Het verheerlijken en normaliseren van drugsgebruik door minderjarigen in de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinderen, waarin minderjarige jongeren herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij harddrugs gebruiken?1
Hoe kan het dat een streamingdienst kennelijk zonder noemenswaardige beperkingen minderjarigen drugs laat gebruiken voor de camera en dit vervolgens als entertainment uitzendt?
Deelt u de opvatting dat het tonen van minderjarige drugsgebruikers zonder duidelijke afkeurende context bijdraagt aan de normalisering van harddrugsgebruik onder jongeren? Zo nee, waarom niet?
Acht u het acceptabel dat minderjarigen herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij strafbare en potentieel schadelijke gedragingen verrichten, ondanks de mogelijke gevolgen voor hun toekomst?
In hoeverre wordt onderzocht of dit soort content een aanzuigende werking heeft op jongeren en daarmee indirect bijdraagt aan drugsgebruik en drugsnormalisering?
Deelt u de mening dat streamingdiensten en producenten een grens overschrijden wanneer harddrugsgebruik door minderjarigen op deze manier wordt gefilmd en verspreid? Zo nee, waarom niet?
Wordt onderzocht of het herkenbaar in beeld brengen van minderjarige drugsgebruikers gevolgen moet hebben voor zowel de betrokken producenten als de minderjarigen die zichtbaar strafbare feiten plegen? Zo nee, waarom niet?
De bekladding van het Nationaal Monument op de Dam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bekladding van het Nationaal Monument op de Dam met rode verf, vlak voor de Nationale Dodenherdenking?1
Hoe beoordeelt u deze daad, mede gezien de symbolische waarde van het monument en het moment waarop deze plaatsvond?
Hoe is het mogelijk dat een nationaal monument op een dergelijk gevoelig moment niet afdoende beveiligd is gebleken en deelt u de mening dat dit in het vervolg anders aangepakt moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
In hoeverre was er vooraf rekening gehouden met het risico op dergelijke acties, mede gezien eerdere incidenten en maatschappelijke spanningen?
Klopt het dat het Nationaal Monument de afgelopen jaren vaker doelwit is geweest van vandalisme en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Deelt u de mening dat herhaalde incidenten wijzen op tekortschietende beveiliging en handhaving rond dit nationale symbool? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen en acht u de huidige aanpak en strafmaat afschrikwekkend genoeg? Zo ja, hoe rijmt u dat met het feit dat het herhaalde incidenten zijn? Zo nee, bent u bereid deze flink aan te scherpen?
Bent u bekend met het bericht dat inwoners van Loosdrecht zich door de komst van een asielzoekerscentrum (azc) voor alleenstaande mannelijke asielzoekers diep verdeeld voelen en als racisten worden weggezet?1
Heeft u begrip voor de terechte woede en veiligheidszorgen van inwoners, met name vrouwen en gezinnen, over de komst van 70 alleenstaande mannelijke vreemdelingen op een locatie waar kinderen spelen en langsfietsen? Zo ja, waaruit blijkt dat concreet, of laat u hen totaal aan hun lot over?
Klopt het dat bewoners pas enkele dagen van tevoren zijn geïnformeerd over het azc in het voormalige gemeentehuis, zonder veiligheidsplan en zonder enige inspraak?
Is dit de toekomstige blauwdruk van uw asielbeleid: de zelf veroorzaakte asielcrisis afwentelen op kleine Nederlandse dorpen als Loosdrecht omdat u weigert de instroom te stoppen?
Wat vindt u ervan dat in Loosdrecht op 18 maart 2026 geen gemeenteraadsverkiezingen zijn gehouden, er dus geen democratisch mandaat ligt en onder leiding van een waarnemend VVD-burgemeester desondanks een azc wordt doorgedrukt tegen de wil van een groot deel van de inwoners?
Bent u bekend met de uitspraken van de waarnemend burgemeester, ter rechtvaardiging van zijn besluit, dat «er een crisis is» en dat «als we niet uitkijken, er weer mensen op het gras in Ter Apel of in sporthallen moeten slapen»?
Vindt u dat de belangen van alleenstaande mannelijke asielzoekers zwaarder wegen dan de veiligheid, rust en leefbaarheid van Nederlandse vrouwen, kinderen en gezinnen in Loosdrecht?
Bent u het eens met de stelling dat hieruit blijkt dat er sprake is van systematische benadeling van Nederlanders en bevoordeling van vreemdelingen?
Heeft u de beelden gezien van het politieoptreden tegen demonstrerende inwoners?
Bent u het eens met de stelling dat optreden tegen gewelddadige demonstranten noodzakelijk is, maar dat bruut politieoptreden tegen vreedzame, onschuldige inwoners met terechte zorgen niet bij onze rechtsstaat past? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u de dubbele maat waarbij honderden klimaatactivisten de A12 mogen blokkeren, door de politie worden begeleid en zonder enige straf wegkomen, terwijl demonstraties van bezorgde burgers in Loosdrecht worden neergeslagen en zij binnen enkele dagen worden veroordeeld?
Bent u bereid de burgemeester tot de orde te roepen wegens het disproportionele politiegeweld, zelf in te grijpen en een streep te zetten door het azc? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, doch ten minste ruim vóór de geplande komst van het azc?
Het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen door demonstranten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zoveelste wegblokkade van Extinction Rebellion (XR), dit keer in Utrecht?1
Bent u bekend met het feit dat ook andere burgers grondrechten hebben, zoals bewegingsvrijheid en het recht op gebruik van de openbare weg, of geldt dat in de praktijk alleen zolang er geen actiegroep op het asfalt zit? Acht u het recht om te demonstreren absoluut?
Deelt u de opvatting dat het structureel blokkeren van vitale infrastructuur een creatieve, zij het selectieve, interpretatie is van het demonstratierecht? Waar eindigt volgens u demonstreren en begint simpelweg ontwrichten?
Klopt het dat handhaving inmiddels contextafhankelijk is geworden, waarbij de inhoud van de boodschap mede bepaalt of de wet wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Hoe legt u aan burgers uit dat regels nageleefd moeten worden, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt dat overtredingen op grote schaal zonder directe consequenties blijven? Wanneer worden eindelijk harde maatregelen genomen en zwaardere handhavingsmiddelen ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet van waterkannonen en zwaardere sancties?
In hoeverre vindt u het wenselijk dat werkende burgers hun dag moeten herinrichten omdat de overheid structureel ervoor kiest niet in te grijpen? Kunnen deze mensen hun (brandstof)kosten bij u declareren?
Ziet u aanleiding om nader te onderzoeken of organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan het ontwrichten van de openbare orde nog passen binnen de voorwaarden voor een ANBI-status? Zo nee, kunt u dit uitgebreid motiveren?
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
Gemeentelijke uitgaven aan iftar-activiteiten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat grote gemeenten tienduizenden euro’s uitgeven aan iftar-activiteiten, al dan niet via subsidies of eigen organisatie?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het organiseren of subsidiëren van iftars door gemeenten in de kern een religieuze activiteit ondersteunt? Zo nee, waarom niet?
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Idealiter hebben door gemeenten gefinancierde activiteiten een openbaar karakter, dienen ze een maatschappelijk doel en voldoen ze aan bepaalde kwaliteitseisen. In welke mate een concrete iftaractiviteit overeenstemt met de gemeentelijke religieuze neutraliteit is aan de gemeenten om te beoordelen. De aanwezigheid van een gebed op een dergelijke bijeenkomst maakt deze in ieder geval nog niet in strijd met de scheiding tussen kerk en staat.
Hoe verhoudt het actief faciliteren van iftars door gemeenten zich tot het beginsel van scheiding tussen kerk en staat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat gemeenten zich terughoudend dienen op te stellen bij het financieren of organiseren van religieuze bijeenkomsten, in het bijzonder iftars? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat het organiseren en subsidiëren van iftars door gemeenten de indruk wekt dat de overheid zich vereenzelvigt met een specifieke religie?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre acht u het wenselijk dat gemeentelijke middelen worden ingezet voor activiteiten die direct samenhangen met religieuze gebruiken, zoals het verbreken van het vasten tijdens de ramadan?
Het wettelijke kader met betrekking tot de scheiding tussen kerk en staat heb ik hierboven uiteengezet. De keuze om binnen dat kader meer of minder samenwerking te zoeken met godsdiensten en godsdienstig geïnspireerde initiatieven te steunen is er een die gemeenten zelfstandig maken in het kader van de gemeentelijke autonomie. De scheiding tussen kerk en staat sluit het samenwerken met religieus geïnspireerde initiatieven om maatschappelijke doelen te behalen niet uit. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan organisaties met een religieuze grondslag die maatschappelijk werk verrichten, zoals het Leger des Heils. Op grond van de Grondwet en de Gemeentewet heeft de gemeenteraad het budgetrecht en bepaalt deze zelf hoe het zijn middelen inzet. Het is in principe niet aan mij als Minister om daarover een oordeel te vellen.
Welke criteria hanteren gemeenten om te bepalen of een activiteit als «maatschappelijk» wordt aangemerkt, terwijl deze in de praktijk een religieus karakter heeft?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorg dat het labelen van iftars als «ontmoeting» of «integratie» feitelijk een omzeiling van het neutraliteitsbeginsel kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
In hoeverre wordt gecontroleerd of dergelijke subsidies daadwerkelijk een algemeen maatschappelijk doel dienen en niet primair een religieuze activiteit faciliteren?
Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Het college verantwoordt zich aan de raad over de bestedingen. Die verantwoording ziet onder meer op de bestedingen op basis van de begroting, maar ook op de uitvoering van subsidieverordeningen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze politieke dialoog te laten plaatsvinden.
Kunt u uitsluiten dat door deze praktijk een precedent ontstaat waardoor terugkerend aanspraak wordt gemaakt op vergelijkbare financiering? Zo nee, hoe wordt hiermee omgegaan?
Dat een subsidie is verleend voor een bepaalde activiteit betekent niet dat de subsidieontvanger een volgende keer automatisch weer recht heeft op subsidie voor die activiteit. Het is aan het bestuursorgaan waar de subsidieaanvraag wordt ingediend om daarover te beslissen. Een bestuursorgaan kan een subsidie verlenen op basis van een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieverordening van de gemeenteraad. Ook kunnen zogenoemde incidentele subsidies worden verleend, waaraan geen wettelijk voorschrift ten grondslag ligt. Het wel of niet verstrekken van een dergelijke incidentele subsidie behoort tot de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan. Binnen de gemeente verantwoordt het college zich aan de raad over de bestedingen op basis van de begroting.
Acht u het wenselijk dat gemeenten zelf iftars organiseren op bijvoorbeeld het stadhuis en zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de vereiste neutraliteit van de overheid?
Ook hier is sprake van een keuze die een gemeente kan maken binnen de eigen autonomie, en is er ruimte dit te doen binnen de wettelijke kaders rondom de scheiding tussen kerk en staat. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8.
Ziet u aanleiding om gemeenten explicieter te wijzen op de grenzen van het subsidiëren van activiteiten met een religieus karakter? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie heeft in 2019 in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) het Tweeluik religie en publiek domein gepubliceerd. Dit Tweeluik biedt voldoende handvatten aan gemeenten om een juridisch correcte afweging te maken inzake het wel of niet subsidiëren van activiteiten met een religieus element. Ook het subsidiëren van iftarmaaltijden wordt in het document besproken. De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG.
