Het bericht dat de huurtoeslag de komende jaren flink zal dalen |
|
Edgar Mulder (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Huurtoeslag fors lager in de komende jaren»?1
Ja.
Hoeveel van de 1,4 miljoen huishoudens die huurtoeslag ontvangen, kampen nu al met betalingsproblemen c.q. zitten in de schulden, en waar komt dat door?
Uit het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers 2015» van Panteia2 blijkt dat naar schatting bijna 20% (oftewel 1,4 miljoen huishoudens) van alle huishoudens in Nederland risicovolle of problematische schulden3 heeft. Hiervan heeft ongeveer 60% (oftewel 840.000 huishoudens) risicovolle schulden en 40% (oftewel 540.000 huishoudens) problematische schulden. Niet bekend is hoeveel van deze huishoudens een huurtoeslag ontvangen. Wel blijken huishoudens met een laag inkomen en een huurwoning een grotere kans op problematische schulden te hebben. Schulden ontstaan zelden als gevolg van één oorzaak, maar zijn veelal gelegen in een combinatie van omgevingsfactoren, bewust en onbewust gedrag, onverwachte gebeurtenissen en in de persoon gelegen factoren.
Hebt u er zicht op hoeveel huishoudens door het verlagen van de huurtoeslag (extra) in de financiële problemen zullen komen? Zo nee, hoe kunt u dan voor deze bezuinigingsmaatregel zijn? Zo ja, hoeveel zijn dat er?
Het is niet zo dat de komende jaren de huurtoeslag verlaagd wordt. Door afschaffing van de KAN-bepaling stijgt de huurtoeslag iets minder. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, liggen aan schulden vaak meerdere oorzaken ten grondslag. Niet gesteld kan worden dat een wijziging in de ontvangen huurtoeslag per definitie leidt tot financiële problemen. Het is belangrijk dat mensen steeds hun totale uitgavenpatroon in evenwicht houden of brengen met hun inkomsten. Het effect moet worden bezien in het bredere, algemene koopkrachtbeeld van het regeerakkoord. (zie ook het antwoord op vraag 4).
Hoe kunt u – gezien de stijgende huren, dalende huurtoeslag, stijgende energierekening, stijgende btw etc. – volhouden dat «huishoudens er de komende jaren op vooruit zullen gaan»? Waarom doet u deze uitspraak?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven, wordt de huurtoeslag de komende jaren niet verlaagd, maar stijgt de huurtoeslag iets minder. Tegelijkertijd wordt de harde inkomensgrens in de huurtoeslag geschrapt. Daardoor verliezen mensen die iets meer gaan verdienen niet meer ineens hun hele huurtoeslag. Dit kan honderden euro’s op jaarbasis schelen. Bovendien is het regeerakkoord een forse lastenverlichting afgesproken. De belastingtarieven worden flink verlaagd en de algemene heffingskorting wordt verhoogd. Per saldo hebben ook mensen met een huurwoning straks meer te besteden.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat er met het verlagen van de huurtoeslag wordt bezuinigd op eigen mensen, terwijl statushouders in dit land nog steeds alles gratis krijgen? Bent u ertoe bereid hier onmiddellijk een eind aan te maken en te kiezen voor de Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Iedereen die in Nederland verblijft wordt in gelijke omstandigheden gelijk behandeld. Als er wijzigingen in de huurtoeslag plaatsvinden, gelden deze dus ook voor statushouders.
Het bericht ‘Zorg over groei geweld door verwarde mensen in Rotterdam’ |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorg over groei geweld door verwarde mensen in Rotterdam»?1
Ja.
Deelt u de zorgen van de korpschef van de Rotterdamse politie, die aangeeft dat hij over dit jaar 8.000 incidenten met verwarde personen verwacht, daar waar dit in 2014 nog 6.000 incidenten waren?
De politiechef van Rotterdam doelt met de 6.000 incidenten in 2014 op de politieregistratie inzake incidenten overlast personen met verward gedrag. Uit deze cijfers kunnen geen conclusies worden getrokken over het aantal unieke personen met verward gedrag dat voor overlast zorgt.
Uit de cijfers van alle politie-eenheden bleek dat het totaal aantal registraties van overlast door personen met verward gedrag toenam van 44.400 in 2012 naar ruim 74.800 in 2016. Dat betekent een gemiddelde jaarlijkse stijging van 14 procent. De definitieve cijfers over 2017 zijn op 27 februari jl. bekend gemaakt. Hieruit blijkt dat het aantal geregistreerde incidenten in 2017 met 12% is gestegen ten opzichte van 2016.
Het spreekt voor zich dat ik mij ook zorgen maak over deze stijging. Het bevestigt het vermoeden dat een groeiende groep mensen de toegang tot zorg en ondersteuning (schulden, wonen, werk en inkomen) moeilijk weet te vinden. Mogelijk komen deze als gevolg daarvan eerder en vaker in aanraking met instanties als de politie. Dat moet worden voorkomen. Om meer aan de voorkant van de problematiek te komen en te voorkomen dat problemen voor de personen zelf of hun omgeving verergeren, is het belangrijk dat de preventie en de vroegsignalering in de wijk goed zijn geregeld, zoals de korpschef – en met hem het door het kabinet voor dit doel ingestelde, zogenaamde «Schakelteam» – eerder ook heeft aangegeven.
Verwacht u net als de Rotterdamse politie, indachtig het feit dat de politie eerder dit jaar bekend maakte dat landelijk het aantal meldingen over personen met verward gedrag in 2016 met 14% is gestegen ten opzichte van 2015, weer een stijging van het aantal meldingen in 2017?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoe vaak verwarde personen moord, doodslag of ander geweld met de dood tot gevolg, gepleegd hebben in 2017 in Nederland? Is hier ook sprake van groei ten opzichte van voorgaande jaren?
Bij de politie is uit de registratie niet het aantal personen af te leiden dat in verwarde toestand een strafbaar feit heeft gepleegd of daarvan wordt verdacht.
Waarom wordt in de beleidsreactie «Tussenrapportage Schakelteam personen met verward gedrag» geen koppeling gemaakt met de rol van de politie?
In de beleidsreactie wordt ingegaan op de maatregelen die worden getroffen om personen met verward gedrag beter te helpen, bijvoorbeeld door middel van een betere triage, alternatieven voor vervoer door politie en passende beoordelingslocaties. De bedoeling is dat personen met verward gedrag tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen. Hiermee kan ernstiger leed voor de persoon of het afglijden naar overlast of criminaliteit worden voorkomen. De politie maakt onderdeel uit van het landelijk Schakelteam personen met verward gedrag, dat deze tussenrapportage heeft uitgebracht. De urgentie die het Schakelteam heeft onderstreept bij het uitbrengen van de rapportage, wordt door de politie herkend en bevestigd.
Wordt de politie voldoende getraind in het herkennen van verwarde personen en het inschatten van de dreiging? En geldt hetzelfde voor de meldkamer?
De politieopleiding kent een module op het vlak van sociaal psychiatrische problematiek. De politie beziet continu of opleidingen naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen actualisatie of bijstelling behoeven. Daarbij is in het bijzonder aandacht voor het globaal kunnen herkennen van ziektebeelden, de-escalerend optreden, het betrekken van ervaringsdeskundigheid en het handelingsrepertoire ten gevolg van nieuwe wet- of regelgeving. De behoefte aan extra deskundigheid op de meldkamer heeft ook de aandacht. Daarbij wordt aangesloten bij de ontwikkelingen rond het voorlopige, landelijke model Melding dat in 2018 wordt beproefd.2
Kunt u, aangezien de politie Rotterdam aangeeft nog geen integraal sluiten handelingskader te hebben om alle problematiek rondom geweld door verwarde mensen te stoppen, helpen deze knelpunten weg te nemen? Waar liggen volgens u de overige knelpunten?
Uit de landelijke monitor «Stand van het land», die het Schakelteam tezamen met zijn tussenrapportage op 5 oktober 2017 heeft uitgebracht,3 is op te maken dat Rotterdam samen met de regio Rotterdam Rijnmond – Zuid Holland Zuid vele activiteiten en initiatieven ontplooit om tot een sluitende aanpak voor personen met verward gedrag te komen, onder auspiciën van een regionaal Schakelteam Personen met verward gedrag. De Rotterdamse aanpak «Mensen met verward gedrag» is in juni 2016 vastgesteld en is onderdeel van het gemeentelijk WMO actieprogramma. Er zijn diverse maatregelen genomen om de sluitende aanpak te bereiken. Zo is er sinds september 2016 een 24/7 advies- en meldpunt mensen met verward gedrag waar Rotterdammers hun zorgen kenbaar kunnen maken over mensen in hun omgeving. Daarnaast is ook de ggz-deskundigheid bij wijkteammedewerkers versterkt. Onderdeel van het programma is ook dat overlastregistratie van de politie in relatie tot verward gedrag – waarbij geen directe opvolging van de politie noodzakelijk is, maar die wel aanleiding geven tot zorg – in een frequent overleg tussen de politie en de GGZ worden besproken.
De samenwerking tussen mijn ministerie en het Veiligheidshuis in Rotterdam is goed. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid ondersteunt het Veiligheidshuis in Rotterdam financieel om knelpunten op het gebied van privacy en informatiedeling aan te pakken en bij het ontwikkelen van een persoonsgerichte aanpak voor personen met een ernstig psychiatrische aandoening (EPA). In de brief van 24 november 2017 heeft het kabinet een reactie gegeven op de tussenrapportage van het Schakelteam en aangegeven wat er overal in het land door gemeenten en hun partners en ook door de landelijke overheid wordt gedaan om de sluitende aanpak te helpen realiseren.4
Hoe beoordeelt u, in het licht van de groei van geweld door verwarde mensen, de uitspraak van de directeur van GGZ-Nederland dat behandeling en begeleiding van verwarde mensen in de wijken nu nog onvoldoende is? Ziet u hier een verband? Hoe verloopt in de gemeente Rotterdam het programma tussen de politie en de GGZ waarin politie dagelijks de E33-meldingen doornemen en bespreken welke vervolgstappen nodig zijn?
In navolging van de wijk GGD’ers in de gemeente Vught, zijn, met subsidie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, 13 gemeenten gestart met pilots waarin mensen van de GGD in de wijk preventief ingrijpen, overlast beperken en voorkomen en indien nodig bemiddelen naar de juiste zorg. Voor een overzicht van verdere acties verwijs ik u naar de al genoemde kabinetsreactie van 24 november 2017.
Het Rotterdamse politie-GGZ programma verloopt in grote lijnen als volgt. Personen met verward gedrag, die zichtbaar zijn geworden vanwege politie-interventie (vastgelegd in de politieregistratie), worden gescreend door de GGZ medewerkers. Als de burger al bekend is bij een zorginstelling, wordt dit onder de aandacht gebracht van de zorginstelling waar deze al cliënt is. Indien de burger niet bekend is binnen de zorg, wordt deze door middel van huisbezoek door een GGZ-medewerker en zo nodig een wijkagent begeleid naar de GGZ, bemoeizorg en/of wijkteam en/of hun eigen netwerk. Er worden indien aan de orde ook beoordelingen gedaan op het politiebureau.
De GGZ medewerkers zijn dagelijks op alle politiebureaus van de gemeente Rotterdam aanwezig en hebben naast het doornemen van de registratie van de meldingen over verward overlastgevend gedrag tevens een consultatieve functie waar veel gebruik van wordt gemaakt binnen de politie.
Wat is de status van het aangekondigde goed werkende systeem voor ondersteuning van mensen met verward gedrag dat uiterlijk 1 oktober 2018 wordt ingevoerd?
Het Schakelteam constateert in de Tussenrapportage van oktober 2017 dat er de afgelopen twee jaar veel is gebeurd in de aanpak van de problemen van mensen met verward gedrag. Het Schakelteam constateert dat er een landelijk dekkend netwerk is gerealiseerd van regionale implementatieteams personen met verward gedrag. In totaal zijn er nu 23 regio’s, waarin gemeenten, verzekeraars, politie, Openbaar Ministerie, ggz, GGD, ambulancezorg en cliëntorganisaties met elkaar samenwerken. Vaak met als basis bestuurlijke afspraken tussen de belangrijkste partijen. Daarnaast heeft ZonMw5 vorig jaar 87 subsidies verleend aan regio’s ter ondersteuning van initiatieven op één of meer van de bouwstenen van het Schakelteam.
Tegelijkertijd is vastgesteld dat er nog veel moet gebeuren en dat (bestuurlijk) commitment van alle betrokken partijen noodzakelijk is om te komen tot een goed werkende aanpak voor ondersteuning van mensen met verward gedrag en te komen tot een inclusieve en veilige wijk voor iedereen. Het Schakelteam komt in april 2018 met een tweede tussenrapportage waarin ook een monitor is opgenomen om de stand van het land van de ondersteuning van mensen met verward gedrag op gemeentelijk niveau weer te geven.
