Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Is reeds uitgewerkt hoe bij deze ontwikkelingen wordt geborgd dat geen verslechtering van de ecologische of chemische toestand van de betrokken waterlichamen optreedt?1
Is inzichtelijk gemaakt hoe deze plannen zich verhouden tot het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) richting 2027, op waterlichaamniveau?
En op welk moment in het besluitvormings- en vergunningentraject vindt de expliciete EU-rechtelijke KRW-toets plaats?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Water van 2 februari aanstaande?
Het bericht ‘2026 begint rampzalig voor treinreizigers: chaos op het spoor door hevige sneeuw, storingen bij wissels en IT-perikelen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «2026 begint rampzalig voor treinreizigers: chaos op het spoor door hevige sneeuw, storingen bij wissels en IT-perikelen»?1
Acht u het (maatschappelijk) acceptabel dat het treinverkeer vaak deels of zelfs volledig plat lag en ligt? Zo ja, waarom?
Klopt het dat u met ProRail in het kader van basiskwaliteitsniveau spoor (BKN) heeft afgesproken dat de helft van de wisselverwarmingen uit kan om geld te besparen? Hoeveel geld wordt met dit besluit bespaard? Welke maatschappelijke kosten/baten-afweging ligt daaraan ten grondslag?
Is het aantal wisselverwarmingen dat deze winter is uitgezet conform het beleid van BKN? Indien is afgeweken van BKN, wat was daarvan de reden?
Is het uitzetten van de wisselverwarmingen deze winter gebeurd met instemming van de vervoerders? Zo nee, wat waren de bezwaren van deze vervoerders?
Kunt u een grove inschatting maken van de verergering van de problemen op het spoor door dit besluit? Kunt u tevens een inschatting maken van de totale (maatschappelijke) kosten van de spoorproblemen deze winterdagen en van de (maatschappelijke) kosten van de verergering door het uitzetten van een deel van de wisselverwarmingen?
In hoeverre was mankracht een bottleneck in het oplossen van de storingen? Was er voldoende opgeleid reservepersoneel beschikbaar om storingen snel te verhelpen? Zo nee, bent u bereid om hier afspraken over te maken en daarvoor ook voldoende middelen beschikbaar te stellen?
Op welke manier gaat u lessen trekken uit de grote problemen op het spoor en hoe deze (deels) voorkomen hadden kunnen worden, bijvoorbeeld als het gaat over de IT-problemen, de bereikbaarheid van de reisplanner en de keuze om al dan niet met een winterdienstregeling te rijden?
Bent u het eens met de oproep van Rover om te zorgen voor eerlijke reisinformatie, in plaats van met steeds verschillende prognoses te komen die zo voor onduidelijkheid zorgen?2 Bent u bereid om hier met de vervoerders afspraken over te maken? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op het besluit van diverse busvervoerders om de dienstregeling voor dagen of dagdelen plat te leggen? Acht u dat maatschappelijk acceptabel? Bent u het eens dat een basisdienstregeling moet blijven bestaan, ook als reizigers wordt afgeraden te reizen? Zo nee, waarom niet?
Zou u deze vragen willen beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van Infrastructuur en Waterstaat?
De compensatieregeling vuurwerkbranche |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de «compensatieregeling» voor ondernemers uit de vuurwerkbranche die gedwongen moeten stoppen in verband met het verbod op consumentenvuurwerk?
Hoe verhoudt het ontbreken van een goede compensatie zich tot uw eerdere publieke uitspraken waarin u stelde te «streven naar een nette en eerlijke compensatie»?
Hoe beoordeelt u het risico dat honderden ondernemers failliet dreigen te gaan, omdat zij worden geconfronteerd met het verbod, maar noch kunnen overstappen op andere bedrijfsmodellen, noch hun investeringen kunnen terugverdienen?
Wordt de schade voor vuurwerkondernemers die hebben geïnvesteerd in inpandige bunkers, externe opslaglocaties en zware veiligheidsvoorzieningen, gecompenseerd, aangezien deze investeringen door het verbod waardeloos worden? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt in de compensatieregeling omgegaan met ondernemers die nog voor meerdere jaren vastzitten aan langdurige huurcontracten, terwijl zij geen inkomsten meer kunnen genereren uit de verkoop van vuurwerk?
Bent u bereid om in de compensatieregeling een aparte component op te nemen voor transitievergoedingen die moeten worden betaald aan personeel dat vanwege het verbod moet worden ontslagen?
Bent u van mening dat het eerlijk is om het verdienmodel van ondernemers af te nemen en om hen vervolgens te compenseren met slechts een percentage van de jaaromzet?
Deelt u de mening dat wetgeving die ondernemers dwingt hun (kern)activiteit te beëindigen zonder adequate compensatie, op gespannen voet staat met de rechtsstaat, het eigendomsrecht en de beginselen van behoorlijk bestuur?
Bent u bekend met het amendement van het lid Michon-Derkzen (Kamerstuk 35 386, nr. 16) dat voorschrijft dat het ontwerp-koninklijk besluit tot inwerkingtreding van de wet via een zware voorhangprocedure aan de Staten-Generaal moet worden voorgelegd?
Deelt u de opvatting dat het amendement duidelijk stelt dat voor inwerkingtreding van de wet een «eerlijke en nette compensatieregeling» moet zijn vastgesteld in afstemming met de vuurwerkbranche? Zo ja, kunt u toelichten welke criteria u hanteert om te beoordelen of aan deze voorwaarde is voldaan?
Erkent u dat het ontbreken van een volledige compensatieregeling betekent dat de wet, conform de voorwaarden van het amendement, niet in werking kan treden? Zo nee, waarom niet?
Wanneer kunnen de Kamer en de branche een volledig uitgewerkte compensatieregeling verwachten die voldoet aan de voorwaarden van het amendement, inclusief een sluitende financiële dekking?
Kunt u uiterlijk op 1 februari 2026 bevestigen dat er voldoende budget beschikbaar is voor de compensatieregeling? Zo nee, bent u dan bereid tot uitstel van de invoering van de wet, totdat er voldaan is aan een eerlijke en nette compensatieregeling?
Het dodelijke bedrijfsongeval van spoorwerker Murat Kumas en het gebrek aan communicatie richting de nabestaanden |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Spoorwerker Murat (47) zou eigenlijk vrij zijn, maar ging toch werken: het werd zijn laatste werkdag»?1
Ja, daar ben ik bekend mee. Het tragische ongeval heeft diepe sporen nagelaten bij de nabestaanden, betrokken spoormedewerkers en collega’s. Ik leef met hen mee. De familie heeft van mij ook bloemen gekregen als teken van medeleven.
Hoe beoordeelt u dat de familie Kumas wekenlang geen medeleven, informatie of vaste contactpersoon kreeg van ProRail, terwijl ProRail publiekelijk stelt dat het ongeval «diepe indruk» maakte?
Ik vind het verdrietig te horen dat de familie Kumas de ervaring heeft dat ze vanuit ProRail wekenlang geen medeleven of informatie heeft ontvangen. ProRail heeft mij laten weten na het ongeval direct ter plaatse te zijn gegaan en aanwezig te zijn geweest bij het begrafenisgebed. Tegelijkertijd geeft ProRail ook aan dat de communicatie daarna niet verlopen is zoals de familie van hen had mogen verwachten. Er was helaas sprake van interne miscommunicatie waardoor persoonlijk contact opnemen met de familie langer heeft geduurd dan nodig was. ProRail geeft aan dat recent contact is opgenomen met de nabestaanden voor een persoonlijk gesprek.
Ik vind het belangrijk dat ProRail bij dit soort trieste gebeurtenissen contact zoekt en onderhoudt met de nabestaanden al naar gelang de wens van de nabestaanden. Ik betreur dat dat in dit geval niet voldoende is gebeurd. ProRail heeft bevestigd dat de communicatie met de nabestaanden van de heer Kumas niet goed is gegaan en zij heeft mij verzekerd dat zij er alles aan zal doen zodat een dergelijke situatie bij een onverhoopte volgende keer niet meer voor gaat komen, zie ook het antwoord op vraag 3.
Welke protocollen gelden voor communicatie met nabestaanden na een dodelijk bedrijfsongeval in de spoorsector, en zijn deze protocollen door ProRail en de betrokken aannemer nageleefd?
ProRail geeft aan dat zij geen protocol heeft dat gaat over communicatie richting nabestaanden van werknemers van opdrachtnemers of aannemers. Op dit moment is dit alleen voor medewerkers van de eigen organisatie geregeld. Een dergelijk ongeval als Malden gebeurt zeer zelden. ProRail constateert en leert dat het verloop van de communicatie na het ongeval Malden vraagt om bezinning. Een protocol kan een oplossing zijn om zorgvuldiger en adequater te communiceren richting nabestaanden. Op dit moment verkent ProRail de mogelijkheden om op korte termijn een passende werkwijze in te richten die overeenkomt met het medeleven en betrokkenheid van ProRail en daar in het vervolg naar te handelen.
Op dit moment heeft het ministerie geen beeld van het protocol en de naleving daarvan bij de betrokken aannemer.
Wat is de minimale veiligheidsafstand tussen spoorvoertuigen, hoe wordt deze gehandhaafd, en hoe is het mogelijk dat deze norm op 7 november kennelijk niet is nageleefd?
Er is geen generiek vastgestelde minimale afstand van voertuigen binnen buitendienststellingen. Risico-afwegingen met betrekking tot voertuigbewegingen worden gemaakt in de voorbereiding van de uitvoering van een project en worden beschreven in het Veiligheid en Gezondheidsplan uitvoering (V&G plan) en de bijbehorende Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) die door de aannemer worden opgesteld. Op de vraag hoe dit specifiek voor het spoorwerk rond Malden was geregeld, kan op dit moment geen antwoord worden gegeven, omdat het onderzoek naar dit ongeval nog loopt.
Is tijdens en na spoorwerkzaamheden altijd een veiligheidscoördinator aanwezig voor toezicht op rijdende voertuigen, en wie vervulde die rol tijdens het ongeval van Murat Kumas?
Bij buitendienststellingen zijn altijd een of meerdere veiligheidsfunctionarissen aanwezig. De veiligheidsorganisatie voor de uitvoering van de werkzaamheden is de verantwoordelijkheid van de aannemer. Het is aan de aannemer om dit in te richten. Op de vraag hoe dit specifiek voor de werkzaamheden rond Malden was geregeld, kan op dit moment geen antwoord worden gegeven, omdat het onderzoek naar dit ongeval nog loopt.
Wie is formeel verantwoordelijk voor de coördinatie en veilige beweging van voertuigen na afronding van werkzaamheden, en hoe wordt geborgd dat alle medewerkers weten waar de veiligheidsregie ligt?
Voor alle werkzaamheden wordt een veiligheidsorganisatie ingericht door de aannemer. De inrichting is gebaseerd op brancheregelgeving opgesteld onder regie van stichting RailAlert. Verder worden op basis van een risico-inventarisatie beheersmaatregelen bepaald door de aannemer. Zo ook voor voertuigbewegingen in een buitendienststelling en de bijbehorende veiligheidsorganisatie. Op de vraag hoe dit specifiek voor Malden was geregeld, kan op dit moment geen antwoord worden gegeven, omdat het onderzoek naar dit ongeval nog loopt.
Zijn bij dit type werkzaamheden altijd werknemers aanwezig die bevoegd zijn om eerste hulp te verlenen, welke normen gelden hiervoor, en was dit op 7 november adequaat geregeld?
Bij werkzaamheden is altijd een calamiteitenplan inclusief een bedrijfshulpverleningsorganisatie geregeld. Op de vraag hoe dit specifiek in dit geval was geregeld, kan op dit moment geen antwoord worden gegeven, omdat het onderzoek naar dit ongeval nog loopt.
Wie is verantwoordelijk voor onderhoud en keuring van werktuigen zoals hoogwerkers en graafmachines, hoe wordt dit gecontroleerd, en kunt u uitsluiten dat defect materieel een rol speelde?
Machines hebben verplicht een machinecertificaat afgegeven door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport (TCTV). De certificering is onderdeel van een kwaliteitssysteem waar jaarlijks op gecontroleerd en/of gekeurd wordt. Op de vraag of defect materieel bij het ongeval een rol speelde kan op dit moment geen antwoord worden gegeven, omdat het onderzoek nog loopt.
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar zowel de veiligheidspraktijk als de communicatie met nabestaanden binnen ProRail en de aannemersketen, en te waarborgen dat de familie volledig inzicht krijgt in de toedracht en aanbevelingen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) doet onder gezag van het Openbaar Ministerie (OM) een strafrechtelijk onderzoek, waarin de toedracht van het ongeval wordt onderzocht. Hierbij komt ook de veiligheidspraktijk aan bod. Familie-inspecteurs van de NLA onderhouden hierover contact met de nabestaanden, zij informeren de familie over het proces. Ook brengen zij familie desgewenst in contact met gespecialiseerde hulpinstanties, zoals Slachtofferhulp Nederland. Zij kunnen geen inhoudelijke informatie over een lopend onderzoek verstrekken. Wanneer het onderzoek is afgerond, wordt het dossier overgedragen aan het Functioneel Parket (FP) van het OM. Vanaf dat moment wordt de begeleiding van de nabestaanden overgenomen door het slachtofferloket van het FP. De Officier van Justitie kan dan besluiten over het delen van inhoudelijke informatie over het onderzoek aan de nabestaanden.
Voor een onderzoek naar de communicatie met de nabestaanden binnen ProRail en de aannemersketen zie ik geen rol van het ministerie. Het is aan deze partijen zelf om te bepalen hoe zij dit inrichten. Wel vind ik het goed te horen dat ProRail hun werkwijze gaat evalueren, zie ook het antwoord op vraag 3.
Het bericht 'Rijkswaterstaat en ProRail slaan alarm: 'Achterstand onderhoud meer dan 50 miljard’' |
|
Björn Schutz (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Tieman , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL Nieuws waarin ProRail en Rijkswaterstaat waarschuwen dat de onderhoudsopgave zo groot is dat «het land op slot dreigt te gaan»?1
Kunt u uiteenzetten hoe de achterstanden in het onderhoud van wegen, bruggen, waterwegen, spoor zijn verdeeld en hoe deze in de tijd zijn ontstaan?
Is er een lijst van de top-10 projecten die vanwege de technische staat binnen vijf jaar moeten zijn uitgevoerd?
Hebben Rijkswaterstaat en ProRail het onderhoudsareaal volledig in zicht of zijn er nog ontbrekende gegevens en data waardoor het tekort verder kan oplopen?
Zijn er onderhoudsprojecten ontstaan door technisch falen in operatie of gebruik van infrastructuur? Welke projecten zijn dit?
Welke problemen gaan de huidige onderhoudsachterstanden vormen die niet alleen een financiële uitdaging zijn, maar vooral te maken hebben met capaciteit, planning en samenwerking binnen de keten?
Welke concrete proces- en planningsverbeteringen zijn de afgelopen jaren doorgevoerd om onderhoud efficiënter te organiseren zonder dat daar extra financiële middelen voor nodig waren?
Welke aanvullende optimalisaties kunnen op korte termijn worden ingevoerd om de achterstanden sneller terug te dringen?
Welke maatregelen neemt u om ondanks de schaarste aan technisch personeel meer werk in dezelfde tijd te kunnen uitvoeren?
Hoe wordt geprioriteerd welke trajecten of objecten het eerst worden aangepakt binnen de bestaande middelen, en welke criteria worden daarbij gehanteerd?
Welke digitale of innovatieve onderhoudsmethoden kunnen volgens u helpen om de achterstanden sneller in te lopen zonder meer geld?
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang bij het verkorten van doorlooptijden en het wegwerken van achterstanden, met nadruk op procesverbeteringen en efficiencywinst?
Hoe gaat u de extra hinder meer inclusief managen voor de omgevingen, regionale economieën en ondernemers?
Is het denkbaar dat projecten meer integraal in plaats van op zichzelf worden beschouwd qua planning in de jaarkalender, en meer structureel in lijn met belangen van stakeholders?
Deelt u de mening dat als mitigerende maatregelen in natura ontoereikend zijn om de onevenredigheid van nadeel voor bepaalde sectoren te voorkomen, en overlastsituaties over een langere periode een meer structureel karakter krijgen, bijvoorbeeld door opvolgende projecten op hetzelfde traject, een andere compensatiestelsel wenselijk is dan de vigerende nadeelcompensatieregeling(en), die vooral bedoeld zijn voor incidenteel nadeel?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de behandeling van de begroting?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zorgen over PFAS-lozingen. |
|
Dion Huidekooper (D66), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Ernstige zorgen over PFAS-lozingen Limburgs afvalbedrijf, maar tóch vergunning»1 en «Te veel PFAS gevonden bij Metaalrecycling Sneek: «Wij zijn hier het afvoerputje van de maatschappij»»?2
Bent u het met de aangehaalde experts eens dat PFAS-lozingen een gevaar vormen voor de gezondheid van mens en dier en dat PFAS niet meer in het milieu moet worden gebracht? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Op basis van welke concrete overwegingen wordt voorgesorteerd om – ondanks eerdere illegale lozingen, onvolledige of onbetrouwbare data, en waarschuwingen van o.a. het waterschap en drinkwaterbedrijven – een vergunning te verlenen aan CFS voor het lozen van 5 kg PFAS per jaar?
Hoe beoordeelt u het gevaar voor de gezondheid van milieu, mens en dier als het bedrijf CFS straks zeker 5 kg PFAS per jaar mag lozen, wetende dat water uit de Maas wordt gebruikt voor drinkwatervoorziening van huishoudens en uit recent onderzoek van het RIVM al is gebleken dat bijna iedereen in Nederland ongezond hoge waardes van PFAS in het bloed heeft?
Hoe is bij de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS precies rekening gehouden met de uiteindelijke gevolgen voor oppervlaktewater en grondwater, en hoe wegen de conclusies die daaruit zijn gekomen op tegen de negatieve adviezen van het waterschap en de waterbedrijven?
Kunt u een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die de PFAS-lozingen van CFS en bedrijven zoals Metaalrecycling Sneek veroorzaken, bijvoorbeeld voor goede zuivering voor drinkwater? Welke extra kosten voor de maatschappij zijn te verwachten en wie gaat daarvoor betalen? Hoe gaat u beter borgen dat bedrijven zelf gaan betalen voor de schade die ze hebben veroorzaakt, conform de aangenomen motie-Kostic/Soepboer (Kamerstuk 27 625, nr. 694), in plaats dat de rekening steeds bij burgers terechtkomt?
Welke normen gelden momenteel voor bedrijven die PFAS moeten terugdringen (waaronder bedrijven aan het einde van de keten), wie is verantwoordelijk voor de regie en communicatie hierover, en wanneer krijgen bedrijven helderheid over de maatregelen die van hen worden verwacht, gezien het feit dat bedrijven aan het einde van de keten aangeven weinig mogelijkheden te hebben om de PFAS-uitstoot terug te dringen en onduidelijkheid ervaren over de toegestane normen (zie artikel Leeuwarder Courant)?
Hoe beoordeelt u het risico waar ILT voor waarschuwt, namelijk dat de vergunning voor CFS een precedent schept waardoor toekomstige PFAS-lozingen moeilijker te weigeren worden, en welke mogelijkheden heeft u om dergelijke onwenselijke precedentwerking te voorkomen?
Klopt het dat de Omgevingswet het bevoegd gezag in principe meer mogelijkheden biedt om (ook uit voorzorg) maatschappelijke belangen, zoals schoon water en gezondheid, zwaarder te laten wegen?
Kan de provincie het feit dat gezond water van groot openbaar belang is en de stevige adviezen van de ILT, gemeenten, waterschappen en waterbedrijven ook gebruiken om juridisch toch hard te maken dat het afgeven van de huidige vergunning voor de PFAS-lozingen door CFS onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
Staat u achter de conclusie van uw eigen toezichthouder ILT dat een PFAS-vergunning voor CFS in de praktijk neerkomt op een «blanco cheque», dat CFS niet de vereiste beste beschikbare technieken (BBT) toepast en dat de vergunning niet afgegeven zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de signalen dat het ZZS-beleid onvoldoende werkt, doordat regelgeving voor lagere overheden complex en onduidelijk is en doordat kennis en capaciteit bij toezichthouders soms ontbreken, met extra risico’s voor mens, dier en milieu3? Welke stappen gaat u nemen om dit te verbeteren, en wat is de bijbehorende tijdlijn?
Als de provincie in dit geval toch blijkt haar taken bij de bescherming van water, milieu en gezondheid onvoldoende uit te voeren, welke theoretische mogelijkheden (bijvoorbeeld met een instructie) heeft u als hogere overheid en eindverantwoordelijke voor o.a. milieu en water om in te grijpen?
Kunt u toezeggen dat u binnen drie maanden de verantwoordelijkheden in de PFAS-keten expliciet vastlegt – inclusief wie op welk punt moet ingrijpen – en in de tussentijd voorkomt dat nieuwe vergunningen of vergunningswijzigingen worden verleend die als precedent kunnen werken, zolang er wordt toegewerkt naar een Europees en/of nationaal lozingsverbod?
Bent u, gezien uw toezegging te willen werken aan een nationaal PFAS-verbod, bereid om een nationaal (gedeeltelijk) lozingsverbod en/of productverbod met spoed naar de Kamer te sturen, gezien de grote hoeveelheden PFAS die waarschijnlijk elke dag nog worden geloosd en de schade die dat met zich meebrengt? Zo ja, wanneer kunnen we dit precies verwachten?
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden, het liefst nog voor het Kerstreces?
Het bericht ‘Vuurwerkshows in gevaar na afsteekverbod: 'Dit gaat niet lukken'' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vuurwerkshows in gevaar na afsteekverbod: «Dit gaat niet lukken?»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat er in Nederland slechts twee opleidingen bestaan voor het vak van pyrotechnicus en dat de instroom van nieuwe leerlingen achterblijft, terwijl de vraag naar shows stijgt in verband met het afsteekverbod?
Voor de professionele vuurwerkshows is het goed dat er degelijke opleidingen bestaan die het vak aan gegadigden overbrengen; het is aan de sector zelf om te reageren op een toegenomen vraag in de markt naar professionele vuurwerkshows, mocht hier een stijging in zijn.
In het kader van de Wet veilige jaarwisseling wordt de mogelijkheid uitgewerkt voor georganiseerde groepen burgers om zich voor een ontheffing tot de gemeente te wenden. Met een ontheffing moet het voor verenigingen en stichtingen mogelijk zijn om tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier F2-vuurwerk af te steken. Ik hecht er aan om te benadrukken dat het niet nodig zal zijn om voor een dergelijke ontheffing een opleiding tot pyrotechnicus te volgen. Dat staat dus los van de professionele vuurwerkshows.
Hoe ziet u de groei van de branche voor u, gezien het feit dat zelfs bij voldoende aanbod van opleidingen het probleem blijft bestaan dat certificaten alleen geldig zijn wanneer afstekers voldoende shows (2) per jaar uitvoeren, vergunningprocedures (>200 kg) bovendien 14 weken duren en vergunningen soms niet worden verleend?
