De vogelgriep |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel van 26 november 2025, waarin wordt beschreven dat er in Europa nog nooit eerder zoveel wilde vogels besmet waren met vogelgriep?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoeveel pluimvee Nederland heeft en wat de precieze pluimveedichtheid is? Kunt u daarbij aangeven hoe zich dit verhoudt tot andere landen met een grote pluimveesector, zowel binnen als buiten Europa?
Er zijn in Nederland 2.154 locaties geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met een actief Uniek Bedrijfsnummer (UBN) voor gevogelte. In totaal staan daar 82.432.396 dieren geregistreerd (peildatum 1 november 2025). Bij deze cijfers zijn zowel commerciële als niet-commerciële houders inbegrepen. Bij deze cijfers is het goed om te realiseren dat een actief UBN niet automatisch betekent dat er ook daadwerkelijk dieren worden gehouden. Een UBN kan om meerdere redenen langere tijd leeg staan.
In vergelijking met veel andere landen heeft Nederland een relatief hoge pluimveedichtheid.
Acht u het verantwoord dat pluimvee in hoge dichtheden wordt gehouden, wetende dat dit het risico vergroot op het ontstaan en de verspreiding van hoog-pathogene vogelgriepvirussen?
Uit onderzoek blijkt dat in gebieden met een hoge bedrijfsdichtheid een verhoogd risico is op tussenbedrijfstransmissie. Het vorige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep het streven opgenomen naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in deze gebieden te verkennen. Ik laat momenteel een impactanalyse uitvoeren naar deze structuurmaatregelen. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) onderzoeken de economische impact op de pluimveesector. Andere experts, onder leiding van het RIVM, samen met Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), zullen vervolgens een inschatting maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid. Ik heb de totale impactanalyse nodig om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen. Daarbij is het uitgangspunt dat maatregelen geschikt, noodzakelijk en proportioneel zijn. Ik verwacht dat de impactanalyse in het eerste kwartaal van 2026 gereed is.
Wat zijn de concrete vervolgstappen die u overweegt te nemen gezien deze risicovolle situatie? Is het inkrimpen van de pluimveesector een maatregel die u overweegt te treffen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Worden er met andere landen gesprekken gevoerd over het wereldwijd inkrimpen van de pluimveesector?
Landen bepalen zelf hun landbouwbeleid. Er zijn internationale organisaties die zich met diergezondheid, voedselzekerheid, en One Health bezighouden. Zo is er bijvoorbeeld de Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH) die werkt aan het verbeteren van de gezondheid en het welzijn van dieren wereldwijd. WOAH, en daarmee alle aangesloten landen, streeft naar internationale solidariteit bij de beheersing van diergezondheidsrisico's, en werkt grensoverschrijdend aan het bevorderen van een «One Health»-aanpak. De Food and Agriculture Organisation (FAO) heeft als doel voedselzekerheid voor iedereen te bereiken en ervoor te zorgen dat mensen toegang hebben tot voldoende hoogwaardig voedsel. Bij FAO en WOAH wordt dus gestreefd naar een duurzame veehouderij, maar landen zijn vrij daar zelf hun eigen beleid in te maken.
Deelt u de mening dat het bevorderlijk is om het aantal pluimveebedrijven in waterrijke gebieden sterk te verminderen, gezien het feit dat veel pluimveebedrijven in waterrijke gebieden staan, waar veel watervogels leven die het hoog-pathogene virus meedragen?
Uit onderzoek blijkt dat in waterrijke gebieden een verhoogd risico is op insleep van vogelgriep op commerciële pluimveebedrijven vanuit besmette wilde vogels. Overigens doen de huidige uitbraken zich in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd. In het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat het vorige kabinet in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep een streven naar een verbod op nieuwvestiging en een verkenning naar een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in zowel waterrijke gebieden als pluimveedichte gebieden heeft opgenomen. In het antwoord op vraag 3 heb ik geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Gezien het feit dat in voorgaande jaren grote populaties wilde vogels gedecimeerd zijn door hoog-pathogene vogelgriepvarianten en virusexperts aangeven dat het subtype dat nu in allerlei varianten rondwaart niet meer uit te roeien is bij wilde vogels, hoe wilt u voorkomen dat er nieuwe subtypen in de pluimveehouderij ontstaan waarbij dit eveneens gebeurt?
De afgelopen jaren is het virus van eigenschappen veranderd. Waren het eerst vooral laagpathogene varianten die voorkwamen in de wilde vogels, nu zien we ook de hoogpathogene variant. Opmerkelijk genoeg zijn veel wilde vogels die nu besmet zijn, niet ziek geworden van deze variant. Het virus gedraagt zich dus erg onvoorspelbaar. Dit soort virussen muteert snel, maar het onderliggend mechanisme is niet bekend. Pluimveehouders en houders van andere vogelsoorten zetten zich in om hun dieren te vrijwaren van infectie. Helaas vinden er desondanks uitbraken plaats, niet alleen in Nederland maar ook in heel veel andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Polen, Spanje en België, en veel landen in Azië. In Nederland, en in andere EU-lidstaten worden besmette locaties zo snel mogelijk geruimd. Op die manier wordt voorkomen dat pluimvee op andere locaties worden besmet. Daarmee wordt ook de kans op mutaties verkleind. Nieuwe mutaties kunnen echter overal ontstaan, niet alleen in Nederland.
Acht u de eerder aangekondigde maatregelen (Kamerstuk 28 807, nr. 310 en Kamerstuk 28 807, nr. 311) nog steeds voldoende, gezien de recente ontwikkelingen?
Naar aanleiding van de uitbrakenreeks in de periode 2021–2023 heeft het vorige kabinet het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgesteld met een pakket maatregelen ter preventie van vogelgriepbesmettingen, ten behoeve van de volks- en diergezondheid. Een groot deel van deze maatregelen is uitgevoerd, maar een aantal maatregelen bijvoorbeeld op het gebied van vaccinatie van pluimvee en de structuurmaatregelen kennen een langere doorlooptijd.
Het verloop van de vogelgriepvirusbesmettingen vertoont in Nederland jaarlijks schommelingen in verspreiding en ernst. Dit jaar is helaas een sterke toename in het aantal uitbraken te zien, waaronder een groot aantal besmettingen bij wilde vogels. Ook in andere landen in Europa is er een sterke toename te zien. Het virus wordt ook verspreid tussen wilde vogels en dat maakt het handelingsperspectief bij die besmettingen beperkt. Bij uitbraken op pluimveelocaties is vrijwel nooit bekend hoe het virus in de stal is binnengekomen. We weten wel dat bioveiligheidsmaatregelen, zoals hygiënemaatregelen, goede afdichting van stallen en beheersing van knaagdieren, de kans op het binnenkrijgen van virus verkleint. Ik roep pluimveehouders opnieuw op om de bioveiligheidsmaatregelen zo goed mogelijk na te leven. Dit is de belangrijkste maatregel die houders kunnen nemen om de kans op een uitbraak te verkleinen. Ik blijf werken aan de uitwerking van de maatregelen uit het intensiveringsplan en blijf de situatie nauwgezet monitoren. Helaas zie ik geen aanvullende maatregelen bovenop de daarin genoemde acties op het gebied van humane gezondheid, wilde dieren en gehouden dieren.
Erkent u dat veel vogelpopulaties in een slechte staat van instandhouding zijn, ook vogelsoorten die gevoelig zijn voor vogelgriep? Deelt u de mening dat, boven op de huidige inspanningen, extra inspanningen nodig zijn om de effecten van de vogelgriep op deze soorten op te vangen? Bent u van plan om deze kwetsbare vogelpopulaties verdere bescherming te bieden? Zo ja, hoe?
Mijn voorganger heeft in 2023 door Sovon onderzoek laten uitvoeren naar de impact van vogelgriepuitbraken op populaties van wilde vogels, en welke mogelijkheden er zijn om deze uitbraken te voorkomen, of zo snel mogelijk te beheersen. Dit onderzoek is met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 36 200-XIV, nr. 120). Het onderzoeksrapport geeft een beeld van wat er bekend is over de impact van HPAI op populaties van wilde vogels in Nederland. Ook geeft het specifiek zicht op voor welke soorten er aanwijzingen zijn van verhoogde sterfte door vogelgriep, en welke vogelsoorten eigenschappen hebben die de soort kwetsbaar maken voor vogelgriep. In aanvulling op dit rapport is in 2024 een vervolgrapport opgesteld dat een nadere duiding geeft door te analyseren welke gevolgen een eventueel optredende vogelgriepsterfte kan hebben voor de landelijke staat van instandhouding van deze soorten2.
In lijn met de aanbevelingen uit de rapporten heeft mijn voorganger ingezet op het centreren van meldingen van dode vogels via een landelijke «vogelgriep app», en is er een leidraad opgesteld voor het opruimen van dode vogels (Kamerstuk 28 807, nr. 279). Een andere aanbeveling gaat in op het creëren van robuuste natuurgebieden, waarbij gedacht kan worden aan het creëren van rustgebieden, om de verspreiding van het virus te beperken. Deze en andere aanbevelingen zijn gedeeld met experts, terreinbeherende organisaties, faunabeheereenheden en provincies en meegenomen in de ontwikkeling van de aanpak van vogelgriep. De ontwikkeling van vogelgriep in wilde vogels wordt nauw gemonitord en zodra de situatie om aanvullende inzet vraagt zal ik in afstemming met betrokken organisaties nagaan hoe ik of de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) daaraan kan bijdragen. Het streven naar robuuste natuurgebieden maakt nadrukkelijk onderdeel deel uit van het beleid van de Staatssecretaris van LVVN.
Gezien het feit dat u in uw Kamerbrief van 1 december 2025 (Kamerstuk 28 807, nr. 311) spreekt over een verhoging van het risiconiveau voor mensen die voor hun werk met besmette dieren in aanraking komen, welke maatregelen, behalve monitoring, bent u bereid te nemen om dit risiconiveau niet verder te verhogen?
De duiding van het risico voor mensen die vanwege hun werkzaamheden in contact komen met besmette vogels is door de experts verhoogd van laag-gemiddeld naar gemiddeld. Deze multidisciplinaire expertgroep komt minstens twee keer per jaar samen om het risico van hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te beoordelen. Zij geven als verklaring voor deze verhoging van het risico dat door het hoge aantal besmettingen bij wilde vogels en bij pluimveehouderijen, de kans op blootstelling voor mensen die voor hun werk met (mogelijk) besmette dieren in aanraking komen nu hoger is dan eerder. Medewerkers die betrokken zijn bij de ruimingen krijgen een opleiding, goede instructies, persoonlijke beschermingsmiddelen en zijn gevaccineerd tegen de humane griepvariant. Bovendien is er tamiflu beschikbaar dat door de arbodienst wordt verzorgd. Hiermee wordt de kans op een humane besmetting verkleind.
Pluimveehouders kennen de risico’s ook, ze weten dat hun pluimvee besmet kan raken met vogelgriepvirus. Omdat ze een verdenking snel melden is in het algemeen het aantal besmette vogels nog klein, wat het risico laag houdt. De belangrijkste maatregel om humane infecties te voorkomen is het zo snel mogelijk elimineren van een besmettingshaard, vooral besmette pluimveebedrijven. Dat doet de NVWA uiterst snel en efficiënt, mede door het snelle melden door de pluimveehouder. Door bioveiligheidsmaatregelen strikt na te leven kan de kans op meer besmettingen van pluimvee worden verkleind.
Andere professionals zoals jagers en terreinbeheerders zijn geïnformeerd over de risico’s van vooral subklinisch besmette vogels. Ook zij kunnen met persoonlijke beschermingsmiddelen de kans dat ze besmet raken verkleinen. Voor zover bekend zijn er geen medewerkers, jagers of andere professionals besmet geraakt door hun werkzaamheden of activiteiten.
Daarnaast worden mensen die in nauw contact komen met vogels geadviseerd (jagers, medewerkers van de dierenambulance of anderen die dode wilde vogels ruimen) of verplicht (ruimingsploegen, specialistenteams) persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) te gebruiken.
De verwachting van deskundigen is dat de prevalentie in wilde vogels de komende tijd afneemt, wat verder bijdraagt aan de vermindering van het risico’s voor mensen. Dit zijn de maatregelen die ik neem, en kan nemen om het risico voor professionals niet verder te laten oplopen.
Ziet u in dat overdraagbaarheid naar de mens een potentieel nieuwe pandemie kan betekenen? In hoeverre heeft u maatregelen voorbereid om dit te voorkomen?
Virussen worden soms van dier op mens overgedragen. Als zo’n virus muteert, overdraagbaar wordt van mens op mens en mensen hebben geen weerstand tegen zo’n nieuwe variant dan kan dit, net zoals bij SARS-CoV-2, een pandemie veroorzaken. Dit zou volgens de experts ook bij vogelgriep kunnen gebeuren. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29 658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries daarnaast nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden?
Ja.
De additionele kosten voor Tata Steel aangaande de maatwerkafspraak. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt), Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de analyse van SOMO1 waaruit blijkt dat de voorwaarden in de intentieverklaring met Tata Steel jaarlijks 375 tot 580 miljoen euro aan additionele kosten kunnen meebrengen boven op de eenmalige subsidie van 2 miljard euro?
Kunt u per voorwaarde in de intentieverklaring aangeven wat de verwachte meerkosten voor de Staat zijn, uitgesplitst naar:
Indien u geen ramingen kunt geven voor bovenstaande kostenposten, bent u dan bereid deze ramingen alsnog te laten opstellen voordat een definitieve maatwerkafspraak wordt gesloten, aangezien het gaat om geld van burgers? Zo nee, waarom niet?
Kunt u precies aangeven welke delen van de SOMO-analyse volgens u onjuist zijn, en wat volgens u wel de correcte ramingen zijn gezien uw reactie op het ESB stuk, dat het «onduidelijk is waar de aanvullende subsidies en bedragen op gebaseerd zijn.»?2
Welke drempelwaarde in euro’s of percentages hanteert de Staat bij de beoordeling of een kostenstijging «significant» of «aanzienlijk» is in de zin van artikel 15, vierde lid 4, van de Joint Letter of Intent (JLoI)? Indien u geen drempelwaarde kunt geven (vanwege de huidige onderhandeling), kunt u dan aangeven of überhaupt een drempelwaarde is vastgesteld, zonder deze te specificeren?
Welke oplossingen voor de drie opzeggronden (netwerkkosten, CO2-heffing, staalslakken) worden momenteel besproken met Tata Steel, gegeven de uitspraak van het bedrijf dat er «(zicht op) een oplossing moet zijn»3 om tot een maatwerkovereenkomst te komen?
Welke voorwaarden, garanties of risicoverdelingsmechanismen uit de JLoI worden naar verwachting overgenomen in de definitieve maatwerkafspraak? Welke komen te vervallen? Indien dit nog niet bekend is, per wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Welke factoren weegt u mee bij een besluit over het instellen van een kolenverbod? Behoren de geïnvesteerde 2 miljard euro en het risico op opzegging door Tata Steel tot die factoren?
Kan Tata Steel bij deze formulering (artikel 11, tweede lid, van de JLoI) na ondertekening van een definitieve maatwerkafspraak een schadeclaim indienen tegen de Nederlandse staat indien de staat een kolenverbod instelt? Zo ja, wat is de maximale omvang van zo’n claim?
Geldt het instellen van een verbod op kolen in Nederland als opzeggrond voor de JLOI? Zo nee, waarom geeft de CFO van Tata Steel India dan aan dat dit een voorwaarde is om te komen tot maatwerkafspraken4?
Welke argumenten heeft Tata Steel aangevoerd voor het opnemen van de opzeggronden bij hogere netwerkkosten, een nationale CO2-heffing, of nieuwe milieuregels voor staalslakken? Welke alternatieven zijn overwogen?
Klopt het dat de intentieverklaring Tata het recht geeft de deal op te zeggen als «nationaal beleid voor staalslakken de financiële positie aanzienlijk negatief beïnvloedt»? Betekent dit dat de overheid moet compenseren als staalslakken permanent verboden worden in de wegenbouw of andere toepassingen?
Wat zijn de totale maatschappelijke kosten van staalslakken die Tata jaarlijks produceert (650.000 ton)? Kunt u een overzicht geven van alle saneringen en vervuiling schade, inclusief de situatie in Spijk (670.000 ton, geschatte sanering 100 miljoen euro), en aangeven wie voor deze kosten opdraait?
Zijn de kosten van staalslakkenverwerking en -sanering meegenomen in de totale businesscase van Tata Steel? Zo nee, wat is de reden hiervoor en wat is de omvang van deze kosten?
Welke andere maatschappelijke kosten van Tata Steel’s operatie erkent u naast staalslakken, zoals gezondheidsschade door luchtvervuiling, stikstofuitstoot, en milieuschade? Kunt u deze kosten kwantificeren en aangeven in hoeverre deze worden meegewogen in de afweging over de subsidiedeal?
Welke mechanismen voorziet u op te nemen in de definitieve maatwerkafspraak om te voorkomen dat de Staat gedwongen wordt tot aanvullende investeringen om eerder geïnvesteerd kapitaal te beschermen?
Wat betekent de formulering «as it currently stands» in Artikel 7 van de JLoI? Onder welke omstandigheden zou deze formulering niet meer gelden en zou vervolgfinanciering alsnog worden overwogen? Erkent u dat dit ruimte biedt voor toekomstige subsidieverzoeken?
Welke garanties (naast het terugbetalen van 200 miljoen euro) heeft de Staat dat de klimaatdoelstellingen daadwerkelijk worden behaald indien biomethaan niet beschikbaar of betaalbaar blijkt, gezien de analyse door SOMO dat als de biomethaanmarkt niet van de grond komt, Tata Steel afhankelijk blijft van LNG-import, waardoor de CO2-besparing grotendeels teniet wordt gedaan?
Zullen de CO2-reductiedoelstellingen via CCS (Carbon Capture and Storage) en biomethaan in de JLoI in de maatwerkafspraak worden omgezet in resultaatverplichtingen, of blijven het inspanningsverplichtingen?
Hoeveel kubieke meter aardgas moet worden vervangen door biomethaan om de uitstoot van Tata Steel tussen 2032 en 2037 jaarlijks met 1,2 megaton omlaag te brengen?
Welke analyse heeft het kabinet gemaakt van het risico dat biomethaansubsidies de transitie naar een landbouwsysteem met minder dieren vertragen, gegeven dat mest als grondstof een economische prikkel vormt voor het in stand houden van de huidige veestapel?
Welk percentage van de productiekosten van biomethaan wordt momenteel gedekt door subsidies? Welke exitstrategie hanteert het kabinet om te voorkomen dat publieke middelen langdurig worden ingezet voor een sector die zonder subsidie niet rendabel is?
Hebt u kennisgenomen van de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)5 dat «verlies van biodiversiteit een reëel risico» is bij grootschalige biomassaproductie? Welke maximale hoeveelheid biomethaan acht het kabinet duurzaam produceerbaar in Nederland zonder negatieve effecten op biodiversiteit en landgebruik?
Hoeveel hectare landbouwgrond of organisch restmateriaal is nodig voor de productie van 0,5 miljard m3 biomethaan per jaar die Tata Steel beoogt af te nemen?
Onder welke omstandigheden zou het kabinet overwegen om voor fase 2 van het verduurzamingsplan alsnog subsidie te verstrekken, hetzij via maatwerk, hetzij via generieke instrumenten, zoals SDE++ of NIKI? Welk maximumbedrag is hiervoor denkbaar?
Bent u bekend met de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de kwartaalcijferpresentatie6, waarin hij stelt: «We did not want to go that hydrogen route. Hydrogen is uncertain on availability and economics, so we are focused on natural gas with an optionality of the auctioning of biomethane»? Komen deze uitspraken overeen met de aannames in de JLoI over de toekomstige energiedragers?
Heeft u er kennis van genomen dat de CFO van Tata Steel Limited stelt dat biomethaan pas «much later, post 2035» relevant wordt voor Tata Steel Nederland7, terwijl de JLoI uigaat van overschakeling naar biomethaan vanaf 2032? Welke van deze twee tijdlijnen is correct?
Hoe interpreteert u de uitspraak van de CFO die stelt dat het «possible [is] to buy it on paper, as a hedge, if the physical does not flow»8? Betekent dit dat Tata Steel voornemens is biomethaan slechts administratief in te kopen via certificaten, zonder daadwerkelijk fysiek biomethaan te gebruiken?
