Het bericht dat de afgelopen maanden 60 kindbruiden Nederland zijn binnengekomen |
|
Sadet Karabulut (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat afgelopen maanden 60 kindbruiden Nederland zijn binnengekomen? Klopt dit aantal?1
Zelf beslissen met wie je trouwt is een fundamentele waarde in ons land. Dit is dus een onwenselijke ontwikkeling. Ik heb de betrokken organisaties om extra oplettendheid gevraagd in deze zaken. Over de periode 1 september 2015 tot peildatum 18 januari 2016 zijn circa 60 gehuwde minderjarige meisjes Nederland zelfstandig ingereisd, al dan niet in gezelschap van hun echtgenoot2.
Wat is uw reactie op het onderzoek «Zicht op kwetsbaarheid» van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen? Klopt het dat in de periode tussen 24 juli 2014 en 18 februari 2016 210 Syrische kindbruiden Nederland binnenkwamen? Klopt het dat in deze periode de jongste kindbruid 14 jaar was?2
Voor de reactie op het rapport van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen verwijs ik u naar mijn brief aan uw Kamer van 25 april 2016.
Het in het rapport genoemde aantal 2104 heeft betrekking op meldingen van kindbruiden in het kader van vreemdelingrechtelijke procedures. Dit aantal ziet derhalve niet alleen op Syrische gehuwde minderjarige meisjes die Nederland zijn ingereisd, maar heeft ook betrekking op hoofdpersonen die kenbaar maken in het buitenland een minderjarige (huwelijks)partner te hebben waar (nog) geen procedure voor is gestart.
Het bericht over een gehuwde minderjarige met de leeftijd van 14 jaar, die Nederland zelfstandig is ingereisd, klopt. Vanwege privacyaspecten kan ik niet ingaan op de individuele omstandigheden. Wel kan ik u melden dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) onder voogdij van Nidos worden geplaatst en het uitgangspunt is dat gehuwde minderjarige meisjes onder de 16 jaar apart van een eventuele partner worden opgevangen.
Klopt het dat na inwerkingtreding van de Wet tegengaan huwelijksdwang op 5 december 2015, nog steeds kindbruiden Nederland zijn binnengekomen?
Met ingang van 5 december 2015 worden alle MVV-aanvragen in het kader van nareis en reguliere gezinshereniging afgewezen door de IND als ten minste een van de (huwelijks)partners jonger is dan 18 jaar.5 Het is echter nog steeds mogelijk dat een minderjarig gehuwd meisje Nederland zelfstandig inreist en asiel aanvraagt.
Er is mij helaas één geval bekend waarin na 5 december 2015 een minderjarige toch is ingereisd op basis van een abusievelijk afgegeven machtiging tot voorlopig verblijf (MVV). Dit was twee werkdagen na inwerkingtreding van de nieuwe Wet Huwelijksdwang. Het ging hier om een 17-jarige die overigens deze maand 18 jaar wordt. De leeftijd van haar man was ten tijde van haar inreis 25 jaar. De IND heeft na onderkenning van de fout de in het kader van de nareis verleende asielvergunning ingetrokken en op grond van bestaand beleid een zelfstandige asielvergunning verleend aan de minderjarige. Zie ook mijn antwoorden op de Kamervragen van de PvdA leden Kuiken, Yücel en Volp over het bericht dat Syrische kindbruiden in Nederland uit beeld dreigen te raken d.d. 20 april 2016.
Hoe gaat u voorkomen dat kindhuwelijken in de informele sfeer gewoon van kracht zullen blijven en dat getrouwde meisjes geheel uit beeld verdwijnen?
Stichting Nidos vraagt de voogdij aan voor alle alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). De voogd is de wettelijke vertegenwoordiger en heeft dezelfde bevoegdheden als de ouder. Ook een in het buitenland gehuwd minderjarig meisje dat zonder haar ouders inreist, wordt als amv aangemerkt, omdat het huwelijk naar Nederlands recht niet wordt erkend. Indien er sprake is van een partner zal Nidos naast het gesprek met de amv ook een gesprek aan gaan met familieleden en/of de partner. Tijdens de gesprekken zullen de minderjarige, familieleden en/of de partner geïnformeerd worden over de huidige wetgeving in Nederland waarin huwelijken met en/of tussen minderjarigen niet worden erkend en zullen gesprekken plaatsvinden over de opvang. Nidos en het COA zijn in gesprekken met minderjarigen zeer alert op signalen van mogelijke huwelijken, huwelijksdwang en vormen van misbruik. Nidos heeft aangegeven dat in het belang van het kind Nidos in al deze zaken maatwerk verricht. Voor wat betreft de opvang is het uitgangspunt dat bij jongeren onder de 16 jaar apart van de partner wordt opgevangen. Is de minderjarige 16 jaar of ouder, dan is het mogelijk om samen met de partner opgevangen te worden, tenzij er signalen zijn van dwang. Bij signalen dat de minderjarige niet met de partner wil samenleven wordt er samen met de minderjarige en daar waar mogelijk met familie, gezocht naar een oplossing. De Raad voor de kinderbescherming, het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) en het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating kunnen hierbij worden ingeschakeld. Zo nodig wordt de minderjarige opgevangen in een beschermde opvangvorm van het COA of Fier.
Uiteraard hebben de gehuwde minderjarige meisjes in de dagelijkse begeleiding bijzondere aandacht. Specifiek wordt er steeds bekeken hoe het met het meisje gaat en of er geen signalen zijn van dwang en/of uitbuiting.
Om te voorkomen dat meisjes uit beeld raken is het van belang dat organisaties alert zijn en blijven op signalen van dwang en weten hoe te handelen.
Daarom wordt door SZW in het kader van het «Actieplan zelfbeschikking 2015–2017» de problematiek van kindhuwelijken meegenomen in de aanpak van gedwongen huwelijken. In alle bestaande voorlichting, projecten en interventies gericht op preventie, over aanpalende onderwerpen zoals huwelijksdwang, worden de onderwerpen kindhuwelijken, religieuze huwelijken en de regelgeving daarover meegenomen.
Het COA, de aanbieders van inburgeringscursussen, professionals, geestelijk bedienaren, docenten en gemeenten, krijgen informatie over kindhuwelijken aangeboden. De informatie wordt tevens uitgereikt aan maatschappelijke organisaties (waaronder vrouwen en jongeren) die zich bezighouden met deze onderwerpen en aan sleutelfiguren en voorlichters die actief zijn met het bespreekbaar maken van taboeonderwerpen in hun eigen gemeenschappen.
Bent u bereid om kwetsbare meisjes in beeld te brengen en zo nodig aparte opvang te regelen? Zo ja, op welke manier gaat u dit regelen? Bent u bereid om het knooppunt huwelijksdwang hierbij te betrekken?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze gaat u voorkomen dat nareizende minderjarige meisjes zich alsnog bij hun meerderjarige partner voegen? Hoe gaat u er voor zorgen dat deze meisjes in een veilige omgeving worden opgevangen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kindhuwelijken voortaan apart te laten registreren, zodat kindhuwelijken effectiever kunnen worden bestreden? Graag een toelichting op uw antwoord.
Ik ben me sterk bewust van de kwetsbaarheid van minderjarig gehuwden. Ik heb de IND gevraagd om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn. Daarbij heb ik de IND ook gevraagd om extra oplettendheid in aanvragen voor gezinshereniging. De IND is alert op mogelijke signalen van mensenhandel bij deze groep, zoals ook bij andere – minderjarige – vreemdelingen. De IND heeft met de betrokken organisaties werkafspraken gemaakt over de veiligheid en opvang van deze minderjarigen (zie ook antwoord vragen 5 en 6). Binnen het huidige proces zijn voldoende waarborgen.
Het bericht dat Syrische kindbruiden in Nederland uit beeld dreigen te raken |
|
Marith Volp (PvdA), Attje Kuiken (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Syrische kindbruiden in Nederland mogen niet uit beeld raken»?1
Ja.
Was u op de hoogte van het feit dat er tussen september 2015 en januari 2016 rond de zestig kindbruiden uit Syrië naar Nederland zijn gekomen, zoals blijkt uit het rapport van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en seksueel Geweld tegen Kinderen?
Ja, dit was mij bekend. De IND, COA en Nidos houden deze groep in de gaten.
In mijn beantwoording van verschillende sets Kamervragen heb ik uw Kamer geïnformeerd over Syrische kindbruiden2. Met ingang van 5 december 2015 worden alle MVV-aanvragen in het kader van nareis en reguliere gezinshereniging afgewezen door de IND als ten minste een van de (huwelijks)partners jonger is dan 18 jaar. Er is mij helaas één geval bekend waarin na 5 december 2015 een minderjarige toch is ingereisd op basis van een abusievelijk afgegeven machtiging tot voorlopig verblijf (MVV). Dit was twee werkdagen na inwerkingtreding van de nieuwe Wet Huwelijksdwang. Het ging hier om een 17-jarige die overigens deze maand 18 jaar wordt. De leeftijd van haar man was ten tijde van haar inreis 25 jaar. De IND heeft na onderkenning van de fout de in het kader van de nareis verleende asielvergunning ingetrokken en op grond van bestaand beleid een zelfstandige asielvergunning verleend aan de minderjarige.
De minderjarige is in Nederland aangemeld bij Nidos. De rechtbank heeft in deze zaak Nidos de voogdij toegekend. Ik heb naar aanleiding van deze zaak bij de IND benadrukt dat er geen sprake meer kan zijn van gezinshereniging waarbij ten minste een van de huwelijkspartners jonger is dan 18 jaar.
De wet is duidelijk: Minderjarig gehuwden mogen niet via het nareisbeleid rechtmatig Nederland in reizen. Wel blijft de kans bestaan dat minderjarigen die in het buitenland zijn gehuwd, zelfstandig Nederland inreizen. Zij komen niet in aanmerking voor een nareisvergunning, maar kunnen wel zelfstandig een asielvergunning aanvragen.
Overigens zijn er tot op heden geen indicaties van mensenhandel rond deze doelgroep geconstateerd, zo concludeert ook de Nationaal Rapporteur in haar rapport.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat deze groep meisjes uit de opvang verdwijnt? Hoe verklaart u deze verdwijningen, gezien de verantwoordelijkheid van het Centraal Opvang Asielzoekers (COA) om deze groep te registreren en te monitoren terwijl zij in de opvang en in een asielprocedure zitten?
Het beeld dat gehuwde minderjarige meisjes uit de opvang verdwijnen klopt niet. In meerdere brieven heb ik uw Kamer geïnformeerd dat in 2015 vertrek zonder toezicht uit de beschermde opvang voor een groot deel een specifieke groep betrof. Ongeveer 20 amv’s kwamen uit Vietnam. Het ging hier niet om gehuwde minderjarige meisjes, maar om een andere kwetsbare groep. Het Landelijk Parket van het OM is dan ook naar aanleiding van de signalen van het COA en Nidos een onderzoek gestart naar deze jongeren. Het is op dit moment nog te vroeg om nadere informatie te geven op het onderzoek.
Op welke manier draagt het COA nu zorg voor het voorkomen van een sociaal isolement van deze kindbruiden? Welke instanties zijn betrokken bij de opvang en begeleiding van deze kwetsbare groep en hoe verloopt dit?
Het COA personeel heeft instructies gekregen over de gevolgen van de wetswijziging voor de opvang. Ik heb geen signalen ontvangen van het COA met betrekking tot misbruik, langdurige uitbuiting, en verdwijningen van gehuwde minderjarige meisjes. De NRM geeft in haar rapport ook aan dat er geen expliciete signalen zijn die duiden op mensenhandel. De NRM heeft mogelijke kwetsbare factoren voor mensenhandel geïdentificeerd ten aanzien van de groep Syrische gehuwde minderjarige meisjes.
Alle betrokken organisaties, waaronder dus ook het COA, zijn alert op situaties van gehuwde minderjarige meisjes. Over de veiligheid, bescherming en opvang zijn werkafspraken gemaakt. Als er een gehuwd minderjarig meisje in Nederland arriveert zonder ouders gaat Nidos met haar een gesprek aan over het aanvragen van de voogdij door Nidos. Indien er sprake is van een partner zal Nidos naast het gesprek met het meisje ook een gesprek aan gaan met familieleden en of de partner. Tijdens de gesprekken zullen de minderjarige, eventuele familieleden en de partner geïnformeerd worden over de huidige wetgeving in Nederland waarin huwelijken met en/of tussen minderjarigen niet worden erkend en zullen gesprekken plaatsvinden over de opvang. Tijdens de gesprekken met de minderjarige, familieleden en partner zijn Nidos en het COA zeer alert op signalen van huwelijksdwang en/ of andere mogelijke vormen van misbruik. Bij signalen hiervan wordt er samen met de minderjarige en daar waar mogelijk met familie gezocht naar een oplossing. De Raad voor de kinderbescherming, het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) en het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en achterlating kunnen hierbij worden ingeschakeld. Zo nodig wordt de minderjarige in een beschermde opvangvorm van het COA of Fier geplaatst. Het uitgangspunt is dat gehuwde minderjarige meisjes onder de 16 jaar apart worden opgevangen van hun partner. Is de minderjarige 16 jaar of ouder, dan is het mogelijk om samen met de partner opgevangen te worden, tenzij er signalen zijn van dwang. Ook hebben de gehuwde minderjarige meisjes in de dagelijkse begeleiding bijzondere aandacht. Specifiek wordt er steeds bekeken hoe het met het meisje gaat om te controleren hoe haar situatie is en hoe ze er voor staat.