Verschillen in strafmaat en kwalificatie bij zaken van bekladding van religieuze instellingen |
|
Shanna Schilder (PVV), Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving, onder meer van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI), over een uitspraak in een strafzaak rond bekladding van een Joodse instelling1 en hoe verhoudt deze zich tot een eerdere uitspraak uit 2024 waarbij voor een vergelijkbaar feit tegen een moskee celstraffen zijn opgelegd?2
Ja, ik ben bekend met deze berichten. Ik treed niet in de beoordeling van rechterlijke uitspraken. Wel kan ik toelichten dat strafrechters in elke zaak zelfstandig beoordelen of sprake is van een strafbaar feit, welke juridische kwalificatie daaraan wordt gegeven en welke straf passend en geboden is, mede op basis van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval, waaronder eventueel een discriminatoir motief. Het is daarbij niet ongebruikelijk dat zaken die op het eerste gezicht vergelijkbaar lijken, juridisch verschillend worden beoordeeld, omdat de bewijsvoering, de context van het delict en de omstandigheden van het geval kunnen verschillen.
Begrijpt u dat het niet erkennen van een antisemitisch motief in dit soort zaken door de Joodse gemeenschap kan worden ervaren als een gebrek aan erkenning van de ernst van antisemitisme?
Ik begrijp dat beslissingen in strafzaken in de samenleving en in specifieke gemeenschappen verschillend kunnen worden ervaren en emoties kunnen oproepen, zeker bij feiten die raken aan discriminatie. Tegelijkertijd is het aan de strafrechter om vast te stellen of een discriminatoir aspect kan worden bewezen. Die juridische toets kan niet worden vervangen door de maatschappelijke beleving van een feit, hoe invoelbaar die beleving ook kan zijn.
Hoe vaak wordt in dit soort zaken uiteindelijk juridisch vastgesteld dat sprake is van antisemitisme en hoe vaak niet? Kunt u concrete cijfers geven?
In het rapport Strafbare Discriminatie in Beeld 2025 van het OM is antisemitisme 93 keer geregistreerd als discriminatiegrond. Dit betreft 8% van het totaal aantal geregistreerde discriminatiegronden in dat jaar. In 2024 betrof dit 69 registraties, oftewel 11% van het totaal aantal geregistreerde discriminatiegronden in dat jaar.
Deelt u de mening dat het niet vaststellen van een antisemitisch oogmerk in gevallen waarin dat door betrokkenen en de maatschappij in zijn geheel wel zo wordt ervaren juist bijdraagt aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Ik deel die mening niet. Het strafrecht is gericht op het vaststellen van individuele strafbare feiten. Het al dan niet kunnen bewijzen van een discriminatoir aspect in een concrete strafzaak betekent niet dat het onderliggende feit daarmee wordt gebagatelliseerd of niet als ernstig wordt erkend. Daarnaast denk ik niet dat het in een strafzaak niet kunnen vaststellen van een antisemitisch aspect op zichzelf bijdraagt aan het toenemend antisemitisme in de samenleving.
Deelt u de mening dat antisemitisme als motief bij strafbare feiten explicieter en zwaarder meegewogen moet worden in de strafmaat? Zo nee, waarom niet?
Het huidige strafrechtelijke kader biedt al uitdrukkelijk de mogelijkheid om een discriminatoir aspect, waaronder antisemitisme, zwaar te laten meewegen bij vaststelling van de strafmaat.
Gedragingen met een discriminatoir karakter zijn strafbaar gesteld in de artikelen 137c tot en met 137g van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast kan een discriminatoir aspect worden aangemerkt als strafverzwarende omstandigheid bij bepaling van de straf. Met ingang van 1 juli 2025 is een algemene wettelijke strafverzwaringsgrond geïntroduceerd (artikel 44bis Wetboek van Strafrecht). Deze bepaling regelt dat de rechter de op te leggen straf met één derde kan verhogen indien een strafbaar feit (bijvoorbeeld een mishandeling of vernieling) is gepleegd met een discriminatoir aspect.
Hoe duidt u de verschillen in strafmaat en kwalificatie in het licht van het gelijkheidsbeginsel en het uitgangspunt van rechtsgelijkheid?
Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. In het strafrecht betekent dit echter niet dat zaken die in eerste opzicht vergelijkbaar lijken, automatisch tot dezelfde uitkomst moeten leiden. De strafrechter beoordeelt per zaak afzonderlijk de concrete feiten en omstandigheden, de bewijslast, de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verschillen in strafmaat of kwalificatie kunnen daarom gerechtvaardigd zijn wanneer deze verschillen berusten op relevante verschillen in bewijs, context of juridische beoordeling.
In hoeverre wordt bij incidenten zoals bekladding van Joodse instellingen standaard onderzocht of sprake is van een antisemitisch motief en welke factoren zijn hierbij van belang bij de overweging van de rechter voor het aannemen van een antisemitisch oogmerk? Bent u bereid in overleg met het Openbaar Ministerie en de rechtspraak te bezien of nadere richtlijnen of verduidelijkingen nodig zijn om meer consistentie te bevorderen?
In strafrechtelijke onderzoeken wordt in zaken waarin mogelijk sprake is van discriminatoire aspecten, waaronder antisemitisme, standaard onderzocht of aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief. Het OM hanteert daarbij de Aanwijzing Discriminatie.3
Of een discriminatoir motief uiteindelijk juridisch kan worden bewezen, hangt af van de beschikbare bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan door de rechter.
Ik zie, mede gelet op de bestaande wettelijke kaders en de Aanwijzing Discriminatie van het OM, op dit moment geen aanleiding om aanvullende of nadere richtlijnen te ontwikkelen. Wel blijf ik in gesprek met het OM en de rechtspraak over de effectieve werking van het bestaande instrumentarium en de bestrijding van discriminatie in al haar vormen.
Het bericht 'Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld' |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld»?1
Ja.
Kunt u de toename in het aantal plofkraken duiden en aangeven op welke manier het kabinet haar beleid hierop toespitst?
De toename in het aantal plofkraken is gerelateerd aan sealbag (afstort)automaten. Dit zijn automaten waarin ondernemers geld kunnen afstorten in een verzegelde plastic zak (sealbag). Criminelen hebben een nieuwe modus operandi ontwikkeld en concentreren zich daarbij op dit type automaten.
De onlangs ingestelde gedeeltelijke sluiting van dit type automaat is een tijdelijke noodmaatregel van Geldmaat. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Financiën zijn in gesprek met Geldmaat, de politie, De Nederlandsche Bank en de grootbanken om tot structurele passende maatregelen te komen. Zie ook de beantwoording van vraag 9.
Kunt u aangeven op welke manier met de sector en Geldmaat gesproken wordt om plofkraken niet van invloed te laten zijn op de beschikbaarheid van contant geld?
Mijn ministerie heeft samen met het Ministerie van Financiën doorlopend overleg met Geldmaat, politie, banken en De Nederlandsche Bank (DNB). Samen zoeken wij steeds naar een zorgvuldige balans tussen het borgen van de veiligheid van passanten en omwonenden en het waarborgen van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van contant geld.
Kunt u aangeven hoeveel geldautomaten er de afgelopen tien jaar gesloten zijn als gevolg van (aanhoudende) plofkraken en welke oplossingen worden geboden indien er sprake is van zo’n verwijdering?
De afgelopen jaren zijn er diverse geldautomaten gesloten, zowel geldautomaten om contant geld op te nemen als af te storten. Dit had niet alleen te maken met een reeks plofkraken, maar ook met de transitie van geldautomaten van individuele banken naar één landelijk dekkend netwerk van Geldmaat-automaten. Hierbij zijn locaties ontdubbeld en zijn automaten losgekoppeld van banklocaties en elders herplaatst. Om die reden is het lastig te zeggen welke automaten gesloten zijn vanwege plofkraken.
Indien een automaat wordt verwijderd als gevolg van een plofkraak, betekent dit vaak dat elders een automaat wordt bijgeplaatst.
In 2022 hebben de banken, vertegenwoordigers van consumentenorganisaties en toonbankinstellingen afspraken met elkaar vastgelegd in het Convenant contant geld om te borgen dat contant geld beschikbaar, bereikbaar, betaalbaar en veilig blijft. Onderdeel van deze afspraken is dat Geldmaat een minimumaantal automaten zal aanbieden, met een minimale bereikbaarheid in afstand of autorijminuten. Momenteel werkt de overheid aan de Wet chartaal betalingsverkeer om deze vrijwillige afspraken om te zetten in wetgeving.
Kunt u aangeven in hoeveel procent van de plofkraken er sprake is van een grensoverschrijdend karakter, zoals bijvoorbeeld het vluchten over de grens na afloop van de plofkraak?
De in Nederland gepleegde plofkraken worden gepleegd door in Nederland woonachtige daders. Bij de politie zijn geen zaken bekend waar sprake is van grensoverschrijdend vluchtgedrag als plofkraken in Nederland gepleegd worden.
Bent u van mening dat grenscontroles bij kunnen dragen aan het op heterdaad oppakken van daders van plofkraken, nu de NOS bericht het doelwit van veel plofkrakers zich verplaatst van Duitsland naar Nederland?2
De plofkraken in Duitsland worden met name gepleegd door in Nederland woonachtige daders. Bij de huidige reeks aan plofkraken in Nederland passeren de daders niet de grens tussen Nederland en Duitsland. De Nederlandse binnengrenscontroles zijn gericht op het tegengaan van irreguliere migratie en aan migratie gerelateerde grensoverschrijdende criminaliteit, zoals mensensmokkel of documentfraude. Hierdoor zullen binnengrenscontroles niet direct bijdragen aan het op heterdaad oppakken van daders van deze reeks plofkraken. Uiteraard kunnen grenswachters van de Koninklijke Marechaussee die de binnengrenscontroles uitvoeren, doorpakken als zij tijdens deze controles stuiten op strafbare feiten.
Op welke vlakken verschillen de aanpak van Duitsland en Nederland op dit gebied, nu de NOS aangeeft dat door de effectieve Duitse aanpak de focus terug op Nederland is komen te liggen?
De aanpak in Nederland en Duitsland verschilt niet. In beide landen is er aandacht voor preventie, het opsporen van daders en het versterken van heterdaadaanhoudingen. Ondanks hele goede beveiliging blijven daders altijd zoeken naar mogelijkheden om het te omzeilen.
Met name de intensieve operationele samenwerking tussen de Nederlandse en Duitse opsporingsinstanties heeft ervoor gezorgd dat het aantal plofkraken op reguliere geldautomaten in Duitsland aanzienlijk is afgenomen en blijft afnemen.
Kunt u aangeven hoeveel plofkraken er in buurlanden worden gepleegd door daders uit Nederland of die naar Nederland vluchten na afloop van een plofkraak?
De politie registreert niet alle zaken in het buitenland; alleen die zaken waarvan zij vermoeden dat Nederlandse daders betrokken zijn. Bij die zaken ziet de politie dat Nederlandse daders vanuit het buitenland terug Nederland in vluchten.
Land
2025
2026
Nederland
3
11
Duitsland
103
6
België
1
0
Luxemburg
2
0
Zwitserland
7
2
Oostenrijk
22
0
Peildatum: 10 april 2026
In hoeverre ziet u dat de beschikbaarheid van contant geld voor zowel burgers als ondernemers onder druk is komen te staan door plofkraken en de daartegen genomen maatregelen?
Sinds de recente toename van het aantal plofkraken heeft Geldmaat aanvullende maatregelen genomen. Zo zijn er tijdelijk 218 sealbag automaten met boven- en nevenbewoning gesloten. Voor de circa 240 overige sealbag automaten gelden tijdelijk aangepaste openingstijden van 7.00 tot 14.00, met uitzondering van de 44 sealbag automaten in Geldmaatwinkels. Deze hanteren hun reguliere openingstijden. Op de locatiewijzer van Geldmaat kunnen de actuele openingstijden gevonden worden. Deze maatregelen waren op korte termijn nodig om het risico op nieuwe plofkraken op dit type automaten te verkleinen. De sluiting van sealbag automaten heeft vrijwel geen gevolgen voor het opnemen van contant geld door ondernemers en burgers (de beschikbaarheid van contant geld), maar heeft wel gevolgen voor het kunnen afstorten van contant geld door ondernemers. Dit kan het voor ondernemers minder aantrekkelijk maken om contant geld te accepteren en kan daarmee gevolgen hebben voor de bruikbaarheid van contant geld. Er wordt gewerkt aan structurele veiligheidsmaatregelen, zodat gesloten sealbag automaten zo spoedig mogelijk en op verantwoorde wijze weer kunnen worden opengesteld.
