Het bericht dat er gigantische onrust heerst onder alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering vanwege fors inkomensverlies in 2015 |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Begrijpt u de heersende onrust onder alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering als gevolg van een enorme inkomensachteruitgang in 2015?1 Zo ja, gaat u dit inkomensverlies ongedaan maken in de begroting 2015 en de uitkeringen juist verhogen opdat mensen weer kunnen rondkomen?
Ik ben me ervan bewust dat aankomende veranderingen onrust met zich mee kunnen brengen bij gezinnen met kinderen in de bijstand. Een tijd van verandering brengt namelijk de nodige onzekerheid met zich mee. Dit proberen we bij huishoudens weg te nemen door, samen met onder andere gemeenten, duidelijk en tijdig te communiceren over de komende veranderingen.
De maatregelen in de Wet hervorming kindregelingen zullen met name in 2015 in werking treden en dus in samenhang met andere maatregelen zichtbaar worden in de koopkrachtontwikkeling in 2015. Dit zal weergegeven worden in de begroting van SZW voor 2015. Het kabinet zal dit koopkrachtbeeld wegen in haar besluitvorming voor de begroting van de komende jaren, waarbij ook bijzondere aandacht zal zijn voor de koopkrachtontwikkeling van alleenstaande ouders in sociaalminimumuitkeringen. Over de besluitvorming zal in de begroting 2015 worden gerapporteerd.
Klopt de constatering van de FNV dat alleenstaande ouders in de bijstand er jaarlijks 500 euro op achteruit gaan? Zo nee, kunt u dit ontkennen?
Alleenstaande ouders met een minimumuitkering hebben vanaf januari 2015 minder inkomen. Echter de inkomensgevolgen staan nog niet vast en hangen mede samen met de augustusbesluitvorming. Uw Kamer wordt hierover op Prinsjesdag geïnformeerd.
Hoeveel alleenstaande ouders in de bijstand hebben te kampen met een inkomensachteruitgang in 2015, en hoeveel kinderen, als gevolg van welke wetten en maatregelen en welk (totaal)bedrag aan bezuinigingen? Welke maatregelen ter compensatie worden er in 2015 getroffen? Wat is het gemiddelde bedrag dat alleenstaande ouders in de bijstand erop achteruit gaan in 2015 met 1, 2 en 3 of meer kinderen?
De Wet hervorming kindregelingen harmoniseert de inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders en maakt de stap om te gaan werken vanuit de bijstand financieel lonend.
De aanvulling voor alleenstaande ouders in de minimumregelingen vervalt, evenals de (aanvullende) alleenstaande ouderkorting. In de plaats daarvan komt er een alleenstaande ouderkop in het kindgebonden budget. Ook worden de eerste en tweede kindbedragen in het kindgebonden budget verhoogd. Desalniettemin is de verhoging van het kindgebonden budget – middels alleenstaande ouderkop en verhoging kindbedragen – niet voldoende om het wegvallen van de aanvulling in de minimumregelingen te compenseren. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het afschaffen van de aanvulling voor alleenstaande ouders betrekking heeft op circa 78.500 alleenstaande ouders in de bijstand. Dat wil overigens niet zeggen dat zij er allemaal op achteruit gaan. Er zijn namelijk meer factoren die van invloed zijn op het koopkrachtbeeld. In 2015 geldt voor circa 5.000 van deze alleenstaande ouders in de bijstand een overgangsrecht waardoor de verlaging van de uitkering in de bijstand wordt uitgesteld tot 1 januari 2016.
De mate van inkomensachteruitgang van alleenstaande ouders in de bijstand is afhankelijk van enkele factoren, zoals het aantal minderjarige kinderen, maar ook de leeftijd van deze kinderen. Bovendien staan de inkomensgevolgen nog niet vast en hangen mede samen met de augustusbesluitvorming. Uw Kamer wordt hierover op Prinsjesdag geïnformeerd.
Wat is de gerealiseerde koopkracht van alleenstaande ouders in de bijstand met 1,2 en 3 of meer kinderen in de jaren 2006 tot en met 2013?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over de gerealiseerde koopkrachtontwikkeling van alleenstaande ouders in de bijstand. Noch het CBS noch het CPB maakt deze uitsplitsing. Wel publiceert het CPB jaarlijks in de Macro Economische Verkenning de statische koopkrachtontwikkeling van alleenstaande ouders in de bijstand. Tabel 1 toont deze informatie, afgezet tegen de statistisch mediane koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens.
Mediaan koopkracht alle huishoudens
Alleenstaande ouders in de bijstand
2006
1,8
2,6
2007
1,7
1,2
2008
– 0,1
– 0,3
2009
1,7
3,3
2010
– 0,5
– 0,5
2011
– 1,0
– 0,6
2012
– 2,4
– 2,0
Welk effect hebben deze maatregelen op de omvang van de groep mensen met een risico op armoede? Worden alleenstaande ouders in de bijstand rijker of armer door de verschillende kabinetsmaatregelen in 2015? In welke mate? Wat vindt u hiervan?
Het SCP heeft in opdracht van de regering de maatschappelijke effecten van het oorspronkelijke Wetsvoorstel hervorming kindregelingen voor gezinnen onderzocht. Aanleiding hiervoor was een ingediende motie van het lid Ester van de Eerste Kamer. Het SCP concludeert in haar rapport dat door de hervorming van de kindregelingen het armoedepercentage bij kinderen (volgens de niet-veel-maar-toereikend-grens van het CBS) naar verwachting met 0,2% afneemt. Het percentage volwassenen in armoede stijgt daarentegen met 0,1%. Op de totale armoede is naar verwachting per saldo geen effect. Een reden hiervoor is dat het totale inkomenseffect klein is. Het SCP concludeert verder dat de maatregelen naar verwachting nauwelijks gevolgen hebben voor de mate van sociale uitsluiting. De Begrotingsafspraken 2014 hebben de inkomensgevolgen van het eerder ingediende wetsvoorstel verzacht, waardoor daar waar negatieve effecten van de hervorming werden gesignaleerd, deze naar verwachting van de regering kleiner zijn dan het SCP heeft geraamd.
Werk is de beste manier om – duurzaam – uit de armoede te raken. Door de financiële positie van ouders te verbeteren en te versterken wordt de kans dat kinderen opgroeien in armoede verkleind. Dit doet het kabinet door werken voor alleenstaande ouders meer lonend te maken en het verhogen van de arbeidskorting.
Klopt het dat achter deze maatregelen het idee schuilt gaat dat de overheidsfinanciën op orde gebracht moeten worden en alleenstaande ouders in de bijstand door een lager inkomen sneller aan het werk zullen gaan? Zo ja, hoeveel alleenstaande ouders worden in 2015 aan een betaalde baan – dus niet het werken zonder loon principe dat u ook hanteert voor uitkeringsgerechtigden – geholpen? Bent u bereid dit te monitoren en de Kamer hierover nadien te informeren?
Oogmerk van de hervorming is het stelsel van kindregelingen te vereenvoudigen, de arbeidsparticipatie te verhogen en inkomensondersteuning te bieden waar die het hardst nodig is. Daarnaast is de hervorming ook een versobering om te zorgen dat het stelsel ook in de toekomst houdbaar blijft. Wel is de regering ervan overtuigd dat het voorliggende wetsvoorstel een positief effect op de arbeidsparticipatie van alleenstaande ouders zal hebben en de positieve trend rondom de arbeidsparticipatie van alleenstaande ouders ook de komende jaren stand zal houden.
Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) worden de artikelen van de begroting periodiek doorgelicht en daarmee onderzocht op doelmatigheid en doeltreffendheid. Volgens planning zal artikel 10 (tegemoetkoming ouders, waaronder AKW en WKB) in 2018 worden doorgelicht. De evaluatie van het wetsvoorstel zal daarin meelopen. Daarnaast publiceert het CBS frequent statistieken over de arbeidsparticipatie, waarbij ook aandacht is voor de samenstelling van huishoudens. In de Monitor Arbeidsmarkt, die tweemaal per jaar door de Minister van SZW aan de Tweede Kamer aangeboden wordt, zal voortaan ook aandacht besteed worden aan de ontwikkeling van de arbeidsparticipatie uitgesplitst naar de samenstelling van het huishouden.
Erkent u dat het verarmen van mensen die toch al geen cent te makken hebben pervers is en leidt tot maatschappelijke onrust en sociale uitsluiting? Zo ja, gaat u daarmee stoppen?
Het SCP heeft de maatschappelijke effecten van het oorspronkelijke Wetsvoorstel hervorming kindregelingen voor gezinnen onderzocht. Het SCP concludeert hieruit dat door de hervorming van de kindregelingen armoede onder gezinnen met kinderen niet of nauwelijks wordt beïnvloed.
De armoedeproblematiek heeft onverminderd de aandacht van dit kabinet. Zeker als het om kinderen gaat. Gezinnen die worstelen om het hoofd boven water te houden, worden niet aan hun lot overgelaten. Naast het generieke inkomensbeleid, bieden ook gemeenten ondersteuning. Gemeenten kunnen gezinnen extra ondersteunen en door het leveren van maatwerk armoede en sociale uitsluiting tegengaan. Dit kabinet trekt dit jaar en de komende jaren meer geld uit voor de bestrijding van armoede- en schuldenproblematiek. Dit jaar gaat het om een bedrag van € 80 miljoen en vanaf 2015 gaat het om € 100 miljoen per jaar. Het leeuwendeel van deze middelen – € 70 miljoen dit jaar en € 90 miljoen vanaf 2015 – wordt ter beschikking gesteld aan gemeenten. Gemeenten zijn gevraagd om de middelen zo gericht mogelijk in te zetten voor het doel waarvoor ze bestemd zijn en zich met name in te zetten voor kinderen die onvoldoende kunnen meedoen.
Bent u bereid gemeenten en alleenstaande ouders zo snel als mogelijk te informeren over de hoogte van de door hen te ontvangen kindgebondenbudget? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe en wanneer?
Vanaf eind juli is een rekentool voor alleenstaande ouders beschikbaar op zowel rijksoverheid.nl als op het gemeenteloket. Gemeenten is gevraagd de betreffende doelgroep tijdig te informeren over de voorgenomen maatregelen. Ook zal de doelgroep zelf op zoek gaan naar informatie. Eind december komt de Belastingdienst met een rekentool voor het kindgebonden budget die de tool van mijn departement vervangt.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te verschaffen van de groepen die als gevolg van inkomensachteruitgang door kabinetsbeleid in 2015 bij de gemeente moeten aankloppen voor inkomensondersteunende voorzieningen? Kunt u hierbij een inschatting geven van het aantal personen en kinderen alsmede om welk bedrag het in theorie zou kunnen gaan? Zo nee, bent u bereid dit te monitoren en de Kamer hierover in 2016 te informeren?
De maatregelen in de Wet hervorming kindregelingen zullen met name in 2015 in werking treden en in samenhang met andere maatregelen zichtbaar worden in de koopkrachtontwikkeling in 2015. Dit zal weergegeven worden in de begroting van SZW voor 2015. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 5 volgt uit het rapport van het SCP dat het totale inkomenseffect als gevolg van de hervorming van de kindregelingen klein is.
In mijn brief van 16 juni 2014 aan de Eerste Kamer heb ik aangegeven in het overgangsjaar 2015 samen met gemeenten en andere partners de verstrekking van bijzondere bijstand te monitoren als gevolg van de gewijzigde regelgeving aan nieuwe instroom in deze categorie. Op basis van deze monitoring zal worden bezien of aanvullende middelen voor bijzondere bijstand na 2015 nodig zijn. Op de uitkomsten van deze monitoring kan ik niet vooruitlopen. Uw Kamer en de Eerste Kamer zullen hierover tijdig geïnformeerd worden.
Het bericht dat Congolese getuigen van het Strafhof ondanks zorgen toch uitgezet zijn |
|
Gerard Schouw (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Congolese getuigen Strafhof ondanks zorgen toch uitgezet»?1
Wat is uw reactie op het onderzoek van Amnesty International wat erop wijst dat het justitiële systeem van de Democratische Republiek Congo niet voldoende uitgerust is om de rechten van deze gedetineerde getuigen beschermen?2
Wat is uw reactie op de zorgen van zowel Amnesty International als Human Rights Watch dat deze getuigen in de Democratische Republiek Congo het risico lopen op slechte behandeling, een oneerlijk proces en zelfs de doodstraf?
Klopt het dat (een aantal van) deze getuigen al jarenlang gedetineerd waren zonder enige vorm van proces in de Democratische Republiek Congo, voordat zij naar Nederland kwamen om te getuigen? Zo ja, hoe beoordeelt u de uitspraak dat dat zij bij terugkeer geen reëel risico lopen op een «flagrant denial of justice»?