Ik wil hierbij nog opmerken dat in samenwerking met de NRM in juni een groot deel van de COA medewerkers tijdens een themadag Veiligheid geïnformeerd wordt over het werken met gehuwde minderjarige meisjes.
Welke signalen heeft u ontvangen van het COA met betrekking tot misbruik, langdurige uitbuiting en verdwijningen van deze kindbruiden?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u de noodzaak van een gerichte aanpak ten aanzien van deze groep kwetsbare kinderen? Zo ja, hoe en op welke termijn bent u van plan deze gerichte aanpak vorm te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u, naar aanleiding van de doorgevoerde wetswijziging aangaande de verhoogde leeftijdsgrens voor huwelijken in het buitenland, aangeven wat het effect hiervan is of lijkt te zijn ten aanzien van de situatie van kindbruiden in Nederland?
Sinds de doorgevoerde wetswijziging is in ons land een huwelijk met een minderjarige onder alle omstandigheden verboden. Het is voor gehuwde minderjarigen dus niet meer mogelijk om via het nareisbeleid Nederland in te reizen. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven is er sinds de wetswijziging één minderjarige ingereisd op basis van een abusievelijk afgegeven MVV. Zoals aangegeven heb ik hiervoor bij de IND aandacht gevraagd, om dit voortaan te voorkomen.
Worden de kindbruiden sinds de doorgevoerde wetswijziging nu ondergebracht bij voogden van het Nidos, zoals eerder in de Kamer is besproken?
Ja, Nidos vraagt de voogdij aan voor alle alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Ook een in het buitenland gehuwd minderjarig meisje dat zonder haar ouders inreist, wordt als alleenstaande minderjarige vreemdeling aangemerkt, omdat het huwelijk naar Nederlands recht niet wordt erkend.
Het luiden van de noodklok door scholen voor voortgezet onderwijs in Zeeuws-Vlaanderen |
|
Joyce Vermue (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zeeuws-Vlaamse middelbare scholen luiden noodklok» en de brandbrief behorende bij dit bericht?1
Ja.
Deelt u de mening dat onderwijskansen, een dekkend onderwijsaanbod en de vrije keuze voor onderwijs onder druk staan in de specifieke regio Zeeuws-Vlaanderen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Elke leerling in Nederland heeft recht op onderwijs dat bij hem of haar past. Door leerlingendaling kan het onderwijsaanbod in een regio onder druk komen te staan. Zeeuws-Vlaanderen heeft inderdaad te kampen met een forse daling van het aantal leerlingen. Daar komt bij dat er ook weglek is van leerlingen die in Zeeuws-Vlaanderen wonen, maar in België naar school gaan. Per saldo betekent dat dat het voor de scholen in Zeeuws-Vlaanderen moeilijker wordt om hun onderwijsaanbod in stand te houden.
Demografische ontwikkelingen zijn in belangrijke mate te voorzien en scholen hebben daarmee de mogelijkheid te anticiperen op leerlingendaling. Uitgangspunt daarbij blijft dat schoolbesturen in een regio zelf verantwoordelijk zijn voor het onderwijsaanbod en de onderlinge afstemming daarvan. De besturen in Zeeuws-Vlaanderen zijn al gezamenlijk bezig te verkennen hoe ze met de leerlingendaling om moeten gaan. Die samenwerking zullen ze de komende tijd moeten intensiveren. OCW is al geruime tijd in gesprek met de betrokken schoolbesturen om hen te ondersteunen en mee te denken.
Deelt u de mening dat de regio Zeeuws-Vlaanderen omwille van de specifieke geografische ligging, de reisafstanden in combinatie met de oppervlakte en de substantiële daling van leerlingenaantallen in verhouding tot de spreiding van onderwijs uniek is voor Nederland en dat daarom een specifieke en gerichte aanpak nodig is om de onderwijskwaliteit ook in de toekomst te garanderen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zeeuws-Vlaanderen kent hier en daar flinke reisafstanden. In Oostburg staat bijvoorbeeld een brede scholengemeenschap. De afstand tot de volgende vo-school bedraagt circa 35 kilometer. De rest van Zeeuws-Vlaanderen lijkt echter veel op andere gebieden in Nederland. De bevolkingsdichtheid in de gemeenten Terneuzen en Hulst is niet lager dan in andere gebieden in Nederland, en het percentage leerlingendaling in Zeeuws-Vlaanderen is ook niet uniek te noemen. De situatie plaatst de schoolbesturen wel voor uitdagingen bij het organiseren van het onderwijs in de regio. De besturen zijn daarbij zelf aan zet. OCW biedt ondersteuning.
In de afgelopen jaren heb ik een aantal beleidsinstrumenten ingezet om het voor scholen in situaties met leerlingendaling makkelijker te maken om in te spelen op die ontwikkeling. Het beleid heeft drie sporen: het wegnemen van belemmeringen, het ondersteunen van scholen met financiële middelen, en het opzetten van een ondersteuningsprogramma. Wat het eerste spoor betreft, is de 50%-regel voor het uitbesteden van leerlingen verruimd en is er een pilot opgezet voor het gezamenlijk in een regio aanbieden van de profielen in mavo, havo en vwo. Ook is de fusietoets versoepeld. In het kader van het tweede spoor (financiële ondersteuning) heb ik een fusiecompensatieregeling voor het vo in het leven geroepen. Het ondersteuningsprogramma, het derde spoor, betreft een aantal maatregelen. Ten eerste kunnen scholen met de regeling «regionale procesbegeleiders» middelen aanvragen om een procesbegeleider in te huren om een toekomstbestendig gebiedsplan te maken. Ook vinden er op verschillende plaatsen in het land pilots plaats met de Transitieatlas vo, een interactief instrument waarmee scholen, ouders, gemeenten en andere belanghebbenden met behulp van scenario’s inzichtelijk maken wat de consequenties zijn van bepaalde keuzes voor het onderwijsaanbod in de regio. Daarnaast is een team accountmanagers actief. Zij gaan in het hele land in gesprek met besturen die met leerlingendaling te maken hebben, denken mee over oplossingen, delen goede voorbeelden en inventariseren belemmeringen in wet- en regelgeving.
Wat specifiek Zeeuws-Vlaanderen betreft, is OCW al geruime tijd in gesprek met de betrokken besturen om hen te ondersteunen en mee te denken. Daarbij is van 2010 tot 2015 de Onderwijsautoriteit Zeeland (OAZ) actief geweest in Zeeland, met subsidie vanuit OCW. Deze OAZ heeft heel Zeeland, maar ook Zeeuws-Vlaanderen geholpen bij het opzetten van een plan voor een toekomstbestendig onderwijsaanbod. Daarna hebben de Zeeuws-Vlaamse besturen met succes een beroep gedaan op de regeling regionale procesbegeleiders van OCW. Er is een procesbegeleider actief geweest in de regio, die de besturen verder heeft ondersteund bij het opstellen van een regioplan. Mede dankzij deze inzet is het de besturen gelukt het techniekonderwijs in het vmbo gezamenlijk te organiseren in het Centrum voor Toptechniek in Terneuzen. Ook hebben ze plannen gemaakt om samen te werken bij de overige onderwijssoorten, onder andere door de inzet van ICT voor afstandsonderwijs. Deze initiatieven zijn stappen in de goede richting. Maar om de leerlingendaling in Zeeuws-Vlaanderen het hoofd te bieden, zullen de besturen deze samenwerking in de komende tijd moeten intensiveren.
Welke mogelijkheden ziet u om een antwoord te bieden op de zorgen die door het voortgezet onderwijs in de regio Zeeuws-Vlaanderen worden aangekaart?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de huidige lumpsum-bekostigingssystematiek onvoldoende tegemoet komt aan de financiële en onderwijskundige opgave van scholen voor voortgezet onderwijs waar sprake is van een substantiële daling van leerlingenaantallen in combinatie met grote reisafstanden van meer dan 25 kilometer tussen scholen, lange reistijden en beperkt openbaar vervoer? Zo ja, wat bent u bereid hier aan te doen? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen aanwijzingen dat de huidige lumpsumbekostiging ontoereikend is, ook niet als scholen klein zijn of krimpen. Bij leerlingendaling moeten schoolbesturen wel hun organisatie en hun onderwijsaanbod aanpassen aan de situatie, en dat vraagt soms scherpe keuzes. Om in zo’n situatie een onderwijsaanbod van pro, vmbo, havo en vwo overeind te houden, is samenwerking nodig. Scholen moeten onderling en in samenspraak met de regio en het bedrijfsleven bepalen wat gegeven de situatie een passend onderwijsaanbod is, en wie wat precies aanbiedt. In Zeeuws-Vlaanderen ligt het, gezien de grote afstanden, voor de hand dat leerlingenvervoer bij de discussie betrokken wordt. Daarvoor zullen de besturen in samenspraak met de betrokken gemeenten een toekomstbestendig plan moeten ontwikkelen, dat rekening houdt met de specifieke geografische situatie.
Hoe ondersteunt u scholen voor voortgezet onderwijs in krimpregio’s in het algemeen, en de regio Zeeuws-Vlaanderen in het bijzonder, die gezamenlijk optrekken, onderwijskundige ambitie tonen en plannen ontwikkelen en zo tijdig anticiperen op een voorziene daling van leerlingenaantallen in de nabije jaren?
Zie het antwoord op vraag 3.
Het bericht “Reddingsvloot strandt” |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichten uit het artikel «Reddingsvloot strandt»?1
Zoals ook door de Kamer is verzocht dring ik er bij het Veiligheidsberaad en de veiligheidsregio’s op aan dat er een oplossing wordt gevonden voor de financiering na 2016 van de Nationale Reddingsvloot. Ik heb hiertoe op 28 april jl. een brief gestuurd aan het Veiligheidsberaad. Ik heb het Veiligheidsberaad uitgenodigd om hierover voor eind mei in overleg te treden.
Bent u het eens met de stelling dat de ramp- en crisisactiviteiten van de Reddingsbrigade Nederland van essentieel belang zijn voor de nationale veiligheid in het geval van calamiteiten op het water en dus moet blijven bestaan?
Ik heb grote waardering voor het werk en de inzet van de vele vrijwilligers van de Reddingsbrigade Nederland bij de waterhulpverlening. Het is de verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio’s om te voorzien in voldoende hulpverleningscapaciteit bij crises en rampen op en rond het water. De Reddingsbrigade Nederland kan hier aan bijdragen. Naast deze organisatie zijn ook andere publieke en private organisaties actief op dit gebied.
Hoe komt het dat er op dit moment nog geen duidelijkheid is over de financiering na 2016 van deze taken van de Reddingsbrigade Nederland? Klopt het dat veiligheidsregio’s voor de Reddingsbrigade Nederland bedoeld geld hebben gebruikt voor andere doeleinden, waardoor er nu financieringsproblemen zijn?
Vanaf begin 2014 hebben mijn ambtsvoorganger en ik bij het Veiligheidsberaad en de veiligheidsregio’s aandacht gevraagd voor het aflopen van een tijdelijke overeenkomst (2011–2015) tussen mijn ministerie, het Nationaal Rampenfonds en de Reddingsbrigade Nederland. Tot op heden heeft dit niet geleid tot afspraken tussen de veiligheidsregio’s en de Reddingsbrigade Nederland, ondanks een éénmalige bijdrage van mij voor 2016 aan de Reddingsbrigade Nederland om dit jaar tot afspraken te komen tussen de veiligheidsregio’s en de Reddingsbrigade Nederland.
Bent u het eens met de stelling dat veiligheid niet in het geding mag komen door bestuurlijk gesteggel? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat er ook na 2016 financiering komt voor onder andere het onderhoud van de boten en het materiaal, waardoor de ramp- en crisisactiviteiten voortgezet kunnen worden?
De financiële middelen waarover de regio’s beschikken zijn afkomstig uit bijdragen van gemeenten en van het Rijk. Deze bijdragen dienen te worden besteed aan de taken van de veiligheidsregio’s die in de Wet veiligheidsregio’s zijn opgenomen. De nadere toedeling van deze bijdragen over deze taken wordt aan de regio’s overgelaten.
