Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Het artikel 'Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8»?1
Hoe beoordeelt u de signalen van vmbo- en praktijkscholen dat het beleid van zogenoemd kansrijk adviseren leidt tot grote aantallen afstromende leerlingen, extra werkdruk, stijgend ziekteverzuim en organisatorische problemen binnen scholen?
Deelt u de opvatting dat een beleid dat bedoeld is om kansen te vergroten, maar in de praktijk leidt tot teleurstelling, faalervaringen en gedwongen schoolwisselingen voor duizenden kinderen, zijn doel voorbijschiet? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel leerlingen zijn sinds de invoering van het beleid rond kansrijk adviseren alsnog afgestroomd naar een lager onderwijsniveau en bent u bereid inzichtelijk te maken welke gevolgen dit heeft gehad voor de personele inzet, de ondersteuningsbehoefte en de kosten binnen het vmbo en praktijkonderwijs?
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt hoeveel leerlingen die op basis van een kansrijk advies instromen uiteindelijk binnen één, twee of drie jaar alsnog afstromen naar een lager onderwijsniveau? Zo ja, kunt u deze gegevens, uitgesplitst naar schoolsoort en schooljaar sinds de invoering van dit beleid, met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt de effectiviteit van dit beleid niet systematisch gemonitord?
Erkent u dat het streven naar kansengelijkheid nooit ten koste mag gaan van realistische schooladviezen, onderwijskwaliteit en het welzijn van leerlingen? Zo ja, bent u bereid het beleid rond kansrijk adviseren te heroverwegen en te onderzoeken hoe het professionele oordeel van leraren weer zwaarder kan gaan wegen?
Het bericht 'Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: 'Dit is niet uit te leggen'' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Herbert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering»?1
Deelt u de constatering dat veel veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de pilotfase en dat dit vooral te wijten is aan de complexe bekostiging? Zo nee, op basis van welke cijfers?
Hoeveel zorginnovaties die in een pilot- of proeftuinfase aantoonbaar kosteneffectief zijn gebleken, zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk opgeschaald naar reguliere, structureel bekostigde zorg? Kunt u dit per jaar uitsplitsen?
Bent u bereid de Kamer per brief een overzicht te sturen van de gemiddelde kosten die medtech-bedrijven maken van concept tot markttoelating en vergoeding (R&D, klinische validatie, CE-markering/MDR, markttoegang), en die kosten zowel economisch als gezondheidseconomisch te duiden?
Bent u bereid in diezelfde brief dezelfde uitsplitsing op te nemen voor biotech-bedrijven, met onderscheid tussen diagnostiek en farmaceutische ontwikkeling, en die ook economisch en gezondheidseconomisch te duiden?
Beschikt u (of het Zorginstituut, de NZa en Invest-NL) überhaupt over een integraal beeld van deze kosten per subsector? Zo nee, hoe kan het kabinet dan gericht innovatie- en bekostigingsbeleid voeren?
Welk deel van deze kosten komt voort uit regeldruk en bekostigingseisen die de overheid zelf oplegt (MDR/IVDR, pakketbeoordeling, schotten in de bekostiging), en welke maatregelen neemt u om juist dat deel te verlagen?
Welk percentage van de medtech- en biotech-startups dat seed funding ontvangt, haalt een vervolgronde (Serie A en verder) en bereikt de markt? Kunt u dit uitsplitsen naar (a) medtech, (b) biotech-diagnostiek en (c) biotech-farma?
Kunt u deze slagingskansen ook uitsplitsen per regio of life-sciences-cluster (onder meer Leiden, Oss/Brabant, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Amsterdam, Utrecht en Limburg)? Welke regio’s blijven achter, en waarom?
Klopt het dat de meeste Nederlandse zorginnovaties sneuvelen in de fase na seed funding, de zogenoemde «valley of death»? Welk maatschappelijk en economisch rendement gaat hierdoor naar uw schatting jaarlijks verloren?
Hoeveel van de bedrijven die via het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund (volgens recente analyses circa 1,3 miljard euro voor life sciences, waaronder 246 miljoen euro via het programma Biotech Booster) zijn inmiddels doorgegroeid naar de opschalings- of marktfase, en hoe verhoudt zich dat tot de gestelde doelen?2
Hoe verhouden de slagingskansen, doorlooptijden en kosten om zorginnovaties naar de markt te brengen zich tot die in België en Duitsland? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
Op welke punten presteren België (onder meer Vlaanderen) en Duitsland aantoonbaar beter in het opschalen en vergoeden van bewezen zorginnovaties, en welke concrete lessen trekt u daaruit?
