Het bericht dat de G20 landen dicht bij een deal zijn om de ‘Patent Box’ af te schaffen |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Germany, Britain expect patent box deal at G20 meeting»?1
Ja.
Klopt het dat de G20 landen dicht bij een deal zijn om de «patent box» (in Nederland de Innovatiebox) af te schaffen? Is Nederland betrokken bij deze discussie?
De OESO- en G20-landen zijn sinds de aanvang van het Base Erosion & Profit Shifting-project van de OESO met elkaar in gesprek over de vaststelling van een substancecriterium ter beoordeling van belastingregimes voor immateriële activa in verschillende landen. De gesprekken en voorgestelde wijzigingen dienen ter voorkoming van misbruik met dergelijke regimes. Uiteraard is Nederland betrokken bij deze gesprekken. Het afschaffen van deze regimes (en dus ook de Nederlandse innovatiebox) is geen onderwerp van gesprek.
Bent u van plan de innovatiebox zo snel mogelijk af te schaffen indien de bovengenoemde deal bereikt wordt tijdens de G20 vergadering?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, indien de innovatiebox wordt afgeschaft, daarvoor in de plaats een fiscale maatregel in te voeren die investeringen in startups aantrekkelijker maakt, zoals de Small Enterprise Investment Scheme?
De innovatiebox wordt niet afgeschaft. Met het Duits-Britse compromis wordt juist erkend dat een innovatiebox een belangrijk en legitiem instrument is om onderzoek en ontwikkeling in Europa te stimuleren. Nederland streeft naar het behoud van een aantrekkelijke innovatiebox. Voor zover het Duits-Britse compromis ook na de door Nederland gewenste uitwerking leidt tot een beperking van de innovatiebox, dan zal een eventuele vrijval ingezet worden voor het aantrekkelijk houden van het Nederlandse vestigingsklimaat voor het innovatieve bedrijfsleven.
De groeiende Russische agressie |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Russische bommenwerpers in Europees luchtruim»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de visie dat de Russen zich militair gezien steeds agressiever gaan opstellen?
Er is een toename van assertief gedrag van de Russische strijdkrachten waar te nemen. Dit uit zich onder meer in het intensiever schaduwen en escorteren van NAVO-marineschepen en vliegtuigen in de Zwarte Zee en de Oostzee, en in de gebruikmaking door Russische marineschepen van de vaarroute door de Noordzee.
Ook de toename van het aantal onaangekondigde vliegbewegingen van Russische bommenwerpers, begeleid door jachtvliegtuigen en luchttankvliegtuigen door het Europese luchtruim, vormt hier een voorbeeld van.
Vindt u ook dat de NAVO haar tanden nu moet laten zien? Zo ja, op welke wijze?
De NAVO heeft naar aanleiding van de Russische agressie jegens Oekraïne, waaronder de illegale annexatie van de Krim, in maart 2014 een pakket maatregelen ingevoerd ter geruststelling van bondgenoten die zich door de Russische handelwijze bedreigd voelen. Tijdens de NAVO-Top in Wales hebben de staatshoofden en regeringsleiders daarnaast maatregelen aangekondigd die ertoe moeten leiden dat de NAVO, ook op de middellange termijn, beter toegerust wordt op de gewijzigde veiligheidsomgeving. Daartoe werd het Readiness Action Plan (RAP) goedgekeurd. Het RAP vult het bestaande pakket van onmiddellijke geruststellende maatregelen aan. Verwezen wordt tevens naar het verslag van de NAVO-Top (Kamerstuk 28 676, nr. 210).
Gaat u nu eindelijk uw bondgenootschappelijke verplichtingen nakomen en het defensiebudget fors verhogen? Zo ja, kunt u de Kamer een stappenplan sturen waarin u de stijging naar de NAVO-norm van 2% van het BNP onderbouwt?
Op 7 november jl. is de Kamer schriftelijk geïnformeerd over de manier waarop het kabinet gevolg geeft aan de motie-Van der Staaij c.s. (Kamerstuk 34 000, nr.2.
Bent u bereid de Russische ambassadeur op het matje te roepen over de «unheimische» gang van zaken? Zo nee, hoe ver moeten de Russen gaan voordat u enige actie onderneemt?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op 30 oktober jl. op hoogambtelijk niveau in een onderhoud met de Tijdelijk Zaakgelastigde van de Russische ambassade de Nederlandse zorgen over de onaangekondigde vluchten overgebracht en aangegeven dat dergelijk gedrag de luchtverkeersveiligheid in gevaar kan brengen.
Een asielzoekerscentrum in Winschoten of Scheemda |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Winschoten en Scheemda in beeld voor azc»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het beleid van het constant toelaten van nieuwe groepen asielzoekers ingeruild zou moeten worden voor een beleid van opvang in de regio? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet is voorstander van opvang in de regio en het beleid is hierop gericht. Asielzoekers die zich uit eigen beweging in Nederland melden doorlopen een zorgvuldige asielprocedure.
Zijn de inwoners van zowel Winschoten als Scheemda gevraagd of zij zitten te wachten op de komst van een asielzoekerscentrum in hun omgeving?
De gemeente beslist of er een asielzoekerscentrum in de gemeente komt.
Zoals ik in antwoord op eerdere vragen van uw Kamer heb laten weten, leidt de komst van een asielzoekerscentrum doorgaans tot verschillende reacties en houdt het COA altijd omwonendenbijeenkomsten.2 Het is aan de gemeenten om te bepalen of en zo ja, in welke gevallen en onder welke voorwaarden, een bevolkingsraadpleging plaatsvindt over onderwerpen die tot de gemeentelijke autonomie behoren.
Bent u bereid de inwoners van gemeenten die geconfronteerd worden met de mogelijke komst van een asielzoekerscentrum, zoals nu in Oldambt, te vragen om altijd een bevolkingsraadpleging te houden zodat de bewoners zich kunnen uitspreken voor of tegen de komst van een asielzoekerscentrum? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Begrijpt u dat velen in Oost-Groningen niet zitten te wachten op meer asielzoekers, gezien de negatieve ervaringen in het verleden? Hoe komt u deze mensen tegemoet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om de instroom van asielzoekers naar Nederland te verminderen?
Hierover heb ik u in mijn brief van 19 mei jl. uitgebreid geïnformeerd.3 De maatregelen zijn nog steeds van kracht. Hierbij geldt dat een veelheid van factoren migratiestromen bepalen, zoals de aanwezigheid van land- of streekgenoten, de rol van eventuele mensensmokkelaars en het gevoerde asielbeleid. Dit maakt dat migratiestromen niet geheel te sturen zijn.
Storingen bij de Belastingdienst |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Storing op website Belastingdienst»?1
Ja.
Klopt het dat deze storing op 30 oktober nog steeds niet is opgelost? Wanneer wordt verwacht dat de storing verholpen is en op welke manier wordt een nieuwe soortgelijke storing voorkomen? Op welke dagen was inloggen op het beveiligde gedeelte voor ondernemers wel mogelijk?
De storing speelde op 13 oktober en was dezelfde dag opgelost. Vervolgens is de storing opnieuw opgetreden op 28 oktober. Dit keer heeft de storing tot 31 oktober geduurd. Gedurende die periode is het beveiligde gedeelte wisselend wel en niet beschikbaar geweest. Vanaf 31 oktober ’s middags was het beveiligde gedeelte voor ondernemers weer beperkt beschikbaar. Op 6 november was het beveiligde gedeelte weer helemaal beschikbaar, op 7 november ongeveer anderhalf uur niet, daarna weer volledig.
De storing is een gevolg van het migreren van applicaties naar een nieuw platform. Dit nieuwe platform is nodig om de systemen en werkprocessen van de Belastingdienst robuuster te maken, zoals ik heb aangegeven in de Brede agenda Belastingdienst2. Bij deze migratie worden verouderde applicaties opgeruimd. Daardoor kan het voorkomen dat er soms verstoringen optreden. Procesverstoringen bij massale uitvoeringsprocessen kan ik nooit uitsluiten. De Belastingdienst heeft jaarlijks honderden miljoenen contacten met burgers en bedrijven, int iedere werkdag ongeveer één miljard euro en keert maandelijks meer dan zeven miljoen toeslagen uit3. De foutenmarge van de Belastingdienst bij deze werkzaamheden ligt laag, desondanks gaat er vrijwel iedere dag wel iets niet goed. De eerste prioriteit van de Belastingdienst is de last voor belanghebbenden zoveel mogelijk te beperken.
Heeft het aantal klachten problemen opgeleverd voor de bereikbaarheid van de BelastingTelefoon?
Voor ondernemingen heeft alleen op 30 oktober het aantal telefoontjes dat is afgedaan (percentueel gezien) onder het reguliere niveau gelegen. Het aanbod was op deze werkstroom hoger dan gebruikelijk, ongeveer 50% meer op dagbasis. Dit heeft ertoe geleid dat er die dag grotere drukte is ervaren en er vaker een extra belpoging nodig was om de belastingtelefoon/ondernemingen te bereiken. Om ondernemers snel en gericht duidelijkheid te geven is donderdagmiddag een extra tekst toegevoegd in het keuzemenu van de BelastingTelefoon, waarin o.a. op de verruimde aanlevertermijn werd gewezen. Ook andere communicatiekanalen zijn ingezet, zoals Twitter en de website, om ondernemers snel te informeren.
Hoe gaat u om met deadlines voor aangiftes en betalingen als er sprake is van een storing?
Indien door een storing bij de Belastingdienst niet tijdig aangifte kan worden gedaan of niet tijdig kan worden betaald dan is er geen sprake van een verzuim en zal er dus geen boete (of straf) worden opgelegd bij een iets latere aangifte of betaling.
Overigens bestaat er een standaardcoulance in het boetebeleid om in geval dat de aangifte wordt ingediend binnen zeven dagen na afloop van de wettelijke aangiftetermijn, geen boete op te leggen. Deze standaardcoulance bood voor deze storing voldoende tegemoetkoming.
Voor een tegemoetkoming in verband met te late betaling bestaat geen aanleiding. Er heeft zich geen verstoring in het betalingsverkeer voorgedaan. De Belastingdienst heeft vanaf het begin van de verstoring duidelijk gemaakt dat er wel op tijd moest worden betaald. De aangifte is namelijk geen noodzakelijke voorwaarde om de betaling te doen. Voor een te late betaling is overigens ook een standaardcoulance van toepassing. Deze houdt in dat een belastingplichtige die de afgelopen periode op tijd heeft betaald en dit keer uiterlijk op 7 november heeft betaald, geen boete krijgt maar alleen een verzuimmededeling.
Bent u bereid om coulant om te gaan met te late betalingen die veroorzaakt worden door te late aangiften als gevolg van de storing en in dat geval geen boetes op te leggen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om te onderzoeken of een alternatieve mogelijkheid, zoals een papieren aangifte, geboden kan worden voor de BTW aangifte als er sprake is van een storing in het verplichte systeem?
Nee. In de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 is als hoofdregel neergelegd dat de aangifte omzetbelasting langs elektronische weg wordt gedaan. Het gaat in het betreffende tijdvak om ca 1,6 mln. aangiften omzetbelasting. De Belastingdienst heeft zijn werkprocessen bovendien zo ingericht dat er voor dergelijke hoeveelheden geen papieren aangifte meer mogelijk is. Ook ondernemers zijn niet meer voorbereid op het doen van een papieren aangifte. Het herintroduceren van een papieren aangifte zou leiden tot een verhoging van de administratieve lastendruk.
Het bericht ‘Zzp’ers komen langs zijlijn te staan’ |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zzp’ers komen langs zijlijn te staan»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de dreiging van naheffingen voor hogescholen al voldoende is om nu al de inhuur van zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel) stop te zetten?
Nee.
Klopt het dat in de nieuwe regels veel eerder sprake is van een gezagsverhouding, omdat een docent niet meer kwalificeert als zzp’er als hij werkt volgens vaste lesroosters? Gaat het hier om regels die voortvloeien uit het wetsvoorstel Invoering Beschikking geen loonheffingen (BGL), of om regels die voortvloeien uit het overleg tussen de Belastingdienst en de onderwijssector?
Er zijn geen nieuwe regels die tot gevolg hebben dat er eerder sprake is van een gezagsverhouding. De Belastingdienst past bij de beoordeling of er een gezagsverhouding is wet- en regelgeving en jurisprudentie toe zoals deze zich in decennia hebben ontwikkeld. Het wetsvoorstel «Invoering Beschikking geen loonheffingen» brengt geen wijziging aan in de hiervoor genoemde wet- en regelgeving en heeft ook geen betekenis voor de bedoelde jurisprudentie. De Belastingdienst is sinds enige maanden in overleg met de onderwijssector. Het overleg richt zich op het verkennen van de mogelijkheden om met de sector tot een convenant te komen. Een convenant waarin aan de sector handvatten worden geboden om het grijze gebied tussen ondernemerschap en (fictieve) dienstbetrekking te kunnen duiden. Er ligt inmiddels een conceptconvenant dat ter beoordeling van zijn haalbaarheid, in overleg met de sector, aan praktijksituaties
moet worden getoetst.
Op welke wijze geeft u uitvoering aan de motie-Van Weyenberg2 die de regering verzoekt om de handhaving in het onderwijs niet te wijzigen voordat de Tweede Kamer is geïnformeerd over de uitkomsten van het overleg tussen Belastingdienst en onderwijssector?
De handhaving in de sector onderwijs is niet gewijzigd. Zie verder het antwoord op de vragen 3 en 5.
Wanneer verwacht u de Tweede Kamer te informeren over de uitkomsten van het overleg tussen Belastingdienst en onderwijssector?
De Belastingdienst verwacht in het vierde kwartaal 2014 de overleggen met de onderwijssector te hebben afgerond. Afronding hangt af van de snelheid waarmee de Belastingdienst samen met de sector en zo nodig met de door de sector geraadpleegde adviseurs het conceptconvenant aan praktijksituaties kan testen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 13 november 2014, in verband met de inbreng voor het verslag bij het wetsvoorstel Invoering BGL?
