Het bericht dat vrachtautochauffeurs hun wagen uitrusten met apparatuur om uitstoot te verdoezelen |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «AdBlue? Een scheutje NOx is goedkoper», waaruit blijkt dat ook bij vrachtauto’s wordt gesjoemeld met de uitstoot door apparaatjes te plaatsen die het schoner maken van uitlaatgassen tegengaan?1
Het afschakelen van AdBlue-systemen bij vrachtwagens door de gebruikers van deze voertuigen keur ik ten zeerste af. Personen die zich hieraan schuldig maken kunnen een geldboete krijgen van maximaal 20.000 euro of een gevangenisstraf van maximaal 2 jaar. Ook fabrikanten zouden hun voertuigen beter moeten beschermen tegen dit soort illegale praktijken. In mijn brief van december 20152 heb ik het Europese verbod op het afschakelen van AdBlue systemen bij Euro-VI vrachtwagen reeds genoemd. Het heeft dan ook uitdrukkelijk mijn aandacht.
Hoeveel meer stikstofoxiden (NOx) stoten deze vrachtauto’s uit dan toegestaan? Welke gevolgen heeft dit voor de luchtkwaliteit?
Vrachtwagens met gemanipuleerd AdBlue-systeem vallen terug naar het emissieniveau van Euro-I vrachtwagens. Een Euro-I vrachtwagen stoot in de praktijk circa 2 keer meer stikstofoxiden uit dan een Euro-V vrachtwagen en 17 keer meer dan een Euro-VI vrachtwagen3. Een hogere uitstoot van stikstofoxiden leidt tot hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) in de lucht.
Kan een indicatie worden gegeven van het aantal vrachtauto’s op de Nederlandse wegen die zijn uitgerust met dergelijke sjoemelapparatuur?
In de reportage van ZDF kwam naar voren dat 20% van de vrachtauto’s uit oostelijk Europa op Duitse wegen wordt gemanipuleerd. Op Nederlandse wegen is het aandeel vrachtauto’s uit oostelijk Europa gering. Het aantal vrachtauto’s op de Nederlandse wegen die zijn uitgerust met dergelijke apparatuur, is niet bekend.
Bent u bereid te onderzoeken op welke schaal deze praktijken plaatsvinden op de Nederlandse wegen? Welke maatregelen gaat u nemen om deze vorm van fraude en opzettelijke luchtvervuiling aan te pakken?
Ja. Ik ben hier al mee bezig. Voertuigen moeten tijdens daadwerkelijk gebruik op de weg worden gecontroleerd omdat bijvoorbeeld controle in de APK niet werkt. Gemanipuleerde AdBlue-systemen kunnen namelijk gemakkelijk weer tijdelijk voor de APK-keuring worden aangezet. Ik ben momenteel met TNO en ECN in gesprek over controlemogelijkheden langs de weg voor het afschakelen van AdBlue-systemen. Wanneer deze gesprekken zijn afgerond zal ik u over de uitkomsten informeren.
Zorgverzekeraars die nog altijd de restitutietarieven voor niet-gecontracteerde geestelijke gezondheidszorg (ggz) niet bekend hebben gemaakt |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat ondanks dat we al weer een maand in het nieuwe jaar zitten, de restitutietarieven van sommige zorgverzekeraars voor niet-gecontracteerde ggz nog altijd niet bekend zijn?1
Mijn reactie wordt in onderstaande vragen toegelicht.
Wat is de reden dat zorgverzekeraars Menzis, VGZ en De Friesland (Achmea) niet alle tarieven voor niet-gecontracteerde ggz bekend hebben gemaakt?
De zorgverzekeraars hebben mij laten weten dat zij door de late bekendmaking van de NZa-tarieven hun lijst met maximale vergoedingen voor niet-gecontracteerde zorg later dan gepland hebben kunnen publiceren.
Normaliter worden de tarieven door de NZa voor 1 juli bekend gemaakt. De tarieven in de gespecialiseerde ggz zijn echter aangepast naar aanleiding van de beroepsprocedure die zorgverzekeraars hebben aangespannen bij het CBb. Deze procedure heeft ertoe geleid dat de NZa op 11 oktober 2016 aangepaste tarieven heeft vastgesteld voor de gespecialiseerde ggz 2017 (tariefbeschikking TB/REG-17600–03). De tarieven waren daardoor later beschikbaar dan normaal. Overigens hebben de zorgverzekeraars mij laten weten dat de tarieven inmiddels wel bekend zijn gemaakt.
Erkent u dat dit voor zowel cliënten als zorgverleners een zeer ongewenste ontwikkeling is die de nodige onzekerheid in onder andere de continuïteit van zorg met zich meebrengt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zorgverzekeraars moeten tijdig hun polisvoorwaarden bekend maken. Dit hebben zij voor 2017 gedaan. In deze polisvoorwaarden staat ook vermeld wat de consequenties zijn indien een verzekerde naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder gaat. Zorgverzekeraars zijn niet verplicht de tarieven voor niet gecontracteerde zorg op hun website te publiceren. Wel moet een zorgverzekeraar
op haar website vermelden of het contracteerbeleid mogelijke consequenties heeft voor haar verzekerden (zie art 13 van de regeling Informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten, TH/NR-007). Wanneer een consument vraagt om informatie over de financiële gevolgen van zijn (toekomstige) keuze voor een specifieke behandeling of dienst bij een specifieke zorgaanbieder moet de zorgverzekeraar tevens alle informatie geven die de consument nodig heeft om de financiële gevolgen van zijn keuze te kunnen overzien (zie artikel 16 lid 1 van de regeling Informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten, TH/NR-007). Indien de zorgverzekeraar deze informatie niet exact kan geven, zal hij een schatting aan de consument moeten geven. Deze verplichting gaat niet zo ver dat de zorgverzekeraar alle tarieven voor niet-gecontracteerde zorg op zijn website dient te publiceren.
Voor mijn beleid met betrekking tot prijstransparantie verwijs ik u naar mijn brief van 3 november 20162.
De continuïteit van zorg is niet in het geding. Er zijn afspraken gemaakt tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars dat een behandelrelatie niet wordt verbroken door het tijdens de behandeling aflopen of openbreken van een contract. Ook de (hoogte van de) vergoeding verandert niet als gedurende de behandeling de zorgaanbieder het contract met de zorgverzekeraar openbreekt of beëindigt.
Geldt voor het bekend maken van de restitutietarieven door de zorgverzekeraars dezelfde deadline als voor de zorgcontractering, te weten 19 november? Zo nee, wat is de deadline dan wel?
Zie antwoord vraag 3.
Is de kritiek van de Nederlands Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen en Psychotherapeuten (LVVP) en de site Eiswijzer dat de zorgverzekeraars hierdoor onrechtmatig handelen, gerechtvaardigd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er naar aanleiding van het uitblijven van duidelijkheid met betrekking tot restitutietarieven, verzoeken tot handhaving binnengekomen bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) of klachten bij de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ)?
De NZa geeft desgevraagd aan dat er geen klachten of handhavingverzoeken zijn ontvangen over dat zorgverzekeraars restitutietarieven voor 2017 niet bekend hebben gemaakt. Ook de SKGZ heeft tot op heden geen klachten ontvangen.
Is de bewering van Eiswijzer juist dat de wetgeving op dit punt niet specifiek genoeg is waardoor handhavingsverzoeken niet in behandeling worden genomen door de NZa? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar mijn oordeel is de regelgeving van de NZa adequaat.
Zijn er zorgbreed nog meer restitutietarieven niet bekend? Zo ja, kunt u de Kamer hiervan een overzicht doen toekomen?
Voor zover ik begrepen heb van de zorgverzekeraars zijn verder alle tarieven bekend gemaakt.
Erkent u dat deze handelwijze van verzekeraars eens te meer als een vorm van ontmoediging van het verlenen dan wel ontvangen van niet-gecontracteerde zorg gezien kan worden? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Mochten verzekerden het gevoel hebben dat ze niet voldoende geïnformeerd worden of klachten hebben dan kunnen ze zich eerst bij hun verzekeraar melden en vervolgens, indien nodig, bij de SKGZ. Voor het overige verwijs ik u naar mijn antwoord op vragen 3, 4 en 5.
Kunnen verzekerden vanwege het nog niet bekend zijn van de restitutietarieven alsnog tussentijds overstappen wanneer uiteindelijk de tarieven bekend worden gemaakt en nadelig uitpakken? Zo nee, hoe gaat u verzekerden en/of zorgverlener dan schadeloos stellen?
Zie antwoord vraag 9.
Op wat voor termijn verwacht u dat wel alle tarieven bekend zijn? Wat gaat u er aan doen om deze ongewenste situatie zo snel mogelijk te verhelpen?
De zorgverzekeraars hebben mij laten weten dat de tarieven inmiddels bekend zijn gemaakt.
Hoe gaat u voorkomen dat ook in de komende contracteringsperiode pas ver na de sluiting van het overstapseizoen, de tarieven voor niet-gecontracteerde zorg bekend worden gemaakt door zorgverzekeraars?
De NZa streeft er naar haar tarieven tijdig bekend te maken. In geval van beroepszaken tegen de tarieven zoals door NZa zijn vastgesteld is het onvermijdelijk dat er vertraging ontstaat. Dat laat onverlet dat alle partijen zo snel als mogelijk de correcte en (minimaal) volgens regelgeving vereiste informatie beschikbaar moeten stellen aan de verzekerden en patiënten.
De A73 |
|
Barbara Visser (VVD), Sjoerd Potters (VVD), Hayke Veldman (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Weer ongeval op «accident alley» A73: lange file tussen Cuijk en Boxmeer»?1
Ja, van dat bericht heb ik kennis van genomen.
Bent u bekend met de term «accident alley»? Met andere woorden hoe is het gesteld met de verkeersveiligheid op de A73 in Brabant en Limburg? Kunt u hierbij een overzicht geven van de ongevallencijfers van de afgelopen vijf jaar voor de verschillende deeltrajecten in Brabant en Limburg?
De omschrijving voor de A73 die in het artikel gebruikt is, was niet eerder bij mij bekend, en sluit ook niet aan bij mijn beeld van deze snelweg. Uit de ongevallenregistratie over de jaren 2011–2015 (ongevalsgegevens voor 2016 zijn op dit moment nog niet beschikbaar) blijkt dat het risico op een ongeval op het grootste gedeelte van de A73 in Brabant en Limburg kleiner is dan het gemiddeld risico op een ongeval op een vergelijkbare weg elders in Nederland. Op het stuk Cuijk – Boxmeer is het risico op een ongeval echter groter dan gemiddeld. Daarom heb ik Rijkswaterstaat gevraagd op korte termijn een analyse uit te voeren op dit weggedeelte, om na te gaan wat de oorzaken zijn van de ongevallen en te bezien of er aanvullende maatregelen nodig en mogelijk zijn die de veiligheid en doorstroming bevorderen.
In onderstaande tabel staat het totaal aantal ongevallen weergegeven voor de deeltrajecten van de A73 in Brabant en Limburg2. In Brabant hebben in de afgelopen 5 jaar over een traject van 25 kilometer 492 ongevallen plaatsgevonden. 96% hiervan betrof ongevallen met Uitsluitend Materiele Schade (UMS). In deze periode heeft er op de A73 in Brabant 1 ongeval plaatsgevonden met dodelijke afloop. In Limburg hebben in de afgelopen 5 jaar over een traject van 63,9 kilometer 1129 ongevallen plaatsgevonden. 96% hiervan betreft ongevallen met Uitsluitend Materiele Schade. In deze periode hebben er op de A73 in Limburg 8 ongevallen plaatsgevonden met dodelijke afloop.
Jaar
Aantal Ongevallen
Waarvan UMS
Dodelijke Ongevallen
2011
80
78
0
2012
62
59
0
2013
110
108
0
2014
107
104
0
2015
133
125
1
Jaar
Aantal Ongevallen
Waarvan UMS
Dodelijke Ongevallen
2011
155
148
2
2012
144
139
0
2013
298
288
3
2014
230
222
1
2015
302
291
2
Welke maatregelen zijn en worden er genomen om de doorstroming en verkeersveiligheid op de A73 te verbeteren (in de afgelopen vijf jaar en in de komende jaren)?
Het risico op een ongeval op het grootste gedeelte van de A73 in Brabant en Limburg is niet groter dan het gemiddeld risico op een ongeval op een vergelijkbare weg elders in Nederland. De A73 voldoet aan de ontwerpeisen voor autosnelwegen met inachtneming van genomen veiligheids- en andere maatregelen. Zoals op alle snelwegen voert Rijkswaterstaat op de A73 reguliere onderhoudswerkzaamheden uit, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van markering, de instandhouding van asfalt en het aanpassen van de geleiderail.
De afgelopen 5 jaar zijn er in het kader van programma «Meer Veilig» op de A73 o.a. de volgende maatregelen uitgevoerd:
Om het Knooppunt Zaarderheiken beter te laten functioneren is er in 2018 een uitbreiding van de parallelbaan op de A73 in noordelijke richting voorzien. Er staan geen andere grote infrastructurele aanpassingen op de A73 gepland. Zoals gezegd heb ik Rijkswaterstaat gevraagd op korte termijn een analyse uit te voeren op het weggedeelte Cuijk – Boxmeer, om te bezien of hier aanvullende maatregelen nodig en mogelijk zijn om de veiligheid en doorstroming bevorderen.
In hoeverre is er sprake van toename van files op de A73? Kunt u dit nader onderbouwen met de nieuwe Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse en ook inzicht geven in de huidige en toekomstige filedruk op het onderliggende wegennet?
De filedruk op de A73 is de afgelopen jaren voor beide weggedeelten toegenomen, op het Brabantse gedeelte in sterkere mate dan op het Limburgse deel. In de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse (NMCA) wordt voor het hoofdwegennet een top 50 met economische verlieskosten door files in beeld gebracht. Indien de A73 in deze top 50 valt wordt dit zichtbaar in de rapportage. Over de filedruk op het onderliggend wegennet doet de NMCA generieke uitspraken. De nieuwe NMCA wordt in april gepubliceerd. Op basis hiervan wordt landelijk bekeken waar prioritaire knelpunten zijn.
In hoeverre heeft de tolheffing in Duitsland invloed op de drukte op de A73? Wordt hierop gemonitord?
In 2005 is de LKW Maut (toltarief voor zwaarder vrachtverkeer) ingevoerd. Onderzoek (NEA) wijst uit dat voor de A73 in de periode 2005–2008 geen duidelijk aanwijsbaar effect als gevolg van de invoering kan worden aangetoond.
De drukte op de snelwegen wordt als onderdeel van het dagelijkse beheer en onderhoud gemonitord aan de hand van de ontwikkeling van de verkeersintensiteiten en filezwaarte. Op landelijk niveau wordt hier frequent over gerapporteerd in bijvoorbeeld de Publieksrapportage Rijkswegennet.
In hoeverre zou de doortrekking van de A77 een oplossing kunnen zijn om de doorstroming op de A73 in de toekomst te verbeteren? Welke andere maatregelen zijn of worden er onderzocht door het Rijk, provincie en gemeenten om de doorstroming en verkeersveiligheid te verbeteren?
In de laatste update van de NMCA (2013) kwamen zowel de A73 als A77 niet naar voren als knelpunt, ook niet in een hoog groeiscenario. Deze maatregel is dus niet voorzien. Provincie Noord-Brabant is wel voornemens een integrale regionale studie uit te voeren naar het functioneren van de N264. Doortrekking van de A77 wordt door de regio en de provincie niet als reële oplossing gezien voor de mobiliteitsaanpak in dit gebied.