Kloppen de berichten dat de Reddingsbrigade Nederland op dit moment al meer capaciteit nodig heeft om in het geval van een overstroming voldoende adequaat te kunnen handelen? Zo ja, wat bent u van plan hieraan te doen?
Het uitblijven van afspraken tussen de veiligheidsregio’s en de Reddingsbrigade Nederland kan en mag er niet de oorzaak van zijn dat de waterhulpverleningstaak in het geding komt. Ik ga met het Veiligheidsberaad in overleg om er op aan te dringen dat er een einde komt aan de bestuurlijke impasse en dat er een oplossing gevonden wordt, mede naar aanleiding van de aangenomen motie 30 821, nr. 31, ingediend door de leden Tellegen (VVD) en Kooiman (SP).
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de Reddingsbrigade Nederland nu en in de toekomst in staat blijft de ramp- en crisisactiviteiten voort te zetten? Bent u hierover in overleg met de Minister van Infrastructuur en Milieu?
De hulpverlening in geval van overstromingen is een taak van de veiligheidsregio’s. De regio’s hebben de verantwoordelijkheid om hier voldoende op te zijn voorbereid, teneinde adequaat te kunnen handelen.
De gesubsidieerde milieurechtsbijstand |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de ratio is achter de beleidsregel dat in kader van toekenning van gesubsidieerde rechtsbijstand in milieuzaken niet de hoogste eigen bijdrage wordt gevraagd van rechtspersonen conform artikel 36, tweede lid, van Wet op de rechtsbijstand (Wrb), maar slechts 25% van de hoogste eigen bijdrage?1
Met ingang van 1 januari 2008 is de milieurechtsbijstand volledig ingebed in het reguliere stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Vanaf die datum moeten ook de aanvragen voor milieurechtsbijstand voldoen aan de eisen die bij of krachtens de Wet op de rechtsbijstand worden gesteld. Die eisen zien zowel op de inhoudelijke als de financiële eisen. Bij gelegenheid van deze beleidswijziging is door de toenmalige Staatssecretaris van justitie onderkend dat de draagkrachtnorm voor rechtspersonen in de Wet op de rechtsbijstand een beletsel zou kunnen vormen voor de toegang tot het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand voor natuur- en milieugroepen (zie ook de brief van 29 oktober 20072 aan uw Kamer). Met het stellen van de draagkrachtgrens van tienduizend euro en de reductie op de eigen bijdrage is beoogd een ongewenste vraaguitval onder milieurechtspersonen bij de toegang tot het recht te voorkomen.
Kunt u bevestigen dat deze maatregel na een jaar – de geplande datum van inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 januari 2009 – geëvalueerd zou worden en zou worden bezien of deze nog langer van kracht zou moeten zijn?2
In bovengenoemde brief van 29 oktober 2007 wordt meegedeeld dat na ommekomst van een jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2008, zal worden bezien of de maatregel ter voorkoming van ongewenste vraaguitval onder rechtspersonen nog langer van kracht zal moeten zijn. Voor zover ik dit heb kunnen nagaan is hieraan geen gevolg gegeven. De reden daarvan is mij niet bekend. Ik zal de raad voor rechtsbijstand verzoeken te onderzoeken of deze maatregel, gelet op de oorspronkelijke doelstelling daarvan, moet worden gehandhaafd. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten daarvan informeren.
Klopt het dat deze evaluatie van de eigen bijdrage in milieuzaken nooit heeft plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet? Bent u alsnog bereid dit te doen teneinde te kunnen beoordelen of de korting op de eigen bijdrage nog gewenst is? Zo ja, wanneer heeft deze evaluatie plaatsgevonden en kunt u de uitkomsten daarvan aan de Kamer zenden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel toevoegingen zijn er sinds 2008 jaarlijks verstrekt op grond van de Beleidsregel draagkrachtbeoordeling rechtspersonen in het kader van gesubsidieerde milieurechtsbijstand? Kunt u daarbij aangeven per jaar hoeveel in totaal is uitgekeerd aan gesubsidieerde milieurechtsbijstand en voorts wat de gemiddelde bijdrage betreft per jaar? Kunt u ook aangeven wat jaarlijks de gemiddelde eigen bijdrage is geweest van milieurechtspersonen sinds de instelling van genoemde beleidsregel in 2008?
De raad voor rechtsbijstand heeft de volgende gegevens verstrekt over de toevoegingen verleend aan milieurechtspersonen sinds 2008.
jaar
Afgegeven toevoegingen
Vastgestelde
toevoegingen
Totaal vastgesteld
Gemiddelde vastgestelde eigen bijdrage
2008
228
50
€ 51.885
€ 182,02
2009
231
153
€ 165.688
€ 182,04
2010
218
198
€ 212.547
€ 180,86
2011
189
189
€ 204.894
€ 194,34
2012
205
210
€ 209.401
€ 190,40
2013
207
185
€ 169.538
€ 191,60
2014
219
238
€ 223.154
€ 197,20
2015
187
165
€ 138.245
€ 198,65
Klopt het dat bij de beoordeling van de draagkrachttoets van een rechtspersoon niet wordt gekeken naar de draagkracht van de betreffende individuele leden of bestuurders?
Bij de draagkrachttoets van een rechtspersoon baseert de raad voor rechtsbijstand zijn oordeel louter op de gegevens over het eigen vermogen of de eigen inkomsten van de betreffende rechtspersoon. Dit volgt uit het wettelijk kader van de Wet op de rechtsbijstand. Daarbij kijkt de raad of de kosten van rechtsbijstand uit het vermogen of het inkomen van de rechtspersoon kan worden voldaan. Dat vermogen of inkomen kan bestaan uit bijvoorbeeld bijdragen van de leden.
Aan de onderhavige regeling ligt ten grondslag dat milieurechtspersonen op moeten kunnen komen voor het milieu. De regeling is daarom zo ingericht dat de toegang tot het recht voor minder draagkrachtige milieurechtspersonen verzekerd blijft.
Ik heb geen gegevens over de privéinkomsten en -vermogens van leden en bestuurders van milieurechtspersonen. Deze gegevens zijn ook niet relevant voor de vaststelling van de draagkracht van rechtspersonen, zoals bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand. Ik zal hier derhalve geen nader onderzoek naar laten doen.
Bent u er bekend mee dat veel leden en bestuurders van milieurechtspersonen over veel meer dan € 10.000 privé inkomsten en/of vermogen beschikken, dat de grens is van het bedrag waarboven thans de rechtspersoon zelf de kosten van rechtsbijstand uit eigen middelen moet betalen? Zo ja, deelt u de mening dat het niet billijk is dat deze milieurechtspersonen gebruik maken van gemeenschapsgeld om te procederen en hoe kunt u hier tegen optreden? Zo nee, bent u hier bereid nader onderzoek naar te doen, ook in het kader van de in deze vragen aan de orde gestelde evaluatie van deze beleidsmaatregel?
Zie antwoord vraag 5.
Een door de school in de steek gelaten geïntimideerde homo-leerling |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Homo-leerling uit klas gezet na pesterijen»?1
Ja.
Is het waar dat een leerling die structureel geïntimideerd en gepest is vanwege zijn geaardheid, uit de klas is geplaatst?
In algemene zin ben ik van mening dat slachtoffers niet herplaats moeten worden, maar daders gestraft moeten worden. In dit specifieke geval lag de, de feitelijke situatie echter genuanceerder en ingewikkelder. De weergave van het artikel herken ik daarom niet. Toen de betrokken leerling vorig jaar uit de kast kwam, leidde dat niet tot pesterijen, maar is daar juist goed op gereageerd. Pas onlangs is sprake geweest van pesterijen, dit kwam dus niet structureel voor. De school heeft conform haar beleid gekozen voor een pedagogische benadering, waarbij met de leerlingen en hun ouders is gesproken. In overleg met de moeder, is de jongen tijdelijk in een tussenvoorziening op school geplaatst. Op dit moment wordt bekeken welke klas of opleiding het beste bij hem past. Die keuze wordt bepaald door het cognitieve niveau en de wensen van de leerling, de maatregel is niet als straf bedoeld en niet primair gerelateerd aan het pestincident.
In hoeverre deelt u de visie dat hier sprake is van de omgekeerde wereld, en niet het slachtoffer uit de klas, maar de dader(s) van school verwijderd dienen te worden?
Naar aanleiding van het pestincident en de klappen die de jongen heeft uitgedeeld, zijn beiden een dag geschorst geweest. In deze specifieke situatie speelden meerdere zaken mee. Gezien ook de verdere aanpak van de school (zie antwoord op vraag 4) vind ik niet dat hier sprake is van de omgekeerde wereld.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om er voor te zorgen dat scholen, ook specifiek de school in kwestie, niet zwichten voor homohaat, maar dat zij dit probleem krachtig – en dus niet alleen op papier – bestrijden?
De Wet veiligheid op school is met ingang van 1 augustus 2015 van kracht en verplicht scholen werk te maken van de sociale veiligheid op school. Scholen zijn verplicht om veiligheidsbeleid te voeren, de veiligheidsbeleving van leerlingen jaarlijks te monitoren en om een persoon het beleid tegen pesten te laten coördineren en tevens te fungeren als aanspreekpunt voor ouders en leerlingen. De sectorraden ondersteunen scholen samen met Stichting School en Veiligheid bij de invulling van de wettelijke randvoorwaarden. De Inspectie van het onderwijs (hierna inspectie) geeft scholen een jaar de tijd voor implementatie en start aankomend schooljaar met handhaving.
Daarnaast zijn sinds december 2012 de kerndoelonderdelen seksualiteit en seksuele diversiteit ingevoerd in het primair en het voortgezet onderwijs. Dat betekent dat scholen verplicht zijn hun leerlingen te leren over respectvolle omgang met seksualiteit en diversiteit. Om scholen te helpen bij de invulling van deze kerndoelonderdelen heeft de Stichting Leerplanontwikkeling in opdracht van OCW een leerplanvoorstel gemaakt met een uitwerking per schoolsoort en leeftijdsgroep, en een overzicht van het mogelijke lesmateriaal. De inspectie voert op dit moment op mijn verzoek een onderzoek uit naar de invulling die scholen geven aan seksualiteit (waaronder seksuele weerbaarheid) en seksuele diversiteit. De uitkomsten van het onderzoek worden deze zomer naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. De inspectie bezoekt in het kader van reguliere, geplande onderzoeken binnenkort ook deze school. Daarin zal ook het veiligheidsbeleid, zowel curatief als preventief, aan de orde komen.
De inspectie heeft naar aanleiding van dit voorval ook contact gehad met de school in Coevorden. Daaruit blijkt dat de school zeker niet «zwicht voor homohaat»: alle leerlingbegeleiders en directieleden hebben voorlichting gehad over seksuele diversiteit en ook in de klas wordt voorlichting gegeven en worden gesprekken gevoerd over seksuele diversiteit. De school doet dit in overleg met het COC Groningen. Ook naar aanleiding van dit incident overlegt de school binnenkort met het COC Groningen wat zij nog beter had kunnen doen. Daarnaast geeft de school voorlichting aan leerlingen over het gebruik en de gevaren van sociale media.
Ziet u de parallel met de wens van «zachte krachten» in de samenleving om ook bedreigde homo's in asielzoekerscentra over te plaatsen, in plaats van de daders aan te pakken? Zo nee, het betreft toch in beide gevallen homohaat en een zwichtende autoriteit?
Nee, de situatie van jongeren in een Nederlandse klas vind ik niet goed vergelijkbaar met de situatie van asielzoekers in de noodopvang. Bovendien is de tijdelijke overplaatsing van LHBT asielzoekers nadrukkelijk op hun eigen verzoek geweest. Daarnaast worden daders wel degelijk aangepakt. Ik verwijs u naar de brief die de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie mede namens mij op 31 maart jl. naar de Kamer heeft gestuurd, over de aangescherpte aanpak van overlast gevende asielzoekers. Discriminatie en bedreiging van medebewoners, medewerkers of vrijwilligers wordt niet getolereerd (Kamerstuk 19637, nr. 33042).
De betrokkenheid van Curaçao bij een gokschandaal in Australië |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Curaçao in 2012 een online-gokvergunning heeft gegeven aan EmuCasino, dat in Australië betrokken is bij grootschalige illegale gokpraktijken?1
Ik kan mij over deze vragen niet uitlaten omdat het vragen zijn die een landsaangelegenheid van Curaçao betreffen.