Mogelijke stemfraude bij de gemeenteraadsverkiezingen in Gorinchem. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat in Gorinchem vermoedens bestaan van stemfraude met volmachten bij de recente gemeenteraadsverkiezingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk op grote schaal gebruik is gemaakt van volmachten, waaronder situaties waarin meerdere volmachten op vergelijkbare wijze waren voorbereid?
De mogelijkheid om te stemmen bij volmacht wordt in ons land breed gedragen, omdat het bijdraagt aan de toegankelijkheid van verkiezingen: mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen, krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. 54% van de kiezers die bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 een volmacht heeft afgegeven zou niet zijn gaan stemmen als machtigen niet mogelijk was.2 Dit laat zien dat het stemmen per volmacht een toegevoegde waarde heeft in ons verkiezingsproces; het zorgt dat er geen stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
De mogelijkheid om bij volmacht te stemmen brengt echter ook kwetsbaarheden met zich mee, zoals dat kiezers onder druk gezet kunnen worden om hun volmacht af te geven. Internationale waarnemers hebben bij eerdere verkiezingen ook op deze risico’s gewezen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. De wettelijke strafbepalingen zijn op dit onderwerp recent nog aangescherpt. Hiervoor is 1 januari jl. een wetswijziging3 in werking getreden (Stb. 2025, 272) waarbij de delictsomschrijving is aangescherpt en de strafmaat is verhoogd. Ook is er voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen extra ingezet op aanvullende voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers.
Wanneer er sprake is van een hoog percentage volmachten bij een stemlokaal kan dit een aanwijzing zijn voor mogelijke risico’s zoals ronselen. Daar kan echter niet op voorhand vanuit gegaan worden. Er kunnen ook andere verklaarbare factoren zijn: bij stemlokalen in de buurt van verzorgingscentra worden bijvoorbeeld vaker stemmen bij volmacht uitgebracht dan bij andere stemlokalen. In de praktijk zien we dat concrete aanwijzingen van onregelmatigheden zoals ronselen worden gesignaleerd en dat dit leidt tot aangifte en onderzoek door het Openbaar Ministerie (hierna: OM). De politie en het OM doen op dit moment onderzoek naar de gebeurtenissen rond de gemeenteraadsverkiezing in Gorinchem. Op de uitkomsten van dit onderzoek kan ik niet vooruitlopen. Als uit dat onderzoek blijkt dat er daadwerkelijk sprake is van ronselen, is dat strafbaar en is het aan de rechter om hierover te oordelen.
De casus Gorinchem betrek ik bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Zijn er signalen dat vergelijkbare praktijken met betrekking tot volmachtstemmen ook in andere gemeenten hebben plaatsgevonden? Zo ja, waar en wordt hier ook onderzoek naar gedaan?
Er zijn geen andere signalen bij mij gemeld. Wanneer er sprake is van vergelijkbare praktijken in andere gemeenten is het aan het betreffende college om aangifte te doen, zodat de signalen kunnen worden onderzocht.
In hoeverre acht u het zorgwekkend dat op één stembureau een relatief hoog aantal volmachten is uitgebracht (circa 135 op 650 stemmen)?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het huidige systeem van stemmen bij volmacht kwetsbaar is voor misbruik? Zo ja, welke risico’s zijn hierbij bekend? Hoe worden deze risico’s op dit moment aangepakt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre komt misbruik van volmachten vaker voor bij verkiezingen in Nederland en wordt dit structureel gemonitord?
De omvang van ronselen van volmachten bij verkiezingen in Nederland lijkt in de praktijk beperkt. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan vanwege ronselen.
Er is geen actuele monitoring ingericht waarin het misbruik van volmachten structureel op een plek wordt bijgehouden. Iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst. Gemeenten en stembureaus hebben een belangrijke rol in het signaleren van mogelijke onregelmatigheden tijdens verkiezingen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. Als er signalen van ronselen zijn, dient de betreffende gemeente aangifte te doen. Dat is ook in Gorinchem gebeurd.
Deelt u de zorg dat situaties waarin kiezers worden benaderd om hun volmacht af te geven het vertrouwen in het verkiezingsproces kunnen ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Het initiatief om een volmacht af te geven moet altijd bij de kiezer zelf liggen. Wanneer kiezers worden benaderd of zelfs onder druk worden gezet om hun volmacht af te geven, ligt dit initiatief niet langer bij de kiezer maar bij de persoon die de volmacht probeert te bemachtigen. Dit kan worden gekwalificeerd als ronselen en is schadelijk voor het vertrouwen in het verkiezingsproces. Om die reden is de strafbaarstelling en strafmaat voor ronselen recent aangescherpt.
Welke rol spelen kandidaten of politieke partijen bij het verzamelen van volmachten en waar ligt de grens tussen legitieme ondersteuning en ongewenste beïnvloeding?
Het komt voor dat politieke partijen bemiddelen tussen kiezers die een volmacht willen afgeven en potentiële gemachtigden. Dit kan handig zijn voor kiezers die zeker willen weten dat de gemachtigde op de partij van hun keuze gaat stemmen. Deze praktijk is toegestaan, mits het initiatief nog altijd bij de kiezer zelf ligt om contact op te nemen met de politieke partij, zodat een gemachtigde kan worden aangewezen en de kiezer dus ook weet wie de volmachtnemer is. Zodra politieke partijen of individuele kandidaten zelf kiezers benaderen om hen te bewegen hun volmacht af te geven, is er sprake van ronselen. Het is dus van belang om deze grens scherp voor ogen te houden.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige systeem van volmachtstemmen moet worden aangepast of aangescherpt om fraude en beïnvloeding tegen te gaan?
Iedere verkiezing wordt uitgebreid geëvalueerd met als doel te onderzoeken welke verbeteringen in het verkiezingsproces mogelijk zijn. De casus in Gorinchem wordt betrokken bij de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezingen. Daarbij wordt bezien of en zo ja hoe de regels over het gebruik van volmachten moeten worden aangescherpt.
Welke vervolgstappen worden overwogen indien uit het onderzoek blijkt dat daadwerkelijk sprake is geweest van stemfraude en wat betekent dit voor de geldigheid van de verkiezingsuitslag in Gorinchem?
Het is aan het OM en vervolgens aan de rechter om te bepalen welke vervolgstappen passend zijn wanneer er sprake is van het ronselen van volmachten of andere vormen van stemfraude in Gorinchem. De gemeenteraad van Gorinchem heeft op 31 maart jl. besloten de nieuw verkozen leden niet toe te laten en een herstemming te organiseren. Inmiddels is bekend dat deze herstemming plaatsvindt op 29 april aanstaande. De gemeenteraad heeft hiertoe besloten omdat er te veel twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de stemming, nu er een onderzoek loopt naar mogelijke verkiezingsfraude door de politie en het OM.
Op welke wijze wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en eventuele bredere implicaties voor toekomstige verkiezingen?
Zie antwoord vraag 9.
De politiepublicatie 'Game Over?!' en het profiel van verdachten van bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de politiepagina «Game Over?!», waarin tientallen verdachten van onder meer bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken herkenbaar in beeld worden gebracht?1
Ja
Herkent u een bepaald daderprofiel bij deze daders? Zo ja, hoe ziet dit profiel eruit? Zo nee, worden wij dan bedrogen door onze eigen ogen?
Zoals de campagne heeft laten zien zijn nepagenten en fraudeurs een groot probleem, met soms ingrijpende gevolgen. Niet alleen in verband met de financiële gevolgen van oplichting, maar ook het verlies van de samenleving in het vertrouwen dat je de deur kan openen of gegevens kan delen. Dit kabinet geeft prioriteit aan de aanpak van criminaliteit die burgers raakt, zowel offline als online. Met de actie Game Over?! wil de politie zaken oplossen, oplichters aanpakken, criminele netwerken verstoren en laten zien dat deze criminaliteit niet zonder gevolgen blijft. In het strafrecht staat het handelen van een verdachte centraal. Herkomst, culturele achtergrond of geloof spelen geen rol.
Kunt u bevestigen dat binnen deze dadergroep sprake is van oververtegenwoordiging van mensen met een bepaalde herkomst? Zo nee, waarom wordt hier niet explicieter over gerapporteerd?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wordt in publieke communicatie over deze criminaliteit terughoudend omgegaan met het benoemen van daderprofielen, terwijl dit relevant is voor preventie en bewustwording?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is er bij dit type criminaliteit sprake van georganiseerde structuren en welke rollen worden daarin onderscheiden? Indien sprake is van georganiseerde structuren, zijn deze duidelijk in beeld bij de politie?
Bij oplichtingen door nepagenten is meestal sprake van een georganiseerde structuur met een aantal rollen. De meeste fraudes verlopen volgens een vast stramien en met een vaste rolverdeling. De rollen die je kunt onderscheiden zijn: de beller, de nepagent, de chauffeur en de coördinator. Deze rollen zijn duidelijk. De «Game Over?!» campagne focust zich specifiek op de rol van nepagent.
Kunt u toelichten in hoeverre bij deze vormen van fraude sprake is van grensoverschrijdende of internationaal georganiseerde criminaliteit? Indien hiervan sprake is, op welke vlakken schieten opsporingsbevoegdheden en de samenwerking met andere landen tekort in het aanpakken van deze criminaliteit?
De internationale component verschilt per type oplichting. Bij telefonische helpdeskfraude (waar nepagenten en bankhelpdeskfraude onder vallen) is juist vaak sprake van Nederlandse daders in alle rollen. Vloeiend en netjes Nederlands spreken is een vereiste om geloofwaardig over te komen.
Er is ook een internationale context: Nederlandse daders plegen hun delicten ook in België, zowel het oplichten, als het ronselen van personeel. Ook worden Nederlandse loopjongens ingezet voor oplichtingen in België.
Bent u voornemens de korpschef op te roepen, bij effectiviteit van deze maatregel van publicatie, dit veel vaker in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Politie en Openbaar Ministerie gaan de «Game Over?!» campagne evalueren. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zullen zij beslissen over een vervolg.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over ontwikkelingen in daderprofielen en trends binnen deze vorm van criminaliteit?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek levert maandelijks de kenmerken van bij de politie geregistreerde verdachten naar incidentsoort. Deze zijn openbaar beschikbaar via de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek.2
Verheerlijking van grensoverschrijdende drugscriminaliteit en ondermijnende criminaliteit in Limburg |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat in Limburg drugscriminaliteit niet alleen toeneemt, maar zelfs openlijk wordt verheerlijkt, onder meer door het in brand steken van auto’s en het verspreiden van beelden daarvan op sociale media?1
Ik ben bekend met het bericht en deel de mening dat zware criminaliteit onacceptabel is en een ontwrichtend effect kan hebben op de samenleving als geheel en daarmee ook op jongeren.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat zware criminaliteit wordt gevierd en verheerlijkt en dat dit een ontwrichtend effect heeft op de samenleving en met name op jongeren?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de signalen van de politie dat criminelen in grensregio’s steeds brutaler opereren en zich kennelijk onaantastbaar wanen?
Ik neem deze signalen zeer serieus. Daarom investeren we ook in de gezamenlijke aanpak van de politie, het Openbaar Ministerie, de Koninklijke Marechaussee, de douane en de gemeenten in de grensregio’s. Daarnaast is de intensieve samenwerking met België en Duitsland daarin belangrijk. Criminelen maken namelijk bewust gebruik van de voordelen van de grens, bijvoorbeeld door hun activiteiten te spreiden over Nederland, België en Duitsland, wat de opsporing bemoeilijkt. Dit is onacceptabel. Daarom is in Limburg op 9 februari jl. een intentieverklaring getekend tussen de Nederlandse, Belgische en Duitse politiediensten en de Koninklijke Marechaussee voor de verdere ontwikkeling van een gecoördineerde en toekomstbestendige Euregionale politieoperatie, om zo structureel samen te werken om de veiligheid in de Euregio te versterken.