Nee, dat is helaas niet gelukt.
Het bericht dat de Belastingdienst geen btw-voordeel geeft aan bewoners die gezamenlijk zonne-energie willen betrekken |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Ben u op de hoogte van het feit dat de Belastingdienst geen btw-voordeel toekent aan projecten die binnen de postcoderoos-regeling vallen, waarbij buurtbewoners samen zonne-energie willen opwekken?1
Ja.
Waarom krijgen bewonersprojecten om gezamenlijk zonne-energie op te wekken die binnen de postcoderegeling vallen geen btw-voordeel?
De belastingdienst kent geen BTW-voordeel toe aan projecten die binnen de zogenaamde «postcoderoos-regeling» vallen. De BTW-wetgeving kent immers geen speciale regeling of voordeel voor dit soort energieprojecten, waarbij een coöperatie in de rol van zelfstandig ondernemer activiteiten in het economische verkeer verricht.
In algemene zin kan worden opgemerkt dat deze energiecoöperaties voor de BTW-heffing als ondernemer worden aangemerkt, wanneer zij duurzaam en tegen vergoeding stroom leveren of andere prestaties in het economisch verkeer verrichten. Onder die andere prestaties kan bijvoorbeeld de inning van lidmaatschapsgeld vallen, in ruil waarvoor rechten of diensten worden verleend. Wanneer de betreffende energiecoöperaties conform voorstaande als ondernemer worden aangemerkt, bestaat uiteraard ook het recht op vooraftrek van gedane investeringen en onderhoud. Dit heeft dus ook betrekking op de zonnepanelen. Hiermee is van dubbele BTW-heffing geen sprake.
Op het gebied van de BTW-heffing is dwingende EU-regelgeving van toepassing, waarbinnen geen ruimte is voor een extra tegemoetkomende regeling binnen de nationale wetgeving. Medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken en Financiën hebben in een eerder stadium met vertegenwoordigers van e-Decentraal en de Duurzame Energie Koepel gesproken over de toepassing van BTW-regels voor coöperaties. Daarbij is uitgelegd dat geen sprake is van dubbele BTW-heffing. In dat zelfde overleg is afgesproken dat een aantal verschillende situaties door de sector wordt voorgelegd, om te beoordelen of voldoende rendement mogelijk is, zodat voldoende animo kan ontstaan om lokaal in coöperatief verband duurzame energie op te wekken.
Bent u van plan om ook voor zonne-energie-projecten binnen de postcoderoos een btw-voordeel in te stellen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Energie dat is gepland op 17 november 2014?
Zie antwoord vraag 2.
De demonstratie tegen de plaatsing van het herdenkingsmonument voor de Armeense genocide op het privé terrein van de Armeens Apostolische Kerk in Almelo |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Harry van Bommel (SP), Raymond de Roon (PVV), Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het feit dat:
Hoe heeft de Nederlandse regering getracht de berichten te verifiëren over de bijeenkomst bij de Turkse Consul Generaal en over de oproep voor moskeeën in het vrijdagmiddaggebed om te demonstreren, welke berichten volgens de antwoorden op de eerdere vragen wel bekend zijn, maar niet te verifiëren zouden zijn? Is hierbij ook informatie gevraagd bij de verschillende Turkse organisatie of bij de Turkse Consul-Generaal zelf of bij het Inspraakorgaan Turken (IOT)?
Welke Turkse autoriteiten (ambassadeur, consul, consul-generaal, Turkse regering etc.) hebben aan de Nederlandse autoriteiten (zoals de regering, ministers, burgermeesters van o.a. Almelo en Enschede, de Nederlandse diplomaten in Turkije) opheldering gevraagd over het herdenkingsmonument voor de Armeense Genocide respectievelijk over het Nederlandse standpunt over de Armeense Genocide, tussen 1 maart en 20 oktober 2014? Kunt u een uitputtende lijst geven wie dit onderwerp aan de orde gesteld hebben en met welk resultaat?
Is het gebruikelijk en wenselijk dat buitenlandse mogendheden zich rechtstreeks met plaatselijke autoriteiten verstaan over dergelijke aangelegen onderwerpen?
Hebben de Nederlandse autoriteiten bij één van bovenstaande gelegenheden of op enig ander moment ook van de Turkse autoriteiten vernomen dan wel hen gevraagd of en op welke manier zij betrokken waren bij de organisatie van de demonstratie op 1 juni? Zo, ja wanneer en wat was het antwoord?
Bent u bereid aan de Turkse ambassadeur te vragen welke rol Turkije en organisaties van en gelieerd aan de Turkse overheid, gespeeld hebben bij de voorbereiding en de organisatie van deze demonstratie?
Bij verschillende gelegenheden en op verschillende niveaus is de zaak met de Turkse autoriteiten besproken en is Turkije opgeroepen hier verantwoordelijk mee om te gaan, ook met het oog op de herdenking in 2015.
Bent u bereid de Turkse regering over te brengen dat de vastgestelde interventies van Turkse overheidorganisaties bij de demonstratie van 1 juni onwenselijk zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat speciaal onderzoek over deze episode een nuttige aanvulling is op het verrichte onderzoek inzake de parallelle gemeenschappen, daar het hier een zeer concreet en representatief voorbeeld betreft, waar uit voor Nederland lessen te leren zouden kunnen zijn (en omdat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn brief van 25 september over parallelle gemeenschappen aangaf dat enkel literatuuronderzoek een onvoldoende duidelijk beeld geeft)?2
Het kabinet acht speciaal onderzoek niet nodig. In genoemde brief is de Tweede Kamer toegezegd dat de betreffende Turkse organisaties rechtstreeks aangesproken worden in het licht van participatie in de Nederlandse samenleving en de daaraan verbonden kernwaarden. In de gespreksagenda met deze organisaties zal naast onder meer het functioneren van de eigen instellingen, het non-formeel onderwijs en subsidies en (buitenlandse) financiering, ook de omgang met de Armeense herdenking aan de orde komen.
Deelt u de mening dat de herdenking van100 jaar Armeense genocide (die ook de Syrisch-Orthodoxen en Pontische Grieken in het Ottomaanse rijk trof) ongestoord en waardig moet kunnen plaatsvinden in Nederland?
Het kabinet is van mening dat herdenken van de kwestie van de Armeense genocide waardig en met respect voor alle betrokken groeperingen moet kunnen plaatsvinden.
Op welke wijze zult u, gelet op de tot nu toe geslaagde acties vanuit Turkije, garanderen dat de Turkse overheid geen verdere invloed doet gelden op de wijze waarop in Nederland komend jaar de 100 jaar herdenking van Armeense genocide wordt herdacht?
Het kabinet zal de Turkse autoriteiten erop blijven wijzen dat de kwestie van de Armeense genocide gevoelig ligt en Turkije oproepen verantwoordelijk om te gaan met de situatie. Daarbij dringt het kabinet er geregeld bij de Turkse autoriteiten op aan om de gebeurtenissen van 1915 bespreekbaar te maken, zowel in EU-kader als in bilaterale contacten.
Waarom houdt de Nederlandse regering zich tot dusver steeds afzijdig met betrekking tot de discriminatie en genocideontkenning ten aanzien van Armeniërs, terwijl in andere gevallen met name door de Minister voor Integratiezaken, maar ook door andere bewindspersonen, terecht en direct stelling wordt genomen zodra dergelijke zaken zich in Nederland voordoen?
Het kabinet heeft uiteraard kennis genomen van het wetenschappelijke debat inzake deze gevoelige en ernstige kwestie. Het is aan wetenschappers om de historische feitelijkheden te duiden.
Waarom is vervolgens ook op de brief van de Federatie Armeense Organisaties in Nederland (FAON) aan de Tweede Kamer d.d. 23 juni, waarin duidelijk staat aangegeven dat de Armeense gemeenschap een afkeurende reactie van de regering op de gebeurtenissen van 1 juni sterk heeft gemist en deze alsnog vraagt, nog niet gereageerd, hoewel de regering hierop vanuit de Tweede Kamer een reactie is gevraagd? Kunt u zo spoedig mogelijk een reactie op die brief geven?
Een reactie op de brief van de FAON zal uw Kamer spoedig toegaan.
Waarom houdt de Nederlandse regering zich tot dusver afzijdig bij de herdenking van de Armeense genocide, terwijl ze altijd terecht en consequent aanwezig is bij herdenkingen zoals van de Holocaust en de Rwandese genocide en ook van andere aangelegen gebeurtenissen in de geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen in Nederland.?
Het kabinet vindt dat de drie door u genoemde vreselijke gebeurtenissen elk een eigen karakter hebben met een eigen, historische achtergrond.
Het kabinet beziet eventuele betrokkenheid bij herdenkingen van de kwestie van de Armeense genocide steeds van geval tot geval.
Is de Nederlandse regering bereid tot een gelijkwaardige opstelling te komen ten aanzien van bevolkingsgroepen en ten aanzien van deze drie grote genocides, die aan het NIOD worden gedoceerd?3
Zie antwoord vraag 11.
Kan de regering garanderen dat ze zich niet afzijdig zal houden bij de herdenking van 100 jaar Armeense genocide, die de Armeense gemeenschap in Nederland het komend jaar organiseert en zoals die in Armenië en wereldwijd worden gehouden? Bent u bereid de herdenking van 100 jaar Armeense genocide in Nederland en/of Armenië bij te wonen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Wanneer zal het Openbaar Ministerie in staat zijn om maanden na het in het openbaar scanderen van deze leuzen door duizenden Turkse Nederlanders, zoals die genoemd in vraag 1 inzake het graf van de Armeniërs, een besluit over vervolging te nemen naar aanleiding van de gedane aangiftes?
Het openbaar ministerie heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie meegedeeld dat het nu geen uitsluitsel kan geven over het moment waarop de beoordeling van de aangifte zal zijn afgerond.
Kunt u deze vragen voor 11 november beantwoorden met het oog op het Algemeen overleg integratie?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
Het na geruime tijd alsnog seponeren van een dagvaarding kort voor de terechtzitting |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zaak uit het artikel «OM trekt rechtszaak tegen SP-er Gesthuizen in»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat een vermeend strafbaar feit, dat betwist wordt maar sowieso eenvoudig van aard is namelijk het (volgens de dagvaarding) niet opvolgen van aanwijzingen bij een demonstratie op 21 maart 2012, pas op 10 november 2014 ter terechtzitting van de kantonrechter zou komen? Waarom moet dit meer dan twee en een half jaar duren?
Na het uitbrengen van een strafbeschikking door het Openbaar Ministerie (OM) in 2012 is hiertegen verzet ingesteld. De officier van justitie heeft vervolgens besloten de strafbeschikking in te trekken en de verdachte te dagvaarden voor de kantonrechter wegens overtreding van artikel 11 van de Wet openbare manifestaties. Nu de verdachte echter abusievelijk niet was geïnformeerd over het intrekken van de strafbeschikking (conform het bepaalde in artikel 257e, lid 8 van het Wetboek van Strafvordering), heeft de kantonrechter op 10 september 2013 geoordeeld dat sprake was van een dubbele vervolging en het OM niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard. Vervolgens heeft de officier van justitie besloten dat de verdachte alsnog vervolgd diende te worden voor overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Omdat succesvolle vervolging op basis van de jurisprudentie uiteindelijk toch niet haalbaar werd geacht, is besloten de dagvaarding voor dit feit in te trekken.
Met welke redenen heeft het Openbaar Ministerie (OM) alsnog gekozen voor een sepot? Op grond waarvan?
Nadat het OM niet-ontvankelijk was verklaard, heeft het OM op grond van de jurisprudentie geconcludeerd dat vervolging in deze zaak niet kansrijk en daarmee niet opportuun was. Dit is schriftelijk medegedeeld aan de gewezen verdachten en hun raadsman per brief van 28 oktober 2014, waarbij is aangegeven dat de zaak zou worden gesloten met sepotcode 03 (OM niet-ontvankelijk).
Is er een verband met het eerdere uitstel van de zaak wegens fouten aan de kant van het OM, namelijk een falend ICT-systeem waardoor de behandeling van de rechtszaak op de dag van de terechtzitting moest worden opgeschort omdat niet alle relevante betrokkenen het dossier tijdig hebben kunnen inzien?2
Nee, de beslissing van 28 oktober 2014 om de zaak niet opnieuw aan de rechter voor te leggen houdt geen verband met de invoering van nieuwe computersystemen, maar is gelegen in het feit dat hernieuwde vervolging niet opportuun werd geacht.
Hoe verhoudt het sepot zich tot eerdere uitlatingen van de officier van justitie dat het hier om een zeer principiële kwestie zou gaan?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3, achtte het OM een hernieuwde vervolging na de einduitspraak van de kantonrechter niet kansrijk. Verschillende uitspraken van rechterlijke colleges hebben inmiddels duidelijkheid verschaft over de reikwijdte van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Er waren dan ook geen principiële vragen meer die konden worden beantwoord door hernieuwde vervolging in deze zaak.
Deelt u de opvatting dat het mogelijk is dat dit ook voor de verdachten inmiddels een principiële kwestie is geworden, maar dat een rechterlijk oordeel hen nu wordt ontnomen? Wat is uw reactie hierop?
Strafrechtelijke vervolging vindt slechts plaats als het OM tot het oordeel komt dat een strafbaar feit is gepleegd, waarop strafrechtelijk ingrijpen geboden en opportuun is. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3, acht het OM een hernieuwde vervolging na de uitspraak van de kantonrechter niet opportuun. Daarmee waren geen gronden meer aanwezig om de zaak opnieuw aan de rechter voor te leggen.
Hoeveel vaker komt het voor dat verdachten zo lang moeten wachten op de behandeling van de zaak, al die tijd in onzekerheid zitten, kosten maken, en dat kort voor de zitting de dagvaarding alsnog wordt ingetrokken?
