De overval op Rabobank en of banken niet behoren te weten of er crimineel geld in kluisjes wordt opgeborgen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er miljoenen zijn ontvreemd uit de kluisjes van de Rabobank in Oudenbosch?1
Ja.
Wat is de waarde van de gestolen waren?
De overval is onderwerp van een lopend strafrechtelijk onderzoek, dat kan resulteren in vervolging en berechting. Dat betekent dat ik niet inhoudelijk kan ingaan op deze specifieke zaak.
In hoeverre is bekend of het hier geld en goud betrof dat afkomstig is van criminele activiteiten? Deelt u de mening dat, gezien de hoeveelheden, de kans groot is dat het in ieder geval deels crimineel geld betreft?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre behoort een bank te weten wat er wordt opgeslagen in de kluisjes? In hoeverre wist de Rabobank dit in onderhavig geval?
Zowel banken, als andere ondernemingen die kluizen verhuren, vallen in Nederland onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Op grond van de Wwft zijn zij verplicht om onderzoek te verrichten naar hun cliënten en om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid (FIU-Nederland). Daarmee dient te worden voorkomen dat de dienstverlening van deze instellingen wordt gebruikt voor witwassen of financieren van terrorisme. De Nederlandsche Bank (DNB) is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van deze verplichtingen door banken en andere verhuurders van kluizen.
Het cliëntenonderzoek moet in de eerste plaats worden verricht voordat een zakelijke relatie met een cliënt kan worden aangegaan. Dat betekent in dit geval dat het cliëntenonderzoek moet zijn verricht, voordat een kluis aan de cliënt ter beschikking kan worden gesteld. In het kader van het cliëntenonderzoek moet een bank onder andere de cliënt en diens uiteindelijk belanghebbende(n) identificeren. Ook dient een bank voorafgaand aan de verhuur van een kluis vast te stellen wat het doel en de aard van de huur van de kluis is. De maatregelen die een bank neemt om deze informatie te verzamelen, moeten worden afgestemd op de risico’s in een concreet geval. Indien de risico’s hoger worden geschat, dient een bank aanvullende informatie te vergaren om zich ervan te vergewissen dat zijn dienstverlening niet wordt gebruikt voor onder meer witwassen.
De informatie die met het cliëntenonderzoek wordt vergaard moet daarnaast actueel worden gehouden. Dat vergt een periodieke herbeoordeling van de informatie die met het cliëntenonderzoek is vergaard. Er kan ook sprake zijn van signalen die aanleiding geven om de informatie uit het cliëntenonderzoek opnieuw tegen het licht te houden. In het geval van de verhuur van kluizen kan daarbij bijvoorbeeld gedacht worden aan opvallende wijzigingen in de frequentie van het bezoek van een cliënt aan diens kluis of wisselende personen die de kluis bezoeken.
De verplichting om ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU-Nederland brengt met zich dat een bank tevens zijn relatie met de cliënt moet monitoren. Daartoe dient een bank over procedures te beschikken die haar in staat stellen relevante signalen te herkennen en op te pakken. Er bestaat geen specifieke wettelijke bepaling die een bank ertoe verplicht de inhoud van de kluis (doorlopend) te controleren. Het is evenwel denkbaar dat dit onder omstandigheden wel gebeurt. Op grond van de Wwft geldt immers de verplichting om een melding te maken bij de FIU-Nederland indien er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat er bij de verhuur van een kluis sprake kan zijn van onder meer witwassen. Indien er sprake is van signalen zoals in het voorgaande omschreven, kan het zijn dat een bank zijn cliënt verzoekt de inhoud van een kluis te tonen.
In hoeverre Rabobank in het onderhavige geval de verplichtingen uit de Wwft heeft nageleefd, staat ter beoordeling van DNB.
De vraag of een bank schuldig is aan het meewerken aan criminele activiteiten indien een bank niet weet wat er in een kluis wordt bewaard, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Dit is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden, waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit kan voortvloeien. Dat oordeel is uiteindelijk aan de rechter.
In hoeverre is het mogelijk om andere gevaarlijkere zaken in de kluisjes op te bergen, zoals bijvoorbeeld wapens en explosieven?
Een persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens of munitie is gehouden ervoor te zorgen dat deze in de woning van de verlofhouder worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. Als een deugdelijke bergplaats voor wapens of munitie wordt uitsluitend een speciaal voor de opslag van wapens vervaardigde wapenkast of wapenkluis aangemerkt, of een andere kluis die qua uitvoering en inbraakwerendheid daarmee gelijk kan worden gesteld. Een kluis bij een bank komt hier niet voor in aanmerking. Overigens nemen banken die kluizen verhuren doorgaans in hun algemene voorwaarden op dat het verboden is wapens, ontplof- of ontbrandbare stoffen of anderszins gevaarlijke goederen in een kluis te bewaren.
Mocht een bank niet weten wat er in de kluisjes wordt gestopt? Is deze bank dan schuldig aan het meewerken aan witwassen, belastingontduiking en andere criminele activiteiten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe weten bonafide klanten zeker dat hun waar is beschermd en wordt vergoed als de Rabobank niet weet wat er in de kluisjes zat? Is de Rabobank aansprakelijk? Zo ja, hoe gaat het vergoeden van waarde die onbekend is in zijn werk?
In de algemene voorwaarden van banken in Nederland met betrekking tot de verhuur van kluizen wordt doorgaans door de bank bepaald dat de bank aansprakelijk is voor schade van de cliënt tot een bepaald maximumbedrag, indien de schade is ontstaan door verlies of schade aan de inhoud van de gehuurde kluis die niet (mede) aan de cliënt kan worden toegerekend. Het is in dat geval aan de cliënt om de geleden schade aan te tonen.
De Rabobank heeft haar cliënten bij brief geïnformeerd over de gang van zaken naar aanleiding van de overval op de vestiging van Rabobank in Oudenbosch. Daarbij is een inventarisatieformulier meegezonden. In dit formulier kunnen de zaken die in de kluizen werden bewaard door de huurders worden omschreven, vergezeld van aanvullende documentatie zoals foto’s, taxatierapporten en bankafschriften. Na ontvangst van deze formulieren wordt door Rabobank een afspraak ingepland met de huurders van de kluizen. Tijdens deze afspraak kan de huurder nagaan welke zaken uit de gehuurde kluis ontbreken. Indien er zaken ontbreken, wordt de huurder gevraagd een door de politie aangereikte verklaring op te stellen. die als bijlage bij de aangifte van Rabobank wordt gevoegd. Om een claim in te dienen bij de Rabobank, tot vergoeding van de schade die een cliënt heeft geleden door diefstal van goederen, wordt de cliënt tevens gevraagd om een zogenoemd claimformulier in te vullen, als officiële aanvulling op het eerder ingevulde inventarisatieformulier. Hierop worden nogmaals de goederen beschreven, inclusief een waarde per missend item. Na ontvangst van dit door de cliënt ingevulde en ondertekende formulier zal een claim worden beoordeeld. Het is mogelijk dat de Rabobank daarbij een schade-expert inschakelt.
Hoe verhoudt de regulering van opbergen in kluizen zich tot de anti-witwasregulering, melding van ongebruikelijke transacties? Bent u bereid te bezien of de regels met betrekking tot kluisjes bij banken en andere aanbieders nog voldoen en deze, indien nodig, aan te scherpen?
Uit de beantwoording van de vragen 4 en 6 volgt dat de verplichtingen uit de Wwft van toepassing zijn op banken en andere ondernemingen die in de uitoefening van een bedrijf kluizen verhuren. Nederland volgt met deze verplichtingen de Europese anti-witwasrichtlijn, meest recent de vierde EU anti-witwasrichtlijn2, alsmede de internationale standaarden van de Financial Action Task Force. De noodzaak van het aanscherpen van de regelgeving met betrekking tot de verhuur van kluizen staat op dit moment niet vast. In overleg met DNB zal ik bezien in hoeverre het noodzakelijk is nadere aandacht te besteden aan de toepassing van de bestaande regels in Nederland, bijvoorbeeld over de wijze waarop onder andere banken de inhoud van de kluizen op effectieve wijze kunnen monitoren. De Europese Commissie noemt in de supranationale analyse van de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering voor de interne markt van de Europese Unie bijvoorbeeld het verstrekken van guidance hieromtrent.3 De verhuur van kluizen maakt deel uit van de jaarlijkse risico-uitvraag van DNB aan financiële instellingen.
Daarnaast zal ik, door middel van de nationale beleidscyclus witwassen en terrorismefinanciering (die bestaat uit nationale risicoanalyses en beleidsmonitors witwassen en terrorismefinanciering) blijven monitoren of de Nederlandse wet- en regelgeving ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme voldoende effectief is.
De werkwijze van de Belastingdienst bij belastingafspraken met multinationals |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat Nederland als enige lidstaat van de Europese Unie geen openheid geeft over het exacte aantal belastingafspraken (advanced pricing agreements) die er zijn met bedrijven?1
Het EU Joint Transfer Pricing Forum publiceert jaarlijks statistieken die zien op Advance Pricing Agreements (APA’s).2 Nederland levert hiervoor jaarlijks de beschikbaar zijnde gegevens aan. Daarnaast publiceert ook de Belastingdienst zelf jaarlijks het aantal APA’s dat is afgesloten. De meest recente cijfers zijn terug te vinden in het jaarverslag van het APA/ATR-team dat is gevoegd als bijlage bij mijn brief van 18 februari jl. Hieruit blijkt het aantal afgegeven APA’s in de afgelopen vijf jaar.
228
203
236
191
132
De Belastingdienst houdt niet centraal bij hoeveel lopende APA’s er zijn per einde van enig jaar. De gemiddelde looptijd van een APA is 4 tot 5 jaar. Het kan echter zijn dat een APA eerder eindigt bijvoorbeeld omdat de aan de APA ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zijn gewijzigd.
Hoe is het mogelijk dat u in antwoorden op vragen immer stelt «dat Nederland bijna aan alle afspraken voldoet» die in bijvoorbeeld in de Europese gedragscodegroep zijn gemaakt?
Zoals weergegeven in het antwoord hiervoor, ben ik van mening dat Nederland wel het aantal afgesloten APA’s openbaar maakt. Ik deel daarom de onderliggende strekking van uw vragen niet dat Nederland zijn afspraken niet nakomt.
Waarom noemde u Nederland als onderdeel van de «coalition of the unwilling» in de gedragscodegroep «een oud beeld», als nu blijkt dat Nederland zich eenzaam onderscheidt in het niet delen hoeveel belastingafspraken er zijn gemaakt?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoeveel rulings er de afgelopen jaren zijn afgegeven met als basis of onderdeel de concernfinanciering-constructie, ook wel fiscale begeleiding genoemd, en nu nog actief zijn?3
De rulings over concernfinancieringactiviteiten, zoals beschreven in bijlage III van de brief van 18 februari jongstleden, zijn eind 2016 verlopen.5
Is de werkwijze van deze constructie gemeld of afgestemd met de gedragscodegroep en/of de Europese Commissie, vooral omdat de fiscale begeleiding een constructie verving die gekenmerkt was als staatssteun? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Er was geen aanleiding om de Europese Commissie te informeren omdat, er immers geen sprake was van voortzetting van het oude CFA-regime. Ten opzichte van het CFA-regime was namelijk een andere situatie ontstaan. Het op verzoek verstrekken van zekerheid vooraf betrof de reguliere uitvoering van wet- en regelgeving met name op het gebied van verrekenprijzen en de deelnemingsvrijstelling. Dat betekent dat er geen sprake was van een «voordeel» waarover afstemming met de Europese Commissie was geboden.
Is er toen per 2010 het Concern Financierings Activiteiten (CFA)-regime werd afgeschaft, actief ingezet op het bieden van de fiscale begeleiding/ concernfinanciering? Zo ja, met welke argumenten?
Sinds het in 2003 bekend werd dat het CFA-regime afgeschaft zou worden, is er door het Ministerie van Financiën nagedacht over de beleidsmatige en politieke implicaties daarvan. Dit heeft enerzijds geresulteerd in de uiteindelijk toch niet ingevoerde wetgeving rond de (verplichte) groepsrentebox. Anderzijds werd de Belastingdienst geconfronteerd met fiscale vraagstukken van bedrijven die overwogen hun concernfinancieringsvermogen over te brengen naar het buitenland. Als gevolg daarvan hebben mijn ambtsvoorgangers beslist over de lijnen waarlangs de Belastingdienst voor de periode 2007 tot en met 2016 op verzoek zekerheid vooraf zou geven over in de dat verband opkomende fiscale kwesties.
