De betrokkenheid van de Nederlandse staat bij de beveiliging van een woning van de Koning in Griekenland |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verhoudt het beroep van de Grieken op het openbaar belang zich tot uw eerdere stelling, in een brief van 16 januari 20121, dat de aan- en verkoop van een vakantiewoning van een lid van het Koninklijk Huis een privéaangelegenheid is en in principe het openbaar belang niet raakt?
De aan- en verkoop van een vakantiewoning door een lid van het koninklijk huis is een privéaangelegenheid die als zodanig in principe het openbaar belang niet raakt. Voorafgaand aan de aankoop van de woning in Griekenland heeft een positieve beoordeling van de beveiligingsaspecten door Veiligheid en Justitie plaatsgevonden, waaronder de beveiliging van de perimeter. De Koning en zijn gezin worden altijd beveiligd, thuis en elders, in hun persoonlijke levenssfeer en functionele activiteiten. Ik verwijs u naar de voorlichting van de Raad van State van 23 december 2010 Deze voorlichting is overgenomen in de kabinetsreactie hierop van 24 mei 2011 (Kamerstukken II 2010/11, nr. 32 791, nr. 1, p. 17–18).
Het bericht dat illegalen in Amsterdam de eigen bijdrage voor medicijnen terugkrijgen |
|
Reinette Klever (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Illegalen 020 krijgen bijdrage»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat illegalen, die een wettelijke vertrekplicht hebben en dus niet in Nederland mogen zijn, ongelimiteerd en gratis medicijnen mogen afhalen terwijl ruim 800.000 Nederlanders niet eens hun eigen risico kunnen betalen?
In Nederland is het uitgangspunt dat illegalen en onverzekerbare vreemdelingen zelf verantwoordelijk zijn voor de betaling van de geleverde zorg. Zij kunnen immers geen zorgverzekering sluiten. Voor zover een onverzekerbare vreemdeling niet in staat is deze zorgkosten zelf te betalen, kunnen deze kosten vergoed worden op grond van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet. De zorgverlener kan de declaratie voor behandeling (van de vreemdeling) indienen bij het Zorginstituut Nederland. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, dient de zorgaanbieder wel aan te tonen dat inspanningen zijn geleverd om de kosten te verhalen op de onverzekerbare vreemdeling.
Ook voor medicijnen geldt het uitgangspunt dat de kosten door de onverzekerbare vreemdeling zelf worden betaald. Indien zij daartoe niet in staat zijn, kan een apotheker de kosten op grond van de genoemde regeling declareren bij het Zorginstituut Nederland. Daarbij worden door het Zorginstituut Nederland de declaraties standaard met € 5,– gecorrigeerd vanuit de veronderstelling dat deze € 5,– door de illegaal en onverzekerbare vreemdeling zelf zal worden betaald. Apothekers dienen vanwege deze correctie op de declaratie dus een eigen bijdrage te vragen van € 5,– per geneesmiddel.
Uit het bericht heb ik opgemaakt dat de gemeente Amsterdam deze eigen bijdrage van € 5,– in voorkomende gevallen betaalt. In hoeverre gemeenten deze kosten voor eigen rekening nemen en hoe zij dit georganiseerd hebben, staat niet aan mij ter beoordeling. Ik meng mij niet in de bevoegdheden die lagere overheden hebben.
Erkent u dat de burgemeester van Amsterdam een afspraak schendt door naast illegalen opvang te bieden, nu ook gratis medicijnen uit te delen aan illegalen? Zo ja, hoe gaat u de burgemeester van Amsterdam ter verantwoording roepen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de burgemeester van Amsterdam dit nieuwe plan vooraf met u besproken? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Nee. Ik heb dit vernomen uit het nieuwsbericht.
Gaat u er nu eindelijk voor zorgen dat illegalen daadwerkelijk uit Nederland vertrekken en niet opgevangen of verzorgd worden door burgemeesters? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de reactie op het onderzoek dat het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) heeft uitgevoerd met betrekking tot achtergronden van variatie in de zelfstandige terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers2 is terugkeer voor het kabinet een belangrijke prioriteit. Om deze terugkeer te versterken worden door het kabinet diverse instrumenten ingezet. Zo wordt met het bieden van ondersteuning de zelfstandige terugkeer gestimuleerd. Verder wordt er binnen Europa samengewerkt om de terugkeer meer gezamenlijk aan te pakken. Ook wordt de samenwerking met derde landen gezocht om via die kant zowel zelfstandige terugkeer als gedwongen terugkeer verder te versterken.
Het bericht dat Van der G. zijn leven niet zeker is |
|
Magda Berndsen (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Van der G. is leven niet zeker»?1
Ja.
Zijn er in het verleden serieuze bedreigingen tegen Van der G. geuit of pogingen tot liquidatie gedaan?
Het artikel gaat over de tijd dat Van der G. in detentie zat. Met de voorwaardelijke invrijheidstelling van Van der G. is er een situatie ontstaan die anders van aard is dan de periode in detentie. Om te kunnen vaststellen of er sprake is van dreiging en risico die zou moeten leiden tot het nemen van beveiligingsmaatregelen wordt door de politie en door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten een actueel veiligheidsbeeld opgesteld. Eventueel relevante signalen of gebeurtenissen uit het verleden worden hierin meegenomen. Over de mate en aard van dreiging en risico en over beveiligingsmaatregelen worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. Dit zou veiligheidsrisico’s kunnen opleveren voor betrokkenen.
Wat was de rol van de ex-agent van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in de beveiliging rondom Van der G.?
Mij is niet bekend welke vermeende «ex- agent van de AIVD» heeft gesproken met de media noch wat zijn rol was.
Zijn de door de ex-agent van de AIVD gemelde zaken meegenomen in de beveiligingsanalyse?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de door de ex-agent geuite vermoedens dat Van der G. binnen enkele weken wat aangedaan wordt en de onthulling van zijn woonplaats reden voor aanpassing van de dreigingsanalyse en het instellen van extra beveiliging ten aanzien van Van der G.?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, indien u deze vragen niet in het openbaar kunt beantwoorden omwille van de veiligheid van Van der G., de Kamer hierover in beslotenheid te informeren?
Het artikel is voor mij geen aanleiding om gebruik te maken van de mogelijkheid de Tweede Kamer in beslotenheid te informeren.
Het gesloten zorgakkoord met de vijf-partijencoalitie |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Renske Leijten (SP), Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt de Kamer tekst van het op 5 juni jongstleden gesloten zorgakkoord, inclusief de financiële onderbouwing, sturen?1
Over de uitwerking van het eerder met de fracties van VVD, PvdA, D66, CU en SGP gesloten principe-akkoord over het wetsvoorstel waarin artikel 13 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) gewijzigd wordt, zijn op 5 juni jongstleden nadere afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de partijen neergelegd in de door hen ingediende amendementen. Er is hiernaast geen sprake van een op schrift gesteld akkoord.
In de aanvullende hoofdlijnenakkoorden van juli 2013 voor de medische specialistische zorg (MSZ) en geestelijke gezondheidszorg (GGZ), zijn afspraken gemaakt over volumereductie. De doelstelling is om tot een structurele, landelijke volumegroei te komen van maximaal 1,5% in 2014, en van 1,0% in 2015 t/m 2017. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over het terugdringen van praktijkvariatie, spreiding en concentratie van zorg, substitutie van 2e naar 1e lijn en ambulantisering. Om de doelstellingen uit deze akkoorden te kunnen realiseren is afgesproken dat artikel 13 van de Zvw wordt gewijzigd waardoor verzekeraars de ruimte krijgen om selectief op kwaliteit en prijs in te kopen. Deze gezamenlijke inspanningen leiden tot een besparing van € 250 miljoen in 2014 oplopend tot € 1 miljard vanaf 2017 en maken onderdeel uit van het in de Miljoenennota 2014 gepresenteerde «€ 6 miljard-pakket».
Is het Ministerie van Financiën betrokken geweest bij deze financiële onderbouwing? Zo neen, waarom niet?
De wijziging van artikel 13 Zvw maakt onderdeel uit van de afspraken in het kader van de aanvullende hoofdlijnenakkoorden van juli 2013. Deze zijn, als onderdeel van het € 6 miljard-pakket» gepresenteerd in de Miljoenennota 2014. Het Ministerie van Financiën is hierbij betrokken geweest.
Is de financiële onderbouwing doorgerekend door het Centraal Planbureau (CPB)? Zo ja, kunt u het oordeel van het CPB naar de Kamer sturen? Zo neen, waarom niet?
Het Centraal Planbureau heeft in haar Macro Economische Verkenningen 2014 gerekend met de effecten van het «€ 6 miljard-pakket». De wijziging van artikel 13 van de Zorgverzekeringswet maakt daar onderdeel van uit.
Kunt u aangeven welke zorgorganisaties betrokken zijn geweest bij het opstellen van het zorgakkoord? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wilt u een lijst met gesprekpartners naar de Kamer sturen?
Er zijn geen zorgorganisaties betrokken geweest bij het akkoord op 5 juni jongstleden, het zijn afspraken tussen VVD, PvdA, D66, CU en SGP.
De hoofdlijnenakkoorden voor de MSZ en GGZ, waarin de wijziging van artikel 13 Zvw als voorwaarde is opgenomen voor het realiseren van de doelstellingen in de akkoorden, zijn tot stand gekomen met en ondertekend door koepels van zorgaanbieders (NVZ, NFU, ZKN, OMS, GGZ N, NVvP, NVVP, NIP, Platform MEER GGZ, LVE, LVG, V&VN), de koepel van zorgverzekeraars (ZN) en de patiënten/cliëntenorganisaties NPCF en LPGGz.
Kunt u uw oordeel over de ingediende amendementen bij wetsvoorstel 33 362 voor de wetsbehandeling aan de Kamer sturen? Zo neen, waarom niet?
De amendementen bij het wetsvoorstel 33 362, nrs. 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21 zie ik als een ondersteuning van mijn beleid, omdat deze amendementen waarborgen dat zorgverzekeraars voldoende transparantie bieden over het inkoopproces en inkoopbeleid en over de vergoeding die van toepassing is bij niet-gecontracteerde zorg. Ik acht deze transparantie van belang voor de werking van het stelsel. Transparantievergroting is reeds onderdeel van de hoofdlijnenakkoorden en wordt via de amendementen wettelijk verankerd. Tevens waarborgen deze amendementen dat de ontwikkelingen rondom zorginkoop en naar aanleiding van de wijziging van artikel 13 worden gemonitord door de NZa en tevens twee jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Ik zie de amendementen als een wenselijke aanvulling van de aanscherpingen die ik met de wijziging van artikel 13 Zvw beoog.
Ook amendement 33 362 nr. 11 zie ik als ondersteuning van mijn beleid. Dit amendement regelt dat zorgverzekeraars ook transparant moeten zijn (zes weken voor het nieuwe kalenderjaar) over de verschillen in het gecontracteerde zorgaanbod ten opzichte van het lopende kalenderjaar. Deze transparantie is in het belang van de verzekerde.
Met de amendementen 33 362 nrs. 6 en 14 wordt de voorgestelde wijziging van artikel 13 Zvw ongedaan gemaakt. Gezien het belang van de wijziging van art 13 Zvw ontraad ik deze amendementen.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire wetsbehandeling?
Ja.
Het bericht dat cybercrime Nederland jaarlijks 8,8 miljard euro kost |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Cybercrime kost Nederland 8,8 miljard euro per jaar», het bericht «Nadelen internet worden te groot» en het bericht «Bedrijven komen in actie tegen digitaal onheil»?1 2 3 Heeft u voorts kennisgenomen van het rapport «Net Losses: Estimating the Global Cost of Cybercrime, Economic impact of cybercrime II»?4
Ja.
Acht u de conclusie uit het hierboven genoemde rapport juist dat cybercrime in Nederland jaarlijks een verliest oplevert van 1,5% van het Bruto Nationaal Product (BNP)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en over welke cijfers beschikt u?
De economische schade als gevolg van cybercrime is lastig te becijferen. Ik kan de gegevens daarom niet bevestigen. Het rapport meldt dat vooral de verschillen in de grondigheid van de registratie de variaties tussen landen verklaren. Daarnaast behoort de Nederlandse digitale infrastructuur tot de beste van de wereld, maken Nederlanders gemiddeld veel gebruik van digitale diensten ten opzichte van andere landen en gebruikt veel internationaal internetverkeer de Nederlandse infrastructuur. Ook dat kunnen redenen zijn de gevolgen van cybercrime in Nederland naar verhouding hoog in te schatten. Het rapport bevat bovendien een ruime omschrijving van cybercrime.
Weet u waarom het verlies ten gevolge van cybercrime uitgedrukt in een percentage van het BNP in Nederland relatief hoog is? Zo ja, wat zijn de oorzaken van dit hoge percentage? Zo nee, waarom weet u dit niet en acht u het alsnog vergaren van dergelijke kennis relevant voor een gerichte aanpak van cybercrime in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat cybercrime niet alleen het belang van het Nederlandse bedrijfsleven raakt, maar ook het publieke belang van onze nationale economie? Zo ja, betekent dit dat meer dan nu het geval de overheid een grotere rol op zich zou moeten nemen in de bestrijding van cybercrime? Zo nee, waarom niet?