Klopt het dat de samenwerking tussen Nederland, België en Duitsland nog steeds tekortschiet, waardoor criminelen bewust gebruikmaken van grenzen om opsporing te ontwijken en, zo ja, waarom is dit probleem nog altijd niet opgelost? Welke knelpunten zijn er?
Criminaliteit stopt niet bij landsgrenzen. Criminele netwerken maken bewust misbruik van de landsgrenzen, door de verschillen tussen Nederland, België en Duitsland in wetgeving, bevoegdheden en systemen te benutten. Op sommige vlakken hebben de grenzen namelijk een belemmerend effect op de samenwerking tussen de landen. Bijvoorbeeld in de opsporing. Hier heeft de grens voor de politie een vertragend effect, onder meer vanwege een verschil in regelgeving ten aanzien van het bewaren en delen van gegevens, rechtshulpverzoeken en beperktere mogelijkheden van de inzet van bijvoorbeeld taps. Belangrijke gegevens zijn zo niet direct toegankelijk, waardoor criminelen direct na een misdrijf een voorsprong hebben. Ook tijdens het verdere onderzoek zijn mogelijkheden beperkt doordat (vluchtige) data niet meer beschikbaar zijn of pas na langere tijd in het bezit komen van de onderzoekers.
Daarom treedt Nederland, juist in nauwe samenwerking met de grensregio’s en ook overkoepelend met de centrale regeringen in België en Duitsland, ferm op tegen criminele netwerken die bewust misbruik maken van de landsgrenzen. Onderdeel van de samenwerking bij het aanpakken en voorkomen van ondermijnende criminaliteit in de grensregio is de inzet van het Euregionaal Informatie en Expertisecentrum (EURIEC). Via het EURIEC wordt samengewerkt met België en Duitsland (deelstaat Noordrijn-Westfalen). Het EURIEC ondersteunt bij concrete casuïstiek met een internationale component. Het primaire doel is daarbij om te voorkomen dat criminelen, die aan de ene kant van de grens effectief worden geweerd om in de legale wereld zaken te doen, aan de andere kant van de grens ongestoord hun criminelen activiteiten kunnen voortzetten. Het EURIEC doet dat door nauwe samenwerking tussen de Nederlandse RIEC’s, de Belgische ARIEC’s (equivalent van de Nederlandse RIEC’s) en Duitse partners.
Verder staat ook de Nederlandse politie in nauw contact met hun Belgische en Duitse collega’s in de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit. Met de buurlanden wordt intensief operationeel samengewerkt. Hiervoor bestaat onder andere het Benelux-politieverdrag, waarin is geregeld dat politiegegevens kunnen worden gedeeld en grensoverschrijdende bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend. Met Duitsland is de grensoverschrijdende politiesamenwerking geregeld in het Verdrag van Enschede uit 2005.
De operationele grensoverschrijdende politiesamenwerking vindt onder meer plaats door de inzet van grensoverschrijdende politieteams met Duitsland, gezamenlijke patrouilles en controles met België en in het Euregionaal politie-informatie-uitwisselingscentrum (EPICC). Regelmatig vindt op operationeel niveau overleg plaats in de zogenoemde burenoverleggen, een samenwerkingsformat tussen lokale politiechefs van grensregio’s.
Sneller informatie delen over grensoverschrijdende veiligheidsproblemen en gezamenlijk actie ondernemen is als ambitie opgenomen in het Benelux jaarplan van 2026. Dit jaarplan heeft als doel om grensbreed de effectiviteit van de politiesamenwerking tussen Nederland, België en Luxemburg verder te versterken.
Hoe kan het dat jongeren massaal betrokken raken bij en worden beïnvloed door deze georganiseerde criminaliteit en erkent u dat hier sprake is van een zorgwekkende normalisering van criminaliteit onder jongeren?
Elke jongere die geronseld wordt voor de georganiseerde criminaliteit is er één te veel. Met veruit de meeste jongeren in Nederland gaat het echter goed en uit de data blijkt dat de jeugdcriminaliteit de afgelopen twintig jaar stevig is gedaald. Er is dus geen sprake van normalisering van criminaliteit.
Feit is wel dat jeugdcriminaliteit zich momenteel concentreert onder een specifieke groep jongeren met een opeenstapeling van risicofactoren. Met name jongeren in kwetsbare posities komen soms in aanraking met negatieve rolmodellen die criminaliteit verheerlijken. Bij die jongeren in kwetsbare posities is het dan ook cruciaal om hen weerbaar te maken tegen de verleiding van de georganiseerde criminaliteit. Bijvoorbeeld via sociale media en muziek, door hen een beter toekomstperspectief te bieden.
Mede daarom zet ik met Keerpunt in op een veilig en laagdrempelig hulpplatform waar jongeren professionele hulp krijgen wanneer zij crimineel uitgebuit worden. Keerpunt is bedoeld voor jongeren die vastzitten in de criminaliteit, of hier kwetsbaar voor zijn en niet zelfstandig een uitweg weten te vinden. Om te voorkomen dat jongeren met criminaliteit in aanraking komen, daarin afglijden of doorgroeien zetten we in op kansrijke en bewezen effectieve interventies, zoals de gedragsinterventie «Alleen jij bepaalt wie je bent» (AJB). AJB is een effectief bewezen gedragsinterventie waarbij positieve rolmodellen en sport als middel worden ingezet om te voorkomen dat jongeren afglijden in de criminaliteit en is landelijk beschikbaar. Tenslotte zet ik met Preventie met Gezag in op het wegnemen van de voedingsbodem voor georganiseerde criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit doe ik door samen met gemeenten, justitie- en zorgpartners kansen te bieden aan jongeren die vatbaar zijn voor criminaliteit en tegelijkertijd grenzen te stellen aan crimineel gedrag. Bijvoorbeeld door de inzet van jongerenwerk. Jongerenwerkers hebben een goed beeld van de jongeren in hun wijk en kunnen problematisch gedrag van kwetsbare jongeren op school, straat of online vroegtijdig signaleren en snel doorverwijzen naar de juiste hulp.
Welke concrete maatregelen neemt u om het verheerlijken van criminaliteit, bijvoorbeeld via sociale media en muziek, tegen te gaan en acht u het nodig om hier harder tegen op te treden?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het feit dat verboden motorbendes zoals Hells Angels, Bandidos en Satudarah opnieuw aan invloed lijken te winnen doordat leden vrijkomen en opnieuw actief worden?
Eind 2025 is het WODC-onderzoek naar de precieze effecten van de civiele verboden op Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s) in Nederland gepubliceerd tezamen met een beleidsreactie.2 Hieruit blijkt dat de invloed van OMG’s in de openbare ruimte sterk is afgenomen, vergeleken met de start van de OMG-aanpak in 2012. OMG-leden zijn over het algemeen minder zichtbaar geworden in het publieke domein en daarnaast zijn er de afgelopen jaren tientallen clubhuizen gesloten en clubgerelateerde evenementen voorkomen. Dit heeft verder bijgedragen aan de verminderde zichtbaarheid van (verboden) OMG’s.
Dat OMG’s als gevolg van de integrale aanpak en civiele verboden minder zichtbaar zijn in de openbare ruimte, is een resultaat dat we moeten vasthouden. In de beleidsreactie op het WODC-onderzoek is te lezen dat mijn ambtsvoorganger afspraken heeft gemaakt met partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband om zich te blijven inzetten op het handhaven van de civiele verboden van verboden motorclubs en op hun leden. Zij mogen immers geen vrijplaats worden geboden en zowel de overheid als de maatschappij moeten ten alle tijde weerbaar tegen hen zijn.
Tegelijkertijd krijg ik ook signalen dat OMG’s hier en daar actiever lijken te worden, en dit is een zorgelijke ontwikkeling. We houden deze motorbendes nauwlettend in de gaten en de lokale driehoek grijpt in waar dit kan. Daarnaast ontvang ik jaarlijks van de politie een fenomeenbeeld op dit thema, dat ook wordt verrijkt door de partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband, zodat we tijdig kunnen opschalen indien de situatie hierom vraagt. Dit onderwerp blijft dus onder mijn aandacht en over deze ontwikkeling blijf ik met de relevante partners in gesprek.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat criminelen in staat zijn om jongeren in te zetten en tegelijkertijd openlijk hun activiteiten te verheerlijken zonder dat daar zichtbaar hard tegen wordt opgetreden?
Het is onaanvaardbaar dat jongeren worden gerekruteerd door de georganiseerde criminaliteit, ook via sociale media, en ik deel de mening dat daar hard tegen moet worden opgetreden.
Welke concrete extra maatregelen gaat u nemen om de ondermijnende criminaliteit in Limburg hard aan te pakken en wat gaat er nu daadwerkelijk veranderen ten opzichte van de huidige aanpak?
Politie en justitie hebben de grensregio’s onder controle. Zoals eerder bij vraag 4 beschreven, wordt samen met België en Duitsland hard opgetreden tegen criminele samenwerkingsverbanden. Zo is de politie-eenheid Limburg bezig met het verkennen van een Euregionale Politiealliantie, waarvoor het op 9 februari jl. een intentieverklaring heeft getekend met hun politieburen in België en Duitsland. De ambitie van een dergelijke Euregionale Politiealliantie is om de duurzame en structurele samenwerking tussen de politiediensten in de Euregio te versterken. Daarmee houden politie en justitie nu en in de toekomst de grensregio’s onder controle.
Wat is er volgens u op dit moment nodig om ervoor te zorgen dat in grensregio’s als Limburg weer duidelijk wordt dat politie en justitie de controle hebben, in plaats van criminele netwerken die zich onaantastbaar wanen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen nog vóór het commissiedebat over criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit van donderdag 19 maart 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden daarbij kunnen worden betrokken?
Dat is helaas niet mogelijk gebleken.
Het uitsluiten van Joodse organisaties bij onderzoek naar Joods vastgoed in Rijswijk |
|
Gidi Markuszower (PVV), Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de gemeente Rijswijk ervoor heeft gekozen om het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Irgoen Olei Holland niet te informeren over een onderzoek naar Joods vastgoed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, omdat deze media volgens de gemeente een bepaalde «kleuring» zouden geven aan het conflict in Gaza?1
Deelt u de mening dat het uiterst kwalijk is als een gemeente besluit Joodse media en organisaties uit te sluiten van communicatie over een onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie en dat dit op zijn minst de schijn wekt van discriminatie op grond van politieke gezindheid, afkomst of religie?
In algemene zin staat buiten kijf dat het uitsluiten van Joodse media en organisaties vanwege hun geloof of afkomst onacceptabel is. Het doen van onderzoek, naar welk onderwerp dan ook, speelt een belangrijke rol bij het verrijken van kennis en ontwikkelingen in de samenleving. Wanneer een gemeente onderzoek doet of laat uitvoeren betreft dit een lokale aangelegenheid. De gemeentelijke autonomie maakt dat gemeentebesturen een eigen bevoegdheid hebben. Hierbinnen kunnen zij ook zelf onderzoek verrichten en hier beleidskeuzes op baseren. Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven aan de wijze waarop een gemeente in een concreet geval optreedt in het kader van een onderzoek. Het is aan de gemeenteraad om haar college van burgemeester en wethouders ter verantwoording te roepen wanneer zij dat nodig acht.
Hoe beoordeelt u het feit dat het college van burgemeester en wethouders hiermee inging tegen het advies van zowel de onderzoeker als de begeleidingscommissie, die aangaf dat het uitsluiten van deze media de onafhankelijkheid en kwaliteit van het onderzoek kon schaden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat communicatie over onderzoek naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog afhankelijk wordt gemaakt van de politieke opvattingen die een gemeente toeschrijft aan bepaalde Joodse media of organisaties?