In deze zaak is sprake van een uitzondering. Doorlooptijden van zaken zijn normaal gesproken veel korter. Zoals bij u bekend, werk ik aan de versterking van de prestaties van de strafrechtketen (VPS). Dit moet er toe leiden dat strafzaken sneller, slimmer, beter en transparanter worden afgehandeld. Door middel van halfjaarlijkse voortgangsrapportages VPS wordt u over de vorderingen op de hoogte gehouden.
Kan die inhoudelijke afweging voortaan niet eerder gemaakt worden? Hoe gaat u daarvoor zorgen?
Belastingvrij schenken in 2015 |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kun je ook in 2015 nog een ton belastingvrij schenken?»?1
Ja.
Is het correct dat in de wet een bepaling opgenomen is dat de verbouwing van een eigen woning voor 1 januari 2017 moet zijn afgerond, maar dat geen bepaling is opgenomen die eist dat de ontvanger van de schenking op het moment van de schenking al een huis gekocht heeft? Zo ja, op welke grond komt de regering tot de conclusie dat op het moment van schenking al een huis gekocht moet zijn om in aanmerking te komen voor de schenkingsvrijstelling voor verbouwing van een eigen woning? Zo nee, op welk gedeelte van de wet wordt dat gebaseerd?
Er kan alleen gebruik worden gemaakt van de tijdelijk verruimde vrijstelling voor onderhoud of verbetering indien de begunstigde van de schenking de eigen woning al in 2014 heeft. In artikel 33a, eerste lid, onderdeel a, van de Successiewet 1956 is bepaald dat deze vrijstelling geldt indien het een schenking in 2014 betreft «voor de kosten van verbetering of onderhoud van die woning». Met «die woning» wordt gedoeld op de eerder in dat onderdeel genoemde eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit is niet anders dan voor de reguliere eenmalig verhoogde vrijstelling met betrekking tot de eigen woning van artikel 33, onderdelen 5° en 6°, van de Successiewet 1956, waaraan de formulering van artikel 33a is ontleend. Uitgangspunt voor de toepassing van de vrijstellingen is steeds dat de woning waarvoor de schenking wordt gedaan in het jaar waarvoor de vrijstelling geldt (in dit geval 2014) al een eigen woning is van de begiftigde. Vervolgens bepaalt artikel 5 van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting dat het is toegestaan dat een in 2014 gedane schenking bij verbouwing of onderhoud van een eigen woning ook mag worden besteed in 2015 en 2016. Deze verlengde bestedingstermijn is ingegeven door de vaak lange en onvoorspelbare duur van een verbouwing.
Doordat de doorlooptijd voor hypotheken bij banken gemiddeld vier tot zes weken duurt, en bij complexere gevallen zelfs drie maanden, kan al lang voor het einde van de schenkingsvrijstelling geen huis meer gekocht worden waarbij schenking vrijgesteld is; om eigenaar te worden van de woning en daarna pas de financiering te regelen, kan een Groninger akte worden getekend; bent u bekend met de Groninger akte?
Ja.
Is er bij het tekenen van een Groninger akte sprake van bezit van een eigen woning?
Normaal gesproken wordt bij de notaris in een akte vastgelegd dat de verkoper de eigendom van de woning heeft geleverd aan de koper en dat de koper de koopsom voor de woning heeft betaald aan de verkoper. Kenmerkend voor een Groninger akte is dat de betaling door de koper van de koopsom plaatsvindt op een later moment dan de levering. Bij niet-betaling op dat latere moment treedt de ontbindende voorwaarde in werking. Door de levering wordt de koper eigenaar van de woning. Voor de kwalificatie van een woning als eigen woning in fiscale zin gelden voorwaarden die in principe los staan van de wijze waarop de woning juridisch geleverd is. Er is in fiscale zin sprake van een eigen woning als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.111, eerste of derde lid van de Wet IB 2001. Daarvoor moet de woning de koper in elk geval anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan of als dat niet het geval is, moet de woning in ieder geval leeg staan en uitsluitend bestemd zijn om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende drie jaren de koper anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan.
Kan bij het tekenen van een Groninger akte voor 1 januari 2015 gebruik gemaakt worden van de schenkingsvrijstelling? Aan welke voorwaarden moet worden voldaan?
De tijdelijk verruimde vrijstelling voor de schenkbelasting geldt indien een bedrag is geschonken ten behoeve van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet IB 2001. Voorts moet voldaan zijn aan de voor de vrijstelling geldende bestedingseisen. Die houden in dat het geschonken bedrag door de begiftigde uiterlijk 31 december 2014 moet zijn besteed aan (een gedeelte van) de koopsom of aan de aflossing van (een gedeelte van) de eigenwoningschuld2, of dat het geschonken bedrag door de begiftigde uiterlijk 31 december 2016 moet zijn besteed aan de verbetering of het onderhoud van de woning. Indien een woning in 2014 wordt geleverd met een Groninger akte, en er tevens aan de koper van de woning een schenking is gedaan voor de verwerving van de woning of de aflossing van de eigenwoningschuld, dan dient deze schenking dus ook in 2014 te worden besteed. Indien een woning in 2014 wordt geleverd met een Groninger akte, en er tevens aan de koper van de woning een schenking is gedaan voor verbetering of onderhoud van de woning, dan heeft deze nog tot en met 31 december 2016 de tijd om het geschonken bedrag voor dat doel te besteden. Het gegeven dat door gebruikmaking van een Groninger akte de betaling van de koopsom op een later moment plaatsvindt dan de levering van de woning doet niet af aan het feit dat aan de reguliere voorwaarden van de vrijstelling moet zijn voldaan. In alle gevallen moet de woning waarvoor de schenking is gedaan voor de koper/begiftigde in 2014 kwalificeren als een eigen woning.
Overigens blijft het na 1 januari 2015 mogelijk een beroep te doen op de reguliere verhoogde vrijstelling, waarbij een schenking aan een kind tussen 18 en 40 jaar ten behoeve van de eigen woning eenmalig is vrijgesteld van schenkbelasting tot een bedrag van € 52.752.
Het rapport Flawed Fabrics over moderne slavernij en kinderarbeid in de productieketens van kledingmerken |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport Flawed Fabrics van SOMO en de Landelijke India Werkgroep (LIW) waaruit blijkt dat (vooral «kasteloze») Dalit-meisjes en -vrouwen het slachtoffer zijn van «moderne slaverij» en kinderarbeid in de Indiase textielsector, waarvan een groot aantal werken binnen de productieketen van kledingmerken als Primark, C&A en Mothercare?1
Ja.
Bent u het eens met de conclusie van het rapport Flawed Fabrics dat vrijwilligheid niet werkt bij het aanpakken van deze misstanden en dat een verplichtende aanpak nodig is om slavernij en kinderarbeid te bestrijden?
Nee. Het is nog te vroeg om te stellen dat deze aanpak niet werkt.
Staten moeten hun verantwoordelijkheid nemen om binnen hun grondgebied de mensenrechten te beschermen en hebben een verplichting om misstanden als slavernij en kinderarbeid te bestrijden. Bedrijven hebben de verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren, ook in gevallen wanneer de staat deze mensenrechten niet effectief handhaaft.
Het kabinet wijst Nederlandse bedrijven op deze verantwoordelijkheid en roept hen op tot actie wanneer er misstanden worden geconstateerd. Het gaat hier niet alleen om het bestrijden van misstanden, maar ook om het voorkomen van mensenrechtenschendingen. Dit is onderdeel van een goede due dilligence in de keten. De Nederlandse overheid ondersteunt en stimuleert via de Sector Risico Analyse een goede due dilligence in de keten. Met de textielsector wordt een convenant uitgewerkt, dat op dit gebied een aantal concrete afspraken zal vastleggen. Ook met andere sectoren worden afspraken gemaakt. Dit gebeurt op basis van vrijwilligheid. Het is derhalve nog te vroeg om te stellen dat deze aanpak niet werkt.
Hoe beschouwt u de opmerking in het artikel van de Volkskrant van 28 oktober 2014 («Misstanden bij spinnerijen H&M») dat «»H&M met deze kwestie de prijs betaalt voor zijn eigen goede gedrag»» omdat «»het Zweedse modeconcern sinds vorig jaar openbaar maakt bij welke fabrieken het kleding laat maken»»?2 Deelt u de mening dat koplopers op dit gebied juist gesteund moeten worden door ketentransparantie verplicht te maken?
Het inzichtelijk maken van de keten is belangrijk om misstanden te kunnen constateren en aan te pakken. Onderzoeken zoals het onderzoek van SOMO en de Landelijke India Werkgroep (LIW) naar de omstandigheden in India helpen daarbij. Zo geven Primark en C&A aan het rapport te gebruiken om de gevonden misstanden aan te pakken (Volkskrant, 29 oktober 2014)3. Dit is een voorbeeld hoe NGO’s een constructieve bijdrage kunnen leveren aan de volledigheid van due diligence.
Het is goed dat bedrijven zich inspannen om transparant te maken met welke fabrieken zij werken. Dit past in een beleid waarmee een bedrijf zichzelf probeert te versterken op het vlak van MVO. Daarbij komt dat bedrijven zich kunnen onderscheiden door hun ketens inzichtelijk te maken voor de consument. In dat licht zie ik geen reden voor verplichtende regelgeving op dit vlak.
De Nederlandse sector laat op vrijwillige basis in de uitwerking van haar Plan van Aanpak zien hoe zij deze verantwoordelijkheid voor due dilligence en daarmee het inzichtelijk maken van de keten en het aanpakken van misstanden vormgeeft.
Bent u bereid om het initiatief te nemen tot verplichte ketentransparantie en due diligence in bedrijfstakken met grote mensenrechtenrisico’s? Bent u bereid een belangrijke nieuwe stap te zetten in aanvulling op de Nederlandse inzet zoals u die formuleerde in uw antwoord op eerdere vragen?3
Verplichtende ketentransparantie is niet de enige weg. Daarnaast is het weinig effectief om dit enkel op nationaal niveau te willen bewerkstelligen. Ik ben wel voorstander van het creëren van een meer gelijk speelveld op het gebied van regelgeving. In dat kader ben ik bereid te verkennen of er in Europees verband mogelijkheden zijn om te komen tot verplichte ketentransparantie en due diligence.
Vindt u ook dat uw verwachting in uw antwoord op de eerdere vragen (vraag 3 en4 over het functioneren van de werkgroepen onder het Plan van Aanpak van de brancheorganisaties, in het bijzonder de werkgroep gebonden arbeid, niet is uitgekomen, gezien het feit dat nog maar één bedrijf lid is van de werkgroep gebonden arbeid? Bent u bereid Nederlandse bedrijven die kleding uit Zuid-India importeren alsnog urgent aan te spreken op hun due diligence bij het inkopen van kleding uit Zuid-India, in het bijzonder op ernstige schendingen van mensenrechten zoals beschreven in Flawed Fabrics?
Het is belangrijk dat deze werkgroep, ongeacht haar omvang, met goede aanbevelingen komt die breed door de sector worden gedragen. De brancheorganisaties uit de textielsector VGT, Modint en Inretail proberen de betrokkenheid van hun leden bij de verschillende werkgroepen onder het Plan van Aanpak te vergroten. Zo hebben zij begin oktober jl. aan alle twintig in het rapport «Small steps, big challenges» genoemde bedrijven een brief gestuurd om hen op te roepen deel te nemen aan de werkgroep gebonden arbeid. Ook tijdens het congres «Groen is de rode draad» op 30 oktober jl. werd een oproep hiertoe gedaan. Met resultaat. Sindsdien hebben enkele nieuwe bedrijven zich aangesloten bij deze werkgroep.
Voor Nederlandse bedrijven geldt dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het vormgeven van hun due diligence. De Nederlandse overheid spreekt de Nederlandse (textiel-)bedrijven hier op aan. Daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen bedrijven die kleding uit Zuid-India importeren of uit andere landen.
Bent u bereid deze kwestie tijdens uw komende handelsmissie naar India aan de orde te stellen bij uw Indiase collega’s, waaronder de eerder door u genoemde nieuwe Minister van Arbeid, Narendra Singh Tomar, en uw bereidheid uit te spreken om met hen naar oplossingen te zoeken?
Ja. Ik heb dit onderwerp tijdens mijn bezoek aan India opgebracht bij de Minister van Vrouwen- en Kinderzaken en bij de Nobelprijswinnaar en voorvechter van kinderrechten Kailash Satyarthi. Zijn organisatie heb ik tevens extra projectsteun toegezegd op het gebied van capacity building evenals steun voor parlementaire uitwisseling.
Zijn er resultaten te melden van uw samenwerking met de International Labour Organization (ILO), de Europese Unie (EU) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) op het onderwerp kinderarbeid en «moderne slavernij» in de Indiase textielindustrie? Zo ja, welke, zo nee, waarom niet? Bent u van mening dat dit omvangrijke en ernstige probleem een grotere inzet vraagt van deze organisaties en bent u bereid om hen daartoe aan te sporen?
De International Labour Organization (ILO) is actief in de wereldwijde strijd tegen kinderarbeid en «moderne slavernij», en is de aangewezen organisatie als hoeder van de internationale conventies tegen kinderarbeid en gedwongen arbeid.
Nederland steunt het International Programme for the Elimination of Child Labour (IPEC) van de ILO met € 6,7 mln in de periode 2010–2015. De Nederlandse ambassade in India is één van de ambassades die specifieke landenprogramma’s van IPEC ondersteunen. Nederland spoort regelmatig andere landen aan de ILO-conventies tegen kinderarbeid te ratificeren en te handhaven.