Het is aan de markt om wel of niet in te springen in het gat dat mogelijk ontstaat naar aanleiding van een eventuele groeiende vraag naar professionele vuurwerkshows.
Het vergunningstelsel voor professionele shows is ingevoerd om de veiligheid van de ontstekers en omstanders te waarborgen doordat de vergunninghouders voldoende kennis en ervaring hebben.
Bent u eventueel bereid om de vergunningsprocedures te verkorten of te versoepelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier bent u bereid dit te doen?
Om aangewezen te kunnen worden als persoon met gespecialiseerde kennis die professioneel vuurwerk tot ontbranding mag brengen, is het nodig om in het bezit te zijn van een toepassingsvergunning. Deze vergunning wordt door de Inspectie Leefomgeving en Transport verstrekt. De ILT heeft de tijd nodig om zo’n aanvraag goed te beoordelen. Hetzelfde geldt voor een aanvraag om een ontbrandingstoestemming bij de provincie, die vereist is voor vuurwerkevenementen waarbij meer dan 20 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of 200 kg consumentenvuurwerk tot ontbranding wordt gebracht. Gelet op het waarborgen van de veiligheid bij vuurwerkevenementen, is zorgvuldigheid van belang. De procedure is daarop ingericht.
Deelt u de zorg dat het tekort aan gekwalificeerd personeel gaat leiden tot het niet kunnen organiseren van vuurwerkshows, waardoor burgers in gemeenten met een afsteekverbod alsnog zonder vuurwerkfestiviteiten komen te zitten?
Nogmaals wil ik benadrukken dat in het kader van de Wet veilige jaarwisseling een ontheffingsmogelijkheid wordt uitgewerkt waarmee verenigingen en stichtingen tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier F2-vuurwerk mogen afsteken. Dat staat los van professionele vuurwerkshows.
Bent u van mening dat centrale vuurwerkshows een realistisch, haalbaar en schaalbaar alternatief vormen voor consumentenvuurwerk in alle Nederlandse gemeenten, inclusief kleinere dorpen en kernen waar nauwelijks lokale capaciteit of budget is?
Daar waar gemeenten ervoor kiezen om professionele vuurwerkshows te organiseren, is het een mooi en haalbaar alternatief. Verenigingen of stichtingen kunnen na inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling daarnaast een ontheffing aanvragen voor het afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling. Dit staat los van professionele vuurwerkshows.
Bent u bereid de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling uit te stellen, totdat er voldoende gecertificeerde pyrotechnici beschikbaar zijn om in alle gemeenten minimaal een vuurwerkshow te garanderen?
Nee, in de Wet veilige jaarwisseling wordt niet gesproken over professionele vuurwerkshows, maar over een ontheffing voor georganiseerde groepen burgers juist zonder specialistische kennis.
Kunt u toelichten wat precies bedoeld wordt met «gespecialiseerde kennis» in het gewijzigd amendement van de leden Bikker en Stoffer (Kamerstuk 35 386, nr. 13), waarmee de mogelijkheid wordt gecreëerd om buurtverenigingen een ontheffing te verlenen aan personen met gespecialiseerde kennis?
In het Vuurwerkbesluit2 zijn personen met gespecialiseerde kennis aangewezen. Alleen personen met gespecialiseerde kennis mogen onder voorwaarden beschikken over professioneel vuurwerk. Het gaat dan onder andere om houders van een toepassingsvergunning. Houders van een toepassingsvergunning mogen professioneel vuurwerk ook tot ontbranding brengen wanneer ze daarvoor een ontbrandingstoestemming hebben van de provincie. Om in aanmerking te komen voor zo’n toepassingsvergunning moet je onder andere beschikken over een certificaat vuurwerkdeskundige en een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze professionals hebben een opleiding gevolgd aan een door Kiwa erkend examenbureau.
In de Wet veilige jaarwisseling is geregeld dat door de burgemeester een ontheffing kan worden verleend voor het afsteken van aangewezen consumentenvuurwerk aan personen zonder gespecialiseerde kennis. Momenteel wordt gewerkt aan het Besluit veilige jaarwisseling om deze ontheffingsmogelijkheid nader uit te werken. Daarin wordt ook aandacht besteed aan de voorwaarden waaronder de ontheffing kan worden uitgegeven.
Klopt het dat het begrip «gespecialiseerde kennis» in de praktijk neerkomt op vergelijkbare deskundigheid en certificering als bij professionele pyrotechnici? Zo nee, waar wijkt dit precies van af?
Nee, dit is niet juist. Voor het aanvragen van een ontheffing is beoogd dat het niet nodig is om als persoon met gespecialiseerde kennis te zijn aangewezen. Dit is wel nodig voor het professioneel tot ontbranding brengen van vuurwerk tijdens vuurwerkshows. In het Besluit veilige jaarwisseling wordt nader uitgewerkt waaraan een ontheffing aanvrager moet voldoen.
Hoe realistisch acht u het dat burgers die actief zijn binnen lokale verenigingen bereid en in staat zullen zijn om de vereiste «gespecialiseerde kennis» via een (formele) opleiding te verkrijgen?
Een formele opleiding die een professionele afsteker moet afronden, is in het kader van de ontheffing niet nodig. De Wet veilige jaarwisseling gaat immers juist over georganiseerde groepen burgers zonder specialistische kennis.
Kunt u gedetailleerd aangeven welke eisen gelden voor het opslaan van vuurwerk door verenigingen, inclusief eisen voor bunkers, ruimten, certificering en veiligheidsnormen?
Dit wordt op dit moment nader uitgewerkt in het Besluit veilige jaarwisseling, dat naar verwachting begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure aan beide Kamers zal worden aangeboden.
Hoe beoordeelt u het verbod voor verenigingen om vuurwerk tot ontbranding te brengen anders dan met een aansteeklont, terwijl er eenvoudige elektronische ontstekers beschikbaar zijn die geen bewerking van het vuurwerk vereisen, en hoe weegt u hierbij de veiligheid van de ontbranders tegenover de huidige beperkingen?
Om gebruik te maken van elektronische ontstekers, hebben personen met gespecialiseerde kennis een opleiding gevolgd waarin het gebruik ervan onderdeel is geweest. Het gebruik van een elektronische ontsteker kan namelijk risico’s met zich meebrengen, en professionals weten hoe ze moeten handelen op het moment dat het mis gaat. Daarom is het nu niet toegestaan voor particulier gebruik.
Kunt u bovendien aangeven welke vereisten gelden voor het afsteken van vuurwerk door verenigingen, waaronder deskundigheid, veiligheidsafstanden, toezicht en verzekeringsplichten?
Dit wordt nader uitgewerkt in het Besluit veilige jaarwisseling, dat naar verwachting begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure aan beide Kamers zal worden aangeboden.
Kunt u toelichten waarom in de AMvB gekozen is voor een verplichte inschrijving in het Handelsregister voor aanvragers van een ontheffing, in verband met de laagdrempeligheid die beloofd was voor burgerinitiatieven om vuurwerk af te steken?
Dit wordt nader toegelicht in het Besluit veilige jaarwisseling, dat naar verwachting begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure aan beide Kamers zal worden aangeboden.
Kunt u bij al die voorwaarden aangeven of u dit realistisch acht voor lokale buurverenigingen?
Bij de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid in het kader van de Wet veilige jaarwisseling zijn breed gesprekken gevoerd met alle betrokken partijen. Bij deze uitwerking zijn diverse belangen meegenomen zoals de veiligheid voor afstekers en omstanders en de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Op dit moment worden de reacties die zijn binnengekomen op de internetconsultatie en de toetsen op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid verwerkt. Naar verwachting zal het Besluit veilige jaarwisseling begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure worden aangeboden aan beide Kamers.
Vindt u dat de eerder gedane belofte van politieke partijen dat burgers via buurtverenigingen of centrale shows toch van vuurwerk kunnen genieten, daadwerkelijk kan worden waargemaakt, gezien de huidige praktijk en beperkingen?
Met de mogelijkheid om via een ontheffing aangewezen F2-vuurwerk door verenigingen of stichtingen af te kunnen steken en de eerdere genoemde centrale vuurwerkshows, zijn er voor burgers mogelijkheden om van vuurwerk te kunnen genieten.
Hoe voorkomt u dat het verkrijgen van ontheffingen afhankelijk wordt van de persoonlijke voorkeuren van burgemeesters?
De ontheffingsbevoegdheid is bij amendement van Bikker c.s. (Kamerstuk 35 386, 17) opgenomen in de Wet veilige jaarwisseling en neergelegd bij de burgemeester. Op grond van de Wet veilige jaarwisseling kan de burgemeester een of meer ontheffingen verlenen, maar hoeft dat niet te doen. Hij kan daartoe zelf beleid opstellen en keuzes maken op basis van wat passend is bij de lokale omstandigheden.
Er wordt bij de uitwerking van de Wet veilige jaarwisseling bezien of het wenselijk is om in het kader hiervan een handreiking voor burgemeesters op te stellen.
Hoe voorkomt u willekeur bij gemeenten voor het toekennen van een vuurwerkshow of een vuurwerkevenement via een lokale buurtvereniging?
Bij besluiten zijn bestuursorganen, onder wie burgemeesters, gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarin een verbod op willekeur besloten ligt.
Bent u bereid een landelijke richtlijn of handreiking voor gemeenten op te stellen om zo rechtsongelijkheid te voorkomen?
Bij de uitwerking van de Wet veilige jaarwisseling zal waar nodig gewerkt worden aan handreikingen. Verschil in beleid tussen gemeenten is op zichzelf geen rechtsongelijkheid. Sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat afhankelijk van lokale omstandigheden gemeenten verschillende afwegingen kunnen maken.
Als buurtverenigingen al een vergunning krijgen van hun gemeente, waar moeten zij dan het consumentenvuurwerk kopen als deze niet meer in Nederland mag worden verkocht?
Consumentenvuurwerk zal na inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten nog mogen worden verkocht aan houders van een ontheffing.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de start van het kerstreces? (19 december 2025)
Het is helaas niet gelukt om de beantwoording voor 19 december 2025 te sturen.
Bent u van mening dat het toezicht voldoende is, gezien het feit dat er jaarlijks vele klachten over hygiëne- en gezondheidsregels die niet worden nageleefd bij geboekte overnachtingen in bijvoorbeeld hotels, hostels en campings zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Erkent u dat het voor consumenten nu vaak niet duidelijk is waar ze zich bij de overheid kunnen melden met klachten die een gevaar zijn voor de gezondheid zoals plaagdieren of schimmels? Kunt u uw antwoord toelichten?
Erkent u dat problemen met voedselbereiding in de horeca worden gecontroleerd, maar dat het erop lijkt dat controle op hygiëne- en gezondheidsregels in slaapvertrekken en badkamers veel minder aandacht krijgt?
Deelt u voorts de mening dat problemen met voedselbereiding in de horeca eenvoudig kunnen worden gemeld door consumenten bij de NVWA maar dat het melden van problemen met hygiëne- en gezondheidsregels in slaapvertrekken en badkamers veel ingewikkelder is? Herkent u het beeld dat melders soms van de ene naar de andere toezichthouder worden verwezen zonder dat hun klacht wordt opgepakt?
Bent u van mening dat toezichthouders voldoende zijn toegerust om bij overnachtingshoreca voldoende toezicht te houden op hygiëne- en gezondheidsregels? Kunt u uw antwoord toelichten?
Erkent u dat het niet altijd duidelijk is welke toezichthouder verantwoordelijk is voor welk hygiëne- en gezondheidsprobleem in overnachtingshoreca? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u aangeven hoe vaak er inspecties plaatsvinden gericht op hygiëne- en gezondheidsregels bij verschillende soorten overnachtingshoreca?
Kunt u aangeven hoe vaak er inspecties plaatsvinden gericht op hygiëne- en gezondheidsregels bij sauna’s?
Waarom grijpen het RIVM en de GGD niet in wanneer er signalen zijn dat er bedwantsen zijn in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken?
Klopt het dat er geen beeld is van hoe vaak bedwantsen in Nederland voorkomen omdat er geen meldplicht is?
Erkent u dat er, ondanks het ontbreken van een meldplicht, signalen zijn, bijvoorbeeld van Platform Plaagdierbeheersing Nederland, dat de bedwants in Nederland in opmars is? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Bent u bereid een meldplicht in te stellen voor bedwantsen in Nederlandse overnachtingshoreca?
Hoe vaak heeft een toezichthouder afgelopen jaren ingegrepen wanneer er meldingen werden gemaakt van bedwantsen?
Deelt u onze mening dat het voorkomen van bedwantsenplagen beter is dan het verhelpen en er daarom vroegtijdig moet worden ingegrepen wanneer bedwantsen worden geconstateerd?
Erkent u dat hetzelfde geldt voor kakkerlakken die toeristen aantreffen in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken? Erkent u dat het onduidelijk is waar mensen zich bij de overheid kunnen melden wanneer ze kakkerlakken aantreffen in hostels of hotels of andere overnachtingsplekken?
Hoe vaak heeft een toezichthouder afgelopen jaren ingegrepen wanneer er meldingen werden gemaakt van kakkerlakken?
Hoe vaak is er na melding bij de GGD niet ingegrepen wanneer er plaagdieren werden geconstateerd in hostels, hotels of andere overnachtingshoreca?
Is het toezicht op de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels op orde, gezien het feit dat het aantal bed and breakfasts (B&B’s) in Nederland groeit? Is er voldoende capaciteit bij toezichthouders om te voldoen aan de groei?
Hoe vaak is er de afgelopen jaren bij hoeveel B&B’s toezicht gehouden op de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels? Welk percentage van de B&B’s is het afgelopen jaar bezocht door toezichthouders? Welk percentage van de B&B’s is de afgelopen vijf jaar bezocht door toezichthouders?
Erkent u dat schimmels in kamers en badkamers een gezondheidsprobleem kunnen zijn ook in overnachtingshoreca?
Wordt er gericht toezicht gehouden op het voorkomen van schimmels in overnachtingshoreca? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de bevindingen met de Kamer delen?
Het RIVM heeft een hygiënerichtlijn voor kampeergelegenheden, jachthavens en groepsaccommodaties, hoe vaak en door wie wordt toezicht gehouden of die richtlijn daadwerkelijk wordt nageleefd?
Klopt het dat het toezicht op hygiëne- en gezondheidsregels op campings maar zeer beperkt plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Waar kunnen mensen zich bij de overheid melden wanneer ze klachten hebben over de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels op campings en bijvoorbeeld plaagdieren zoals ratten aantreffen?
Hoe vaak en door wie wordt toezicht gehouden of die richtlijn daadwerkelijk wordt nageleefd, gezien het feit dat het RIVM een hygiënerichtlijn heeft voor sauna's, wellnesscomplexen en zwembaden?
Klopt het dat het toezicht op hygiëne- en gezondheidsregels in sauna’s maar zeer beperkt plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Waar kunnen mensen zich bij de overheid melden wanneer ze klachten hebben over de naleving van hygiëne- en gezondheidsregels in sauna’s?
Deelt u de mening dat het toezicht op verschillende aspecten betreffende hygiëne- en gezondheidsregels is versnipperd?
Werken verschillende inspectiediensten en overheidsdiensten voldoende samen om altijd effectief toezicht te houden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Is er bij alle betrokken toezichthouders voldoende capaciteit om effectief toezicht te houden?
Bent u bereid te komen tot één duidelijke plek waar mensen zich bij de overheid kunnen melden waanneer ze aanwijzingen hebben dat de inspectie moet handelen wanneer hygiëne- en gezondheidsregels in de horeca in het gedrang lijken te zijn? Wilt u tevens zorgen dat melders ook een terugkoppeling krijgen van wat er met hun melding is gedaan?
Kunt u deze vragen binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht 'Recordaantal grote storingen op het spoor, ProRail waarschuwt voor jarenlange hinder' |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Recordaantal grote storingen op het spoor, ProRail waarschuwt voor jarenlange hinder»1 , dat mede gebaseerd lijkt op de halfjaarlijkse rapportage2 en het persbericht van ProRail3 ?
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de CEO van ProRail dat de sector werkt met een «verouderde manier van werken»? Welke concrete onderdelen van deze werkwijze zijn volgens u het meest dringend aan vernieuwing toe om verstoringen structureel terug te dringen?
De CEO van ProRail heeft met de uitspraken over een «verouderde manier van werken» gewezen op de, volgens hem, beperkingen van het huidige PGO-contractmodel en de beperkte flexibiliteit die dit biedt voor modern, preventief onderhoud. ProRail meent binnen deze langlopende contracten niet eenvoudig te kunnen bijsturen wanneer nieuwe inzichten of omstandigheden dat vragen. Nieuwe inzichten of omstandigheden kunnen daardoor pas later worden toegepast dan voor het spoor optimaal is.
ProRail geeft aan dat de belangrijkste onderdelen die aan vernieuwing toe zijn, de contractvormen voor klein onderhoud, de verdere digitalisering van onderhoud, de aanpak van monteursschaarste en een betere planning en uitvoering betreffen. Vanwege de beperkte flexibiliteit van de contractvorm ontwikkelt ProRail nieuwe, flexibelere contracten voor kleinschalig onderhoud.
In hoeverre kan sneller worden opgeschaald in oplossingen? Welke mogelijkheden ziet u daarnaast om de ICT-architectuur van het spoorsysteem eerder toekomstbestendiger te maken?
ProRail geeft aan veel meerwaarde te zien in verdere digitalisering van het spoorsysteem. Daarbij is het wel zo dat ICT-storingen een rol spelen in het aantal impactvolle verstoringen, maar het aantal ICT-storingen al een aantal jaren afneemt (50 in 2023, 25 in 2024 en 11 in de eerste helft van 2025). De daling komt door verbeteringen in ICT-infrastructuur, de softwaresystemen en de bijbehorende procedures en werkwijzen. ProRail geeft aan te werken aan verdere modernisering van de ICT-architectuur om het systeem robuuster en toekomstbestendiger te maken.
Voordat we over specifieke oplossingen praten in het kader van de stijging van impactvolle verstoringen, worden de uitkomsten van de analyse van ProRail afgewacht, die voor het einde van dit jaar met IenW wordt gedeeld. Dit onderwerp wordt meegenomen in de gesprekken over de analyse en mogelijke maatregelen.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat het aantal impactvolle verstoringen boven de bodemwaarde van 520 blijft en naar verwachting pas in 2027 weer onder deze waarde komt? In hoeverre worden extra maatregelen genomen om dit eerder dan 2027 te verbeteren?
Het is onwenselijk dat het aantal impactvolle verstoringen boven de bodemwaarde uitkomt. De recente stijging is dan ook een punt van zorg. IenW blijft inzetten op het borgen van de basisconditie van de infrastructuur en het verminderen van risico’s in de spooromgeving.
Daarnaast wordt samen met ProRail gekeken welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de stijging te keren. Het is te vroeg om vooruit te lopen op concrete maatregelen omdat ProRail de nadere analyse van de onderliggende oorzaken nog afrondt. ProRail zal deze analyse voor het einde van het jaar met IenW delen. Daarna wordt besproken welke stappen nodig zijn om zo snel mogelijk verbetering te bereiken.
Welke mogelijkheden ziet u tot modernisering zodat uitloop van werkzaamheden, en de daaruit voortvloeiende verstoringen, structureel wordt verminderd?
Het is te vroeg om vooruit te lopen op concrete maatregelen omdat ProRail de nadere analyse van de onderliggende oorzaken nog afrondt. Wel geeft ProRail aan dat op basis van de eerste inzichten uitloop van werkzaamheden niet de belangrijkste oorzaak lijkt van de recente stijging van verstoringen, maar reizigers hiervan wel veel hinder ervaren. Nadat de analyse van ProRail met het ministerie gedeeld is, zal dit onderwerp betrokken worden in de gesprekken over mogelijke maatregelen.
Bent u bereid te verkennen in hoeverre prestatiegericht werken binnen ProRail en bij derden, binnen de bestaande kaders, kan bijdragen aan meer flexibiliteit in de uitvoering? Zo nee, waarom niet?
ProRail geeft aan dat de huidige langlopende prestatiecontracten in de praktijk onvoldoende flexibiliteit bieden om snel extra werk uit te voeren wanneer zich nieuwe urgente risico’s voordoen, zoals verzakkingen. Vanwege de beperkte flexibiliteit van de contractvorm ontwikkelt ProRail nieuwe, flexibelere contracten voor kleinschalig onderhoud. Dat ProRail aan een nieuwe onderhoudsstrategie met meer regie en aanpassingsruimte werkt, is mijns inziens een prima ontwikkeling.
Welke mogelijkheden ziet u om op drukbelaste corridors met prioriteit én versneld moderniseringsmaatregelen te treffen om de impact van verstoringen op deze trajecten te beperken?
Vooruitlopen op maatregelen of specifieke prioritaire corridors is op dit moment niet wenselijk, omdat de analyse van de onderliggende oorzaken van de impactvolle storingen nog loopt. Ik verwacht van ProRail dat zij hierbij voorstellen doet voor maatregelen om het aantal verstoringen te beperken. De uitkomsten van de analyse van ProRail en voorgestelde maatregelen om de verstoringen te beperken worden voor het einde van dit jaar met IenW gedeeld, daarna zullen deze besproken worden.
Hoe wordt het tijdpad vormgegeven voor het toekomstbestendig maken van het spoornet, en wanneer zijn de eerste zichtbare verbeteringen te verwachten? In hoeverre acht u versnelling van dit tijdpad haalbaar?
De vraag of en welke aanvullende maatregelen eventueel nodig zijn voor toekomstbestendigheid hangt samen met de nadere analyse van ProRail naar de recente toename in verstoringen. Ik verwacht van ProRail dat zij daarbij ook inzicht kan geven worden in het tijdpad en de momenten waarop zichtbare verbeteringen te verwachten zijn.
Welke verbeteringsmogelijkheden ziet u in de samenwerking tussen ProRail, vervoerders en aannemers, onder meer door toepassing van integrale planningsmethoden of gezamenlijke risicoanalyses?
Het plannen en uitvoeren van werkzaamheden is primair de verantwoordelijkheid van ProRail, in nauw overleg met vervoerders en aannemers. Integrale planning en gezamenlijke risicoanalyses worden daarbij al toegepast. Of verbeteringen in dit proces bijdragen aan het verlagen van verstoringen is nog onduidelijk. De analyse van ProRail naar de oorzaken van het stijgende aantal impactvolle verstoringen en welke verbeteringen kunnen bijdragen aan het verlagen van de verstoringen wordt afgewacht.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om meer flexibiliteit te creëren binnen bijvoorbeeld de Aanbestedingswet, zoals de CEO van ProRail aangaf, of binnen de aanbestedingspraktijk, voor omstandigheden die tijdens de uitvoering ontstaan of worden ontdekt, zoals bij de spoorverzakking in Zeeland en elders? En bent u bereid dit ook in samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid te bezien? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de rol van het Ministerie van Justitie en Veiligheid: de aanbestedingsregels worden in belangrijke mate op Europees niveau bepaald. De Europese Commissie heeft het afgelopen jaar een consultatietraject gedaan naar de Europese aanbestedingsregels. Hierbij zijn de zaken waar ProRail tegenaan loopt ingebracht. Nu is het aan de Europese Commissie om met eventuele aanpassingsvoorstellen te komen. Na het voorstel van de Europese Commissie zal het voorstel door de Raad worden behandeld.
