De uitspraken van dhr. Gommers dat hij over 10 dagen code zwart verwacht |
|
Eva van Esch (PvdD), Pieter Omtzigt , Lisa Westerveld (GL), Fleur Agema (PVV), Maarten Hijink , Kees van der Staaij (SGP), Attje Kuiken (PvdA), Nicki Pouw-Verweij (JA21), Sylvana Simons (BIJ1), Liane den Haan (GOUD), Geert Wilders (PVV), Nilüfer Gündoğan (Volt) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van dhr. Gommers, lid van het Outbreak Management Team (OMT) en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC), die bij de expertmeeting in de Tweede Kamer op 23 november jl. vertelde dat hij binnen tien dagen «code zwart» verwacht, dat het maatregelenpakket van begin november niet gewerkt heeft?
Ja.
Over welke informatie beschikt u dat u beweert dat we ver verwijderd zijn van code zwart (Minister van VWS, maandag 22 november), terwijl mensen die over tien dagen in het ziekenhuis liggen of op de Intensive Care (IC), nu al besmet zijn en we die aantallen niet eens kunnen verminderen met welke maatregel dan ook?
Om inzicht te krijgen in de huidige situatie maak ik gebruik van de gegevens die worden verzameld onder andere door het Landelijke Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding (LCPS) en de toezichthouders, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Ook ben ik constant in gesprek met veldpartijen, om scherp zicht te houden op de actuele situatie op de werkvloer in verschillende zorgsectoren. Op basis van deze cijfers en beelden is het duidelijk dat de druk op de zorg toeneemt. Om deze reden is op 26 november jl. fase 2d afgekondigd. In fase 2d nemen we maximaal maatregelen om de capaciteit in de zorg uit te breiden, om zo fase 3 te voorkomen. De regulier planbare zorg (klasse 4 en 5) in de ziekenhuizen zal volledig afgeschaald worden, zodat zorgverleners ingezet kunnen worden daar waar zij het meest nodig zijn. De IC-capaciteit wordt verder opgeschaald. Deze maatregelen helpen om een scenario te voorkomen dat we in fase 3a of b komen of uiteindelijk fase 3c (welke ook wel «code zwart» genoemd wordt). Met het beantwoorden van deze Kamervragen voldoe ik ook aan het verzoek van uw Kamer van 23 november jl. om te reageren op de oplopende druk in de zorg.
Hoe beoordeelt u het feit dat we het hoogst aantal besmettingen ooit hebben vastgesteld met een percentage positief van meer dan 20% en dat velen niet kunnen testen vanwege de lange wachttijden en de afstanden naar de teststraat?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik uw Kamer naar de passage over de GGD testcapaciteit in de Maatregelenbrief van 26 november jl.
Hoe beoordeelt u de consequenties van het niet of te laat kunnen testen t.o.v. het aantal besmettingen en de bestrijding van COVID-19?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik uw Kamer naar de passage over de testdrukte en zicht op het virus in de Maatregelenbrief van 26 november jl.
Bent u bekend met de vele noodkreten uit ziekenhuizen, van huisartsen, verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg (VVT) en anderen in de zorg?
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik spreek dagelijks met allerlei partijen in de zorg over deze noodkreten.
Hoe komt het dat Nederland (0,1 miljoen boosterprikken) heel ver achter loopt met vrijwillige boosterpikken in vergelijking met bijvoorbeeld Duitsland (meer dan 5 miljoen), België (1 miljoen), het VK (15 miljoen)?
Situaties in verschillende landen laten zich niet altijd één op één vergelijken. In landen waar al is gestart met de booster, gaat het deels om het aanbieden van derde prikken aan mensen met een zeer verzwakt immuunsysteem. Dat gebeurt in Nederland ook al sinds 6 oktober jl. We hebben in het voorjaar de eerste vragen over de booster bij het OMT en de Gezondheidsraad neergelegd. In juni 2021 concludeerden zowel het OMT als de Gezondheidsraad dat een booster nog niet aan de orde was. De Gezondheidsraad heeft op 14 september jl. een advies uitgebracht waarin werd benadrukt dat de vaccins in Nederland nog steeds heel goed beschermen tegen ziekenhuisopname en ernstige ziekte. De Gezondheidsraad gaf toen aan dat een booster voor de algehele bevolking niet nodig was (een derde prik voor immuungecompromiteerden wel, zij krijgen sinds oktober 2021 een boostervaccinatie). De Gezondheidsraad benadrukte toen ook dat op dat moment de COVID-19 gerelateerde ziekenhuisopnames voornamelijk bestonden uit ongevaccineerde mensen. De ongevaccineerden zijn gebaat bij een primaire vaccinatie en voor hen zal een eventuele boostervaccinatie geen of nauwelijks effect hebben. Het advies was daarom ons te richten op het ophogen van de vaccinatiegraad, onder andere door het doorgaan met fijnmazig vaccineren. Wel heeft de Gezondheidsraad geadviseerd alvast te anticiperen op een mogelijke booster. Dat hebben we ook gedaan. Ik heb het RIVM en de GGD gevraagd dit voor te bereiden, en het RIVM heeft steeds gemonitord hoe het ervoor stond met de vaccineffectiviteit. Toen de allereerste signalen binnenkwamen van een mogelijke zeer kleine afname in de effectiviteit, bij de oudste ouderen, heb ik de Gezondheidsraad opnieuw om advies gevraagd. Op 2 november jl. heeft de Gezondheidsraad geadviseerd te starten met de booster voor 60-plussers, de oudste ouderen eerst. Op 18 november is de boostercampagne van start gegaan. Ook in het advies dat de Gezondheidsraad op 25 november jl. heeft uitgebracht, geeft de raad aan dat de huidige COVID-19-vaccins de algemene bevolking nog goed beschermen tegen ernstige ziekte. Ik wil nogmaals benadrukken dat de Gezondheidsraad benoemt «dat een boostercampagne op dit moment een relatief beperkt effect zal hebben op het aantal besmettingen». Ook geeft de Gezondheidsraad aan dat «het advies niet moet worden gezien als een instrument om de huidige besmettingsgolf te lijf te gaan.» Daarnaast blijft het belangrijk om te benadrukken dat de cijfers nog steeds heel goede bescherming bieden tegen ernstige ziekte en ziekenhuisopname. Dat zien we ook terug in de cijfers van het RIVM.
Is er een relatie tussen deze achterstand van boosteren tussen de GGD en het gebrek aan personeel om dit logistiek snel te regelen?
De boostercampagne is na het advies van de Gezondheidsraad op 2 november jl. op 18 november jl. van start gegaan. De GGD richt het proces voor de boostercampagne in. Dit doen GGD’en naast het fijnmazig vaccineren en opschalen van testcapaciteit. Tijdens de piek van het vaccineren waren er ca. 35.000 medewerkers werkzaam op de GGD-vaccinatielocaties. Na de massacampagne, waarin 1,5 miljoen prikken per week gezet werden, is er afgeschaald naar 7.000 medewerkers in de fase dat er nog enkele honderdduizenden prikken per week gezet werden, het niveau waar de GGD’en in oktober nog op zaten. GGD’en hebben in razendsnel tempo opgeschaald om op 18 november te kunnen starten met de boostercampagne. Dit is 2,5 week na het advies van de Gezondheidsraad. De komende periode schalen de GGD’en voor de boostercampagne verder op naar de maximale personele capaciteit die te realiseren is. De arbeidsmarkt is ingewikkelder geworden, waarbij er een tekort is aan medici, zowel vaccineerders als artsen. Ook het werven van mensen voor het callcenter kost extra inspanningen gezien de grote vraag naar callcentermedewerkers in de hele markt. Het kost de GGD dus meer tijd om personeel aan te trekken. Daarnaast kost het opleiden van mensen eveneens tijd.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het aantal besmettingen en ziekenhuisopnames afneemt onder oudere groepen in het VK en België die een Boosterprik gehad hebben?
Ja.
Wat gaat u eraan doen om code zwart te voorkomen en om ervoor te zorgen dat er de komende maanden een fatsoenlijke hoeveelheid niet-COVID zorg geleverd kan worden en dat de zorg niet volledig uitgeput raakt?
Het kabinet heeft op landelijk niveau maatregelen genomen, zoals beschreven in de maatregelenbrief van 26 november, om de besmettingen en additionele opnames in de ziekenhuizen terug te brengen. Daarnaast worden binnen de zorgsector in fase 2d verschillende acties ondernomen om de maximale zorgcapaciteit te benutten en de (semi-)acute zorg, zowel voor COVID- als non-COVID-patiënten, te waarborgen en zo veel mogelijk (IC-afhankelijke) kritiek planbare zorg te kunnen verlenen. Om dit te realiseren is het helaas noodzakelijk dat planbare zorg wordt afgeschaald. Er wordt maximaal samengewerkt in de regio en in de keten en COVID-patiënten worden verspreid om de druk gelijkmatig te verdelen.
Wat gaat u concreet doen om het zorgpersoneel overeind te houden de komende maanden en om ze te behouden voor de zorg?
Ik heb grote waardering voor al die zorgprofessionals die al sinds het begin van de crisis zijn opgestaan om te doen wat nodig is: zo goed als mogelijk en onder vaak moeilijke omstandigheden zorg blijven bieden aan eenieder die dat nodig heeft. Om zorgprofessionals daarin zo goed mogelijk te ondersteunen en ze te behouden voor de zorg, zet ik diverse crisisinstrumenten en -maatregelen in. Dit doe ik langs vijf lijnen. De eerste en belangrijkste is het verminderen van de druk op de zorg door landelijke maatregelen om het coronavirus in te dammen en zo het aantal besmettingen te verminderen. De tweede is het zo goed mogelijk verdelen van de druk op de zorg en daarmee van de druk op de zorgprofessionals, door het spreiden van patiënten en het bevorderen van samenwerking in de hele keten. De NZa en IGJ zien hier op toe. De derde lijn betreft financiële en juridische ruimte voor het zo creatief mogelijk vergroten en benutten van de personele capaciteit. Dit doe ik onder andere met de subsidieregeling voor de opschaling van de IC’s. Tevens heb ik een tweetal tijdelijke BIG-maatregelen genomen om de zorgprofessionals te ontlasten, namelijk het opschorten van de herregistratieverplichting voor de artikel 3 BIG-registreerde zorgprofessionals en het zelfstandig inzetten van voormalig artsen en verpleegkundigen, onder specifieke voorwaarden. Zo kan gewerkt worden aan het ontlasten van zorgprofessionals, bijvoorbeeld door middel van inzet van buddies op de IC. De vierde lijn is de gerichte inzet van de Nationale Zorgreserve bij zorgorganisaties in nood en bij regionale en bovenregionale COVID-capaciteit. De inzet van reservisten is momenteel nog beperkt, aangezien de Nationale Zorgreserve nog in opbouw is. Als last resort is inzet van Defensie mogelijk. De vijfde lijn is de ondersteuning van de mentale gezondheid. In aanvulling op hetgeen reeds beschikbaar is binnen de eigen organisatie voor zorgprofessionals, faciliteer ik verschillende landelijke initiatieven, zoals het contactpunt «psychosociale ondersteuning voor zorgprofessionals» van psychotrauma centrum ARQ-IVP.
Kunt u aangeven wat uw huidige inschatting is over de noodzaak om fase 3 in het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ) opschalingsplan te activeren? Vanaf welk moment en bij welke bezetting van de klinische capaciteit is het noodzakelijk om fase 3 te activeren?
Zoals bekend blijven de cijfers wat betreft besmettingen en ziekenhuisopnames als gevolg van COVID-19 toenemen. Op dit moment liggen er 960 patiënten op de IC, waarvan 563 patiënten met covid-19. Hierdoor ontstaat een steeds grotere druk op de zorg, daarom heeft het dagelijks bestuur van Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ) mij eerder verzocht om op te schalen naar fase 2d van het «Opschalingsplan COVID-19» van de LNAZ1. Het Opschalingsplan dient ertoe dat we – ondanks de toenemende druk – toch de zorg zo veel als mogelijk toegankelijk houden voor mensen met een dringende of acute zorgvraag. In fase 2d zetten we in op regionale én landelijke aangepaste spreiding, maximale opschaling van IC-beddencapaciteit tot 1350 IC-bedden en bijbehorende klinische capaciteit, volledige afschaling van reguliere planbare zorg in de ziekenhuizen (klasse 4 en 5 volgens het raamwerk van de Federatie Medisch Specialisten2), waar verantwoord het afschalen van kritiek planbare zorg (klasse 3), maximale samenwerking, het maximaal verminderen van de instroom en het bevorderen van de uitstroom van patiënten.
Pas als al deze stappen uit fase 2d onvoldoende effect hebben om de continuïteit van (acute) zorg te waarborgen, zou er sprake van kunnen zijn dat fase 3 afgekondigd wordt. Het is nu niet mogelijk om exact aan te geven wanneer sprake zal zijn van een crisis ten aanzien van de landelijke zorgcontinuïteit, dit is namelijk van verschillende factoren afhankelijk. Daarom kan ik geen specifieke cijfers noemen wat betreft de bezetting van de klinische capaciteit in relatie tot de afkondiging van fase 3. Dit gezegd hebbende is het goed om te weten dat er op dit moment nog geen indicatie is dat op korte termijn fase 3 afgekondigd zal moeten worden.
Hoe snel kunnen medische mondneusmaskers worden uitgedeeld aan mensen in de zorg, de openbare orde en medewerkers die niet thuis kunnen werken, wanneer fase 3 in het LNAZ opschalingsplan nodig is?
In het geval de zorg niet meer bij hun reguliere leveranciers terecht kan, dan kan er bij het Bureau Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH) besteld worden en wordt het de volgende dag geleverd. Het Bureau LCH is primair voor het leveren van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) aan de zorg. Mocht het nodig zijn dat er aan de medewerkers in de openbare orde geleverd moet worden, dan is het logistiek ook mogelijk om dat te realiseren.
Kunt u aangeven in welke mate de voorraden voor medicatie, zuurstof, en andere middelen op orde zijn als mensen thuis moeten blijven, wanneer fase 3 in het LNAZ opschalingsplan nodig is?
De beschikbaarheid van COVID-gerelateerde geneesmiddelen wordt gevolgd door het Landelijk Coördinatiecentrum Geneesmiddelen (LCG). Momenteel monitoren zij de Corona Crisis Voorraad (CCV) aan geneesmiddelen in Nederland. Dit is een in ziekenhuizen aanwezige voorraad van COVID-geneesmiddelen die vijf maanden regulier en drie maanden piekgebruik kan opvangen. Zo is er een grote hoeveelheid zuurstofapparaten naar de zuurstofleveranciers gegaan voor de behandeling van COVID-patiënten in de thuissituatie. De zuurstofleveranciers hebben daar nog voldoende van op voorraad. Daarnaast staat er nog een voorraad zuurstofapparaten bij het Bureau LCH die direct uitgeleverd kan worden, mocht de situatie nog nijpender worden. Op het moment dat er extramuraal tekorten dreigen, melden partijen dit ook bij het LCG. Het LCG bekijkt dan of acties rondom coördinatie of herverdeling aan de orde zijn.
Kunt u garanderen dat de openbare orde rondom zorginstellingen, zoals huisartsenpraktijken, de verpleeghuizen, en ziekenhuizen bewaakt kan worden als de zorg vastloopt?
Het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ) heeft aandacht voor de mogelijke noodzaak tot het beveiligen van zorginstellingen. Hierover wordt het gesprek gevoerd met de ROAZ-voorzitters. Daarnaast voeren de Directeuren Publieke Gezondheid (DPG’en) als linking pin tussen de domeinen zorg en veiligheid het gesprek met de voorzitters van de veiligheidsregio’s. De DGP’en informeren de veiligheidsregio over de opschaling naar fase 2d en de situatie in de brede zorg. De beveiliging van zorginstellingen is hierbij een belangrijk bespreekpunt. Het gesprek over openbare orde in relatie tot de zorg wordt ook gevoerd binnen het strategisch overleg van veiligheidsregio’s.
Is de gemandateerde centrale regie rondom patiëntenspreiding volledig gewaarborgd en georganiseerd?
Ja. In het «Tijdelijk beleidskader voor het waarborgen acute zorg in de COVID-19 pandemie»3 van oktober 2020 is afgesproken dat het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding (LCPS) verantwoordelijk is voor het spreiden van COVID-patiënten over de regio’s. Het LCPS bepaalt daartoe de landelijke capaciteit die nodig is en hoe deze over de regio’s worden verdeeld. In de regio’s wordt gezorgd dat deze capaciteit beschikbaar is. Dit is geen vrijblijvende afspraak en alle partijen hebben zich aan deze afspraak gecommitteerd. Alle ziekenhuizen zetten zich hier elke dag voor in. Op 19 november 2021 is een aanvulling op dit tijdelijk beleidskader aan uw Kamer gestuurd4, waarin aanvullend is afgesproken dat binnen elke regio bij het spreiden van COVID-patiënten rekening wordt gehouden met het borgen van IC-afhankelijke kritiek planbare zorg. Het spreiden van patiënten verliep begin november stroef, vanwege de snelle stijging van het aantal COVID-patiënten, het streven om reguliere zorg zo lang mogelijk door te laten gaan en het hoge ziekteverzuim bij zorgprofessionals. Na ingrijpen van de NZa en de IGJ op 5 november jl., waarin ROAZ-voorzitters per brief zijn gewezen op hun verantwoordelijkheid om klinische en IC-bedden aan te bieden voor bovenregionale spreiding van COVID-patiënten, verloopt het spreiden weer beter.
Bent u bereid om binnen drie weken eindelijk een middellange termijn strategie te presenteren over corona, zodat u niet constant overvallen wordt?
Op 14 september jl. is uw Kamer geïnformeerd over de Aanpak Najaar. In deze aanpak is aan de hand van verschillende scenario’s, zoals ook aangeraden in het recente advies van de WRR/KNAW, uitgewerkt hoe we dit najaar voor ons zien en duiden. Daarbij beschouwen we het scenario waarin we de komende tijd te maken blijven houden met oplevingen van het virus als het meest reële scenario. Binnen dit specifieke scenario zijn verschillende niveaus onderscheiden voor wat betreft de epidemiologische ernst. Aan deze niveaus zijn vervolgens bepaalde sets met maatregelen gekoppeld. Het streven bij de Aanpak Najaar is om oplevingen van het virus zo veel als mogelijk te beheersen, en tegelijkertijd de samenleving zo veel als mogelijk geopend te houden en maatschappelijke activiteiten daarmee doorgang te laten vinden. De ontwikkeling van de strategie, alsook de elementen die er onderdeel vanuit maken, zoals beschreven in de Aanpak Najaar, staat daarbij niet stil. Wat betreft de ontwikkeling van nieuwe maatregelen heeft het kabinet verschillende wetsvoorstellen voorbereid die onlangs naar uw Kamer zijn gestuurd. Deze wetsvoorstellen beogen een bredere inzet van een coronatoegangsbewijs (CTB) op basis van 3G, alsook een juridische mogelijkheid tot het gericht inzetten van een 2G-CTB in bepaalde sectoren. De overkoepelende strategie zoals die wordt beschreven in de Aanpak Najaar achten we nog steeds actueel en van belang. We leggen onze focus momenteel op de bestrijding van de epidemie langs de uitgezette beleidskaders. Mochten deze beleidskaders volgens u een herijking vereisen, dan zijn we uiteraard graag bereid daarover het gesprek met uw Kamer te voeren.
Kunt u deze vragen voor donderdag 25 november 14.00 uur beantwoorden?
De beantwoording was niet mogelijk in één dag, maar is u zo snel als mogelijk toegezonden.
De handhaving van het coronatoegangsbewijs en zwemles |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat zwemles een essentieel onderdeel is van de ontwikkeling van een kind? En dat in een waterrijk land als Nederland, het een essentiële zaak is dat 45.000 kinderen tussen 11–16 jaar en een onbekend aantal kinderen tot 11 jaar nog geen zwemdiploma heeft?
Ja, ieder kind moet in Nederland (goed) kunnen zwemmen.
Zo ja, kunt u uitleggen waarom er voor zwemles een coronatoegangsbewijs wordt gevraagd, en dus een ander regime geldt dan voor onderwijs op school?
Voor de publieke binnenruimte van een locatie voor de beoefening van sport (waaronder ook de kleedkamers) geldt vanaf 18 jaar een CTB-plicht voor het publiek. En omdat zwemles in een dergelijke locatie gegeven wordt, geldt ook voor deze activiteit en haar bezoekers de CTB-plicht. Dit heb ik op 15 november ook aangegeven in antwoord op vragen van de leden Van Nispen en Hijink (2021Z19607 ingezonden 5 november 2021).
Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bekend met berichtgeving vanuit de sector en in diverse media waarin wordt gevreesd dat kinderen van zwemles worden gehaald omdat ouders of begeleiders geen coronatoegangsbewijs hebben?
Ja daar ben ik mee bekend.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat wachtlijsten voor zwemlessen weer oplopen, net zoals tijdens de lockdown?
De kinderen die zelf kunnen omkleden, kinderen van gevaccineerde ouders en kinderen van ouders die op andere wijze een CTB kunnen tonen, kunnen gewoon de zwemles blijven volgen. Hoewel dit voor de overige kinderen natuurlijk zeer onwenselijk is, voorzie ik hier geen grote gevolgen voor de wachtlijsten voor zwemles als geheel omdat deze groep beperkt is.
Bent u bereid om zwemles als essentieel te bestempelen, zodat zwemles voor alle kinderen beschikbaar blijft, ongeacht of ouders/vrijwilligers/zwemleraren zijn gevaccineerd?
Het blijft voor ieder kind en iedere volwassene ontegenzeggelijk van groot belang om zwemvaardig te zijn. Wanneer kinderen hulp nodig hebben bij het omkleden voorafgaand aan de zwemles is voor de ouders een CTB vereist. Dat betekent dat ouders die niet gevaccineerd zijn een negatieve test of een herstelbewijs moeten hebben.
Bent u bereid om met de verschillende partijen uit de sector om tafel te gaan om te bezien hoe zwemles wel veilig kan worden gegeven zonder coronatoegangsbewijs?
Ik ben in regelmatig contact met de Nationale Raad Zwemveiligheid die het overgrote deel van de zwembaden, zwemlesaanbieders en werknemers in de zwembadbranche vertegenwoordigd over de veilige invulling van zwemlessen. Daarin is zwemles zonder CTB geen onderwerp, maar het protocol veilig zwemmen wordt continu geüpdate op basis van de geldende maatregelen.
Hoe wordt zicht gehouden op sportdeelname van volwassenen en kinderen? Deelt u de zorgen dat dit weleens kan dalen als gevolg van de maatregelen?
Sinds maart 2020 rapporteert het Mulier Instituut ieder half jaar de gevolgen van de coronacrisis voor de sportwereld. Daarbij kijken ze ook naar de gevolgen van de maatregelen voor de sportdeelname. Aanvullend voert het RIVM iedere zes weken een onderzoek uit naar gedragsveranderingen in tijden van corona waaronder ook sport- en beweeggedrag valt. En tenslotte peilt NOC*NSF iedere maand de sportdeelname onder de Nederlandse bevolking.
Bent u het eens dat juist voor mensen met een handicap sporten en sociale activiteiten van essentieel belang zijn en uitsluiting van het sociale leven voor hen vaak enorme negatieve gevolgen heeft? Welk beleid is er voor sporters en bezoekers met een handicap, die om welke reden dan ook geen coronatoegangsbewijs hebben? Zijn er specifieke afspraken gemaakt over G-teams? Wat gaat u doen om te zorgen dat juist mensen met een handicap als sporter en als bezoeker bij clubs kunnen komen?
Voor iedereen ligt het risico op uitsluiting van het sociale leven op de loer bij maatregelen ter bestrijding van de verspreiding van het coronavirus, maar bij de groep die u benoemt in het bijzonder. In het geval dat sporters met een handicap begeleiding nodig hebben bij de beoefening van hun sportactiviteit dan zijn deze begeleiders toegestaan op het sportpark, ook als ze zelf geen sport beoefenen. Dit geldt ook voor G-teams, wanneer begeleiders nodig zijn, dan zijn deze (ook zonder CTB) toegestaan. Verder geldt op dit moment dat supporters, al dan niet met een beperking, bij sportwedstrijden niet zijn toegestaan.
Hoe verwacht u dat zwembaden en sportverenigingen het coronatoegangsbewijs goed kunnen handhaven? Zijn daar voldoende vrijwilligers voor? Krijgen ze hulp van gemeenten of de landelijke overheid? Hoe ziet dit eruit?
Het uitgangspunt van de CTB-plicht is dat bezoekers primair zelf verantwoordelijk zijn voor de naleving van de gestelde maatregelen. Daarbij zijn ter ondersteuning voor de aanbieders door NOC*NSF en NRZ protocollen opgesteld. Hoewel dat op veel plaatsen goed lukt, ontvang ik ook signalen dat verenigingen het lastig vinden dit met vrijwilligers te organiseren. Als het niet lukt om met eigen vrijwilligers, in samenwerking met de exploitant van de accommodatie, andere verenigingen of met behulp van externe krachten dit te organiseren, dan kan in overleg met de gemeente nagedacht worden over een doelmatige inzet van derden. Dit kan worden gefinancierd uit het budget van 45 miljoen euro dat het kabinet in september beschikbaar stelde aan de gemeenten om handhavingskosten te dekken.
Verwacht u dat het coronatoegangsbewijs genoeg gehandhaafd gaat worden bij verenigingen om van toegevoegde waarde te zijn in de bestrijding van het coronavirus? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten? Zo nee, wat is dan de reden van invoering van het coronatoegangsbewijs bij verenigingen?
Ik verwacht dat dit gehandhaafd wordt. De toepassing van het CTB zorgt er namelijk voor dat sectoren, waaronder sport, op een veiligere wijze georganiseerd kunnen worden en open kunnen blijven. Zo probeert het kabinet op advies van het OMT te voorkomen dat extra maatregelen genomen moeten worden of bepaalde sectoren weer volledig gesloten moeten worden. Dat is ook voor de mensen die sport beoefenen uiterst onwenselijk en het kabinet wil dat met maatregelen, zoals het CTB, voorkomen. Handhaving is dus in het belang van de sportwereld en sporters in het bijzonder.
Wat zijn de gevolgen voor sportverenigingen wanneer zij de controle onvoldoende voor elkaar krijgen? Krijgen zij dan een boete? Bent u ermee bekend dat sportverenigingen vaak óók een boete moeten betalen als een team (noodgedwongen) uit de competitie moet stappen? Wie draait op voor deze kosten?