Klopt het dat deze uitzetting gebaseerd is op toezeggingen van de Democratische Republiek Congo aan het Internationaal Strafhof en niet aan Nederland? In hoeverre kan Nederland zich beroepen op toezeggingen die gedaan zijn aan een derde partij in een dergelijke overeenkomst?
Kunt u (in fte) uiteenzetten wat voor capaciteit het Strafhof heeft om de veiligheid en het proces van deze getuigen in de Democratische Republiek Congo te monitoren?
Het is de verantwoordelijkheid van het Strafhof om, op grond van artikel 93, zevende lid, van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: het Statuut) na getuigenis door een getuige die als gedetineerde uit een ander land is overgebracht, passende voorzieningen te treffen voor overbrenging van de betrokken persoon naar het land van herkomst. Hierbij neemt het Strafhof de bepalingen van de Rules of Procedure and Evidence in acht, die zien op het zo nodig treffen van beschermende maatregelen. Het Strafhof, onder wiens verantwoordelijkheid betrokkenen in gedetineerde toestand zijn overbracht naar de detentie eenheid van het Strafhof, heeft bepaald dat de gedetineerde getuigen na afloop van hun getuigenis dienden terug te keren naar de Democratische Republiek Congo in overeenstemming met het Statuut en de daarop ziende afspraken tussen de Democratische Republiek Congo en het Strafhof. Nederland respecteert uiteraard, met inachtneming van haar andere internationaalrechtelijke verplichtingen, de uitspraken van het Strafhof. Getuigenbescherming is essentieel voor het functioneren van het Strafhof. Het Strafhof is hiervoor verantwoordelijk en neemt die verantwoordelijkheid zeer serieus. Zo heeft het Strafhof maatregelen genomen ter bescherming van de getuigen tegen mogelijke represailles na terugkeer in de Democratische Republiek Congo vanwege hun getuigenis. Die maatregelen houden onder meer in dat medewerkers van het Strafhof de vreemdelingen in de Democratische Republiek Congo regelmatig bezoeken om hun veiligheidssituatie te beoordelen. Ook zal het Strafhof toezicht houden op gerechtelijke procedures tegen hen. Ik ben niet bekend met de omvang van de capaciteit die het Strafhof tot haar beschikking heeft om de bovengenoemde verantwoordelijk vorm te geven; deze getuigenbescherming valt onder de verantwoordelijkheid van het Strafhof.
Welke instrumenten heeft het Strafhof om te interveniëren als de rechten van deze getuigen toch geschonden worden in de Democratische Republiek Congo?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van mening dat Nederland als gastland van het Internationaal Strafhof een bijzondere verantwoordelijkheid heeft ten opzichte van deze getuigen?
Zoals bekend acht ik monitoring van individuele vreemdelingen na terugkeer niet passen binnen een stelsel waarbij na zorgvuldige toelatingsprocedures en toetsing door de rechter vertrouwd moet kunnen worden op de uitkomst van die zorgvuldige procedure. Dat geldt ook in deze zaken. In deze bijzondere zaak geldt, zoals in de beantwoording hierboven al weergegeven, bovendien dat het Strafhof afspraken heeft gemaakt met de Democratische Republiek Congo ten behoeve van de drie getuigen. Nederland staat hier buiten.
Bent u bereid om actief contact te onderhouden met de Congolese autoriteiten over het welzijn en de procedure van de drie getuigen?
Zie antwoord vraag 8.
Kan de Nederlandse ambassade intensief contact onderhouden met lokale advocaten van de drie getuigen?
Zie antwoord vraag 8.
De bevindingen van FNV Bondgenoten, dat op de Nederlandse wegen opmerkelijk veel vrachtwagenchauffeurs van buiten de EU zijn aangetroffen |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Herkent u zich in de bevindingen van FNV Bondgenoten, dat tegenwoordig opmerkelijk veel vrachtwagenchauffeurs van buiten de EU – voornamelijk Moldaviërs, Oekraïners en Macedoniërs – op de Nederlandse wegen rondrijden?1
Er zijn geen cijfers beschikbaar waaruit blijkt dat opmerkelijk veel vrachtwagenchauffeurs van buiten de Europese Unie op de Nederlandse wegen rondrijden.
Kunt u uitzoeken in hoeverre het klopt dat veel van deze chauffeurs een Poolse werkvergunning hebben? Kunt u eveneens uitzoeken of hier sprake is van een schijnconstructie?
In 2013 zijn in Polen voor werkzaamheden in de transport- en opslagsector 2123 tewerkstellingsvergunning afgegeven voor de transportsector voor Oekraiëners (1926), Moldaviërs (191) en Macedoniërs (13). Daarnaast werden in 2013 ruim vier duizend aanvragen ingediend voor korte werkzaamheden in de transport- en opslagsector voor Oekraïeners (90%) en Moldaviërs (10%). Het is niet bekend hoeveel mensen daarvan in Nederland hebben gewerkt.
Het feit dat chauffeurs een tewerkstellingvergunning hebben in Polen ontheft de werkgever niet van het aanvragen van een tewerkstellingsvergunning indien arbeid in Nederland wordt verricht tenzij de vrijstelling van artikel 1 lid 1 onder b van het BuWav van toepassing is. Er is geen tewerkstellingsvergunning nodig indien: de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft, geen arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde werkgever en uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer.
Herinnert u zich de antwoorden op mondelinge vragen, waarin de minister van Infrastructuur en Milieu aangaf dat wat betreft het aanpakken van misstanden het haar voorkeur heeft «om dat direct te doen bij de vrachtauto's die je aanhoudt, daar waar de overtreding ook wordt begaan»?2
Ja.
Bent u bereid om, mede op basis van deze bevindingen van FNV Bondgenoten, de controles van de Inspectie Leefomgeving en Transport uit te breiden?
Bij brief van 5 maart jl. heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu (I&M) u geïnformeerd over de resultaten van het inventariserend onderzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ILT naar overtreding van de cabotageregels. De Minister van I&M heeft u daarbij aangegeven in elk geval tijdelijk de extra inzet van de ILT, welke was ingezet in het kader van dit onderzoek, te continueren.
Bent u in het kader van naleving eveneens bereid nauw(er) te gaan samenwerken met sociale partners c.q. vakbonden?
Over de aanpak van schijnconstructies in het transport vindt onder andere met sociale partners overleg plaats in de Werkgroep transport.
Het speciale team van de Inspectie SZW dat is opgezet naar aanleiding van het sociaal akkoord, ondersteunt ook de sociale partners bij de handhaving van de cao-voorwaarden. Om deze rol goed te kunnen vervullen heeft de Inspectie SZW vanaf eind 2013 diverse vertegenwoordigers van de sociale partners geïnformeerd over de rol en taken van de Inspectie bij de ondersteuning van cao-handhaving en zijn zij uitgenodigd om meldingen te doen. Dit heeft tot op heden geleid tot twaalf verzoeken om ondersteuning. Het eerste rapport van bevindingen is inmiddels afgerond en overgedragen aan de verzoekende instantie, die de resultaten van dit onderzoek kan gebruiken in een civiele procedure om daarmee correcte naleving van de cao-voorwaarden af te dwingen.
Wat doet u in EU-verband om de misstanden in de transportsector aan te pakken? Ziet u mogelijkheden om de samenwerking te intensiveren?
Onlangs hebben een groot aantal voor de transportsector verantwoordelijke EU-Ministers een gezamenlijke verklaring uitgebracht, gericht aan de Europese Commissie, waarin aangedrongen wordt op een meer uniforme interpretatie en handhaving van de bestaande voorschriften, met name op het gebied van cabotage. Speciale aandacht wordt gevraagd voor het verschijnsel van postbusbedrijven en het ontduiken van de regelgeving. Ook de Nederlandse Minister van I&M heeft deze verklaring ondertekend.
Daarnaast vindt samenwerking plaats tussen de inspectiediensten in het kader van de Euro Control Route (ECR), waarin initiatieven worden genomen om ten behoeve van een uniforme handhaving te komen tot een eenduidige interpretatie en toepassing van cabotageregels.
Gaat de aangekondigde Wet Aanpak Schijnconstructies helpen om de de misstanden in de transportsector aan te pakken? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Hoe gaat u dan de naleving van wet- en regelgeving in de transportsector verbeteren?
In de Wet Aanpak Schijnconstructies (WAS) zal een aantal voorstellen worden gedaan die ook helpen schijnconstructies in de transportsector aan te pakken. De belangrijkste zijn:
Bij kamerbrief van 4 juli 2014 (Kamerstuk 17 050, nr. 484) heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang in de aanpak van schijnconstructies. Daarin is de WAS, dat nu voor advies voorligt bij de Raad van State, op hoofdlijnen beschreven.
Amerikaanse spionage |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting van de Duitse Bondskanselier dat de voortdurende spionage door de Verenigde Staten leidt tot een vertrouwensbreuk?1
De vertrouwensbreuk waarop in het bericht gedoeld wordt, zou een vertrouwensbreuk zijn tussen Duitsland en de Verenigde Staten. De Nederlandse regering kan hier geen oordeel over uitspreken.
Welke spionagezaken door de Verenigde Staten sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn bij de regering of de geheime diensten bekend?
De AIVD doet structureel onderzoek naar de spionage van buitenlandse mogendheden in Nederland. Indien wordt geconstateerd dat een buitenlandse mogendheid zonder toestemming inlichtingenactiviteiten verricht op Nederlands grondgebied, treft de Nederlandse regering maatregelen. Over de inhoud en de resultaten van dit onderzoek kunnen in de openbaarheid geen uitspraken worden gedaan.
Op welk moment sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft ons land Amerikaanse spionnen of medewerkers die verdacht werden van spionage voor de Amerikanen uitgezet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uitsluiten dat de Amerikanen ook in de Tweede Kamer hebben gespioneerd?
De AIVD beschikt niet over aanwijzingen dat dergelijke spionage heeft
plaatsgevonden.
Bent u bereid de huidige Amerikaanse ambassade in de nabijheid van het Binnenhof zo spoedig mogelijk te sluiten?
Nee.
Het bericht dat JSF’s aan de grond staan omdat ze zo gemakkelijk in brand vliegen |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Alle Joint Strike Fighter aan de grond»?1
Een Amerikaans F-35A toestel heeft op 23 juni jl. de start afgebroken nadat zich een ernstige storing aan de vliegtuigmotor voordeed waardoor in de directe omgeving van de motor brand ontstond. Als voorzorgsmaatregel is direct besloten het vliegen met de F-35 (alle typen) tijdelijk op te schorten. De Amerikaanse luchtmacht heeft vervolgens een onderzoek ingesteld om de oorzaak van het incident te achterhalen. Hoewel het onderzoek nog niet volledig is voltooid, is intussen wel vastgesteld dat er sprake blijkt te zijn van een zeer specifieke combinatie van factoren die tot deze storing heeft geleid. Hierop is door de Amerikaanse luchtvaartautoriteiten geconcludeerd dat het verantwoord is om vluchten met de overige F-35»s te hervatten. Op 15 juli jl. hebben de Amerikaanse en Britse luchtvaartautoriteiten hun toestellen, met inachtneming van enkele voorzorgsmaatregelen, weer vrijgegeven voor vluchten. Zo worden de motoren tijdelijk vaker geïnspecteerd en mogen de toestellen tijdelijk niet aan hoge G-krachten worden blootgesteld. Totdat het onderzoek volledig is voltooid zullen deze voorzorgsmaatregelen van kracht zijn. Dit kan nog enkele weken tot maanden duren. De Nederlandse militaire luchtvaartautoriteit heeft de Nederlandse F-35 toestellen op vrijdag 18 juli jl. weer vrijgegeven. In de daarop volgende week zijn de vluchten met Nederlandse F-35»s hervat.
Hoe lang blijven de JSF’s aan de grond staan?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u inzichtelijk maken wat de consequenties zijn voor het opleverschema van de JSF?
Ik zie op dit moment geen directe relatie tussen dit incident en het leverschema van de Nederlandse toestellen. Op grond van de huidige planning worden de eerstvolgende Nederlandse toestellen in 2019 afgeleverd.
Kunt u aangeven of er ook financiële consequenties zijn verbonden aan het feit dat de JSF zo gemakkelijk in brand vliegt voor de levering van de Nederlandse JSF’s?
Er is op dit moment nog geen duidelijkheid over eventuele financiële consequenties van dit incident. Het onderzoek, en daarmee de oorzaken en de eventueel daaruit voortvloeiende maatregelen, moet eerst worden afgewacht.
Tijdens het Algemeen Overleg over de informatievoorziening inzake het project Vervanging F-16 van 1 juli jl. heeft het lid Sjoerdsma (D66) gevraagd in de voortgangsrapportages informatie te verstrekken over incidenten bij het F-35 programma en de eventuele consequenties daarvan. Ik heb toegezegd dit te doen. In algemene zin geldt dat ik incidenten en de consequenties daarvan, ook op financieel gebied, in de periodieke voortgangsrapportages zal melden, zodra bekend.