De EU en de OESO werken ondersteunend aan de inzet van de ILO op dit terrein. De EU zet handelsinstrumenten in om ratificatie en naleving van de ILO-conventies te verbeteren. Het gaat dan specifiek om het Algemeen Preferentieel Stelsel. De OESO heeft met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen duidelijke kaders gesteld voor bedrijven, o.a. over de manier waarop due diligence op het gebied van mensenrechten ingevuld moet worden.
De hoogte van de kosten van schoolexcursies op middelbare scholen |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ouders berooid door extreme schooltrips»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de schoolexcursies die op middelbare scholen worden aangeboden aan de scholieren door de ouders als te duur worden ervaren?
Ik heb een aantal signalen hierover ontvangen, onder andere van de Landelijke Ouderorganisatie en Stichting Leergeld. Ik heb de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) gevraagd of zij ook signalen heeft ontvangen over scholen waar vragen zijn gerezen over de ouderbijdrage en de schoolkosten. Zoals ik in een eerdere brief (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 485) over schoolkosten heb gemeld, is het aantal meldingen dat bij de inspectie is binnengekomen de afgelopen periode ongeveer gelijk gebleven. Er zijn 97 meldingen binnengekomen in het schooljaar 2013/14.
Is het waar dat, zoals Stichting Leergeld stelt, ouders door de hoogte van de kosten van de schoolreizen op de middelbare school in geldproblemen raken? Welke invloed hebben dergelijke extreem dure schoolexcursies op segregatie in het onderwijs volgens u?
Schoolexcursies behoren tot de categorie niet-verplichte schoolactiviteiten en worden uit de vrijwillige ouderbijdrage betaald. Ouders kunnen er voor kiezen deze bijdrage niet te betalen. Indien een ouder besluit om niet te betalen voor een schoolexcursie, moet de school een kosteloos alternatief aanbieden. De toelating van een leerling tot de school mag niet bepaald worden door het wel of niet betalen van de vrijwillige ouderbijdrage (artikel 27, tweede lid, WVO).
Wat is uw mening over de opmerking van ouderorganisatie Ouders van Waarde, die stelt dat de oorzaak van de extreem dure schoolexcursies is dat er sprake is van een strijd om leerlingen en dat middelbare scholen zich willen profileren op deze manier?
Het is aan scholen hoe zij zich profileren. Scholen zijn daar vrij in. Ik wil wel benadrukken dat scholen zich bewust moeten zijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ook de oudergeleding van de medezeggenschapsraad heeft hierin een belangrijke stem. Een taak van de oudergeleding is om erop toe te zien dat de totale kosten voor ouders beheersbaar blijven.
Deelt u de mening dat bij het aanbieden van schoolexcursies leerlingen niet buiten de boot mogen vallen omdat de ouders de kosten van deze reis niet kunnen betalen?
Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de middelbare scholen ouders nadrukkelijk wijzen op het feit dat de bijdrage aan de kosten van bijvoorbeeld een excursie vrijwillig zijn?
De school is verantwoordelijk voor een heldere communicatie over haar schoolkostenbeleid. De schoolgids moet inzicht verschaffen in dit beleid. Daar moet duidelijk in staan dat de kosten van de ouderbijdrage vrijwillig zijn. Ook de oudergeleding binnen de medezeggenschapsraad kan een belangrijke rol spelen bij de informatievoorziening aan de ouders over de achtergrond van de totstandkoming en de vrijwilligheid van de ouderbijdrage. In het regulier toezicht van de inspectie is het toezicht op de naleving van het schoolkostenbeleid opgenomen.
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de onderwijssector om ervoor te zorgen dat schoolexcursies altijd voor jongeren toegankelijk zijn?
Dit is een gesprek dat op schoolniveau gevoerd moet worden tussen schoolleiding en de medezeggenschapsraad. De oudergeleding van de medezeggenschapsraad heeft instemmingsrecht bij de vaststelling van de hoogte en de bestemming van de vrijwillige ouderbijdrage.
Wel wil ik met de VO-raad in gesprek gaan over hoe dit onderwerp onder de aandacht gebracht kan worden bij schoolbesturen en schoolleiders om hen erop te wijzen hier bewust mee om te gaan.
Uitwisseling van persoonsgegevens tussen Belastingdienst, AIVD, politie en justitie |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat het verre van transparant is als in een convenant met bijvoorbeeld de politie slechts wordt gesproken over uitwisseling van «alle informatie die nodig is» en dat wordt verwezen naar nadere afspraken die op verschillende plekken zijn vastgelegd? Hoe kan volgens u een Nederlandse burger zichzelf informeren over de wijze waarop met zijn of haar persoonsgegevens wordt omgegaan en waarvoor deze worden gebruikt?1
Indien in het Convenant ten behoeve van bestuurlijke en geïntegreerde aanpak van georganiseerde criminaliteit, bestrijding handhavingsknelpunten en bevordering integriteitsbeoordelingen (hierna: het convenant) wordt gesproken over «alle informatie die nodig is» betreft dit informatie waarvoor het zwaarwegend belang door de vragende instantie is gemotiveerd en die binnen de wettelijke regels voor informatie-uitwisseling valt. Om informatie-uitwisseling tussen overheidsdiensten te kunnen operationaliseren zijn concrete werkafspraken nodig; deze worden in de regel vastgelegd in convenanten. Deze werkafspraken zijn slechts bedoeld om nadere invulling te geven aan een steeds vereiste wettelijke basis voor gegevensuitwisseling.
In de desbetreffende wetgeving (in dit geval artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) jo. artikel 43c Uitvoeringsregeling AWR) kunnen belanghebbenden vinden aan welke instanties gegevens kunnen worden verstrekt door de Belastingdienst. Om na te gaan aan welke regels de overheidsinstanties zijn gebonden is het voor burgers van belang dat de genoemde werkafspraken toegankelijk worden gemaakt, bijvoorbeeld door publicatie op de website van het bestuursorgaan. Dat is in dit geval ook gebeurd, ik verwijs hiervoor naar onze brief van 3 oktober jl. Ook is bij de functionaris voor de gegevensbescherming zoals bedoeld in artikel 62 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)gemeld om welke gegevens het gaat. Het belang in verband waarmee de informatie wordt gevraagd kan er echter aan in de weg staan dat met burgers wordt gedeeld dat hun gegevens met andere bestuursorganen worden uitgewisseld.
Hoe vaak vordert de politie persoonsgegevens van de Belastingdienst en andersom? Om wat voor soort persoonsgegevens gaat het dan precies en waar kan een burger dat precies nazoeken?
De Belastingdienst kan op grond van artikel 55 AWR de politie vragen (persoons)gegevens te verstrekken als in een concreet fiscaal onderzoek blijkt dat de politie beschikt over informatie die relevant kan zijn voor de uitvoering van de belastingwetgeving. De politie beoordeelt een verzoek om gegevensverstrekking vervolgens binnen het kader van de Wet politiegegevens. De precieze informatie die op grond van artikel 55 wordt opgevraagd wordt steeds bepaald door de specifieke omstandigheden van het geval en eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit. De Belastingdienst vraagt dus niet meer gegevens op dan noodzakelijk voor de uitoefening van haar wettelijke taak. Betrokkene heeft recht op inzage in zijn gegevens.
De politie vordert geen gegevens van de Belastingdienst, dit is in het kader van het opsporingsonderzoek voorbehouden aan de officier van justitie. Dit betreft geen uitwisseling op grond van het convenant. De hoeveelheid vorderingen door de officieren van justitie, de daarbij behorende aard van de gevorderde gegevens en de bevraagde instanties worden niet geaggregeerd bijgehouden. Alhoewel derhalve onbekend is hoe groot het totaal aantal vorderingen op centraal en decentraal niveau is, is wel bekend dat de Belastingdienst op centraal niveau in 2013 circa 5.000 vorderingen heeft ontvangen van het Openbaar Ministerie om gegevens ter beschikking te stellen.
Een vordering vindt altijd plaats op grond van het Wetboek van Strafvordering, en moet te allen tijde voldoen aan de daarin opgenomen vereisten. Zo moet er sprake zijn van een strafbaar feit waar voorlopige hechtenis voor is toegestaan, en moet de vordering noodzakelijk zijn in het belang van het onderzoek. Indien een burger wil bezien of er in zijn geval gebruik is gemaakt van de vorderingsbevoegdheid, kan hij daarvoor de mogelijkheden van het strafprocesrecht gebruiken, bijvoorbeeld door inzage in zijn strafdossier te vragen.
Indien u stelt dat gegevensverstrekking van groot belang is voor een effectieve en efficiënte bestrijding van de misdaad, betekent dit dan volgens u dat veiligheid per definitie boven privacy gaat? Zo nee, kunt u uw uitspraak beter toelichten?2
Nee, dat betekent het niet. Het betekent dat de belangen van de veiligheid en de privacy met elkaar in evenwicht zijn gebracht. Als gevolg hiervan is het voor instanties alleen mogelijk om op basis van wettelijke grondslagen de geheimhouding te doorbreken en informatie uit te wisselen. In de brief van 3 oktober 2013 heeft het kabinet u hierover geïnformeerd.3 In het daarin genoemde convenant worden aanvullende waarborgen geformuleerd, zoals geheimhouding en beveiliging.
Kunt u voorbeelden noemen van situaties en onderzoeken waarbij de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) geen persoonsgegevens mogen opvragen bij de Belastingdienst en andersom?
De Belastingdienst mag op basis van de belasting-, toeslagen- en douanewetgeving alleen persoonsgegevens opvragen als die gegevens voor de belastingheffing, uitkering van toeslagen of douanetaken en overige wettelijke taken nodig zijn. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Politie, OM en AIVD handelen binnen eigen wettelijke kaders. Buiten het uitvoeren van de eigen taak mogen geen gegevens worden opgevraagd. Voor het opvragen van gegevens specifiek bij de Belastingdienst verwijs ik naar het antwoord op vraag 1. Daarbij is van belang dat de gegevens die op basis van de Uitvoeringsregeling AWR en het daarbij behorende convenant worden verstrekt, alleen daarvoor in aanmerking komen wanneer dit plaatsvindt binnen het gezamenlijke bestuurlijke optreden van de betrokken diensten. Buiten die gevallen mogen onder het convenant dus geen persoonsgegevens worden opgevraagd.
Naast de hierboven genoemde gegevensuitwisseling beschikt de officier van justitie over de mogelijkheid om gegevens te vorderen op grond van het Wetboek van Strafvordering. Hiervoor gelden wettelijke voorwaarden, ik verwijs daarvoor naar het antwoord op vraag 2.
Vindt gegevensuitwisseling automatisch plaats of wordt eerst nog getoetst aan de waarborgen? Door wie vindt deze toets plaats?
De Wbp bepaalt onder andere dat bij verwerking van persoonsgegevens de waarborgen gelden van noodzakelijkheid en proportionaliteit. Dit betekent dat voordat persoonsgegevens kunnen worden verwerkt, waarvoor een adequate juridische grondslag aanwezig moet zijn, ook de daadwerkelijke gegevensverwerking wordt getoetst aan waarborgen als noodzakelijkheid en proportionaliteit. Dit is een verplichting van de verantwoordelijke voor de gegevensverwerking.
Heeft het College bescherming persoonsgegevens (CBP) voldoende capaciteit en bevoegdheden om proactief toezicht uit te oefenen? Op welke manier controleert het CBP achteraf, is dat alleen na klachten van burgers?
Het CBP is een onafhankelijk toezichtsorgaan. De laatste jaren ligt de focus van het CBP voornamelijk op de handhavende taak. Het CBP maakt een keuze uit de zaken die het oppakt. De capaciteit is voldoende om aan de taken uitvoering te geven. Hierbij hanteert het CBP een risico gestuurde aanpak, waarbij het CBP prioriteit legt bij de aanpak van ernstige, structurele overtredingen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) die grote groepen mensen treffen en waarbij het CBP met zijn bevoegdheden een verschil kan maken. Op basis van die beoordeling bepaalt het CBP welke vorm van toezicht – proactief of achteraf – en welk middel daarvoor nodig is. Dit kan variëren van (ambtshalve) onderzoek en het uitgeven van richtsnoeren of zienswijzen, tot het opleggen van een last onder dwangsom. Het CBP baseert zich daarbij op meldingen van gegevensverwerking en signalen uit de samenleving maar ook op de eigen risicoanalyses. Deze werkwijze hanteert het CBP ook in zijn toezicht op de naleving van de wet bij de Belastingdienst en andere overheidsinstanties.
Acht u het wenselijk dat er dankzij artikel 43c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 partijen zijn zoals de AIVD, het OM en de politie, die dankzij verregaandere bevoegdheden van de Belastingdienst alsnog aan persoonsgegevens kunnen komen die ze zelf niet mogen verzamelen danwel bewaren? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken die dit in de toekomst kunnen voorkomen?
Ter vermijding van misverstanden is het goed allereerst op te merken dat er geen sprake van is dat de Belastingdienst gegevens verzamelt en bewaart speciaal voor andere overheidsinstanties zoals de AIVD, het OM en de politie. De Belastingdienst verzamelt en bewaart gegevens voor de uitoefening van de eigen publiekrechtelijke taak. Andere overheidsinstanties kunnen uitsluitend in gevallen dat daar een directe aanleiding voor is en vooropgesteld dat er een wettelijke basis voor bestaat, gebruik maken van deze gegevens. Uitwisseling op grond van het convenant vindt enkel plaats ten behoeve van de doelen van het samenwerkingsverband. Hierbij gaat het onder meer om gegevensverstrekking aan convenantpartners in RIEC’s. Deze gegevensverstrekking is in het belang van een integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen en van groot belang voor een efficiënte bestrijding van georganiseerde misdaad. Bovendien is deze vorm van gegevensverstrekking door het Hof-Arnhem-Leeuwarden als rechtmatig beoordeeld.4
Is bij het creëren van de wettelijke mogelijkheid om persoonsgegevens uit te wisselen met het parlement over deze mogelijkheid en de gevolgen hiervan voor de privacy gesproken? Zo nee, waarom niet en zal dit wel meegenomen worden bij eventuele wetswijzigingen die een dergelijke bevoegdheid met zich meebrengen?