Welke aanvullende stappen zijn mogelijk om de instroom van technisch en ICT-gekwalificeerd personeel te vergroten, onder meer via samenwerking met mbo- en hbo-opleidingen, versnelde bijscholingstrajecten of interne opleidingsprogramma’s bij ProRail?
ProRail werkt beperkt met mbo- en hbo-opleidingen om de instroom van technisch -gekwalificeerd personeel te vergroten. Tot nu toe wordt dit primair gezien als taak van de aannemers
Het krantenartikel 'Inspectie is helemaal klaar met bedrijven: statiegeld op flesjes moet fors omhoog, anders megaboete' |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het statiegeld op plastic flessen en blikjes wil verhogen naar 30 cent omdat de inzameling volgens de inspectie «slecht» verloopt? Zo ja, erkent u dat zo’n forse stijging opnieuw rechtstreeks wordt neergelegd bij consumenten die nu al kampen met hoge boodschappenprijzen?1
Ik ben bekend met het bericht en het met u eens dat een verhoging van het statiegeld nu onwenselijk is, omdat dan de verantwoordelijkheid bij de consument wordt gelegd terwijl het systeem niet optimaal werkt. In Nederland is het verpakkend bedrijfsleven, vertegenwoordigd door de producentenorganisatie Verpact, wettelijk verantwoordelijk voor het inrichten, bekostigen en functioneren van het statiegeldsysteem. Verpact heeft de verplichting om 90% van alle plastic flessen en blikjes in te zamelen. Omdat ze dat percentage nog steeds niet haalt, heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) Verpact al verschillende Lasten Onder Dwangsom (LOD’s) opgelegd, zoals zij vanuit haar bevoegdheid kan doen om partijen te bewegen de wet na te leven.
Op 3 september 2025 heeft de ILT Verpact gelast de consument een extra financiële stimulans te geven om meer statiegeldverpakkingen in te leveren. Een mogelijke manier waarop Verpact dat kan doen is het verhogen van het statiegeldbedrag. Over die last heb ik 3 september 2025 de Kamer geïnformeerd2. In die brief heb ik aangegeven dat ik van Verpact verwacht dat zij met een totaalpakket van oplossingen komen voor de tekortkomingen bij de uitvoering van het statiegeldsysteem, zoals te weinig (werkende) innameautomaten, te lange rijen en zwerfafval door opengebroken prullenbakken. Destijds heb ik bij Verpact aangegeven dat ik verwacht dat zij eerst deze tekortkomingen structureel verbeteren en dat positieve financiële prikkels mijn voorkeur hebben.
Op mijn verzoek is Verpact op 27 november 2025 met een pakket aan maatregelen gekomen: hun Totaalaanpak Statiegeld. Zo komen er duizenden extra plekken waar mensen flesjes en blikjes kunnen inleveren, extra geld om opengebroken vuilnisbakken tegen te gaan, snellere reparatie van kapotte innameautomaten en positieve beloningsacties om goed inlevergedrag te belonen. Hierover heb ik de Kamer diezelfde dag nog geïnformeerd3, waarbij ik heb aangegeven vertrouwen te hebben in deze aanpak. In de totaalaanpak staat geen plan om het statiegeldbedrag te verhogen, maar in plaats daarvan wordt ingezet op beloningsacties als financiële stimulans. Ik ben blij dat Verpact inzet op het belonen van goed inlevergedrag en dat de producentenorganisatie met dit alternatief uitvoering kan geven aan de last van 3 september 2025. Verpact heeft daarvoor een aangepaste last van de ILT ontvangen.
Hoe beoordeelt u het dat de ILT het bedrijfsleven openlijk beschuldigt van «calculerend» en «opportunistisch» gedrag? Acht u dit passend voor een toezichthouder?
De ILT past bij de handhaving van wet- en regelgeving op haar werkterrein de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) toe.4 Dat is de standaard werkwijze van de ILT. De begrippen «calculerend» en «opportunistisch» komen uit deze LHSO.
Klopt het dat technische problemen met statiegeldautomaten (zoals het massaal weigeren van kleine blikjes) een belangrijk deel van de tegenvallende inzameling veroorzaken? Zo ja, waarom wordt dan niet dáár eerst ingegrepen in plaats van de rekening bij burgers te leggen?
Zoals eerder vermeld, deel ik de mening dat het statiegeldsysteem zoals dit nu functioneert nog tekortschiet op een aantal punten. Daar heb ik Verpact dan ook op aangesproken, want het functioneren van het statiegeldsysteem is in eerste instantie de wettelijke verantwoordelijkheid van het verpakkend bedrijfsleven. Verpact heeft in 2023 op aanwijzing van de ILT een analyse uitgevoerd naar de oorzaken voor het niet-behalen van de inzamelnorm voor flessen. Daaruit blijkt dat er geen eenduidige oorzaak is aan te wijzen. Meerdere maatregelen zijn nodig om uiteindelijk de inzamelnorm te halen.
Het innemen van beschadigde statiegeldverpakkingen is eveneens een maatregel die bijdraagt aan het beter functioneren van het statiegeldsysteem. Daarom heb ik Verpact ook verzocht te kijken wat op dit vlak mogelijk is. In de totaalaanpak staat ook dat Verpact op 80% van innameautomaten versoepelde eisen gaat toepassen om meer beschadigde statiegeldverpakkingen in te nemen. Dit zou leiden tot 0,5% tot 0,7% extra ingezamelde statiegeldverpakkingen per jaar. Hierbij geeft Verpact aan dat de barcode van een statiegeldverpakking nog steeds wel goed leesbaar moet zijn en flessen en blikjes niet geplet ingeleverd kunnen worden.
Klopt het dat de ILT een dwangsom tot 20 miljoen euro wil opleggen aan producenten en supermarkten? Hoe verhoudt dit zich tot het tegelijkertijd pleiten voor een verdubbeling van de uitgaven voor consumenten?
De ILT heeft Verpact gelast om de consument een extra financiële stimulans te geven om meer statiegeldflessen in te leveren. Verpact kan op verschillende manieren aan de last voldoen. Zoals in de Totaalaanpak van Verpact staat, is de producentenorganisatie nu van plan dit via consumentenacties te doen en niet door verhoging van het statiegeldbedrag. Positieve financiële prikkels moedig ik aan. Verpact moet alleen een dwangsom betalen van 1,5 miljoen euro met een maximum van 21 miljoen euro als zij niet of niet op tijd op een juiste wijze uitvoering geeft aan de last.
Waarom kiest u steeds voor meer drang, dwang en kostenverhoging, terwijl alternatieven als betere gemeentelijke afvalaanpak, handhaving op zwerfafval en technische verbetering van de automaten nauwelijks worden benut?
Ik herken mij niet in het in de vraag geschetste beeld. Zoals hierboven aangegeven vind ik juist dat het consumenten makkelijker gemaakt moet worden om hun statiegeldverpakkingen in te leveren en geef ik de voorkeur aan positieve financiële prikkels die goed inlevergedrag belonen.
Het is in eerste instantie aan het verpakkend bedrijfsleven om eventuele technische verbeteringen door te voeren, omdat zij wettelijk verantwoordelijk zijn voor het functioneren van het statiegeldsysteem. Verpact is ook verantwoordelijk voor wat zij doet om aan de last te voldoen. Verpact gaat nu aan de slag met de gepresenteerde Totaalaanpak, die tot technische verbeteringen leidt en door beloningsacties voor de consument voorziet in een invulling van de meest recente last van september 2025.
In de totaalaanpak staat ook wat Verpact doet om te zorgen dat meer plastic flessen en blikjes worden ingeleverd in plaats van dat zij in het zwerfafval of openbare prullenbakken belanden. Daarbij geeft Verpact ook aan dit in goed overleg te doen met gemeenten.
Bent u bereid te garanderen dat het statiegeld niet wordt verhoogd zolang de overheid zelf de basis van het systeem van automaten tot controle nog niet op orde heeft? Zo nee, waarom wordt dan opnieuw de consument hiermee belast?
Wettelijk gezien kan het bedrijfsleven het statiegeldbedrag verhogen als zij dit nodig achten voor het behalen van de inzamelnorm. Die mogelijkheid biedt de regelgeving, maar ik heb richting Verpact benadrukt dit nu niet passend te vinden en geen voorstander te zijn van het verhogen van het statiegeldbedrag nu het statiegeldsysteem nog niet optimaal functioneert, maar juist voorstander te zijn van een positieve financiële prikkel. In de Totaalaanpak statiegeld geeft Verpact aan de consumenten te willen belonen voor hun goede inlevergedrag en kiest zij niet voor het verhogen van het statiegeldbedrag. Ik ben blij dat Verpact voor dit alternatief kiest.
Het artikel 'Recordaantal grote storingen op het spoor, ProRail waarschuwt voor jarenlange hinder' |
|
Dion Huidekooper (D66) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel waaruit blijkt dat er inmiddels 520 grote storingen op het spoor zijn geweest, voor het eerst meer dan toegestaan, als gevolg van knelpunten in het spooronderhoud, waaronder achterstallig onderhoud en ICT-problemen?1
Ja.
Kunt u aangeven welke factoren volgens u het meest bijdragen aan deze significante toename van storingen?
De stijging heeft geen losstaande oorzaak, maar komt voort uit een samenspel van factoren. In 2025 ontstaan storingen voornamelijk door technische oorzaken (wissels, treindetectie, spoorligging en energievoorziening, 44%) en door derden (personen, verkeer en dieren op het spoor, 42%). Procesoorzaken (uitloop en storingen na werkzaamheden, 10%) en weersomstandigheden (storm, blikseminslag, gladde sporen en hitte/vorst, 4%) spelen een kleinere rol.
Uit de eerste inzichten van ProRail lijkt het dat vooral een toename in het aantal technische storingen zorgt voor de stijging. Hierbij wordt bijvoorbeeld de hogere aanrijtijd van monteurs genoemd. Verder wacht ik de lopende analyse van ProRail af, zodat helder wordt welke factoren de grootste rol spelen in de toename van het aantal impactvolle verstoringen en welke maatregelen kunnen bijdragen aan het verminderen van het aantal verstoringen.
Welke concrete maatregelen heeft u, sinds het zichtbaar worden van deze trend in 2022, genomen om de betrouwbaarheid van de spoorinfrastructuur te verbeteren?
Sinds 2022 zijn diverse maatregelen genomen om de betrouwbaarheid te verbeteren. Zo hebben NS en ProRail via het programma onder de concessie Betrouwbaar Beter gewerkt aan het structureel verbeteren van de prestaties2. IenW heeft met het Basiskwaliteitsniveau spoor structureel voorzien in voldoende financiële middelen om de instandhouding van de infrastructuur te borgen. Ook werkt ProRail via het programma suïcidepreventie aan het verminderen van risico’s in de spooromgeving. Daarnaast is een deel van de boete die IenW heeft opgelegd voor de prestaties op de HSL-Zuid in 2023 ingezet voor het plaatsen van slimme camera’s op een aantal locaties langs het spoor ten behoeve van suïcidepreventie.3
In hoeverre belemmeren aanbestedingsregels ProRail om extra werk uit te voeren bij nieuwe urgente risico’s, zoals verzakkingen? Zijn de huidige wettelijke kaders volgens u voldoende om snel noodzakelijk onderhoud te kunnen uitvoeren of is extra flexibiliteit volgens u nodig?
Aanbestedingsregels worden in belangrijke mate op Europees niveau bepaald. De Europese Commissie heeft het afgelopen jaar een consultatietraject gedaan naar de Europese aanbestedingsregels. Hierbij zijn de zaken ingebracht waar ProRail tegenaan loopt. Nu is het aan de Europese Commissie om met eventuele aanpassingsvoorstellen te komen. Na het voorstel van de Europese Commissie zal het voorstel door de Raad worden behandeld.
ProRail geeft aan dat de huidige, langlopende prestatiecontracten in de praktijk onvoldoende flexibiliteit bieden om snel extra werk uit te voeren wanneer zich nieuwe urgente risico’s voordoen, zoals verzakkingen. Vanwege de beperkte flexibiliteit van de contractvorm ontwikkelt ProRail nieuwe, flexibelere contracten voor kleinschalig onderhoud. Dat ProRail een nieuwe onderhoudsstrategie met meer regie en aanpassingsruimte ontwikkelt, is in de ogen van het Ministerie van IenW een goede ontwikkeling.
Herkent u het beeld dat een aanzienlijk deel van de storingen voortkomt uit technische gebreken aan bijvoorbeeld bovenleiding, wissels, seinen en andere assets? Kunt u aangeven in welke mate onderhoudsachterstanden een rol spelen bij het veroorzaken van storingen?
Ja, ProRail geeft aan dat een aanzienlijk deel van de impactvolle storingen voortkomt uit technische oorzaken, ongeveer 44%. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om defecten aan wissels, treindetectie en het seinsysteem, verslechterde spoorligging en problemen in de energievoorziening, waaronder de bovenleiding. Deze technische systemen laten de laatste jaren een toenemend aantal storingen zien, zoals ook uit de Staat van de Infrastructuur4 blijkt.
Wat betreft specifieke oorzaken dient de lopende analyse van ProRail af te worden gewacht, zodat helder wordt welke factoren de grootste rol spelen in de toename van het aantal impactvolle verstoringen. Nadat de analyse van ProRail met het ministerie gedeeld is, zal dit onderwerp betrokken worden in de gesprekken over mogelijke maatregelen.
Herkent u het beeld dat een aanzienlijk deel van de storingen voortkomt uit ICT-problemen? Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om te voorkomen dat problemen gerelateerd aan achterstallig onderhoud van ICT tot onnodige hinder leiden?
Ik herken dit beeld niet. ICT-storingen spelen een rol, maar het aantal ICT-storingen neemt al een aantal jaren af (50 in 2023, 25 in 2024 en 11 in de eerste helft van 2025). De daling komt door verbeteringen in ICT-infrastructuur, de softwaresystemen en de bijbehorende procedures en werkwijzen. Daarbij wacht ik de definitieve analyse van ProRail af, op basis waarvan gesprekken gevoerd worden over mogelijke maatregelen.
Hoe beoordeelt u het tekort aan elektromonteurs dat projecten vertraagt, en welke stappen zet u om dit op te vangen terwijl een pensioengolf nadert?
Het tekort aan technische vakmensen, waaronder elektromonteurs, is een breed maatschappelijk probleem dat ook de spoorsector raakt. Het tekort aan technische vakmensen zorgt voor langere aanrijtijden bij het oplossen van verstoringen in algemene zin. ProRail werkt nu gericht samen met aannemers en onderwijsinstellingen aan opleidingstrajecten, zij-instroom en behoud van personeel. Dit onderwerp wordt meegenomen in het bredere gesprek met ProRail over de analyse van de toename in storingen.
Wat is volgens u de rol van spoorlopers in het veroorzaken van storingen? Welke mogelijkheden ziet u vanuit het Rijk om dit te verminderen?
Een aanzienlijk deel van de impactvolle verstoringen wordt veroorzaakt door derden (42%). Binnen deze categorie spelen spoorlopers een grote rol, bijna 59% van de derdenstoringen betreft (bijna-)aanrijdingen met personen.
ProRail neemt hiervoor al omvangrijke en effectieve maatregelen, zoals fysieke afscherming van risicolocaties, uitbreiding van cameratoezicht en de inzet van slimme camera’s die risicovol gedrag automatisch signaleren. Zo is, zoals bij vraag 2 toegelicht, een deel van de boete die IenW heeft opgelegd voor de prestaties op de HSL in 2023 ingezet voor het plaatsen van slimme camera’s op een aantal locaties langs het spoor ten behoeve van suïcidepreventie.
Daarnaast werkt ProRail intensief samen met 113 Zelfmoordpreventie, gemeenten, politie en GGZ-instellingen om personen tijdig te bereiken en passende hulp te bieden. Eind 2025 start ProRail met maatregelen op nieuwe risicolocaties, waarmee wordt voortgebouwd op het suïcidepreventieprogramma dat sinds 2010 loopt.
Verder wordt de lopende analyse van ProRail afgewacht, zodat helder wordt welke factoren de grootste rol spelen in de toename van het aantal impactvolle verstoringen. ProRail zal deze analyse voor het einde van het jaar delen. Daarna wordt besproken welke stappen nodig zijn om zo snel mogelijk verbetering te bereiken.
Is de huidige inzet van het departement Infrastructuur en Waterstaat volgens u voldoende om de complexe huidige problemen die op het spoor spelen te tackelen?
De prestaties op het spoor laten een gemengd beeld zien. De afgelopen jaren is, mede dankzij het gezamenlijke programma Betrouwbaar Beter, de punctualiteit op het hoofdrailnet juist aantoonbaar verbeterd. In 2025 zien we dat treinen veelal op tijd rijden en dat de zitplaatskans boven de streefwaarden ligt.
Tegelijkertijd is de recente stijging van het aantal impactvolle storingen een punt van zorg. IenW verwacht daarom van ProRail dat zij blijft inzetten op het borgen van de basisconditie van de infrastructuur en op het verminderen van risico’s in de spooromgeving.
De lopende analyse van ProRail wordt afgewacht, zodat helder wordt welke factoren de grootste rol spelen in de toename van het aantal impactvolle verstoringen. Op basis van de analyse beoordeelt IenW samen met ProRail welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de stijging in storingen te keren.
Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij, samen met ProRail, in overleg treedt met als doel afspraken te maken om het aantal grote storingen binnen twee jaar terug te brengen tot een acceptabel niveau?
Ja. Ik ben en blijf samen met ProRail in overleg om te komen tot afspraken gericht op het terugdringen van het aantal grote storingen.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen» van 11 november 2025, waarin de gemeente Moerdijk haar standpunt toelicht over de uitbreiding van het haven- en industrieterrein in het kader van de nationale Powerport-opgave?
Kunt u aangeven op welke feitelijke grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
Kunt u aangeven op welke juridische grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
Wat is het vastgestelde of vooraf bepaalde besluitvormingsproces?
Is er aan alle 1.100 inwoners gevraagd of zij weg willen? Zo ja, is er gevraagd onder welke voorwaarden? Zo nee, gaat u dat wel doen?
Hoe realistisch acht u het zelf dat dit plan binnen 10 jaar doorgaat gezien de onrust en juridische strijd die dit zal veroorzaken?
Erkent u dat dit besluit diep ingrijpt in de levens van de circa 1.100 inwoners van het dorp Moerdijk, die nu in onzekerheid verkeren over hun woningen, hun gemeenschap en zelfs over het voortbestaan van het lokale kerkhof?
Welke alternatieve plannen anders dan Moerdijk opheffen zijn verkend? Worden deze alternatieven nog opnieuw beoordeeld vóór het definitieve besluit op 1 december?
Hoe beoordeelt u het voornemen om Moerdijk op te heffen, mede in het licht van de grondwettelijke taak van de overheid om de leefbaarheid en het welzijn van haar inwoners te waarborgen?
Zijn er landelijke criteria of indicatoren om te beoordelen of de opheffing van een bestaand dorp, zoals Moerdijk, proportioneel, noodzakelijk en subsidiair is in de context van de energietransitie?
Zijn de plannen voor Moerdijk nog steeds actueel gezien de ontwikkelingen rondom stagnerende projecten aangaande windturbines op zee en een dalend vestigingsklimaat waar de Botlek last van heeft?
Is er al bekend welke agrariërs te maken zullen krijgen met kabeltracés?
Hoe is het draagvlak onder agrariërs voor kabeltracés?
Zijn er Rijksmonumenten in Moerdijk aanwezig? Zo ja, wat betekent dit op den duur als het dorp afgebroken moet worden?
Welke impact heeft dit besluit op de grondkwaliteit en de grondwaarde?
Is er een risicoanalyse beschikbaar over de negatieve effecten (psychosociaal, sociaal-economisch, infrastructuur) voor bewoners? Zo ja, kan deze openbaar worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Welke impact heeft dit besluit op lokale ondernemers en hoe worden zij gecompenseerd?
Hoe wordt de emotionele en sociale impact van dit besluit meegewogen, met name voor ouderen, gezinnen en nabestaanden die geconfronteerd worden met vragen over het behoud of verplaatsing van graven op het kerkhof?
Welke maatregelen neemt het Rijk om te voorkomen dat woningwaarden kelderen in gemeente Moerdijk als gevolg van de onzekerheid over de toekomst?
Welke rol ziet u voor uzelf als Minister van Volkshuisvesting in het bieden van perspectief aan bewoners van het dorp Moerdijk, gelet op het feit dat 1.100 inwoners op straat dreigen komen te staan?
Hoe draagt het verdwijnen van het dorp Moerdijk en de mogelijke verdringing van agrarische bedrijven bij aan het versterken van de brede welvaart, zoals beoogd in de Nota Ruimte bij de uitbreiding van de Powerport-regio Moerdijk?
Hoe krijgen bewoners en agrariërs daadwerkelijk invloed op het proces waarin de clusterspecifieke consequenties en de vertaling van de gekozen richting worden vormgegeven, en hoe wordt hun inbreng daarbij gewogen ten opzichte van de economische belangen van het havenbedrijf en de industrie?
Kunt u aangeven of en hoe het kabinet bereid is om op voorstel van de gemeente Moerdijk en haar bewoners gezamenlijk tot een alternatief plan te komen waarbij behoud van de kern mogelijk is?
Hoe verhoudt het besluit tot opheffing van Moerdijk zich tot het bestaansrecht van basisschool IBS De Klaverhoek en bent u zich ervan bewust dat hierdoor klassen abrupt uiteengerukt dreigen te worden?1, 2
Hoe wordt geborgd dat inwoners van Moerdijk, waaronder ouderen en kwetsbaren, toegang blijven houden tot zorg in de buurt als het dorp wordt opgeheven en zij noodgedwongen moeten verhuizen?
Is het mogelijk dat inwoners die willen blijven dat mogen? Onder welke voorwaarden?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
De voorgenomen wijziging van het Besluit Aanwijzing hoofdspoorwegen met het oog op het slopen van de spoorbrug over de Maas in Maastricht |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de inbrengen in de internetconsultatie van het Besluit Aanwijzing hoofdspoorwegen aangaande de spoorlijn Maastricht – Lanaken?1
Herkent u het beeld dat de reacties van zowel Nederlandse als Belgische zijde van de grens negatief zijn? Zo ja, hoe neemt u deze inbreng mee in de verdere besluitvorming?
Hoe verhoudt uw voorgenomen besluit zich tot de aangenomen motie Van Dijk/Dassen d.d. 22 september 2025 (Kamerstuk 36 563-10)? Deelt u dat uw voornemen en de dientengevolge sloop van de brug niet past binnen het verzoek van de motie om samen met uw collega’s uit België en Duitsland kansrijke verbindingen te inventariseren en vervolgstappen te zetten tot reactivatie?