Bent u, ondanks de hoeveelheid incidenten en voortdurende tegenslagen met de JSF, zoals de software-problemen en het gemakkelijk in brand vliegen, er nog steeds van overtuigd dat u met een budget van ruim 4,5 miljard euro 37 JSF’s voor Nederland kan aanschaffen en gebruiken per 2019? Waarop baseert u dat vertrouwen?
Het F-35 programma bevindt zich nog in de ontwikkelfase waarbij technische testen aan het toestel worden uitgevoerd. Die fase is bedoeld problemen op te sporen en die op te lossen. Eerder geconstateerde problemen zijn of worden naar behoren opgelost. Ik vertrouw erop dat het F-35 Joint Program Office en de leveranciers ook een passende oplossing zullen vinden voor deze kwestie.
In aanloop naar het besluit de F-16 te vervangen door de F-35 is vastgesteld dat Defensie binnen de budgetten 37 toestellen kan aanschaffen en exploiteren. In de jaarrapportage die u in september ontvangt, zal ik opnieuw ingaan op de inpasbaarheid van 37 toestellen binnen het budget.
Het bericht 'Moldaviërs halen Roemenen in' |
|
Barry Madlener (PVV), Harm Beertema (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Moldaviërs halen Roemenen in»?1
Ja.
Hoeveel Nederlandse transportbedrijven bedienen zich van het zogenaamde uitvlaggen? In hoeverre heeft u er zicht op dat de aansturing bij het uitvlaggen daadwerkelijk gebeurt vanuit het andere land?
Het is niet bekend hoeveel Nederlandse transportondernemingen zich in het buitenland hebben gevestigd en daarmee zijn «uitgevlagd».
De Minister van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft hiervoor navraag gedaan bij de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO). Echter, de NIWO heeft alleen gegevens van de in Nederland gevestigde bedrijven. Indien zich in dit bestand wijzigingen voordoen, bijvoorbeeld wanneer het aantal vergunningbewijzen bij een onderneming daalt, kan dit verschillende oorzaken hebben.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) kan bij wegcontroles situaties aantreffen, waarbij het vermoeden ontstaat dat de aansturing nog steeds gebeurt door een Nederlandse vestiging. Dit kan bijvoorbeeld op basis van de vrachtbrief, overlegde contactgegevens of een internetadres. Bij een dergelijk vermoeden doet de ILT, in samenwerking met de Inspectie SZW, nader onderzoek.
Hoeveel Nederlandse vrachtwagenchauffeurs hebben sinds de openstelling van de arbeidsmarkt voor Roemenen, Bulgaren en Polen hun baan verloren?
Het is niet bekend hoeveel Nederlandse vrachtwagenchauffeurs sinds de openstelling van de arbeidsmarkt voor Roemenen, Bulgaren en Polen hun baan hebben verloren. In het kader van de aanpak van schijnconstructies laat ik onderzoek doen naar de omvang van verdringing in meerdere sectoren, waaronder de transportsector.
Hoeveel Moldaviërs kunnen aanspraak maken op een Roemeens paspoort of werkvergunning, hoeveel Macedoniërs op Bulgaarse paspoorten en werkvergunningen en hoeveel Oekraïeners op Hongaarse en/of Roemeense paspoorten en werkvergunningen? Hoeveel chauffeurs uit deze landen werken voor Nederlandse bedrijven?
Het is ons niet bekend hoeveel personen van buiten de EU aanspraak kunnen maken op een paspoort van een EU-lidstaat. Nationaliteitswetgeving is geen bevoegdheid van de Europese Unie en iedere lidstaat heeft derhalve eigen wetgeving op basis waarvan vastgesteld wordt wie recht heeft op de betreffende nationaliteit. Datzelfde geldt voor de toelating tot de arbeidsmarkt en het verstrekken van tewerkstellingsvergunningen voor personen van buiten de EU.
Hoeveel chauffeurs uit Moldavië, Macedonië en Oekraïne werkzaam zijn voor Nederlandse bedrijven is niet bekend.
Bent u, door de ervaringen in het genoemde artikel, eindelijk overtuigd van het feit dat paspoorten en rijbewijzen gewoon te koop zijn in Oost-Europa?2 Zo neen, waarom niet?
Paspoorten worden verleend op basis van de nationaliteitswetgeving van de door u genoemde landen. Bij de Nederlandse ambassades van de door u genoemde landen zijn geen gevallen van gekochte rijbewijzen bekend.
Deelt u de mening dat parkeerplaatsen voor vrachtwagenchauffeurs geen campings zijn en dat het koken op gascomfoors grote gevaren met zich meebrengt? Bent u van plan aan deze praktijken een einde te maken en streng te handhaven? Zo neen, waarom niet?
Verzorgingsplaatsen langs de snelwegen zijn bedoeld voor het doorbrengen van een korte rust. Het voorzieningenniveau van deze verzorgingsplaatsen is niet afgestemd op langer verblijf. Daarnaast wordt er ook binnen de bebouwde kom door vrachtwagenchauffeurs gebruik gemaakt van locaties om te overnachten en de weekenden door te brengen. Het is aan de desbetreffende gemeenten te bepalen of dit kan worden toegestaan of niet. Bekend is dat in de gemeenten Vlaardingen en Spijkenisse vanwege de geconstateerde overlast inmiddels maatregelen zijn genomen om dit aan banden te leggen.
Het koken op gascomfoors is een zaak van openbare orde en veiligheid. Het handhaven hiervan is geen taak van de ILT of Rijkswaterstaat. Het handhaven van de openbare orde is de verantwoordelijkheid van politie en justitie.
Bent u bereid om de Nederlandse beroepschauffeur te beschermen tegen oneerlijke concurrentie, o.a. door veel meer capaciteit bij politie en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) vrij te maken voor controles en handhaving? Zo neen, waarom niet?
Bij brief van 5 maart jl. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 468) heeft de Minister van I&M het inventariserend onderzoek van de ILT naar overtreding van de cabotageregels aangeboden. Daarbij heeft de Minister van I&M aangegeven, in elk geval tijdelijk de extra inzet van de ILT, die was ingezet in het kader van dit onderzoek, te continueren.
Sinds 2011 werkt de Inspectie SZW nauw samen met de ILT bij de aanpak van schijnconstructies in de transportsector. In 2013 heeft de Inspectie SZW in samenwerking met de ILT 23 transportbedrijven geïnspecteerd op naleving van de verschillende wetten op het gebied van arbeidsmarktproblematiek en wegvervoer. Deze risicogestuurde inspecties richtten zich op transportbedrijven die zich voornamelijk bezig houden met internationaal transport.
De samenwerking van de Inspectie SZW met de ILT is in 2014 voortgezet. De focus ligt op het beroepsgoederenvervoer over de weg. De Inspectie SZW, ILT en Belastingdienst wisselen gegevens uit ten behoeve van een integrale risicoanalyse voor de aanpak van schijnconstructies in de transportsector.
Het speciale team van de Inspectie SZW ondersteunt ook de sociale partners bij de handhaving van de cao-voorwaarden. Om deze rol goed te kunnen vervullen heeft de Inspectie SZW vanaf eind 2013 diverse vertegenwoordigers van de sociale partners geïnformeerd over de rol en taken van de Inspectie bij de ondersteuning van cao-handhaving en zijn zij uitgenodigd om meldingen te doen. Dit heeft tot op heden geleid tot twaalf verzoeken om ondersteuning. Het eerste rapport van bevindingen is inmiddels afgerond en overgedragen aan de verzoekende instantie, die de resultaten van dit onderzoek kan gebruiken in een civiele procedure om daarmee correcte naleving van de cao-voorwaarden af te dwingen. Dit betreft een zaak in het internationale wegtransport.
Bent u bereid alsnog de grenzen voor werknemers uit Oost-Europa te sluiten en daarmee de Nederlandse arbeidsmarkt te beschermen? Zo neen, waarom niet?
Nee. Met zijn open en internationaal georiënteerde economie profiteert Nederland van de Europese Unie en de bijbehorende verworvenheden. Bovendien zou het sluiten van de arbeidsmarkt voor werknemers uit Oost-Europa de instemming van alle 28 EU-leden vergen. Dit is geen reële optie. Het kabinet heeft echter wel oog voor de schaduwkanten van het vrij verkeer van personen. De vaak slechtere sociaaleconomische positie van migranten uit Midden- en Oost-Europa kan leiden tot onwenselijke sociale situaties en maatschappelijke overlast. Arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa mag niet leiden tot oneerlijke concurrentie en een race naar de bodem voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden. Daarom zijn er in de afgelopen jaren veel acties in gang gezet. Kabinet en gemeenten werken onder meer aan het aanpakken van schijnconstructies, het verbeteren van de registratie van EU-burgers, het voorlichten van EU-arbeidsmigranten en het aanpakken van malafide uitzendbureaus.
Het bericht dat een stijgend aantal stagiairs fulltime werkt zonder enige vergoeding |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u de door CNV Jong en StudentenBureau gesignaleerde trend bevestigen dat een toenemend aantal stagiairs geen of nauwelijks enige stage vergoeding ontvangt?1 Zo ja, waaraan schrijft u deze trend toe? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Ik beschik niet over aanvullende informatie om de trend te bevestigen die CNV Jong en StudentenBureau signaleren en die veroorzaakt zou worden door de slechte arbeidsmarkt.
Wanneer is er in uw ogen sprake van een stage? Is dat alleen indien deze onderdeel vormt van een reguliere opleiding? Zijn er andere omstandigheden waaronder werkzaamheden als stage aangemerkt kunnen worden? Dienen alle overige werkzaamheden als werk aangemerkt te worden?
De term stage wordt gebruikt voor een grote diversiteit in het leren van een beroep in de praktijk en hij wordt gebruikt voor zowel leerlingen in het vmbo als pas afgestudeerden op wo-niveau. Het is niet zo dat alleen sprake van een stage kan zijn indien deze exclusief onderdeel is van een opleiding.
Voor het verrichten van een stage is het van essentieel belang dat de werkzaamheden van een stagiair zich duidelijk onderscheiden ten opzichte van die van een «gewone werknemer». De werkzaamheden van een gewone werknemer zijn hoofdzakelijk van productieve aard, gericht op het maken van omzet, winst of het behalen van doelen (etc.). De meest kenmerkende criteria van een stage zijn2:
Het is van belang dat er altijd wordt gekeken naar de feitelijke omstandigheden om te beoordelen of er sprake is van een stage. Als de feitelijke omstandigheden niet voldoen aan bovenstaande criteria, is geen sprake van een stage. Als het gaat om werk (werkervaring), zonder dat het leeraspect centraal staat, is juridisch gezien sprake van een arbeidsovereenkomst en heeft betrokkene aanspraak op het wettelijk minimumloon. Ook een inwerkperiode zal niet als stage worden aangemerkt.
Hoeveel stages worden er jaarlijks in Nederland doorlopen en wat is daarbij de gemiddelde stagevergoeding? Wat is het aantal stages en bijbehorende gemiddelde vergoeding per sector? Hoeveel procent van de stagiairs in Nederland ontvangt geen enkele vergoeding voor hun stage?
Deze vraag is niet eenduidig te beantwoorden. Het aantal stages per opleiding en dus ook per student kan verschillen en hangt af van de leermogelijkheden in de leerbedrijven en de wijze waarop de onderwijsinstelling de opleiding heeft ingericht.
In het mbo is de beroepspraktijkvorming een verplicht onderdeel van de opleiding van iedere student. De praktijkopleiding van een student van de beroepsopleidende leerweg (bol) wordt vaak stage genoemd. Dit in tegenstelling tot de praktijkopleiding van de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Deze staat bekend als leer(werk)baan. Voor beide leerwegen is het afsluiten van een praktijkleerovereenkomst verplicht en de praktijkopleiding van de beroepsbegeleidende leerweg wordt doorgaans verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. Een beloning op het niveau van ten minste het wettelijk minimum(jeugd)loon is dan vereist. In 2013 volgden ongeveer 369.000 studenten een mbo opleiding via de beroepsopleidende leerweg en 125.000 via de beroepsbegeleidende leerweg.
Het aantal hbo-studenten bedroeg in 2013 ruim 420.000. Welk deel daarvan stage loopt, is niet bekend.
Klopt het dat in Europees verband stagevergoedingen in Nederland relatief laag zijn? Hoe verklaart u dat? Wat vindt u daarvan?
Uit het rapport «The experience of traineeships in the EU», waarnaar in het in vraag 1 genoemde artikel uit de NRC wordt verwezen, blijkt dat 32 procent van de stagiairs in Nederland van mening is dat de stagevergoeding die men ontvangt voldoende is om te voorzien in de basiskosten voor het levensonderhoud. Voor de EU ligt dit percentage gemiddeld hoger, namelijk op 46 procent. Daar staat tegenover dat volgens hetzelfde onderzoek blijkt dat in Nederland 57% van de stagiairs een vergoeding krijgt, terwijl dat percentage voor de EU gemiddeld op 40 procent ligt.