Welke consequenties heeft het voor de daadwerkelijke CO2-reductie als Tata Steel inderdaad biomethaan «op papier» zou inkopen in plaats van fysiek? En welke consequenties heeft dit voor de gezondheidswinst van omwonenden die met deze deal beoogd worden?
Wanneer is het idee van het gebruik van biomethaan precies op tafel gekomen, wie heeft dat precies ingebracht (Tata Steel Nederland, Tata Steel India, de Nederlandse Staat, of anders) en welke afwegingen lagen hieraan ten grondslag? Kunt u daar een tijdlijn van schetsen? Kunt u ons alle correspondentie sturen die te maken heeft met biomethaan en Tata Steel tussen het ministerie en externen en ook de interne correspondentie hierover sinds de onderhandelingen zijn begonnen (conform informatieplicht)?
Hoe strookt de timing van deze verandering van het idee om waterstof te gebruiken naar het idee om biomethaan te gebruiken met het feit dat de technische review van het groen staalplan mid 2024 is uitgevoerd, en de economische review begin 2025 al is afgerond9? Heeft Mott Macdonald daarmee de meest recente plannen beoordeeld?
Heeft u de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de earnings call van 6 november 2025 voorgelegd aan Tata Steel Nederland met het verzoek om opheldering? Zo ja, wat was de reactie? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen en de Kamer over de uitkomst te informeren?
Is het een voorwaarde voor de uitkering van de maatwerksubsidie van 200 miljoen euro dat Tata Steel biomethaan of groene waterstof fysiek bijmengt in de installaties? Is het ook toegestaan dat Tata Steel met die subsidie groencertificaten inkoopt uit het buitenland? Zo ja, hoe draagt dit dan bij aan het behalen van de Nederlandse klimaat- en biodiversiteitsdoelen?
Kan Tata Steel aanspraak maken op de SDE++ of andere subsidieregelingen voor het eventueel inkopen van groencertificaten voor biomethaan of groene waterstof?
Hoe beoordeelt u dit risico op precedentwerking, zoals gesteld in het ESB artikel: «Als Tata bijvoorbeeld een uitzondering krijgt op de nationale CO2-heffing, hoe kan een nieuw kabinet dan andere bedrijven een nationale heffing opleggen?»
Overweegt u een tegemoetkoming voor alleen Tata van netwerkkosten en de CO2-heffing, of zou dit altijd voor alle bedrijven gelden?
Heeft het kabinet een impactanalyse gemaakt van de precedentwerking van de Tata-deal voor andere maatwerkafspraken? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Op welke gronden kunt u een verzoek van een ander bedrijf om dezelfde opzeggronden als Tata Steel (netwerkkosten, CO2-heffing) afwijzen zonder in strijd te handelen met het gelijkheidsbeginsel?
Waarom is, gegeven de autonome prikkel vanuit het ETS (vanaf 2031 verdwijnen 78% van de gratis emissierechten voor Tata Steel, en vanaf 2034 vervallen deze volledig), een aanvullende maatwerksubsidie van 2 miljard euro noodzakelijk?
Hoeveel jaar eerder dan de ETS-verplichting (netto-nul in 2040) bereikt Tata Steel met dit plan netto-nul uitstoot? Wat zijn de kosten per jaar versnelling?
Bent u bereid om, alvorens een definitieve maatwerkafspraak te sluiten, de Kamer een integrale kosten-batenanalyse te doen toekomen waarin alle directe en indirecte kosten van de deal zijn opgenomen, inclusief de kosten van de zes voorwaarden uit de intentieverklaring?
Bent u bereid de Kamer vooraf te informeren over de risicoverdeling in de definitieve maatwerkafspraak, zodat de Kamer kan beoordelen in hoeverre publieke middelen worden ingezet om private risico’s af te dekken?
Kunt u toezeggen dat een definitieve maatwerkafspraak niet wordt gesloten zonder expliciete instemming van de Kamer, gegeven de omvang van de publieke middelen en de structurele aard van de verplichtingen?
Gezien het feit dat de commissies die ingesteld zijn om te adviseren over de maatwerkafspraken (AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond) in hun advies aangeven dat onder andere de financiële modellen en bijbehorende aannames rondom het Groen Staalplan «nog niet in een finale fase» waren ten tijde van hun advies10, bent u bereid een volgende versie inclusief de relevante aannames alsnog aan hen voor te leggen voor advies? Zo nee, hoe beoordeelt u dan het feit dat deze commissies advies hebben moeten geven terwijl nog grote (financiële) aannames niet transparant waren en dus niet getoetst konden worden?
Welke due diligence heeft de Staat gaat de op de financiële modellen van Tata Steel voordat de JLoI werd getekend om de businesscase te toetsen? Welke externe financiële adviseur heeft de Staat hierbij betrokken en wat waren de conclusies van dit advies?
Bent u bereid volledige transparantie te bieden over alle financiële implicaties, inclusief maatschappelijke kosten zoals staalslakkenverwerking, een onafhankelijke second opinion op de businesscase en alle structurele kostenposten, voordat u de Kamer om instemming met de definitieve overeenkomst vraagt?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de JLoI met Tata Steel?
Zorgen over PFAS-lozingen. |
|
Dion Huidekooper (D66), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Tieman , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Ernstige zorgen over PFAS-lozingen Limburgs afvalbedrijf, maar tóch vergunning»1 en «Te veel PFAS gevonden bij Metaalrecycling Sneek: «Wij zijn hier het afvoerputje van de maatschappij»»?2
Bent u het met de aangehaalde experts eens dat PFAS-lozingen een gevaar vormen voor de gezondheid van mens en dier en dat PFAS niet meer in het milieu moet worden gebracht? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Op basis van welke concrete overwegingen wordt voorgesorteerd om – ondanks eerdere illegale lozingen, onvolledige of onbetrouwbare data, en waarschuwingen van o.a. het waterschap en drinkwaterbedrijven – een vergunning te verlenen aan CFS voor het lozen van 5 kg PFAS per jaar?
Hoe beoordeelt u het gevaar voor de gezondheid van milieu, mens en dier als het bedrijf CFS straks zeker 5 kg PFAS per jaar mag lozen, wetende dat water uit de Maas wordt gebruikt voor drinkwatervoorziening van huishoudens en uit recent onderzoek van het RIVM al is gebleken dat bijna iedereen in Nederland ongezond hoge waardes van PFAS in het bloed heeft?
Hoe is bij de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS precies rekening gehouden met de uiteindelijke gevolgen voor oppervlaktewater en grondwater, en hoe wegen de conclusies die daaruit zijn gekomen op tegen de negatieve adviezen van het waterschap en de waterbedrijven?
Kunt u een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die de PFAS-lozingen van CFS en bedrijven zoals Metaalrecycling Sneek veroorzaken, bijvoorbeeld voor goede zuivering voor drinkwater? Welke extra kosten voor de maatschappij zijn te verwachten en wie gaat daarvoor betalen? Hoe gaat u beter borgen dat bedrijven zelf gaan betalen voor de schade die ze hebben veroorzaakt, conform de aangenomen motie-Kostic/Soepboer (Kamerstuk 27 625, nr. 694), in plaats dat de rekening steeds bij burgers terechtkomt?
Welke normen gelden momenteel voor bedrijven die PFAS moeten terugdringen (waaronder bedrijven aan het einde van de keten), wie is verantwoordelijk voor de regie en communicatie hierover, en wanneer krijgen bedrijven helderheid over de maatregelen die van hen worden verwacht, gezien het feit dat bedrijven aan het einde van de keten aangeven weinig mogelijkheden te hebben om de PFAS-uitstoot terug te dringen en onduidelijkheid ervaren over de toegestane normen (zie artikel Leeuwarder Courant)?
Hoe beoordeelt u het risico waar ILT voor waarschuwt, namelijk dat de vergunning voor CFS een precedent schept waardoor toekomstige PFAS-lozingen moeilijker te weigeren worden, en welke mogelijkheden heeft u om dergelijke onwenselijke precedentwerking te voorkomen?
Klopt het dat de Omgevingswet het bevoegd gezag in principe meer mogelijkheden biedt om (ook uit voorzorg) maatschappelijke belangen, zoals schoon water en gezondheid, zwaarder te laten wegen?
Kan de provincie het feit dat gezond water van groot openbaar belang is en de stevige adviezen van de ILT, gemeenten, waterschappen en waterbedrijven ook gebruiken om juridisch toch hard te maken dat het afgeven van de huidige vergunning voor de PFAS-lozingen door CFS onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
Staat u achter de conclusie van uw eigen toezichthouder ILT dat een PFAS-vergunning voor CFS in de praktijk neerkomt op een «blanco cheque», dat CFS niet de vereiste beste beschikbare technieken (BBT) toepast en dat de vergunning niet afgegeven zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de signalen dat het ZZS-beleid onvoldoende werkt, doordat regelgeving voor lagere overheden complex en onduidelijk is en doordat kennis en capaciteit bij toezichthouders soms ontbreken, met extra risico’s voor mens, dier en milieu3? Welke stappen gaat u nemen om dit te verbeteren, en wat is de bijbehorende tijdlijn?
Als de provincie in dit geval toch blijkt haar taken bij de bescherming van water, milieu en gezondheid onvoldoende uit te voeren, welke theoretische mogelijkheden (bijvoorbeeld met een instructie) heeft u als hogere overheid en eindverantwoordelijke voor o.a. milieu en water om in te grijpen?
Kunt u toezeggen dat u binnen drie maanden de verantwoordelijkheden in de PFAS-keten expliciet vastlegt – inclusief wie op welk punt moet ingrijpen – en in de tussentijd voorkomt dat nieuwe vergunningen of vergunningswijzigingen worden verleend die als precedent kunnen werken, zolang er wordt toegewerkt naar een Europees en/of nationaal lozingsverbod?
Bent u, gezien uw toezegging te willen werken aan een nationaal PFAS-verbod, bereid om een nationaal (gedeeltelijk) lozingsverbod en/of productverbod met spoed naar de Kamer te sturen, gezien de grote hoeveelheden PFAS die waarschijnlijk elke dag nog worden geloosd en de schade die dat met zich meebrengt? Zo ja, wanneer kunnen we dit precies verwachten?
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden, het liefst nog voor het Kerstreces?
Het verschijnen van de Amerikaanse National Security Strategy |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de in november 2025 opgestelde Amerikaanse National Security Strategy?1
Wat is uw algemene oordeel over het hoofdstuk «Promoting European Greatness», het gedeelte dat gaat over de Amerikaanse veiligheidsstrategie vis-à-vis Europa? Welke conclusies trekt u uit dit hoofdstuk over de koers die de Amerikanen inzetten richting Europa?
Hoe beoordeelt u het Amerikaanse standpunt dat er sprake zou zijn van «civilizational erasure», ofwel «uitwissing van [onze] beschaving» (pag. 25)? Bent u bereid dit tegen te spreken?
Ziet u de volgende passages ook als (impliciete) verwijzingen zijn naar de extreemrechtse Great Replacement Theory: «But this economic decline is eclipsed by the real and more stark prospect of civilizational erasure. The larger issues facing Europe include activities of the European Union and other transnational bodies that undermine political liberty and sovereignty, migration policies that are transforming the continent and creating strife, censorship of free speech and suppression of political opposition, cratering birthrates, and loss of national identities and self-confidence. Should present trends continue, the continent will be unrecognizable in 20 years or less.» (pag. 25); «Over the long term, it is more than plausible that within a few decades at the latest, certain NATO members will become majority non-European.» (pag. 27)? Zo ja, wat zegt dit u over de koers van de Amerikanen en welke gevolgen heeft dit voor toekomstige samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Hoe interpreteert u het Amerikaanse standpunt dat Europese landen over enkele decennia mogelijk niet langer als betrouwbare partners van de VS gezien kunnen worden als gevolg van (volgens de VS) onwenselijke demografische veranderingen (pag. 25)? Welke consequenties verbindt u hieraan?
Duidt de volgende passage in uw ogen op mogelijke ongewenste buitenlandse beïnvloeding en/of inmenging vanuit de VS in Europese landen, met name gericht op het versterken van uiterst rechtse politieke partijen: «American diplomacy should continue to stand up for genuine democracy, freedom of expression, and unapologetic celebrations of European nations» individual character and history. America encourages its political allies in Europe to promote this revival of spirit, and the growing influence of patriotic European parties indeed gives cause for great optimism. Our goal should be to help Europe correct its current trajectory» (pag. 26)? Zo ja, op welke manier gaat u dit monitoren en welke stappen bent u bereidt om te nemen om dit tegen te gaan? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Hoe interpreteert u het beleidsdoel van de VS om strategische stabiliteit tussen Europa en Rusland te bewerkstelligen, oftewel een normalisering van onze relaties met Poetins Rusland (pag. 27)? Welke mogelijke risico’s ziet u hierin en welke noodzakelijke stappen bent u bereid om te nemen?
Hoe interpreteert u het beleidsdoel van de VS om een einde te maken aan de perceptie dat de NAVO een «voortdurend uitbreidend» bondgenootschap is (pag. 27)? Kunt u aangeven wat dit volgens u betekent voor het onomkeerbare pad van Oekraïens NAVO-lidmaatschap?
Hoe interpreteert u de volgende passage in relatie tot de Amerikaanse militaire aanwezigheid op het Europese continent: «The United States must reconsider our military presence in the Western Hemisphere. This means four obvious things: A readjustment of our global military presence to address urgent threats in our Hemisphere, especially the missions identified in this strategy, and away from theaters whose relative import to American national security has declined in recent decades or years; [...]»?
Klopt het dat de VS erop aanstuurt dat Europa zich in 2027 al grotendeels zelf moet kunnen verdedigen? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor de snelheid van herbewapening van Europa?
Deelt u de algemene opvatting dat het Amerikaanse veiligheidsbeleid, zoals uiteengezet in deze National Security Strategy, er onder andere op uit is om de EU zoals wij deze nu kennen te ontmantelen? Kunt u dit toelichten?
Hoe staat het met de ontwikkeling van de Amerikastrategie? Bent u van plan de inhoud van deze National Security Strategy mee te laten wegen?
Bent u bereid om de Kamer, eventueel in een vertrouwelijke setting, te informeren over de manier(en) waarop met buitenlandse beïnvloeding vanuit de VS wordt omgegaan en mogelijk wordt tegengegaan?
Bent u bereid om de ambassadeur van de Verenigde Staten aan te spreken op dit stuk en de inhoud te veroordelen?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden en vóór het plenaire debat over de aanstaande Europese top naar de Kamer te sturen?
Onderzoek naar nieuwe behandeloptie voor long-COVID |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met een recente studie waarin een nieuwe behandelstrategie voor long-COVID is onderzocht en waarin aanzienlijke verbeteringen bij deelnemers werden gerapporteerd?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u deze studie? En hoe beoordeelt u de veelbelovende resultaten die de studie laat zien?
Het is niet aan mij om (resultaten van) studies inhoudelijk te beoordelen, dat is aan de instanties die daarvoor bevoegd zijn. Omdat dit een apotheekbereiding betreft, zijn de zorgverzekeraars aan zet om te beoordelen of dit geneesmiddel vergoed kan worden.
Deelt u de opvatting dat long-COVID een groot maatschappelijk en economisch probleem is, onder meer door arbeidsverzuim, uitval en stijgende zorgkosten, en dat elk onderzoek naar mogelijke behandelopties daarom maatschappelijk relevant is?
Onderzoek naar behandeling van post-covid vind ik relevant. Er is nog veel onbekend over de aandoening. Langzaam leren we meer, bijvoorbeeld over het voorkomen van PEM (post-exertionele malaise) en POTS (posturaal orthostatisch tachycardie syndroom).
Ik vind het belangrijk dat patiënten met post-covid en andere PAIS (post-acuut infectieus syndroom) erkend en herkend worden in de zorg en in het welzijnsdomein. Voldoende kennis opdoen en delen is daarvoor van belang. Wat betreft post-covid financieren we daarom vanuit het Ministerie van VWS via ZonMw biomedisch en klinisch onderzoek naar post-covid en subsidiëren we de kennisinfrastructuur rondom onderzoek en zorg (Post-Covid Netwerk Nederland). Verder subsidiëren we nazorgorganisatie stichting C-support en ondersteunen we expertisecentra voor post-covid. Langdurige financiering is aan het nieuwe Kabinet.
Hoe beoordeelt u, in het licht van de maatschappelijke relevantie en de betrokkenheid van academische centra als Amsterdam UMC, het feit dat deze studie grotendeels met eigen middelen van een zelfstandige kliniek is uitgevoerd, zonder publieke of externe steun?
Ik waardeer het zeer dat onderzoekers zich inzetten voor het ontwikkelen en onderzoeken van nieuwe therapieën voor post-covid. Ik heb daarom ook budget beschikbaar gesteld voor een subsidieprogramma via ZonMw en deze onderzoekers daar eerder ook op gewezen.
Hoe beoordeelt u het feit dat zorgverzekeraars tot op heden geen gehoor geven aan verzoeken tot vergoeding van deze behandeling, ondanks de positieve signalen uit het onderzoek?
Ik heb begrepen dat de zorgverzekeraars de vergoedingsaanvraag inmiddels in behandeling hebben.2 Het gaat hier om een niet-geregistreerd middel, namelijk een apotheekbereiding. Het is daarom aan de zorgverzekeraars om een vergoedingsaanvraag te beoordelen. Zij beoordelen dan gezamenlijk of sprake is van zogenoemde rationele farmacotherapie. Rationele farmacotherapie is een behandeling met een geneesmiddel in een voor de patiënt geschikte vorm, waarvan de werkzaamheid en effectiviteit door wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld en die ook het meest economisch is voor de zorgverzekering. Dit is een voorwaarde om in het basispakket opgenomen te kunnen worden.
Deelt u de mening dat onderzoek met een grotere patiëntengroep wenselijk is? En zo ja, kunt u toezeggen om onderzoeksfinanciering beschikbaar te stellen voor vervolgonderzoek naar deze en andere kansrijke behandelstrategieën voor long-COVID?
Ik kan geen uitspraak doen over de benodigde data, dat is aan de partijen die daarover gaan.
Bent u bereid een tijdelijke voorziening te treffen waarmee long-COVID-patiënten met een dringende hulpvraag toegang krijgen tot deze nieuwe behandelstrategie?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Ik heb uiteraard begrip voor de uitzichtloosheid en daarmee wanhoop van patiënten met een aandoening, zoals post-covid, waarvoor (nog) geen (effectieve) behandeling bestaat en ik kan de hoop die een (observationele) studie met positieve resultaten teweegbrengt dan ook goed volgen. Ook begrijp ik de wens om zo snel mogelijk toegang te krijgen goed.
Tegelijkertijd hecht ik er sterk aan dat de procedures voor toelating en vergoeding altijd, en dus ook in dit geval, zorgvuldig worden doorlopen. Deze procedures zijn er niet voor niets en bewaken dat alle patiënten in Nederland, nu én in de toekomst, kunnen beschikken over toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare (geneesmiddelen-)zorg. Overigens wil ik benadrukken dat iedereen die betrokken is bij het beoordelingsproces oog heeft voor het belang van de patiënt en niemand onnodig voor vertraagde toegang wil zorgen. Elke patiënt, met welke aandoening dan ook, moet erop kunnen rekenen dat nieuwe geneesmiddelen volgens vaste procedures, en volgens vaste criteria, beoordeeld worden, door onafhankelijke experts, en met inspraakmogelijkheden voor belanghebbenden.
Wilt u toezeggen de Kamer te informeren over de bereidheid tot financiering en de beleidsmatige inbedding van eventuele vervolgstudies?
Zoals in het antwoord op vraag 3 aangeven is een besluit over langdurige financiering aan het nieuwe Kabinet. Daarnaast wil ik de uitkomsten van lopende onderzoekstrajecten afwachten, voordat ik u kan informeren over eventuele vervolgstudies. Uiteraard ben ik bereid uw Kamer over deze uitkomsten informeren.
De verstorende rol van Hongarije in het beleid van de Europese Unie. |
|
Derk Boswijk (CDA), Silvio Erkens (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «European Parliament condems Hungary’s rule of Law, en Hungary’s Orbán seeks more Russian oil and gas in meeting with Putin»?1
Ja.