In een rondgang langs enkele sportbonden hebben de onderzoekers van de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) geconcludeerd dat in de eerste twee weekenden waarin sporters CTB-plichtig waren, het meeviel met het aantal uitgevallen wedstrijden. Ook het aantal noodgedwongen terugtrekkingen uit de competitie viel op basis van deze rondgang zeer mee.
In zijn algemeenheid is afgesproken dat bij het overtreden van de regels in eerste instantie een waarschuwing wordt gegeven. Bij herhaaldelijke overtredingen kan een dwangsom worden opgelegd. Deze situaties proberen we uiteraard te voorkomen en we roepen op gezamenlijk (zie antwoord op vraag 10) tot een oplossing te komen als het verenigingen niet lukt het CTB te controleren.
Het tijdspad van boostervaccinaties |
|
Liane den Haan (GOUD), Lisa Westerveld (GL), Nilüfer Gündoğan (Volt), Pieter Omtzigt , Nicki Pouw-Verweij (JA21), Maarten Hijink |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de recente relatieve stijging van het aantal gevaccineerde patiënten in de ziekenhuis (ten opzichte van de ongevaccineerden), die erop duiden dat de kans van ziekenhuisopnames bij ongevaccineerden nog steeds vele malen hoger ligt, maar dat de effectiviteit van vaccins enigszins afneemt over tijd?
Ja. Op 3 november jl. heb ik een nieuwe RIVM rapportage ontvangen over het actuele beeld van de vaccinatiestatus van opgenomen COVID-19-patiënten. Het beeld is dat de vaccin-effectiviteit (VE) in Nederland nog steeds hoog is, namelijk 94% tegen ziekenhuisopname en 97% tegen IC-opname over de hele periode juli-oktober. Over de afgelopen acht weken was de vaccineffectiviteit respectievelijk 93% en 96%. De vaccineffectiviteit is iets minder hoog bij de leeftijdsgroep vanaf 70 jaar dan bij jongere leeftijdsgroepen (89% tegen ziekenhuisopname, 95% tegen IC-opname). De kans voor volledig gevaccineerden om met COVID-19 in het ziekenhuis opgenomen te worden is nog steeds 17 keer kleiner is dan voor niet-gevaccineerden. De kans om op de IC opgenomen te worden is 33 keer kleiner.
Heeft u kennis genomen van het feit dat Denemarken, dat relatief weinig restricties heeft in het openbare leven, al op 15 oktober jl. besloten heeft om ouderen boven de 65 uit te nodigen voor de booster prik?1
Ja.
Heeft u kennis genomen van het feit dat ook Zweden al in oktober begonnen is met het aanbieden van booster vaccinaties aan de bevolking van 65+?2
Ja.
Heeft u kennis genomen van het feit dat het Verenigd Koninkrijk – dat relatief vroeg met vaccineren begon en het AstraZeneca vaccin gebruikte voor de eerste twee prikken, dat niet het meest effectieve lijkt te zijn – 48 uur na het advies van de gezondheidsraad begon met vaccineren en in oktober al miljoenen 50+ers gevaccineerd had?3
Ja.
Kunt u aangeven welke EU-landen nog niet begonnen zijn met het aanbieden van een vrijwillige booster prik aan alle verpleeghuisbewoners?
Onder andere Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Denemarken, Duitsland, België, Luxemburg, Spanje en Oostenrijk hebben aangekondigd te starten met een boostercampagne of zijn reeds gestart met een dergelijk campagne. In de meeste landen wordt in de campagnes gestart met het boosteren van de personen boven de leeftijd van 65, waaronder verpleeghuisbewoners.
Heeft u kennis genomen van het positieve effect op de epidemie van booster vaccinaties via reductie van zowel stijging in besmettingen als ziekenhuis- en IC-opnames in Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk?
Het is nog te vroeg om causale verbanden te leggen tussen boostercampagnes en reducties in besmettingen en ziekenhuis- en IC-opnames. De Gezondheidsraad en RIVM houden de actuele inzichten en resultaten uit studies nationaal en internationaal nauwkeurig in de gaten en adviseren het kabinet daarover als er aanleiding voor is.
Heeft u kennis genomen van studies uit onder andere Israel waaruit blijkt dat grote extra bescherming tegen besmettingen en ziekenhuis- en IC-opnames al binnen twee weken optreedt, en dus ook bij de huidige stijging in besmettingen en opnames van belang kan zijn?4
Ja. De Gezondheidsraad benoemt in zijn advies van 2 november jl. dat de eerste praktijkstudies onder gevaccineerden in Israël laten zien dat boostervaccinatie een toename van bescherming biedt tegen ernstige ziekte en sterfte.
Acht u dit door de top van de WHO al vaak onderstreepte positieve effect van booster vaccinaties voor ouderen van waarde in Nederland gezien de toenemende druk op de zorg zoals beschreven in vraag 1? Zo nee, waarom niet?
In oktober adviseerde de Strategic Advisory Group of Experts (SAGE) van de WHO een extra vaccinatie voor mensen met een ernstig gecompromitteerd immuunsysteem. Dat is een belangrijke aanbeveling die het kabinet ook onderschrijft. Niet voor niets heb ik op 14 september jl., op basis van de adviezen van het RIVM en de Gezondheidsraad, al aangekondigd dat deze groep vanaf oktober in aanmerking zou komen voor een extra prik. Ten aanzien van een boostercampagne voor andere doelgroepen heeft de WHO verschillende afwegingen benoemd. Aan de ene kant benoemt de WHO dat het belangrijk is om te kijken naar waning immunity en de vaccineffectiviteit. Op basis van de meest recente gegevens heeft de Gezondheidsraad daarom een boostervaccinatie voor de oudste leeftijdsgroepen en de bewoners van instellingen geadviseerd. Daarnaast benoemen zowel de WHO als de Gezondheidsraad dat bij de overwegingen met betrekking tot een boostercampagne ook rekening gehouden moet worden met vaccinschaarste elders in de wereld.
Hoe kijkt u naar het effect van wachten met boostervaccinaties, ook in acht nemend het KPMG rapport over het Corona beleid waarin specifiek staat beschreven dat snelheid eerder vaak onterecht ten koste van zorgvuldigheid ging, terwijl «snelheid als zodanig in werkelijkheid juist een onderdeel is van zorgvuldigheid»?
We doen er alles aan om zo snel mogelijk van start te kunnen gaan met de boostercampagne. In september zagen de Gezondheidsraad en het RIVM op basis van de gegevens over de vaccineffectiviteit nog geen aanleiding voor een boostervaccinatie. In oktober heb ik op basis van signalen vanuit internationale studies de Gezondheidsraad gevraagd met spoed een aanvullend advies uit te brengen over de boostervaccinatie. Dit advies heb ik op 2 november jl. ontvangen. Bij de uitvoering dienen we rekening te houden met een aantal zaken, zoals het uitnodigingenproces, de prikcapaciteit bij de GGD’en, de registratie, de samenloop met de griepvaccinatie. Ik heb uw Kamer vandaag geïnformeerd dat met ingang van 19 november het vaccineren van de booster start.
Klopt het dat er eind oktober meer dan 4,5 miljoen Pfizer-vaccins op voorraad waren, zodat het aantal vaccins onder geen beding de beperkende factor is voor een eventuele onmiddellijke uitrol van een vrijwillige booster campagne voor bijvoorbeeld 65+ers, mensen in een WLZ-instelling en zorgmedewerkers?5
We hebben er voor gezorgd dat we over voldoende vaccins beschikken om te kunnen starten met de boostercampagne voor de genoemde categorieën.
De beschikbaarheid van vaccins is geen factor bij die afweging.
Kunt u, net al het Verenigd Koninkrijk, binnen 48 uur beginnen met een vrijwillige boostercampangne? Zo nee, waarom niet?
Nee, er is tijd nodig om dit proces voor te bereiden en in te regelen. Er wordt heel hard gewerkt door alle betrokken partijen om zo snel mogelijk en veilig met de boostervaccinatie te kunnen starten. Het is van belang dat dit goed georganiseerd wordt, voor zowel de uitvoeringsorganisaties als de mensen die een boostervaccinatie ontvangen. Het proces moet duidelijk en uitvoerbaar zijn. Het werven en opleiden van personeel vraagt enige tijd. De GGD’en besteden nog steeds veel menskracht aan het vaccineren van mensen voor een eerste en/of tweede vaccinatie op de vaccinatielocaties. Daarnaast richten zij zich ook op het fijnmazig vaccineren, waar de GGD’en in samenwerking met gemeenten en lokale organisaties specifieke doelgroepen benadert om zo de vaccinatiegraad te verhogen. Dit kost veel capaciteit, maar het is van groot belang dat dit door blijft gaan. Met ingang van 19 november start het vaccineren met de booster.
Wilt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk binnen 48 uur beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
De ontoegankelijkheid van het openbaar vervoer voor mensen met een beperking. |
|
Bouchallikh , Lisa Westerveld (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Mindervalide reizigers hebben last van kapotte liften: «Dan maar weer naar huis»»1 en «Met de rolstoel de trein in? In Cuijk en Boxmeer heb je dan een probleem»2?
Ja.
Kunt u toelichten welke concrete stappen er nu genomen worden om het openbaar vervoer toegankelijker te maken?
Ik deel de mening dat het OV in beginsel toegankelijk moet zijn voor alle mensen met een beperking. Daarom werkt ProRail in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aan het toegankelijk maken van alle treinstations voor reizigers met een beperking (MIRT Programma Toegankelijkheid Stations). Dit is een omvangrijke opdracht die uiterlijk in 2030 gereed is. Op dit moment is het dus zo dat nog niet alle stations toegankelijk zijn voor mensen met een beperking. Over de voortgang van dit programma heb ik uw Kamer 28 juni 2021 geïnformeerd met de toezending van het Actualisatierapport Toegankelijkheid Spoor 2021.3
Specifiek voor de stations langs de Maaslijn (Nijmegen-Roermond) geldt dat nog niet alle perrons geschikt zijn om zelfstandig in- en uit de trein te stappen. De perrons op de stations Nijmegen Heijendaal, Cuijk, Venray en Vierlingsbeek moeten namelijk nog worden aangepast. De verwachting is dat de aanpassingen uiterlijk 2024 gerealiseerd zullen zijn.
Deelt u de mening dat het openbaar vervoer te allen tijde toegankelijk moet zijn voor mensen met een beperking? Zo ja, waarom is dit bij kleine stations zoals Boxmeer en Cuijk niet het geval?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u rapporteren over de voortgang van de motie van het lid Van der Graaf c.s. over toegankelijkheid van het vervoer als basisvoorziening (Kamerstuk 24 170, nr. 213)? Tegen welke knelpunten loopt u aan bij het uitvoeren van deze motie?
Inmiddels wordt er gewerkt aan een Bestuursakkoord Toegankelijkheid OV4, waarin een brede groep betrokkenen op landelijk en regionaal niveau concrete afspraken maken over het (verder) verbeteren van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer, zoals het lid Van der Graaf in haar motie vraagt. Uw Kamer zal over de uitkomst van dit bestuursakkoord worden ingelicht.
Kunt u de ov-bedrijven oproepen om machinisten of ander personeel te verzoeken reizigers in een rolstoel te allen tijde te assisteren bij het betreden of verlaten van het voertuig, ongeacht of dit invloed heeft op vertraging in de dienstregeling? Zo ja, hoe gaat u controleren of er gehoor wordt gegeven aan deze oproep? Zo nee, waarom niet?
De werkwijze van machinisten en ander personeel is afhankelijk van de afspraken die er zijn tussen concessieverlener en vervoerder. Zelf ben ik concessieverlener op het hoofdrailnet. De uitvoering van reisassistentie moet met aandacht worden verricht om de veiligheid te kunnen garanderen. Bij NS worden mensen opgeleid om deze handelingen soepel en in een goed tempo te verrichten. Ik heb naar aanleiding van uw suggestie nagevraagd bij NS wat het zou betekenen wanneer ik machinisten of ander personeel bij NS zou vragen om reizigers in een rolstoel te allen tijde te assisteren bij de in- en uitstap ongeacht of dit invloed heeft op vertraging in de dienstregeling. NS geeft aan dat dit een groot effect zal hebben op de betrouwbaarheid van de dienstregeling. Deze werkwijze kan leiden tot aanzienlijke vertragingen en uitval van andere treinen en is daarom niet realistisch. Op tijd rijden en voldoende inzet van treinen zijn ook belangrijk en daarom is de door u voorgestelde werkwijze helaas niet haalbaar.
Wat vindt u ervan dat mensen met een beperking die gebruikmaken van een rolstoel of scootmobiel altijd in het tussenstuk van de trein moeten zitten?
Het heeft mijn voorkeur dat reizigers met een rolstoel en scootmobiel kunnen reizen naast de andere reizigers. Voor sprinters geldt dat – enkele per eind 2021 uit te faseren treinen uitgezonderd – reizigers die gebruikmaken van een rolstoel of scootmobiel plaats kunnen nemen tussen de andere reizigers. Bij de intercity’s nemen reizigers met een rolstoel of scootmobiel plaats op het balkongedeelte van de trein. Met de introductie van de nieuwe intercity’s zullen zij ook de mogelijkheid krijgen om plaats te nemen in het reizigerscompartiment.
Voor de regionale treinen geldt dat een rolstoel of scootmobiel meestal niet door het gangpad van de coupé kan, waardoor mensen op het tussenstuk moeten blijven.
Kunt u in kaart brengen op welke stations in Nederland mensen die gebruikmaken van een rolstoel niet zelfstandig de trein kunnen betreden of verlaten door de breedte van de spleet tussen het perron en de trein? Zo ja, kunt u van deze stations een plan opstellen hoe deze zo snel mogelijk rolstoeltoegankelijk worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 werkt ProRail in opdracht van het ministerie aan het toegankelijk maken van alle treinstations voor reizigers met een beperking (MIRT Programma Toegankelijkheid Stations). Deze omvangrijke opdracht is uiterlijk in 2030 gereed. In bijlage 5 van het Actualisatierapport is een overzicht opgenomen waaruit blijkt welke stations eind 2020 toegankelijk zijn gemaakt.5 Voor de stations die nog niet toegankelijk zijn is aangegeven wanneer deze toegankelijk worden gemaakt.
Kunt u een andere oplossing aandragen aan deze gedupeerde reizigers als de liften of andere voorzieningen niet werken waar zij afhankelijk van zijn? Zo ja, zou dit dan kunnen in de vorm van aanvullend openbaar vervoer? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor de concessieverlening voor de decentrale treinlijnen ligt bij de desbetreffende provincies. Op stations waar alleen Arriva als vervoerder halteert, zijn, een enkele uitzondering daargelaten, geen liften aanwezig. Perrons zijn dan rechtstreeks bereikbaar vanaf de weg of de stoep. In de uitzonderlijke situatie dat dat iemand wel tegen (lift)problemen aanloopt, wordt naar maatwerk gezocht. Arriva geeft aan dat in zulke gevallen het personeel actief meezoekt naar een acceptabele oplossing.
Hoe worden ervaringsdeskundigen betrokken bij het signaleren en oplossen van problemen rondom toegankelijkheid in het openbaar vervoer? Welke stappen kunt u zetten om de vertegenwoordiging van ervaringsdeskundigen te verbeteren?
Het ministerie heeft een uitgebreid netwerk van ervaringsdeskundigen die actief – en zo vroeg mogelijk in het proces – betrokken worden bij de vorming van beleid rondom toegankelijkheid. Op decentraal niveau worden de Regionale Overleggen Consumentenorganisaties Openbaar Vervoer (Rocov’s) betrokken bij beslissingen over toegankelijkheid. Rocov’s vertegenwoordigen alle reizigers, onder wie ook mensen met een beperking. Steeds vaker zijn ook mensen met een beperking lid van een Rocov. Over versterking van ervaringsdeskundigheid in de Rocov’s wordt gesproken in het kader van het voorgenomen bestuursakkoord over toegankelijkheid van het openbaar vervoer.
Kunt u in kaart brengen hoeveel liften er op stations in Nederland vaker kampen met storingen? Kunt u in gesprek gaan met onderhoudsbedrijven om te zien wat zij nodig hebben om toekomstige storingen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het aantal liften dat vaker kampt met storingen fluctueert. Volgens ProRail zijn er op dit moment ongeveer een tiental liften die regelmatig te maken hebben met wateroverlast. Met onder andere gemeentes en bouwaannemers is ProRail structurele oplossingen aan het uitwerken. Inmiddels zijn alle liften voorzien van een monitoringssysteem. Dit wordt in 2022 in gebruik genomen. Hierdoor worden storingen sneller gedetecteerd, waardoor sneller aan een oplossing kan worden gewerkt. Ook kunnen door dit monitoringssysteem reizigers beter geïnformeerd worden over de werking van de liften.
Kunt u de gemeentelijke vervoersbedrijven oproepen om informatie over defecte liften en andere voorzieningen voor mensen met een beperking nauwkeuriger te actualiseren om toekomstige teleurstellingen te voorkomen? Zo ja, op welke termijn kan men verwachten dat deze informatie op een actuele en nauwkeurige wijze gedeeld wordt? Zo nee, waarom niet?
Informatievoorziening is voor mensen met een beperking essentieel om te beoordelen of zij een reis kunnen maken. In de gesprekken met partijen over het voorgenomen bestuursakkoord wordt dit inzicht door alle partijen gedeeld. De stadsvervoerders zijn ook vertegenwoordigd in deze gesprekken en ik zal hen en de betrokken decentrale ov-autoriteiten aansporen om dit op een zo kort mogelijke termijn goed te regelen.
De Monnikskap |
|
Lisa Westerveld (GL), Paul van Meenen (D66), Peter Kwint |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat ouders van leerlingen van het Dominicuscollege in Nijmegen afgelopen vrijdag te horen hebben gekregen dat het Dominicuscollege zal sluiten per 1 augustus 2024?
Ja.
Is bij u bekend wat dat deze sluiting zal betekenen voor De Monnikskap, als afdeling van het Dominicuscollege? Zal De Monnikskap ondergebracht moeten worden bij een andere school? Ziet u met ons dat de manier waarop inclusief onderwijs gegeven wordt op De Monnikskap veel voorwaarden met zich meebrengt voor een nieuwe school op het gebied van fysieke ruimte en plek en een gedeelde onderwijsvisie? Zo ja, zijn er genoeg perspectieven om een nieuwe plek te vinden?
Naar aanleiding van de berichten in de media is er contact geweest met het bestuur van @voCampus, waar het Dominicus College onder valt. Het bestuur heeft daarin bevestigd dat het vanwege het anticiperen op de aankomende forse leerlingendaling een sluiting van het Dominicus College voorziet. Het bestuur heeft daarbij ook toegezegd dat het borgt dat De Monnikskap ook na 1 augustus 2024 blijft voortbestaan. Daar ben ik blij mee omdat deze faciliteit, die een goed voorbeeld is van inclusief onderwijs, hiermee behouden blijft voor de regio.
Tot 1 augustus 2024 is De Monnikskap onderdeel van het Dominicus College. Vanaf 1 augustus 2024 zal De Monnikskap bij een andere school binnen het bestuur @voCampus worden ondergebracht. Het bestuur is daarbij verantwoordelijk voor het vinden van een passende plek. Ik heb er vertrouwen in dat het bestuur de toezegging dat De Monnikskap blijft voorbestaan realiseert. Uiteraard blijf ik vinger aan de pols houden.
In juni 2021 deed u in het verantwoordingsdebat Slotwet 2020, Jaarverslag OCW 2020 en Staat van het Onderwijs de toezegging dat de Kamer op de hoogte gehouden wordt over de Monninkskap; kunt u uitleggen waarom dit geen enkele keer is gebeurd, ondanks dat er voldoende nieuwe omstandigheden waren om over te berichten?
Er zijn pas zeer recent nieuwe omstandigheden naar voren gekomen, namelijk over de voorgenomen sluiting van het Dominicus College, die aanleiding waren om u te informeren. Dit heb ik dan ook direct gedaan in de onlangs verzonden Verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs 1, vooruitlopend op beantwoording van deze Kamervragen. Andere zaken, zoals de mogelijke fusie van het Kandinsky College met het Dominicus College en de afbouw van de aanvullende bekostiging, waren reeds bekend op het moment dat daarover is gesproken in het genoemde verantwoordingsdebat.
In datzelfde debat zei u dat het de inzet is om het onderwijs op de Monnikskap voort te laten bestaan en dat dit uw volle aandacht heeft; op welke manieren heeft u zich ingezet of zet u zich nu in om ervoor te zorgen dat dit onderwijs kan voortbestaan?
Zoals aangegeven vind ik het belangrijk dat De Monnikskap blijft bestaan en heb ik me hier samen met de andere betrokkenen de afgelopen periode voor ingezet. Ik ben dan ook blij dat het bestuur dit heeft toegezegd en heb er vertrouwen in dat het bestuur deze toezegging realiseert.
Met de afspraken omtrent de afbouw van de aanvullende bekostiging wordt bijgedragen aan het voortbestaan van het onderwijs op De Monnikskap. Door de aanvullende bekostiging niet in één keer te stoppen maar over een langere tijd af te bouwen, hebben het bestuur en de betrokken samenwerkingsverbanden ruim de tijd om toe te groeien naar de nieuwe financiële situatie. Vanuit OCW draag ik daarnaast bij aan de communicatie richting aanpalende samenwerkingsverbanden om aandacht te vragen voor deze nieuwe situatie en voor de financiering die vanuit hen nodig is voor de leerlingen die zij doorverwijzen. De samenwerkingsverbanden worden daarover op korte termijn nader geïnformeerd per brief. Daarbij geldt dat als De Monnikskap bij een andere school wordt ondergebracht, de afbouwbekostiging doorbetaald blijft worden.
Het ministerie heeft ervoor gekozen om de aanvullende bekostiging aan De Monnikskap te beëindigen; hoeveel aanvullende bekostiging kreeg De Monnikskap? Per wanneer zal de afbouw van de bekostiging beginnen en hoe lang zal het duren? Heeft het voornemen om de bekostiging te gaan afbouwen een verband met de sluiting van het Dominicuscollege?
Op dit moment ontvangt het bestuur @voCampus, waar het Dominicus College onder valt, circa € 1,5 miljoen aanvullende bekostiging per jaar. Met het bestuur is het volgende afbouwpad afgesproken. In 2022 ontvangt het bestuur nog de volledige € 1,5 miljoen. Vanaf kalenderjaar 2023 wordt dit bedrag in stappen van 20% afgebouwd. Vanaf 2027 wordt er geen aanvullende bekostiging meer verstrekt. De afbouwperiode biedt het bestuur en de betrokken samenwerkingsverbanden de tijd om toe te groeien naar de nieuwe situatie. De voorziene sluiting van het Dominicus College is het gevolg van de leerlingendaling en staat los van de afbouw van de aanvullende bekostiging.
Herinnert u zich dat u bij de evaluatie van Passend Onderwijs in november 2020 ervoor pleitte dat leerlingen met en zonder ondersteuningsbehoeften vaker samen naar dezelfde school moeten kunnen en dat u aankondigde dat er een plan wordt gemaakt om alle scholen in de komende 15 jaar inclusiever te maken? Deelt u de mening dat het stoppen van de aanvullende bekostiging voor De Monnikskap haaks staat op dit doel? Waarom kiest u er niet voor om juist dit soort initiatieven blijvend te ondersteunen? Ook met het oog op expertisedeling en voorbeeldfunctie?
Zoals aangegeven bij de evaluatie passend onderwijs vind ik het belangrijk dat we de komende 15 jaar toewerken naar inclusiever onderwijs. Er wordt op dit moment gewerkt aan een plan hoe dit de komende periode nader kan worden gerealiseerd, waarover ik u in de voortgangsrapportage passend onderwijs in december 2021 nader zal informeren. Elke stap die hierin nu al wordt gezet, zoals dat bij De Monnikskap gebeurt, is daarbij een goede. Het stoppen met de aanvullende bekostiging staat niet haaks op dit doel, aangezien er binnen de huidige kaders ook al ruimte is voor dit soort initiatieven.
Het afbouwen van de aanvullende bekostiging van De Monnikskap is bedoeld om de financiering weer binnen het reguliere systeem van passend onderwijs te krijgen. Voor de huidige constructie was geen goede grondslag en het was niet goed uitlegbaar waarom voor De Monnikskap wel extra geld direct vanuit OCW beschikbaar was, terwijl voor vergelijkbare inclusieve initiatieven dit via het samenwerkingsverband verloopt. Aangezien De Monnikskap binnen de reguliere systematiek ook kan bestaan is er geen rechtvaardiging voor aanvullende bekostiging. Het budget van € 1,5 miljoen blijft behouden voor passend onderwijs. Dit zal onderdeel worden van het budget voor lichte ondersteuning van alle samenwerkingsverbanden passend onderwijs vo.
Is al duidelijk op welke manier De Monnikskap gefinancierd zal worden als de aanvullende bekostiging stopt en het Dominicuscollege dicht zal gaan? Hoe verhoudt de bovenregionale functie van De Monnikskap zich met de structuur van regionale samenwerkingsverbanden? Kan dat wel samengaan? Zo ja, hoe? Is het waar dat als regionale samenwerkingsverbanden gaan bepalen hoeveel geld De Monnikskap nodig heeft, de school ongeveer een derde van het huidig budget zal verliezen?
Bij de afspraken over de afbouw van de aanvullende bekostiging, is afgesproken dat de komende jaren de bijdrage vanuit OCW per jaar zal afnemen, en die van de samenwerkingsverbanden elk jaar zal stijgen. Samenwerkingsverbanden ontvangen middelen voor ondersteuning en kunnen leerlingen uit het eigen samenwerkingsverband die op De Monnikskap onderwijs volgen vanuit deze budgetten financieren. Of en in welke mate @voCampus minder budget ontvangt is afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt met de samenwerkingsverbanden en de ondersteuningsbehoefte van de leerlingen. Het bestuur heeft aangegeven dat een eventueel verschil in bekostiging binnen het bestuur opgevangen kan worden.
Zijn er ook andere scholen met een bovenregionale functie waarvoor een soort gelijk scenario dreigt? Zo ja, hoeveel?
Er zijn geen andere scholen die vanuit OCW vergelijkbare aanvullende bekostiging ontvangen, en afgebouwd gaat worden.
Kunt u garanderen dat juist deze leerlingen met een beperking die volgens het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap recht hebben op onderwijs, een passende onderwijsplek houden? Waarom is er niet eerst een oplossing gezocht voordat er gekozen is om de aanvullende bekostiging te stoppen? Ziet u ook dat dit voor onrust bij leerlingen en ouders zorgt?