Klopt het dat uit het WOB-verzoek is op te maken dat er al in maart 2011 getwijfeld werd of de afspraken die de Belastingdienst maakte wel in overeenstemming waren met de geldende wetten en regels? Zo ja, waarom is er dan doorgegaan met het maken van belastingdeals met deze constructie erin?
Zoals ook blijkt uit openbaar gemaakte stukken bestreed de Belastingdienst ook al in 2011 constructies waarbij sprake is van het stallen van immateriële vaste activa in tax havens (STIATH). In 2011 is door de Belastingdienst een mogelijk verband gelegd tussen concernfinancieringsactiva en immateriële vaste activa die betrokken zijn bij STIATH omdat in beide gevallen sprake is van vermogen dat wordt aangehouden in een laagbelastende jurisdictie. Daar stond tegen over dat concernfinancieringsactiva een ander soort activa zijn dan immateriële vaste activa die betrokken zijn bij STIATH. Concernfinancieringsactiviteiten vragen minder functionaliteit dan het ontwikkelen, exploiteren, onderhouden, beheren en beschermen van immateriële activa. De heersende opvatting in internationaal verband was aanvankelijk dat aan treasuryactiviteiten met betrekking tot concernfinancieringsvermogen een relatief minder groot deel van het rendement toekwam dan het deel van het rendement dat toegerekend moet worden aan het ontwikkelen, exploiteren, onderhouden, beheren en beschermen van immateriële activa.
In OESO-verband is tijdens het BEPS-project de discussie ontstaan welk deel van het rendement kan worden toegerekend aan het concernfinancieringsvermogen dat in handen is van een lichaam zonder dat in dat lichaam de bijbehorende functies worden uitgeoefend. Uiteindelijk heeft de uitkomst van deze discussie zijn weerslag gevonden in de BEPS-rapporten die zijn gepubliceerd in oktober 2015 en de aanpassingen van de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen in 2017. In OESO-verband wordt op dit moment nader overlegd tussen de landen over de zakelijke beloning voor financiële transacties.
Kunt u aangeven waarom in het WOB-verzoek veel passages zijn weggelakt waarin wordt aangegeven dat men twijfelde aan de houdbaarheid? Waarom wordt zo een advies gezien als een «persoonlijke mening van een ambtenaar» als dit relevante onderdelen van de beleidsafweging moeten zijn geweest?
Het Ministerie van Financiën maakt in Wob-besluiten geen persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad openbaar. Dit geldt voor alle Wob-besluiten en in dit geval was er geen aanleiding om van die gedragslijn af te wijken. Deze gedragslijn is afgeleid van het afwegingskader dat van toepassing is op Wob-verzoeken, zoals vastgelegd in artikel 11, lid 1, Wet Openbaarheid van Bestuur. Daarin wordt bepaald dat bij een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
Hoe is er na het besluit in september 2015, om geen zekerheid vooraf meer te geven over de transfer pricing aspecten van de concernfinancieringsstructuur, gehandeld met toen geldende belastingdeals of deals die afliepen?
Omdat in 2014 de internationale ontwikkelingen nog niet volledig waren uitgekristalliseerd en om de bedrijven die eerder zekerheid vooraf hadden gekregen over hun financieringsstructuur in staat te stellen zich aan te passen aan de ontwikkelingen, is een uitfaseringstermijn gehanteerd van 2 jaar. Deze termijn liep eind 2016 af. Daarna zijn geen rulings meer verlengd. Indien na deze termijn het concernfinancieringsvermogen wordt aangehouden door een buitenlandse vennootschap die verder geen enkele functie uitoefent, neemt de Belastingdienst in voorkomende gevallen het standpunt in dat ten hoogste een risicovrij rendement aan het in het buitenland aangehouden concernvermogen kan worden toegerekend.
Is het mogelijk dat er toch nog belastingdeals met deze constructie verlengd zijn in 2016? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de gestelde ommezwaai van de Nederlandse regering in de gedragscodegroep?4
Zie antwoord vraag 9.
Heeft u het idee dat het inzicht in de rulingpraktijk echt boven tafel is gekomen met het onderzoek dat u heeft gedaan naar de procedures van afsluiten? Zou het niet veel beter zijn om alle rulings op inhoud te doorzoeken?
Ik heb de onafhankelijke commissie met externe experts die onderzoek doet naar rulings afgegeven door het APA-ATR-team gevraagd te beoordelen of volgens haar de gepubliceerde stukken over de APA/ATR-praktijkvoldoende inzicht geven in de APA’s en ATR’s zoals ze worden afgegeven.
In mijn brief van 18 februari jl. heb ik een herziening van de rulingpraktijk aangekondigd die gericht is op het verder waarborgen van de kwaliteit en robuustheid van de praktijk.7 De aangekondigde herziening ziet op zowel het proces als de inhoud. Daarnaast loopt op dit moment een inhoudelijk onderzoek door de hiervoor genoemde onafhankelijke commissie met externe experts naar rulings afgegeven door het APA-ATR-team. Dit onderzoek zal jaarlijks plaatsvinden. Ook zal de Algemene Rekenkamer in 2019 onderzoek doen naar de rulingpraktijk. Buiten het feit dat een onderzoek naar de inhoud van alle rulings veel capaciteit zou vergen van de medewerkers van de Belastingdienst, zie ik op basis van de hiervoor aangehaalde initiatieven geen aanleiding om alle rulings waarbij de procedures juist zijn gevolgd op de inhoud te controleren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over belastingontwijking dat voorzien is in week 13?
Ja.
Het bericht ‘Makkelijk om aan drugs en kinderporno te komen’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Makkelijk om aan drugs en kinderporno te komen»?1
Ja.
Wat is de sanctie als er drugs wordt gevonden bij een tbs’er?
Contrabande is niet toegestaan in de kliniek. Het is aan de directeur van de kliniek om passende maatregelen te treffen tegen tbs-gestelden, wanneer zij contrabande voorhanden hebben of invoeren. Hierbij kan worden gedacht aan intrekking van verlof, overplaatsing naar een andere kliniek en/of het doen van aangifte bij de politie. De hoogte van de sanctie hangt af van de omstandigheden van het geval en de aard en het verloop van de behandeling.
Hoe kan het dat sommige personeelsleden het drugsgebruik niet altijd bestraffen en dat drugsgebruik oogluikend wordt toegestaan?
In de forensisch psychiatrische centra (hierna FPC’s) zijn drugs niet toegestaan, dus ook niet in de Van der Hoevenkliniek. Het meenemen of het in het bezit hebben van contrabande heeft altijd consequenties voor patiënten, bezoekers of medewerkers. Hierbij kan worden gedacht aan het intrekken van verlof of het overplaatsen de patiënt naar een andere afdeling of andere kliniek, de ontzegging van de toegang tot de kliniek voor bepaalde bezoekers of disciplinaire maatregelen voor medewerkers. Drugsgebruik wordt dus niet oogluikend toegestaan.
Kunt u uitleggen waarom tbs’ers die op begeleid verlof zijn geweest niet altijd worden gecontroleerd bijvoorbeeld als het druk is?
Over de controle van tbs-gestelden op contrabande zijn afspraken gemaakt met het veld. De klinieken hebben een gezamenlijk plan van aanpak opgesteld, waarin de maatregelen worden beschreven die de klinieken nemen om contrabande verder tegen te gaan. Dit plan van aanpak is begin 2016 aan uw Kamer gestuurd.2 In dit plan is opgenomen dat alle patiënten die de beveiligde schil van de kliniek verlaten te allen tijde weer binnen komen via de metaaldetectiepoortjes. Daarnaast worden tbs-gestelden na begeleid verlof op indicatie gefouilleerd. Bij begeleid verlof is altijd een begeleider van de kliniek bij de tbs-gestelde aanwezig, waardoor de kans op het verkrijgen van contrabande laag is. Ten slotte worden regelmatig drugshonden ingezet.
Kunt u reageren op de uitspraak «dit apparaat is niet feilloos»? Welk apparaat is volgens u dan wel feilloos?
De klinieken doen er alles aan om te voorkomen dat contrabande de kliniek binnenkomt. Een honderd procent drugsvrije instelling is echter niet te garanderen.
Wat vindt u van de uitspraak «veel jonge meiden weten niet hoe sommige mensen kunnen reageren» en «het verloop is echt enorm»?
De uitspraak suggereert dat het personeelsbeleid niet op orde is. De kliniek heeft laten weten zich niet in deze uitspraken te herkennen. Wel kan ik aangeven dat er momenteel een onderzoek loopt naar de veiligheid in de forensische zorg. Thema’s als veiligheid en gekwalificeerd personeel maken hier deel van uit. Ik zal uw Kamer naar verwachting in juni over de uitkomsten van dit onderzoek informeren.
Hoe beoordeelt u de reactie van de kliniek »er zijn geen veiligheidsproblemen»?
De kliniek herkent zich niet in het beeld dat het artikel schetst. Ook hebben de Dienst Justitiële Inrichtingen en de IJenV dergelijke signalen niet ontvangen over de Van der Hoevenkliniek. Niettemin staat de veiligheid binnen en buiten de kliniek voorop, daarom bekijkt de Inspectie of zij aanleiding ziet voor nader onderzoek bij de Van der Hoevenkliniek. De Inspectie heeft aangegeven mij daarover voor de zomer te informeren.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen de gebruikelijke termijn van drie weken te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ik streef ernaar vragen altijd zo spoedig mogelijk te beantwoorden. In verband met de benodigde afstemming is dit echter niet gelukt binnen de termijn van drie weken.
Het rapport ‘Demonstratierecht onder druk’ |
|
Monica den Boer (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Demonstreren, een schurend grondrecht» van de Nationale ombudsman?1
Ja.
Wat is uw reactie op het rapport?
De Nationale ombudsman vraagt in het rapport aandacht voor een belangrijk en veelbesproken thema, het recht om te demonstreren. De vrijheid van demonstreren is in onze pluriforme samenleving een groot goed. Ik onderschrijf het uitgangspunt van de ombudsman dat het van wezenlijk belang is dat dit recht door de overheid maximaal wordt beschermd en gerespecteerd. Het recht om te demonstreren wordt beschermd door de Grondwet en wordt nader gereguleerd in de Wet openbare manifestaties (Wom). Voor de uitvoering van deze wet is het lokale gezag verantwoordelijk. Het rapport bevat veel aanbevelingen hoe deze taak in de praktijk zorgvuldig en binnen de juridische kaders kan worden uitgevoerd. Ik zal het rapport van de Nationale ombudsman betrekken bij een informerende brief die ik, samen met de Minister van Justitie en Veiligheid, voor het zomerreces aan de Kamer zal sturen over de Wom, en voor zover de bevindingen daar nog aanleiding toe geven, daarop reageren.
Hoe duidt u de uitspraak van de Nationale ombudsman dat de overheid neigt naar risicomijdend gedrag bij het verbieden van demonstraties vanwege de veiligheid?
Verboden op grond van de Wom worden uitgevaardigd door het lokale gezag, al naar gelang hun inschatting van de plaatselijke omstandigheden binnen de grenzen die de Wom daaraan stelt. Ik beschik terzake niet over bevoegdheden en wil daar ook niet in treden. Het lokale gezag (de burgemeester) komt vanuit de zorg voor de openbare orde en veiligheid bij demonstraties regelmatig voor ingewikkelde vraagstukken en dilemma’s te staan. In het mondelinge vragenuur op 21 november 2017 over de Sinterklaasintocht in Dokkum heb ik toegezegd om het gesprek met burgemeesters aan te gaan om te kunnen beoordelen of het beeld dat tijdens het vragenuur werd geschetst, namelijk dat door burgemeesters bij demonstraties te gemakkelijk wordt gegrepen naar het openbare-orde-argument, juist is. Deze gesprekken zijn nog niet afgerond. Ik ben voornemens uw Kamer hierover in voornoemde brief te informeren en daarbij de uitspraak van de Nationale ombudsman te betrekken.
Heeft u een beeld van hoe vaak en op welke gronden gemeenten in Nederland demonstraties geen doorgang laten vinden? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo ja, hoe duidt u deze praktijk?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe duidt u het onderzoeksresultaat (p. 40) dat gemeenten aangeven dat de Wet openbare manifestaties (Wom) bij onverwachte en spontane situaties, bijvoorbeeld bij relschoppers die op een demonstratie afkomen, niet voldoende kader geeft om te handelen? Bent u bereid dit te onderzoeken?