Is er sinds het besluit om niet door te gaan met het project tram Maastricht – Hasselt door u in samenwerking met de Belgische/Vlaamse overheden onderzoek gedaan naar een alternatief? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft u daarbij ook de mogelijkheden van de spoorbrug onderzocht? Kunt u aangeven aan welk alternatief u werkt, welk budget u hiervoor heeft en wat de planning is voor realisatie?
Klopt het dat er sinds het stranden van het Spartacusplan geen gezamenlijk overleg is geweest tussen Nederland, het Federale Ministerie van Mobiliteit, de provincies Limburg, de Vlaamse Minister van Mobiliteit en Openbare Werken en de gemeenten Maastricht en Hasselt over een integrale regionale mobiliteitsvisie voor de corridor Hasselt – Maastricht inclusief de toekomstige rol van het openbaar vervoer?
Bent u bereid een hernieuwd overleg te starten met alle betrokken overheden in Nederland en België om te komen tot een gezamenlijk gedragen visie op de ontwikkeling van een toekomstbestendige hoogwaardige OV-verbinding tussen Hasselt en Maastricht welke ook bijdraagt aan een verbeterde verbinding tussen Antwerpen en Maastricht en tussen Hasselt en Aachen conform de motie Van Dijk/Dassen?
Deelt u de mening dat de spoorbrug in de verbinding Maastricht – Lanaken in de toekomst mogelijk noodzakelijk kan zijn voor de weerbaarheidsopgave op het Nederlandse en Belgische spoor gezien de beperkte redundantie in de bestaande west-oostverbindingen?2
Kunt u bevestigen dat circa 15 jaar geleden 33 miljoen euro is besteed aan renovatie van deze spoorbrug?
Kunt u verantwoorden waarom u daarbovenop nu circa 10 miljoen euro, die bestemd was voor een verbeterde OV-verbinding tussen Maastricht en Hasselt, wilt inzetten voor de sloop van deze brug?
Waarom behoudt u het genoemde budget van 10 miljoen euro niet voor het verbeteren van de OV-verbinding tussen Maastricht en Hasselt?
Heeft u of de provincie Limburg een marktconsultatie gedaan onder vervoerders om te zien of er interesse is om te rijden met treinen tussen Hasselt, Lanaken en Maastricht bijvoorbeeld als onderdeel van de nieuwe OV-concessie voor Nederlands Limburg vanaf 2031? Zo nee, waar baseert u de conclusie op dat er geen interesse is in spoorvervoer via deze verbinding? Bent u bereid alsnog een marktconsultatie te doen?
Klopt het dat er geen overleg is geweest tussen uw ministerie en de consumentenorganisaties in het Locov over de sloop van de spoorbrug terwijl het Locov een wettelijke adviesorgaan is voor reizigersrelevante spoorse zaken? Klopt het dat het Locov ook niet proactief is geïnformeerd over de door u genomen besluiten over de spoorbrug in het BO-MIRT? Hoe heeft u het reizigersbelang in uw besluitvorming geborgd?
Deelt u de mening dat behoud van de brug onderdeel kan zijn van de oplossing om alsnog te komen tot een snelle OV-verbinding tussen beide steden?
Kunt u bevestigen dat technisch gezien een reistijd van circa 25 minuten tussen Hasselt en Maastricht haalbaar is als de spoorlijn gereactiveerd zou worden terwijl de reistijd per bus of trambus circa 70 minuten zal zijn?
Bent u bereid ter uitvoering van voornoemde motie en in het licht van het initiatief van Rover en Trein Tram Bus en gezien het mogelijke belang voor de weerbaarheid van ons land uw voorgenomen besluit ten aanzien van het verwijderen van de spoorverbinding Maastricht – Lanaken uit de hoofdspoorweginfrastructuur in te trekken? Zo nee, wilt u deze vragen dan beantwoorden voor het CD Spoor d.d. donderdag 18 december 2025 en uw definitieve besluit niet nemen voordat de Kamer deze heeft kunnen bespreken?
De veiligheidsrisico’s van windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) ooit onderzoek gedaan naar brand- en veiligheidsrisico’s van windturbines op land?
Windturbines kunnen door de Onderzoeksraad voor Veiligheid worden onderzocht als zij daartoe beslissen vanuit hun bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar veiligheidsrisico’s van windturbines op land. Wel is het onderwerp windturbines eenmaal genoemd in een kwartaalrapportage, maar hier was geen sprake van significante veiligheidsrisico’s1.
Zo ja, kan dat onderzoek met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, wilt u de OVV verzoeken dit alsnog te doen?
Nee, een dergelijk verzoek gebeurt alleen in uitzonderlijke gevallen. De Onderzoeksraad beslist als zelfstandig bestuursorgaan zelf welke voorvallen en onderwerpen worden onderzocht, en richt zich vooral op situaties waarin burgers voor hun veiligheid afhankelijk zijn van partijen als de overheid, bedrijven of instellingen.
Hoe wordt geborgd dat windturbines van 130 meter en hoger voldoen aan eisen voor externe veiligheid, blusbaarheid en rampenbestrijding?
Deze borging vindt plaats door middel van regelgeving. Voor een of twee windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en afstandsnormen (Bkl). Voor projecten met drie of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet (Bal).
De gebruiksregels in het Bal stellen dat jaarlijks een inspectie dient plaats te vinden vanwege externe veiligheid (artikel 4.428 Bal), sprake is van een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal), en een veilig ontwerp (artikel 4.430 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Daarnaast stelt het Bkl dat bij de inpassing van windturbines in ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met windturbines als «risicobron», bijvoorbeeld op basis van de verplicht berekende risicocontour.
De provincie of gemeente (en in uitzonderlijke gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan de borging en naleving van de eisen. Bovendien kunnen zij de veiligheidsregio altijd vragen om advies. Het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid heeft een kennisbundel opgesteld voor de vraag welke regels er van toepassing zijn2.
Is er voldoende bluscapaciteit beschikbaar om branden op grote hoogte te bestrijden?
In het algemeen geldt dat branden op grote hoogte moeilijk te bestrijden zijn. In hoogbouw (woningen en bedrijven) worden er daarom extra brandpreventieve eisen gesteld om bewoners te beschermen en de brandweer voldoende in staat te stellen een veilige inzet te doen. Voor windturbines gelden deze eisen niet.
Specifiek voor windturbines geldt dat eerst zal worden geprobeerd de windturbine uit te laten zetten door de beheerder van de windturbine. Het bestrijden van de brand op hoogte is vanwege de slechte toegankelijkheid en besloten ruimte vanwege de veiligheid van het personeel niet mogelijk. De standaardprocedure van de brandweerinzet is daarom dat deze gericht is op het veiligstellen van de omgeving.
Worden omwonenden voldoende geïnformeerd over risico’s en noodprocedures bij brand of technisch falen?
Informeren is aan de initiatiefnemer en vergunningverlenende partij. Tijdens een incident vindt communicatie, ook met omwoners, plaats vanuit de betrokken veiligheidsregio met mogelijk handelingsperspectieven als dat van toepassing is.
Hoe beoordeelt u het incident bij Nieuwleusen, waar brokstukken en gesmolten kunststof neerkwamen op landbouwgrond?
De brand in de windturbine is een vervelende gebeurtenis, zeker ook voor omwonenden. Het is waardevol als er lessen geleerd kunnen worden van dit voorval, bijvoorbeeld om te gebruiken als casuïstiek bij de rekenmethodiek voor externe veiligheidsafstanden van windturbines.
Hoe zijn de opruiming, schadevergoeding en milieuschade bij dergelijke incidenten geregeld?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het beperken van milieuschade en deze na afloop van een incident te herstellen. Omgevingsdiensten houden toezicht hierop vanuit bestuursrechtelijk perspectief. De exploitant kan zich voor de schade verzekeren. Grondeigenaren die schade ondervinden kunnen ook civielrechtelijk stappen ondernemen richting de exploitant.
Bent u bereid samen met provincies en gemeenten een landelijke risicoanalyse op te stellen voor windturbines van 130 meter en hoger, inclusief blusbaarheid en impact op de leefomgeving?
De huidige wet- en regelgeving voor het plaatsen van windturbines is uitvoerig, ondervangt de impact op de leefomgeving en bestrijdbaarheid en is gebaseerd op de laatste actuele inzichten rondom veiligheidsaspecten van windturbines3. Op dit moment zie ik daarom geen aanleiding een landelijke risicoanalyse op te stellen voor windturbines van 130 meter en hoger.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel, de fors hogere uitstoot van Tata Steel, staalslakken en de forse salarisverhogingen van directieleden bij Tata Steel |
|
Ines Kostić (PvdD), Geert Gabriëls (GL), Christine Teunissen (PvdD), Joris Thijssen (PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Omgevingsdienst ziet fors hogere uitstoot Tata Steel in 2024»1?
Ja.
Wat vindt u ervan dat Tata Steel Nederland (TSN) vorig jaar van meerdere stoffen significant meer heeft uitgestoten dan de jaren ervoor? Wat verklaart exact de toename van de uitstoot van benzeen, lood, nikkel en zink?
Tata Steel Nederland (TSN) rapporteert een hogere uitstoot voor een aantal stoffen in het Milieujaarverslag (e-MJV) 2024 dan in voorgaande jaren is gerapporteerd. Hiervoor zijn meerdere oorzaken mogelijk.
De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) is vaker eigen metingen gaan uitvoeren en heeft daarmee meer inzicht gekregen in de emissies van het bedrijf. Zo heeft de OD NZKG in 2024 stoffen gemeten die niet eerder door TSN zijn gemeten of gerapporteerd. Ook meet de OD NZKG op meerdere plaatsen op andere manieren dan het staalbedrijf dat zelf eerder heeft gedaan. TSN heeft deze nieuwe metingen op verzoek van de OD NZKG meegenomen in het e-MJV over 2024. Er kunnen ook andere oorzaken zijn voor verschillen tussen uitstootgegevens, bijvoorbeeld wijzigingen in de productie- of procesomstandigheden van de fabriek. De OD NZKG heeft TSN om een verklaring gevraagd voor de gerapporteerde toenames. Wij wachten deze verklaring van de gerapporteerde toenames, net als de OD NZKG, af.
In hoeverre is deze hogere uitstoot te wijten aan het feit dat de uitstootmeting van beide kooksgasfabrieken is meegenomen in 2024?
Zie ook het antwoord op vraag 2 waarin wordt toegelicht dat hogere uitstoot meerdere oorzaken kan hebben.
Bij het opstellen van een e-MJV moeten representatieve gegevens worden gebruikt. Met de metingen die zijn uitgevoerd door de OD NZKG zijn nieuwe inzichten ontstaan over de emissie die daadwerkelijk uit de schoorsteen komt. Deze uitgevoerde emissiemetingen zijn vervolgens verwerkt in het e-MJV, waardoor de jaarvrachten van een aantal stoffen hoger uitvalt.
Wat betekenen deze resultaten voor de aanzeggingsprocedure van de provincie? Klopt de aanname dat de overtredingen bij de Kooksgasfabriek 2 niet zijn beëindigd en dat intrekking van de vergunning een stap dichterbij is gekomen?
Dat is op dit moment nog niet te zeggen. De besluiten op dit onderwerp zijn aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG. De aanzeggingsprocedure bij de Kooksgasfabriek 2 is in 2024 door de OD NZKG in gang gezet. TSN heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het vierde kwartaal van 2025 verwacht de Provincie Noord-Holland een besluit op bezwaar te nemen. Wanneer dit besluit op bezwaar zal worden gepubliceerd, zal ook bekend worden welke feiten en omstandigheden aan het besluit ten grondslag zijn gelegd.
Wat betekent de grotere uitstoot van grotendeels zeer zorgwekkende stoffen voor de gezondheid van omwonenden?
Het is nu nog niet mogelijk om met zekerheid te zeggen wat de hogere gerapporteerde uitstoot voor effect heeft, onder andere omdat de oorzaken van de hoger gerapporteerde uitstoot nog niet bekend zijn (zie ook antwoord op vraag 2). Wel is duidelijk dat de door de jaren heen gemeten luchtkwaliteit in de leefomgeving niet is veranderd door de hogere gerapporteerde emissie in 20242.
In de IJmond staat een vast luchtmeetnet waarmee de luchtkwaliteit in de leefomgeving (de immissie) wordt gemeten. De immissie betreft de concentratie op leefniveau, in de lucht die wij inademen en is daarmee relevant voor de mate waarin de leefomgeving gezond is. Uit de immissiemetingen blijkt dat in 2024 op alle meetlocaties wordt voldaan aan de wettelijke EU-grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Het luchtmeetnet meet de actuele luchtkwaliteit en staat los van wat er met de emissiemetingen door de OD NZKG is geconstateerd en wat er in het e-MJV 2024 is gerapporteerd.
Waren deze cijfers al bekend toen de Joint Letter of Intent (JLoI) met TSN werd ondertekend?
Deze getallen zijn voorafgaand aan publicatie vertrouwelijk en onder embargo van openbaarmaking gedeeld met de Rijksoverheid.
In de JLoI worden afspraken gemaakt over maximale emissies in 2030. De maximale emissies voor 2030 die in artikel 3, lid 2 van de JLoI zijn opgenomen, zijn geverifieerd en gevalideerd door een technische adviseur van de staat. Daarnaast bevat de JLoI een bepaling (artikel 11, lid 12) waarin is opgenomen dat de maximale emissies geactualiseerd kunnen worden als er nieuwe inzichten zijn.
Wat is er met het advies «Geef meer duidelijkheid over de effecten van de transitie op emissie van de zeer zorgwekkende stoffen en neem de doelstellingen in het advies van de Expertgroep over» van de Expertgroep Gezondheid IJmond gedaan?
In artikel 6.12 van de JLoI is hier meer over opgenomen. Zie hieronder het artikel (geparafraseerd uit het Engels):
Zoals ook in de begeleidende Kamerbrief bij de JLoI aangegeven, zijn niet alle doelstellingen van de Expertgroep met de maatwerkafspraak haalbaar. Dat vraagt om meer maatregelen, meer middelen en meer tijd. De Expertgroep geeft advies over de doelstellingen uitsluitend kijkend naar de beoogde gezondheidswaarden. De Expertgroep geeft zelf in haar advies aan dat om de door hen voorgestelde waarden te behalen het onder andere nodig is om de sinterfabriek en de hoogovens te sluiten3. Dat vraagt dus de sluiting van een additionele hoogoven en de gehele sinterfabriek. Dit zou gaan om grote ingrepen bovenop de voorziene sluiting van Hoogoven 7 en Kooksgasfabriek 2, die vervangen worden door de Direct Reduction Plant en de Electric Arc Furnace (de «DRP-EAF») in het kader van de eerste fase van de vergroening waarop de maatwerkafspraak ziet. Dat zijn grote projecten die niet binnen de scope van deze maatwerkafspraak vallen. In het advies van de Adviescommissie Maatwerk Verduurzaming Industrie, samen met de Expertgroep Gezondheid, is in de conclusie ook aangegeven dat er zonder maatwerkafspraak geen vooruitgang in de gezondheid optreedt en dat stoppen met een maatwerkafspraak daarom niet gewenst is.
Waarom is het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond om een reductie van 90% voor Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK’s), benzeen en een selectie aan metalen op te nemen niet opgenomen in de JLoI, terwijl dit volgens de expertgroep zorgt voor een grote verlaging van gezondheidsrisico’s? Kunt u deze keuze onderbouwen zonder dat de gezondheidseffectrapportage is afgerond?
Een reductie van 90% van PAK's is zoals de Expertgroep zelf ook toelicht in haar advies alleen mogelijk als naast Kooksgasfabriek 2, ook Kooksgasfabriek 1 sluit4.
De beide Kooksgasfabrieken zijn de start van het productieproces bij TSN. Als beide tegelijk sluiten zonder dat daarvoor vervangende installaties, zoals een Direct Reduced Plant (de «DRP»), worden gebouwd zal het productievermogen van de fabriek dusdanig worden aangetast dat verdere financiering van de transitie zeer uitdagend wordt. Daarom wordt door TSN een gefaseerde transitie beoogd, waarbij eerst de helft wordt vervangen (KGF2 en HO7) en in een tweede fase de resterende helft (KGF1 en HO6). De maatwerkafspraak heeft betrekking en budget voor de eerste fase, de tweede fase zal het bedrijf zelfstandig moeten financieren. Met de maatwerkafspraak kan niet in één keer de volledige transitie worden behaald, dat vraagt meer maatregelen, meer middelen en meer tijd. Wel wordt met de maatwerkafspraak een significante stap gezet richting de beoogde reductiepercentages van de Expertgroep.
Bent u bekend met het artikel «Salaris van Tata-directie verdubbeld, terwijl medewerkers geen kerstpakket meer krijgen?»2
Ja.
Wat vindt u van dit nieuws?
Het kabinet snapt dat dit artikel en deze kop vragen oproepen. Ondanks het feit dat het beloningsbeleid van een private onderneming in principe de verantwoordelijkheid van de onderneming zelf is, wil de staat in de maatwerkafspraak met Tata Steel afspraken maken over het beloningsbeleid. De maatwerkafspraak geeft hier gezien de aard en omvang ook de reden en mogelijkheid voor. Daarom is in artikel 10 van de JLoI opgenomen dat TSN een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid moet implementeren. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking van de JLoI in een maatwerkovereenkomst.
Vindt u het eerlijk dat de salarissen van de directie van TSN omhoog zijn gegaan terwijl er op de werkvloer op kerstpakketten, overwerkmaaltijden en koffie wordt bezuinigd?
Zie het antwoord op vraag 10. Het besluit over het beloningsbeleid van een private onderneming is in principe aan de onderneming zelf. Bij de uitwerking van de JLoI in een maatwerkovereenkomst worden afspraken geïmplementeerd over een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid.
Wat vindt u ervan dat de directie hogere salarissen krijgen, terwijl eerder dit jaar diezelfde directieplannen bekend maakte om één op de vijf werknemers te ontslaan?
TSN heeft aangekondigd een reorganisatie door te voeren om de concurrentiepositie en winstgevendheid te herstellen. Bij deze reorganisatie zullen naar verwachting 1200 fulltimebanen verdwijnen. Voor degenen die dit betreft is dit uiteraard ingrijpend. Om de transitie naar groen en schoon staal te kunnen maken moet TSN een winstgevend bedrijf zijn. Het kabinet vindt het belangrijk dat het bedrijf een schone en duurzame toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft. Dat is een prioriteit voor zowel de Nederlandse staat als voor het bedrijf zelf. Het is aan het bedrijf om hier invulling aan te geven.
In deze fase zijn eventuele besluiten over het beloningsbeleid in principe aan de onderneming zelf, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 10.
Wat ziet u als een gepaste beloning voor de bedijfsleiding, zoals dat in de JLoI is geformuleerd, en vallen de huidige bonussen in die range?
In de JLoI is in artikel 10.1 opgenomen dat TSN in de maatwerkafspraak het beleid inzake de salarissen en bonussen voor de top van TSN vastlegt door middel van: «een redelijk, gepast en uitlegbaar beloningsbeleid voor haar raad van bestuur vast te stellen en daaraan uitvoering te geven, waarbij eventuele wijzigingen in het huidige bonusbeleid (zoals beoordeeld door de Staat) worden vastgesteld na redelijk overleg met de Staat».
De verdere invulling van dit artikel en de definitie van «redelijk, gepast en uitlegbaar» wat betreft het beleid van de salarissen en bonussen van de Board of Management vindt plaats in de maatwerkafspraak en is onderdeel van de verdere onderhandelingen.
Bent u bekend met het bericht «Staalslakken op veel meer plekken gevonden: aantal locaties bijna verdubbeld»3?
Ja.
Klopt het dat op zeker 216 plekken in Nederland staalslakken zijn gebruikt? Was u bekend met elk van deze gevallen? Hoeveel locaties verwacht u dat er nog meer boven water komen? Bent u dit volledig in kaart aan het brengen?
Het is bekend dat staalslakken al jaren als secundaire bouwstof worden toegepast. Publieke inventarisaties groeien sinds dit onderwerp in het nieuws is, maar een landelijk totaaloverzicht ontbreekt omdat er geen landelijke meld- en informatieplicht bestond voor deze toepassingen. Daarom zijn deze locaties niet allemaal bekend. We werken aan een meldplicht om het zicht voor bevoegde gezagen te verbeteren.
Om een beeld te krijgen van de aard en omvang van de problematiek is er behoefte aan regie vanuit de overheid om locaties en type toepassing scherper te krijgen, daarom is een Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak opgericht die moet komen tot een gezamenlijke aanpak met als doel:
De Taskforce is een samenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Vereniging Nederlandse gemeente, Interprovinciaal Overleg en Unie van Waterschappen, met deelname van Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland, onder leiding van een onafhankelijk voorzitter.
Zoals aangegeven in de signaalrapportage heeft ILT nog aanvullend onderzoek gedaan naar andere locaties waar LD-staalslakken grootschalig zijn toegepast. Dit rapport bevindt zich in de afrondende fase en zal voor het eind van dit jaar openbaar worden gemaakt. ILT kan al wel aangeven dat 7 van de onderzochte locaties niet voorkomen op de kaart van Nu.nl en Investico d.d. 8 oktober 2025. Deze resultaten zullen worden betrokken bij de inventarisatie die wordt uitgevoerd onder regie van de Taskforce.
Wat vindt u ervan dat sommige gemeenten, zoals Muiden, Amstelveen, Texel, Den Haag en Heusden, al proactief staalslakken hebben verwijderd, bijvoorbeeld bij paden of hofjes in woonwijken of in de buurt van speelplaatsen en scholen? Stimuleert u andere gemeenten om in dergelijke gevallen hetzelfde te doen? Hoe moeten gemeenten dit bekostigen?
De toepassing van niet-vormgegeven bouwstoffen met meer dan 20 massaprocent staalslak in situaties waarin direct contact mogelijk is (zoals bij speelplaatsen of paden) is inmiddels verboden op grond van de tijdelijke regeling staalslakken. De verantwoordelijkheid voor toezicht en eventuele maatregelen ligt bij het lokale bevoegd gezag. Om een beeld te krijgen van de aard en omvang van de problematiek is er behoefte aan regie vanuit de overheid om locaties en type toepassing scherper te krijgen, daarom wordt een Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak opgericht die moet komen tot een gezamenlijke aanpak voor de bestaande toepassingen staalslak.
Bent u voornemens om een saneringsplan op te stellen voor de plaatsen waar staalslakken het meest acute gevaar vormen? Bent u in gesprek met provincies en gemeenten die al maatregelen aan het nemen zijn?
Er komt geen landelijk saneringsplan. Het beoordelen en eventueel treffen van maatregelen is een taak van het lokale bevoegd gezag, dat op basis van de zorgplicht kan optreden wanneer sprake is van risico’s voor mens of milieu. Om een beeld te krijgen van de aard en omvang van de problematiek is er behoefte aan regie vanuit de overheid om locaties en type toepassing scherper te krijgen, daarom wordt een Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak opgericht met als doel een gezamenlijke aanpak voor de bestaande toepassingen staalslak.