Uit de memorie van toelichting inzake het door uw Kamer behandelde en aangenomen wetsvoorstel tot versterking van de fiscale rechtshandhaving blijkt, dat met de wijziging van artikel 67 van de AWR en de uitwerking hiervan in artikel 43c van de Uitvoeringsregeling AWR sprake is van een duidelijkere en transparantere wettelijke regeling inzake gegevensverstrekking door de Belastingdienst dan voorheen het geval was. 5 Artikel 43c van de Uitvoeringsregeling AWR geeft uitwerking aan artikel 67, tweede lid, onder b, AWR, zoals dit artikel luidt na inwerkingtreding van de wet van 27 september 2007, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, in het kader van het versterken van de fiscale rechtshandhaving en het verkorten van beslistermijn (Versterking fiscale rechtshandhaving). Artikel 67 van de AWR bevat de zogenoemde fiscale geheimhoudingsbepaling en de gevallen waarin fiscale gegevens voor andere doeleinden dan de belastingheffing kunnen worden aangewend. Met het opnemen van een bepaling in artikel 43c van de Uitvoeringsregeling AWR kan de Belastingdienst gegevens verstrekken aan andere bestuursorganen die gegevens nodig hebben voor de goede vervulling van hun publiekrechtelijke taak, waaronder de AIVD, het OM en de politie. Het College bescherming persoonsgegevens heeft destijds ingestemd met deze wettelijke regeling.
In welk kader worden gegevens die zijn verkregen via de ANPR-camera’s (Automatic NumberPlate Recognition) door de Belastingdienst in het kader van bijbehorend convenant wel verstrekt?3 Kunt u garanderen dat de politie op geen enkele wijze via de achterdeur kan beschikken over kentekengegevens verkregen via ANPR-camera’s die ze zelf hadden moeten vernietigen?
Wanneer de betreffende gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van convenantpartners en dit past binnen de doelstelling van het convenant, kunnen zij die gegevens op grond van het convenant opvragen bij de Belastingdienst. Van belang hierbij is dat de Belastingdienst alleen de fiscaal relevante gegevens bewaart. De uitwisseling met de Belastingdienst is legitiem en geen achterdeur. De Belastingdienst verstrekt deze gegevens – zoals ook uiteengezet in het antwoord op vraag 7 – uitsluitend aan andere instanties indien daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. In het kader van het convenant vindt dat, zoals reeds eerder gememoreerd, bovendien alleen plaats binnen de doeleinden van samenwerkingsverbanden. Het eventueel verstrekken van via ANPR-camera’s verkregen gegevens door de Belastingdienst is dus beperkt tot fiscaal relevante gegevens die voor de convenantpartners van belang blijken te zijn, en dan alleen voor zover dat nodig is voor gezamenlijk optreden binnen samenwerkingsverbanden.
Buiten deze samenwerkingsverbanden, is het mogelijk dat bepaalde gegevens op enig moment nodig zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een dergelijk geval is de officier van justitie bevoegd deze gegevens op basis van het Wetboek van Strafvordering te vorderen bij de Belastingdienst en te gebruiken in het onderzoek. Daarvoor gelden de gebruikelijke voorwaarden; zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht dat op bouwplaatsen van de NAM en Shell mogelijk sprake is van het ontduiken van de cao in de steigerbouwsector |
|
John Kerstens (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichten «FNV: Misstanden bij uitbreiding gasopslag Langelo»1 en «Vakbond FNV signaleert misstanden in de steigerbouwbranche»2?
Ja.
Hoe oordeelt u over de door de uitzendbureaus in kwestie gehanteerde constructies en deelt u de mening dat sprake is van een schijnconstructie wanneer wordt geshopt tussen cao’s om de tarieven te drukken, terwijl de werkingssfeer van de desbetreffende cao's helder is?3
Als de cao inderdaad wordt ontdoken in de steigerbouwsector is dat een zeer kwalijke zaak. De controle op de naleving van cao’s is primair de verantwoordelijkheid van sociale partners. Het is belangrijk dat zij de cao-naleving bevorderen en op de naleving toezien. Dat bevordert de eerlijke concurrentie tussen bonafide bedrijven en werkt corrigerend indien werknemers worden onderbetaald door malafide bedrijven. In hoeverre er in de specifieke casus door de uitzendbureaus in kwestie gebruik wordt gemaakt van schijnconstructies door te shoppen tussen cao’s is niet aan mij om te beoordelen. De cao-partijen kunnen de Inspectie SZW verzoeken om een aanvullend onderzoek te doen naar naleving van de cao-voorwaarden op grond van artikel 10 van de Wet Avv. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven of de Stichting Naleving Cao's voor Uitzendkrachten (SNCU) controles heeft uitgevoerd bij uitzendbureaus in de steigerbouw? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten en zijn er maatregen genomen tegen uitzendbureaus?
De SNCU heeft laten weten dat zij een tiental uitzendondernemingen in onderzoek heeft of in onderzoek heeft gehad die actief zijn in de steigerbouw. Een deel van de onderzoeken is gestart op basis van meldingen, een ander deel op basis van risicoselectie. Bij een deel van de ondernemingen is een (indicatieve) benadeling van uitzendkrachten vastgesteld (in totaal voor ruim € 1.000.000,-). Er zijn herstelbetalingen afgedwongen en er loopt een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure. Enkele ondernemingen zijn uit de markt verdwenen. Een doorstarter is opnieuw in onderzoek genomen.
Heeft de Inspectie SZW signalen ontvangen over het ontduiken van de cao in de steigerbouwsector op bouwplaatsen van de NAM en Shell? Zo ja, wat heeft de Inspectie met deze signalen gedaan? Zo nee, bent u bereid de Inspectie SZW onderzoek te laten doen?
Tot op heden heeft de Inspectie geen formeel verzoek om ondersteuning op grond van artikel 10 Avv ontvangen aangaande het ontduiken van de cao in de steigerbouwsector op bouwplaatsen van de NAM en Shell.
Ziet u mogelijkheden om de beschreven problematiek in de sector samen met sociale partners aan te pakken?
De Inspectie SZW ondersteunt de cao-partijen bij de civielrechtelijke handhaving van de cao met nalevingsonderzoek. De capaciteit van de Inspectie SZW voor de aanpak van schijnconstructies is uitgebreid, onder meer voor dergelijke ondersteuning van cao-partijen. Samen met de sociale partners werk ik in het kader van de aanpak van schijnconstructies aan het versterken van de publiekprivate samenwerking bij de cao-naleving en handhaving. In het advies van de Stichting van de Arbeid «Naleving en handhaving van de cao» van 27 juni 2014 roept de Stichting de decentrale cao-partijen – met name in risicosectoren – op om de naleving en handhaving actief op te pakken. Om de publiekprivate samenwerking bij de cao-handhaving te versterken heeft de Inspectie SZW een speciaal team opgericht voor de aanpak van schijnconstructies en ondersteuning van de cao-partijen bij de handhaving van de cao-voorwaarden. Dit team werkt nauw samen met cao-partijen.
Naast handhaving wordt ook ingezet op aanpassing van wetgeving. Het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies zal enkele maatregelen bevatten om de publiekprivate samenwerking bij de cao-handhaving verder te versterken, bijvoorbeeld door meer mogelijkheden te creëren voor informatie-uitwisseling. Tevens zal een regeling van ketenaansprakelijkheid voor loon onderdeel uitmaken van het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies.
In dit geval zijn Shell en de NAM opdrachtgever; kunt u aangeven in hoeverre de aangekondigde Wet aanpak schijnconstructies verandering brengt in de verantwoordelijkheid c.q. aansprakelijkheid voor hen als opdrachtgever?
Zie antwoord vraag 5.
De opkomst van de suzuki-fruitvlieg |
|
Bart de Liefde (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «10 keer meer schadelijke suzuki-fruitvliegen in bosranden?»1
Ja.
In antwoord op eerdere vragen2 heeft u geantwoord dat de suzuki-fruitvlieg uiterst schadelijk is in Noord-Amerika en Zuid-Europa; welke stappen heeft u tot nu toe gezet om schade door de suzuki-fruitvlieg in Nederland te voorkomen?
De sector is zelf verantwoordelijk voor de bestrijding van ziekten en plagen in gewassen en neemt deze verantwoordelijkheid ook op zich. Het voorkomen van een invasief plaagorganisme is helaas niet te voorkomen. In overleg en samen met mijn ministerie werkt de sector nu echter vroegtijdig aan maatregelen om de suzuki-fruitvlieg volgend jaar – 2015 – te kunnen bestrijden. Oplossingen worden in eerste instantie gezocht in het bevorderen van de bedrijfshygiëne (kennisverspreiding en communicatie door de sector) en de inzet van natuurlijke vijanden, en pas als laatste door de inzet van gewasbeschermingsmiddelen, conform de principes van Geïntegreerde Gewasbescherming. Ten aanzien van de inzet van gewasbeschermingsmiddelen zet de sector in op de reguliere toelating van deze gewasbeschermingsmiddelen.
Daarnaast is dit jaar onderzoek vanuit de Topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen gestart. In dit onderzoeksproject wordt samengewerkt met o.a. de Nederlandse Fruittelers Organisatie (NFO) aan oplossingen die bijdragen aan de bestrijding van de suzuki-fruitvlieg.
Wat is de schade van de suzuki-fruitvlieg in 2013 en 2014 die veroorzaakt is bij de verschillende telers in Nederland? Kunt u deze schade naar sector uitsplitsen?
De suzuki-fruitvlieg is schadelijk gebleken, ook in Europa en Nederland. Er is schade geleden door Nederlandse fruittelers, maar de omvang van de schade is niet bekend. Er zijn, voor zover ik kan nagaan, geen concrete metingen uitgevoerd. Door de sector wordt geschat dat de schade door onverkoopbare vruchten per fruitsoort ligt tussen de 2 en 20% en daarmee in de miljoenen euros loopt. Naast oogstverlies hebben de telers kosten moeten maken door extra arbeidsinzet ten behoeve van het oogsten van vruchten van mindere kwaliteit en afgevallen vruchten, zodat geen rijpe vruchten in het perceel achterblijven. De inschatting is dat deze kosten hoger zijn dan het verlies aan omzet oogstverlies.
Naast de land- en tuinbouw dringen nu ook biologen aan op een snelle bestrijding van de suzuki-fruitvlieg; bent u van plan om ruim voor het groeiseizoen in 2015 maatregelen te nemen, bijvoorbeeld om insectenparasitaire nematoden toe te staan voor het nieuwe seizoen? Welke andere mogelijke stappen overweegt u om de opmars van de suzuki-fruitvlieg te stuiten? Graag een toelichting. Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2. Voor de toepassing van insecten-parasitaire aaltjes geldt verder dat de eerste verkennende kleinschalige proeven plaatsvinden. Er is nog geen sprake van (grootschalig) praktijkgericht onderzoek.
Op de eerder genoemde vragen antwoordde u dat u het middel tracer heeft toegestaan; is dit in alle sectoren in alle teelten toegestaan? Zo nee, waarom niet en bent u bereid het middel alsnog in alle sectoren in alle teelten toe te staan?
De toepassing van het gewasbeschermingsmiddel Tracer (werkzame stof spinosad) is in 2014 vrijgesteld in de onbedekte teelt van aardbei en in de bedekte en onbedekte teelt van bessen, braam en framboos. Door de NFO is, naast een vrijstelling voor genoemde teelten, ook verzocht om een vrijstelling voor de teelt van kersen. Deze laatste vrijstelling is afgewezen in verband met risico’s van de toepassing voor bijen, zoogdieren en aquatische organismen. Vrijstellingsverzoeken worden zoals gebruikelijk gewogen conform de landbouwkundige criteria en de normen voor mens, dier en milieu.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg Gewasbeschermingsmiddelen dat gepland staat op 4 december 2014?
Ja.
Het voornemen van de gemeente Rotterdam om parkeergeld te heffen op de verschillende Park+Rides. |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ook verbaasd dat gemeente Rotterdam betaald parkeren wil invoeren op de Park+Rides (P+R's)?1
De gemeente Rotterdam wil op drie P+R’s (Slinge, Alexander, Kralingse Zoom) betaald parkeren invoeren. Het gaat om locaties waarvan de gemiddelde bezettingsgraad tegen de maximale capaciteit zit of hierover heen gaat.
In stedelijke regio’s zoals Amsterdam, Den Haag, en Utrecht is het reeds gebruikelijk dat op de grotere P+R locaties een bijdrage voor P+R’s wordt gevraagd. Het strekt daarom niet tot de verbazing dat ook de gemeente Rotterdam voor deze grotere P+R locaties overgaat op invoering van betaald parkeren. Ook bij P+R locaties die in beheer zijn van private partijen (zoals Q-Park) worden parkeertarieven geheven.
In hoeverre past deze maatregel binnen het ingezette beleid om binnensteden beter bereikbaar te maken middels P+R terreinen?
Goed werkende P+R’s hebben belangrijke maatschappelijke voordelen, het belang van P+R’s wordt dan ook door het Rijk erkend. P+R’s leveren een bijdrage aan de kwaliteit van deur tot deur verbindingen, een betrouwbare reistijd en daarmee aan de bereikbaarheid van locaties. Ook dragen P+R’s bij aan de leefbaarheid van stedelijke gebieden.
De kosten van aanleg, exploitatie, beheer en onderhoud zijn echter niet gering en daardoor zijn P+R’s zelden kostendekkend. Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kan ervoor gekozen worden om opbrengsten uit parkeertarieven te hanteren. De tarieven op een P+R vormen dan ook een belangrijk element in het vinden van de balans tussen een hoge bezettingsgraad en het sluitend krijgen van een business case.
Vind u het terecht dat één gemeente parkeergeld gaat heffen op een P+R terwijl P+R’s een regionale functie hebben?