De Wom is in opdracht van mijn ministerie onlangs nog geëvalueerd. In reactie op het evaluatierapport heeft mijn ambtsvoorganger begin vorig jaar geconcludeerd dat de Wom op grote lijnen nog goed functioneert (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 34 324, nr. 2). De Nationale ombudsman verbindt aan het hier bedoelde onderzoeksresultaat niet de conclusie dat de oplossing mogelijk ligt in een aanpassing van het wettelijk instrumentarium. Zijn aanbevelingen zijn er vooral op gericht om dat instrumentarium zo goed en transparant mogelijk toe te passen. Dat neemt niet weg dat er altijd praktische knelpunten kunnen zijn waarin de Wom soms lastig uitkomst biedt. Dat laat zich niet altijd oplossen door een aanpassing van het wettelijk instrumentarium. Niettemin ben ik bereid om, vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het wettelijk kader, dit onderzoeksresultaat mee te nemen in de gesprekken die de komende tijd met gemeenten worden gevoerd.
Hoe duidt u het onderzoeksresultaat dat de politieke kleur van de burgemeester en die van de gemeenteraad van invloed kan zijn op de wijze waarop demonstraties gefaciliteerd worden?
Omdat het rapport geen (nadere) gegevens bevat om dit onderzoeksresultaat goed te kunnen duiden, wil ik hierover in meer algemene zin het volgende opmerken. Mede uit het oogpunt van rechtsgelijkheid is het van belang dat de vrijheid van demonstreren overal goed wordt beschermd en dat aan dat recht ook in iedere gemeente hetzelfde gewicht wordt toegekend. Een inperking van dit recht is op grond van de Wom uitsluitend mogelijk ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Beperking van de demonstratievrijheid op andere gronden is niet toegestaan. Het respecteren van de demonstratievrijheid dient voor het lokale gezag voorop te staan, ook als het faciliteren of juist verbieden van een demonstratie politiek gevoelig ligt. Dat laat onverlet dat het stelsel van de Wom wel ruimte laat aan het lokale gezag om op lokaal niveau afwegingen te maken ten aanzien van de regulering van demonstraties. De plaatselijke omstandigheden en de inschatting daarvan kunnen per gemeente verschillen.
Wat is uw reactie op de constatering van de Nationale ombudsman dat voor kleinere gemeenten geldt dat zij onvoldoende zijn toegerust voor situaties waar veel en soms kwaadwillend publiek op afkomt, omdat zij onvoldoende ervaring en capaciteit hebben?
Het is een gegeven dat in de ene gemeente meer wordt gedemonstreerd dan in de andere, waardoor er vooral in (kleinere) gemeenten minder expertise en ervaring aanwezig is met de toepassing van de Wom. Uitgangspunt is dat op het lokale gezag de inspanningsplicht rust om demonstranten in de uitoefening van hun grondrecht te beschermen en een demonstratie voor zover als redelijkerwijs mogelijk is doorgang te laten vinden, zo nodig ook door voldoende politie in te zetten. Dat dit zeker bij kleinere gemeenten soms tot lastige situaties leidt, neemt niet weg dat zij met de kennis en middelen die hun ter beschikking staan deze demonstraties zo goed mogelijk moeten faciliteren. Zij kunnen daarbij bijvoorbeeld ook gebruik maken van het rapport van de Nationale ombudsman, dat de nodige handvatten biedt voor de praktijk. Daarnaast worden gemeenten met veel ervaring en expertise regelmatig geraadpleegd door (kleinere) gemeenten met minder ervaring. De praktijk leert dat verschillende gemeenten met vergelijkbare vragen en dilemma’s te maken hebben rond demonstraties. Er vindt met enige regelmaat overleg plaats of er wordt contact gelegd tussen de verschillende gemeenten of politie-eenheden om bijvoorbeeld te overleggen over ervaringen met een specifieke groep demonstranten, of een specifiek type demonstratie.
Deelt u de mening dat de essentie van het grondrecht tot demonstreren voorop moet staan en dat dit betekent dat de overheid zich sterk moet inspannen om demonstraties te faciliteren en beschermen?
Ja, zie ook het antwoord op de vragen 1, 6 en 7.
De betreffende beantwoording schriftelijke vragen (2018Z02462) betreffende oogstramingen CBS |
|
Jaco Geurts (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u verklaren waarom over de periode 2010–2017 over het algemeen de definitieve ramingen lager uitvielen dan de voorlopige ramingen, zoals is te zien in de meegestuurde gegevens?1
Het overzicht van de uienoogst in de periode 2010 t/m 2017, dat reeds is verstrekt bij de eerdere beantwoording van de vragen over dit onderwerp, laat zien dat de cijfers voor deze periode zowel vier maal naar boven als vier maal naar beneden zijn bijgesteld. Voor consumptieaardappelen zijn dit voor dezelfde periode drie bijstellingen naar beneden en vijf naar boven. Het gestelde dat de definitieve ramingen over het algemeen lager uitvielen in de periode 2010 – 2017 is dus niet juist.
Deelt u de mening dat de voorlopige ramingen onterecht invloed kunnen hebben op de prijszetting, aangezien in de meegestuurde gegevens is te zien dat vanaf 2014 de definitieve oogstramingen lager uitvallen dan de voorlopige ramingen bij uien en consumptieaardappelen?
Voorlopige ramingen kunnen inderdaad invloed hebben op de prijszetting. De raming van CBS is onafhankelijk. Hierdoor is er niet één schakel in de keten die daar meer of minder voordeel van kan hebben. Zonder een voorlopige raming door CBS is het zeer waarschijnlijk dat deze prijszetting ook zal plaatsvinden, maar dan op basis van eigen, wellicht minder transparante gegevens, die verzameld worden door individuele ketenpartijen.
De definitieve ramingen van de bruto opbrengst per hectare kunnen zowel naar beneden als naar boven worden bijgesteld ten opzichte van de voorlopige ramingen. De overzichten laten zien dat vanaf 2014 beide mogelijkheden zijn voorgekomen.
Gezien u aangeeft dat de oogstcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) invloed hebben op de prijszetting en de handel van uien, bent u bereid om te bekijken hoe de bekendmaking van deze cijfers zo min mogelijk marktverstorende gevolgen heeft?
Ik ben niet van mening dat de bekendmaking van de oogstcijfers door CBS marktverstorende gevolgen heeft. Zie daarvoor ook het antwoord op vraag 2.
Gezien de lidstaten uiterlijk 31 maart definitieve oogstgegevens moeten verstrekken aan Eurostat, is het mogelijk om alleen de definitieve ramingen openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
CBS heeft de wettelijke plicht om de resultaten van het verzamelen van gegevens te publiceren (Artikel 3.1 CBS-Wet). De voorlopige oogstramingscijfers vormen input voor de Landbouwrekeningen. De Landbouwrekeningen zijn, als onderdeel van de Nationale Rekeningen, Europees verplichte statistieken. Op basis van de Landbouwrekeningen wordt onder meer jaarlijks in december het inkomen van de landbouwsector berekend.
De resultaten van de voorlopige oogstramingen van de zaai-uien worden in oktober gepubliceerd. Hoewel op dat moment de levering van oogstgegevens over zaai-uien niet verplicht is voor Eurostat, is dat wel het moment waarop de cijfers beschikbaar zijn en dus door CBS moeten worden gepubliceerd (Artikel 3.1 CBS-wet).
Met deze publicatie wordt op dat moment ook voorzien in een nationale behoefte aan transparante en onafhankelijke cijfers (zie ook antwoord op vraag 2). Zo worden de voorlopige cijfers onder meer door het Comité Ui, Wageningen Economic Research (WEcR) en GroentenFruit Huis gebruikt bij het uitvoeren van hun taken.
Is er een Europese verplichting om de voorlopige ramingen bekend te maken? Zo nee, is het mogelijk dat het CBS af ziet van het verzamelen van deze gegevens of de openbaarmaking daarvan?
Er is geen Europese verplichting om de voorlopige ramingen bekend te maken. In het antwoord op vraag 4 is reeds aangegeven waarom de cijfers gepubliceerd worden.
De onafhankelijkheid van bedrijfsartsen |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de Radar-uitzending «Zorgen om onafhankelijkheid bedrijfsarts»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van dit Radar-onderzoek, en meer specifiek dat 40% van de werknemers die langer dan zes weken ziek is geweest, zich benadeeld voelt door zijn of haar werkgever wegens ziekte? Hoe beoordeelt u de uitkomst dat 26% van de mensen (met vast of tijdelijke contracten) aangeeft druk te hebben gevoeld om een WW-uitkering aan te vragen? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding van zieke werknemers te verbeteren?
Zieke werknemers mogen niet onder druk worden gezet door hun werkgever om weer aan het werk te gaan terwijl zij nog niet voldoende hersteld zijn. Ook zieke werknemers die geen werkgever meer hebben en een uitkering hebben op grond van de Ziektewet, behoren niet onder druk gezet worden gezet om zich hersteld te melden, terwijl zij nog niet hersteld zijn en zodoende aangewezen kunnen raken op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
Als een werknemer hersteld wordt verklaard terwijl de werknemer het daar niet mee eens is, dan kan hij hierover een deskundigenoordeel aan het UWV vragen. Vervolgens is er beroep bij de rechter mogelijk. De rechtsbescherming is adequaat geborgd. Ik zie geen aanleiding om aanvullende maatregelen te nemen.
Deelt u de mening dat bedrijfsartsen, vanwege de directe bekostiging door werkgevers, minder onafhankelijk kunnen zijn?
Op grond van de eigen richtlijnen en de gewijzigde arboregelgeving moeten bedrijfsartsen goed in staat zijn om zich onafhankelijk op te stellen. Met de Wijziging van de Arbowet per 1 juli 2017 is de positie van de bedrijfsarts versterkt. Iedere werkgever moet uiterlijk 1 juli 2018 beschikken over een basiscontract met een arbodienst of bedrijfsarts. Daarin worden de taken vastgelegd die de bedrijfsarts vervult, en de randvoorwaarden waaronder deze worden uitgevoerd. Ik onderken daarbij dat het voor de bedrijfsarts soms niet eenvoudig is om zijn onafhankelijkheid te bewaren in zijn adviesrol richting werkgever en werknemer, vooral in situaties waarin werkgever en werknemer tegenover elkaar staan. Het behoort tot de taak en professionaliteit van de bedrijfsarts om ook onder die omstandigheden een onafhankelijke positie in te nemen. Samen met werkgevers- en werknemersorganisaties, beroepsorganisaties en de brancheorganisatie ondersteun ik werkgevers, werknemers en bedrijfsartsen bij de implementatie van de wetswijziging. Daartoe wordt onder andere voorlichting gegeven over de inhoud van het basiscontract.
Gaat u maatregelen nemen om te voorkomen dat niet-medisch geschoold personeel, zoals casemanagers, de intake en/of de behandeling van zieke werknemers op zich nemen? Erkent u de ongewenste praktijken van dit soort bureaus? Zo ja, wat voor maatregelen zouden dat kunnen zijn?
Casemanagers die namens de werkgever de begeleiding van zieke werknemers doen zijn doorgaans geen arts en mogen zich ook niet als zodanig voordoen. Op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) mogen zij ook niet over medische gegevens beschikken en deze gegevens ook niet verwerken. Indien zich dergelijke situaties voordoen kan de werknemer dit aankaarten bij de casemanager of bij zijn werkgever. Mocht dat niet tot de gewenste oplossing leiden dan kan de werknemer een klacht indienen bij de werkgever van de casemanager of bij de klachteninstantie van de beroepsvereniging, indien het gaat om een geregistreerd casemanager. Op basis van de Arbowet en Wet klachten, kwaliteit, geschillen zorg beschikken de meeste instanties over een klachtenregeling. In het uiterste geval kan men de Autoriteit Persoonsgegevens informeren of naar de rechter gaan.
Hoe kijkt u tegen de onduidelijkheid over het verschil tussen arboartsen en bedrijfsartsen aan die bij zieke werknemers heerst? Bent u bereid maatregelen te nemen om deze onduidelijkheid weg te nemen? Bent u bovendien bereid er voor te zorgen dat het voor zieke werknemers duidelijk is dat een arboarts alleen ondersteunde taken kan uitvoeren en de bedrijfsarts eindverantwoordelijk blijft voor de behandeling?
De bedrijfsarts mag bij de uitvoering van zijn professie taken laten uitvoeren door andere artsen en deskundigen. De bedrijfsarts blijft echter altijd eindverantwoordelijk. Ik weet niet in welke mate het voorkomt dat werknemers niet weten of zij met de bedrijfsarts van doen hebben of met een arts die alleen onder eindverantwoordelijkheid van de bedrijfsarts specifieke taken verricht. In mijn opvatting behoort het tot de professionaliteit van elke arts zich op adequate wijze kenbaar te maken.
