenkomst?
Zoals bekend in uw Kamer waren in mei 2025 de humanitaire situatie in de Gazastrook, de situatie op de Westelijke Jordaanoever, en de Israëlische positie die wezen op de herbezetting van (delen van) de Gazastrook, Syrië en Libanon reden om de EU Hoge Vertegenwoordiger (HV) Kallas te verzoeken om een evaluatie van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Naar aanleiding van de conclusie van de HV en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het Associatieakkoord heeft Nederland zich in EU-verband ingezet voor concrete EU-maatregelen. Het beoogde doel van de Nederlandse inzet voor maatregelen was de druk op te voeren en Israël van koers te doen veranderen. Hiervoor blijkt tot op heden te weinig draagvlak onder lidstaten. Niettemin blijft de kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord erop gericht om voldoende steun te vergaren voor EU-maatregelen.2
Is het kabinet bereid deze aanvallen scherp en publiekelijk te veroordelen, en dit ook rechtstreeks over te brengen aan de Israëlische regering? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderstreept dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, door alle partijen moet worden gerespecteerd. Daar waar dat niet gebeurt of lijkt te gebeuren, spreekt het kabinet zich uit, voor en achter de schermen. Zoals uw Kamer bekend wijst het kabinet de Israëlische regering op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder de bescherming van burgers, hulpverleners en medische faciliteiten.
Hebben eerdere gesprekken met Israëlische Ministers en andere diplomatieke contacten geleid tot aantoonbare verandering in het optreden van het Israëlische leger? Zo nee, welke conclusie trekt het kabinet daaruit over de effectiviteit van diplomatieke waarschuwingen?
Het kabinet zet zich – met partners en naar vermogen – in om de situatie in Israël, de Palestijnse Gebieden en de bredere regio te de-escaleren en te verbeteren. Het kabinet benut daarvoor de goede relaties die Nederland heeft met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit, en staat in nauw en intensief contact met landen in de regio, o.a. om regionale spanningen te verlagen en humanitaire hulp te bieden. Zowel voor als achter de schermen is het kabinet actief om invloed uit te oefenen. Het kabinet brengt zorgen over het optreden van Israël in Libanon consistent op bij de autoriteiten.
Zoals bekend in uw Kamer is naast dialoog ook het opvoeren van druk een belangrijk onderdeel van de diplomatieke inspanningen, o.a. om gedragsverandering van Israël te realiseren Die inzet gaat door. Daarom zet het kabinet zich in EU-verband in om de draagvlak voor EU-maatregelen te vergroten
Is het kabinet bereid deze praktijken aan te grijpen om in Europees verband opnieuw en blijvend te pleiten voor spoedige politieke en handelsmaatregelen tegen Israël, zolang het Israëlische leger burgers, hulpverleners en medisch personeel blijft aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vraag 4.
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de relatie met Israël nu het Israëlische leger, na meerdere waarschuwingen, opnieuw hulpverleners, ambulances en medische voorzieningen blijkt aan te vallen?
Zie beantwoording vraag 6.
Gesprekken die zijn gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Rob Jetten (D66), Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gesprek Taliban en EU afgelopen, ook Nederland zat aan tafel»?1
Ja
Erkent u dat er ook Nederlandse ambtenaren bij de gesprekken zaten die zijn gevoerd met de Taliban in Brussel?
Ja
Zo ja, hoe kan het dat u tijdens het commissiedebat JBZ-Raad van 27 mei beweerde dat Nederlandse ambtenaren niet betrokken zijn bij de gesprekken?
Er was op dat moment nog geen sprake van een concrete uitnodiging aan de lidstaten.
Wanneer is het besluit genomen om ambtenaren van Nederland te laten deelnemen aan de gesprekken met de Taliban in Brussel? Wie waren er betrokken bij dit besluit?
Dit besluit werd op vrijdag 19 juni genomen door de Minister van Asiel en Migratie, in goed overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken.
Waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd?
Het gaat om een operationeel gesprek. EU-lidstaten, inclusief Nederland, hebben een week voorafgaand aan het gesprek de uitnodiging ontvangen voor dit gesprek in Brussel. Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Dit gesprek was hier onderdeel van. Naar aanleiding van deze uitnodiging is besloten dat een Nederlandse ambtenaar op werkniveau het gesprek zou bijwonen.
Is er over de deelname van een ambtenaar van het Ministerie van Asiel en Migratie aan het overleg advies ingewonnen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe luidde het advies?
Ja, het besluit is in goed overleg genomen. Deze inzet is in lijn met onze huidige positie ten aanzien van contact met de de facto autoriteiten.
Erkent u dat deze gesprekken een stap zijn richting de normalisering van het Taliban-regime en dat zij met deze gesprekken een podium hebben gekregen in het hart van onze Europese democratie? Zo nee, waarom niet?