Hoe verhoudt Nederland zich tot de constatering vanuit het Europees Parlement dat Hongarije ernstige en aanhoudende schendingen begaat op het gebied van rechterlijke onafhankelijkheid en corruptie?
Nederland keurt de zorgelijke rechtsstaatontwikkelingen in Hongarije sterk af. Alle EU-lidstaten hebben de verantwoordelijkheid om universele democratische waarden, principes en mensenrechten te respecteren en te blijven verdedigen, conform artikel 2 VEU. Dat geldt ook voor Hongarije. Nederland spreekt Hongarije hier bilateraal op aan en zet zich hier ook binnen de EU voor in. Nederland vraagt de Commissie snel en effectief op te treden om terugval van lidstaten op de rechtsstaat te voorkomen en aan te pakken. Nederland spoort, in lijn met motie Klaver c.s., motie Van Campen c.s., motie Paternotte en Van Campen en motie Dassen2, de Commissie aan om gebruik te maken van al het beschikbare EU-instrumentarium dat afgelopen jaren is ontwikkeld en versterkt, ook op aansporen van uw Kamer. Nederland steunt de Commissie daarin als hoeder van de EU-verdragen.
Welke gevolgen heeft de constatering dat Hongarije stelselmatig misbruik maakt van de EU-fondsen op de toegang die Hongarije tot deze fondsen heeft?
Nog altijd is voor Hongarije EUR 19 miljard aan EU-middelen geblokkeerd onder de MFK-rechtsstaatverordening en de Common Provisions Regulation. Ook de middelen voor Hongarije uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit zullen pas worden vrijgegeven als Hongarije rechtsstaathervormingen heeft doorgevoerd. Eind 2024 is EUR 1 miljard van de geblokkeerde EU-middelen definitief vervallen. Nederland steunt de Commissie bij de inzet van alle mogelijkheden onder het financiële instrumentarium.
Klopt het dat Hongarije in september € 16.2 miljard aan SAFE-gelden heeft ontvangen in het kader van de plannen om de defensie-industrie van Europa te versterken?
In de SAFE-verordening staat dat lidstaten tot uiterlijk 30 november jl. een verzoek tot financiële bijstand konden indienen onder SAFE. Hongarije heeft in dit kader om een lening van EUR 16.2 miljard verzocht, maar heeft de lening nog niet ontvangen. Het is nu aan de Europese Commissie om de verzoeken van de lidstaten te beoordelen. Wanneer de Commissie vaststelt dat het verzoek voldoet aan de voorwaarden van de SAFE-verordening, dient zij een voorstel in voor een uitvoeringsbesluit van de Raad. Na vaststelling van de Raad kan de leningsovereenkomst tussen de Europese Commissie en de lidstaat worden getekend.
Welke waarborgen zijn er, nadat dit geld door Hongarije is ontvangen, om ervoor te zorgen dat de gelden niet worden misbruikt?
Het Financieel Reglement van de EU bevat een uitgebreid pakket van juridische, administratieve en operationele waarborgen om misbruik van EU-gelden te voorkomen, op te sporen en te corrigeren. Het betreffen maatregelen ter preventie, detectie, correctie en verantwoording. Om misbruik van EU-gelden aan de voorkant te voorkomen worden strikte regels voor begrotingsbeheer gehanteerd. Er bestaat een intern controlesysteem en uitgebreide regels voor de toekenning van subsidies en aanbestedingen, inclusief openbaarheid, voorkomen van belangenverstrengeling, gelijke behandeling en transparantie. Tevens wordt getracht onregelmatigheden en misbruik tijdig op te sporen middels interne controles, onafhankelijke audits van de Europese Rekenkamer en de Interne Auditdienst, fraudeopsporing door het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Aanklager (EPPO). Op het moment dat er een vermoeden is dat uitgaven mogelijk onrechtmatig, frauduleus of niet-doelmatig zijn kan de Europese Commissie of het verantwoordelijke agentschap de betalingen onmiddellijk opschorten. De opschorting is tijdelijk gedurende het onderzoek dat volgt. Indien misbruik definitief is vastgesteld kunnen eventuele financiële correcties, terugvorderingen of sancties formeel worden vastgelegd via een combinatie van juridische en boekhoudkundige besluite.
Daarnaast is de Meerjarig Financieel Kader (MFK)-rechtsstaatverordening van toepassing op leningen die verstrekt worden ter versterking van de Europese defensie-industrie via de SAFE-verordening. Bij schendingen van de beginselen van de rechtsstaat die rechtstreekse gevolgen hebben of dreigen te hebben voor de financiële belangen van de Unie of voor goed financieel beheer van de Uniebegroting kunnen passende maatregelen worden genomen tegen een lidstaat op grond van de MFK-rechtsstaatverordening. Daarbij geldt dat de Commissie bij haar beoordeling is gebonden aan de kaders van de verordeningen.
Zijn er nog andere Europese fondsen waar Hongarije op dit moment gebruik van maakt en waarbij het risico op misbruik hoog is?
Het MFK van de EU bestaat uit diverse fondsen waar alle lidstaten, inclusief Hongarije, EU-middelen uit kunnen ontvangen. Het gaat onder andere om de volgende fondsen: Cohesiefonds, Europees Regionaal Ontwikkelingsfonds, Europees Sociaal Fonds, Fonds voor rechtvaardige transitie, Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, Horizon en Next Generation EU. Hoewel Hongarije aanspraak kan maken op EU-middelen uit deze fondsen, zijn delen van de betalingen uit deze fondsen momenteel (gedeeltelijk) geblokkeerd of aan strikte voorwaarden gekoppeld, omdat sprake is van schendingen van de beginselen van de rechtsstaat die voldoende rechtstreeks gevolgen hebben of dreigen te hebben voor het goed financieel beheer van de Uniebegroting of de bescherming van de financiële belangen van de Unie. Europese instellingen blijven actief toezicht houden op rechtsstatelijke ontwikkelingen en risico’s op mogelijk misbruik van EU-gelden middels de waarborgen zoals toegelicht in antwoord op vraag 5.
Heeft Nederland Hongarije aangesproken op de constatering dat het land misbruik maakt van EU-fondsen? Indien ja, wat was de reactie van de Hongaarse regering?
Ja. Het kabinet heeft ook in bilaterale contacten het belang van het respecteren van de beginselen van de rechtsstaat overgebracht aan Hongarije. Zie hiervoor bijvoorbeeld het verslag van de RAZ-Cohesie van 28 maart jl.3
Welke mogelijke stappen overweegt Nederland om Hongarije in Europees verband te sanctioneren? Is het bijvoorbeeld mogelijk om de Europese Commissie aan te sporen de toegang van Hongarije tot Europese middelen (verder) stop te zetten via het conditionaliteitsregime van verordening 2020/2092 of om een inbreukprocedure te beginnen op basis van artikel 259 VWEU?
Het is voor het kabinet van belang dat de Commissie snel en effectief optreedt om terugval van lidstaten op rechtsstatelijk vlak te voorkomen en aan te pakken, en daarbij gebruik maakt van al het beschikbare EU-rechtsstaatinstrumentarium, inclusief het financiële instrumentarium. Het kabinet pleit hier voortdurend voor.4 Op dit moment is ca. EUR 19 miljard aan EU-middelen voor Hongarije geblokkeerd. Eind 2024 is hiervan EUR 1 miljard definitief vervallen. Als hoedster van de Verdragen is het aan de Commissie om te beoordelen of een lidstaat het Unierecht schendt en op basis daarvan op te treden op basis van, onder meer, artikel 258 VWEU.5 Nederland roept de Commissie er toe op deze rol zo voortvarend mogelijk op te pakken, zo mogelijk samen met gelijkgezinde lidstaten. De Commissie heeft ook verschillende inbreukprocedures tegen Hongarije geïnitieerd vanwege de rechtsstatelijke zorgen, waaronder vanwege de anti-lhbtiq+-wetgeving die heeft geleid tot een zaak voor het EU Hof van Justitie. Nederland heeft, met 15 andere EU lidstaten, geïntervenieerd in deze hofzaak aan de zijde van de Commissie. Daarnaast steunt Nederland de inzet van de artikel 7 procedure in het geval van Hongarije vanwege de ernstige rechtsstaatzorgen. In uitvoering van de motie Paternotte/Van Campen, voert het kabinet actief het gesprek met andere lidstaten over de mogelijkheden om de artikel 7-procedure verder te brengen.6 De benodigde meerderheden om concrete stappen in de artikel 7-procedure te zetten zijn momenteel echter nog niet in zicht.
Bent u het met de VVD-fractie eens dat het onaanvaardbaar is dat Hongarije EU-fondsen misbruikt? Zeker omdat daar direct en indirect ook geld in zit wat in Nederland is verdiend?
Het kabinet is het eens dat het onaanvaardbaar is als lidstaten EU-fondsen misbruiken. Om misbruik van EU-gelden te voorkomen, op te sporen en te corrigeren, bevat het Financieel Reglement van de EU een uitgebreid pakket van juridische, administratieve en operationele waarborgen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5.
Hoe verhoudt Nederland zich tot de ambities van Hongarije om extra olie en gas vanuit Rusland te importeren?
Het kabinet heeft consequent het standpunt ingenomen dat Nederland, conform het REPowerEU doel, de import van Russische fossiele brandstoffen zo spoedig mogelijk wil afbouwen naar nul. Nederland heeft zich de afgelopen jaren in de EU dan ook hard ingezet voor de afbouw van Russische fossiele brandstoffen en heeft maatregelen voor de beperking daarvan genomen. Sinds 2022 is het aandeel Russische fossiele brandstoffen in de EU significant gedaald. Onder het recent aangenomen REPowerEU-voorstel moeten lidstaten de import van Russische LNG afbouwen per uiterlijk 31 december 2026 en pijpleidingengas per 30 september 2027. Het kabinet zal Hongarije blijven aanspreken op het belang van EU-eenheid jegens Rusland, zowel bilateraal als in EU-verband, en het belang te handelen in lijn met EU-afspraken om de energie-afhankelijkheid van Rusland af te bouwen.
Wat is de verwachte winst die Rusland maakt met het exporteren van olie en gas naar Hongarije?
EU-landen hebben afgesproken om de import van Russische olie en gas versneld af te bouwen, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 10, zodat energie-importen niet langer bijdragen aan de Russische oorlogskas. Volgens recente cijfers van het Internationaal Energieagentschap (IEA) was de totale export van Russische ruwe olie en olieproducten afgenomen naar circa USD 11 miljard in november van dit jaar, ten opzichte van USD 22 miljard per maand in de eerste helft van 2022. In 2024 kwamen 74 procent van de Hongaarse gasimporten uit Rusland en 87 procent van de olie-importen.7 Het kabinet kan geen precieze uitspraken doen over de geldstromen naar specifiek Hongarije die samenhangen met import van Russische olie en gas, maar Hongarije zal, net als andere EU-lidstaten, versneld moeten inzetten op diversificatie van importroutes.
Welke alternatieve aanleveringsroutes en alternatieve handelspartners heeft Hongarije om olie en gas te importeren?
Hongarije kan de import van olie en gas diversifiëren, maar blijft afhankelijk van een beperkt aantal routes. Via de Adria-pijpleiding beschikt Hongarije volgens het Hongaarse staatsolietransportbedrijf JANAF8 over voldoende capaciteit om de olie-import te diversifiëren. In 2024 kwam 87 procent uit Rusland, 9 procent uit Kazachstan en 4 procent vanuit de zeehaven bij Kroatië via de Adria-pijpleiding.9 Voor de import van gas kunnen Hongaarse energiebedrijven gebruik maken van importcapaciteit van LNG-terminal Krk in Kroatië waar reeds capaciteit is geboekt alsmede van de LNG-terminal in Griekenland, evenals inkopen op de Europese gasmarkt via pijpleidingverbindingen met andere EU-landen.
Hoe beoordeelt u de relatie tussen de wens van Hongarije om olie en gas uit Rusland te blijven importeren met de houding van Hongarije ten opzichte van de Russische agressie-oorlog tegen Hongarije en het toetredingsproces van Oekraïne tot de Europese Unie?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 11 kwam in 2024 een groot aandeel van de Hongaarse gas- en olie-importen uit Rusland. Van Hongarije is bekend dat het de opening van Cluster 1 met Oekraïne blokkeert. Dergelijke oneigenlijke bilaterale blokkades zijn onwenselijk en schaden de geloofwaardigheid van het uitbreidingsproces.
Welke mogelijkheden zijn er in Europees verband om Hongarije niet langer te betrekken bij de besluitvorming omtrent steun van Europa aan Oekraïne?
Het kabinet blijft zich inzetten voor onverminderde politieke, militaire, financiële en morele steun aan Oekraïne vanuit de EU en streeft naar EU-eenheid in dit beleid. Sinds de start van de grootschalige invasie heeft de EU op grote schaal steun aan Oekraïne verleend, met ruim EUR 190 mld. aan steun en 19 sanctiepakketten om de druk op Rusland op te voeren. In geval van een blokkerende stem van een of meer lidstaten kan worden aangedrongen op constructieve onthouding of kan gebruik worden gemaakt van nauwere samenwerking. Een voorbeeld van laatstgenoemde is het besluit van Europese leiders van 18 en 19 december jl. om met 24 lidstaten een leeninstrument op te zetten om Oekraïne in 2026 en 2027 te voorzien van EUR 90 mld. aan essentiële financiële en militaire steun. Verder bepaalt het EU-verdrag dat bepaalde besluiten van Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) met een gekwalificeerde meerderheid (QMV) vastgesteld kunnen worden. Van deze mogelijkheid kan vaker gebruik worden gemaakt, bijvoorbeeld voor het aanpassen van de listings van sanctieregimes. Voor uitbreiding van QMV-besluitvorming in het GBVB is unanimiteit vereist. Deze is op dit moment niet in zicht. Het kabinet zal zich in lijn met motie Klos.10 inzetten voor het afschaffen van veto’s in het GBVB. Tot slot kunnen, zoals de huidige praktijk laat zien, conclusies of verklaringen namens 26 lidstaten of alleen de voorzitter worden vastgesteld. Binnenkort ontvangt uw kamer de reactie van het kabinet op het recente advies van de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken over de kracht van loyale samenwerking in de EU11 waarin uitgebreid op deze thematiek wordt ingegaan.
Bent u het met de VVD-fractie eens dat het onaanvaardbaar is dat Hongarije nauwe banden met Rusland blijft onderhouden en dat dit Rusland in staat blijft stellen om Oekraïne aan te vallen?
Er is binnen de EU brede overeenstemming over steun aan Oekraïne en de noodzaak om de druk op Rusland hoog te houden, inclusief gezamenlijke diplomatieke inspanningen om Rusland te isoleren. Het kabinet hecht wel belang aan het open houden van het diplomatieke kanaal met Rusland, maar dit geldt slechts voor noodzakelijk contact. Ook hindert de EU de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk door het Russische verdienvermogen te raken met sancties en andere maatregelen. Inzet die tegengesteld is aan deze positie, is niet in het belang van de EU en niet in het belang van Oekraïne en schaadt de uniforme Europese steun in woord en daad aan Oekraïne.
Hoe beoordeelt u de relatie tussen het stemgedrag van Hongarije in Europese Raden en Raden van Buitenlandse Zaken en de All-Weather Comprehensive Strategic Partnership die op 9 mei 2024 tussen China en Hongarije is gesloten?
Ik kan geen oordeel vellen over een direct veronderstelde relatie tussen het Hongaarse stemgedrag en het «All-Weather Comprehensive Strategic Partnership» tussen Hongarije en China. Het staat EU-lidstaten vrij om partnerschappen te sluiten met derde landen. Het Chinees-Hongaarse partnerschap zal meer afhankelijkheid van Hongarije van China op politieke, economische, veiligheids- en milieuterrein met zich meebrengen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Péter Szijjártó dat Europa China niet langer als een «systemic rival» moet zien?
Binnen de EU wordt de relatie met China gekarakteriseerd a.d.h.v. de drieslag «partner, competitor, systemic rival». Hoewel China een belangrijke partner blijft voor het innovatie- en verdienvermogen van Nederland en de EU, zien we al enige tijd een verschuiving in de balans richting concurrentie en systeemrivaliteit. De uitspraak van de Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken is ondergravend hieraan.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het debat over de Europese Top van 18 en 19 december?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De arbeidsomstandigheden van pakketbezorgers |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Kassa van 29 november j.l. over de arbeidsomstandigheden van pakketbezorgers?1
Ja.
Erkent u dat de werkdruk voor pakketbezorgers veel te hoog is en het problematisch is dat zeer zware pakketten zonder tilhulp worden gelost? Waarom wel of niet?
Onderzoeksinstituut TNO heeft op basis van de Nederlandse Enquête Arbeidsomstandigheden een analyse gemaakt van het verzuim van pakketbezorgers en een vergelijking van de achterliggende redenen, waaronder werkdruk, met vergelijkbare beroepen en de rest van Nederland. Een notitie van deze analyse wordt ter achtergrondinformatie meegezonden. Pakketbezorgers melden zich gemiddeld evenveel ziek als werknemers uit andere sectoren. Wanneer het verzuim werkgerelateerd is, geven pakketbezorgers ongeveer even vaak als andere werknemers een te hoge werkdruk aan als reden. Ook melden pakketbezorgers zich niet vaker of langer ziek dan werknemers uit andere sectoren. Het is evenwel altijd belangrijk voor werkgevers om oog te houden voor het welzijn van hun werknemers. Vanuit de Arbeidsomstandighedenwet worden werkgevers dan ook verplicht om maatregelen te treffen om werkdruk zo veel mogelijk te voorkomen en indien niet mogelijk te verminderen. Ook fysieke belasting van pakketbezorgers, bijvoorbeeld veroorzaakt door zware pakketten, kan tot gezondheidsklachten leiden. Ook hier is het de verantwoordelijkheid van de werkgever om passende maatregelen te treffen.
Herkent u het in de uitzending geschetste beeld dat 65% van de pakketbezorgers zich ziekmeldt vanwege de zware werkdruk en de zware pakketten? Hoe verhoudt dit zich tot het aandeel ziekmeldingen in vergelijkbare branches?
Ja, dat wordt herkend, maar enkel daar waar het gaat om verzuim dat werkgerelateerd is. Het meeste verzuim is niet werkgerelateerd, namelijk ongeveer 75% van het totaal. In de TNO-analyse is de beroepsgroep waar de pakketbezorgers onder vallen als onderzoeksgroep afgezet tegen een referentiegroep met soortgelijke beroepen in een eerste vergelijking. Daarnaast is de onderzoeksgroep in een tweede vergelijking afgezet tegen de rest van de beroepsgroepen in Nederland. Vervolgens is gekeken naar verschillen in verzuim tussen de groepen, of het verzuim werkgerelateerd is, en wat de oorzaak is van het werkgerelateerde verzuim. De beroepsgroep noemt als oorzaak van het werkgerelateerde verzuim in 37% van de gevallen het fysiek zware werk en in 23% van de gevallen de hoge werkdruk.
Uit deze analyse van TNO komt verder naar voren, zoals ook gesteld in het antwoord op vraag 2, dat er geen grote verschillen zijn op het gebied van verzuim tussen de drie groepen. Wel komt naar voren dat bij de beroepsgroep waar pakketbezorgers onder vallen als reden achter het werkgerelateerde verzuim fysieke belasting anderhalf keer vaker wordt genoemd in vergelijking met de soortelijke beroepen en drie keer vaker dan in de rest van Nederland.
Welke gezondheidsproblemen kunnen ontstaan op de lange- en korte termijn als gevolg van structureel te zware pakketten tillen, en het structureel werken onder zeer hoge werkdruk?
Als een werknemer structureel werkt onder hoge werkdruk kan dat op termijn werkstress opleveren. Dit ontstaat bijvoorbeeld omdat de werknemer niet kan voldoen aan hoge eisen die continu worden gesteld. Op de korte termijn leidt werkstress tot een verhoogd risico op verzuim. Op de lange termijn verhoogt dit het risico op langdurig verzuim en zelfs arbeidsongeschiktheid. Voor de risico’s op zowel korte als lange termijn is het van belang dat maatregelen worden getroffen om de werknemer te ondersteunen. Structureel te zwaar tillen verhoogt het risico op acute en chronische lage-rugklachten, maar het is zelden de enige oorzaak hiervan. Het is veelal de combinatie: zowel fysieke als ook psychosociale factoren bepalen het uiteindelijke gezondheidsrisico.2
Uit onderzoek blijkt dat op de korte termijn tillen kan leiden tot:
Ook op de lange termijn zijn gezondheidsproblemen mogelijk. Namelijk:
Kunt u aangeven of hier sprake is van stukloon? En kun u aangeven of in dit verband stukloon is toegestaan?