Op basis van deze cijfers kan ik geen waardeoordeel geven. Elk land heeft zijn eigen werkwijze en praktijken. Daarnaast geldt bijvoorbeeld dat in Nederland de studiefinanciering doorloopt tijdens de stage. Stagiairs zijn voor hun basis levensbehoeften in principe niet alleen afhankelijk van de vergoeding die zij voor hun stage ontvangen.
Vindt u dat een stagiair te allen tijde recht heeft op een redelijke stagevergoeding? Zo ja, wat is volgens u een redelijke stagevergoeding? Hoe kan in uw ogen de redelijkheid van een stagevergoeding worden vastgesteld? Zo niet, onder welke omstandigheden heeft een stagiair in uw ogen geen recht op een stagevergoeding?
Er bestaat geen wettelijke verplichting om een stagevergoeding te betalen. Relevant is in dit verband dat de werkzaamheden van de stagiair niet zijn gericht op het verrichten van productieve arbeid of het behalen van omzet of winst. Het is uiteraard mogelijk om op basis van een individuele of collectieve overeenkomst een vergoeding toe te kennen aan de stagiair. Het is aan sociale partners om daar afspraken over te maken.
Vindt u het acceptabel wanneer stagiairs onkosten maken ten behoeve van hun stage, zonder dat daar een vergoeding tegenover staat?
In een aantal sectoren of bedrijven zijn afspraken gemaakt over een minimale stagevergoeding. In het kader van goed werkgeverschap wordt daarbij van het stagebedrijf verwacht dat het, indien nodig, afspraken maakt met de stagiair over een eventuele onkostenvergoeding. Voorzover de stage plaatsvindt in het kader van een opleiding heeft ook de betrokken onderwijsinstelling een verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er in elk geval geen onnodige (on)kosten door de student ten behoeve van de stage worden gemaakt.
De Inspectie van het Onderwijs houdt scherp toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving t.a.v. schoolkosten en vrijwillige deelnemer- of ouderbijdragen.
Zaken als reiskosten komen, net zoals dat geldt voor de begeleide onderwijsuren, in ieder geval voor rekening van de student. Studenten van 18 jaar en ouder hebben recht op een OV-kaart. Als het wetsvoorstel Studievoorschot door het parlement wordt aanvaard, hebben ook mbo-studenten jonger dan 18 jaar recht op een OV.
Kan het fulltime meedraaien als stagiair, zonder enige vorm van directe begeleiding, wel gezien worden als stage? Zo ja, hoelang zou fulltime zo’n inzet maximaal kunnen duren? Zo nee, welke minimale begeleiding is nodig om van een stage te kunnen blijven spreken?
Voor iedere stage geldt dat er altijd voldoende en deskundige begeleiding vanuit het leerbedrijf en vanuit de instelling beschikbaar dient te zijn. In het mbo geldt bovendien dat een bedrijf dat deze begeleiding niet kan bieden, de erkenning als leerbedrijf kan verliezen. Hoe lang een stage kan duren en wat de minimale omvang van de begeleiding zou moeten zijn is niet in een generieke norm uit te drukken. Dit is onder andere afhankelijk van het niveau van de stage, de aard van de (eventuele) opleiding, de wijze waarop de opleiding en stage zijn georganiseerd en van de kennis en kunde van de stagiair. In voorkomende gevallen zal op basis van de feiten en omstandigheden in redelijkheid moeten worden beoordeeld of de begeleiding voldoende is en de duur van de stage in goede verhouding staat tot het leerplan en de vaardigheden die men met de stage beoogt te ontwikkelen. Ik verwijs u ook naar het antwoord op vraag 2.
Is er alleen sprake van een stage indien deze onderdeel vormt van een reguliere opleiding? Zo ja, is dan altijd sprake van werk indien dit niet het geval is? Zo nee, onder welke voorwaarden kan er eveneens sprake zijn van een stage?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid nadere regels te stellen aan de voorwaarden en condities waaraan een stage moet voldoen, alsmede de stagevergoedingen? Zo ja, op welke wijze en wanneer bent u voornemens dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Het is mijn inziens niet nodig om naast de criteria die ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 aanvullende eisen te stellen.
Overigens zijn voor de beroepspraktijkvorming in het mbo specifieke voorwaarden opgesteld. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de erkenningsreglementen van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. Indien organisaties voldoen aan de gestelde criteria met betrekking tot de aanwezigheid van werkzaamheden die passen bij een specifieke beroepsopleiding, het bieden van voldoende en deskundige begeleiding en een veilige werkomgeving, kan een erkenning als leerbedrijf worden afgegeven. De onafhankelijke opleidingsadviseurs van de kenniscentra beoordelen de leerbedrijven hierop. De stagevergoedingen behoren tot de verantwoordelijkheid van het leerbedrijf zelf.
Vindt u dat de Inspectie SZW op deze onbetaalde werkzaamheden door stagiairs moet gaan controleren?
Het verrichten van een stage zonder dat daar een financiële beloning tegenover staat is als zodanig geen overtreding. Een beloning is immers niet vereist. Bestaat het gerede vermoeden dat feitelijk geen sprake is van een stage maar van het verrichten van arbeid dan zal de Inspectie SZW op basis van concrete klachten een onderzoek instellen.
De bijwerkingen van de Nuvaring |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het artikel waarin gewag wordt gemaakt van het onder de pet houden van onwelgevallige complicaties van de Nuvaring bij de registratie van de Nuvaring in de VS?1 2
Ik heb het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) gevraagd mij hierover te informeren.
Is het waar dat met opzet gegevens van vier vrouwen zijn achtergehouden, waaruit bleek dat bij de Nuvaring de opname van hormonen in het lichaam gepaard ging met pieken en zogenaamde «bursteffects» hebben plaatsgevonden?
Dit heeft het CBG uitgezocht en dit bleek niet het geval te zijn. Het CBG heeft de grafieken ontvangen van alle vrouwen die aan het betreffende onderzoek hebben deelgenomen. Deze zijn meegenomen bij de beoordeling van het dossier waarop de handelsvergunning is afgegeven. De betreffende studie heeft overigens geen doorslaggevende rol gespeeld in de afweging van de werkzaamheid en risico’s.
Hoe beoordeelt u het feit dat farmaceut MSD; het bedrijf dat Organon heeft overgenomen, een afkoopsom van 100 miljoen in de VS heeft betaald aan duizenden gebruiksters en nabestaanden van de Nuvaring, vanwege het achterhouden van informatie inzake bijwerkingen als trombose en embolie?
In het artikel van «De Correspondent» wordt gesteld dat een schikking is getroffen, en dat MSD niet schuldig is bevonden aan het achterhouden van informatie. Ik heb overigens te maken met de situatie in Nederland, en het CBG heeft mij verzekerd dat geen informatie is achtergehouden.
Staat het inmiddels vast dat de Nuvaring meer kans op trombose geeft dan de zogenaamde tweede generatie anticonceptiva? Zo ja, hoeveel meer bedraagt deze kans naar verhouding?
Het relatieve tromboserisico bij de Nuvaring is verhoogd ten opzichte van tweede generatie anticonceptiva. Het absolute risico op trombose bij alle gecombineerde hormonale anticonceptiva blijft naar het oordeel van het CBG zeer laag, zeker in verhouding tot de grote omvang van het gebruik en de effectieve preventie van ongewenste zwangerschappen. Tijdens het gebruik van orale anticonceptiva van de tweede generatie ligt het tromboserisico tussen de 5 en 7 gevallen per 10.000 vrouwen. Het tromboserisico tijdens het gebruik van de Nuvaring ligt tussen de 6 en 12 gevallen per 10.000 vrouwen.
Vorig jaar zijn de derde en vierde generatie anticonceptiva, waaronder de Nuvaring, op Europees niveau herbeoordeeld door het Europees Geneesmiddelenagentschap(EMA).
De conclusies van de herbeoordeling van de EMA waren in november 2013 als volgt:
Het CBG heeft op zijn website een informatiedossier geplaatst, met daarin een overzicht van het tromboserisico van anticonceptiva.
Hoeveel meldingen van trombose en embolie zijn er bij het bijwerkingencentrum Lareb binnen gekomen sinds de introductie van de Nuvaring in Nederland? Is in verhouding tot andere anticonceptiva deze bijwerking vaker gemeld?
Tot en met 3 juli 2014 heeft het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb 443 meldingen ontvangen na gebruik van Nuvaring. Eén melding kan meerdere bijwerkingen bevatten; zo werden in deze meldingen 658 mogelijke bijwerkingen doorgegeven. In totaal is er 93 maal een veneuze trombose of embolie als mogelijke bijwerking gemeld, waaronder één melding van overlijden. Op basis van het aantal meldingen alleen is het niet raadzaam een vergelijking te maken op het risico op het krijgen van een trombose of embolie tijdens het gebruik van Nuvaring in vergelijking met de andere (orale) anticonceptiva. Omdat er veel factoren zijn die het al dan niet melden van bijwerkingen beïnvloeden, waaronder bijvoorbeeld aandacht in de media, dient met zich voor het vergelijken van risico’s tussen middelen te baseren op hierop gericht epidemiologisch onderzoek.
Wat is het oordeel van het College Beoordeling Geneesmiddelen (CBG) over deze kwestie voor de situatie in Nederland? Hoe is de registratie in Nederland tot stand gekomen? Is dit allemaal lege artis (volgens de regelen der kunst) gebeurd? Gaat het College deze zaak tot op de bodem uitzoeken? Welke stappen gaat het College ondernemen? Gaat het College zijn mening herzien inzake registratie en/of gebruiksvoorwaarden van de Nuvaring?
De beoordeling heeft plaatsgevonden conform de vastgestelde normen. Het CBG heeft deze zaak inmiddels uitgezocht en er is geen informatie achtergehouden door de firma. De door «De Correspondent» aangedragen grafieken zijn meegenomen in de beoordeling.
Het College ziet geen reden stappen te ondernemen of zijn mening te herzien, dit mede gelet op de resultaten uit de Europese herbeoordeling van vorig jaar.
Is het gebruik van de Nuvaring wel gewenst als er veiliger alternatieven voor handen zijn? Is er wijziging gekomen in uw oordeel na het bekend worden van deze nieuwe informatie?3
Het CBG vindt het belangrijk dat er voor zowel artsen als patiënten een keuzemogelijkheid is. Niet alle vrouwen reageren immers hetzelfde op een bepaald anticonceptivum. Er zijn vrouwen die tweede generatie anticonceptiva niet goed verdragen. De voorkeur van het CBG blijft om te starten met een pil van de tweede generatie en alleen over te stappen naar een derde generatie anticonceptiemiddel als de vrouw een pil van de tweede generatie niet verdraagt.
Is de huidige bijsluiter adequaat? Moet in de bijsluiter niet nadrukkelijker worden gewezen op de grotere kans op trombose en embolie in vergelijking met de tweede generatie anticonceptiva? Gaat het CBG hiertoe opdracht geven?4
Ja, de huidige bijsluiter is is onlangs herzien als gevolg van de Europese herbeoordeling. Er wordt nadrukkelijk gewezen op de kans op trombose en hoe deze kans zich verhoudt tot het tromboserisico van de tweede generatie anticonceptiva.
Ten aanzien van de bewustwording van het tromboserisico worden ook andere maatregelen genomen. Zo is er onder andere educatief materiaal ontwikkeld. Daarover hebben gesprekken plaatsgevonden tussen het CBG, het NHG en de KNMP. Doel hiervan is dat (potentiële) gebruiksters meer gerichte en actuele risico-informatie krijgen over trombose en over de verschillen in risico op trombose tussen de verschillende gecombineerde hormonale anticonceptiemiddelen. Zij kunnen daardoor een beter geïnformeerde keuze maken welk anticonceptiemiddel het meest geschikt is en, samen met zorgverleners, alerter zijn op mogelijke bijwerkingen.
De gevolgen van het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) en Trade in Services Agreement (TISA) voor financiële regulering |
|
Arnold Merkies (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het gelekte voorstel van de EU dat betrekking heeft op «regulatory coöperation» op het gebied van financiële regulering?1
Ja.
Klopt het dat de EU de VS onder druk zet omdat de VS de regulering van financiële dienstverlening wil uitzonderen van TTIP, aangezien deze in de VS (mede door de invoering van de Dodd-Frank Act) op diverse terreinen strenger is dan in de EU?2
Nee, dat klopt niet. De EU heeft bij de VS aangegeven interesse te hebben om in TTIP bepalingen op te nemen over de regulering van financiële dienstverlening. Tot nu toe is de reactie van de VS terughoudend, omdat de VS van mening is dat afspraken hierover beter in andere bilaterale fora aan bod kunnen komen, zoals het bestaande Financial Markets Regulatory Dialogue (FMRD). De EU vindt dat, gezien de vele veranderingen en nieuwe regelgeving sinds de crisis, er een modern raamwerk moet komen om snel en transparant samen te kunnen werken aan een stabiel financieel systeem.