Ja. De mogelijkheden van het internet zijn voor Nederlandse burgers, bedrijven en de overheid van groot belang. Cybercrime heeft niet alleen directe schade voor de betrokkenen tot gevolg, maar leidt ook tot schade voor de samenleving en de economie als geheel. Zo vormen digitale spionage en sabotage een bedreiging voor de nationale veiligheid en economie. Cybercrime ondergraaft het vertrouwen in het internet en digitale dienstverlening in het algemeen. Daarom besteedt de Nederlandse regering veel aandacht aan cyber security. Op 28 oktober 2013 heb ik namens het kabinet de tweede Nationale Cyber Security Strategie (NCSS) aan uw Kamer gestuurd. Daarin heb ik gemeld dat de overheid een meer nadrukkelijke rol zal gaan spelen in het cyberdomein, enerzijds door zelf te investeren in de veiligheid van de eigen netwerken en diensten en anderzijds door partijen bij elkaar te brengen en beschermend op te treden als bijvoorbeeld de veiligheid van bedrijven of burgers wordt bedreigd. Verder zal de overheid waar nodig kader- en normstellend optreden.
De politie en het OM hebben de afgelopen jaren veel aandacht besteed aan het opbouwen van de capaciteit voor de opsporing en vervolging van cybercrime. De politie heeft met het Team High Tech Crime een kundige capaciteit voor de opsporing van cybercrime opgebouwd en werkt nu aan de verdere uitbreiding en professionalisering daarvan. Ook is de opbouw van digitale expertise in de regionale eenheden van de politie voorzien. Bij het OM zijn speciale officieren belast met de vervolging van cybercrime en zij hebben daarvoor een aanvullende opleiding genoten.
De AIVD heeft in het kader van de nationale veiligheid de afgelopen jaren het onderzoek naar digitale aanvallen gericht op spionage en sabotage geïntensiveerd. Inzicht in digitale aanvallen wordt gedeeld met getroffen partijen en ingezet ten behoeve van een betere detectie en preventie. De AIVD informeert de overheid en samenleving over digitale dreigingen en geeft advies over informatiebeveiliging.
Tenslotte heb ik in het voorjaar het wetsvoorstel Computercriminaliteit III voor advies aan de Raad van State gezonden. Dit wetsvoorstel beoogt onder meer de bevoegdheden van de politie voor de bestrijding van cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit te versterken.
Hoe is de regie over de verschillende overheidsdiensten en de samenwerking tussen de Ministeries van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Veiligheid en Justitie geregeld als het om digitale beveiliging en de afstemming met het bedrijfsleven ten aanzien van cybercrime gaat?
De ministeries van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en Veiligheid en Justitie hebben een hechte samenwerking op het gebied van cyber security. Er zijn op diverse niveaus periodieke overleggen en de activiteiten van de ministeries worden, vanuit de eigen verantwoordelijkheid van elke organisatie, op elkaar afgestemd. In mijn rol als coördinerend bewindspersoon voor cyber security ben ik verantwoordelijk voor die samenwerking. Daarnaast zoeken de betrokken ministeries actief de samenwerking met private partners.
De totstandkoming van de tweede NCSS is een voorbeeld van de samenwerking tussen de overheid en private partners. Private partners waren vertegenwoordigd in het redactieteam van de strategie. Daarnaast zijn ten behoeve van de strategie twee brede bijeenkomsten georganiseerd om zo veel mogelijk inhoudelijke bijdragen van private partijen te betrekken.
Wat is uw mening over het feit dat de overheid geen deelnemer is aan het de Nationale anti-DDoS Wasstraat (project NaWas) dat DDoS-aanvallen moet weren?
Het Project Nationale anti-DDoS Wasstraat, ofwel project Nawas, is een privaat en gezamenlijk initiatief van diverse providers om een gezamenlijke voorziening in te richten om een overvloed aan verkeer, zoals plaatsvindt bij DDoS-aanvallen, te schonen. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is vanuit haar rol als netwerkpartner en stimulator van ontwikkelingen in het cyber securityveld voorstander van het ontwikkelen van business cases door private partijen die bijdragen aan digitale veiligheid, en volgt deze met aandacht. Het is uiteindelijk aan klanten, publiek en privaat, om de afweging te maken of deze dienst wordt afgenomen. Het NCSC ondersteunt daar waar mogelijk en noodzakelijk initiatieven op het gebied van digitale veiligheid.
Deelt u de mening dat naar het voorbeeld van het stelsel bewaken en beveiligen van personen en gebouwen er ook een stelsel bewaken en beveiligen zou moeten zijn waarin duidelijk wordt vastgelegd in hoeverre bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor hun beveiliging tegen cybercrime en wanneer daar een taak van de overheid ligt? Zo ja, is een dergelijk stelsel er al, door wie wordt dat uitgevoerd en op basis van welke concrete regelgeving gebeurt dat? Zo nee, acht u een dergelijk stelsel wenselijk en hoe en op welke termijn gaat u dit vormgeven?
Ten aanzien van verantwoordelijkheden op het terrein van cybersecurity geldt, analoog aan het fysieke domein, dat bedrijven primair een eigen verantwoordelijkheid kennen op het gebied van informatiebeveiliging. De afgelopen jaren is ingezet op het borgen van sectorale verantwoordelijkheden en het realiseren van een sluitend stelsel van sectorale regelgeving en interventiemogelijkheden in verband met cybersecurity. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd in mijn brieven van 23 december 2011 en 6 juli 2012.5 Verder verwijs ik kortheidshalve naar de tweede NCSS.
Herkent u het beeld dat bedrijven die slachtoffer zijn geworden van cybercrime terughoudend zijn in het doen van aangifte, bijvoorbeeld vanwege de vrees van reputatieschade? Zo ja, wat gaat u doen om deze aangiftebereidheid te vergroten en in hoeverre is het doen van anonieme aangifte een mogelijkheid om deze aangiftebereidheid te vergroten?
De vrees voor reputatieschade kan in bepaalde gevallen voor bedrijven een overweging zijn om geen ruchtbaarheid te geven aan een cyberaanval. In nauwe samenwerking tussen publieke en private partijen is binnen de bewustwordingscampagne «Stopcybercrime.nu» van MKB-Nederland een hulpknop ontwikkeld waar informatie over typen cybercriminaliteit op één punt vindbaar is en waar bedrijven die slachtoffer zijn of denken te zijn geworden direct een handelingsperspectief wordt geboden. Daarbij wordt ook de mogelijkheid van het doen van een melding of aangifte toegelicht. Verder is het versterken van het intake- en registratieproces van aangiften cybercrime een actiepunt uit de tweede NCSS.
Het tijdens een strafrechtelijk onderzoek en strafproces (tot op zekere hoogte) afschermen van de identiteit van een aangever is in beginsel alleen mogelijk als er sprake is van een uitzonderlijke, bedreigende situatie jegens de aangever.
Naast het inzetten van het strafrecht maken andere interventiemethoden deel uit van een integrale aanpak van cybercrime. Daarbij werken publieke ketenpartners en private partijen samen. Bij het NCSC kunnen bijvoorbeeld cyberincidenten vertrouwelijk worden gemeld, zodat andere organisaties kunnen worden geïnformeerd en (verdere) schade kan worden voorkomen. Het NCSC kan organisaties bovendien begeleiden en adviseren in de afhandeling van een cyberincident.
In hoeverre is de huidige wijze van strafrechtelijke vervolging nog geschikt om cybercriminelen aan te pakken die misdrijven over de hele wereld plegen?
Cybercrime is bij uitstek een grensoverschrijdend probleem. Door internationale samenwerking bij de opsporing van cybercrime zijn inmiddels stevige successen geboekt. De internationale opsporing en vervolging is niet (enkel) afhankelijk van het bestaan van bilaterale rechtshulp- of uitleveringsverdragen. Het multilaterale Cybercrimeverdrag uit 2001, gesloten in het kader van de Raad van Europa, bevat afspraken voor het strafbaar stellen van bepaalde vormen van cybercrime en voor wederzijdse hulp bij de opsporing en de vervolging. Inmiddels zijn 42 landen aangesloten bij het verdrag. Nederland ondersteunt de Raad van Europa bij het onder de aandacht brengen van het cybercrimeverdrag bij landen die nog niet zijn aangesloten. Overigens zijn er ook niet-aangesloten landen waarvan de nationale wetgeving wel in lijn is met het Cybercrimeverdrag. Als internationale samenwerking vanwege georganiseerde cybercrime aan de orde is, kan daarnaast het VN-verdrag ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (UNTOC-verdrag) dienen als rechtsbasis voor rechtshulpverlening of uitlevering. Bij dit verdrag zijn 176 landen aangesloten. Vanwege deze verdragen is er geen aanleiding om vervolging en uitlevering van cybercriminelen te betrekken bij onderhandelingen over handelsverdragen. Dit onderwerp sluit bovendien niet aan op het bereik en de inhoud van onderhandelingen over handelsverdragen.
Om de internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van cybercrime te versterken wil Nederland een voortrekkersrol vervullen om te komen tot een verdere harmonisering van de wetgeving op dit gebied. Overigens zal het bereiken van internationale consensus hierover nog de nodige tijd vergen. Verder ondersteunt Nederland in het kader van het Cybercrimeverdrag projecten voor capaciteitsopbouw in landen waar dat nodig is. Inzetbare, kundige capaciteit is immers een basisvoorwaarde voor het daadwerkelijk opsporen en vervolgen van (grensoverschrijdende) cybercrime. De doelgroep hiervan zijn de landen die zich willen aansluiten of onlangs hebben aangesloten bij het cybercrimeverdrag.
In hoeverre levert het gebrek aan een uitleververdrag met sommige landen cybercriminelen in die landen een vrijhaven op voor hun activiteiten? Acht u het wenselijk om in onderhandelingen over handelsverdragen met die landen ook aandacht te schenken aan de mogelijkheid van (internationale) vervolging en van uitlevering van cybercriminelen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
De integratie van de Luchtmobiele Brigade in het Duitse leger |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders onder Duits bevel»?1
Ja.
Deelt u de mening van onder andere de oud-Minister van Defensie, Hans Hillen, dat deze integratie een eerste stap is naar een Europees leger? Zo ja, waarom drukt u de vorming van een Europees leger door, terwijl u eerder aangaf dat u dit niet zag zitten? Is het eigenlijk niet zo dat u met een salamitactiek, stapje voor stapje, Nederland een Europees leger in rommelt?
Van de vorming van een Europees leger, dat wil zeggen een leger dat wordt ingezet op grond van een besluit van een Europese instelling, is geen sprake. Europese landen werken intensief samen op defensiegebied, onder meer in het kader van de EU en de Navo, maar elk land beslist zelf over de inzet van de eigen eenheden. Wel streven de Europese landen naar de intensivering van de defensiesamenwerking. In de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 december 2013 zijn daarover concrete aanwijzingen opgenomen. Het gaat in hoofdzaak om de verhoging van de effectiviteit en de zichtbaarheid van het Gemeenschappelijke Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB), de gezamenlijke capaciteitenontwikkeling en de versterking van de defensiemarkt en -industrie. In mijn brief van 11 februari jl. ben ik hierop nader ingegaan (Kamerstuk 21 501-28, nr. 108).
In mei 2013 heb ik samen met mijn Duitse ambtgenoot de Declaration of Intent (DoI) getekend over de verdieping van de defensiesamenwerking (Kamerstuk 33 279, nr.2. In de DoI hebben wij afgesproken dat beide landen krijgsmachtbreed zullen onderzoeken waar verdieping van de samenwerking mogelijk is, tot de integratie van eenheden aan toe. De integratie van de Luchtmobiele Brigade in de Duitse Division Schnelle Kräfte,waarvan het voornemen reeds in de DoI was vermeld, is hiervan een belangrijk resultaat. Ook bij de integratie van eenheden geldt echter dat Duitsland en Nederland elk het laatste woord hebben over de inzet van de eigen militairen.
Deelt u ook de mening van defensiespecialist Rob de Wijk dat bij deze samengestelde eenheden de Nederlandse soevereiniteit is beperkt, omdat een gezamenlijke eenheid ook een gezamenlijke inzet veronderstelt en er in de praktijk dus beperkingen zijn aan onze eigen zeggenschap om militairen wel of niet in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Defensiesamenwerking hoeft niet op gespannen voet te staan met soevereiniteit. Het begrip «soevereiniteit» had vroeger een beperkte betekenis en hield in de exclusieve zeggenschap over het eigen territorium en de eigen middelen. Tegenwoordig wordt onder «soevereiniteit» ook verstaan het vermogen om handelend te kunnen optreden. Voor dat handelingsvermogen zijn capaciteiten noodzakelijk. Defensiesamenwerking waarbij landen gezamenlijk capaciteiten opbouwen, vergroot het handelingsvermogen en daarmee de soevereiniteit.
Wel moeten partners op elkaar kunnen rekenen. Nederland zal intensieve samenwerkingsverbanden bij voorkeur aangaan met partners met een geringe (geo-)politieke afstand tot ons land en met een vergelijkbare politieke cultuur. Zoals ik eerder naar voren heb gebracht, is het van groot belang dat niet alleen de regeringen maar ook de parlementen onderling een intensieve dialoog voeren om daarmee de vertrouwensband nog verder te versterken.
Wilt u werkelijk de geschiedenis ingaan als de Minister van Defensie die vanwege budgettaire redenen de zeggenschap over de inzet en de gereedstelling van onze krijgsmacht overdraagt aan een ander land?