Ik vind het belangrijk dat voor alle leerlingen, dus ook voor deze leerlingen, er een passende onderwijsplek is. Om die reden hebben we met de betrokken partijen gezocht naar een goede oplossing voor het afbouwen van de aanvullende bekostiging vanuit OCW en een opbouw van de bijdrage van de samenwerkingsverbanden. Ik vind het vervelend dat er sprake is van onrust bij leerlingen en ouders, maar zie dat het bestuur vanaf het begin heeft toegezegd dat het voortbestaan van De Monnikskap wordt geborgd. Ik heb er mede op basis van het recente gesprek met de bestuurder vertrouwen in dat het bestuur dit ook daadwerkelijk oppakt en tot een goed einde brengt.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de behandeling van de OCW-begroting?
Ja.
De distributie van jodiumtabletten |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe staat het met de distributie van jodiumtabletten voor de mensen waar de jodiumtabletten in september van over de datum zijn geraakt?
De herdistributie ter vervanging van tabletten, waarvan de houdbaarheidsdatum dit jaar verloopt, is afgelopen juli afgerond. Alle verspreide tabletten in Nederland hebben nu een meer geharmoniseerde houdbaarheidsdatum, die afloopt in 2026/2027.
Wat is de voortgang van de in juli 2021 geplande distributie van jodiumtabletten aan inwoners van gebieden binnen een straal van 20 kilometer rondom de Nederlandse kerncentrale Borssele, de Belgische kerncentrales Doel en Tihange en de Duitse Kerncentrale in Emsland?
Zie antwoord op vraag 1: het gaat hier om dezelfde distributie.
Waarom zijn zwangere vrouwen en inwoners met kinderen onder de vier jaar (geboren na de publiekscampagne van 2017) die binnen een straal van 20–100 km van een kerncentrale wonen niet actief en structureel geïnformeerd over het in huis halen van jodiumtabletten? Waarom is deze groep niet in het doorlopende distributie-programma opgenomen?
Zwangere vrouwen worden sinds de publiekscampagne van 2017 doorlopend geïnformeerd over het nut en de noodzaak om jodiumtabletten aan te schaffen om hun ongeboren kind te beschermen. Daarover zijn er in 2017 afspraken gemaakt met de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV). In de folder «Zwanger!», die via het RIVM wordt verspreid en breed beschikbaar is bij huisartsen, verloskundigen en gynaecologen, is al sinds 2018 een aparte paragraaf over het advies om jodiumtabletten in huis te halen. Door het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) is ook informatie opgesteld voor zorgprofessionals, die mogelijk in hun werkveld te maken krijgen met (het adviseren over) jodiumprofylaxe. Ik ben het daarom niet met u eens dat er niet «actief en structureel» geïnformeerd is over de jodiumtabletten voor zwangere vrouwen.
Voor inwoners met jonge kinderen onder de vier jaar geldt dat zij ofwel tijdens de zwangerschap geïnformeerd worden ofwel bij hun intrek in de gemeente. In 2017 zijn met de veiligheidsregio’s en de onderliggende gemeenten in de eerste (0–20 kilometer) en tweede (20–100 kilometer) ringen afspraken gemaakt over het informeren van nieuwe inwoners van de nabijheid van één van de kerncentrales of -reactoren, waarvoor mijn ministerie informatiemateriaal aan de gemeenten beschikbaar heeft gesteld.
Deelt u de mening dat ook de groep zwangere vrouwen en inwoners met jonge kinderen (<4jaar)) in een gebied met een straal tussen de 20 en 100 kilometer rondom een kerncentrale actief geïnformeerd dienen te worden? Zo ja, hoe gaat u dit vorm geven? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie mijn antwoord op vraag 3 over het informeren van zwangere vrouwen en nieuwe inwoners.
Bent u bereid om in overleg met het RIVM en betrokken gemeenten te inventariseren of er standaard bij de geboorteaangifte informatie hierover gegeven kan worden? Zo nee, waarom niet?
In de folder «Zwanger!», die via het RIVM wordt verspreid en breed beschikbaar is bij huisartsen, verloskundigen en gynaecologen, is een aparte paragraaf over het advies om jodiumtabletten in huis te halen ter bescherming van het (ongeboren) kind opgenomen. Deze informatie is dus reeds vóór de geboorte bekend.
Bent u bereid om in overleg met het RIVM structureel informatie over jodiumtabletten aan te bieden, eventueel via veelgebruikte apps voor zwangere vrouwen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven wordt, in overleg met het RIVM maar ook de betrokken zorgpartners, al structureel deze informatie aangeboden aan zwangere vrouwen. Ik zal in de standaard overlegstructuur met het RIVM en de partners bezien of het nodig en wenselijk is om dit uit te breiden naar bijvoorbeeld veelgebruikte apps.
Bent u bereid om met de verschillende partijen in de geboortezorg in overleg te treden of en hoe zij kunnen bijdragen aan een programma om jodiumtabletten doorlopend te distribueren? Zo nee, waarom niet?
Jodiumtabletten kunnen doorlopend aangeschaft worden bij apotheek of drogist en over die mogelijkheid worden doelgroepen geïnformeerd. In de eerste ring rondom een kernreactor of -centrale kunnen nieuwe inwoners tabletten gratis afhalen bij het gemeentehuis.
De uitzending van Argos 'Diagnose bij kindermishandeling komt moeizaam tot stand' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Diagnose bij kindermishandeling komt moeizaam tot stand»?1
Ja.
Wat vindt u van de conclusie van de onderzoekers dat 10 jaar na een eerdere uitzending te weinig is gedaan om kindermishandeling effectief te bestrijden?
De conclusie van de onderzoekers van Argos dat de afgelopen 10 jaar te weinig is gedaan om kindermishandeling effectief te bestrijden, delen wij niet. Dat blijkt ook uit het onderzoek «Kwestie van lange adem» van het Verweij-Jonker Instituut. Het lukt steeds beter geweld in gezinnen te stoppen, door signalen van onveiligheid te zien en hierop te handelen. Uit dit onderzoek blijkt dat in 29% van de gevolgde gezinnen het structurele geweld anderhalf jaar na een melding bij Veilig Thuis gestopt is. Het geweld neemt sterker af of stopt in gezinnen die hulp of ondersteuning hebben ontvangen van instellingen die gespecialiseerd zijn in de aanpak van huiselijk geweld. Dit is een vooruitgang ten opzichte van onderzoek uit 2014, waaruit bleek dat in geen van de onderzochte gezinnen het geweld na anderhalf jaar was gestopt. Dit is een eerste stap, in nog teveel gezinnen duurt geweld nog voort en dit vraagt onze volle aandacht.
Wij hebben met de VNG en andere betrokken organisaties de afgelopen kabinetsperiode stevig ingezet op de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling met het programma Geweld hoort nergens thuis (GHNT). Eind van dit jaar worden in de laatste voortgangsrapportage de belangrijkste opbrengsten van het programma met uw Kamer gedeeld. Onderdeel van de aanpak kindermishandeling is het ondersteunen van artsen bij het signaleren en diagnosticeren van letsel bij kinderen via de verbeterde meldcode, het verbeteren van de forensisch medische expertise voor kinderen (FMEK), het financieren van de opleiding voor vertrouwensartsen en de beschikbaarheid van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK). Op deze en andere manieren is de afgelopen jaren geïnvesteerd om kindermishandeling beter tegen te gaan.
Wat is de laatste schatting van het aantal kinderen dat te maken krijgt met kindermishandeling?
De meest recente prevalentiestudie naar kindermishandeling is in 2018 verschenen. Volgens deze studie van de universiteit Leiden/TNO Child Health onder professionals hebben naar schatting tussen de 89000 en 127000 kinderen van 0 t/m 17 jaar in 2017 te maken gehad met kindermishandeling2. Dit komt neer op ongeveer 3 procent van alle minderjarigen. De meeste kinderen waarover wordt gerapporteerd door de bevraagde professionals, zijn slachtoffer van emotionele verwaarlozing (naar schatting ruim 60000 kinderen) en/of fysieke verwaarlozing (naar schatting ruim 30000 kinderen).
Wat vindt u ervan dat het gezin in de uitzending een jaar na dato nog in onzekerheid verkeert over wat er precies aan de hand is?
Het is voor alle betrokkenen zwaar lange tijd in onzekerheid te verkeren over wat er aan de hand is en welke stappen worden gezet. Wij betreuren het dat het zo loopt voor het gezin. Zonder op deze specifieke casus in te gaan, kan de onzekerheid langere tijd duren vanwege verschillende oorzaken. Het kan zijn dat er ook strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt of dat er conflicterende analyses zijn in de zaak. Ook is het onderzoeken en duiden van letsel complex en moeten de juiste professionals op het juiste moment worden ingeschakeld om onveiligheid te kunnen signaleren. Samen met partijen als GGD GHOR, de politie, het Openbaar Ministerie, Veilig Thuis en (kinder)artsen investeren wij in goede afspraken ten behoeve van het inzetten van forensisch medische expertise voor kinderen. Om hieraan vorm te kunnen geven is van groot belang dat de instroom van goed opgeleide forensisch artsen groeit. Ook hieraan wordt momenteel gewerkt. Hierover is uw Kamer recent geïnformeerd in de beleidsreactie van de Ministers van JenV, VWS en BZK op het rapport «Gemeentelijke lijkschouw door forensisch artsen onder druk, veel zorgen op korte termijn» van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).3 De GGD’en en de politie werken momenteel aan een gezamenlijk kwaliteitsontwikkelplan forensische geneeskunde.
Kunt u beschrijven wat de gangbare procedure is na reële vermoedens van kindermishandeling en hoe het traject daarna verloopt? Wat is de tijdslijn en welke instanties zijn erbij betrokken?
Slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling, plegers, omstanders en professionals kunnen met hun verhaal of met hun vermoedens terecht bij Veilig Thuis (VT) (en in geval van nood uiteraard via 112). VT heeft tot doel een laagdrempelige toegang te zijn voor het vragen van advies of het doen van een melding. Een meerderheid van de meldingen die VT ontvangt is afkomstig van de politie: de politie komt geregeld bij gezinnen achter de voordeur en meldt alle vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling bij VT. Indien andere professionals in o.a. gezondheidszorg, hulpverlening en onderwijs een vermoeden hebben van kindermishandeling, biedt de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en het sectorspecifieke afwegingskader ondersteuning en houvast bij het handelen hierop.
De eerste stap van de meldcode is het in kaart brengen van signalen. In de tweede stap van de meldcode staat dat overlegd moet worden met een collega en dat eventueel VT geraadpleegd kan worden. VT kan dan adviseren hoe de professional zelf met de signalen kan omgaan of dat een formele melding bij VT in de betreffende casus nodig is. Voor artsen met vragen over de toedracht van letsel bij kinderen is daarnaast het Landelijk Expertisecentrum Kindermishandeling (LECK) beschikbaar. Bij het LECK zijn onder meer gespecialiseerde kinderartsen, forensisch artsen en radiologen werkzaam die 24/7 bereikbaar zijn voor vragen en advies over letsel bij kinderen. Wanneer een arts contact opneemt met het LECK, volgt er naast het telefoongesprek binnen 24 uur ook een schriftelijke rapportage. Op basis van deze bevindingen en het afwegingskader van de meldcode kan een arts ervoor kiezen om melding te doen bij VT. Melden bij VT is noodzakelijk als een professional zelf vindt dat sprake is van acute of structurele onveiligheid in die situatie en/of de professional zelf niet in staat is om hulp te organiseren die leidt tot duurzame veiligheid.
Wanneer iemand met een vermoeden van kindermishandeling een melding bij VT doet, al dan niet na het vragen van advies, wordt de melding altijd door VT in ontvangst genomen en vastgelegd. In het handelingsprotocol van VT is de werkwijze neergelegd.4
VT kan een verzoek tot (spoed)onderzoek indienen bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) als er ernstig risico lijkt te zijn voor het veilig opgroeien van een kind en wanneer de mogelijkheden van ouders om deze zorgen zelf en met hulpverlening weg te nemen onvoldoende lijken te zijn. De RvdK kan een beschermingsonderzoek uitvoeren. De RvdK streeft ernaar dit in zes weken afgerond te hebben. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek kan de RvdK de rechter verzoeken een (civielrechtelijke) beschermingsmaatregel op te leggen. Er is geen wettelijke termijn waarbinnen de rechter de zaak dient te behandelen. De rechter kan wel met spoed een voorlopige ondertoezichtstelling of voorlopige uithuisplaatsing opleggen (onmiddellijk, binnen 24 uur).
In de ontwikkelagenda «Veiligheid voorop!» is de afgelopen jaren ingezet op versterking van de samenwerking tussen VT, politie, het OM, de reclassering en/of de RvdK, vanuit de gedeelde visie «Gefaseerd samenwerken aan veiligheid.»5 Onderlinge afstemming vindt op verschillende momenten plaats, bijvoorbeeld bij acuut gevaar, naar aanleiding van de uitkomsten van het VT-veiligheidsonderzoek, op een ZSM6-overleg nadat een pleger door de politie is aangehouden of gedurende een strafrechtelijk onderzoek door het OM bij vermoedens van strafbare feiten. Vroegtijdige afstemming tussen VT, politie en justitieorganisaties is ook nodig in geval van (vermoedelijk) letsel waarbij twijfel bestaat of het letsel een medische oorzaak heeft, waarbij twijfel bestaat of het letsel (niet-verwijtbaar) accidenteel is, of waarbij het vermoeden bestaat van huiselijk geweld of kindermishandeling.7 Indien de politie of het OM opdracht geven tot een forensisch-medisch onderzoek, dan wordt dit in complexe casuïstiek (bijvoorbeeld hersenletsel) altijd uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), in andere gevallen kunnen ook regionale forensische artsen worden ingezet.
Wat betreft de aanpak in het strafrechtelijk kader hebben de politie en het OM afgesproken dat een zaak uiterlijk 30 dagen na het verhoor van de verdachte wordt ingestuurd naar het OM. Uiterlijk zes maanden na de aangifte dient het dossier naar de officier van justitie te worden gestuurd. Indien een verdachte is aangehouden, kan in het ZSM-overleg snel worden besloten wat het vervolg wordt van de zaak. Het OM kan een zaak (on)voorwaardelijk seponeren, zelf afdoen of de verdachte dagvaarden, waarna de zaak voor de rechter komt. Uiterlijk 104 dagen na aanhouding vindt ofwel een pro forma zitting plaats waarin kan worden besloten tot verlenging van de hechtenis, ofwel een inhoudelijke zitting met een rechterlijke afdoening, met eventueel directe tenuitvoerlegging.
Is er iets te doen aan de terugkoppeling naar huisartsen door Veilig Thuis als ze een kind doorsturen, aangezien de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) aangeeft dat huisartsen deze terugkoppeling amper krijgen, waardoor het regelmatig voorkomt dat de mishandeling gewoon doorgaat, terwijl huisartsen denken dat er hulp is? Zo ja, wat is hier aan te doen?
Veilig Thuis koppelt terug aan de melder welke vervolgstap wordt ingezet. In de uitzending werd aangegeven dat er geen zicht is op hoe het gaat met de hulpverlening binnen een gezin. Die behoefte van huisartsen daaraan is voor te stellen. Op het moment dat VT een casus overdraagt aan bijvoorbeeld het wijkteam, dan wordt de huisarts, als deze melder is, hierover geïnformeerd. Hoe het verder gaat met de hulpverlening is niet altijd bekend bij VT, in die gevallen waarbij monitoring niet nodig is. VT monitort om zicht te houden op de veiligheid bij casussen waarbij intensieve inzet is gepleegd door VT. Deze interventie vindt met name plaats bij ernstig acuut geweld of structureel geweld. Zie ook het antwoord op vraag 11. Bij het afsluiten van bemoeienis koppelt VT ook terug aan de melder.
Verder investeren VT-organisaties in samenwerking met huisartsen door bijvoorbeeld nascholingen te organiseren of via het gezamenlijk bespreken van casuïstiek. VT heeft aangegeven bereid te zijn om in gesprek te gaan met de huisartsen om de samenwerking te verstevigen. VWS zal begin 2022 het initiatief nemen tot het organiseren van een gesprek tussen het Landelijk Netwerk VT en de LHV.
Daarnaast worden dit jaar door Augeo Foundation, mede met steun van VWS, de meldcode, kindcheck en mantelzorgcheck opnieuw onder de aandacht gebracht van professionals in de huisartsenzorg. Dit in samenwerking met beroepsgroepen8 van huisartsen, doktersassistenten, triagisten en praktijkondersteuners. Hierin is ook aandacht is voor de samenwerking met VT.
Welke hulp is er voor ouders die het vermoeden hebben dat hun kind slachtoffer is van mishandeling? Wie is verantwoordelijk voor het hulpaanbod?
Ouders kunnen ook bij VT terecht voor advies als ze zorgen hebben over hun kind. Ook richting bijvoorbeeld de huisarts kunnen zij hun zorgen uiten en samen bespreken wat de juiste stappen zijn om hulp te zoeken, voor zowel het betrokken kind als zichzelf, of kunnen zij worden doorverwezen.
Als sprake is van structurele en ernstige onveiligheid in een gezin is in veel gevallen sprake van multi-problematiek. Dan zal bezien moeten worden welke hulp nodig is voor het kind, maar ook voor de ouders of voor de plegers. Deze hulp kan vallen onder verantwoordelijkheid van de gemeente of het kan gaan om verzekerde zorg en dan loopt dit via de huisarts.
Deelt u de conclusie van de in de uitzending opgevoerde deskundigen die aangeven dat een diagnose bij vermoedens van kindermishandeling vaak moeizaam tot stand komt?
Diagnostiek (in medische zin) bij vermoedens van fysieke kindermishandeling is complex en vergt een multidisciplinaire aanpak, zeker wanneer het jonge kinderen betreft. Daarom ondersteunt VWS artsen bij het diagnosticeren van letsel via het LECK. Het LECK organiseert ook deskundigheidsbevordering voor betrokken professionals door jaarlijks een congres voor een breed publiek en tevens jaarlijks een nascholing specifiek voor vertrouwensartsen te organiseren. Het komende congres op 10 februari 2022 gaat specifiek over kindermishandeling van de groep zeer jonge kinderen.
Kinderartsen volgen een verplichte tweedaagse scholing op het gebied van kindermishandeling. Spoedeisende hulp artsen krijgen diezelfde scholing aangeboden (de zogenaamde WOKK9) maar deze is niet verplicht in hun opleiding. Bij jeugdartsen is kennis t.a.v. kindermishandeling en het opdoen van gespreksvaardigheden een verplicht onderdeel van hun opleiding.
Daarnaast investeert VWS in deskundigheidsbevordering bij professionals via de opleiding van vertrouwensartsen en nascholing van forensisch artsen, faciliteert het Rijk samenwerkingsafspraken tussen de partijen in het forensisch-medisch veld en investeren we in de kwaliteit van forensisch medische expertise voor kinderen (FMEK) via een programma10 bij de GGD GHOR en financiert VWS de beschikbaarheid van experts die laagdrempelig te consulteren zijn bij vermoedens van kindermishandeling, zoals het LECK en de regionaal forensisch artsen.
Wat kunt u doen om meer kennis van kindermishandeling te bevorderen bij professionals, aangezien bij twee op de vijf kinderen van 0–2 jaar het vaststellen van kindermishandeling wordt gemist of had het eerder ontdekt kunnen worden, zo blijkt uit de medische dossiers?
Zie antwoord vraag 8.
Een uitgebreid fysiek onderzoek, een zogeheten topteenonderzoek, bij vermoedens van kindermishandeling wordt vaak niet gedaan, waarom is dit het geval? Wat kunt u doen om dit soort onderzoeken te bevorderen?
Er zijn drie verschillende vormen van top-teen onderzoek bij vermoedens van kindermishandeling. Het klinisch top-teen onderzoek vindt plaats als een vermoeden is ontstaan op de spoedeisende hulp of de huisartsenpost. Het screeningsonderzoek vindt plaats bij kinderen na een melding bij Veilig Thuis waarbij nog geen klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden. En het forensisch-medisch top-teen onderzoek vindt plaats bij vermoedens van strafbare kindermishandeling, in opdracht van de politie of het OM. Het screenings- en het forensisch-medisch top-teen onderzoek kan worden gecombineerd, na vroegtijdige afstemming tussen VT en politie/OM, om dubbele belasting van het kind te voorkomen.
De beslissing om een top-teen onderzoek al dan niet uit te voeren vergt deskundigheid. Enerzijds moet voorkómen worden dat kinderen onnodig een klinisch, screenings of forensisch-medisch top-teen onderzoek ondergaan. Anderzijds is het van belang dat door middel van dergelijk onderzoek lichamelijke mishandeling en/of verwaarlozing aan het licht komt of dat dit juist uitgesloten kan worden. Dit is nodig om ervoor te zorgen dat de juiste stappen ondernomen kunnen worden om de veiligheid en de gezondheid van het kind te kunnen bewerkstelligen.
Om het doel van het top-teen onderzoek zo goed mogelijk te dienen is de bevordering van de deskundigheid van de betrokken artsen essentieel. Dit is primair een verantwoordelijkheid van de artsen zelf, van hun beroepsorganisaties en van hun werkgevers. Zij nemen deze verantwoordelijkheid ook. Zo heeft de uitvoering van screeningsonderzoek een plaats gekregen in de onlangs gestarte tweejarige opleiding tot vertrouwensarts en zijn er regelmatige landelijke scholingsdagen van de beroepsvereniging van vertrouwensartsen (VVAK). Waar nodig en mogelijk ondersteunt VWS de artsen en hun organisaties in de bevordering van hun deskundigheid, bijvoorbeeld door de financiering van de nieuwe opleiding tot vertrouwensarts.
Is er zicht op de voortgang van de 62470 meldingen van kindermishandeling (bron: CBS) die in 2020 zijn gedaan bij Veilig Thuis en welke opvolging eraan wordt gegeven? Hoe wordt dit bijgehouden?
Ja. Het CBS krijgt twee keer per jaar cijfers van Veilig Thuis waaruit blijkt wat VT zelf met de melding heeft gedaan en aan welke organisatie de casus uiteindelijk wordt overgedragen. Op basis van de veiligheidstaxatie besluit VT of het de vervolgstappen bij VT zelf belegt, of dat het de melding overdraagt naar een lokaal team of lokale hulpverlenende instantie, die dan in gesprek gaat met de betrokkenen. Het grootste deel van de meldingen, ongeveer 77%, wordt na de veiligheidstaxatie doorgestuurd naar een lokaal team. Bij een deel van de meldingen worden de vervolgstappen belegd bij VT zelf. Van de 62.470 meldingen zijn er 3.665 meldingen waarbij een onderzoek is gestart door VT. Bij 5.040 meldingen organiseerde VT directe veiligheid voor de betrokkenen en werd vervolghulp ingezet gericht op stabiele veiligheid (de dienst «Voorwaarden en vervolg»). De cijfers van VT zijn weergegeven in een dashboard van het CBS, waarbij ook op regionaal niveau kan worden gekeken.11
Hoe verklaart u de stijging van maar liefst 7000 meldingen ten opzichte van het jaar ervoor?
Het klopt dat het aantal meldingen van kindermishandeling is gestegen: 62.470 in 2020 in vergelijking met 54.030 in 2019. Sinds eind oktober zijn ook cijfers van het eerste halfjaar van 2021 bekend. In deze periode zijn 30.975 meldingen over kindermishandeling gedaan. Dit aantal toont geen significant verschil ten opzichte van het aantal meldingen in het eerste halfjaar van 2020. Bij de volgende publicatie, eind april 2022, kunnen de cijfers van 2021 vergeleken worden met het aantal ontvangen adviezen en meldingen 2020.
Het is niet eenvoudig om op basis van de beschikbare data de stijging van meldingen van kindermishandeling in 2020 ten opzichte van 2019 te verklaren. Het totale aantal meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling bij VT was 131.800 in 2019, en 127.410 in 2020, dus het aantal meldingen over de verschillende vormen van geweld is in dit jaar licht gedaald.
Een van de mogelijke verklaringen voor de stijging van het aantal meldingen van kindermishandeling is van administratieve aard. Het grootste verschil in het aantal meldingen van 2020 ten opzichte van 2019 zit namelijk in de categorie «onbekend». In 2020 waren er 3.500 meldingen die qua aard van geweld op «onbekend» zijn geregistreerd, in 2019 waren dat er nog 12.540. Mogelijk zijn er hierdoor in 2020 ten opzichte van 2019 meer meldingen kindermishandeling geregistreerd.
Een mogelijke andere invloed op de cijfers is de coronaperiode. Het zou zo kunnen zijn dat de lockdowns een drukkend effect hebben op het aantal adviezen en meldingen. In deze periode heeft VT ook een chatfunctie ingezet om mensen te bereiken, die regionale aandacht heeft gecreëerd. In hoeverre de maatregelen tijdens de coronacrisis daadwerkelijk van invloed zijn geweest op het aantal meldingen bij VT, wordt momenteel onderzocht door het Nederlands Studiecentrum voor Rechtshandhaving en Criminaliteitsbestrijding (NSCR).
Wordt er extra inspanning verricht ter voorkoming van lange wachttijden bij het stellen van de diagnose en opvolging via jeugdhulp of justitie? Zo ja hoe?
De afgelopen jaren was er soms in regio’s sprake van lange wachttijden bij VT. Wel werden en worden zaken waarbij acute onveiligheid speelt altijd snel opgepakt. Na onderzoek12 bleek dat het aantal meldingen in de jaren gestegen was en dat hier verschillende oorzaken voor aan te wijzen waren. Vanuit het Rijk, gemeenten en VT’s hebben wij hier flink op ingezet. Er is met de Voorjaarsnota van 2020 ook aanvullende structurele financiële steun voor gemeenten gekomen ten behoeve van de VT’s en het oplossen van knelpunten in de keten. Alles is er nu op gericht om zo snel mogelijk te werken bij vermoedens van onveiligheid in gezinnen.
Specifiek voor de wachttijden in de (gespecialiseerde) jeugdzorg hebben we in 2021 € 255 miljoen vrijgemaakt. In de Voortgangsbrief Jeugd13 is uw Kamer uitgebreid geïnformeerd over de besteding van deze middelen. Daarnaast zetten gemeenten, aanbieders en gecertificeerde instellingen (GI’s) sinds het najaar van 2020 in op de doorbraakaanpak, zodat kinderen met een gerechtelijke maatregel tijdige jeugdbescherming of jeugdreclassering krijgen en waar nodig passende jeugdhulp.