Deelt u de mening dat uit het voorstel blijkt dat de EU via de «regulatory cooperation»-bepaling in TTIP inzet op het terugdringen van bestaande regulering (bijvoorbeeld met betrekking tot de handel in derivaten in het buitenland) en het voorkomen van toekomstige regulering die de belangen van financiële bedrijven in de EU en VS zou kunnen schaden?3
Nee, ik deel deze mening niet. Het doel van de EU is niet om in TTIP internationale standaarden op het gebied van financiële regulering op te stellen of af te zwakken. Deze standaarden worden in internationale fora als de G20, de Financial Stability Board en het Basel Comité afgesproken. TTIP verandert deze situatie niet.
Het doel van de EU in TTIP is om een institutioneel raamwerk te creëren waarin regelgevende autoriteiten van de EU en de VS kunnen samenwerken en elkaar kunnen consulteren bij de uitwerking van deze internationaal afgesproken standaarden op het gebied van financiële regulering. Door potentiële conflicten eerder op te merken en samen op te pakken, is de inzet juist een versterking van de financiële stabiliteit.
Erkent u dat het risico bestaat dat wanneer het voorstel van de EU wordt overgenomen in TTIP, regelgeving die in de EU juist strenger is dan in de VS (zoals bijvoorbeeld op het terrein van High Frequency Trading (HFT) en hedge fondsen) mogelijk wordt verzwakt?4
Nee.
De inzet van de EU is niet om in TTIP afspraken te maken over de inhoud van financiële regelgeving.
Kunt u aangeven wat uw inzet is wat betreft TISA, het verdrag over Handel in Diensten?
De Nederlandse inzet in TISA (Trade in Services Agreement) is gericht op een verbeterde toegang voor onze dienstverleners tot buitenlandse markten, het recht op gelijke behandeling van buitenlandse en binnenlandse dienstverleners, en het maken van eenduidige afspraken over onderwerpen die de handel in diensten faciliteren en nu nog niet in de GATS (General Agreement on Trade in Services, 1994) geregeld zijn, zoals e-commerce en overheidsaanbestedingen.
Wanneer zich voldoende partijen bij de TISA-onderhandelingen hebben aangesloten, zal ik mij bovendien inzetten om TISA onder het raamwerk van de WTO te brengen om zo de continuïteit van het mondiale handelssysteem te waarborgen. Tenslotte zal ik mij hard maken om de Minst Ontwikkelde Landen zonder tegenprestatie gebruik te laten maken van de voordelen uit dit akkoord wanneer het is afgerond.
Klopt het dat de voorlopige bepalingen in TISA aangaande financiële dienstverlening veel ingrijpender zijn dan de huidige General Agreement on Trade in Services (GATS)-regels als het gaat om het in stand houden van de bestaande liberalisatie en regulering («standstil»), waardoor het in de toekomst moeizaam en kostbaar zal worden om liberalisatie terug te draaien?5
Nee, voor Nederland zijn de voorlopige bepalingen in TISA aangaande financiële dienstverlening niet ingrijpender dan de huidige GATS-regels.
Nederland en veel andere EU-landen hebben zich sinds 1994 in de GATS verplicht aan de principes van vrije markttoegang voor en gelijke behandeling van buitenlandse financiële dienstverleners. Deze principes zullen door Nederland in TISA worden herbevestigd en niet worden uitgebreid of afgezwakt. Regulering van de financiële sector blijft uiteraard mogelijk, indien dit op non-discriminerende wijze gebeurt.
Daarnaast heeft Nederland zich in 1997, net als de andere landen van de toenmalige Europese Gemeenschap, gebonden aan de Understanding on Commitments in Financial Services, waarin WTO-leden extra verplichtingen op het gebied van financiële diensten aan zijn gegaan. In deze Understandingis al een zogenaamde «standstill»-bepaling opgenomen. Dit wil zeggen dat het in principe niet mogelijk is om bestaande liberalisering in de financiële sector terug te draaien. Dezelfde «standstill»-bepaling is ook onderdeel van het huidige TISA-voorstel over financiële dienstverlening. Niet alle landen die deelnemen aan de TISA-onderhandelingen hebben zich in 1997 namelijk gebonden aan de Understanding.
Een belangrijke uitzondering op deze «standstill»-bepaling is de vrijheid die WTO-leden hebben om prudentiële maatregelen te nemen om de integriteit en stabiliteit van hun financiële systeem te waarborgen. Deze bepaling is terug te vinden in artikel 2 van de Annex on Financial Services van de GATS en is ook onderdeel van de huidige TISA voorstellen over financiële dienstverlening. Alle WTO-leden, en in de toekomst naar verwachting ook de deelnemers aan TISA, behouden het recht om de handel in financiële diensten aan banden te leggen om het eigen financiële systeem stabiel te houden, of consumenten of investeerders te beschermen.
Klopt het dat het resultaat van TISA waarschijnlijk zal worden overgenomen in TTIP?6
Het zal niet zo zijn dat het resultaat van TISA één op één zal worden overgenomen in TTIP, vanwege de grote verschillen tussen deze twee onderhandelingen.
In TISA onderhandelen 23 zeer verschillende landen uitsluitend over handel in diensten. TTIP is een bilaterale onderhandeling tussen alleen de EU en de VS en bestrijkt veel meer handelspolitieke onderwerpen dan alleen handel in diensten. Het is nog niet te voorspellen welk akkoord eerder zal zijn afgerond.
Mijn verwachting is dat de afspraken over diensten in TTIP op het gebied van markttoegang en aanvullende bepalingen verder zullen gaan dan in TISA. De TISA-onderhandelingen worden immers gedaan door een groep van landen die erg van elkaar verschilt qua ontwikkelingsniveau, waardoor het moeilijker is om een ambitieus resultaat te bereiken.
Kunt u aangeven in hoeverre de voorlopige bepalingen aangaande «regulatory coöperation» in TISA en TTIP verschillend dan wel overeenkomstig zijn?
De TISA-voorstellen zijn met name gebaseerd op de bestaande Annex on Financial Services en de Understanding on Commitments in Financial Services. De EU voldoet al aan beide verdragen. Wat betreft regelgevende samenwerking gaat het om voorstellen die een inspanningsverplichting geven ten aanzien van transparantie. Dit betekent dat partijen bijvoorbeeld beloven zich in te spannen om nieuwe financiële regelgeving kenbaar te maken aan het brede publiek en hen de mogelijkheid geven hier commentaar op te geven.
Het voorstel van de EU voor regelgevende samenwerking in TTIP gaat verder. Dit verplicht partijen bijvoorbeeld om elkaar vooraf te consulteren wanneer zij internationaal afgesproken standaarden gaan implementeren. Daarnaast stelt de EU voor onderzoek te doen naar de opties voor wederzijdse erkenning van elkaars regelgevend kader, om zo onder meer onnodige handelsbarrières en inconsistenties voor bedrijven weg te nemen. Het gaat hier nadrukkelijk niet om een vooraf in TTIP opgelegde wederzijdse erkenning van elkaars financiële regels, maar slechts een eerste verkenning naar de mogelijkheden en uitwerking van dit principe.
Het bericht dat de huren 10% zijn gestegen in twee jaar tijd en de huurtoeslag wordt gekort |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de waarschuwing van de Woonbond voor stijgende huren en een korting op de huurtoeslag?1
Ja.
Zijn de huren, net als in juli 2013, dit jaar ook gemiddeld met 4,7% gestegen waardoor de gemiddelde huurstijging bijna 10% is in twee jaar? Zo nee, hoe kunt u het verschil verklaren?
Uit «Feiten en achtergronden bij het huurbeleid 2013» (Kamerstukken II, 2013/14, 27 926, nr. 207) blijkt dat de huren in de gereguleerde voorraad in 2013 per 1 juli met gemiddeld 4,9% (volgens de gegevens van het CBS: 4,7%) zijn gestegen, inclusief harmonisatie bij nieuwe verhuringen. Exclusief harmonisatie was de gemiddelde huurverhoging per 1 juli 2013 4,1%. Over de gerealiseerde huurverhoging per 1 juli 2014 zal ik u in het najaar rapporteren.
Is het waar dat in de komende jaren de huren gemiddeld met 2,7% stijgen bovenop de inflatie? Waar is dit percentage op gebaseerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het AO Woningmarkt en Huursector van 14 mei 2014 heb ik desgevraagd aangegeven dat bij de uitwerking van de huurverhoging op basis van een huursombenadering – die volgens het woonakkoord in de plaats komt van de inkomensafhankelijke huurverhoging – vooralsnog wordt gerekend met een maximale huursomstijging van ongeveer 2,7% boven inflatie, inclusief huurharmonisatie bij nieuwe verhuringen. Die maximale huursomstijging bevat in elk geval de huurverhogingsruimte die nu gemiddeld wordt geboden door de inkomensafhankelijke huurverhoging plus ruimte voor huurharmonisatie. Met deze wijze van uitwerking blijft de verdiencapaciteit van de verhuurders op peil, zoals is afgesproken in het woonakkoord.
Kunt u uitleggen waarom u volgend jaar, naast de bezuiniging van € 31 mln. uit de Voorjaarsnota, € 15 mln. extra uitgaven wil verhalen op de huurtoeslag?
Ik heb niet het voornemen om, naast de reeds bij Voorjaarsnota aangekondigde bezuiniging van € 31 mln., in 2015 verdere bezuinigingen op de huurtoeslag door te voeren.
Op welke wijze heeft u uitwerking gegeven aan de volgende zin en de drie daarin genoemde criteria: «Voor toekomstige aanpassingen aan de kwaliteitskorting zal een afweging worden gemaakt tussen de wenselijke effecten op de huurmarkt, de budgettaire opgave en de inkomensgevolgen voor de huurders»?2
In de afgelopen jaren heeft slechts eenmaal een aanscherping van de kwaliteitskorting in de huurtoeslag plaatsgevonden, namelijk per 1 januari 2012, aansluitend aan de aanvaarding van het wetsvoorstel waarmee de kwaliteitskorting meer flexibel is gemaakt (nr. 32 694).
Mocht in de toekomst een verdere aanscherping van de kwaliteitskorting aan de orde komen, dan zal in het daartoe strekkende voorstel aangegeven worden op welke wijze de afweging tussen de wenselijke effecten op de huurmarkt, de budgettaire opgave en de inkomensgevolgen voor de huurders heeft plaatsgevonden. Tevens wordt dan aangegeven wat de gevolgen voor huurders zijn van verhoging van de kwaliteitskorting. Indien de bij Voorjaarsnota aangekondigde bezuiniging op de huurtoeslag van € 31 mln. in 2015 langs de lijn van de kwaliteitskorting wordt ingevuld, zullen de inkomenseffecten eerder in de buurt van de € 30 per jaar liggen dan de in de vraag genoemde € 30 per maand.
Wat betekent het verhogen van de kwaliteitskorting op de huurtoeslag concreet voor huurders? Zullen zij inderdaad € 30 per maand minder toeslag krijgen? Kunt u uw berekening toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u verklaren hoe u zich aan uw belofte aan huurders houdt (namelijk dat zij «ervan op aan kunnen dat de overheid met de huurtoeslag de huren betaalbaar houdt») wanneer de huren explosief stijgen en de huurtoeslag wordt verminderd?3
Voor huurtoeslagontvangers wordt het overgrote deel van de huurstijgingen gecompenseerd door de huurtoeslag; in het regeerakkoord is daartoe een extra bedrag voor huurtoeslag opgenomen, oplopend naar € 420 mln.
Daarbij komt dat de jaarlijkse indexering van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage in de huurtoeslag, de zogeheten normhuur, de afgelopen jaren steeds heeft plaatsgevonden met het percentage van bijstandontwikkeling in plaats van met het percentage van de gemiddelde huurontwikkeling. Hierdoor is de stijging van de eigen bijdrage in deze jaren aanzienlijk achtergebleven bij de stijging van de huren, zoals huurders zonder huurtoeslag die ervaren. De omstandigheid dat er in 2015, zoals aangekondigd bij Voorjaarsnota, een besparing op de huurtoeslaguitgaven noodzakelijk is, doet daar niet aan af.
Deelt u de mening dat een heroverweging van het huurbeleid nodig is om uw belofte van betaalbaar huren te kunnen inlossen aan huurders? Zo nee, waarom niet?