Klopt het dat EmuCasino «opereert» vanuit Malta en «gevestigd» is in Panama? Klopt het dat het bedrijf in Panama een trust heeft via Quijano & Associates – een concurrent van Mossack Fonseca – om de werkelijke eigenaar aan het zicht te onttrekken?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de vergunning van EmuCasino een sublicentie is van de Gaming Services Provider op Curaçao?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat casinobaas Rudolfo «Rudy» Pizziolo de eigenaar is van deze Gaming Services Provider?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel sublicenties heeft Gaming Services Provider sinds 1996 internationaal verstrekt? Klopt het dat KPMG de accountant is van Pizziolo?
Zie antwoord vraag 1.
Het initiatief van het Europees Parlement om Turks toe te voegen als officiële EU-taal |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «MEPs call for Turkish becoming EU language»?1
Ja.
In hoeverre klopt het dat Nederland, in zijn rol als voorzitter van de Raad van de Europese Unie, gevraagd is door de president van Cyprus om Turks toe te voegen aan de lijst van officiële EU-talen?
Het rapport van het Europees parlement noemt het verzoek om Turks toe te voegen als officiële EU-taal in het kader van voortgang in de herenigingsonderhandelingen van Cyprus. Nederland heeft in de hoedanigheid van Voorzitter van de Raad een brief van de President van de Republiek Cyprus ontvangen met het verzoek om Turks toe te voegen aan de officiële talen van de EU. Het Turks is een van de officiële talen van de Republiek Cyprus. Het verzoek is gedaan vanwege de mogelijkheid dat er een oplossing zal komen voor de Cyprus kwestie en de Cypriotische wens om met voorbereidende werkzaamheden te starten zodat Turks vanaf het moment van hereniging als officiële EU-taal kan worden gebruikt. Het verzoek houdt geen verband met de EU-toetredingsonderhandelingen met Turkije.
De reikwijdte van het Cypriotische verzoek is op dit moment nog niet duidelijk. Er zijn verschillende varianten om een taal als EU-taal te introduceren, die uiteen lopen van een door de Cypriotische regering opgestelde vertaling van het verdrag tot het erkennen van het Turks als authentieke taal in het EU-verdrag (zoals bijvoorbeeld het Nederlands). Voor die meer ingrijpende varianten is een verdragswijziging nodig, waarmee alle lidstaten (en hun parlementen) zullen moeten instemmen.
Nederland steunt de onderhandelingen in Cyprus en is bereid zich waar mogelijk in te zetten om de hereniging een feit te laten worden. Als Voorzitter van de Raad is Nederland daarom in contact met de Cypriotische autoriteiten en de Commissie over de behandeling van dit verzoek.
Deelt u de verbijstering dat een meerderheid van het Europees parlement het absurde initiatief om Turks toe te voegen als officiële EU-taal heeft gesteund?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om u klip en klaar uit te spreken tegen het initiatief om Turks toe te voegen als officiële EU-taal?
Zie antwoord vraag 2.
Begrijpt u dat het initiatief volstrekt misplaatst is gezien het feit dat Turkije allereerst geen lid is van de EU maar onder andere ook nog steeds de Koerden vervolgt, minderheden discrimineert en de persvrijheid (in binnen- en buitenland) maximaal aantast?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u garanderen dat er niet gezwicht wordt voor het initiatief om Turks te te voegen aan de lijst van officiële EU-talen, zeker nu u de EU afhankelijk hebt gemaakt van Turkse steun inzake de vluchtelingencrisis?
Zie antwoord vraag 2.
Niet meer internationaal bellen vanuit Venezuela |
|
André Bosman (VVD), Han ten Broeke (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geen international calls meer vanuit Venezuela»?1
Ja.
Is het waar dat de twee grootste providers van het land – het grootste buurland van het Koninkrijk – de mogelijkheid om internationaal te bellen hebben afgesloten? Klopt het ook dat de reden daarvoor is dat de providers de rekeningen van buitenlandse providers niet meer kunnen betalen? Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja, de providers Digitel en Movistar beschikken niet over voldoende deviezen om die betalingen te voldoen voor mobiel telefoneren. Telefoneren naar het buitenland met een vaste lijn is nog wel mogelijk. Dit is één van de gevolgen van de economische crisis in Venezuela, die op meer gebieden voelbaar wordt.
Klopt het dat het bezorgen van internationale post al eerder is stopgezet door het Venezolaanse staatspostbedrijf? Heeft de Venezolaanse bevolking nog wel andere mogelijkheden om internationaal te communiceren? Is het internet bijvoorbeeld nog wel beschikbaar, waardoor via online-diensten nog internationaal getelefoneerd en gecommuniceerd kan worden? Voor welk aandeel van de bevolking is dat geen werkbaar alternatief? Kunt u uw antwoord toelichten?
Privé postbedrijven zoals DHL en UPS bezorgen nog steeds vanuit en naar het buitenland. Internet is beschikbaar en de bevolking is zeer actief op sociale media, die belangrijk zijn voor communicatie en nieuwsvoorziening (het percentage van de bevolking dat Twittert, behoort in Venezuela tot een van de hoogste ter wereld). In de meer veraf gelegen rurale gebieden is de dekking van telefonie en internet beperkter, maar vindt ook minder communicatie met het buitenland plaats.
Wat betekent deze maatregel voor oppositiepartijen in Venezuela? Op welke wijze beperkt het de mogelijkheden en vrijheden om effectief te opereren voor deze partijen nog verder? Lopen zij hierdoor extra risico’s? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het niet internationaal mobiel kunnen telefoneren zal alle gebruikers daarvan – inclusief leden van de oppositiepartijen – in hun communicatie beperken, maar er zijn thans geen indicaties dat de oppositie daardoor grotere risico’s zou lopen. Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 2 is de maatregel genomen uit economische noodzaak en vooralsnog is niet gebleken van mogelijke samenhang met de wijze waarop de regering de oppositie tegemoet treedt.
Hoe beoordeelt u deze maatregel in het licht van de repressieve manier van optreden door het Venezolaanse regime? Ziet u hierin een voorbode van hard(er) ingrijpen door de regering?
Zie antwoord vraag 4.
Werken maatregelen als deze, die de bevolking steeds verder isoleren, volgens u als een katalysator voor (grootschalige) migratie, onder meer naar het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden? Bent u het ermee eens dat de risico’s hierop steeds verder toenemen? Op welke wijze anticipeert het kabinet daarop? Kunt u uw antwoord toelichten?
De regering monitort de ontwikkelingen in Venezuela nauw. De afgelopen maanden is sprake van een druppelsgewijze instroom van Venezolanen, in het bijzonder in Aruba en Curaçao. Aruba en Curaçao hebben, behorende bij de autonome bevoegdheden op dit terrein, diverse maatregelen getroffen om illegale migratie tegen te gaan. Zo vinden er verscherpte controles op de luchthavens plaats en zijn toelatingseisen aangescherpt. De inschatting van de regering is nog steeds dat de situatie in Venezuela niet zal leiden tot grootschalige migratie naar de Caribische landen van het Koninkrijk. De regering is zich bewust van de mogelijke gevolgen van elke vorm van migratie. De regering staat hierover in nauw contact met de Caribische delen van het Koninkrijk. Daar zijn ook Defensie en de Kustwacht in het Caribisch gebied bij betrokken. Uiteraard vindt er ook overleg plaats met Venezuela, om deze problematiek en de situatie in dit land aan de orde te stellen.
Het griffierecht voor onvermogenden en het recht op toegang tot het recht |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2016, waarin is geoordeeld dat het heffen van griffierecht bij personen die niet over inkomen of vermogen beschikken een ontoelaatbare belemmering van het recht op toegang tot de rechter oplevert?1
Ja.
Wat zijn de consequenties van dit arrest? Wat betekent dit bijvoorbeeld voor het heffen van griffierecht bij schuldenbewind?
De wijze waarop de Hoge Raad in dit arrest de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) uitlegt, sluit aan bij de wijze waarop de bepalingen over betaling van griffierecht in de Algemene wet bestuursrecht worden uitgelegd door de hoogste bestuursrechters. Dit arrest van de Hoge Raad heeft tot gevolg dat de rechter ook in civielrechtelijke procedures de rechtzoekende kan vrijstellen van betaling van griffierecht in geval van betalingsonmacht. Of daarvan sprake is in geval van een rechtzoekende op wie een schuldsaneringsregeling van toepassing is of die onder schuldenbewind staat, zal per individueel geval bezien moeten worden.
Wordt de afweging of iemand in staat is het griffierecht te voldoen wel steeds expliciet gemaakt of gebeurt dat pas als iemand verzet aantekent tegen het reeds betaalde griffierecht op grond van artikel 29 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken? Zo nee, hoe wordt dit dan wel steeds individueel beoordeeld?
Het stelsel van griffierechten gaat uit van vastgestelde bedragen voor verschillende categorieën rechtszoekenden. Er zijn verschillende tarieven voor niet-natuurlijke personen, natuurlijke personen en voor personen (of bedrijven) wier inkomen of vermogenspositie dusdanig is dat zij in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand en om die reden een lager bedrag aan griffierecht hoeven te betalen. Het uitgangspunt is dat deze griffierechten de toegang tot de rechter voor de verschillende categorieën rechtzoekenden niet beperkt. Een afweging of iemand individueel in staat is het verschuldigde griffierecht te voldoen vindt plaats als de betrokkene zich erop beroept het griffierecht niet te kunnen voldoen. De rechter moet de betrokkene dan in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht (artikel 127a, tweede en derde lid, artikel 128, zesde lid en artikel 282a, tweede tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De rechter kan vervolgens de gevolgen van het niet betalen van het griffierecht – het niet in behandeling nemen van de vordering, het verzoek of het verweer – geheel of ten dele buiten toepassing laten als hij van oordeel is dat dat, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat bij mensen die niet over inkomen en vermogen beschikken het recht op toegang tot het recht niet wordt gewaarborgd? Vindt u dat dit in voldoende mate is gegarandeerd, nu de Hoge Raad heeft moeten oordelen dat het heffen van griffierecht bij dit individu – die in een situatie verkeert die evident vaker voorkomt – in strijd komt met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)?
Naar mijn oordeel is de toegang tot het recht gewaarborgd, aangezien de Hoge Raad heeft geoordeeld dat er in dit geval sprake is van betalingsonmacht voor de Wgbz en dat daarom het tarief op nihil moet worden gesteld. De uitspraak van de Hoge Raad verschaft duidelijkheid voor de rechtbanken en hoven als zij te maken krijgen met vergelijkbare situaties.
Bent u bereid de mogelijkheden te bezien het tarief van het griffierecht voor onvermogenden generiek te verlagen, zodat er minder snel sprake zal zijn van een belemmering van het recht op toegang tot de rechter?
Ik zie geen heil in het generiek verlagen van het tarief van het griffierecht voor onvermogenden. De hoogte van de tarieven acht ik in het algemeen geen belemmering van de toegang tot de rechter en voor rechtzoekenden zonder enige vorm van inkomen of vermogen – zoals beschreven in het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad – zal verlaging van het tarief geen soelaas bieden.
Bent u bereid de mogelijkheden te bezien om in de wet expliciet een hardheidsclausule op te nemen, waarop mensen die niet over inkomen of vermogen beschikken zich kunnen beroepen, zodat zij niet op voorhand griffierecht verschuldigd zijn alvorens te kunnen procederen? Zo nee, hoe gaat u voorkomen dat mensen door moeten procederen tot de Hoge Raad, met alle (maatschappelijke) kosten van dien, om er voor te zorgen dat hun recht op toegang tot de rechter niet wordt geschonden?
Het expliciet opnemen van een hardheidsclausule is niet een route die mij voorstaat. Een rechtzoekende die niet over (voldoende) inkomen of vermogen beschikt, kan dit kenbaar maken aan de griffier of rechter in kwestie en in voorkomende gevallen zal dit leiden tot op nihil stellen van het vastgestelde bedrag aan griffierecht.
Een mogelijk referendum aangaande ‘TTIP’, zoals daartoe wordt opgeroepen en zoals daarover wordt geïnformeerd op de website https://ttip-referendum.nl |
|
Norbert Klein (Klein) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het initiatief om een handtekeningenactie te houden ten behoeve van een referendum over de handelsverdragen van de EU met de VS (TIPP) en met Canada (CETA)? Kent u de websites www.ttip-referendum.nl en de informatie zoals deze op het tabblad «achtergrond» op deze website te vinden is?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling, zoals deze op deze website te vinden is, dat de onderhandelingen «geheim» zijn? Zo nee, kunt u aangeven onder welke omstandigheden deze onderhandelingsronden plaatsvinden?