Hiervan is geen sprake. Bezuinigen en versterken van de internationale samenwerking liggen niet in elkaars verlengde. Bij defensiesamenwerking gaat de kost veelal voor de baat uit. Als partners de indruk krijgen dat Nederland wil samenwerken om te kunnen profiteren van de capaciteiten van een ander, en dus free rider gedrag vertoont, zal het snel gedaan zijn met de bereidheid om met ons in zee te gaan. Samenwerking kan alleen succesvol zijn als elke partner een aanzienlijke bijdrage levert en in voldoende mate profiteert van de voordelen.
Is het niet veel verstandiger om fors te investeren in onze eigen defensie, zodat Nederland beschikt over een sterke soevereine krijgsmacht, die geheel onder Nederlands bevel kan blijven acteren? Zo ja, bent u bereid om zo snel mogelijk vijf miljard euro extra te investeren in de Nederlandse defensie zodat ons land ook aan zijn NAVO-verplichtingen voldoet? Zo nee, waarom niet?
In de nota In het belang van Nederland heb ik uiteengezet dat onze veiligheidsbelangen verknoopt zijn met de wereld om ons heen. Nederland is niet in staat op eigen kracht zijn veiligheid te garanderen. Voor de gemeenschappelijke veiligheid van de partners in de Navo en de EU is het noodzakelijk om samen met andere landen te kunnen optreden in grotere verbanden. Dit vereist een hoge mate van interoperabiliteit, niet alleen op materieelgebied maar ook in doctrines en bij de voorbereiding op inzet. Daarnaast kunnen de landen van de Navo en de EU alleen gezamenlijk de onderkende tekorten aan militaire capaciteiten aanvullen. Samenwerking kan leiden tot meer doelmatigheid en effectiviteit.
De betrokkenheid van de Nederlandse staat bij de beveiliging van een woning van de koning in Griekenland |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Staat beveiligt haven vakantiehuis Oranjes» en «Ophef in Griekenland over «illegale» bouw privéhaven Willem-Alexander»?1 2
Ja.
Op welke wijze kan de Nederlandse staat in zijn algemeenheid betrokken zijn bij de beveiliging van leden van het Koninklijk Huis of hun woningen in het buitenland? Tot hoe ver gaat de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat en waar begint de verantwoordelijkheid van de leden van het Koninklijk Huis zelf?
De rijksoverheid heeft een bijzondere verantwoordelijkheid voor een beperkte groep personen, objecten en diensten vanwege het nationale belang dat met hun veiligheid en hun ongestoord functioneren is gemoeid. Dit is vastgelegd in de Politiewet 2012. De leden van het koninklijk huis behoren tot deze beperkte groep. Deze verantwoordelijkheid wordt ook ingevuld bij privé- of officiële verblijven in het buitenland in afstemming met de beveiligingsinstanties van het «gastland».
In hoeverre is de aankoop van een vakantiewoning in het buitenland louter een privékwestie van de Koning indien daaruit vergaande verplichtingen van de Nederlandse staat ten aanzien van de beveiliging voortvloeien?
De aan- en verkoop van een vakantiewoning door een lid van het koninklijk huis is een privéaangelegenheid die als zodanig in principe het openbaar belang niet raakt. Voorafgaand aan de aankoop van de woning in Griekenland heeft een positieve beoordeling van de beveiligingsaspecten door Veiligheid en Justitie plaatsgevonden, waaronder de beveiliging van de perimeter. De Koning en zijn gezin worden altijd beveiligd, thuis en elders, in hun persoonlijke levenssfeer en functionele activiteiten. Ik verwijs u naar de voorlichting van de Raad van State van 23 december 2010 Deze voorlichting is overgenomen in de kabinetsreactie hierop van 24 mei 2011 (Kamerstukken II 2010/11, nr. 32 791, nr. 1, p. 17–18).
Bevat het eerstgenoemde bericht feitelijke onjuistheden ten aanzien de bemoeienis van de Nederlandse overheid bij het plaatsen van hekken, de aanleg van een haven of het bouwen van een huis? Zo ja, wat is er onjuist?
Ten behoeve van de beveiliging van de Koning, zijn gezin en hun omgeving is, naast voorzieningen in de woning, op het terrein een bijgebouw gerealiseerd. Verder wordt een beveiligingshek gerealiseerd. Ook is uit veiligheidsoverwegingen besloten de reeds aanwezige houten steiger te vervangen door een betonnen steiger. Voor deze activiteiten zijn de benodigde vergunningen en/of toestemmingen verleend door de Griekse overheden. De kosten voor de beveiliging komen voor rekening van de staat. Met betrekking tot het privégebruik van de steiger vindt verrekening plaats op basis van schriftelijk overeengekomen afspraken.
Bezit de Nederlandse staat grond die grenst aan een privéwoning van de Koning in Griekenland? Zo ja, waarom?
Nee, er is een recht van erfdienstbaarheid gevestigd op een beperkte strook land rondom de vakantiewoning voor het plaatsen en onderhouden van een beveiligingshek.
Kunt u – zonder de veiligheid van de bewoners en anderen in gevaar te brengen – een schets geven van de betrokkenheid van de Nederlandse staat bij de beveiliging van het genoemde huis van de Koning? Op welke begroting worden de kosten voor deze beveiliging verantwoord?
De minister van Veiligheid en Justitie bepaalt welke personen en objecten in aanmerking komen voor beveiliging alsmede het niveau van beveiliging. Ondermeer de minister van Veiligheid en Justitie heeft een budget voor de beveiligingsuitgaven op zijn begroting staan. De uitgaven voor beveiliging worden niet toegerekend naar de objecten of personen omdat dit ongewenste veiligheidsrisico’s kan opleveren. De begroting specificeert niet of de uitgaven voor beveiliging betrekking hebben op bijvoorbeeld leden van het kabinet, van de Kamers der Staten-Generaal of van het koninklijk huis.
Wat is uw reactie op het verwijt van de lokale Griekse beweging «De Interventie van Burgers van Ermionida» die spreken over «milieu-onvriendelijk gedrag van vertegenwoordigers van een buitenlandse staat die in Griekenland te gast zijn» en de vraagtekens die deze beweging zet «bij het recht van een buitenlandse staat om een haven in een vreemd land in handen te hebben»?
Voor de in het antwoord op vraag 4 genoemde activiteiten ten behoeve van de beveiliging van de Koning, zijn gezin en hun omgeving zijn de benodigde vergunningen en/of toestemmingen verleend en gepubliceerd door de Griekse overheden.
De aanwijzing Binnenveld in Veenendaal als Natura2000-gebied |
|
Helma Lodders (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gemeente Veenendaal gaat in beroep tegen aanwijzing Binnenveld als Natura 2000-gebied»?1
Ja.
Klopt het dat u een aanwijzing heeft gegeven om Binnenveld als Natura2000-gebied aan te wijzen?
Ja, het gebied is in april 2014 door mij aangewezen. Het besluit is, zoals wettelijk voorgeschreven, bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2014, 12056) en in landelijke en regionale kranten.
Heeft u in het proces om tot een aanwijzing te komen van het gebied Binnenveld als Natura2000-gebied contact gehad met de gemeente Veenendaal? Zo ja, wat was de uitkomst hiervan? Zo nee, waarom niet?
De gemeente heeft naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit in oktober 2009 een zienswijze ingediend. Er is eind 2013 een voorlichtingsavond gehouden over het beheerplan Binnenveld. Over het aanwijzingsbesluit Binnenveld is overleg gevoerd met de bij de uitvoering van het natuurbeleid betrokken overheden: de provincies Utrecht en Gelderland.
Hoe wordt de lokale situatie meegenomen in het besluit om Natura2000-gebieden aan te wijzen en hebben gemeenten hier nog een stem in?
Ecologische gegevens uit het gebied zijn doorslaggevend voor de vaststelling van de gebiedsbegrenzing en de aanwezige waarden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen worden geformuleerd. Doelformulering voor de aangewezen waarden wordt in belangrijke mate bepaald door de landelijke doelstellingen (zoals verwoord in het Natura 2000 doelendocument, 20062). De gebiedsspecifieke uitwerking (behoud dan wel herstel) is afhankelijk van de ecologische potenties en de (economische) haalbaarheid. Gemeenten hebben daarin geen directe stem gehad (afgezien van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen in het kader van de openbare voorbereidingsprocedure).
Wat is uw mening over de in het artikel genoemde bezwaren en vraagstukken?
Volgens het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal is onvoldoende duidelijk of de instandhoudingsdoelstellingen haalbaar zijn omdat de maatregelen om dit te bereiken nog niet zijn vastgesteld. Ik acht de in de aanwijzing opgenomen instandhoudingsdoelstellingen haalbaar. De te nemen maatregelen voor behoud en herstel van de habitattypen zijn voorbehouden aan het beheerplan. Het gaat hierbij niet alleen om de aard van de maatregelen maar ook waar en wanneer deze worden uitgevoerd. Het aanwijzingsbesluit betreft alleen de begrenzing van het gebied en de vaststelling van de instandhoudingsdoelen.
Om uit de ontstane impasse te komen heb ik de provincie Utrecht samen met de provincie Gelderland en het Waterschap Vallei en Veluwe de ruimte geboden een beheerplan op te stellen. De verwachting is dat deze bestuursorganen het beste in staat zijn de lokale omstandigheden en belangen te wegen. Er is veel tijd besteed aan het onderzoeken van maatregelen in het natuurgebied die zowel de natuurwaarden behouden en herstellen als op voldoende draagvlak in de streek kunnen rekenen. Dat onderzoek is bijna voltooid en het streven is om het beheerplan af te ronden in september.
Klopt het dat er nog geen haalbaar en betaalbaar beheerplan ligt en hoe zit het met de haalbaarheid en betaalbaarheid van uw plan?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er een concept-beheerplan heeft gelegen dat feitelijk onuitvoerbaar en onbetaalbaar was?
Er was een concept-beheerplan dat uitging van peilverhoging van de Grift (Valleikanaal). Dat was uitvoerbaar en betaalbaar, maar kon niet rekenen op draagvlak in de streek. Inmiddels is uit onderzoek gebleken dat peilverhoging van de Grift onvoldoende effect heeft in het natuurgebied. Er wordt nu gewerkt aan een combinatie van een systeem van win- en infiltratieputten direct in of naast het gebied met interne hydrologische maatregelen als het dempen van sloten.
Kunt u een reactie geven op het alternatieve plan dat door de provincies Gelderland en Utrecht is gepresenteerd, waarbij het aanbrengen van kwelputten de kern was en kunt u over dit alternatieve plan het gesprek aangaan met de regio?
Ik steun dit alternatieve plan en mijn ambtenaren zijn samen met het bestuur van de provincie Utrecht, provincie Gelderland en Waterschap Vallei en Veluwe in gesprek met de regio.
Kunt u met onder andere de gemeente Veenendaal in overleg gaan om gezamenlijk tot een oplossing te komen?
De provincie Utrecht is nu voortouwnemer voor het opstellen van het beheerplan. De provincie stelt dit beheerplan op in nauwe samenwerking met de provincie Gelderland en het Waterschap Vallei en Veluwe. Bij het opstellen van het beheerplan zullen de betreffende gemeenten worden betrokken.
Bent u op de hoogte van de instandhoudingsdoelstellingen die bij de Natura2000 toewijzing bij Binnenveld noodzakelijk zijn en hoe beoordeelt u de proportionaliteit van deze doelstellingen ten opzichte van de huidige situatie?
De instandhoudingsdoelstellingen zijn in het door mij vastgestelde aanwijzingsbesluit opgenomen. Deze doelstellingen zijn gericht op behoud en herstel van blauwgraslanden, trilvenen en veenmoerassen. Deze zijn ontstaan door kwel van schoon en basenrijk grondwater dat aan de oppervlakte komt dankzij de ligging op korte afstand van twee grote stuwwalcomplexen. De bijzondere geohydrologische opbouw biedt in dit gebied grote kansen voor behoud en verdere ontwikkeling van genoemde natuurwaarden. Deze natuurwaarden staan landelijk zwaar onder druk en zijn in heel Europa ernstig bedreigde gemeenschappen c.q. habitattypen.
Erkent u dat de maatregelen die nodig zijn als gevolg van de Natura2000 toewijzing financieel nadelig uitpakken voor de agrarische sector en bent u bereid deze gevolgen en de verdere economische consequenties inzichtelijk te maken?
Het aanwijzingsbesluit betreft alleen de begrenzing van het gebied en de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen. De maatregelen die noodzakelijk zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken, worden uitgewerkt in het beheerplan waarvoor de provincies Utrecht en Gelderland de bevoegd gezagen zijn. Op grond van de te nemen maatregelen zal in het beheerplan worden vastgesteld wat daarvan de economische consequenties zijn.
Heeft u overleg gevoerd met de lokale agrarische ondernemers over de gevolgen van een Natura2000-toewijzing? Zo ja, hoe is deze dialoog verlopen? Zo nee, waarom niet?
De bevoegde instanties (provincies Utrecht en Gelderland) hebben in november 2013 samen met het Waterschap Vallei en Veluwe en het Ministerie van Economische Zaken een goed verlopen informatiebijeenkomst gehouden over het alternatieve plan, waar veel draagvlak voor bestaat. Zie ook het antwoord op vraag 8.
ISIS en Jabat Al Nusra als terrorististische organisatie |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Westerse inlichtingendiensten Turkije een lijst hebben gegeven met 5.000 namen van mogelijke jihadisten die naar Syrië willen afreizen?1
Ja.