Verder kan elke werknemer altijd vragen om toegang tot de bedrijfsarts zelf. De werkgever wordt geacht zijn werknemers voor te lichten over de toegankelijkheid van de bedrijfsarts in praktische termen van naam, beschikbaarheid en locatie. Dit is onderdeel van de bedrijfszorg voor medewerkers en voor de arbodienst en bedrijfsarts onderdeel van hun gebruikelijke dienstverlening.
Bent u daarom bereid om de bekostiging van de bedrijfsartsen weg te halen bij werkgevers? Bent u daarbij bereid om, zoals ook de vakbeweging bepleit, deze bekostiging via de Zorgverzekeringswet te laten lopen? Zo ja, is het instellen van een arbeidsarts daarbij een mogelijke oplossing?
Zoals ik al eerder aangaf ben ik ervan overtuigd dat veruit de meeste bedrijfsartsen zich onafhankelijk opstellen. De recente maatregelen in het kader van Wijziging van de Arbowet, zoals de invoering van het basiscontract, versterken de positie van de bedrijfsarts. De doorgevoerde wetswijziging betreft wijzingen binnen het stelsel. Daartoe is besloten na een verdeeld advies van de SER2. De effecten van deze wetswijziging zal ik in 2020 evalueren. Een wijziging van het stelsel is nu niet aan de orde.
De opvang van Venezolanen op Aruba en Curaçao en de Nederlandse bijstand daarbij |
|
André Bosman (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «regering vraagt Nederland bijstand voor mogelijke toekomstige opvang Venezolanen»?1
Ja.
Hebben de Curaçaose en/of Arubaanse regering Nederland al officieel gevraagd om financiële en operationele ondersteuning bij de opvang? Deelt u de mening dat ondersteuning niet plaats kan vinden als landen als Aruba tegelijkertijd migratie aantrekken door vanuit de regering uitspraken te doen dat ze alle vluchtelingen «tolerant en gastvrij zal ontvangen», zoals voormalig Minister-President van Aruba Mike Eman in het verleden deed?
De regering van Curaçao heeft Nederland recent een verzoek om ondersteuning gedaan vooruitlopend op een eventuele situatie waarin zij de opvang van migranten en vluchtelingen zelf niet meer aankan. Het kabinet ziet in dit verzoek vooral een wens om nog nauwer samen te werken in de voorbereiding op een eventueel noodscenario. Uitgangspunt daarbij blijft dat de toelating en uitzetting van vreemdelingen een landsaangelegenheid betreft. Het kabinet is hier ook in gesprekken met de regeringen van Aruba en Curaçao uiterst duidelijk in geweest. Dat betekent echter niet dat de landen aan hun lot worden overgelaten. Ik heb de regering van Curaçao laten weten dat Nederland – mocht zo’n geval zich voordoen – waar mogelijk ondersteuning zal bieden, bijvoorbeeld in de vorm van kennis en expertise op bijvoorbeeld het terrein van migratie. Daar zijn we ook nu al toe bereid. Eenzelfde aanbod staat vanzelfsprekend ook voor Aruba.
Ondertussen is het aan de landen om zoveel als mogelijk zelf de nodige maatregelen te treffen om eventuele voorziene problemen bij de opvang te mitigeren. In dat kader ondersteunt het kabinet zoals eerder vermeld – met inachtneming van de beperkte absorptiecapaciteit van de (ei)landen en met inachtneming van geldende internationale verdragen – het restrictief vreemdelingenbeleid dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk wordt gevoerd.
Hoe beoordeelt u de oproep van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties om Venezolaanse migranten de vluchtelingenstatus toe te kennen?2 Geldt ook op Aruba en Curaçao dat de vraag of iemand een vluchteling is individueel en niet categoriaal getoetst moet worden?
De oproep van UNHCR moet worden gezien als een dringende, niet bindende, oproep om vanwege de schrijnende situatie in Venezuela een veilige haven te bieden aan die personen die dat land ontvluchten. Of personen uit Venezuela kunnen worden gekwalificeerd als vluchteling, zal afhangen van hun individuele omstandigheden. Aanvragen om bescherming dienen derhalve – ook op Aruba en Curaçao – individueel te worden getoetst. In Caribisch Nederland wordt een aanvraag om bescherming van een Venezolaan individueel getoetst aan de criteria die staan in artikel 12a van de Wet toelating en uitzetting BES. Dat brengt met zich dat zowel wordt gekeken of iemand vluchteling is als bedoeld in het VN-vluchtelingenverdrag met bijbehorend Protocol, evenals of iemand terug kan zonder dat hij of zij een reëel risico loopt te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zoals bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Bent u bekend met de mededeling van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 februari 2018 dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid in samenwerking met het Openbaar Lichaam Bonaire, de uitvoeringsorganisaties (o.a. Koninklijke Marechaussee, Korps Politie Caribisch Nederland en de Immigratie- en Naturalisatiedienst Caribisch Nederland) en Defensie een noodplan heeft ontwikkeld voor het scenario, waarin het aantal migranten verder toeneemt? Kunt u schetsen welke gevolgen de inwerkingtreding van dit noodplan kan hebben voor Nederland?
Ik kan u net als de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking melden dat Nederland – zeker daar waar het Bonaire betreft – net als Aruba en Curaçao de nodige maatregelen treft om voorbereid te kunnen zijn op een eventuele migratiestroom. Voor Bonaire draagt Nederland immers een bijzondere verantwoordelijkheid. De mogelijke gevolgen voor Nederland van de inwerkingtreding van dit noodplan zullen afhankelijk zijn van de grootte van een eventuele instroom van migranten. Derhalve worden door de betrokken organisaties en diensten te Bonaire en in Nederland noodzakelijke voorbereidingen getroffen.
Kunt u aangeven hoeveel Venezolanen zich inmiddels bevinden op Aruba, Curaçao en Bonaire? Is het nog steeds onduidelijk hoeveel Venezolanen zich in het Caribisch deel van het Koninkrijk bevinden? Zo ja, kunt u in elk geval schetsen welke officiële cijfers er zijn en hoe deze zich verhouden tot de schattingen van de bestuurders van de eilanden?
Hoeveel illegale Venezolanen zich op Aruba, Curaçao en Bonaire bevinden is mij niet bekend. Hier bestaan naar mijn weten ook geen concrete cijfers over, hetgeen ook inherent is aan het feit dat illegaliteit vooral onder de radar plaatsvindt. Inzake de beschikbare officiële cijfers kan ik u het volgende melden. De autoriteiten van Aruba melden dat er in 2017 bijna 3.000 mensen met de Venezolaanse nationaliteit, niet zijnde een dubbele nationaliteit, waren ingeschreven in het bevolkingsregister. In het bevolkingsregister van Curaçao staan 3.756 personen met de Venezolaanse nationaliteit ingeschreven. Op Bonaire is de afdeling Burgerzaken van het Openbaar Lichaam Bonaire verantwoordelijk voor de «Basisadministratie persoonsgegevens». Uit hun gegevens blijkt dat er 751 personen met de Venezolaanse nationaliteit zijn ingeschreven op Bonaire.
Hoe verhoudt de constatering van het kabinet dat er in de loop van 2017 op Aruba 16 asielaanvragen van Venezolanen zijn geregistreerd tot de constatering van politici op Aruba dat er op het eiland duizenden vluchtelingen rondlopen?3 4
De constatering van het kabinet is gebaseerd op de mij verstrekte cijfermatige gegevens over de registratie van het aantal verzoeken om bescherming van Venezolanen door de bevoegde autoriteiten van Aruba. Mij is niet bekend op welke gegevens de constateringen van de betreffende politici zijn gestoeld, dan wel of hierbij onverhoopt geen acht is geslagen op het onderscheid tussen (illegale) migranten, verzoekers om bescherming en vluchtelingen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Curaçaose Minister-President dat de opvang van Venezolanen een koninkrijksaangelegenheid is, in het bijzonder in het licht van de uitspraak van de vorige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat de toelating van vreemdelingen een landsaangelegenheid is en dat de landen gaan over toelating en het proces rondom in- en uitreis?5 6
In lijn met het antwoord op vraag 2, onderschrijf ik de uitspraak van mijn ambtsvoorganger dat de toelating en uitzetting van vreemdelingen, inclusief de opvang van verzoekers om bescherming, een landsaangelegenheid betreft en dat de autonome landen in het Koninkrijk derhalve ook zelf verantwoordelijk zijn voor de opvang van Venezolanen.
Bent u tevens bekend met het bericht «Aruba heeft geen locatie om vluchtelingen op te vangen»?7 Klopt het dat Aruba de opvang nog steeds niet op orde heeft, ondanks het feit dat de regering er naar eigen zeggen al sinds 2006 mee bezig is? Deelt u de indruk dat het ontbreken van een locatie niet zozeer te maken heeft met de mate van financiële ondersteuning, als wel met trage besluitvorming en politieke onwil?
Ja, de berichten zijn mij bekend. Zoals in het antwoord op de vragen 2 en 7 aangegeven, betreft de toelating en uitzetting van vreemdelingen, inclusief de opvang van verzoekers om bescherming een landsaangelegenheid. Zolang zij zich daarbij houden aan het internationale recht, past bemoeienis van het Koninkrijk niet. Wel kan zoals gesteld sprake zijn van een concreet verzoek om ondersteuning door de regering van Aruba of Curaçao.
Een beschrijving van de geldende regelgeving op Aruba, Curaçao en Bonaire kunt u vinden in de reactie d.d. 4 april 2017 naar aanleiding van de Kamervragen van het lid Sjoerdsma (D66) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1565) en de brief aan uw Kamer d.d. 5 juli 2017 (Kamerstuk 29 653, nr. 33).
Ik kan u voorts melden dat alle betrokken landen voortdurend blijven investeren in het verder uitwerken en updaten van de eigen crisisplannen. Waar mogelijk en gewenst staan we elkaar daarin bij met benodigde kennis en expertise. Aruba, Curaçao en Bonaire kunnen daarnaast ook gebruikmaken van kennis, expertise en trainingen van internationale hulporganisaties.
Kunt u aangeven in hoeverre Curaçao de faciliteiten en regelgeving met betrekking tot de opvang van vluchtelingen op orde heeft?
Zie antwoord vraag 8.
Welke stappen onderneemt u om te verhinderen dat op Aruba en Curaçao verblijvende Venezolanen kunnen doorreizen naar Nederland?
Toegang tot het grondgebied van of toelating tot verblijf in Aruba, Curaçao of Bonaire, is territoriaal beperkt tot die landen, resp. de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Toegang of toelating betekent daarom niet zonder meer ook toegang of toelating tot Europees Nederland.
Venezolanen zijn vrijgesteld van de visumplicht kort verblijf (Schengenvisum), op grond van Verordening (EG) 539/2001 van de Raad van de Europese Unie. Zij hebben daarom geen visum nodig voor reizen met kort verblijf naar Europa. Voor verblijf in Europees Nederland langer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, moeten Venezolanen echter vooraf een machtiging tot voorlopig verblijf aanvragen bij een Nederlandse ambassade of consulaat in het buitenland, dan wel de kabinetten van de Gouverneurs te Aruba, Curaçao of Sint Maarten.
Het bericht dat de wijkverpleegkundigen van Plicare verdwijnen |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat duizenden kwetsbare cliënten van Plicare Den Haag hun wijkverpleegkundige verliezen en de zeventien werkzame wijkverpleegkundigen hun baan?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat deze groep kwetsbare mensen en mensen die zorg mijden nu een wijkverpleegkundige verliezen die een oogje in het zeil houdt en mensen op weg helpt uit de problemen?
Gelukkig is daar geen sprake van. Zorgverzekeraars hebben aangegeven dat zij wijkgerichte zorg in de regio Den Haag inkopen. Zij kopen deze alleen in bij andere zorgaanbieders. Er is natuurlijk wel sprake van overdracht van cliënten. Deels wordt dit opgelost doordat personeel dat nu bij Plicare werkt met caseload overstapt naar andere aanbieders. Deels moet de overdracht op een andere manier worden vormgegeven. Plicare heeft gemeld dat zij in ieder geval al hun cliënten op de hoogte stellen en dat zij waar mogelijk de huisarts informeren. Ik ga er vanuit dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars zelf ook alert zijn op een goede overdracht van cliënten.
Wat ligt volgens u ten grondslag aan de beslissing van Plicare om te stoppen met de werkzaamheden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Plicare heeft laten weten dat zij zich genoodzaakt voelt haar wijkgerichte activiteiten in Den Haag en de randgemeenten Leidschendam-Voorburg en Wassenaar op korte termijn te stoppen omdat zij deze zorg niet meer gefinancierd krijgt. Zorgverzekeraars kopen deze zorg, conform hun inkoopbeleid, niet meer apart maar geïntegreerd met geïndiceerde zorg in. Plicare kiest ervoor om geen geïndiceerde zorg te willen leveren.