Deelt u de zorg dat Nederlandse zorginnovatoren en investeringen weglekken naar het buitenland wanneer opschaling en vergoeding hier trager en duurder verlopen dan over de grens? Zo nee, waarom niet?
Bent u of is uw ministerie de afgelopen kabinetsperiode met uw Belgische en Duitse ambtsgenoten in gesprek geweest over grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Ziet u kansen om voor een grensregio als Limburg een gezamenlijke, grensoverschrijdende proeftuin voor zorginnovatie met gedeelde financiering op te zetten, samen met kennisinstellingen als Maastricht University, UHasselt en RWTH Aachen en de ROM LIOF (en de ROM-equivalenten België en Duitsland)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Interreg-structuren (Euregio Maas-Rijn en Vlaanderen–Nederland) gerichter in te zetten om financierings- en regelgevingsbarrières voor zorginnovaties in de grensregio weg te nemen?
Bent u bereid gezamenlijk te komen tot een concreet plan van aanpak om de «valley of death» voor bewezen, kostenbesparende zorginnovaties te overbruggen, inclusief meetbare doelen en een tijdpad waarop de Kamer de voortgang kan toetsen?
Bent u bereid de in de vragen 4 en 5 genoemde Kamerbrief uiterlijk voor de aanstaande begrotingsbehandeling te sturen en daarin ook (a) de slagingskansen na seed funding per regio en (b) een vergelijking met België en Duitsland op te nemen?
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio’s hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio’s zijn verdeeld?
Welke formele eisen aan eigen inbreng of cofinanciering stellen publieke fondsen en de ROM’s (waaronder LIOF en BOM) bij seedfinanciering aan startups, en zijn deze publiek kenbaar?
In hoeverre hanteren individuele investment managers en investeringscommissies van deze fondsen daarbovenop informele, niet-gecodificeerde verwachtingen over eigen inbreng van oprichters (bijvoorbeeld een bedrag in de orde van 50.000 euro of een co-investeringseis), en in hoeveel gevallen is zo’n verwachting een drempel of afwijzingsgrond gebleken?
Welk deel van de ontwikkelkosten van veelbelovende medtech- en diagnostiekstartups gaat op aan het voldoen aan de MDR en IVDR (klinische evaluatie, technische documentatie, beoordeling door een aangemelde instantie), en hoeveel startups komen hierdoor in financiële problemen of haken af?
In hoeverre hanteren publieke fondsen en ROM’s bij seedfinanciering voorwaarden die een redelijk ondernemerssalaris voor oprichters beperken of ontmoedigen, en hoeveel oprichters stoppen mede daardoor?
In hoeverre leiden de rendements- en revolverendheidseisen aan de ROM’s ertoe dat publiek kapitaal vooral naar veilige, latere-fase- en Randstad-investeringen vloeit, ten koste van vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s?
Bent u bereid, als kansarme regio’s structureel blijken achter te blijven, gezamenlijk geoormerkt extra kapitaal vrij te maken voor de ROM’s in die regio’s, gericht op behoud en opschaling van zorginnovatie?
Bent u bereid de seedfinanciering voor zorgtechstartups (incl. biotech en medtech) te verhogen en de eis van een directe, substantiële eigen inbreng te schrappen of te versoepelen?
Bent u bereid een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoedt?
Bent u bereid de ROM’s en publieke fondsen ertoe aan te zetten oprichters tijdens de seedfase een redelijk salaris toe te staan, in plaats van te verlangen dat zij zonder inkomen ondernemen?
Bent u bereid de opdracht en rendementseisen van de ROM’s zo bij te stellen dat vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s wordt aangemoedigd, en de Kamer met meetbare doelen en periodieke rapportage te tonen of het extra kapitaal daadwerkelijk in die regio’s en die vroege fase terechtkomt?
Het artikel ‘De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival’ |
|
René Claassen (PVV), Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival»?1
Ja.
Klopt het dat de auteur van dit artikel in de aanloop naar het Eurovisie Songfestival meerdere schriftelijke vragen en verzoeken om opheldering heeft gericht aan AVROTROS, de Ombudsman van de NPO en het Commissariaat voor de Media, en dat deze niet, dan wel slechts summier of niet-inhoudelijk, zijn beantwoord?