Aanhoudende problemen met de Intercity Direct en het stranden van reizigers in een donkere tunnel |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat reizigers ruim twee uur vast hebben gezeten in een Intercity Direct die stil was komen te staan in een tunnel?1
Het stranden van een trein is in alle situaties vervelend voor reizigers, zowel voor de reizigers in de trein zelf, als voor reizigers die te maken krijgen met de gevolgen voor andere treinen (vertraging of uitval).
De trein waarover het bericht gaat, betrof een IC direct die op weg was van Rotterdam naar Amsterdam. De trein kwam met drie rijtuigen in de tunnel en drie rijtuigen buiten de tunnel stil te staan. Reizigers hebben op sommige momenten in het donker gezeten, omdat de verlichting zich in deze situatie af en toe automatisch uitschakelt. De verlichting moet dan weer handmatig worden aangezet. Dat is zoveel mogelijk geprobeerd te doen.
Conform de geldende procedure zijn diverse evacuatiemethoden voorbereid om reizigers zo snel mogelijk weer op weg te helpen. Uiteindelijk zijn reizigers met bussen geëvacueerd. De ILT ziet toe op de duur van strandingen en hanteert hiervoor een norm van 2 uur. Vanuit die rol hebben NS en ProRail de afhandeling van deze stranding met de ILT geëvalueerd. De evacuatie is binnen de termijn van 2 uur gestart, maar niet alle reizigers konden binnen die termijn worden geholpen. De laatste reizigers waren na 2 uur en 47 minuten weer onderweg.
De duur van deze stranding en de omstandigheden zijn voor de betrokken reizigers natuurlijk erg onplezierig geweest.
Welke compensatie krijgen de reizigers die vast zijn komen te zitten in een donkere trein en acht u dit voldoende om tegemoet te komen aan de geleden schade en ongemak?
Voor alle reizigers geldt de regeling Geld Terug Bij Vertraging (GTBV). Bij een stranding ligt de primaire focus van NS op het zo goed mogelijk helpen van de reiziger, zodat deze zo snel en zo goed als mogelijk zijn reis kan vervolgen. Een team Veiligheid & Service van NS heeft geassisteerd met de evacuatie van reizigers naar de bussen. De gedupeerde reizigers zijn in Rotterdam en op Schiphol opgevangen door service personeel op het station. Voor reizigers die een vlucht moesten halen, heeft NS-personeel op Schiphol geholpen om oplossingen op maat te vinden; dit betrof in totaal 19 reizigers. Voor 13 mensen is er ter plekke een hotel geregeld en een taxi daarnaartoe (beide op kosten van NS). De andere zes reizigers hebben hun vlucht kunnen omboeken, waarbij NS heeft aangeboden de eventuele meerkosten te vergoeden indien dit niet gedekt wordt door de reisverzekering. Deze reizigers kunnen hiervoor contact opnemen met de Klantenservice van NS.
Met de GTBV-regeling, de geboden hulp aan passagiers en coulance voor bijkomende kosten doet NS naar mijn oordeel voldoende om reizigers tegemoet te komen.
Hoeveel Intercity Direct-treinen hebben in december 2016 en januari 2017 vertraging opgelopen of zijn uitgevallen en hoe verhoudt zich dat tot de twee maanden daarvoor?
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de uitval en treinpunctualiteit in de periode van oktober 2016 t/m half februari 2017.
Maand
Uitval
Treinpunctualiteit (t.o.v. 3 minuten norm)
Oktober 2016
5,1%
84,9%
November 2016
6,8%
85,8%
December 2016
8,2%
84,6%
Januari 2017
10,1%
85,7%
Februari 20171
6,6%1
85,8%1
Voorlopige cijfers t/m 15 februari 2017
De cijfers tot en met december passen bij het beeld van eind vorig jaar over de ontwikkeling van de betrouwbaarheid, zoals aangegeven in mijn brief over prestatieafspraken voor de HSL-Zuid (Kamerstuk 22 026, nr. 495). Uit een eerste analyse van de cijfers in januari blijkt dat de hoge uitval mede samenhangt met een relatief groot aantal incidenten met een externe oorzaak, waaronder de stroomstoring in Amsterdam. De meest recente cijfers voor de eerste helft van februari laten zien dat de toename van de uitval zich niet lijkt door te zetten2.
In bovengenoemde brief over prestatieafspraken heb ik uw Kamer gemeld dat – gegeven de complexiteit van de HSL-corridor – een uitvalspercentage van 5% tot 7% realistisch haalbaar is, als NS en ProRail nog diverse verbetermaatregelen doorvoeren en als het vervoersaanbod op de HSL-Zuid gestabiliseerd is. De verbetermaatregelen zijn opgenomen in een verbeterprogramma onder de concessie, zodat ik op de uitvoering daarvan kan sturen. In de brief heb ik ook aangegeven dat ik dat geen bevredigende eindsituatie vind en 60 miljoen euro heb gereserveerd voor maatregelen aan de infrastructuur om de betrouwbaarheid op de HSL-Zuid te verhogen. ProRail en NS zullen IenM begin 2018 adviseren over de samenstelling van een mogelijk investeringspakket.
Zijn de vele storingen op het traject Breda–Den Haag van de afgelopen weken het gevolg van het feit dat de Intercity Direct sinds kort ook deels op dit traject wordt ingezet? Zo nee, kunt u dan aangeven waar deze verstoringen wel door veroorzaakt worden?
Per 23 januari is NS gestart met de nieuwe Intercityverbinding tussen Den Haag en Breda over de HSL. Hiervoor wordt hetzelfde type materieel ingezet als voor de IC direct (met 9 in plaats van 6 rijtuigen). NS noemt deze trein overigens geen IC direct.
Bij de start van een nieuwe treindienst is het volgens NS gebruikelijk dat de prestaties de eerste weken lager zijn dan normaal. De ervaring van NS is dat op de HSL minimaal vier tot zes weken nodig is, om een stabiel prestatieniveau te bereiken.
NS vindt desondanks dat de nieuwe treindienst de eerste weken nog niet presteert zoals NS vooraf had verwacht. In de eerste dagen na de start werd de lage betrouwbaarheid vaak veroorzaakt door externe factoren; zoals incidenten met goederentreinen en brandmeldingen in tunnels. Maar NS geeft aan dat een deel van de oorzaken in latere dagen vergelijkbaar zijn met oorzaken die ook een rol spelen bij de betrouwbaarheid van de IC direct. NS werkt samen met ProRail hard aan het verbeteren van de treindienst tussen Den Haag en Breda en hanteert hiervoor dezelfde verbeteraanpak als voor de IC direct.
Welke boodschap heeft u voor de vele reizigers vanuit Brabant die bijna dagelijks op social media klagen over het feit dat ze wederom geconfronteerd worden met uitval van treinen, vertragingen en een te krappe overstaptijd op Breda wanneer men vanaf Tilburg reist richting de Randstad?
NS werkt samen met ProRail hard aan het verbeteren van de verbinding. Bij het antwoord op vraag 4 heb ik aangegeven dat het gebruikelijk is dat de prestaties in de eerste vier tot zes weken na de introductie van een nieuwe dienst lager zijn dan normaal. Dit hangt samen met «kinderziektes» in de operatie die in de eerste periode van een nieuwe treindienst aan het licht komen en waardoor de prestaties nog niet op peil zijn. NS herkent de signalen van reizigers over de aansluiting tussen de Intercity Den Haag – Breda en de tijdelijke intercity Breda – Eindhoven (pendeldienst tot realisatie van directe verbinding vanaf begin april). NS verwacht dat de prestaties zich binnen enkele weken zullen stabiliseren op een niveau vergelijkbaar met de IC direct. Ik zal dit scherp blijven volgen.
Welke vorderingen zijn er de afgelopen maanden gemaakt om de problemen rondom de Intercity Direct de kop in te drukken en in hoeverre acht u dat voldoende?
In mijn brief over prestatieafspraken voor de HSL-Zuid (Kamerstuk 22 026, nr. 495) heb ik uw Kamer gemeld dat ik een review heb laten uitvoeren op de verbeterplannen die NS en ProRail eerder in 2016 hebben opgesteld. Uit de review blijkt dat NS en ProRail de problemen gezamenlijk en met voldoende urgentie oppakken. De maatregelen in de verbeterplannen zijn plausibel en NS en ProRail werken effectief aan de uitvoering daarvan. NS en ProRail continueren die inzet in 2017 en via een verbeterprogramma onder de concessie stuur ik op de uitvoering van de verbetermaatregelen die in 2017 doorlopen of nieuw zijn. Het versnellen van het incidentenherstel na strandingen van treinen op de HSL is één van de maatregelen in het programma. Hiervoor zijn diverse submaatregelen benoemd, die kunnen worden aangevuld als uit de evaluatie van strandingen blijkt dat dat nodig is.
Is het mogelijk om de fabrikant en/of leverancier van de Traxx-locomotief verantwoordelijk te stellen voor de aanhoudende problemen, net als destijds met de problemen rondom de V250 van AnsaldoBreda? Kunt u uw antwoord toelichten?
De analyse van NS en ProRail ten behoeve van de verbeterplannen wijst uit dat er niet één dominante oorzaak is voor de problemen met de betrouwbaarheid van de IC direct. De review heeft dat beeld bevestigd. Voor zover materieelstoringen de oorzaak zijn, kunnen deze zich voordoen in de rijtuigen of de locomotieven of in systemen die in beide zitten. Elke materieelstoring wordt onderzocht om de grondoorzaak daarvan vast te stellen. De storingen die optreden in de locomotief worden met Bombardier besproken en opgelost, of wel onder garantie (gratis herstel) of als herstelling conform de voorwaarden in het contract.
Het bericht ‘Vrouwen werken al op jonge leeftijd vaak in deeltijd’ |
|
Keklik Yücel (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen werken al op jonge leeftijd vaak in deeltijd»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het nieuws dat jonge vrouwen minder vaak fulltime werken dan mannen en daarmee vele malen minder economisch zelfstandig zijn dan mannen? Hoe kan naar uw idee worden verklaard dat jonge vrouwen, ook zonder jonge kinderen, minder vaak fulltime werken?
Deze trend dat jonge vrouwen al vóór de komst van kinderen minder fulltime werken dan jonge mannen is eerder geconstateerd door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in de Emancipatiemonitor (2014, 2016) uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Dit was mede de aanleiding voor de Minister van OCW om samen met het SCP een Europees project te starten naar de economische zelfstandigheid bij jong volwassenen bij hun overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt. Economische zelfstandigheid is een belangrijke doelstelling van het emancipatiebeleid. Het is daarom belangrijk om te weten hoe en waarom deze aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt verschillend verloopt voor vrouwen en mannen en welke aanknopingspunten er zijn voor beleid om dit te veranderen.
Het bericht dat u aanhaalt, heeft betrekking op de eerste resultaten van dit project: een gedetailleerde kwantitatieve beschrijving van de situatie en een vergelijking met andere Europese landen. Deze zullen binnenkort worden besproken op een Europese expertmeeting van onderzoekers en beleidsmakers. In de tweede fase van het project ligt de nadruk op het verklaren van de geconstateerde verschillen via kwalitatief onderzoek (onder meer focusgroepen met jongeren en werkgevers en een tweede Europese expertmeeting).
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat vrouwen gemiddeld minder positief zijn over hun loopbaanperspectief dan mannen?
Dat vind ik zorgelijk. De perceptie van het loopbaanperspectief van jonge vrouwen en -mannen is een van de onderwerpen die zeker aan bod zullen komen in het tweede deel van het onderzoek, waarbij het SCP op zoek zal gaan naar mogelijke verklaringen voor dit verschil in economische zelfstandigheid.
Welke instrumenten heeft het kabinet om de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te stimuleren?
Dit kabinet heeft de economische zelfstandigheid van vrouwen weer hoog op de agenda gezet, zowel via beleid gericht op werkgevers (verlofregelingen, campagne ter bestrijding van arbeidsmarktdiscriminatie, gelijk loon, charter talent naar de top) als op vrouwen zelf. Op het gebied van de belastingwetgeving wijs ik op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, die 300 miljoen is verhoogd (2016).
Als Minister voor Emancipatie bevorder ik de economische zelfstandigheid voor een groot deel door het (mede)financieren van projecten op lokaal en regionaal niveau. Voor economische zelfstandigheid is het van belang dat vrouwen zich bewust worden van de waarde hiervan, dat zij toegerust worden om stappen richting arbeidsmarkt te zetten, dat er daadwerkelijke kansen voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt zijn, en dat zij (voldoende uren) kunnen blijven werken als zij kinderen krijgen en/of mantelzorg verlenen.
De afgelopen jaren zijn in dit kader succesvolle projecten en methodieken gefinancierd zoals Eigen Kracht (gericht op vrouwen met een afstand tot de arbeidsmarkt), Kracht on Tour (gericht op bewustwording en op het sluiten van deals met lokale organisaties en bedrijven), EVA (gericht op het aanleren van basisvaardigheden zoals lezen en schrijven), How 2 Spend It (gericht op het vergroten van het financiële bewustzijn en financiële vaardigheden van vrouwen) en Single SuperMom (gericht op het activeren van alleenstaande moeders, onder meer door het vormen van een onderling netwerk).
Eind 2016 liep de financiering van een aantal van deze projecten af. Voor het jaar 2017 konden de centrumgemeenten van de arbeidsmarktregio’s cofinanciering aanvragen voor projecten gericht op het vergroten van de economische zelfstandigheid van vrouwen. Op die manier kunnen ze hun aanpak beter aansluiten bij de lokale situatie. 25 van de centrumgemeenten nemen aan deze regeling deel.
Het Europese project, waaronder het voornoemde onderzoek, is gestart om concrete handvatten te ontwikkelen voor beleidsinterventies specifiek gericht op het vergroten van economische zelfstandigheid van zowel jonge mannen als vrouwen.
Deelt u de mening dat economische zelfstandigheid een essentieel onderdeel is voor de emancipatie van vrouwen? Zo ja, welke concrete stappen bent u voornemens te zetten om die economische zelfstandigheid onder vrouwen te versterken? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Economische zelfstandigheid is van groot belang omdat het vrouwen minder afhankelijk maakt van een partner of van een uitkering. Het is een van de speerpunten in het emancipatiebeleid van dit kabinet.
In de recente kabinetsbrief over arbeid en zorg2, en in mijn brief van 20 januari jl. over het emancipatiebeleid3, staat hoe wij de economische zelfstandigheid van vrouwen verder bevorderen en de combinatie van werk met (mantel) zorgtaken ondersteunen.
Honderdduizenden kinderen die vastzitten in Mosul, in Irak |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «350.000 kinderen lopen gevaar in westen van Mosul»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat naar schatting 350.000 kinderen vastzitten in het belegerde westen van de Iraakse stad Mosul, dat onder controle staat van Islamitische Staat, en dat er groot gebrek is aan humanitaire hulp? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Op basis van VN-bronnen woonden er in het westelijke gedeelte van Mosul-stad naar schatting 750.000 burgers voordat ISIS de stad overnam. Gezien het hoge aandeel jongeren in de Iraakse bevolking lijkt het aantal van 350.000 kinderen een realistische schatting. Doordat de stad al twee jaar onder ISIS-controle staat, zijn er echter geen betrouwbare cijfers beschikbaar.
Deelt u de zorgen van Save the Children dat burgers extreme risico’s lopen als er gevochten wordt om de straten van Mosul en dat er niet of nauwelijks vluchtmogelijkheden zijn?