Het nieuws dat dode en kreupele kippen zijn aangetroffen in een eierboerderij |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Undercoverbeelden tonen dode kippen op eierboerderij»?1
Ja.
Zijn de genoemde filmbeelden bekend bij u? Zo ja, kunt u bevestigen of de beelden inderdaad zijn opgenomen bij de in het artikel genoemde Nederlandse pluimveehouders?
De filmbeelden zijn bij mij bekend. Ik kan niet bevestigen of de beelden inderdaad opgenomen zijn op de vermelde adressen.
Zijn de vertoonde bedrijven recent gecontroleerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit? Zo ja, zijn daarbij overtredingen geregistreerd?
De NVWA heeft de afgelopen twee jaar op een aantal van de door Ongehoord genoemde locaties gecontroleerd. De controles betroffen verschillende onderwerpen, waaronder ophokplicht en monstername in het kader van fipronil. Hierop zijn geen overtredingen geregistreerd. Een NVWA-inspecteur heeft overigens altijd de ruimte om zelfstandig een inspectie op bijvoorbeeld welzijn te initiëren als hij daar aanleiding toe ziet. Echter, dat heeft zich blijkens de wijze van handelen tijdens deze inspecties, niet voorgedaan.
Kunt u een overzicht geven van de dierenwelzijnseisen waar deze bedrijven aan moeten voldoen gezien de predicaten waarover zij beschikken?
In de regelgeving zijn voor legpluimveebedrijven specifieke houderijvoorschriften vastgelegd, evenals generieke regels met als doel om daarmee een minimale staat van dierenwelzijn te waarborgen. Voor bedrijven met het Beter Leven Keurmerk gelden nog aanvullende eisen, op basis van de afspraken met de Dierenbescherming.
De wettelijke vereisten voor legpluimveebedrijven komen voort uit Europese regelgeving en zijn vastgelegd in de Wet dieren, het Besluit houders van dieren en het Besluit diergeneeskundigen. Voor vrije uitloopkippen en biologisch pluimvee gelden nog aanvullende (Europese) eisen met betrekking tot onder andere de uitloop en de bezetting. Naast de naleving van regels over bezettingsdichtheid en overige huisvestingsvoorwaarden is een goed vakmanschap van de veehouder van groot belang voor het dierenwelzijn, aangezien niet alles zich in specifieke regels laat vastleggen. Dit geldt voor alle huisvestingssystemen.
Kunt u een overzicht geven van de sterftecijfers van dieren in Nederlandse kippenbedrijven, uitgesplitst naar de verschillende keurmerken die er zijn?
De enige sterftecijfers die mij ter beschikking staan voor legpluimvee zijn de cijfers uit de Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN). Deze jaarlijkse uitgave van de Wageningen Universiteit bevat kengetallen van de verschillende sectoren. Voor legpluimvee zijn de kengetallen in KWIN afkomstig van pluimveehouders die werken met het managementprogramma LegManager. Hierdoor geven deze slechts een beperkt inzicht omdat slechts gegevens van een deel van de sector zijn opgenomen. De sterftecijfers in KWIN zijn lastig te vergelijken tussen de verschillende jaren en huisvestingssystemen, omdat de uitvalpercentages niet in dezelfde levensweek zijn bepaald. Een koppel legkippen zal op 100 weken doorgaans een hoger uitvalpercentage hebben dan op 70 weken. Grofweg liggen de uitvalpercentages volgens KWIN bij leghennen rond de 8% en lijken er geen grote verschillen te zijn tussen de verschillende huisvestingssystemen die de wetgeving kent. De sterftecijfers voor bedrijven met het Beter Leven keurmerk worden als zodanig niet bijgehouden in KWIN.
Deelt u de mening dat het zorgwekkend is dat ook bij biologische-, Beter Leven- en Rondeel-bedrijven kennelijk nog dergelijke beelden kunnen worden opgenomen? Zo ja, bent u bereid om samen met dierenbeschermers en pluimveehouders te zoeken naar oplossingen om het leven van dieren in kippenhouderijen verder te verbeteren?
De getoonde beelden zijn zorgwekkend. Ik wil echter niet op basis van deze enkele beelden een heel systeem afwaarderen. Ook factoren zoals het management van de pluimveehouder en ziektedruk zijn van grote invloed op het welbevinden van de dieren. Zoals ik ook heb aangegeven in de beantwoording op de Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 802) van 22 december 2017, heeft de houder de morele en wettelijke plicht om goed voor zijn dieren te zorgen. Het is aan de houder om de sterfte tot een minimum te beperken. Dat er dieren ziek worden en sterven is helaas niet helemaal te voorkomen. De omvang en de oorzaak van de sterfte kan echter wel variëren per houder. Het is aan de sector om naar oplossingen te zoeken om het leven van pluimvee te verbeteren. Ik ben zeker bereid, indien pluimveehouders en dierenbeschermers met concrete voorstellen komen, om hierover in gesprek te gaan.
Het bericht dat de financiële sector vervuilers kan aanpakken |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een reactie geven op het bericht dat de financiële sector in actie wil komen voor het klimaat en met een nieuw rekenmodel goed zicht mogelijk maakt op milieueffecten van geldverstrekking?1
Ik verwelkom de methodiek die door twaalf Nederlandse financiële instellingen is ontwikkeld om de CO2-voetafdruk van de portefeuille(s) van individuele instellingen in kaart te brengen.
Het rekenmodel draagt bij aan het vergroten van de transparantie over het klimaateffect van de investeringen van financiële instellingen die dit model toepassen. Ook voor klanten wordt het zo makkelijker om te kiezen voor een financiële instelling die actief bijdraagt aan de transitie naar een klimaatneutrale maatschappij. Bovendien helpt een rekenmodel de financiële instellingen door de klimaatdoelen die zij zichzelf stellen meetbaar te maken. Daardoor is voortgang beter te meten is en kan er door deze instellingen effectiever op de klimaatdoelen gestuurd worden. Bij de transitie naar het behalen van de klimaatdoelstellingen is het van belang dat alle sectoren – dus ook de financiële – zich inzetten. Idealiter is de volgende stap dat financiële instellingen hier zelf ook over gaan rapporteren en actief gaan sturen op het reduceren van de CO2-voetafdruk van hun portefeuille. Overigens heeft de ontwikkelde methodiek alleen betrekking op CO2, en niet op andere milieu en duurzaamheidsthema’s.
Deelt u de mening dat dit rekenmodel meer mogelijkheden geeft om publieke transparantie te bieden omtrent duurzaamheidsdoelstellingen en de praktische uitwerking van het duurzaamheidsbeleid van de financiële sector?
Zie antwoord vraag 1.
Gezien het feit dat het grootste deel van investeringen om de klimaatdoelstellingen te halen door private partijen gedaan moeten worden en banken en pensioenfondsen in juni 2017 in een brief aan de regering om concrete doelstellingen in wetgeving hebben gevraagd, ziet u met dit bericht aanknopingspunten om de financiële sector te helpen door afdwingbare doelen te stellen ten behoeve van de transitie naar een duurzame economie? Zo nee, kunt u dit toelichten?
In het Regeerakkoord is aangegeven dat de hoofdlijnen van de afspraken op het terrein van klimaat en energie worden verankerd in een Klimaatwet. Zoals bekend ligt er een initiatiefvoorstel voor een Klimaatwet van GroenLinks, PvdA, SP, D66 en ChristenUnie voor behandeling in uw Kamer. Tijdens het debat over de regeringsverklaring op donderdag 2 november jl. heeft het kabinet aangegeven positief te staan tegenover een gesprek over het initiatiefwetsvoorstel, om te
bezien of het als basis kan dienen voor een breed gedragen Klimaatwet. Momenteel ben ik de mogelijkheden hiertoe aan het verkennen en ik verwacht uw Kamer in het eerste kwartaal van 2018 te kunnen informeren over de resultaten daarvan.
Daarnaast werkt een high-level expert group on sustainable finance van de Europese Commissie op dit moment aan aanbevelingen om duurzame financiering te bevorderen. Dit rapport wordt in het voorjaar van 2018 verwacht. Mogelijk zal de Commissie op basis van dit rapport ook met aanvullende voorstellen komen. Wij zullen mogelijke initiatieven bezien, en uw Kamer hierover informeren.
Onderkent u dat dit rekenmodel dat CO2-uitstoot berekent, de bredere behoefte aan verduurzaming van geldstromen in termen van milieu, dierenwelzijn- en sociale aspecten niet ondervangt? Bent u van mening van de financiële sector ook hier nog stappen te maken heeft? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Het rekenmodel waar het lid Van Raan naar verwijst, richt zich inderdaad op het in kaart brengen van klimaateffecten en ondervangt dus inderdaad niet alle sociale en milieuaspecten van duurzaamheid. Nederland als geheel scoort goed op deze doelen, maar tegelijkertijd inventariseren we waar we nog kunnen verbeteren. Ditzelfde geldt voor de financiële sector, en ik steun daarom het initiatief van deze werkgroep van harte.
Het bericht ‘School wilde kinderen weren bij kerstdiner’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «School wilde kinderen weren bij kerstdiner»?1
Ja. Het bericht lijkt erop te wijzen dat enkele leerlingen te horen hebben gekregen dat zij niet aanwezig mochten zijn bij het jaarlijkse kerstdiner van hun school. Ik kan mij voorstellen dat deze leerlingen daardoor van slag zijn geraakt. Voor kinderen is een gezamenlijke viering een belangrijk moment in een schooljaar. Scholen en ouders maken met elkaar afspraken over de vrijwillige ouderbijdrage. Het belang van de leerling dient ook daarbij voorop te staan.
Deelt u nog altijd de mening dat een kenmerk van de vrijwillige ouderbijdrage is dat deze juist vrijwillig is, zoals u deze mening ook in uw eigen bewoordingen uitdrukte tijdens het debat over de OCW-begroting van 7 december 2017?
Ja.
Herinnert u zich hoe u tijdens het debat de behoefte uitte aan traceerbare voorbeelden van scholen die het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage aan hun laars lapten?
Ja.
Is het scholen geoorloofd dwang uit te oefenen op ouders om alsnog de vrijwillige ouderbijdrage te kunnen ontvangen, zoals is gebeurd bij deze basisschool? Wat gaat u doen om toekomstige vergelijkbare situaties te voorkomen?
Nee, dat is niet geoorloofd. Een ouderbijdrage is altijd vrijwillig. Ouders mogen dus niet gedwongen worden een bijdrage te betalen. In mijn brief over de uitvoering van de motie Vermue en Van Dijk kondig ik daarom maatregelen aan die ertoe moeten leiden dat dit soort situaties zich niet meer voor doen.
Welk advies heeft u voor deze ouders die onder dergelijke dwang de vrijwillige ouderbijdrage hebben betaald en nu mogelijk in de financiële problemen komen?
Allereerst wil ik alle ouders wijzen op de helpdesk van Ouders & Onderwijs. Die helpdesk kan ouders – per telefoon of email – helpen wanneer er onduidelijkheid is over de vrijwillige ouderbijdrage. Ik vind het belangrijk dat ouders goed geïnformeerd zijn over hun rechten en plichten.
Wanneer ouders ontevreden zijn over de gang van zaken omtrent de ouderbijdrage, kunnen ze hierover het gesprek aangaan met de school. Dit gesprek kunnen ze zelf aangaan. Een andere optie is via de medezeggenschapsraad. Voor de besluitvorming over de vrijwillige ouderbijdrage is instemming nodig van de ouders in de medezeggenschapsraad (MR). Ook is er de mogelijkheid om een formele klacht in te dienen. Elke school moet voorzien in een klachtencommissie.
Heeft u ook een rol moeten spelen voordat de betreffende school op zijn besluit terugkwam?
Nee.
Heeft u contact opgenomen of laten nemen met de ouders van de kinderen die getroffen dreigden te worden door het beleid van deze school met betrekking tot de vrijwillige ouderbijdrage?
Heeft u contact opgenomen of laten nemen met de oudervereniging van de school die om onbegrijpelijke redenen een van de ouders uit de vereniging heeft gezet omdat ze rond de toelating rond het kerstdiner «de zwijgplicht heeft overtreden»? Zo nee waarom niet?
Nee.
Heeft u begrip voor de handelwijze van de school? Zo ja, waarom?
Nee. Dit is in eerste instantie iets tussen de oudervereniging, de school en de ouders. Wanneer de inspectie signalen ontvangt dat een school zich niet houdt aan de regelgeving, dan kan de inspectie – wanneer de regels inderdaad worden overtreden – handhavend optreden.
Heeft u begrip voor de handelwijze van de oudervereniging? Zo ja, waarom?
De reactie van de betrokken ouders op het handelen van de school heeft geleid tot een aanpassing van het standpunt van de school en de mogelijkheid voor alle leerlingen om het kerstdiner te bezoeken. Ik vind dat positief.