In het huurbeleid zoals dit op basis van het regeer- en woonakkoord door mij is vormgegeven vormen betaalbaarheid en beschikbaarheid van sociale huurwoningen voor de doelgroep kernbegrippen. Ik houd daarnaast nauwkeurig de vinger aan de pols op het punt van betaalbaarheid en beschikbaarheid van woningen voor de doelgroep. Ik doe dit onder andere aan de hand van de rapportage die ik opstel naar aanleiding van de motie van de leden Knops en Verhoeven (II, 2013–2014, 33 750 XVIII, nr. 17). Uw Kamer zal deze rapportage dit najaar voor de begrotingsbehandeling ontvangen.
Gevaarlijke jihadisten die buiten beeld zijn |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven waarom er onder Europese inlichtingendiensten niet of nauwelijks namen worden uitgewisseld van jihadisten?1
Zie mijn antwoord op vraag 2 van de vragen van de leden De Graaf, Helder en Wilders met kenmerk 2014Z13074.
In hoeverre deelt u de visie dat het wegvallen van grenzen in Europa heeft geleid tot meer onveiligheid nu onder andere jihadisten zich ongemerkt over grenzen kunnen begeven?
Het is evident dat het wegvallen van structurele controles aan de Europese binnengrenzen meebrengt dat personen, waaronder ook personen met minder goede intenties, zich gemakkelijker in Europa kunnen verplaatsen. De toegenomen samenwerking binnen Europa heeft niet alleen betrekking op het vrije verkeer van personen, maar ook op veiligheidsgebied. Deze samenwerking is verbeterd, en zal nog verder verbeteren. Een voorbeeld van deze samenwerking zijn de acties die ik op JBZ-gebied met mijn Europese collega’s heb afgesproken met de kopgroep bij de informele raad in Milaan. Zie ook mijn antwoord op vraag 3 van de vragen van de leden De Graaf, Helder en Wilders met kenmerk 2014Z13074.
Wanneer besluit u tot invoering van grenscontroles nu de grond om dat te kunnen doen, namelijk ernstige bedreiging van de openbare orde, aanwezig is?
Een dergelijk besluit is wat mij betreft niet aan de orde. Voor het instellen van de tijdelijke binnengrenscontrole moet er sprake zijn van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid. Conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet een afwijking van het grondbeginsel van het vrije verkeer van personen als restrictief worden opgevat. Tijdelijke herinvoering van grenscontroles kan alleen als uiterste middel. Een beoordeling dient plaats te vinden in hoeverre de tijdelijke maatregel de bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid voldoende kan verhelpen, en of de maatregelen tot die bedreiging in verhouding staan. Op dit moment staat het inzetten van deze uiterste maatregelen niet in verhouding tot de effectiviteit daarvan. Ik voorzie wel een pakket aan andere maatregelen dat ik uiteen zal zetten in een nationaal actieprogramma. Zie mijn antwoord op vraag 3 van de vragen van de leden De Graaf, Helder en Wilders met kenmerk 2014Z13074.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om gegevensuitwisseling tussen de verschillende inlichtingendiensten over jihadisten te optimaliseren?
Zie mijn antwoord op vraag 2 van de vragen van de leden De Graaf, Helder en Wilders met kenmerk 2014Z13074.
De voorgenomen aanpassing van het Sportbesluit |
|
Michiel van Veen (VVD) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de staatssecretaris van Financiën op 21 mei 2014 aan partijen in de sport heeft aangegeven dat het kabinet van plan is het Sportbesluit (Besluit van 27 oktober 2011) verregaand aan te passen?
Op 21 mei 2014 heeft op ambtelijk niveau een overleg plaatsgevonden over diverse sportgerelateerde onderwerpen. Daarbij waren medewerkers van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Belastingdienst, vertegenwoordigers van NOC*NSF, een aantal sportbonden, de Vereniging Nederlandse Gemeenten, en de Vereniging Sport en Gemeenten aanwezig. Tijdens het overleg is aangegeven dat het arrest van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ EU) van 19 december 2013, zaaknr. C-495/12 (Bridport and West Dorset Golf Club, hierna: Bridport) aanleiding is om over de btw-vrijstelling die van toepassing is op «de diensten door organisaties die zich de beoefening van sport of de bevordering daarvan ten doel stellen, aan hun leden,» na te denken (artikel 11, lid 1, onderdeel e van de Wet op de Omzetbelasting 1968, hierna: Wet OB).
Voor de volledigheid merken wij op dat het voorgaande niets van doen heeft met aanpassing van de Toelichting bij Tabel I van de Wet OB voor zover het gelegenheid geven tot sportbeoefening betreft (Besluit van 27 oktober 2011, in de vraag «Sportbesluit» genoemd). In het vervolg van de beantwoording van deze Kamervragen wordt dan ook niet naar dit beleidsbesluit verwezen.
Indien ja, wat zijn volgens u de financiële gevolgen van dat besluit voor de niet-commerciële sportbeoefening in Nederland? Wat vindt u van de bewering van de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) dat dit besluit alleen al voor de G32 een negatief effect gaat betekenen van € 200 miljoen op jaarbasis? Wat zijn volgens u de totale kosten voor de niet-commerciële sportbeoefening?
Wij hebben vernomen dat de Vereniging Sport en Gemeenten een inschatting heeft gemaakt van de financiële gevolgen. Een onderbouwing van het bedrag is (vooralsnog) niet met ons gedeeld. De berekening gaat naar alle waarschijnlijkheid ervan uit dat de sportvrijstelling ook gaat gelden voor het ter beschikking stellen van sportaccommodaties waardoor de btw op de investeringen in deze accommodaties en het onderhoud niet langer aftrekbaar is. Op dit punt verwijs ik naar het antwoord hierna op de vragen 5 en 3. Naast de juridische EU-context vragen diverse aspecten hier om een afweging die wij in alle zorgvuldigheid willen maken, juist vanwege het belang hiervan voor de sport, maar ook voor de uitvoering van de btw-wetgeving door de belastingdienst die onder andere in de sfeer van sportaccommodaties met het bestrijden van oneigenlijke constructies te maken heeft. Tot slot is er het budgettaire aspect. Wij zullen een en ander de komende tijd daarom met inachtneming van alle omstandigheden nader bezien.
Klopt het dat een interpretatie van het Bridport and West Dorset Golf Club-arrest de basis is voor initiatieven van de staatssecretaris van Financiën om het Sportbesluit verregaand aan te passen? Kunt u de overwegingen bij die interpretatie toelichten? Zijn er ook andere interpretaties mogelijk?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u op de hoogte van de onrust bij gemeenten zoals Amersfoort, waar het verregaand aanpassen van het Sportbesluit kan leiden tot uitstel dan wel afstel van geplande investeringen in de sportinfrastructuur? Wat vindt u daarvan?
Wij zijn op de hoogte van de onrust bij gemeenten. Wij willen dan ook nogmaals benadrukken dat een weloverwogen keuze zal worden gemaakt. De resultaten hiervan kunnen bij gelegenheid van de Fiscale Verzamelwet 2015 (en dus niet bij Belastingplan 2015) aan de Kamer worden voorgelegd.
Op welke wijze heeft er afstemming tussen u beiden plaatsgevonden over de interpretatie van het Bridport and West Dorset Golf Club-arrest? Kwam u beiden onafhankelijk tot dezelfde conclusie?
Gevolgtrekkingen van Europese jurisprudentie voor de omzetbelastingwetgeving liggen primair op het terrein van de Staatssecretaris van Financiën. Het behartigen van belangen van de sport ligt primair op het terrein van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het is gebruikelijk dat beide Ministeries met elkaar overleggen over beleids- en wetswijzigingen die het terrein van de sport raken.
Het klopt dat het arrest Bridport de aanleiding is voor het nadenken over de sportvrijstelling. Wanneer mede rekening wordt gehouden met eerdere jurisprudentie en de sportvrijstelling bij voorkeur niet langer kwetsbaar zou moeten zijn voor verdere jurisprudentie ligt het voor de hand om de vrijstelling uit de btw-richtlijn in de Nederlandse wetgeving over te nemen, waarbij ook het ter beschikking stellen van sportaccommodaties onder de vrijstelling komt te vallen. Zoals gezegd, alle aspecten die samenhangen met de onderhavige problematiek worden nog onderzocht. Zo worden de juridische, financiële, organisatorische, administratieve en uitvoeringsgevolgen onderzocht.
Wat zijn volgens u de eventuele negatieve gevolgen voor de sport in Nederland van dit besluit? Hoe kunnen die eventuele negatieve gevolgen worden gecompenseerd?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke termijn kunt u duidelijkheid verschaffen aan gemeenten en beheersstichtingen van sportfaciliteiten, zodat exploitatieconsequenties helder zijn en investeringen in sportinfrastructuur weer kunnen worden hervat?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat Nederland inlichtingen over Toearegs verstrekt aan het Malinese leger |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Nederland helpt leger Mali in strijd tegen Toearegs?»1
Het bericht bevat verschillende onjuistheden. Nederland deelt geen inlichtingen met het Malinese leger, zoals in het artikel wordt gesteld (zie ook beantwoording vragen 2 en 7). Minister Timmermans heeft niet gezegd dat de Malinese regering niets ziet in het plan van de VN om een politieke oplossing te bereiken. Tot slot zijn er geen aanwijzingen dat de Malinese regering door middel van provocatie samenwerking tussen Toearegs en jihadisten wil bewerkstelligen zodat buitenlandse militairen beide groeperingen zouden bestrijden.
Is het waar dat Nederland inlichtingen verstrekt aan het Malinese leger «die kunnen helpen Toearegs aan te vallen»? Is deze werkwijze in overeenstemming met het mandaat van de VN-missie?
Nederland deelt geen inlichtingen met het Malinese leger. De Nederlandse bijdrage aan de All Sources Information Fusion Unit(ASIFU), onderdeel van de vredesoperatie van de VN in Mali (MINUSMA), verwerft, analyseert en produceert inlichtingen namens, voor en ten behoeve van MINUSMA. Deze inlichtingen staan ter beschikking van de Force Commander, de Head of Mission, de MINUSMA-brigades, de regionale VN-hoofdkwartieren en de civiele componenten van MINUSMA. Hieraan zijn geen restricties verbonden, met uitzondering van bronbescherming. Het is aan de VN om te bepalen of het binnen het mandaat en de strategie van de missie past om inlichtingen te delen met de Malinese regering.
Nederland kiest evenmin de kant van een van de strijdende partijen. Als onderdeel van de VN-missie MINUSMA voeren Nederlandse militairen het mandaat van de missie uit. Onderdeel daarvan is het versterken van de operationele coördinatie met het Malinese leger, binnen de kaders van de Ouagadougou Akkoorden. Een van de andere taken is samenwerken met de Malinese autoriteiten en hen te ondersteunen bij het op gang brengen van een inclusief en geloofwaardig onderhandelingsproces.
Deelt u de mening dat Nederland als deelnemer aan de VN-missie geen kant zou moeten kiezen tussen de strijdende partijen en dat deze werkwijze daarom onaanvaardbaar is? Zo ja, wat onderneemt u om hieraan een eind te maken? Zo nee, hoe kunt u verwachten dat de Toearegs meewerken aan VN-bemiddeling, als Nederland tegelijk steun verleent aan het Malinese leger?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de Commandant der Strijdkrachten (CDS) heeft gezegd dat de steun aan het Malinese leger de positie van de VN als bemiddelaar niet in gevaar zou brengen, omdat de Toearegs «het niet door hebben als een aanval van het Malinese leger gebaseerd is op VN-inlichtingen vergaard door Nederlanders»? Hoe oordeelt u over deze zienswijze?
De Commandant der Strijdkrachten heeft deze uitspraken niet gedaan. Hij heeft onderstreept dat de door Nederland verzamelde inlichtingen bestemd zijn voor de VN. Zoals gezegd is het aan de VN om te bepalen of het binnen het mandaat en de strategie van de missie past om inlichtingen te delen met de Malinese regering.
Is dit geen opmerkelijke redenering, aangezien de Toearegs dankzij deze informatieverstrekking aan de pers nu zeker op de hoogte zullen zijn van de Nederlandse steun aan het Malinese leger?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat de «machthebbers in Bamako» niets zien in de bemiddeling van VN-gezant Bert Koenders tussen de Malinese regering en de Toearegs? Wat betekent dit voor het verzoeningsproces?
De VN-Veiligheidsraad heeft MINUSMA ingesteld op verzoek van de Malinese autoriteiten. De Malinese regering heeft ingestemd met het mandaat van de missie. Mede dankzij de inspanningen van Speciaal Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal (SVSG) Koenders en voorzitter van de Afrikaanse Unie president Aziz ondertekenden de regering en de gewapende groeperingen na de gewelddadigheden in Kidal op 23 mei een staakt-het-vuren. Er is geen aanleiding om te concluderen dat de machthebbers bezwaar zouden hebben tegen bemiddeling door SVSG Koenders.