Deze berichten zijn zeer zorgwekkend. Het westelijke deel van de stad is op dit moment nog onder controle van ISIS en daardoor kan er op dit moment geen exact beeld gevormd worden van hetgeen zich in dat deel van de stad afspeelt. Er zijn onder meer berichten over de inzet van burgers als menselijk schild door ISIS, executies van vluchtende burgers en het inzetten van kindsoldaten.
De bevrijding van West-Mosul zal een lastige operatie worden. Het valt niet te voorkomen dat burgers risico’s lopen tijdens de bevrijdingsoperatie. Het is aan de Iraakse autoriteiten, in samenwerking met de anti-ISIS coalitie, om deze risico’s te minimaliseren. Uit de bevrijding van Fallujah (in 2016) al zijn belangrijke lessen getrokken, die bij de bevrijdingsoperatie in Oost-Mosul zijn toegepast. Bescherming van burgers is een integraal element van het militaire plan van het Iraakse leger. Eén van de getrokken lessen is betere communicatie door de strijdkrachten richting de burgerbevolking en de humanitaire gemeenschap. Dit heeft in Oost-Mosul mede ertoe geleid dat het aantal ontheemden lager uitviel dan vooraf verwacht en de humanitaire gemeenschap beter in staat was te reageren op humanitaire noden.
Kunt u bevestigen dat tot nu toe bijna de helft van alle slachtoffers in het conflict burgers zijn?
Ja. Lise Grande, VN humanitaire coördinator voor Irak, heeft op 12 januari jl. aangegeven dat circa 47% van de slachtoffers in Mosul burgers zijn, als gevolg van directe aanvallen door ISIS.
Bent u bereid in coalitieverband het belang te benadrukken dat burgers te allen tijde beschermd worden en dat alle mogelijke maatregelen worden genomen om burgerslachtoffers te voorkomen?
Ja. Nederland heeft dit ook steeds krachtig aan de orde gesteld in internationale fora, zoals de Irak pledging conferentie in Washington, de Mosul conferentie te Parijs en de coalitiebijeenkomsten. Hier is benadrukt dat de militaire en humanitaire organisaties in Irak met elkaar moeten samenwerken om de burgers te beschermen. Een belangrijk onderdeel is het maken van afspraken over hoe vluchtwegen uit Mosul ingesteld worden en waar de opvangkampen geplaatst kunnen worden. Minister Koenders besprak tijdens zijn bezoek aan Irak op 18 december jl. het belang van de bescherming van de burgerbevolking in Mosul met de Iraakse premier Abadi. Minister Ploumen heeft het belang van bescherming van burgers tijdens haar bezoek aan Irak begin januari besproken met de VN en diverse humanitaire organisaties. Ook de EU heeft, door middel van een verklaring op 26 januari jl., benadrukt dat het aantal burgerslachtoffers geminimaliseerd moet worden en opgeroepen tot onderzoek t.a.v. mensenrechtenschendingen.
Ziet u mogelijkheden voor de leverantie van humanitaire hulp aan de mensen in nood in Mosul? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het leveren van humanitaire hulp in Mosul is zeer complex en gevaarlijk. Humanitaire organisaties, zoals de VN, het Rode Kruis en NGOs, zijn actief in gebieden in het oosten van Mosul die onlangs bevrijd zijn. Minister Ploumen heeft tijdens haar reis naar Irak op 10 januari jl. 5 miljoen euro beschikbaar gesteld voor het lenigen van noden in Irak, waaronder die van de mensen uit Mosul. In West-Mosul is het momenteel onmogelijk voor humanitaire organisaties om hulp te leveren. Nederland blijft met de VN, Rode Kruis en de Dutch Relief Alliance in gesprek om te kijken of humanitaire hulp geleverd kan worden aan de mensen in het westen van Mosul en spreekt de VN aan op het belang van realistische contingency planning voor Mosul.
Bent u bekend met deze berichten?1 2 3
Ja.
Kunt u beschrijven wat dit plan precies inhoudt, waar het onderdeel van is, wat er al dan niet over besproken is bij de Ecofinraad/Eurogroep en wat EU-commissaris Dombrovskis hierover gemeld heeft bij zijn persconferentie?
De Europese Systeemrisicoraad (European Systemic Risk Board; ESRB) heeft tijdens de reguliere bijeenkomst van 22 september 2016 besloten tot de oprichting van een high level werkgroep.4 Deze werkgroep onderzoekt de potentiële creatie van «veilige activa» en richt zich daarbij op sovereign bond-backed securities. Een vorm hiervan zijn European Safe Bonds, afgekort ESBies zoals voorgesteld door Princeton-econoom Brunnermeier. De vragen die de werkgroep behandelt, zijn te vinden in een achtergrondstuk dat in december 2016 is gepubliceerd.5 Het onderzoek door de werkroep van de Europese Systeemrisicoraad loopt nog, uitkomsten zijn op dit moment nog niet beschikbaar.
De Europese Commissie heeft geen voorstel gepubliceerd voor de creatie van «veilige activa». Het onderwerp is tevens niet geagendeerd voor bespreking in de Eurogroep of Ecofinraad. Indien het onderwerp wordt geagendeerd zal de Kamer zoals gebruikelijk hierover geïnformeerd worden in de geannoteerde agenda voor deze overleggen. Vicepresident en Commissaris van de Europese Commissie Dombrovskis heeft gedurende de persconferentie van 27 januari jl. na afloop van de Ecofin Raad wel vragen beantwoord over het concept.6 De heer Dombrovskis heeft onder meer verwezen naar het werk van de Europese Systeemrisicoraad en gesteld dat de Commissie als lid van de Europese Systeemrisicoraad deelneemt aan deze discussies. De heer Dombrovskis heeft aangegeven het concept nuttig te vinden.
Klopt de bewering uit de artikelen van Politico en EurActiv dat deze zogenaamde European Safe Assets bedoeld zijn om de «doomloop» tussen banken en overheden te doorbreken? Hoe dragen European Safe Assets hieraan bij?
Aangezien er tot op heden geen concreet voorstel is gepresenteerd – noch door de Europese Systeemrisicoraad, noch door de Europese Commissie – is het thans niet mogelijk om een gedegen appreciatie van de werking en de eventuele toegevoegde waarde van het concept te geven.
Wat is de toegevoegde waarde van gesecuritiseerde Europese obligaties? Beschouwt u het als de taak van de Europese Commissie om financiële producten te verzinnen om landenrisico's bij financiële instellingen te beperken?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de in het artikel van EurActiv genoemde bezwaren van de Duitse regering tegen deze European Safe Assets bij u ook bekend? Welke gronden voert de Duitse regering aan voor haar bezwaren?
Aangezien er tot op heden geen concreet voorstel is gepresenteerd – noch door de Europese Systeemrisicoraad, noch door de Europese Commissie – heeft de Duitse regering naar mijn weten nog geen formeel standpunt ingenomen.
Bent u bekend met andere discussies rond het in de artikelen genoemde «witboek»?
De verwachting is dat de Commissie in maart een witboek zal publiceren waarin zij, conform haar werkprogramma, in zal gaan op de toekomst van de EU en de toekomst van de EMU. Vicepresident Dombrovskis heeft gedurende de persconferentie van 27 januari jl. aangegeven voorafgaand aan de publicatie van het witboek geen commentaar te willen geven op de inhoud.
Deelt u de mening dat het van overheidswege aanbieden van gesecuritiseerde Europese overheidsobligaties een stap af is van het neerleggen van de risico's bij private beleggers? Is het niet logischer om de verantwoordelijkheid voor de diversificatie van landenrisico's bij de financiële instellingen zelf neer te leggen?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vragen 3 en 4 is tot op heden geen concreet voorstel gepresenteerd en is het daarmee thans niet mogelijk om een gedegen appreciatie van het specifieke concept te geven. Het kabinet hecht in zijn algemeenheid grote waarde aan het uitgangspunt dat risico’s bij private beleggers worden neergelegd.
Herinnert u zich dat u op vraag 132 van de feitelijke vragen over de 15e halfjaarsrapportage van de Belastingdienst geantwoord heeft dat het digitale F-biljet niet voor 2017 beschikbaar is?1
Ja.
Kunt u aangeven of er vanaf 2017 wel de mogelijkheid komt om digitaal de definitieve aangifte bij overlijden te doen? Zo nee, wanneer komt deze mogelijkheid er wel?
Om de definitieve aangifte na overlijden digitaal te kunnen doen, is het nodig dat de bevoegdheid van degene die dat doet namens de erfgenamen elektronisch vastgesteld kan worden. Dat vraagt een specifieke machtigingsvoorziening; deze wordt door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) ontwikkeld in het kader van DigiD Machtigen. In het eerste kwartaal van 2017 vindt bij de Belastingdienst een kleinschalige pilot plaats met een eerste versie van die nabestaandenmachtiging. In de pilot kunnen nabestaanden toegang krijgen tot het portaal MijnBelastingdienst van een overledene en de aangifte inkomstenbelasting voor de overledene digitaal afhandelen. Dat kan voor de belastingjaren 2014 tot en met 2016. Op basis van de ervaringen in deze pilot wordt bezien of en wanneer deze breder geïmplementeerd kan worden. Dat is mede afhankelijk van het doorvoeren van de benodigde aanpassingen in DigiD Machtigen door het Ministerie van BZK, als beheerder van die voorziening.
Herinnert u zich dat u in datzelfde antwoord aangaf dat het voor de partner van een overledene wel mogelijk is om digitaal aangifte te doen door het invullen van de aangifte inkomstenbelasting op MijnBelastingdienst?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat op de site van de Belastingdienst vermeld staat dat de partner op papier aangifte moet doen en dat de partner zelf geen digitale aangifte kan doen?2
Op de website van de Belastingdienst (https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/na_een_overlijden/content/inkomstenbelasting-hoe-aangifte-doen-voor-overledene) is vermeld dat het afhankelijk is van het fiscaal partnerschap of de partner van de overledene digitaal aangifte inkomstenbelasting kan doen. Als de partner van de overledene ervoor kiest dat het fiscaal partnerschap eindigt na het overlijden, dan kan hij of zij voor zichzelf digitaal aangifte doen via MijnBelastingdienst. Als de partner van de overledene er voor kiest om het fiscale partnerschap voor het resterende deel van het belastingjaar door te laten lopen, dan kan hij of zij alleen via een papieren P-formulier aangifte doen.
Klopt de informatie in uw antwoord of klopt de informatie op de site van de Belastingdienst? Vanaf welke aangifteperiode mag ook de partner van de overledene digitaal aangifte doen?
De informatie op de website is correct. In het antwoord op de aangehaalde vraag bij de 15e Halfjaarsrapportage is alleen ingegaan op de eerstgenoemde situatie, namelijk dat het fiscaal partnerschap eindigt bij overlijden.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, wordt door het Ministerie van BZK gewerkt aan een nabestaandenmachtiging om digitale aangifte na overlijden in alle gevallen mogelijk te maken. Het is nog niet bekend wanneer deze machtiging breed beschikbaar zal zijn.
Realiseert u zich dat de verplichting om de aangifte van de partner van de overledene op papier in te vullen voor maatschappelijke organisaties, die mensen helpen met het invullen van hun aangifte, zoals FNV en de ouderenbonden, enorme hoeveelheden extra werk oplevert?
Ik realiseer mij dat het op papier invullen van aangiftes door maatschappelijke organisaties meer werk oplevert dan wanneer zij gebruik kunnen maken van de online aangiftevoorziening op MijnBelastingdienst. Daarom wordt door het Ministerie van BZK ook gewerkt aan een nabestaandenmachtiging, die ook gebruikt kan worden door (medewerkers van) maatschappelijke organisaties.
Kunt u alle groepen benoemen die momenteel nog niet de mogelijkheid hebben om digitaal aangifte te doen?
Op dit moment kunnen nabestaanden van overledenen nog niet in alle gevallen digitaal aangifte doen (zie het antwoord op de vragen 4 en 5). Deze groep is nog aangewezen op een papieren P- of F-biljet. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 loopt op dit moment een kleinschalige pilot met een nabestaandenmachtiging.
Een tweede groep die nog niet digitaal aangifte kan doen, betreft mensen die als gevolg van emigratie dan wel immigratie een deel van het jaar niet in Nederland woonden of die in meer dan twee landen woonden. Deze mensen doen aangifte via een M-biljet, dat vooralsnog alleen op papier kan worden ingevuld.
Voor het overige kunnen particulieren digitaal aangifte doen via MijnBelastingdienst. Inmiddels maakt 98% van de aangifteplichtigen gebruik van die mogelijkheid. Daarbij kunnen zij gebruik maken van DigiD of een door de Belastingdienst verstrekte combinatie van gebruikersnaam en wachtwoord (bij de zogenoemde C-aangifte, voor de heffing van inkomstenbelasting over in buitenland genoten inkomsten). Daarnaast wordt dit jaar de pilot met gebruik van inlogmiddelen van Idensys of iDIN bij het inloggen op MijnBelastingdienst uitgebreid.
Heeft u gekeken of het gelukt is om een van de servers alleen voor de HUBA (Hulp bij Belastingaangifte) in te zetten, zoals u beloofd heeft?3
Ja.
Op welke wijze wordt de toezegging uitgevoerd om dit jaar de HUBA op een aparte server te laten draaien?
Zoals aangegeven in vraag 8 en het antwoord daarop, heb ik bekeken of het mogelijk is om een aparte server in te zetten voor partijen die grootschalig ondersteuning verlenen bij het doen van aangifte; de aangehaalde toezegging betrof niet het daadwerkelijk inzetten van een aparte server. Gebleken is dat er een goed alternatief bestaat, namelijk het aan deze partijen beschikbaar stellen van voor hen gereserveerde capaciteit op de server via een speciale link cq. URL. Net als vorig jaar is er ook dit jaar zo’n aparte link beschikbaar waarmee deze partijen voorrang krijgen tijdens de aangiftecampagne. Op deze manier kunnen deze partijen doorgaan met de hulp bij aangifte in situaties waarin het onverhoopt te druk is op MijnBelastingdienst.
Op welke wijze kunnen organisaties mensen helpen bij hun aangifte indien de website van de Belastingdienst overbelast is, zoals regelmatig gebeurde afgelopen jaar?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vragen over dit onderwerp bij de 18e Halfjaarsrapportage Belastingdienst4 is er geen sprake geweest van een regelmatige overbelasting van de website van de Belastingdienst gedurende de aangiftecampagne voor belastingjaar 2015. De zogenoemde sorrypagina (die wordt getoond als het aantal gelijktijdig ingelogde gebruikers de 70.000 overschrijdt) is verspreid over verschillende dagen enkele keren getoond. Voor het deel van de maatschappelijke organisaties dat gebruik maakt van MijnBelastingdienst is een speciale link beschikbaar, zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 9.
Verwacht u dat de servers dit jaar weer regelmatig overbelast zijn of heeft u afdoende maatregelen genomen?
Voor de komende aangiftecampagne (voor belastingjaar 2016) is de capaciteit van MijnBelastingdienst – binnen de bestaande technische grenzen – verhoogd naar maximaal 90.000 gelijktijdige gebruikers. Er wordt opnieuw de strategie gevolgd om de capaciteit gedurende de aangifteperiode geleidelijk en gecontroleerd te verhogen, startend met een capaciteit van 70.000 gelijktijdige gebruikers bij de start van de aangifteperiode op 1 maart aanstaande. Verder wordt – zoals eveneens aangegeven in de 18e Halfjaarsrapportage en de antwoorden op vragen daarover – rond data waarop het voor de hand ligt dat veel mensen tegelijk aangifte willen doen (bijvoorbeeld de eerste dag en het eerste weekend van de aangifteperiode) via planning van mediaboodschappen ingezet op spreiding van de bezoekers. Voor deze oplossingen is gekozen omdat voor het opvangen van enkele pieken in de campagne met louter technische maatregelen een in verhouding disproportionele capaciteitsuitbreiding nodig zijn. De hiermee samenhangende meerkosten en de grotendeels onbenutte overcapaciteit die ontstaat, staan niet in verhouding tot een dergelijke aanpassing.