Kunt u het bestaan van deze lijst bevestigen? Zo ja, staan er ook Nederlanders op?
In het kader van zijn onderzoek naar organisaties en personen die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid, deelt de AIVD informatie over jihadstrijders met relevante organisaties, ook in andere landen. Bij het delen van informatie wordt gehandeld conform de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Er kunnen geen mededelingen in het openbaar gedaan worden over de vraag met welke organisaties welke informatie gedeeld wordt.
Klopt het dat Turkije in het laatste terrorismeverslag van de Amerikaanse regering wordt omschreven als een «doorvoerhaven» van jihadisten behorende tot Al-Nusra en ISIS en dat het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken op haar website burgers afraadt om naar Zuid-Turkije te reizen, omdat buitenlandse strijders dit gebied passeren om zich aan te sluiten bij Al Nusra en ISIS in Syrië en Irak?2
In het jaarlijkse landenrapport over terrorisme van de Amerikaanse regering valt te lezen dat Turkije vaak gebruikt wordt als «doorvoerland» door buitenlandse strijders die zich bij Jabhat Al Nusra, ISIS en andere groepen willen aansluiten.
Het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken raadt alle niet-essentiële reizen in een aantal Turkse provincies af binnen tien kilometer van de Turks-Syrische grens. Daarnaast worden alle reizen naar de steden Akḉakale en Ceylanpinar afgeraden. Dit vanwege de dreiging van terroristische aanslagen, vanwege het risico op gevechtshandelingen in de grensstrook en omdat buitenlandse strijders dit gebied passeren om zich aan te sluiten bij onder meer Jabhat Al Nusra en ISIS in Syrië. Over doorgang naar Irak wordt niet gesproken op de website van het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Welke maatregelen gaat Turkije, nu er kennelijk een lijst van 5.000 jihadisten gegeven is, nemen om te voorkomen dat deze jihadisten via Turkije doorreizen naar Syrië en Irak?
De praktijk is thans dat indien Nederland en derde landen tijdig informatie verschaffen betrokkenen zo mogelijk worden tegengehouden en teruggestuurd mits dit past binnen de Turkse wetgeving.
Beschouwt Turkije Al Nusra inmiddels officieel als terroristische organisatie? Staat Al Nusra nu op een officiële lijst van Turkije?
De Turkse ministerraad heeft besloten (publicatie in Official Gazette van 3 juni 2014, nr 29019) de tegoeden te bevriezen van Jabhat Al Nusra, in lijn met VNVR resoluties 1267 (1999), 1988 (2011) en 1989 (2011). Dit houdt voor Turkije in dat Jabhat Al Nusra wordt beschouwd als een terroristische organisatie. Deze beslissing wordt door oppositie en media gezien als een erkenning dat Jabhat Al Nusra voor de Turkse regering een terroristische organisatie is. In navolging van de amendementen die het VN Al-Qa’ida Sanctiecomité op 14 mei jl. heeft aangebracht op de VN Sanctielijst op basis van VN Veiligheidsraad resoluties 1267 en 1989 heeft Turkije op 18 juni jl. besloten om Jabhat Al Nusra niet meer als onderdeel van ISIS te beschouwen, maar als zelfstandige aan Al Qa’ida gerelateerde organisatie. Deze beslissing verandert niets aan de Turkse maatregelen ten aanzien van Jabhat Al Nusra.
Wat behelst het besluit van de Turkse regering van 3 juni jl. precies ten aanzien Al Nusra? Gaat het uitsluitend om een maatregel die ertoe strekt om tegoeden van Al Nusra te kunnen bevriezen op basis van de amendementen van de VN veiligheidsraad SC/11397 van 14 mei jl.?3
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de uitlatingen van een bron bij het Turkse Ministerie van Financiën dat Turkije in relatie tot Al Nusra geen lijst van terroristische organisaties hanteert en niet officieel aangekondigd heeft of het Al Nusra nu wel of niet als terroristische organisatie beschouwt?4
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt zich dit bovendien tot de klachten van de oppositie in Turkije dat ze geen duidelijkheid hebben gekregen van de regering over de vraag of het Al Nusra nu wel of niet als terroristische organisatie beschouwt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het feit dat Turkije sinds de aanvang van de oorlog in Syrië al die tijd Al Nusra niet als terroristische organisatie heeft beschouwd, terwijl de VS dit al op 12 december 2012 gedaan hebben? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot de vele berichten en beschuldigingen in de richting van Turkije over steun aan Al Nusra?
Turkije heeft altijd ontkend terroristische groeperingen, waaronder Jabhat Al Nusra, die in Syrië opereren te steunen. Recentelijk, op 13 juni 2014 herhaalde vice Minister President Bülent Arinc deze boodschap in een persbijeenkomst inzake de ontwikkelingen in Mosul. Hij herbevestigde in dat verband dat Turkije zich voegt naar alle beslissingen van de VNVR terzake.
Op welke wijze geven de EU en Nederland invulling aan de amendementen van de VN Veiligheidsraad SC/11397 van 14 mei jl.?
Als gevolg van het besluit van het Al-Qa’ida Sanctiecomité SC/11397 van de VNVR van 14 mei jl. is Jabhat Al Nusra op de VN Sanctielijst op basis van VN Veiligheidsraad resoluties 1267 en 1989 geplaatst als aparte organisatie, in plaats van als onderdeel van ISIS. Op basis hiervan zijn voor deze organisaties een wapenembargo en financiële sancties van kracht. Hieraan is voor wat betreft financiële sancties invulling gegeven door uitvoeringsverordening 583/2014 van de Europese Commissie, die EU Verordening 881/2002 amendeert. Het wapenembargo wordt geïmplementeerd door lidstaten. Het wapenembargo is in Nederland geïmplementeerd door middel van de Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011. Omdat deze verwijst naar de lijst van het VN Sanctiecomité hoeft deze niet te worden aangepast.
Kunnen Nederlandse jihadisten die naar Syrië en Irak zijn afgereisd om te strijden voor Al Nusra of ISIS vervolgd worden wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie? Hoeveel mensen zijn er vanuit Nederland als strijder voor deze twee groepen afgereisd, hoeveel zijn er teruggekeerd en hoeveel zijn er vervolgd?
Het is mogelijk om personen te vervolgen wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie onder WvSr artikel 140a. Het is aan het OM om te bepalen of over gegaan wordt tot vervolging. Het is niet altijd te bewijzen bij welke groeperingen de ruim 100 jihadstrijders (waarvan 30 zijn terug gekomen) zich hebben aangesloten, maar er zijn enige aanwijzingen dat deze jihadstrijders bij Jabhat Al Nusra en ISIS of daaraan gerelateerde strijdgroepen terechtkomen.
Staan het aan Al Qaeda gelieerde Al Nusra en ISIS inmiddels op de officiële EU-lijst van terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 10.
Zo nee, waarom niet? Bent u in dit geval bereid u in te zetten om beide organisaties met de grootst mogelijke spoed op deze lijst te laten plaatsen?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft de Nederlandse regering inzicht in hoe Jabhat Al Nusra en ISIS/ISIL direct of indirect wapens verkrijgen? Welke stappen worden er ondernomen om diegenen die bij de wapenhandel betrokken zijn te vervolgen?
Het strijdtoneel in Syrië en Irak is onoverzichtelijk. Voor zover kan worden nagegaan ontvangen strijdende organisaties wapenleveranties, maar worden ook wapens buitgemaakt tijdens aanvallen. Hier kan niet worden uitgesloten dat voor gematigde oppositiegroepen bestemde wapens in handen van Jabhat Al Nusra en/of ISIS zijn gekomen. Er zijn tot op heden geen personen veroordeeld wegens deelname aan deze strijdgroepen. Het OM doet geen mededelingen over eventueel lopende strafrechtelijke onderzoeken in dit verband.
Is de Nederlandse regering bereid financiële stromen van en via individuen en staten naar Jabhat Al Nusra en ISIS/ISIL in kaart te brengen? Wat is de verantwoordelijkheid van Nederland om diegenen die deze organisaties ondersteunen ter verantwoording te roepen?
EU-verordening 881/2002 verplicht de lidstaten ertoe alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van Jabhat Al Nusra en ISIS te bevriezen. Het is tevens op grond van deze verordening verboden om direct of indirect financiële middelen ter beschikking te stellen aan Jabhat Al Nusra en ISIS. Overtreding van de bepaling is in Nederland strafbaar gesteld in de Sanctiewet. Vervolging kan plaatsvinden indien de overtreder zich binnen de Nederlandse jurisdictie beweegt.
Het Wob-verzoek dat het lid Omtzigt bij de regeling van werkzaamheden van de Tweede Kamer op 28 mei 2014 heeft gedaan |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het Wob-verzoek dat bij de regeling van werkzaamheden van 28 mei 2014 in de Kamer is gedaan?
Is uw antwoord in de brief van 11 juni 2014 over de «Evaluatie van de accijnsverhoging op diesel en LPG» een weigering om de documenten, die in deze Wob-procedure gevraagd zijn, beschikbaar te stellen?
Indien het geen weigering betreft, wanneer zult u dan een besluit op basis van de Wob nemen?
Indien het een weigering betreft, waarom heeft u mij dan niet als eerste het besluit ter hand gesteld en dit niet aan mij gericht?
Kunt u deze vragen met zeer grote spoed beantwoorden en het Wob-besluit met spoed nemen, omdat het expliciet de bedoeling is deze documenten te betrekken bij het plenaire debat in de Kamer over de evaluatie van de accijnsverhogingen?
De opmars van ISIS in het Midden-Oosten |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «ISIS zet opmars Noord-Irak voort»?1
Klopt het dat strijders van de extremistische islamitische groepering ISIS naast Mosul ook Tikrit en industriestad Baiji in het noorden van Irak hebben veroverd?
Klopt het voorts dat in Baiji een van de grootste olieraffinaderijen van Irak staat en dat deze nu in handen is van ISIS? Zo ja, wat zijn daar de gevolgen van?
Kunt u bevestigen dat ISIS een deel van de grens tussen Syrië en Irak de facto heeft opgeheven?
Kunt u bevestigen dat zeker 500.000 mensen de afgelopen dagen al uit hun huizen zijn gevlucht, naar aanleiding van de opmars van ISIS?
Deelt u de opvatting dat ISIS en aanverwante extremistische groeperingen in het Midden-Oosten een van de grootste bedreigingen vormen van stabiliteit in de regio?
Welke gevolgen heeft de nieuwe status quo, als de berichten kloppen, voor de regio? Kunt u in dit antwoord afzonderlijk ingaan op de gevolgen voor zowel Syrië, Irak als de Koerden?
In hoeverre zijn andere landen in de regio kwetsbaar voor de opmars van ISIS en aanverwante organisaties?
Op welke manier kan Nederland een bijdrage leveren aan het indammen van de opmars van extremistische groeperingen als ISIS? Kunt u aangeven of en in welke verbanden u voornemens bent deze zaken aan de orde te stellen?
Coulance voor kerkgenootschappen ten aanzien van de publicatieplicht voor ANBI’s |
|
Ed Groot (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Is de constatering juist dat kerkgenootschappen pas vanaf 1 januari 2016 hoeven te voldoen aan de nieuwe voorwaarden voor een ANBI (Algemeen nut beogende instelling), zoals de publicatieplicht? Zo ja, waarom?
Voor ANBI’s geldt per 1 januari 2014 een wettelijke publicatieplicht op grond waarvan bepaalde gegevens via internet openbaar moeten worden gemaakt, waaronder het Rechtspersonen Samenwerkingsverbanden Informatie Nummer (RSIN). Dit nummer wordt toegekend door de Kamers van Koophandel. Voor alle ANBI’s die kerkgenootschap zijn geldt een overgangsregeling als zij via een groepsbeschikking als ANBI zijn aangewezen. Zij hoeven pas op 1 januari 2016 te voldoen aan de wettelijke publicatieplicht. Deze overgangsregeling houdt verband met het feit dat individuele kerkgenootschappen in veel gevallen niet beschikken over een eigen RSIN. Om hen in de gelegenheid te stellen een eigen RSIN aan te vragen en hun administratie daaraan aan te passen, is gekozen voor de overgangsregeling. Omdat de meeste kerkgenootschappen bij groepsbeschikking zijn aangewezen past de Belastingdienst de regeling in de praktijk toe op alle kerkelijke instellingen, ongeacht de geloofsrichting. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook moskeeën tot 1 januari 2016 de tijd hebben. De Belastingdienst heeft in 2007 een toezichtsconvenant gesloten met het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) waarbij 30 kerkgenootschappen zijn aangesloten die in het bezit zijn van ANBI-groepsbeschikkingen. De inhoud van dit convenant heeft geen relatie met de overgangsregeling. Door niet bij het CIO aangesloten kerkgenootschappen zijn geen verzoeken gedaan om een dergelijk convenant te sluiten.
Is het waar dat organisaties van andere geloofsrichtingen, zoals moskeeën, wel per 1 januari 2014 aan de nieuwe voorwaarden moeten voldoen? Zo ja, waarom wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende geloofsrichtingen? Heeft de Belastingdienst naast kerkgenootschappen op dit vlak ook convenanten gesloten met organisaties van andere geloofsrichtingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid ook andere geloofsrichtingen tot 1 januari 2016 de tijd te gunnen aan de nieuwe voorwaarden te voldoen, zodat niet langer met twee maten wordt gemeten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Welk percentage van de ANBI’s heeft nog niet aan de nieuwe voorwaarden voldaan? Van hoeveel organisaties is sinds de periode na 31 december 2013 als gevolg hiervan de ANBI-status ingetrokken? In hoeveel gevallen ging het hier om religieuze organisaties?