In het algemeen ben ik het met u eens dat Joodse media of organisaties niet op basis van hun politieke opvattingen uitgesloten zouden moeten worden bij onderzoeken naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog.
Hoe verhoudt de handelwijze van de gemeente Rijswijk zich volgens u tot artikel 1 van de Grondwet, waarin expliciet is vastgelegd dat discriminatie op grond van onder meer politieke gezindheid niet is toegestaan?
Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven over de handelwijze van het gemeentebestuur van Rijswijk. Wanneer er een vermoeden is van het overtreden van artikel 1 van de Grondwet, kan de rechter daar desgevraagd een oordeel over uitspreken.
Deelt u de zorgen dat door deze beslissing mogelijk relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden nooit zijn bereikt, waardoor het onderzoek naar Joods vastgoed mogelijk onvolledig is gebleven?
Het is niet aan mij om over een specifiek geval een opvatting te hebben. Wel kan ik het mij voorstellen dat er in dit geval een zorg bestaat dat mogelijk niet alle relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden zijn bereikt in dit onderzoek. Echter, ik wil en kan niet oordelen of het onderzoek van de gemeente Rijswijk daarmee als onvolledig kan worden gezien.
Bent u bereid te onderzoeken of de handelwijze van de gemeente Rijswijk in strijd is met het discriminatieverbod en met de zorgvuldigheid die van een overheid mag worden verwacht bij onderzoek naar onteigend Joods bezit?
Nee. De Nationale ombudsman is in beginsel bevoegd om klachten over de gedraging van – in dit geval – de gemeente Rijswijk te onderzoeken en hierover te oordelen. Met de komst van de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling – naar zogenaamd eenzijdig overheidshandelen – wordt het in de toekomst voor het College voor de Rechten van de Mens ook mogelijk om over het handelen van de overheid te oordelen. Een wetgevingstraject hiervoor ben ik momenteel aan het voorbereiden.
Welke rol ziet u voor het Rijk om te waarborgen dat gemeenten bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie zorgvuldig, onafhankelijk en zonder politieke of ideologische afwegingen handelen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders haar verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen. Dit geldt ook bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie.
Deelt u de mening dat het bijzonder pijnlijk en ongepast is als juist bij onderzoek naar onrecht dat Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan opnieuw een situatie ontstaat waarin Joodse organisaties of media worden buitengesloten en dat dit bijdraagt aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Ik kan mij voorstellen dat er gevoelens van onvrede bestaan bij de Joodse organisaties die niet direct zijn betrokken bij het onderzoek van de gemeente Rijswijk. Echter, zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen.
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met de gemeente Rijswijk om opheldering te vragen over deze gang van zaken en de Kamer hierover te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
De geweldsgolf in Lelystad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Lelystad opnieuw wordt geteisterd door een reeks explosies bij woningen, waarbij zeer jonge daders worden ingezet en bewoners in grote angst leven?1
Ja.
Hoe verklaart u dat het geweld in Lelystad al langere tijd speelt en dat er ondanks eerdere arrestaties en maatregelen opnieuw een reeks aanslagen plaatsvindt? Erkent u dat dit voor bewoners het beeld oproept dat de overheid de grip op de situatie dreigt te verliezen?
Het is begrijpelijk dat deze reeks aanslagen bij een deel van de bewoners zorgt voor onrust en mogelijk het beeld oproept dat er onvoldoende grip is op de situatie. De burgemeester, in samenspraak met de lokale driehoek, is verantwoordelijk voor de lokale handhaving van de openbare orde. Op d.d. 5 maart heeft de burgemeester van Lelystad tijdens een interpellatiedebat in de gemeenteraad een uitgebreide toelichting gegeven op raadsvragen naar aanleiding van recente explosies in de stad. Tijdens deze raadsvergadering is benadrukt dat de aanpak van de explosies hoge prioriteit heeft bij politie, OM en gemeente.
Landelijk zien we dat aanslagen met explosieven een hardnekkig en complex fenomeen zijn. Daarom is eind 2024 het Offensief tegen Explosies opgericht. Binnen dit Offensief werken publieke en private partners samen om te komen tot een duurzame afname van het aantal aanslagen met explosieven. In 2025 was landelijk sprake van een lichte daling, maar het aantal is nog steeds te hoog. Samen met het Offensief tegen Explosies blijf ik mij daarom onverminderd inzetten om het aantal aanslagen op woningen, bedrijven en voertuigen terug te dringen.
Hoe kan het dat een vermeende leider van een criminele groep, die in verband wordt gebracht met meerdere geweldsincidenten, met een enkelband en gebiedsverbod tijdelijk de straat op mocht om zijn rijbewijs te halen, terwijl de stad tegelijkertijd wordt geconfronteerd met een nieuwe golf van explosies en geweld? Hoe legt u dit uit aan bewoners die zich inmiddels onveilig voelen in hun eigen wijk?
Gedetineerden kunnen, in het kader van resocialisatie, verlof krijgen en bij voorlopige hechtenis kan hiervoor schorsing worden verleend. Bij de beoordeling hiervan wordt een zorgvuldige afweging gemaakt, waarbij onder meer het recidiverisico en de veiligheid voor de samenleving worden meegewogen. Aan het verlof of de schorsing kunnen voorwaarden worden verbonden die met een enkelband kunnen worden gemonitord, zoals een gebiedsverbod. Over individuele gevallen kan ik geen uitspraken doen.
Deelt u de mening dat het ronselen en inzetten van minderjarigen voor zware criminaliteit een bijzonder laffe en verwerpelijke praktijk is en bent u met ons van mening dat hier aanzienlijk zwaardere straffen voor moeten gelden?
Ik deel de mening dat het verwerpelijk en kwalijk is dat minderjarigen worden geronseld voor het plegen van zware criminaliteit. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, lopen een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken van criminele ronselaars. Dit is zorgelijk. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Hier speelt ook de vaak hoge (tijd)druk door criminelen een rol. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken.
Het is aan de rechter om te bepalen over de strafoplegging. Het OM en de politie geven aan dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de officier van justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten.2
Afhankelijk van de omstandigheden zijn daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Welke concrete maatregelen zijn er op dit moment genomen om de betrokken criminele netwerken achter deze explosies op te rollen en welke verdere concrete maatregelen bent u van plan te gaan nemen?
Op individuele casuïstiek kan ik niet ingaan. In algemene zin kan ik melden dat vanuit diverse politieteams en afdelingen wordt gewerkt om niet alleen uitvoerders op te sporen en te vervolgen, maar ook om ronselaars (voor uitvoerders) en opdrachtgevers te identificeren en aan te pakken.
Het opsporen en vervolgen van opdrachtgevers en tussenpersonen, zoals ronselaars en brokers is één van de prioriteiten voor 2026 vanuit het Offensief tegen Explosies.
Bent u bereid om, onder andere, extra politiecapaciteit, opsporingsmiddelen en bestuurlijke maatregelen in te zetten om deze geweldsgolf zo snel mogelijk te stoppen en de veiligheid van bewoners te herstellen?
De huidige situatie is ernstig en heeft logischerwijs een aanzienlijke impact op het veiligheidsgevoel van bewoners. Het is belangrijk dat deze geweldsgolf snel stopt. In het geval van lokale veiligheidsproblematiek, zoals de problematiek in de wijk Kempenaar in Lelystad, is het aan de veiligheidsdriehoek, de burgemeester, de politie en het OM, om op basis van de beschikbare feiten passend op te treden.
Het gebruik van explosieven om te intimideren is niet enkel beperkt tot Lelystad. Aanslagen met explosieven komen verspreid over het gehele land voor. Met deze aanslagen wordt het veiligheidsgevoel in wijken ernstig aangetast. Dit vind ik onacceptabel. Eén van de punten waar het Offensief tegen Explosies zich op richt is het vergroten van de weerbaarheid van gemeenten. Hiertoe is onder andere een handelingskader ontwikkeld voor gemeenten.3 Deze kunnen gemeenten gebruiken ten behoeve van de lokale aanpak. Daarnaast zet ik met het Offensief in op het tegengaan van de brede beschikbaarheid van zwaar vuurwerk, het opsporen en vervolgen van opdrachtgevers en tussenpersonen en het voorkomen van (herhaald) daderschap.
Strafbare acties van Extinction Rebellion en het blokkeren van scholen in Amsterdam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat activisten van Extinction Rebellion in de nacht van 4 op 5 maart 2026 meerdere middelbare scholen in Amsterdam hebben geblokkeerd door sloten dicht te lijmen en kettingen om schoolhekken te leggen, waardoor de toegang tot de gebouwen werd verhinderd?1
Ja.
Deelt u de mening dat het dichtlijmen van sloten, het blokkeren van de toegang tot gebouwen en het veroorzaken van schade aan eigendommen simpelweg strafbare feiten zijn en niets te maken hebben met het recht op demonstratie?
Ik sluit me aan bij de woorden van de burgemeester van Amsterdam, die de actie nadrukkelijk afgekeurd heeft en heeft aangegeven dat dit niets met demonstratievrijheid te maken heeft. Demonstreren is een groot goed in onze democratische rechtsstaat. Het biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, mits dit vreedzaam en binnen de grenzen van de wet gebeurt. Het plegen van geweld, intimidatie of, zoals in dit geval vernielingen hoort daar niet bij.
Hoe beoordeelt u het feit dat Extinction Rebellion zelf aangeeft dat deze actie «nog maar het begin» is en dat verdere ontwrichtende acties worden aangekondigd?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht naar aanleiding van deze actie en welke strafbare feiten worden de betrokken activisten precies ten laste gelegd?
Op dit moment zijn er nog geen aanhoudingen verricht.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de volledige schade, herstelkosten en politie-inzet op de daders en de organisatie worden verhaald, zodat niet de samenleving maar de veroorzakers betalen?
Het uitgangspunt is dat schade zoveel mogelijk op de daders wordt verhaald. Momenteel zijn er nog geen aanhoudingen verricht en zijn er geen verdachten in beeld. Daarmee ontbreekt op dit moment de mogelijkheid om schade te verhalen. Mocht alsnog uit onderzoek blijken wie verantwoordelijk is, dan wordt uiteraard bezien of schade op hen kan worden verhaald.
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet houdt niet bij wanneer en waarvan scholen aangifte doen. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen, moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Het is helaas niet altijd mogelijk om aan te tonen wie welke schade heeft aangericht. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek moet worden aangepast of uitgebreid zodat ook organisaties die structureel maatschappelijke ontwrichting of chaos nastreven, maar op dit moment misschien niet direct onder de reikwijdte van dit wetsartikel vallen, effectiever kunnen worden verboden?
Wanneer er daadwerkelijk strafbare feiten worden gepleegd, biedt de wet nu al voldoende middelen om daartegen op te treden.
Wat gaat u verder concreet doen tegen deze anarchistische organisatie die herhaaldelijk strafbare en ontwrichtende acties organiseert en welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Extinction Rebellion opnieuw publieke voorzieningen kan blokkeren en de openbare orde kan verstoren?
De beoordeling of er in een concreet geval is van strafbare feiten is aan het OM, en uiteindelijk aan de rechter. Het is aan het lokaal gezag om demonstraties te faciliteren en waar nodig maatregelen te treffen als de openbare orde in het gevaar is.
Het bericht ‘Leeuwarden kampt met drugsoverlast en dakloosheid. ‘We kunnen dit niet accepteren’’ |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drugsoverlast en dakloosheid in Leeuwarden. «We kunnen dit niet accepteren»»1 in het Nederlands Dagblad van 2 maart 2026?
Ja.