De AVROTROS heeft desgevraagd laten weten dat zij bekend zijn met de auteur van het artikel en haar brieven zorgvuldig hebben beantwoord.
Desgevraagd laat ook de ombudsman weten dat er veelvuldig contact is geweest met de auteur van het artikel waar u naar verwijst. Waar dat contact de bevoegdheden van de ombudsman raakte is door de ombudsman ook inhoudelijk gereageerd.
Ten slotte laat het Commissariaat voor de Media weten dat de auteur van het stuk, namens de «Verzetsgroep Opstaan tegen Antisemitisme» bij het Commissariaat op 17 februari 2026 ook een verzoek om handhaving heeft ingediend. Dit was het eerste contactmoment met het Commissariaat. Op vrijdag 8 mei 2026 heeft het Commissariaat een besluit op het handhavingsverzoek genomen. Het besluit is conform vast beleid twee weken later – op 22 mei – gepubliceerd op de website van het Commissariaat. In het procesverloop van het besluit is het verloop van de procedure opgenomen, waarbij ook de verschillende contacten met de verzoeker zijn opgenomen.
Deelt u de opvatting dat het structureel uitstellen van inhoudelijke beantwoording tot nádat een boycotbeslissing feitelijk onomkeerbaar is geworden op gespannen voet staat met de beginselen van transparantie, publieke verantwoording en democratische controle van met belastinggeld gefinancierde instellingen? Zo nee, waarom niet?
De AVROTROS, het Commissariaat voor de Media en de ombudsman laten weten dat zij veelvuldig contact hebben gehad met de auteur van het artikel en haar te woord hebben gestaan. Ik reken erop dat zij allen hun beslissing rondom de bekendmaking van informatie en het beantwoorden van de vragen goed hebben overwogen.
Daarnaast heeft het Commissariaat voor de Media laten weten dat het handhavingsverzoek waarnaar verwezen wordt in de beantwoording van vraag 2 binnen de gestelde wettelijke termijn en conform de vaste werkwijze is afgehandeld. In correspondentie gaf de verzoeker verder aan spoedeisend belang te hebben bij een besluit vóór 16 mei (de finale van het Songfestival). Het Commissariaat heeft het besluit daarom op 8 mei jl. genomen. Het besluit is te vinden op de website van het Commissariaat.2
Bent u van mening dat van een publieke omroep mag worden verwacht dat zij politieke neutraliteit en pluriformiteit waarborgt, zoals bedoeld in de Mediawet, en hoe verhoudt een besluit om af te zien van deelname aan een cultureel evenement vanwege de deelname van een specifiek land zich volgens u tot die publieke taak?
De landelijke publieke omroep is als stelsel samen verantwoordelijk om, naast andere publieke waarden, de pluriformiteit te waarborgen. In tegenstelling tot de NOS is het niet de taak van de andere omroepen om (politiek) neutraal te zijn: (politieke) neutraliteit is niet opgenomen als eis in de Mediawet. De verschillende omroepen binnen het publieke bestel vertegenwoordigen hun eigen stromingen om zo vanuit verschillende perspectieven aanbod te maken. De beslissing over de deelname van Nederland aan het Eurovisie Songfestival ligt op basis van de redactionele autonomie bij de betrokken omroeporganisatie.
Kunt u aangeven of er voorafgaand aan of tijdens de besluitvorming contacten zijn geweest tussen AVROTROS en/of de NPO enerzijds en activistische organisaties, NGO’s of lobbygroepen anderzijds over de deelname van Israël aan het Eurovisie Songfestival en zo ja, bent u bereid hierover volledige transparantie richting de Kamer te betrachten?
De omroepen gaan zelf over hun programmering. Hoe zij tot besluitvorming komen en met wie zij daarover spreken is dan ook aan hen.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de publieke omroep enerzijds stelt principiële bezwaren te hebben tegen deelname aan het Eurovisie Songfestival, maar anderzijds het evenement wel blijft uitzenden en daarmee profiteert van kijkcijfers en advertentie-inkomsten? Acht u deze combinatie verenigbaar met de publieke voorbeeldfunctie van de omroep?
Het is aan de omroepen zelf om besluiten te nemen over hun programmering. Het is niet aan mij om te oordelen over het besluit van deelname aan en de uitzending van het Eurovisie Songfestival van de publieke omroep.