Deelt u de mening dat het zonde is dat een goedlopende zorgorganisatie die mensen helpt met tal van problemen nu gedwongen wordt te stoppen, omdat ook het sociale domein niet bereid is te investeren?
Het is voor alle betrokkenen altijd jammer als een zorgorganisatie moet stoppen. Plicare heeft als visie om uitsluitend wijkgerichte zorg te verlenen. Sinds 2015 is het beleid er echter op gericht om wijkgerichte zorg en geïndiceerde zorg te integreren. Dit beleid is in het inkoopbeleid van zorgverzekeraars opgenomen en wordt ondersteund door de bekostiging.
Heeft u contact gehad met Plicare over dit besluit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Medewerkers van VWS hebben meerdere keren contact gehad met Plicare over de ontstane situatie en de borging van de zorg voor huidige cliënten.
Onderstreept u de cruciale rol die wijkgerichte zorg speelt in het kader van vroegsignalering, gezondheidsbevordering, de belangrijke positie in de sociale wijkteams, het voorkomen van zorg en het ontlasten van de huisartsen?2
Ja, dat onderstreep ik. Zorg dichtbij is van groot belang nu steeds meer mensen met een steeds complexere zorgvraag thuis blijven wonen. De huisarts en de wijkverpleegkundige vormen de spil van deze zorg. Wijkgerichte zorg is een essentieel onderdeel van zorg dichtbij en vormt een belangrijke verbinding tussen het sociale en het medische domein. Ik vind het van groot belang dat professionals hiervoor de ruimte krijgen.
Wat is uw reactie op het feit dat 100 huisartsen de noodklok luiden om het vertrek van Plicare in Den Haag?3
Sinds 2015 is het beleid er op gericht om te komen tot geïntegreerd werken in de wijkverpleging. Ik vind het vreemd dat dit bericht voor de Haagse huisartsen kennelijk als een verrassing komt. Er wordt overigens in Den Haag wijkgerichte zorg verleend, zij het door andere aanbieders dan Plicare. Het lijkt mij verstandig dat de zorgaanbieders die de zorg van Plicare hebben overgenomen er voor zorgen dat de huisartsen(kringen) in Den Haag worden geïnformeerd over bij wie ze terecht kunnen. Verder ga ik er van uit dat zorgaanbieders in onderlinge afstemming en overleg de overdracht zullen verzorgen.
Hoe garandeert u dat de preventieve rol van wijkverpleging doorgang vindt wanneer Plicare stopt met haar werkzaamheden, aangezien er door de grote tekorten geen ruimte is voor preventie in de wijkverpleging?
Er zijn, naast Plicare, meerdere aanbieders die wijkgerichte zorg in Den Haag aanbieden. Deze zorgaanbieders blijven dat gewoon doen en breiden waarschijnlijk hun activiteiten uit vanwege het stoppen van Plicare. Los van het stoppen van Plicare speelt er in veel regio’s een arbeidsmarktprobleem. Daarover heb ik u geïnformeerd in mijn brief van 13 maart 20184.
Kunt u aangeven hoe vaak en bij welke organisaties zorgverzekeraars wijkgerichte wijkverpleging opnemen in hun contracten met zorgaanbieders, aangezien het geld voor preventie bij reguliere zorg integraal in hun budget is opgenomen? Zo neen, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik beschik niet over dergelijke data. In de inkoopmonitor van de NZa wordt niet specifiek gekeken naar de inkoop van wijkgerichte zorg. Wijkgerichte zorg is sinds 2017 geen aparte prestatie meer in de bekostiging maar maakt onderdeel uit van de prestatie «belonen op maat». Dit maakt dat deze informatie niet specifiek beschikbaar is.
Wat gaat u samen met de wethouder in Den Haag doen om te zorgen dat Plicare genoeg financiering krijgt om door te gaan? Kunt u uw antwoorden zo spoedig mogelijk aan de Kamer doen toekomen, aangezien de coöperatie op 26 maart 2018 wordt opgeheven?
Het is niet aan mij om me te mengen in onderhandelingen over de inkoop van zorg en ondersteuning.
Het artikel ‘Veluwse kwarteleitjes van Jumbo kwamen van Franse legbatterij’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel « «Veluwse kwarteleitjes» van Jumbo kwamen van Franse legbatterij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het inconsistent is dat het in Europa verboden is om kippen te houden in legbatterijen, terwijl dit voor kwartels niet verboden is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat er in Europa nadere restricties moeten worden gesteld aan het houden van kwartels voor de productie van eieren, omdat kwartels net als kippen hun natuurlijke behoeften moeten kunnen vervullen. Wanneer dit in Brussel ter sprake komt, ben ik zeker bereid mij daar hard voor te maken. Aangezien het in Nederland niet is toegestaan kwartels te houden voor de productie van eieren, acht ik het niet opportuun dat Nederland hierin het voortouw neemt.
In hoeverre bent u bereid om zich in Europa hard te maken voor eenzelfde verbod op het houden van kwartels in legbatterijen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een betrouwbare en goede etikettering van voedsel onontbeerlijk is voor het vertrouwen en bewuster maken van de consument?
Het is belangrijk dat consumenten op basis van eerlijke en eenduidige informatie een bewuste keuze kunnen maken voor een voedingsmiddel. Consumenten mogen niet op «het verkeerde been» worden gezet. Correcte informatie draagt ook bij aan het vertrouwen van consumenten in voedsel.
In hoeverre denkt u dat het gebruik van eicodes met herkomstvermelding op kwarteleieren zouden kunnen bijdragen aan het voorkomen van onjuiste etikettering op deze producten?
Door het verplicht coderen van kwarteleieren wordt het moeilijker gemaakt om met kwarteleieren te frauderen en neemt de handhaafbaarheid toe. Gezien de handel in kwarteleieren is codering daarvan een aspect dat Europees geregeld moet worden.
Deelt u de mening dat het inconsistent is dat het in Europa bij kippeneieren verplicht is om eicodes met herkomstvermelding op de eieren te zetten, terwijl dit bij kwarteleieren niet zo is? Zo nee, waarom niet?
Ja.
In hoeverre bent u bereid zich in Europa hard te maken voor eenzelfde verplichting om eicodes met herkomstvermelding op de kwarteleieren te zetten?
Gezien de handel in kwarteleieren is codering daarvan een aspect dat op Europees niveau geregeld moet worden. Wanneer dit in Brussel ter sprake komt, ben ik zeker bereid mij daar hard voor te maken. Aangezien het in Nederland niet is toegestaan kwartels te houden voor de productie van eieren, acht ik het niet opportuun dat Nederland hierin het voortouw neemt.
Bent u van mening dat de huidige sanctiemogelijkheden voldoende zijn om fraudegevallen als deze te bestrijden?
Ja.
Het bericht 'Kerncijfers Asiel en Migratie' |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u ten aanzien van de jaren 2016 en 2017 het aantal immigranten uit islamitische landen aangeven op exact dezelfde wijze waarop dat is gebeurd bij de beantwoording van feitelijke vragen in het kader van de begrotingsbehandelingen over de jaren 2012 t/m 2017?1 Zo ja, wat zijn de betreffende aantallen ingewilligde verblijfsaanvragen uitgesplitst in asiel en regulier?
Op basis van de eerder gehanteerde lijst zijn van migranten uit deze landen in 2016 26.210 aanvragen om een eerste asielvergunning ingewilligd (inclusief nareis) en 15.120 aanvragen om een reguliere verblijfsvergunning ingewilligd. In 2017 waren dat 18.500 ingewilligde asielaanvragen (inclusief nareis) en 17.210 ingewilligde reguliere aanvragen (bron:IND). Ten aanzien van deze aantallen maak ik voorts de kanttekening dat personen met de nationaliteit van een «islamitisch land» niet noodzakelijk zelf moslim zijn; terwijl immigranten uit een «niet-islamitisch land» het islamitisch geloof kunnen aanhangen. Op basis van het aantal immigranten uit een «islamitisch land» kunnen dus geen sluitende conclusies worden getrokken over het aantal moslims dat zich in Nederland vestigt. De zeggingskracht van de vorenstaande getallen is dus beperkt.
Waarom geeft u in de beantwoording van de vorige Kamervragen over dit bericht aan dat het CBS geen lijst van islamitische landen hanteert, terwijl in de beantwoording van voornoemde feitelijke vragen staat dat het CBS voor bedoelde analyses wel degelijk gebruik maakt van zo’n lijst?2
Zoals eerder is aangegeven, hanteren het CBS en de migratieketen geen lijst van «islamitische landen». Voor de beantwoording van eerdere Kamervragen in het kader van de JenV-begroting omtrent migratie uit «islamitische landen» is gebruik gemaakt van een lijst van landen waarvan de meerderheid van de inwoners zich tot het islamitische geloof rekent. Deze lijst is uitsluitend aangemaakt voor het beantwoorden van deze vragen en heeft zowel voor het CBS als voor de migratieketen geen inhoudelijke betekenis en is als zodanig ook niet geactualiseerd. Voor het migratiebeleid is het immers niet relevant of migranten uit «islamitische landen» komen, zodat er ook geen aanleiding is lijsten van dergelijke landen bij te houden. In dit verband merk ik voorts op dat de Staat als zodanig neutraal staat tegenover de verschillende geloofsovertuigingen. Ook daarom zijn er geen redenen dergelijke informatie bij te houden.
Kunt u, in geval niemand meer weet hoe eerdere berekeningen tot stand zijn gekomen, bij de beantwoording de landen hanteren die voor het grootste deel een moslimbevolking hebben, zoals vastgesteld door PEW Research Centre? Zo nee, waarom niet?
Gezien het antwoord op vraag 1, is een antwoord op deze vraag niet meer noodzakelijk.
Deelt u de mening dat het een beetje merkwaardig is om over 2016 en 2017 herhaaldelijk vrij elementaire informatie op te moeten vragen (het aantal immigranten uit islamitische landen), welke informatie over eerdere jaren wel gewoon werd verstrekt? Zo ja, wat is hier de reden van? Zo nee, waarom niet?
Om de redenen die in het antwoord op vragen 1 en 2 zijn aangegeven, heb ik de vragen omtrent migratie uit «islamitische landen» eerder niet beantwoord. Hoewel ik nog steeds de overtuiging heb dat de door mij hierbij op uw verzoek geleverde cijfers geen inhoudelijk doel hebben, en het wel kostbare capaciteit kost om uw vraag te beantwoorden, kom ik u bij deze beantwoording toch tegemoet.
U kunt desgewenst zelf berekenen hoeveel personen met een bepaalde nationaliteit (of groep nationaliteiten) zich in Nederland vestigen, met behulp van de statistische gegevens die het CBS publiceert (de statistiek «Migratie; land van herkomst/vestiging, geboorteland en geslacht» uit Statline).
De beloning van de directie van de Nederlandse Waterschapsbank |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de directie van de Nederlandse Waterschapsbank (NWB) is uitgebreid naar drie personen? Hoe hoog is de beloning van de directie van de NWB?
De directie van de NWB Bank bestaat sinds 1993 uit drie personen. Enkel in de periode 2008–2011 en op momenten dat er een vacature was, bestond de directie (tijdelijk) uit twee personen.
De beloning van de directie van de NWB Bank in 2016 was:
In duizenden euro’s
Vaste beloning
Variabele beloning
Totaal
Menno Snel1 (directievoorzitter)
79
12
91
Lidwin van Velden (directielid)
214
32
246
Frenk van der Vliet (directielid)
214
32
246
Ron Walkier2 (directievoorzitter
94
0
94
in dienst per 1 september 2016
afgetreden per de algemene vergadering van 26 april 2016 wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
De NWB Bank zal op 19 april 2018 haar jaarverslag 2017 publiceren waarin de beloning van de directie in 2017 te raadplegen zal zijn.
Welke normen gelden er met betrekking tot de beloning van de directie van de NWB? In hoeverre past de beloning van de leden van de directie binnen deze normen?
Het beloningsbeleid voor de directie van de NWB Bank wordt door de algemene vergadering van aandeelhouders vastgesteld. Bij de aanstelling van nieuwe directieleden bepaalt de raad van commissarissen de hoogte van de beloning, binnen het op dat moment geldende beloningsbeleid.
Het huidige beloningsbeleid is in 2015 vastgesteld en is in lijn met het beloningskader dat het Ministerie van Financiën hanteert voor staatsdeelnemingen. Verder is de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen van toepassing. De maximale beloning voor de voorzitter van de directie van de NWB Bank bedraagt per 2015 € 272.000 en 85% daarvan voor overige leden van de directie. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform de indexatie zoals vermeld in de CAO Banken. Bij de vaststelling is bepaald dat het beloningsbeleid elke 5 jaar wordt geëvalueerd door een aandeelhouderscommissie.