Bij de beantwoording wordt er, gezien de vervolgvragen 6 en 7, van uitgegaan dat de vragen zien op de vergoeding per pakket dat wordt verwerkt door een ViaTim afhaalpunt. Volgens de website van ViaTim gaat het om een vergoeding van € 0,25 per pakket.3 Voor de vraag of van stukloon sprake is, is van belang of de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) van toepassing is. Op voorhand kan niet worden vastgesteld om wat voor arbeidsrelaties het gaat bij pakketpunten van ViaTim en of daarmee dus de Wml geldt, omdat dit afhankelijk is van de voorwaarden en onderling gemaakte afspraken tussen partijen. Informatie daarover en over de werking daarvan in de praktijk ontbreken. Het is aan de betrokken partijen om te beoordelen of de Wml van toepassing is en, wanneer dat het geval is, dan moet de werkgever in overeenstemming met deze wet handelen. Indien daarbij onduidelijkheid bestaat, kan bij de rechter om een juridisch oordeel worden verzocht. Daarnaast kunnen mensen een melding doen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie als zij van mening zijn dat sprake is van onderbetaling op grond van de Wml. De ontvangen meldingen worden door de Arbeidsinspectie geregistreerd, beoordeeld en -indien opvolgingswaardig- opgepakt.
De Wml geldt voor werknemers met een arbeidsovereenkomst. Hierbij kan gedacht worden aan vast en tijdelijk personeel, oproepkrachten en uitzendkrachten. De Wml geldt ook wanneer wordt gewerkt op basis van een overeenkomst van opdracht (ovo), of een andere overeenkomst tegen beloning, zoals aanneming van werk. Het wettelijk minimumloon is niet van toepassing wanneer iemand als zelfstandig ondernemer werkt en de Belastingdienst deze ook als ondernemer beschouwt.4
Indien de Wml wel van toepassing is, kan het stukloon worden toegepast mits de werknemer het wettelijk minimumloon (€ 14,71 per uur)5 ontvangt over de daadwerkelijke tijd die besteed wordt aan de uitvoering van de arbeid (artikel 5a, tweede lid, Wml). In het geval dat de Wml van toepassing is op personen met een afhaalpunt van ViaTim, dan kan de beloning als stukloon worden gezien. Dit zou betekenen dat een persoon bij het afhaalpunt afgerond 59 pakketten per uur zou moeten verwerken.
Er bestaat een mogelijkheid om af te wijken van deze regel voor stukloon (artikel 12a Wml). Op dit moment is dit uitsluitend geregeld voor de bezorging van dagbladen en gerelateerde uitgeefproducten bij abonnees of losse verkooppunten, met uitzondering van nabezorging, en van ongeadresseerd (reclame)drukwerk en huis-aan-huisbladen.6 De tijd die redelijkerwijs met de uitvoering van de te verrichten arbeid is gemoeid (stukloonnorm) wordt dan in aanmerking genomen bij de berekening van het minimumloon. Deze afwijking is in dit geval niet van toepassing.
Deelt u de opvatting van ViaTim dat het runnen van een pakketpunt aan huis geen baan is? Waarom wel of niet?
Een ViaTim «punt» is een persoon in de buurt die pakketten ontvangt voor inwoners in de wijk. Buurtgenoten kunnen ook pakketten versturen en retourneren via een ViaTim punt. Hiervoor wordt een vergoeding betaald. Of altijd sprake is van een «baan» of eerder van een «bijverdienste» in het geval van mensen die een pakketpunt aan huis hebben, kan niet worden beoordeeld, omdat deze begrippen geen juridische definitie kennen.
Werkgevers zijn ook bij thuiswerkende werknemers gehouden aan het zorgdragen dat het werk gezond en veilig kan worden uitgevoerd.
In hoeverre deelt u het beeld dat bezorgbedrijven kosten afwentelen op mensen die afhaalpunten runnen? Wat is het gemiddelde uurloon? Bent u van mening dat mensen die afhaalpunten runnen te weinig betaald worden voor hun werk? Waarom wel of niet? Welke manieren ziet u om hun situatie te verbeteren?
Zoals bij antwoord 5 aangegeven, zijn er verschillende constructies mogelijk en is het daarvan afhankelijk of de Wml van toepassing is. Het is in eerste instantie aan de betrokken partijen om te beoordelen of de Wml van toepassing is en overeenkomstig deze wet te handelen.
Hoe beoordeelt u het voorstel vanuit de vakbond om pakketten te maximeren op 15 kilo en voor zwaardere pakketten een tilhulp de norm te maken?
Uit onderzoek naar fysieke belasting in de pakketdienstensector blijkt dat minder dan 5% van de pakketten zwaarder is dan 15 kilo.7 Uit onderzoek van de Gezondheidsraad blijkt dat het aantal lage-rugklachten vermindert als het maximale gewicht van pakketten wordt beperkt tot 15 kilo. Maar er is geen veilig gewicht vast te stellen waarbij rugklachten helemaal worden voorkomen.8 Dit hangt namelijk van meer factoren af, zoals de tijdsduur en de tilfrequentie. De werkgever is wettelijk verplicht ervoor te zorgen dat werknemers veilig en gezond kunnen werken. In een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) moet o.a. de fysieke belasting van pakketbezorgers worden beoordeeld. In het bijbehorende Plan van Aanpak worden hiervoor passende maatregelen opgenomen conform de TOP-strategie: eerst technische maatregelen (bijvoorbeeld hulpmiddelen), dan organisatorische (bijvoorbeeld maxima voor handmatig tillen) en als laatste optie persoonsgebonden maatregelen. Deze maatregelen moeten aangepast zijn op de situatie.
Het is op voorhand niet te zeggen of een grens van 15 kilo en een tilhulp een oplossing zijn die in lijn is met de inventarisatie van de specifieke risico’s. Zo kan een tilhulp in de reguliere bezorging met bestelbusjes tot extra handelingen voor de chauffeur zorgen waarmee het tilrisico en de tijdsdruk verhoogd kunnen worden.
Hoe beoordeelt u het voorstel vanuit de vakbond om de normtijden voor het laden en lossen te verruimen?
Het verruimen van normtijden voor het laden en lossen van pakketten heeft een beperkte invloed op de risicobeoordeling van gezondheidsklachten door tillen met de NIOSH-methode9 aangezien de tilfrequentie zich al in de op een na laagste frequentiecategorie bevindt. Het zal de risicobeoordeling niet op «veilig» laten uitkomen.
Het verruimen van normtijden kan echter wel leiden tot rustiger en beheerster tilhandelingen. Daarnaast kan een verlaging van de werkdruk rugklachten verminderen, gelet op de relatie tussen rugklachten en psychosociale factoren in het werk.10, 11 Normtijden zijn niet wettelijk opgelegd, het is aan bedrijven zelf vast te stellen en hierin de balans te vinden.
Hoe beoordeelt u het voorstel vanuit de vakbond om een kleurencode zodat de bezorgers zien hoe zwaar een pakket is, waardoor de kans op vertillen kleiner is?
Kennis van het gewicht van een pakket vermindert het risico op onbalans bij het tillen.12 Het kan verder tot voorzichter tillen leiden, wat de risico’s verbonden aan tillen kan verminderen.13 Het is aan de pakketdienstensector om dit mee te nemen als onderdeel van het verminderen van fysieke belasting voor medewerkers.
Welke rol ziet u voor zichzelf in het realiseren van bovenstaande voorstellen? Welke mogelijkheden zijn er en op welke termijn?
Het kabinet hecht veel waarde aan goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Werkenden hebben recht op eerlijk, gezond en veilig werk. In Nederlandse wetgeving zijn daarover dan ook al veel afspraken gemaakt. Dergelijke afspraken, zoals ook middels cao-onderhandelingen worden overeengekomen, zijn echter een zaak tussen werkgevers en werknemers. Het is aan sociale partners om over arbeidsvoorwaarden, waaronder het loon, te onderhandelen en afspraken te maken. Naast de reguliere verplichtingen voor werkgevers vanuit de Arbeidsomstandighedenwet (o.a. de RI&E) en het risicogerichte toezicht hierop door de Arbeidsinspectie, is voor SZW hierin geen verdere rol weggelegd.
Het intrekken van een wetenschappelijk stuk na mogelijke betaling door glyfosaatproducent |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel van 3 december 2025, waarin wordt beschreven dat een invloedrijk wetenschappelijk artikel over het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat na 25 jaar is ingetrokken?1
Kunt u uiteenzetten welke grondslag dit wetenschappelijk artikel heeft of heeft gehad in het beleid dat Nederland, en breder gezien, Europa voert bij het gebruik van glyfosaat?
Bent u verder bekend met wetenschappelijke studies over pesticiden, glyfosaat in het bijzonder, waarbij aanleiding bestaat om te twijfelen aan de legitimiteit van het onderzoek, wat de invloed was van dergelijke onderzoeken was en hoe zowel positieve als negatieve uitkomsten van deze onderzoeken gewogen en getoetst worden aan bronnen en belangen?
In hoeverre acht u deze berichtgeving, over rectificatie van wetenschappelijke onderzoeken en mogelijke inmenging van de fabrikant om gevaren en risico’s van het bestrijdingsmiddel te bagatelliseren, als een belangrijk moment voor herziening van onze omgangsnormen met betrekking tot glyfosaat, variërend van bijvoorbeeld toelatingsprocedures tot aan subsidies?
Welke waarborgen bestaan er momenteel om niet gedegen wetenschappelijke onderzoeken te weren uit de certificering en besluitvorming en daaropvolgende onderzoeken te herzien als deze op dergelijke onderzoeken zijn gebaseerd?
In hoeverre bent u bereid om het Europees vastgestelde toetsingskader ter discussie te stellen nu de legitimiteit van invloedrijke wetenschappelijke onderbouwingen die mogelijk ten grondslag liggen aan onze opvattingen over glyfosaat in twijfel wordt getrokken of zelfs wordt gerectificeerd?
In aanvulling daarop, bent u bereid om bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) aan te dringen op herziening van het toetsingskader voor het gebruik van glyfosaat, wellicht in afwachting van herziening van het Europese toetsingskader?
Deelt u de mening dat Montsano geen gesprekspartner moet zijn van Nederland of via andere manieren de mogelijkheid moet hebben om de sterke lobby voor de gifindustrie voort te zetten? Ziet u dus de wenselijkheid van een lobbyverbod voor de gifindustrie in?
Is er naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State op de Wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden een onderzoek ingesteld naar de reikwijdte van de verplichtstelling van alternatieven voor glyfosaat?
Hoe gaat u waarborgen dat dit onderzoek onafhankelijk en zorgvuldig wordt uitgevoerd, waarbij scherp wordt gelet op mogelijke belangenverstrenging of illegitimiteit van aangehaalde onderzoeken, helemaal gelet op recente berichtgevingen?
Kunt u uiteenzetten in hoeverre de effecten van glyfosaat onafhankelijk worden onderzocht en de basis vormen voor het toetsingskader voor de verplichtstelling van alternatieven?
Bent u bereid om naar aanleiding van deze en eerdere negatieve berichtgeving over de schadelijke effecten van glyfosaat concrete vervolgstappen te geven aan het aanpassen van het glyfosaatbeleid in Nederland?
Bent u bereid om, indien onderzoeken deze uitkomst aanbevelen, de verplichting tot het gebruik van alternatieven aan te scherpen en voor eenieder te codificeren in de Wijzigingen van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden?
Het bericht ‘Veelgebruikt verdovingsmiddel lijkt effectief bij long covid: 80 procent van patiënten knapt op’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veelgebruikt verdovingsmiddel lijkt effectief bij long covid: 80 procent van patiënten knapt op» en het gepubliceerde onderzoek in eClinicalMedicine?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u dit onderzoek?
Het is niet aan mij om (resultaten van) onderzoeken inhoudelijk te beoordelen, dat is aan de instanties die daarvoor bevoegd zijn. Omdat dit een apotheekbereiding betreft, zijn de zorgverzekeraars aan zet om te beoordelen of dit geneesmiddel vergoed kan worden.
Leveren de behandelingen in de PAIS-expertisecentra resultaten op die in aanmerking komen voor vergoeding?
Zie antwoord vraag 2.
Welke procedure geldt er om een veelbelovend medicijn of behandeling te laten vergoeden? Wat is gemiddeld de tijdspanne van deze procedure tussen start en toelating?
Indien het een geregistreerd geneesmiddel betreft, zijn er twee routes mogelijk voor vergoeding vanuit het basispakket:
Als uitzondering op de open instroom bestaat er voor geneesmiddelen met onevenredig hoge kosten per jaar of per behandeling de zogenoemde geneesmiddelensluis. Hierbij plaatst de Minister van VWS het geneesmiddel in deze tijdelijke sluis (en dus buiten het basispakket), zodat Zorginstituut Nederland zich eerst kan uitspreken over de pakketwaardigheid. Het gaat hierbij om een beoordeling van, naast stand wetenschap en praktijk, de vaste pakketcriteria kosteneffectiviteit, uitvoerbaarheid en noodzakelijkheid. Na een positief advies van het Zorginstituut en, indien nodig, een onderhandeling door de Minister van VWS over een verlaagde prijs, kan het geneesmiddel dan uit de sluis gehaald worden en instromen in het basispakket.
Op deze procedures bestaan twee uitzonderingen.
Het is lastig om in het algemeen aan te geven hoeveel tijd een vergoedingsprocedure kost, omdat dit sterk varieert per geneesmiddel en route. Het proces neemt doorgaans enkele weken tot enkele maanden in beslag. Voor inzicht in de doorlooptijden van sluisgeneesmiddelen en extramurale geneesmiddelen met een onderhandeladvies, die gemiddeld het langst duren, is het Dashboard Doorlooptijden Geneesmiddelen beschikbaar.2
Is er nog een verschil tussen al langer bestaande ziektes en nieuwe ziektes als het gaat om voldoende bewijs om een behandeling te vergoeden?
Het onderscheid tussen al langer bestaande (of gediagnosticeerde) aandoeningen en nieuwere aandoeningen is voor de beoordeling van het bewijs niet relevant. Wel kan in de maatschappelijke weging van het Zorginstituut (als onderdeel van een pakketadvies) worden meegenomen of sprake is van een zogenoemde onvervulde behandelbehoefte (unmet medical need).
Hoe beoordeelt u de lengte van procedures voor een nieuwe ziekte met veel patiënten, aangezien de vrees bestaat voor een langdurig proces van toelating en vergoeding?
De duur van procedures voor toelating en vergoeding verschilt per situatie en is afhankelijk van onder meer de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs. Ik heb uiteraard begrip voor de uitzichtloosheid en daarmee wanhoop van patiënten met een aandoening, zoals post-Covid, waarvoor (nog) geen (effectieve) behandeling bestaat en ik kan de hoop die een (observationele) studie met positieve resultaten teweegbrengt dan ook goed volgen. Ook begrijp ik goed de wens om de beoordeling zo snel mogelijk te laten verlopen. Maar ik hecht er sterk aan dat de procedures voor toelating en vergoeding, altijd en dus ook in dit geval, zorgvuldig worden doorlopen. Deze procedures zijn er niet voor niets en bewaken dat alle patiënten in Nederland, nu én in de toekomst, kunnen beschikken over toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare (geneesmiddelen-)zorg. Overigens wil ik benadrukken dat iedereen die betrokken is bij het beoordelingsproces oog heeft voor het belang van de patiënt en niemand onnodig voor vertraagde toegang wil zorgen. Elke patiënt, met welke aandoening dan ook, moet erop kunnen rekenen dat nieuwe geneesmiddelen volgens vaste procedures, en volgens vaste criteria, beoordeeld worden, door onafhankelijke experts, en met inspraakmogelijkheden voor belanghebbenden.
Ik heb overigens begrepen dat de zorgverzekeraars de vergoedingsaanvraag inmiddels in behandeling hebben.3
Zijn er momenteel manieren om de procedure naar vergoeding te versnellen? Zo ja, welke zijn dit? Zo nee, bent u van mening dat voor sommige nieuwe ziektes het gewenst is dat er vaart wordt gemaakt met toelating tot het basispakket, als er nog helemaal geen effectieve behandeling voorhanden is?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over postcovid (en andere PAIS) dat begin januari gepland staat?
Ik heb getracht deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De mogelijkheid niet langer heel Nederland aan te wijzen als kwetsbare zone in het kader van de Nitraatrichtlijn |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland ervoor heeft gekozen om geen specifieke kwetsbare zones aan te wijzen, maar het gehele grondgebied als kwetsbaar te beschouwen in het kader van de Nitraatrichtlijn?1
In lijn met de Nitraatrichtlijn heeft Nederland de keuze gemaakt om het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn (verder 7e actieprogramma) en voorgaande actieprogramma’s van toepassing te laten zijn op het gehele Nederlandse grondgebied. Daarom heeft Nederland geen kwetsbare zones aangewezen.
Kunt u bevestigen dat de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, zoals vastgelegd in het Actieprogramma Nitraatrichtlijn, enkel van toepassing zijn op kwetsbare zones?2
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. De verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn zijn in Nederland van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Artikel 3, vijfde lid, Nitraatrichtlijn geeft aan dat een lidstaat is ontheven van de verplichting kwetsbare zones aan te wijzen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Nitraatrichtlijn, als het zijn actieprogramma’s op zijn hele grondgebied van toepassing laat zijn.
Kunt u bevestigen dat ook de maximale hoeveelheid uit te rijden mest van 170 kilogram per hectare per jaar, zoals per 1 januari 2026 geldig vanwege de afschaffing van de derogatie, enkel van toepassing is op kwetsbare zones?
De norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar is opgenomen in bijlage III, onder 2, van de Nitraatrichtlijn. De verplichtingen opgenomen in bijlage III zijn volgens artikel 5, vierde lid, een verplicht onderdeel van actieprogramma’s. Afhankelijk van de keuze die een lidstaat heeft gemaakt over het grondgebied waarop een actieprogramma ziet, geldt de norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest.
Kunt u bevestigen dat Nederland de lijst van kwetsbare zones kan herzien, zodat niet langer het gehele grondgebied, maar slechts een deel daarvan als kwetsbare zone geldt?3
De Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten die een lijst van kwetsbare zones hanteren om die ten minste iedere vier jaar te herzien. Lidstaten die hun actieprogramma’s toepassen op het gehele grondgebied zijn ontheven van deze verplichting. Aangezien in Nederland actieprogramma’s van toepassing zijn op het gehele Nederlandse grondgebied is er geen lijst van kwetsbare zones die herzien kan worden. De motie Flach en Grinwis4 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. In lijn met de motie en conform het Hoofdlijnenakkoord is aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd om hierover te adviseren.
Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet. In voornoemde brief is aangegeven dat de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma voor het einde van het kerstreces aan uw Kamer zal worden gestuurd. Hierbij zal ook het voornoemde CDM advies gevoegd worden.
Kunt u bevestigen dat Nederland dit herzieningsbesluit eenzijdig kan nemen, dit enkel aan de Europese Commissie (EC) hoeft te melden en hiervoor dus geen toestemming nodig heeft van de EC?
Het is de bevoegdheid van een lidstaat om kwetsbare zones aan te wijzen of het actieprogramma op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing te laten zijn. In het geval dat Nederland overgaat tot het aanwijzen van kwetsbare zones, zal Nederland dit afdoende moeten onderbouwen en zal de Europese Commissie daarvan in kennis moeten worden gesteld. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn. Dat betekent overigens niet dat de Europese Commissie in die situatie geen rol heeft ten aanzien van een aanwijzing van kwetsbare zones. Indien een lidstaat een aanwijzing van kwetsbare zones onvoldoende kan onderbouwen, heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om vanwege niet naleving van de Nitraatrichtlijn een infractieprocedure te starten bij het Europees Hof van Justitie. In de loop van de tijd heeft het Europese Hof van Justitie in verschillende uitspraken lidstaten in het ongelijk gesteld vanwege het niet adequaat aanwijzen van kwetsbare zones conform de Nitraatrichtlijn. Dit heeft in de betreffende lidstaten geleid tot uitbreiding van het areaal aangewezen kwetsbare zones, dan wel aanwijzing van het gehele grondgebied.5
Kunt u bevestigen dat Nederland dus de mogelijkheid heeft om de strengere mestnormen die per 1 januari 2026 zullen gelden, evenals andere verplichtingen voortvloeiende uit de Nitraatrichtlijn, van toepassing te laten zijn op een kleiner grondgebied dan momenteel het geval is? Deelt u de mening dat dit de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk zou kunnen verlichten?