De drie P+R terreinen waarover de gemeente Rotterdam voornemens is betaald parkeren in te voeren liggen op het grondgebied van de gemeente. De gemeente Rotterdam is derhalve volledig bevoegd om naar eigen inzicht en goedkeuring parkeertarieven in te voeren voor het gebruik van parkeervoorzieningen op haar grondgebied.
Vind u het terecht dat één gemeente parkeergeld gaat heffen op een P+R terwijl P+R’s mede vanuit het programma «Beter Benutten» van het Rijk zijn gefinancierd? Zou het niet logisch zijn als het Rijk hierin ook inspraak heeft?
Voor de drie desbetreffende P+R’s heeft er geen directe financiering vanuit het Programma Beter Benutten plaatsgevonden. Wel is er in andere Beter Benutten regio’s sprake van cofinanciering voor capaciteitsuitbreiding of verhoging van voorzieningenniveau op P+R locaties. Vanuit het Programma Beter Benutten is voorafgaand aan de financiering primair bekeken of de maatregel bij zou dragen aan het verbeteren van de regionale bereikbaarheid. Daarnaast wordt meegewogen of de maatregel op lange termijn kan blijven voortbestaan. Voor de continuïteit van een maatregel is het van belang dat de business case zo sluitend mogelijk is. Het gebruikmaken van parkeertarieven kan hier onderdeel van uitmaken.
Vind u het terecht dat één gemeente parkeergeld gaat heffen op een P+R terwijl P+R’s mede vanuit gelden van de Stadsregio zijn gefinancierd? Zou het niet logisch zijn dat Rotterdam rekening houdt met wensen van buurgemeenten die ook, mede via de Stadsregio, de portemonnee hebben getrokken voor de P+R’s?
Een gemeente doet er vanzelfsprekend verstandig aan in haar besluitvorming rekening te houden met de verschillende stakeholders, belangen en visies op het gebied van P+R’s.
Het klopt dat P+R’s in Rotterdam mede door de stadsregio gefinancierd worden. Besluitvorming daarover vindt binnen de stadsregio plaats door het dagelijks bestuur, daarbij geadviseerd door het portefeuillehoudersoverleg (PHO) verkeer en vervoer waarvan de Rotterdamse wethouder Langenberg de voorzitter is. De buurgemeenten hebben de mogelijkheid om via het PHO, het algemeen en dagelijks bestuur van de stadsregio de mogelijkheid om desgewenst hun belangen kenbaar te maken en het besluitvormingsproces te beïnvloeden.
Bent u bereid om u in te zetten om de P+R’s van gemeente Rotterdam gratis te houden? Zo ja, wilt u de Kamer informeren over de voorgenomen acties in de richting van de gemeente Rotterdam? Zo nee, waarom niet?
Gezien de beperkte hoogte van de in te voeren parkeerheffing (€ 2/dag) in vergelijking met de parkeertarieven in het stadscentrum, en gegeven de autonomie van gemeentelijke instanties om op haar grondgebied parkeergeld te heffen is er geen aanleiding of grondslag om direct of indirect te interveniëren in de besluitvorming van het gemeentebestuur.
Hoe gaat u voorkomen dat gemeenten die mede vanuit het programma «Beter Benutten» van het Rijk geld krijgen om bijvoorbeeld P+R’s aan te leggen, deze later als melkkoe gebruiken door er parkeergeld te heffen?
Aan de financiering vanuit Beter Benutten worden een aantal eisen gesteld. Zo geldt in algemene zin dat maximaal de helft van het maatregelenpakket door het Rijk wordt gefinancierd en de andere helft door regionale partners (regionale overheden, bedrijfsleven).
Indien een plan van aanpak de aanleg van een P+R betreft is een niet onbelangrijke eis dat aannemelijk moet zijn gemaakt welke doelgroepen hoe vaak gebruik gaan maken van de beoogde P+R. Dit om te voorkomen dat een nieuwe P+R een lage bezettingsgraad krijgt of als regulier parkeerterrein wordt gebruikt.
Verkeersdrukte, betaald parkeren bij de eindbestemming, de locatie van de P+R in het netwerk, de vindbaarheid van een P+R en de kwaliteit van het OV zijn factoren die het gebruik van een P+R beïnvloeden. Als een P+R voor de gebruiker volledig gratis is, is het lastig om een dekkende exploitatie rond te krijgen. Indien de tarieven op de P+R te hoog zijn en niet meer substantieel lager dan de parkeertarieven op de eindbestemming zal dat echter leiden tot lage bezettingsgraden. Om de juiste balans hierin te vinden wordt bij de uitwerking van de maatregelen binnen Beter Benutten zoveel mogelijk kennis en expertise tussen Rijk en regio’s gedeeld.
De berichtgeving over foute buitenlandse tandartsen die hun praktijken in Nederland voortzetten |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van NCRV’s Altijd Wat Monitor over foute buitenlandse tandartsen die in Nederland hun praktijken voort kunnen zetten?1
Ik vind het onacceptabel dat buitenlandse tandartsen in strijd met de wet, ondanks een buitenlandse bevoegdheidsbeperking, in Nederland hun beroep uitoefenen.
Welke maatregelen heeft u sinds 2 september 2014 concreet genomen en wat zijn daarvan de eerste resultaten?2
Het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) controleert of er een verklaring is dat in het buitenland geen bevoegdheidsbeperking van kracht is via een Certificate of Current Professional Status (CCPS).
In aanvulling op de bestaande bilaterale afspraken met Finland, Ierland, Noorwegen, Slovenië, het Verenigd Koninkrijk en Zweden over informatie-uitwisseling heeft het CIBG alle bevoegde autoriteiten in de Europese lidstaten verzocht om alle bevoegdheidsbeperkende maatregelen die de afgelopen 10 jaar zijn opgelegd en die nog van kracht zijn aan Nederland te verstrekken. Tot nu toe hebben Finland en het Verenigd Koninkrijk aan dat verzoek voldaan.
Tot het moment dat het Europese waarschuwingsmechanisme operationeel wordt, is het CIBG een pilot gestart om buitenlands gediplomeerde beroepsbeoefenaren of beroepsbeoefenaren met buitenlandse werkervaring die een aanvraag indienen via internet na te trekken (te googelen).
Op de lijst met personen waartegen maatregelen gelden heeft de Auditdienst Rijk (ADR) een review toegepast. De door de ADR geconstateerde (zeer beperkte) risico’s worden ondervangen door, tot het moment van invoering van het nieuw geautomatiseerde systeem, een zes-ogen principe in te voeren (controle door een derde persoon). Verder zal een door de ADR ontwikkeld instrument worden gebruikt ter controle van de online lijst.
Het CIBG heeft afspraken gemaakt met de IGZ inzake meldingen van fraude.
Met de gerechten heeft het CIBG nadere afspraken gemaakt inzake meldingen en informatie-uitwisseling inzake bevoegdheidsbeperkende maatregelen.
Daarnaast zal het systeem periodiek worden getest met in- en externe audits.
Wat is uw reactie op de opmerking dat Nederland een paradijs is voor foute buitenlandse tandartsen van binnen de Europese Unie omdat zij zich hier eenvoudig kunnen laten registreren en zonder moeite aan de slag kunnen?
Een (buitenlandse) beroepsbeoefenaar dient bij zijn aanvraag voor BIG-registratie een bewijs (diploma, bekwaamheidsattest) te overleggen waaruit blijkt dat hij voldoet aan de opleidingskwalificaties zoals bepaald in de Europese Richtlijn 2005/36/EG.
Verder dient de (buitenlandse) beroepsbeoefenaar een CCPS te overleggen. Het CCPS is een verklaring van een (lid)staat waarin een buitenlandse equivalent van het BIG-register informatie geeft over (eventuele) registratiegegevens, tuchtrechtelijke maatregelen, strafrechtelijke sancties of andere specifieke ernstige feiten ten aanzien van een migrerende beroepsbeoefenaar.
Wanneer deze gegevens twijfels oproepen, raadpleegt het CIBG via het IMI-systeem van de Europese Unie de bevoegde autoriteit in een ander land of er een bevoegdheidsbeperking van kracht is.
In februari 2014 is het aanvraagformulier tot BIG-registratie aangepast in die zin dat de aanvrager naar waarheid verklaart dat in het buitenland geen rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing van kracht is, waardoor de beroepsbeoefenaar daar zijn beroep nooit of tijdelijk niet meer mag uitoefenen. Daarbij wordt de aanvrager erop gewezen dat bij fraude naast schrappen ook aangifte bij de politie aan de orde kan zijn.
Mede op mijn initiatief wordt het per 2016 in Europees verband verplicht om informatie over bevoegdheidsbeperkingen met elkaar te delen. Bij de totstandkoming van de Europese regelgeving is op mijn aandringen het aantal beroepen waarop het waarschuwingsmechanisme betrekking krijgt uitgebreid, zodat alle beroepen waarvoor in Nederland BIG-registratie vereist is daaronder gaan vallen. Ook is bereikt dat het waarschuwingsmechanisme op gedeeltelijke en niet alleen gehele bevoegdheidsbeperkingen betrekking gaat hebben.
Verder geldt per 1 januari 2017 ook voor tandartsen de plicht tot herregistratie. Een beroepsbeoefenaar die op basis van (buitenlandse) werkervaring wil worden geherregistreerd moet opnieuw een CCPS overleggen.
Erkent u het belang van een goede communicatie tussen hulpverlener en patiënt? Erkent u ook dat het kunnen spreken van de taal een wezenlijk onderdeel is van die goede communicatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zorgverleners moeten de Nederlandse taal voldoende beheersen. Dat is noodzakelijk in het kader van patiëntveiligheid en verantwoorde zorg. Niet alleen dient de zorgverlener te kunnen communiceren met de patiënt, maar ook met collega’s en medebehandelaars. Ook voor het vereiste van informed consent is goede communicatie tussen de zorgverlener en de patiënt noodzakelijk.
Erkent u dat een taaltoets naast de evidente communicatievoordelen, ook positieve bijwerkingen heeft zoals het eerder in beeld krijgen van mogelijke foute artsen en het aantrekken van artsen die bereid zijn een duurzame verbinding aan te gaan met een land?
De relatie tussen een taaltoets of het onderkennen van een «foute arts» is niet evident. Het weren van artsen waartegen elders maatregelen zijn getroffen vergt samenwerking tussen de bevoegde nationale autoriteiten. De implementatie van de gewijzigde richtlijn over erkennen van beroepskwalificaties waarin een Europees alarmmechanisme is opgenomen biedt daartoe na 18 januari 2016 een versterkt kader.
Ik deel uw opvatting dat mensen die de taal goed beheersen eerder een duurzame band met Nederland zullen aangaan. Voor de volledigheid wil ik wel opmerken dat het mensen binnen de Europese Unie vrij staat om hier ook tijdelijk te werken, bijvoorbeeld om ervaring bij vakgenoten in Nederland op te doen.
Klopt het dat Duitsland en Engeland wel eisen stellen aan het kunnen spreken van de taal? Is dit ook in Nederland mogelijk? Zo nee, hoe verklaart u dit?
Het klopt dat in Duitsland en Engeland aan taalbeheersing van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg eisen worden gesteld. Vorm en inhoud varieert per beroep en in Duitsland per Bondsstaat. De eis van taalkennis is daar pas aan de orde na de erkenning van de beroepskwalificatie maar voor de inschrijving in een beroepenregister. De Europese regelgeving verbiedt dat niet mits die toetsing proportioneel blijft.
Voor personen uit de Europese Economische Ruimte geldt in het Verenigd Koninkrijk dat een certificaat van het International English Language Testing System volstaat als afdoende bewijs. Men mag de taalbeheersing ook op andere wijze aantonen, maar dan is het aan de discretie van de beroepsorganisatie of dat voldoende voor beroepsuitoefening in het VK is.
De recente wijziging van Europese Richtlijn 2005/36/EG voor de erkenning van beroepskwalificaties verheldert de mogelijkheid om eisen te stellen aan taalbeheersing voor zover noodzakelijk voor de beroepsuitoefening. Taalkennis mag geen rol spelen bij erkenning van de beroepskwalificatie maar wel bij de registratie in een nationaal register, mits proportioneel. In Nederland wordt tussen erkenning en registratie geen onderscheid gemaakt. De implementatie van de gewijzigde richtlijn is het moment om dat wel in te voeren en om per beroep te bezien of er een bewijs van voldoende kennis van de Nederlandse taal nodig is.
Bent u bereid om het voorstel van de tandartsenorganisaties voor het invoeren van een taaltoets nader te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo ja, op wat voor termijn? Zo nee, waarom niet?
VWS bestudeert of en hoe eisen met betrekking tot de taalbeheersing voor buitenslands gediplomeerden van binnen de EU in de wet kunnen worden opgenomen. De implementatie van de gewijzigde richtlijn Europese Richtlijn 2005/36/EG voor de erkenning van beroepskwalificaties biedt daarvoor het kader. De richtlijn dient uiterlijk 18 januari 2016 te zijn geïmplementeerd en de voorstellen worden u in de loop van 2015 voorgelegd.
Wat is uw reactie op de opmerking dat het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) te reactief is en zelf niet actief controle uitvoert naar personen die geregistreerd staan of worden in het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg)?
Het CIBG ontvangt periodiek overzichten met van kracht zijnde bevoegdheidsbeperkingen van verschillende buitenlandse bevoegde autoriteiten. Deze overzichten worden nauwkeurig doorgenomen en op basis daarvan wordt, indien daar aanleiding toe bestaat, aanvullende informatie opgevraagd en de reguliere procedure van het verwerken van bevoegdheidsbeperkingen in gang gezet. Ook onderzoekt het CIBG de zaken waarvan in de verschillende media melding wordt gemaakt en onderneemt daarop afhankelijk van de uitkomsten direct actie. Anders dan IGZ, heeft het CIBG overigens niet de bevoegdheden van handhaving en opsporing, maar het CIBG vervult wel een signaalfunctie richting IGZ.