Van de circa 35.000 ANBI’s waarvoor de publicatieplicht per 1 januari 2014 geldt hebben ongeveer 2.000 niet voldaan aan het in oktober 2013 gedane verzoek en twee rappelleringen om aan de Belastingdienst hun webadres door te geven (peildatum 1 juli 2014). Van hen zal de ANBI-status in juli 2014 worden ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014. Het gaat daarbij niet om religieuze instellingen.
Mogelijke leveringsproblemen van preferente geneesmiddelen |
|
Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat er nog steeds leveringsproblemen zouden zijn met preferente geneesmiddelen?1
Ja, ik heb het bericht gelezen. Uit een analyse van Farmanco, de databank waarin het Laboratorium der Nederlandse Apothekers (LNA) leveringsproblemen registreert, blijkt dat van de tekorten in Nederland over de periode 2004–2011 het in 65% van de gevallen specialtés en in 35% van de gevallen generica betroffen.
Deelt u nog steeds de mening dat preferentiebeleid leidt tot lagere kosten bij geneesmiddelen en dat dit de totale kosten van de zorg verlaagt?
Ja. Het preferentiebeleid is een effectief instrument van de zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars kunnen zelf beslissen of zij dit instrument inzetten. Ik ben me ervan bewust dat naast de evidente voordelen van het preferentiebeleid er ook enkele nadelen vastzitten aan het preferentiebeleid. Over de problemen hebben de partijen in het Bestuurlijk Overleg Farmacie gesproken en hebben zij afspraken gemaakt om de nadelen van het preferentiebeleid te verminderen (zie de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 8 april 2014, Kamerstukken II 2013–2014, 29 477, nr. 284).
Deelt u voorts de mening dat patiënten zo min mogelijk hinder moeten ervaren bij het verkrijgen van preferente geneesmiddelen?
Ja. Apothekers en ziekenhuisapothekers verrichten grote inspanningen om hun patiënten toch van de juiste middelen te voorzien. Ik heb tot dusver geen signalen van patiënten of patiëntenverenigingen ontvangen over opgelopen schade bij patiënten. Het is echter ook niet zo dat ieder geneesmiddelentekort noodzakelijkerwijs een direct risico vormt voor de patiënt en gezondheidsschade tot gevolg heeft. Uit de gegevens van Farmanco blijkt dat er bij geneesmiddelen-tekorten in de meeste gevallen substitutie met een ander middel mogelijk is of dat er een therapeutisch alternatief beschikbaar is. Bij 1% van de geneesmiddelen-tekorten is een dergelijke oplossing niet voorhanden.
Kent u de reden waarom preferente geneesmiddelen soms minder goed verkrijgbaar zijn? Is dit met niet-preferente merkloze geneesmiddelen anders gesteld? Zo ja, waar ligt het verschil tussen preferente middelen en niet preferente middelen en bij wie ligt de oorzaak (groothandel, leverancier, apotheek)?
De oorzaken van het niet beschikbaar zijn van preferente middelen en niet-preferente merkloze geneesmiddelen zijn heel divers. Productieproblemen, de beschikbaarheid van grondstoffen, logistieke problemen maar ook economische motieven spelen hierin een belangrijke rol. Uit cijfers van Farmanco over de periode 2004–2011 blijkt dat slechts 1% van de tijdelijke tekorten direct te wijten is aan economische factoren.
Bij wie de verantwoordelijkheid ligt van het tekort hangt af van de reden van het niet beschikbaar zijn van het (preferente) geneesmiddel. Volgens de cijfers van Farmanco over de periode 2004–2011 liggen de oorzaken van tijdelijke tekorten grotendeels bij de fabrikanten vanwege productieproblemen.
Deelt u voorts de mening dat artikel 36, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet farmaceutische groothandels verplicht voldoende voorraad van geneesmiddelen aan te houden? Geldt deze plicht ook voor preferente geneesmiddelen?
Ja. Dat betekent echter niet dat elke farmaceutische groothandel volledig gesorteerd moet zijn en elk geneesmiddel op voorraad moet houden.
Deelt u bovendien de mening dat artikel 36, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet zou moeten voorkomen dat er geneesmiddelentekorten bestaan? Wie is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de verplichting in artikel 36, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet?
Ik deel deze mening voor zover in de Geneesmiddelenwet is opgenomen dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) verantwoordelijk is voor het toezicht en handhaving. Het voorkomen van geneesmiddelentekorten door de farmaceutische groothandel is niet altijd mogelijk gezien de veelvoud aan oorzaken van tekorten. Deze oorzaken strekken vaak uit tot buiten de invloedsfeer van de farmaceutische groothandel. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) als verstrekker van vergunningen aan groothandels en als toezichthouder op de uitvoering van de Geneesmiddelenwet opdracht te geven groothandels te toetsen, en zo nodig handhavend op te treden, zodat er wel voldoende voorraad van verzekerde geneesmiddelen (preferente middelen) is? Zo nee, waarom niet?
Ter verduidelijking: de IGZ verstrekt geen farmaceutische vergunningen, dat doet het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG). Ik zal de IGZ geen opdracht geven groothandels te toetsen op het punt van voldoende voorraad omdat de IGZ in haar toezicht op groothandels dit punt al sinds enige tijd standaard meeneemt en er geen verplichting voor groothandels is om volledig gesorteerd te zijn. Zie het antwoord op vraag 5.
De uitkering voor voormalig politici |
|
Paul Ulenbelt (SP), Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoeveel voormalig politieke ambtsdragers zijn er die een uitkering ontvangen in het kader van de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers (Appa)? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap?1
De uitvoering van de Appa is een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid. In principe is het bestuursorgaan waar de politieke ambtsdrager werkzaam is geweest, verantwoordelijk voor de Appa-uitkering. Indien betrokkene bij diverse bestuursorganen politiek actief is geweest, heeft hij of zij in principe recht op een Appa-uitkering ten laste van elk van die bestuursorganen afzonderlijk. Het Ministerie van BZK houdt niet bij hoeveel Appa-uitkeringen er zijn bij provincies, gemeenten en/of waterschappen.
Wat betreft de Appa-uitkeringen ten laste van het Rijk en de Staten-Generaal heeft het Ministerie van BZK een uitvoeringscontract afgesloten, mede namens de Staten-Generaal. Dit contract omvat de uitvoering van de Appa voor voormalige bewindspersonen, leden van de Tweede Kamer, voorzitters van de Eerste Kamer, Rijksvertegenwoordigers BES, (substituut) Nationale Ombudsmannen, waarnemend commissarissen van de Koning, waarnemend burgemeesters en herindelingsburgemeesters.
Ik kan u van hen aangeven hoeveel er in december 2013 aanspraak konden maken op een Appa-uitkering en hoeveel er daadwerkelijk een uitkering ontvingen (de aantallen fluctueren over het jaar gezien). Dat onderscheid tussen aanspraak en uitkering is van belang omdat een aanspraak niet altijd tot uitkering komt. In het jaar 2013 is ongeveer 40 procent van de Appa uitkeringsrechten op nihil gesteld in verband met neveninkomsten.
Bij waarnemers is van belang te weten dat hun Appa-uitkering 1:1 gekoppeld is aan de duur van de waarneming; in tegenstelling tot de reguliere Appa-gerechtigden, wordt geen rekening gehouden met eerdere Appa-diensttijd.
Aanspraak
Uitkering
Ministers/Staatssecretarissen
33
19
Tweede Kamerleden
123
67
Wnd cdK/wnd burgemeester/ herindelingsburgemeesters
33
21
Zijn er verschillen tussen regio’s waar te nemen? Kunt u voor wethouders, burgemeesters, gedeputeerden en commissarissen van de Koning per provincie aangeven hoeveel voormalig politiek ambtsdragers een uitkering ontvangen in het kader van de Appa?
In de rapportages die ik ontvang uit hoofde van het onder antwoord 1 genoemde uitvoeringscontract wordt niet onderscheiden naar regio of provincie.
Zoals in antwoord 1 aangegeven, kan ik niet voor wethouders, burgemeesters, gedeputeerden en commissarissen van de Koning per provincie aangeven hoeveel voormalig politiek ambtsdragers een uitkering ontvangen in het kader van de Appa.
Kunt u aangeven per categorie politiek ambtsdrager hoe lang het duurt voordat zij werk hebben gevonden? In hoeveel gevallen vinden zij binnen drie maanden na aftreden werk? In hoeveel gevallen ontvangen zij voor de maximale duur een uitkering in het kader van de Appa?
Wat betreft de uitvoering van de sollicitatieplicht voor Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen (het centrale niveau), is de Tweede Kamer geïnformeerd bij brieven van 6 maart 2012, kenmerk 2012–0000104093, en van 18 april 2013, kenmerk 2013 0000231673. De eerstgenoemde brief betrof een evaluatie over de uitvoering in het eerste jaar (de periode november 2010 tot en met december 2011), de tweede over die in 2012.
Een vergelijkbare evaluatie over het jaar 2013 ten aanzien van deze categorie is in ambtelijke voorbereiding. Het streven is erop gericht deze laatste evaluatie in de maand juli 2014 naar de Tweede Kamer te sturen. In het najaar van 2014 zal ik de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van een bredere evaluatie die ook de decentrale politieke ambtsdragers betreft.
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, is het nu mogelijk om u te informeren over de periode november 2010 tot en met 31 december 2012. Voor het jaar 2013 verwijs ik naar mijn binnenkort naar de Tweede Kamer te zenden evaluatie.
Uit genoemde evaluaties blijkt het volgende ten aanzien van de periode november 2010 tot en met 31 december 2012.
In 2011 zijn er van de vijftien personen vijf succesvol gere-integreerd: vier in een politiek ambt en één via een gestarte eigen onderneming. Hierdoor is de uitkering verminderd tot nihil. Geen van hen is na deze succesvolle re-integratie teruggevallen in de uitkering. Van één andere persoon is de Appa-uitkering in 2011 beëindigd vanwege het einde van de uitkeringsduur. De negen andere uitkeringsgerechtigden zaten in 2011 in de werkgerichte fase. Van deze negen zijn er twee in de eerste maanden van 2012 zodanig gere-integreerd dat hun Appa-uitkering tot nihil kon worden teruggebracht.
In 2012 was de gemiddelde duur van de uitkering tot plaatsing in een duurzame functie voor Kamerleden 145 dagen; voor waarnemend burgemeesters en de herindelingsburgemeesters 254 dagen. Voor bewindspersonen zijn er over 2012 geen cijfers, aangezien op hen nog niet de sollicitatieplicht van toepassing was.
Hoeveel voormalig politiek ambtsdragers zijn er (uitgesplitst naar geheel of gedeeltelijk) vrij gesteld van de sollicitatieplicht? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Een Appa-uitkeringsgerechtigde kan op grond van de Appa om vier redenen zijn vrijgesteld van de sollicitatieplicht: betrokkene valt onder het overgangsrecht, ontvangt geen uitkering meer vanwege nieuwe inkomsten anders dan uit een politiek ambt, ontvangt nieuwe inkomsten uit politiek ambt tot een bedrag van 70% of meer van de uitkering of heeft een Appa-uitkering op grond van invaliditeit.
Aan het ministerie wordt gerapporteerd wie er onder de sollicitatieplicht vallen. Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het ministerie gesloten uitvoeringscontract vallen, kan ik melden dat er op 31 december 2013 70 uitkeringsgerechtigden onder de sollicitatieplicht vielen. Dat waren 44 Kamerleden, 11 bewindspersonen en 15 in de categorie waarnemend commissaris, waarnemend burgemeester of herindelingsburgemeester. De overigen zijn daarvan dus vrijgesteld om de genoemde redenen. Dat zijn in december 2013 dus 79 Kamerleden geweest, 22 bewindspersonen en 18 personen die voormalig waarnemend commissaris, waarnemend burgemeester of herindelingsburgemeester zijn.
Hoeveel geld ontvingen voormalig politiek ambtsdragers in totaal in het kader van de Appa in 2011, 2012 en 2013? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, zijn de totaalbedragen per jaar van de Appa-uitkeringen als volgt:
2011
2012
2013
Ministers/Staatssecretarissen
630.626,57
499.163,42
910.519,06
Tweede Kamerleden
4.391.818,33
3.933.631,39
4.055.116,43
Wnd cdK/wnd burgemeester/herindelingsburgemeesters
976.667,25
750.851,92
1.049.474,41
Overigens zij opgemerkt dat deze uitkeringsbedragen over het jaar gezien nogal fluctueren doordat er uitkeringen worden beëindigd, verminderingen worden toegepast als gevolg van wijzigingen in uitkeringspercentage of in verband met neveninkomsten, danwel nabetalingen of terugvorderingen plaatsvinden.
Wat betreft de reden van vrijstelling verwijs ik naar antwoord 4.
Kunt u toelichten in hoeverre de sollicitatieplicht wordt gehandhaafd door de verschillende bestuursorganen die hiermee belast zijn? Houden de verschillende bestuursorganen zich aan de verplichting om elke drie maanden het sollicitatieproces te evalueren?