Tegelijkertijd kampt de sector met een tekort aan onder meer forensisch artsen en vertrouwensartsen. In de beantwoording van vraag 4 noemden wij het voorgenomen kwaliteit ontwikkelplan forensische geneeskunde. Dit richt zich onder meer op verhoging van de kwaliteit van het forensisch-medisch onderzoek door regionale forensisch artsen, in navolging van het FMEK-programma zoals genoemd in het antwoord van vraag 9, en op verhoging van de instroom van forensisch artsen. Er zal, onder voorbehoud van financiering, verder worden gewerkt aan een adequate opleiding voor forensisch artsen. Samen met de relevante partijen uit de sector wordt breed ingezet om bovengenoemd tekort tegen te gaan, maar dit is een zaak van lange adem. Daarnaast investeren we momenteel in verschillende opleidingen en deskundigheidsbevordering via nascholing en zijn er gesprekken gaande over de spreiding en roosterverdeling van de verschillende artsengroepen. Een voorbeeld is de verkenning welke werkzaamheden forensisch verpleegkundigen van de forensisch artsen kunnen overnemen, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van het forensisch-medisch onderzoek. Ook financiert VWS de nieuwe opleiding van vertrouwensartsen, onder meer om de instroom te bevorderen.
Bij vermoedens van strafbare feiten beslist het OM of er strafrechtelijke vervolging moet plaatsvinden. In zaken van huiselijk geweld, kindermishandeling en zeden is het van belang om de doorlooptijd van het strafproces zo beperkt mogelijk te houden. Naar aanleiding van de toegenomen totaalvoorraad strafzaken als gevolg van de maatregelen tegen Covid-19, hebben het OM en de rechtspraak afspraken gemaakt over de prioritering van onder meer de zaken die zien op huiselijk geweld, kindermishandeling en zeden. Daarnaast wordt in de strafrechtketen gewerkt aan het inkorten van de doorlooptijden op zeven specifieke thema’s, waaronder zeden.
Wat zijn de redenen dat het Multidisciplinair Centrum Kindermishandeling (MDCK) is verdwenen? Is de Kamer daarover geïnformeerd buiten de opmerking in de vierde voortgangsrapportage van het actieprogramma Geweld hoort nergens thuis?2
Multidisciplinair samenwerken is belangrijk voor goede diagnostiek en om kinderen en gezinnen niet dubbel te belasten en om te komen tot afspraken om de veiligheid voor de korte en voor de lange termijn te realiseren. Het MDCK in Hoofddorp is al lange tijd geleden gestart door een aantal bevlogen professionals. Het was een voorbeeld van een multidisciplinair centrum waar artsen, gedragsdeskundigen en politie samenwerkten op een fysieke locatie. Het werken onder één fysiek dak is geen randvoorwaarde voor multidisciplinair samenwerken. Multidisciplinair samenwerken is ook mogelijk door goede afspraken te maken vanuit eigen locaties. Vanuit het programma GHNT is daarom ingezet op het realiseren van de MDA++ aanpak, multidisciplinaire aanpak voor gezinnen waarbij de veiligheid ernstig en structureel in het geding is. Ook in Kennemerland worden de gezinnen/huishoudens waar sprake is van structureel geweld door middel van deze MDA++ aanpak geholpen. De locatie in Hoofddorp behoudt haar faciliteiten voor de regio Noord-Holland. Zo beschikt het over een kindvriendelijke verhoorkamer en over een Forensisch Medische Onderzoeksruimte.
Vorig jaar bleek regionaal te weinig bestuurlijk commitment bij de aangesloten partners van het MDCK om het voort te zetten. Het MDCK was een van de pilots «onder 1 dak» dat vanuit het programma GHNT ondersteund werd. In 2 andere regio’s (Rotterdam en Tilburg) ondersteunen we ook de pilot «onder 1 dak» en deze loopt nog. In de voortgangsrapportage van 18 juni 2020 van het programma GHNT aan de Tweede Kamer is gemeld dat «Op basis van de voorlopige resultaten van de pilot en de ervaringen in het MDCK de verantwoordelijk wethouders van de regio Kennemerland hebben besloten de pilot centrum onder één dak te beëindigen.» Er is niet op een andere manier richting de Tweede Kamer gecommuniceerd over het stoppen van deze pilot.
Wat vindt u van de conclusie in het item dat het huidige zorgsysteem niet is gericht op samenwerken? Bent u het met de deskundigen en met ons eens dat het systeem is versnipperd? Wat vindt u in het licht van deze bevindingen van het beëindigen van het MDCK?
Diagnostiek bij vermoedens van kindermishandeling is ingewikkeld en vergt een multidisciplinaire aanpak. Hier hebben we de afgelopen kabinetsperiode stevig op ingezet, zie ook het antwoord onder vraag 2. Er wordt in toenemende mate gewerkt volgens de visie Gefaseerd samenwerken aan veiligheid en er worden stevige stappen gemaakt in de samenwerking tussen zorg- en strafrechtketen, zie ook het antwoord op vraag 5. Er is de afgelopen jaren hard gewerkt om de multidisciplinaire expertise op landelijk én regionaal niveau te versterken en er is een groeiend besef onder zorgorganisaties, politie en justitieorganisaties dat het verkrijgen van structurele veiligheid in gezinnen en huishoudens vraagt om multidisciplinaire samenwerking. Ook in wetenschappelijk onderzoek wordt dit bevestigd.15 Onzes inziens moeten we deze investeringen verstevigen en bestendigen. Daarom investeren wij in deskundigheidsbevordering bij professionals, faciliteren samenwerkingsafspraken en financieren de beschikbaarheid van experts die laagdrempelig te consulteren zijn bij vermoedens van kindermishandeling. Ook zal in 2022 verder gewerkt worden aan de ondersteuning van de regio’s vanuit het programma GHNT om te komen tot multidisciplinaire samenwerking.
Wat is na het beëindigen van het actieprogramma Geweld hoort nergens thuis (2018–2021) het plan om kindermishandeling effectief tegen te gaan?
Het eerder en beter in beeld krijgen van huiselijk geweld en kindermishandeling en het stoppen hiervan en duurzaam oplossen vraagt onverminderd de gezamenlijke inzet van gemeenten, zorg- en hulpverlening, VT, politie en andere ketenpartners. Zoals hierboven al aangehaald: de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is een kwestie van lange adem. Vaak vinden slachtoffers of plegers of omstanders pas na lange tijd de moed om de drempel te overwinnen en hulp te zoeken. De activiteiten van het programma GHNT zijn erop gericht om deze aanpak te versterken met de inzet van regionale projectleiders en landelijke ondersteuning. Voor 2022 zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor de voortzetting van onderdelen van het programma GHNT, zodat de infrastructuur behouden kan worden, de aanpak versterkt en bestendigd kan worden. Zowel het toekomstscenario kind – en gezinsbescherming als het programma GHNT richten zich grotendeels op dezelfde gezinnen en dezelfde organisaties en professionals. Daarnaast is met het programma GHNT een goede basis in de regio’s gelegd waarop de ontwikkeling van het toekomstscenario kind- en gezinsbescherming kan voortbouwen. Daarom zullen beide programma’s in de loop van 2022 met elkaar vervlochten worden.
Hoe kan het dat nog niet in alle opleidingen voor onderwijs of zorgberoepen het herkennen van kindermishandeling aan bod komt, ondanks de aangenomen motie Westerveld/Wörsdörfer3 en de toezegging dit met opleidingsinstituten te bespreken?
De motie van de leden Westerveld en Wörsdörfer vraagt om structurele aandacht voor thema’s huiselijk geweld en kindermishandeling in curricula van het hoger onderwijs opnieuw te agenderen. Bij de appreciatie van deze motie is door de ondergetekenden, mede namens de Minister van OCW, toegezegd dat dit zal worden geagendeerd bij de betrokken partijen.
Gesprek hierover heeft geleid tot het beeld dat hier al aandacht voor is in de hbo-opleidingssectoren onderwijs, zorg en welzijn. Zo is er in de lerarenopleiding voor het basisonderwijs aandacht voor deze thema’s in het beroepsbeeld van de leraar en de kennisbasis van de opleidingen. Er is binnen het deel van de lerarenopleiding waar het gaat over pedagogisch handelen bovendien meer aandacht gerealiseerd voor sociale onveiligheid, het herkennen van signalen en omgaan met de meldcode. Verder worden leraren(-in-opleiding) vanuit de pabo’s actief gewezen op het werken met inzichten en handvatten van de stichting Augeo Foundation, zoals het gelanceerde online magazine voor de beroepsopleidingen17.
In de sectoren zorg en welzijn is er specifieke aandacht voor deze thema’s in de opleidingsprogramma’s. Zo is het standaard onderdeel van het curriculum in de opleidingen Verloskunde en Verpleegkunde en zijn de thema’s daar tevens ingebed in minors en keuzevakken. Ook bij opleidingen als Logopedie of Radiotherapeutische Technieken is het terug te vinden in de curricula en is er aandacht voor de signalerende functie. Voor alle studenten in de opleidingen Social Work en Pedagogiek is dit onderdeel van de algemene kennisbasis. In het uitstroomprofiel Jeugd is de veiligheid van kinderen en gezinnen genoemd als nadrukkelijk aandachtspunt in het onderwijs. Een aantal hogescholen heeft ook een verdiepende minor voor dit thema.
Het signaleren en bespreken van huiselijk geweld en kindermishandeling vergt veel kennis en kunde bij professionals. Om vervolgens het geweld aan te pakken in samenwerking met andere partners en ervoor te zorgen dat het daadwerkelijk stopt, is in veel gevallen gespecialiseerde kennis nodig. Kennis die momenteel nog niet altijd gevonden en benut wordt of op een juiste manier wordt aangeboden. Daarom heeft de Onderzoekadviescommissie van het programma GHNT een advies uitgebracht wat ziet op het vakmanschap van aankomende professionals en de wijze waarop verspreiding en borging van kennis die nodig is voor de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling het beste plaats kan vinden. De implementatie van het advies wordt de komende tijd verder opgepakt met betrokkenheid van de opleidingen, de beroepsverenigingen van professionals, werkgevers en in overleg met het Ministerie van OCW.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Onderdeel Jeugd en aanverwante zaken van de begrotingen VWS en J&V 2022 van 29 november 2021?
Ja.
Het bericht ‘Honderden studenten lopen coronacompensatie mis, vaak buiten eigen schuld’. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden studenten lopen coronacompensatie mis, vaak buiten eigen schuld»?1
Ja.
Is het waar dat honderden studenten de coronacompensatie mislopen, omdat ze na 31 augustus 2021 afstudeerden wegens vertraging door de coronapandemie?
In juni 2020, een aantal maanden na het uitbreken van de pandemie, heeft het kabinet besloten een tegemoetkomingsregeling voor extra kosten in verband met studievertraging in het leven te roepen. Studenten die in de laatste fase van hun studie zaten, konden hun studievertraging niet inlopen. Daarom kregen alle afstudeerders tussen 1 september 2020 en 31 januari 2021 in het mbo, hbo en in de wo-master die vertraging hadden opgelopen, automatisch een tegemoetkoming van DUO. In januari is besloten de periode uit te breiden tot en met 31 augustus 2021. Zo gaven we de studenten die in 2019/2020 in de afrondende fase van hun studie waren extra ruimte om af te studeren en een tegemoetkoming te ontvangen. Inmiddels hebben 130.000 studenten deze tegemoetkoming ontvangen.
Studenten die een diploma na 31 augustus 2021 hebben behaald, komen niet aanmerking voor deze tegemoetkoming. Studenten die in het huidige collegejaar ingeschreven staan, betalen een lager collegegeld.
Bent u het ermee eens dat een halvering van het collegegeld voor deze studenten geen compensatie is, omdat zij zonder vertraging helemaal geen collegegeld zouden moeten betalen?
Nee, de halvering van het collegegeld is een generieke tegemoetkoming voor studenten in studiejaar 2021/2022. Daarmee erkennen we dat de coronapandemie voor studenten een moeilijke tijd is geweest en komen we studenten tegemoet voor eventueel opgelopen vertragingen.
Heeft u een overzicht van het aantal studenten dat verder uitloopt met hun studie dan 31 augustus 2021 en hierdoor geen aanspraak heeft kunnen doen op de coronacompensatie? Zo nee, bent u voornemens dit in kaart te brengen?
Er is geen landelijk overzicht van de studievoortgang van individuele studenten, het is dan ook niet mogelijk om op voorhand in kaart te brengen welke studenten na 31 augustus 2021 studeren en in aanmerking hadden kunnen komen voor de tegemoetkoming. Het is niet bekend of in kaart te brengen welke studenten die in 2019/2020 voor een opleiding ingeschreven stonden, in de komende maanden gaan afstuderen. Studenten die een diploma na 31 augustus 2021 hebben behaald, komen niet aanmerking voor deze tegemoetkoming maar betalen een lager collegegeld.
Bent u voornemens de regeling te verruimen naar studenten die afstuderen in het eerste semester van het nieuwe studiejaar, zoals de Landelijke Studentenvakbond (LSVb) dat vraagt? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft in 2020 besloten € 200 miljoen uit te trekken voor het verlengen van het recht op studiefinanciering en de tegemoetkoming voor studenten die tijdens de pandemie in de afrondende fase van hun opleiding waren. De oorspronkelijke groep afstudeerders waar de regeling op gericht was, heeft dan een jaar in aanmerking voor de tegemoetkoming kunnen komen. Studenten die in het huidige studiejaar (door)studeren kunnen dit tegen een gehalveerd tarief voor het wettelijk collegegeld doen. De studenten die hier maar beperkt gebruik van maken, zal ik, ook vanwege de financiële kaders voor deze regeling, niet op een andere manier nog aanvullend tegemoet komen.
Het voorstel van de LSVb houdt in dat studenten in de periode tot 31 januari 2022 twee tegemoetkomingen zouden ontvangen, dat vind ik onwenselijk. Daarnaast bevat het een einddatum, daardoor zullen studenten die vanaf 1 februari 2022 afstuderen een vergelijkbare teleurstelling te verwerken krijgen als de studenten die vanaf 1 september 2021 afstuderen.
Kunt u uiteenzetten hoeveel het kost om deze studenten ook coronacompensatie te bieden? Zo nee, waarom niet?
Er is geen landelijk overzicht van de studievertraging van studenten. De onderbouwing van de aantallen studenten is dan ook gebaseerd op het totaal aantal diploma’s dat in jaren voor de corona-pandemie geregistreerd is. Het uitbreiden van de regeling met studenten in het mbo en hoger onderwijs die in de periode 1 september 2021 tot en met 31 januari 2022 hun diploma halen en in studiejaar 2019/2020 ten minste één maand ingeschreven stonden in deze opleiding, kost naar schatting € 24 miljoen, exclusief uitvoeringskosten voor DUO. Deze schatting is gebaseerd op de aantallen diploma’s die in eerdere jaren in de periode september tot en met januari zijn verstrekt, aangezien er geen exacte aantallen van toekomstige afstudeerders in deze specifieke periode bekend zijn. Overigens zou het opnieuw verlengen van de periode betekenen dat een deel van de studenten twee tegemoetkoming ontvangt: een halvering van het collegegeld en het bedrag na afstuderen. Ik vind dat niet wenselijk.
Is het waar dat pre-master studenten, die vertraging hebben opgelopen en daardoor ook tijdens hun master vertraging hebben opgelopen, nu geen compensatie krijgen? Zo ja, wordt voor deze groep nog een compensatieregeling getroffen?
De tijdelijke regeling tegemoetkoming studenten in verband met de uitbraak van COVID-19 verwijst naar artikel 7.3a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De «pre-master» is hier niet in opgenomen. Studenten die tussen 1 september 2020 en 31 augustus 2021 een masteropleiding af hebben gerond en voor die opleiding ook in studiejaar 2019/2020 ingeschreven stonden, ontvangen de tegemoetkoming. Wanneer een student tussen 1 september 2020 en 31 augustus 2021 een masteropleiding begint en afrondt, is er feitelijk geen sprake van studievertraging in die masteropleiding en wordt geen tegemoetkoming verstrekt. Studenten die vertraging hebben opgelopen tijdens hun pre-master en inmiddels hun masteropleiding volgen, studeren dit studiejaar tegen een gehalveerd collegegeld.
Het bericht 'Twentse student Peter kreeg kanker, maar moet beurs volledig terugbetalen: ‘Je wordt als fraudeur gezien’' |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Twentse student Peter kreeg kanker, maar moet beurs volledig terugbetalen: «Je wordt als fraudeur gezien»»?1
Ja.
Hoe vaak hebben controles door Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in de afgelopen jaren plaatsgevonden en hoe vaak gebeurt dat nu nog? Hoeveel (oud-)studenten krijgen nog te maken met een terugvordering en boete? Hoe vaak wordt hier bezwaar tegen gemaakt en leidt het vaker tot rechtszaken? Waar is de hoogte van de boete op gebaseerd? Wat zijn de redenen van terugvorderingen?
Onderstaand volgen de aantallen van de huisbezoeken, terugvorderingen, boetes, bezwaren en beroepen sinds 2016.
2016
2.080
838
702
832
330
2017
1.508
632
583
715
212
2018
1.519
586
518
440
162
2019
1.468
478
442
388
123
2020
1.025
343
307
266
71
2021
6602
191
128
Het verschil tussen het aantal terugvorderingen en boetes is te verklaren doordat boetes in sommige gevallen worden aangehouden als er bezwaar wordt gemaakt, of er in sommige gevallen maatwerk wordt toegepast. Daarnaast kan het ook zijn dat de boete later wordt opgelegd en daardoor over de jaargrens heen gaat.
In 2021 hebben er tot nu toe 660 huisbezoeken plaatsgevonden. Er is rekening gehouden met ongeveer in totaal 1100 bezoeken voor dit jaar.
De datum waarop de student is ingeschreven in de BRP op het betreffende adres is de datum vanaf waarvan de uitwonendenbeurs wordt ingetrokken. Op grond van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep wordt de boete gemaximeerd op de laatste 12 maanden van het recht op studiefinanciering. De hoogte van de boete is 50% van dat terugvorderingsbedrag. Bij herhaald geconstateerd misbruik wordt het boetebedrag verhoogd naar 100% van de terug te vorderen studiefinanciering. Dit komt overigens niet vaak voor.
Er kan studiefinanciering worden teruggevorderd als de student op het moment van het huisbezoek niet (meer) op het BRP-adres woonachtig is. DUO doet hiertoe gedegen onderzoek, voordat deze conclusie wordt getrokken. Dit kan blijken uit het huisbezoek met de verklaring van de (hoofd)bewoner of de student of uit aanvullend buurtonderzoek.
Klopt het dat DUO terugvordering van de beurs van een ernstig zieke student eist? Zo ja, is er bekend hoeveel studenten met een ernstige ziekte te maken hebben met terugvordering van hun beurs? Zo nee, wilt u dit in kaart brengen?
Dat klopt. Vanwege privacyredenen kan ik niet ingaan op de specifieke casus. DUO heeft besloten om niet het gehele bedrag terug te vorderen. Over de periode dat de student ernstig ziek was hoeft geen studiefinanciering te worden terugbetaald. Er wordt geen boete opgelegd, omdat deze wordt gematigd tot € 0,–.
Het is niet bekend hoeveel studenten met een ernstige ziekte te maken hebben met een terugvordering van hun beurs. DUO is niet altijd op de hoogte van een eventuele ziekte bij de student. De student is ook niet verplicht dit te melden. Het is daarom mogelijk dat er wordt teruggevorderd bij ziekte. Terugvordering van de teveel ontvangen (uitwonende) studiefinanciering gebeurt mede op basis van de rapportage die is opgesteld na een controlebezoek. De medewerker beoordeelt alle feiten en omstandigheden die daarin zijn opgenomen. De student kan in de eigen verklaring bijzondere omstandigheden, zoals ernstige ziekte, benoemen. De student kan hier ook melding van maken na ontvangst van de brief waarin het voornemen voor het opleggen van de bestuurlijke boete wordt aangekondigd.
Deelt u de constatering dat wanneer een student aantoonbaar ernstig ziek is, de eisen rondom verblijf op het Basisregistratie Personen (BRP)-adres niet vast te stellen zijn? Zo nee, waarom niet?
Dit hangt in belangrijke mate af van de aard van de ziekte en de overige omstandigheden. Dit moet per situatie beoordeeld worden. Wel gaat DUO studenten die aangeven ernstig ziek te zijn en daarom weer thuis zijn gaan wonen, actief helpen om te voorkomen dat zij een probleem krijgen met hun studiefinanciering. DUO zal dan ook wijzen op het aanpassen van het woonadres of dit zelf aanpassen.
Deelt u de mening dat bij aanzienlijke terugvordering van een beurs van een ernstig zieke student het belangrijk is om een belangenafweging te maken, waarbij de menselijke maat en proportionaliteit de doorslag horen te geven? Zo niet, waarom niet?
Ik vind het van groot belang dat de menselijke maat wordt toegepast bij de eventuele terugvordering van studiefinanciering. In deze afweging worden individuele situaties, de evenredigheid en proportionaliteit meegewogen.
Deelt u de mening dat studenten die te maken hebben met een ernstige ziekte niet geconfronteerd zouden moeten worden met een aanzienlijke financiële last zoals terugvordering van een beurs? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat als een student of debiteur die zich in een dusdanig ernstige situatie bevindt waarin een (financieel) besluit met grote gevolgen, deze situatie kan doen escaleren, de student daar dan op dat moment niet mee zou moeten worden geconfronteerd. Het is dan wel noodzakelijk dat de student of debiteur dit meldt, zodat DUO hier rekening mee kan houden.
Kunt u uiteenzetten hoe volgens u de regelgeving aangepast dient te worden om een kwijtschelding van de lening en boete mogelijk te maken in dergelijke situaties, met het oog op menselijke maat en proportionaliteit?
Het is wettelijk gezien mogelijk om studieschulden en boetes kwijt te schelden. De Wet studiefinanciering 2000 kent bovendien een hardheidsclausule, die is bedoeld voor situaties waarin de toepassing van de wet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Kunt u een breder overzicht bieden van de huidige belemmeringen voor DUO om meer maatwerk toe te passen?
DUO werkt al jaren met een zogenaamd «arbitrair beraad», waarin knellende situaties worden besproken. Dit arbitrair beraad neemt ook besluiten in maatwerkzaken en bespreekt signalen over knellende wet- en regelgeving met het Ministerie van OCW. Door deze zaken komt aan het licht waar het knelt met de wet- en regelgeving, de uitvoering daarvan en dienstverlening aan de burger. In het kader van het Werk aan Uitvoering-traject wordt de huidige wet- en regelgeving tegen het licht gehouden. Daar waar maatwerkbesluiten en jurisprudentie consequenties hebben voor de werkwijze van DUO of aanleiding zijn voor aanpassing van wet- en regelgeving, worden de noodzakelijke aanpassingen doorgevoerd.
Welke concrete stappen gaat u zetten om dergelijke misstanden te voorkomen in de toekomst?
DUO is bezig om de organisatie dusdanig in te richten dat medewerkers zaken waarin maatwerk moet worden geboden beter kunnen identificeren en dat maatwerkbesluit daadwerkelijk kunnen nemen. Er wordt door DUO dan ook al maatwerk toegepast. Desondanks komen mensen soms toch nog in problemen. In de genoemde zaken en andere gevallen waar vermoedens bestaan van misbruik, doet DUO gedegen onderzoek waarbij ook individuele omstandigheden van de student of debiteur worden meegewogen. Ik kwalificeer het daarom ook niet als misstanden. Het laat onverlet dat DUO altijd op zoek blijft naar verbetering en de wet- en regelgeving en het uitvoeringsbeleid voortdurend tegen het licht worden gehouden en er ruimte is voor verandering naar aanleiding van de praktijk.
Kunt u deze vragen voor de behandeling van de OCW-begroting beantwoorden?
Ja.
Antwoorden op de schriftelijke vragen ‘coronatoegangsbewijzen voor mensen met een meervoudige beperking’ |
|
Caroline van der Plas (BBB), Lisa Westerveld (GL), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Op welke termijn is de route voor mensen die zich niet kunnen laten vaccineren en niet kunnen laten testen wel beschikbaar, aangezien u aangeeft dat op «dit moment er nog geen route is voor mensen die zich niet kunnen laten vaccineren en niet kunnen laten testen»?1
Op 6 oktober is een 3-weekse pilot gestart bij de GGD regio Utrecht voor mensen die vanwege een beperking of een ziekte geen test kunnen ondergaan.
Het doel van deze pilot is meerzijdig:
Er is voor de duur van de pilot een beperkt aantal afspraken per dag beschikbaar, vanwege de intensieve betrokkenheid die deze aanpak vergt. Voor de pilot worden mensen die zich hierover eerder al hebben gemeld bij de rijksoverheid of de betreffende koepelorganisaties – onder andere van mensen met een verstandelijke beperking –, benaderd en gevraagd deel te nemen.
Het verdere proces is als volgt:
De mensen die een uitnodiging hebben ontvangen (ofwel via mail of wel mondeling via de koepels), bellen naar het call-centrum GGD Utrecht om een afspraak voor een fysiek consult bij de GGD Utrecht te maken. De voorwaarde is als zij aangeven niet getest te kunnen worden en niet gevaccineerd te zijn maar wel het gesprek over vaccinatie te willen aangaan.
Voor de afspraak komt de burger voor een fysiek consult naar GGD Utrecht. De beoordeling voor welke optie wordt gekozen is een stapsgewijs proces.
Hier zal ondervonden worden of een gewone test alsnog lukt, of dat een minder belastende (maar minder gevoelige) testafname mogelijk is. Als geen enkele test lukt volgt een uitzonderingsbewijs, dat net zo lang geldig is als een herstelbewijs.
Tevens geeft de GGD voorlichting over de wettelijke verplichting om de noodzakelijke maatregelen in acht te nemen met betrekking tot het besmettingsgevaar van anderen.
Na afloop van de pilot wordt deze geëvalueerd op de vraag of met de pilot een structurele oplossing is gevonden.
Wat is de oorzaak dat het opstellen van een route zo lang op zich laat duren?