Klopt het dat deze maatschappelijke organisaties geen toegang hebben tot Mijntoeslagen.nl? Acht u het in verband met privacy verstandig dat de belastingplichtige zijn DigiD afgeeft aan een vrijwilliger die hem of haar helpt met de belastingaangifte en toeslagen?
Via toeslagen.nl kunnen burgers met hun eigen DigiD toegang krijgen tot de portal MijnToeslagen. Daarnaast kan elke hulpverlener in de familie- of vriendenkring met behulp van DigiD Machtigen toegang krijgen tot MijnToeslagen om iemand die hulp vraagt te helpen. Voor (medewerkers van) maatschappelijke organisaties bestaat nog geen mogelijkheid om met behulp van een machtiging in te loggen op MijnToeslagen, maar aan deze mogelijkheid wordt gewerkt. Daarbij zal eHerkenning worden ingezet.
Wat betreft het gebruik van DigiD merk ik op dat dit een strikt persoonlijk authenticatiemiddel is dat nooit aan anderen afgegeven moet worden. Een alternatief kan wel zijn dat de burger zelf inlogt, waarna een hulpverlener helpt met het doorvoeren van wijzigingen of het doen van een aanvraag. In die situatie krijgt de hulpverlener zelf niet de beschikking over de DigiD.
Hoe staat het met eHerkenning voor deze maatschappelijke organisaties voor de toeslagen? Vanaf wanneer kunnen deze maatschappelijke organisaties belastingplichtigen ook digitaal helpen met toeslagen?
Zoals in het antwoord op vraag 12 is aangegeven, wordt gewerkt aan de mogelijkheid om met eHerkenning en een machtiging in te loggen op MijnToeslagen. Maatschappelijke organisaties kunnen op dit moment mensen al digitaal helpen met behulp van commerciële software.
Bent u ermee bekend dat deze maatschappelijke organisaties na het stopzetten van Easytax (het aangifteprogramma dat je kon downloaden) moesten werken met een commercieel programma, Unit4 Fiscaal Gemak?
In 2014 (voor de aangifte inkomstenbelasting 2013) hebben FNV, CNV en een aantal ouderenbonden zowel met Easytax als met de online aangifte gewerkt. Omdat de ervaringen van de organisaties overwegend positief waren, is vanaf 2015 (aangifte inkomstenbelasting 2014) geen gebruik meer gemaakt van Easytax.
Sommige organisaties hebben er zelf voor gekozen om met een commercieel softwarepakket te werken.
Klopt het dat bij het oude systeem Easytax en het commerciële programma Unit4 Fiscaal Gemak het wel mogelijk was om in geval van overlijden en in geval van toepassing van de 183-dagenregeling digitaal aangifte te doen en dat het mogelijk was om toeslagen aan te vragen?
Het systeem Easytax gaf niet de mogelijkheid om in geval van overlijden of toepassing van de 183-dagenregeling digitaal aangifte te doen. Voor het aanvragen van toeslagen heeft altijd een aparte voorziening bestaan. Bepaalde commerciële softwarepakketten bieden mogelijkheden voor bedrijven en organisaties om namens een burger een aangifte inkomstenbelasting te doen of toeslagen aan te vragen of te wijzigen in situaties waarin dat nog niet via de Belastingdienstportalen kan. Dat komt omdat bij toepassing van deze software gebruik gemaakt wordt van een zogenoemd system to systeem kanaal waarin al een uitgebreidere machtigingsmogelijkheid bestaan dan in de portalen.
Kunt u aangeven wat deze maatschappelijke organisaties moeten doen nu zowel Easytax als Unit4 Fiscaal Gemak niet meer gefaciliteerd worden?
Voor de aangifte inkomstenbelasting is de online aangiftevoorziening op MijnBelastingdienst beschikbaar. Met eHerkenning en een machtigingscode kunnen de genoemde organisaties daarop inloggen voor degene die zij helpen.
De maatschappelijke organisaties UNIE-KBO/PCOB en ANBO hebben besloten gebruik te maken van een commercieel product voor de aangifte inkomstenbelasting en het aanvragen en wijzigen van toeslagen. CNV beraadt zich over het aanschaffen van een commercieel product voor het aanvragen en wijzigen van toeslagen.
Met FNV is in afwachting van implementatie van eHerkenning op de portal MijnToeslagen een tijdelijke oplossing overeengekomen, zodat FNV in de aangiftecampagne voor de inkomstenbelasting ook kan ondersteunen bij toeslagenzaken die opkomen. FNV krijgt blanco formulieren (met antwoordenveloppen) om inkomens voor toeslagen aan te passen. Deze formulieren worden in het reguliere proces verwerkt. Daarnaast kan men dergelijke wijzigingen ook via de BelastingTelefoon doorgeven.
Met FNV en CNV zijn afspraken gemaakt om gedurende de aangiftecampagne een beperkt aantal papieren aangiftebiljetten beschikbaar te stellen voor overlijdenssituaties. Hierbij hoeft de nabestaande zelf alleen te zorgen voor ondertekening van het voorblad en kan de ondersteuner alle fiscale gegevens invullen.
Bent u ervan op de hoogte dat de Belastingdienst stopt met het financieren van commerciële programma’s, zoals Unit4 Fiscaal Gemak, die het maatschappelijke organisaties mogelijk maken om voor mensen toeslagen aan te vragen? Waarom is hiervoor gekozen?
De Belastingdienst heeft vanaf de invoering van het portaal MijnToeslagen continu afstemming gezocht met de eerdergenoemde maatschappelijke organisaties. Daaruit bleek dat het met eHerkenning en een machtiging inloggen op MijnToeslagen de oplossing voor deze partijen zou zijn. Omdat deze mogelijkheid door de Belastingdienst niet meteen gerealiseerd kon worden, heeft de Belastingdienst een aantal van deze partijen een alternatief geboden door voor hen Fiscaal Gemak aan te schaffen, bij wijze van overbruggingsvoorziening. Om geen ongelijkheid te creëren ten opzichte van de inmiddels vele andere maatschappelijke organisaties die ondersteuning verlenen bij toeslagzaken en omdat een aantal van de genoemde maatschappelijke organisaties al een andere oplossing had gerealiseerd, is ervoor gekozen om voor de aangifteperiode 2016 geen softwarepakketten meer beschikbaar te stellen, maar aan de resterende partij (FNV) de in vraag 16 genoemde tijdelijke oplossing te bieden.
Bent u ervan op de hoogte dat voor deze maatschappelijke organisaties nu een papieren document wordt opgesteld waarmee ze de toeslagen kunnen aanvragen of wijzigen? Vindt u dit een efficiënte manier van werken?
Ja. Ik realiseer mij dat digitaal werken voor de desbetreffende organisatie efficiënter is. In het antwoord op vraag 17 heb ik aangegeven waarom desondanks deze keuze is gemaakt voor de aangifteperiode 2016.
Wat gaat u doen om de maatschappelijke organisaties voor 1 maart a.s. de juiste tools te geven, zodat ze in alle gevallen belastingplichtigen kunnen helpen bij de aangifte en toeslagen?
In het antwoord op vraag 16 zijn de gekozen oplossing en de onderbouwing hiervan toegelicht.
Zijn deze wijzigingen van tevoren besproken met maatschappelijke organisaties en zien zij ze als een verbetering?
Deze ontwikkelingen zijn tevoren besproken met de partijen die gebruik maakten van de overbruggingsvoorziening die in het antwoord op vraag 17 is genoemd. Zij hebben begrip getoond voor de situatie dat de Belastingdienst geen software meer zou financieren terwijl de structurele oplossing voor inloggen en machtigen nog niet gereed was. Aan FNV en CNV is daarbij, vanwege hun omvang, het beschreven alternatief aangeboden. CNV heeft, zoals gezegd, gekozen voor een andere oplossing. FNV ervaart net als de Belastingdienst dat de nu geboden oplossing geen structurele kan zijn.
Wilt u deze vragen voor 21 februari a.s. een voor een beantwoorden, zodat er helderheid is voordat de aangiftes beginnen?
Het is niet gelukt om de vragen voor 21 februari te beantwoorden, maar wel voor de start van de aangifteperiode op 1 maart.
Het bericht ‘Bank is voortaan vaag over kapitaaleis’ |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bank is voortaan vaag over kapitaaleis»?1
Ja.
Is het waar dat de Europese Centrale Bank (ECB) een aantal Nederlandse banken verzocht heeft om de totale kapitaaleis niet te vermelden?
Nee. De kapitaaleisen die relevant zijn voor de berekening van het bedrag dat door een bank maximaal aan onder andere rente op aanvullend tier 1 (AT1) instrumenten, dividend en bonussen mag worden uitgekeerd (de zogenoemde Maximum Distributable Amount, MDA), worden op dit moment door veel banken al openbaar gemaakt. Het openbaar maken van deze kapitaaleisen is ook in het voorstel van de Europese Commissie2 als verplichting opgenomen. Bovenop deze eisen kan de toezichthouder de verwachting uitspreken dat banken enig extra kapitaal moeten aanhouden om bij tegenwind niet direct door de minimale kapitaaleisen en -buffers heen te schieten (de zogenoemde guidance, zie beantwoording van vraag 3). De guidance telt niet mee in het bepalen van deze MDA. Het is niet verplicht om de guidance openbaar te maken. De ECB heeft de banken echter niet verzocht om de guidance niet openbaar te maken. De banken hebben de mogelijkheid om dit te doen. DNB heeft mij aangegeven dat zij bij de Nederlandse banken onder de aandacht zal brengen dat zij kunnen overgaan tot het openbaar maken van de hoogte van de guidance als zij dit willen doen. Mij lijkt dit gewenst.
Wat is het verschil tussen de wettelijke kapitaaleis en de gewenste kapitaalbuffer?
Allereerst is er een wettelijk minimum aan kapitaaleisen waar alle banken aan moeten voldoen, de zogenoemde eerste pijler. Dit moet ervoor zorgen dat de bank een basishoeveelheid aan kapitaal heeft om de meest voorkomende risico’s te ondervangen, zoals kredietrisico, marktrisico en operationeel risico van de bank. De totale hoeveelheid kapitaal moet minimaal 8% van de risicogewogen activa bedragen.
Daarnaast kan de toezichthouder van de bank eisen dat er vanwege aanvullende, bankspecifieke risico’s extra kapitaal wordt aangehouden,de zogenoemde Pijler 2-opslag. Deze extra eisen kunnen voortvloeien uit risico’s die niet door de eerste pijler worden bestreken, zoals renterisico. Deze Pijler 2-eis kan per bank verschillen. De Pijler 1 en Pijler 2 eisen samen zijn een wettelijke minimumeis waar te allen tijde aan moet worden voldaan. Additioneel dienen de banken vervolgens nog een zogenoemde «gecombineerde buffer» (bestaande uit de kapitaalconserverings-, contracyclische en/of systeembuffer) aan te houden. Op deze buffers mogen banken interen, maar dan krijgen banken direct te maken met de in het vorige antwoord genoemde MDA-beperkingen aan onder andere de uitkering van dividend.
In de kapitaaleisen van 2017 wordt door de ECB onderscheid gemaakt tussen een «harde» en een «zachte» eis (guidance) in de Pijler 2-opslag. De guidance wordt gebaseerd op het risico in stress-situaties. Het achterliggende doel van de guidance is dat de bank enige ruimte heeft om bij tegenslag niet direct door de minimale kapitaaleisen en -buffers heen te schieten. In de praktijk zullen, over het algemeen, banken zelf ook trachten enige marge aan te houden bovenop de kapitaaleisen en -buffers, zodat zij minder snel te maken krijgen met beperkingen aan het uitkeren van onder meer dividend.
Is het waar dat een bank die onder het gewenste kapitaalniveau zit niet formeel gedwongen kan worden om maatregelen te nemen? Wat is dan de functie van een dergelijke eis?
De guidance is van relatief recente datum, en de invulling ervan is nog in ontwikkeling. Op dit moment is het de toezichthouder die de guidance bepaalt, op basis van de stresstestresultaten. Het voorstel van de Europese Commissie voorziet erin dat een bank in eerste instantie de guidance zelf bepaalt, waarna de toezichthouder evalueert of zij dit bedrag voldoende acht. Wanneer dit niet het geval is kan de toezichthouder aan de bank melden dat zij verwacht dat de bank meer kapitaal aanhoudt. Dit is een advies en geen formele eis. Wanneer een bank stelselmatig niet aan de guidance voldoet kan de toezichthouder besluiten dit om te zetten in een «harde» Pijler 2-kapitaaleis, zoals beschreven in het antwoord op vraag 3. Het is aan de toezichthouder om te bepalen wanneer er omzetting van de guidance naar de «harde» eis moet plaatsvinden. Dit is naar verwachting mede afhankelijk van de duur en de ernst van de overschrijding. Vervolgens kan deze «harde» eis afgedwongen worden, wat betekent dat de minimum kapitaaleisen omhoog gaan. Zoals eerder aangegeven wordt de «harde» Pijler 2-eis openbaar gemaakt en telt deze daarmee alsnog mee voor het bepalen van de ruimte voor het uitkeren van onder meer dividend. Zie verder het antwoord op vraag 3 voor de relatie met de kapitaalconserveringsbuffer.
Maakt de ECB gebruik van andere middelen om deze eis toch af te dwingen? Wat wordt er bijvoorbeeld bedoeld met de zinsnede: «De toezichthouders kunnen met goed afgestemde maatregelen komen?» Wat houden deze maatregelen in en hoe zorgen deze ervoor dat een bank toch het gewenste kapitaalniveau bereikt? Hoe verhouden deze maatregelen zich bijvoorbeeld tot de maatregelen die genomen kunnen worden wanneer de kapitaalconserveringsbuffer wordt doorbroken?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat wanneer de toezichthouder van mening is dat er meer kapitaal nodig is dit gewoon afgedwongen moet kunnen worden?
Ja. Indien de toezichthouder van mening is dat meer kapitaal nodig is, dan kan zij de verwachting uitspreken dat de hoogte van de guidance opwaarts moet worden bijgesteld. Indien daaraan stelselmatig geen gehoor wordt gegeven kan zij, afdwingbaar, meer kapitaal eisen door middel van het verhogen van de pijler 2-kapitaaleis.
Hoe oordeelt u over de uitspraak dat de ECB met het verzoek aan banken zou willen voorkomen dat er paniek op de markten uitbreekt? Deelt u de mening dat het vreemd is dat beleggers en het publiek door dit verzoek niet duidelijk kunnen zien wat het vereiste of gewenste kapitaalniveau van een bank is, en daardoor geen adequate inschatting kunnen maken van het risico dat een bank loopt? Deelt u de mening dat deze paniek omtrent richtsnoeren juist kan ontstaan omdat onduidelijk is wat de betekenis en de afdwingbaarheid van deze richtsnoeren precies zijn? Deelt u voorts de mening dat juist de verplichte publicatie van dit soort richtsnoeren kan leiden tot het aanhouden van meer kapitaal door banken?