Wanneer is het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) naar de veilige toepassingen van staalslakken afgerond? Deelt u de opvatting dat, gezien de schaal van dit probleem, er eerst onomstotelijk moet zijn vastgesteld dat de toepassingen veilig zijn en dat daarom een tijdelijk totaalverbod vanuit het voorzorgsprincipe de juiste weg is?
Het RIVM voert momenteel aanvullend onderzoek uit naar de risico’s van het toepassen van staalslakken, onder meer op basis van vragen van de Europese Commissie en ter voorbereiding van een structurele regelgeving. Deze onderzoeken lopen mee met de looptijd van de tijdelijke regeling en worden aan het eind van het voorjaar 2026 afgerond, zodat de resultaten kunnen worden gebruikt voor het beleid dat volgt op de tijdelijke regeling.
De tijdelijke regeling past het voorzorgsbeginsel toe door de meest risicovolle toepassingen te verbieden. Voor toepassingen waarbij direct contact met de omgeving kan optreden of waarin staalslakken in lagen dikker dan een halve meter worden toegepast, geldt een verbod. Voor overige toepassingen geldt een vergunningplicht, zodat het bevoegd gezag per geval kan toetsen of de toepassing veilig is. Een generiek totaalverbod acht het kabinet op dit moment niet effectief en uitvoerbaar, is niet wetenschappelijk onderbouwd, niet proportioneel en juridisch niet houdbaar.
Wat gebeurt er met de staalslakken die naar de Baltische Staten geëxporteerd worden? Hoe worden ze daar toegepast?
Staalslakken worden binnen de Europese Unie verhandeld of vervoerd afhankelijk van de kwalificatie als afvalstof of bijproduct. Bij export als afvalstof gelden de regels van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA).
Het ministerie beschikt niet over een volledig overzicht van de eindbestemmingen en toepassingen in het buitenland. De toepassingsvoorwaarden worden bepaald door de bevoegde autoriteiten van het ontvangende land.
Bent u bekend met het artikel «Waar komen verwijderde staalslakken terecht? Geen zicht op»4?
Ja. Ik ben bekend met dit artikel en de daarin geschetste zorgen over het zicht op de afvoer en verwerking van verwijderde staalslakken.
Klopt het dat er geen zicht op is waar verwijderde staalslakken terechtkomen?
Wanneer staalslakken worden verwijderd omdat men zich daarvan ontdoet, worden zij als afvalstof beschouwd. De verwerking daarvan valt onder het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3, sectorplan 29), waarin recycling de minimumnorm is. Er bestaat geen centraal overzicht van alle afgevoerde hoeveelheden en eindbestemmingen. Wel wordt toezicht gehouden via de bestaande afvalstoffenregelgeving.
Na verwijdering kunnen staalslakken ook een nieuwe toepassing krijgen, zowel binnen Nederland als in andere lidstaten, mits wordt voldaan aan de geldende milieuregels en de toepasselijke Europese en nationale voorschriften.
Gaat u dit inzichtelijk brengen om te voorkomen dat de problemen steeds verplaatst worden?
Ja. Met de voorgenomen meldplicht voor toepassingen van staalslakken (beoogde inwerkingtreding voorjaar 2026) ontstaat structureel beter zicht op nieuwe toepassingen. De meldplicht ziet uitsluitend op toepassingen binnen Nederland.
Om een beeld te krijgen van de aard en omvang van de problematiek is er behoefte aan regie vanuit de overheid om locaties en type toepassing scherper te krijgen, daarom is een Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak opgericht die moet komen tot een gezamenlijke aanpak voor de bestaande toepassingen staalslak.
Kunt u nogmaals uiteenzetten hoe het precies zit met de ontbindende voorwaarden die in de JLoI over staalslakken zijn opgenomen? Waarom zei u tijdens het commissiedebat Leefomgeving en externe veiligheid dat deze voorwaarden er niet toe leidt het kabinet zich terughoudend zal opstellen ten opzichte van staalslakken?
In de JLoI zijn geen ontbindende voorwaarden opgenomen, maar opzeggronden. De specifieke opzeggrond rondom staalslak staat in artikel 15, vierde lid onder c: Het nationale beleid of de nationale beleidsmaatregelen met betrekking tot staalslakken veranderen op een zodanige wijze dat dit een aanzienlijk negatief effect heeft op de activiteiten, projecten, bedrijfsvoering of financiële positie van TSN. De opzeggrond over staalslakken heeft dus alleen betrekking op wijzigingen in nationaal beleid rondom staalslakken die de business case van TSN aanzienlijk negatief beïnvloeden. Het is expliciet niet zo dat het bedrijf dat bij elke wijziging van beleid zou kunnen doen. Deze opzeggrond staat niet in de weg bij het maken of aanpassen van nationaal beleid rondom staalslakken, maar biedt TSN in het geval dat dergelijk beleid de business case van TSN aanzienlijk negatief beïnvloedt de mogelijkheid de JLoI – de inspanningsverplichting om te komen tot bindende afspraken – op te zeggen.
De maatwerkafspraak vraagt om een grote investering van het bedrijf en het moederbedrijf, naast een subsidiebijdrage van de staat. Het bedrijf is in haar businesscase voor deze investering uitgegaan van de bestaande wet- en regelgeving en beleid met betrekking tot staalslakken. Indien er wijzigingen in het nationale beleid komen die aanzienlijk negatieve invloed hebben op de businesscase van TSN, is het bedrijf mogelijk niet meer in staat om de benodigde investering voor de maatwerkafspraak te doen. In dat geval zijn de verplichtingen uit de JLoI om zich in te spannen om een maatwerkafspraak te maken niet meer na te komen voor het bedrijf. Daarom is deze mogelijkheid opgenomen.
Kunt u toelichten wat artikel 15, vierde lid, van de JLoI over de CO2-heffing en staalslakken precies betekent voor toekomstig beleid op deze terreinen? Wat zou een verhoging van de CO2-heffing (juridisch) betekenen voor de maatwerkafspraken? Wat zou een totaalverbod op staalslakken betekenen voor de maatwerkafspraken?
Artikel 15, vierde lid bevat opzeggronden. Het gaat hier dan om gronden om de JLoI – wat de inspanningsverplichting is om te komen tot bindende afspraken – op te zeggen. Wanneer een partij van een opzeggrond gebruik maakt, dan is die partij dus niet meer verplicht om zich in te spannen om te komen tot een maatwerkafspraak. Op basis van artikel 15, vierde lid van de JLoI kan TSN de JLoI opzeggen, onder bepaalde voorwaarden. Dit is wat betreft de CO2-heffing (artikel 15, vierde lid onder d) het geval als deze voor TSN leidt, of naar verwachting zal leiden, tot aanzienlijke kosten voor TSN.
Wat betreft staalslakken (artikel 15, vierde lid, onder f) geldt dat TSN de JLoI kan opzeggen als het overheidsbeleid met betrekking tot staalslakken zodanig wijzigt dat dit de activiteiten, projecten, bedrijfsvoering of financiële positie van TSN aanzienlijk negatief beïnvloedt. Deze opzeggronden zijn opzettelijk niet verder ingekaderd en het uitwerken van scenario’s kan de onderhandelingspositie van de staat schaden.
Klopt het dat er met artikel 15, vierde lid 4, feitelijk afspraken gemaakt worden die gaan gelden voor alle bedrijven in Nederland? Waarom levert u op deze aspecten geen maatwerkmaatregelen, bijvoorbeeld op de manier zoals beschreven in de aangenomen motie-Thijssen (Kamerstuk 29 826, nr. 236)? Bent u het ermee eens dat deze bepaling in artikel 15, vierde lid, betekent dat bedrijven die bij u hebben aangegeven niet verder te willen praten over verduurzaming wel dit belastingvoordeel (het afschaffen van de CO2-heffing) krijgen?
Artikel 15, vierde lid van de JLoI betreft geen (generieke) afspraak, maar een opzeggrond voor de intentieverklaring. Op grond van artikel 15, vierde lid kunnen TSN en Tata Steel Limited (TSL) de JLoI opzeggen. De JLoI is een afspraak tussen TSN, TSL, de staat en de Provincie Noord-Holland en deze opzegmogelijkheid geldt dan ook enkel voor ondertekenende partijen; andere partijen (of bedrijven) kunnen dus geen beroep op deze afspraken en opzeggronden doen. Het kabinet beoogt met het komen tot een maatwerkafspraak om de verduurzamingsplannen van TSN financieel te ondersteunen. In paragraaf 7.2 van de JLoI staan daarnaast de inspanningen en handelingen van de staat m.b.t. financiën en de beoogde steun benoemd. De beoogde steun zal, wanneer de definitieve maatwerkafspraak is overeengekomen, gegeven worden voor verduurzaming en het schoner en meer circulair maken van de productie in Nederland.
Het kabinet heeft op 30 juni 2025 aangekondigd8 dat de gesprekken met een aantal bedrijven in de maatwerkaanpak is gestopt. In de gesprekken met TSN zag, en ziet het kabinet voldoende perspectief om te komen tot een bindende maatwerkafspraak. In de Kamerbrief over Uitvoering Pakket voor Groene Groei heeft het kabinet gehoor gegeven aan de brede wens van de Kamer, met de motie Van Dijk c.s. en motie Flach en Vermeer, welke het kabinet verzocht9 de CO2-heffing zo snel mogelijk af te schaffen. Het kabinet heeft aangekondigd de nationale CO2-heffing effectief en op verantwoorde wijze buiten werking te stellen. Het kabinet heeft ook aangekondigd met de industrie en andere stakeholders in overleg te gaan over borgende maatregelen en verduurzaming op de lange termijn.
Kunt u exact uiteenzetten welke maatregelen u aanvullend heeft genomen na het advies van Arbeid, Mens, Verzuim en Inzetbaarheid (AMVI) in samenwerking met de Expertgroep Gezondheid IJmond en welke adviezen u specifiek niet heeft overgenomen? Kunt u in een overzicht ingaan op wat u met elk van de adviezen en aanbevelingen uit het AMVI-advies heeft gedaan?
Wij zijn niet bekend met een advies van Arbeid, Mens, Verzuim en Inzetbaarheid. Waarschijnlijk doelt de vraag op de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI). De Kamerbrief over de ondertekening van de JLoI geeft het gevraagde overzicht van de adviezen van de AMVI en de Expertgroep op hoofdlijnen en geeft ook aan hoe het kabinet opvolging heeft gegeven of gaat geven aan de adviezen.
Aanvullend hieraan is in artikel 6, lid 11 van de JLoI aangekondigd dat TNO een methode ontwikkelde om de PM10-bijdrage van TSN te bepalen aan de immissie in de IJmond en dat het RIVM op dit onderzoek van TNO een second-opinion zou geven. Beide rapporten zijn inmiddels afgerond10 11. De Expertgroep adviseert «om in de definitieve JLoI reductiedoelen zoveel mogelijk vast te leggen op emissieniveau»12. Onder andere op basis van beide rapporten en het advies van de Expertgroep is gebleken dat de methode van TNO niet gebruikt kan worden om bindende afspraken te maken. In de definitieve afspraak zal dus een alternatieve meetmethode vastgelegd moeten worden.
Wat betekent het maximum subsidiebedrag van twee miljard euro door de Rijksoverheid? Betekent dit dat de eventuele meerkosten van de uitvoering van de adviezen van de gezondheidseffectrapportage (GER) per definitie voor de rekening van TSN zijn?
Dit betekent dat de specifieke ondersteuning vanuit de staat vanuit de maatwerkaanpak maximaal 2 miljard euro zal bedragen. Mochten de totale kosten hoger uitvallen, dan zijn deze aanvullende kosten niet voor rekening van de staat. Zie hiervoor ook artikel 7.1.1. onder a van de JLoI.
Zoals ook aangegeven in de eerdere beantwoording13 van Kamervragen, staat het TSN vrij om, net als andere bedrijven, in de toekomst aanspraak te maken op generieke subsidie-instrumenten. Of een subsidie wordt toegekend, zal dan objectief beoordeeld worden aan de hand van de relevante subsidievoorschriften en -voorwaarden.
Waarom is het doel voor TSN om over te zijn op groene waterstof en biomethaan pas gesteld in 2047? Hoe verhoudt dit zich tot de deadline van de uitgifte van ETS-rechten die is gesteld in 2040? Hoe verhoudt zich dit tot aangenomen moties (Kamerstukken 29 826, nrs. 186 en 187)?
In de JLoI worden afspraken gemaakt over de eerste fase van de verduurzaming van TSN die moet zijn afgerond in 2037 (en dus niet in 2047 zoals in de vraag lijkt te worden gesuggereerd). De verplichtingen ten aanzien van het gebruik van waterstof en biomethaan in de JLoI lopen dan ook tot en met 2037. Om volledig klimaatneutraal te worden moet TSN nog een tweede fase van de verduurzaming doorvoeren. In de JLoI is vastgelegd dat er voor deze tweede fase geen maatwerkondersteuning vanuit de staat is voorzien, zie hiervoor artikel 5 lid 1 sub d van de JLoI. Wel is in de JLoI opgenomen dat TSN zo snel mogelijk en uiterlijk in 2045 klimaatneutraal moet zijn.
Het EU ETS systeem zorgt er inderdaad voor dat de rechten aflopen in 2040. Het is echter mogelijk om rechten op te sparen en mee te nemen in de jaren daarna. Er kunnen in 2040 en kort daarna dus nog rechten in omloop zijn. Daarbij is er de mogelijkheid tot compensatie via negatieve emissies, wat bij TSN een mogelijkheid is door de combinatie van CCS en biomethaan.
Welke juridische waarborgen zitten er in de maatwerkafspraken om er zeker van te zijn dat TSN van aardgas over gaat op groene waterstof? Hoe wordt lock-in voorkomen?
In de JLoI is vastgelegd dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de DRP zal vervangen door groene waterstof en/of biomethaan. Voor de aankoop van deze groene energiebronnen verstrekt de staat een lening van 200 miljoen. Indien er in de gehele periode geen groene waterstof en/of biomethaan wordt gekocht door TSN, moet de lening inclusief rente en een (eventuele) boete worden terugbetaald. Als de waterstof en/of biomethaan wel wordt ingekocht, wordt de lening (proportioneel) omgezet in een subsidie. Zie hiervoor ook artikel 7.2.2. van de JLoI. 7.2.2. Verdere juridische waarborgen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Het voorkomen van een lock-in op aardgas is ook een van de eisen die volgt uit het relevante staatssteunkader van de Europese Commissie.
Waarom wordt er ook ingezet op Carbon Capture & Storage (CCS), naast de overgang van aardgas op groene waterstof? Is CCS nog nuttig als de fabriek overgaat op groene waterstof? Zo nee, betekent CCS dan niet een lock-in voor het maken van staal met aardgas?
Er wordt CCS toegepast op de DRP om de emissies verder te reduceren tijdens de tussenfase waarin de DRP op aardgas draait omdat groene waterstof en/of biomethaan in die fase naar verwachting nog onvoldoende beschikbaar en betaalbaar zijn. De DRP produceert een zeer zuivere CO2-stroom, waardoor CCS kosteneffectief toe te passen is. Wanneer de overstap op biomethaan wordt gemaakt, kunnen met CCS negatieve emissies worden gerealiseerd.
Wat zijn de totale kosten om eerst 15 jaar lang staal te maken met aardgas en CCS en daarna 15 jaar groen staal te gaan maken (met groene waterstof) in vergelijking met 30 jaar lang groen staal maken (met groene waterstof)? Kunt u bij dit antwoord werken met verschillende IEA en PBL-scenario’s voor de CO2-prijs, aardgasprijs, prijs van groene waterstof en prijs van CCS?
De nieuwe installaties zijn technisch al voorbereid op het gebruik van waterstof en/of biomethaan. Hiervoor zijn dus geen aanpassingen nodig. De vraag impliceert een keuze tussen de transitie naar groene waterstof via aardgas en CCS en de directe transitie naar groene waterstof. Deze keuze is er niet. Het project kent een noodzakelijke tussenfase met aardgas en CCS op weg naar een toekomst op basis van groene waterstof en/of biomethaan. Deze tussenfase is nodig omdat groene energiebronnen naar verwachting nog onvoldoende beschikbaar zijn op korte termijn. In de uiteindelijke maatwerkafspraak zal een tendermechanisme komen met daarin afspraken over de prijs die TSN kan bieden voor waterstof en/of biomethaan. Deze prijs hangt af van onder andere de aardgasprijs, de ETS prijs en de «green steel premium». Zodra waterstof en/of biomethaan in voldoende mate beschikbaar is tegen de afgesproken prijs, wordt het aardgas vervangen. Om die reden is als tussenfase gekozen voor de combinatie van aardgas en CCS. De beschikbaarheid en prijs bepalen dus hoelang de noodzakelijke tussenfase exact zal duren. Uit het advies van de AMVI volgt ook dat de inzet van CCS zeer kosteneffectief is.
Waarom heeft u de aangenomen motie-Thijssen c.s. over de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond (Kamerstuk 28 089, nr. 307) niet als harde voorwaarde opgenomen in de JLoI? Heeft u dit wel besproken met Tata? Wat was het antwoord van TSN? Wat zijn de kosten om deze adviezen wel op te volgen?
De motie-Thijssen verzocht de regering de adviezen van de Expertgroep als harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen. Zoals eerder ook is aangegeven in de Kamerbrief over de JLoI, is dit gebeurd. In de definitieve JLoI zijn veel van deze adviezen overgenomen. Zo zijn voor alle, door de Expertgroep voorgestelde stoffen, (reductie)doelen opgenomen. Ook zijn er monitoringsafspraken voor geur en geluid gemaakt en zijn er verschillende toezeggingen opgenomen over het verschaffen van meer transparantie over metingen. Een exacte berekening van de kosten van het opvolgen van alle adviezen is niet mogelijk, omdat de maatregelen die nodig zijn om de doelen te behalen niet altijd helder zijn en dus geen volledige inschatting gemaakt kan worden van de benodigde kosten.
Zoals ook uit de beantwoording van vraag 7 en 8 naar voren komt, is voor het volledig behalen van hun adviezen volgens de Expertgroep nodig om naast de beoogde vervanging van KGF 2 en HO7 met een DRP-EAF onder andere ook sluiting van KGF 1, HO6 en de Sinterfabriek nodig.
Wat is de uitstoot van alle schadelijke stoffen op dit moment en op basis van welke gegevens zijn de afspraken over emissiereductie in 2030 gemaakt? Zijn de metingen van deze emissies onafhankelijk gedaan? Kan het zijn, zoals in het eerdergenoemde artikel, dat later blijkt dat emissies toch weer hoger zijn? Zijn de door het RIVM gemeten deposities buiten het TSN-terrein verklaarbaar met de op dit moment bekende emissies? Zo nee, waar komt het verschil door?
De uitstoot van alle schadelijke stoffen op dit moment is te vinden via het openbaar milieujaarverslag (e-MJV)14. De emissiereducties van 2030 zijn uiteraard momenteel niet meetbaar omdat deze emissies pas in de toekomst zullen plaatsvinden. Om de emissiereductiedoelen te bepalen zijn dus berekeningen uitgevoerd op basis van onder andere de technische documentatie en modellen met betrekking tot de projecten. Meer details hierover staan in het rapport van de technische adviseur van de staat15. Dit rapport is met de Kamer gedeeld bij het versturen van de JLoI en kamerbrief.
Het zou kunnen dat gemeten emissies in de toekomst hoger uitvallen omdat meettechnieken verbeteren. Daarom bevat de JLoI absolute maximale emissiewaarden in plaats van reductiepercentages als doelen. Hierdoor blijft het einddoel altijd helder en gelijk. Het kan wel zijn dat de reductieopgave voor TSN in werkelijkheid dus groter is dan nu verwacht. Dit is een risico dat bij het bedrijf ligt omdat de steun van de staat gemaximaliseerd is en de doelen, wanneer die finaal in de maatwerkafspraak overeengekomen zijn, vast zullen staan.
Wat betreft uw vraag over de depositiemetingen: het RIVM meet sinds 2020 in de IJmond hoeveel polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en metalen er zitten in grof stof dat is neergedaald op de bodem. Een belangrijke bron van deze stof is TSN. In het meest recente onderzoek waren de hoeveelheden PAK, aluminium, lood en zink in het stof in de meeste dorpen iets lager dan in 2020. Ook de hoeveelheid ijzer is sinds 2020 flink gedaald16. Het is niet duidelijk of de dalingen structureel zijn en wat de oorzaak ervan is. Dat komt doordat verschillende factoren invloed hebben op de hoeveelheid stof die in de omgeving neerdaalt. Een daarvan is de hoeveelheid stof die door TSN wordt uitgestoten. Maar ook de windsterkte en windrichting hebben invloed op de hoeveelheid stof die neerdaalt. Omdat het weer (wind en neerslag) sterk verschilde in de onderzochte jaren, is niet duidelijk wat de invloed van deze factoren precies is geweest. Het is dus niet mogelijk om de depositiemetingen in de IJmond direct te koppelen aan de emissies van TSN.
Is er in de afspraken ook rekening gehouden met de waarschuwing van de Expertgroep Gezondheid IJmond dat de emissies in de bouwfase kunnen toenemen? Kunt u in een tabel aangeven wat de emissies en andere overlast jaarlijks gaat zijn van nu tot 2032?
De bouwfase wordt gereguleerd door bestaande wet- en regelgeving. Zo wordt bijvoorbeeld ook getoetst aan de geldende geluidsregels. In het milieueffectrapport wordt inzichtelijk gemaakt welke emissies tijdens de bouw- en transitiefase optreden. Het MER wordt op dit moment beoordeeld door het bevoegd gezag (de provincie Noord-Holland).
De toename in fijnstofemissies als gevolg van de bouwactiviteiten is voorzien op 3.9 ton/jr. Dit is volgens TSN een toename van minder dan 1%. Onderstaande tabel geeft voor fijnstof (PM10) de emissies aan over de verschillende fases zoals beschreven in het MER. Naast de realisatie van de nieuwe installaties die het MER beschouwt zal TSN ook aanvullende maatregelen nemen om fijnstof verder te reduceren. Dit betreft het bouwen van overkappingen en een windbreker bij de grondstofvelden en het treffen van maatregelen in de verwerking en opslag van staalslakken. Deze volgen een aparte vergunningsprocedure en zijn daarom geen onderdeel van het MER voor Groen Staal.
Huidig
753
JLoI
Referentie
542
Tabel 4.2 – p 39 MER
Bouwactiviteiten
+3.9
Tabel 5.1 – p 44 MER
Transitiefase
594
Tabel 6.2 – p 48 MER
Operationele fase aardgas
548
Tabel 7.2 – p 56 MER
Operationeel + overkappingen + slak
467
JLoI
De emissies voor de eerste 4 genoemde fases zijn geschaald naar een productie van 7.23 miljoen ton per jaar van staal, en zullen(?) voor de operationele fase de gereduceerde productiecapaciteit van 6.8 miljoen ton per jaar reflecteren.