Hoe verklaart u de toename van het drugsgebruik, specifiek in Leeuwarden? Valt deze toename te koppelen aan het niet effectief opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens? Zo nee, waarom niet?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.2 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan. Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt. Het drugsgebruik in Leeuwarden is met andere woorden niet direct en enkel te koppelen aan het opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens.
Welke toename en trends ziet u in het gebruik van legale structuren door ondermijnende bendes, specifiek ingezet voor de drugshandel? Kunt u specifiek per onderdeel aangeven waarop deze vermoedens gebaseerd zijn en welke middelen daartegen momenteel ingezet worden?
Nederland heeft als handelsland internationaal een unieke positie als knooppunt in logistiek, transport, financiële dienstverlening en digitale infrastructuur, waarbij tussen (inter)nationale partners veel gegevens en goederen worden uitgewisseld. Criminelen maken hiervan misbruik voor hun drugshandel. Zo worden leegstaande schuren van boeren misbruikt voor de productie van drugs, wordt illegaal meegelift op transportlijnen en wordt vastgoed aangekocht voor criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend vermogen.
Als breder fundament onder de bestrijding van ondermijning door georganiseerde criminaliteit is het in ontwikkeling zijnde Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland (DON) straks van grote waarde. Dit dreigingsbeeld richt zich op de ondermijnende effecten die het gevolg zijn van georganiseerde criminaliteit, welke systeemkwetsbaarden ondermijning in de hand werken, welke infrastructuren kwetsbaar zijn voor crimineel misbruik en brengt in beeld waar maatschappelijke schade optreedt. Daarmee geeft het DON ook inzicht welke publieke en private partijen voor de aanpak (nog meer) moeten worden gemobiliseerd. Om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van criminaliteit tegen het bedrijfsleven, is in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB) geherintroduceerd. Naar verwachting wordt eind dit jaar daarvan de eerste editie opgeleverd. Op basis van onder meer die informatie kunnen we de inzet tegen ondermijnende criminaliteit specifieker richten.
In de tussentijd zitten de partners en ik echter niet stil. Om criminele inmenging in legale economische sectoren en structuren tegen te gaan, wordt zowel specifiek als breder ingezet op het weerbaar maken van ondernemers tegen ondermijnende criminaliteit.
Binnen het mainportsprogramma wordt op de grote logistieke knooppunten, zoals de havens van Rotterdam, Vlissingen/Terneuzen, het Noordzeekanaalgebied, de luchthaven Schiphol en de bloemenveiling nauw samengewerkt tussen publieke en private organisaties om barrières op te werpen tegen georganiseerde criminaliteit en organisaties minder kwetsbaar te maken voor criminele inmenging en misbruik.
In de halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit van 10 juni 20253 ben ik uitgebreid ingegaan op mijn aanpak voor een weerbare economie, en de aanpak van criminele geldstromen. De gezamenlijke inspanningen van de financiële sector en overheidspartners om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan, voorkomen dat de financiële sector misbruikt wordt door criminelen voor het uitvoeren van criminele transacties en het witwassen van criminele verdiensten. Binnen criminele geldstromen wordt het anti-witwasbeleid mede gebaseerd op het National Risk Asssessment Witwassen, dat witwasrisico’s identificeert. U bent over de voortgang van het witwasbeleid geïnformeerd door de Minister van Financiën, mede namens mij, in december vorig jaar.4
Omdat criminelen de opgeworpen barrières binnen de financiële sector proberen te omzeilen met een eigen systeem van ondergronds bankieren, ligt binnen de aanpak van criminele geldstromen ook nadrukkelijk focus op de aanpak van ondergronds bankieren, mede op basis van een WODC-onderzoek naar dit onderwerp5. Over de opvolging van dit onderzoek bent u op 2 februari door mijn voorganger, mede namens de Minister van Financiën, geïnformeerd.6 Op basis van de WODC-bevindingen en nadere gesprekken met partners zal ik mij bij de aanpak van ondergronds bankieren specifiek richten op het aanpakken van:
Ik zal de Kamer via de voortgangsbrieven over de nieuwe anti-witwasaanpak en ondermijning op de hoogte houden.
Meer algemeen wordt vanuit het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) publiek-privaat samengewerkt en uitvoering gegeven aan het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026.7 Zo zijn er in de agrarische sector vertrouwenspersonen aangesteld en loopt het project Veilig Buitengebied, worden in de transportsector actiedagen georganiseerd voor de preventieve en repressieve aanpak van criminele inmenging en is voor het tegengaan van crimineel gebruik van vastgoed de poortwachtersfunctie versterkt. Naast deze maatregelen zijn de Platforms Veilig Ondernemen (PVO’s) actief in alle regio’s om ondernemers bewust te maken van de risico’s die zij lopen en praktisch handelingsperspectief te bieden om hun personeel en bedrijfsvorming weerbaar te maken tegen criminele inmenging. Naar aanleiding van een eerdere motie van Lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) is een handreiking kwetsbare branches opgesteld en het project Weerbare branches gestart vanuit MKB-Nederland, VNO-NCW en PVO-Nederland.8 Komend jaar wordt samen met publieke en private partners gewerkt aan het nieuwe Actieprogramma Veilig Ondernemen 2027–2030, waarin ook de resultaten van de MCB zullen worden meegenomen.
Welke extra landelijke middelen worden ter ondersteuning aangeboden aan gemeentes als Leeuwarden?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het ontwikkelen van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten verder onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC/LIEC bestel wordt gefinancierd door de Rijksoverheid.
Leeuwarden neemt bovendien deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te halen en te houden. Dit wordt op verschillende manieren gedaan.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid.
Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor weten professionals elkaar inmiddels goed te vinden en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
Bent u het met de leden eens dat er een direct verband bestaat tussen normalisatie van softdrugs en de toename van het gebruik en de normalisatie van harddrugs?
Er is sprake van normalisering wanneer drugs goed beschikbaar zijn, veel jongeren ermee experimenteren, gebruik sociaal geaccepteerd wordt en zichtbaar is in popcultuur en het dagelijks leven. Uit recent onderzoek in Noord-Brabant9 blijkt dat vooral cannabisgebruik aan deze kenmerken voldoet; harddrugsgebruik niet. Hoewel het in dit onderzoek niet om landelijke gegevens gaat valt gezien de omvang van het onderzoek wel te verwachten dat het landelijke beeld er niet heel anders uit ziet. Uit de trends in drugsgebruik die al jaren worden bijgehouden in de Nationale Drug Monitor blijkt niet dat een toename van het gebruik van één middel automatisch leidt tot een toename van het gebruik van andere middelen. Zo zien we afgelopen jaren een lichte stijging in het XTC-gebruik, maar ook een daling in het lachgasgebruik, terwijl het cannabisgebruik relatief stabiel gelijk blijft. Zo bezien lijkt er geen verband te bestaan tussen het gebruik van softdrugs als cannabis enerzijds en het gebruik van harddrugs als XTC anderzijds. Waarschijnlijk spelen gedeelde onderliggende factoren – zoals genetische aanleg, psychologische kenmerken en sociale of omgevingsinvloeden – een belangrijker rol bij zowel softdrugs- als harddrugsgebruik.
Bent u het met de leden eens dat de normalisatie van harddrugs onwenselijk is en zeer schadelijke maatschappelijke gevolgen met zich meebrengt, in het bijzonder voor jongeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Daarnaast verdienen criminele netwerken veel geld aan het gebruik van drugs. Drugshandel is het dominante verdienmodel van deze criminele netwerken. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een criminele industrie. Mede om deze redenen is normalisering van harddrugsgebruik onwenselijk.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om drugshandel van/door minderjarigen te bestrijden. Welke digitale opsporingsmiddelen is de Minister bereid daarvoor in te zetten?
Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Voor de bestrijding van drugshandel kan de politie onder gezag van het Openbaar Ministerie (bijzondere) opsporingsbevoegdheden inzetten die zij wettelijk tot hun beschikking hebben. Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie (digitaal) rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het internet. Zij verrichten onderzoek in publiek toegankelijke bronnen door het verzamelen en analyseren van informatie. Indien er geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), (digitaal) rechercheurs en data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
Verder kunnen politie en OM onder specifieke voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen bij aanbieders van communicatiediensten.
Ten aanzien van online illegale content kunnen toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Politie, wanneer zij dergelijke inhoud tegenkomen, daarvan melding maken bij hostingsdiensten en online platforms. Dit is dezelfde mogelijkheid als die individuele personen hebben op grond van artikel 16, eerste lid, van de Digital Services Act (DSA). De DSA verplicht deze online aanbieders om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. In Nederland is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door zeer grote online platforms en zeer grote onlinezoekmachines.
Strafrechtelijk kan de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Sv). In het geval aan aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal een bevel via een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Kunt u aangeven hoe u uitvoering geeft aan de eerdere landelijke ambitie om dakloosheid uiterlijk in 2030 sterk terug te dringen, en of deze doelstelling nog steeds geldt?
De doelstelling om uiterlijk in 2030 dakloosheid te beëindigen, geldt nog steeds. Met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023–2030) geeft het kabinet invulling aan die doelstelling. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport gaat, met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd en in samenwerking met alle andere betrokken partijen, onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Wilt u deze vragen uiterlijk vrijdag 13 maart beantwoorden?
Ik heb hiernaar gestreefd, maar dat is helaas net niet gelukt.
Ernstig geweld tegen gevangenispersoneel in PI Heerhugowaard |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een cipier in de PI Heerhugowaard is gestoken en gegijzeld door een gedetineerde, waarna een arrestatieteam moest ingrijpen?1
Ja.
Erkent u dat dit incident voor de zoveelste keer laat zien dat gevangenispersoneel onvoldoende wordt beschermd tegen extreem gewelddadige gedetineerden binnen Nederlandse penitentiaire inrichtingen?
Geweld tegen gevangenispersoneel is onacceptabel. Mijn gedachten gaan uit naar de medewerkster die het slachtoffer was van dit geweldsincident, diens naasten en naar de andere personeelsleden.
Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar het geweldsincident. Wanneer er lessen te trekken zijn, gebeurt dat ook.
Kunt u aangeven welk voorwerp of wapen bij deze steekpartij is gebruikt en of hierbij sprake was van contrabande of een zelfgemaakt steekwapen (shank)?
Inmiddels is bekend dat het voorwerp wat is gebruikt om geweld toe te passen een scherf van een bord is geweest. Dat betekent dat het een zelfgemaakt steekwapen betreft en er geen sprake was van contrabande.
Indien sprake was van contrabande, hoe kan het dat een gedetineerde binnen een inrichting onder verantwoordelijkheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen over een steekwapen kon beschikken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u inzicht geven in de hoeveelheid aangetroffen contrabande (zoals steekwapens, drugs en telefoons) in de PI Heerhugowaard in de afgelopen drie jaar en hoe deze cijfers zich verhouden tot andere penitentiaire inrichtingen?
In figuur 1, 2 en wordt een beeld gegeven van de hoeveelheid aangetroffen contrabande in penitentiaire inrichtingen in Nederland voor respectievelijk 2023, 2024 en 2025.2 Per tabel zijn de cijfers die zien op PI Heerhugowaard met geel uitgelicht.
Ten aanzien van de cijfers in onderstaande overzichten hecht ik eraan om de volgende context mee te geven. Uit het afzetten van PI Heerhugowaard tegen andere penitentiaire inrichtingen kunnen niet direct conclusies getrokken worden. Zo bestaat er een verschil in grootte tussen PI’s en regimes. Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat niet alle aangetroffen contrabande bij gedetineerden terechtkomen. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt.
Figuur 1. Totaal geregistreerde contrabande GW 2023
Figuur 2. aangetroffen contrabande GW 2024
Figuur 3. aangetroffen contrabande GW 2025
Hoe kan het dat een gedetineerde binnen een inrichting die onder verantwoordelijkheid valt van de Dienst Justitiële Inrichtingen, wederom in staat is personeel te verwonden en langdurig te gijzelen?