Tegen een beroepsbeoefenaar kan in theorie in ieder land ter wereld een bevoegdheidsbeperking van kracht zijn. Het is voor het CIBG niet mogelijk om voor alle jaarlijks ruim 10.000 aanvragers voor BIG-registratie en voor alle ruim 338.000 BIG-geregistreerden, altijd na te gaan waar zij in de wereld hun beroep hebben uitgeoefend of uitoefenen. Er blijft een restrisico zolang het CIBG niet op de hoogte is gesteld van die buitenlandse bevoegdheidsbeperkingen. Daarnaast heeft een aantal landen in Europa en elders ter wereld geen openbare, actuele registers voor beroepsbeoefenaren in de zorg of overeenkomstig onze beroepenindeling onder de Wet BIG. Veel landen verstrekken niet proactief informatie aan andere landen over opgelegde bevoegdheidsbeperkingen. Of landen informatie openbaar mogen maken of proactief mogen delen, wordt bepaald door de nationale wetgeving.
Erkent u het belang van een volledig, juist en actueel BIG-register als alarmsysteem van de zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik onderken het belang van een volledig, juist en actueel BIG-register, maar niet alleen als een alarmsysteem van de gezondheidszorg. Het BIG-register houdt namelijk in het kader van de kwaliteit van beroepsbeoefenaren veel meer in dan alleen een alarmsysteem en biedt bijvoorbeeld garanties met betrekking tot opleiding en ervaring.
Bent u gezien het enorme belang voor de veiligheid van de patiënt, van mening dat capaciteitsproblemen bij het CIBG geen excuus mogen zijn voor het onvolledig, onjuist of verouderd zijn van het BIG-register? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij het CIBG zijn geen capaciteitsproblemen bekend. Ik deel overigens in algemene zin uw mening dat capaciteitsproblemen geen excuus mogen zijn voor een onvolledig, onjuist of verouderd zijn van een register.
Zou het niet goed zijn als iedere buitenlandse arts die zich meldt voor opname in het BIG-register nader onderzocht wordt op gedragingen in het buitenland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dat gebeurt al zo goed mogelijk. Per 1 juli 2012 is de wet gewijzigd zodat iedereen, ook een Nederlands gediplomeerde, die zich wil laten inschrijven in het BIG-register, verplicht is om buitenlandse bevoegdheidsbeperkingen te melden. Voorheen bevatte de wet deze verplichting alleen voor buitenslands gediplomeerden.
De invoering van periodieke registratie zorgt voor een mogelijkheid om te controleren op kwaliteit van de gegevens die in het BIG-register staan. De periodieke registratie biedt tevens zicht op buitenlandse beroepservaring van hier geregistreerden en van aanvragers van registratie. Dat geeft ook meer controle op buitenlandse bevoegdheidsbeperkingen.
Per 2016 wordt het Europese waarschuwingsmechanisme ingevoerd. Dat verplicht Europese lidstaten om actief informatie uit te wisselen over bevoegdheidsbeperkingen. Vooruitlopend op de invoering hiervan heb ik met een aantal Europese landen afgesproken onderling informatie uit te wisselen over bevoegdheidsbeperkingen. Deze afspraken zijn gemaakt met Finland, Ierland, Noorwegen, Slovenië, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Ik werk aan uitbreiding en verdieping van die samenwerking.
Kunt u toezeggen dat het CIBG gaat controleren of personen die zijn doorgehaald in het register ook daadwerkelijk hun beroep in Nederland of daarbuiten niet meer uitoefenen? Zo nee, hoe kunt u dan garanderen dat patiënten geen onnodig gevaar lopen?
Het CIBG is verantwoordelijk voor het beheer van het BIG-register en voor het informeren van buitenlandse bevoegde autoriteiten over in Nederland opgelegde bevoegdheidsbeperkende maatregelen. Het CIBG controleert niet of personen die zijn doorgehaald in het BIG-register ook daadwerkelijk hun beroep in Nederland of daarbuiten niet meer uitoefenen.
Het is de verantwoordelijkheid van werkgevers in de zorg om te controleren of iemand geregistreerd en bevoegd is. Ook een zorgverzekeraar dient dat zelf te controleren alvorens vergoedingen te doen.
De IGZ houdt toezicht op naleving van opgelegde bevoegdheidsbeperkingen wat betreft de beroepen waarvoor BIG-registratie is vereist.
Erkent u dat door het tekort aan tandartsen in Nederland tandartsen uit het buitenland gemakkelijker aan de slag kunnen in Nederland?
Ik ben van mening dat er op dit moment geen sprake is van een tandartsentekort. Vraag en aanbod voor mondzorg zijn redelijk met elkaar in evenwicht, zeker als daarbij de arbeidscapaciteit van mondhygiënisten en tandprothetici wordt meegerekend.
Uit rapportages van de NZa uit 2012 blijkt dat patiënten gemiddeld binnen twee weken een afspraak met een tandarts of mondhygiënist kunnen maken. Voor spoedeisende gevallen kan dat vrijwel in alle gevallen dezelfde dag nog. Er is geen aanleiding te verwachten dat deze getallen er in 2014 heel veel anders uit zien.
Wel is het mogelijk dat sprake is van regionale tekorten. Dat hangt voor een deel samen met de vestigingsvoorkeuren van tandartsen en wordt dus niet opgelost door meer tandartsen op te leiden.
Gelukkig verbetert de mondgezondheid nog steeds. De verwachting lijkt gerechtvaardigd dat de cariës incidentie in de nabije toekomst verder daalt. Ook verwacht ik meer van de in gang gezette taakherschikking, dan het Capaciteitsorgaan voorrekent.
Overigens moeten alle aanvragen voor BIG-registratie voldoen aan de wettelijke eisen, ongeacht of er in Nederland een tekort is aan tandartsen of niet. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Waarom legt u de aanbevelingen van het Capaciteitsorgaan voor wat betreft het aantal opleidingsplaatsen voor tandartsen naast u neer?3
Er is op dit moment geen tekort aan tandartsen. Vraag en aanbod voor mondzorg zijn redelijk met elkaar in evenwicht, zeker als daarbij de arbeidscapaciteit van mondhygiënisten en tandprothetici wordt meegerekend. Uit rapportages van de NZa uit 2012 blijkt dat patiënten gemiddeld binnen twee weken een afspraak met een tandarts of mondhygiënist kunnen maken. Voor spoedeisende gevallen kan dat vrijwel in alle gevallen dezelfde dag nog. Er is geen aanleiding te verwachten dat deze getallen er in 2014 heel veel anders uit zien. Wel is het mogelijk dat sprake is van regionale tekorten. Dat hangt voor een deel samen met de vestigingsvoorkeuren van tandartsen en wordt dus niet opgelost door meer tandartsen op te leiden. De mondgezondheid verbetert gelukkig nog steeds, met een steeds grotere nadruk op preventie. De verwachting lijkt gerechtvaardigd dat de cariës incidentie in de nabije toekomst nog verder gaat dalen. Ook verwacht ik meer van de in gang gezette taakherschikking, dan het Capaciteitsorgaan voorrekent. Het verder doorzetten van de taakherschikking maakt deel uit van een visie op de mondzorg voor de toekomst waar de mondzorgpartijen op dit moment aan werken.
Bent u bereid om het advies van het Capaciteitsorgaan voor wat betreft het aantal opleidingsplaatsen over te nemen en Nederland daarmee minder aantrekkelijk te maken voor buitenlandse mogelijk foute tandartsen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 14 is er op dit moment geen tekort aan tandartsen. Ik zie dan ook geen aanleiding in overleg te treden met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), die verantwoordelijk is voor het vaststellen van het aantal opleidingsplaatsen voor tandartsen. Het staat buitenlandse tandartsen daarbij vrij om naar Nederland te komen. Binnen de Europese Economische Ruimte plus Zwitserland is er vrij verkeer voor werknemers. Er zijn Nederlandse tandartsen die naar het buitenland vertrekken en tandartsen die naar Nederland toekomen. Buitenlandse tandartsen moeten aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als Nederlandse tandartsen.
Te weinig capaciteit bij politie en Openbaar Ministerie om mensenhandel aan te pakken |
|
Michiel van Nispen (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er te weinig capaciteit is om mensenhandel aan te pakken?1
Er is een verdubbeling waarneembaar van het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden (CSV’s) tussen 2009 en 2014, onder andere op het thema mensenhandel. De resultaten bij de aanpak van mensenhandel zijn over de hele linie bezien positief: zo rapporteren OM en politie over 2013 174 projectmatige onderzoeken naar mensenhandel, tegen 82 in 2009. Ook het aantal strafopleggingen is fors gestegen.
Welke mogelijkheden hebben politie en het Openbaar Ministerie (OM) om het aantal gedwongen prostituees zo goed mogelijk in beeld te krijgen?
Om mensenhandel, waaronder gedwongen prostitutie, aan te pakken wordt ingezet op een integrale aanpak. Die aanpak bestaat uit zorg, preventie, bestuurlijke of strafrechtelijke aanpak, of een combinatie daarvan. Ook gaat het om gezamenlijke operationele acties en het creëren van de randvoorwaarden daarvoor. Zo houden OM, politie en bestuur grootschalige integrale handhavingsacties in raamprostitutiegebieden, maar ook landelijke acties, die zijn gericht op de aanpak van illegale prostitutie waarbij de contacten via het internet verlopen.
Er wordt veel nadruk gelegd op het oppikken van signalen van mensenhandel. Dit geldt voor hulpverlening, politie, gemeenten maar ook voor klanten van prostituees. Organisaties zoals Stichting M., het Centrum voor Criminaliteitspre-ventie en Veiligheid (CCV) en de RIEC’s spelen hierbij een grote rol door instanties en klanten te informeren over het signaleren van mensenhandel. Ook het nationaal verwijsmechanisme zal bijdragen aan verbeterde signalering.
Om de aangiftebereidheid te stimuleren wordt ingezet op het creëren van meer bewustwording over gedwongen prostitutie en mensenhandel in den brede. Door middel van voorlichting wordt een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het verkleinen van de drempel om aangifte te doen bij de politie.
In december 2014 start de pilot «verhoorstudio's in opvanglocaties» om te meten of hierdoor de aangiftebereidheid van slachtoffers van mensenhandel wordt vergroot. Tevens werkt de politie momenteel aan het (door)ontwikkelen van een webcrawler die geautomatiseerd advertenties op websites scant op mogelijke signalen van gedwongen prostitutie.
Welke mogelijkheden missen politie en het OM om het aantal gedwongen prostituees beter in beeld te brengen? Welke mogelijkheden kunnen beter worden ingezet dan nu wordt gedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel mensenhandelofficieren zijn er bij het OM? Deelt u de opvatting dat er nog onvoldoende gespecialiseerde officieren van justitie zijn? Zo nee, waarom niet?
Binnen het OM is mensenhandel al geruime tijd erkend als specialisatie.
Het OM heeft een landelijk officier van justitie en één senior advocaat-generaal beschikbaar die ieder een coördinerende en kwaliteitsbewakende functie vervullen met betrekking tot mensenhandelzaken.
Daarnaast is op elk parket één van de senior-officieren van justitie tevens portefeuillehouder mensenhandel. Minder complexe zaken op dit terrein worden echter ook door de andere officieren van justitie behandeld. Bij alle arrondissementsparketten, het Landelijk Parket en het Functioneel Parket parketten zijn verder teams ingericht die zich bezighouden met ondermijnende en high-impact criminaliteit, waaronder ook mensenhandel. Hierdoor is het niet mogelijk om aan te geven hoeveel capaciteit specifiek alleen voor mensenhandel wordt ingezet.
Zullen de bezuinigingen op het OM invloed hebben op de capaciteit en dus het aantal mensenhandelofficieren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik zie daarin geen oorzakelijk verband. De prestaties van het OM liggen op koers, ik verwijs hiervoor naar de voortgangsrapportage over de Versterking Prestaties Strafrechtketen (VPS) bij brief van 2 juli 20142. Voor het overige verwijs ik naar vraag 9.
Hoeveel mensenhandelteams zijn er bij de politie en uit hoeveel mensen bestaan deze teams? Deelt u de opvatting dat er nog onvoldoende gespecialiseerde agenten danwel teams zijn op het terrein van mensenhandel? Zo nee, waarom niet?
Nee. In iedere politie-eenheid is substantiële recherchecapaciteit beschikbaar, waaronder voldoende gespecialiseerde mensenhandel- en zedenrechercheurs, die flexibiliteit en slagkracht garandeert. De inzet kan worden afgestemd op wat landelijk, regionaal en lokaal nodig is.
Zullen de bezuinigingen op de politie invloed hebben op de capaciteit en dus op het aantal en grootte van de mensenhandelteams? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. In de Veiligheidsagenda 2015–2018 ligt een focus op het versterken van de geïntegreerde aanpak van ondermijning, waaronder mensenhandel.
Ik verwijs voor het overige naar het antwoord op vraag 10.
Klopt het dat er meer mensen nodig zijn om mensenhandel nog beter aan te pakken maar dat deze mensen er niet zijn? Zo ja, Hoe is dat te verklaren? Zijn er voldoende middelen om personeel te scholen of is er helemaal geen geld om meer gespecialiseerde mensen aan te nemen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe zal het OM mensenhandel als topprioriteit aan kunnen blijven pakken als de komende jaren tot maar liefst 114 miljoen euro zal worden bezuinigd op het OM?
De taakstelling van dit kabinet bedraagt voor het OM € 52 miljoen (mln). Deze gaat in 2016 in, en is als volgt opgebouwd: € 20 mln in 2016, oplopend naar € 40 mln in 2017, naar € 52 mln per 2018. De efficiencybesparingen zijn niet alleen gericht op geld. Het heeft ook ten doel om slimmer te werken, en overhead terug te dringen. Het Openbaar Ministerie zal binnen deze taakstelling mensenhandelzaken op een kwalitatief hoogwaardige wijze blijven afdoen. Hierop is de organisatie van de parketten en de sturing van de opsporing zo efficiënt mogelijk ingericht.