Waarom gaat TSN verder onderzoek doen naar ultrafijnstof? Waarom is niet afgesproken dat het RIVM verder onderzoek gaat doen naar de uitstoot van ultrafijnstof? Waarom wordt de Expertgroep Gezondheid IJmond niet gevraagd om op basis van een eventueel RIVM-onderzoek naar fijnstof advies te geven over de gezondheidseffecten van fijnstof en hoe deze effecten te verminderen? Wordt fijnstof meegenomen in de GER?
Ter voorkoming van verwarring, fijnstof is de verzamelnaam voor stofdeeltjes kleiner dan 10 micrometer. Een subcategorie van fijnstof is ultrafijnstof, dan gaat het om deeltjes kleiner dan 0,1 micrometer17. Over fijnstof is in het algemeen al veel bekend en dit wordt ook al structureel gemeten en gemonitord door zowel het bedrijf als via het luchtmeetnet, beheerd door de GGD Amsterdam. Over de subcategorie ultrafijnstof is nog niet zoveel bekend en zowel de GGD-Amsterdam en TSN meten en monitoren dit ook nog niet structureel in de omgeving van TSN. De GGD-Amsterdam meet wel al sinds langere tijd structureel ultrafijnstof in Amsterdam-West nabij Schiphol (op immissieniveau), alleen nog niet nabij TSN. Er wordt momenteel onderzocht hoe het luchtmeetnet van de GGD Amsterdam in de IJmond kan worden aangevuld met een permanent meetpunt voor ultrafijnstof. In de maatwerkafspraak is over ultrafijnstof specifiek het volgende opgenomen:
TSN gaat dus specifiek onderzoek doen naar hoe zij het beste ultrafijnstofemissie en -verspreiding kunnen meten en verminderen op hun terrein. Uiteraard wordt er ook veel onderzoek gedaan naar ultrafijnstof in het algemeen, waaronder door publieke organisaties zoals het RIVM18. Zowel fijnstof als ultrafijnstof (voor zover mogelijk) zijn onderdeel van de GER. Ook wordt dus onderzocht hoe het luchtmeetnet van de GGD Amsterdam in de IJmond kan worden aangevuld met een permanent meetpunt voor ultrafijnstof. Dit meetnet is publiek gefinancierd. TSN heeft hierin geen rol.
Wat zijn de gezondheidseffecten van de schadelijke stoffen die nog wel uitgestoten mogen gaan worden? Wat is het cumulatieve gezondheidseffect van deze emissies? Kunt u dit weergeven in DALY’s (Disability Adjusted Life Years), zoals ook de Expertgroep Gezondheid IJmond doet? Hoe vergelijkt dit gezondheidseffect zich met een gemiddelde stad in Nederland?
Er wordt specifiek voor TSN momenteel gewerkt aan de Gezondheidseffectrapportage die op basis van onder andere de MER-gegevens in beeld zal brengen wat de verwachte gezondheidseffecten van de maatwerkafspraak ten opzichte van de huidige situatie zal zijn. Hierbij zal het cumulatieve gezondheidseffect waar mogelijk kwantitatief in beeld worden gebracht, met behulp van disability-adjusted life-years («DALY's»).
Zoals u kunt lezen in de brief met de kabinetsreactie op het tweede advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond19, heeft het kabinet overwogen of een vergelijking met een gemiddelde stad kan worden gemaakt. Ondanks dat het in eerste instantie een mooi uitgangspunt en een praktische invulling lijkt van de vraag wat gezond genoeg is, heeft het veel haken en ogen. De ene stad scoort beter op het ene aspect, de volgende stad op het andere aspect. Er zal dus een keuze moeten worden gemaakt tussen relevante gegevens, die zich niet eenvoudig met elkaar laten vergelijken of afwegen. Ook fluctueren waardes van steden – in de regel is er sprake van een neerwaartse trend – waardoor hoe dan ook referentiewaarden zouden moeten worden gehanteerd. Het advies van de Expertgroep bevat weliswaar enkele rekenvoorbeelden, maar deze zijn op zichzelf onvoldoende om als referentiewaarden te dienen. Het vaststellen van deze referentiewaarden roept daarnaast weer nieuwe vragen op, bijvoorbeeld hoe die zich verhouden tot de wettelijke milieukwaliteitswaarden. Ook is te verwachten dat een dergelijke keuze tot een precedentwerking leidt en dus weloverwogen moet worden. Het kabinet heeft er voor gekozen om dit niet te doen en het zal dus ook geen onderdeel zijn van de GER.
Wanneer verwacht u dat de GER af zal zijn? Waarom vraagt u geen advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond naar aanleiding van de GER? Hoe gaat de GER invloed hebben op de bindende afspraken die u wilt maken met TSN? Wanneer vindt u de uitkomsten van de GER op de maatwerkafspraken voldoende?
De GER is een nieuw instrument, dat zal laten zien wat de geschatte gezondheidseffecten van de beoogde maatwerkafspraak met Tata Steel zullen zijn. Zoals ook in eerdere debatten en het schriftelijk overleg is gemeld, wordt een GER-TSN momenteel opgesteld door een werkgroep samengesteld met experts van het RIVM, de GGD Kennemerland, en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht onder voorzitterschap van ABDTOPConsult.
Deze werkgroep heeft aangegeven dat een GER idealiter wordt opgesteld op basis van een definitieve MER, die ook beoordeeld is door de Commissie mer en het bevoegd gezag, omdat de data dan volledig gevalideerd zijn. Deze versie van het MER is nu nog niet beschikbaar. Tegelijkertijd vraagt de Kamer om zo spoedig mogelijk een GER op te stellen. Daarom wordt er een balans gezocht tussen nauwkeurigheid en snelheid. Doordat de GER voor het eerst wordt uitgevoerd en de uitvoering afhankelijk is van de m.e.r.-procedure, is de exacte duur van de verdere uitvoering niet geheel te voorspellen, maar alle betrokken partijen zijn zich bewust van de wens van de Kamer tot snelheid en zetten zich daarvoor in. Ook is de Expertgroep Gezondheid IJmond betrokken bij het proces. Zowel bij het opstellen van de methodiek als nu bij de uitvoering denken ze mee.
De GER zal geen oordeel bevatten over de vraag of de voorgenomen maatregelen voldoende of onvoldoende zijn om de gezondheid van werknemers en omwonenden te borgen; het is een instrument om de gezondheidseffecten in kaart te brengen. Of de effecten voldoende zijn is een politieke afweging die het kabinet en de Tweede Kamer zullen moeten maken, op het moment dat de uitkomsten beschikbaar zijn.
Het kabinet heeft besloten niet te wachten op een GER met het tekenen van de JLoI, omdat het tekenen van de JLoI een tussenstap is richting het komen tot een definitieve maatwerkafspraak. Het advies van de AMVI, samen met de Expertgroep, heeft het kabinet gesteund in de lijn om in te zetten op het zo snel mogelijk komen tot een JLoI (en daarna maatwerkafspraak). In de conclusie van het advies wordt ook het belang erkend om zo spoedig mogelijk tot resultaten te komen op het gebied van gezondheid en klimaat. Er zijn nog een aantal stappen te zetten om tot een maatwerkafspraak te komen en daar zal ook nog enige tijd voor nodig zijn. (Tussentijdse) inzichten die worden opgedaan bij de uitvoering van de GER-TSN zullen zoveel mogelijk worden betrokken bij de onderhandelingen over de maatwerkafspraak. Daarnaast is in de JLoI de afspraak opgenomen dat de uitkomsten van de GER worden betrokken bij het vaststellen van o.a. de maximale emissies (zie artikel 11, lid 12 onder d).
Wat zegt u tegen omwonenden die de afgelopen jaren meerdere RIVM-rapporten hebben gelezen over hun leefomgeving die stellen dat de lucht rond TSN ongezond is? Welke concrete gezondheidswinst kunt u garanderen aan de omwonenden?
Om doelen voor de (bovenwettelijke) verbetering van de gezondheid te kunnen behalen, werkt het kabinet aan het zo snel mogelijk sluiten van een maatwerkafspraak waarin garanties worden opgenomen voor de gezondheidswinst. Zoals ook naar voren komt in de beantwoording van de voorliggende Kamervragen, bestaat aan de ene kant de wens om heel nauwkeurig te zijn en aan de andere kant de wens om grote snelheid te maken. Ook speelt de vraag wanneer er voldoende gezondheidswinst geboekt wordt en hoe dit op een betrouwbare manier gemeten en gemonitord kan worden. De nauwkeurigheid en de snelheid zijn op sommige punten moeilijker te verenigen. Hierin wordt gezocht naar een goede balans.
Is de toename van het hergebruik van staal tot 30% in 2030 in lijn met de aangenomen motie-Kröger/Thijssen over de circulariteitsdoelen (Kamerstuk 29 826, nr. 186)?
Ja. Daar waar kansen liggen om, bovenop het generieke beleid, via de maatwerkaanpak extra bij te dragen aan de circulariteitsdoelen, wordt dit meegenomen in de maatwerkaanpak. Hiermee wordt invulling gegeven aan de genoemde motie, zoals reeds aan uw Kamer gemeld20.
Is in de JLoI afgesproken dat alle grondstofvelden worden verkapt?
Als onderdeel van de additionele milieumaatregelen zullen bij Mengveld 2 (MV2), Ertsopslag 2 (EO2) en Schrootopslagplaats 3 (SOP3) overkappingen worden gerealiseerd en wordt bij Mengveld 1 (MV1) een windscherm geplaatst. Daarnaast zullen, als onderdeel van het DRP-EAF project, de transportbanden worden overkapt en ook de nieuw te bouwen schrootopslagen zullen volledig worden overkapt. Zie ook artikel 6 en Annex II van de JLoI. Dit betekent dat niet alle grondstofvelden worden overkapt. Het volledig overkappen van grondstofvelden brengt aanzienlijke kosten met zich mee. Daarom is ervoor gekozen om maatregelen te treffen die kostenefficiënt én doelgericht zijn in het zo veel mogelijk verminderen van stofverspreiding. De gekozen aanpak biedt een evenwichtige balans tussen effectiviteit, kosten en de transitie naar een duurzamere productie.
Ter verdere achtergrond, in 2020 hebben TSN en Harsco een hal in gebruik genomen voor de behandeling van de slakken afkomstig uit de Ruwijzerontzwavelingsinstallaties (ROZA) slak om zo de verspreiding van grafiet houdend stof naar de omgeving te elimineren. Ook heeft TSN in 2024 een windscherm van circa één kilometer lang en 18 meter hoog rondom de kolenvelden geplaatst ter vermindering van stofverspreiding. Bovendien zullen deze kolenvelden op termijn verdwijnen, omdat de productie kolenvrij wordt. Een volledige overkapping van de kolenvelden zou daarom geen doelmatige besteding zijn.
Onderschrijft u dat de passage in de JLoI "TSN to do its utmost to ensure that TSN will continue to generate the cash flow needed to complete the Projects" een financiële prikkel geeft aan TSN om kosten te reduceren waardoor mogelijk arbeidsvoorwaarden kunnen verschralen en maatregelen ter bescherming van de omgeving en omwonenden kunnen verminderen? Als TSde aangekondigde reorganisatie van afgelopen april niet doorzet, vindt u dan dat TSN voldoet aan dit stuk van de JLoI? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
TSN moet concurrerend en winstgevend blijven om de noodzakelijke investeringen te kunnen doen voor de transitie naar groener en schoner staal. Deze transitie is in het belang van het bedrijf, de staat en de maatschappij. Het economisch levensvatbaar blijven dient ook het belang van de werknemers, de omgeving en de omwonenden. Zonder die randvoorwaarde kan de transitie namelijk geen doorgang vinden. Dat is dan ook de reden dat dit in de JLoI is opgenomen. Hoe een private onderneming zorgt dat het de benodigde investeringen kan doen, is binnen de grenzen van de wet- en regelgeving, aan de onderneming zelf. Het belang van goedwerkgeverschap is ook opgenomen in de JLoI en dient dus meegenomen te worden in de afweging die Tata Steel maakt (zie onder andere artikel 10, lid 1 van de JLoI).
Hoe groot vindt u dat de «final instalment» minimaal moet zijn, die wordt overmaakt als de CGP2 en BF7 gesloten zijn? Wat is de rationale achter dit bedrag?
Het proces om te komen tot een maatwerkafspraak kent tussenstappen. In de JLoI staan enkele concepten opgenomen die nader uitgewerkt moeten worden. Onderdeel daarvan is ook het concept dat de laatste bevoorschotting pas wordt gedaan op het moment dat het project ook daadwerkelijk is afgerond. Het is voor de staat van belang dat Tata Steel met dit concept kon instemmen voordat we verder gaan in het proces. Dit is voor de staat een randvoorwaarde omdat het meer financiële zekerheid geeft en mogelijkheden om druk te zetten op het finaliseren van het project. En om de doelen van een maatwerkafspraak te behalen, moeten de projecten gefinaliseerd worden. De precieze afspraken over te behalen mijlpalen en bijbehorende subsidievoorwaarden worden uitgewerkt en vastgelegd in de definitieve maatwerkafspraak. Welk bedrag precies redelijk en noodzakelijk is, moet nader worden bekeken en zal ook onderdeel zijn van de onderhandelingen. Het is vanuit dat perspectief voor de positie van de staat niet goed om hier op dit moment nader op in te gaan.
Wat is de rekensom achter de 200 miljoen euro die de Staat bereid is te lenen om de overstap naar biomethaan of groene waterstof mogelijk te maken? Hoe waarschijnlijk is het dat dit bedrag voldoende is om de lock-in van aardgas te voorkomen? Als TSN geen gebruik maakt van de lening en niet overgaat op biomethaan of groene waterstof, wat gebeurt er dan?
Bij het bepalen van het steunbedrag voor de lening van waterstof en/of biomethaan is rekening gehouden met verschillende factoren, waaronder de benodigde hoeveelheden waterstof en/of biomethaan, de verwachte prijzen van aardgas, ETS, groene waterstof en biomethaan en het beschikbare budget. Als TSN besluit om gedurende de gehele periode (2032–2037) geen groene waterstof en/of biomethaan in te kopen, dan moet de lening inclusief rente en een mogelijke boete (terug)betaald worden aan de staat. De hoogte van deze sanctie is afhankelijk van de reden waarom TSN geen groene waterstof en/of biomethaan heeft ingekocht. Het voorkomen van een lock-in op aardgas is ook een van de eisen die volgt uit het relevante Europese staatssteunkader.
Onderschrijft u dat, om eventueel gebruik te maken van het genoemde clawback mechanisme, het nodig is dat de Staat inzicht heeft in de rendementen die gemaakt worden en dus ook in de geldstromen tussen TSN en Tata Steel Limited (TSL)? Heeft u dit ook besproken met TSN en TSL? Hoe gaan zijn inzicht geven in de bedrijfsvoering?
Een goede monitoring van de afspraken is vereist om vast te stellen of de afgesproken doelen worden behaald, of de projecten conform afspraken worden uitgevoerd en of bijsturing nodig is. Ook voor het clawback mechanisme, bedoeld om oversubsidiëring te voorkomen, is inzicht nodig in de financiële situatie van het bedrijf. De manier waarop deze monitoring wordt ingericht is onderdeel van de maatwerkafspraak en wordt de komende periode verder uitgewerkt.
Hoe is de 600 miljoen euro berekend voor additionele maatregelen voor gezondheids- en milieuwinst?
Op grond van het relevante staatssteunkader van de Europese Commissie mag een staat, onder voorwaarden, deel van de totale investeringskosten subsidiëren. In het bepalen van de gezondheids- en milieuwinst is vanuit de staat daarbinnen gezocht naar een ambitieus, doelmatig en haalbaar pakket van maatregelen. Het kabinet is van mening dat met het huidige plan en de bijdrage van de staat een zeer forse en kosteneffectieve verbetering plaatsvindt van de leefomgeving voor omwonenden.
Welke scenario’s heeft u gezien die aantonen dat met de voorgenomen investeringen TSN tot de meest concurrerende Europese staalproducenten zal behoren? Welke aannames zijn daarbij gedaan voor de prijzen van CO2, kolen, ijzererts, gas, wind op zee, groene waterstof, etc.? Hoe verhoudt dit zich tot de prijs van zonne-energie in Zuid-Europa en Noord-Afrika ofwel kan TSN concurreren met dergelijke locaties gezien de lage kosten van zonne-energie?
Het kabinet maakt bij dit scenario gebruik van de analyse uit het rapport van Wijers/Blom21. Ook de AMVI beschouwt het rapport van Wijers/Blom als onverminderd relevant en heeft het gebruikt in haar advies.
In heel Europa wordt gewerkt aan de verduurzaming van de staalsector. Wijers/Blom hebben hierover aangegeven dat staalproductie in landen zoals Zweden en Spanje een kostenvoordeel oplevert, vanwege de beschikbaarheid van groene energie (zon, wind, waterkracht). Echter, de opbouw van nieuwe fabrieken kost veel tijd en geld. En elders in Europa, bijvoorbeeld in Zweden en Spanje, gaat het verduurzamen van de staalsector ook niet gemakkelijk: er doen zich onder andere problemen voor met elektriciteitsnetwerken en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van waterstof.
Uit het rapport van Wijers/Blom blijkt dat TSN de potentie heeft om binnen Europa een sterke concurrentiepositie te veroveren als producent van groen staal. Dit komt met name door haar gunstige ligging aan zee, dichtbij een diepzeehaven en nabij een aanlandingsplaats voor wind op zee en beperkte afhankelijkheid van binnenlands transport van goederen, energie en moleculen. Daarbij kan TSN gebruikmaken van bestaande infrastructuur voor de aan- en afvoer van grondstoffen en producten. Daarnaast leidt de geïntegreerde site van TSN tot proces- en kostenefficiëntie en heeft TSN een feedstockvoordeel door de eigen pelletfabriek. Volgens Wijers/Blom kan TSN door haar rol als grote gebruiker van duurzame energie de ontwikkeling van een duurzaam energiesysteem in Nederland aanjagen. Ook de AMVI geeft aan dat de transitie van Tata Steel een impuls kan geven aan de markt voor biomethaan of groene waterstof.
Wat wordt bedoeld met de potentiële «coal ban»?
De potentiële «coal ban» komt voort uit de aangenomen motie-Rooderkerk over het publiekrechtelijk borgen dat het industrieel gebruik van kolen op termijn wordt beëindigd22.
Het kabinet denkt bij de invulling van deze motie aan het op termijn invoeren van een verbod op grootschalig gebruik van fossiele kolen. Daardoor kan TSN op termijn geen staal meer produceren op basis van kolen.
Kan het huidige stikstofslot ervoor zorgen dat TSN niet kan gaan bouwen aan de nieuwe fabrieken?
In 2022 is de natuurvergunning, die in 2016 aan TSN is verleend, aangescherpt door het bevoegd gezag (de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde omgevingsdienst Noord-Holland Noord). Dat betekent dat de ruimte van TSN voor de uitstoot van stikstof met ongeveer 8% wordt ingeperkt. Deze ruimte komt ten gunste van de natuur. Het staalbedrijf behoudt naar verwachting voldoende stikstofruimte om de komende jaren de omschakeling naar duurzame productie van groen staal mogelijk te maken, maar het is op dit moment te vroeg om hier een definitieve uitspraak over te doen. In 2026 zal het bevoegd gezag de natuurvergunning opnieuw actualiseren. Daarbij ligt de beoordeling bij het bevoegd gezag (de Provincie Noord-Holland).
Het bericht 'Staatssecretaris wil demonstraties op spoor tegenhouden' |
|
Olger van Dijk (NSC) |
|
Foort van Oosten (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Staatssecretaris wil demonstraties op spoor tegenhouden»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat woensdagavond 8 oktober toch meerdere activisten van Extinction Rebellion het spoor bij Amsterdam centraal zijn opgelopen waarna al het treinverkeer werd stilgelegd?
Ik vind het onacceptabel dat demonstranten het spoor betreden. De veiligheid van eenieder – reizigers, medewerkers en demonstranten zelf – wordt ermee in gevaar gebracht en het zorgt voor ernstige verstoringen van het treinverkeer. Het betreden van het spoor is ook strafbaar. Het demonstratierecht is een belangrijk grondrecht, maar men moet zich daarbij wel aan de wet houden.
Wat is ondernomen na de aankondiging van Pro-Palestijnse demonstranten van Extinction Rebellion (XR) om delen van het spoor te bezetten bij «een cruciaal station» als het kabinet niet voor woensdagmiddag een volledig economisch embargo tegen Israël zou instellen?
Door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: IenW) zijn intensieve contacten geweest met de landelijke eenheid van de politie, met het lokaal gezag, ProRail en NS. Inschatting van de aard van de demonstratie en de inzet van mensen en middelen is in dat contact besproken. Daarbij is de burgemeester verantwoordelijk voor het waar mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. In de lokale driehoek van Amsterdam, waar de demonstratie uiteindelijk plaatsvond, is in het kader van de aangekondigde actie een aantal maal overleg gevoerd. Dat de locatie niet bekend was, maakt de voorbereiding op een demonstratie moeilijk.
Hoe is het mogelijk geweest dat ondanks de ruime aanwezigheid van politie op Amsterdam Centraal en de vele uren eerdere aankondiging niet is voorkomen dat activisten op het spoor terechtkwamen?
Hoewel de actie vooraf was aangekondigd en er veel politie aanwezig was, blijft het gedrag van demonstranten deels onvoorspelbaar. Het volledig voorkomen dat demonstranten het spoor betreden blijkt in de praktijk uiterst complex. De eerdergenoemde partijen hadden zich voorbereid op meerdere scenario’s waarbij NS en ProRail ook waren aangesloten bij de Staf Grootschalig en Bijzonder optreden (hierna: SGBO). Dankzij deze voorbereiding kon op 8 oktober op Amsterdam Centraal snel en effectief worden ingegrepen, waardoor de demonstranten snel van het spoor konden worden verwijderd. De hinder voor reizigers bleef daardoor beperkt en het treinverkeer kon snel worden hervat.
Kan feitelijk worden aangegeven welke overleggen hebben plaatsgevonden na de aankondiging tussen het kabinet, het lokale gezag en de activisten, wat daarin is besproken en hoe NS en ProRail daarbij zijn betrokken?
Er is vrijwel dagelijks contact geweest tussen de Staatssecretaris van IenW, het lokaal gezag, NS en ProRail. Lokaal in Amsterdam is de driehoek meermaals bij elkaar gekomen en waren NS en ProRail aangesloten bij de SGBO. Deze overleggen richtten zich op het waarborgen van de veiligheid, maar ook op het laten continueren van de operatie met in achtneming van het demonstratierecht. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de burgemeester en het Openbaar Ministerie om – binnen hun respectievelijke bevoegdheden op grond van de Wet openbare manifestaties en het strafrecht – waar nodig in te grijpen. Hoe in een concrete situatie een afweging gemaakt wordt, is aan het lokaal gezag.