Extra maatregelen tegen Noord-Korea en de positie van Nederland als voorzitter van het VN-sanctiecomité Noord-Korea |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Halbe Zijlstra (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u nader ingaan op het Nederlandse voorzitterschap van het VN-sanctiecomité Noord-Korea in 2018? Wat is de Nederlandse inzet binnen dit sanctiecomité?1
In 2018 is Nederland, als lid van de VN-Veiligheidsraad, tevens voorzitter van het krachtens VN-Veiligheidsraadsresolutie 1718 (2006) opgerichte sanctiecomité dat is belast met toezicht op de implementatie van het uitgebreide sanctieregime tegen Noord-Korea. Deze sancties zijn gericht op het voorkomen van nucleaire proliferatie en treffen een groot aantal sectoren van de Noord-Koreaanse economie, waaronder militaire goederen, olie, transport, textiel, luxegoederen, financiële dienstverlening en ook Noord-Koreaanse arbeiders in het buitenland. Nederland zal zich als neutrale voorzitter concentreren op volledige en effectieve uitvoering van de sancties. Daarnaast zal Nederland speciale aandacht besteden aan wereldwijde sanctie-implementatie, het complexe sanctieregime inzichtelijker pogen te maken voor overheden en uitvoerders door voorlichtingsactiviteiten te organiseren in de relevante regio’s, en inzetten op robuuste en tijdige rapportage over nationale implementatie door alle VN-lidstaten.
Steunt u de oproep van de Verenigde Staten (VS) aan de Verenigde Naties (VN) om de zwarte lijst met schepen die Noord-Korea helpen om VN-sancties te ontwijken, uit te breiden? Zo nee, waarom niet? 2
Ook zonder een uitgebreide zwarte lijst met schepen biedt het huidige sanctieregime reeds mogelijkheden om schepen aan te houden, te inspecteren, aan de ketting te leggen, of een verboden lading in beslag te nemen wanneer er een verdenking is dat deze schepen betrokken zijn bij door de relevante resoluties verboden activiteiten, waaronder het transporteren van verboden goederen. Schepen die direct of indirect eigendom zijn of onder gezag staan van personen of entiteiten op de zwarte lijst, dienen door lidstaten uit hun havens te worden geweerd.
Beschikt u straks wel over voldoende kennis en middelen om effectief toezicht te kunnen houden op de naleving van VN-sancties die zijn opgelegd aan Noord-Korea?
Ja. Het 1718-Sanctiecomité wordt in de uitvoering van zijn mandaat bijgestaan door een onafhankelijk Expertpanel bestaande uit acht personen, dat met name alle aanwijzingen van mogelijke sanctieschendingen onderzoekt en indien noodzakelijk aanbevelingen doet voor maatregelen om naleving van de sanctiemaatregelen te verbeteren. Twee keer per jaar brengt het Expertpanel verslag uit aan de Veiligheidsraad van zijn bevindingen.
Bent u bekend met het feit dat Noord-Korea geld binnen haalt voor zijn nucleaire- en raketprogramma door de handel in cryptocurrencies en de digitale diefstal daarvan? Bent u bereid naar de schaal hiervan onderzoek te laten uitvoeren, omdat Noord-Korea zo alsnog op listige wijze de financiering van allerlei wanpraktijken voor elkaar krijgt?3
Ik ben bekend met deze berichten. Uitvoering van een eigenstandig onderzoek door Nederland naar de schaal van de handel in cryptocurrencies door Noord-Korea en digitale diefstal daarvan ligt niet voor de hand. Om hiervan een gedegen beeld te krijgen is goede samenwerking nodig met internationale partners. Nederland draagt waar mogelijk bij aan bestrijding van de financiering van proliferatie van massavernietigingswapens in Noord-Korea, onder andere binnen de VN-Veiligheidsraad en binnen de Financial Action Task Force.
Deelt u de mening dat de sancties tegen Noord-Korea verder opgevoerd dienen te worden als het communistische regime zijn nucleaire wapenarsenaal niet snel opgeeft? Zo nee, waarom niet?
Op 22 december jl. heeft de VN-Veiligheidsraad unaniem resolutie 2379 (2017) aangenomen, waarin de sancties tegen Noord-Korea verder zijn aangescherpt naar aanleiding van de lancering van een ballistische raket op 28 november jl. De VN-Veiligheidsraad geeft daarin onomwonden aan de activiteiten van Noord-Korea nauwgezet te zullen volgen en bereid te zijn de sanctiemaatregelen verder aan te scherpen indien nodig. Zo heeft de VN-Veiligheidsraad besloten over te zullen gaan tot verdere inperking van export van olieleveranties aan Noord-Korea in geval van een nieuwe kernproef of lancering van een intercontinentale raket. Nederland steunt deze aanpak en heeft de resolutie verwelkomd. Nederland is voorstander van het opvoeren van de druk op Noord-Korea, mede door volledige implementatie van bestaande sancties door alle landen, met als doel Noord-Korea naar de onderhandelingstafel te krijgen en tot een diplomatieke oplossing te komen.
Is Nederland aanwezig bij de bijeenkomst in Vancouver op 16 januari 2018, waar meerdere landen een sterk signaal willen afgeven tegen de nucleaire- en rakettesten van Noord-Korea? Zo nee, bent u bereid alsnog te gaan? Indien u niet wilt gaan, waarom steunt u het afgeven van zo’n sterk signaal niet?
Ja, ik zal namens Nederland deelnemen aan de bijeenkomst in Vancouver op 16 januari 2018.
De normalisering van gebruik van lachgas voor recreatieve doeleinden |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel naar aanleiding van het rapport van het Trimbos-instituut?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dat lachgas een vrolijk onschuldig imago heeft onder jongeren en dat het zo makkelijk verkrijgbaar is?
Uit het onderzoek van het Trimbos-instituut en Bonger Instituut dat ik in december aan uw Kamer zond, blijkt dat het gebruik van lachgas zich concentreert onder jongeren en jongvolwassenen.
Voor de meesten is het gebruik tijdelijk en incidenteel van aard en beperkt het zich tot één of enkele ballonnen met lachgas per gelegenheid. Maar er zijn ook personen en groepen die vaak en/of veel lachgas gebruiken. Ook onder de jonge gebruikers. Het risico op ernstige acute incidenten lijkt, op basis van gebruikerservaringen onder uitgaanders, gering aldus de genoemde insituten. Maar een deel van de gebruikers rapporteert wel degelijk negatieve effecten.
Lachgas heeft bij veel jongeren een positief, onschuldig imago. Hoewel uit het onderzoek niet duidelijk wordt of het gebruik een opmaat is voor het gebruik van andere middelen, vind ik het belangrijk dat op een aantal punten actie wordt ondernomen.
Ik heb het Trimbos-instituut gevraagd lachgas als specifiek thema mee te nemen in hun huidige preventie-aanbod aan scholen, ouders en uitgaanders. Dit zal deels via inzet van sociale media verlopen. Ook gaan zij aan de slag om lokale gezondheidsprofessionals en handhavers te informeren en hen handvatten te bieden voor preventie. Daarnaast ben ik in gesprek met verkopers van lachgaspatronen in de detail- en groothandel, om te zien of we tot vrijwillige beperkende maatregelen kunnen komen. Mijn hoop is dat dit de gemakkelijke beschikbaarheid reduceert.
Deelt u de mening dat het van belang is dat jongeren een reëel beeld hebben van lachgas en de risico’s bij gebruik, en dat de normalisering van het gebruik onder jongeren moet worden tegengegaan?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, bent u van plan een voorlichtingscampagne (bijv. via scholen en sociale media) op te zetten om jongeren bewust te maken van de risico’s?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u een algemeen beeld van hoe groot het deel is van de totale verkochte producten die gebruikt worden voor recreatief gebruik?
Nee dit is mij niet bekend.
Vindt u dat detail- en groothandels een eigen verantwoordelijkheid hebben die niet vrijblijvend mag zijn als het gaat om lachgas verkoop ten opzichte van jongeren? Bent u bereid om eventueel meer dwingende maatregelen te nemen als uw aangekondigde gesprek met detail- en groothandels om te komen tot afspraken over vrijwillige beperkende maatregelen, niet tot het gewenste effect leidt? Zo nee, waarom niet?2
Op dit moment ben ik in gesprek met verkopers van lachgaspatronen in de detail- en groothandel, om te zien of we tot vrijwillige beperkende maatregelen kunnen komen. Op basis van de eerste gesprekken die ik daarover heb gevoerd, heb ik er vertrouwen in dat daarmee de gemakkelijke beschikbaarheid, met name voor minderjarigen, kan worden beperkt. Indien dat niet het geval blijkt, zal ik mij beraden op verdergaande maatregelen.
Bent u bereid om de online verkoop van lachgas voor recreatief gebruik tegen te gaan of minder makkelijk te maken, ook gezien het feit dat van online alcoholverkoop bekend is dat er vrijwel niet op de leeftijdsgrens gehandhaafd wordt?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe moeten handhavingsinstanties omgaan met ondernemers in de horeca die lachgas verstrekken voor feestjes en dus oneigenlijk gebruik?
Kleinhandel vanuit een horecalokaliteit is op grond van de Drank- en Horecawet verboden. Handhavers van gemeenten kunnen daar op handhaven. De verkoop van lachgas kan hier ook onder vallen. Uiteindelijk is dat oordeel aan de rechter.
De aangifte tegen het brein achter de moord op Meesters |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel over de klacht van nabestaanden dat geen strafrechtelijk onderzoek is gestart naar de opdrachtgever van de moord op hun vader?1
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van een rechercheur dat de echte wil om Robert D. aan te pakken ontbrak bij het openbaar ministerie (OM) in Groningen? Zal hier onderzoek naar worden gedaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Die uitspraak komt voor rekening van de rechercheur. Zoals mijn voorganger in de door u aangehaalde antwoorden op Kamervragen heeft laten weten zag het OM onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een veroordeling van D. voor de opdracht te komen. Hierover zijn diverse gesprekken met de familie Meesters geweest, ook de afgelopen jaren.
Hoe staat de uitspraak van de voormalig Minister van Veiligheid en Justitie dat het OM onvoldoende concreet en direct bewijs zag voor betrokkenheid van Robert D. in verhouding tot de uitspraken van het toenmalige politieteam dat klip en klaar was dat de opdrachtgever die moest worden gezocht Robert D. was?2
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het OM Robert D. heeft beschuldigd van het geven van een opdracht tot moord, maar hem vervolgens nooit als verdachte heeft aangemerkt? Wat was daar de reden van?
Het OM heeft in het onderzoek uitvoerig gekeken naar de achtergrond en motieven met betrekking tot de moord. In dat kader is ook (een deel van) de organisatie waarbinnen dit feit heeft plaatsgevonden in beeld gekomen. Bij de beoordeling van het dossier is de conclusie van het OM geweest dat de link tussen D. en de moord in onvoldoende mate aanwezig was om D. als verdachte te kunnen aanmerken.
Wat is door de politie en het OM ondernomen naar aanleiding van de opmerking van het hof dat de moord op Gerard Meesters is gepleegd in opdracht van een organisatie die zich richt op het plegen van misdrijven en die daarbij in het kader van een afrekening het plegen van moord op een onschuldig slachtoffer als middel heeft ingezet (...)? Hoe beoordeelt u deze gang van zaken?
Door Politie en OM is in Nederland en in het buitenland intensief onderzoek verricht naar deze criminele organisatie. Politie en OM in Noord-Nederland hebben zich daarbij met name gericht op het opsporen en vervolgen van de betrokkenen bij de moord op Meesters. Daarbij zijn inmiddels twee personen onherroepelijk veroordeeld, waarvan één tot een levenslange gevangenisstraf. Vanzelfsprekend zal het OM nieuwe informatie bestuderen en beoordelen op nieuwe onderzoeksmogelijkheden. Er is het OM alles aan gelegen om de onderste steen boven te krijgen.
De incidentmeldingen over de verloven van criminelen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Verlof blijkt een zwijnenstal»?1
In de berichtgeving wordt geschreven dat onttrekkingen aan de orde van de dag zouden zijn in penitentiaire inrichtingen en tbs-klinieken. Dit beeld is onjuist. Niet elke piketmelding betreft een incident waarbij een gedetineerde of tbs-gestelde betrokken is of waarbij de justitiabele in kwestie iets te verwijten valt. Het kan bij piketmeldingen ook gaan om een ernstige lekkage of brand in een penitentiaire inrichting. Uit cijfers van de Dienst Justitiële Inrichtingen blijkt dat het aantal onttrekkingen tijdens verlof beperkt is ten opzichte van het totaal aantal verloven.