Het 7e actieprogramma is van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Bij het vaststellen van een volgend actieprogramma kan Nederland de reikwijdte van het actieprogramma opnieuw wegen.
Klopt het dat u over een eventuele wijziging van de Nederlandse lijst met kwetsbare zones advies heeft gevraagd aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)?
Aan de CDM is advies gevraagd over de mogelijkheid om de actieprogramma’s onder Nitraatrichtlijn niet langer van toepassing te laten op het gehele Nederlandse grondgebied, maar enkel op kwetsbare zones. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4.
Kunt u dit advies per ommegaande aan de Kamer doen toekomen, indien dit antwoord bevestigend luidt?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid de Nederlandse lijst met kwetsbare zones zo spoedig mogelijk te herzien, om zo de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk te verlichten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit bewerkstelligen?
In de beantwoording van vraag 2 heb ik aangeven dat in Nederland op basis van de Nitraatrichtlijn de keuze is gemaakt om het actieprogramma van toepassing te laten zijn op het hele Nederlandse grondgebied. Er is derhalve geen lijst met kwetsbare zones.
Kunt u deze vragen, gezien het feit dat de nieuwe mestnormen per 1 januari 2026 ingaan, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één week beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
Steeds drukker wordende sinterklaasstichtingen door stijgende armoede |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sinterklaasstichtingen hebben het steeds drukker, stijgende armoede speelt rol»1?
Ja.
Deelt u de mening dat de ervaringen van sinterklaasstichtingen, die het ieder jaar drukker krijgen en dit jaar zelfs een «stop» op het aantal verzoeken hebben om het aantal aanvragen behapbaar te houden, haaks staan op de cijfers waaruit zou blijken dat de kinderarmoede de afgelopen jaren meer dan gehalveerd is?
Ik deel de mening dat sinterklaasstichtingen de ontwikkeling van armoede anders kunnen ervaren dan blijkt uit de cijfers.
Hoe verklaart u dit verschil?
Ik zie een aantal mogelijke verklaringen voor dit verschil. Een eerste mogelijke verklaring is dat de doelgroep van hulporganisaties groter is geworden. Een grotere doelgroep kan enerzijds het gevolg zijn van een toename van het aantal mensen met een laag inkomen, en anderzijds het gevolg zijn van ruimere voorwaarden bij hulporganisaties. Een tweede mogelijke verklaring is dat de armoedeproblematiek onder de bestaande doelgroep groter is geworden. Anders gezegd, dat de intensiteit van armoede groter is geworden. Een derde mogelijke verklaring is dat hulporganisaties en de doelgroep elkaar beter weten te vinden.
Deelt u de zorg dat het feit dat ouders bij sinterklaasstichtingen steeds vaker om basisvoorzieningen in plaats van om speelgoed voor hun kinderen vragen, mogelijk aantoont dat de armoede in Nederland zich verdiept?
Het is zorgelijk dat er ouders in Nederland zijn die voor basisvoorzieningen aankloppen bij fondsen en stichtingen. Voor een klein deel van de huishoudens zou dat kunnen komen doordat de armoede zich verdiept, maar in algemene zin blijkt niet uit de cijfers dat armoede in Nederland zich verdiept. Een recente analyse over de toereikendheid van het sociaal minimum laat zien dat de inkomenspositie van veel huishoudens op sociaal minimum in de afgelopen jaren is verbeterd. Deze analyse is voor de zomer van 2025 verzonden aan de Tweede Kamer, als bijlage bij de routekaart Hervormingsagenda Inkomensondersteuning. De analyse laat zien dat het totale inkomen op sociaal minimum-niveau in principe toereikend is voor minimaal noodzakelijke uitgaven, terwijl dat bij verschijning van het rapport van de Commissie sociaal minimum in 2023 niet het geval was. Daaruit blijkt dat de inkomenspositie van huishoudens op het sociaal minimum in de afgelopen jaren is verbeterd, met name door verhogingen van het kindgebonden budget en de huurtoeslag.
Hoewel er voor sommige individuele huishoudens sprake kan zijn van verdieping van armoede, blijkt niet uit de cijfers dat het aantal mensen in diepe armoede is toegenomen (zie ook het antwoord op vraag 5). Het kabinet blijft zich inspannen voor het beter bereiken van mensen en het voorkomen van hoge onvermijdelijke uitgaven.
Zijn er cijfers van de afgelopen vijf jaar die dit aantonen en zo ja, kunt u deze delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Het CPB heeft in de publicatie De armoede-intensiteit: een raming van de diepte van armoede een figuur opgenomen die de (verwachte) ontwikkeling van het aantal mensen in armoede laat zien in de periode 2018–2026, uitgesplitst naar armoede-intensiteit (hieronder toegevoegd). Dit figuur laat zien dat het aantal personen die diep in de armoede zitten (dus een hoge armoede-intensiteit) afgelopen jaren ongeveer gelijk is gebleven.
Deelt u de opvatting dat het voorzien van kinderen in hun basisbehoeften, zoals een bril, warme kleding of menstruatieproducten, primair een taak is van de overheid en niet van (sinterklaas)stichtingen en fondsen wanneer ouders hier financieel niet voor kunnen zorgen? Waarom wel of niet?
Het Rijk heeft de kerntaak om te zorgen voor bestaanszekerheid en werkgelegenheid en doet dit onder andere middels inkomensondersteuning, zoals kinderbijslag en kindgebonden budget. Het kan zijn dat mensen door onzeker inkomen, hoge onvermijdbare uitgaven of een ingrijpende gebeurtenis, zoals een scheiding, zich tijdelijk in een financieel kwetsbare positie bevinden. De gemeente kan dan de inwoner ondersteunen. Ook zijn er verschillende partijen in het maatschappelijk middenveld, zoals bijvoorbeeld de kerken of particuliere fondsen, die mensen ondersteunen.
Bent u op de hoogte van de gevolgen voor kinderen wanneer ouders niet voor hun basisvoorzieningen kunnen betalen, zoals schaamte, kans op pesten en verminderde sociale interactie?2
Ja.
Deelt u de opvatting dat elk kind een gelijke start verdient maar dat van een gelijke start geen sprake is bij een gebrek aan basisvoorzieningen?
Ja.
Wat heeft u gedaan met het rapport «Armoedestress voor kinderen en jongeren in Nederland: basisvoorzieningen onder druk» van het Nationaal Fonds Kinderhulp dat in april aan u is aangeboden?3
Ik heb kennisgenomen van de inzichten uit dit rapport. Kinderhulp signaleert met name een stijging op het aantal aanvragen van basisvoorzieningen zoals brillen, beugels, bed/kamerinrichting en persoonlijke hygiëne4. Het is nog onduidelijk wat hiervan precies de oorzaak is, maar zoals eerder genoemd is een mogelijke verklaring dat gezinnen, inclusief werkenden met een laag inkomen, organisaties als Kinderhulp ook beter weten te vinden. In de eerste helft van 2026 zal de inzet van de fondsen verenigd binnen het samenwerkingsverband SAM& geëvalueerd worden.
Geen kind zou moeten opgroeien in armoede. Dit was al een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet en dat is het nog steeds. Op Rijksniveau zijn de afgelopen jaren stappen gezet om ervoor te zorgen dat huishoudens op of rond het sociaal minimum meer te besteden hebben.
Zo heeft het Rijk een aantal maatregelen genomen die het inkomen van mensen direct verhogen. Er is bijvoorbeeld een extra belastingschijf geïntroduceerd met een verlaagd tarief, waardoor mensen minder belasting betalen. Daarnaast wordt de arbeidskorting vanaf 2026 aangepast, waardoor werkenden met een laag inkomen recht krijgen op meer arbeidskorting. Het kindgebonden budget wordt in de jaren 2025–2028 stapsgewijs verhoogd, bovenop reguliere indexatie. De afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstand is bevroren in de jaren 2025–2027, waardoor de bijstand niet daalt in deze jaren. Ook de huurtoeslag is vereenvoudigd en verhoogd. Vanaf 2026 krijgen de laagste inkomens € 7,50 per maand extra huurtoeslag, en bovendien wordt de huurtoeslag minder snel afgebouwd. Daarnaast krijgen ook huurders met een hogere huur en een lager inkomen recht op huurtoeslag. En vanaf 2027 gaat het jeugdminimumloon omhoog voor jongeren van 16 t/m 20 jaar.
Naast directe inkomensmaatregelen werkt het kabinet met het Nationaal Programma Armoede en Schulden aan het voorkomen van armoede en het tegengaan van de langetermijneffecten van armoede. Hierbij zet het kabinet in op de aanpak van kinderarmoede (voortzetten schoolmaaltijden, financiële ondersteuning aan SAM&-partijen, start interdepartementale aanpak om gezinnen in kwetsbare positie beter te ondersteunen), voorkomen van geldzorgen door o.m. de subsidieregeling financiële educatie, inzet op beter bereiken van werkenden met een laag inkomen en vereenvoudigen van (gemeentelijk) armoedebeleid.
Welke lessen heeft u uit het rapport getrokken?
De ontwikkelingen van maatschappelijke organisaties en fondsen zoals Kinderhulp zijn belangrijk om te volgen. Door vinger aan de pols te houden kunnen we tijdig schakelen met fondsen en gemeenten over wat er nodig is om alle kinderen in Nederland goed te kunnen blijven ondersteunen.
Heeft u naar aanleiding van het rapport concrete stappen gezet om de kinderarmoede in Nederland omlaag te brengen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Geen kind zou moeten opgroeien in armoede. Dit was al een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet en dat is het nog steeds. Dit rapport sterkt mij in de overtuiging dat we met onze inzet de goede weg in zijn geslagen en dat we dit door moeten zetten zodat elk kind mee kan doen en zich kansrijk kan ontwikkelen.
Gelukkig is de financiële armoede onder gezinnen, en ook de kinderarmoede, in de laatste vijf jaar meer dan gehalveerd. Door onder meer een hoger kindgebonden budget en een hogere en vereenvoudigere huurtoeslag. Maar omdat het in deze gezinnen vaak niet enkel om weinig geld gaat, hebben deze gezinnen ook tijdige hulp en ondersteuning nodig vanuit meerdere aandachtsgebieden. Ik werk dan ook samen met verschillende ministeries, en met gemeenten, ervaringsdeskundigen, kinderen, jongeren en andere partijen om te komen tot een meer preventieve en integrale ondersteuning van gezinnen in een kwetsbare positie. Daarnaast kunnen gezinnen die minder te besteden hebben ook ondersteuning krijgen, via de gemeente of via school, voor bijvoorbeeld een lidmaatschap bij de voetbalclub, of een fiets. En als je een lege maag hebt, is leren lastiger. Daarom krijgen dagelijks ook 350.000 leerlingen een maaltijd van school.
Welke maatregelen neemt u om de zorgwekkende stijging van 40% sinds 2021 in aanvragen voor basisvoorzieningen voor kinderen als een warme jas, een bril of een bed om in te slapen terug te dringen?
Op Rijksniveau zijn de afgelopen jaren stappen gezet om ervoor te zorgen dat huishoudens op of rond het sociaal minimum meer te besteden hebben. Zie hiervoor de beantwoording van vraag 9.
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Belastingontwijking via Nederland als gevolg van een in belastingverdragen overeengekomen verlaagde bronheffing |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe de miljardenwinst van Starlink deels via Amsterdam wordt doorgesluisd» (Trouw, 22 november 2025)?
Klopt het dat een brievenbusmaatschappij zonder medewerkers in Nederland, die volledig bestuurd wordt vanuit het buitenland, gebruik kan maken van Nederlandse belastingverdragen? Klopt het dat daarmee bilaterale afspraken tussen twee landen omzeild kunnen worden, doordat ook een route via Nederland mogelijk is?
Klopt het dat Nederland in belastingverdragen, waaronder dat met Zambia, heeft afgesproken dat de verdragspartners een verlaagde bronheffing mogen heffen over geldstromen naar Nederland? In welke belastingverdragen heeft Nederland dit nog meer afgesproken? Kunt u toelichten waarom Nederland hierop aandringt bij verdragsonderhandelingen?
Voor welke derde landen geldt dat winst die in Zambia wordt gemaakt beter via Nederlands uitgekeerd kan worden dan direct naar deze landen vanwege de verlaagde bronheffing?
Bent u van mening dat Zambia en eventuele andere landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten nadeel ondervinden van de afspraak om een verlaagde bronheffing toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen over een belastingverdrag met Zambia was dat Zambia helemaal geen bronheffing zou mogen heffen over geldstromen naar Nederland? Zo ja, waarom was dat de Nederlandse inzet?
Klopt het dat Nederland de grootste investeerder in Zambia is na het Verenigd Koninkrijk en China? Zo ja, hoe verklaart u dat?
Vindt u het, alles afwegende, wenselijk dat Nederland in verdragen met ontwikkelingslanden afspreekt dat zij een verlaagde bronheffing moeten toepassen over geldstromen naar Nederland? Zo ja, kunt u toelichten waarom?
Bent u bereid in het vervolg tot een andere onderhandelingsinzet te komen en af te zien van afspraken die sterk nadelig uitpakken voor ontwikkelingslanden, zoals het toepassen van een verlaagde bronheffing?
Bent u zich ervan bewust dat de in het artikel omschreven ontwijkingsconstructie ook al beschreven is in het rapport Op weg naar acceptabele doorstroom (2021)? Hoe kan het dat deze constructie nog steeds bestaat, hoewel al jaren bekend is dat er sprake is van belastingontwijking op deze wijze?
Hoe denkt u dat de antimisbruikbepaling in belastingverdragen belastingontwijking via Nederland tegen kan gaan?
Bent u zich ervan bewust dat voor ontwikkelingslanden vaak moeilijk te controleren is of sprake is van belastingontwijking? Klopt het dat Nederland daarom op basis van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen andere landen kan waarschuwen over mogelijke belastingontwijking?
Gebeurt het verstrekken van inlichtingen aan andere landen over mogelijke belastingontwijking en misbruik van belastingverdragen volgens u op dit moment voldoende? Zo ja, hoe kan het dan dat nog steeds gebruik wordt gemaakt van constructies zoals beschreven in het genoemde artikel?
Bent u bereid om spontaan informatie te verstrekken over Nederlandse brievenbusmaatschappijen waar dividenden doorheen doorstromen aan landen waarmee Nederland een belastingbedrag heeft gesloten, zoals Zambia?
Het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Tieman , Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024?1
Erkent u de conclusie dat de hoogste normoverschrijdingen in het grondwater worden gevonden bij bestrijdingsmiddelen en PFAS? Zo nee, op welke wetenschappelijke consensus baseert u zich dan (graag bronvermelding gebruiken)?
Bent u het ermee eens dat het vervuilen van grondwater een ernstige bedreiging vormt voor de drinkwatervoorziening en de natuur? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Welke effecten heeft de normoverschrijding, de aanwezigheid en de stapeling van schadelijke stoffen in ons milieu en voedsel mogelijk op de gezondheid van mensen, op korte en lange termijn en vindt u deze effecten verantwoord?
Kunt u in euro's een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die deze schadelijke stoffen en normoverschrijdingen veroorzaken? Zo nee, kunt u die zo snel mogelijk in kaart laten brengen?
Hoe beoordeelt u het feit dat in 96% van het ondiepe grondwater één of meerdere milieuvreemde stoffen worden aangetroffen, waarbij in 85% van de gevallen PFAS, en waarvan 70% de gehanteerde normen (vaak fors) overschrijdt?
Deelt u de zorgen uit het rapport, wanneer hierin gesproken wordt over «zorgwekkend hoge percentages van normoverschrijdingen in het diepere grondwater» als «een bedreiging voor de bereiding van drinkwater uit grondwater op basis van eenvoudige zuivering»?
Wat zegt dit alles volgens u over de effectiviteit van het huidige PFAS-beleid?
Ziet u voor de bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en milieu en voor het blijven garanderen van schoon drinkwater reden voor meer snelheid en actie om PFAS en andere schadelijke stoffen beter aan te pakken? Zo ja, wat gaat u dan concreet doen op korte termijn en welke tijdlijn hoort daarbij? Zo nee, waarom niet?
Wat gaat u eraan doen om de hoeveelheid schadelijke stoffen minstens terug te brengen onder de normen? Welk tijdpad hoort daarbij?
Wat gaat u op korte termijn concreet doen om richting burgers de transparantie te vergroten over deze schadelijke stoffen en de aanwezigheid daarvan in producten/middelen en uiteindelijk onze leefomgeving? Welk tijdpad hoort daarbij?
Deelt u de zorg dat bestrijdingsmiddelen en PFAS ook in 18% van diepere grondwaterlagen worden teruggevonden, waar drinkwater wordt gewonnen? Welke risico’s ziet u hiervoor op de langere termijn voor de gezondheid, de natuur en het milieu en waar baseert u uw inzichten precies op (graag bronnen vermelden)?
Waarom lukt het ondanks bestaande regelgeving nog steeds niet om normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen terug te dringen? Waar schiet het beleid tekort, wat gaat u precies beter doen en wanneer gaat u dat doen?
Kunt u een uitputtende opsomming geven van alle aanbevelingen en conclusies uit onafhankelijke evaluaties die het ministerie in het verleden heeft ontvangen als het gaat om beleid met betrekking tot bestrijdingsmiddelen? Kunt u daarbij per punt aangeven wat u er wel of niet mee heeft gedaan?
Heeft u ook gelezen dat het rapport ook concludeert dat op grond van de grote verschillen in percentages van normoverschrijdingen tussen enerzijds medische stoffen en anderzijds bestrijdingsmiddelen en PFAS het voor de hand ligt om ter verbetering van de grondwaterkwaliteit het accent te leggen op maatregelen gericht op bestrijdingsmiddelen en PFAS? Erkent u die feiten en welke acties verbindt u aan die conclusie?
Bent u het ermee eens dat het, gezien die feiten, duidelijk onwenselijk is dat bestrijdingsmiddelen met PFAS worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Erkent u – tegen de achtergrond dat Nederland in Europa de officiële positie heeft dat we snel een verbod op PFAS willen, juist omdat het onwenselijk is dat het overal in ons milieu en lichaam terecht komt – dat door het gebruik van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen alsnog PFAS overal in onze bodem, milieu en lichaam terecht kan komen? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Hoe beoordeelt u het risico voor de gezondheid van mens en dier, als PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen steeds in ons voedsel terechtkomen en zo schadelijke stoffen zich in ons lichaam opstapelen, ook gezien het feit dat de meeste Nederlanders nu al te veel PFAS in hun bloed hebben?
Kunt u uitleggen waarom PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen (PFAS-pesticiden) nog altijd op de markt mogen blijven, terwijl bekend is dat PFAS persistent, toxisch en nauwelijks afbreekbaar zijn?
Bent u als eindverantwoordelijke voor gezondheid bereid om ook voor een verbod op PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te pleiten, naar voorbeeld van landen als Denemarken? Zo nee, waarom kan Denemarken het wel en waarom beschermt u de gezondheid van onze burgers niet?
Bent u bereid het gebruik van bestrijdingsmiddelen waar PFAS in zitten op zijn minst te verbieden in grondwaterbeschermingsgebieden?
Hoe waarborgt u dat Nederland gaat voldoen aan de KRW-doelen, nu Europa hierin naar alle waarschijnlijkheid ook PFAS-grensnormen gaat opnemen?
Bent u bereid om de monitoring van PFAS en bestrijdingsmiddelen uit te breiden, zoals aanbevolen in het rapport? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om – gezien het feit dat bij meerdere bedrijven is geconstateerd dat ze goochelen met uitstootcijfers en informatie achterhouden (zoals bij CFS) – meer regie te nemen en meer in te zetten op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken, zodat de controle hierop en de toegang tot wat in de omgeving aan stoffen wordt uitgestoten verbeterd wordt en minder afhankelijk is van bedrijven (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)?