Iedereen heeft nu de kans gehad zich te laten vaccineren. Mensen met een allergie kunnen via hun huisarts een vaccinatie afspraak maken bij een allergoloog. De groep die zich niet kan laten vaccineren en niet kan laten testen is daarom naar verwachting erg klein. Te denken valt aan mensen met complexe ziektebeelden of psychische aandoeningen. Het beschrijven van deze groep mensen blijkt echter moeilijk. Daarom is hierboven genoemde pilot ontworpen in samenwerking de GGD regio Utrecht. Het ongericht geven van uitzonderings-QR-codes, bijvoorbeeld via een zelfverklaring of het «blauwe ogen principe» – geeft te grote restrisico’s. Mensen die niet getest kunnen worden en niet gevaccineerd willen of kunnen worden, kunnen zichzelf en anderen immers besmetten met het coronavirus.
Bent u ervan op de hoogte dat het ontbreken van een route voor mensen die zich niet kunnen laten vaccineren en testen lijnrecht ingaat tegen het aangenomen amendement Bikker en dit ook in de wet is opgenomen?2
Ja. Artikel 58ra 9e lid, Wet publieke gezondheid stelt dat bij ministeriele regeling regels worden gesteld over onderhavige groep. Daarvoor is het wel noodzakelijk deze groep te kunnen definiëren. Zoals in antwoord op vraag 2 is gesteld, is dat eerder nog niet mogelijk gebleken en is dat de reden waarom nu een pilot start.
Hoe kan het dat u de coronatoegangsbewijzen per 25 september jl. voor een groot aantal sectoren hebt laten ingaan, zonder dat voor mensen met een meervoudige beperking een alternatief is gevonden?
Om vanaf 25 september voor zo veel mogelijk mensen zo veilig als kan, meer mogelijk te maken, heb ik coronatoegangsbewijzen laten ingaan. Op dat moment was het nog niet mogelijk om de groep die hiervoor uitgezonderd kan worden, ook inderdaad een uitzonderingsbewijs te geven. Het gaat hier immers om een naar verwachting zeer kleine groep die niet gevaccineerd én niet getest kan worden. Voor de onderbouwing, verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Waar kunnen mensen zich ondertussen melden die geen coronatoegangsbewijs kunnen verkrijgen omdat zij zich niet kunnen laten vaccineren en testen? Wat bent u van plan met deze meldingen te gaan doen?
Juist voor mensen met een medische aandoening is vaccineren extra belangrijk, omdat zij vaak een grotere kans hebben op een ernstig verloop van corona. Maar sommige mensen maken zich, juist door hun medische status, zorgen om vaccinatie of testen.
Mensen die mogelijk allergisch zijn voor vaccinatie kunnen zich melden bij de huisarts. Als het nodig is kan de huisarts doorverwijzen naar een allergoloog die op zijn beurt adviseert of een vaccinatie alsnog veilig gegeven kan worden in het ziekenhuizen. In de meeste gevallen is dit mogelijk.
Er is een zeer kleine groep mensen die zich om medische redenen niet kan laten testen en niet laten vaccineren. Mensen die zich melden, zullen we telefonisch of per mail contact met ze opnemen om – indien ze daadwerkelijke tot de doelgroep behoren – ze uit te nodigen om deel te nemen aan de pilot. Bij het maken van de afspraak wordt getoetst of mensen ook echt tot deze groep behoren. Zoals gezegd is de omvang van de pilot noodzakelijkerwijs beperkt. Met de groep die zich al eerder gemeld heeft, verwachten we dat de beschikbare plekken snel worden vergeven. Mocht dat niet zo zijn dan zullen we via de koepelorganisaties andere gegadigden actief benaderen en de pilotgroep zo groot mogelijk te laten zijn.
Deelt u de mening dat bovenstaand probleem een absolute topprioriteit is en het uitblijven van een oplossing strijdig is met het aangenomen amendement Bikker?3 Deelt u tevens de mening dat de overheid zich aan de wet moet houden en zich dienstbaar dient op te stellen ten opzichte van burgers?
Ik deel de mening dat het belangrijk is om voor zo veel mogelijk mensen zo veilig als kan, meer mogelijk te maken.
Bent u bereid om bovenstaande vragen vóór 4 oktober aanstaande te beantwoorden, aangezien de gedupeerden nu al weken in onzekerheid verkeren en het uitblijven van een oplossing strijdig is met de wens van de Kamer en de huidige wetgeving?
Om nu juist er voor te zorgen dat de mensen bereikt worden voor wie deze uitzonderingsroute de enige mogelijkheid op een toegangsbewijs is, hebben wij na zorgvuldige afwegingen er voor gekozen om eerst een pilot te doen. In het antwoord van vraag 2 heb ik uitgelegd waarom de totstandkoming van de route voor deze mensen vertraagd is. De eerste uitnodigingen zijn op 6 oktober verzonden, zodat vanaf die dag begonnen kon worden met het inplannen van de afspraken voor de pilot.
Vanwege het lastige vraagstuk, zoals beschreven in het antwoord van vraag 2, zijn deze vragen later dan de beoogde termijn van 4 oktober beantwoord.
Het sterker, gerichter en efficiënter fixen van matchfixing |
|
Lisa Westerveld (GL), Jeanet van der Laan (D66), Michiel van Nispen |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over matchfixing van 27 september jongstleden en het bericht «Nederlandse tennisser: mijn dubbelpartner deed mee aan matchfixing»?1 2
Ja.
Bent u bereid binnenkort een nieuw onderzoek te starten over de aard en de omvang van matchfixing in Nederland, nu vanaf 1 oktober de kansspelmarkt voor online aanbieders opengaat?
Een onderzoek op korte termijn naar de aard en de omvang van matchfixing met het oog op de opening van de online kansspelmarkt, acht ik niet opportuun. De meldingen door in Nederland vergunde aanbieders van verdachte gokpatronen en transacties in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), onder meer als een sporter wedt op zijn eigen wedstrijd, worden sinds 1 oktober gemonitord. In het voorjaar van 2022 worden de eerste trendanalyses opgesteld, waarover uw Kamer wordt geïnformeerd.
Voor de bredere context merk ik op dat, zoals eerder aan uw Kamer gemeld, uit Europees onderzoek blijkt dat een beperkt deel van de matchfixing gokgerelateerd is.3
Bent u het eens met de stelling dat de pakkans bij matchfixing in Nederland zeer klein is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De aard en omvang van matchfixing in Nederland is niet bekend. Zodoende is moeilijk vast te stellen hoe hoog de pakkans is. Onder leiding van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie komen de Politie, de Belastingdienst doelgroep Sport, FIOD en de Kansspelautoriteit periodiek samen in het Signalenoverleg Sportfraude. Zij bespreken welke concrete signalen er zijn, welke actie daarop kan worden ondernomen en door wie. Daar waar een signaal aanleiding geeft tot strafrechtelijk onderzoek, investeren politie en justitie de benodigde tijd in onderzoek. Het bekijken van dergelijke signalen in het kader van het voorbereidend justitieel onderzoek betreft een continu proces.
De meldingsbereidheid van matchfixing door sporters is zeer laag, onder meer uit angst voor repercussies en gevolgen voor de sportcarrière. Daarnaast is matchfixing een haaldelict, dit betekent dat de politie matchfixing zelf moet constateren.
Zijn er voornemens om in Nederland één instantie mét opsporingsbevoegdheid de belangrijkste speler te maken in het bestrijden van matchfixing, gegeven het feit dat zeer veel verschillende partijen betrokken zijn bij het strategisch beraad matchfixing, het nationaal platform matchfixing en het signalenoverleg? Zo nee, waarom is dit niet wenselijk? Zo ja, wanneer verwacht u hier meer duidelijkheid over?
Op dit moment zijn de betrokken partijen in een traject van herijking van de structuur rond de bestrijding van matchfixing. Gezamenlijk wordt bepaald welke stappen moeten worden gezet om de aanpak van matchfixing te versterken. De hoofdlijnen van deze herijking worden in het voorjaar van 2022 met de Kamer gedeeld.
Zal het onafhankelijk maken en het beter equiperen van het Centrum Veilige Sport bijdragen aan makkelijker melden van sporters, indien zij benaderd worden door matchfixers?
Het is niet bekend of het onafhankelijk organiseren en beter equiperen van het Centrum Veilig Sport Nederland bijdraagt aan het melden van matchfixing. Dit wordt meegenomen in de uitwerking van de motie van het lid Van der Laan, waarin de regering wordt verzocht om te bewerkstelligen dat het Centrum Veilige Sport onafhankelijk wordt. Een melding maken dient voor sporters laagdrempelig en gemakkelijk te zijn. De Staatssecretaris van VWS is voornemens om een breed onderzoek te doen naar welke factoren van invloed zijn bij het maken van een melding.
Deelt u de mening dat de artikelen 326 en 328ter Wetboek van Strafrecht, respectievelijk oplichting en niet-ambtelijke omkoping, zich in juridische zin voldoende lenen om toegepast te worden om over te gaan tot vervolging van matchfixing? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij vraag 9.
Kan een deel van de casuïstiek van matchfixing buiten de algemeen opgezette formulering van deze artikelen vallen? Zo ja, kunt u dit illustreren aan de hand van voorbeelden?
Zie het antwoord bij vraag 9.
Maken de wijzen waarop de relevante strafbepalingen nu zijn geformuleerd goed strafrechtelijk onderzoek naar matchfixing moeilijker? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij vraag 9.
Zou een wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering of een andere wet strafrechtelijk onderzoek naar matchfixing kunnen vereenvoudigen? Bijvoorbeeld door het mogelijk te maken al onderzoek te doen op basis van een vreemde sportuitslag of onverklaarbare prestaties en acties van sporters?
Matchfixing is niet apart strafbaar gesteld in Nederland. Voor de strafrechtelijke aanpak van matchfixing komen vooral oplichting (art. 326 WvSr), niet-ambtelijke omkoping (art. 328 ter WvSr) en witwassen (art. 420bis e.v. WvSr) in beeld. Niet alle zaken worden door deze artikelen gedekt. Onder oplichting valt niet een niet op waarde te waarderen afgifte4, daarmee is het artikel alleen toepasselijk zolang er ook sprake is van gokken. Het huidige artikel 326 WvSr, sluit bijvoorbeeld niet aan bij de praktijk van niet-gokgerelateerde matchfixing zoals het onderling afstemmen van een uitslag zodat iemand een ronde verder komt in een toernooi of promoveert.
Bij niet-ambtelijke omkoping bestaat een lacune daar deze strafbaarstelling zich niet lijkt uit te strekken tot sporters/officials die een amateurstatus hebben en tot situaties waarin geen sprake is van een lasthebber-lastgever relatie. Het Openbaar Ministerie onderzoekt in voorkomend geval ook of het strafrecht een rol kan spelen bij signalen van niet transparante geldstromen rondom sportclubs.
Los van matchfixing zijn er ook strafrechtelijke bepalingen toepasbaar die situaties rondom matchfixing strafbaar stellen. Indien matchfixing plaatsvindt in georganiseerd verband dan is artikel 140 Wetboek van Strafrecht van toepassing. Daarnaast kunnen zich feiten voordoen in de fase voordat een sporter wordt overgehaald om (blijvend) mee te werken aan het fixen van wedstrijden, te denken valt dan aan afpersing, bedreiging, vernieling en mishandeling.
Zou een aparte strafbaarstelling of aanpassing van de wettekst wat u betreft deze problemen kunnen oplossen?
Het Openbaar Ministerie heeft op verzoek van het Strategisch Beraad Matchfixing een onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een strafbaarstelling van matchfixing. De uitkomsten van dit onderzoek worden momenteel door het Strategisch Beraad Matchfixing van een advies voorzien. Uw Kamer wordt daarna geïnformeerd over het advies. Het onderzoek is te vinden op de website van het Openbaar Ministerie en tevens als bijlage5 gevoegd bij deze brief.6
Bent u bereid nader onderzoek te laten doen naar de vraag of bestaande wetsartikelen in het Wetboek van Strafrecht voldoende zijn voor opsporingsinstanties om matchfixing op te sporen en vervolgens of verruiming/specificering van strafbepalingen nodig is? Zo ja, wanneer kunt u dit onderzoek hebben afgerond?
Zie het antwoord bij vraag 10.
Welke wettelijke kaders heeft het tuchtrecht in de sport nog nodig om sneller en beter gegevens uit te wisselen met zowel kansspelaanbieders als opsporingsinstanties, zodat sportbonden effectiever kunnen optreden tegen matchfixing? In welke wet zou dit zijn weerslag moeten vinden?
Er is niet zozeer gebrek aan juridische grondslag. Het gaat meer om vormgeving van de samenwerking. Kansspelaanbieders melden verdachte gokpatronen (op event-niveau) direct aan sportorganisaties. Zij melden daarnaast ongebruikelijke transacties in de zin van de Wwft (op persoonsniveau) aan FIU-Nederland, waarbij de signalen via een fast lane bij de politie terecht komen. De politie kan gegevens delen met de sportbonden en/of ISR (voor de bij ISR aangesloten sportbonden) op grond van artikel 20 Wet politiegegevens (Wpg). Het delen van deze informatie kan alleen indien er sprake is van een (zwaarwegend) algemeen belang. Echter kan het opsporingsbelang eraan in de weg staan dat informatie in een vroegtijdige fase gedeeld wordt. Het is om die reden belangrijk dat afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsconvenant en een informatiedelingsconvenant. De betrokken partijen zijn in een traject van herijking van de structuur rond de bestrijding van matchfixing. In dit traject kan de scope, koers en strategie ten behoeve van de samenwerkingsafspraken worden meegenomen. De sportbonden kunnen gegevens delen met de opsporing op grond van artikel 6 AVG. De ervaring van het Openbaar Ministerie is evenwel dat sportbonden vaak een geheimhoudingsplicht hebben ten opzichte van hun leden, waardoor dit in de praktijk niet tot nauwelijks gebeurt.
Zijn dergelijke wettelijke kaders wel van toepassing op andere gebieden waar tuchtrecht van toepassing is, zoals de zorg of advocatuur?
Het tuchtrecht voor bijvoorbeeld artsen en advocaten betreft een vorm van wettelijk tuchtrecht. Voor deze beroepsgroepen zijn de regels rondom tuchtrecht in de wet bepaald, in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en respectievelijk de Advocatenwet. Tuchtrecht voor de sport betreft een vorm van niet-wettelijk tuchtrecht, oftewel verenigingstuchtrecht. Sportbonden zoals de KNVB en de KNHB hebben over de inrichting van hun tuchtrecht in statuten en reglementen regels opgenomen. Een wettelijke regeling is hierbij niet nodig. Vervolgens geldt voor onder andere artsen en advocaten een wettelijke geheimhoudingsplicht (art. 88 Wet BIG en art. 11a Advocatenwet). Dat beperkt het delen van informatie die onder die geheimhoudingsplicht valt.
Bent u bereid om nader te onderzoeken op welke wijze gegevensuitwisseling tussen enerzijds kansspelaanbieders en opsporingsinstanties en anderzijds sportbonden kunnen worden verbeterd om snel matchfixing op te sporen, bijvoorbeeld door het aanpassen van wettelijke kaders? Zo ja, wanneer kunt u dit onderzoek hebben afgerond en kunt u hierbij voorbeelden van het tuchtrecht in de zorg of advocatuur betrekken?
Zie ook het antwoord bij vraag 12 en 13. Op dit moment zijn de betrokken partijen in een traject van herijking van de structuur rond de bestrijding van matchfixing. Gezamenlijk wordt bepaald welke stappen moeten worden gezet om de aanpak van matchfixing te versterken en eventuele barrières die er in de praktijk zijn te verminderen.
Bent u bereid in gesprek te treden met de autoriteiten en sportbonden in Engeland, vaak aangehaald als best-practice, hoe zij matchfixing strafrechtelijk en tuchtrechtelijk aanpakken en hierover verslag te doen richting de Kamer, zodat dit handvatten biedt voor de Nederlandse situatie?
NOC*NSF is voornemens om een vergelijkend onderzoek te laten doen naar de aanpak van matchfixing in andere landen en hoe Nederland daarvan kan leren. Wanneer hierover meer bekend wordt, zal mijn collega van VWS de Kamer informeren.
Waarom wordt de subsidie van het Ministerie van VWS of J&V aan sportbonden, om sporters te wijzen op de gevaren van matchfixing, gestopt voor 2022? Hoe kunt u ervoor zorgen dat ook kansspelaanbieders financieel bijdragen aan preventie door sportbonden?
Het betreft een tijdelijke projectsubsidie, die op het punt staat om afgerond te worden. Het Ministerie van VWS is voornemens om ook vanaf 2022 in te zetten op voorlichting die gericht is op sporters en scheidsrechters die actief zijn op hogere niveaus in de nationale competities en toernooien. Het doel is het vergroten van bewustwording en basiskennis bij een grotere groep sporters op het gebied van grensoverschrijdend gedrag, waaronder matchfixing. De weerbaarheid van sporters wordt hiermee verhoogd.
Met betrekking tot financiële bijdragen van kansspelaanbieders aan de sport is de regering bij gewijzigde motie van het lid Van Nispen c.s. verzocht te onderzoeken op welke wijze de meeropbrengsten van onlinekansspelen ten goede komen aan de sport.7 In de Wet kansspelen op afstand is, door middel van het amendement-Van Wijngaarden/Mei Li Vos8, in artikel VIII lid 2, opgenomen dat bij de wetsevaluatie drie jaar na inwerkingtreding onder meer de meeropbrengst van de kansspelbelasting van de kansspelen op afstand en de ontwikkeling van de afdrachten aan de sport moeten worden meegenomen. Deze informatie zal bij de evaluatie inzichtelijk worden gemaakt. Daarnaast zullen de onderzoekers worden gevraagd bij de evaluatie te onderzoeken op welke wijze de meeropbrengsten van onlinekansspelen ten goede komen aan de sport9, meeropbrengsten die de sport mede kan inzetten voor preventie. Overigens is dezerzijds in gesprekken met kansspelaanbieders gewezen op het belang van (financiële) steun aan de integriteit van de sport.
Kunt u deze vragen beantwoorden enkele weken alvorens het Wetgevingsoverleg Sport op 15 november a.s. plaatsvindt?
Het Wetgevingsoverleg Sport is verplaatst naar 2 december a.s.
Vaccindonaties aan de WHO voor lage-inkomenslanden |
|
Lisa Westerveld (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
de Th. Bruijn , Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nederland geeft nog geen vaccins aan WHO», uit hetNederlands Dagblad van 16 september 2021?1
Ja.
Klopt het dat Nederland nog geen harde toezeggingen heeft gedaan aan COVAX op het gebied van vaccindonaties voor lage-inkomenslanden? Zo ja, waarom niet? Wat heeft Nederland precies toegezegd rond het «voornemen» om 20 miljoen vaccins te doneren? Is daar een datum aan verbonden?
Nee, die toezeggingen zijn wel hard. Middels donatiemandaten heeft Nederland opdracht gegeven een groot deel van die vaccins waar Nederland dit jaar nog recht op heeft, maar nog niet geleverd zijn, aan Covax te doneren. In totaal gaat dit om 22 miljoen doses AstraZeneca, BioNTech/Pfizer, Janssen en Moderna. Daarnaast worden al geleverde vaccins bilateraal gedoneerd. Tot nog toe zijn zo’n 2,5 miljoen vaccins bilateraal gedoneerd; naar verwachting komen daar de komende weken nog eens 4,5 miljoen doses bij. Daarmee wordt tevens ruim voldaan aan de doelstelling dit jaar minstens zoveel vaccins te doneren als we zelf gebruiken («Get one – Give one»).
Erkent u dat het eerlijk delen van schaarse vaccins in de wereld iets anders inhoudt dan alles voor jezelf houden en aan het eind kijken wat je toch niet kunt gebruiken, en daarom makkelijk weg kunt geven? Waarom kiest u tot nu toe, ondanks alle mooie woorden over het belang van internationale solidariteit, voor die laatste optie? En bent u bereid om nu alsnog een harde toezegging te doen en zo snel als mogelijk ook daadwerkelijk vaccins te leveren aan COVAX?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 is een harde toezegging al gedaan. Een eerlijke wereldwijde verdeling van coronavaccins is van groot belang, zowel vanuit een moreel als een gezondheids- en economisch perspectief. De sociaaleconomische kosten van het achterblijven van de vaccinatiegraad in lage- en middeninkomenslanden zijn groot. Daarom heeft Nederland financieel bijgedragen aan ACT-A en COVAX, en doneert Nederland minstens zo veel vaccins als het zelf gebruikt («Get one – Give one»).
Hoe reflecteert u op het feit dat andere rijke landen al wel harde toezeggingen hebben gedaan voor vaccindonaties aan COVAX? Wat is de reden dat deze landen een andere afweging maken dan Nederland?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 heeft Nederland harde toezeggingen gedaan aan COVAX en worden ook aanzienlijke bilaterale donaties gedaan. Daarmee haalt Nederland ruim de beloofde «Get one – Give one». Verhoudingsgewijs doneert Nederland daarmee ongeveer evenveel als landen als Duitsland en de VS. Ik hecht eraan hier te benadrukken dat Nederland er op dit moment voor kiest om al ons surplus te doneren. Reden dat we hiervoor kiezen is dat Nederland het als verantwoordelijkheid voelt bij te dragen aan het bestrijden van de wereldwijde crisis. Dat doen we omdat we ons betrokken bij de rest van de wereld en kwetsbaren in het bijzonder, maar ook omdat het vanuit
volksgezondheidsoverwegingen van belang is om de pandemie ook elders in de wereld te bestrijden. Bovendien is het ook een Nederlands belang dat de mondiale economie zo snel als mogelijk kan herstellen.
Hoe groot is de Nederlandse vaccinvoorraad momenteel? En hoeveel vaccins worden er dagelijks weggeprikt? Is de verhouding tussen beschikbare voorraad en huidige benodigdheden anders in rijke landen die wel vaccins toezeggen of leveren aan COVAX?
Het RIVM heeft momenteel ongeveer 7,5 miljoen vaccins op voorraad liggen in de centrale opslag. Hiervan worden circa 3,5 miljoen doses aangehouden om de huidige vaccinatiecampagne en de geplande boostercampagne af te kunnen ronden, en voor een noodzakelijke reservevoorraad. Er worden op dit moment in Nederland ongeveer 125.000 prikken per week gezet. Reeds aan Nederland geleverde vaccins kunnen niet aan COVAX worden gedoneerd. De komende weken zullen we nog circa 4 miljoen vaccins bilateraal doneren uit de nationale voorraad. De voorraad die andere landen aanhouden is van vele factoren afhankelijk; ik heb daar geen zicht op.
Heeft Nederland daarnaast nog bestellingen voor vaccins uitstaan? Zo ja, voor hoeveel doses en op welke termijn? Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van COVAX om de plek van Nederland vooraan in de rij te ruilen met lage-inkomenslanden die veel verder naar achteren staan in de rij en tegelijkertijd een zeer lage vaccinatiegraad hebben? Zo nee, waarom niet?
Niet alle doses waar Nederland nog recht op heeft, zullen in 2021 nog geleverd worden. Naar verwachting zullen we dit jaar nog circa 22 miljoen doses tegemoet kunnen zien. Deze moeten zoveel mogelijk direct vanuit de fabriek aan COVAX geleverd gaan worden. Er zijn ook vaccins ingekocht voor de periode 2022/2023 (met name BionTech/Pfizer en Moderna). Bij deze inkoop zijn we uitgegaan van een voorzorgsprincipe. We willen over voldoende vaccins beschikken om in deze periode de hele Nederlandse bevolking boven de 12 volledig te kunnen vaccineren, mocht de Gezondheidsraad dit adviseren. Van deze volumes staat nog niet vast of en in welke mate deze in de komende jaren in Nederland ingezet zullen gaan worden. Over de mogelijkheden om ook deze vaccins te kunnen doneren, zal ik uw Kamer later nog separaat informeren. De plek van Nederland in de rij ruilen met andere landen levert in mijn ogen niets op: de vaccins die Nederland nu zou doneren, zouden in dat geval door COVAX (opnieuw) worden aangekocht, en de vaccins die dan op een later moment alsnog aan Nederland worden geleverd, zouden wij dan weer ter donatie afstaan.
Wat is de reden dat COVAX niet in de buurt komt van het doel van 1,8 miljard vaccins voor lage-inkomenslanden tegen het eind van 2021? Welke rol speelt de houding van rijke landen zoals Nederland, die weigeren om vaccins te delen, hierbij?
COVAX verwacht het gestelde doel in maart 2022 te behalen: drie maanden later dan gepland. De CEO van Gavi geeft twee oorzaken voor deze vertraging: de beschikbaarheid van vaccins omdat deze zijn gereserveerd en het exportverbod van India op vaccins, waardoor één van de grootste leveranciers van COVAX niet kon leveren. Dit exportverbod is per oktober opgeheven en COVAX hervat momenteel onderhandelingen met producenten aldaar. Om de beschikbaarheid van vaccins voor ontwikkelingslanden te vergroten, is het belangrijk dat landen met grote voorraden hun surplus delen. Daarom zijn donaties in natura nu essentieel. Als gezegd zal Nederland hierbij nadrukkelijk zijn rol spelen. Daarnaast is het belangrijk de productiecapaciteit van vaccins op te schroeven.
Wat zijn de gevolgen van het feit dat vaccinleveringen aan arme landen ernstig achterblijven? Kunt u daarbij ingaan op de sociaaleconomische gevolgen in lage-inkomenslanden, maar ook op de gevolgen voor de wereldeconomie, en voor het risico op het ontstaan van nieuwe besmettelijke varianten?
Alleen als COVID-19 wereldwijd wordt aangepakt kan deze pandemie effectief worden bestreden. Daarom moet nu vooral worden ingezet op de beschikbaarheid van vaccins en andere COVID-19-producten in landen die achterblijven. Een virus kent immers geen grenzen en ongecontroleerde verspreiding van infectie kan ervoor zorgen dat er steeds nieuwe mogelijke resistentere virusvarianten ontstaan.
Vooral lage-inkomenslanden met een lage vaccinatiegraad ondervinden de schadelijke gevolgen van het voortduren van de pandemie. Daarbij zijn vooral ook de secundaire effecten van de pandemie ingrijpend en schadelijk. Zo konden 1.5 miljard kinderen gedurende lockdowns geen lessen meer volgen, 77 miljoen kinderen zijn nog steeds niet zijn teruggekeerd naar school. We weten dat meisjes onevenredig hard getroffen worden en zien ook dat kinderarbeid, huiselijk geweld, gedwongen huwelijken en ongewenste zwangerschappen toenemen.
Het IMF verwacht dat de economische groei in lage inkomens landen dit jaar voor het éérst in 20 jaar minder sterk zal zijn dan in hoge inkomens landen. Daardoor neemt de wereldwijde ongelijkheid toe. Dit is het gevolg van een toenemend verschil in herstelperspectieven die voor een belangrijk deel voortkomen uit verschillen in vaccintoegang.