Het kabinet is voorstander van verheldering van de regels van het kapitaaleisenraamwerk waar dat nodig is. Het is van belang dat er voor beleggers duidelijkheid bestaat over de situatie waarin wel of niet sprake kan zijn van de uitkering van coupons op AT1-instrumenten, dividend of bonussen. Duidelijkheid helpt om eventuele onrust onder beleggers weg te nemen, zonder daarmee de kapitaaleisen af te zwakken. Het Commissievoorstel verheldert welke kapitaaleisen moeten worden meegenomen voor de berekening van de MDA, en levert hier dus een positieve bijdrage aan.
Alhoewel beleggers mogelijk negatief oordelen wanneer een bank niet aan gepubliceerde richtsnoeren (guidance) voldoet, ben ik van mening dat transparantie over guidance over het algemeen juist positief kan uitpakken. In algemene zin kan duidelijkheid en transparantie over de aard en omvang van (kapitaal)eisen, bij beleggers de bereidheid vergroten om banken van (goedkopere) financiering te voorzien. Ik verwacht dan ook dat beleggers van banken zullen willen weten hoe hoog de guidance is en/of hier zelf inschattingen van zullen gaan maken.
Mogelijk leidt de publicatie van de hoogte van de guidance tot het aanhouden van meer kapitaal door banken, maar dit effect moet niet worden overschat. Ook wanneer banken dit niet publiceren, zullen zij vermoedelijk hieraan willen voldoen om (lastige) discussies met de toezichthouder te vermijden. Immers de toezichthouders kan de guidance onder voorwaarden omzetten in een harde kapitaaleis (zie het antwoord op vragen 4 en 5).
Deelt u de mening dat de afdwingbaarheid van deze richtsnoeren bijvoorbeeld vergroot kan worden door het uitkeren van dividenden of bonussen te verbieden in geval er niet wordt voldaan aan deze eisen?
Zoals gesteld in antwoord op vraag 3, bevat het kapitaaleisenraamwerk harde kapitaaleisen waar te allen tijde aan moet worden voldaan, en kapitaalbuffers waar banken op mogen interen. In dat geval krijgen ze echter te maken met beperkingen aan het uitkeren van onder andere dividend. Het idee achter de guidance is dat banken extra ruimte inbouwen om bij tegenwind niet direct te maken te krijgen met beperkingen aan het uitbetalen van dividend, bonussen en betalingen op AT1-instrumenten. Vanuit die gedachte, ligt het niet voor de hand om aan het niet voldoen aan de guidance op zichzelf ook weer de consequentie te verbinden dat beperkingen aan onder meer dividenduitkeringen worden gesteld. Daarnaast is het risico sowieso al groter dat banken die niet aan de guidance voldoen te maken krijgen met onder meer dividendbeperkingen, omdat zij zich dicht(er) in de buurt bij het punt begeven waarop niet meer aan de kapitaalbuffers wordt voldaan (waar de MDA-beperkingen in werking zouden treden). Wel acht ik van belang dat banken niet worden beperkt in de mogelijkheid om de hoogte van de guidance aan de buitenwereld te communiceren. Dit zal Nederland inbrengen tijdens de onderhandelingen over de aangehaalde Commissievoorstellen.
Bent u bereid om de afdwingbaarheid van richtsnoeren alsmede de verplichte publicatie van deze richtsnoeren in te brengen in de behandeling van de risico-reducerende maatregelen die onlangs door de Europese Commissie zijn gepresenteerd?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘Geef grenswerkers belastingkorting’ |
|
Harm Brouwer (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geef grenswerkers belastingkorting»?1
Ja.
Deelt u de mening dat er grote kansen liggen voor grensregio’s om problemen op het gebied van werkloosheid en krimp aan te pakken door samen te werken met regio’s aan de andere kant van de grens? Zo ja, hoe denkt u deze kansen te kunnen verzilveren?
Ja. Overigens delen alle leden van het actieteam grensoverschrijdende economie en arbeid, uit de kringen van provincies, gemeenten, euregio’s, MKB-Nederland, VNG en het Rijk, deze mening. Het actieteam heeft op 30 januari 2017 zijn rapport gepubliceerd met daarin veertig acties op zeven verschillende aandachtsgebieden. Bij de aanbieding van het rapport aan uw Kamer op 30 januari 2017 hebben wij geschreven dat de uitvoering van de agenda van het actieteam in belangrijke mate bijdraagt aan het versterken van de grensoverschrijdende economie en arbeidsmarkt.2 Belangrijk punt uit het rapport is dat daarbij met de buurlanden door alle overheidsniveaus goed wordt samengewerkt. Het actieteam heeft elementen geformuleerd voor een andere effectievere structuur. Wij zullen de komende periode, samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de betrokken partijen in de grensregio’s en de buurlanden, de samenwerking verder uitwerken langs de door het actieteam voorgestelde lijnen.
Deelt u de mening dat het daarbij van groot belang is dat actie wordt ondernomen op het gebied van taal, cultuur en diploma-erkenning? Zo ja, wat gaat u concreet doen aan deze verschillen?
Ja. Taal en cultuur enerzijds en diploma-erkenning anderzijds zijn twee van de zeven aandachtsgebieden waar het actieteam acties op geformuleerd heeft. Voor het antwoord op uw vraag wat wij er concreet aan gaan doen, verwijzen wij naar de in het actieteam-rapport geformuleerde acties. Het rapport is u schriftelijk aangeboden.
Deelt u de mening dat fiscale verschillen en verschillen tussen sociale zekerheidsstelsels voor grote onzekerheid zorgen bij bewoners van grensregio’s om te kunnen werken in België of Duitsland? Zo ja, welke maatregelen wilt u nemen om deze onzekerheid weg te nemen?
Het kabinet en de grensregio’s zetten voor fiscale verschillen en verschillen in sociale verzekeringsstelsels fors in op het optimaliseren van de informatievoorziening voor grenswerkers, zodat de verschillen inzichtelijk worden. Nederland, België en Duitsland verschillen van elkaar, net zo als Duitsland en België ook weer verschillen van hun andere buurlanden. Dat geldt voor veel onderwerpen, zoals taal, cultuur, onderwijssystemen, maar ook belastingen en sociale zekerheid. Harmoniseren van wetgeving hierop is in het algemeen geen haalbare kaart. Lidstaten, ook Nederland, hechten immers aan het nationale primaat voor het sociaaleconomisch beleid, zoals de organisatie van de arbeidsmarkt, loonvorming, sociale zekerheid en pensioenen. Dat betekent dat de (potentiële) grenswerker zich zal moet verdiepen in de stelsels van het potentiële werkland om te bepalen wat de verplichtingen, rechten en (financiële) gevolgen zijn van werken over de grens. Een optimale voorlichting is daarom cruciaal zodat de (potentiële) grensarbeider niet voor verrassingen komt te staan. In het actieteam-rapport staan diverse acties opgenomen die ervoor zorgen dat de informatievoorziening wordt versterkt.
Naast deze informatievoorziening is het ook van belang dat generieke negatieve effecten van verschillen worden verzacht. Zo zijn er compensatieregelingen voor de inkomstenbelasting van kracht voor grenswerkers.3
Voor de sociale zekerheid is op Europees niveau sprake van coördinatie, en niet van harmonisatie. Dit geeft duidelijkheid wanneer men onder de regelingen van het werkland (hoofdregel), en wanneer men onder de regelingen van het woonland valt.
Het voorkomen van financiële nadelen voor grensarbeiders is verweven in de Europese verordening sociale zekerheid (883/2004). Mochten er voor grensarbeiders bij overgang van het ene stelsel naar het andere overbruggingsproblemen ontstaan, dan kunnen uitvoeringsorganisaties dit op lossen door maatwerkafspraken, zoals wordt aanbevolen door het actieteam.
Hoe waardeert u de oproep van de gedeputeerden van Gelderland, Overijssel, Drenthe en Groningen om grenswerkers gebruik te laten maken van een expatregeling?
Een Nederlandse expatregeling in de loon- of inkomstenbelastingsfeer zal geen effect hebben op grenswerkers die werkzaam zijn in een ander land en alleen in dat werkland belasting op arbeid betalen. Om ervoor te zorgen dat grenswerkers zo min mogelijk nadeel ondervinden door verschillen in belastingheffing zijn er compensatieregelingen in de belastingverdragen met België en Duitsland opgenomen.
Bent u bereid het Actieplan Grensoverschrijdende Economie en Arbeid concreet om te zetten in beleidsmaatregelen of aanbevelingen aan het nieuwe kabinet om te investeren in deze regio’s? Zo ja, hoe krijgen die vorm? Zo nee, waarom niet?
Alle acties die het actieteam heeft geformuleerd zijn of worden door diverse partijen in gang gezet. Ik verwijs kortheidshalve naar de actieagenda die het actieteam heeft gepubliceerd en onze reactie hierop. Vanzelfsprekend is het noodzakelijk dat de voortgang goed bewaakt wordt. Het actieteam blijft in 2017 in stand en zal het komende jaar op uitvoering van die acties toezien.
De veiligheid van onze verkiezingen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Waarom is er niet eerder onderzoek gedaan naar de veiligheid van OSV-software?1
Op 1 februari 2017 heb ik een brief3 aan de Tweede Kamer gestuurd en daarin gesteld dat de berichten over de kwetsbaarheden van het gebruik van programmatuur (OSV) van de Kiesraad de vraag opwerpen of bij de komende verkiezing de berekening van de uitslag gemanipuleerd zou kunnen worden. Daarover mag geen enkele schaduw van twijfel hangen. Daarom heb ik geconcludeerd dat het, uit voorzorg, beter is om te besluiten dat bij de komende verkiezing OSV niet zal worden gebruikt. Mijn brief van 1 februari jl. is besproken in het Algemeen Overleg van 9 februari jl. De Kamer heeft deze aanpak gesteund.
Op 15 februari jl. heb ik de Tweede Kamer een tweede brief gestuurd waarin ik uiteen zet welke afspraken zijn gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken en de Kiesraad.
De komende verkiezing wordt, net als elke verkiezing, geëvalueerd. Ik zal in de evaluatie ook het proces van het berekenen van de uitslag en de hulpmiddelen die daarbij worden gebruikt goed onder de loep nemen om na te gaan hoe dit proces in de toekomst moet worden ingericht. Ik zal daarbij ook nagaan hoe de Kiesraad in het verleden is omgegaan met signalen over kwetsbaarheden in de OSV.
Welke maatregelen gaat u nemen om een veilige verkiezingsprocedure te garanderen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u garanderen dat de stemmen van de verkiezingen van 15 maart op papier worden geteld, voordat de uitslag definitief bekend wordt gemaakt?
Zie antwoord vraag 1.
Op basis waarvan beweerde u dat het stemproces niet te hacken zou zijn, als er nooit eerder onderzoek is gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u aanwijzingen dat er bij vorige uitslagen eventueel gefraudeerd is? Zo ja, wat voor conclusies verbindt u daar aan?
In de antwoorden die ik op 23 januari jl.4 aan uw Kamer heb gezonden over het manipuleren van verkiezingen heb ik gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat in het verleden de verkiezingen zijn gemanipuleerd.
Hoe is het mogelijk dat de Kiesraad van deze kwetsbaarheden in de verkiezingssoftware al 6 jaar op de hoogte is, maar u dit nooit aan de Kamer hebt gemeld of actie hebt ondernomen?2
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht “Nederlandse banken vanaf nu vaag over kapitaaleis” |
|
Arnold Merkies (SP) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Nederlandse banken vanaf nu vaag over kapitaaleis»?1
Zie de beantwoording van onderstaande vragen en de Kamervragen gesteld door lid Nijboer over dit krantenbericht (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1348).
Kunt u bevestigen dat de Europese Centrale Bank (ECB) verzocht heeft om de totale kapitaaleis niet meer te melden? Zo nee, bent u bereid om na te gaan bij de ECB wat er precies is afgesproken met ABN Amro en andere systeembanken over het al dan niet publiceren van de door de ECB opgelegde kapitaaleis en om deze informatie met de Kamer te delen?
Nee. De kapitaaleisen die van belang zijn voor het vaststellen van het bedrag dat door een bank maximaal aan onder andere rente op aanvullend tier 1 (AT1) couponbetalingen, dividend en bonussen mag worden uitgekeerd (de zogenoemde Maximum Distributable Amount, MDA) moeten openbaar worden gemaakt. De guidance telt niet mee in het bepalen van deze MDA en hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Ik acht het niettemin van belang dat banken niet worden beperkt in de mogelijkheid om de hoogte van de guidance aan de buitenwereld te communiceren als zij hiertoe over willen gaan. De ECB heeft de banken niet verzocht om de guidance niet openbaar te maken. De banken hebben de mogelijkheid om dit te doen. DNB heeft mij aangegeven dat zij bij de Nederlandse banken onder de aandacht zal brengen dat zij kunnen overgaan tot het openbaar maken van de hoogte van de guidance als zij dit willen doen. Mij lijkt dit gewenst.
Welke risico’s ziet u wanneer de gewenste kapitaaleis niet meer publiek gemaakt wordt?
Het kabinet is voorstander van verheldering van de regels van het kapitaaleisenraamwerk waar dat nodig is. Het is van belang dat er voor beleggers duidelijkheid bestaat over de situatie waarin wel of niet sprake kan zijn van de uitkering van coupons op AT1-instrumenten, dividend of bonussen. Duidelijkheid helpt om eventuele onrust onder beleggers weg te nemen, zonder de kapitaaleisen af te zwakken.
Erkent u dat het niet publiceren van de kapitaaleis mogelijk leidt tot het verkeerd inschatten van de waarde van bankaandelen, en daarmee risico’s voor de financiële stabiliteit met zich meebrengt?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u alle voorkomende gevallen noemen waarbij paniek op de markten is ontstaan door publicatie van de gewenste kapitaalbuffer (ook pre-bankenunie) of de verhoging van een richtsnoer door de nationale of Europese toezichthouder?
Ik heb al deze voorkomende gevallen niet beschikbaar. Zoals gesteld in mijn beantwoording van de vragen van lid Nijboer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1348) over dit krantenartikel «Bank is voortaan vaag over kapitaaleis» ben ik de mening toegedaan dat transparantie over het algemeen juist positief kan uitpakken. Duidelijkheid en transparantie over de aard en de omvang van (kapitaal)eisen, kan bij beleggers de bereidheid vergroten om banken van (goedkopere) financiering te voorzien. Ik verwacht dan ook dat beleggers van banken zullen willen weten hoe hoog de guidance is en/of hier zelf inschattingen van zullen gaan maken.
Vindt u minder transparantie het juiste middel om de stabiliteit van het financiële stelsel te borgen?
Nee, zie mijn beantwoording bij vragen 3, 4 en 5.
Alternatieve Sjöterie Sint Christina Stank Stief Sjaelberg |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft uw kennisgenomen van het schrijven van de Dienst Justis aan de Alternatieve Sjöterie onder kenmerk OWM2517 in december 2016 en januari 2017?
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie dat de Dienst Justis op 27 december 2016 belt naar de Alternatieve Sjöterie dat de ontheffing ex artikel 4 van de Wet wapens en munitie wordt verleend, en dat twee dagen later een officiële brief naar de Sjöterie wordt gestuurd door dezelfde Dienst Justis die aangeeft dat de ontheffing niet wordt verleend en dat hen zelfs een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar boven het hoofd hangt?
Het is gebruikelijk om bij de beoordeling van een aanvraag na te gaan op welk adres het kanon, waarvoor ontheffing wordt gevraagd, normaliter voorhanden wordt gehouden. Daarover is derhalve telefonisch contact geweest. In dit gesprek is gesproken over een voornemen maar geen definitieve toezegging gedaan. Een ontheffing wordt niet telefonisch verleend.