De realiteit is helaas dat incidenten met deze doelgroep nooit zijn uit te sluiten. Zowel naar de gijzeling in PI Vught van 5 december 2025 als naar dit incident in de PI Heerhugowaard wordt onderzoek gedaan door de politie. Ook laat DJI zelf onderzoeken verrichten naar beide incidenten. Het onderzoek naar de gijzeling in Vught zal naar verwachting voor de zomer zijn afgerond. Van het onderzoek naar de gijzeling in PI Heerhugowaard is nog onbekend wanneer dit onderzoek zal worden afgerond. Bij relevante ontwikkelingen wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Waarom worden gedetineerden met een bekend agressief, instabiel of gevaarlijk profiel kennelijk niet structureel gescheiden of onder een zwaarder beveiligingsregime geplaatst?
Een gedetineerde wordt geplaatst op een regime passend bij de veiligheidsrisico’s. Zo wordt bij de plaatsing van een gedetineerden een risicoprofiel opgesteld, waarbij naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie en de politie. Waar nodig wordt er aanvullend gekeken naar het risicoprofiel door de Detentie Intelligence Unit (DIU), bestaande uit DJI, politie en OM.
Indien individuele veiligheidsmaatregelen op een reguliere afdeling niet voldoende zijn, kan DJI, op basis van relevante informatie van OM en politie, een gedetineerde plaatsen in een strenger regime zoals een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) als wordt voldaan aan de daarvoor geldende eisen. Een dergelijk incident wordt meegenomen in deze afweging en kan aanleiding geven tot plaatsing in een strenger regiem. Elk jaar wordt beoordeeld of het verblijf van een gedetineerde in een AIT verlengd wordt met een jaar. DJI beoordeelt dat op basis van concrete en actuele informatie van de organisatie zelf, de politie en het OM.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat geweld tegen gevangenispersoneel steeds opnieuw plaatsvindt zonder dat dit leidt tot zichtbare aanscherping van regime, toezicht en sancties?
Net als uw Kamer vind ik geweld tegen gevangenispersoneel onacceptabel. DJI heeft aangifte gedaan. De betrokken gedetineerde is disciplinair gestraft en overgeplaatst. Ook wordt er onderzoek verricht. Alle inzet is erop gericht om dit in de toekomst zo goed als mogelijk te voorkomen. Waar nodig zullen aanvullende maatregelen worden getroffen.
Welke concrete maatregelen gaat u per direct nemen om te waarborgen dat personeel in gevangenissen veilig zijn werk kan doen en kunt u garanderen dat dit niet opnieuw wordt afgedaan met onderzoek en woorden zonder gevolgen?
DJI investeert structureel in de weerbaarheid en veiligheid van hun medewerkers middels trainingen en opleidingen. Daarnaast is voor het personeel DJI, die in de privésfeer wordt bedreigd als gevolg van werkzaamheden voor DJI, de afdeling Personeelsbeveiliging beschikbaar. Deze afdeling valt onder de verantwoordelijkheid van de Beveiligingscoördinator (BVC) DJI en geeft uitvoering aan de werkgeversverantwoordelijk binnen het Stelsel Bewaken en Beveiligen. De medewerkers van deze afdeling zorgen voor een 24/7 bereikbaarheid. DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige werkomgeving waarin medewerkers hun werk met vertrouwen en waardigheid kunnen uitvoeren.
Zoals in de beantwoording van vraag 6 aangegeven is de realiteit echter ook dat incidenten met deze doelgroep nooit zijn uit te sluiten. Alle inzet is erop gericht om deze incidenten in de toekomst te voorkomen. Daarom wordt onderzoek verricht naar beide incidenten. Wanneer hier lessen uit getrokken kunnen worden, zal dit zeker gebeuren. Ik houd dit nauwlettend in de gaten, want veiligheid van personeel staat voorop.
Klopt het dat de gemeente Lochem omwonenden en ondernemers rond het geplande asielzoekerscentrum (azc) € 1.000 wil geven om hun «gevoel van veiligheid en leefbaarheid» te vergroten?1
Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van de gemeente Lochem heeft een conceptsubsidieregeling voorgesteld waarop omwonenden en ondernemers tot medio maart kunnen reageren. Er is nog geen definitief besluit genomen, op basis van inspraak bepaalt het college de definitieve regeling. Het voorstel voor de financiële tegemoetkoming voor omwonenden is een regeling van de gemeente waarbij het Ministerie van Justitie en Veiligheid niet betrokken is.
Bent u het eens met de stelling dat veiligheid geen taak is van burgers, maar van de overheid en dus de verantwoordelijkheid van de burgemeester?
De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde, het Openbaar Ministerie voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De burgemeester en het OM voeren daarover binnen de lokale driehoek overleg met de politie.
Erkent u dat dit voorstel een impliciete erkenning is dat de komst van het azc grote veiligheidsrisico’s met zich meebrengt die de gemeente schijnbaar niet onder controle heeft? Zo nee, waarom niet?
Het voorstel betreft een autonome, lokale keuze van het college. De toelichting en motivering van deze lokale subsidieregeling zijn aan de gemeente.
Bent u het eens met de stelling dat dit azc er dan nooit mag komen, omdat de veiligheid van de inwoners op één moet staan?
De veiligheid van inwoners heeft prioriteit en de veiligheidssituatie wordt continu gemonitord en indien nodig wordt direct opgetreden om de veiligheid van bewoners en omwonenden te borgen. Er zijn op dit moment geen incidenten bekend bij de gemeente Lochem met betrekking tot de huidige opvanglocatie voor alleenstaande minderjarige vluchtelingen (AMV’ers) en er is geen aanleiding om van de komst van het azc af te zien.
Bent u bereidt een streep door de komst van dit azc te zetten? Zo nee, bent u bereid om desnoods, in overleg met de Minister van Defensie, militairen in te zetten om de veiligheid van de inwoners te garanderen?
Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 4 is dit niet aan de orde. Er zijn geen incidenten bekend met betrekking tot de huidige opvanglocatie.
De oproep van MiGreat tot het aangaan van schijnhuwelijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van niet-gouvernementele organisatie (ngo) MiGreat om schijnhuwelijken aan te gaan om een verblijfsvergunning te krijgen?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het aangaan van een schijnhuwelijk met het oog op verblijfsrecht huwelijksfraude is en dus strafbaar is?
Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning.
Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf. Of in een concreet geval sprake is van een strafbaar feit, is in eerste instantie aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de strafrechter.
Bent u bereid alles op alles te zetten om huwelijksfraude tegen te gaan en, als hiervan sprake is, verblijfsvergunningen en/of paspoorten onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het onacceptabel dat schijnhuwelijken met als doel het verkrijgen van verblijfsrecht plaats kunnen vinden. Ik zet mij er dan ook voor in om dit tegen te gaan.
Op het moment dat de IND aanwijzingen heeft dat sprake is van een schijnhuwelijk, kan de verblijfsaanvraag worden afgewezen of kunnen verleende verblijfsrechten, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met terugwerkende kracht worden ingetrokken. Hiervoor moet de IND vaststellen dat het huwelijk of partnerschap uitsluitend is aangegaan met het doel verblijfrecht te verkrijgen. Dit gebeurt of basis van verklaringen van betrokken, informatie van gemeenten, en bevindingen uit onderzoek. Veelal wordt de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de politie gevraagd een onderzoek (adrescontrole) in te stellen. Indien het Nederlanderschap is verkregen op basis van onjuiste gegevens kan door de IND worden bezien of intrekking daarvan aan de orde is, binnen de kaders van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Daarvoor moet worden vastgesteld dat het Nederlanderschap is verkregen op basis van fraude, misleiding of het achterhouden van relevante informatie. De IND stelt hiervoor een dossier op met de relevante feiten en bewijsstukken en beoordeelt of aan de wettelijke voorwaarden voor intrekking is voldaan. Voor de benodigde informatie en verificatie werkt de IND samen met gemeenten, bijvoorbeeld ten aanzien van gegevens uit de Basisregistratie Personen. Daarnaast kan informatie worden betrokken van andere ketenpartners, zoals de politie of toezichthoudende instanties. Daarnaast doet de IND na constatering van een schijnhuwelijk aangifte bij de politie. Dit kan leiden tot strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke fraude of valsheid in geschrifte.
Bent u het eens met de stelling dat het publiekelijk oproepen tot het plegen van een strafbaar feit strafbaar is? Zo ja, doet het Openbaar Ministerie onderzoek naar deze oproep?
In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht (Sr)). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud, context en vergt juridische beoordeling.
Het is aan het Openbaar Ministerie om zelfstandig te besluiten of er aanleiding bestaat om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Over eventuele lopende onderzoeken worden in beginsel door het kabinet geen publieke uitspraken gedaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.
Hoe beoordeelt u de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling) die deze ngo geniet, gelet op de strafbare oproep en het nalaten van het voldoen aan de wettelijk verplichte jaarverslagen, zoals beschreven in het artikel van NieuwRechts?2
Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën3 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn verschillende doelen die als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.
Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.4 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets.
Een van de wettelijke voorwaarden is dat de instelling via internetinformatie met betrekking tot haar functioneren openbaar maakt.6 Indien de inspecteur constateert dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt in de praktijk in de regel eerst een hersteltermijn geboden. Als de instelling na afloop van die termijn de benodigde informatie niet openbaar heeft gemaakt, wordt haar ANBI-status ingetrokken.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. Een overtreding van wet- en regelgeving kan dus pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.7
De integriteitstoets brengt ook met zich dat de ANBI-status wordt ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Bent u bereid om, in overleg met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, de ANBI-status te onderzoeken en deze in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de zogenoemde Epstein Files Transparency Act en met de recente publicatie van circa drie miljoen documenten uit het Epstein-dossier door het Amerikaanse Ministerie van Justitie?1
Ik ben bekend met de berichtgeving omtrent de publicatie.
Erkent u de relevantie van dit onderwerp, gezien de gruwelijke details die elke dag meer bekend worden en de grote gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappij?
Dat het hier een bijzonder omvangrijke en heftige zaak betreft staat buiten kijf. Het moet ontzettend pijnlijk zijn voor de slachtoffers om steeds weer met de details van deze zaak te worden geconfronteerd.
Bent u bekend met het feit dat in deze documenten meerdere Nederlanders worden genoemd?
Ik ben bekend met wat hierover in de berichtgeving is gemeld. Ik geef als Minister geen duiding aan individuele casuïstiek, en acht het meer in zijn algemeen van belang dat voorzichtigheid en terughoudendheid wordt betracht bij het trekken van conclusies wanneer niet over alle details wordt beschikt.
Bent u bekend met een e-mailwisseling waarin Epstein aan een Nederlands model zou hebben geschreven: «you owe me 2 girls», en kunt u aangeven hoe u deze uitlating duidt?2
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat uit de gepubliceerde communicatie Nederlandse betrokkenheid, hetzij in de vorm van slachtofferschap, hetzij in de vorm van daderschap of medeplichtigheid kan blijken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting dat het van groot belang is om elke vorm van Nederlandse betrokkenheid zorgvuldig te onderzoeken, uit te sluiten dan wel te vervolgen, en dat dit des te relevanter is gezien de omvangrijke betrokkenheid van personen uit onder meer ons buurland het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
De afweging om al dan niet onderzoek te doen naar mogelijke strafbare feiten is aan het Openbaar Ministerie (OM). Het OM heeft mij laten weten dat er bij hen thans geen Nederlandse zaken of onderzoeken bekend zijn die raken aan het Epstein-dossier. Daarbij is het van belang om op te merken dat voor het starten van een opsporingsonderzoek altijd sprake zal moeten zijn van concrete feiten en omstandigheden die erop wijzen dat strafbare feiten zijn gepleegd en waarover Nederland rechtsmacht heeft.