Deelt u de mening dat de Europese Unie niet alleen arme landen in de steek laat, maar ook de gezondheid van haar eigen burgers in gevaar brengt, en haar ambities om een grotere geopolitieke rol te spelen verloochent, gezien het feit dat WHO-cijfers aantonen dat rijke landen tot nu toe 96 miljoen vaccindoses hebben gedoneerd aan COVAX, waarvan er 76 miljoen kwamen van de Verenigde Staten, 10 miljoen van Japan en slechts 5 miljoen van EU-lidstaten (vooral Frankrijk)?2
Met een totale bijdrage aan ACT-A van 4.821 miljard euro is de EU één van de grootste donoren wereldwijd. Het traject om donaties vanuit de EU juridisch mogelijk te maken was complex; zo moesten afspraken rondom aansprakelijkheid goed worden geborgd. Von der Leyen benoemde in de Staat van de Unie in september jl. dat Team Europe streeft naar een donatie van 500 miljoen vaccins voor zomer 2022. Hiervan zullen 300 miljoen vaccins gedoneerd worden door de lidstaten en de Commissie zal verder nog 200 miljoen vaccins aankopen voor de donatie aan partnerlanden. Inmiddels hebben de LS gezamenlijk 279 miljoen vaccins aan Covax gecommitteerd. De levering van deze vaccins aan partnerlanden is nu grotendeels afhankelijk van de producenten.
Wat is uw reactie op berekeningen van de WHO (de Access to COVID-19 Tools Accelerator, waar COVAX onderdeel vanuit maakt, bevat naast vaccindonaties ook een financiële component) die aantonen dat Nederland voor slechts 25% aan haar fair share heeft voldaan, terwijl Duitsland bijvoorbeeld al 130% van haar fair share heeft bijgedragen?3 Is Nederland van plan om op korte termijn aan haar fair sharete voldoen?
Met de recent aangekondigde extra bijdrage van 95 miljoen euro voor 2021 en 2022 draagt Nederland inmiddels 242 miljoen euro bij aan ACT-A. Daarnaast heeft Nederland een donatie in natura van 27 miljoen vaccins aangekondigd. Als zowel de waarde van de financiële bijdrage aan ACT-A en de donatie in natura in ogenschouw wordt genomen komt Nederland dicht in de buurt van de door ACT-A gehanteerde verdeelsleutel. De extra financiële inzet op de respons op COVID-19 moet niet ten koste gaan van onze reguliere inzet op gezondheid, inclusief seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). In veel lageinkomenslanden staat vooral basisgezondheidszorg als gevolg van COVID-19 onder druk. Daarom blijft Nederland vanuit de BHOS-begroting onveranderd investeren in basisgezondheidszorg en SRGR in ontwikkelingslanden. Bij gelijkblijvend BHOS budget zou nog eens extra bijdragen aan ACT-A uit de BHOS begroting betekenen dat minder middelen beschikbaar zijn voor reguliere OS.
Hoe staat het met Europese inspanningen om lokale vaccinproductie, bijvoorbeeld in Afrikaanse landen, te ondersteunen? Deelt u de mening dat patenten een obstakel vormen voor de uitbreiding van de lokale productie? Hoe staat het met de gesprekken binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) om patenten voor coronavaccins vrij te geven?
Een duurzame oplossing voor Afrika kan zijn om te investeren in het opbouwen van een eigen farmaceutische industrie. Daardoor ontstaat er minder afhankelijkheid. Dit is een belangrijke prioriteit van de EU, waar ook Nederland zich hard voor maakt. Tijdens de G20 in Rome werd een initiatief van Team Europa gepresenteerd van 1 miljard euro om de productie van en de toegang tot vaccins, geneesmiddelen en gezondheidstechnologieën in Afrika te vergroten. De EU heeft specifiek opgeroepen om te investeren in de opbouw van lokale productiecapaciteit in zuidelijke landen en verschillende initiatieven daartoe worden momenteel ontwikkeld, onder meer in Senegal, Zuid-Afrika en Rwanda. Om uitwisseling van kennis en technologie tussen farmaceuten en producenten te stimuleren, organiseert Nederland de komende World Local Production Summit.
Vaccinfabrikanten werken momenteel, binnen het bestaande stelsel van intellectueel eigendom, op grote schaal samen om de productiecapaciteit wereldwijd te vergroten. Dit werpt vruchten af zoals ook blijkt uit de meest recente productiecijfers. AstraZeneca werkt bijvoorbeeld samen met het Serum Institute of India voor de productie van 1 miljard vaccins voor lage- en middeninkomenslanden. Ook werkt AstraZeneca samen met bijvoorbeeld Emergent, Catalent, Halix, Thermo Fisher en IDT Biologika. Het farmaceutische bedrijf Pfizer werkt samen met onder meer BioNtech, Sanofi en Novartis. Moderna werkt samen met Lonza, Catalent, Rovi en Recipharm. Als laatste kan worden aangegeven dat Janssen bijvoorbeeld samenwerkt met Emergent, Catalent, Reig Jofre, Merck, Biological E in India en Aspen in Zuid-Afrika. De wereldwijde productie van vaccins neemt snel toe. Met een wereldwijde productie van bijna 1,5 miljard doses per maand is de verwachting van de WHO inmiddels dat er vanuit het oogpunt van de voorziening voldoende doses zullen zijn om de wereldwijde vaccinatiedoelen te bereiken, mits er een billijke verdeling is.4
Tijdens het tweeminutendebat Informele EU-Gezondheidsraad van 12 oktober 20215 en tijdens het debat over de Europese top van 21 en 22 oktober 20216 is toegezegd uw Kamer nader te informeren over de door het kabinet getoonde inzet en de stand van zaken in de discussies omtrent voorstellen voor tijdelijke opschorting van octrooirechten (een zogenaamde TRIPS-waiver). Ter uitvoering van deze toezeggingen ga ik hieronder nader in op de stand van zaken en de inzet van het kabinet in de onderhandelingen over de TRIPS-waiver.
Zowel de inspanningen van Nederland als die van de Europese Commissie zijn er op gericht dat het stelsel van intellectueel eigendom geen blokkerende (maar juist een faciliterende) rol speelt bij het inzetten van de bestaande capaciteit of het creëren van nieuwe capaciteit voor de productie van COVID-19 vaccins.
Het kabinet heeft er, in lijn met de motie-Piri c.s. (Kamerstuk 35 663, nr. 21), binnen de Europese Unie in aanloop naar bijeenkomsten van de TRIPS-raad herhaaldelijk op aangedrongen dat de EU zich constructief opstelt wat betreft een beperkt waiver-voorstel gericht op coronavaccins. Gezien het uitstel van de 12eMinisteriële Conferentie van de WTO wordt de discussie over intellectueel eigendom omtrent Covid-19-vaccins de TRIPS-raad vervolgd, op basis van de voorstellen van India en Zuid-Afrika enerzijds, en de Europese Unie anderzijds.
Het kabinet zal binnen de EU blijven aandringen op proactieve en constructieve onderhandelingen aan de hand van concrete teksten over zowel het EU-voorstel als een beperkt waiver-voorstel om zo een uitweg te vinden in deze discussie over de rol van intellectuele eigendom bij het verbeteren van de toegang tot betaalbare COVID-19-vaccins. Doel blijft concrete en pragmatische oplossingen op korte en middellange termijn te vinden om de universele toegang tot COVID-19-vaccins tegen betaalbare prijzen te verbeteren.
Kunt u, gezien de achterblijvende vaccinatiegraad in lage-inkomenslanden, helder uiteenzetten welke extra inspanningen Nederland gaat verrichten, op de korte en lange termijn, om dit wereldwijde probleem aan te pakken?
Zie ook het antwoord op vraag 2 en 10. Zoals aangegeven draagt Nederland 95 mln. euro extra bij aan ACT-A en is Nederland voornemens om in 2021 in totaal ruim 29 miljoen vaccins te doneren. Nederland heeft daarmee gedaan wat het voor dit jaar heeft beloofd en zal zich hiervoor blijven inspannen. Naast beschikbaarheid van vaccins zijn vooral ook extra investeringen nodig in de gereedheid van landen om vaccins effectief te kunnen prikken. Daarom draagt Nederland vooral ook bij aan het gereedmaken van landen voor effectieve vaccinatiecampagnes, maar ook aan het versterken van gezondheidssystemen. Dit is belangrijk om de pandemie te bestrijden, maar ook om de reguliere zorg in stand te houden en beter voorbereid te zijn op toekomstige pandemieën. Zoals ook in mijn antwoord op vraag 10 is aangegeven moeten de extra investeringen in de respons op COVID-19 niet ten koste gaan van reguliere zorg inclusief SRGR. Daarom blijft Nederland vanuit de BHOS-begroting onveranderd investeren in basisgezondheidszorg in ontwikkelingslanden.
Studentenhuisvesting |
|
Lisa Westerveld (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Horrorscenario wordt werkelijkheid: «Buitenlandse studenten slapen in bushokjes»»?1
Ja.
Bent u het met GroenLinks eens dat het onacceptabel is dat internationale studenten noodgedwongen in bushokjes de nacht moeten doorbrengen, omdat er onvoldoende studentenwoningen beschikbaar zijn?
Iedereen in Nederland heeft recht op een dak boven het hoofd. Ook internationale studenten. Situaties waarin zij geen onderdak hebben moeten inderdaad voorkomen worden. Ik vind het daarom belangrijk dat studiesteden noodopvang regelen, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. Wat betreft het genoemde voorbeeld in het bericht heeft de gemeente Groningen laten weten dat de georganiseerde piekopvang wel druk was, maar nog niet helemaal uitgeput.
Bent u in contact met initiatieven zoalsShelter Our Students om hen (financieel) te ondersteunen in hun werk? Zo nee, waarom niet?
Het is een lokale verantwoordelijkheid om te zorgen voor voldoende huisvesting. Nagenoeg alle studiesteden houden rekening met een piekvraag in september en nemen maatregelen om dit op te vangen. Zo wordt in Groningen tijdelijke opvang voor 150 bedden gerealiseerd, worden in Maastricht hotels en hostels benaderd voor extra plekken en plaatst Tilburg aankomende periode 150 tijdelijke woningen. Ook bieden enkele universiteiten ondersteuning aan internationale studenten om huisvesting te vinden.
Bent u in gesprek met hoteleigenaren en hostels om voor deze kwetsbare groep tijdelijk, urgente opvang te regelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de gemeente Groningen 25 euro per nacht vraagt voor de noodopvang? Zo ja, is het mogelijk om de kosten voor deze opvang tijdelijk op te schorten? Kunt u de gemeente hierin tegemoetkomen? Zo nee, waarom niet?
De prijzen voor piekopvang is een lokale aangelegenheid. Er worden verschillende prijzen gehanteerd, een kamer voor twee personen kost een student € 11,50 en op een grote slaapzaal is de eigen bijdrage € 6. De werkelijke kosten voor de gemeente en onderwijsinstellingen voor een bed liggen op € 20, dat wordt slechts deels goedgemaakt door de eigen bijdrage van studenten.
Er wordt actief opgeroepen om studenten (tijdelijk) in huis te nemen; is het mogelijk om een uitzondering te maken zodat huurders en mensen met een uitkering niet in problemen te komen met bijvoorbeeld huursubsidie of de kostendelersnorm?
Voor wat betreft de kostendelersnorm tellen niet alle huisgenoten hiervoor mee. Studenten die een opleiding volgen die recht kan geven op studiefinanciering of tegemoetkoming studiekosten (WTOS) en studenten die een Beroeps Begeleidende Leerweg volgen (BBL-studenten) zijn uitgezonderd. Ook tellen kamerhuurders bij een schriftelijke huurovereenkomst en tegen een commerciële prijs niet mee als kostendeler. De huuropbrengst heeft voor de verhuurder met een bijstandsuitkering gevolgen voor de hoogte van de uitkeringsnorm.
Voor de huurtoeslag wordt studiefinanciering niet meegeteld als inkomen en heeft dit dus geen effect op de hoogte van de toeslag. Als de inwonende student echter daarnaast nog een inkomen heeft kan dit wel meetellen. Het is in dat geval ook niet onlogisch dat de student bijdraagt aan de woonlasten. Dat kan op twee manieren. Voor tijdelijke situaties kan de huurtoeslagontvanger zelf afspraken maken met de student over een bijdrage in de huurlasten om te zorgen dat ze er financieel niet op achteruit gaan. Als de huurtoeslagontvangers structureel een student in huis wil nemen is het mogelijk om een kamer te onderverhuren. Dit moet dan officieel worden vastgelegd in een huurovereenkomst en de onderhuurder moet op het adres worden ingeschreven. Zodra de onderhuurder op het adres inschreven staat, moet de onderhuur telefonisch aan de Belastingdienst worden doorgegeven. Die bepaalt dan aan de hand van de huurovereenkomst en bankafschriften waaruit blijkt dat er huur wordt betaald of er sprake is van onderhuur. De inwonende student en diens inkomen tellen dan niet meer mee in de huurtoeslagberekening. De betaalde huur heeft meestal geen gevolg voor de aangifte inkomstenbelasting (kamerverhuurvrijstelling).
Vindt u het, tegen deze achtergrond, nog verantwoord om te stellen dat het aan een volgend kabinet is om de inzet inzake studentenhuisvesting te versterken?2 Wat hebben studenten die op dit moment geen huisvesting hebben aan dit voornemen?
De afgelopen jaren hebben we stappen gezet met het actieplan en met de regeling voor aandachtsgroepen. Zoals ik in de brief aan uw kamer hierover aangeef leken we vorig jaar het tekort voorzichtig in te lopen. Het beeld van dit jaar met de nieuwe ramingen is echter anders. Het is duidelijk dat er meer nodig is. Zoals ik in het Commissiedebat van 16 september jl. heb aangegeven blijf ik niet stil blijf zitten in afwachting van een nieuw kabinet maar ga ik met alle stakeholders op dit terrein in het Landelijk Platform Studentenhuisvesting spreken over een actualisatie van het Actieplan. Het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting is een gezamenlijk actieplan van het Ministerie van BZK, het Ministerie van OCW, studentenhuisvesters, onderwijsinstellingen, gemeenten en studenten. Tegelijkertijd zullen de huidige middelen vanuit het Rijk niet voldoende zijn, voor meer structurele oplossingen is dan ook een nieuw kabinet aan zet.
Wat heeft u sinds uw aantreden per studiejaar ondernomen om het tekort aan studentenwoningen op te lossen? Kunt u daarbij ook aangeven welke doelen u heeft gesteld en of deze doelen behaald zijn?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe worden internationale studenten geïnformeerd over de huisvestingssituatie in de stad waarin ze gaan studeren? Zijn onderwijsinstellingen verplicht aankomende internationale studenten te informeren over de woningnood onder studenten? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten, woningcorporaties en hoger onderwijsinstellingen verzorgen de informatievoorziening over studentenhuisvesting. De onderwijsinstellingen verwijzen hier vaak naar op hun websites. Dit is ook in lijn met het Actieplan Studentenhuisvesting 2018–2021. Ook bieden enkele universiteiten ondersteuning aan internationale studenten om huisvesting te vinden. Sommige instellingen geven aan dat zij internationale studenten waarschuwen om pas af te reizen zodra hun huisvesting geregeld is. Voorkomen moet worden dat er studenten hierheen gehaald worden, waar geen plaats voor is.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overlegt zeer geregeld met de verenigingen van universiteiten en hogescholen (VSNU en VH) over de verwachte instroom aan internationale studenten. Ook is met universiteiten gesproken over de voorlichtings- en wervingsactiviteiten voor internationale studenten: in de meeste gevallen is die voorlichting erop gericht om te waarschuwen voor grenzen aan de capaciteit, zowel bij de studie als voor wat betreft huisvesting. Desondanks komen internationale studenten toch naar Nederland. Hoger onderwijsinstellingen werken, zoals afgesproken in het Actieplan Studentenhuisvesting 2018–2021, reeds enkele jaren nauw samen met gemeenten en woningcorporaties rondom studentenhuisvesting, ook voor het huisvesten van internationale studenten.
Kunt u deze vragen binnen vijf dagen beantwoorden gezien de urgentie van de situatie? Zo nee, waarom niet?
Dit is helaas niet gelukt. Het is vooral een lokale verantwoordelijkheid om noodsituaties te voorkomen, daarover vindt contact plaats.
De eigen bijdrage in de ggz. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat patiënten in de ggz tijdens de transitie naar het zorgprestatiemodel niet één maar twee keer het eigen risico moeten betalen voor dezelfde behandeling, wanneer deze een jaargrens overgaat zoals wordt vermeld op zorgprestatiemodel.nl? Zo ja, klopt het dat circa 100.000 ggz-patiënten hierdoor extra eigen risico moet betalen?
Omdat het eigen risico van de zorgverzekering is gekoppeld aan de bekostiging heb ik de Tweede Kamer in mijn brief over de nieuwe ggz-bekostiging van 6 oktober 20201 gemeld dat de invoering van het zorgprestatiemodel gevolgen kan hebben voor het eigen risico dat mensen voor hun ggz betalen. De uitkomsten van de kwantitatieve analyse van de NZa daarover heb ik op 25 november 2020 met de Tweede Kamer gedeeld in het VSO over de nieuwe ggz-bekostiging.2
Voor alle ggz-cliënten blijft gelden dat zij – net als alle andere mensen die een beroep doen op hun zorgverzekering – maximaal € 385 aan (verplicht) eigen risico per kalenderjaar moeten betalen. De nieuwe bekostiging verandert niets aan dat gegeven. Maar, omdat ggz-declaraties in het nieuwe bekostigingssysteem gespreid over de behandeling plaatsvinden en niet meer, zoals nu, pas helemaal aan het eind van de behandeling, of pas na maximaal een jaar, heeft de invoering van de nieuwe bekostiging soms wel invloed op het moment waarop cliënten eigen risico betalen en op het feitelijke bedrag dat sommige ggz-cliënten in totaal voor hun behandeling aan eigen risico betalen. Dit is geen eenmalig transitie-effect maar een blijvend effect.
Onder de nieuwe bekostiging wordt het eigen risico aangeslagen van het jaar waarin de zorg ook daadwerkelijk is geleverd en niet alleen van het jaar waarin de behandeling is gestart. Een gevolg hiervan is dat voor behandelingen die over de kalenderjaargrens heenlopen in twee opeenvolgende jaren het eigen risico kan worden aangeslagen, waar dat nu nog (bij behandelingen korter dan een jaar) in één jaar gebeurt. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat niet iedereen die een ggz-behandeling krijgt die over de kalenderjaargrens heenloopt in twee kalenderjaren eigen risico gaat betalen voor de ggz: als iemand in een kalenderjaar zijn of haar eigen risico al heeft volgemaakt met andere zorg, betaalt diegene in dat kalenderjaar niets extra’s meer.
Chronische ggz-cliënten die elk jaar een beroep doen op de ggz gaan ten opzichte van nu nagenoeg nooit extra eigen risico betalen. Dat komt omdat zij nu reeds nagenoeg elk jaar hun eigen risico opmaken. Dat blijft zo, zij gaan niets extra’s betalen. Hetzelfde geldt voor mensen die naast ggz ook veel andere zorg nodig hebben waarvoor het eigen risico geldt.
Zoals ik in november vorig jaar aan de Tweede Kamer heb gemeld,3 heeft de NZa laten weten dat er naar schatting voor 91% van de ggz-cliënten geen gevolg is voor het totaalbedrag dat zij aan eigen risico betalen voor hun ggz-behandeling. Voor naar schatting maximaal 9% van de ggz-cliënten is er wel een gevolg; het gaat bij benadering om een groep van 100.000 mensen. De NZa baseert de schatting van 9% op ongunstige veronderstellingen: andere veronderstellingen zouden een lager percentage opleveren. Deze groep zal meer eigen risico gaan betalen, waarbij het bedrag dat deze cliënten meer gaan betalen afhankelijk is van hun persoonlijke situatie. Het gaat hier om mensen die weinig of geen andere zorg gebruiken en een ggz-behandeling krijgen die over de kalenderjaargrens heenloopt. Vaak gaat het om relatief korter durende behandelingen, al kan het soms ook langer durende behandelingen betreffen.
Dat mensen die twee (of meer) jaar achter elkaar zorg nodig hebben, twee (of meer) keer eigen risico betalen is overigens niet uniek voor de ggz. Iemand die elk jaar naar het ziekenhuis moet, betaalt doorgaans ook elk jaar eigen risico. Geneesmiddelengebruikers die in twee aansluitende kalenderjaren geneesmiddelen gebruiken, betalen in beide kalenderjaren eigen risico. Hetzelfde geldt voor mensen die in twee opeenvolgende kalenderjaren verzekerde paramedische zorg gebruiken.
Daarnaast wil ik benadrukken dat er goede redenen zijn waarom we de nieuwe bekostiging in de ggz invoeren, zoals ik op 6 oktober 2020 en 25 november 20204 schriftelijk aan de Tweede Kamer heb toegelicht. Juist de cliënten met een complexe zorgvraag en/of ernstige psychiatrische aandoening hebben baat bij de invoering van de nieuwe bekostiging. Veel gehoorde kritiek op de huidige DBC-bekostiging is dat die onderfinanciering van zware ggz in de hand werkt en overfinanciering van lichte ggz. De nieuwe bekostiging is niet langer gebaseerd op (gemiddelde) trajecten van diagnostiek en behandeling – zoals de DBC-bekostiging – maar op de feitelijke inzet van beroepen en aantallen behandel- en diagnostiekconsulten. Daarbij zijn er ook nog eens aparte tarieven voor outreachende ggz en hoogspecialistische ggz. De nieuwe bekostiging ondersteunt op die manier dat zorgaanbieders een vergoeding op maat krijgen voor hun zorg – juist ook voor complexe zorg en zorg voor cliënten met een ernstige psychiatrische aandoening – en ondersteunt op diverse manieren de aanpak van de wachttijden.
Er zijn verschillende compensatiemaatregelen om ervoor te zorgen dat iedereen zijn of haar eigen risico kan betalen. Zo ontvangen huishoudens met een laag inkomen hiervoor zorgtoeslag, bieden zorgverzekeraars de mogelijkheid om het eigen risico gespreid te betalen en hebben gemeenten de middelen om tot financieel maatwerk te komen voor de cliënt. Ook ggz-cliënten kunnen daar gebruik van maken.
Kunt u deze vraag vóór 10 september beantwoorden?
Beantwoording vóór 10 september was helaas niet haalbaar. Ik heb uw vragen zo snel mogelijk beantwoord.
Herinschrijvingen en restitutie bij pre-masterprogramma’s |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat er geen juridische definitie is van een «herinschrijving» in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)?
Dat klopt, «herinschrijving» is niet opgenomen onder de begripsbepalingen in art. 1.1 whw.
Kunt u aangeven of een herinschrijving voor een resterende deel van een pre-masterprogramma als een nieuwe inschrijving of een doorlopende inschrijving geldt?
De begrippen «nieuwe inschrijving», «doorlopende inschrijving» en «herinschrijving» zijn gerelateerd aan de inschrijving voor een opleiding. Een premasterprogramma is echter geen opleiding, maar een maatwerkprogramma dat dient om de student goed voor te bereiden op de master en zo de toegankelijkheid van masteropleidingen te vergroten.
Wanneer is volgens u sprake van een herinschrijving bij een opleiding?
Er is sprake van herinschrijving bij een opleiding wanneer de student de opleiding waarvoor hij ingeschreven staat in het volgend studiejaar wil vervolgen.
Kan een onderwijsinstelling voor een herinschrijving voor een resterende deel van een pre-masterprogramma opnieuw een vergoeding vragen van de aankomende studenten? Zo ja, waarom?
Voor deelname aan een premasterprogramma kan de instelling een vergoeding vragen. De hoogte van de vergoeding is wettelijk gemaximeerd. De instelling bepaalt de omvang, looptijd en inschrijvingsvoorwaarden van het premasterprogramma.
Bij een omvang van het premasterprogramma van 60 studiepunten of meer bedraagt de vergoeding maximaal het volledige wettelijk collegegeld. Dit geldt ook wanneer de looptijd van het programma over de grens van het studiejaar heengaat. Wanneer er echter sprake is van een resterend deel, in de zin dat niet het volledige programma binnen de looptijd (bijvoorbeeld een semester of een studiejaar) is afgerond, dan kan de instelling de student in de gelegenheid stellen voor een tweede keer deel te nemen aan (onderdelen van) het programma en daar een vergoeding voor vragen.
Hoe rijmt u dit met artikel 7.57i, derde lid van de WHW: «De vergoeding, bedoeld in het tweede lid, bedraagt voor een ondersteuning met een studielast van 60 studiepunten of meer maximaal het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, maximaal het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid»?
Bij een omvang van het premasterprogramma van 60 studiepunten of meer bedraagt de vergoeding maximaal het volledige wettelijk collegegeld. Wanneer de instelling de student toestaat voor een tweede maal aan (onderdelen van) het premasterprogramma deel te nemen, dan kan hier opnieuw een vergoeding voor gevraagd worden. Het ligt in de rede dat wanneer alleen onderdelen van het premasterprogramma afgerond moeten worden de vergoeding een proportioneel deel van de maximale vergoeding bedraagt.
Klopt het dat de leden van een Geschillenadviescommissie bij een onderwijsinstelling benoemt en ontslagen worden door het College van Bestuur?
De geschillenadviescommissie wordt ingesteld door het college van bestuur.
De wet bepaalt dat de leden van de geschillenadviescommissie functioneel onafhankelijk zijn (artikel 7.63a, eerste lid, WHW). Zoals bij de totstandkoming van de Wet versterking besturing werd toegelicht, houdt deze onafhankelijkheid in dat de leden geen opdrachten van het college van bestuur mogen aanvaarden en niet rechtstreeks bij het geschil betrokken mogen zijn.1 Daarnaast mag de voorzitter geen deel uitmaken, noch werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het instellingsbestuur. Dit biedt voldoende waarborgen voor een onpartijdige oordeelsvorming.
De geschillencommissie gaat na of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is. Indien minnelijke schikking niet tot positief resultaat heeft geleid, wordt overgegaan tot een formele afhandeling van een bezwaar. De commissie neemt geen besluiten, maar brengt advies uit over ingediende bezwaren. Dit advies is gericht aan het orgaan dat de oorspronkelijke beslissing heeft genomen. Het is aan het instellingsbestuur om een beslissing te nemen. Tegen dit besluit staat beroep open.