Zoals het kabinet op meerdere momenten heeft toegelicht, is transparantie in de onderhandelingen over het EU-VS handelsakkoord (TTIP) van groot belang. De Europese Commissie publiceert al veel informatie. Zo worden alle EU-tekstvoorstellen online gepubliceerd, nadat een eerste versie met de VS is gedeeld. Ook is er voor elk hoofdstuk een toelichting van de inhoud en inzet van de EU en zijn er verschillende factsheets met verdere verdieping. De Europese volksvertegenwoordigers noemen de TTIP-onderhandelingen de meest transparante onderhandelingen ooit (referentienummer: 20150224BKG25024). Wel dient te worden bedacht dat iedere vorm van onderhandeling, of dit nu handelsakkoorden betreft of cao-onderhandelingen, gepaard gaat met enige mate van vertrouwelijkheid gedurende het proces. TTIP is daarin niet anders.
Sinds 1 februari heeft Nederland een leesruimte bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken waarin leden van het nationale parlement de vertrouwelijke onderhandelingsdocumenten kunnen inzien van de onderhandelingen over TTIP. Het gaat hierbij om de geconsolideerde onderhandelingsteksten van hoofdstukken, waarvoor zowel de EU als de VS een tekstvoorstel hebben ingediend.
Acht u het logisch dat onderhandelingen achter gesloten deuren plaatsvinden om een goed onderhandelingsresultaat te (kunnen) verkrijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met de stelling, zoals deze op deze website te vinden is, dat er aangaande de totstandkoming van deze verdragen geen democratische controle plaatsvindt?
Het parlement wordt betrokken bij iedere discussie in de Raad over TTIP via geannoteerde agenda’s en verslagen van de Raad Buitenlandse Zaken Handel. De Tweede Kamer heeft in de afgelopen drie jaar meer dan 25 debatten met het kabinet gevoerd, waarbij TTIP aan de orde is gesteld. Ook het Europees parlement wordt gedurende het gehele onderhandelingsproces betrokken. Zo wordt het Europees parlement voor en na elke onderhandelingsronde geïnformeerd over de voortgang. Daarnaast hebben Nederlandse en Europese parlementariërs toegang tot alle EU-onderhandelingsdocumenten, waarvan de meeste inmiddels ook voor het publiek openbaar zijn, en tot alle geconsolideerde onderhandelingsteksten in de leesruimtes.
Indien de onderhandelingen succesvol kunnen worden afgerond, volgt de goedkeuringsprocedure. De bevoegdheidsverdeling en de goedkeuringsprocedure volgen uit het Verdrag van Lissabon, waarover het Nederlandse parlement in 2008 besloot. Voorlopige toepassing is gebruikelijk bij handelsverdragen. Het dient ter overbrugging van het ratificatieproces dat soms meerdere jaren in beslag neemt. Alleen de onderdelen van het verdrag waarvan tussen de Commissie, de Raad en lidstaten wordt vastgesteld dat die onder de bevoegdheid van de EU vallen, komen in aanmerking voor voorlopige toepassing. Voor een volledige beschrijving van de goedkeuringsprocedure verwijst het kabinet naar de Kamerbrief van 15 januari 2016 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1572). Daarnaast heeft uw Kamer op 28 april jl. een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht een parlementair voorbehoud te maken indien de Europese Commissie met een voorstel komt voor de voorlopige toepassing van CETA en dat voorstel eerst voor te leggen aan de Kamer alvorens hierover een standpunt in te nemen (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1615).
Klopt de bewering, zoals deze op deze website te vinden is, dat zelfs de door ons gekozen volksvertegenwoordigers in Den Haag en Brussel maar beperkt toegang krijgen tot de onderhandelingen?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt de bewering, zoals deze op de betreffende website te vinden is, dat het Europees parlement en de Tweede Kamer vervolgens alleen «ja» of «nee» mogen zeggen tegen het eindresultaat en dat het voorstel niet mag worden aangepast?
Tijdens de onderhandelingen kunnen het Europees parlement en de Tweede Kamer invloed uitoefenen op de onderhandelingen. Zo heeft het Europees parlement bijvoorbeeld op 8 juli 2015 een resolutie aangenomen met daarin voorwaarden voor een uiteindelijk akkoord. Tijdens de verschillende debatten heeft de Tweede Kamer ook moties aangenomen met belangrijke voorwaarden, zoals de bescherming van privacy en het behoud van EU-standaarden. Het Europees parlement en het Nederlandse parlement kunnen het verdrag niet aanpassen, maar wel goed- of afkeuren.
Deelt u de bewering op de betreffende website dat TTIP wetgeving tussen de EU en de VS op grote schaal gelijk wil trekken, waardoor de ruimte voor ons als Nederland om zelf democratische besluiten te nemen ernstig beperkt wordt?
Samenwerking op gebied van regelgeving (regulatory cooperation) is één van de beoogde onderdelen van TTIP. Deze samenwerking kan veel voordelen opleveren door het tijdig voorkomen van onnodige handelsbelemmeringen. Dit kan onder meer gaan om transparantie, delen van onderzoek, erkennen van inspecties en meer overleg tussen regelgevende instanties. Dat betekent niet dat de EU en de VS elkaars standaarden moeten overnemen. Alleen op terreinen waar de EU en de VS meerwaarde zien in samenwerking worden er afspraken gemaakt, die vervolgens via de gebruikelijke democratische besluitvormingsprocedures in de EU en de VS in de praktijk gebracht moeten worden. Dit is een manier om onze regulerende instanties te helpen om effectiever en efficiënter het publieke belang te beschermen. Meer informatie hierover is te vinden op de website van de Europese Commissie en in een apart boekje dat per hoofdstuk de doelstellingen toelicht.2, 3
Uiteraard zijn aan deze samenwerking randvoorwaarden gesteld, zoals onder meer beschreven in de Kamerbrief met het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken Handel op 7 mei 2015 (Kamerstuk 21 501-02-1499). Zo mag een instantie die de samenwerking faciliteert enkel een adviesrecht hebben, mogen Europese en nationale democratische procedures niet doorkruist worden en moeten alle belanghebbenden gelijkwaardig een inbreng kunnen hebben. De Europese Commissie erkent deze voorwaarden en gaf aan op precies dezelfde lijn te zitten. De beleidsruimte om mens, dier, plant en milieu te beschermen blijft dus onaangetast door TTIP.
Wordt door TTIP niet alleen huidige maar ook toekomstige wet- en regelgeving tussen de EU en de VS zoveel mogelijk gelijk getrokken? Zo ja, zullen hiervoor uws inziens nieuwe, ongekozen, bureaucratische overlegorganen in het leven worden geroepen?
Zie antwoord vraag 7.
Is het vervolgens de bedoeling, zoals op de betreffende website te lezen valt, dat nieuwe wetgeving door een «regulatory cooperation» achter gesloten deuren en in consultatie met het bedrijfsleven zal worden opgesteld? Zo nee, kunt u dan aangeven wat een «regulatory cooperation» dan zal doen volgens u?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven waar de bewering, zoal deze op de betreffende website te vinden is, volgens u op is gebaseerd, dat TTIP buitenlandse bedrijven in staat stelt om via geheime arbitragehoven enorme schadevergoedingen te eisen van de Nederlandse overheid, wanneer die democratisch tot stand gekomen beleid wil doorvoeren, dat mogelijk een negatief effect zal hebben op de winsten en investeringen van de bedrijven in kwestie?
In investeringsverdragen of een investeringshoofdstuk in handelsverdragen worden basisregels voor de behandeling van buitenlandse investeerders en hun investeringen opgenomen, zoals wij die ook onder het nationale recht kennen. Deze basisregels zien toe op een eerlijke en billijke behandeling van buitenlandse investeerders, non-discriminatoire behandeling, het onbeperkt overmaken van kapitaal en het stellen van voorwaarden op basis waarvan onteigend mag worden. Mogelijke betaling van compensatie zal alleen van toepassing zijn indien er sprake is van schending van die standaarden en de staat derhalve onjuist heeft gehandeld. Zoals aangegeven in de Kamervraagbeantwoording van 4 maart 2016 (Kamerstuk ah-tk-20152016–1760) wordt in het EU-voorstel voor TTIP expliciet opgenomen dat de beleidsruimte van staten ter behartiging van publieke belangen gewaarborgd is.
Moet hierbij volgens u gedacht worden aan boetes als gevolg van verscherpte consumentenbescherming, milieuwetgeving of verbeterde arbeidsvoorwaarden? Mochten deze boetes oplopen tot miljarden euro’s, zullen volgens u de belastingbetalers daar dan voor opdraaien? Hoe denkt u dit gevolg te voorkomen?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat het CETA-verdrag al klaar en openbaar is? Zo ja, wanneer treedt dit verdrag in werking?
In 2014 hebben de EU en Canada overeenstemming bereikt over een onderhandelingstekst. Deze is hierna direct openbaar gemaakt. Na de juridische revisie, afgerond in 2016, is ook de gereviseerde tekst direct openbaar gemaakt. Het verdrag treedt pas in werking als alle stappen in het totstandkomingsproces zijn doorlopen. Dat betekent dat in de Raad in ieder geval overeenstemming bereikt moet worden over ondertekening en sluiting van het akkoord. Als het CETA- akkoord conform de inzet van het kabinet een gemengd akkoord wordt, zullen ook nationale parlementen hun nationale ratificatieprocedures moeten doorlopen.
Kunnen de verdragen TIPP en CETA onderwerp van een Nederlands referendum zijn? Zo ja, welke argumenten kunt u hiervoor aandragen en op welk termijn zou een dergelijke referendum mogelijk zijn? Zo nee, hoe beoordeelt u de oproep op de website om voor een referendum met betrekking tot TTIP en CETA te tekenen?
Indien CETA en TTIP in lijn met de inzet van het kabinet als gemengde akkoorden worden behandeld, worden deze akkoorden onder de Wet Raadgevend Referendum referendabel. Over de termijn waarop een referendum kan worden aangevraagd, valt nu nog niks te zeggen. In het geval van CETA hangt dit af van het tempo waarin de nationale ratificatieprocedure wordt doorlopen. Met betrekking tot TTIP moeten eerst de onderhandelingen nog worden afgerond.
Het kabinet gaat niet over de vraag of er een referendum moet komen. Dit is aan de Nederlandse bevolking.
Het uitbesteden van militaire taken |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de taken die Defensie heeft uitbesteed bij deelname aan de missie in Mali (MINUSMA), inclusief vermelding van de private partijen waarmee Defensie daartoe samenwerkt?
Kunt u een overzicht geven van de taken die Defensie heeft uitbesteed bij deelname aan de missie in Irak en Oost-Syrië ter bestrijding van ISIS en trainen van de Peshmerga, inclusief vermelding van de private partijen waarmee Defensie daartoe samenwerkt?
Kunt u een overzicht geven van de taken die Defensie heeft uitbesteed bij deelname aan de missie in Afghanistan (Resolute Support), inclusief vermelding van de private partijen waarmee Defensie daartoe samenwerkt?
Kunt u een overzicht geven van de taken die Defensie heeft uitbesteed bij deelname aan de missies in Somalië (Atalanta, EUTMS), inclusief vermelding van de private partijen waarmee Defensie daartoe samenwerkt?
Het bericht ‘Natuurlijk mislukt het inburgeringsbeleid, dat hadden we kunnen weten’ |
|
Norbert Klein (Klein) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Natuurlijk mislukt het inburgeringsbeleid, dat hadden we kunnen weten»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de conclusies van het onderzoek dat de houdbaarheid van de aannames achter de Wet inburgering 2013 al op voorhand discutabel zijn en het maar zeer de vraag is of de verplichte eigen verantwoordelijkheid bijdraagt aan een succesvolle en snelle integratie?
Ik deel de conclusie van het onderzoek niet dat de houdbaarheid van de aannames achter de Wet inburgering 2013 al op voorhand discutabel zijn en het maar zeer de vraag is of de verplichte eigen verantwoordelijkheid bijdraagt aan een succesvolle en snelle integratie. De Wet inburgering 2013 beoogt de eigen verantwoordelijkheid van vreemdelingen voor de inburgering te versterken. Hiermee is uitvoering gegeven aan het voornemen in het Regeerakkoord 2010 en aan de voorgenomen uitwerking daarvan in de integratienota «Integratie, binding en burgerschap» van 16 juni 20112. Daarnaast is met de Wet inburgering 2013 uitvoering gegeven aan een in de Rijksbegroting van 2011 opgenomen bezuiniging. Zoals ik in mijn brief van 7 september 20153 betreffende de beleidsdoorlichting van artikel 13 heb aangegeven kunnen de eerste voorzichtige uitspraken over het effect van inburgering op participatie op zijn vroegst pas eind 2017 worden gedaan. Reden hiervoor is dat, om een statistisch verantwoorde uitspraak te doen over het effect van het gewijzigde inburgeringsbeleid op participatie, gekeken moet worden naar de participatie van een grote representatieve groep geslaagde inburgeraars.