Nee, het was een operationeel gesprek en het normaliseren van de relatie met het Taliban-regime is niet aan de orde.
Waarom zorgt u ervoor dat Nederland door Nederlandse ambtenaren te sturen bijdraagt aan het normaliseren van het wrede Taliban-regime?
Nederland erkent de Taliban niet als de legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Wel onderhoudt Nederland minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Het gesprek in Brussel past in dit kader.
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat het gesprek met de Taliban in Brussel «waanzin» is? Zo nee, waarom niet?
Nee, het betrof een operationeel gesprek. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Nederland erkent de Taliban niet als legitieme vertegenwoordiging van het Afghaanse volk.
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens Instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat we onze geloofwaardigheid over mensenrechten volledig verliezen als we de Taliban voor een kopje thee in Brussel uitnodigen? Zo nee, waarom niet?
Dit betrof een operationeel gesprek. Nederland blijft zich onverminderd inzetten voor mensenrechten in Afghanistan. Dat doet Nederland via onder andere met steun aan VN organisaties en steun aan lokale mensenrechteninitiatieven. Ook blijft Nederland zich uitspreken tegen mensenrechtenschendingen door de de facto autoriteiten in Afghanistan, zowel in EU- als in VN-verband.
Is er sprake van eenheid van kabinetsbeleid, als ambtenaren van één ministerie deelnemen aan het gesprek met de Taliban, terwijl de premier zich op Instagram in felle bewoordingen uitlaat tegen het gesprek met de Taliban?
Ja
Vertegenwoordigt de Taliban volgens u het Afghaanse volk? Zo nee, waarom kiest u ervoor om ambtenaren wel met hen in gesprek te laten gaan en hen samen met vertegenwoordigers van de Europese Commissie en 14 andere EU-landen te verwelkomen in Brussel?
Nee. Nederland erkent de Taliban niet als de legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Wel onderhoudt Nederland minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. De Taliban zijn immers de feitelijke machthebbers in Afghanistan op dit moment. Het gesprek in Brussel past in dit kader.
Erkent u dat de gesprekken die zijn gevoerd met de delegatie van de Taliban een meerwaarde hadden voor het regime? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is deze precies en vindt u dat de mogelijkheid om Afghanen misschien terug te kunnen sturen waard?
De reden voor de de facto autoriteiten om deze gesprekken aan te gaan is ons niet bekend.
Wat is er precies besproken tijdens de gesprekken? Kunt u op korte termijn een verslag aan de Kamer doen toekomen?
De operationele stappen van een mogelijke terugkeerprocedure zijn besproken. Het gaat om een operationeel gesprek, hiervan wordt zoals gebruikelijk geen afschrift gestuurd naar de Tweede Kamer.
Sluit Nederland uit dat officiële vertegenwoordigers van het Taliban-regime in Nederland geaccrediteerd worden? Zo nee, waarom niet?
Nederland erkent de Taliban niet als legitieme vertegenwoordiging van het Afghaanse volk. Erkenning is ook niet aan de orde.
Wat zijn de eisen die de Taliban hebben neergelegd in ruil voor het terugsturen van uitgeprocedeerde Afghanen?
Het gaat om een operationeel gesprek over de stappen in een mogelijke terugkeerprocedure, hiervan wordt zoals gebruikelijk geen afschrift gestuurd naar de Tweede Kamer.
Is er gesproken over de veiligheid van deze mensen? Zo ja, wat is hierover besproken? Zo nee, waarom niet?
De operationele stappen van een mogelijke terugkeerprocedure zijn besproken.
Is er gesproken over de mensenrechtensituatie in Afghanistan, en met name de situatie van vrouwen en meisjes die in Afghanistan onderdrukt worden? Zo ja, wat is er besproken, zo nee, waarom niet?
Onderwerp van gesprek waren de operationele stappen van een mogelijke terugkeerprocedure.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de start van het zomerreces beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld»?1
Wat is uw reactie op de bevindingen van Nederlandse deskundigen over het verband tussen huiselijk geweld en suïcide?
Herkent u het beeld dat huiselijk geweld, psychische mishandeling, stalking en dwingende controle belangrijke risicofactoren zijn voor suïcidaliteit onder vrouwen? Zo ja, op welke manier wordt hiermee rekening gehouden in beleid en praktijk?
Zijn er cijfers bekend waaruit blijkt in hoeveel gevallen van suïcide sprake was van (een voorgeschiedenis van) huiselijk geweld? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe dit beter in beeld kan worden gebracht?
Bent u bereid te bezien of de registratie van huiselijk geweld, suïcidepogingen en suïcides beter op elkaar kan worden aangesloten, zodat patronen eerder kunnen worden herkend en gerichter beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden voor politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen wanneer er aanwijzingen zijn dat huiselijk geweld, psychische mishandeling of dwingende controle hebben bijgedragen aan een suïcide?