Komt volgens u hiermee niet de onpartijdigheid van de Geschillenadviescommissie die zich buigt over bezwaren van studenten tegen beslissingen genomen door het College van Bestuur in het gedrang? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het artikel ‘Het grootste onderwijsprobleem is niet het lerarentekort’ |
|
Peter Kwint , Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het grootste onderwijsprobleem is niet het lerarentekort» van Johannes Visser?1
Ja.
Vindt u de enorme stijging van het aantal commerciële onderwijsbedrijven van 25.685 in 2007 naar 106.830 begin 2021 ook zeer onwenselijk? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het CBS, waarop het aantal van 106.830 is gebaseerd, hanteert een brede definitie van (commerciële) «onderwijsbedrijven». De definitie omvat namelijk «alle vormen van openbaar en particulier onderwijs, op elk niveau en voor elk beroep, zowel mondeling en schriftelijk als via radio en televisie; zowel het onderwijs door de instellingen op de verschillende niveaus van het normale schoolstelsel als volwasseneneducatie, alfabetiseringsprogramma's e.d.» en ook «het overige onderwijs, zoals autorijscholen».2 Daarbij gaat het zowel om commerciële bedrijven of bureaus en zzp’ers als om reguliere scholen en onderwijsinstellingen. Het aantal «onderwijsbedrijven» dat onder deze CBS-definitie valt stijgt al geruime tijd: van 25.685 in het eerste kwartaal van 2007 tot de genoemde 106.830 in het tweede kwartaal van 2021 (en 109.435 in het derde kwartaal van dit jaar). De stijging van het aantal commerciële onderwijsbedrijven is dus niet zonder meer te relateren aan bedrijven die actief zijn binnen het funderend onderwijs.
Sommige ouders kiezen ervoor om gebruik te maken van aanvullende begeleiding, zoals het ouders ook vrijstaat hun kinderen in hun vrije tijd naar voetbal, bijbelles of gitaarles te sturen. Tevens werken scholen samen met (commerciële) aanbieders van aanvullend onderwijs. Zo lang de kwaliteit van het onderwijs gewaarborgd is, kan de inzet van commerciële onderwijsbedrijven een aanvullende betekenis hebben voor de ontwikkeling van kinderen. De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de kwaliteit van het bekostigd onderwijs.
Ik ben van mening dat de inhuur van externen om een goede afweging van schoolbesturen vraagt. Daarom heb ik hiervoor samen met sociale partners in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) een handreiking opgesteld.3
Ik zie immers bij aanvullend onderwijs waarvoor ouders moeten betalen ook een risico op vergroting van de kansenongelijkheid. Ik verwijs hiervoor naar mijn brief van 14 oktober 2019, waarin ik nader ben ingegaan op dit vraagstuk.4
Wat is volgens u de reden van deze explosie van nieuwe commerciële onderwijsbedrijven? Waarom is er zoveel vraag naar? Wie maken er het meest gebruik van? hoeveel geld gaat erin om?
Uit de laatste monitor over aanvullend en particulier onderwijs, die in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap plaatsvond, bleek dat de deelname van leerlingen aan en kosten van ouders voor aanvullend onderwijs in het schooljaar 2018/2019 niet significant was toe- of afgenomen ten opzichte van de monitor in 2016/2017. Het onderzoek toont bovendien aan dat betaalde deelname aan aanvullend onderwijs samenhangt met het opleidingsniveau van ouders. Hoe hoger opgeleid de ouders, hoe meer gebruik wordt gemaakt van betaalde deelname. In het havo en vwo vindt meer deelname aan betaalde vormen van aanvullend onderwijs plaats dan in het vmbo. Ook maken leerlingen uit de Randstad, met name de G4, vaker gebruik van aanvullend onderwijs dan leerlingen daarbuiten.5 Hetzelfde onderzoek laat ons zien dat de totale, geschatte kosten voor aanvullend onderwijs in het funderend onderwijs liggen tussen de 155 en 232 miljoen euro, waarvan het merendeel wordt besteed aan de leerlingen in het voortgezet onderwijs. Het onderzoek naar de omvang van aanvullend en particulier onderwijs zal in 2022 worden herhaald.
In hoeverre is er sprake van een verband tussen de stijging van het aantal commerciële onderwijsbedrijven naar 106.830 begin 2021 en de opgelopen onderwijsachterstanden door het sluiten van de scholen door de corona-pandemie? Zien commerciële onderwijsbedrijven een gat in de markt?
Zie ook het antwoord op vraag 2.
In de periode sinds het uitbreken van de corona-pandemie is het aantal kleine onderwijsbedrijven weliswaar verder gestegen, maar er lijkt daarbij geen sprake te zijn van een trendbreuk ten opzichte van de stijging van 2007 waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat er sprake is van een direct verband tussen de stijging van het aantal commerciële onderwijsbedrijven en de opgelopen onderwijsachterstanden door het sluiten van de scholen door de corona-pandemie.
Hoeveel geld geven scholen uit aan commerciële onderwijsbureaus uit het budget van het Nationaal Programma Onderwijs? Op welke wijze beperkt u schoolbesturen hierin?
We weten dat in het kader van de subsidieregeling Inhaal- en ondersteuningsprogramma's onderwijs scholen en instellingen gebruik maken van de diensten van (al dan niet commerciële) derde partijen.6 In het verdiepend implementatieonderzoek bij scholen is de inzet van derde partijen één van de aspecten die wij laten onderzoeken. Hierover zal ik uw Kamer in de eerste tussenrapportage nader informeren. Deze rapportage ontvangt u nog dit najaar. Daarnaast vragen wij schoolbesturen in hun jaarverslag 2021 aan te geven hoeveel van de extra middelen aan personeel niet in loondienst is besteed. Deze gegevens krijgen wij in de loop van 2022.
De menukaart van het NPO biedt duidelijke richtlijnen om te zorgen dat scholen hun middelen inzetten voor interventies die evidence-based zijn. Voor de inhuur van externe partijen is daarnaast een handreiking opgesteld (zie ook antwoord op vraag 2).7 Scholen moeten de inhuur van externe partijen opnemen in het schoolprogramma en de medezeggenschapsraad moet instemmen met de inhuur. De inzet van derden is op zich geen probleem, zolang de eigen leraren hierbij goed betrokken worden. Ook kunnen leraren, indien mogelijk, zelf extra onderwijs verzorgen, en daarvoor dan ook een financiële vergoeding krijgen.
Zou het geven van bijles wat u betreft een beroep moeten zijn waarbij aan bepaalde opleidingseisen moet worden voldaan? Zo ja, hoe ziet u dit voor zich? Zo nee, waarom niet, aangezien dit wel een vorm van onderwijs is die op dit moment door iedereen gegeven kan worden zonder enige onderwijsachtergrond?
Nee. Scholen en schoolbesturen hebben de verantwoordelijkheid om met het reguliere aanbod onderwijs van voldoende kwaliteit aan te bieden.
Zou wat u betreft de Inspectie van het Onderwijs commerciële onderwijsbedrijven die bijles of andere vormen van aanvullend onderwijs verzorgen, moeten controleren op kwaliteit? Zo ja, hoe ziet u dit voor zich? Zo nee, waarom niet, aangezien iedereen zonder enige onderwijsachtergrond op dit moment een onderwijsbedrijf kan starten en aanvullend onderwijs kan aanbieden?
Nee. Zie het antwoord op vraag 6.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Kwint/Westerveld over het maken van afspraken met schoolbesturen om het gebruik van uitzendbureaus tot een absoluut noodzakelijk minimum te beperken? Welke afspraken zijn er intussen gemaakt? hoe staat het met de pilot waarmee schoolbesturen personeel dat niet in loondienst is kunnen categoriseren, zodat ook die informatie opgevraagd kan worden?2 3
Schoolbesturen zijn primair verantwoordelijk voor het personeelsbeleid waaronder ook het aanstellen van uitzendpersoneel en andere flexibele krachten valt. Collectieve afspraken over het aanstellen van personeel liggen vast in de cao; individuele afspraken worden binnen de kaders van de cao gemaakt tussen werkgevers en werknemers. Ik ben met u van mening dat het gebruik van uitzendkrachten in evenwicht moet zijn met de inzet van vast personeel. Dat is belangrijk voor de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs. Het is aan de schoolbesturen om daarin verstandige keuzes te maken. Zoals eerder gemeld aan de Kamer, zie ik dat besturen steeds vaker gezamenlijk afspraken maken over de inschakeling van uitzendbureaus, bijvoorbeeld in de gemeente Amsterdam.10 Ik vind dat positieve ontwikkelingen en juich het maken van dit soort afspraken toe. Richting de werkgeversvertegenwoordigers en de schoolbesturen zal ik aandacht blijven vragen voor een evenwichtige en doelmatige inzet van personeel.
Bij de Kamerbrief over het lerarenbeleid en de onderwijsarbeidsmarkt uit december 2020 heb ik u een update gegeven over de pilot over personeel niet in loondienst (PNIL).11 Uit de pilot bleek bereidheid bij schoolbesturen om mee te werken, maar ook dat het leveren van informatie over PNIL niet eenvoudig is. De pilot is dit kalenderjaar vervolgd. Ik verwacht de Kamer dit najaar te kunnen informeren over de resultaten van dit vervolg van de pilot. De PNIL-uitvraag krijgt vanaf 2022 een structureel karakter, waardoor inzicht ontstaat in PNIL (bijvoorbeeld in welke functiecategorieën en voor hoeveel uren personeel wordt ingehuurd).
Deelt u de mening dat het zorgwekkend is dat docenten steeds minder zeggenschap over hun beroep hebben? Zo ja, wat kunt u doen om dit te verbeteren, ook buiten de formele rol van de medezeggenschapsraad?
Leraren zijn van doorslaggevend belang voor goed onderwijs. Om hun werk goed te kunnen doen heeft een leraar voldoende professionele ruimte nodig. Om te zorgen dat leraren zeggenschap over hun beroep houden is in 2017 expliciet in de onderwijswetten opgenomen dat leraren – binnen de kaders van het onderwijskundig beleid van de school – verantwoordelijkheid dragen voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school. Als leraren onvoldoende professionele ruimte of zeggenschap ervaren, zijn zij niet goed in staat om hun werk te doen. Het bevoegd gezag van elke school is dan ook verplicht om hierover met hun leraren in gesprek te gaan en afspraken hierover in een professioneel statuut op te nemen. Met onder andere het uitbrengen van de handreiking «ruimte in regels» heb ik voor leraren expliciet gemaakt wat er vanuit de wet van leraren wordt verwacht en met name waar dus de professionele ruimte zit om eigen keuzes te maken.12 Ik zou leraren willen oproepen om hierover in het team het gesprek aan te gaan en afspraken te maken.
Deelt u de analyse dat door invoering van de lumpsumsystematiek de zeggenschap en controle van het ministerie over het onderwijs verschoven is naar de schoolbesturen en het ministerie dus in feite een leraar zonder lesboek is die enkel de toets afneemt, aldus Visser? Zo ja, wat vindt u van deze ontwikkeling in combinatie met de toenemende marktwerking in het onderwijs? Zo nee, waarom deelt u deze analyse niet?
Sturing bestaat uit meerdere elementen, waar de lumpsumsystematiek er één van is. Naast de lumpsum basisbekostiging onderscheiden we immers ook nog instrumenten zoals bijzondere en aanvullende bekostiging (voor een specifiek doel of een specifieke doelgroep) en het instrument subsidies. In het kader doelfinanciering dat eerder is gedeeld met de Kamer is verder uitgewerkt hoe financieel kan worden gestuurd in het huidige bekostigingssysteem.13 Bovendien is sturing breder dan enkel via financiële sturingsinstrumenten. Het ministerie stuurt ook op het onderwijskwaliteit middels afspraken, wetten en de Inspectie van het Onderwijs. In de miljoenennota 2022 is aangekondigd dat in 2022 een Interdepartementaal Beleidsonderzoek zal plaatsvinden gericht op de sturing van onderwijskwaliteit in het funderend onderwijs.14
Ik erken dat ieder bekostigingssysteem voor- en nadelen kent. De lumpsumbekostiging doet recht aan twee belangrijke principes van het Nederlandse onderwijsstelsel: de autonomie van instellingen en stabiele bekostiging. Lumpsumbekostiging stelt besturen in staat stabiel beleid te voeren, met beperkte administratieve lasten. Ook zorgt het ervoor dat besturen flexibel kunnen zijn wanneer nodig. Dit stelt besturen in staat maatwerk te leveren door aan te sluiten bij de regionale vraagstukken en context. Door besturen financiële ruimte te geven kunnen zij beleidskeuzes maken, dicht op de onderwijspraktijk van elke dag, die ten goede komen aan de kwaliteit van het onderwijs.
Wat vindt u ervan dat bij grote investeringen in het onderwijs al enkele keren achteraf niet gecontroleerd kon worden of dat het geld goed was besteed, omdat schoolbesturen geen fatsoenlijke verantwoording af hoefden te leggen? Vindt u dat acceptabel als het gaat om geld dat opgebracht wordt door ons allemaal?
Net zoals de lumpsum een belangrijk element van ons stelsel is, is verantwoording over de gemaakte keuzes dat ook. Het is belangrijk dat schoolbesturen zich verantwoorden over de inzet van deze middelen, niet alleen naar het ministerie maar ook naar de belangrijkste betrokkenen in de directe omgeving.
Die verantwoording van besturen kan beter. Het is niet de bedoeling dat er discussie ontstaat over het handelen van besturen en het stelsel als zodanig. De versterking van de verantwoording is essentieel voor het borgen van het stelsel van autonomie en lumpsumbekostiging. De ontwikkeling van benchmarking en benchlearning draagt bij aan het verbeteren van de horizontale en verticale verantwoording.
Ik verwacht van schoolbesturen dat zij transparant en helder uitleggen hoe zij de middelen besteden en hoe dat het onderwijs ten goede komt. Schoolbesturen doen dit door middel van hun jaarverslag.
Op specifieke onderwerpen, zoals werkdruk en het Nationaal Programma Onderwijs (maatschappelijke thema’s), vraag ik besturen zich extra te verantwoorden in het jaarverslag. In het kader van het Nationaal Programma Onderwijs bijvoorbeeld vraag ik besturen zich aanvullend in XBRL te verantwoorden over waar de middelen aan zijn besteed en of er instemming is van de medezeggenschapsraad op de inzet van middelen.
Op deze manier verstevig ik de verantwoording op deze investeringen en wordt beter inzichtelijk waar de middelen aan besteed worden.
Vindt u dat concurrentie thuishoort binnen een publieke voorziening, zoals onderwijs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een scholenbestel dat uitgaat van de vrijheid van onderwijs wordt per definitie gekenmerkt door een drive tot verscheidenheid tussen scholen, en een zekere mate van concurrentie tussen aanbieders van bijvoorbeeld leermaterialen en administratie systemen. Dit zorgt voor een kwalitatief en gevarieerd onderwijsaanbod, dat aansluit bij de wensen van leerlingen en ouders.
Wat heeft volgens u de concurrentie tussen scholen ons onderwijs gebracht in de afgelopen decennia? Bestempelt u dat als positief of negatief? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord op vraag 12.
Wat ligt volgens u ten grondslag aan de dalende onderwijskwaliteit in de afgelopen 20 jaar, ondanks de enorme stijging in budget, en in hoeverre heeft de marktwerking in het onderwijs hier een aandeel in tot op de dag van vandaag? Of bent u nog steeds van mening dat de ambitie van schoolbesturen de oorzaak hiervan is?
De afgelopen jaren heeft de inspectie in de jaarlijkse Staat van het Onderwijs gewezen op de prestaties op basisvaardigheden, waarvan in internationaal opzicht op sommige gebieden sprake is van een daling. In beleidsreacties op de Staat van het Onderwijs, zoals die van 2018, is aangegeven waar de uitdagingen liggen en in verschillende brieven aan uw Kamer is aangegeven hoe ik deze wil aanpakken.15
Deelt u de analyse van Visser dat de marktwerking in het onderwijs meer kwaad dan goed heeft gedaan en we dit een halt moeten toeroepen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse deel ik niet. Zoals ik hierboven heb toegelicht bestaat de autonomie die scholen hebben al langer dan de in het artikel genoemde periode; deze is al meer dan honderd jaar vastgelegd in onze Grondwet. Op de werking van de lumpsum, die in het artikel wordt genoemd als grote drijfveer achter de veronderstelde marktwerking, ben ik in de brief «Versterking verantwoording van en inzicht in onderwijsgelden» nader ingegaan.16
Hoe kijkt u terug op het gevoerde onderwijsbeleid van de afgelopen 30 jaar en meer specifiek dat van uzelf in de afgelopen 4,5 jaar? Hoe kan het dat de onderwijskwaliteit tijdens Rutte-III niet is gestegen, het lerarentekort niet is gedaald en er nog steeds duizenden kinderen thuiszitten zonder onderwijs?
Het onderwijs en het onderwijsbeleid zijn dermate verstrekkende en veelomvattende onderwerpen dat de vorm en het tijdspad voor het beantwoorden van een Kamervraag zich niet leent om een vraag als deze te beantwoorden. Over de verschillende onderwerpen die in deze vraag specifiek worden genoemd, is meermaals met uw Kamer gedebatteerd en is per onderwerp ook ingegaan op de genoemde vragen.
Het coronabeleid. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek betreffende de uitbraak in Guangdon (China) waaruit zou blijken dat 74% van de coronabesmettingen met de Deltavariant plaatsvinden in de presymptomatische fase?1 Bent u het met de indiener eens dat – wanneer dit onderzoek geverifieerd is – deze uitkomst om andere beleidskeuzes vraagt?
Ik ben bekend met dit onderzoek waaruit afgeleid zou kunnen worden dat bij de deltavariant een groter aandeel van de besmettingen plaatsvindt in de presymptomatische fase dan bij het zogenaamde wildtype. Met overdracht door mensen zonder symptomen wordt in het beleid al rekening gehouden. Onder andere de regels omtrent quarantaine bij contact met een besmet persoon zijn daar op gebaseerd. Ook bij de surveillance wordt hiermee rekening gehouden. Bij de afweging om maatregelen al dan niet te versoepelen wordt hier ook rekening mee gehouden.
Waarom heeft u er in de nieuwe coronaroutekaart «Overzicht stap voor stap» voor gekozen deze op basis van data in te richten in plaats van op basis van signaalwaarden?
Het openingsplan is begin 2021 gepresenteerd door het kabinet. Middels het openingsplan beoogde het kabinet de samenleving perspectief te bieden in de tijd dat bijna alle winkels gesloten waren en de samenleving op slot zat. Dit was een grote wens van o.a. de Tweede Kamer, burgemeesters en de samenleving. In die periode hadden de meeste mensen nog niet de kans gehad om zich te laten vaccineren. Op basis van modellering door het RIVM is een prognose geschetst over de verwachte ziekenhuisbezetting (incl. IC). Tijdens de presentatie van het openingsplan en gedurende afgelopen maanden is altijd duidelijk gecommuniceerd dat de genoemde datums niet in beton gegoten zijn en dat het doorvoeren van eventuele versoepelingen altijd afhangt van het epidemiologisch beeld op dat moment. Met andere woorden: de signaalwaarden, het epidemiologisch beeld en de prognoses zijn leidend geweest in het openingsplan.
Bent u ervan op de hoogte dat in het Duitse Noordrijn-Westfalen de scholen alweer geopend zijn en het aantal coronabesmettingen met name in de leeftijdsgroep 5 tot 14 jarigen erg hoog zijn? Zo ja, wat maakt u hieruit op?
Het klopt dat de scholen in Noordrijn-Westfalen weer open zijn, net als de scholen in Nederland. Het is echter niet mogelijk om de situatie in Noordrijn-Westfalen één op één te vergelijken met de situatie in Nederland. Er zijn immers veel factoren die de coronacijfers kunnen beïnvloeden, zoals maatregelen, naleving van maatregelen, cultuur, gedrag, vaccinatiegraad en demografie. Het is zorgwekkend als het openen van scholen in andere landen leidt tot veel besmettingen in die leeftijdsgroep. Echter, scholen hebben een zeer belangrijke maatschappelijke functie, dus daarom zetten we alles op alles om de scholen zo veilig mogelijk open te kunnen houden.
In Nederland, ziet het RIVM sinds de week van 30 augustus jl. een stijging in het aantal afgenomen testen en een toename in het aantal positieve testen in de leeftijdsgroep 4 t/m 11 jaar. In de leeftijdsgroep 12 t/m 17 jaar ziet het RIVM sinds de week van 30 augustus ook een stijging in het aantal afgenomen testen, maar vooralsnog geen toename in het aantal besmettingen. Het percentage positieve testen is in beide leeftijdsgroepen (4 t/m 11 jaar en 12 t/m 17 jaar) wel gedaald.
Er is daarnaast een stijging waar te nemen in het aantal coronabesmettingen waarbij in het bron- en contactonderzoek «School en Kinderopvang» is aangegeven als de mogelijke setting van besmetting. In de week van 30 augustus t/m 5 september was het aandeel «School en Kinderopvang» als de mogelijke setting van besmetting 12,5%. In de week van 6 t/m 12 september is dit gestegen naar 20,4%. In het clusteronderzoek ziet het RIVM ook een aantal clusters op scholen terug in de cijfers. Dit is een indicatie dat de heropening van de scholen gepaard gaat met besmettingen, aldus het RIVM. Het RIVM houdt de cijfers nauwgezet in de gaten.
Op basis van iemands vaccinatiestatus (of recent covid te hebben gehad) schrijven de huidige richtlijnen in het onderwijs voor of onderwijspersoneel en leerlingen wel of niet in quarantaine moeten, hoe verwacht u dat scholen deze richtlijn controleren? Staat het vragen naar iemands vaccinatiestatus niet op gespannen voet met de privacywetgeving? Bent u het met de indiener eens dat ook gevaccineerden zeker niet altijd immuun zijn voor het coronavirus? Zo ja, waarom stelt de rijksoverheid in haar communicatie dat bij volledige vaccinatie of een herstelbewijs mensen immuun zijn tegen covid-19?2
In onder meer Israël zien we het aantal sterftegevallen weer toenemen ondanks de hoge vaccinatiegraad en ook het OMT adviseerde prudentie bij het openen van de samenleving en het hoger onderwijs, waarom worden vervolgens eenvoudige voorzorgsmaatregelen die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voorschrijft zoals het dragen van een mondneusmasker niet altijd verplicht binnen onderwijsinstellingen waarbij geen anderhalve meter afstand kan worden gehouden?
Het belang voor studenten om fysiek onderwijs te volgen is groot; ook de WHO roept op tot het zoveel mogelijk openen en openhouden van de scholen. Door de 1,5 meter los te laten in het mbo en ho kunnen onderwijsinstellingen op grotere schaal fysiek onderwijs aanbieden en kunnen studenten en docenten elkaar weer vaker ontmoeten. Wel is er tot 25 september een aantal maatregelen van kracht om het fysieke onderwijs verantwoord te laten plaatsvinden. Zo worden onderwijsinstellingen geadviseerd om vaste looproutes te hanteren zodat contact beperkt blijft, wordt momenteel nog een maximale groepsgrootte van 75 personen gehanteerd en is het dragen van mondkapjes verplicht wanneer men zich tussen de onderwijslocaties begeeft. Er is in het mbo en hoger onderwijs voor gekozen om de mondkapjes af te laten wanneer studenten en docenten op een vaste plek zitten («geplaceerd zijn»), omdat zij op dat moment hooguit met enkele personen in nauw contact zijn (binnen de 1,5 meter) en omdat bekend is wie met wie contact heeft. Het is hierbij van belang dat onderwijsruimtes goed geventileerd zijn.
Vanaf 25 september is het niet langer verplicht om in de gangen van mbo- en ho-instellingen mondkapjes te dragen. Daarmee wordt het advies van het OMT gevolgd, dat adviseerde om twee weken nadat iedereen die dat wilde de kans had gehad zichzelf te laten vaccineren, het onderwijs zonder enige restricties te openen. Uiteraard worden de hygiënemaatregelen wel voortgezet en blijft het dringende advies om preventief tweemaal per week te zelftesten van kracht, voor personen die nog niet als immuun kunnen worden beschouwd.
Wat zijn de richtlijnen voor het organiseren van evenementen binnen scholen voor kinderen onder én boven de twaalf jaar? Is het organiseren van schoolfeesten waarbij de anderhalve meter voor kinderen onder de 12 jaar wordt losgelaten toegestaan? Zo ja, vindt u het verstandig dat scholen deze activiteiten organiseren nu het nieuwe schooljaar net weer is begonnen?
Vanaf 25 september is het weer mogelijk om activiteiten binnen de school te organiseren zonder restricties. Wij gaan er vanuit dat scholen binnen deze kaders verstandige keuzes maken in het organiseren van evenementen.
Tot 25 september moeten volwassenen in scholen in het funderend onderwijs onderling 1,5 meter afstand houden bij groepsactiviteiten, in het voortgezet (speciaal) onderwijs moeten daarnaast leerlingen en volwassenen 1,5 meter afstand houden. Tot die tijd is tevens nog een mondkapjesplicht in het voortgezet (speciaal) onderwijs verplicht bij verplaatsingen.
Er gelden kortom dezelfde richtlijnen als voor de andere activiteiten binnen de school.
Hoe wordt bijgehouden wat het effect is van de sociale activiteiten bij de introductieweken in het hoger onderwijs?
Er zijn twee manieren om te kunnen zien wat het effect is van de sociale activiteiten in de introductieweken in het hoger onderwijs. Allereerst: wanneer sociale activiteiten zorgen voor een stijging in het aantal meldingen, zal dit terug te zien zijn in het aantal meldingen binnen specifieke leeftijdscategorieën. Daarnaast wordt het door het bron- en contactonderzoek dan zichtbaar via de clusterrapportages. Het RIVM monitort dit in samenspraak met de GGD’en.
Bent u bekend met nieuwe laagdrempelige testmogelijkheden zoals een speekseltest? Waarom werken GGD’en vaak niet met deze testmogelijkheid terwijl dit wel een uitkomst zou kunnen bieden bijvoorbeeld voor mensen met een beperking?
Ik volg de ontwikkelingen rondom nieuwe niet-invasieve afnamemethoden nauwlettend. Het kan dan gaan om speeksel, maar bijvoorbeeld ook om mondspoelen en gorgelen. Op dit moment loopt er bijvoorbeeld een onderzoek naar het gebruik van speekselafname voor antigeentesten. GGD’en zetten deze methoden nu al incidenteel in, als aanvulling voor mensen die niet via een invasievere afnamemethode bemonsterd kunnen worden. Deze methoden hebben niet de eerste keus, omdat bij een minder invasieve afname doorgaans minder viraal materiaal geïsoleerd wordt en de test daarmee minder sensitief wordt.