Zijn de houdbaarheid en aannames achter de Wet inburgering 2013 van tevoren getoetst? Zo ja, aan de hand van welke literatuur, theorieën of onderzoek?
De Raad van State brengt advies uit over alle concept-wetsvoorstellen. Het beoordelen van de beleidstheorie maakt onderdeel uit van het toetsingskader dat hiervoor wordt gebruikt.
Over het concept van dit wetsvoorstel zijn adviezen en commentaren ontvangen van het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal), de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ), de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG), het Landelijk Overleg Minderheden (LOM), Boaborea (de brancheorganisatie voor private reïntegratiebe-drijven), de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO), de MBO-Raad, KCE (Kwaliteitscentrum examinering), de Stichting Blik op Werk, de Raad voor de financiële verhoudingen en de Raad voor de rechtspraak. De adviezen en commentaren hebben bijgedragen aan aanvullingen en verbeteringen in het wetsvoorstel.
Heeft u eerder beleid rond inburgering geëvalueerd? Wat zijn hiervan de resultaten?
Ja, u kunt de evaluatierapporten «»Inburgering in Nederland»» van Significant (2010) en «»Inburgering en Participatie»» van Regioplan (2013) vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2010/08/12/voortgang-inburgering-2010-en-evaluatierapport-inburgering-in-nederland en https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2013/09/09/inburgering-en-participatie.
Voor de samenvatting van de resultaten van beide onderzoeken verwijs ik naar de brief van de Minister van BZK van 13 december 2010 over dit onderwerp4, respectievelijk mijn brief van 9 september 20135.
Heeft u bij het vormgeven van het huidige beleid rekening gehouden met succes- en faalfactoren van eerder beleid? Zo ja, waar blijkt dit uit?
Op basis van de eerder opgedane ervaringen is bij het huidige beleid nadrukkelijk aandacht besteed aan tijdige informatievoorziening richting de inburgeringsplichtigen, is het examen aangepast zodat het ook haalbaar is voor mensen die zich met minder of geen begeleiding willen voorbereiden en is een sociaal leenstelsel opgezet voor degenen die over onvoldoende middelen beschikken om hun inburgering te bekostigen.
Voor degenen die een alfabetiseringscursus volgen, is voorzien in een verlengde inburgeringstermijn en voor degenen die redelijkerwijs niet aan de inburgeringsplicht kunnen voldoen, is de mogelijkheid van ontheffing geregeld. Asielgerechtigden krijgen extra ondersteuning in de vorm van maatschappelijke begeleiding. Ook is aandacht besteed aan het waarborgen van een voldoende aanbod van gekwalificeerde cursussen voor analfabeten, laag-, midden- en hoogopgeleiden.
In hoeverre is het huidige inburgeringsbeleid het resultaat van een bezuinigingsopdracht, zonder rekening te houden met de verwachte resultaten van beleid?
Zie antwoord vraag 2.
Geven de cijfers die afgelopen januari bekend werden, waarin nog geen 10 procent van de geschatte inburgeringsplichtigen sinds 1 januari 2013 heeft meegedaan aan een inburgeringsexamen, aanleiding het beleid te herzien? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
De cijfers waar u aan refereert zijn van 22 januari 2015. Nieuwkomers hebben 3 jaar de tijd om het inburgeringsexamen te halen. Deze periode kunnen de nieuwkomers gebruiken om de Nederlandse taal te leren en kennis op te doen over de Nederlandse samenleving. Bij nieuwkomers voor wie de periode van drie jaar nog niet is verstreken, mag logischerwijs een lager deelnamepercentage aan het inburgeringsexamen verwacht worden dan voor nieuwkomers voor wie de drie jaar wel verstreken zijn.
Van deze laatste groep (ingestroomd in het eerste kwartaal 2013) heeft per 1 mei 2016 51% het inburgeringsexamen gehaald, dan wel een ontheffing gekregen voor de inburgeringsplicht. Van de groep die nog niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, heeft 70% deelgenomen aan een cursus en 42% deelgenomen aan een examen.
De cijfers zijn overigens voorlopig, en kunnen wijzigen als blijkt dat inburgeraars een verlenging van hun termijn krijgen omdat zij niet verwijtbaar zijn voor de termijnoverschrijding. Voor maatregelen omtrent het verbeteren van de resultaten bij de huidige groep inburgeraars verwijs ik u naar mijn brief van 20 april jl.6
Het tegen de wil van de bevolking in doordrukken van een Asielzoekerscentrum (AZC) in Witmarsum |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom drukt u in Witmarsum de komst van een AZC voor 200 asielzoekers door terwijl de inwoners van dit dorp dit niet willen?1
Ik vind het essentieel dat er maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak is voor de opvang van asielzoekers en het huisvesten van vergunninghouders. Het COA vestigt alleen een asielzoekerscentrum in overleg en in overeenstemming met de gemeente. Het gemeentebestuur besluit over de komst van een asielzoekerscentrum. Het is aan dit bestuur om te bepalen op welke wijze het daarbij de burgers betrekt. In de praktijk zie ik dat veel gemeenten een inspraak- of informatieavond organiseren voorafgaand aan de besluitvorming. Ook zie ik dat gemeenten zich inspannen om omwonenden goed voor te lichten.
Vanzelfsprekend steun ik vanuit mijn verantwoordelijkheid elk gemeentebestuur en elke gemeenteraad die bereid zijn bij te dragen aan het realiseren van voldoende opvangplekken. We hebben in Nederland ruime ervaring met opvang van asielzoekers en in het overgrote deel van de gevallen verloopt dit goed. Dit geldt voor opvang van allerlei omvang in een grote diversiteit aan gemeenten. Het is aan de gemeente en de lokale gemeenschap om te bepalen op welke manier opvang in die gemeente het beste kan worden vormgegeven. Daarbij, om in uw woorden te blijven, druk ik niks door en houd ik niks tegen. Ook in de door u genoemde plaats zal ik geen van beide doen.
Wat is uw stelling waard dat er maatschappelijk draagvlak voor asielopvang moet zijn nu een enquête in genoemd dorp, waaraan 90% van de bewoners heeft deelgenomen, als uitkomst heeft dat men geen opvang voor 200 asielzoekers wil in het oude klooster van het dorp?2
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid alsnog naar de inwoners van Witmarsum te luisteren en de komst van genoemd AZC tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de Nederlandse grenzen voor alle asielzoekers te sluiten zodat asielzoekers niet in Nederland maar bij voorbeeld in de rijke Arabische golfstaten worden opgevangen? Zo nee, waarom niet?
Opvang in de regio is voor het kabinet een belangrijk uitgangspunt. Dat is ook waarom het kabinet in grote mate (financieel) bijdraagt aan de opvang van vluchtelingen in de regio's van herkomst. Dat neemt niet weg dat Nederland op grond van internationale verplichtingen gehouden is om bescherming te bieden aan die asielzoekers die bescherming tegen vervolging of onmenselijk behandeling behoeven.
Het bericht ‘Vogelmarkten moeten stoppen’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vogelmarkten moeten stoppen» en de bijbehorende petitie?1
Ja.
Onderschrijft u dat het bijeenbrengen van grote hoeveelheden vogels op markten een groot risico vormt voor de verspreiding van dierziekten en zoönosen?
Aan het bijeenbrengen van grote aantallen dieren, vogels vormen daarop geen uitzondering, is altijd een zeker risico op verspreiding van dierziektes verbonden. De organisator dient er voor te zorgen dat er een veterinaire gezondheidscontrole plaatsvindt voordat de dieren worden toegelaten. Hij mag geen dieren toelaten die ziek zijn of verdacht zijn van een besmettelijke ziekte. Bovendien zijn organisatoren van evenementen ook gehouden aan de Hygiënerichtlijn voor Evenementen van het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid van het RIVM.
Wat is de rationale achter het feit dat andere dierenmarkten, bijvoorbeeld voor varkens, verboden zijn maar markten voor vogels niet? Welke markten zijn wel en welke zijn niet toegestaan? Kunt u uw visie op markten met dieren uiteenzetten?
Dierenmarkten voor evenhoevigen, zoals koeien, varkens en schapen, zijn verboden. Markten voor pluimvee, loopvogels of postduiven zijn eveneens verboden. De achtergrond van deze verboden ligt bij de grote risico’s ten aanzien van zeer besmettelijke dierziekten zoals varkenspest, vogelgriep en mond- en klauwzeer. Paardenmarkten in hun huidige vorm zijn op dit moment toegestaan. Hierover verwijs ik u graag naar Aanhangsel handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2404. Markten met gezelschapsdieren zijn sinds 1 juli 2014 geregeld in het Besluit houders van dieren. Gekozen is om handel op tentoonstellingen, beurzen en markten te reguleren. In het besluit zijn bepalingen opgenomen over aanmelden, vakbekwaamheid, huisvesting, verzorging en de gezondheid van de dieren.
Kunt u reageren op de uitspraak van vogelexpert Jan Hooijmeijer dat op elke vogelmarkt vogels aanwezig zijn met papegaaiziekte, een voor de mens besmettelijke ziekte?
De organisator van vogelmarkten moet op grond van het Besluit houders van dieren de vogelmarkt (of tentoonstelling of beurs) aanmelden bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA verricht alleen veterinaire inspecties bij vogelmarkten als er een dierziekte gemeld wordt. In 2015 zijn 210 vogel- en sierpluimveetentoonstellingen aangemeld. De NVWA traceert op verzoek van de GGD bij humane ziektegevallen van de meldingsplichtige zoönose psittacose (papegaaienziekte) de herkomst van de vogels. Vanaf 1 januari 2015 zijn 60 bevestigde diagnoses over heel Nederland gemeld bij de NVWA. Niet in alle gevallen kon de bron van de ziekte vastgesteld worden. Eén humaan ziektegeval is terug te voeren op een grote vogeltentoonstelling vorig jaar. Deze vogel is met de andere vogels van dezelfde fokker van de show verwijderd. De vogels die mogelijk contact gehad konden hebben, zijn met antibiotica behandeld. De GGD is geïnformeerd en het personeel is geïnformeerd over de risico’s. Er zijn voor zover bekend verder geen zieke personen geweest.
Kunt u reageren op het feit dat vogelexpert Jan Hooijmeijer verschillende duidelijk zieke vogels heeft aangetroffen op de betreffende vogelmarkt?
Op dit soort omvangrijke evenementen is het niet uit te sluiten dat er toch dieren ziek blijken te zijn of ziek worden. Zie verder mijn antwoord op vraag 2 en 4.
Hoeveel controle (fte/ uren) op illegale handel in (tropische) vogels is er op dergelijke markten?
Bij de NVWA werken op dit moment ruim 20 inspecteurs bij het landelijk team Natuur, dat belast is met controle en handhaving op het gebied van de natuurwetgeving. Dit team voert ook inspecties uit op vogelmarkten. Voor de controle op vogelmarkten is geen specifiek budget geoormerkt. De NVWA controleert met enige regelmaat beurzen, vogelmarkten en tentoonstellingen op de legaliteit van de aanwezige vogels. Zo hebben de NVWA en de politie op zaterdag 20 februari jl. nog 4 vogels in beslag genomen op de vogelmarkt in Zwolle.
De eigenaren konden niet aantonen dat ze de vogels legaal hadden verkregen. De NVWA heeft proces-verbaal opgemaakt tegen twee verdachten. Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2082.
Wat vindt u ervan dat beschermde vogels als de kleine geelkuifkaketoe en de Japanse nachtegaal zijn aangetroffen?
De kleine geelkuifkaketoe en de Japanse nachtegaal zijn opgenomen op respectievelijk bijlage A en bijlage B van de CITES-verordening. Ter uitvoering van de CITES-verordening2 zijn in de Flora- en faunawet regels opgenomen over het verhandelen en het binnenbrengen, in- en uitvoeren uit landen van de Europese Unie van deze vogels. Overigens is de invoer van vogels uit verschillende landen niet mogelijk vanwege het risico op insleep van vogelgriep. Op grond van artikel 13, eerste lid van de Flora- en faunawet is bovendien het onder zich hebben van deze vogels verboden. Er gelden vrijstellingen van dit verbod als vogels aantoonbaar zijn gefokt, voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of aantoonbaar legaal in Nederland zijn gebracht. Indien aan deze regelgeving is voldaan, is er vanuit het oogpunt van natuurbescherming geen bezwaar tegen de verkoop van deze vogels.
Welke inschattingen van experts zijn er over de mate van illegale dierenhandel die op dergelijke vogelmarkten plaatsvindt?
Een schatting van de mate van illegale dierenhandel door experts is niet beschikbaar. Een dergelijk schatting is moeilijk te maken omdat illegale handel zich immers aan het zicht van de overheid probeert te onttrekken.
Welke regelgeving en vergunningverlening is er voor offline danwel online verkopers van vogels?