Vindt u dat de beloning van de directie in verhouding staat tot de activiteiten van de directie, alsmede tot de grootte van de organisatie, mede in overweging nemende het aantal medewerkers (slechts 60) en het risicoprofiel (laag) van de bank?
Het beloningsbeleid van de NWB Bank is in lijn met het beloningskader voor staatsdeelnemingen van het Ministerie van Financiën. Dat beloningskader probeert een evenwicht te vinden tussen een bij het publiek belang passende sobere beloning en het bij een private instelling passende rekenschap geven van beloningen bij vergelijkbare instellingen. Het beloningsbeleid van de NWB Bank wordt periodiek herijkt, dit gebeurde voor het laatst in 2015. Die herijking leidde tot een versobering van het beloningsbeleid._ De beloningsverhouding tussen de directievoorzitter en de mediaan van de overige medewerkers van de NWB Bank bedraagt 4 en is daarmee laag in verhouding tot andere (financiële) instellingen.
Waarom is besloten tot uitbreiding van de directie naar drie personen? Kon de bank niet meer bestuurd worden door twee personen? Neemt de werkdruk per directielid af met dit besluit?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u zich voorstellen dat er binnen waterschappen en gemeenten grote bezwaren bestaan ten aanzien van de uitbreiding van de directie, alsmede de beloning van de directie? Wat onderneemt u teneinde de oorzaak van deze bezwaren weg te nemen?
Ik heb geen signalen ontvangen dat de waterschappen grote bezwaren hebben tegen het aantal directieleden van de NWB Bank of tegen het beloningsbeleid. Op grond van de statuten van de bank bepalen de aandeelhouders het aantal directeuren. Na een korte periode (2008–2011) waarin de directie van de bank uit twee directieleden bestond, hebben de aandeelhouders in 2011 besloten de directie weer uit te breiden naar drie leden vanwege de toegenomen eisen die aan de bank werden gesteld op het gebied van governance en regelgeving alsmede een intensivering van de dienstverlening aan de klanten. Sinds 2014 staat de NWB Bank, die een balanstotaal heeft van ca. € 90 miljard, als significante bank onder direct toezicht van de Europese Centrale Bank.
De algemene vergadering van aandeelhouders stelt het beloningsbeleid en daarmee de maximale beloning van de directie vast. 81% van de aandelen van de NWB Bank worden gehouden door waterschappen, 17% door de staat en 2% door provincies. In 2015 is het huidige beloningsbeleid vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders op voorstel van een aandeelhouderscommissie. De commissie bestond uit vertegenwoordigers van vier aandeelhouder-waterschappen en van het Ministerie van Financiën.
Het bericht ‘Veertien patiënten overleden bij medisch onderzoek AMC’ |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Veertien patiënten overleden bij medisch onderzoek AMC»?1
Ja.
Klopt het dat dit onderzoek heeft plaatsgevonden tussen 2013 en 2016 en is stopgezet? Waarom komen de resultaten hiervan pas nu naar buiten?
Ja, het onderzoek heeft plaatsgevonden tussen 2013 en 2016 en is toen stopgezet. De onderzoekers hebben aangegeven binnen enkele maanden een wetenschappelijke publicatie over de resultaten te verwachten. In het jaarverslag van de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO), dat in maart 2017 is gepubliceerd, rapporteert de CCMO voor het eerst over het aantal ernstig ongewenste voorvallen die in het betreffende verslagjaar zich hebben voorgedaan. De ernstige ongewenste voorvallen die zich bij het onderzoek van het AMC hebben voorgedaan in 2016 zijn ook in dit jaarverslag gerapporteerd. De CCMO heeft het onderzoeksdossier opgevraagd bij de METC en zal dit aan een nadere analyse onderwerpen. Waar mogelijk zal de CCMO ingaan op de vraag waarom de deelnemers pas vorige week zijn geïnformeerd. Ik heb de CCMO gevraagd mij op de hoogte te brengen van haar bevindingen. Ik zal u hierover verder berichten als de CCMO haar analyse heeft afgerond.
Klopt het dat van de 27 deelnemers, waarbij een galbuisje via de keel ingebracht, er drie zijn overleden, en dat bij de 27 deelnemers, waarbij het slangetje via de huid en door de lever naar binnen ging, er 11 mensen zijn overleden? Klopt het dat (nog) onduidelijk is hoe dit verschil valt te verklaren? Klopt het dat de behandelingen waarnaar onderzoek werd gedaan allebei bestaande methoden zijn? Klopt het dat beide methoden nog steeds in gebruik zijn? Zo ja, acht u dit reden om nader onderzoek te doen naar de verschillende risico’s die met beide methoden gepaard gaan?
Ja, het aantal mensen dat is overleden klopt, evenals de onderverdeling. Het klopt dat nog niet duidelijk is hoe dit verschil valt te verklaren tussen de al langer bestaande methoden. Het is aan de beroepsgroep om te bepalen of beide methoden nog in gebruik mogen zijn en of er nader onderzoek naar de verschillende risico’s nodig is.
Wat is uw reactie op het feit dat de onderzoekers ontzettend verbaasd waren over aantal mensen dat is overleden en als gevolg hiervan het onderzoek ook hebben gestopt, maar dat de onderzoekers en de medisch-ethische toetsingscommissie, die hiervan op hoogte was, geen melding hebben gedaan bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Op dit moment heeft de inspectie onvoldoende informatie om vast te stellen of er wettelijk gezien een melding gedaan had moeten worden. Dergelijk medisch-wetenschappelijk onderzoek wordt voor aanvang van de studie getoetst door een erkende medisch ethische toetsingscommissie (METC). Hierbij worden de risico’s voor de proefpersonen meegewogen. Als er ernstige ongewenste voorvallen (verwacht en onverwacht) zijn, dan moet de opdrachtgever van het onderzoek dat melden bij de METC. Mochten er onregelmatigheden zijn opgetreden tijdens de uitvoering van de studie, dan ligt het in de rede dat de METC of de CCMO, indien zij daar kennis van hadden, dit bij de inspectie te melden. Indien een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis is opgetreden met overlijden of ernstig letsel tot gevolg, die betrekking heeft op de kwaliteit van zorg dan is de zorgaanbieder wettelijk verplicht dit aan de inspectie melden. Over de genoemde studie is geen melding geweest bij de inspectie.
Hoe beoordeelt u de inschatting van de onderzoekers dat er geen sprake zou zijn van een calamiteit, waarover de inspectie zou moeten worden ingelicht? Is er duidelijk omschreven wanneer er sprake is van een calamiteit en wanneer de IGJ moet worden ingelicht?
Vooralsnog is er geen aanleiding om te stellen dat de onderzoekers een verkeerde inschatting hebben gedaan. In de Wet medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) staat vermeld wanneer ernstig ongewenste voorvallen (SAEs) bij de METC en/of de CCMO gemeld moeten worden. In de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) staat wat er onder een calamiteit wordt verstaan en wanneer de inspectie hierover moet worden ingelicht.
Is de IGJ op dit moment alsnog bezig met een onderzoek? Zo ja, wanneer zijn hiervan de uitkomsten bekend?
Op dit moment is de inspectie niet bezig met een onderzoek. De inspectie heeft contact met het AMC en de CCMO. De inspectie wacht de nadere analyse van deze casus door de CCMO af. De CCMO verwacht de resultaten van haar analyse medio mei te kunnen opleveren. Daarna zal de inspectie bepalen of zij nader onderzoek zal gaan doen.
Het bericht ‘Wirwar van gemeentelijke milieuzones groeit: automobilist kan Maastricht straks alleen nog met milieusticker in’ |
|
Erik Ziengs (VVD), Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wirwar van gemeentelijke milieuzones groeit: automobilist kan Maastricht straks alleen nog met milieusticker in»?1
Ja. Zoals u eerder bent geïnformeerd (Kamerstuk 30 175, nr. 289, heb ik gemeenten, waaronder Maastricht, en de VNG uitgenodigd voor een bestuurlijk overleg medio mei om concrete afspraken te maken over de harmonisatie van milieuzones.
Hoe beoordeelt u het systeem in Maastricht met milieustickers/vignetten?
Ik streef naar een eenduidig systeem voor het hele land. Het is belangrijk dat Maastricht, waar veel buitenlandse bezoekers komen, hier ook mee uit de voeten kan.
Hoe effectief is het invoeren van een milieuzone om luchtkwaliteit te verbeteren?
Het effect is afhankelijk van de lokale situatie. Het is aan de gemeente om deze effecten inzichtelijk te maken en de proportionaliteit van deze maatregel te beoordelen.
Deelt u de mening dat een wirwar van milieusystemen in gemeenten onwenselijk is?
Ja, die mening deel ik.
Deelt u de mening dat ondernemers in de binnenstad onevenredig hard getroffen worden door de strenge milieuzones?
Het afwegen van de belangen en effecten van de milieuzone is aan de gemeenten. Zij zullen daarbij ook de belangen van de ondernemers meewegen.
Welke voorstellen kunt u doen om ondernemers te beschermen met betrekking tot de milieuzones?
Ik zet mij in voor een eenduidig en helder systeem van milieuzones, zodat alle belanghebbenden weten waar zij aan toe zijn.
Op welke termijn kan de Kamer regels met betrekking tot uniformering van milieuzones ontvangen?
Ik heb de nieuwe gemeentebestuurders en de VNG uitgenodigd om hierover om tafel te gaan. Voor de zomer wil ik tot concrete afspraken komen. Ik wil hierbij gebruik maken van de kennis en ervaringen van onze buurlanden. Om de uniforme bebording te regelen, is een aanpassing van het RVV nodig. Het veranderen hiervan kost tijd. Ik verwacht dat dit uiterlijk 1 januari 2020 is geregeld.
Bent u bereid om, totdat de regelgeving er is, in gesprek te gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om de wirwar aan milieuzones in te dammen?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Nederturken klaarstomen voor carrière’ |
|
Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederturken klaarstomen voor carrière»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de «islamofascistische sultan» van Turkije, de heer Erdogan, veel te veel invloed uitoefent op het leven van mensen in Nederland, bijvoorbeeld via Diyanet? Zo nee, waarom niet?
Er kan geen sprake zijn van export van de spanningen vanuit Turkije naar Nederland en de Turkse autoriteiten moeten zich onthouden van ongewenste bemoeienis met de keuzes die Nederlandse burgers maken. Wanneer het Kabinet een dergelijke situatie constateert, zal het niet aarzelen de Turkse autoriteiten hier op aan te spreken.
Bent u bereid de activiteiten, banden, belangen, financiering en invloeden van de Union of European Turkish Democrats (UETD), een tak van de AK-Partij van Erdogan, te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Nee, op dit moment zie ik daar onvoldoende aanleiding toe vanuit het perspectief van integratie. Wel heeft er een gesprek plaatsgevonden met de UETD over hun activiteiten, financiering en relatie met de AK-partij.
Hoe lang gaat het nog duren voordat u de islamiserende invloed van Turkije in Nederland een halt toeroept, door bijvoorbeeld moskeeën, Diyanet en aanverwante instellingen te sluiten en geen overleg meer te voeren met islamitische organisaties?
De Nederlandse rechtsstaat kent vrijheid van godsdienst. Dit is een belangrijk grondrecht in onze samenleving. Van het sluiten van moskeeën kan dus geen sprake zijn.
Het bericht ‘Hypotheekkeurslijf nekt starters en senioren’ |
|
Alexander Kops (PVV), Teun van Dijck (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hypotheekkeurslijf nekt starters en senioren»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat is er de reden van dat dertien van de 23 geldverstrekkers het bewust laten afweten op het gebied van maatwerk?
Het platform maatwerk heeft in 2017 onderzoek gedaan naar het gebruik van maatwerk bij hypotheekverstrekking2. Hieruit kwam naar voren dat kredietverstrekkers verschillende factoren meewegen bij het bepalen of zij maatwerk willen aanbieden. Een deel van de kredietverstrekkers gaf aan zich bewust te richten op standaardhypotheken of hypotheken die verstrekt worden met een Nationale Hypotheek Garantie. Daarnaast speelt soms de wijze waarop de kredietverstrekker de hypotheekportefeuille financiert een rol (de funding) en de mate waarin de acceptatie is uitbesteed. Ten slotte gaven kredietverstrekkers en hypotheekadviseurs aan dat het leveren van maatwerk extra kosten met zich meebrengt en dat dit meespeelt bij de afweging om al dan niet maatwerk aan te bieden.