Welke mogelijkheden zijn er om preventief activisten aan te houden als zij tevoren kenbaar maken strafbare feiten te willen plegen en is dat in deze situatie overwogen?
Een aanhouding kan enkel worden verricht in het geval er sprake is van een verdenking van een strafbaar feit. Het enkel kenbaar maken een strafbaar feit te willen plegen, volstaat hiertoe niet, omdat een intentie of gedachte op zichzelf geen (verdenking van een) strafbaar feit oplevert. Overigens kan er wel in de voorfase van een strafbaar feit worden gehandeld, bijvoorbeeld als er sprake is van een verdenking van strafbare voorbereidingshandelingen.
Wat gaat u ondernemen om in de toekomst het ontregelen door activisten van cruciale transportaders zoals spoorstations te voorkomen?
Zoals nu al het geval is, blijft het Ministerie van IenW nauw in overleg met NS en ProRail over de diverse preventieve maatregelen die er zijn en die NS en ProRail nu ook al toepassen. Denk hierbij aan operationele en communicatieve maatregelen, gericht op het zoveel mogelijk voorkomen van dit soort situaties in de toekomst.
Zoals ook gedeeld in de Kamerbrief van 5 november jl.2 is een handelingskader (en escalatieladder) opgesteld door ProRail en NS in samenwerking met JenV, BZK en IenW dat ziet op de verbetering van handhaving bij stationsdemonstraties. Het handelingskader kan gezien worden als richtlijn, want uiteindelijk is het lokaal gezag bepalend in het faciliteren van een demonstratie en het handhaven van de openbare orde en veiligheid. NS/ProRail en gemeenten voeren op basis van dit stuk gesprekken over preventieve maatregelen.
Hoe voert u de aangenomen motie Michon-Derksen (34 324, nr. 25) uit om wetgeving voor te bereiden met een aparte strafbaarstelling op het blokkeren van vitale infrastructuur?
Via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum is in opdracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie en Veiligheid een onderzoek uitgezet naar in hoeverre het wettelijk kader en het handelingsperspectief toereikend zijn voor het lokaal bevoegd gezag om de balans te vinden tussen het demonstratierecht en een eventuele begrenzing daarvan. Als het onderzoek aanleiding geeft tot aanpassing van de wet- en regelgeving, zullen hiervoor de benodigde stappen worden gezet. Daar zal ook deze motie bij worden betrokken. Het onderzoek wordt nog dit jaar naar de Kamer gestuurd. Overigens is het blokkeren van een spoor of snelweg reeds strafbaar.
Hoe geeft u uitvoering aan de aangenomen motie Grinwis c.s. (29 984, nr. 1198) om samen met NS, ProRail en veiligheidsdriehoeken van gemeenten waar stationsdemonstraties hebben plaatsgevonden, te komen tot een gezamenlijk handelingskader en escalatieladder om handhaving bij stationsdemonstraties te verbeteren?
De Kamer is hierover reeds op 5 november jl. geïnformeerd.3 Zie tevens het antwoord op vraag 7.
Kunt u deze vragen voor woensdag 29 oktober beantwoorden?
Nee, de beantwoording van de vragen heeft helaas langer geduurd.
De berichten ‘Staalslakken op veel meer plekken gevonden: aantal locaties bijna verdubbeld’ en ‘Waar komen verwijderde staalslakken terecht? “Geen zicht op”’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van NU.nl en Investico, die meer dan honderd locaties hebben gevonden waar staalslakken zijn toegepast?1
Het is al langer bekend dat staalslakken op verschillende plekken in Nederland zijn toegepast als secundaire bouwstof. Dat er door recente berichtgeving meer historische locaties in beeld komen, is op zichzelf niet onverwacht. Het bevestigt vooral dat het zicht op bestaande toepassingen beter moet. Dat is precies de reden waarom ik de afgelopen periode een breed pakket aan maatregelen heb ingezet om risico’s te beheersen en meer grip te krijgen op de toepassing van staalslakken.
In het commissiedebat van 30 september jl.2 heb ik toegelicht dat ik mij zorgen maak over de huidige praktijk en dat daarom acht concrete acties zijn gestart waarmee wij stap voor stap een structurele verbetering realiseren:
Het feit dat ergens staalslakken zijn toegepast betekent niet automatisch dat er sprake is van risico’s voor mens of milieu. Dat hangt af van de wijze van toepassing, laagdikte en lokale omstandigheden. Bestaande locaties vallen onder toezicht van het bevoegd gezag, dat kan optreden wanneer wettelijke toepassingseisen of de zorgplicht niet zijn nageleefd.
Met de acties die nu lopen zetten wij nadrukkelijk stappen om het zicht op toepassingen te vergroten, risico’s te beperken en te zorgen voor een robuust en toekomstbestendig kader.
Waren deze locaties al bekend bij uw ministerie? Zo ja, waarom is de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er is geen meld-, informatie- of registratieplicht voor het toepassen van staalslakken. Er wordt momenteel wel gewerkt aan het invoeren van een meld- en informatieplicht voor het toepassen van staalslakken om het bevoegd gezag beter in staat te stellen om toe te zien op de naleving van de wettelijke toepassingseisen. Naar verwachting treedt deze maatregel in het voorjaar van 2026 in werking. Het verbeteren van het zicht op toepassing van secundaire bouwstoffen is een thema waar in het kader van de herijking van de bodemregelgeving aan wordt gewerkt. Hierover wordt u voor het einde van het jaar geïnformeerd.
Zijn er meer locaties waarvan uw ministerie afweet dat er staalslakken zijn toegepast, die nog niet op de kaart van NU.nl en Investico staan? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen?
Op 11 april 2024 is een overzicht van toepassingen van staalslakken door Rijkswaterstaat met uw Kamer gedeeld3. De vergelijking met het door NU.nl en Investico gepubliceerde overzicht van 115 locaties laat zien dat alle toepassingen uit dit RWS-overzicht daarin zijn opgenomen.
In het kader van de meest recente signaalrapportage van de ILT (Toepassing LD-staalslakken op land te risicovol voor milieu) heeft de ILT 10 locaties onderzocht. Deze is aan uw Kamer aangeboden op 17 april 20254. Acht van deze tien ILT-locaties komen voor in het Investico-overzicht. De locaties Hellevoetsluis en Strobosser Trekfeart die wel door de ILT zijn onderzocht, zijn niet opgenomen in het Investico-overzicht, maar dat lijkt logisch aangezien de slakken verwijderd zijn van deze locaties.
Zoals aangegeven in de signaalrapportage heeft de ILT nog aanvullend onderzoek gedaan naar andere locaties waar LD-staalslakken grootschalig zijn toegepast. Dit rapport bevindt zich in de afrondende fase en zal voor het eind van dit jaar openbaar worden gemaakt. De ILT kan al wel aangeven dat 7 van de onderzochte locaties niet voorkomen op de kaart van Nu.nl en Investico d.d. 8 oktober 2025.
Zijn er sinds de invoering van de vergunningplicht ook staalslakken toegepast? Zo ja, op welke locaties is dit gebeurd, en hoe zijn lokale toezichthouders betrokken?
Tot op heden is geen enkele aanvraag voor een ontheffing van de tijdelijke regeling staalslak ontvangen. Deze regeling is op 23 juli 2025 in werking getreden en bevat een verbod voor toepassingen op land van niet-vormgegeven bouwstoffen met meer dan 20 massaprocent staalslak in laagdikten van meer dan 0,5 meter of op locaties waar direct contact niet is uitgesloten. Daarnaast geldt een vergunningplicht voor overige toepassingen op land van niet- vormgegeven bouwstoffen met meer dan 20 massaprocent staalslak.
Het is mij niet bekend of sinds de invoering van de regeling dergelijke toepassingen hebben plaatsgevonden. Het is aan het bevoegd gezag (gemeenten) om toe te zien op de naleving van het verbod of de vergunningplicht. De regeling voorziet in de mogelijkheid van ontheffing van het verbod of de vergunningplicht. Die ontheffing wordt uitgevoerd door de ILT. Verder zijn er toepassingen die buiten de reikwijdte van de regeling vallen zoals bijvoorbeeld in beton of asfalt. Ik heb geen informatie over dergelijke toepassingen om de in antwoord 2 genoemde redenen.
Bent u bereid een plan van aanpak te maken om zoveel mogelijk locaties te vinden waar staalslakken zijn toegepast, lokale toezichthouders en bestuurders hierover te informeren, en samen met deze partijen en de staalslakleveranciers de staalslakken te verwijderen als er sprake is van milieuvervuiling? Kunt u hierbij ook de toepassingen van hydraulisch menggranulaat meenemen?
Ja. Ik wil met de medeoverheden komen tot een gezamenlijke aanpak voor bestaande toepassingslocaties van staalslakken. Dat doen we via het BO Bodem, waarin het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW) zijn vertegenwoordigd.
De aanpak richt zich op het in beeld brengen van bestaande toepassingen, het beoordelen van risico’s en, waar nodig, het treffen van maatregelen. De inzet is een risicogerichte inventarisatie in lijn met de tijdelijke regeling. Te beginnen met grootschalige toepassingen en situaties waarbij risico’s kunnen ontstaan voor mens en milieu door direct contact.
Hoe reageert u op de uitspraak van Omgevingsdienst NL, die vreest dat afvalverwerkers staalslakken onvoldoende herkennen en het vervolgens behandelen als normaal afval?2
Staalslakken die na een toepassing worden uitgegraven omdat men zich daarvan wil ontdoen, zijn afvalstoffen en vallen daarmee onder de kaders van het afvalstoffenrecht die eisen stellen aan de inzameling, het vervoer en de verwerking. Ze vallen onder sectorplan 29 van Landelijk Afvalbeheerplan 3 (LAP3) steenachtig materiaal. De minimumstandaard is dan recycling. Afwijken is dan in de basis niet mogelijk, enkel door het volgen van de afwijkingsprocedure. Ook wanneer afvalverwerkers bij steenachtig materiaal niet zeker zijn van de aanwezigheid van staalslakken, zal het kader voor het verwerken hetzelfde zijn. Na adequate verwerking is het mogelijk om de staalslakken weer als bouwstof te gebruiken, bijv. als menggranulaat, mits hier uiteraard wordt voldaan aan de daarvoor gestelde wettelijke eisen die gelden ter bescherming van milieu en gezondheid, in het bijzonder de tijdelijke regeling.
Hoe gaat u voorkomen dat staalslakken worden gemengd met andere afval- en bouwstoffen en daarmee uit het zicht raken?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is aangegeven zijn staalslakken die na een toepassing worden uitgegraven omdat men zich daarvan wil ontdoen, afvalstoffen en vallen onder de minimumstandaard recycling. Bedrijven moeten steenachtig afval gescheiden houden, tenzij zij een vergunning hebben voor mengen (art. 3.195 en art. 3.196 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Het is vervolgens toegestaan om het menggranulaat als bouwstof te gebruiken, mits hiervoor uiteraard de geldende wettelijke kaders worden nageleefd.
Welke regels zijn er voor hergebruik en verwerking van verwijderde staalslakken? Bent u bereid maatregelen te nemen, zodat bedrijven en afvalverwerkers die staalslakken verwijderen lokale toezichthouders actief moeten informeren over het hergebruik en de verwerking van staalslakken?
In de beantwoording van de vragen 6 en 7 geef ik aan welke regels hiervoor gelden. Hieruit volgt dat aanvullende maatregelen niet nodig zijn. Zowel het afvalstoffenrecht (ten aanzien van inzameling, vervoer en verwerking) als de kaders van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bodemkwaliteit (ten aanzien van het toepassen als bouwstof) bieden toezichthouders en het bevoegd gezag voldoende mogelijkheden voor toezicht en handhaving in de keten. Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 is aangegeven, geldt daarbij dat er momenteel gewerkt wordt aan het invoeren een meld- en informatieplicht voor het toepassen van staalslakken.
Bent u bereid staalslakken aan te merken als afval in plaats van bouwstof?
Dat is niet mogelijk. Een materiaal heeft de afvalstatus wanneer aan de definitie uit de Wet milieubeheer wordt voldaan: afvalstoffen: alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Het is niet mogelijk om materialen generiek de afvalstatus te geven of juist te zeggen dat bepaalde materialen generiek nooit afval zijn. Naast de definitie van afvalstof, bevat de Wet milieubeheer voorwaarden om te beoordelen of een materiaal een bijproduct of einde-afvalstof is. Voldoet het materiaal aan alle vier de voorwaarden voor bijproduct of einde-afval, dan is het materiaal geen afvalstof. De beoordeling of een materiaal wel of geen afvalstof is, moet per geval plaatsvinden. Dat is omdat alle feiten en omstandigheden (zoals herkomst, verwerking en toepassing) en de intentie van de houder van belang zijn. Het is aan het bedrijf, als houder van het materiaal, om aan te tonen dat geen sprake is van een afvalstof. Omgevingsdiensten en de Inspectie Leefomgeving en Transport kunnen vanuit hun vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstaken in een specifieke casus tot een eigen oordeel over de afvalstatus komen. Het Rijk is stelselverantwoordelijke en geeft tekst en uitleg, in de vorm van handreikingen, ministeriële regelingen, om bedrijven en bevoegde gezagen te helpen.
De PwC speelveldtoets die de afval- en recyclingsector heeft laten uitvoeren op het invoeren van €567 miljoen extra heffingen op afval |
|
Cor Pierik (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van PricewaterhouseCoopers (PwC) getiteld «Gevolgen van fiscale maatregelen voor concurrentiepositie afvalverwerkingssector»?
Ja.
Deelt u de analyse dat de bij de Voorjaarsnota aangekondigde fiscale maatregelen in de afvalsector, ter waarde van € 567 miljoen, leiden tot een verslechtering van de concurrentiepositie van de recycle- en sorteerbedrijven? Erkent u dat deze verslechtering van de concurrentiepositie haaks staat op de noodzaak om de recyclecapaciteit in Nederland optimaal te benutten?
Het kabinet onderkent dat de aangekondigde fiscale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor de concurrentiepositie van recycle- en sorteerbedrijven. Dit blijkt ook uit de beschikbare impactanalyses die onderzoeksbureau Trinomics in opdracht van het kabinet heeft uitgevoerd en die PwC in opdracht van de afvalsector heeft uitgevoerd. Deze impactanalyses laten zien dat de hogere kosten voor het verbranden van afval de prikkel om te recyclen weliswaar vergroten, maar dat dit effect naar verwachting niet volledig opweegt tegen de kostprijsverhoging voor recyclers en de verminderde import van recyclebaar materiaal. Volgens de speelveldtoetsen leidt dit tot een verhoogd risico op het verplaatsen van Nederlandse recyclingbedrijven naar het buitenland. Juist daarom is het kabinet, samen met de sector in de Werkgroep Afvalsector, bezig met het verkennen van alternatieve invullingen die de circulaire economie beter ondersteunen. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de mogelijkheid om recyclingresidu uit te sluiten van de belastinggrondslag van de afvalstoffenbelasting.
Hoe schat u het risico in dat recycle- en sorteeractiviteiten in Nederland afnemen als gevolg van deze maatregelen? Wat betekent dit voor de nationale ambitie om in 2050 volledig circulair te zijn?
Het kabinet erkent dat de huidige maatvoering van het maatregelenpakket voor de afvalsector verhoogde kosten voor recyclers kan veroorzaken. Dit komt door de verhoogde kosten voor het verbranden van een eventueel overgebleven recyclingresidu. De impact is alleen kwalitatief beschreven door de onderzoeksbureaus, een exacte schatting is hierbij lastig te maken. Nederland streeft naar een circulaire economie in 2050. Daarom kijkt het kabinet samen met de sector via de Werkgroep Afvalsector naar een mogelijke alternatieve invulling met als doel om de circulaire economie meer te bevorderen. Onderdeel daarvan is een verkenning van de mogelijkheid om recyclingresidu uit te sluiten van de belastinggrondslag van de afvalstoffenbelasting en de effecten daarvan.
Hoe weegt u de constatering van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) tijdens de technische briefing over de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) dat de 2050 doelen onhaalbaar zijn? Hoe gaat u werkbare handvatten bieden middels het herziene Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)?
Op 14 oktober is de actualisatie van het Nationaal Programma Circulaire Economie aan de Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2025–2026, 32 852, nr. 392). Hierin (en in de achterliggende documenten) wordt een compleet overzicht gegeven van de beleidsmaatregelen. In de aanbiedingsbrief bij de actualisatie is aangegeven dat er extra stappen nodig zijn om de 2050 doelen te realiseren. Dat onderstreept juist het belang van het NPCE: het programma biedt aanvullende nieuwe werkbare handvatten om de komende jaren meer tempo te maken, samen met bedrijven, kennisinstellingen en medeoverheden.
Hoe voorkomt u dat Nederland zichzelf buitenspel zet in de mondiale concurrentie om circulaire grondstoffen, nu de voorgestelde heffing recyclingactiviteiten uit ons land dreigt weg te drukken en daarmee de toegang tot strategische secundaire materialen voor de Nederlandse industrie ondermijnt?
Vooralsnog geldt een groot deel van het door het kabinet voorgestelde beprijzingspakket als technische dekking. Aan de Werkgroep Afvalsector, waaraan vertegenwoordigers van bedrijven met afvalverbrandingsinstallaties en vertegenwoordigers van recycling-, inzameling- en sorteerbedrijven deelnemen, is gevraagd te komen tot een lijst met alternatieve beprijzende maatregelen. Beoogd is hierover een definitief besluit te nemen bij voorjaarsbesluitvorming 2026.
PwC stelt dat de heffing leidt tot een winstimpact van – 133% voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) in 2035, waardoor kostendekkende exploitatie onmogelijk wordt. Erkent u dat afvalverbranding een noodzakelijke schakel vormt binnen de circulaire keten, en hoe verhoudt deze negatieve impact zich tot die rol?
De winstimpact op afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) zal afhangen van de mate waarin zij de kosten kunnen doorberekenen in hun poorttarieven. Voor de verhoging in de afvalstoffenbelasting geldt dat de export van afval dat in buitenlandse AVI’s wordt verbrand ook onder de grondslag valt. Deze maatregel geeft hiermee geen prikkel om afval naar het buitenland te exporteren. Voor de verhoogde kosten van de CO2-heffing geldt dat export niet belast wordt. De hoogte van de heffing en de impact op de poorttarieven ten opzichte van het buitenland hangt ervan af hoeveel CO2 een AVI nog uitstoot als de aanscherping gaat gelden. PwC gaat bij de berekening van de winstimpact uit van een doorgifte van 10% van de kosten in de poorttarieven voor Nederlands afval op basis van het scenario van de huidig verstrekte SDE++-beschikkingen bij vier AVI’s (AVR, Attero, AEB en EEW). Bij het toepassen van meer CCS kunnen echter meer kosten vermeden worden, waardoor de kostenstijging beperkt zal blijven ten opzichte van het buitenland. Het Planbureau voor de Leefomgeving raamt in de Klimaat- en Energieverkenning 2025 meer CO2-reductie door CCS als gevolg van de aangescherpte CO2-heffing voor AVI’s. CCS-projecten kennen echter onzekerheden door onder andere de mogelijke ontoereikendheid van de SDE++-subsidies om de onrendabele top te dekken, wat van invloed kan zijn op de winstgevendheid. Daarnaast geldt dat de importstroom van afval zal wegvallen door het maatregelenpakket, met negatieve bedrijfseconomische consequenties voor AVI’s.
Het kabinet onderschrijft dat afvalverbranding een essentiële rol inneemt in de afvalverwerkingsketen voor het veilig en nuttig verwerken van niet-recyclebare afvalstromen. Tegelijkertijd is het ook noodzakelijk dat de totale hoeveelheid afval afneemt, dat er minder afval wordt verbrand en dat er meer recycling plaatsvindt. Aan de Werkgroep Afvalsector is daarom gevraagd te komen tot een lijst met alternatieve beprijzende maatregelen met als doel de circulaire economie meer te bevorderen.
Op basis van speelveldtoetsen op het heffen van de € 567 miljoen plasticheffing op polymeren of verpakkingen is besloten deze heffing voorlopig te verplaatsen naar de recycling- en afvalsector. Hoe verhouden de effecten tussen het heffen van de € 567 miljoen op polymeren, verpakkingen of recycling & afval zich tot elkaar en hoe beoordeelt u deze?
Onderzoeksbureau Trinomics heeft in opdracht van het kabinet de beleidseffecten van de plastic-heffing in kaart gebracht richting het voorjaar van 2025. Het kabinet heeft besloten geen polymerenheffing in te voeren vanwege: de weglekeffecten die het rapport van Trinomics laat zien als gevolg van de invoering van een polymerenheffing; de beperkte milieu-impact die een lage heffing op verwerking en productie van polymeren met zich mee brengt; en vanwege zorgen vanuit de sector over de lastenverzwaring en de bijbehorende productieverliezen. De verwachting is geweest dat afvalverbrandingsinstallaties makkelijker dan de overige industriële installaties hun kosten kunnen afwentelen via de poorttarieven. De afvalmarkt is een voornamelijk regionale en deels Europese markt, ten opzichte van veel overige industriële installaties die op mondiale markten opereren. Export van afval voor verbranding naar andere Europese landen is mogelijk, maar wel aan regels onderhevig van de Europese Verordening voor Overbrenging van Afvalstoffen. Dit laat onverlet dat er evenwel sprake is van weglekrisico bij AVI’s, wat ook wordt bevestigd in de rapporten van PwC en Trinomics. Het kabinet stelt daarom subsidies ter beschikking om verduurzamingskosten te beperken en het exportrisico te verkleinen. Op het moment van besluitvorming had het kabinet geen uitvoerbare variant voor een verpakkingenbelasting in beeld. Het kabinet heeft besloten om een beprijzingspakket van € 567 miljoen, grotendeels als technische dekking, in het afvaldomein te beleggen. Juist daarom zijn we als kabinet, samen met de sector in de Werkgroep Afvalsector, actief bezig met het verkennen van alternatieve invullingen.
Waar verwacht u dat het afval naartoe zal gaan als AVI’s hun werkzaamheden in Nederland moeten staken vanwege de negatieve winstimpact van – 133% zoals PwC schetst?
Als er in Nederland niet voldoende capaciteit beschikbaar is voor de verwerking van een afvalstof, kan dit afval voor verwerking naar het buitenland worden overgebracht. Of inderdaad gekozen zal worden voor verwerking buiten Nederland zal onder andere afhangen van toekomstige beleidsontwikkelingen in andere landen die invloed hebben op de buitenlandse poorttarieven (gaan AVI’s bijvoorbeeld onder ETS1 vallen per 2028 of niet). Het Landelijk Afvalbeheerplan schrijft voor dat overbrenging van afval alleen is toegestaan wanneer het afval in het buitenland voldoende hoogwaardig wordt verwerkt. In praktijk betekent dit dat Nederlands brandbaar afval in ieder geval niet mag worden overgebracht om in het buitenland te worden gestort. Verder verbiedt de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen met ingang van 21 mei 2026 de uitvoer uit de EU naar OESO-landen van gemengd stedelijk afval, ook indien dat afval is verwerkt tot refuse-derived fuel.