Wanneer denkt u dat lage-inkomenslanden de mogelijkheid hebben om tenminste 10% van de eigen bevolking te vaccineren?
De ambitie van COVAX is om eind dit jaar tenminste 20% van de bevolking in de armste 92 landen gevaccineerd te hebben. Uiteraard hebben we hier te maken met een aantal variabelen die invloed hebben op de haalbaarheid van deze ambitie zoals de mate waarin landen zelf vaccins kunnen inkopen, het aantal vaccins dat andere landen beschikbaar stellen voor donatie aan COVAX en de hoeveelheid en tempo van de productie van vaccins wereldwijd.
Bent u er bekend mee dat het vaccin tegen pneumokokken ook van meerwaarde kan zijn voor 60-minners, zeker bij voormalig covid-patiënten die longschade hebben opgelopen? Zo ja, heeft u het voornemen om dit vaccin aan iedereen beschikbaar te stellen?
Ik ben er mee bekend dat het vaccin tegen pneumokokken ook van meerwaarde kan zijn voor bepaalde medische risicogroepen, bijvoorbeeld mensen zonder goed werkend afweersysteem. Deze mensen komen al langere tijd in aanmerking voor een pneumokokkenprik.
De Gezondheidsraad heeft daarnaast geadviseerd om mensen die longschade hebben opgelopen door COVID-19 en hiervan chronische klachten ondervinden voorlopig ook te benoemen als medische risicogroep. Per 1 augustus 2020 is de vergoeding van het vaccin geregeld voor deze patiëntengroep. De longarts stelt hiervoor de indicatie. Wie de prik geeft hangt af van lokale afspraken tussen de long- en huisarts.
Vanaf 20 september 2021 zal een coronatoegangsbewijs nog laagdrempeliger ingezet worden, welke niet-digitale manieren bestaan er voor de ruim 2 miljoen digibeten om aan een dergelijk coronatoegangsbewijs te komen? Is dit beleid ook afgestemd met onder andere ouderenorganisaties?
Aan de hand van de epidemiologische ontwikkelingen en de adviezen van het OMT bekijkt het kabinet steeds welke maatregelen nog nodig zijn om het coronavirus te bestrijden. In mijn brief aan uw Kamer van 3 september jl. gaf ik al aan waarom een volgende stap op 25 september as. kan worden gezet en welke opties het kabinet hierbij overweegt. Zoals ik in die brief aangaf informeer ik uw Kamer over de definitieve besluitvorming op 14 september.
Ongeacht de uiteindelijke breedte van de inzet van coronatoegangsbewijzen, zet het kabinet zich in om ook voor mensen die digitaal niet vaardig zijn het gebruik hiervan mogelijk en makkelijk te maken. Voor mensen die niet digitaal vaardig zijn, is daarom een aparte uitzonderingsroute opgezet, zodat zij een papieren coronabewijs kunnen aanvragen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de mensen die:
In het eerste geval kan er contact worden opgenomen met het 24/7-contactcentrum van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (+31 247 247 247) of met het publieksinformatienummer over het coronavirus (0800-1351). Via deze plekken wordt direct doorverwezen naar een speciale helpdesk waar een papieren coronabewijs kan worden aangevraagd. Dit gebeurt aan de hand van het BSN en de postcode waarop de persoon bij de gemeente staat ingeschreven. Het coronabewijs wordt vervolgens per post opgestuurd.
In het tweede geval kan er contact worden opgenomen met de zorgverlener die de prik heeft gezet. Deze kan op verzoek een papieren coronabewijs uitprinten.
Verder heb ik de samenwerking opgezocht met diverse organisaties om mensen die niet digitaal vaardig zijn te bereiken en ondersteunen:
Tot slot heb ik geregeld contact met verschillende seniorenorganisaties, ook over het coronabewijs.
Wat is het overheidsbeleid aangaande het stimuleren van het recyclen van mondkapjes? In hoeverre vormen mondkapjes volgens u nu al een milieuprobleem? Deelt u de opvatting van de indiener dat de overheid meer werk kan maken om vervuiling tegen te gaan en om hergebruik van mondkapjes te stimuleren?
Beschermingsmiddelen bieden veiligheid aan zorgmedewerkers, patiënten en burgers, maar kunnen tegelijkertijd schadelijke milieu en duurzaamheidseffecten hebben. In mijn beleid hecht ik aan duurzaamheid en daarvoor heb ik meerdere initiatieven opgestart.
Om de grote milieudruk van de zorg te verminderen, werken overheid, zorgorganisaties en marktpartijen binnen de Green Deal Duurzame Zorg3 samen aan het vergroenen van de zorg. Het bevorderen van circulair werken en tegen gaan van (rest)afval is één van de onderdelen daarvan. Dit omvat ook het terugdringen van eenmalig gebruik van medische hulpmiddelen. Hierop lopen meerdere acties zoals bijvoorbeeld de Groene OK en Groene IC, het NEN platform duurzaamheid en medische hulpmiddelen. Hierbij merk ik op dat «recycling» slechts één van de manieren is om mondmaskers en medische hulpmiddelen te verduurzamen; het gaat bijvoorbeeld ook om minder transport, hergebruik en herbruikbare producten en schonere productie.
In de coronacrisis, toen de vraag naar persoonlijke beschermingsmiddelen explodeerde en het aanbod tekort schoot, is waardevolle ervaring opgedaan met de productie van beschermingsmiddelen in Nederland. Naar de toekomst toe ben ik van mening dat productie dichtbij huis in Nederland of de EU zich kan onderscheiden door innovatie gericht op duurzaamheid. Deelnemers aan de rondetafels leveringszekerheid die ik in maart heb georganiseerd hebben dit bevestigd. Het kan bij duurzame productie onder meer gaan om circulair gebruik van grondstoffen, schonere en innovatieve productietechnologieën, hergebruik van medische hulpmiddelen of verminderde CO2-uitstoot doordat een innovatief productieproces efficiënter is of vanwege het verminderen van transport in de keten.
Om duurzame productie dichtbij huis te stimuleren heb ik samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken twee innovatiecompetities, zogenaamde Small Business Innovation Researchs (SBIRs), uitgeschreven. Daarin worden ondernemers uitgedaagd om respectievelijk duurzame isolatiejassen en duurzame mondneusmaskers te ontwikkelen. Beide competities zijn op dit moment in volle gang en ik ben erg benieuwd naar de uitkomsten. Ik hoop dat deze producten daarna hun weg in de zorg zullen vinden, waar ook steeds meer belang aan duurzaamheid wordt gehecht. Duurzame productieprocessen, – grondstoffen en – producten kunnen als inkoopcriterium gehanteerd worden bij de inkoop van medische producten. In mijn strategische beleidsagenda leveringszekerheid die ik dit najaar aan de Kamer zal sturen neem ik schone, duurzame productie dichtbij huis en een verkenning van de mogelijkheden om in inkoopprocessen rekening te houden met duurzaamheid mee.
Ook verkent de Gezondheidsraad in opdracht van het Ministerie van VWS welke belemmeringen er zijn in de zorg bij duurzamer gebruik van medische hulpmiddelen en hoe het duurzaam gebruik kan worden bevorderd. Het advies wordt verwacht in het derde kwartaal van 2022.
Bent u het ermee eens dat als er sprake blijft van coronamaatregelen die de culturele sector treffen, steunmaatregelen zoals de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (TVL), de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), de Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) en de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), of nieuwe vervangende maatregelen, voor deze sector beschikbaar moeten blijven? Zo ja, bent u van plan om met een extra steunpakket te komen voor de culturele sector voor Q4, zeker nu er ook een zomer is geweest waarin beperkende maatregelen aan de sector zijn opgelegd? Zo nee, indien u deze opvatting niet deelt, waarom niet?
De coronacrisis heeft veel bedrijven en werkenden de afgelopen anderhalf jaar enorm op de proef gesteld. Veel sectoren hebben het zwaar gehad, waaronder ook de culturele sector. Om de klap van de coronacrisis op te vangen, heeft het kabinet de economie gesteund om banen, bedrijven en inkomens te behouden, waaronder in de culturele sector.
Nu de beperkende maatregelen (grotendeels) zijn afgebouwd en de economische vooruitzichten goed zijn, is de verwachting dat continuering van generieke steun (TVL, Tozo, TONK, NOW) de normale dynamiek van bedrijfsoprichting en -beëindiging steeds meer in de weg gaat zitten. De Nederlandse economie komt hiermee in een nieuwe fase. Het oplopend tekort aan personeel is hiervoor een duidelijke aanwijzing. Tegen deze achtergrond heeft het kabinet in de Kamerbrief van 30 augustus jl.4 bekend gemaakt dat het generieke steunpakket per 1 oktober 2021 niet zal worden verlengd.
Tegelijkertijd heeft het kabinet de toezegging gedaan om de nachthoreca financieel tegemoet te komen wanneer de nachthoreca na 1 oktober nog gesloten zou zijn. Daarom werkt het kabinet aan een TVL-achtige regeling voor de nachthoreca voor de relevante periode in het vierde kwartaal. Door de capaciteitsbeperking van 75% voor ongeplaceerde evenementen die binnen plaatsvinden, worden bepaalde (culturele) activiteiten zoals concerten nog getroffen. Het kabinet heeft vijftien miljoen euro gereserveerd voor een suppletie-regeling voor deze groep ongeplaceerde evenementen die binnen plaatsvinden als tegemoetkoming. Over de uitwerking van deze steunmaatregelen zijn EZK en OCW in gesprek met de sector. Zodra een besluit is genomen over de vormgeving van de steun, wordt uw Kamer zo snel mogelijk geïnformeerd.
Bent u het ermee eens dat de culturele sector één van de sectoren is die het zwaarst is geraakt door de coronacrisis en dat deze sector snel duidelijkheid verdient omtrent de steun, zowel generiek als sectorspecifiek? Wanneer denkt u deze duidelijkheid te kunnen bieden?
Zie antwoord op vraag 13.
Coronatoegangsbewijzen voor mensen met een meervoudige beperking. |
|
Caroline van der Plas (BBB), Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat (pleeg)ouders en voogden van het kastje naar de muur worden gestuurd omtrent het verkrijgen van een coronatoegangsbewijs voor kinderen met een meervoudige beperking?
Bent u het eens dat voor mensen met een meervoudige beperking er altijd een oplossing moet zijn om een coronatoegangsbewijs te bemachtigen, ook als het voor hen niet mogelijk is om op basis van medische gronden te vaccineren of regelmatig te laten testen?
Wat zijn de officiële richtlijnen omtrent het verkrijgen van coronatoegangsbewijzen voor mensen met een meervoudige beperking wanneer zij én niet gevaccineerd kunnen worden op basis van medische gronden én niet regelmatig getest kunnen worden? Is het in een dergelijke situatie mogelijk om een coronatoegangsbewijs te verkrijgen, zowel voor nationaal als internationale (reis)doeleinden? Zo ja, hoe komt het dat beiden indieners klachten ontvangen van ouders wiens kinderen met een meervoudige beperking geen coronatoegangsbewijs kunnen bemachtigen? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is er maatwerk mogelijk bij het toekennen van coronatoegangsbewijzen en een EU Digitaal Corona Certificaat (DCC) voor mensen met een meervoudige beperking die niet in staat zijn zich te laten vaccineren of regelmatig te laten testen? Bij wie kunnen mensen terecht als zij zich in deze situatie bevinden?
Wat is, bij benadering, de omvang van het aantal Nederlanders dat vanwege een meervoudige beperking zich niet kan laten vaccineren noch regelmatig kan laten testen?
Iedereen vanaf 12 jaar heeft nu de mogelijkheid gehad zich te laten vaccineren. Mij zijn slechts individuele gevallen bekend die zich én niet kunnen laten vaccineren, én niet kunnen laten testen. Deze groep is naar verwachting heel erg klein.
Bent u bereid om bovenstaande vragen uiterlijk voor 8 september te beantwoorden, zodat mensen met een meervoudige beperking en diens (pleeg)ouders of voogden zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen?
Het beantwoorden van de vragen voor 8 september is helaas niet gelukt. Zoals gezegd wordt er aan een oplossing gewerkt. De streef ernaar om in het najaar hier een uitspraak over te kunnen doen.
De garantieregeling evenementen. |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mona Keijzer (CDA), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Herkent u signalen, zoals bijvoorbeeld van de Kunstenbond1, dat organistoren van evenementen onderaannemers zoals artiesten en andere zzp’ers een lagere vergoeding betalen dan het oorspronkelijke bedrag, dat wil zeggen wanneer het evenement gewoon zou zijn doorgegaan? Herkent u ook dat het hierbij soms om een doorbetaling van nul euro gaat?
Ja, mij zijn zulke geluiden ter ore gekomen.
Is het waar dat organisatoren hierbij verwijzen naar contractuele bepalingen (juridische verplichtingen)? Bent u ervan op de hoogte dat die contracten zijn aangegaan vóórdat met zekerheid bekend was dat er een garantieregeling zou zijn en/of vóór de garantieregeling werd opgehoogd van 80% naar 100%?
Ik heb geen inzicht in de contractuele verhoudingen van individuele organisatoren en hun toeleveranciers, waaronder ook artiesten en andere zelfstandigen. Wel herken ik de geschetste situatie uit de signalen die onder mijn aandacht zijn gebracht.
Gebeuren deze praktijken ook ten aanzien van andere bedrijven in de keten, zoals cateraars en beveiliging?
Ik heb enkele individuele verhalen gehoord van toeleveranciers die door organisatoren van evenementen menen te worden benadeeld. Als gezegd heb ik geen zicht op wat zich in de sector afspeelt op contractueel gebied.
Deelt u de mening dat het gek is dat aan deze «oude» contracten wordt vastgehouden, terwijl de garantieregeling voor organisatoren inmiddels een feit is en is opgehoogd naar 100%, aangezien de organisator nu immers inmiddels 100% terug krijgt van de overheid – en daarmee geen risico meer loopt – maar de artiest of andere zzp’ers nog aan de oude risicoverdelingen houdt die zijn afgesproken toen dit percentage nog 80% was of toen de garantieregeling nog helemaal geen feit was? Is dit wat u betreft in de geest van de garantieregeling zoals die is opgesteld?
Ook vóór de genoemde verruiming kon een organisator van evenementen reeds een garantie voor het totaal van de subsidiabele kosten krijgen. De verruiming houdt in dat de garantie volledig uit een gift bestaat, in plaats van aanvankelijk tachtig procent. Dit werkt niet automatisch door in de contractuele afspraken tussen de organisator en zijn toeleveranciers. Wel kan ik mij voorstellen dat een organisator die zijn contractuele afspraken eerst baseerde op de aanvankelijke situatie van tachtig procent gift, en vervolgens gebruik maakt van tot honderd procent verruimde garantie, hierdoor de mogelijkheid wordt geboden ook aanvullende afspraken met zijn toeleveranciers te maken.
Zou het wat u betreft redelijk en aanvaardbaar zijn dat voorbij wordt gegaan aan deze contractueel afgesproken risicoverdeling vanwege de gewijzigde omstandigheid dat er inmiddels een regeling bestaat die de kosten voor 100% compenseert?
Zie mijn antwoord op vraag 4. Het doel van de garantieregeling is de gehele keten te ondersteunen, dus ook de toeleveranciers inclusief zelfstandigen en artiesten. Een organisator die overheidssubsidie niet doorbetaalt aan zijn leveranciers gaat in tegen de geest van de regeling. Daarbij past echter de kanttekening dat de contractuele relatie, alsook aanpassing van de gemaakte afspraken, tussen organisator en toeleveranciers een privaatrechtelijke kwestie is.
Waarom is er niet gekozen om eerlijke doorbetaling aan de gehele keten op te nemen in de subsidievoorwaarden?
De kwestie van doorbetaling is in de ontwerpfase van de regeling aan de orde geweest. Daarbij bleek het uitvoeringstechnisch niet mogelijk om uitbetaling van de subsidie aan de organisator afhankelijk te maken van het doorbetalen aan de toeleveranciers. Hierdoor zou de uitbetaling van de subsidie onacceptabel vertraagd worden, terwijl nu juist nodig was/is dat geld de keten in blijft vloeien. Daarnaast zou het ondoenlijk zijn voor RVO (uitvoerder van de regeling) om het administratieproces van elke individuele organisator te moeten beoordelen alvorens tot uitbetaling van de subsidie over te gaan: een groot evenement kan honderden toeleveranciers hebben.
Bent u voornemens om organistoren aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om de gegeven steun door te laten sijpelen naar de rest van de keten? Zo ja, op welke manier wilt u dat doen? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet heeft op bestuurlijk en ambtelijk niveau regelmatige contacten met de evenementensector. Naar aanleiding van de ontvangen signalen heeft de afgelopen tijd meermaals contact plaatsgehad met onze gesprekspartners. Daarbij is besproken dat zij als bestuurders en vertegenwoordigers van de sector een verantwoordelijkheid hebben (hoewel het primair de zaak is van de individuele organisator, ook juridisch), in de zin dat de tussen de overheid en de sector gemaakte afspraken ook binnen de sector zo goed mogelijk verspreid en uitgelegd dienen te worden. De sector gaf aan de ontvangen signalen te betreuren en te hechten aan een juiste gang van zaken. Daartoe sprak de sector het voornemen uit spreekuren te zullen organiseren voor organisatoren over hoe te werken conform de garantieregeling. Ik heb begrepen dat dit sindsdien ook al enkele malen is gebeurd. Natuurlijk ben ik mij bewust dat hiermee vooral de welwillenden worden bereikt.
In aanvulling hierop is de situatie besproken met RVO. Niet-gemaakte kosten (de toeleverancier die niet is uitbetaald) mogen ook niet als subsidiabele kosten worden opgevoerd. Dat is weliswaar eerder een zaak van zorgvuldigheid dan een drukmiddel. RVO gaf niettemin aan dat zij hier extra op letten. Daarnaast moet ook de accountant van de organisator bij zijn controle reeds contracten met toeleveranciers beoordelen en aangeven dat niet gemaakte kosten niet mogen worden opgevoerd.
Ziet u ook dat dit opnieuw laat zien dat het zogenoemde «trickle down effect» ten aanzien van zzp’ers in de culture sector bij coronasteun niet naar behoren werkt, zoals ook al is aangetoond in recente onderzoeken van de Boekmanstichting en de Raad voor Cultuur? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit beter gaat werken en wat gaat u doen om de positie van zzp’ers te verbeteren?
Voor uitbetaling aan de organisatoren is gekozen om de regeling uitvoerbaar te houden en snel uit te kunnen keren. Dit is ook in het belang van toeleveranciers, die overigens niet alleen bestaan uit zelfstandigen maar ook uit grotere bedrijven. Dat neemt niet weg dat de positie van de zelfstandigen tegenover opdrachtgevers verbetering behoeft. Mijn inzet ter verbetering van de positie van zelfstandigen, waarover ik bij eerdere gelegenheid met de Kamer sprak, blijft dan ook onveranderd. Verder kijk ik uit naar de bevindingen van de Taskforce Culturele en Creatieve sector die zich buigt over de vraag hoe steun beter kan worden verdeeld in het geval van toekomstige steunmaatregelen of vanuit de reserves die instellingen hebben kunnen opbouwen.
Het vaccineren van arbeidsmigranten |
|
Lisa Westerveld (GL), Senna Maatoug (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat ook arbeidsmigranten in Nederland gevaccineerd moeten worden om de doelstelling van een homogene vaccinatiegraad te bereiken?
Ja.
Hoeveel arbeidsmigranten zijn er gevaccineerd in Nederland, hoeveel hebben een afspraak en hoeveel hebben nog niet de mogelijkheid gehad om een afspraak te maken/zich te laten vaccineren?
Er is geen aparte registratie voor deze doelgroep. Arbeidsmigranten kunnen in de Basisregistratie Personen (BRP) bij een gemeente ingeschreven staan, of zijn opgenomen in het Register Niet-Ingezetene (RNI) of zijn niet geregistreerde personen. Zij staan niet apart geregistreerd in CIMS of bij GGD. Het is hierdoor niet bekend hoeveel arbeidsmigranten zich hebben laten vaccineren, een afspraak hebben of nog geen mogelijkheid hebben gehad.
Welk beleid wordt er gevoerd om arbeidsmigranten een vaccin aan te bieden? In hoeverre is er gerichte communicatie voor deze doelgroep?
Er zijn verschillende routes om arbeidsmigranten een vaccin aan te bieden. Werkgevers en uitzendbureaus hebben afspraken gemaakt om de arbeidsmigranten te informeren en ze eventueel naar de GGD vaccinatielocatie te brengen. In het antwoord op vraag 5 ga ik nader in op de gemaakte afspraken.
Vaccinatie van deze groep kent extra uitdagingen. Zij zijn niet altijd direct oproepbaar via adres- of woongegevens. Velen kunnen door een taalbarrière niet tot de juiste informatie komen of moeten geholpen worden in de moedertaal. Ook kan een deel van deze groep wantrouwend tegen overheid en registraties zijn. Om ook de vaccinatiegraad onder arbeidsmigranten hoog te krijgen wordt extra aandacht besteed aan het bereiken van deze doelgroep. Voorlichting en informatie over de vaccinatiecampagne is dan ook van groot belang. De gerichte communicatie voor deze doelgroep bestaat uit o.a.
Is er contact met de brancheorganisatie Algemene Bond Uitzendondernemingen en is er al een plan om arbeidsmigranten te bereiken? Zijn hier afspraken over gemaakt en zo ja, wat zijn die?
Ik heb de hulp gevraagd van werkgevers- en uitzendorganisaties (ABU en NBBU) om de specifieke groep van arbeidsmigranten te bereiken die geen e-mailadres hebben doorgegeven bij het RNI loket, en niet in het BRP staan. De brancheorganisaties informeren hun werknemers over de vaccinatiecampagne, specifiek dat men recht heeft op een vaccinatie en hoe men hier een afspraak voor kan maken. Ook wordt men geïnformeerd over de mogelijkheid zich in te schrijven voor de digitale nieuwsbrief. Hiervoor kunnen zij zich op geven via info@rvig.nl. Ook vakbonden en maatschappelijke organisaties delen de informatie en zijn geconsulteerd in het proces. Het informatiemateriaal wordt gedeeld met nieuwssites en organisaties die een groot bereik hebben onder arbeidsmigranten. Hierbij kunt u denken aan polonia.nl en workinnl.nl. Via alle genoemde kanalen en organisaties beogen wij een zo groot mogelijk bereik te realiseren en mensen te bewegen tot het halen van een vaccinatie.
Welke afspraken zijn er gemaakt met de GGD’en, werkgevers en uitzendbranche om zo snel mogelijk de arbeidsmigranten die een prik willen deze ook te geven?
Inmiddels zijn de GGD regio’s ook gestart met fijnmazig vaccineren. Hierbij wordt er door de GGD samengewerkt met lokale organisaties (zoals lokale werkgevers/uitzendbureaus) en trekken zij samen op om drempels voor deze doelgroepen weg te nemen. In een aantal GGD-regio’s met veel arbeidsmigranten worden of zijn reeds initiatieven gestart om hen laagdrempelig voor te lichten over vaccinatie en de vaccinatie ook aan te bieden. Goede voorbeelden zijn het beschikbaar stellen van busjes door het uitzendbureau voor vervoer naar de GGD-vaccinatielocatie, een prikbus, vaccineren op locatie of het creëren van open inloopuren.
Herkent u dat geen toegang tot DigiD een belemmering vormt voor vaccinatie bij arbeidsmigranten? Welke stappen zijn er de afgelopen periode gezet om deze belemmering weg te nemen?
Het ontbreken van een DigiD kan een belemmering vormen voor vaccinatie bij arbeidsmigranten. In de gerichte communicatie voor deze doelgroep wordt als eerste optie voor het maken van een afspraak het telefoonnummer 0800-7070/+31-85112 4970 aangegeven. Daarnaast zet ik ook veel in op de samenwerking met GGD en sociale partners en het bereiken van arbeidsmigranten via de campagne fijnmazig vaccineren. Zie bovenstaande antwoorden.
Kunt u aangeven of en op welke manier er wordt samengewerkt om de vaccinatiegraad bij arbeidsmigranten te verhogen door betrokken overheden? Specifiek door gemeenten, GGD, SZW en VWS?
Er bestaat een werkgroep onder leiding van het RIVM, waarin GGD-GHOR Nederland, de Ministeries van SZW en VWS samenwerken om de arbeidsmigranten te bereiken, te informeren en te laten vaccineren. Bij het fijnmazig vaccineren werken GGD regio’s samen met de gemeenten.
Welke overheidsorganisatie is hoofdverantwoordelijk?
Het COVID vaccinatieprogramma valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS.
Bent u er van op de hoogte dat er diverse werkgevers zijn die graag zien dat er de mogelijkheid is van incompany vaccineren? Bent u bereid om incompany vaccineren mogelijk te maken aanvullend op de bestaande vaccinatie-strategie? Zo ja, welke rol kunt u daar in spelen?
Daar ben ik van op de hoogte. Echter er is bewust gekozen om vaccineren van arbeidsmigranten door GGD te laten uitvoeren. Voor laagdrempeligheid kan vaccineren op locatie of in tijdelijke en/of mobiele vaccinatielocaties, zoals prikbussen en pop-uplocaties, ingezet worden. Dit kan in overleg met de lokale werkgever besloten worden. Door de vaccinatie door GGD te laten uitvoeren, beogen we dat mogelijke vaccinatie drang en dwang wordt voorkomen en is er geen aanvullende complexiteit voor registratie van vaccinatie in CIMS.
Worden de prikbussen ook ingezet om arbeidsmigranten te bereiken, door bijvoorbeeld naar werkgevers te gaan waar veel arbeidsmigranten werken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke vaccins bent u van plan om te gebruiken voor arbeidsmigranten? Is voor deze groep bijvoorbeeld ook Janssen beschikbaar, omdat daar maar één prik van nodig is?
Waar mogelijk biedt de GGD op de vaste vaccinatielocaties en bij het fijnmazig vaccineren twee typen vaccins aan, het Janssen-vaccin en een mRNA vaccin. Personen boven de 18 jaar hebben hierin keuzevrijheid. Voor de groep 12 tot en met 17-jarigen is bij de GGD alleen het vaccin van BioNTech/Pfizer beschikbaar.