Bij de nadere beoordeling van de aanvraag is vervolgens duidelijk geworden dat het hier een zelfgebouwd kanon betreft, terwijl voor het vervaardigen daarvan geen vergunning (erkenning) was afgegeven. Dat is in strijd met de Wet wapens en munitie. Om die reden is de ontheffing geweigerd. In de brief van Dienst Justis is uitsluitend, onder verwijzing naar de desbetreffende wetsartikelen, aan aanvrager kenbaar gemaakt dat het zonder erkenning vervaardigen van een kanon een strafbare handeling is, welke in beginsel kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of een geldboete van de vierde categorie. Nergens is gesteld dat de aanvrager voornoemde straf boven het hoofd hangt.
Welke waardering geeft u aan de volgende passage in het schrijven van de Dienst Justis van 23 januari 2017 «Hoewel ik betreur dat bij u, als gevolg van een telefonische mededeling, het vermoeden is ontstaan dat de door u gevraagde ontheffing zou gaan worden verleend, heeft u hieraan niet het gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat dit ook daadwerkelijk zou gaan gebeuren.»?
Die onderschrijf ik volledig.
Deelt u de stelling van de Dienst Justis, dat als een ambtenaar van uw ministerie belt met een mededeling, de burger niet het idee mag hebben dat het waar is wat deze medewerker aan de telefoon zegt?
De persoon die met het ministerie belt moet er voetstoots vanuit kunnen gaan dat hetgeen hem verteld wordt op waarheid berust.
Hoe beoordeelt u dat de Dienst Justis de correct ingediende aanvraag in de behandeling op incorrecte wijze opneemt (zo werd de naam van de Sjöterie telkens verkeerd gespeld, werd het aantal wapens waarvoor de ontheffing werd gevraagd verhoogd; de aanvraag voor de ontheffing was op het wapen maar de Dienst Justis behandelde het al ware het aangevraagd op het afvuren)?
Abusievelijk is in de correspondentie het woord «Stief» achterwege gelaten, waardoor gesproken werd over «Alternatieve Sjöterie Sint Christina Stank Sjaelberg» in plaats van «Alternatieve Sjöterie Sint Christina Stank Stief Sjaelberg». Daarnaast is in de brief gesproken over drie kanonnen in plaats van één kanon, dit betrof een verschrijving.
Dienst Justis heeft uit de ingediende aanvraag opgemaakt dat een ontheffing is gevraagd met als doel het geven van saluutschoten bij maatschappelijke evenementen en derhalve geconcludeerd dat het ook de bedoeling is van aanvragers het kanon af te vuren.
Deelt u de mening dat een dergelijke slordige behandeling niet bijdraagt aan een stevig beeld van een betrouwbare overheid, zeker als het om de Wet wapens en munitie gaat?
Ik erken dat de gang van zaken ongelukkig is.
Deelt u de mening dat het uitdragen van de Limburgse cultuur en historie bijdraagt aan de kwaliteit van leven in deze provincie van Nederland?
Ik realiseer me terdege hoe trots veel Limburgers zijn op hun specifieke cultuur.
In hoeverre weegt de mening van de burgemeester Hessels van Echt-Susteren en de medewerkers van de korpschef politie, die wél weten waar de Alternatieve Sjöterie het over heeft in hun aanvraag, dat deze Alternatieve Sjöterie met hun kanon zeer gewetensvol omgaan en daarmee sterk bijdragen aan maatschappelijke en culturele doelstellingen in de gemeente en dat daarom de ontheffing verleend zou moeten worden?
Justis heeft een zelfstandige bevoegdheid inzake de afhandeling van ontheffingsverzoeken. Leidend bij de beoordeling van die verzoeken is de regelgeving op het terrein van wapens en munitie. De mening van een burgemeester en korpschef worden meegenomen in de beoordeling van een verzoek, maar daaraan komt, gezien de regelgeving, niet altijd doorslaggevende betekenis toe.
Bent u bereid om de beslissing op de aanvraag van de Alternatieve Sjöterie te laten herzien, omdat de belangrijke Wet wapens en munitie niet gemaakt is om degelijke cultuur-historisch evenementen te dwarsbomen?
Doel van de Wet wapens en munitie is het tegengaan van illegaal wapenbezit en beheersing van het legale wapenbezit. Daarmee is de veiligheid in de samenleving gediend. De beslissingen op verzoeken om ontheffing worden in dat kader genomen. De weg van bezwaar tegen de genomen beslissing staat nog open. Ik kan niet vooruit lopen op een eventuele beslissing op bezwaar.
Bent u bereid om de Alternatieve Sjöterie op het Ministerie van Veiligheid en Justitie te ontvangen om de werking van het kanon zelf te aanschouwen en te beluisteren?
In het licht van de hiervoor gegeven antwoorden zie ik daartoe geen aanleiding.
Het bericht dat uitzendbureaus bereid zijn louter ‘wit’ personeel te leveren |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Discriminatie bij uitzendbureaus: «Wit personeel? Komt in orde»» van 30 januari jl.?1
Het kabinet vindt discriminatie een ernstige zaak en onacceptabel. Discriminatie en uitsluiting, ook in de werving en selectiefase, is in Nederland verboden. Indien iemand zich gediscrimineerd voelt, is het belangrijk dat hij of zij hiervan een melding maakt bij de gemeentelijke antidiscriminatievoorziening (ADV), het College voor de Rechten van de Mens (College) dan wel aangifte doet bij de politie. Door aangifte te doen dan wel een melding te maken trek je een duidelijke grens en kan er door het College een oordeel in de betreffende zaak worden gegeven dan wel door de rechter een uitspraak worden gedaan. Zij zijn hiertoe bevoegd en het beste uitgerust.
Het is daarnaast belangrijk dat werkgevers iedere sollicitant op diens eigen kwaliteiten beoordelen. Alleen dan is het mogelijk om ook daadwerkelijk de beste kandidaat voor de functie te selecteren. Om werkgevers bewust te maken van mogelijke onbewuste vooroordelen ben ik in 2016 een campagne over arbeidsmarktdiscriminatie gestart. Onderdeel van deze campagne was een toolkit met tips voor werkgevers om te voorkomen dat vooroordelen de sollicitatieprocedure beïnvloeden (te vinden op www.discriminatie.nl). Deze campagne zal in 2017 worden herhaald.
Deelt u de mening dat uitzendbureaus die discrimineren op non-actief moeten worden gesteld of, bij herhaaldelijke overtreding, definitief van de markt moeten worden geweerd? Zo ja, hoe denkt u dit te bereiken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet accepteert geen discriminatie en wil dan ook geen zaken doen met bedrijven die discrimineren. Sinds begin 2015 is in de zogenaamde Raamovereenkomst inhuur flexibele arbeidkrachten een bepaling opgenomen dat overeenkomsten met bedrijven die zich schuldig maken aan discriminatie onmiddellijk kunnen worden beëindigd. Om deze werkwijze toe te kunnen passen, dient sprake te zijn van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling wegens arbeidsmarktdiscriminatie.
Een besluit om geen zaken (meer) te doen met een discriminerend bedrijf dient daarnaast, gelet op de vereiste proportionaliteit, van geval tot geval te worden beoordeeld, waarbij de terugkijkperiode of het bedrijf is veroordeeld voor discriminatie niet meer dan drie jaar mag bedragen en de betreffende marktpartij de mogelijkheid moet hebben gehad te laten zien over een voldoende «zelfreinigend vermogen» te beschikken. Indien aan al deze voorwaarden wordt voldaan kan een discriminerend bedrijf van die opdracht van de rijksoverheid worden uitgesloten.
Bent u bereid om de Inspectie SZW te wijzen op het discriminerende gedrag van de betreffende uitzendbureaus? Wat is het effect van eerder ingezette programma’s om discriminatie bij werving en selectie bij uitzendbureaus te bestrijden?
Het wijzen van de Inspectie SZW op dit soort signalen is niet nodig, omdat het team arbeidsdiscriminatie bij de Inspectie SZW reeds rekening houdt met geïdentificeerde risicosectoren en signalen van mogelijke discriminatie uit bedrijven, College, ADV’s en politie in haar selectie van te inspecteren bedrijven. Zo kan het team bij signalen dat een bepaalde werkgever c.q. inlener discriminerende wervingscriteria stelt, zoals bijvoorbeeld in het artikel van het Parool aan de orde, nagaan of het bedrijf een afdoende anti-discriminatiebeleid heeft. De bevoegdheden van het team richten zich hierbij tot het beleid met betrekking tot de werkvloer. De Inspectie SZW heeft geen bevoegdheden ten aanzien van de werving- en selectiefase, beloningsaspecten en individuele gevallen.
Door het kabinet wordt verder met het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie van mei 2014 met daarin 48 maatregelen concreet werk gemaakt van de aanpak van discriminatie op de arbeidsmarkt. Met de tweede voortgangsrapportage over dit actieplan van 3 november 2016 ben ik uitvoerig ingegaan op de voortgang van alle bestaande acties en de nieuwe acties die in dit verband het afgelopen jaar zijn opgepakt. Voorbeelden hiervan zijn het Charter Diversiteit van de Stichting van de Arbeid dat inmiddels 80 ondertekenaars kent, de aanpak jeugdwerkloosheid, het niet zaken doen met discriminerende bedrijven en de campagne arbeidsmarktdiscriminatie. Met deze acties wordt zowel ingezet op het voorkomen van discriminatie door het creëren van meer bewustwording als op de bestrijding hiervan door discriminatie stevig aan te pakken wanneer dit zich voordoet. Het is zaak om deze maatregelen de tijd te geven om te beklijven in de samenleving en betrokken partijen de ruimte te bieden hiermee aan de slag te gaan. Het is immers uiteindelijk een zaak van werkgevers(organisaties), brancheorganisaties en werknemers om hier stappen in te zetten.
Een voorbeeld van activiteiten die hierin reeds zijn ondernomen is de ondertekening van het Charter Diversiteit door o.m. de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU), VNO NCW, MKB Amsterdam en MKB Rotterdam. Door ondertekening van het Charter Diversiteit zeggen deze organisaties toe concrete, zelf geformuleerde maatregelen te ondernemen die een evenwichtige personeelssamenstelling en een inclusieve bedrijfscultuur te bevorderen en daarmee discriminatie op de werkvloer tegen gaan. Ook de ontwikkeling door de ABU en de NBBU samen met het opleidingsfonds uit de branche (STOOF) van een app om intercedenten te trainen in het herkennen van (onbewuste) discriminatie draagt bij aan de benodigde bewustwording over dit onderwerp. Ik neem deze positieve ontwikkeling met interesse waar en roep betrokken partijen op om ook in de toekomst hierin stappen te blijven zetten.
Maakt de overheid gebruik van diensten van de betreffende uitzendbureaus en zo ja, bent u bereid om die samenwerking naar aanleiding van dit nieuws te heroverwegen?
Het is mij niet bekend om welke uitzendbedrijven het gaat. Bij het sluiten van raamcontracten met uitzendbedrijven gaat de rijksoverheid zorgvuldig te werk en stelt daarbij kwaliteitseisen aan deze bedrijven. De rijksoverheid geeft verder het goede voorbeeld door geen zaken te willen doen met uitzendbedrijven die discrimineren. In de raamcontracten met uitzendbedrijven is opgenomen dat indien sprake is van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling wegens discriminatie het contract onmiddellijk kan worden opgezegd.
Hoeveel contracten met uitzendbureaus heeft de rijksoverheid inmiddels beëindigd vanwege veroordeling van discriminatie?
De rijksoverheid heeft tot dusverre geen contracten beëindigd met uitzendbedrijven wegens onherroepelijke veroordeling van discriminatie.
Is u bekend of de gemeente Amsterdam de uitgestelde proef met anoniem solliciteren alsnog gaat uitvoeren? Zo ja, wanneer zijn de resultaten daarvan te verwachten? Zo nee, bent u bereid om de gemeente aan te sporen om dit alsnog te doen?
De gemeente Amsterdam staat positief ten opzichte van het uitvoeren van een pilot met betrekking tot anoniem solliciteren. Nu de pilots bij de gemeenten Den Haag en Utrecht zijn afgerond en de eindrapportage «Monitor anoniem solliciteren en netwerkbijeenkomsten» in november 2016 is opgeleverd, is er voor de gemeente Amsterdam voldoende informatie voorhanden om een afweging te kunnen maken en om te onderzoeken hoe, wanneer en met welke scope deze pilot kan worden opgezet. De gemeente Amsterdam benadrukt dat het instrument van anoniem solliciteren integraal onderdeel moet zijn van het reeds bestaande, brede pakket aan maatregelen, omdat anders onbewuste vooroordelen in een later stadium mogelijk alsnog zorgen voor discriminatie.
Wat belet u om een Rijksbrede pilot met anoniem solliciteren bij de overheid uit te voeren?
Het invoeren van een rijksbrede pilot met anoniem solliciteren valt binnen het beleidsterrein Rijksdienst, onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Naar aanleiding van de motie Marcouch c.s. over een pilot met anoniem solliciteren bij de rijksoverheid (Kamerstuk 34 550-XV, nr. 38) heeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst op 12 december 2016 de Kamer middels een Kamerbrief de motie gemotiveerd ontraden. Ik verwijs u daarom naar deze Kamerbrief van 12 december 2016.
Het bericht “Wilt u tekenen voor de democratie” |
|
Norbert Klein (Klein) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel in het NRC van 28 januari 2017 «Wilt u tekenen voor de democratie.»?
Ja.
Kent u de problemen met het afgeven van ondersteuningsverklaringen door gemeenten?
Bent u op de hoogte van de vele klachten bij uw ministerie of de Kiesraad over het gebrek aan dienstverlening door gemeenten bij het afgeven van ondersteuningsverklaringen?
In hoeverre bent u van oordeel dat gemeenten momenteel dienstbaar zijn om het verkiezingsproces in goede orde te laten verlopen?
Herkent u klachten als zouden ambtenaren burgerzaken niet geïnstrueerd zijn, of dat er slechts 1 geïnstrueerde ambtenaar is die vervolgens niet vervangen wordt bij diens afwezigheid binnen de openingstijden, of dat gemeenten die in tegenstelling tot de BZK-informatie alleen op afspraak ondersteuningsverklaringen willen afgeven, of dat gemeenten het vragen aan kiezers om ondersteuningsverklaringen in en nabij de openbare ruimte, zoals in de BZK-nieuwsbrief nr 5 van januari 2017 staat, verbieden, of gemeenten die weigeren ondersteuningsverklaringen binnen de hersteltermijn voor verzuimen af te geven?
In hoeverre deelt u de mening dat het tegen de geest van de Kieswet is en bureaucratisch selectief, om loketten voor 1 dag, te weten de dag na de kandidaatstelling, en voor de formele Kiesraadbeslissing over het verzuim inzake het vereiste aantal ondersteuningsverklaringen, te sluiten, terwijl de verzuimtermijn nog niet verstreken is en de betrokken politieke groeperingen graag ondersteuningsverklaringen in ontvangst willen nemen?
De Kieswet bepaalt in artikel H 4, derde lid, dat ondersteuningsverklaringen kunnen worden afgelegd binnen een termijn van veertien dagen voorafgaand aan of op de dag van de kandidaatstelling. Voor de aanstaande Tweede Kamerverkiezing liep deze periode van 16 tot en met 30 januari 2017. Op grond van artikel I 2, tweede lid, te lezen in samenhang met artikel I 2, eerste lid, onderdeel a, van de Kieswet kan degene die de kandidatenlijst heeft ingeleverd en daarbij niet ten minste het voorgeschreven aantal ondersteuningsverklaringen heeft overgelegd, dit verzuim herstellen binnen de termijn van drie dagen na de zitting van het centraal stembureau tot het onderzoeken van de kandidatenlijsten, bedoeld in artikel I 1, eerste lid, van de Kieswet. Voor de aanstaande Tweede Kamerverkiezing liep deze herstelperiode van 1 februari tot en met 3 februari 2017. Op grond van artikel I 2, derde lid, van de Kieswet kunnen kiezers gedurende deze periode alsnog ondersteuningsverklaringen afleggen.