Desondanks begrijp ik dat een dergelijke boodschap vragen oproept bij uw Kamer alsook bij burgers. Het verlofsysteem is erop gericht justitiabelen begeleid en gecontroleerd te laten terugkeren in de maatschappij. Zij kunnen hierdoor oefenen met herkregen vrijheden en werken aan een stabiel bestaan binnen de samenleving. Re-integratie, en daarmee ook verloftoekenning, voorkomt recidive. Ook bij terugkeer staat de veiligheid van de samenleving voorop. Daarom vindt re-integratie gefaseerd en gecontroleerd plaats. Dat is geen eenvoudige opdracht. Het gaat in de regel om personen met weerbarstige problematiek. Vaak verloopt een re-integratietraject succesvol, maar niet altijd. Risico’s worden ingeschat en daar wordt zo verantwoord en adequaat mogelijk mee omgegaan. Het alternatief, zonder een geleidelijke re-integratie terugkeren, is risicovoller voor de veiligheid.
Om hoeveel incidenten rondom verloven gaat het per jaar? Is het waar dat dit aantal de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, wat is uw verklaring hiervoor?
Nee, de afgelopen jaren is geen ongewone toename in het aantal incidenten rondom verloven van gedetineerden en tbs-gestelden zichtbaar. De cijfers fluctueren, maar zijn over de gemeten jaren (2012 t/m 2016) stabiel gebleven.
Cijfers van de Dient Justitiële Inrichtingen laten zien dat op jaarbasis circa 900 tbs-verlofmachtigingen worden afgegeven en circa 40.000 tbs-verlofbewegingen plaatsvinden. In 2016 was 32 keer sprake van een tbs-gestelde die niet op tijd is teruggekeerd naar zijn tbs-kliniek. Van de 32 waren er 31 binnen een week terug.
Naar aanleiding van een ongeoorloofde afwezigheid van een tbs-gestelde of het plegen van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de maatregel ‹‹één jaar geen verlof›› worden opgelegd. Zoals mijn ambtsvoorganger uw Kamer in juli 2017 heeft geïnformeerd2, is deze maatregel in 2016 26 maal toegepast. In 12 van de 26 zaken ging het om een strafbaar feit.
Het aantal ongeoorloofde afwezigheden is afgenomen ten opzichte van 2014 en 2015, maar fluctueert wel. Van 39 in 2014, via 50 in 2015 naar, zoals hierboven reeds vermeld, 32 in 2016. Ten aanzien van de maatregel ‹‹één jaar geen verlof›› kan ik uw Kamer melden dat deze in 2015 25 keer is toegepast, waarvan in 12 zaken sprake was van een strafbaar feit.3
2012
2013
2014
2015
2016
57
35
39
50
32
In het gevangeniswezen wordt het aantal verlofbewegingen niet geregistreerd. Wel is bekend hoe vaak verlof wordt verleend. In 2016 is circa 35.000 keer verlof toegekend aan gedetineerden. Verlof kan in duur variëren en, evenals bij de tbs, meerdere verlofbewegingen omvatten.
In 2016 hebben, zo heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen mij laten weten, 391 onttrekkingen plaatsgevonden. Ten opzichte van voorgaande jaren, waaronder 2012 (450) en 2014 (382), zie ik dat het aantal onttrekkingen stabiel is met uitzondering van 2015, toen het aantal onttrekkingen lager was dan gemiddeld.
2012
2013
2014
2015
2016
450
398
382
338
391
Hoe wordt op dit moment beoordeeld of iemand toe is aan verlof? Bent u bereid deze procedure tegen het licht te houden en in overleg met het personeel te bezien wat hier aan verbeterd kan worden, gelet op de vele incidenten die kennelijk plaatsvinden tijdens de verloven? Zo nee, waarom niet?
Bij de toekenning van verlof aan gedetineerden wordt een inschatting gemaakt van het risico voor de samenleving en zijn omgeving. Ook wordt gekeken naar de einddatum van de detentie, omdat deze mede bepalend is in welke vrijheden aan de betreffende gedetineerde kunnen worden toegekend.
De interne vrijhedencommissie van de penitentiaire inrichting adviseert, gebaseerd op externe adviezen, positief of negatief over het te verlenen verlof. Bij complexe of gevoelige zaken kan een advies worden afgegeven door het OM, reclassering en/of politie. Bij korte straffen oordeelt de vestigingsdirecteur op basis van de advisering over verlof. Bij lange straffen of bij een negatief advies vanuit het OM wordt het besluit genomen door een selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen.
Ten aanzien van de tbs beoordeelt het behandelteam van de kliniek het behandelverloop. Als wordt ingeschat dat iemand toe is aan verlof wordt een verlofaanvraag ingevuld en getoetst door een interne commissie. Bij goedkeuring wordt deze aan het Adviescollege Verloftoetsing tbs (Avt) om advies gestuurd.
Mede op grond van risicotaxatie, waarvoor wetenschappelijke onderbouwde instrumenten worden gebruikt, vellen de onafhankelijke experts van het Avt een oordeel op basis waarvan de Divisie Individuele Zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen, namens mij, een besluit neemt over verlof.
Het Avt is kort na de inwerkingtreding in 2008 geëvalueerd (2010). Onderzocht is hoe de keten van het tbs-verlof functioneert en wat de rol van het Avt daarin is. Uit de evaluatie kwam naar voren dat de beoordeling van verlofaanvragen procedureel, inhoudelijk en logistiek is verbeterd door de invoering van het Avt.
De kwaliteit en effectiviteit van het verlofsysteem voor zowel gedetineerden als tbs-gestelden heeft continu aandacht. Doorlopend wordt gemonitord hoeveel tbs-gestelden met verlof gaan en hoe hun verlof verloopt. Voorvallen worden geëvalueerd, en indien nodig worden protocollen en procedures aangescherpt.
Hoe verklaart u dat een gedetineerde, bij wie de dag ervoor een mobiele telefoon was aangetroffen waar onbekende nummers mee waren gebeld, de volgende dag toch gewoon op verlof kon met als gevolg dat er een vluchtauto klaar stond?
Nadat de mobiele telefoon was aangetroffen in de kamer van de justitiabele, is dit voorval betrokken bij de risicoafweging ten behoeve van verlof door de inrichting. Dit gaf echter geen aanleiding om het verlof niet door te laten gaan. Wel is ervoor gekozen om een extra begeleider in te zetten. Helaas bleek deze maatregel niet voldoende te zijn om onttrekking te voorkomen. De inrichting heeft geëvalueerd wat er precies is gebeurd en heeft hiervan geleerd om zulke situaties voortaan te voorkomen.
Bent u bereid het gehele systeem van verloven in (jeugd)gevangenissen en tbs-klinieken, van beoordeling en verlofverlening tot uitvoering en evaluatie hoe het verlof verlopen is, kritisch tegen het licht te houden en te laten onderzoeken of er verbeterpunten zijn, zodat criminelen veiliger terug kunnen keren in de samenleving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan de Kamer de resultaten van dit onderzoek verwachten?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'The impenetrable program transforming how courts treat DNA evidence' |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «The impenetrable program transforming how courts treat DNA evidence»?1
Ja.
Hoe duidt u het bericht dat bij het onderzoeken van gemixte DNA-monsters in rechtszaken in de Verenigde Staten gebruik gemaakt wordt van «probalistic genotyping» waarvan de algoritmes niet bekend zijn?
Het is belangrijk dat de betrouwbaarheid van forensische onderzoeksmethoden door betrokken partijen getoetst kan worden. Deze toetsing wordt gefaciliteerd als de software vrij toegankelijk is. Daarom is er in Nederland door het NFI gekozen voor probabilistische genotypering door middel van open source software.
In Nederland mag alleen DNA-onderzoek in strafzaken worden verricht in een laboratorium dat daarvoor door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, en dat deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek. Hoewel open source software onafhankelijke toetsing faciliteert, wil dit overigens niet zeggen dat software die niet open source is onvoldoende getoetst kan worden. Voor een geaccrediteerd DNA-laboratorium geldt als eis dat de kwaliteit van de interpretatie van de resultaten voldoende transparant is.
Wordt er in Nederland ook gebruik gemaakt van bedrijven die helpen DNA te analyseren met behulp van «probalistic genotyping» en software zoals TrueAllele als normale laboratoriumtests geen resultaten opleveren omdat er sprake is van een mix van gevonden DNA? Zo ja, zijn de algoritmes waarvan gebruik gemaakt wordt openbaar?
Een groot deel van de forensische sporen bevat celmateriaal van meer dan één persoon waarbij de hoeveelheid bijgedragen celmateriaal van elk individu sterk kan verschillen. Bijdragen van meer personen en bijdragen die minimale hoeveelheden celmateriaal representeren maken mengprofielen complexer waardoor probabilistische genotypering nodig kan zijn voor interpretatie. Daarom wordt ook in Nederland gebruikt gemaakt van probabilistische genotypering. Het NFI maakt bewust gebruik van probabilistische genotypering door middel van open source software die in samenwerking met een Europese partner is ontwikkeld en vrij ter beschikking staat van de forensische praktijk.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om mensen te veroordelen op basis van software dat gebruik maakt van een onbekend algoritme omdat deze programma’s fouten of aannames kunnen bevatten die rechters of advocaten niet kunnen inschatten en verschillende software verschillende uitkomsten kan geven?
Het is belangrijk dat de betrouwbaarheid van forensische onderzoeksmethoden, met inbegrip van de gebruikte software, door betrokken partijen en door de rechter getoetst kan worden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 faciliteert open source software de controle daarvan. De rechter beoordeelt of het voorgelegde onderzoeksrapport en de daarvoor gebruikte algoritmen voldoende deugdelijk zijn om tot een oordeel omtrent de waarheidsvinding te kunnen komen. De rechter kan daarvoor deskundigen oproepen.
Bent u het eens met de uitspraak in het rapport van Obama’s Council of Advisors on Science and Technology dat als het gaat om «probablistic genotype matching» «substantially more evidence is needed to establish foundational validity»?2 Zo nee, waarom niet?
Het President’s Council of Advisors on Science and Technology rapport heeft de methode die gebruikt wordt door het NFI niet opgenomen. Op dit moment is probabilistische genotypering een geaccepteerde onderzoeksmethode die breed in het forensische onderzoek wordt ingezet.
Wat is het wettelijk kader in Nederland om gebruik te maken van «probalistic genotyping» om misdaden op te lossen?
Het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken is het wettelijk kader waarbinnen DNA-onderzoek in strafzaken wordt gedaan. Artikel 9, lid 2 van dit besluit biedt de mogelijkheid om verschillende methoden te gebruiken, mits deze zijn goedgekeurd bij het verlenen van de accreditatie, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2. De berekening van de bewijskracht van de waargenomen overeenkomst van het DNA-profiel van het spoor met het DNA-profiel van de persoon van interesse is bij het NFI onderdeel van een geaccrediteerde verrichting.
Indien er in Nederland gebruik gemaakt wordt van «probalistic genotyping», bent u dan bereid de betrouwbaarheid van dit soort DNA-onderzoek (inclusief de algoritmes) in Nederland verder wetenschappelijk te laten onderzoeken?
Het NFI maakt – als gezegd – bewust gebruik van probabilistische genotypering door middel van open source software die in samenwerking met een Europese partner is ontwikkeld. Hierover is in een tiental peer-reviewed wetenschappelijke tijdschriften uitgebreid en in detail gepubliceerd. De software staat vrij ter beschikking van de forensische praktijk, dus ook van particuliere laboratoria. Forensische onderzoeksmethodes zijn continu in ontwikkeling. Het NFI werkt hiervoor nauw samen met wetenschappelijke instituten in het binnen- en buitenland. Ook op het gebied van probabilistische genotypering vindt doorontwikkeling en toetsing plaats. Ik zie dan ook geen aanleiding om de betrouwbaarheid van de methode nader wetenschappelijk te laten onderzoeken.
Wordt er op andere momenten in de strafrechtketen gebruik gemaakt van algoritmes die invloed hebben op de strafmaat, dan wel de veroordeling van verdachten? Deelt u de mening dat dergelijke algoritmes openbaar moeten zijn?
Het NFI benut allerlei software en apparatuur waarbij gebruik wordt gemaakt van niet door het NFI ontwikkelde algoritmes. De producent daarvan zal dit veelal niet vrijgeven om commerciële redenen. De bij het NFI gebruikte methode of apparatuur wordt wanneer relevant gevalideerd. Dit gebeurt bijvoorbeeld door simpelweg een monster te onderzoeken waarvan de data al bekend zijn, om daarmee de betrouwbaarheid van het resultaat te controleren.
Open source software heeft in beginsel de voorkeur, omdat dat de transparantie en toegankelijkheid voor alle partijen ten goede komt. Voordeel is tevens dat bepaalde software, doordat het open source is, vaak wordt gebruikt, waardoor eventuele omissies snel aan het licht komen en kunnen worden hersteld.