Hoe zal de politie mensenhandel als topprioriteit aan kunnen blijven pakken als komende jaren tot maar liefst 260 miljoen euro zal worden bezuinigd op de politie?
In de Veiligheidsagenda 2015–2018 ligt de focus op het versterken van de geïntegreerde aanpak van ondermijning, waaronder mensenhandel. De ombuigingen bij de politie liggen op het terrein van de bedrijfsvoering en doen niets af aan het vermogen van de politie mensenhandelzaken adequaat op te pakken.
Financiering van de nieuwe tropenopleiding |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tropenarts worden? Zelf betalen!»?1
Ja.
Wat is volgens u het belang van de nieuwe tropenopleiding, Internationale Gezondheidszorg en Tropische Geneeskunde (IGT)?
De opleiding tot Arts Internationale Gezondheidszorg en Tropengeneeskunde (IGT) focust op klinisch functioneren en/of leiding geven aan een ruraal ziekenhuis in een setting met beperkte mogelijkheden in een ontwikkelingsland. Deze arts heeft na het volgen van de opleiding met name kennis van infectieziekten, hun epidemiologie en bestrijding in tropische-, oorlogs- en crisisgebieden. Dat is kennis die waardevol is om in te zetten voor advisering en «hands-on» werk voor bestrijding in crisisgebieden. De opleiding leidt dan ook artsen op die na hun opleiding – al dan niet tijdelijk – buiten Nederland gaan werken.
Wat vindt u ervan dat Internationale Gezondheidszorg en Tropische Geneeskunde, een opleiding die door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) is erkend als opleiding tot profielarts, nog steeds geen duurzame financiering heeft gevonden?
Door de erkenning is de kwaliteit van de opleiding geborgd. Voor het opleiden van de artsen die nodig zijn voor een goede werking van het zorgstelsel is in publieke financiering voorzien. Voor publieke financiering komen nu de zorgopleidingen in aanmerking die opleiden voor zorg verleend op basis van de Zorgverzekeringswet, AWBZ of Wet publieke gezondheidszorg. De IGT- opleiding voldoet niet aan dit criterium. Datzelfde geldt voor forensisch artsen (die worden opgeleid voor justitiële taken), bedrijfsartsen etc., die worden opgeleid voor arbotaken. De artsen IGT worden immers primair opgeleid voor het leveren van zorg in het buitenland.
Cruciale onderdelen van de opleiding tot arts IGT zijn de klinische onderdelen obstetrie/gynaecologie, chirurgie of kindergeneeskunde in opleidingsziekenhuizen en een cursus tropische geneeskunde van drie maanden bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT). Tijdens de klinische onderdelen ontvangt de tropenarts-in-spe salaris van de werkgever als arts niet in opleiding. Deelname aan de KIT-cursus wordt sinds jaar en dag betaald door degenen die de opleiding volgen of door de uitzendende organisaties. Er is derhalve sprake van publiek-private financiële mix. Zoönosen en infectieziekten vragen toenemend aandacht doordat zij, door toegenomen reisbewegingen en internationale uitwisseling van dieren en dierlijke producten, impact kunnen hebben op de Nederlandse zorg. Ik bekijk momenteel of de huidige capaciteit toereikend is.
De huidige financiering uit private middelen is op zich duurzaam te noemen. Er zijn in de zorgsector andere voorbeelden van eigen bijdragen voor het volgen van een vervolgopleiding. Bij terugkeer kunnen de artsen IGT in de Nederlandse zorg werken als basisarts of zich verder specialiseren. Zij zullen daarin dus niet als tropenarts werkzaam zijn. Hun eventuele medisch specialistische vervolgopleiding kan in aanmerking komen voor publieke financiering op een subsidiabele opleidingsplaats.
Wat vindt u ervan dat de IGT-opleiding volledig wordt gefinancierd door bijdragen van verenigingsleden, studenten en (onbetaalde) docenten?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u ervan dat studenten die tropenarts (AIGT) willen worden daar, na hun opleiding en coschappen, zelf bijna 7.000 euro voor moeten betalen en daarna vaak onbezoldigd of tegen een beperkte vergoeding enige tijd in het buitenland werken?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat artsen Internationale Gezondheidszorg en Tropische Geneeskunde en de ervaring die zij elders opdoen van groot belang kunnen zijn voor de nationale omgang met ziekten als Ebola?
Er is in Nederland kennis over infectieziekten en hun bestrijding voor wat betreft de Nederlandse situatie. Kennis van uitheemse en importziekten is onderdeel van de reguliere basisartsopleiding. Bovendien bestaat reeds de specifieke opleiding tot arts infectieziektebestrijding. De artsen infectieziektebestrijding zijn veelal werkzaam bij GGD’en en richten zich op het voorkomen van infectieziekten en doelmatige bestrijding van uitbraken van diverse besmettelijke ziekten. De curatieve zorg aan patiënten met uitheemse en importziekten wordt in de reguliere eerstelijns- en tweedelijnszorg geboden. Nederland beschikt over diverse centra voor tropische geneeskunde en importziekten veelal verbonden aan universitaire medische centra.
Bij een uitbraak van infectieziekten is de landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) bij het RIVM als landelijk kenniscentrum verantwoordelijk voor de inhoudelijke advisering van overheid en zorgaanbieders over hoe deze uitbraak het beste kan worden bestreden. De LCI draagt bij aan het onderhoud en de inrichting van het professionele bestrijdingsnetwerk bestaande uit onder meer deskundigen van GGD’en en zorginstellingen en eerstelijnszorgprofessionals.
GGDen doen momenteel onderzoek naar de infrastructuur, de robuustheid en waar eventuele hiaten in kennis, kunde of beschikbaarheid zitten. Ik wacht hun onderzoek af. Naar verwachting ontvang ik het onderzoek aan het einde van het jaar.
Erkent u dat artsen Internationale Gezondheidszorg en Tropische Geneeskunde bij terugkomst toegevoegde waarde hebben voor het leveren van verzekerde zorg in Nederland?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met het Opleidingsinstituut Internationale Gezondheidszorg en Tropische Geneeskunde over de mogelijkheden om tot structurele en duurzame oplossing te komen voor de financiering van de opleiding?
Zoals ik heb aangegeven bij het AO infectieziektebestrijding van 26 november 2014 zie ik geen aanleiding om de opleiding te financieren. Hierover heb ik ook gecommuniceerd met de Nederlandse Vereniging voor Tropische Geneeskunde en Internationale Gezondheidszorg.
Conform mijn toezegging is nagegaan wat op dit punt het beleid is van het Ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Uitgangspunt voor de steun vanuit Nederland is dat de verantwoordelijkheid voor de gezondheidszorg en structurele verbetering daarvan bij de ontwikkelingslanden zelf ligt. Daarop concentreert de Nederlandse hulp zich. Nederland verstrekt beurzen aan gezondheidsprofessionals uit ontwikkelingslanden, draagt bij aan internationale programma’s voor de opbouw van publieke gezondheidszorg en investeert in ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen en vaccins. Nederland investeert niet in de tijdelijke uitzending van medische ontwikkelingswerkers. Via (medische) ontwikkelingsorganisaties worden er wel Nederlandse artsen uitgezonden. Daarvoor was en is er de opleiding tot tropenarts. Die wordt echter niet gefinancierd uit het Nederlandse ontwikkelingsbudget. De middelen voor ontwikkelingssamenwerking zijn bedoeld voor besteding in de ontwikkelingslanden zelf en niet voor opleidingen in Nederland van Nederlandse experts.
In het kader van de nieuwe crisisteams onder de WHO wordt bezien of dit voldoende is of dat er meer moet gebeuren.
Het wapenembargo tegen Rusland, de Franse Mistraldeal en samenwerking tussen Europese wapenleveranciers en Russische strijdkrachten |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht «First Mistral Helicopter Carrier to Enter Russian Navy in 2014: Official» waarin Rusland beweert dat het eerste Mistral vliegdekschip nog in 2014 aan de Russen zal worden geleverd?1 Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het in de zomer afgekondigde wapenembargo waarna de Franse President aangaf de twee Mistrals voorlopig niet te zullen leveren?2 Zo nee, kan met zekerheid worden gesteld dat de Fransen de levering van de Mistrals niet zullen laten plaatsvinden zolang het embargo tegen Rusland van kracht is?
Het kabinet heeft kennis genomen van deze persberichten. Uiteindelijk is het aan de Franse regering om te besluiten of en wanneer het bewuste schip aan Rusland afgeleverd wordt, maar het kabinet deelt de huidige Franse opvatting dat de omstandigheden er nu niet naar zijn om tot levering van de schepen over te gaan.
Het wapenembargo tegen Rusland is niet-bindend voor contracten van voor 1 augustus 2014. Frankrijk is voor deze transactie dus niet gebonden aan dit wapenembargo. Dat laat onverlet dat de Franse regering tot de conclusie kan komen dat de levering geen doorgang kan vinden.
In hoeverre zijn de Fransen op basis van het wapenembargo tegen Rusland gebonden aan bevriezing van de Mistraldeal met de Rusland?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u tevens kennisgenomen van het bericht «European arms manufacturers interested in close cooperation with Russia»?3 Zo ja, hoe past samenwerking tussen Europese wapenleveranciers en de Russische strijdkrachten in het Europese wapenembargo tegen Rusland?
Ja, de uitspraken in dit bericht van de Russische nieuwsorganisatie TASS zijn gedaan door de heer Sergey Ladygin, plaatsvervangend directeur-generaal Rosoboronexport, een Russisch staatsbedrijf verantwoordelijk voor de export van militaire goederen van Russische makelij.
Het wapenembargo tegen Rusland kent een aanzienlijke reikwijdte. Het verbiedt de verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van militaire goederen aan Rusland. Het verbiedt ook technische bijstand, tussenhandelsdiensten of andere diensten die verband houden met militaire activiteiten en militaire goederen alsook de financiering en financiële bijstand hiervan. Europese bedrijven zijn zich zeer bewust van de beperkingen die voortvloeien uit het embargo.
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot het wapenembargo tegen de Russen zowel wat betreft de looptijd als wat betreft de naleving?
Het besluit betreffende beperkende maatregelen, inclusief het wapenembargo, naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, zoals aangenomen door de Raad van de Europese Unie op 31 juli 2014 (Besluit 2014/512/GBVB) en beschreven in de Kamerbrief van 6 augustus 2014 (Kamerstuk 21 501-20, nr. 902) is van toepassing tot en met 31 juli 2015.
Dit besluit wordt voortdurend geëvalueerd. Bij de aankondiging van het meest recente sanctiepakket op 12 september jl. beklemtoonde de voorzitter van de Europese Raad Van Rompuy dat het pakket schaalbaar en omkeerbaar is, afhankelijk van de situatie ter plaatse. Meest recentelijk besprak de Europese Raad (ER) van 23 en 24 oktober 2014 de situatie in Oekraïne. De ER zag toen geen reden voor het aanpassen van het geldende sanctieregime, maar zal dit voortdurend blijven toetsen aan de ontwikkelingen.
Handhaving van het EU-wapenembargo is de competentie van individuele EU-lidstaten. Het kabinet heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat andere EU-lidstaten zich niet houden aan het wapenembargo tegen Rusland.
Welke Europese leveringen aan Rusland van boven de 1 miljoen euro vinden alsnog plaats nu het wapenembargo tegen Rusland geen terugwerkende kracht heeft?4
Het kabinet heeft geen inzicht in leveringen van boven de 1 miljoen euro vanuit EU-lidstaten op basis van voor 1 augustus 2014 gesloten contracten.
Gaat u zich in Europees verband hard maken om het afgekondigde Europese wapenembargo streng na te leven en te monitoren? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
De implementatie van alle genomen maatregelen, inclusief het wapenembargo, is regelmatig onderwerp van gesprek in Brussel. Nederland zet zich actief in voor een effectieve naleving van het wapenembargo en andere maatregelen, onder andere door uitvoeringsproblemen aan de orde te stellen.
Monddood maken van advocaten door Saoedi-Arabië |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Saudi lawyers jailed, banned from media over tweets»?1
Ja.
Op grond van welke feiten zijn deze advocaten veroordeeld tot acht respectievelijk vijf jaar gevangenisstraf?
De drie advocaten zijn onder andere veroordeeld voor het ondermijnen en beledigen van de rechterlijke macht en de islamitische sharia en het ondermijnen van de openbare orde via Twitter en andere sociale media.
Houden deze veroordelingen naar uw mening een inbreuk op het grondrecht van vrije meningsuiting in? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u deze inbreuk aan de kaak stellen?
Het recht van vrije meningsuiting staat onder druk in de Golfregio, inclusief in Saoedi-Arabië waar dit recht een belangrijk zorgpunt blijft. Dit onderwerp is ook opgebracht door de mensenrechtenambassadeur tijdens zijn laatste bezoek aan dit land in 2013 (Kamerstuk 31 263, nr. 57). Nederland staat daarnaast in nauw contact met EU-partners over deze specifieke zaak. De veroordeelde advocaten hebben nog de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.
Hoe beoordeelt u het aan deze advocaten opgelegde reisverbod en het verbod om in de media op te treden? Deelt u de mening dat ook daardoor grondrechten worden geschonden? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u deze inbreuken aan de kaak stellen?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u achterhalen welke advocaten het betreft en of zij bekend staan als mensenrechtenverdedigers? Zo neen, waarom niet?
Het gaat om de drie mensenrechtenverdedigers Abdulrahman Al- Subaihi, advocaat en voormalig professor, Bander Alnogaithan, advocaat en voormalig universitair docent, Abdulrahman Al- Rumaih, voormalig rechter.