Bent u bereid het Commissariaat voor de Media te verzoeken te onderzoeken of de handelwijze van AVROTROS en de NPO in deze kwestie verenigbaar is met de Mediawet, in het bijzonder waar het gaat om onafhankelijkheid, politieke neutraliteit, gelijke behandeling en de publieke taakopvatting en de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren?
Het Commissariaat voor de Media is een onafhankelijke toezichthouder en gaat over haar eigen werkzaamheden. Derhalve ga ik geen verzoek doen voor een specifiek onderzoek op dit punt.
De nationale organisatie van HCID-zorg, quarantainebeleid en infectiepreventie naar aanleiding van de hantavirusuitbraak op de MV Hondius |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Dit weten we nu over de hantavirus-uitbraak»1, «Medewerkers Radboudumc in quarantaine vanwege fouten rond hantavirus»2, «Honderden in quarantaine op cruiseschip Ambition door uitbraak norovirus»3 en «Opnieuw norovirus op cruiseschip: een dode, 1.700 mensen in quarantaine»4?
Ja.
Hoeveel personen – passagiers, bemanning, ziekenhuispersoneel en contacten – bevinden zich momenteel op Nederlands grondgebied in (thuis)quarantaine naar aanleiding van de uitbraak op de MV Hondius, en hoe wordt feitelijk gecontroleerd dat deze quarantaine ook wordt nageleefd?
De Nederlandse passagiers en Nederlandse bemanningsleden zonder klachten zijn veilig en professioneel naar hun thuisadres vervoerd en in thuisquarantaine gegaan. De passagiers met andere nationaliteiten, die niet direct naar huis kunnen gaan, zijn in quarantaine gegaan op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, tenzij het thuisland bereid is om gedurende de quarantaineperiode zorg te dragen voor veilig vervoer van hun inwoner(s) naar eigen land. De quarantaineperiode duurt zes weken.
De mensen die thuis in quarantaine zijn, worden begeleid door de GGD van hun woonplaats. Er zijn duidelijke instructies, zoals twee keer per dag temperatuur opmeten en er is dagelijks telefonisch contact. Zo zorgt de GGD ervoor dat zij eventuele symptomen opmerken, zodat snel goede zorg gegeven kan worden.
Momenteel zitten in totaal 85 personen in thuisquarantaine of in een daarvoor ingerichte quarantainelocatie.5
Kunt u bevestigen dat het Radboudumc sinds mei 2022 als enige ziekenhuis in Nederland beschikt over een high-level isolation unit (HLIU) en dat desondanks na internationale afstemming bewust is besloten de hantaviruspatiënt níét in deze HLIU op te nemen, maar op een reguliere verpleegafdeling?
Dit klopt niet. Er zijn meerdere ziekenhuizen met een high-level isolation unit (HLIU). Er is inderdaad besloten, na afstemming met nationale en internationale experts, dat de zorg voor deze patiënt niet in de HLIU geleverd hoeft te worden, maar dat dit ook mogelijk is in een speciale isolatiekamer op de intensive care of verpleegafdeling. Daarbij gaat het om een speciale isolatiekamer, waar de luchtverversing en de afzuiging van de lucht goed geregeld is en er extra beschermende maatregelen gelden voor de medewerkers (FFP2 mondmasker, schort met lange mouwen, handschoenen en bril).
Hoe beoordeelt u het feit dat twee dagen ná deze vakinhoudelijke afweging twaalf medewerkers van het Radboudumc zes weken in quarantaine moesten omdat bloed en urine niet volgens de juiste internationale voorschriften zijn verwerkt, en dat het ziekenhuis stelt dat «het meest actuele internationale voorschrift nog niet beschikbaar was» voor de medewerkers?
Het betrokken ziekenhuis zal eerst zelf zorgvuldig vaststellen wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht.
Bent u bekend met de infectiologische, microbiologische, IC- en Euregio-capaciteiten van het Maastricht UMC+, alsmede met het feit dat Maastricht in 2014 werd genoemd met ebola-bedcapaciteit, en kunt u toelichten waarom Maastricht UMC+ thans niet formeel is aangewezen als VHK/HCID-behandelcentrum voor Zuid-Nederland, mede gezien de geografische spreiding van de huidige aangewezen centra?
Het Platform Preparatie A-ziekten van het RIVM heeft geïnventariseerd bij de UMC’s welke opvang en behandelcapaciteit zij hebben. Vijf van de zeven UMC’s hebben aangegeven dat in principe te kunnen. Maastricht UMC+ heeft aangegeven hierin alleen in een vroeg stadium van het ziektebeeld een rol te kunnen spelen.