Het bericht 'Rolstoelgebruikers hekelen gebrekkige assistentie op vliegvelden' |
|
Jan Paternotte (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rolstoelgebruikers hekelen gebrekkige assistentie op vliegvelden» en wat is uw reactie hierop?1
Ja. Het is te betreuren dat sommige rolstoelgebruikers problemen ervaren bij de assistentie op vliegvelden. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) concludeert uit eigen controles dat op Schiphol een probleem kan ontstaan als veel mobiliteitsbeperkte passagiers tegelijkertijd arriveren. Ook kan de communicatie tussen de assistent en de passagier moeilijk verlopen bij taalproblemen of vanwege de specifieke beperking. Verder melden passagiers niet altijd tijdig (48 uur van tevoren) aan dat zij assistentie nodig hebben en blijkt dat ook het reisbureau niet altijd goed en tijdig de assistentie aanvraagt voor de passagier. Naar aanleiding van de bevindingen van de ILT heeft Schiphol een verbeterplan opgesteld. Uit inspecties blijkt dat op de luchthavens Rotterdam en Eindhoven de dienstverlening voor mobiliteitsbeperkte passagiers goed is.
Deelt u de ambitie dat alle vormen van transport in Nederland toegankelijk moeten zijn voor mensen met een beperking? Zo ja, kunt u dat toelichten? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (het VN Verdrag) benoemt een duidelijke stip aan de horizon, een inclusieve samenleving waarin iedereen kan meedoen. Het werken aan een inclusieve samenleving zou er toe moeten leiden dat relatief gezien steeds meer mensen met een beperking ook op luchthavens minder aangewezen zijn op assistentie. In het VN Verdrag is een artikel dat Staten oproept passende maatregelen te nemen op het terrein van toegankelijkheid, onder andere op het gebied van vervoer. Wij delen de ambitie dat alle vormen van transport voor mensen met een beperking toegankelijk moeten zijn. Sinds 2004 zijn hiervoor plannen van aanpak en regelgeving ontwikkeld, waarmee dit fasegewijs wordt gerealiseerd.
Het Rijk heeft dit vastgelegd in de Wet gelijke behandeling en middels het koninklijk besluit van 31 maart 2011, houdende regels betreffende de toegankelijkheid van het openbaar vervoer. Voor de luchtvaart is dit vastgelegd in EG Verordening nr. 1107/2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen.
Kunt u bevestigen dat het aantal mensen dat assistentie nodig heeft enorm is toegenomen, zoals Schiphol aangeeft? Zo niet, zijn zij bereid hier verder onderzoek naar te verrichten?
Ik heb van Schiphol vernomen dat het aantal passagiers dat assistentie gevraagd heeft in 2017 ten opzichte van 2016 gestegen is met 15%.
Tevens geeft Schiphol aan dat de verwachting is dat, mede door de vergrijzing van de bevolking, toename van obesitas, complexe verre vluchten en bekendheid van de mogelijkheid van assistentie, het aantal mensen dat assistentie vraagt door beperkte mobiliteit verder toeneemt. Schiphol geeft aan deze trend, de onderzoeken en de technische ontwikkelingen op dit gebied te volgen en te bespreken met andere luchthavens en experts.
Bij welke instantie ligt de verantwoordelijkheid om de juiste bijstand te verlenen aan mensen met een beperking? Hoe houdt de Inspectie Leefomgeving en Transport hier toezicht op?
De verantwoordelijkheid om bijstand te verlenen aan reizigers met een beperking ligt in eerste instantie bij de luchthaven op grond van Europese Verordening 1107/2006. Bij de luchtvaartmaatschappij of het reisbureau waarmee gereisd wordt, kan een reiziger aangeven welke assistentie nodig is. Het reisbureau geeft dit door aan de luchtvaartmaatschappij, en deze aan de betreffende luchthavens.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft in 2017 controles ter plekke op luchthavens gehouden. In sommige gevallen neemt zij naar aanleiding van een klacht contact op met de luchthaven. Ook houdt de ILT toezicht op de wijze waarop luchthavens en vliegmaatschappijen hun opleidingen regelen.
Vindt u ook dat de informatievoorziening richting mensen met een beperking gebrekkig is en simpeler en eenduidiger zou moeten zijn? Zo ja, bent u bereid de betrokken partijen hierbij te assisteren? Zo nee, waarom niet?
De ILT constateert geen gebrekkige informatievoorziening op de luchthavens of bij de luchtvaartmaatschappijen, deze is conform de internationale regelgeving. Luchtvaartmaatschappijen geven de mogelijkheid op hun websites om tijdens of na het boeken van een ticket speciale assistentie aan te vragen. Aanvullend op de informatie van de luchthavens en luchtvaartmaatschappijen zal de ILT via haar website in 2018 ook informatie voor mobiliteitsbeperkte passagiers opnemen waaronder de informatie over de klachtenprocedure.
Hebben gedupeerden die wegens gebrekkige bijstand verlening hun vluchten missen of op andere wijze hinder ondervinden recht op een schadevergoeding?
Personen met een beperking of beperkte mobiliteit die van oordeel zijn dat hun rechten op basis van onderhavige EU verordening 1107/2006 zijn geschonden, dienen deze kwestie aan de luchthaven dan wel aan de desbetreffende luchtvaartmaatschappij voor te leggen. Indien de persoon met een beperking of beperkte mobiliteit langs deze weg geen genoegdoening krijgt, kan deze een klacht indienen bij de ILT.
Wat zijn de regels omtrent het meenemen van (aangepaste) hulpmiddelen aan boord van vliegtuigen?
Passagiers mogen twee mobiliteitshulpmiddelen inclusief elektrische rolstoelen meenemen, mits dit minstens 48 uur van tevoren wordt meegedeeld, het luchtvaartuig hiervoor voldoende ruimte biedt en deze in overeenstemming met de veiligheidsregelgeving en de wetgeving Vervoer Gevaarlijke Stoffen door de lucht veilig vervoerd kunnen worden.
Is het correct dat (aangepaste) hulpmiddelen bij sommige vliegvelden in Nederland wel tot aan het boarden gebruikt mogen worden terwijl andere vliegvelden in Nederland al eisen dat deze bij inchecken ingeleverd worden? Mogen vliegvelden hierin onderscheid maken? Zo ja, is dit wenselijk? Zo nee, welke acties gaat u nemen?
Ja. Dit houdt verband met het soort hulpmiddel, het soort vliegtuig en de laad- en losprocedures van de luchthaven. Sommige rolstoelen of hulpmiddelen zijn heel zwaar [tot 200kg] en/of bevatten gevaarlijke stoffen zoals accu’s of zuurstofflessen. Soms is er tijd nodig om deze hulpmiddelen zo te behandelen dat ze ook veilig vervoerd kunnen worden, waardoor zij soms al bij het inchecken ingeleverd moeten worden. De onderlinge verschillen in soorten hulpmiddelen, vliegtuigen en de bijbehorende laadprocedures maken dat hierop niet een eenduidige actie op te nemen is. De ILT ziet in zijn algemeenheid dat luchtvaartmaatschappijen en luchthavens dit zo goed mogelijk voor de passagiers proberen op te lossen.
Kunt u uitleggen waarom de solidariteit van passagiers, in de vorm van een bijdrage per vliegticket van 60 eurocent, enkel gevraagd wordt bij een vertrekkende passagiers? Hoe wordt het verlenen van bijstand aan mensen met een beperking op andere vliegvelden gefinancierd?
In lijn met de EU Verordening 1107/2006 rekent Schiphol een kosten gerelateerde en transparante heffing door aan elke luchtvaartmaatschappij die opereert op de luchthaven. Schiphol stelt deze zogenaamde PRM-heffing in samenwerking met de luchtvaartmaatschappijen jaarlijks vast. Luchtvaartmaatschappijen worden belast in verhouding tot het totale aantal passagiers dat door elke luchtvaartmaatschappij vanaf Schiphol wordt vervoerd. De heffing moet worden betaald voor alle vertrekkende passagiers, zowel lokaal opstappende passagiers als transfer en transit passagiers. Deze systematiek sluit aan bij de passagiersgelden die Schiphol bij luchtvaartmaatschappijen in rekening brengt. Die gelden ook alleen voor vertrekkende passagiers, zowel lokaal opstappende passagiers als transfer en transit passagiers. Door de PMR-heffing aan te laten sluiten bij het bestaande inningsproces van passagiersgelden scheelt dat naar verwachting inningskosten. Nagenoeg alle luchthavens, waaronder Londen Heathrow, Madrid, München en Brussel heffen de PRM op basis van vertrekkende passagiers.
Bent u bereid om samen met de betrokken partijen te kijken naar internationale best practices omtrent de bijstand aan mensen met een beperking op vliegvelden om ervoor te zorgen dat ook alle Nederlandse vliegvelden volledig toegankelijk zijn?
Grote achterstanden bij het Kifid |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het Kifid heeft best een groot probleem»?1
Ja.
Klopt het, dat de behandeltijd voor klachten over financiële instellingen de afgelopen jaren is opgelopen?
Nee, dat klopt niet geheel. In de evaluatie van het Kifid in 2016 is vastgesteld dat de doorlooptijden juist waren afgenomen de jaren ervoor: «In 2013 werd 31% van de behandelbare zaken binnen 90 dagen afgerond en in 2015 was dit percentage gestegen tot 51%. In dezelfde periode daalde het aantal behandelbare zaken dat tussen de 91 en 180 dagen werd afgerond van 39% naar 23% van de zaken. Belangrijk kantelpunt hiervoor lijkt het moment dat de structuur is gewijzigd en de processen van bemiddeling en geschilbeslechting in de loop van 2014 in elkaar zijn geschoven.»2 Ook bleek bij de evaluatie dat in 2016 in 85% van de zaken binnen de ADR-norm (90 dagen na het compleet hebben van het dossier) werd afgehandeld.3 Overigens bleef het aandeel zaken met een langere looptijd dan 181 dagen stabiel. Daarbij constateerden de onderzoekers «de doorlooptijden zijn (aanzienlijk) korter dan die van een rechtsgang.» Kifid is een laagdrempelig alternatief voor een gang naar de rechter en doet het in dat licht relatief goed. Naar de rechter gaan is voor consumenten duurder en duurt langer.
De dalende trend in doorlooptijden heeft in 2017 helaas niet doorgezet. Het percentage zaken dat binnen de ADR-norm werd afgehandeld is met 3% teruggelopen tot 82%. Deze stijging is volgens Kifid te wijten aan de samenloop van een toename in het aantal complexe klachten (waarvan er minder met een vereenvoudigde procedure konden worden afgedaan) en een verminderde capaciteit.
Het terugdringen van de doorlooptijden heeft voor Kifid hoge prioriteit. Kifid stuurt daarbij actief op de wettelijke ADR-norm van 90 dagen na het compleet hebben van het dossier. In de begroting voor 2018 is hiervoor ruimte. Om dit streven te realiseren zijn bijvoorbeeld meer secretarissen aangenomen om de capaciteit te vergroten. Omdat deze secretarissen nog moeten worden ingewerkt zal het wel enige tijd kosten om de doorlooptijden te verminderen. Ook is onzeker hoe groot de instroom van klachten is, deze heeft uiteraard ook een effect op de doorlooptijden.
Klopt het, dat voor het toewijzen van een secretaris aan een zaak normaal gesproken tien weken de tijd genomen wordt, terwijl het streven is in 95% van de gevallen een dossier binnen veertien dagen aan een secretaris toe te wijzen?2 Klopt het voorts dat deze termijn nu vaak verlengd wordt met nog eens acht weken?
Kifid heeft naast een externe norm (de ADR-richtlijn die voorschrijft dat consumenten binnen 90 dagen nadat het dossier compleet is, een oordeel ontvangen van de Geschillencommissie) ook een aantal interne streefnormen gesteld aangaande de doorlooptijden. Het streven van Kifid is om in 95% van de gevallen een dossier binnen 14 dagen aan een secretaris toe te wijzen. Het lukt Kifid momenteel niet om behandelbare klachten binnen 14 dagen toe te wijzen aan een secretaris. Om te zorgen voor reële verwachtingen van consumenten, communiceert Kifid een realistisch beeld over het aantal weken dat zij nodig schat om een klacht aan een secretaris toe te wijzen. Medio 2017 bedroeg het aantal weken voor toewijzing aan een secretaris ongeveer 6 weken; eind 2017 was dat aantal ongeveer 10 à 12 weken. Omdat Kifid nu extra capaciteit inzet, zullen naar verwachting de doorlooptijden in de loop van dit jaar verbeteren.
In hoeveel procent van de gevallen wordt voldaan aan de interne streefnormen als het gaat om laten weten of een klacht behandelbaar is (zeven dagen), het toewijzen aan een secretaris van een klacht (veertien dagen) en het afhandelen van dossiers (180 dagen)?
Voor 100% van de ingediende klachten geldt dat zodra alle benodigde informatie is aangeleverd, de consument binnen zeven dagen duidelijkheid heeft van Kifid of de klacht wel of niet in behandeling wordt genomen. Uit de evaluatie werd duidelijk dat in de jaren 2013 tot en met 2016 gold dat de consument gemiddeld in minder dan drie dagen duidelijk had over het al dan niet in behandeling nemen van de klacht. De interne streefnorm om in 95% van de gevallen de consument binnen zeven dagen te laten weten of hun klacht behandelbaar is wordt hiermee ruimschoots gehaald.