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, geldt dat de handhaving van de sollicitatieplicht een belangrijk onderdeel is van de uitvoering door de door het Ministerie ingeschakelde uitvoeringsorganisatie (Loyalis Maatwerk Administraties (LMA)) en het re-integratiebureau (Van Ede & Partners). Van Ede meldt elke drie maanden expliciet bij LMA of er sprake is geweest van bijstellingen van de re-integratieplannen. De consultants en de Appa-uitkeringsgerechtigden hebben vrijwel wekelijks contact.
In hoeveel gevallen werd een korting van 5 procent gedurende ten minste een maand opgelegd? Hoe vaak werd hierbij afgeweken van dit percentage en met welke motivatie gebeurde dat? Hoe vaak werd deze maatregel met 50 procent verhoogd vanwege recidive? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, blijkt uit eerder genoemde evaluaties dat er geen sancties zijn toegepast. Betrokkenen blijken actief in de uitvoering van het naar de persoon toegesneden re-integratieplan. Voor de situatie in het jaar 2013 verwijs ik naar mijn binnenkort naar de Tweede Kamer te zenden evaluatie.
Indien er sprake is van een vrijstelling van de sollicitatieplicht om de in antwoord 4 gegeven opgesomde redenen, kan er niet worden gesanctioneerd.
In hoeveel gevallen werd een korting van 25 procent gedurende ten minste vier maanden opgelegd? Hoe vaak werd hierbij afgeweken van dit percentage en met welke motivatie gebeurde dat? Hoe vaak werd deze maatregel met 50 procent verhoogd vanwege recidive? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Zie het antwoord op vraag 7.
Hoe vaak wordt ervoor gekozen om geen planmatige begeleiding en ondersteuning op te leggen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Sollicitatiebesluit maakt onderscheid tussen een vrijwillige planmatige begeleiding en een verplichte. Bij de eerste soort neemt de uitkeringsgerechtigde het initiatief; bij de tweede het re-integratiebedrijf en de uitvoeringsorganisatie. Tussen beide soorten ondersteuning bestaat een verschil in bekostiging. In de praktijk wordt dit onderscheid niet zo scherp gemaakt. In overleg met mijn ministerie gebeurt dat in ieder geval niet als de planmatige begeleiding plaatsvindt via het door mijn ministerie ingezette re-integratiebureau Van Ede. Een dergelijk verzoek om een planmatige begeleiding van betrokkene zelf wordt namelijk veelal ingediend in de eerste drie maanden na aftreden. De praktijk is om dan het gehele traject eerder te laten beginnen.
Het bericht dat Slowakije het homohuwelijk uitsluit |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Slowakije sluit homohuwelijk uit»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze stap van het Slowaakse parlement een stap terug in de tijd betekent en deelt u de teleurstelling over deze grondwetswijziging die het huwelijk voorbehoudt tussen man en vrouw?
Dat Slowakije het huwelijk definieert als exclusief tussen man en vrouw is niet nieuw; dat was reeds een bepaling in het Slowaaks burgerlijk wetboek. Dat de bepaling uit het burgerlijk wetboek nu ook is opgenomen in de grondwet, is zondermeer een teleurstelling. Hoewel er materieel niets wijzigt voelt het als een stap terug voor de gelijke rechten voor LHBT in Slowakije; zeker na een paar goede ontwikkelingen in de afgelopen jaren (zoals de organisatie van «Pride Marches»).
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht in strijd is met de Europese waarden, normen, en mensenrechten en dus zeer onwenselijk is?
Zoals in het «Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie» is vastgelegd, wordt het recht te huwen gewaarborgd via nationale wetten (artikel2. Niettemin betreurt Nederland de gang van zaken in Slowakije. Nederland wijst discriminatie op elke grond af en blijft actief opkomen voor de gelijke rechten van LHBT-personen. Nederland beroept zich daarbij op artikel 21 van het EU Handvest, waarin staat dat «elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, verboden is».
Bent u bereid de Slowaakse regering aan te spreken op de grondwetswijziging en uw afkeuring hierover bij de Slowaakse regering kenbaar te maken? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Buitenlandse Zaken zal in een aankomende ontmoeting met de Slowaakse Minister van Buitenlandse Zaken de Nederlandse zorgen uitspreken over de stigmatiserende werking van dit soort maatregelen en blijven aandringen op de bevordering van gelijke rechten voor LHBT.
Bent u bereid te onderzoeken wat de toenemende homofobie in Europese lidstaten betekent voor de erkenning van in Nederland gesloten homohuwelijken in andere lidstaten en de Tweede Kamer hierover zo snel mogelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Als gezegd valt de huwelijkswetgeving in Europa onder de bevoegdheid van de lidstaten.
Bent u bereid de Tweede Kamer een overzicht te sturen waarin per Europese lidstaat kort wordt beschreven welke ontwikkelingen er plaatsvinden betreffende LHBT-rechten en het oordeel van de regering daaromtrent?2
Het bericht dat woningcorporatie WoningNet Holland Rijnland sinds 1 mei 2014 alle informatie uitsluitend per e-mail laat verlopen |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Is het u bekend, dat woningcorporatie WoningNet Holland Rijnland sinds 1 mei 2014 alle informatie uitsluitend per e-mail laat verlopen?1
Ja, dit is mij bekend
Is een woningcorporatie gerechtigd de inschrijving te laten vervallen van woningzoekenden die niet over een e-mailadres beschikken?
Corporaties zijn op grond van de regelgeving niet verplicht om op een bepaalde wijze met hun huurders en woningzoekenden te communiceren. Hieronder valt ook de wijze van inschrijven als woningzoekende. Het is in het belang van corporaties, dat zij hun communicatie op een zo’n transparant en toegankelijk mogelijke wijze inrichten.
De vereniging Holland Rijnland Wonen (bestaande uit 19 corporaties in 15 gemeenten) is verantwoordelijk voor de uitvoering van de regionale Huisvestingsverordening Holland Rijnland 2013, welke afspraken in een convenant zijn vastgelegd en waarbij gekozen is voor digitale uitvoering via WoningNet Holland Rijnland. Op grond van de Huisvestingsverordening Holland Rijnland dient de woningzoekende zijn inschrijving jaarlijks te verlengen bij gebreke waarvan zijn inschrijving vervalt. De corporaties hebben alle woningzoekenden (dus ook degenen die al ingeschreven zijn) per brief verzocht zich bij WoningNet Holland Rijnland digitaal in te schrijven.
Woningzoekenden die niet beschikken over een computer kunnen op de kantoren van de corporaties worden ondersteund bij hun inschrijving. Op basis van de informatie van de woningcorporaties kunnen woningzoekenden zonder mailadres ook via familie of vrienden een inschrijving doen. Tenslotte is een vangnet gecreëerd voor woningzoekenden die bijvoorbeeld voor langere tijd elders verblijven en niet in de gelegenheid zijn om zich nu op de website WoningnetHollandRijnland.nl in te schrijven, zodat hun inschrijvingsduur behouden blijft. Hiermee wordt voorkomen dat woningzoekenden die niet over een mailadres beschikken zich niet meer zouden kunnen inschrijven.
Hoe verhoudt het beleid van woningcorporatie WoningNet Holland Rijnland zich tot het overheidsbeleid inzake digitale dienstverlening? Op welke wijze wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt «aandacht voor die mensen die (nog) minder digivaardig zijn»?
Digitalisering van dienstverlening strookt met het overheidsbeleid. Doelstelling van het regeerakkoord is dat mensen in 2017 digitaal zaken kunnen doen met de overheid. De wens in de maatschappij om digitale diensten af te kunnen nemen is groot.
Steeds minder mensen willen langs de klassieke communicatiekanalen diensten afnemen. Uit onderzoek van het TNS Nipo uit 2013 dat de Nationale ombudsman heeft laten uitvoeren, blijkt dat slechts 4% van de respondenten nog per brief wil communiceren met de overheid. Daarbij neemt de voorkeur voor baliecontacten af van 36% tot 31%.
Voor mensen die minder digivaardig zijn adviseert WoningNet Holland Rijnland via haar berichtgeving mensen zonder computer of e-mailadres om hulp te vragen van familie of vrienden. Is dat niet mogelijk, dan kunnen zij langs gaan bij een corporatie in hun woonplaats. Die helpt dan bij het inloggen en zoeken van woningen.
Dit advies en de wijze van ondersteuning kan adequaat zijn voor de mensen die niet digitaal vaardig zijn. De corporatie is zelf verantwoordelijk voor hun dienstverlening en de wijze waarop zij ondersteuning bieden aan mensen die moeite hebben met het digitale kanaal. Hebben mensen klachten over de woonruimteverdeling, dan kunnen zij terecht bij de regionale klachtcommissies voor woonruimteverdeling.
Deelt u de mening, dat er voor degene die verplicht wordt een computer aan te schaffen of ten minste een computercursus te volgen geen sprake is van «aanzienlijk minder administratieve lasten voor burgers», zoals een van de doelstellingen van het regeringsbeleid is?
Administratieve lasten zijn de kosten in tijd en geld voor het voldoen aan verplichtingen die een overheid oplegt. Dat is in dezen niet het geval.
Digitalisering kan een bijdrage leveren aan vermindering van administratieve lasten en doet dat ook in het grotere geheel van toegenomen email verkeer, minder postzegels, minder tijd met het lopen naar de brievenbus. Voor mensen die niet kunnen heeft de woningcorporatie een vangnet en niet de verplichting van cursus of aanschaf computer.
Digitaal zakendoen kan een aanzienlijke besparing opleveren aan zowel de kant van de burger als van het bedrijf.
Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen, dat digitale dienstverlening wordt verbeterd, terwijl de toegankelijkheid van dienstverlening gegarandeerd blijft voor mensen die (nog) minder digivaardig zijn?
Voor de antwoorden hierop verwijs ik graag naar de kabinetsreactie naar aanleiding van het rapport «De burger gaat digitaal» van de Nationale ombudsman die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 28 februari jongstleden aan de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken heb gestuurd (bijlage bij TK 26 643, nr. 306).
De hoge advieskosten van zorgorganisatie Fundis |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de boete die zorgorganisatie Fundis heeft gekregen van bijna een kwart miljoen euro door het zorgkantoor, vanwege tekortkomingen in haar beleid?1
Van een boete is geen sprake. Er is sprake van een voorgenomen tariefkorting. Het betreffende zorgkantoor heeft na een materiële controle gemeend dat op enkele onderdelen niet voldaan werd aan de materiële eisen. De voorlopige conclusie van het zorgkantoor is dat het zorgkantoor het bedrag van € 243.306,30 in mindering wenst te brengen op de nacalculatie 2013.
Fundis heeft als gevolg van de voorlopige conclusie van het zorgkantoor aanvullende documentatie aangeleverd om het tegendeel te bewijzen. Op dit moment zijn Fundis en het zorgkantoor nog met elkaar in gesprek over deze casus. Er is nog geen definitieve conclusie over (de hoogte van) de eventuele tariefkorting.
In deze casus komt naar voren dat het betreffende zorgkantoor zijn controletaak serieus heeft genomen en maatregelen durft te nemen. Dit vind ik een goede zaak. Over de oorzaak of hoogte van de tariefskorting heb ik geen oordeel.
Kunt u aangeven welke tekortkomingen reden waren om deze op te leggen? Hoe oordeelt u over de tekortkomingen?
Het betreffende zorgkantoor constateert tekortkomingen op het gebied van schriftelijke dan wel digitale procesverantwoording van de geleverde zorg.
Het oordeel over eventuele tekortkomingen van een zorgaanbieder is primair aan het betreffende zorgkantoor, de NZa en bij tekortkomingen in de kwaliteit van de zorg aan de IGZ.
Welk zorgkantoor heeft deze boete opgelegd, en hoe oordelen de andere 5 zorgkantoren die zorg hebben gecontracteerd bij Fundis?
Zorgkantoor Achmea heeft de voorlopige tariefkorting opgelegd aan Fundis. De andere zorgkantoren hebben – voor zover nu bekend – op basis van hun eigen materiële controles geen reden gezien om een tariefkorting aan Fundis op te leggen.
Is bekend of de andere zorgkantoren ook een boete dreigen op te leggen aan Fundis vanwege tekortkomingen in hun beleid? Zo ja, om welk bedrag gaat dit? Zo nee, wat is het beleid van de andere 5 zorgkantoren als het gaat om de tekortkomingen in het beleid van Fundis?
Er is geen sprake van dat de andere zorgkantoren Fundis een tariefkorting op willen leggen. Ook de andere zorgkantoren voeren materiële controles uit bij gecontracteerde zorgaanbieders, zo ook bij Fundis. Zij volgen hierbij het opgestelde controleplan materiële controles. Dit controleplan kan per concessiehouder verschillen, maar dient in alle gevallen te voldoen aan de prestatiecriteria van de NZa voor alle concessiehouders.
Wat is uw oordeel over het bericht dat Fundis 376.000 euro betaald heeft aan externe advieskosten, waarvan de helft is opgegaan aan de plannen om het Langeland ziekenhuis over te nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Fundis is een private organisatie. De verantwoordelijkheid van beslissingen van de inzet van financiële middelen ligt primair bij het bestuur van Fundis en bij de Raad van Toezicht. Dit moet mijns inziens passen bij de maatschappelijke ontwikkelingen en de ontwikkelingen in de markt.
Vindt u het acceptabel dat zorgaanbieders zorggeld gebruiken voor dergelijke hoge advieskosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid uit te zoeken wat de consequenties zijn geweest voor de zorgverlening door Fundis? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen aanwijzingen dat er consequenties zijn geweest voor de zorgverlening door Fundis.