Wie is er, in het Nederlandse stelsel, eindverantwoordelijk voor het tijdig beschikbaar stellen van de meest actuele internationale infectiepreventie- en controleprotocollen (IPC-protocollen) aan behandelende ziekenhuizen vóórdat een patiënt met een hoogrisico-infectieziekte wordt opgenomen – het RIVM, de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), of het ziekenhuis zelf? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment sluitend?
De Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM bepaalt welke vorm van isolatie en infectiepreventie bij de betreffende ziekte noodzakelijk is. De ziekenhuizen vertalen dit, vanuit de beroepsverenigingen van inhoudsdeskundigen, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie, zelf naar protocollen voor op de werkvloer. Zij maken hierbij ook gebruik van de landelijke richtlijnen voor ziekenhuizen van het Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie. De IGJ is de toezichthoudende instantie. Deze verantwoordelijkheidsverdeling werkt goed.
Hoeveel patiënten met een high consequence infectious disease (HCID) heeft de Nederlandse zorg in de afgelopen vijf jaar opgenomen, in welke ziekenhuizen, en in hoeveel van deze gevallen is daadwerkelijk gebruikgemaakt van een HLIU? Bent u bereid dit overzicht aan de Kamer te doen toekomen?
Afgelopen vijf jaar zijn acht personen met een verdenking van virale hemorragische koorts (VHK)6 opgenomen in de Nederlandse zorg. Zeven personen zijn in één van de voor VHK aangewezen ziekenhuizen opgenomen in hun HLIU: vijf keer Radboud MC, één keer LUMC en één keer UMCU.
Bent u ermee bekend dat in het Verenigd Koninkrijk Andesvirus formeel is geclassificeerd als «airborne HCID»5, dat behandeling uitsluitend plaatsvindt in een beperkt aantal aangewezen Airborne HCID Treatment Centres6 en dat dwingende, gestandaardiseerde IPC- en PPE-protocollen gelden zodra deze classificatie van toepassing is?
Ja. Het Verenigd Koninkrijk classificeert het andesvirus als een airborne high consequence infectious disease (HCID). Wel geeft het Verenigd Koninkrijk aan dat onduidelijk is hoe de overdracht van mens op mens plaatsvindt. Volgens het Verenigd Koninkrijk lijkt het erop dat nauw contact met een besmet persoon noodzakelijk is, en dat airborne overdracht daarbij in overweging genomen dient te worden. Verder is het kabinet bekend met de bijbehorende protocollen. Ook in Nederland wordt Andesvirusinfectie als HCID geclassificeerd en zijn er bijbehorende richtlijnen en protocollen, die op enkele onderdelen afwijken van de richtlijnen en protocollen in het Verenigd Koninkrijk. De Nederlandse protocollen zijn volledig in lijn met (en zelfs nog wat strikter dan) de WHO-aanbevelingen voor isolatie van personen met Andesvirusinfectie.
Erkent u dat het Britse model – een formele HCID-classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra – risico’s structureel uitsluit die het Nederlandse model, waarin per geval een afweging wordt gemaakt, toelaat? Erkent u dat juist deze week is gebleken dat het Nederlandse «case-by-case»-model in dit geval heeft gefaald?
Ook een model waarin sprake is van formele classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra, sluit het risico op menselijke fouten niet uit. Daarnaast zijn de verschillen tussen het Britse en het Nederlandse model marginaal.
Waarom kent Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk, geen formele nationale HCID-lijst conform ECDC-standaard, geen vooraf aangewezen behandelcentra voor HCID-categorieën en geen dwingende virus-specifieke IPC-protocollen? Welke afweging ligt hieraan ten grondslag, en wanneer is deze afweging voor het laatst herzien?
Nederland gebruikt weldegelijk een formele HCID-lijst en deze wordt als uitgangspunt genomen bij het Platform Preparatie A-ziekten.9 Daarnaast is sprake van afspraken met behandelcentra en van protocollen, die op het moment van de uitbraak met landelijke experts nogmaals tegen het licht zijn gehouden.