De interne streefnorm om 95% van de behandelbare klachten binnen veertien dagen toe te wijzen aan een secretaris wordt op dit moment niet gehaald. Momenteel wordt 17% (1 op de 6) van de behandelbare klachten binnen veertien dagen toegewezen aan een secretaris.
Met betrekking tot de interne streefnorm om 95% van de behandelbare klachten binnen 180 dagen af te ronden geldt dat in 2017 42% binnen 180 dagen werd afgerond; 79% werd binnen 360 dagen afgerond. In bepaalde gevallen wordt de behandeling van klachten door Kifid tijdelijk aangehouden. Dit is bijvoorbeeld het geval inzake de klachten over beleggingsverzekeringen, waar men in afwachting is van een uitspraak van de Commissie van Beroep over een rechtsvraag die ook in andere zaken relevant kan zijn. Daardoor stijgt de gemiddelde duur van klachtbehandeling aanzienlijk. De consument en financiële dienstverleners worden hierover door Kifid geïnformeerd. Deze stijging zal het komende jaar vermoedelijk nog doorwerken in de gemiddelde doorlooptijden met betrekking tot de interne streefnormen. Voor de aanpak van deze problematiek door Kifid wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2.
Wat is het verzuimpercentage bij het Kifid over de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar jaar?
Kifid heeft aangegeven wat de verzuimpercentages bij Kifid over de afgelopen vijf jaar zijn.
2013
2014
2015
2016
2017
6,4%
3,9%
5,8%
3,4%
4,2%
Klopt het, dat het verloop onder secretarissen bij het Kifid hoog is, zoals aangegeven in mails aan consumenten?3 Wat is hiervoor de verklaring?
Het verloop onder secretarissen bedroeg in 2015 20%, in 2016 10% en in 2017 15%. Er zijn nieuwe secretarissen aangenomen, maar die hebben niet direct de ervaring in klachtbehandeling waar de vertrekkende collega’s over beschikten, waardoor onvermijdelijk een zeker productiviteitsverlies optreedt. Dit is de belangrijkste reden waarom de klachtverwerkingscapaciteit achterliep bij de ontwikkeling van het aantal binnenkomende klachten.
Vindt u 180 dagen teneinde een dossier compleet af te handelen niet onnodig lang? Kunt u aangeven hoe tot deze norm gekomen is?
In de tijd dat Kifid nog werkte met een Ombudsman en een Geschillencommissie, bedroeg de gemiddelde tijd voor klachtafhandeling bij de Ombudsman 180 dagen en bij de Geschillencommissie 360 dagen. Klachten die bij de Ombudsman niet werden opgelost en vervolgens werden voorgelegd aan de Geschillencommissie (in feite een tweede behandeling), kostten gemiddeld genomen dan ook 540 dagen. Door de fase van de Ombudsman en de Geschillencommissie ineen te schuiven, kon tijdwinst worden geboekt in de klachtafhandeling, en dan met name bij de klachten met een gemiddelde behandelduur van 540 dagen.
In 2015 was de verwachting van Kifid dat met de nieuwe werkwijze klachten, waarvan snel duidelijk was dat zij ongegrond waren, vaker vereenvoudigd zouden worden afgedaan. Vereenvoudigd afdoen betekent dat in die klachtzaken direct na verweer van de financiële dienstverlener uitspraak wordt gedaan en geen hoorzitting wordt gehouden. Ook was de verwachting dat met de introductie van de nieuwe visie op klachtbehandeling, waarbij Kifid consumenten beter begeleid in het klachtenproces, in 2016 meer klachten via bemiddeling zouden worden opgelost. Eén en ander heeft destijds geleid tot de interne streefnorm dat 95% van de behandelbare klachten binnen 180 dagen zou worden afgerond.
De praktijk wijst volgens Kifid uit dat consumenten zich meer en beter gehoord voelen, wanneer de klacht in een hoorzitting wordt behandeld. Ongeacht of de uitkomst voor de consument positief of en negatief is. In de reguliere klachtbehandeling vindt nog een nadere stukkenwisseling plaats en dikwijls een hoorzitting. Deze reguliere klachtbehandeling door de Geschillencommissie vergt gemiddeld meer dan 180 dagen. Omdat de reguliere klachtbehandeling nu in meer zaken wordt toegepast, wordt het lastiger de interne streefnorm te realiseren.
De behandeltermijn van een klacht kan sterk verschillen. De behandeltermijn hangt onder meer af van de complexiteit van de klacht. Kifid geeft aan dat het afgelopen jaar verhoudingsgewijs meer complexe klachten zijn binnengekomen. Tenslotte is Kifid afhankelijk van de snelheid waarmee financiële dienstverleners en consumenten informatie aanleveren (om dossiers compleet te krijgen).
Voor consumenten is naast de totale doorlooptijd vooral van belang dat zij weten waar zij aan toe zijn. Kifid streeft er daarom naar consumenten over de stand van zaken van de klacht goed te informeren. Ik vind het een goede zaak dat dit de aandacht van Kifid heeft.
Op welke manier wordt er gezorgd dat de behandeltijd snel wordt verkort? Welke verantwoordelijkheid heeft u daarbij als Minister?
Kifid is een onafhankelijke stichting die een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de organisatie en voor het personeelsbeleid. Het klachteninstituut, waarvan het overgrote deel van de kosten bestaat uit personele kosten, wordt gefinancierd door de aangesloten financiële dienstverleners. In de begroting voor 2018 is, zoals hierboven toegelicht, een ruimer budget voor personeel opgenomen. Ik heb aan deze begroting mijn goedkeuring verleend.
Vermindering van de doorlooptijden heeft prioriteit bij Kifid. Kifid heeft verschillende maatregelen genomen om de achterstanden weg te werken. Zo is, zoals hierboven toegelicht, de personele capaciteit aanzienlijk uitgebreid. Daarnaast wordt het klachtproces opnieuw bezien op efficiencymogelijkheden, zoals verdere digitalisering van processen. Dit jaar wordt het ook voor financiële dienstverleners mogelijk om de voorgang van de klachtbehandeling digitaal te volgen. Consumenten kunnen dit sinds 2015. Dit was ook een van de verbeterpunten naar aanleiding van de evaluatie. Ik vind het van belang om de effectiviteit van deze maatregelen nauwgezet te volgen. Eerder is aan de Kamer toegezegd begin 2018 te rapporteren over de voortgang op de punten waar Kifid naar aanleiding van de evaluatie mee aan de slag is gegaan.6 Het lijkt mij raadzaam om rapportage van de ontwikkeling van de doorlooptijden hiermee te combineren, omdat dan de verschillende aandachtpunten in samenhang kunnen worden bezien. Ik zal de Kamer dan ook rond de zomer rapporteren over de ontwikkelingen bij Kifid.
Klopt het, dat indieners van een klacht telefonisch worden benaderd teneinde de vertraging mede te delen? Klopt het dat er geen schriftelijke bevestiging volgt?
In het kader van het algemene streven naar verdere verbetering van de procedurele rechtvaardigheid, hecht Kifid hecht er veel waarde aan om consumenten op de hoogte te houden over de stand van zaken van hun klacht. Dit houdt in dat Kifid in het geval van – onbedoelde – vertraging, consumenten hierover informeert. In dit kader heeft Kifid bijvoorbeeld consumenten die langer dan gebruikelijk moeten wachten op de toewijzing van hun klacht aan een secretaris gebeld. Daarbij zijn geen schriftelijke bevestigingen verstuurd. Consumenten die Kifid niet telefonisch heeft weten te bereiken hebben een e-mail met eenzelfde boodschap ontvangen. Consumenten reageren overwegend positief over het feit dat Kifid hen hierover actief informeert.
Het bericht ‘Merendeel gemeenten mailt onveilig’ |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Merendeel gemeente mailt onveilig»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat het risicovol is dat veel gemeenten nog geen gebruik maken van de standaarden voor veilig e-mailverkeer? Zo nee, waarom niet?
Het Nationaal Beraad Digitale Overheid, waarin ook gemeenten zijn vertegenwoordigd, heeft het streefbeeld afgesproken om een aantal informatieveiligheidsstandaarden eind 2017 overal waar van toepassing te hebben geïmplementeerd. Het gaat specifiek om SPF, DKIM en DMARC (ter preventie van e-mailphishing en -spoofing), DNSSEC (domeinnaambeveiliging) en HTTPS/TLS (veilige websiteverbindingen). Het deel van de overheidsorganisaties dat de standaarden nog niet heeft geïmplementeerd loopt een hoger risico dan de organisaties die de standaarden wel gebruiken.
Wat zijn volgens u de oorzaken van het feit dat veel gemeenten nog niet volledig gebruik maken van de standaarden voor veilig e-mailverkeer?
Gemeenten werken zonder uitzondering aan hun informatiebeveiliging. Onderdeel daarvan is de implementatie van de informatieveiligheidsstandaarden op de pas-toe-of-leg-uit-lijst van het Forum Standaardisatie. De informatiebeveiligingsdienst voor gemeenten (IBD), een initiatief van alle Nederlandse gemeenten, promoot de standaarden actief. Daarnaast maken de standaarden deel uit van de gemeentelijke model inkoopvoorwaarden (GIBIT) en de gemeentelijke model architectuur (GEMMA).
Het is goed om te beseffen dat informatiebeveiliging meer is dan het implementeren van een aantal technische standaarden. De beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van gegevens en systemen hangt van techniek af, maar voor een groot deel gaat het ook om veilige (werk)processen, doorlopend werken aan bewustwording onder medewerkers en een veilige inrichting van de organisatie.
Gemeenten geven onder hun eigen integrale verantwoordelijkheid invulling aan informatiebeveiliging langs de normen van de Baseline Informatiebeveiliging Gemeenten (BIG). Daarin worden zij ondersteund door de IBD. De visitatiecommissie Informatieveiligheid heeft in de afgelopen tijd een ronde gemaakt langs Nederlandse gemeenten – dit toont dat gemeenten op zowel operationeel als bestuurlijk niveau, individueel en gezamenlijk werk maken van informatiebeveiliging. Niet alle gemeenten nemen echter dezelfde maatregelen in hetzelfde tempo en dezelfde volgorde.
Zijn u gegevens bekend over hoe andere decentrale overheden en zelfstandige bestuursorganen de standaarden voor veilig e-mailverkeer toepassen? Zo ja, hoe is het algemene beeld van het gebruik van standaarden voor veilig e-mailverkeer bij deze medeoverheden?
Forum Standaardisatie meet ieder halfjaar de toepassing van de informatieveiligheidsstandaarden, die onderdeel zijn van de streefbeeldafspraak van het Nationaal Beraad, bij overheidsorganisaties. Gemeenten doen het in deze metingen relatief goed ten opzichte van de medeoverheden als geheel. Gemeenten hebben een flinke inhaalslag gemaakt, en presteren ten opzichte van andere overheden gemiddeld het best.2 In februari 2018 wordt de meting van het Forum Standaardisatie over geheel 2017 verwacht.
De metingen worden uitgevoerd met behulp van de testtool Internet.nl die ontwikkeld is door het Platform Internetstandaarden, waarin private en publieke organisaties in Nederland samenwerken. Iedere gemeente kan deze tool ook zelf gebruiken om te controleren of zij de informatieveiligheidsstandaarden toepast en om kennis op te doen over hoe deze standaarden kunnen worden geïmplementeerd.
Hoe beoordeelt u de unanieme wens van de respondenten voor een landelijke generieke voorziening, zoals deze uit het onderzoek naar voren komt? Wat zijn de voor- en nadelen van een landelijke generieke voorziening?
Ik onderschrijf het belang van en herken de behoefte aan een mogelijkheid voor de overheid tot veilige communicatie via e-mail. E-mail is een populair doelwit voor aanvallers, die daarnaast voortdurend op zoek zijn naar nieuwe middelen om een aanval mee op te zetten.3 Om aan deze veranderende dreiging het hoofd te kunnen bieden, worden diverse acties ondernomen.
Om de veiligheid van e-mail in den brede te vergroten is in februari 2017 de Veilige E-mail Coalitie opgericht met steun van het Ministerie van EZK en het Forum Standaardisatie. De aangesloten bedrijven, brancheorganisaties en overheden hebben met een ondertekende intentieverklaring afgesproken aan de slag te gaan met het invoeren van standaarden voor het beveiligen van e-mailverkeer en daarbij samen te werken. Op die manier kan zowel phishing als het afluisteren van e-mail worden tegengegaan.4
Het NCSC heeft factsheets uitgebracht om organisaties te helpen bij het juiste gebruik van de standaarden.
Voor veilige communicatie tussen overheid en burgers bestaat een landelijke voorziening in de vorm van de berichtenbox van MijnOverheid. Deze is geïnitieerd met als doel een veilig communicatiekanaal te creëren waarin berichten gegarandeerd en tijdig worden afgeleverd en geen onduidelijkheid ontstaat over de daadwerkelijke afzender of de authenticiteit van overheidsberichten en waarin niemand mee kan kijken. Deze voorziening wordt zowel door burgers als overheidsdienstverleners – ook gemeenten – steeds meer gebruikt.