Hoe beoordeelt u het risico dat afvalexport toeneemt als gevolg van de heffing, terwijl buitenlandse verwerkers vaak lagere milieustandaarden hanteren en minder CO2-efficiënt zijn? Acht u het wenselijk dat Nederland hierdoor de regie verliest over de verduurzaming van haar afvalverwerking en afhankelijk wordt van de bereidwilligheid van andere landen om Nederlands afval te verwerken?
Het kabinet erkent dat de maatvoering van de maatregelen negatieve neveneffecten kan hebben, waaronder de mogelijke risico’s op verplaatsing van Nederlands afval naar het buitenland. Zoals ook met Prinsjesdag gecommuniceerd, is het merendeel van het maatregelenpakket voor de afvalsector (de aanscherping van de CO2-heffing en de afvalstoffenbelasting) onderdeel van een technische invulling. Samen met de sector wordt via de Werkgroep Afvalsector naar een mogelijke alternatieve invulling gekeken om de beoogde opbrengsten te realiseren waarbij de circulaire economie meer wordt bevorderd en bijdraagt aan CO2-reductie.
Tegen de achtergrond dat het kabinet in de Voorjaarsnota het strategische belang van het Carbon Capture and Storage-project (CCS-project) Aramis heeft benadrukt1, waarbij is aangegeven dat de businesscase van Aramis in grote mate afhankelijk is van CO2-afvang door AVI’s2 en dat het PwC-rapport laat zien dat de heffing in de afvalsector leidt tot onzekerheid over CO2-leveringen aan projecten als Aramis, deelt u de zorg dat deze onzekerheid de kans van slagen van Aramis ernstig kan belemmeren?
Aramis is van strategisch belang voor het behalen van de klimaatdoelstellingen en het versterken van de duurzame industrie-infrastructuur in Nederland. In de Voorjaarsnota is daarom expliciet aangegeven dat het kabinet fors in Aramis investeert. Het klopt dat de businesscase van Aramis in belangrijke mate afhankelijk is van voldoende en voorspelbare aanvoer van afgevangen CO2, waarbij AVI’s een potentiële rol kunnen vervullen als leveranciers.
De aanpassingen aan de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties verstevigen de prijsprikkel om CCS (CO2-afvang) toe te passen. Het Planbureau voor de Leefomgeving raamt in de Klimaat- en Energieverkenning 2025 een extra CO2-reductie als gevolg van de aangescherpte CO2-heffing voor AVI’s. Tegelijkertijd wijst Trinomics3 erop dat het toepassen van CCS weliswaar rendabeler wordt, maar dat het onzeker is of AVI’s in de praktijk ook daadwerkelijk gaan investeren in CCS. Het totale beprijzingspakket (inclusief verhoging afvalstoffenbelasting) leidt namelijk tot minder afvalverbranding, door andere vormen van afvalverwerking, minder import van afval en het risico op meer export van Nederlands afval, wat de business case voor AVI’s verslechtert en meer investeringsonzekerheid geeft.
Het kabinet erkent het belang van investeringszekerheid voor zowel CO2-leveranciers als afnemers binnen het Aramis-project. Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat het beleid gericht blijft op het stimuleren van afvalpreventie en recycling in het kader van de circulaire economie. Hierbij wordt gezocht naar een gebalanceerde aanpak waarin zowel de klimaatdoelen als de circulaire ambities kunnen worden gerealiseerd. De oproep van de sector is duidelijk gehoord om te werken aan investeringszekerheid voor AVI’s. De Werkgroep Afvalsector is daarom verzocht om te komen tot een afsprakenpakket dat investeringszekerheid biedt voor verduurzaming van afvalverbranding.
Hoe beoordeelt u het risico dat de export van Nederlands afval brandbaar restafval in andere Europese landen verdringt richting stortplaatsen (met methaanemissies tot gevolg) gezien het feit dat er in Europa jaarlijks nog ruim 50 Mton huishoudelijk restafval wordt gestort?
Er wordt in Europa nog altijd een aanzienlijk deel van het stedelijk afval gestort. De export van Nederlands afval naar buitenlandse verwerkingsinstallaties kan daar de verwerking van ander afval verdringen. Waar dit vrijgekomen afval vervolgens verwerkt wordt, ligt aan factoren als marktwerking en aan de wet- en regelgeving in deze lidstaten. Afhankelijk van deze factoren kan het vrijgekomen afval in het land van herkomst gestort worden, bij een gebrek aan alternatieve verbrandingscapaciteit.
Bent u bereid om bij de verdere uitwerking van de heffing van € 567 miljoen expliciet te waarborgen dat deze buiten het afvaldomein wordt geheven, bijvoorbeeld middels uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) of buiten de circulaire keten, zodat recycling en verwerking niet disproportioneel worden belast en de vervuiler daadwerkelijk betaalt?
Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 5 is aan de afvalsector gevraagd om in de Werkgroep Afvalsector te komen tot een lijst met alternatieve maatregelen voor het door het kabinet voorgestelde beprijzingspakket. Op dit moment worden een aantal van de daar aangedragen en op het eerste gezicht kansrijke alternatieven verder verkend. Beoogd is bij voorjaarsbesluitvorming 2026 een definitief besluit te nemen.
Bent u bereid om de nationale CO2-heffing voor de afvalsector in lijn te brengen met die van andere industrietakken, zodat afvalverwerkers niet worden geconfronteerd met een onevenredige fiscale last die investeringen in verduurzaming en CCS ondermijnt? Verandert uw beoordeling als de Europese Commissie uiterlijk 31 juli 2026 beslist of afvalverbrandingsinstallaties vanaf 2028 onder het European Union Emissions Trading System (EU-ETS) komen te vallen?
Het kabinet acht de differentiatie in de CO2-heffing tussen ETS1- en lachgasinstallaties enerzijds en AVI’s anderzijds verdedigbaar. Het kabinet wil toewerken naar een circulaire economie met minder afvalverbranding, waarbij de afvalverbranding die nog plaatsvindt op een CO2-neutrale manier gebeurt. Omdat AVI’s op dit moment niet onder het ETS vallen, bestaat er op dit moment voor AVI’s geen CO2-reductieprikkel vanuit het ETS1. Bovendien is ongeveer tweederde van de broeikasgasemissies van afvalverbrandingsinstallaties van biogene oorsprong, waar de CO2-heffing niet op van toepassing is. Hierdoor is de verduurzamingsprikkel vanuit de CO2-heffing voor AVI’s, bijvoorbeeld om CO2 af te vangen, slechts een derde van de prijsprikkel die ETS1- en lachgasinstallaties ervaren. Dit rechtvaardigt in de ogen van het kabinet een hoger heffingstarief voor de AVI’s. Op het moment dat AVI’s onder het EU-ETS komen te vallen, zal de belastingdruk vanuit de heffing afnemen, omdat de nationale CO2-heffing fungeert als een minimumprijs waarbij wordt gecorrigeerd voor de ETS-prijs indien bedrijven onder het ETS vallen. Het kabinet acht het wenselijk dat AVI’s zo snel mogelijk onder het ETS worden gebracht en zet zich hiervoor in binnen Europa. De beoordeling van het kabinet dat een hoger tarief voor AVI’s gerechtvaardigd en noodzakelijk is, verandert echter niet op het moment dat AVI’s onder het EU-ETS komen, omdat een sterke prijsprikkel nodig blijft.
De bereikbaarheid van zorginstellingen met het openbaar vervoer, naar aanleiding van de opheffing van bushalte Mooiland in Doorwerth. |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat bushalte Mooiland in Doorwerth, gelegen nabij de zorginstellingen Philadelphia en Vilente, wordt opgeheven?
Nee, van de provincie Gelderland heb ik begrepen dat inmiddels is besloten om de bushalte niet op te heffen.
Bent u ermee bekend dat de zorginstellingen en buurtbewoners hun zorgen hebben geuit in diverse regionale media en middels een brief aan de provinciale staten van Gelderland, omdat de bushalte van grote waarde is voor de inwoners van de zorginstellingen, die vaak slecht ter been zijn, en voor het woon-werkverkeer van de zorgmedewerkers?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de mening dat het opheffen van bushalte Mooiland een negatieve invloed heeft op de mobiliteit, autonomie, sociale verbondenheid en bewegingsvrijheid van de bewoners en zorgmedewerkers? Zo nee, waarom niet?
Van de provincie Gelderland heb ik begrepen dat inmiddels is besloten om de bushalte niet op te heffen.
Deelt u de mening dat het in het algemeen van groot belang is om de bereikbaarheid van zorginstellingen met het openbaar vervoer te waarborgen, om de toegankelijkheid van zorg te garanderen, sociale isolatie tegen te gaan en de continuïteit van de zorg te faciliteren in verband met het woon-werkverkeer van zorgmedewerkers? Zo ja, deelt u de mening dat de rendabiliteit van een buslijn of bushalte ondergeschikt is aan deze maatschappelijke belangen? Zo nee, waarom niet?
In het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op Peil van eerder dit jaar is het belang van de bereikbaarheid van voorzieningen, waaronder zorginstellingen, onderschreven.4 Bereikbaarheid raakt ons allemaal. Meedoen in de samenleving en in de economie kan niet zonder in verbinding te staan met elkaar en met de vitale maatschappelijk-economische voorzieningen zoals onderwijs, zorg, wonen, werken, winkels en recreatie. Bereikbaarheid is een belangrijke sleutel in de keuzevrijheid van burgers om de voor hen belangrijke rechten als wonen, werken, gezondheid en onderwijs in te vullen op basis van de voorkeuren. Hoe dit invulling te geven, is maatwerk. Daarbij gaat het om zoeken naar balans tussen meerdere factoren, waaronder bereikbaarheid en rendabiliteit.
Bent u bereid zich in te zetten voor het behoud van bushalte Mooiland, oftewel voor het tegemoetkomen van de bewoners van de zorginstellingen die nu geen kant op kunnen, bijvoorbeeld door in gesprek te gaan met betrokken partijen zoals de provincie Gelderland? Zo nee, waarom niet?
Van de provincie Gelderland heb ik begrepen dat zij reeds besloten heeft bushalte Mooiland te behouden, maar dat er wel nog een oplossing wordt gezocht voor een vraagstuk rondom verkeersveiligheid ter hoogte van de halte en de voor veel overige reizigers van belang zijnde versnelling van de buslijn.
Bent u bereid om – nu inwoners toen bezwaar kon worden gemaakt niet op de hoogte waren – samen met de provincie en andere betrokken partijen te onderzoeken hoe inwoners beter geïnformeerd kunnen worden over dit soort ingrijpende besluiten? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp van de provincie Gelderland dat zij in gesprek zijn met betrokkenen over de situatie. De provincie heeft reeds besloten bushalte Mooiland te behouden. Er wordt nog wel een oplossing gezocht voor een vraagstuk rondom verkeersveiligheid ter hoogte van de halte en de voor veel overige reizigers van belang zijnde versnelling van de buslijn.
Heeft u in beeld of er op andere plekken in Nederland ook plannen zijn om bushaltes bij zorginstellingen te verwijderen? Zo ja, kunt u hier een overzicht van geven? Zo nee, bent u bereid met de provincies en vervoersregio’s hier een inventarisatie van te maken?
In het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op Peil van eerder dit jaar is het belang van de bereikbaarheid van voorzieningen, waaronder zorginstellingen, onderschreven. Daarbij is ook het instrument van het bereikbaarheidspeil geïntroduceerd om de ontwikkeling van de bereikbaarheid van voorzieningen in heel Nederland te gaan monitoren. Bij de toepassing hiervan is een integrale aanpak voorzien, waarbij naar alle vormen van vervoer wordt gekeken, evenals naar de locaties van instellingen. Deze toepassing vindt conform het kabinetsstandpunt gebiedsgericht plaats. De eerste stap daarbij is het opstellen van regionale bereikbaarheidsanalyses door de regionale overheden. Daarvoor wordt samen met de regionale bestuurlijke partners momenteel een plan van aanpak opgesteld. Dit plan van aanpak ligt komende maand voor in de bestuurlijke overleggen MIRT en zal vervolgens aan de Kamer worden toegezonden.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat bushaltes worden opgeheven bij zorginstellingen en andere voorzieningen waar mensen die slecht ter been zijn afhankelijk van zijn?
De verantwoordelijkheid voor de afweging van het wel of niet opheffen van bushaltes berust bij de concessieverlenende overheid. In het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op Peil van eerder dit jaar is aangegeven hoe met het instrument van het bereikbaarheidspeil de (integrale) bereikbaarheid van voorzieningen, zoals zorginstellingen, in beeld wordt gebracht. Hierbij is ook aangegeven hoe dit gebiedsgericht uitwerking krijgt. Een belangrijke vervolgstap hierbij is het opstellen van regionale bereikbaarheidsanalyses door de medeoverheden, met hun bevoegdheid en verantwoordelijkheden in de regionale bereikbaarheid en hun inzichten in de regionale en lokale staat van bereikbaarheid. Het plan van aanpak om te komen tot deze regionale bereikbaarheidsanalyses ontvangt u later dit jaar.
Het bericht ‘OP wil alsnog volledige sanering vervuilde grond Havenhoofd en Veerdam, maar dat lijkt een utopie’ |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OP wil alsnog volledige sanering vervuilde grond Havenhoofd en Veerdam, maar dat lijkt een utopie»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat de desbetreffende grond met minstens achttien gifstoffen, waarond polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s), kwikdichloride en arseen is vergiftigd?
De uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving voor bodemsanering zijn gedecentraliseerd. Daarom is naar aanleiding van de vragen contact gezocht met het bevoegd gezag voor deze saneringslocaties, de provincie Zuid-Holland en via de provincie met de omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). De provincie Zuid-Holland is verantwoordelijk voor beheer en nazorg op de locatie, behalve voor de periode van 2011 tot en met 2020. In die periode was via een bestuurlijke overeenkomst de gemeente Papendrecht opdrachtgever voor het beheer van de nazorglocaties namens de provincie. De OZHZ heeft taken uitgevoerd namens de provincie en gemeente. Veel informatie is te vinden in de recente beantwoording van vragen aan de provincie2 en de gemeente3 over deze locatie.
Van het bevoegd gezag is vernomen dat in het verleden op de locatie een houtverduurzamingsbedrijf stond waardoor de bodem verontreinigd is geraakt. In 1996–1997 is de locatie gesaneerd. Onder de toen aangebrachte leeflaag van ongeveer een meter dik is een restverontreiniging aanwezig. In 1999 heeft de provincie, toen bevoegd gezag, vastgesteld dat de sanering voltooid is en dat in het kader van zogenaamde nazorg een monitoring moest worden uitgevoerd. Deze monitoring heeft in de periode 1999–2024 plaatsgevonden. Op basis van de resultaten van de monitoring is geconcludeerd dat een stabiele eindsituatie is bereikt, waarna met de monitoring kon worden gestopt. Hiermee is ingestemd door de OZHZ, waar de provincie Zuid-Holland de uitvoering van de betreffende bodemtaken heeft belegd.
Bent u ermee bekend dat er boven op de toxische grond 26 huizen zijn gebouwd waarvan 14 huishoudens te maken hebben gekregen met kanker?
De enige bij het ministerie bekende informatie hierover is een citaat van het Kamerlid El Abassi in een bericht in de lokale media4. Ook bij de provincie is hierover geen informatie bekend.
Is het uws inziens verantwoord dat de betreffende bewoners pas vijftien jaar na aankoop van hun huizen werden geïnformeerd over de toxische grond waarboven ze leefden? Snapt u hun zorgen over hun eigen gezondheid en veiligheid en die van hun kinderen?
De verontreiniging onder de leeflaag was in 2009 al bekend. Dit blijkt uit het saneringsverslag en de beslissing van de provincie hierop. Hierin wordt aangegeven dat de locatie geschikt is om op te wonen. Hierbij geldt wel de gebruiksbeperking dat de aangebrachte leeflaag in stand gehouden moet worden. Door de leeflaag is er bij gewoon gebruik geen blootstelling aan de verontreinigde grond onder deze laag en zijn er dus ook geen gezondheidsrisico's. De verkoper moet de koper hierover informeren. Informatie over de verontreinigingssituatie staat in de koopcontracten van de nieuw gebouwde woningen, zie ook de antwoorden op de vragen die hierover aan de gemeente Papendrecht gesteld zijn (zie voetnoot 3, antwoord 1.20 en 2.1 van de gemeente).
De bewoners zijn vertegenwoordigd in een bewonerscomité. In 2009 is in overleg met dit comité een verifiërend deklaagonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek bestond onder meer uit het vaststellen van de dikte en van de kwaliteit van de leeflaag in de tuinen en uit het uitvoeren van luchtmetingen in verschillende kruipruimten (zie ook het antwoord op vraag 6). Het onderzoek en de metingen waren voor het bevoegd gezag geen aanleiding om terug te komen op het oordeel dat door de sanering de locatie geschikt was voor de functie. Er bleken uit dat onderzoek geen risico’s voor de menselijke gezondheid.
Snapt u dat de bewoners zich zorgen maken dat de gemeente miljoenen ontvangen heeft om de grond te reinigen, maar uiteindelijk van totale sanering heeft afgezien, terwijl het ook onduidelijk is wat er wél met het geld is gebeurd?
Het is goed voorstelbaar dat bewoners vragen hebben over de besteding van middelen.
Bij een sanering wordt doorgaans niet alle verontreinigde grond verwijderd. Doel is vaak om een locatie geschikt te maken voor het beoogd gebruik. Dat kan door het aanbrengen van een leeflaag, zoals bij het Havenhoofd en de Veerdam is gedaan. Dit is een gangbare en bewezen techniek. Door de leeflaag wordt contact met de onderliggende verontreinigde grond voorkomen. Daarom is het ook belangrijk om de leeflaag in stand te houden. Bijzonderheid bij de locatie in kwestie was dat sprake was van een verlaagd terrein. Daarom is vooral grond aangebracht (ophoging) om de reguliere leeflaagdikte van één meter te bereiken. Er hoefde daarom maar beperkt grond afgegraven en afgevoerd te worden.
De sanering (aanbrengen van een leeflaag) is dus wel uitgevoerd. Dit was in opdracht en op kosten van de provincie, het bevoegd gezag. De gemeente Papendrecht heeft de sanering namens de provincie uitgevoerd. Als bevoegd gezag heeft de provincie ingestemd met het behaalde saneringsresultaat en het nazorgplan. De besteding van middelen aan de sanering door de gemeente is door een accountant gecontroleerd en correct bevonden, zo blijkt uit de beantwoording van de vragen door gedeputeerde staten van Zuid-Holland.2
Wat vindt u ervan dat de kruipruimten in hun huizen niet dampdicht zijn en dat de bewoners aangeven dat er pas na hun aankoop van de betreffende huizen, gasmeters zijn geplaatst waarvan nog altijd niet bekend is door wie ze zijn geplaatst en hoe ze zijn gemonitord?
Voor zover bij het ministerie bekend zijn bij de locatie Havenhoofd en Veerdam geen permanente gasmeters geplaatst. Die hoeven dus ook niet gemonitord te worden. Wel zijn na de sanering periodiek controlemetingen uitgevoerd om de situatie te monitoren. In 2010 is een verhoogde binnenluchtwaarde (kwik) gemeten in een kelder en een studeerkamer. Dit was waarschijnlijk te wijten aan een stukgevallen kwikthermometer. Voor de zekerheid zijn daarna in 2015, 2018 en 2021 binnenluchtmetingen uitgevoerd. In 2015 is bij één woning een verhoogde concentratie kwik gemeten in een kruipruimte. In de verblijfsruimte was het gehalte kwik onder de detectiegrens. Sinds 2018 zijn geen verhoogde concentraties meer gemeten. De resultaten zijn beoordeeld door het bevoegd gezag en akkoord bevonden.
Tot slot is het dampdicht maken van kruipruimtes een maatregel die genomen kan worden, maar dat is niet altijd nodig. Ook door voldoende ventilatie kan voorkomen worden dat gassen zich ophopen in de kruipruimtes en de kwaliteit van de binnenlucht beïnvloeden. In deze situatie is destijds door het bevoegd gezag beoordeeld dat ventilatie voldoende was.
Bent u het er, uit het oogpunt van preventieve veiligheid, mee eens dat dit soort maatregelen voorafgaand aan de verkoop van huizen genomen moet worden? Bent u het ermee eens dat de desbetreffende bewoners daarom het recht hebben om hier alsnog nader en compleet over geïnformeerd te worden?
In de praktijk is het treffen van maatregelen voorafgaand alleen mogelijk als op het moment van verkoop de verontreiniging bekend is. Bij Havenhoofd en Veerdam was een deel van de woningen al bestaand toen de historische verontreiniging werd ontdekt en de sanering is uitgevoerd. Dan kunnen alleen maatregelen achteraf worden genomen.
Er is veel aandacht besteed aan het informeren van de bewoners wat betreft nazorg. De beschikking op het nazorgplan is aan alle bewoners binnen het nazorggebied toegestuurd. Daarnaast is door de gemeente ook een toegankelijke informatiefolder over de sanering en nazorg beschikbaar gesteld.
In het verleden vond jaarlijks een overleg plaats met het bewonerscomité en de wethouder van de gemeente. Hierin werd de stand van zaken rondom de nazorg toegelicht, waarna het nazorgstatusrapport (inclusief samenvatting) aan het bewonerscomité werd toegezonden.
De rapportages en beoordelingsbrieven van de nazorg zijn conform beschikking elk jaar naar het bewonerscomité verzonden. Vanaf 2020 is op verzoek van het bewonerscomité de communicatie afgebouwd. Het nazorgstatusrapport (inclusief samenvatting) wordt vanaf 2021 ter informatie gemaild naar het comité en een bewoner die daar specifiek om verzocht heeft. Het laatste nazorgstatusrapport is op 24 juli 2024 ter informatie verzonden.
Bent u bereid om contact op te nemen met de relevante partijen om de lokale bestuurlijke impasse te doorbreken, aangezien de kwestie dermate zwaarwegend is?
Zoals aangegeven bij antwoord 1, is contact opgenomen met het lokaal bevoegd gezag. Uit de aangeleverde informatie blijkt niet dat er sprake is van een bestuurlijke impasse. Bovendien heeft het bewonerscomité een brief geschreven aan de gemeente Papendrecht waarin aangegeven wordt dat het overgrote deel van de bewoners zich geen zorgen maakt over de uitgevoerde bodemsanering en aanwezige restverontreiniging onder de afdeklaag.
Bent u het ermee eens dat er te veel onduidelijkheid bestaat omtrent dit dossier en dat het alle partijen helpt als er een feitenonderzoek komt waar het ministerie het overzicht over behoudt?
In provinciale staten van Zuid-Holland en in de gemeenteraad van Papendrecht zijn veel vragen gesteld in het verleden en beantwoord. Eventuele aanvullende vragen kunnen het beste worden beantwoord door de overheden die op basis van de bodemregelgeving hiervoor verantwoordelijk zijn.