Bent u bereid toe te zeggen dat u vóór novermber 2026: en de Kamer hierover uiterlijk in novermber 2026 schriftelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Er is reeds sprake van een 24/7 adviesfunctie vanuit het RIVM, over richtlijnen en protocollen voor onder andere HCID’s. Op 8 mei 2026 heeft de Kamer het advies van het RIVM over het aanwijzen van het andesvirus als A2-infectieziekte ontvangen. Het RIVM adviseert hierin om op grond van artikel 34 van de Wet publieke gezondheid een ziekenhuis aan te wijzen, waar patiënten gedwongen in isolatie kunnen worden geplaatst, indien zij besmet zijn met een infectieziekte.10 Dit sluit aan bij de vraag om ziekenhuizen formeel aan te wijzen. Momenteel wordt dit door het Platform Preparatie A-ziekten, samen met de universitaire medische centra, verder uitgewerkt.
Bent u bereid, als noodzakelijke aanvulling op de in vraag 10 gevraagde HCID-structuur, een verplicht en structureel auditkader op de naleving van HCID- en IPC-protocollen in Nederlandse ziekenhuizen in te voeren, met ten minste de volgende elementen:
Nee, het kabinet is niet voornemens om op dit moment een verplicht en structureel auditkader met de genoemde elementen in te voeren.
Dat laat onverlet dat goede voorbereiding op de opvang van patiënten met een hoog-risico-infectieziekte van groot belang is. Binnen de bestaande systematiek zijn daarvoor al verschillende waarborgen aanwezig. Ziekenhuizen zijn zelf verantwoordelijk voor veilige zorg, waaronder adequate infectiepreventie, voldoende scholing en training van personeel, passende protocollen en het beschikbaar hebben van noodzakelijke voorzieningen en persoonlijke beschermingsmiddelen. Daarnaast zijn er bestaande werkwijzen gericht op kwaliteitsverbetering, waaronder toezicht door de IGJ op de naleving van professionele standaarden en richtlijnen en het lerend vermogen van de betreffende instelling.
Naar aanleiding van de casus waarnaar in deze vragen wordt verwezen, vindt het kabinet het van belang dat het betrokken ziekenhuis eerst zorgvuldig vaststelt wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De IGJ kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht. Indien de IGJ op basis van haar toezicht tot de conclusie komt dat sprake is van tekortkomingen, beschikt zij reeds over de gebruikelijke toezicht- en handhavingsinstrumenten om daarop passend te acteren. Daarbij zal ook worden betrokken of de bestaande systematiek rond voorbereiding, oefening, toezicht en borging van infectiepreventie bij HCID-opvang voldoende functioneert, of dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
De IGJ is onafhankelijk in de inrichting van haar toezicht en bepaalt zelf haar toezicht- en handhavingssystematiek. De wijze waarop de IGJ invulling geeft aan het toezicht op de naleving van infectiepreventie- en HCID-protocollen in ziekenhuizen – waaronder de frequentie en de inzet van specifieke toezichtsinstrumenten – behoort tot de verantwoordelijkheid van de inspectie zelf.
Wat zijn de totale geraamde kosten van de repatriëringsoperatie van de MV Hondius (evacuatievluchten, ambassade-inzet, SCOT-team, RIVM/GGD-inzet, zes weken thuisquarantaine en de Radboudumc-quarantaine inclusief vervangende inzet), en in hoeverre worden deze kosten verhaald op de rederij, de reisverzekeraars of de individuele passagiers? Bent u bereid een gespecificeerd kostenoverzicht aan de Kamer te sturen?
De totale kosten van de repatriëringsoperatie van de m/v Hondius (waaronder evacuatievluchten, inzet van ambassadepersoneel, het SCOT-team, RIVM- en GGD-inzet, quarantainevoorzieningen en de inzet in het Radboudumc inclusief vervangende capaciteit) worden momenteel nog in kaart gebracht. Een volledig en gespecificeerd kostenoverzicht is op dit moment nog niet beschikbaar.
Het uitgangspunt bij de uitvoering van de operatie was het snel en adequaat handelen in het belang van de veiligheid en gezondheid van alle betrokkenen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal van deze kosten.
Acht u het redelijk dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de kosten van repatriëring en nasleep van een commerciële cruise waarop het besmettingsrisico is opgelopen? Welke wettelijke en verzekeringstechnische instrumenten ziet u om dit principieel anders te regelen voor toekomstige uitbraken?
Bij een situatie als deze staat de bescherming van de gezondheid en veiligheid van passagiers en bemanning voorop. Dat betekent dat noodzakelijke maatregelen ongeacht de uiteindelijke kostenverdeling worden getroffen om verantwoord en snel te kunnen handelen.