Wanneer wordt aan de toezegging voldaan, inclusief de beloofde vervolgstappen, zoals geuit in de Voortgangsbrief Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28 089, nr. 335) dat eind dit jaar alle onderzoeksresultaten voortvloeiend uit het rapport en actieagenda Industrie en Omwonenden integraal zouden worden gewogen en gedeeld met de Kamer, samen met een tijdpad van mogelijke
acties die hieruit voortvloeien?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk één voor één beantwoorden?
De berichten dat Taiwan een initiatief heeft gelanceerd ter verdediging van onderzeese kabels. |
|
Derk Boswijk (CDA), Henk Jumelet (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over het Taiwanese initiatief ter verdediging van onderzeese kabels genaamd RISK?1
Ja.
Ziet u ook de risico’s van deze onderzeese kabels in het kader van ongelukken met scheepsvaart en/of sabotage in het kader van hybride oorlogsvoering?
Ja, het kabinet erkent de risico’s van het beschadigen van onderzeese kabels. Ongelukken met scheepvaart vormen een belangrijke oorzaak voor dergelijke beschadigingen. Tegelijkertijd is er sprake van een aanhoudende sabotagedreiging, onder andere gericht op maritieme kritieke infrastructuur zoals onderzeese kabels.
Deelt u de mening dat de vrijheden van de internationale wateren niet in het geding mogen komen en dat het doelbewust beschadigen van internationale onderzeese kabels mogelijk hierop een inbreuk maakt? Zo niet, waarom niet?
Ja, Nederland hecht groot belang aan de vrijheden van de volle zee, waaronder de vrijheid van navigatie en de vrijheid om kabels en pijpleidingen te leggen, gecodificeerd in het VN-Zeerechtverdrag. Deze vrijheden gelden onder de voorwaarden die het zeerecht daaraan stelt ook in de exclusieve economische zone. In overeenstemming met het zeerecht, dienen deze vrijheden te worden uitgeoefend en beschermd op een wijze die terdege rekening houdt met rechten en plichten van de kuststaat in de EEZ en de belangen van andere staten op volle zee.
Zijn er overeenkomsten te vinden tussen de Chinese dreiging aan het adres van Taiwan en de Russische dreiging richting Europa wat betreft hybride oorlogsvoering, in het bijzonder als het onderwaterinfrastructuur betreft?
In algemene zin is er zowel in Europa als in de Indo-Pacific sprake van hybride dreigingen en werken landen aan het verbeteren van hun weerbaarheid hiertegen. Sabotage vormt een onderdeel van de dreiging in beide regio’s. Sabotage heeft verschillende verschijningsvormen en kan zich onder meer richten op vitale maritieme infrastructuur zoals data- en elektriciteitskabels.
Deelt u de mening dat in het kader van het beschermen van internationale onderzeese kabels, het zowel in het belang van Nederland is als dat van Taiwan als er meer wordt gewerkt aan het delen van informatie en het samen opbouwen van kennis om zo de kans op beschadigingen of sabotage aan onderzeese kabels in de Noordzee en de wateren rondom Taiwan te verkleinen?
Het beschermen van internationale onderzeese kabels is een gedeeld wereldwijd belang. Internationale samenwerking is dan ook belangrijk en noodzakelijk. Dit doen we binnen de EU en de NAVO en daarbuiten waar nodig en mogelijk.
Bent u bereid zich aan te sluiten bij de vier initiatieven zoals deze worden beschreven in het Taiwanese RISK-initiatief? Zo niet, zou u kunnen uitweiden waarom niet?
Gezien het belang van het beschermen van onderzeese kabels neemt Nederland deel aan verschillende internationale gremia waarin deze thematiek wordt geadresseerd. Nederland is bijvoorbeeld lid van de International Telecommunication Union (ITU) en via het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangesloten bij het International Cable Protection Committee (ICPC). Hierbinnen wordt al in breed internationaal verband gewerkt aan versterking van de weerbaarheid van de onderzeese kritieke infrastructuur door het delen van best practices tussen overheden, de industrie en bedrijven. Nederland ziet derhalve op dit moment geen noodzaak om zich aan te sluiten bij het Taiwanese initiatief, maar zal het belang van internationale samenwerking op dit thema, waar in mondiaal belang ook met Taiwan, blijven voorstaan en de noodzaak van deelname aan verscheidene initiatieven doorlopend blijven wegen.
Zijn er andere staten waarmee u de banden zou willen verstevigen in het kader van het beschermen van onze cruciale infrastructuur en dus onder andere internationale onderzeese kabels?
Ter bescherming van de kritieke onderzeese infrastructuur en maritieme veiligheid in brede zin richt Nederland zich primair op de nabije regio, en werkt daarom actief met de Noordzeelanden, de Scandinavische en Baltische staten.
Daarnaast is in het kader van het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) ook met andere landen kennis uitgewisseld op het gebied van kritieke onderzeese infrastructuur, zoals met Singapore en ASEAN (Association of Southeast Asian Nations). Verder heeft Nederland in het kader van het Indo-Pacific Ministerial Forum op 21 november jl. met diverse andere Europese lidstaten een samenwerking van de EU met de regio op dit terrein voorgesteld, waarbij de EU inzet op samenwerking met partners in de Indo-Pacific regio gericht op uitwisseling van kennis en expertise op het gebied van beschermen van kritieke infrastructuur op zee.
Op welke manieren bent u bereid zich in te zetten voor een betere bescherming, internationaal, van de onderzeese kabelinfrastructuur?
Van belang is een goede informatie-uitwisseling en het delen van best practices. Niet alleen tussen landen onderling maar ook in samenwerking met de industrie die over veel kennis en ervaring beschikt. Zo is samenwerking, nationaal en internationaal, publiek en privaat, een belangrijke actielijn binnen het PBNI. In dit kader is in 2024 een Joint Declaration of Intent ondertekend door de verschillende Noordzeelanden (België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Nederland) om samen te werken aan verbeterde informatie-uitwisseling en het nemen van coherente en gecoördineerde weerbaarheidsmaatregelen.
De nieuwe richtlijnen van de Gezondheidsraad waarin gesteld wordt dat Nederlanders plantaardiger moeten gaan eten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Gezondheidsraad adviseert om onder andere de consumptie van rood vlees terug te brengen tot maximaal 200 gram per week en om plantaardige voeding de norm te maken omdat dit gezonder zou zijn voor mensen en beter voor het milieu?1
Uiteraard ben ik bekend met het advies van de Gezondheidsraad waar u naar verwijst. In dit advies staat niet dat plantaardige voeding de norm moet worden gemaakt. Wel adviseert de Gezondheidsraad, net als in 2015, op basis van de evaluatie van de wetenschappelijke literatuur ten aanzien van gezondheid een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon. De Gezondheidsraad stelt dat een verschuiving naar een meer plantaardig voedingspatroon gunstig is voor de (volks)gezondheid. Bovendien heeft het een lagere milieu-impact. De richtlijn voor rood vlees (zoals rundvlees en varkensvlees) is inderdaad maximaal 200 gram per week.
Wat is uw op deze nieuwe richtlijnen van de Gezondheidsraad?
Ik laat een inhoudelijke appreciatie van het advies aan het nieuwe kabinet, zoals aangegeven in mijn brief van 4 december 2025.2
Wat is volgens u de definitie van «een gezond dieet», aangezien binnen de voedingswetenschappen er veelvuldig discussie is over wat een dieet gezond maakt?
Binnen en zeker ook buiten de voedingswetenschappen, bestaat discussie over wat een dieet (in de zin van een voedingspatroon) gezond maakt. De wetenschap staat niet stil, en het is goed dat er discussie is over de verschillende inzichten. Ik vind het belangrijk dat de Gezondheidsraad periodiek de stand van de wetenschap voor voeding op een rij zet en uitzoekt voor welke relaties tussen voedingsmiddelen en chronische ziekten er een sterk wetenschappelijk bewijs is. Juist vanwege de vele discussies kan het namelijk onduidelijk zijn waarover er wel wetenschappelijke consensus bestaat. Het uitgebrachte advies biedt helderheid en geeft daarmee een eenduidige basis voor de actualisatie van de Schijf van Vijf. In de Schijf van Vijf staan producten die goed zijn voor je gezondheid en die zorgen voor genoeg energie en de voedingsstoffen die je lichaam nodig heeft. Dat is belangrijk voor nu, maar ook voor de gezondheid in de toekomst. Dat is dan ook de hierbij gehanteerde definitie van een gezond dieet.
Welke concrete maatregelen overweegt u naar aanleiding van het feit dat de Gezondheidsraad oproept tot «krachtig overheidsbeleid» om plantaardige voeding de norm te maken?
De inhoudelijke appreciatie van het advies en de uitwerking van eventuele concrete maatregelen wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief van 4 december 2025.
Deelt u de mening dat er in de voedingswetenschap nog altijd geen consensus bestaat over wat gezond en ongezond is – door onder andere de complexiteit van het menselijk lichaam en uiteenlopende onderzoeksresultaten – en daarom voorzichtigheid geboden is bij het normatief voorschrijven van eetpatronen aan de gehele bevolking?
Ik deel uw mening dat het menselijk lichaam complex is en er uiteenlopende onderzoeksresultaten bestaan, ook binnen de voedingswetenschap. De Gezondheidsraad heeft in haar advies op basis van onderzoek, dat voldeed aan vooraf vastgestelde kwaliteitseisen, de totale stand van de wetenschap met betrekking tot eiwitbronnen beschreven. De Gezondheidsraad trekt geen conclusies op basis van individuele onderzoeken. Voor de productgroepen waarvoor richtlijnen zijn opgesteld, is een sterk bewijs voor een effect of verband. Wanneer geen consensus bestaat binnen de voedingswetenschap over een bepaalde productgroep en het gezondheidseffect, bijvoorbeeld wanneer er onvoldoende (goed) onderzoek beschikbaar is, dan staat dit helder beschreven in het advies.
Voorzichtigheid is geboden bij het adviseren over eetpatronen aan de gehele bevolking. Juist daarom hecht ik veel waarde aan dit Gezondheidsraadsadvies, waarbij de wetenschappelijke onderzoeken zorgvuldig zijn afgewogen om zo te komen tot deze richtlijnen. De Richtlijnen goede voeding noch de Schijf van Vijf zijn normatieve voorschriften. Iedereen kan zijn of haar eigen keuzes maken, mede op basis van de betrouwbare informatie van het Voedingscentrum.
Bent u bekend met het feit dat, om het eiwittekort als gevolg van het eten van minder rood vlees aan te vullen, de Gezondheidsraad het eten van peulvruchten adviseert?
De Gezondheidsraad adviseert om 250 gram bereide peulvruchten per week te eten. Dit is afgeleid van de hoeveelheid waarbij in onderzoek een verlaging van het risico op coronaire hartziekten wordt gezien. Het advies om peulvruchten te eten staat op zichzelf en los van de richtlijn over rood vlees.
De Schijf van Vijf van het Voedingscentrum houdt rekening met zowel de Richtlijnen goede voeding als met wat iemand nodig heeft aan voedingsstoffen (zoals eiwitten) en energie. Het Voedingscentrum is momenteel bezig met de doorontwikkeling van de Schijf van Vijf, waarin de herziene Richtlijnen goede voeding worden meegenomen.
Bent u op de hoogte van verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat plantaardige eiwitten minder goed worden opgenomen door het menselijk lichaam?
Ja. Gemiddeld genomen, worden eiwitten uit dierlijke voedingsmiddelen beter opgenomen door het lichaam dan uit plantaardige producten.
Het Gezondheidsraadsadvies Gezonde eiwittransitie3 onderzocht de gevolgen voor de gezondheid van de verschuiving naar een voedingspatroon met 60% plantaardige en 40% dierlijke eiwitten. Dat advies concludeert dat bij de algemene bevolking sprake is van een ruim voldoende inname van eiwit. Hierdoor leidt een verschuiving naar een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon (60% plantaardig, 40% dierlijk) op bevolkingsniveau niet tot problemen in de voorziening van eiwit en essentiële aminozuren.
Bent u bekend met de aanbeveling van de Gezondheidsraad in dit advies om elke dag een handje pinda’s te eten?
Ik ben bekend met het advies van de Gezondheidsraad om 15–30 gram noten per dag te eten, en daarbij te variëren tussen soorten, waaronder pinda’s.
Bent u op de hoogte van verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat er in pinda’s veelvuldig anti-nutriënten aanwezig zijn, zoals lectinen, die de opname van essentiële vitamines en mineralen – bijvoorbeeld zink en calcium – blokkeren?
Ja, pinda’s kunnen lectine bevatten. Bij het opstellen van het advies Richtlijnen goede voeding zijn geen aandachtspunten naar voren gekomen over effecten van lectine in pinda’s. Het advies van de Gezondheidsraad om te variëren tussen nootsoorten (waaronder pinda’s) is onder andere gunstig om eventuele mogelijke nadelige effecten van lectine in bepaalde noten te verminderen.
Bent u bekend met verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat onbewerkt rood vlees nutriënten bevat die buitengewoon goed door het menselijk lichaam opgenomen kunnen worden?
Ja, zowel rood als wit vlees leveren gunstige voedingsstoffen, waaronder eiwit, ijzer, selenium, zink en de vitamines B1, B2, B3, B6 en B12. Dit staat ook in het Gezondheidsraadadvies genoemd.
Bent u bekend met verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat er in onbewerkt rood vlees essentiële micronutriënten te vinden zijn, die in veel mindere mate voorkomen in plantaardige voeding?
Een aantal vitaminen en mineralen (micronutriënten) komt inderdaad meer voor in (rood en wit) vlees dan in plantaardige voeding. Andersom komen in plantaardige producten weer bepaalde micronutriënten voor die nauwelijks in vlees of andere dierlijke producten zitten, denk aan vitamine C.
Bent u bekend met verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat dierlijke voeding een hogere nutriëntendichtheid heeft dan plantaardige voeding?
Nutriëntendichtheid verwijst naar de relatieve hoeveelheid (gunstige) voedingsstoffen in een voedingsmiddel in verhouding tot het aantal calorieën. Gezien plantaardige producten zoals groente en fruit, veelal veel voedingsstoffen (zoals vitaminen, mineralen, vezels) en weinig calorieën bevatten, is de nutriëntdichtheid van de meeste plantaardige voeding hoog. Ook dierlijke voeding kan een hoge nutriëntdichtheid hebben, denk aan (magere) zuivel, ei of mager vlees. Het geschetste verschil in nutriëntendichtheid tussen enerzijds dierlijke voeding en anderzijds plantaardige voeding herken ik niet.
Hoe waarborgt u dat wetenschappelijke advisering, in dit geval door de Gezondheidsraad, onafhankelijk blijft van politieke ideologieën, activistische stromingen en commerciële lobbygroepen?
Een advies van de Gezondheidsraad is gebaseerd op een onbevooroordeelde en transparante weging van wetenschappelijke gegevens. De Gezondheidsraad onderschrijft een code om oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling tegen te gaan. Kandidaat-commissieleden moeten aan de hand van een uitvoerige belangenverklaring inzicht geven in hun mogelijke (financiële) belangen, persoonlijke relaties, reputatiemanagement en extern gefinancierd onderzoek. Het bestuur van de Gezondheidsraad beoordeelt vervolgens of deze belangen het lidmaatschap in de weg staan.
Hoe kunt u uitsluiten dat de richtlijn van de Gezondheidsraad wordt beïnvloed door belangenorganisaties, NGO’s of internationale agenda’s die zijn gericht op het verminderen van de vleesconsumptie, bijvoorbeeld omdat het verminderen van de vleesconsumptie «goed voor het klimaat» zou zijn?
In aanvulling op antwoord 13, zijn de Richtlijnen goede voeding opgesteld door een multidisciplinaire commissie (Commissie Voeding) die zorgvuldig is samengesteld. De belangenverklaringen van de leden van de commissie zijn in te zien op de website van de Gezondheidsraad. Deze belangenverklaringen vormen geen aanleiding om te veronderstellen dat de opstellers van dit advies op welke manier dan ook zijn beïnvloed.
Ook hield de Gezondheidsraad in het voorjaar een openbare commentaarronde voor concepten van achtergronddocumenten behorende bij dit deeladvies van de Richtlijnen goede voeding. De ontvangen commentaren en de reactie daarop zijn in te zien op de website van de Gezondheidsraad. Op deze wijze is het transparant en inzichtelijk wat de input is geweest van o.a. belangenorganisaties en hoe de Gezondheidsraad om is gegaan met deze input.
Welke mogelijke gevolgen ziet u voor de volksgezondheid met betrekking tot risico’s op tekorten aan bepaalde voedingsstoffen in het menselijk dieet bij sterk plantaardige diëten?
Om optimaal te kunnen functioneren is het belangrijk om voldoende voedingsstoffen binnen te krijgen. De Gezondheidsraad heeft in zijn advies Gezonde eiwittransitie onder andere onderzocht of een plantaardiger dieet mogelijk tekorten aan bepaalde voedingstoffen zou opleveren. In het advies wordt geconcludeerd dat het mogelijk is om een sterker plantaardig dieet (60% plantaardige eiwitten) in te vullen zonder dat tekorten aan voedingsstoffen ontstaan. Hierbij wordt wat betreft dierlijke eiwitbronnen uitgegaan van een voedingspatroon waarbij de consumptie van vlees wordt verlaagd en niet meer vis en zuivel wordt geconsumeerd dan wordt geadviseerd. Voor het verhogen van de inname van plantaardige eiwitbronnen wordt geadviseerd om meer peulvruchten en noten te eten en te variëren met eiwitbronnen. Ik zie voor de algemene bevolking geen risico’s op tekorten, wanneer bij de invulling van het dieet de Richtlijnen goede voeding wordt gevolgd.
Welke economische gevolgen voorziet u voor de Nederlandse boeren als deze adviezen beleidsmatig worden gevolgd?
De inhoudelijke appreciatie van het Gezondheidsraadadvies laat ik aan een volgend kabinet. Indien gekozen wordt voor beleidswijzigingen, kunnen de economische gevolgen hiervan in kaart worden gebracht.
Wanneer is volgens u de grens bereikt tussen het bevorderen van volksgezondheid en individuele keuzevrijheid?
Ik hecht sterk aan individuele keuzevrijheid: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. Een onafhankelijk goed onderbouwd advies vergroot de (geïnformeerde) keuzevrijheid, zeker als dit voor alle Nederlanders toegankelijker wordt gemaakt via voorlichting van het Voedingscentrum, zoals met de Schijf van Vijf. Er is geen sprake van beperking van de keuzevrijheid.
Deelt u de mening dat iemands voedseldieet uiteindelijk een persoonlijke verantwoordelijkheid is en dat het onwenselijk is dat de staat overgaat tot nudging – bijvoorbeeld middels accijnzen – en andere vormen van gedragssturing om de consumptie van dierlijke eiwitten te verminderen?
Ik deel de mening dat wat je eet en drinkt, je eigen persoonlijke verantwoordelijkheid is. Het staat eenieder vrij om zelf te kiezen hoe, wat en wanneer hij of zij eet en drinkt. We zien wel dat de voedselomgeving veel ongezonde voedselkeuzes stimuleert. Daarmee is het voor mensen minder makkelijk om gezonde (en duurzame) voedselkeuzes te maken. De overheid heeft de taak om de volksgezondheid te bevorderen, en kan op basis van deze taak bepaalde keuzes ontmoedigen. Accijnzen zijn slechts van toepassing op tabak en alcohol.
Deelt u de opvatting dat de vrijheid om vlees te eten te allen tijde gewaarborgd moet blijven?
Zie antwoord op vraag 18.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze wordt gewaarborgd dat in de aangekondigde update van de Schijf van Vijf – een veelvuldig gebruikt instrument in het basisonderwijs – uitsluitend wetenschappelijk onderbouwde gezondheidsinformatie wordt opgenomen, en dat er daarbij geen sprake zal zijn van ideologisch of activistisch gedreven gedragssturing, bijvoorbeeld door jonge kinderen aan te leren dat het eten van rood vlees slecht zou zijn voor henzelf of voor de planeet?
De Schijf van Vijf vormt de praktische vertaalslag van de Richtlijnen goede voeding en houdt daarnaast rekening met onder andere de energiebehoefte en het behalen van voedingsnormen4. De Schijf van Vijf is wetenschappelijk onderbouwd.