Wat vindt u ervan dat geldverstrekkers bewust geen hypotheken verstrekken aan starters en senioren die hierdoor vaak geen kant op kunnen?
Ik heb geen aanwijzingen dat kredietverstrekkers bewust geen hypotheken verstrekken aan starters of senioren. Er zijn wel hypotheekverstrekkers die om verschillende redenen geen maatwerk aanbieden. Kredietverstrekkers kunnen zelf bepalen of zij alleen standaardhypotheken aanbieden of ook maatwerk leveren. Dit is veelal een commerciële afweging.
De hypotheeknormen beogen overkreditering te voorkomen. Het kan in specifieke situaties onverantwoord zijn om een hypothecair krediet af te sluiten. Ik zou het onwenselijk vinden als senioren en starters geen toegang hebben tot een hypothecair krediet als dit wel verantwoord is. Hiervan is echter geen sprake. Vereniging Eigen Huis (VEH) constateert in het onderzoek dat 43% van de ondervraagde kredietverstrekkers maatwerk biedt. Starters en senioren hebben derhalve keuze om een maatwerkhypotheek af te sluiten.
Bent u ervan op de hoogte dat geldverstrekkers die over het algemeen wel maatwerk leveren, dit soms niet doen uit angst om de regels te overtreden? Deelt u de mening dat de tot nu toe genomen maatregelen, zoals het Platform maatwerk, niet tot verbetering hebben geleid? Zo nee, waarom niet?
Vorig jaar is door het platform maatwerk geconstateerd dat het in specifieke situaties bij kredietverstrekkers onduidelijk was wanneer maatwerk verantwoord is. Het ging om senioren met een aflossingsvrije hypotheek en senioren die wilden verhuizen naar een goedkopere koopwoning en daarbij soms belemmerd werden door de inkomenstoets. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft in reactie hierop verduidelijkt wanneer maatwerk verantwoord kan zijn.
De uitkomsten van het platform worden momenteel met de sector geëvalueerd. Ik zal u voor de zomer hierover informeren. Mijn eerste beeld is dat nu voldoende duidelijkheid bij kredietverstrekkers bestaat en dat de uitkomsten van het platform maatwerk tot significante verbeteringen hebben geleid. In de berichtgeving wordt verwezen naar een onderzoek van VEH naar het gebruik van maatwerk. Ik heb de resultaten van het onderzoek met VEH besproken. Volgens mijn informatie komt uit dit onderzoek niet naar voren dat kredietverstrekkers bang zijn om de regels te overtreden en laten de uitkomsten zien dat het platform tot verbeteringen geleid heeft.
Deelt u de mening dat de strengere hypotheekregels ertoe hebben geleid dat er minder ruimte is voor maatwerk, waardoor vooral starters en senioren in een gedwongen keurslijf zitten? Zo nee, waarom niet?
De regelgeving beschermt de consument tegen overkreditering. Tegelijkertijd is er maatwerk mogelijk indien dit verantwoord is. In het platform is besproken hoe mogelijkheden daadwerkelijk benut kunnen worden. De uitkomsten van het platform hebben geleid tot aanpassingen bij kredietverstrekkers en een flink aantal biedt nu maatwerk aan.
Wanneer gaat u nu eindelijk eens iets aan de woningmarkt doen en ervoor zorgen dat geldverstrekkers meer gebruik kunnen maken van maatwerk, zodat ook starters en senioren een huis kunnen kopen?
Het platform maatwerk heeft knelpunten rondom maatwerk bij hypotheekverstrekking onderzocht. Naar aanleiding van de uitkomsten van het platform is de regelgeving op punten aangepast en verder verduidelijkt. Momenteel evalueer ik de uitkomsten van het platform maatwerk met de sector. Ik zal u hier voor de zomer over informeren.
Deelt u de mening dat het van de zotte is dat iemand voor de aanvraag van een hypotheek afhankelijk is van degene die de aanvraag behandelt? Zo nee, waarom niet? Wat bent u voornemens aan deze willekeur te doen?
De meeste kredietverstrekkers laten een hypotheekaanvraag achtereenvolgens beoordelen door twee verschillende acceptanten. Dit verkleint de kans op fouten tijdens het acceptatieproces en draagt bij aan een voorspelbare beoordeling. In het geval van individueel maatwerk hebben acceptanten minder harde acceptatiekaders en daardoor meer vrijheid in de beoordeling. Dit kan er toe leiden dat er binnen een acceptatieafdeling, in het geval van maatwerk, door verschillende acceptanten anders gekeken kan worden naar wat in een individuele situatie verantwoord is. Ik ben hierover met de sector in gesprek in bijeenkomsten van het platform hypotheken, waar de uitkomsten van het platform maatwerk besproken worden. Mijn eerste beeld daarbij is niet dat er sprake is van willekeur. Beoordelingen van maatwerkaanvragen vinden plaats op onderbouwde wijze binnen wettelijke en interne kaders. Kredietverstrekkers dienen een verantwoord krediet te verstrekken. De AFM ziet hier op toe.
Het bericht ‘Kindcentra krijgt 'extra punten' in Den Bosch’ |
|
Chantal Nijkerken-de Haan (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kindcentra krijgt «extra punten» in Den Bosch»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het nieuwe aanmeldingsbeleid van SSPOH2 in Den Bosch? Hoe beoordeelt u het voorgestelde? Deelt u de mening dat ouders vrij moeten zijn in de keuze van dagopvang voor hun kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u het voorgestelde nieuwe aanmeldingsbeleid van de SSPOH dat ouders kan beïnvloeden in hun keuze voor opvang?
Ondertussen heb ik begrepen dat het voorgestelde aanmeldbeleid in Den Bosch is aangepast als reactie op het lokale debat. Daarmee hebben de schoolbesturen gehoor gegeven aan de door verschillende partijen geuite zorgen.3
Vrije schoolkeuze is een groot goed. Zoals in de beantwoording van de vragen van het lid Straus (VVD) van 10 oktober 20164 en de vragen van het lid Van Meenen (D66) van 29 november 20165 is aangegeven, kunnen schoolbesturen, binnen de grenzen van wet- en regelgeving6, onder meer in overeenstemming met hun richting en inrichting, voorrangscriteria hanteren, als zij deze consistent toepassen en er transparant over communiceren. Het kan voorkomen dat ouders of andere direct belanghebbenden zich niet in het aanmeldbeleid voor een school kunnen vinden. Dan kunnen zij, zoals in Den Bosch is gebeurd, in gesprek met het schoolbestuur of kunnen ze een klacht indienen. Mocht dit niet tot een oplossing leiden dan kunnen zij de gehanteerde criteria ter beoordeling voorleggen aan de onafhankelijke rechter.
Deelt u de mening dat het niet aan de basisschool is om op een dergelijke manier sturing te geven aan de keuze van ouders voor dagopvang door ouders?
Zoals ik hiervoor heb aangegeven is vrije keuze een groot goed. Als ouders vinden dat zij in hun vrijheid voor het kiezen van een school of dagopvang worden beperkt door het aanmeldbeleid voor een school, dan zijn er verschillende opties om hier uiting aan te geven. Deze opties kunnen, zoals in het geval van Den Bosch, leiden tot aanpassing van het aanmeldbeleid. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het «belonen» met punten van bepaalde kinderopvangcentra, daarnaast kan leiden tot oneerlijke concurrentie tussen kindcentra? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is er inmiddels sprake van een aangepast voorgenomen aanmeldbeleid van de gezamenlijke schoolbesturen in Den Bosch. Ik vind het positief dat de gezamenlijke schoolbesturen hebben geluisterd naar signalen vanuit ouders en de kinderopvangsector.
Bent u bereid om met instanties in gesprek te gaan om te waarborgen dat alle kinderen eerlijke kansen krijgen om op een basisschool van keuze te komen, ongeacht welke dagopvang er door de ouders gekozen wordt?
Hier zie ik geen aanleiding toe, zie het antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Visueel gehandicapten die opeens een veel hogere bijdrage voor vervoer naar werk moeten betalen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zicht op zelfstandige toekomst in gevaar door hoge eigen bijdrage»1, waaruit blijkt dat de eigen bijdrage voor woon-werkverkeer voor visueel gehandicapten veel hoger wordt als er net iets meer verdiend wordt?
Ja.
Bent u bereid dit probleem op te lossen, bijvoorbeeld door de vergoeding van de kosten woon-werkvervoer voor gehandicapten vanaf een modaal inkomen geleidelijker af te bouwen, zodat mensen met een handicap niet opeens met zo veel hogere kosten worden geconfronteerd?
Werkvoorzieningen zijn voorzieningen die iemand nodig heeft om zijn werk te kunnen doen ondanks een handicap. Werkvoorzieningen zijn daarmee een belangrijk onderdeel van de inzet van het kabinet op arbeidsparticipatie van mensen met een beperking en een inclusieve arbeidsmarkt.
De werkvoorzieningen in het kader van WIA en Wajong worden verstrekt door het UWV. Hierbij geldt dat het UWV de kosten vergoedt boven wat algemeen gebruikelijk wordt geacht. Wat de algemeen gebruikelijke kosten zouden zijn zonder handicap is de eigen bijdrage. Het UWV gaat bij de bepaling van de algemeen gebruikelijke kosten uit van richtlijnen voor validiteit en inkomen zoals gesteld in het Re-integratiebesluit. De normbedragen voor eigen bijdragen en inkomensgrenzen worden jaarlijks aangepast aan de prijsontwikkeling en gepubliceerd in het zogenoemde normbedragenbesluit.
Voor de vervoersvoorziening in het bijzonder geldt een eigen bijdrage voor taxivervoer of aangepast eigen vervoer op basis van de algemeen gebruikelijke reiskosten per kilometer. De gemiddelde kosten die een burger in Nederland maakt voor woon/werkverkeer zijn de norm voor de eigen bijdrage. De kosten van een kilometer openbaar vervoer zijn berekend op 0,14 cent; de kosten van het bezit en gebruik van een auto op 0,49 cent per kilometer. Boven een jaarlijks gezinsinkomen van 37.238,34 euro (2018) wordt het bezit van een eigen auto algemeen gebruikelijk geacht en geldt de bijbehorende hogere eigen bijdrage. Daarbij denkt UWV in het persoonlijk contact actief met de klant mee over alternatieve (goedkopere) mogelijkheden voor vervoer en ondersteuning in de specifieke situatie. Een verzachting van de inkomenseffecten via geleidelijke verhoging van de eigen bijdrage zoals voorgesteld, betekent dat stapjes rondom de huidige algemeen gebruikelijke norm worden geïntroduceerd. Een dergelijke aanpassing gaat gepaard met wijziging van regelgeving, een complexere uitvoering en hogere kosten voor de lagere modale inkomens. Daarvoor is niet gekozen.
De dalende belastingdruk op multinationals |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Multinationals pay lower taxes than a decade ago»1?
Ja.
Erkent u dat het niet uit te leggen is dat de effectieve belastingdruk van grote multinationals steeds verder daalt, terwijl de lasten voor burgers juist zijn toegenomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het met de vragensteller eens dat het van belang is dat multinationals net zoals alle belastingplichtigen voldoende belasting afdragen. Ook multinationals profiteren immers van de publieke voorzieningen die vanuit belastingen worden gefinancierd. In mijn brief van 23 februari jl. beschrijf ik mijn beleidsinzet om belastingontwijking actief aan te pakken. In deze brief kondig ik een groot aantal maatregelen aan om de belastinggrondslag van zowel Nederland als andere landen te beschermen en de transparantie en integriteit van financiële markten te vergroten. Volgens het artikel in de Financial Times betalen voornamelijk Amerikaanse multinationals te weinig belasting over hun winsten behaald buiten de VS. Los van de precieze cijfers en beelden uit dit artikel zal de implementatie van ATAD 2 per 2020 – die ook in eerder genoemde brief wordt aangekondigd – hier voor een belangrijk deel een eind aan maken. Deze richtlijn bestaat uit maatregelen om te voorkomen dat belastingplichtigen gebruik kunnen maken van structuren waarbij door kwalificatieverschillen tussen belastingstelsels (zogenoemde ‘hybridemismatches’) de belasting in Nederland of in een ander land wordt ontweken. Met de implementatie van ATAD 2 zal onder meer de aantrekkelijkheid van de CV/BV-structuur worden beëindigd.
Hoe heeft de effectieve belastingdruk voor multinationals zich in Nederland ontwikkeld sinds het jaar 2000? Bent u bereid dit te onderzoeken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De effectieve druk is het bedrag aan belasting dat multinationals betalen in verhouding tot hun commerciële (wereld)winst. Deze gegevens zijn niet in het bezit van de Belastingdienst. Er zal dan ook een separaat onderzoek nodig zijn, wat gepaard zal gaan met de nodige afbakenings- en definitiediscussies, wat de interpretatie van de resultaten als die al op te stellen zijn, zal bemoeilijken.