De kosten van de operatie worden momenteel in kaart gebracht. Tegelijkertijd wordt bezien in hoeverre het redelijk en juridisch mogelijk is om deze kosten te verhalen op de rederij, reisverzekeraars of andere betrokken partijen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal.
Kunt u bevestigen dat op het Britse cruiseschip Ambition voor de kust van Bordeaux 1.700 opvarenden in quarantaine zijn geplaatst, dat een 92-jarige Britse passagier vermoedelijk is overleden aan het norovirus en dat ten minste vijftig passagiers ziek zijn geworden? Hoeveel Nederlanders bevinden zich aan boord, en welke ondersteuning krijgen zij op dit moment van de Nederlandse ambassade en het Snel Consulair Ondersteuningsteam (SCOT)?
De regionale gezondheidsautoriteiten van Nouvelle-Aquitaine hebben op 13 mei een persbericht gedeeld over de situatie op het Britse cruiseschip Ambition.11 Zij gaven in het persbericht aan dat het ging om het norovirus. De regionale gezondheidsautoriteiten hebben de rederij geadviseerd over passende maatregelen. Op het cruiseschip is ook een medisch team aanwezig. Er was geen noodzaak om de autoriteiten of de rederij vanuit de Nederlandse ambassade of met inzet van het Snel Consulair Ondersteuningsteam te ondersteunen. Vanuit de Ambition is er ook geen consulair hulpverzoek binnengekomen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u ermee bekend dat in dezelfde week ook op het cruiseschip Caribbean Princess een uitbraak van het norovirus is vastgesteld, waarbij meer dan honderd passagiers en tien bemanningsleden ziek zijn geworden? Hoe beoordeelt u het feit dat in een tijdsbestek van enkele weken drie grote virusuitbraken (Hondius, Ambition, Caribbean Princess) op cruiseschepen plaatsvinden, en is er naar uw oordeel sprake van een structureel falen van de hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken.
Bent u bereid om – gelet op deze opeenvolgende uitbraken – een structurele preventieve informatieplicht in te voeren waarbij Nederlandse burgers die een cruise overwegen vóór boeking actief en eenduidig worden geïnformeerd over recente uitbraken, de uitbraakgeschiedenis per rederij en route, en de gezondheidsrisico’s van langdurig verblijf op cruiseschepen, bijvoorbeeld via een centrale «cruise-risicopagina» op nederlandwereldwijd.nl?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken. Daarom acht het kabinet het invoeren van een structurele preventieve informatieplicht niet nodig.
Bent u bereid om, in samenwerking met het RIVM, de European Maritime Safety Agency (EMSA) en het ECDC, bepaalde cruiseroutes of -regio’s waar zich recent uitbraken hebben voorgedaan tijdelijk als «verhoogd risico» aan te merken, met aanvullende preventieve verplichtingen voor rederijen die deze routes bevaren (zoals verplichte screening bij inscheping, verscherpte hygiëneprotocollen en een meldplicht bij verdachte ziektegevallen)? Zo nee, waarom niet?
De cruisesector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Aanvullende preventieve verplichtingen worden daarom niet nodig geacht.
Bent u bereid een vast protocol «Snelle Repatriëring Nederlanders» vast te stellen voor infectieziekte-uitbraken op cruiseschepen, met heldere afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie, zodat Nederlanders bij toekomstige uitbraken niet langer dagen of weken hoeven te wachten op evacuatie, zoals bij de MV Hondius het geval was? Bent u bereid dit protocol vóór 1 januari 2027 aan de Kamer voor te leggen?
De evacuatie van de m/v Hondius is uitermate spoedig en zorgvuldig geregeld, in nauwe en goede samenwerking met alle nationale en internationale betrokken partijen. Daarnaast is er een vast protocol «Beleidskader consulaire repatriëringen en evacuaties», die voorziet in een spoedige afhandeling. Een aanvullend vast protocol is om die reden niet nodig.
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Ja.
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, woningnood kan directe en ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen. Ieder kind verdient (passend) onderwijs. Het moet vanzelfsprekend zijn dat alle kinderen deel kunnen nemen aan het onderwijs, zich optimaal kunnen ontwikkelen en zich kunnen voorbereiden op vervolgonderwijs en deelname aan de maatschappij. De schrijnende situaties die worden beschreven in het artikel, waarbij kinderen geen stabiele en veilige thuisbasis hebben, belemmeren de mogelijkheden voor de kinderen. Ik deel de zorgen rondom deze signalen.