Deelt u de mening dat gezondheidsadviezen uitsluitend op gezondheidsinformatie moeten worden gebaseerd en dat het dus nooit zo kan zijn dat gezondheidsadviezen (deels) worden gebaseerd op overwegingen die te maken hebben met klimaatbeleid?
Ik ben van mening dat gezondheidsadviezen onderbouwd moeten zijn met wetenschappelijke onafhankelijke informatie met betrekking tot gezondheid. De preventie van chronische ziekten in de Nederlandse bevolking is het hoofddoel van de Richtlijnen goede voeding. Voor de gezondheid van toekomstige generaties is het belangrijk dat ook op de langere termijn voldoende gezond en veilig voedsel beschikbaar is. Dit is voor een groot deel afhankelijk van het milieu, daarom is hier in de Richtlijnen goede voeding ook aandacht aan besteed.
Bent u bekend met de zogenaamde «eiwittransitie»?2 Hoe zou u de «eiwittransitie» zelf in het kort omschrijven?
Ja, met de eiwittransitie wordt de verandering van een consumptiepatroon bedoeld, waarbij in verhouding minder dierlijke en meer plantaardige eiwitten worden geconsumeerd, in vergelijking met ons huidige consumptiepatroon.
Is zo’n «eiwittransitie» volgens u noodzakelijk? En zo ja, waarom?
Uit het Gezondheidsraadadvies blijkt dat een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon gunstig is voor de volksgezondheid, omdat dit het risico op chronische ziekten verlaagt. Daarnaast is volgens de Gezondheidsraad een meer plantaardig voedingspatroon van belang om te zorgen dat toekomstige generaties eveneens kunnen kiezen voor gezond voedsel, vanwege de lagere ecologische voetafdruk. Dit onderschrijft de relevantie van de eiwittransitie.
Maakt dit advies van de Gezondheidsraad onderdeel uit van deze «eiwittransitie»? Met andere woorden, is een van de doelen van dit advies van de Gezondheidsraad om bij te dragen aan de «eiwittransitie»?
Nee, het doel van dit advies is de Richtlijnen goede voeding te actualiseren naar aanleiding van de stand van de wetenschap.6
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.
Geheime detentiefaciliteiten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 over de mysterieuze gevangenhouding van een strafadvocaat? Zo ja, klopt dit bericht?
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat vindt u ervan dat de Inspectie Justitie en Veiligheid als toezichthouder op het gevangeniswezen geen weet had van een detentielocatie, die pas «na héél lang aandringen» bezocht kon worden, waarvan onduidelijk is wie de eindverantwoordelijke locatiedirecteur is en waarvan niet helder is wie uitvoering aan de bewaring geeft?
Ik acht het van belang dat er onafhankelijk toezicht moet kunnen worden uitgeoefend op alle vormen van detentie, ook wanneer het om zeer uitzonderlijke situaties gaat en er sprake is van afgeschermde detentie. Ik vind dan ook dat de Inspectie van Justitie en Veiligheid (IJenV) op de hoogte had moeten zijn van het bestaan van de afgeschermde detentielocatie en van het moment dat deze in gebruik werd genomen. Bij andere vormen van detentie wordt de IJenV niet over een individuele plaatsing geïnformeerd. Gelet op de uitzonderlijkheid van het gebruik van de afgeschermde locatie had het voor de hand gelegen om de IJenV daarvan proactief op de hoogte te stellen. Gezien het feit dat het vanuit veiligheidsoverwegingen een afgeschermde locatie betreft, hadden hier aanvullende afspraken over gemaakt moeten worden tussen de partijen. Door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de IJenV zijn eind 2024 werkafspraken gemaakt die onder andere zien op de wijze waarop een afgeschermde detentielocatie bezocht kan worden door de IJenV. Dergelijke afspraken lagen er op het moment dat de IJenV DJI verzocht de locatie te bezoeken nog niet. Voor een uitgebreidere toelichting verwijs ik u naar de eerdere Kamerbrieven van 7 april 2025 en 9 december 2025 en de beantwoording van de vragen van het lid van Nispen.2
Klopt het dat er meermaals van alles aan gedaan is om informatie over deze mysterieuze geheime detentiefaciliteiten buiten de openbaarheid te houden? Zo nee, waaruit blijkt dat? Zo ja, waarom? Klopt het dat Dienst Justitiële Inrichtingen heeft geweigerd om vragen van de Inspectie Justitie en Veiligheid schriftelijk te beantwoorden? Zo ja, wat was hiervoor de reden en is dat een gebruikelijke gang van zaken?
De ingebruikname van een afgeschermde detentielocatie vindt enkel plaats in uitzonderlijke situaties. Voorbeelden hiervan zijn situaties waarbij het met het oog op de veiligheid en/of het welzijn van de gedetineerden, de veiligheid van de maatschappij, andere gedetineerden en/of DJI-medewerkers het niet gewenst is dat in de openbaarheid bekend is waar de gedetineerde zich in detentie bevindt. Voorafgaand aan de plaatsing in afgeschermde detentie vindt er een afweging door DJI plaats, op basis van de op dat moment beschikbare informatie van bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie of de politie, omtrent de mate van afscherming. Ook gedurende de detentie wordt doorlopend bezien of plaatsing in afgeschermde detentie noodzakelijk is. Indien mogelijk wordt er afgeschaald.
Er gaat een groot belang uit van het niet bekend worden van locaties waar de afgeschermde detentie zich bevindt. Als dergelijke locaties van de afgeschermde detentie bekend raken, zijn deze locaties in beginsel niet meer inzetbaar als afgeschermde detentielocatie. Om deze reden heeft DJI de locatie voor afgeschermde detentie niet schriftelijk met andere partijen, waaronder de IJenV, gedeeld. Dit is een uitzondering, andere detentielocaties worden wel schriftelijk met de IJenV gedeeld. Door DJI is volledige medewerking verleend aan de IJenV. Indien vragen van de IJenV niet schriftelijke konden worden beantwoord heeft beantwoording mondeling plaatsgevonden. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven zijn er werkafspraken gemaakt tussen de IJenV en DJI.
Hoeveel tijd zat tussen het verzoek van de Inspectie ustitie en Veiligheid om de gewraakte locatie te bezoeken en het daadwerkelijke inspectieverzoek? Waarom wordt informatie daarover in de geopenbaarde documenten weggelakt? En waarom wordt geheimzinnig gedaan over wie precies de vestigingsdirecteur is?
Er zaten 17 dagen tussen het eerste gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen de IJenV en DJI omtrent de afgeschermde detentie en het eerste fysieke bezoek aan de locatie. Omdat er op het moment van het eerste fysieke bezoek nog geen werkafspraken lagen tussen de IJenV en DJI dienden er aanvullende veiligheidsmaatregelen te worden getroffen. Aangezien er nu er werkafspraken liggen, is de verwachting dat een fysiek bezoek van de IJenV aan een afgeschermde detentielocatie in het vervolg binnen een korter tijdsbestek kan plaatsvinden. De veiligheid staat in alle gevallen voorop, voor gedetineerden, voor personeel en ook voor de inspecteurs. Dat kan er in resulteren dat bij verzoeken van de IJenV maatwerk wordt toegepast vanwege veiligheidsrisico’s. Zoals reeds aangegeven bij de beantwoording van vraag 3 wordt er enkel van afgeschermde detentie gebruik gemaakt in uitzonderlijke situaties wanneer er een veiligheidsbelang is dat niet op andere wijze gewaarborgd kan worden. In het kader van de veiligheid van de betrokken DJI-medewerkers (waaronder de vestigingsdirecteur) is het van belang dat niet bekend wordt waar de afgeschermde detentie daadwerkelijk plaatsvindt en wie daarbij zijn betrokken.
Vindt u dat in dit geval voldaan wordt aan alle wettelijke en verdragsrechtelijke eisen die aan detentie moeten worden gesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om een nauwgezette weergave hoe deze detentierechten precies geëerbiedigd zijn? Zijn er andere gevallen waarin geheime detentie is toegepast?
Ook in de situatie van afgeschermde detentie moeten en kunnen gedetineerden erop vertrouwen dat hun detentie veilig, zorgvuldig en humaan ten uitvoer wordt gelegd met toepassing van geldende wet- en regelgeving. Zoals aangegeven in de brief van 9 december 2025 zijn inmiddels alle aanbevelingen van de IJenV omtrent afgeschermde detentie opgevolgd en wordt hiermee naar mijn oordeel voldaan aan de vereisten uit de Penitentiaire beginselenwet en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning. Zo zijn er sinds eind 2024 werkafspraken met de IJenV zodat er onafhankelijk toezicht door hen kan worden gehouden op deze vorm van detentie. Naast deze werkafspraken is er ook een Commissie van Toezicht ingesteld voor afgeschermde detentie. Ook door hen kan onafhankelijk toezicht worden uitgeoefend. Tot slot zijn per 1 januari 2026 huisregels in werking getreden voor afgeschermde detentie. Hierdoor is het voor een gedetineerde in deze vorm van detentie inzichtelijk wat diens rechten en plichten zijn en op welke wijze er bijvoorbeeld een klacht kan worden ingediend. Afgeschermde detentie vindt enkel in uitzonderlijke situaties plaats. In de afgelopen decennia is er slechts een enkele keer sprake geweest van een dergelijke plaatsing.
Bent u het met mij eens dat detentie in beginsel niet onder staatsgeheim geschaard mag worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hiervan de reden en hoe wordt voorzien in onafhankelijk toezicht om misbruik en excessen te voorkomen?
In beginsel dient detentie niet onder staatsgeheim geschaard te worden. Het kan in het kader van de nationale veiligheid echter noodzakelijk zijn dat informatie gerubriceerd kan worden als staatsgeheim. Dit kan in uitzonderlijke gevallen ook gelden voor informatie met betrekking tot detentie. Hiermee wordt gewaarborgd dat een locatie waar afgeschermde detentie plaats kan vinden geheim blijft, evenals degene die bij deze vorm van detentie betrokken zijn. Dit mag echter nooit ertoe leiden dat personen volledig afgesloten van de buitenwereld in detentie worden gehouden.
Ten aanzien van het toezicht dat gehouden wordt op afgeschermde detentie verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 5.
Het bericht 'Grote ontslagrondes geen ramp: Nederland heeft een matchingprobleem' |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Grote ontslagrondes geen ramp: Nederland heeft een matchingprobleem»?1
Ja
Hoeveel Nederlanders verliezen door ontslag per jaar hun baan, en hoeveel mensen vinden een nieuwe baan? Hoeveel van die nieuwe banen zijn bij de overheid?
De publieke cijfers van het CBS tonen alleen hoeveel werknemers jaarlijks door faillissement ontslagen worden. Tussen 2015 en 2024 ging dit gemiddeld om 24 duizend mensen per jaar, met als hoogste niveau 47,5 duizend in 2015 en als laagste niveau 7,4 duizend in 2021.
In een verdiepende studie over 2023 gaat het CBS dieper in op beëindigde banen. In dat jaar werden gemiddeld per kwartaal 106 duizend banen op initiatief van de werkgever beëindigd, dus ruim 400 duizend op jaarbasis. Dit was een klein deel van het totaal aantal beëindigde banen, omdat banen vaker op initiatief van de werknemer beëindigd worden. In totaal werden er in 2023 gemiddeld 661 duizend banen per kwartaal beëindigd. In datzelfde jaar vonden per kwartaal gemiddeld 690 duizend mensen een nieuwe baan. Van de mensen waarvan in 2023 de baan eindigde, had 59% binnen drie maanden een nieuwe baan. Van de mensen bij wie het dit op initiatief van de werkgever was, ging het om 47%. In totaal waren er in 2023 79 duizend meer banen van werknemers dan in 2022. Binnen de sector «Openbaar bestuur en overheidsdiensten» was die toename 26,1 duizend.
Hoe beoordeelt u het proces van creatieve destructie op de Nederlandse arbeidsmarkt? Vindt dat wat u betreft voldoende plaats, of juist niet en ondervinden innovatieve sectoren daar nadelen van? Kunt u daarbij ingaan op het recente rapport «Proces van creatieve destructie verzwakt in Nederland»2 van het Centraal Planbureau (CPB)?
Het is belangrijk voor onze productiviteit en welvaart om werkenden in te zetten op die plekken waar zij het meeste waarde toevoegen. Het proces van creatieve destructie is daarbij een belangrijk mechanisme: als werkenden de beweging maken van laagproductieve of niet-levensvatbare bedrijven naar hoogproductieve bedrijven, versterkt dat onze economie.
Het kabinet ziet het verhogen van de arbeidsproductiviteit als grote opgave. Afnemende arbeidsproductiviteitsgroei laat zien dat we er in Nederland onvoldoende in slagen innovatieve bedrijvigheid en de daarbij horende nieuwe banen te creëren. Dat blijkt ook uit het CPB rapport over het proces van creatieve destructie, dat een negatieve trend laat zien in het aantal nieuwe banen dat ontstaat en het aantal banen dat verdwijnt. Dit loopt samen met een afnemende bedrijvendynamiek, waarin er minder nieuwe bedrijven worden opgericht.
Er zijn verschillende factoren die innovatie en creatieve destructie kunnen remmen. Vandaar dat de productiviteitsagenda vijf overkoepelende pijlers heeft, en ook bijvoorbeeld het rapport Wennink spreekt van verschillende randvoorwaarden die gezamenlijk op orde moeten zijn voor een innovatieve economie. De werking van de arbeidsmarkt is één van deze factoren. Het CPB rapport over creatieve destructie laat zien dat de dalende trend in banendynamiek (aantal nieuwe en opgeheven banen) niet samengaat met een dalende dynamiek van werknemers (mate waarin werknemers van werkplek wisselen). In die studie wordt afnemende creatieve destructie dus niet direct verbonden aan knelpunten op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd ziet het kabinet wel degelijk kansen om matching op de Nederlandse arbeidsmarkt te verbeteren, en onze productiviteit te vergroten door betere allocatie van werkenden.
In het artikel wordt gesproken van een matchingprobleem, vindt u dat er op de Nederlandse arbeidsmarkt een matchingsprobleem is? Zo ja, kunt u dan barrières identificeren die de matching bemoeilijken? Welke maatregelen treft de overheid om die barrières weg te nemen? Op basis van welke criteria beoordeelt u dit beleid?
Er gaat veel goed op de Nederlandse arbeidsmarkt. De langdurige werkloosheid is laag en veel mensen vinden relatief snel werk na een periode van werkloosheid. Toch zien we dat er barrières zijn die de matching tussen werkzoekenden en werkgevers bemoeilijken. Met name op de punten:
De overheid neemt maatregelen om deze barrières weg te nemen. Recent ontving uw Kamer de Voortgangsbrief Leven Lang Ontwikkelen, waarin deze maatregelen worden toegelicht. Ook in brieven over het Breed Offensief, de banenafspraak en de infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven, is uw Kamer geïnformeerd over welke stappen worden gezet om meer mensen met een ondersteuningsvraag aan het werk te helpen. Daarnaast kunnen per 1 januari 2026 in alle arbeidsmarktregio’s werkzoekenden, werkenden en werkgevers terecht bij een Regionaal Werkcentrum met vragen over werk, scholing en personeel. Tevens zetten gemeenten en UWV dagelijks in op het begeleiden van uitkeringsgerechtigden naar werk en zetten sociale partners in op de begeleiding Van-Werk-Naar-Werk van werkenden. Daarnaast werken we aan sectorale Ontwikkelpaden. Een Ontwikkelpad maakt zichtbaar welke functies er in een sector zijn, welke skills hiervoor nodig zijn en via welke (delen van) opleidingen mensen op deze functie kunnen in- of doorstromen. Via de SLIM-scholingssubsidie kunnen werkgevers een tegemoetkoming krijgen in de kosten van de opleidingen uit Ontwikkelpaden voor maatschappelijk cruciale sectoren (zoals de zorg, techniek en kinderopvang). Ook heeft het kabinet onderzoek laten doen naar uitbreiding van de wettelijke taak op LLO voor publieke onderwijsinstellingen. Het onderzoek toont hoe de publieke infrastructuur beter kan worden ingericht voor bij- en omscholing. In het voorjaar volgt een reactie op deze verkenning.
Matching is breder dan het SZW beleidsdomein, en betreft ook het onderwijs. Het onderwijs werkt samen met werkgevers aan het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, Bijvoorbeeld door het versterken van loopbaanoriëntatie- en begeleiding, met de Werkagenda mbo en de maatregel Versterking aansluiting beroepsonderwijskolom (vo-mbo-hbo).
Hoeveel investeert de overheid (landelijk, lokaal) jaarlijks in arbeidsbemiddeling en re-integratie? Hoeveel hiervan is voor bij- en omscholing? Worden al deze middelen besteed?
De rijksoverheid investeert in 2026 circa € 1,6 miljard in arbeidsbemiddeling en re-integratie gericht op de matching van werkzoekenden op de reguliere arbeidsmarkt. Daarnaast investeert de overheid circa € 2,1 miljard in het aan het werk helpen van mensen met een grotere ondersteuningsbehoefte via sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk. Ook investeert het Ministerie van SZW in 2026 circa € 0,1 miljard en investeren verschillende vakdepartementen in specifieke scholing voor publieke sectoren (zoals de zorg, onderwijs en defensie). Op basis van de begroting 2026 is in onderstaande tabel een uitsplitsing van dit bedrag naar de verschillende onderwerpen binnen het Ministerie van SZW opgenomen.
2025
2026
2027
2028
2029
2030
Re-integratie inkoopbudget UWV
221
222
220
217
200
198
Dienstverlening aan werkzoekenden UWV1
630
650
650
650
650
650
Hervorming arbeidsmarktinfrastructuur: Impulsbudget arbeidsmarktregio's2
40
29
39
45
0
0
Individuele Plaatsing en Steun
8
12
16
14
12
12
Wet van school naar duurzaam werk
0
12
12
12
12
12
Dienstverlening afgewezen wajongers
0
0
4
8
13
17
Loonkostensubsidie
601
644
703
748
793
837
Scholingsbudget WW
15
15
15
15
15
15
Subsidieregeling ernstige scholingsbelemmeringen
15
15
15
15
15
15
Wet sociale werkvoorziening (Wsw)
1.927
1.837
1.756
1.676
1.596
1.516
Beschut werk
178
192
205
176
187
200
Rijksbijdrage sociale infrastructuur
20
21
23
25
26
28
Impulsbudget sociale infrastructuur
35
31
31
31
31
31
Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen
3
14
14
12
14
12
Stimuleringsregeling LLO in MKB (SLIM)
79
72
77
59
43
41
Werkgeverssubsidie praktijkleren in de derde leerweg
4
3
3
3
3
3
In het jaarplan 2026 verwacht UWV in 2026 € 650 mln. uit te geven aan dienstverlening aan werkzoekenden. Dit budget groeit of daalt mee met de ontwikkelingen in het aantal werkzoekenden (jaarverslag UWV).
De arbeidsmarktregio’s ontvangen in de periode 2025–2028 een tijdelijk impulsbudget om gezamenlijke dienstverlening te ontwikkelen met de partners in de regio.
Gemeenten ontvangen, naast bovenstaande financiering, ook via de algemene uitkering van het gemeentefonds middelen voor de arbeidstoeleiding van mensen die vallen onder de Participatiewet. Dit budget is onderdeel van de algemene uitkering van het gemeentefonds, waardoor niet precies te volgen is hoe de omvang van het budget zich ontwikkelt. Inschatting is dat in 2026 zo’n € 800 tot 900 miljoen aan re-integratiebudget binnen de algemene uitkering beschikbaar is voor gemeenten. Gemeenten bepalen zelf welk deel van de re-integratiemiddelen zij inzetten voor scholing. Van de middelen voor de sociaal ontwikkelbedrijven, beschut werk en loonkostensubsidie kan gesteld worden dat de uitgaven overeenkomen met de budgetten voor deze drie doelen. Voor de re-integratiemiddelen in de algemene uitkering van het gemeentefonds geldt dat ze overeenkomstig de beleidsvrijheid van gemeenten op deze terreinen kunnen worden ingezet en verantwoord. De controle op een doelmatige besteding is belegd bij de gemeenteraden. Hierdoor is het lastig om op macroniveau de omvang van de uitgaven precies vast te stellen. Op basis van recent onderzoek van Significant dat in december aan Uw Kamer is aangeboden blijkt dat gemeenten in 2024 € 1,3 miljard uitgeven aan re-integratie in het kader van de Participatiewet. Hoewel dit bedrag niet zomaar vergeleken kan worden met het bedrag in het gemeentefonds, is het aannemelijk dat gemeenten ook eigen middelen inzetten voor re-integratie. Ook is het, op basis van meerdere rapporten, aannemelijk dat gemeenten met het huidige budget niet iedereen in de doelgroep van de Participatiewet passend kunnen ondersteunen naar werk en dat gemeenten daarom keuzes maken wie ze in meerdere of mindere mate ondersteunen.