De wet kent geen verschil tussen offline en online verkopers van vogels. Voor houders, die bedrijfsmatige handelingen met vogels verrichten, is hoofdstuk 3.2 van het Besluit houders van dieren van toepassing. Onder bedrijfsmatige handelingen vallen verkopen, ten verkoop in voorraad houden, afleveren, houden ten behoeve van opvang of fokken ten behoeve van verkoop of aflevering van nakomelingen.
Er is geen vergunning noodzakelijk; wel moet de organisator van een markt, beurs of tentoonstelling het evenement aanmelden bij de Minister van Economische Zaken. Voor het verhandelen van beschermde vogels zijn in een aantal gevallen CITES-documenten vereist. Zie verder mijn antwoord op vraag 7.
Klopt het dat in Nederland de grootste vogelmarkten van Europa zijn?
Ja, de Nederlandse vogelmarkten behoren tot de grootste van Europa.
Hoeveel zicht is er op de transacties op dergelijke markten en de mate van zwarte of grijze handel?
Er is geen zicht op het aantal transacties. Zie ook mijn antwoord op vraag 8.
Vindt u het aanvaardbaar dat vogels vervoerd worden in lopertjes (platte bakken)?
Ten algemene is in de Wet dieren bepaald hoe met dieren omgegaan dient te worden. In besluiten en regelingen gebaseerd op die wet wordt dit verder ingevuld. Concreet voor het vervoeren van vogels bestaat geen regelgeving. Of de wijze van transport aanvaardbaar is, dient aan de algemene bepalingen van de wet getoetst te worden.
Vindt u het met het oog op dierenwelzijn aanvaardbaar dat de vogels in kleine hokjes in een hectische omgeving worden gehouden?
In de toelichting van het Besluit houders van dieren wordt het rapport Ongeriefanalyse (juli 2010 Wageningen UR, Universiteit Utrecht) aangehaald, waarin het aanwezig zijn op evenementen voor dieren als bron van stress wordt genoemd. Ook het transport van en naar evenementen is stressvol voor veel dieren. Naar aanleiding daarvan zijn aan het organiseren en houden van tentoonstellingen, beurzen en markten voorwaarden verbonden en is handel niet zonder meer toegestaan. Eén van deze voorwaarden is het bieden van geschikte huisvesting. Als aan de voorwaarden is voldaan, wordt handel en verkoop aldaar toelaatbaar geacht.
Bent u bereid een verbod op dergelijke vogelmarkten af te kondigen met het oog op zoönose, illegale handel en dierenwelzijn? Zo nee, welke maatregelen bent u wel bereid te nemen met het oog op dierenwelzijn, illegale handel en zoönose?
Zie mijn antwoord op de vragen 3, 4, 12 en 13. Ik overweeg geen verbod op dergelijke evenementen vanwege genoemde argumenten. Wel zal ik de NVWA vragen om bij dergelijke evenementen nadrukkelijk aandacht te besteden aan zowel eventuele illegale handel als welzijnsaspecten. Ten behoeve van een risicogebaseerde benadering kunnen hiertoe signalen uit het veld worden betrokken.
Wilt u deze vragen vóór het Algemeen overleg Dierziekten (exacte datum nog niet bekend) beantwoorden?
Ja.
Aardbevingsbestendige normen in Groningen |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u inzicht geven in de voortgang bij het vaststellen van normen voor aardbevingsbestendige nieuwbouw, verbouw en preventieve versterking van bedrijfsgebouwen, industriële installaties, infrastructuur en overige bouwwerken?
Het kabinet heeft in november 2015 de te hanteren veiligheidsnorm voor geïnduceerde aardbevingen vastgesteld op een individueel risico van 10-5 per jaar voor nieuwe en bestaande bebouwing, met een afkeurnorm van 10-4per jaar. Gebouwen met een veiligheidsrisico tussen 10-4 en 10-5 per jaar moeten binnen een periode van vijf jaar op norm worden gebracht. Het veiligheidsniveau van de inwoners van Groningen is hiermee hetzelfde als dat van mensen elders in Nederland.
Industriële installaties, waterkeringen en overige infrastructurele werken hebben uiteenlopende veiligheidsnormen. Zo geldt voor de omgevingsveiligheid van bedrijven met een risico op het vrijkomen van gevaarlijke stoffen een basisbeschermingsniveau van tenminste 10-6, voor zowel de risico’s van de bedrijven (brand, explosie, gifwolk) als voor de ruimtelijke planning (kwetsbare bestemmingen) rond die bedrijven. Het bestaande veiligheidsniveau mag niet worden aangetast door de aardbevingen. In het waterveiligheidsbeleid is het doel om iedereen die in Nederland achter een primaire waterkering woont uiterlijk in 2050 een beschermingsniveau te bieden van ten minste 10-5 per jaar. Dit doel wordt gerealiseerd door normen vast te stellen voor de primaire waterkeringen. Voor andere soorten infrastructuur geldt geen norm voor individueel risico, hoewel er natuurlijk wel technische voorschriften zijn voor de vereiste constructieve sterkte.
Hoe zorgt u ervoor dat op de kortst mogelijke termijn normen voor aardbevingsbestendige nieuwbouw, verbouw en preventieve versterking van bedrijfsgebouwen, industriële installaties, infrastructuur en overige bouwwerken worden vastgesteld?
Het omzetten van de veiligheidsnorm voor het individueel aardbevingsrisico in technische richtlijnen of constructienormen is volop gaande. Voor gebouwen is de veiligheidsnorm in 2015 vertaald in de Nederlandse praktijkrichtlijn voor aardbevingsbestendig bouwen (NPR). Hiermee hebben nieuwbouwwoningen in Groningen dezelfde constructieve veiligheid, inclusief aardbevingsrisico, als het geval is bij nieuwbouwwoningen elders in het land.
De bestaande normen en technische voorschriften voor industriële installaties, waterkeringen en overige infrastructurele werken houden nog geen rekening met aardbevingsrisico’s. Daarom wordt met voortvarendheid in ieder van deze domeinen bekeken wat de beste manier is om rekening te houden met aardbevingsrisico’s. Inpassing van dit risico in de bestaande methodieken blijkt echter te leiden tot zeer complexe rekenkundige opgaven. Daarom ontwikkelt een werkgroep op verzoek van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) parallel een praktische aanpak voor de aanbeveling van de Commissie Meijdam.
De Commissie Meijdam heeft een benadering voorgesteld met als uitgangspunt dat aardbevingen geen extra risico mogen betekenen voor de chemische industrie en vitale infrastructuur zoals primaire zeeweringen, en daarbij als ijkpunt genoemd dat deze redelijkerwijs bestand moeten zijn tegen een aardbeving in het kerngebied van 5 op de schaal van Richter en de daarbij horende verdeling van grondversnellingen (PGA-waarden). Uit een toets op constructieve veiligheid moet vervolgens blijken of de omgevingsveiligheid gelijk blijft en zo niet, dan is versterking geboden. Aan uw Kamer is een reactie toegezegd op deze nog open staande aanbeveling. Deze verwacht ik in het najaar van 2016 te kunnen geven. Intussen lopen de onderzoeken bij ruim 40 BRZO-bedrijven door, volgens een methode die ontwikkeld is door Deltares en TNO.
Op het gebied van infrastructuur is er al het nodige gebeurd en lopen er nog diverse acties. Zo is de aardbevingsbestendigheid van hogedrukgasleidingen en van hoogspanningslijnen onderzocht en waar nodig verbeterd. Verder is er het afgelopen jaar veel kennis opgedaan ten behoeve van de versterking van de primaire zeedijk tussen Eemshaven en Delfzijl. Een ander voorbeeld is de ombouw van de Zuidelijke Ringweg, waarvoor Rijkswaterstaat een addendum heeft opgesteld voor de Richtlijnen Ontwerp Kunstwerken over hoe technisch wordt omgegaan met de aardbevingsopgave. Voor waterkeringen en andere infrastructuur loopt een proces om uitgangspunten te bepalen voor aardbevingsbestendig bouwen en versterken. Ervaring opdoen met reeds lopende projecten is daarbij essentieel. Met een inventarisatie wordt bepaald of schadeherstel en/of versterking van het huidige areaal nodig is. Daarmee wordt met landelijke en regionale infrabeheerders praktische kennis opgedaan en wordt bepaald of extra eisen voor de bouw van infrastructuur moeten worden ontwikkeld. Naar verwachting ontstaat hierover in de loop van 2016 meer duidelijkheid.
Kennisontwikkeling is noodzakelijk, ook om te zorgen voor een goede balans tussen de maatgevende aardbevingsbelasting en de daarop te baseren constructieve eisen. Mochten ondertussen constructies of constructieonderdelen in beeld komen die evident versterking nodig hebben, dan zullen die met voorrang en op maat worden aangepakt in overleg met de infrabeheerders en de NCG.
Kunt u aangeven hoe u ervoor zorgt dat voortgang wordt gemaakt in de werk- en stuurgroep industrie zodat aardbevingsbestendige normen voor de industrie er daadwerkelijk komen?
De in het antwoord op vraag 2 genoemde aanbeveling van de commissie Meijdam ten aanzien van de chemische industrie en vitale infrastructuur wordt momenteel uitgewerkt door een werkgroep die ook enkele leden van deze voormalige commissie bevat. Het advies van de werkgroep zal in overleg met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu worden getoetst aan de regelgeving voor bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (BRZO). In overleg met Deltares wordt bezien hoe de verwachte nieuwe inzichten zo snel mogelijk verwerkt kunnen worden in het lopende onderzoek bij BRZO-bedrijven.
Hoe zorgt u ervoor dat het vaststellen van de aardbevingsbestendigheid gebeurt met een eenduidige werkwijze gebaseerd op duidelijk omschreven aardbevingsbelastingen en de meest recente gegevens over te verwachten aardbevingen?
Het Nederlandse risicobeleid wordt ontwikkeld en vastgesteld per domein, zoals externe veiligheid, verkeersveiligheid, waterveiligheid of constructieve veiligheid. Bij ieder van die domeinen moet in Groningen tevens rekening worden gehouden met het betrekkelijk nieuwe risico van geïnduceerde aardbevingen. Hierbij kunnen er verschillen tussen die domeinen optreden, ook op het vlak van de sectorale regelgeving. Niettemin is het wenselijk dat er waar mogelijk gemeenschappelijke uitgangspunten worden gehanteerd. Een rode draad bij het omgaan met aardbevingsrisico’s is de veiligheidsnorm voor individueel aardbevingsrisico. Zoals gezegd heeft het kabinet die bepaald op 10-5, oftewel een individuele kans op overlijden die niet groter is dan eens per 100.000 jaar. Dit betekent dat voor Groningen deze risiconorm gehaald moet worden ongeacht het aardbevingsrisico.
Ook op andere terreinen, zoals externe veiligheid, is het uitgangspunt dat het bestaande veiligheidsniveau niet mag worden aangetast door de aardbevingen.
Dit vormt de basis voor het versterkingsprogramma.
Het bericht dat de Dopingautoriteit opheldering wil van NOC*NSF over bloedtesten |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dopingautoriteit wil opheldering van NOC*NSF over bloedtesten»?1
Ja.
Deelt u de mening dat bij NOC*NSF het belang van een dopingvrije sport voorop zou moeten staan, ook als het gaat om gezondheidsonderzoeken bij sporters? Zo ja, dient het monitoringprogramma van NOC*NSF dat belang en zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, waarom niet?
NOC*NSF streeft naar en hecht groot belang aan een dopingvrije sport. Het sportmedisch onderzoek is echter niet gericht op het opsporen van dopinggebruik en is daar ook niet geschikt voor. Het sportmedisch onderzoek heeft als doel de medische begeleiding van sporters en is derhalve gericht op hun gezondheid.
De onafhankelijke en strak geprotocolleerde dopingcontroles van de Dopingautoriteit zijn gericht op het opsporen van dopinggebruik.
Kunnen medische gegevens die met het monitoringprogramma verzameld worden, waaronder gegevens uit bloedonderzoek, ook gebruikt worden voor het opsporen van doping? Zo ja, doet NOC*NSF dat ook? En zo ja, moet NOC*NSF op grond van wet- of regelgeving eventuele gegevens over dopinggebruik delen met de Nederlandse Dopingautoriteit? Zo nee, waarom niet?
Er is geconstateerd dat een deel van de medische gegevens die worden verzameld bij de sportmedische begeleiding van sporters zou kunnen bijdragen aan het opsporen van dopinggebruik. Het opsporen van dopinggebruik is echter niet het doel van de sportmedische begeleiding van sporters en NOC*NSF gebruikt de gegevens daar dan ook niet voor.