Kunt u bevestigen of ontkrachten dat het Openbaar Ministerie eerder onderzoek heeft gedaan naar mogelijke Nederlandse betrokkenen binnen het netwerk van Epstein, direct dan wel indirect? Indien dit niet het geval is, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid onderzoek te laten instellen naar mogelijke Nederlandse betrokkenheid, en daarbij, indien noodzakelijk, gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid, algemeen dan wel bijzonder, met het oog op het bevorderen van gerechtigheid voor Nederlandse en internationale slachtoffers en het voorkomen van ongestrafte betrokkenheid?
Uiteraard onderschrijf ik altijd het belang van gerechtigheid voor slachtoffers en het uitblijven van straffeloosheid. Zoals ik in het antwoord op de vragen 6 en 7 aangaf, is de afweging om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te stellen aan het OM. U wijst op de mogelijkheid van de aanwijzingsbevoegdheid. Daarbij moet worden opgemerkt dat een algemene aanwijzing dient voor beleidskwesties, prioriteiten en werkwijzen van het OM in het algemeen. Op de kwestie waar uw vraag op ziet kan deze dus niet van toepassing zijn. Met het geven van een bijzondere aanwijzing in individuele zaken ga ik terughoudend om. Gelet op bovenstaande en het antwoord op de vragen 6 en 7 zie ik geen aanleiding om gebruik te maken van mijn bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
De rechterlijke rolopvatting, publieke uitingen en het vertrouwen in de rechtspraak |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de column van Marianne Zwagerman in De Telegraaf waarin stevige kritiek wordt geuit op de recente rechterlijke uitspraak over klimaatbeleid en de rolopvatting van rechters?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat rechters in klimaat- en stikstofzaken de grenzen van hun constitutionele rol overschrijden en daarmee feitelijk op de stoel van de wetgever gaan zitten?
Ik zie dat anders. Binnen onze democratische rechtsstaat toetst de rechter handelingen en beslissingen aan het geldende recht, aan formele wetten die door de wetgever zijn opgesteld en aan algemeen verbindende bepalingen in internationale verdragen. In sommige zaken zal de rechter om tot een beslissing te kunnen komen rechtsregels (nader) moeten concretiseren, aanvullen of verfijnen voordat hij deze kan toepassen. De rechter kan en mag hierbij aan rechtsvorming doen. Rechters leggen rekenschap af door hun uitspraak duidelijk te motiveren. Een duidelijke motivering van de uitspraak is extra belangrijk naarmate een uitspraak meer in de belangstelling van de samenleving staat en/of de maatschappelijke gevolgen groot kunnen zijn. Een heldere en goed toegelichte motivering op basis van welke overwegingen de rechter tot zijn uitspraak is gekomen, is zeker in dit soort zaken van groot belang om de samenleving en ook de wetgever inzicht te geven in de gemaakte afwegingen.
Deelt u de opvatting dat het toepassen en interpreteren van mensenrechtenverdragen door rechters grote beleidsmatige gevolgen kan hebben zonder directe democratische legitimatie? Zo ja, hoe wordt die spanning volgens u voldoende ondervangen?
Regels van internationaal recht, hieronder vallen ook mensenrechtenverdragen, maken deel uit van de Nederlandse rechtsorde op basis van onze Grondwet. Artikel 91, eerste lid van de Grondwet (Gw) bepaalt dat het Koninkrijk pas aan verdragen gebonden mag worden na voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. Verdragen mogen dus niet worden gesloten zonder goedkeuring van de Eerste en Tweede Kamer. Daardoor zijn rechtstreeks doorwerkende verdragsbepalingen democratisch gelegitimeerd. Vervolgens is de verplichting tot naleving van internationaal recht vastgelegd in de artikelen 93 en 94 Gw. Zodra regels van internationaal recht Nederland binden, is er de verplichting om deze regels na te komen, ook in de nationale rechtsorde. Het is daarom de taak van de rechter om normen uit de rechtstreeks werkende verdragsbepalingen toe te passen. Als in een zaak een nationale wet in strijd blijkt te zijn met zo'n rechtstreeks werkende verdragsbepaling wordt in dat specifieke geval, conform artikel 94 Gw, de nationale wet buiten toepassing gelaten.
Acht u het wenselijk dat rechters zich in het openbaar, bijvoorbeeld via sociale media, uitspreken over politieke of activistische standpunten die direct raken aan zaken waarover zij (recent of mogelijk toekomstig) rechtspreken?
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ook rechters hebben, net als iedereen in Nederland, vrijheid van meningsuiting. Voor rechters zitten hier wel eigen grenzen aan. Rechters hebben immers ook een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op de Rechtspraak kunnen vertrouwen. De Rechtspraak heeft een gedragscode die online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak2 is ook aandacht voor het gebruik van sociale media. Er staat bijvoorbeeld in dat uitingen van rechters eerlijk, correct en respectvol dienen te zijn en dat in de communicatie het onderscheid tussen privépersoon en rechter bewaakt moet worden. Dit geldt ook voor uitingen op sociale media. Ook is er de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties.3 Daarin staat dat de opdracht van de rechter om onpartijdig te oordelen, met zich brengt dat hij zich van zijn persoonlijke opvattingen – met inbegrip van sympathieën en antipathieën – bewust is en blijk geeft daar bij zijn professionele oordeel afstand van te nemen. Ten slotte heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een rechterscode.4 De NVvR-rechterscode is in 2026 geactualiseerd en bevat normen die rechters zichzelf stellen. Deze normen zijn gebaseerd op vijf kernwaarden: onafhankelijkheid, onpartijdigheid, integriteit, deskundigheid en professionaliteit. Deze code is bedoeld om aan anderen te laten zien welk gedrag zij van rechters mogen verwachten. Zowel binnen als buiten de zittingszaal.
Welke gedragsregels gelden momenteel voor rechters met betrekking tot publieke uitingen en maatschappelijke betrokkenheid en acht u deze regels toereikend om de schijn van partijdigheid te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt binnen de rechterlijke organisatie beoordeeld of een rechter zich behoort te verschonen wanneer diens publieke uitingen raken aan de inhoud van een voorliggende zaak?
De rechter is verplicht om uitspraak te doen over een concrete zaak die binnen zijn bevoegdheid valt en hem via de juiste procedure is voorgelegd (artikel 13 van de Wet algemene bepalingen). De rechter heeft de wettelijke mogelijkheid te verzoeken zich te mogen onttrekken aan een bepaalde zaak als zijn onpartijdigheid schade zou kunnen lijden door feiten of omstandigheden (artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 8:19 van de Algemene wet bestuursrecht). Uit de wet volgt dat het aan de rechter is om zich te verschonen. De rechter maakt dus zelf de afweging of hij zich dient te verschonen. De Leidraad kan daarbij houvast bieden. Elk gerecht heeft een protocol dat het proces van de formele verschoningsprocedure bevat.5
In hoeverre vindt u dat de huidige benoemings- en toezichtstructuur van de rechterlijke macht voldoende waarborgen biedt tegen bevooroordeeldheid of activisme binnen de rechtspraak?
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak worden via verschillende wegen voldoende gewaarborgd. Zo is in de Grondwet verankerd dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter (artikel 17, eerste lid Gw). Verder is een belangrijke waarborg dat grondwettelijk is vastgelegd dat rechters voor het leven benoemd worden (artikel 117, eerste lid, Gw). Bovendien is van belang dat aan het rechterlijk ambt wettelijke opleidingsvereisten en beroepskwalificaties zijn verbonden. Rechters worden benoemd op basis van inhoudelijke kwalificaties, en niet bijvoorbeeld op politieke gronden. Verder is (grond)wettelijk gewaarborgd dat rechters in uiterste gevallen, en alleen onder strikte voorwaarden, onderworpen kunnen worden aan disciplinaire maatregelen.
Naast de in het antwoord op vraag 6 genoemde verschoningsprocedure is er bovendien nog de wrakingsprocedure. Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. Wraken is het formeel vragen om een andere rechter voorafgaand aan of tijdens een rechtszaak, omdat de huidige rechter partijdig of vooringenomen lijkt. Dit verzoek wordt voorgelegd aan drie andere rechters, een zogenoemde «wrakingskamer». De wrakingskamer beoordeelt het wrakingsverzoek en beslist of de behandeling van de zaak door een andere rechter moet wordt overgenomen. Als het verzoek wordt afgewezen zal de rechter die de zaak behandelde de behandeling voortzetten. Daarnaast is het mogelijk om een klacht in te dienen over de manier waarop rechters zich hebben gedragen. De klacht moet gaan over bejegening. Er kan niet geklaagd worden over de uitspraak van de rechter of over beslissingen van de rechter tijdens en over de procedure. Ieder gerecht heeft een klachtenprocedure. Ook is het mogelijk een klacht in te dienen bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad, die een vordering bij de Hoge Raad kan instellen tot het doen van een onderzoek naar de gedraging van de rechter (artikel 13a tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters in een rechtsgebied of team worden toebedeeld zijn, tot slot, in ieder gerecht regels opgesteld voor zaakstoedeling.6
Deelt u de analyse dat het maatschappelijk vertrouwen in de rechtspraak onder druk kan komen te staan wanneer rechterlijke uitspraken worden ervaren als politiek of moreel gemotiveerd in plaats van strikt juridisch?
Ik deel de analyse in zoverre dat ik zie dat rechterlijke uitspraken met bredere maatschappelijke gevolgen soms tot een discussie en debat leiden. Maar ik deel de analyse niet dat het vertrouwen in de rechtspraak onder druk komt te staan als gevolg van deze discussie. Discussie over de verhoudingen in de trias politica hoort bij een vitale democratische rechtsstaat. Dat mag soms zelfs een beetje schuren, zolang de discussie constructief en met respect voor de onafhankelijke positie van de rechter gevoerd wordt. Discussie over de rol van de rechter is niet nieuw en het vertrouwen dat mensen hebben in de rechters is onverminderd hoog. Dit blijkt uit de algemene conclusies in het rapport van de Venetië Commissie 2023 en uit het Rechtsstaatrapport van de Europese Commissie 2024. Dit beeld wordt bevestigd in het continue onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, met de constatering in het bericht van oktober 2024 dat het vertrouwen van de Nederlandse burger in de rechtspraak stabiel is op 76%. De in de antwoorden op vragen 4,5,6 en 7 opgesomde waarborgen zijn gericht op behouden van het vertrouwen in de Rechtspraak.
Bent u bereid te onderzoeken of meer transparantie rondom rechterlijke benoemingen en rolopvattingen kan bijdragen aan het versterken van dat vertrouwen, zonder de onafhankelijkheid van de rechtspraak aan te tasten?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is het vertrouwen dat mensen hebben in de rechtspraak onverminderd hoog. Ik zie dan ook geen aanleiding voor onderzoek naar meer transparantie rondom rechterlijke benoemingen en rolopvattingen.
Kunt u uiteenzetten waar volgens u de grens ligt tussen legitieme rechtsvinding door de rechter en het feitelijk creëren van nieuw beleid via jurisprudentie?
Zie het antwoord op vraag 2 over de constitutionele rol en de rechtsvormende taak van de rechter. In aanvulling op dit antwoord geef ik graag mee dat een rechter die oordeelt over een zaak die aan hem wordt voorgelegd dit doet op basis van de toepasselijke wet- en regelgeving rekening houdend met de concrete feiten en omstandigheden in dat specifieke geval. Daarom is het lastig deze vraag in zijn algemeenheid te beantwoorden en om op voorhand aan te geven waar de grens zou liggen. Rechtsvorming door de rechter kan zich alleen voordoen in een specifieke zaak die aan de rechter wordt voorgelegd. Van algemene beleidsvorming is bij rechtsvinding door de rechter geen sprake. Dat neemt niet weg dat een rechterlijk oordeel in een concrete zaak wel bredere maatschappelijke gevolgen kan hebben. Het is aan de wetgever hier desgewenst op te reageren.