In 2025 zijn niet alle vooraf begrote middelen voor bij- en omscholing besteed. Dit komt voornamelijk doordat middelen voor de Stimuleringsregeling LLO in MKB (SLIM) en duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen naar latere jaren zijn doorgeschoven, zoals toegelicht in de 1e suppletoire begroting 2025. Tevens valt de besteding van SLIM middelen in 2025 lager uit door een lager aantal betalingen vanwege vaststellingen en voorschotten, zoals toegelicht in de Suppletoire Begroting September. Op de budgetten voor re-integratie en arbeidsbemiddeling hebben tot en met de 2e suppletoire begroting geen grote wijzigingen plaatsgevonden. In het Jaarverslag 2025 zal worden gerapporteerd over de definitieve besteding van de middelen in 2025.
Hoeveel investeert de private sector (werknemers, zelfstandigen en particuliere werkgevers) jaarlijks in bij- en omscholing? Indien u deze cijfers niet heeft, kunt u hier een inschatting van maken? Kunt u dit vergelijken met vergelijkbare landen?
Het geven van een volledig antwoord over de investeringen van de private sector in bij- en omscholing is complex. Zo maken werkgevers directe kosten voor scholing, maar financiering kan ook indirect plaatsvinden door (betaald) studieverlof. Daarbij wordt informeel leren veelal buiten beschouwing gelaten, terwijl onderzoek aantoont dat mensen juist via deze weg veel leren op de werkvloer. Ook dragen veel werkgevers jaarlijkse premiebijdragen af aan sectorfondsen (O&O-fondsen) voor scholing en ontwikkeling. Daarnaast kan een werknemer uiteraard ook op eigen initiatief scholing volgen in de eigen tijd.
Op basis van enkele studies kunnen we wel een inschatting maken. Private aanbieders van beroepsopleidingen hebben in 2022 een omzet behaald van circa € 4,5 miljard. Dat geeft een indruk van de omvang aan directe kosten aan scholing. Onderzoek uit 2017 berekende dat bedrijven in 2015 € 6,9 miljard (incl. gederfde arbeidstijd) aan kosten maakten voor bij- en omscholing. Op basis van cijfers van het CBS is het aannemelijk dat investeringen in 2020 van vergelijkbare ordegrootte zijn. Het aandeel van de arbeidskosten dat wordt besteed aan cursusuitgaven incl. gemiste arbeidsuren was in 2015 (2,2%) en in 2020 (2,3%). De nieuwe cijfers over 2025 worden in 2027 verwacht.
Een internationale vergelijking is niet goed te maken. Dit komt doordat er internationaal geen uniforme methode bestaat om investeringen in om- en bijscholing te meten. In algemene zin kan gesteld worden dat Nederland opvalt door een hoge deelname aan scholing, en daarbij behorende investeringen.
Hoeveel fte is gemoeid met arbeidsbemiddeling binnen het UWV? Hoe wordt de effectiviteit van arbeidsbemiddeling door het UWV gemeten?
Met arbeidsbemiddeling binnen UWV zijn ca. 2500 – 2600 directe fte gemoeid. Dit zijn adviseurs werkzoekendendienstverlening met direct klantencontact in het kader van WW-dienstverlening en arbeidsongeschiktheids (AG) dienstverlening en adviseurs Werkgeversdienstverlening voor het deel dat zij zich bezighouden met arbeidsbemiddeling. Naast deze functies met directe klantcontacten zijn er ondersteunende functies en operationeel management. Die zijn buiten beschouwing gelaten.
Om de effectiviteit van overheidsbeleid periodiek te meten is een evaluatiestelsel ingericht waarbij een beleidsterrein iedere vier tot zeven jaar wordt doorgelicht. In de laatste periodieke rapportage (2023) binnen het thema «Werkloosheid werknemers» is aangetoond dat arbeidsbemiddeling door het UWV effectief is. De belangrijkste wetenschappelijke onderbouwing hiervoor is een effectmeting van persoonlijke dienstverlening aan WW-gerechtigden. De effectmeting toont aan dat de inzet van persoonlijke dienstverlening door adviseurs van het UWV een positief effect heeft op het vinden van werk. Daarnaast daalt het beroep op de WW dankzij deze persoonlijke dienstverlening. De maatschappelijke baten zijn blijkens de eindrapportage hoger dan de uitvoeringskosten. Ook de effectiviteit van de dienstverlening aan mensen met een WIA-uitkering is recent onderzocht en effectief gebreken. Met mijn brief van 5 november 2025 (TK 2025/26, 26 448, nr 855) heb ik uw kamer hierover nader geïnformeerd.
In het artikel wordt de suggestie gedaan om een breder beeld van een werkzoekende te krijgen door expliciteren van soft skills en vaardigheden, naast diploma’s en werkervaring, deelt u deze stelling? Zo ja, op welke wijze kunt u dit stimuleren cq faciliteren?
Juist met de toenemende arbeidskrapte wordt matching en ontwikkeling op basis van vaardigheden steeds belangrijker. Zo wordt ieders potentie optimaal benut en kun je veel gerichter omscholen. Om een meer op skills gerichte arbeidsmarkt mogelijk te maken hebben we de skillstaal CompetentNL ontwikkeld, zodat verschillende skillsinitiatieven en organisaties op basis van een objectieve standaard informatie over vaardigheden met elkaar kunnen uitwisselen. In september 2025 is CompetentNL live gegaan en er is veel interesse en enthousiasme bij ontwikkelaars om gebruik te maken van CompetentNL. In de eerste twee maanden zijn er al meer dan honderd afnemers aangesloten op CompetentNL.
Daarnaast stimuleren we de transitie naar een op vaardigheden gerichte arbeidsmarkt. UWV en TNO krijgen de aankomende jaren middelen voor het bevorderen van de adoptie van CompetentNL voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Verder financieren we VNO-NCW om het skillgericht denken bij werkgevers te stimuleren. Via Stichting Nederland onderneemt maatschappelijk! worden werkgevers geïnformeerd en geïnspireerd over de kansen van het skillsgericht werven en selecteren in de zoektocht naar geschikt personeel. Daarbij is ook specifiek aandacht voor de MKB-ondernemers.
Het bericht 'Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten' |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Aukje de Vries (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Het Financieele Dagblad van 12 november 2025, getiteld «Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten»?1
Ja.
Klopt het dat Ahold Delhaize in Servië vanwege aanzienlijke financiële verliezen 25 winkels heeft moeten sluiten en dat honderden werknemers hun baan verliezen als direct gevolg van het prijsplafond dat de Servische regering heeft ingevoerd? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Volgens Ahold Delhaize heeft het door de Servische regering ingestelde prijsplafond aanzienlijke gevolgen gehad voor de activiteiten van Delhaize Servië, waaronder de sluiting van een aantal winkels. Nederland volgt de situatie met zorg en heeft het belang van een voorspelbaar investerings- en ondernemingsklimaat op verschillende niveaus bij Servië onder de aandacht gebracht. Servië voerde deze maatregel in, vanwege hoge inflatiecijfers. Deze zijn echter weer gedaald.
Zo heb ik persoonlijk bij de Servische Ministers van Handel en van Financiën mijn zorgen geuit over de impact van het retail margin cap-decreet op het zaken- en investeringsklimaat in Servië en de gevolgen voor Ahold Delhaize in Servië.
Deelt u de mening dat de Servische regering met deze maatregel ingrijpt in de vrije interne markt?
Het kabinet acht de maatregel marktverstorend en is van mening dat deze op gespannen voet staat met de economische criteria bij EU-toetreding, zoals ook benoemd in de recente kabinetsappreciatie van het jaarlijkse uitbreidingspakket (Kamerstuk 23 987, nr. 398). Nederland weegt dit daarom zeker mee bij het EU-toetredingsproces van Servië. Servië maakt geen onderdeel uit van de interne markt van de EU.
Bent u bereid de Servische regering op te roepen deze maatregel zo spoedig mogelijk in te trekken, omdat deze in strijd is met de Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Servië en de nodige vragen oproept over het Servische EU-kandidaat-lidmaatschap?
Ik heb er bij mijn Servische collega’s voor gepleit de maatregelen zo snel mogelijk in te trekken en geen andere maatregel in te voeren met vergelijkbare gevolgen en impact op het zaken- en investeringsklimaat in Servië.
Bent u bereid de Servische ambassadeur te ontbieden om uitleg te vragen over deze maatregel, die verliezen voor supermarkten veroorzaakt en banen op het spel zet?
Nederland heeft de Servische autoriteiten op verschillende niveaus aangesproken om uitleg te vragen over deze maatregelen en de Servische autoriteiten aan te sporen deze zo spoedig mogelijk op te heffen.
Deelt u de kritiek op Servië, zoals verwoord in het recente toetredingsrapport van de Europese Commissie, dat maatregelen als een prijsplafond de markt verstoren en buitenlandse investeringen ontmoedigen?
Ja, het kabinet deelt de zienswijze dat de maatregelen marktverstorend zijn en een negatieve impact kunnen hebben op het ondernemings- en investeringsklimaat in Servië, en daarmee buitenlandse investeringen ontmoedigen.
Welke acties ondernemen het kabinet en de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat marktverstorende maatregelen door de regering-Vucic zo snel mogelijk worden beëindigd?
Het kabinet heeft de Servische autoriteiten hier op verschillende niveaus op aangesproken. Ook heeft het kabinet de Europese Commissie opgeroepen om haar contacten met Servië aan te wenden om de kwestie ter discussie te stellen. Zowel het kabinet als de Europese Commissie zijn in contact met de Servische autoriteiten over de negatieve gevolgen van het maatregelenpakket.
Het bericht dat Israëlische agenten Palestijnen doden ondanks overgave |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het bericht waarin wordt gemeld dat Israëlische undercoveragenten in Jenin drie Palestijnse mannen zouden hebben doodgeschoten, ondanks dat zij hun handen in de lucht zouden hebben gestoken in een teken van overgave?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van dit bericht waarin wordt beschreven dat twee Palestijnen zijn doodgeschoten door de Israëlische grenspolitie. Het kabinet kan dit specifieke incident niet eigenstandig verifiëren en heeft daarom Israël om opheldering gevraagd. Israël heeft bevestigd dat de Israëlische krijgsmacht het incident onderzoekt. Dit wacht het kabinet af.
Kunt u bevestigen of laten verifiëren of deze gebeurtenis daadwerkelijk heeft plaatsgevonden?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat ook bevriende democratische staten zoals Israël, gehouden zijn aan het internationaal recht en dat Nederland, als voorvechter daarvan, dit nadrukkelijk moet uitdragen?
Ja. Alle staten zijn gebonden aan het internationaal recht.
Hoe verhoudt dit optreden van Israël zich tot het internationaal humanitair recht?
Zie antwoord op vraag 1. Op basis van de berichtgeving in de media lijkt het relevante rechtsregime voor dit optreden niet dat van het humanitair oorlogsrecht, maar was er sprake van rechtshandhaving door Israëlische grenspolitie. Daardoor moet op basis van mensenrechten worden beoordeeld hoe dit optreden zich verhoudt tot het internationaal recht.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze en vergelijkbare incidenten op de Westelijke Jordaanoever? Zo nee, waarom niet?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig. Het is in eerste instantie aan de meest betrokken staat of staten die terzake rechtsmacht hebben om onderzoek te doen. In dit geval heeft Israël aan het kabinet bevestigd dat de Israëlische krijgsmacht het incident onderzoekt. Dit wacht het kabinet af. Nederland roept Israël op, en zal Israël blijven oproepen, het internationaal recht te respecteren, na te leven, en vermeende schendingen te onderzoeken en berechten. Nederland spreekt Israël hier consistent op aan, ook in EU-verband.
Deelt u de mening dat het associatieverdrag met Israël moet worden heroverwogen als er ernstige mensenrechtenschendingen plaatsvinden door Israël? Valt dit incident daar wat u betreft onder?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 5.
Zo ja, bent u bereid om het opschorten van het associatieverdrag bespreekbaar te maken binnen de eerstvolgende EU-Raad Buitenlandse Zaken van 15 december? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie ook de antwoorden op de vragen 1 en 5.
Het bericht 'Nederland koopt opvang migranten af voor 33 miljoen euro' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland de opvang van 1.650 migranten afkoopt bij de EU voor een bedrag van 33 miljoen euro – oftewel 20.000 euro per migrant?1 Hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja. De Raad heeft inmiddels een politiek akkoord bereikt over de vaststelling van de omvang van de solidariteitspool op 21.000 herplaatsingen of 420 miljoen euro. Het aandeel van Nederland is 5,2%, wat neerkomt op een financiële bijdrage van 21,9 miljoen. Nederland heeft steun verleend aan het voorstel en aangegeven financieel te zullen bijdragen.
Waarom zijn de betreffende cijfers uit de zogenoemde «Europese Spreidingswet» niet openbaar gemaakt en is zelfs de Tweede Kamer hierover slechts onder geheimhouding geïnformeerd? Hoe beoordeelt u deze werkwijze in het kader van transparantie en de noodzakelijke democratische controle? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de Asiel- en migratiebeheerverordening is wettelijk vastgelegd dat het Commissievoorstel voor een Raadsbesluit over de vaststelling van de jaarlijkse solidariteitspool niet openbaar gemaakt worden tot de Raad overeenstemming heeft bereikt om het besluitvormingsproces te faciliteren.2 Het stuk is vertrouwelijk met uw Kamer gedeeld.
Kunt u garanderen dat asielzoekers die elders in de EU al asiel hebben aangevraagd, niet alsnog – na afkoop door Nederland – naar ons land reizen en hier opnieuw asiel aanvragen? Zo ja, hoe kunt u dit garanderen? Zo nee, wat is dan het nut van deze afkoopregeling en andere Europese afspraken op het gebied van migratie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn onder het Migratiepact verschillende maatregelen genomen om doorreis van asielzoekers te voorkomen, waaronder maatregelen om het buitengrensbeheer te versterken, zoals betere registratie in Eurodac, verplichte uniforme screening en de asielgrensprocedure.
Daarnaast zijn de Dublinregels integraal onderdeel van het Migratiepact. De Commissie beoordeelt op 12 juli en 15 oktober of de lidstaten onder migratiedruk zich aan deze Dublinregels houden. Indien lidstaten zich niet houden aan de Dublinregels, zal Nederland geen solidariteit leveren.
Onder het Pact is een balans afgesproken tussen verantwoordelijkheid, o.a. door de versterking van de buitengrenzen en het tegengaan van secundaire migratie, van lidstaten aan de ene kant en solidariteit aan de lidstaten die onder migratiedruk staan aan de andere kant. De solidariteitsbijdrage is daarom essentieel onderdeel van het Pact.
Worden biometrische gegevens van asielzoekers centraal en effectief geregistreerd? Zo nee, erkent u dan dat de mogelijkheid bestaat dat asielzoekers hun paspoort weggooien, waardoor zij niet kunnen worden geïdentificeerd en hun reis- en asielgeschiedenis binnen de Europese Unie niet kan worden achterhaald, waarop zij in Nederland alsnog asiel kunnen aanvragen? Acht u dit wenselijk?
Onder de huidige Eurodac-verordening worden biometrische gegevens van asielzoekers worden geregistreerd en opgeslagen. Dit blijft zo onder de nieuwe Eurodac-verordening, maar het type data dat geregistreerd wordt, wordt verbreed, waardoor naast vingerafdrukken bijvoorbeeld ook gezichtsopnamen, identiteitsgegevens en kopieën van identiteits- en reisdocumenten worden opgeslagen. Ook wordt de bewaartermijn voor bepaalde soorten gegevens verlengd. Hierdoor wordt de mogelijkheid van identificatie van asielzoekers EU-breed verbeterd.
Wat is de status van de Dublinverordening, die bepaalt dat asielzoekers moeten worden teruggestuurd naar het EU-land van eerste aankomst? Waarom weigeren landen als Italië momenteel deze asielzoekers terug te nemen en waarom accepteert Nederland deze weigering? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment geldt de Dublinverordening onverkort. Vanaf de inwerkingtreding van het Pact zal de Dublinverordening worden vervangen door de Asiel- en migratiebeheerverordening. Ook hier is, kort gezegd, dat bij het ontbreken van gezinsleden in de EU, lidstaten van eerste aankomst verantwoordelijkheid zijn voor de aanvraag en asielprocedure van de desbetreffende asielzoeker. De Commissie heeft in het Uitvoeringsbesluit ter bepaling van de lidstaten waar sprake is van migratiedruk, van een risico van migratiedruk of van een significante migratiesituatie opgenomen dat de Commissie op 12 juli en 15 oktober zal vaststellen of deze lidstaten het Dublinacquis weer uitvoeren. Indien dit niet het geval is zal Nederland niet verplicht zijn om solidariteit te leveren aan de desbetreffende lidstaten.
Worden migranten die worden opgevangen in landen als Italië of Griekenland ontmoedigd om zich alsnog vrij binnen de Schengenzone te verplaatsen – inclusief richting Nederland? Zo ja, hoe ziet deze ontmoediging eruit en hoe effectief is deze ontmoediging binnen de Europese praktijk van open binnengrenzen? Zo nee, wat is dan het nut van deze afkoopregeling en andere Europese afspraken op het gebied van migratie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onder de asielgrensprocedure zal een deel van de asielzoekers in detentie worden geplaatst en dus ook niet in de gelegenheid zijn om door te reizen naar Nederland. Naar de inzet van Nederland t.a.v. van de Dublinverordening verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
Wordt het bedrag van circa 33 miljoen euro, dat nu dreigt te worden uitgegeven aan de afkoop van migrantenopvang, in mindering gebracht op de Nederlandse netto EU-bijdrage, gezien het feit dat Nederland al jaren een van de grootste nettobetalers aan de Europese Unie is? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog af te dwingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe de bijdrage wordt vastgesteld en op welke wijze dit wordt overgemaakt is vastgelegd in de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Hoe beoordeelt u het feit dat andere landen – zoals Polen, Estland en Oostenrijk – een korting of zelfs vrijstelling hebben kunnen bedingen op de afspraken? Hoe beoordeelt u het feit dat Hongarije weigert aan deze afspraken te voldoen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Commissie heeft Polen, Estland, Oostenrijk, Kroatië en Tsjechië aangemerkt als lidstaten met een significante migratiesituatie vanwege uiteenlopende redenen. Voor Polen en Estland geldt dat zij een hoog aantal Oekraïense ontheemden hebben opgevangen in vergelijking met andere lidstaten over de periode van de afgelopen vijf jaar. Voor Oostenrijk geldt dat er een zeer hoog aantal ontvankelijke asielaanvragen is geregistreerd in vergelijking met andere Europese lidstaten over de afgelopen vijf jaar.
Wat betreft Hongarije onderstreep ik graag het belang dat alle lidstaten zich aan het asielacquis houden, waaronder het Migratiepact.
Neemt u – zeker gezien de feiten zoals benoemd in vraag 7 – een voorbeeld aan de landen zoals genoemd in vraag 8? Bent u het eens met de stelling dat ook Nederland een vrijstelling of tenminste een korting zou moeten bedingen en, indien de Europese Unie deze weigert toe te zeggen, in navolging van Hongarije zou moeten weigeren aan de afspraken te voldoen? Bent u bereid om deze vrijstelling, korting of weigering alsnog af te dwingen – ook na bekendmaking van de verdeelsleutel op maandag aanstaande?
Met de inwerkingtreding van het Migratiepact worden belangrijke stappen gezet naar het versterken van de buitengrenzen en het tegengaan van irreguliere migratie. Het is daarom van belang dat alle lidstaten, ook Nederland, zich houden aan de wet- en regelgeving van het Migratiepact.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk doch uiterlijk vóór aanvang van het Kerstreces beantwoorden?
Ja.