Er is geen wetgeving die NOC*NSF verplicht verzamelde gegevens die kunnen wijzen op dopinggebruik te delen met de Dopingautoriteit. Het Nationaal Dopingreglement verplicht sportbonden informatie over (mogelijk) dopinggebruik te delen met de Dopingautoriteit. Hoewel het in de geest van het reglement zou zijn als NOC*NSF ook dit soort gegevens zou delen, is zij daar echter niet toe verplicht omdat zij geen partij is bij het Nationaal Dopingreglement.
NOC*NSF en de Dopingautoriteit gaan in overleg om te bepalen waar de sportmedische begeleiding van sporters mogelijk raakt aan het opsporen van dopinggebruik. Op basis daarvan zullen zij afspraken maken hoe met deze gegevens zal worden omgegaan, waarbij eventuele verstrekking van gegevens uiteraard moet plaatsvinden binnen de kaders van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.
Gebruikt NOC*NSF de bloedgegevens voor het berekenen van de zogenaamde off-score? Zo ja, kan die score gebruikt worden als aanwijzing voor epo of een bloedtransfusie? Zo ja, waar kan die score nog meer gebruikt voor worden?
Ja, de zogenaamde off-score staat op de lijst met gegevens die worden verzameld met het eenmalige bloedonderzoek dat onderdeel is van het sportmedisch onderzoek. De off-score is één van de parameters die gebruikt zouden kunnen worden om de effecten van een hoogtestage te bepalen. De score kan ook een aanwijzing zijn voor epo of een bloedtransfusie.
Deelt u de mening van de chef-arts van NOC*NSF dat de gegevens die met het monitoringprogramma zijn verkregen onder het medisch beroepsgeheim vallen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het medisch beroepsgeheim is een geheimhoudingsplicht voor hulpverleners en houdt in dat zij geen gegevens van een patiënt aan anderen mogen verstrekken zonder toestemming van de patiënt. Deze geheimhoudingsplicht geldt ook voor de hulpverleners die betrokken zijn bij de sportmedische begeleiding van sporters.
Ik wil in dit verband ook graag wijzen op artikel 9 van de Wet bescherming persoonsgegevens, dat onder andere bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens verenigbaar moet zijn met het doel waarvoor ze verkregen zijn. Deze doelbinding betreft niet zozeer een geheimhoudingsplicht, maar is niettemin relevant voor het delen van gegevens, ook waar het het opsporen
van dopinggebruik betreft.
Deelt u de mening dat uit het bericht blijkt dat de samenwerking tussen NOC*NSF en de Nederlandse Dopingautoriteit niet optimaal is? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat het voor een schone sport van groot belang is dat beide organisaties wel goed samenwerken en kunt u daarin een rol spelen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben met u van mening dat het voor een schone sport essentieel is dat NOC*NSF en de Dopingautoriteit goed samenwerken. Ik heb begrepen dat specifiek op dit punt NOC*NSF en de Dopingautoriteit gaan kijken of zij door middel van nadere afspraken hun samenwerking verder kunnen verbeteren.
Dat laat ik met vertrouwen aan deze partijen zelf over.
Deelt u de mening dat een anti-dopingwet, waarin onder andere regels staan over het delen van gegevens met betrekking tot dopinggebruik en regels met betrekking tot sancties in het geval van dopinggebruik, kan bijdragen aan een schone sport? Zo ja, gaat u voor Nederland een dergelijke wet maken en wanneer kan de Kamer een wetsvoorstel verwachten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb een voorstel voor een Wet uitvoering anti-dopingbeleid in voorbereiding. De beoogde wet draagt bij aan een schone sport door het dopingcontroleproces en de Dopingautoriteit zodanig te positioneren dat het werk dat zij doet in het opsporen van dopinggebruik zich goed verhoudt tot de regels in de Wet bescherming persoonsgegevens.
Het wetsvoorstel voor de Wet uitvoering anti-dopingbeleid ligt momenteel voor bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Wanneer de Raad van State advies heeft gegeven zal ik de procedure van dit wetsvoorstel vervolgen.
De grote bezwaren tegen de komst van honderden extra asielzoekers naar Maastricht |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Demonstratie tegen azc in Malberg»?1
Ja.
Klopt het dat er meer dan 500 extra asielzoekers worden opgevangen in de Maastrichtse wijken Malberg en Sint Pieter?
Dat klopt, daar ben ik de Maastrichtenaren erkentelijk voor
In hoeverre begrijpt u de zorgen van de inwoners van de Maastrichtse wijken over de sociale onrust die de enorme extra opvang met zich mee kan brengen?
Ik ben mij ervan bewust dat het vraagstuk van (extra) opvang van asielzoekers verschillende vragen oproept bij omwonenden en anderen. Evenzeer heb ik er begrip voor dat dit kan leiden tot zorgen, zeker als nog niet op alle vragen een antwoord kan worden gegeven. Het COA neemt signalen van zorgen of onvrede altijd serieus. De signalen rondom genoemde locaties zijn bekend. Er zijn inmiddels diverse gesprekken gevoerd over hetgeen lokaal aan vragen en zorgen leeft. Er is een klankbordgroep met direct betrokkenen en omwonenden. Daarnaast worden bredere bewonersbijeenkomsten georganiseerd.
Overigens geldt voor beide locaties dat zich vele tientallen vrijwilligers hebben gemeld om te helpen.
Deelt u de visie dat gemeenten altijd vooraf een referendum zouden moeten organiseren over de komst van een azc (of extra opvang) om zo maximale inspraak van de bevolking te realiseren?2 Zo nee, waarom niet?
Ik vind het essentieel dat er maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak is voor de opvang van asielzoekers en het huisvesten van vergunninghouders. Het COA vestigt alleen een asielzoekerscentrum in overleg en in overeenstemming met de gemeente. Het gemeentebestuur besluit over de komst van een asielzoekerscentrum. Het is aan dit bestuur om te bepalen op welke wijze het daarbij de burgers betrekt. In de praktijk zie ik dat veel gemeenten een inspraak- of informatieavond organiseren rondom de besluitvorming. Ook zie ik dat gemeenten zich inspannen om omwonenden goed voor te lichten. Het COA ondersteunt gemeenten bij het organiseren van een informatieavond voor omwonenden en zorgt dat omwonenden na de opening van een asielzoekerscentrum ergens terecht kunnen met vragen, suggesties en klachten.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om de gemeente haar beleid te laten afstemmen op de bezwaren van de lokale bevolking?
Zie antwoord vraag 4.
Ziet u inmiddels in dat enkel opvang in de regio een structurele oplossing voor de problematiek vormt?
Opvang in de regio is voor het kabinet een belangrijk uitgangspunt. Dat is ook waarom het kabinet in grote mate (financieel) bijdraagt aan de opvang van vluchtelingen in de regio's van herkomst. Dat neemt niet weg dat Nederland op grond van internationale verplichtingen gehouden is om bescherming te bieden aan die asielzoekers die bescherming tegen vervolging of onmenselijk behandeling behoeven.
Het aanmerken van een paardenmarkt als erkende verzamelplaats |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of een paardenmarkt op basis van de geldende EU-wetgeving een erkende verzamelplaats is, of aangemerkt kan worden als erkende verzamelplaats? Zo ja, aan welke specifieke voorwaarden moet een paardenmarkt voldoen volgens de EU-wetgeving? Zo nee, kunt u aangeven waarom onder de geldende EU-wetgeving een paardenmarkt niet als erkende verzamelplaats aangemerkt mag worden? Op basis van welke EU-wetgeving is dit?1
Uit artikel 7 van Richtlijn 2009/156/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (hierna: richtlijn 2009/156) volgt dat handelsverkeer in paarden tussen lidstaten óf rechtstreeks van het bedrijf van herkomst naar de plaats van bestemming óf via een erkend verzamelcentrum mag plaatsvinden. De richtlijn geeft dus slechts twee mogelijke vervoersbewegingen voor intracommunautair handelsverkeer in paarden. Voor de eisen waaraan een erkend verzamelcentrum moet voldoen wordt in artikel 7 van richtlijn 2009/156 verwezen naar Richtlijn van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (hierna: richtlijn 64/432). Deze eisen zijn beschreven in artikel 11 van richtlijn 64/432.
De eisen die onder andere aan een verzamelcentrum worden gesteld zijn dat een dergelijk verzamelcentrum voor ieder gebruik gereinigd en ontsmet wordt, dat er passende voorzieningen voor afzondering aanwezig moeten zijn en dat de eigenaar van het verzamelcentrum een register moet bijhouden met daarin gegevens over de aangeleverde en verzonden paarden vanaf dat verzamelcentrum.
Op dit moment zijn er op grond van Europese regelgeving geen erkende paardenverzamelcentra in Nederland. De paardenmarkten die op dit moment in Nederland plaatsvinden verschillen van opzet en karakter. Organisatoren van paardenmarkten zullen zelf moeten afwegen of ze willen voldoen aan de gestelde eisen. Op dit moment wordt bekeken hoe de Europese eisen vorm krijgen in de nationale regelgeving. Hierover wordt overleg gevoerd met de sector. Als de regelgeving aangepast is, kunnen aanvragen voor een erkenning worden ingediend. Deze zullen dan worden beoordeeld.
In algemene zin zijn op het handelsverkeer van dieren ook de Europese transportverordening (Vo 1/2005) en de Controlepostverordening
(Vo 1255/97/EEG) van toepassing. De eisen die vanuit Europese regelgeving aan erkende verzamelcentra worden gesteld, laat overigens de mogelijkheid voor lidstaten onverlet om aanvullende regels te stellen, bijvoorbeeld vanuit veterinair oogpunt.
Bent u bereid bij bovenstaande vragen een uitgebreide argumentatie te geven?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om deze vragen vóór het Algemeen overleg Dierenwelzijn voorzien op 28 april 2016 te beantwoorden?
Ja.
Ontheffing lengte samenstel van landbouwtrekkers en aanhangwagen(s) |
|
Martijn van Helvert (CDA), Jaco Geurts (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) geen ontheffing kan verlenen van de wettelijk toegestane maximale lengte van 18,75 meter van een samenstel van landbouwvoertuigen?
Ja.
Is het waar dat er naast de aspergetelers ook telers in andere groene sectoren (aardbeien, prei enz.) in de praktische bedrijfsuitvoering getroffen worden door de beperkingen in de lengte van de voertuigen? Zo ja, kunt u de aard en de omvang van die beperkingen schetsen?
Vanaf 1 januari 2016 mogen combinaties van (land)bouwvoertuigen en aanhangwagens maximaal 18,75 meter lang zijn. Voorheen was dat nog 18,00 meter. Met deze zeer recente wijziging is de lengte van voertuigcombinaties in de landbouw in lijn gebracht met richtlijn 96/53/EG.
Klopt het dat er momenteel een landelijke actie gaande is op controle en handhaving van de lengte van de combinatie van landbouwtrekkers en aanhangwagen(s)? Zo ja, wat is de reden van deze controle en handhaving? Waarom wordt de actie juist in deze periode uitgevoerd?
Nee, er is geen landelijke actie gaande op controle en handhaving op landbouwcombinaties. Wel is in het najaar van 2015 in Friesland en in Limburg gecontroleerd op landbouwverkeer en motorvoertuigen met beperkte snelheid. Daarbij zijn waarschuwingen uitgedeeld. Omdat er in Limburg aanhoudende overtredingen zijn geconstateerd op het gebied van snelheid, scherpe- en of uitstekende delen, slecht of niet afgedekte lading, verlichting en meer van dit soort zaken heeft de politie begin maart al aangekondigd in de provincie Limburg verscherpte controles uit te gaan voeren op dit soort overtredingen. Dit heeft in alle regionale bladen en landbouwvaktijdschriften gestaan.
Bent u het er mee eens dat in casu een geringe lengteoverschrijding van de maximaal toegestane lengtemaat voor een samenstel van tractor en aanhangwagen(s) van ongeveer twee meter geen of nagenoeg geen impact op de verkeersveiligheid heeft?
De toegestane maximum maten en gewichten voor een samenstel van tractor en aanhangwagen(s) zijn juist met het oog op de verkeersveiligheid en infrastructurele beperkingen vastgesteld. Vanuit dat oogpunt is de lengte op 18,75 meter gemaximeerd.
Bent u bereid om het mandaat van de RDW te verruimen in die zin dat (incidentele) ontheffingen ook kunnen gelden voor een samenstel van (landbouw)voertuigen die langer zijn dan 18,75 meter?
Zoals bij de vorige vraag aangegeven is de lengte voor een samenstel van tractor en aanhangwagen(s) gemaximeerd op 18,75 meter. De bevoegdheid om een incidentele ontheffing verlenen, bijvoorbeeld als het gaat om een ondeelbare lading, ligt bij de provinciale of gemeentelijke wegbeheerder. De RDW heeft die bevoegdheid niet, dus kan ik ook geen mandaat verruimen.