Hoe is het mogelijk dat zowel de raad van bestuur als externe adviseurs niet hebben voorzien dat de investering in het Langeland ziekenhuis door de OR met succes zou worden aangevochten bij de Ondernemingskamer? Wat is uw oordeel hierover?2
Fundis is een private instelling die binnen de grenzen van de vigerende wet- en regelgeving zelfstandig bedrijfs-economische afwegingen kan maken. Daarbij beschikken verschillende belanghebbenden over mogelijkheden om hun belangen te behartigen en besluiten van de raad van bestuur te beïnvloeden. Gebleken is dat het voornemen om een fusie aan te gaan met het Langeland ziekenhuis door de Ondernemingsraad effectief is aangevochten. De Ondernemingsraad is door de Ondernemingskamer in het gelijk gesteld, omdat niet is voldaan aan de vooraf overeengekomen voorwaarden. Wat mij betreft moet er tegenover de positie van een Raad van Bestuur ook voldoende » tegenkracht» zijn in zorginstellingen (checks and balances). Zonder een inhoudelijk oordeel te willen vellen over deze specifieke casus, is de uitkomst uiteindelijk bepaald door een zorgvuldige weging van verschillende belangen.
Hoe duidt u het risico dat Fundis bereid was te nemen, voordat de rechter negatief oordeelde over de overname omdat Fundis «onvoldoende heeft zorggedragen voor de daadwerkelijke vervulling van die op papier overeengekomen, «risicomatigende» voorwaarden (toen Fundis op 15 november 2013 definitief tot participatie in LLZ besloot waren diverse van die voorwaarden immers niet vervuld en (kennelijk) ook welbewust onvervuld gelaten)? Vindt u het ook zorgelijk dat een zorginstelling zulke grote risico’s wil aangaan?
Er waren kennelijk voorwaarden opgesteld, waarvan de Ondernemingsraad en de Ondernemingskamer later concludeerden dat deze onvoldoende waren ingevuld.
Het is niet aan mij om te oordelen over de genomen belissingen van de Raad van Bestuur van Fundis.
Hoe verhoudt de toestemming van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) voor de fusie en klaarblijkelijk ook van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zich tot het oordeel van de Ondernemingskamer? Is het niet zorgelijk dat de toezichthouders veel laconieker over de financiële risico’s oordeelden dan de rechter? Kunt u uw antwoord toelichten?3
De zorgaanbieder Vierstroom (inmiddels Fundis) heeft in de zomer van 2013 het verzoek tot overname van het Langeland Ziekenhuis ingediend bij de ACM.
De ACM toetst de gevolgen voor de mededinging. Hierbij kijkt de ACM of er een economische machtspositie ontstaat. De NZa heeft in 2013 nog geen toestemming hoeven verlenen voor deze overname, omdat de zorgspecifieke fusietoets pas op 1 januari 2014 in werking is getreden. Per 1 januari 2014 toetst de NZa met name procedureel, namelijk of de stakeholders bij een fusie zijn betrokken, of het bestuur gemotiveerd op de inbreng van de stakeholders over de fusieplannen heeft gereageerd en of er door de fusie directe risico’s voor de bereikbaarheid van cruciale zorg ontstaan.
In december 2013 is de ondernemingsraad een procedure gestart voor de Ondernemingskamer met als gevolg dat de overname vooralsnog geen doorgang kan vinden. Het inschatten van financiële risico’s is de verantwoordelijkheid van het bestuur en de raad van toezicht. In het uiterste geval is het aan de rechter om een inhoudelijk onderdeel te vellen.
Hoeveel heeft de ontwikkeling en invoering van de nieuwe naam Fundis gekost? Vindt u dit acceptabele kosten voor een zorgorganisatie?4
Ik heb daar geen inzicht in. Fundis is een privaatrechtelijke organisatie met het recht om de naam en de organisatiestructuur aan te passen. Dit uiteraard passend bij de maatschappelijke ontwikkelingen en de ontwikkelingen in de markt. Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5 en 6.
Problemen met hulpmiddelen van Welzorg |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking forse problemen ervaren met de dienstverlening van Welzorg, en hierdoor in de problemen komen met hun hulpmiddelen?1
Ik vind de verstrekking van hulpmiddelen aan mensen die daar voor hun zelfredzaamheid en participatie op zijn aangewezen (en de daarbij behorende kwaliteit van dienstverlening) van groot belang.
Is het waar dat u in gesprek bent met Welzorg over de aanbestedingsproblematiek van hulpmiddelen bij gemeenten? Zo ja, welke maatregelen heeft u tot op heden getroffen om de problemen met de dienstverlening bij Welzorg op te lossen?
Neen, ik ben niet in gesprek met Welzorg over aanbestedingen door gemeenten.
Acht u het wenselijk dat organisaties die hulpmiddelen verstrekken met het instrument «telefonische schouw» werken? Zo nee, op welke wijze gaat u de «telefonische schouw» van hulpmiddelen verbieden?
Een schouw van het uitstaande hulpmiddelenbestand van gemeenten vindt in de meeste gevallen plaats bij een wisseling van de leverancier. Dit is belangrijk voor de nieuwe leverancier, zodat hij over een up-to-date inzicht van het hulpmiddelenbestand beschikt. Daar waar er onduidelijkheden zijn, zal een schouw (inspectie) plaatsvinden. Wanneer het een eenvoudige vraag betreft, is het gebruikelijk dat de gebruiker telefonisch wordt benaderd. In andere gevallen kan een fysieke check van de hulpmiddelen noodzakelijk zijn. Het is aan gemeenten om, indien zij dit wenselijk achten, eisen te stellen aan de manier waarop de schouw wordt uitgevoerd. Steeds vaker wordt een schouw in het Programma van Eisen opgenomen door gemeenten. Daarnaast worden ook de kwaliteits- en veiligheidseisen van hulpmiddelen via overeenkomsten met de leveranciers in het Programma van Eisen opgenomen. Aan deze eisen liggen de bepalingen van de Wet Medische Hulpmiddelen en de Wegenverkeerswet ten grondslag.
Kunt u de omvang van de lange wachttijden en de gebrekkige service van Welzorg toelichten? Bent u bereid Welzorg tot de orde te roepen met betrekking tot de gebrekkige dienstverlening en het ondeskundige personeel? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze chaotische situatie met spoed op te lossen?
Het betreft hier overeenkomsten tussen individuele gemeenten en een leverancier. Welzorg heeft in een verklaring aangegeven, zo begrijp ik, dat de klachten met betrekking tot de dienstverlening te wijten zijn aan de fundamentele veranderingen binnen de organisatie als gevolg van een veranderende markt.
De betreffende hulpmiddelenleverancier heeft aangegeven de gang van zaken te betreuren, verantwoordelijkheid te zullen nemen en zich de komende tijd te richten op de verbetering van de serviceverlening aan haar klanten. Dit uit zich in concrete maatregelen, namelijk extra personeel, extra steunpunten en ruimere openingstijden.
Hoeveel en welke gemeenten maken gebruik van de diensten van Welzorg met betrekking tot de hulpmiddelen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning? Bent u bereid de Kamer hiervan een overzicht te doen toekomen?
Ik beschik niet over een overzicht van aanbieders van hulpmiddelen per gemeente. Deze informatie wordt niet centraal geregistreerd. Ik zie daartoe ook geen aanleiding.
Wat is uw oordeel over de berichtgeving dat de dienstverlening van Welzorg verslechterd is als gevolg van bezuinigingen en fusies in de zorg? Deelt u deze analyse? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om deze bezuinigingen en fusies terug te draaien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gemeenten zijn voor de inkoop van hulpmiddelen gehouden aan de Europese aanbestedingsregels en de Aanbestedingswet. Deze regels waarborgen dat inschrijvers bij aanbestedingen gelijke kansen hebben en dat het speelveld daarmee voor alle aanbieders zonder uitzondering gelijk is.
Ik constateer dat de afgelopen jaren de prijzen van een aantal hulpmiddelen die in het kader van de uitvoering door de Wmo door gemeenten worden ingekocht, zijn gedaald. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om kwaliteitseisen in het bestek van de aanbesteding op te nemen en deze vervolgens ook gedurende de contractperiode te bewaken. Er loopt reeds een aantal initiatieven die de kwaliteit van de hulpmiddelen ten goede zullen komen. Zo ontwikkelt de VNG in samenwerking met Firevaned (de branchevereniging voor hulpmiddelen-leveranciers) een model-aanbestedingsdocument voor hulpmiddelen met oog voor zowel de economische belangen als de kwaliteit van de dienstverlening.
Ook heeft de branchevereniging Firevaned het initiatief genomen om een Nationaal Keurmerk Hulpmiddelen te introduceren. Dit is een ISO gecertificeerd keurmerk dat alle elementen van de verstrekking en dienstverlening met betrekking tot de kwaliteit van hulpmiddelen borgt. Op dit moment zijn leveranciers zich hierop aan het voorbereiden.
Vindt u het acceptabel dat zorgaanbieders door gemeenten gecontracteerd worden op basis van de laagste prijs, omdat gemeenten dankzij uw bezuinigingen het mes op de keel wordt gezet? Wat blijft er precies over van uw mooie woorden bij de behandeling van de Wet maatschappelijke ondersteuning dat «de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) een verzameling is van nadere criteria, anders dan alleen de laagste prijs»?2
Zie antwoord vraag 6.
Acht u het wenselijk dat zorgaanbieders in de wurggreep van gemeenten zitten, en hierdoor te lage prijzen moeten accepteren, omdat zij anders gedwongen worden personeel te ontslaan of moeten stoppen met dienstverlening? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze aanbestedingsgekte te voorkomen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat was het salaris van de directeur/bestuurder van Welzorg in 2013 (uitgesplitst in de diverse onderdelen)? Wat is uw oordeel daarover?
In dit geval gaat het om een privaatrechtelijke rechtspersoon die hulpmiddelen levert op basis van gewonnen aanbestedingen die in het kader van de Wmo door gemeenten zijn uitgeschreven. Deze rechtspersonen vallen niet onder de werking van de Wet normering topinkomens. De gegevens waar u naar vraagt, zijn om die reden niet beschikbaar. Het zijn overigens de colleges van B&W die over hun contracten verantwoording moeten afleggen aan de gemeenteraden.
Is bekend wat de kosten zijn van aanbestedingen voor hulpmiddelen voor gemeenten en voor aanbieders? Zo ja, kunt u de Kamer die informatie sturen? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik beschik niet over deze informatie en zie ook geen aanleiding dit te onderzoeken. De aanbestedingsrichtlijnen zijn door de EU opgesteld om ten behoeve van het tot stand komen van een interne markt, eerlijke en vrije concurrentie te stimuleren.
Op welke wijze wordt omgegaan met aanwezige hulpmiddelen bij ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking thuis, als er een andere aanbieder van hulpmiddelen wordt gecontracteerd? Klopt het dat alle hulpmiddelen dan moeten worden omgewisseld? Wat vindt u hiervan?
Er zijn twee typen aanbestedingen voor gemeenten op basis van de Wmo verstrekte hulpmiddelen. Gemeenten kiezen of voor de aankoop van de hulpmiddelen of voor huur van deze hulpmiddelen.
Bij aankoop worden de hulpmiddelen eigendom van de gemeente en is er bij een leverancierswissel geen sprake van een fysieke vervanging, alleen neemt de nieuwe leverancier de hulpmiddelen administratief van de vorige leverancier over, hier ziet de opdrachtgevende gemeente op toe.
Bij het huren door de gemeente van de hulpmiddelen van de leverancier blijft deze leverancier eigenaar van deze hulpmiddelen. Als deze aanbieder na een nieuwe aanbesteding geen contract gegund wordt, zal de oude leverancier haar hulpmiddelen terughalen en de nieuwe leverancier haar hulmiddelen dan inzetten. De gemeente zal toezien op een goed verloop van deze wisseling, maar dit heeft gevolgen voor de gebruikers. Door in het programma van eisen een zogenoemde «afbouwconstructie» op te nemen kunnen gemeenten hier echter iets tegen doen. Dit houdt in dat de gebruikers van hulpmiddelen van een vorige leverancier de hulpmiddelen van die oude leverancier kunnen blijven gebruiken zolang zij deze nodig hebben. De gemeente blijft deze huren van de oude leverancier. Pas als de gebruiker een ander hulpmiddel nodig heeft dan zal de nieuwe aanbieder hier voor zorgen. Met deze methode is er dus ook geen vervanging voor de cliënt. De nieuwe leverancier zal in deze gevallen alleen maar de nieuwe aanvragen verstrekken. Doordat er in de grote meerderheid van de aanbestedingen of sprake is van de aankoop van hulpmiddelen door gemeenten of van huur met de beschreven afbouwconstructie vindt er in steeds beperktere mate omwisseling van de hulpmiddelen in verband met een leverancierswisseling plaats. Ik vind dat een goede ontwikkeling.
Het bericht dat ontbreken GSM dekking levens kan kosten |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Jaco Geurts (CDA), Agnes Mulder (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het bericht «Man overleden na mislukte reanimatie Lattrop, AED-meldingen komen niet aan»?1
Ja.
Heeft u een overzicht van hoeveel SMS-berichten met betrekking tot AED-meldingen niet aankomen?