Tijdens een recent bezoek van Minister Timmermans aan Mali heeft zowel president Keita als premier Mara gezegd een politieke oplossing na te streven. Zij realiseren zich dat daarvoor compromissen moeten worden gesloten. Ook de diverse groeperingen in het noorden hebben zich tot onderhandelen bereid verklaard. Inmiddels zijn in Algiers voorbereidende besprekingen gevoerd tussen de Malinese regering enerzijds en zes groeperingen uit het noorden anderzijds. Op 24 juli jl. hebben de besprekingen geresulteerd in de ondertekening door alle betrokken partijen van een routekaart voor de definitieve onderhandelingen. Deze onderhandelingen zullen naar verwachting begin september beginnen. SVSG Koenders is hier nauw bij betrokken.
Dit neemt niet weg dat er binnen de Malinese regering bewindspersonen zijn die een agressievere toon aanslaan om zo een reactie van de Toearegs uit te lokken. De grootste uitdaging blijft de bevolking in het noorden en zuiden effectief bij het verzoeningsproces te betrekken.
Deelt u de mening dat Nederlandse steun aan het Malinese leger contraproductief is omdat het de strijd verergert en het de doelstellingen van de VN-missie ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Alinea’s uit het AIVD-rapport ‘Transformatie van het jihadisme in Nederland’ |
|
Harm Beertema (PVV), Martin Bosma (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de alinea’s uit het rapport «Transformatie van het jihadisme in Nederland» van de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst (AIVD) waarin gesproken wordt over een bekende dawa-salafist en andere salafisten die aan jonge kinderen «onverdraagzame, anti-integratieve en zelfs jihadistische geloofsopvattingen» overdragen?1
Ja.
Wat is de naam van de genoemde dawa-salafist en hoe heet de islamitische instelling voor opvoeding en educatie waaraan hij verbonden is? Hoe wordt deze instelling bekostigd?
Ik kan in het openbaar geen mededelingen doen over operationele aangelegenheden.
In het algemeen geldt dat ik samen met mijn collega van Veiligheid en Justitie doorlopend de noodzaak tot nieuwe, aanvullende of verscherpte wettelijke voorzieningen tegen het licht houd. Indien noodzakelijk zal ik direct optreden en zorgen voor gerichte versterking van het wettelijk instrumentarium. Op dit moment achten wij het creëren van aanvullende administratieve detentie ten behoeve van terrorismebestrijding niet noodzakelijk. Het Openbaar Ministerie (OM) beschikt over toereikende wettelijke instrumenten om, in samenwerking met de politie, strafrechtelijk op te treden. Zo is het mogelijk een persoon bij verdenking van een terroristisch misdrijf in bewaring te stellen, ook buiten het geval van ernstige bezwaren tegen de verdachte. Daarnaast kunnen diverse bestuurlijke instrumenten ingezet worden, zoals het stopzetten van toeslagen en uitkeringen, het nemen van paspoortmaatregelen en het bevriezen van financiële tegoeden.
Bent u bereid de genoemde dawa-salafist in administratieve detentie te nemen, uit te zetten en de instelling te sluiten en dit ook toe te passen in alle vergelijkbare gevallen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Worden de lessen door de in het rapport genoemde salafistische moslims alleen aan moslimkinderen en -jongeren aangeboden of ook aan niet-moslims?
De lessen waar in het rapport «Transformatie van het jihadisme in Nederland» aan gerefereerd wordt, zijn bedoeld voor de vorming van islamitische jeugd. Ik heb aanleiding noch aanwijzingen om aan te nemen dat de lessen ook worden aangeboden aan niet-moslims.
Hoeveel minderjarige moslimbekeerlingen telt Nederland en hoeveel komen daar jaarlijks bij?
Deze cijfers zijn niet bekend omdat dergelijke informatie niet geregistreerd wordt.
Registratie acht ik ook niet wenselijk.
Welke stappen gaat u ondernemen om het overdragen van onverdraagzame, anti-integratieve en jihadistische opvattingen aan kinderen en jongeren te bestrijden?
Mijn collega's van Veiligheid en Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben op 29 augustus jl. het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme aan uw Kamer verstuurd. Het doel van het Actieprogramma is drieledig: beschermen van de democratische rechtsstaat, bestrijden en verzwakken van de jihadistische beweging in Nederland, en het wegnemen van de voedingsbodem voor radicalisering (2014Z14564).
Met de Agenda Integratie wordt daarnaast bijgedragen aan de democratische vorming van jongeren langs de lijnen «Omgaan met anderen en verinnerlijken van waarden», «Grenzen stellen en opvoeden» en «Meedoen en zelfredzaam zijn». Voor een uitgebreide beschrijving van de verschillende beleidslijnen en bijbehorende beleidsinstrumenten verwijs ik naar de Agenda Integratie die uw Kamer op 19 februari 2013 heeft ontvangen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (kamerstuk 32 824 nr. 7).
Beloningen bij netbeheerder Liander |
|
John Kerstens (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bij Liander verdienden vorig jaar 34 mensen (veel) te veel»?1 Herinnert u zich de eerdere vragen en antwoorden over beloningsbeleid bij netbeheerders?2
Ja.
Is het waar dat 34 mensen in dienst bij Liander in 2013 meer verdienden dan de WNT-norm?3 Hoeveel van deze mensen vallen onder de WNT en voor hoeveel van deze 34 mensen was het overgangsrecht uit de WNT van toepassing? Is het waar dat er elf gouden handdrukken (van meer dan € 75.000) zijn uitgekeerd in 2013? Passen deze handdrukken binnen de WNT?
Uit het jaarbericht van Liander over 2013 blijkt dat er zeven topfunctionarissen (de directeur en de voorzitter en leden van de Raad van Commissarissen) en 17 andere functionarissen een bezoldiging hadden boven het wettelijk bezoldigingsmaximum. Tevens ontvingen elf niet-topfunctionarissen een ontslagvergoeding die naar rato van de omvang van het dienstverband het wettelijk bezoldigingsmaximum van € 228.599 te boven gaat. Aan topfunctionarissen zijn in 2013 geen ontslagvergoedingen toegekend. Voor de topfunctionarissen geldt normering; voor de andere groep alleen openbaarmaking. De zeven topfunctionarissen vielen volgens het jaarbericht allen onder het overgangsrecht. Drie leden van de Raad van Commissarissen voldoen overigens vanaf 27 maart 2013 aan de WNT-norm.
Wat zegt het grote aantal salarissen dat boven de WNT-norm ligt over de organisatiecultuur van deze netbeheerder? Deelt u de mening dat deze beloningen absoluut niet passen bij een publiek bedrijf met gebonden klanten en gereguleerde tarieven? Zo nee, waarom niet?
Het aantal salarissen boven de WNT-norm op dit moment is een gevolg van de historische ontwikkeling van salarissen in de publieke en semipublieke sector. Deze ontwikkeling was de aanleiding tot de WNT, die ook bij regionale netbeheerders tot een gematigder beloningsbeleid zal leiden. Daar zal de sector in de toekomst op worden afgerekend.
Wat is het verschil tussen de berekening van salaris volgens de WNT en de berekening volgens internationale accountantsregels, die Liander in het jaarverslag zegt te volgen?4 Leidt dit verschil tot hogere salarissen bij netbeheerders? Hoe zit dit bij andere instellingen die onder de WNT vallen?
Liander gebruikt in het jaarbericht over 2013 het bezoldigingsbegrip van de WNT, dat nader wordt toegelicht in de Regeling bezoldigingscomponenten WNT (Staatscourant 2014, nr. 6628) en de Beleidsregels toepassing WNT (Staatscourant 2014 nr. 6629). Alliander (waar Liander een onderdeel van is) gebruikt voor het weergeven van de bestuurdersbeloningen in het jaarverslag over 2013 de richtlijnen van de International Financing Reporting Standards (IFRS). Bij IFRS vindt waardering en boekhouding plaats volgens fair value of actuele waarde. Dit betekent dat kosten en baten worden toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben en niet op het kasmoment. Deze methode leidt niet tot een andere salariëring, het gaat alleen om een boekhoudkundig verschil in toerekeningssytematiek.
Is de volgende bewering van de zegsvrouw van Liander juist: «Volgens de WNT mag je nu nieuwe topmannen aannemen met een salaris boven de norm»?5 Zo nee, kunt u Liander hierop aanspreken?
Deze bewering is niet correct. Uit navraag blijkt echter dat de zegsvrouw onjuist zou zijn geciteerd. Zij sprak over «medewerkers» en niet over «topmannen». Voor medewerkers die geen topfunctionaris zijn, is de uitspraak wel correct. Overigens bevestigt Liander geen nieuwe medewerkers aan te nemen boven de WNT-norm.
Heeft u inzicht in het effect van de WNT op de arbeidsmobiliteit van topfunctionarissen in deze sector? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren?
De WNT-gegevens over het verslagjaar 2013 van de organisaties uit deze sector konden tot 1 augustus worden doorgegeven. Voor het einde van 2014 zal op basis van alle verzamelde gegevens een rapportage naar de Kamer worden gestuurd. Hoewel bij deze eerste rapportage nog geen vergelijkingsmateriaal uit voorgaande jaren beschikbaar is, streef ik ernaar om hierin een eerste indicatie van de effecten van de WNT te kunnen geven.
Het bericht 'Slechts één kliniek voor protonenbestraling' |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Slechts één kliniek voor protonenbestraling»?1
Ik heb aan vier centra een vergunning verleend voor protonentherapie op grond van de Wet op bijzondere medische verrichtingen (WBMV). Zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen over dit onderwerp van de Kamerleden Van Gerven (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 590) en Bouwmeester (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 1320) staat het individuele verzekeraars vrij om bijvoorbeeld slechts bij één of twee centra protonentherapie in te kopen indien zij daarmee voldoende zorg hebben ingekocht om aan hun zorgplicht te voldoen.
Deelt u de mening dat dit lijkt op een kartelafspraak door zorgverzekeraars? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op de naleving van de mededingingsregels. Het is dan ook aan de ACM om te toetsen of sprake is van kartelafspraken die de concurrentie beperken. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraars om ervoor te zorgen dat er bij hun plannen omtrent protonenbestraling geen strijdigheid met de mededingingsregels ontstaat.
Bent u bereid deze zaak aan zowel de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) als de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voor te leggen en aan te dringen op forse boetes voor deze vorm van kartelvorming? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) kan ingrijpen wanneer er sprake is van aanmerkelijke markmacht waardoor een onderneming zich onafhankelijk van concurrenten of de wens van consumenten kan gedragen. De NZa ziet echter niet toe op het kartelverbod. Het toezicht hierop is ondergebracht bij de ACM. De ACM kan bij kartelafspraken een boete opleggen aan partijen die afspraken maken waarbij de concurrentie beperkt wordt. Ik heb begrepen dat Zorgverzekeraars Nederland (ZN) de plannen aan de ACM zal voorleggen om ervoor te zorgen dat er geen strijdigheid is met de mededingingsregels.
Waarom heeft u vier vergunningen voor de bouw van protonenbestralingscentra afgegeven?
Ik heb aan alle vier vergunningaanvragers een WBMV-vergunning afgegeven voor het verrichten van protonentherapie aangezien zij allemaal voldeden aan alle in de Regeling protonentherapiegestelde voorwaarden. Ik heb dit toegelicht in bovengenoemde antwoorden op de Kamervragen van Kamerlid Van Gerven.
Is dit de marktwerking in de zorg die u voor ogen heeft?
Protonentherapie betreft een bijzondere medische verrichting waarvoor overheidsregulering op grond van de WBMV in de rede ligt. Ik heb dan ook binnen de mogelijkheden die de WBMV biedt voorwaarden gesteld waaraan aanbieders moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de vergunning en ik heb op geleide van de door het CVZ (nu Zorginstituut Nederland) geraamde vraag het aanbod geconcentreerd. Het goed nadenken over welke zorg in welke omvang moet worden ingekocht door verzekeraars om aan hun zorgplicht te kunnen voldoen maakt onderdeel uit van het reguliere proces in de zorg.
Inlichtingenverstrekking door Nederlands leger aan leger van Mali |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederland helpt leger Mali in strijd tegen Toearegs»?1
Ja.
Is het de bedoeling van de VN dat het conflict tussen de regering van Mali en opstandelingen langs de weg van onderhandelingen wordt opgelost?
Ja. De VN streven een politieke oplossing na voor het Malinese conflict.
Is de uitspraak van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, dat de machthebbers in Bamako eigenlijk niets zien in dat plan, nog steeds juist? Zo neen, wat is er dan veranderd en waar blijkt dat uit?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft gezegd dat van de regering in Bamako gevraagd mag worden duidelijker en harder aan het politieke proces te werken. Tijdens een recent bezoek aan Mali heeft hij deze boodschap nog eens overgebracht. Zowel president Keita als premier Mara heeft gezegd een politieke oplossing na te streven.