Bent u bekend met het fenomeen «staged suicide», waarbij een overlijden ten onrechte als suïcide wordt aangemerkt terwijl sprake kan zijn van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre komt dit volgens u voor in Nederland?
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van staged suicide in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kan het aangekondigde wetsvoorstel over de strafbaarstelling van psychisch geweld bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling mogelijk leidt tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide?
Op welke wijze wordt binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke risicogroep?
Structurele financiering voor dierenhulp bij rampen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de projectsubsidie vanuit de Ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), verleend aan Stichting Dieren in Rampen ten behoeve van de uitvoering van de motie-Wassenberg (Kamerstuk 29 517, nr. 218) en motie-Wassenberg c.s. (Kamerstuk 29 517, nr. 249), loopt tot april 2027?
Deelt u de mening dat wanneer dieren niet zijn meegenomen in crisisplannen en hulpverlening, dit aantoonbaar leidt tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld wanneer mensen weigeren te evacueren, terugkeren naar onveilige gebieden en extra risico’s nemen om hun dieren te redden?
Kunt u beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van vertraagde evacuaties en de vergrote druk op hulpdiensten die hieruit voortvloeit?
Deelt u de mening dat Stichting Dieren in Rampen een waardevolle bijdrage levert en kan blijven leveren aan het waarborgen en coördineren van professionele dierenhulp bij grootschalige incidenten, rampen en crises in nauwe aansluiting op de crisisbeheersing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe dierenhulporganisaties worden betrokken bij de concrete regionale uitwerking van een hoofddoelstelling van ons Landelijk Crisisplan Natuurbranden: het redden van mensen en dieren, inclusief de overweging van ontruiming en evacuatie?
Kunt u aangeven hoe, in navolging van het Landelijk Crisisplan Natuurbranden, ook in andere (nieuwe) relevante crisis- en weerbaarheidsplannen wordt geborgd dat dieren en dierenhulpverleners expliciet worden opgenomen? Wordt Stichting Dieren in Rampen hierbij actief uitgenodigd om input te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te komen met structurele en uitgebreidere financiering voor Stichting Dieren in Rampen, zodat opgebouwde kennis, infrastructuur en samenhang niet verloren gaan en de verdere integratie van dieren in de crisisstructuur kan worden voortgezet?
Bent u bereid het belang van dierenhulp als onderdeel van nationale weerbaarheid expliciet te erkennen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Het artikel '17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis' |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis»?1
Bent u bekend met de situatie van bewoners in Doesburg die al geruime tijd wachten op toestemming om hun spouwmuren te isoleren in het kader van verduurzaming?
Deelt u de zorg dat bewoners die te goeder trouw willen verduurzamen, nu worden geconfronteerd met een onduidelijk en traag proces dat het draagvlak voor klimaatbeleid kan ondermijnen?
Hoe beoordeelt u het feit dat verduurzamingsmaatregelen zoals woningisolatie in de praktijk worden vertraagd of geblokkeerd door de vereisten rondom ecologisch onderzoek naar beschermde diersoorten, alsook door extra eisen van provincies?
In hoeverre acht u het wenselijk dat individuele bewoners en VvE’s geconfronteerd worden met hoge kosten en lange wachttijden, terwijl er reeds subsidies zijn toegekend voor verduurzaming? Heeft u inzage hoeveel subsidies zijn toegekend, maar niet door kunnen gaan door eerdergenoemde knelpunten?
Kunt u toelichten hoeveel gemeenten in Nederland momenteel nog geen goedgekeurd soortenmanagementplan (SMP) hebben en wat de gemiddelde doorlooptijd is van goedkeuring door provincies? Bent u van plan om met de provincie Gelderland hierover te spreken aangezien daar nog geen enkele SMP is goedgekeurd?
Bent u het eens dat de huidige interpretatie van soortenbescherming in de praktijk leidt tot een aanzienlijke vertraging van de nationale isolatie- en energiebesparingsdoelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in overleg met provincies te komen tot een landelijke versnellingsaanpak voor SMP’s, zodat gemeenten niet onnodig lang in onzekerheid blijven over vergunningverlening? En bent u bereid provincies aan te spreken op het stellen van aanvullende eisen en het vertragen van vergunningstraject? Welke instrumenten heeft u om hierop in te grijpen?
Hoe wordt geborgd dat de bescherming van beschermde diersoorten proportioneel blijft, zonder dat dit leidt tot feitelijke stilstand van verduurzamingsmaatregelen in bestaande woningen?
In hoeverre acht u het onacceptabel dat woningeigenaren in gemeenten zonder soortenmanagementplan na een positieve eDNA-uitslag zijn aangewezen op een langdurig individueel provinciaal vergunningstraject?