Naast deze acties zijn er geen plannen om te komen tot een ICT-project voor generieke e-mail bij de overheid.
Bent u bereid om in samenspraak met de medeoverheden te bekijken of er een landelijke generieke voorziening kan komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De detectieproblematiek op de trajecten tussen Gouda en Alphen aan den Rijn en Oldenzaal en de Duitse grens |
|
Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitkomst van de gesprekken tussen ProRail, NS/Abellio en de provincie Zuid-Holland om de detectieproblematiek, die de frequentieverhoging op de spoorlijn Gouda-Alphen aan den Rijn belemmerde, op te lossen, zoals u ook aangegeven heeft in de beantwoording van Kamervragen?1
Ja.
Klopt het dat de partijen overeen zijn gekomen een commissie in te stellen die een bindend advies zou afgeven? Klopt het dat deze commissie in haar advies uitsprak dat ProRail verantwoordelijk is voor voldoening van de kosten van de detectieapparatuur?
Ja, dat klopt. Op het baanvak Gouda-Alphen aan den Rijn zijn aanvullende maatregelen in de hoofdspoorweginfrastructuur genomen om de detectie van het nieuwe materieel met name in de herfst te kunnen garanderen. ProRail, NS/Abellio en de provincie Zuid-Holland konden geen overeenstemming bereiken over de kostentoedeling van deze aanvullende detectiemaatregelen. Daarom is een commissie ingesteld met het verzoek om over de kostentoedeling een bindend advies af te geven.2 De specifiek voor de kostentoedeling van dit baanvak ingestelde commissie heeft bepaald dat de ontwerp en realisatiekosten van de aanvullende infrastructurele detectiemaatregelen op het baanvak Gouda-Alphen aan den Rijn door ProRail dienen te worden gedragen.
Onderschrijft u de beargumentering van deze uitspraak, omdat ProRail als spoorbeheerder de verantwoordelijkheid heeft om zorg te dragen voor de betrouwbaarheid, beschikbaarheid en veiligheid van infrastructuur? Zo nee, waarom niet?
ProRail is verantwoordelijk voor de betrouwbaarheid, beschikbaarheid en veiligheid van de hoofdspoorweginfrastructuur. Hiervoor stelt mijn ministerie middelen beschikbaar aan ProRail. Indien een vervoerder besluit op een andere wijze of met ander materieel gebruik te maken van de infrastructuur, betekent dat niet dat ProRail te allen tijde de bijbehorende kosten voor eventuele infrastructurele aanpassingen moet dragen. In de casus Gouda-Alphen aan den Rijn is een bindend advies afgegeven over de kostentoedeling van de op dat baanvak genomen aanvullende infrastructurele detectiemaatregelen. De commissie heeft zich in het bindend advies voornamelijk uitgelaten over het proces dat is doorlopen. De redenering van de commissie in deze kan ik volgen. De commissie is niet ingegaan op de principiële vraag of de beheerder in algemene zin verplicht is voor eigen rekening de infrastructuur aan te passen indien materieel dat minder goede detectie-eigenschappen heeft, op de infrastructuur wordt ingezet. Ik hecht er daarom aan te benadrukken dat er niet automatisch conclusies getrokken kunnen worden voor de wijze van financiering van eventuele infrastructurele detectiemaatregelen op andere trajecten.
Bent u bekend met het bericht dat vanaf 14 januari de nieuwe regionale trein RB61 van Hengelo naar Bielefeld gaat rijden?2
Ja.
Klopt het dat op het traject tussen Oldenzaal en de Duitse grens ook maatregelen nodig zijn om de detectie van het nieuwe treinmaterieel te garanderen? Klopt het dat ProRail zich op het standpunt stelt dat de provincie Overijssel de kosten van de aanvullende detectiemaatregelen moet betalen?
Op 15 december jl. is de vergunning voor indienststelling verleend voor het FLIRT3-materieel dat zal worden ingezet voor de treindienst Hengelo-Bielefeld. Ook met dit materieel zijn detectieproblemen voorzien. Aan de vergunning is daarom de voorwaarde verbonden dat de vervoerder zijn verantwoordelijkheid dient te nemen om – met name in de herfstperiode – de detectiekwaliteit te garanderen. Op het baanvakgedeelte tussen Oldenzaal en de Duitse grens moeten de benodigde aanvullende (technische) maatregelen nog worden vastgesteld. Als blijkt dat maatregelen aan de hoofdspoorweginfrastructuur nodig zijn, is het voor ProRail op grond van de beheerconcessie noodzakelijk dat daarvoor financiële dekking is. Met betrekking tot de treindienst Hengelo-Bielefeld heeft mijn ministerie reeds in 2014, bij de toezegging van de eenmalige Rijksbijdrage van € 9,33 miljoen als gedeeltelijke dekking van het exploitatietekort voor de gehele 15-jarige concessieperiode, met de provincie Overijssel afgesproken dat eventuele infrastructurele aanpassingen voor rekening van de provincie komen. Ik zie geen aanleiding daarvan af te wijken.
Kunt u toelichten of u het standpunt van ProRail juist vindt, zeker in het licht van de uitspraak van de onafhankelijke commissie in geval van de spoorlijn Gouda-Alphen aan den Rijn?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met andere spoorlijnen in Nederland waar deze detectieproblematiek speelt? Welke gevolgen heeft de uitspraak van de genoemde commissie voor de problematiek op deze spoorlijnen?
Op dit moment speelt de detectieproblematiek alleen op de genoemde trajecten Gouda-Alphen aan den Rijn en Oldenzaal-Duitse grens. Als gezegd heeft het bindend advies niet automatisch gevolgen voor de wijze van financiering van eventuele aanvullende infrastructurele detectiemaatregelen op andere trajecten.
Contourenlijnen in het aardbevingsgebied |
|
Henk Nijboer (PvdA), Sandra Beckerman |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat aardbevingen zich niet aan bestuurlijke contouren houden?
Voorop staat dat NAM als mijnbouwonderneming aansprakelijk is voor schade als die het gevolg is van gaswinning uit het Groningenveld, ongeacht de locatie. Op dit moment vindt intensief overleg plaats tussen alle betrokken partijen over een nieuw schadeprotocol, waarin NAM geen rol meer speelt in de beoordeling van schademeldingen. Dit heeft de hoogste prioriteit van mijzelf en de regionale bestuurders. Op de praktische inrichting van dit protocol kan ik nu echter niet vooruitlopen.
Deelt u de mening dat daarom de contouren geen enkele rol meer zouden moeten spelen in de beoordeling en afhandeling van schade en versterking van woningen?
Zie antwoord vraag 1.
Weet u dat ten aanzien van het versterken van woningen buiten het zogenaamde contourengebied andere bouwnormen worden gehanteerd?
Het doel van de versterkingsoperatie is te verzekeren dat inwoners van het aardbevingsgebied net zo veilig zijn als die in de rest van Nederland. Juist daarom gelden in dit gebied – aanvullend op de algemene bouwregelgeving – de eisen van de Nationale Praktijkrichtlijn.
Deelt u de mening dat als mensen zelfs na een rechtszaak in het gelijk worden gesteld, het onbestaanbaar is dat nu weer de contourenlijn ter tafel wordt gebracht waardoor bewoners op achterstand worden gesteld?
Uw vraag lijkt te verwijzen naar een individueel geval dat onder de rechter is, of is geweest, waar ik als Minister niet op in kan gaan. Voor het overige verwijs ik naar de antwoorden op de voorgaande vragen.
Bent u bereid om los van de contourenlijnen de norm van de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) voor veilige gebouwen te hanteren als er schade is aan woningen en gebouwen en er versterkt moet worden, ook als deze norm niet is opgenomen in het Bouwbesluit? Zo nee, waarom niet?
De NPR is specifiek gericht op nieuwbouw of versterking van gebouwen in verband met het risico op aardbevingen. Buiten het gebied waar de NPR wordt toegepast, zijn de effecten van een beving als gevolg van gaswinning dusdanig klein dat toepassing van de NPR bovenop de algemeen geldende bouwnormen geen toegevoegde waarde heeft.
Het bericht ‘Niemand vertelt ons wat’ |
|
Martijn van Helvert (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Halbe Zijlstra (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Niemand vertelt ons wat»?1
Op verzoek van de nabestaanden verleent het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire bijstand bij overlijden van een Nederlander in het buitenland. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag onderhoudt contact met een contactpersoon van de overledene in Nederland. Indien er nabestaanden verblijven in het land van overlijden onderhoudt de Nederlandse ambassade contact met de nabestaande(n) ter plaatse. De ambassade houdt daarnaast contact met de lokale autoriteiten.
Bij bijstand na overlijden gaat het in de regel om het ondersteunen bij de repatriëring van het stoffelijk overschot naar Nederland, het opvragen van overlijdensaktes of politie- en autopsierapporten. Indien een overlijden aanleiding geeft tot een lokaal politieonderzoek kan het ministerie op verzoek van de nabestaanden de voortgang van het onderzoek volgen en waar nodig de lokale autoriteiten, die verantwoordelijk zijn voor het onderzoek, vragen om een voortvarende behandeling. Nederland kan zich niet mengen in een politieonderzoek door buitenlandse autoriteiten naar een zaak die zich in het buitenland heeft afgespeeld.
Slachtofferhulp Nederland kan slachtoffers van een misdrijf of een ongeval na terugkeer in Nederland emotionele en praktische steun bieden en ook beperkte juridische bijstand. Indien nabestaanden dit wensen, brengt het ministerie hen in contact met Slachtofferhulp.
De dood van Ivana Smit in Kuala Lumpur is dramatisch. Ik hoop dat er snel helderheid komt voor de nabestaanden over wat er is gebeurd. De Maleisische autoriteiten onderzoeken de toedracht. Ook het Nederlands Openbaar Ministerie beziet of feiten en omstandigheden aanleiding geven tot het starten van een strafrechtelijk onderzoek.
De nabestaanden van Ivana Smit hebben consulaire bijstand ontvangen langs bovenstaande lijnen. De Nederlandse ambassade in Kuala Lumpur heeft na 7 december jl. al het mogelijke gedaan om de nabestaanden bij te staan en te bemiddelen tussen hen en de Maleisische autoriteiten. De vragen en zorgen van de nabestaanden zijn door de ambassade aan de Maleisische autoriteiten overgebracht en er is daarbij aangedrongen op een zorgvuldig en voortvarend onderzoek. Verdere details deelt het ministerie steeds met de nabestaanden. Deze hebben via hun contactpersoon aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in lijn met wat de advocaat van de familie in de media heeft gemeld, laten weten tevreden te zijn met de consulaire bijstand die het ministerie heeft gegeven na het overlijden en bij de overbrenging van het lichaam van Ivana Smit naar Nederland.
Kunt u aangeven hoe de nabestaanden begeleid en ondersteund worden door de Nederlandse regering?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe draagt de Nederlandse regering bij aan de ondersteuning van het politieonderzoek in Maleisië?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is er geen contactpersoon voor nabestaanden van slachtoffers van misdrijven in het buitenland?
Zie antwoord vraag 1.
Ziet u verdere ruimte voor verbetering wat betreft de ondersteuning van nabestaanden van slachtoffers van misdrijven in het buitenland?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht ‘Jeugdhulp is online bedreiging beu’ |
|
René Peters (CDA), Rens Raemakers (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jeugdhulp is online bedreiging beu»? 1
Ja.
Kunt u aangeven hoe breed het probleem van verbale intimidatie en valse beschuldigingen op sociale media over medewerkers in de jeugdzorg speelt?
Elke keer dat een medewerker in de zorg of in de jeugdhulp te maken krijgen met intimidatie, bedreiging of een valse beschuldiging, is er een te veel. Het is buitengewoon zorgelijk dat deze problematiek op sociale media toegenomen is in de afgelopen jaren. Daarover zijn geen harde cijfers beschikbaar, maar dit blijkt bijvoorbeeld wel uit de toename van het aantal meldingen hierover bij het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming. Ook uit cijfers (afkomstig van en gepubliceerd door het FCB, het arbeidsmarktfonds voor de branches sociaal werk, jeugdzorg en kinderopvang) over door werknemers ervaren agressie in de jeugdzorg blijkt een toename van de agressie en bedreigingen in de jeugdhulp.
Kunt u toelichten in hoeverre medewerkers in de jeugdzorg bij de verwerking van de impact van verbale intimidatie en valse beschuldigingen worden ondersteund?