De Kieswet regelt dus niet dat de verklaringen ook kunnen worden afgelegd op de dag van de zitting van het centraal stembureau tot het onderzoeken van de kandidatenlijsten (voor de aanstaande Tweede Kamerverkiezing was dit 31 januari 2017). Ik zal in het kader van de evaluatie van de verkiezing bezien of de wet op dit punt aanpassing behoeft.
Bent u bereid te bevorderen dat de onduidelijkheid in de wetgeving over het afgeven van ondersteuningsverklaringen tot het sluiten van de hersteltermijn van verzuimen wordt opgeheven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om in overleg met de VNG en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken na te gaan hoe de dienstverlening bij het verstrekken van ondersteuningsverklaringen verbeterd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 2 t/m 5 heb weergegeven, zal ik in overleg gaan met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken over de vraag hoe bij een volgende verkiezing de dienstverlening van gemeenten, waar nodig, op dit punt kan worden verbeterd.
Bent u bereid de gemeenten nog duidelijk te informeren, bijvoorbeeld door een extra nieuwsbrief, dat tot het verstrijken van de wettelijke hersteltermijn voor verzuimen bij kandidatenlijsten, vrijdag 3 februari 15.00 uur, gemeenten binnen de gebruikelijke openingstijden zonder afspraak ondersteuningsverklaringen op verzoek van kiezers moeten laten tekenen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 2 t/m 5 heb weergegeven, heb ik de gemeenten tweemaal geïnformeerd over de mogelijkheid dat kiezers ondersteuningsverklaringen komen afleggen, en over de termijnen waarbinnen gemeenten kiezers daartoe gelegenheid moeten bieden.
Weer een lancering van een ballistische raket door Iran |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Report: Iran launches ballistic missile test in violation of UN resolution»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat Iran opnieuw een ballistische raket heeft afgevuurd als onderdeel van een reeks testen om het bereik en de nauwkeurigheid van deze raketten te vergroten? Graag een toelichting.
Het kabinet kan bevestigen dat Iran op 29 januari jl. een ballistische raket heeft afgevuurd van het type «Khorramshahr». Dit is een middellangeafstandsraket met een geschat bereik van 1000–3.000 km. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de mogelijke intenties van Iran met deze lancering.
Is deze test weer een schending van VN-resolutie 2231, waarin staat bepaald dat Iran geen ballistische raketten mag ontwikkelen waarmee nucleaire ladingen gelanceerd kunnen worden, laat staan deze wapens mag testen? Graag een toelichting.
De afgevuurde raket valt binnen de «Categorie 1 Systemen», zoals door het Missile Technology Control Regime (MTCR) gedefinieerd. Op basis van deze richtlijnen kan worden gesteld dat zulke «Categorie 1 Systemen» in theorie in staat zijn om massavernietigingswapens te vervoeren. Het afvuren van dit soort raketten is juridisch gezien geen schending van VNVR-Resolutie 2231 (2015), maar wel inconsistent met paragraaf 3 van Annex B van die resolutie, waarin Iran wordt opgeroepen geen activiteiten te ondernemen m.b.t. ballistische raketten die ontworpen zijn om in staat te zijn kernwapens te vervoeren.
Kunt u nader toelichten of er inmiddels maatregelen zijn getroffen tegen Iran – zoals het instellen van nieuwe sancties – naar aanleiding van vorige lanceringen van ballistische raketten door Iran in 2015 en 2016? Om welke maatregelen gaat het?
Zoals vermeld in de beantwoording van schriftelijke vragen gesteld op 19 juli 2016 (Kamerstuk 2016D32174) is bij voorgaande ballistische raketlanceringen door Iran gebleken dat er onvoldoende draagvlak bestond binnen de VNVR en EU voor het instellen van nieuwe maatregelen jegens Iran. Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van de EU op 12 maart 2016 zijn zorgen kenbaar gemaakt over de ballistische raketlanceringen door Iran en gepleit voor een gezamenlijke reactie van de Europese Unie. Ook heeft de EU, mede op aandringen van Nederland, in een verklaring (d.d. 14 juli 2016) Iran opgeroepen af te zien van activiteiten die inconsistent zijn met VNVR-Veiligheidsraad resolutie 2231.
Heeft u aangedrongen in VN- en/of EU-verband op dergelijke maatregelen? Heeft u getracht het ontbrekende draagvlak daarvoor te versterken? Zo ja op welke wijze? Zo nee, waarom niet? En bent u van plan om dat nu wel te doen? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het niet normaal is dat landen – in dit geval Iran – ongestraft wegkomen met (herhaaldelijke) schendingen van VN-resoluties? Bent u eveneens van mening dat Iran deze onwelwillendheid om in te grijpen kan opvatten als vrijbrief om door te gaan met de ontwikkeling van ballistische raketten, hetgeen ook de Nederlandse veiligheid en die van onze bondgenoten raakt? Graag een toelichting.
Het kabinet acht het van groot belang dat de VNVR en de EU ballistische raketlancering die inconsistent zijn met Annex B van VNVR-resolutie 2231 consequent bij Iran aankaarten. De onderhandelingen over het Iraanse nucleaire akkoord hebben aangetoond dat de internationale gemeenschap de meeste kans op resultaat heeft als het samen optrekt.
Ik heb in zeer recente bilaterale politieke contacten met Iran het ongenoegen over de raketlancering geuit. Het kabinet is overigens van mening dat omdat het om inconsistenties met een VN-Veiligheidsraadresolutie gaat, de VNVR het primaire gremium is waarin hierover gesproken moet worden. Dit is consequent gebeurd: bij de Iraanse raketlanceringen in maart 2016, oktober 2016 en ook op 31 januari jl. is de VN-Veiligheidsraad op verzoek van de Verenigde Staten in een spoedzitting bijeengekomen om te spreken over de lancering van 29 januari jl. De Verenigde Staten heeft op 3 februari jl. 13 individuen en 12 entiteiten toegevoegd aan reeds bestaande, niet-nucleair gerelateerde sanctielijsten. Het kabinet dringt er ook in EU-verband op aan dat Iran wordt aangesproken op deze lanceringen.
Deelt u inmiddels de mening dat Iran zich klaarblijkelijk weinig aantrekt van voorgaande waarschuwingen en van de zorgen die heersen binnen de internationale gemeenschap ten aanzien van deze lanceringen door de houding van Iran? Zo ja, wat gaat u eraan doen om hier verandering in aan te brengen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat de verwachting dat Iran zich na de nucleaire deal gematigder en meer meewerkend op zou stellen niet is uitgekomen en dat het land zich nog steeds niet gedraagt volgens de binnen de internationale gemeenschap breed gedeelde normen en waarden? Wat moet er volgens u gebeuren om hier verandering in aan te brengen?
Iran maakt sinds het bereiken van het nucleaire akkoord, na jarenlange isolement, weer deel uit van de internationale gemeenschap. Het akkoord is het bewijs dat multilaterale diplomatie effectief is en dat met Iran verifieerbare afspraken te maken zijn. De gewenste constructieve rol van Iran in de regio laat echter op zich wachten. Iran speelt een sleutelrol in m.n. Syrië en Irak. De assertievere rol van Iran in de regio baart de Soennitische landen grote zorgen en wordt door hen gezien als een bedreiging. Het kabinet zal, zoveel mogelijk gezamenlijk met de EU-partners, druk op Iran moeten blijven opvoeren. Het is belangrijk te kijken hoe dit zo effectief mogelijk te doen. Gesprekken met Iran, bilateraal -bijvoorbeeld zoals tijdens de ontbieding van de Iraanse ambassadeur over de situatie in Syrië d.d. 14 december 2016, maar ook in EU verband, worden benut om het land te overreden zich constructiever op te stellen.
De uitzending van Kassa inzake onveilige sleutelkluisjes |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de uitzending van Kassa van zaterdag 28 januari jl?
Ja.
Hoe oordeelt u over de constatering dat veel thuiswonende ouderen, vaak met thuiszorg, een onveilig, makkelijk te kraken sleutelkluisje bij hun deur hebben hangen, waardoor zij een makkelijke prooi zijn voor kwaadwillenden?
Daar waar hier sprake van is, is dit zeer onwenselijk.
In 2014 zijn ook al vragen gesteld over dit onderwerp; welke acties zijn er sindsdien ondernomen om het probleem aan te pakken?1
Onder verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie is in 2016 een traject ingezet om veilige toegang voor woningen van kwetsbare groepen te bevorderen. Bij dit traject zijn onder meer Actiz, Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland, de branchevereniging voor woonzorgtechnologie (WDTM), de Stichting Quality Assurance E-health, Vilans, het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en mijn ministerie betrokken. In dat kader vindt het gesprek over veilige methoden regelmatig plaats.
Onderdeel van dit traject is dat alle betrokken partijen richting hun leden uitdragen dat waar zij zelf verantwoordelijk zijn voor het (laten) plaatsen van sleutelkluisjes of elektronisch toegangsbeheer zij ook kiezen voor een veilige oplossing. De cliënt wordt goed voorgelicht over veilige oplossingen zodat deze een goede, veilige keuze kan maken. Daarbij ontwikkelt de WDTM ten behoeve van hun ketenkeurmerk een aparte module veilig toegangsbeheer voor zorgwoningen met daarin aandacht voor inbraakveiligheid.
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met betrokken partijen als gemeenten, zorgverzekeraars, verzekeraars, ouderenbonden en zorgorganisaties om te zien op welke manier elk van hen haar rol kan oppakken om het gebruik van veilige methoden (met het Politiekeurmerk Veilig Wonen) te bevorderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te bezien op welke wijze uitsluitend gebruik van gecertificeerde kluisjes of andere veilige methoden, in elk geval in zorgsituaties, meer dwingend op te leggen, bijvoorbeeld door een convenant of een richtlijn?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om meer publieksvoorlichting te faciliteren, zodat mensen meer bewust raken van het gevaar van een onveilig sleutelkluisje? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het CCV zal in nauwe samenwerking met enkele ouderenbonden en de politie in hun voorlichting hier dit jaar aandacht aan besteden. Zo wordt o.a. een factsheet voor zorginstellingen, gemeenten, politie en zorgverzekeraars gemaakt om hen te helpen met het op een veilige manier regelen van toegang tot zorgwoningen.
Bent u bereid (onderzoek naar) veilige alternatieven, zoals apps en domotica, te bevorderen en faciliteren? Zo ja, op welke wijze, zo nee waarom niet?
De technologische ontwikkelingen en alternatieven zijn legio. Uiteraard geldt voor alle nieuwe producten dat onderzocht moet worden dat het gaat om een veilige oplossing. Dit ligt echter niet primair bij de overheid, maar daar waar nodig faciliteren wij wel. Bijvoorbeeld bij een onderzoek door Vilans naar ervaringen bij zorginstellingen en cliënten met het werken met het sleutelkluisje en elektronische toegangssystemen.
Onderdeel van het CCV traject is een onderzoek naar de mogelijke doorontwikkeling van elektronisch toegangsbeheer. In dit onderzoek wordt ondermeer gekeken naar de voor- en nadelen van alternatieven voor sleutelkluisjes (bijv. naar een elektronisch slot of app).
Hoe oordeelt u over de bevinding van Kassa dat een sleutelkluisje dat volgens de fabrikant makkelijk te kraken is, toch op de productenlijst staat van het Politie Keurmerk Veilig Wonen?
Het betreffende product staat niet meer op de laatste versie van de PKVW Productenlijst.
Hoe oordeelt u over het beleid van de gemeente Putten, die € 30.000 subsidie voor de aanschaf van veilige kluisjes heeft vrijgemaakt?
Dit voorbeeld vanuit de gemeente Putten klinkt als een goed initiatief. Uiteraard is het zo dat de verantwoordelijkheid voor, en het bewust zijn van, veilige sleutelkluisjes juist ook bij de cliënt zelf en de professionals liggen die er gebruik van maken.
Deelt u het standpunt dat een overheid die wil dat hulpbehoevende ouderen en chronisch zieken zo veel mogelijk zelfstandig blijven wonen, alles in het werk moet stellen hen te helpen dit veilig te kunnen doen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Langer zelfstandig wonen is een wens en behoefte vanuit de samenleving die de overheid zoveel mogelijk wil faciliteren en mogelijk maken. Iedereen heeft hierin een verantwoordelijkheid om dat op een veilige, prettige en zorgvuldige manier te doen zodat de kwaliteit van leven zo goed mogelijk blijft. De overheid heeft met de wetgeving van de langdurige zorg (Wmo, Wlz en Zvw) mogelijk gemaakt dat er ondersteuning is daar waar dat niet meer vanzelf gaat. Gemeenten, verzekeraars, zorgkantoren en aanbieders delen de verantwoordelijkheid wanneer mensen kwetsbaar worden of zijn, de veiligheid in en om de thuissituatie gewaarborgd blijft.
Het weren van maatschappelijke organisaties door de Indiase overheid |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Vindt u het ook zeer zorgelijk dat de Indiase overheid maatschappelijke organisaties weert en/of tegenwerkt, waaronder Amnesty International, Greenpeace, Navsarjan Trust en Compassion, en al maandenlang de financiële tegoeden bevriest?1
Ja, dat vind ik zorgelijk. Een actief en levendig maatschappelijk middenveld is zeer belangrijk voor de duurzame sociale en economische ontwikkeling van een land.
Erkent u dat het wegvallen van de projecten van Compassion in India ernstige gevolgen heeft voor 145.000 kinderen die in extreme armoede leven? Bent u bereid om met Compassion Nederland in overleg te treden, aangezien de organisatie gedwongen is om half maart de steun stop te zetten?
Inmiddels hebben vertegenwoordigers van het ministerie contact opgenomen met Compassion Nederland. Op korte termijn vindt overleg plaats in Den Haag. De ambassade in New Delhi heeft op 3 februari de zaak aan de orde gesteld bij de Indiase autoriteiten.
Erkent u dat het stopzetten van de financiering aan Navsarjan Trust ernstige gevolgen heeft voor de bestrijding van kastendiscriminatie en de toegang tot onderwijs voor Dalit-kinderen?2
India telt meer dan drie miljoen maatschappelijke organisaties. Vele NGO’s zetten zich in voor de rechten van Dalits en (indirect) de bestrijding van kastendiscriminatie. Navsarjan Trust maakt deel uit van de paraplu organisatie «International Dalit Solidarity Network» (IDSN) en is één van de organisaties die zich inzet voor bovengenoemde rechten. Het stopzetten van de financiering van een NGO die zich voor deze rechten inzet is zeker te betreuren. Er zijn gelukkig nog vele andere organisaties actief om voor de positie van Dalits op te komen, inclusief voor de toegang tot onderwijs.
Erkent u dat India handelt in strijd met de internationale mensenrechten en dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging onder grote druk staan?