President Keita heeft een speciale gezant ten behoeve van het onderhandelingsproces aangesteld. Deze gezant heeft gesproken met (gewapende) groeperingen in Ouagadougou, Nouakchott en Algiers en een plan opgesteld (feuille de route) voor de onderhandelingen. Inmiddels zijn in Algiers voorbereidende besprekingen gevoerd tussen de Malinese regering enerzijds en zes groeperingen uit het noorden anderzijds. Op 24 juli jl. hebben deze besprekingen geresulteerd in de ondertekening door alle betrokken partijen van een routekaart voor de definitieve onderhandelingen. Deze onderhandelingen zullen naar verwachting begin september starten. Speciaal Vertegenwoordiger Koenders is hier nauw bij betrokken.
Waarom helpt het Nederlands leger dan met het verzamelen van inlichtingen over de opstandelingen, die soms gedeeld worden met het leger van Mali en welke dat leger kan gebruiken in de gewapende binnenlandse strijd in dat land?
Nederland deelt geen inlichtingen met het Malinese leger. De Nederlandse bijdrage aan de All Sources Information Fusion Unit (ASIFU), onderdeel van de vredesoperatie van de VN in Mali (MINUSMA), verwerft, analyseert en produceert inlichtingen namens, voor en ten behoeve van MINUSMA. Deze inlichtingen worden alleen gedeeld met de VN en staan ter beschikking van de Force Commander, de Head of Mission, de MINUSMA-brigades, de regionale VN-hoofdkwartieren en de civiele componenten van MINUSMA. Hieraan zijn geen restricties verbonden, met uitzondering van bronbescherming. Het is aan de VN om te bepalen of het binnen het mandaat en de strategie van MINUSMA past om inlichtingen te delen met de Malinese regering.
Ziet u aanleiding om te verhinderen dat door de Nederlandse krijgsmacht verzamelde inlichtingen worden gedeeld met regering en/of leger van Mali? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daar aan doen?
Zie antwoord vraag 4.
"Gemeente mag subsidie niet korten om topinkomens" |
|
Manon Fokke (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente mag subsidie niet korten om topinkomens» naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State, waarin kortweg werd aangegeven dat de wet niet toestaat dat gemeentes inkomenspolitiek bedrijven?1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat lagere overheden (i.c.gemeentes) de behoefte voelen het zich niet houden aan breed onderschreven normen omtrent beloningen door organisaties waarmee zij contracten afsluiten in bijvoorbeeld de zorg, te laten meewegen in hun beslissing al dan niet met dergelijke organisaties in zee te gaan? Zo nee, waarom niet?
Excessieve beloningen in de (semi-)publieke sector zijn onwenselijk. Dit geldt niet alleen op centraal niveau, maar ook op decentraal niveau. Het is daarom goed dat ook gemeenten en provincies oog hebben voor evenwichtige, verantwoorde en maatschappelijk aanvaardbare beloningsverhoudingen Ik kan me derhalve voorstellen dat zij dit laten meewegen bij het wel of niet in zee gaan met dergelijke organisaties.
Herinnert u zich de motie Segers/Fokke (Kamestuk 33 715, nr. 12) over dit onderwerp?
Ja
Kunt u inmiddels iets melden over de voortgang en eventuele (tussen-)resultaten van de gesprekken die u mede naar aanleiding van bovenbedoelde motie bent aangevangen met het Interproviciaal Overleg (IPO) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)? Zo nee, wanneer denkt u verslag te kunnen doen?
De mogelijkheden voor de normering van topinkomens door decentrale overheden zijn inmiddels verkend samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO), en met de ministeries van Veiligheid en Justitie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Hierin is ook de uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juni in het hoger beroep van de gemeente Eindhoven in de zaak tegen Stichting Novadic-Kentron meegenomen, waarnaar het artikel «gemeente mag subsidie niet korten om topinkomens» verwijst. Ik stuur de VNG en het IPO binnenkort een brief met de conclusies van de verkenning en zal – zoals ik in mijn brief van 10 juli 2014 aan de Tweede Kamer heb aangekondigd – de Tweede Kamer hier vervolgens nader over informeren.
Bent u voornemens voorstellen te doen om de wetgeving in dezen dusdanig aan te passen dat een en ander wel mogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
De Awb biedt voldoende mogelijkheden voor het normeren van topinkomens van functionarissen bij instellingen die subsidie ontvangen van decentrale overheden. Zij kunnen in hun subsidieverordening voorwaarden ten aanzien van de inkomens van bestuurders opnemen. Instellingen die daar niet aan voldoen, komen dan niet in aanmerking voor subsidieverlening. De groep instellingen die subsidie kan ontvangen, wordt daarmee op voorhand ingeperkt.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 25 juni jl. waarnaar in het artikel wordt verwezen, had de gemeente – kort gezegd – een met de Awb strijdige verplichting in de Algemene subsidieverordening opgenomen, waardoor deze verplichting onverbindend was. De rechtbank was reeds tot die conclusie gekomen en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Zoals ook blijkt uit het voorgaande, dient de uitspraak niet zo te worden begrepen dat er voor decentrale overheden helemaal geen mogelijkheden (meer) zouden zijn voor normering van topinkomens van functionarissen van door hen gesubsidieerde instellingen. Gemeenten en provincies kunnen nog steeds voorwaarden opnemen die «aan de voorkant» van het subsidieproces voorkomen dat topinkomens met gemeentelijk of provinciaal geld kunnen worden gefinancierd. Eerst een subsidie verlenen aan een instelling en vervolgens «aan de achterkant» een maximale beloning als verplichting opleggen en afdwingen mag dus niet.
Ik ben daarom niet voornemens de wetgeving aan te passen. Wel ben ik bereid om de VNG en/of het IPO desgewenst te faciliteren bij het uitwerken van bijvoorbeeld model-verordeningen of -regelingen.
De toegang van gemoedsbezwaarden tot Nationale Hypotheek Garantie (NHG) |
|
Roelof Bisschop (SGP), Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het krantenbericht «Zoektocht naar een hypotheek voor gemoedsbezwaarden», waaruit blijkt dat de mogelijkheden voor gemoedsbezwaarden om een hypotheek zonder verzekering te krijgen afnemen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat ongeveer 12.500 door de rechter erkende gemoedsbezwaarden geen toegang hebben tot maximale financiering in combinatie met NHG?
Uit informatie die de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW), de uitvoeringsorganisatie van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG), aan mij heeft verstrekt, blijkt dat verzoeken van erkende gemoedsbezwaarden niet aan de door mij goedgekeurde regelgeving voor NHG voldoen. Om de risico’s voor het garantiefonds te beperken en premies betaalbaar te houden voor consumenten is het noodzakelijk dat het WEW werkt met bepaalde standaardvoorwaarden. Het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering valt onder deze voorwaarden.
Tegelijkertijd heeft het WEW mij laten weten dat NHG verstrekt kan worden in het geval van maximale financiering zonder overlijdensverzekering, mits sprake is van een door de rechter erkende gemoedsbezwaarde die voldoet aan alle overige eisen die bij een hypotheek met NHG horen en waarbij de bank aantoonbaar het risico van overlijden draagt. Het is aan de geldverstrekker te beoordelen of zij hiertoe in voorkomende gevallen bereid is.
Is het mogelijk om NHG te ontvangen als een door de rechter erkende gemoedsbezwaarde voldoet aan alle eisen die bij een hypotheek met NHG horen, er sprake is van maximale financiering zonder overlijdensrisicoverzekering en de bank aantoonbaar het risico van overlijden draagt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn banken hier dan toe bereid?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de suggestie om het mogelijk te maken om 100% van de financiering onder garanties van de NHG te verstrekken en het ontstane risico voor NHG af te dekken met een afkoopbedrag zoals dat ook gebruikelijk is bij het waarborgfonds motorvoertuigen?
Het Waarborgfonds Motorverkeer is opgericht vanwege de wettelijke verplichting voor automobilisten om een autoverzekering af te sluiten. Het Waarborgfonds Motorverkeer wordt, juist vanwege de wettelijke verplichting tot het afsluiten van een autoverzekering, gevoed door premiebetalingen van de verzekeraars en een garantie van de overheid. De afdracht vanuit de verzekeraars aan het Waarborgfonds Motorverkeer zit verdisconteerd in de verzekeringspremie van de automobilist.
Bij het kopen van een huis bestaat geen wettelijke verplichting tot het afsluiten van een verzekering. Het is hiernaast een vrije keuze van de geldnemer of men een NHG wil of niet. Voor iedere aanvrager van een hypotheek met NHG geldt dat men moet voldoen aan de regelgeving van de NHG. Het fonds van het WEW wordt gevoed uit premies van particulieren die worden bepaald aan de hand van de risico’s voor het fonds, met het Rijk als achtervang. Het past niet in de aard en de opzet van het WEW om een constructie conform het Waarborgfonds Motorverkeer te ontwikkelen.
Hoe beoordeelt u de suggestie om het mogelijk te maken om een dossier van een gemoedsbezwaarde afzonderlijk te beoordelen?
Het WEW is niet ingericht op het beoordelen van aanvragen van hypotheken met NHG. Deze toets wordt door geldverstrekkers uitgevoerd aan de hand van de gestandaardiseerde regelgeving van de NHG. Het fonds beoordeelt alleen verliesdeclaraties aan de hand van door banken ingediende dossiers.
Bent u bereid om een oplossing te zoeken voor gemoedsbezwaarden die een maximale hypotheek onder NHG willen afsluiten? Zo nee, waarom niet?
Het WEW heeft mij laten weten dat indien een bank aantoonbaar het risico van overlijden draagt, het kan instemmen met het verlenen van NHG. Aangezien het fonds gevoed wordt met premieafdrachten van particulieren ligt het niet voor de hand dat het WEW dit risico gaat dragen.
Het bericht “Gevaarlijke jihadist vaak buiten beeld’ |
|
Lilian Helder (PVV), Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gevaarlijke jihadist vaak buiten beeld»?1
Ja
Hoe beoordeelt u het feit dat een bron binnen de veiligheidsdiensten spreekt van een Europese gatenkaas en het feit dat deze bron meldt dat buitenlandse jihadisten hier niet bij de diensten bekend zijn waardoor ze hier vrij kunnen bewegen?
In Europees verband wordt intensief samengewerkt door zowel inlichtingendiensten als door politie en justitie. Nederland heeft het initiatief genomen om de betrokken inlichtingendiensten intensief en in georganiseerd verband te laten samenwerken. Deze samenwerking is intensiever dan ooit. Over de aard van de samenwerking tussen inlichtingendiensten, kunnen in het openbaar geen concrete mededelingen worden gedaan.
Bent u, na deze zoveelste melding van naderend onheil, eindelijk tot het inzicht gekomen dat het direct weer invoeren van grensbewaking, het preventief oppakken van terugkerende Syrië- en Levantgangers, het oppakken en uitzetten van teruggekeerde Syrië- en Levantgangers en een immigratiestop uit islamitische landen de eerste voorwaarden zijn om jihadgangers buiten de grens te houden? Zo neen, waarom volhardt u in uw weigering deze maatregelen te nemen?
Er worden in Nederland, conform de Schengengrenscode, diverse vormen van grenscontrole toegepast. Het deelnemen aan en trainen voor terrorisme is een misdrijf. Het Openbaar Ministerie beslist over de vervolging van jihadgangers. De overige genoemde maatregelen zijn onverenigbaar met onze grondwet en verdragsrechtelijke verplichtingen.
Het nemen van gerichte maatregelen tegen de huidige jihadistische dreiging wil ik invullen op de wijze zoals ik in het actieprogramma dat ik uw Kamer dit najaar heb toegezegd uiteen zal zetten. Met het nationale actieprogramma wil ik de gemaakte afspraken met de kopgroep van Europese JBZ-Ministers, inclusief afspraken over gegevensuitwisseling tussen Europese lidstaten, implementeren2.
Een van de maatregelen in dat actieprogramma is het verzamelen en gebruiken van reisgegevens voor de bestrijding van zware criminaliteit en terrorisme. Ik verwacht uitreis en terugkeer van jihadisten in Nederland beter te kunnen detecteren en tegengaan met een uitbreiding van de huidige bevoegdheden en toepassing van nieuwe technologie die het verzamelen en gebruiken van reisgegevens van jihadisten door bevoegde diensten mogelijk maakt. Landen die hiervan reeds gebruik maken boeken succes met deze maatregel, waarvan ik dan ook veel van verwacht.
Deelt u de mening dat u, door het niet nemen van de in vraag 3 genoemde maatregelen, medeplichtig bent wanneer er in Nederland bloed vloeit vanwege de jihad? Zo neen, waarom niet?
Nee, die deel ik niet. Ter onderbouwing verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.