Deze informatie is per incident beschikbaar. Wat betreft het genoemde voorval zijn 21 sms-berichten uitgestuurd. In één van die 21 gevallen heeft de vrijwilliger in kwestie geen sms-bericht ontvangen omdat zijn telefoon uit stond.
De Nederlandse en Duitse ambulances waren zeer snel ter plaatse. De netwerken en protocollen hebben goed gefunctioneerd. Van falende dekking was geen sprake. Ook de burgeralarmering is normaal verlopen.
De reanimatie-vrijwilligers betreuren dat in de media feiten en
omstandigheden over de ware toedracht ontbreken.
Welke inzet pleegt u om situaties als niet aankomende AED-meldingen te voorkomen?
Na een 112-melding van een slachtoffer met een hartstilstand zorgt de regionale meldkamer Ambulancezorg er voor dat burgerhulpverleners die aangesloten zijn bij het AED-netwerk gealarmeerd worden via een sms-alert. De burgerhulpverleners kunnen snel ter plaatse zijn en direct beginnen met de reanimatie.
De verantwoordelijkheid voor aanschaf en onderhoud van het AED-netwerk is belegd op lokaal niveau bij gemeenten, bedrijven, organisaties etc.
Het niet aankomen van een sms-alert kan niet te allen tijde worden voorkomen. Echter, gezien de hoge dekking van het mobiele netwerk in Nederland en de hoeveelheid vrijwilligers die gealarmeerd worden bij één incident loopt het in de praktijk goed.
Heeft u inzicht in het aantal afgebroken mobiele gesprekken in Nederland door slechte verbindingen?
Dergelijke informatie heb ik niet beschikbaar.
Kunt u aangeven welk percentage berichten van NL Alert (test van maandag 2 juni 2014) niet zijn aangekomen?
Nee. Sms-diensten werken met bestanden van deelnemers die zich zelf hebben aangemeld. De providers kunnen terugkoppelen bij hoeveel deelnemers de sms daadwerkelijk is afgeleverd. NL-Alert werkt op basis van een andere techniek, namelijk «cell broadcasting». Namen en telefoonnummers zijn niet nodig voor de ontvangst van een NL-Alert bericht en blijven zowel voor de overheid als voor de telecomproviders onbekend. Hiermee is de privacy van burgers gewaarborgd. Voor de ontvangst van een NL-Alert bericht is het noodzakelijk dat het toestel verbonden is met het eigen netwerk en dat het toestel juist staat ingesteld voor de ontvangst van cell broadcastberichten.
Zoals ik reeds heb geantwoord op de vragen van de leden Geurts en Van Toorenburg (beiden CDA) van 18 februari 2014 over de GSM-ontvangst-enquête van het CDA Zaltbommel (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, aanhangselnummer 1582), vind ik het van belang dat burgers in Nederland bij een noodsituatie directe informatie kunnen ontvangen. Dat kan langs meerdere wegen: NL-Alert, het waarschuwings- en alarmeringssysteem (de sirene), calamiteitenzenders, www.crisis.nl en sociale media.
Kunt u aangeven wat het alternatieve handelingsperspectief is voor iemand die zonder mobiel bereik in een noodsituatie verkeert? Op welke manier zult u dit onder de aandacht brengen van betrokkenen?
Er zijn afspraken gemaakt over het onderling overnemen van 112-noodoproepen door de providers. Wanneer een mobiele telefoon zich buiten bereik van het eigen netwerk bevindt, zal bij een 112-oproep daarom automatisch één van de andere beschikbare netwerken gebruikt worden. Als geen van de providers mobiele dekking biedt in een bepaald gebied is het advies om daar waar mogelijk 112 met een vaste lijn te bellen.
In het najaar van 2013 is het handelingsperspectief voor burgers wanneer zij 112 niet kunnen bereiken via een landelijke campagne onder de aandacht gebracht. Het handelingsperspectief wordt structureel gecommuniceerd op de websites van de verschillende hulpdiensten en op de website van de Rijksoverheid (subpagina 112). Op dit moment wordt bekeken op welke manier het handelingsperspectief daarnaast op structurele wijze actief bij burgers onder de aandacht kan worden gebracht.
Kunt u het alternatieve handelingsperspectief schetsen van een echtpaar dat bijvoorbeeld op de Veluwe loopt, waarbij de man een acute hartstilstand krijgt en de vrouw nergens een persoon/huis in de omgeving ziet? Wat raadt u haar aan te doen als er geen mobiele bereikbaarheid is?
Bewoners van gebieden waar sprake is van verminderde dekking in en om de woning wordt geadviseerd om met een vaste lijn 112 te bellen. In dit geschetste voorbeeld is het echter aan te bevelen om het slachtoffer niet alleen te laten, indien mogelijk eerste hulp (reanimatie) te verlenen en hulp in de omgeving proberen te krijgen. Het handelingsperspectief is afhankelijk van de situatie en niet overal toepasbaar.
Kunt u het alternatieve handelingsperspectief schetsen als een voorbijganger een afgelegen huis/boerderij in de grensstreek in brand ziet staan en vermoedt dat er nog mensen aanwezig zijn? Wat dient hij/zij te doen als er geen mobiele bereikbaarheid is?
Wanneer een voorbijganger een noodsituatie constateert is het zaak om zo snel mogelijk het alarmnummer 112 te bellen. Wanneer het niet mogelijk is om met een mobiele telefoon contact te krijgen met 112, is het aan te raden in de buurt op zoek te gaan naar een vast toestel om de hulpverleningsdiensten te bellen en/of anderen te alarmeren en indien mogelijk vast met hulpverlening te starten.
Wat zijn de kosten om tot een landelijke dekking van 99% of 100% te komen van het mobiele netwerk en wat zijn de meeropbrengsten van de extra telefoongesprekken?
Ook het kabinet hecht belang aan een goede dekking in Nederland. Zoals ik reeds heb geantwoord op de vragen van de leden Wolbert en Oosenbrug (PvdA) van 7 april 2014 over de mobiele bereikbaarheid van 112 in het grensgebied (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, aanhangselnummer 2025) heeft Nederland in relatie tot andere landen een uitzonderlijk hoge dekking. Operators werken continu om hun netwerken te verbeteren. Welke keuzes zij daarin maken is een aangelegenheid van marktpartijen. Dit is ook conform de wens van uw Kamer.
Realisatie van een 100% dekkend netwerk is niet mogelijk. Er zullen altijd plaatsen zijn waar geen sprake is van mobiele dekking zoals in parkeerkelders, goed geïsoleerde huizen en bosrijke gebieden. Elke lokale situatie kent eigen uitdagingen en mogelijkheden en onmogelijkheden. De ervaren dekking kan ook veranderen onder invloed van weersomstandigheden en seizoensomstandigheden, zoals begroeiing in lente en zomer. Ook het merk en type mobiel toestel maakt dat de ervaren bereikbaarheid varieert.
Wat de werkelijke kosten of investeringen zijn voor het verzorgen van volledige mobiele dekking in een bepaald gebied is zeer afhankelijk van lokale omstandigheden zoals de afstand tot elektriciteitsnet, hoge gebouwen in de buurt etc. Maar ook de beschikbaarheid van betaalbare grond, het kunnen verkrijgen van bouwvergunningen en instemming van bijvoorbeeld een Welstandscommissie spelen een rol. Een uitspraak over de kosten van het verzorgen van meer of volledige mobiele dekking in bepaalde gebieden kan dan ook niet worden gedaan.
Naar aanleiding van de eerder gestelde Kamervragen over mobiele dekking in relatie tot 112, is reeds toegezegd dat het ministerie van Economische Zaken een onderzoek zal laten doen naar de mobiele dekking in relatie tot de mobiele bereikbaarheid van 112. Ik wacht graag de uitkomsten van dit onderzoek af alvorens uitspraken te doen over een eventueel vervolg.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de dekking een heel stuk dichter bij 100% komt te liggen dan dat nu het geval is?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u een kaart toesturen met de dekking van de mobiele netwerken?
Kaarten die een beeld geven van de dekking van mobiele netwerken in Nederland zijn algemeen beschikbaar, onder andere op websites van de verschillende operators. Zie: http://www.coveragechecker.nl/ en
De getoonde dekkingskaarten zijn slechts indicatief. Zoals ik hierboven al aangaf kan de ervaren dekking variëren.
Voldoen alle mobiele providers aan de in de licentie genoemde dekkingen? Kunt u aangeven welke dekking ze moeten hebben onder welke licentie en welke dekking ze nu hebben?
In de huidige frequentievergunningen die gelden tot 2030 zijn géén dekkingseisen opgenomen. Dekkingseisen passen niet in een beleid dat toetreding van nieuwkomers stimuleert. Conform de wens van uw Kamer is het beleid er op gericht om toetreders toegang te geven tot de telecommunicatiemarkt. Dit staat eveneens in de Nota Frequentiebeleid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 24 095, nr. 188), de strategische nota mobiele communicatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 24 095, nr. 264) en past binnen het Europese regelgevende beleidskader.
De frequentievergunningen kennen wel ingebruiknameverplichtingen, de verplichting om de vergunning daadwerkelijk in gebruik te nemen. De verplichtingen treden in fases in werking, dat wil zeggen dat de eerste verplichtingen twee jaar na verlening van de vergunning ingaan en dat de volgende verplichtingen vijf jaar na verlening van de vergunning ingaan. De (oude) UMTS-vergunningen (3G) in de 2100 MHz band zijn niet geveild in de multibandveiling van 2012 en vallen onder het regime van de thans in gebruik zijnde oude vergunningsvoorwaarden.
Vergunningen zijn in te zien via:
Het bericht ‘Dutch aerospace company Fokker hit with $21 million fine in sanctions case’ |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dutch aerospace company Fokker hit with $ 21 million fine in sanctions case»?1
Ja.
Bent u door de Amerikaanse autoriteiten gekend in deze zaak? Zo ja, op welke punten en met welk resultaat?
Ja, de Amerikaanse overheid heeft in haar onderzoek rechtshulpverzoeken ingediend en de Nederlandse overheid heeft daaraan in overleg met Fokker Services BV medewerking verleend.
Kunt u uitsluiten dat het Nederlandse moederbedrijf Fokker Technologies Holding BV op enige wijze betrokken of faciliterend is geweest bij de levering van goederen door haar Amerikaanse dochteronderneming aan Iran, Soedan en Birma? Zo ja, hoe heeft u dit vast weten te stellen? Zo niet, op welke wijze is het moederbedrijf betrokken en wat zijn hier mogelijk de consequenties van?
De overtredingen van de Amerikaanse sanctiewetgeving zouden hebben plaatsgevonden tussen 2005 en 2010 en Fokker Services BV was in die periode nog een werkmaatschappij van Stork BV. Het huidige moederbedrijf Fokker Technologies Holding BV bestond ten tijde van de overtredingen nog niet. Van belang is dat Fokker Services BV de overtreding van de Amerikaanse sancties zelf aanhangig heeft gemaakt bij de Amerikaanse autoriteiten via een «voluntary self disclosure» en volledig heeft meegewerkt bij het daaropvolgende onderzoek.
Deelt u de analyse van de Amerikaanse autoriteiten dat het bedrijf Fokker Amerikaanse handelsrestricties voor de levering van goederen aan Iran, Soedan en Birma bewust heeft ontweken («worked around»)? Heeft u aanwijzingen dat dit kan wijzen op een bredere strategie van het bedrijf om internationale sancties ten aanzien van handel met betreffende landen te ontwijken?
De rechter moet nog over de deal oordelen. De voorlopige schikking behelst de betaling van US$ 10,5 miljoen aan het Office of Foreign Assets Control (OFAC) en het Bureau of Industry & Security (BIS) van het Amerikaanse ministerie van Economische Zaken om de aansprakelijkheid voor de overtredingen af te kopen en de betaling van US$ 10,5 miljoen aan het U.S. Attorney’s Office for the District of Columbia (USAO) van het Amerikaanse ministerie van Justitie om tot een «deferred prosecution agreement», i.c. tot het vermijden van rechtsvervolging te komen.
In het bericht van OFAC over de schikking2 wordt gesteld dat Fokker Services BV bewust betrokken was bij de overtredingen van de Amerikaanse sanctiewetgeving en daarmee significante schade heeft veroorzaakt aan de doelstellingen van de sancties op Iran en Soedan. Het bericht vermeldt echter ook dat Fokker Services BV geen historie met OFAC heeft, volledige medewerking aan het onderzoek heeft verleend en robuuste maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen.
Uit die nuancering in de OFAC-informatie maak ik op dat de Amerikaanse autoriteiten tot de conclusie zijn gekomen dat de overtredingen geen onderdeel van een bredere strategie van het bedrijf vormden en ik heb geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen, te meer omdat Fokker Services BV zelf de Amerikaanse autoriteiten heeft benaderd en zowel naar hen als naar de Nederlandse autoriteiten volstrekt transparant is geweest.
Heeft u contact opgenomen met het Nederlandse moederbedrijf Fokker Technologies Holding BV over deze zaak? Zo ja, wat was de uitkomst van uw overleg?
Fokker Services BV heeft door de jaren heen regelmatig contact met de Nederlandse overheid gehad over de «voluntary self disclosure» in de Verenigde Staten en het daarop volgende onderzoek van de Amerikaanse autoriteiten. Zo ook toen de schikking bekend werd gemaakt. Fokker Services BV zocht dat contact steeds om de Nederlandse overheid op de hoogte te houden en heeft niet om een Nederlandse interventie bij Amerikaanse autoriteiten gevraagd.