India kent een democratisch gekozen parlement, een democratisch gekozen regering en een onafhankelijke rechtspraak. Daarnaast is er sprake van een levendig maatschappelijk middenveld. De vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in de Indiase Grondwet. Ook spelen diverse nationale media in India een belangrijke rol in maatschappelijke discussies en stellen zij misstanden aan de orde. Wetgeving kan niettemin mogelijk beperkend zijn voor de vrijheid van meningsuiting als de openbare orde in het geding komt. Een wet die de vrijheid van meningsuiting kan beperken is de Information Technology Act. Wetgeving kan in India door de rechter worden getoetst aan de Grondwet. Zo heeft het Hooggerechtshof in India in maart 2015 ingegrepen omdat zij van mening was dat Section 66A van de Information Technology Act onverenigbaar is met het recht op vrijheid van meningsuiting zoals in de Grondwet is vastgelegd.
Bent u bereid om in overleg te gaan en druk te zetten op de Indiase overheid om deze maatregelen terug te draaien, in het bijzonder de zeer restrictieve Foreign Regulation and Contribution Act, zoals ook is geadviseerd door Marina Kiai, de Speciale VN Rapporteur voor Vrijheid van Vereniging en Vergadering?3
De Nederlandse overheid deelt de zorgen van VN-rapporteur Maina Kiai over de wet gericht op buitenlandse giften zoals beschreven in «Analysis on International Law, Standards and Principles applicable to the Foreign Contributions Regulation Act 2010 and Foreign Contributions Regulation Rules 2011». Deze wet die buitenlandse giften aan Indiase organisaties reguleert, kan beperkend werken voor de financiering van het maatschappelijk middenveld. Nederland heeft zich op verschillende niveaus in bilaterale contacten en in multilateraal verband ingespannen om aandacht te vragen voor deze situatie en zal dit onverminderd blijven doen. Zo werd de kwestie in New Delhi opgebracht door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in juni 2015, en op hoogambtelijk niveau in juni 2016. Naast het overleg dat hierover wordt gevoerd door de Ambassade in New Delhi zal Nederland ook tijdens de volgende bilaterale consultaties, thans voorzien in maart 2017, het onderwerp opbrengen bij de Indiase autoriteiten.
Ben u bovendien bereid aan te dringen bij de Europese Commissie op actie richting de Indiase overheid en ook zelf bij de Indiase overheid aan te dringen op het stopzetten van het bevriezen van tegoeden van onder meer Compassion en Navsarjan Trust?
Het kabinet zal in EU-verband aandacht vragen voor de beperkingen die maatschappelijke organisaties ondervinden van de Foreign Contributions Regulation Acten ondergeschikte regelgeving van de Indiase overheid. Als het gaat om onze bilaterale inspanningen wordt verwezen naar vraag 5.
Wilt u deze vragen met spoed beantwoorden gezien de nijpende situatie voor de organisaties?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De bedragen die nog op verlopen OV-chipkaarten staan |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oude OV-chipkaart nog vol geld»?1
Ja.
Klopt het dat er op verlopen ov-chipkaarten nog een bedrag resteert van in totaal 5 mln. euro? Zo nee, om welk bedrag gaat het dan en om hoeveel verlopen ov-chipkaarten gaat het?
Sinds de invoering van de OV-chipkaart zijn rond de 14 miljoen kaarten verlopen. Net als bij alle andere prepaidsystemen, zoals prepaid telefoonkaarten en cadeaukaarten, bestaan ook bij de OV-chipkaart ongebruikte saldi. Het totale bedrag dat niet wordt teruggevraagd, schommelt per dag, omdat reizigers iedere dag hun geld kunnen terugvragen en er OV-chipkaarten verlopen met positief of negatief saldo. In principe kan geld terug gevraagd worden tot een jaar na de vervaldatum, conform de algemene voorwaarden van Translink. Als een kaarthouder na een jaar geld terug vraagt, gaat Translink daar coulant mee om en wordt het bedrag terug gestort als het saldo op de kaart nog te achterhalen is. In verband met de maximale bewaartermijn van de OV-chipkaart gegevens kan Translink maximaal 18 maanden terugkijken.
Het bedrag, dat op verlopen OV-chipkaarten staat waarvan Translink de kaarthouders niet meer kan traceren, is volgens Translink circa € 5 miljoen. Hierbij is ook rekening gehouden met kaarten die een negatief eindsaldo hebben.
Deelt u de mening dat het niet meer dan normaal is dat de houders van deze ov-chipkaarten hun geld op een gemakkelijke wijze terug moeten kunnen krijgen?
Ja, die mening deel ik en daar zet ik me ook voor in. Reizigers moeten eenvoudig en kosteloos over hun saldo kunnen beschikken. Ongeacht of hun OV-chipkaart verlopen is of niet. Zo worden de baliekosten van € 1,– die momenteel betaald moeten worden bij het terugvragen van het saldo op de niet verlopen OV-chipkaart, afgeschaft. Dit heb ik vandaag in het Nationaal OV Beraad (NOVB) afgesproken.
Bent u bereid om met de betrokken partijen rond de tafel te gaan zitten om de restitutie van restbedragen op verlopen ov-chipkaarten te automatiseren of in ieder geval te vergemakkelijken? Zo nee, waarom niet?
Dit heb ik gedaan, zoals ook uit antwoord drie blijkt. Consumentenorganisaties, vervoerders, Translink en overheden willen unaniem dat al het restsaldo teruggaat naar de reiziger. Bij voorkeur direct en anders indirect door het proces van teruggave van saldo makkelijker te maken voor de reiziger.
Translink heeft samen met vervoerders en consumentenorganisaties onderzoek gedaan onder kaarthouders om te vragen waarom zij hun geld op de OV-chipkaart niet hebben teruggevraagd. Een deel van de reizigers geeft aan het niet de moeite waard te vinden, omdat het bedrag te klein is. Een ander deel van de reizigers is nog niet op de hoogte van de mogelijkheid hun geld terug te vragen en een deel van de reizigers denkt dat het automatisch gaat.
De afgelopen periode zijn op basis van onder meer de onderzoeksresultaten klantgerichte maatregelen opgesteld waarover binnenkort in het NOVB wordt besloten. De voorgenomen maatregelen zijn ondermeer het proactief terugstorten van het saldo op persoonlijke OV-chipkaarten (kan alleen als bankrekeningnummer bekend is), het proces vereenvoudigen om saldo van anonieme kaarten terug te vragen (online, bij de balie of ophaalautomaat) en het verbeteren van de informatievoorziening.
Het restsaldo van € 5 miljoen op verlopen kaarten zal aangewend worden om de kosten af te dekken die gepaard gaan met het afschaffen van de baliekosten en de invoering van de maatregelen om het terugvragen van saldo te vergemakkelijken. Ik verwacht op korte termijn besluitvorming over en implementatie van de maatregelen met als resultaat dat het terugvraag proces geen belemmering meer vormt voor OV-chipkaarthouders om hun saldo terug te vragen. Ik zal u hierover nader informeren.
Waar blijft dit geld dan nog op de ov-chipkaarten staat?
De restsaldi staan geparkeerd op een risicoloze bankrekening bij Translink.
Kledingmerken die bijdragen aan lage lonen, lange werktijden, kinderarbeid en schooluitval in Bangladesh |
|
Roelof van Laar (PvdA), Joël Voordewind (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Branded Childhood»1 van de coalitie Stop Kinderarbeid en SOMO?
Ja.
Kunt u zich vinden in de conclusie van het rapport dat kledingmerken die laten produceren in Bangladesh niet alleen bijdragen aan lage lonen en excessief overwerk, maar mede als gevolg daarvan ook aan kinderarbeid en schooluitval van de kinderen van volwassen kledingarbeiders?
Het rapport Branded Childhood van Stop Kinderarbeid en SOMO schetst een schrijnend beeld van kinderarbeid in Bangladesh. Kinderen horen op school, niet op de werkplaats. Zoals in het rapport aangegeven, is kinderarbeid in de formele sector inmiddels flink teruggedrongen. In deze sector wordt de kleding geproduceerd die bestemd is voor de export. Kinderen van textielarbeiders werken volgens het rapport wel nog vaak in andere sectoren. Het ontbreken van leefbaar loon onder ouders kan ertoe leiden dat kinderen moeten bijdragen aan het gezinsinkomen. Nederland erkent dit en zet zich actief in voor leefbare lonen.
Bent u het eens met de aanbevelingen in het rapport en bent u bereid deze onder de aandacht te brengen van de kledingmerken, multistakeholderinitiatieven (waaronder het Convenant Duurzame Kleding en Textiel) en de regering van Bangladesh?
Het rapport bevestigt dat leefbaar loon een belangrijk instrument is in de aanpak van kinderarbeid. Het kabinet steunt de aanbeveling dat dit onderwerp hoger op de agenda moet bij merken, producenten, de overheid van Bangladesh en in multistakeholder initiatieven. Bovendien beschrijft het rapport belangrijke randvoorwaarden voor leefbaar loon zoals vakbondsvrijheid en eerlijke inkooppraktijken door de kledingmerken.
Het rapport vraagt om actieplannen voor de totstandkoming van hogere lonen in multistakeholder verband. Het kabinet erkent dat de doelstelling om te komen tot leefbaar loon collectief moet worden aangepakt. De Nederlandse overheid, evenals Stop Kinderarbeid, is partij bij het textielconvenant waarbij Nederlandse bedrijven gezamenlijk afspraken hebben gemaakt over de aanpak van de risico’s in de keten. Van convenantspartijen wordt verwacht dat zij binnen een jaar een actieplan aanleveren om risico’s in de keten aan te pakken. Daarnaast is in het convenant afgesproken dat er collectieve projecten zullen komen op het terrein van vakbondsvrijheid en leefbaar loon. De werkgroep die zich buigt over leefbaar loon komt binnenkort met concrete voorstellen.
Naar aanleiding van de recente loonacties in Bangladesh, heeft de Nederlandse ambassadeur gesproken met de werkgeversorganisatie en de autoriteiten in Bangladesh. Ook heeft een gesprek plaatsgevonden met een van de grotere vakbondsorganisaties. Nederland heeft het belang van leefbaar loon en de rechten van werknemers in deze gesprekken benadrukt. Kortom, dit rapport ondersteunt de Nederlandse aanpak.
Bent u bereid de stijging van leefkosten (huur, energie) van de afgelopen jaren in Bangladesh te bespreken met de overheid aldaar? Hoe duidt u deze kostenstijging die volgde op een procentueel forse stijging van het minimumloon destijds?
Na recente loonacties in Bangladesh heeft Nederland het voortouw genomen en bij vertegenwoordigers van gelijkgezinde landen en internationale organisaties aandacht gevraagd voor de ontstane situatie. Doel is dit gezamenlijk aan de orde te stellen bij de autoriteiten van Bangladesh.
Bangladesh heeft al jarenlang een hoge inflatie, ook in de periode voorafgaand aan de verhoging van het minimumloon. De inflatie staat grotendeels los van die loonsverhoging. Wel zijn er signalen dat huren en prijzen van levensmiddelen worden verhoogd zodra de lonen in de textielsector of andere belangrijke sectoren zijn verhoogd. Er bestaat immers geen huurbescherming en sociale woningbouw. De loonsverhoging verliest zo helaas een deel van de beoogde koopkrachtverbetering.
Deze problematiek zal aan de orde komen tijdens een ronde tafel over leefbare lonen en sociale dialoog, die Nederland komende zomer zal organiseren in Bangladesh.
Bent u eveneens bereid om dit rapport onder de aandacht te brengen van uw Europese collega’s en de Europese Commissie met het doel om deze kwestie gezamenlijk onder de aandacht van de regering in Bangladesh te brengen?
Het rapport vormt een ondersteuning van de noodzaak om gezamenlijk het belang van leefbare lonen en vakbondsvrijheid onder de aandacht van de regering van Bangladesh te brengen. Zowel in Bangladesh als bijvoorbeeld in het kader van het EU Garment Initiative wordt op dit terrein nauw samengewerkt met de Europese Commissie.
Bent u bereid om meer actie richting in Nederland actieve kledingbedrijven en de Europese Commissie te ondernemen om het ontbreken van een leefbaar loon en de gevolgen daarvan voor volwassenen en kinderen indringend aan de orde te stellen, gezien de geringe vorderingen die nog door kledingbedrijven worden gemaakt met het verhogen van de feitelijke lonen tot een leefbaar loon? Bent u bereid om dit te doen in samenspraak met alle betrokkenen die zich inzetten voor een leefbaar loon?
Nederland is zowel nationaal als internationaal actief op het bevorderen van leefbaar loon en bereikt alleen resultaat door met alle betrokkenen samen te werken. Nederland organiseerde in juni 2016 de Asian Living Wage Conference. De conferentie werd destijds bijgewoond door overheden van productielanden, kledingmerken, producenten, vakbonden en NGO’s. In Nederland worden in het kader van het textielconvenant voorbereidingen getroffen voor een collectieve aanpak op het gebied van leefbaar loon. In de productielanden, te beginnen met Bangladesh, worden ronde tafels georganiseerd om opvolging te geven aan de uitkomsten van de conferentie. Om de Nederlandse aanpak kracht en vaart bij te zetten, wordt ook samenwerking beoogd met de Duitse Textil Bundniss en ACT (Action, Collaboration, Transformation), het leefbaar loon initiatief van grote internationale modemerken. Daarnaast zal het kabinet in het kader van het EU Garment Initiative aandringen op actie op het gebied van leefbaar loon.
Het rapport Branded Childhood noemt ook het belang van aangepaste inkooppraktijken van de kledingmerken. Ten einde de problematiek van lage lonen en andere risico’s in de sector ook vanuit dit perspectief te benaderen, organiseerde Nederland in september 2016 de Sustainable Sourcing Conference in Bangladesh. Een concrete uitkomst van de conferentie is het ontwikkelen van een training voor inkopers en producenten gezamenlijk over duurzaam inkopen, georganiseerd door de International Apparel Federation. De training start met een pilot in Bangladesh. Leefbaar loon zal deel uitmaken van het curriculum.
Bent u van plan initiatief te nemen om transparantie door bedrijven te verplichten en om met wetgeving te komen met betrekking tot moderne vormen van slavernij? Bent u bereid om de bestrijding van hongerlonen daar deel van uit te laten maken, gezien het feit dat u in antwoorden op recente eerdere vragen2 instemde met aanbevelingen in het rapport Fabric of Slavery aan regeringen van importerende landen?
Het kabinetsbeleid is gericht op het vrijwillig afsluiten van IMVO-convenanten. In de convenanten worden afspraken gemaakt over naleving van de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen, waaronder richtlijnen op het gebied van transparantie. In het textielconvenant is afgesproken dat bedrijven hun productielocaties zullen melden. Het kabinet hecht daarnaast aan adequate wetgeving op het terrein van minimumlonen en handhaving daarvan in de productielanden zelf. Nederland draagt hiertoe bij aan capaciteitsversterking van de arbeidsinspectie van Bangladesh en zal een ronde tafel organiseren over leefbare lonen in de textielsector.
Kunt u in het kader van leefbaar loon toelichten hoe het onderzoek van keurmerkkoepel ISEAL naar een benchmark voor leefbaar loon staat? Welke vervolgstappen heeft u hieromtrent in gedachten?
ISEAL heeft 22 benchmarks voor leefbaar loon in 15 landen gereed. Een deel is gepubliceerd, de overige volgen binnenkort na uitvoerige validatie met lokale partijen. In het kader van het rapport Branded Childhood is de benchmark voor Bangladesh relevant. Het onderzoek bevestigt een grote afstand tussen de lonen in de textielsector en de benchmark voor een leefbaar loon. Deze informatie zal worden gebruikt in de bovengenoemde (gezamenlijke) vervolgacties in Bangladesh. Daarnaast wordt de informatie gedeeld met betrokken partijen, zoals inkopende merken, zodat ze hiermee bijvoorbeeld in hun inkoopbeleid rekening kunnen houden.