Wat wel beschikbaar is, zijn gegevens over de ontwikkeling van de vennootschapsbelasting (Vpb) zoals weergegeven in de Miljoenennota 2018. Uit deze publicatie blijkt dat zowel van het grootbedrijf als het mkb de winsten volatiel zijn. Uit aangiftegegevens blijkt dat de aandelen van het grootbedrijf en het MKB in de vpb-opbrengst in de jaren 2008–2016 vrij constant zijn gebleven. Vanaf 2014 zijn de totale vpb-ontvangsten flink aangetrokken, wat geen verschuiving tussen groot- en kleinbedrijf teweeg heeft gebracht. Wel neemt het aandeel van de financiële sector de afgelopen jaren toe. Op basis van deze gegevens kan gesteld worden dat het herstel van de winsten in deze sector langer heeft geduurd na de financiële crisis. Het aandeel van de vpb-ontvangsten over de gasproductie is sterk teruggelopen de afgelopen jaren door de lagere gasproductie. 2)
In mijn eerder genoemde brief van 23 februari schrijf ik dat er EU-voorstellen zijn over een publiekeCountry-by-Country Reporting voor grote internationaal opererende bedrijven om voor het publiek zichtbaar te maken op welke wijze multinationals in de EU hun belastingverplichtingen nakomen. Dit voorstel houdt in dat multinationals met een wereldwijde omzet van meer dan € 750 miljoen jaarlijks informatie moeten publiceren over de winst of verlies voor belastingen, de verplichtingen op het gebied van winstbelastingen en de betaalde winstbelastingen (en verder over de aard van hun activiteiten, het aantal werknemers, de netto-omzet, en de gecumuleerde winst). Nederland heeft in Brussel actief geparticipeerd met als doel om tot een akkoord te komen. Door in te zetten op publieke CBC in Europees verband ontstaat er zo een brede benchmark.
Erkent u dat de belastingwedloop – het almaar verlagen van tarieven en het versmallen van de grondslag – debet is aan deze ontwikkeling? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is niet voornemens om maatregelen zoals afschaffing van de dividendbelasting en het verlagen van de statutaire tarieven in de Vpb te heroverwegen. Het kabinet neemt zowel maatregelen om een aantrekkelijk investeringsklimaat voor reële activiteiten van ondernemingen te borgen als maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan. Zo wordt de dividendbelasting afgeschaft maar worden daarnaast bronbelastingen op rente- en royaltystromen naar zogenoemde ‘low tax jurisdicties’ geïntroduceerd. Ook worden de statutaire Vpb-tarieven weliswaar verlaagd naar een niveau zoals we dat ook kennen uit de Scandinavische landen en rond het EU-gemiddelde, maar dit wordt – in de structurele situatie – hoofdzakelijk gefinancierd door grondslagverbreding. Met deze maatregelen wordt het stelsel economisch minder verstorend, terwijl de kabinetsinzet niet bijdraagt aan schadelijke belastingconcurrentie als het gaat om de Vpb-inkomsten. Ik herken mij daarom niet in de door u gesuggereerde trend van versmalling van de grondslag.
Bent u bereid om de maatregelen die bijdragen aan die wedloop van dit kabinet – zoals de afschaffing van de dividendbelasting, de verlaging van de winstbelasting – in te trekken?
Zie antwoord vraag 4.
Welke rol spelen de internationale verrekenprijzen in de almaar lagere belastingdruk op multinationals? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het kader van het Base Erosion and Profit-Shifting-project zijn – met het oog op de bestrijding van belastingontwijking – de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen aangepast. Het doel is te voorkomen dat via de prijsstelling van transacties winsten kunnen worden verschoven naar landen waar de waarde niet is gecreëerd. Toepassing van het arm’s-lengthbeginsel kan ertoe leiden dat de fiscale winst op basis van het arm’s-lengthbeginsel opwaarts of neerwaarts wordt bijgesteld. In het bijzonder dat laatste effect kan knellen met het oog op de door het kabinet beoogde aanpak van belastingontwijking. Daarom heb ik in eerder genoemde brief van 23 februari aangekondigd onderzoek te doen naar deze implicatie van het arm’s-lengthbeginsel in de winstbelasting.
Wat gaat u doen om de race naar beneden van de winstbelasting, die het gevolg is van de internationale belastingwedloop, te stoppen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4 en 5.
Het bericht ‘Hypotheekkeurslijf nekt starters en senioren’ |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hypotheekkeurslijf nekt starters en senioren»?1 Wat is uw reactie hier op?
Ik ben bekend met dit artikel en herken het beeld dat er verschillen zijn tussen kredietverstrekkers in de mate waarin zij maatwerk toepassen.
Deelt u de mening dat het belangrijk is voor starters en senioren om een eigen huis te kunnen financieren en dat maatwerkhypotheken in het bijzonder voor die groepen een uitweg kunnen bieden? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat consumenten toegang hebben tot verantwoorde hypotheekverstrekking. De hypotheeknormen in de Regeling Hypothecair Krediet beschermen consumenten tegen overkreditering. In individuele gevallen kan een hogere hypotheek, dan op basis van de hypotheeknormen is toegestaan, verantwoord zijn. Om deze reden biedt de Regeling Hypothecair Krediet kredietverstrekkers ruimte om in individuele gevallen middels maatwerk (de zogeheten explainmogelijkheid) van de inkomensnormen af te wijken. Ook voor starters en senioren kan dit in individuele gevallen verantwoord zijn. Het platform maatwerk heeft in 2017 onderzoek gedaan naar maatwerk bij hypotheekverstrekking en geconstateerd dat starters en senioren in bepaalde situaties tegen belemmeringen aanlopen2. Met de sector zijn hier toen oplossingsrichtingen voor uitgewerkt.
In hoeverre zijn de regels rondom maatwerk bekend bij hypotheekverstrekkers en hypotheekadviseurs?
Vorig jaar is tijdens het platform maatwerk geconstateerd dat het in specifieke klantsituaties bij kredietverstrekkers onduidelijk was wanneer maatwerk verantwoord is. Dit betrof senioren met een aflossingsvrije hypotheek en senioren die willen verhuizen naar een goedkopere koopwoning en daarbij soms belemmerd worden door de inkomenstoets. De Autoriteit Financiële Markten heeft in reactie hierop de eerder genoemde verduidelijking opgesteld. Kredietverstrekkers hebben aangegeven tevreden te zijn met deze verduidelijking. Daarnaast is geconstateerd dat de bepaling over de toetsrente in de Regeling Hypothecair Krediet belemmerend kan zijn voor senioren die een hypotheek afsluiten met een kortlopend leningdeel. De Regeling Hypothecair Krediet is op dit punt aangepast.
De uitkomsten van het platform worden momenteel geëvalueerd. Mijn eerste beeld is dat er nu voldoende duidelijkheid is bij kredietverstrekkers en dat de uitkomsten van het platform maatwerk tot significante verbeteringen geleid hebben.
In de berichtgeving wordt verwezen naar een onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH) naar het gebruik van maatwerk. Ik heb de resultaten met VEH besproken. Volgens mijn informatie komt uit het onderzoek niet naar voren dat kredietverstrekkers bang zijn om de vastgestelde richtlijnen onjuist toe te passen. VEH bevestigt daarnaast dat een aantal kredietverstrekkers nu meer ruimte biedt voor maatwerk, onder meer in de specifieke situaties waarin onduidelijkheid bestond.
Wat is uw reactie op de resultaten van het onderzoek van de Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat een groot deel van de hypotheekverstrekkers de ruimte die de Autoriteit Financiële Markten (AFM) sinds 2013 biedt voor maatwerk onvolledig benut, in het bijzonder als het gaat om senioren en starters?
Tijdens het platform maatwerk is onderzoek gedaan naar het gebruik van maatwerk. Kredietverstrekkers kunnen zelf bepalen of zij alleen standaardhypotheken aanbieden of ook maatwerk leveren. Dit is veelal een commerciële afweging. Een deel van de kredietverstrekkers gaf aan zich bewust te richten op standaardhypotheken. Daarnaast speelt de wijze waarop de kredietverstrekker de hypotheekportefeuille financiert een rol (de funding) en de mate waarin de acceptatie is uitbesteed. Ten slotte gaven kredietverstrekkers en hypotheekadviseurs aan dat het leveren van maatwerk extra kosten met zich meebrengt en dat dit meespeelt bij de afweging om al dan niet maatwerk aan te bieden.
De uitkomsten van het platform worden momenteel geëvalueerd. De Kamer zal voor de zomer over de uitkomsten worden geïnformeerd.
Is het waar dat hypotheekverstrekkers terughoudend zijn met maatwerk voor huizenkopers uit angst voor het onjuist toepassen van de vastgelegde richtlijnen? Is de door de AFM gepubliceerde verduidelijking ontoereikend geweest?2 Zo ja, zou u de AFM willen vragen nieuwe, toereikende verduidelijkingen te publiceren?
Zie antwoord vraag 3.
Welke stappen kunt u nog zetten om maatwerk voor onder andere starters en senioren verder te stimuleren?
Zie antwoord vraag 3.
De berichten dat oude diesels niet meer welkom zijn in Arnhem en Maastricht |
|
Martijn van Helvert (CDA), Maurits von Martels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u de berichten gelezen dat oude diesels niet meer welkom zijn in Arnhem en Maastricht?1 2 3
Ja.
Kunt u aangeven hoe zich dit verhoudt tot hetgeen in het regeerakkoord ten aanzien van milieuzones is afgesproken?
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb gemeld (Kamerstuk 30 175, nr. 289), wil ik concrete afspraken maken over de harmonisatie van milieuzones met gemeenten, waaronder Arnhem en Maastricht, en de VNG.
Ik vind het van groot belang dat er één helder landelijk vastgesteld systeem komt, dat effectief stuurt op het reduceren van luchtverontreinigende stoffen en eenvoudig is voor de automobilist. Het blijft de bevoegdheid van de gemeente om te bepalen of en waar een milieuzone wordt ingevoerd en in hoeverre deze proportioneel is als maatregel om luchtkwaliteit te verbeteren.
Deelt u de visie dat een wirwar van gemeentelijke milieuzones dreigt te ontstaan, nu Maastricht met een milieuvignet vervuilende auto’s wil weren?
Ik ben met gemeenten, waaronder Maastricht en Arnhem, in gesprek over harmonisatie van de milieuzone en de wijze van handhaving. Uitgangspunt daarbij is om te komen tot een eenduidig en herkenbaar systeem van milieuzones.
Kunt u aangeven wanneer een landelijke indeling van categorieën van vervuilende auto’s te verwachten is en hoe die indeling in hoofdlijnen zal zijn?
Voor de zomer wil ik tot concrete afspraken komen. Ik wil hierbij gebruik maken van de kennis en ervaringen van onze buurlanden.
Kunt u ook aangeven hoe en wanneer een uniforme bebording ingevoerd kan worden, zodat verwarring over de strekking van bebording bij gemeentelijke milieuzones tot het verleden gaat behoren?
Om de uniforme bebording te regelen, is een aanpassing van het RVV nodig. Het veranderen hiervan kost tijd. Ik verwacht dat dit uiterlijk 1 januari 2020 is geregeld. Ik wil afspraken met gemeenten maken hoe we de harmonisatie tot die tijd gezamenlijk kunnen vormgeven.
Kunt u aangeven hoe de uitspraak van de Minister-President dat het voornemen van de gemeente Arnhem om de milieuzone in te stellen niet verstandig is vanwege economische schade, kan worden geduid?
De gemeente weegt bij de instelling van een milieuzone de verschillende belangen, zoals luchtkwaliteit, leefbaarheid en economische gevolgen tegen elkaar af.
Deelt u de uitspraken van de Minister-President dat de milieuzone ten koste van de economie en banen gaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om spoedig met de gemeenten in overleg te treden om de versnippering van de aanpak, kort voor de invoering van een landelijke werkwijze, te voorkomen?
Ja, ik wil voor de zomer concrete afspraken maken met gemeenten over de harmonisatie van milieuzones.
Deelt u de visie dat het volstrekt onacceptabel zou zijn als buitenlandse automobilisten eventuele boetes niet zouden betalen?
Ja, het boeteregime zou voor iedereen gelijk moeten zijn.
Bent u bereid met de betrokken gemeenten te bezien hoe de inning van buitenlandse boetes verbeterd kan worden aangezien het inningspercentage gemiddeld slechts circa 75% procent.
Ja, ik ben daartoe bereid.