Het kabinet heeft – samen met veldpartijen – de afgelopen jaren verschillende initiatieven genomen om agressie en geweld in de zorg, jeugdhulp en jeugdbescherming, terug te dringen. Op 22 maart 2012 is het Actieplan Veilig Werken in de Zorg (2012–2016) naar uw Kamer gestuurd. Dit actieplan liep tot eind 2016. De website www.duidelijkoveragressie.nl is een onderdeel van een bewustwordingscampagne over agressie tegen medewerkers in de zorg en jeugdzorg. De website biedt werkgevers en werknemers in de zorg en jeugdzorg praktische informatie over het thema agressie en geweld, zoals hulpmiddelen bij de aanpak van agressie en geweld, praktijkvoorbeelden, juridische informatie over opvolging van incidenten en scholingsmogelijkheden. De site blijft – ook nu het actieplan is afgelopen – tot eind 2019 beschikbaar.
Verder heeft het Ministerie van BZK van 2007 tot en met 2016 het programma Veilige Publieke Taak (VPT) gecoördineerd. Doel van het programma was om instrumenten te ontwikkelen om werkgevers te ondersteunen om medewerkers een veilige werkomgeving te bieden. De werkgever is immers primair verantwoordelijk voor het creëren van een veilige werkplek voor de werknemers. Een voorbeeld is de handreiking Agressie en Geweld, waarin onderstaande acht maatregelen worden opgesomd die werkgevers kunnen treffen om hun anti-agressiebeleid vorm te geven:
De Minister van BZK heeft op 19 december 2017 uw Kamer geïnformeerd over de uitkomst van de evaluatie van dit programma en hierbij aangegeven met welke activiteiten de werkgevers in het openbaar bestuur ondersteund zullen blijven2 Het gaat achtereenvolgens om het in stand houden en onderhouden van het netwerk van regionale VPT-coordinatoren, het (digitaal) beschikbaar houden van kennis en instrumentarium dat is ontwikkeld door het VPT-programma en het faciliteren van verdere kennisontwikkeling en -uitwisseling en tot slot het verbreden van het onderwerp van uitsluitend «agressie en geweld» naar «Integer en Veilig werken».
Jeugdzorg Nederland heeft aangegeven met FCB (het arbeidsmarktfonds voor sociaal werk, jeugdzorg en kinderopvang) bezig te zijn met de aanpak van bedreigingen op sociale media van medewerkers, zodat zij medewerkers op dat punt een handreiking kunnen geven. Hiervoor is een richtlijn in ontwikkeling.
Om geweld en agressie tegen professionals met een publieke taak effectief aan te pakken geven de politie en het OM de daderaanpak vorm door de zogenaamde «Eenduidige Landelijke Afspraken» (ELA). Dit repressieve deel vormt het sluitstuk van de aanpak. Deze afspraken hebben als doel om op eenduidige, effectieve en snelle wijze daders aan te pakken. Dit betreft onder andere: prioritaire afhandeling van de aangifte, eenduidige registratie, werkgeversaangifte, domiciliekeuze, schadeverhalen op de dader en een verhoogde strafeis (+200%).
Op basis van deze en eerdere signalen treden het Ministerie van VWS en het Ministerie van JenV in overleg met de werkgeversbonden in het jeugddomein, politie en Openbaar Ministerie over de vraag hoe deze problematiek aangepakt kan worden. Daarbij is een belangrijke verantwoordelijkheid voor de werkgevers weggelegd. Doel is om gezamenlijk te komen tot een effectieve aanpak van agressie en geweld in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Hiervoor is het nodig te inventariseren wat werkgevers al ondernemen om hun werknemers tegen agressie en geweld te beschermen, met name of de genoemde maatregelen inderdaad worden toegepast en te bespreken welke acties aanvullend nodig zijn.
Vóór de zomer van 2018 zullen wij u informeren over de resultaten van dit overleg.
Herkent u het beeld dat het vaak lang duurt voordat valse beschuldigingen op sociale media worden verwijderd? Zo ja, wat kunt u daar binnen de bestaande wetgeving aan doen?
Als het gaat om hulpverleners die via sociale media vals beschuldigd worden, ligt er een belangrijke verantwoordelijkheid bij internetbedrijven zoals Facebook en Twitter om laagdrempelig en doeltreffend te faciliteren dat laster en smaad aangekaart kan worden en dat de betreffende uitingen worden verwijderd. In het hierboven bedoelde overleg met de werkgeversbonden in het jeugddomein, zal ik daarom ook spreken over het benaderen van de internetbedrijven Facebook en Twitter.
Kunt u aangeven welke invloed deze verbale intimidatie en valse beschuldigingen hebben op de werkdruk in deze sector, en in hoeverre het mensen verhindert om al dan niet actief te worden en te blijven in de jeugdzorg?
Het moet aantrekkelijk zijn en blijven voor jeugdhulpprofessionals om in de jeugdhulp te gaan werken. Hierbij past ook het bieden van een veilige werkomgeving en een adequate aanpak door werkgevers, als zij te maken krijgen met heftige gebeurtenissen als verbale intimidatie en valse beschuldigingen. De vraag in hoeverre factoren als agressie en geweld tegen jeugdhulpprofessionals van invloed zijn op de in- en uitstroom van jeugdhulpprofessionals, wordt betrokken bij een onderzoek dat mijn ambtsgenoot van JenV en ik laten uitvoeren. Door middel van een verkennend arbeidsmarktonderzoek zal inzicht worden verkregen in de knelpunten op de arbeidsmarkt voor jeugdhulpprofessionals en de oplossingen die mogelijk zijn.
Kunt u toelichten op welke wijze u deze problematiek wilt aanpakken? Bent u hierbij bereid om in overleg te treden met de betrokken partijen, zoals de sociale media bedrijven, jeugdzorgmedewerkers en cliëntenorganisaties?
Graag verwijs ik u hiervoor naar de antwoorden op vraag 3 en 4.
Het bericht dat de AIVD en het kabinet burgers misleiden |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) ook nu al via de kabel mag aftappen, zolang dit gericht is? Zo nee, zou de AIVD dit mogen onder het huidige artikel 25 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten?1
De AIVD mag in overeenstemming met artikel 25 van de Wiv 2002 de communicatie van geïdentificeerde personen of organisaties onderscheppen, ook als deze via de kabel verloopt.
Hoe verklaart u in dit licht deze informatie op de website van de AIVD: «Kabels waar wij nu niet bij mogen, ook niet als kwaadwillenden daar informatie met elkaar delen. [...] Met de nieuwe Wiv kan de AIVD deze communicatie ook op de kabel onderzoeken.»
Teneinde onder meer de ongekende dreiging tijdig te kunnen onderkennen, geeft de Wiv 2017 de AIVD de bevoegdheid communicatie op de kabel te onderscheppen als daar grond voor is, zonder al een specifiek persoon of specifieke organisatie te hebben kunnen identificeren. Een voorbeeld is de communicatie van een specifiek deel van Syrië met Nederland.
Bent u bereid om de AIVD te vragen om deze informatie aan te passen?
Ik acht de tekst op de website in overeenstemming met de werkelijkheid. Omdat uit uw vraag blijkt dat delen van de passage voor meerdere interpretaties mogelijk zijn, is de tekst verder verduidelijkt.
Het bericht dat raadsleden zich buitenspel voelen gezet |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgwekkend is dat eenderde van de raadsleden niet weet in welke samenwerkingsverbanden hun gemeente zit?1
De uitkomsten van de enquête zijn herkenbaar. Er bestaan veel zorgen over de invloed van raadsleden op intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. De enquête van Raadslid.nu bevestigt dit. Niet voor niets is in het Regeerakkoord opgenomen dat de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) wordt aangepast om «de politieke verantwoording over gemeentelijke samenwerking te verbeteren. Besluitvorming in een gemeenschappelijke regeling moet transparant zijn en betrokken gemeenteraden moeten hun controlerende rol beter kunnen uitvoeren en zo nodig kunnen ingrijpen».
Dat betekent overigens niet dat wetswijziging het enige is dat nodig is. Het gaat ook om kennis en toerusting, zoals ook blijkt uit het advies Wisselwerking van de Raad voor het openbaar bestuur waarin vooral anders handelen als oplossing voor een democratisch tekort wordt gezien. Daarom heb ik tijdens de begrotingsbehandeling ook toegezegd in het voorjaar van 2018 te komen met een beleidsbrief over de kaders voor wijziging van de Wgr en in de zomer van 2018 met een actieplan versterking lokale democratie. Bij de brief over de Wgr zal ik ook ingaan op het onderzoek van Raadslid.nu, zoals ik reeds heb toegezegd in reactie op een verzoek van het lid Voortman (GroenLinks) bij de regeling van werkzaamheden van 14 december 20172.
Snapt u de gevoelens van raadsleden dat ze zich door de vele samenwerkingsverbanden buitenspel gezet voelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het bestaan van 779 tot 877 samenwerkingsverbanden ervoor zorgt dat er feitelijk een nieuwe bestuurslaag ontstaat, waar directe democratische controle vaak moeilijk blijkt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het ermee eens dat het democratisch gat dat hierdoor ontstaat – zoals bijvoorbeeld bij de veiligheidsregio’s – niet simpel is op te lossen met extra scholing, toolboxen of hogere vergoedingen voor raadsleden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn volgens u nog de voordelen van herindelingen, nu duidelijk is dat die weinig kosten besparen en niet erg doelmatig zijn?2
Het artikel waar naar verwezen wordt betreft een onderzoek naar de meerwaarde van samenwerking, niet van herindeling zoals de vraag veronderstelt. Eerder is door het COELO wel onderzoek gedaan naar de (financiële) opbrengst van gemeentelijke herindelingen. Daarop is door mijn ambtsvoorganger reeds een reactie naar de Tweede Kamer gestuurd.4
Het bericht dat asbest is vrijgekomen bij een brand in Goeree Overflakkee |
|
Cem Laçin |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
Bent u bekend met het vrijkomen van asbest bij een brand in een opslagloods in Melissant?1 2
Ja.
Is u bekend hoeveel asbest is vrijgekomen en kunt u bevestigen dat de mate van verspreiding in de omgeving beperkt is gebleven? Is de oorzaak van de brand inmiddels achterhaald?
De gemeente heeft het definitieve effectgebied vastgesteld. Het gaat om een gebied van ongeveer 130 bij 130 meter. De verspreiding van asbest in de omgeving is gelukkig beperkt gebleven doordat het in de nacht van de brand regende en er weinig wind was. De brandweer kon de bron van de brand niet achterhalen. De politie heeft een onderzoek naar de oorzaak ingesteld.
Kunt u een overzicht geven van de activiteiten die de gemeente en veiligheids- en gezondheidsdiensten hebben ondernomen om bewoners te informeren over de risico’s van asbest? Is hierbij gewerkt conform de richtlijnen voor de aanpak van asbestincidenten en asbestbranden?
De gemeente is in de ochtend van de brand bij alle omwonenden langs de deur gegaan om informatie en advies te geven. Daarnaast is er een informatiepunt geopend en is de GGD bereikbaar voor vragen. Op de website van de gemeente staat een uitgebreid document met antwoorden op binnengekomen vragen. Dit document wordt continu ververst. Ook is er een informatiebijeenkomst belegd voor omwonenden. De advisering van de gemeente aan omwonenden is conform de richtlijnen.
Wat is de huidige status van het pand en – mocht dat nog voor gebruik geschikt zijn – wat zal er worden gedaan om herhaling van brand te voorkomen en het asbest te verwijderen?
De loods is, volgens de gemeente, dermate beschadigd dat hij als verloren wordt beschouwd. In opdracht van de eigenaar wordt de loods gesloopt, en zal een gespecialiseerd asbestsaneringsbedrijf het resterende asbest op de locatie saneren. De gemeente houdt toezicht op de sloop- en saneringswerkzaamheden.
Is u bekend bij hoeveel procent van de branden asbest vrijkomt? Zo nee, bent u bereid om de mogelijkheden tot registratie hiervan te onderzoeken?
Een dergelijk landelijk overzicht is niet beschikbaar. Het bevoegd gezag bepaalt welke registraties nodig zijn voor het effectief kunnen uitvoeren van incidentbestrijding. Het saneren van asbestdaken is een goede stap om brand en het vrijkomen van asbest in de leefomgeving en daarbij behorende opruimkosten te voorkomen.
Deelt u de vrees dat de hoge kosten voor het gecertificeerd saneren van asbestdaken kunnen leiden tot ontwijkend gedrag bij particulieren, met verkrotting, verwaarlozing en verhoogde brandrisico’s bij panden met asbest tot gevolg?
Ik deel deze vrees niet. Gemeenten kunnen als bevoegd gezag in overeenstemming met art. 1a uit de Woningwet handhaven als de staat van een bouwwerk een gevaar vormt voor de gezondheid. De gemeente kan de kosten voor het saneren van een pand, ook na brand of verkrotting, verhalen op de eigenaar. De kosten voor het saneren van asbestdaken hangen af van de constructie en van de staat waar het dak in verkeert. Er bestaat een stimuleringsregeling om dakeigenaren tegemoet te komen bij het versneld saneren van asbestdaken. Het tempo waarin asbestdaken worden gesaneerd, is de laatste jaren mede daardoor toegenomen.