Door de schaarste op de woningmarkt is het voor veel gezinnen moeilijk om een passende woning te vinden. Soms lukt het helemaal niet om een eigen woonplek te vinden en komen zij noodgedwongen terecht bij vrienden of familie, in vakantieparken of in de maatschappelijke opvang. Geen enkel kind zou een verwoestende en vaak traumatische periode van dakloosheid in hun leven mee moeten maken. Juist in gevallen van dakloosheid waar kinderen bij betrokken zijn, moet een gemeente er alles aan doen om het gezin te helpen.
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
Er zijn geen landelijke cijfers bekend hoeveel minderjarige kinderen verkeren in een situatie van dakloosheid. De regionale Ethos-tellingen waarnaar verwezen wordt in het bericht, geven voor een aantal regio’s een duidelijk beeld. De aantallen uit het bericht zijn een weergave van het aantal dakloze kinderen (totaal 4.062) dat op 8 april 2025 in 9 regio’s (totaal 57 gemeenten) geteld is. Deze Ethos-telingen zijn de afgelopen jaren in 124 gemeenten uitgevoerd en in 2026 volgen nog eens 96 gemeenten. Zodoende hebben deze regio’s goed zicht op het aantal dakloze, minderjarige kinderen en hun verblijfsituatie. Het is onbekend welk type onderwijs deze kinderen volgen.
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Zie ook het antwoord op vraag 3. De Ethos-tellingen zijn gebaseerd op een brede definitie, waar verborgen dakloosheid (verblijven bij vrienden/familie, verblijf op een vakantiepark, etc.) onderdeel van is. Met een telling krijgt een regio goed zicht op het aantal dakloze kinderen én de wijze van hun verblijf. Op basis van deze informatie kan een regio zorgen dat beleid en uitvoering beter aansluit op de behoefte van dakloze mensen. VWS wil de aankomende jaren faciliteren dat in alle regio’s periodiek tellingen worden uitgevoerd. Zodoende krijgen gemeenten en regio’s goed zicht op verborgen dakloosheid én dakloosheid onder minderjarigen.
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Scholen zijn er in de eerste plaats om goed onderwijs te verzorgen voor alle leerlingen, ook voor kwetsbare leerlingen. School moet daarvoor een veilige omgeving zijn waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n schoolklimaat leidt behalve tot betere leerprestaties en een hogere motivatie, ook tot een sterker welbevinden van kinderen. Scholen met veel kwetsbare leerlingen ontvangen extra bekostiging om hierin te voorzien. School speelt verder een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen, bijvoorbeeld door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij schoolactiviteiten. Waar nodig kan de school ondersteuning bieden om te kunnen leren, zoals een gevulde maag met een schoolmaaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten. Het kabinet werkt aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp. Vanaf 2027 investeert het Ministerie van OCW 650 miljoen euro per jaar in de verduurzaming van programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden.
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
De problemen die gepaard gaan bij een situatie van dakloosheid, worden door veel partijen gevoeld, maar iedere partij heeft een andere verantwoordelijkheid. De gemeente heeft een regierol als het gaat om het voorkomen van dakloosheid. Ik deel de opvatting dat het niet de kerntaak is van het onderwijs om het probleem van dakloosheid op te vangen. Het onderwijs is immers bedoeld om kinderen te ontwikkelen, zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij. School is wel een plaats waar zorgelijke situaties aan het licht kunnen komen, zoals ook in het artikel wordt geïllustreerd. Vanuit school kan daarna contact gelegd worden met de bredere ondersteuningsstructuur rondom de school. Hierbij kan gedacht worden aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk of lokale teams.
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet en de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning en zorg aan volwassenen en kinderen die kampen met sociale en/of psychische problematiek. Zij kopen verschillende vormen van ondersteuning en (maatschappelijke) opvang in waar inwoners gebruik van kunnen maken. Slechts een deel van de dakloze gezinnen heeft te maken met sociale of psychische problemen. Vaak is het gezin in de eerste plaats geholpen met het vinden van passende woonplek. Hoe langer de periode van dakloosheid duurt, hoe groter de kans dat sociale en/of psychische problemenontstaan of verergeren. Daarom werkt het kabinet samen met provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars aan het tegengaan van de wooncrisis door het versnellen van de woningbouw en het beter benutten van bestaande woonruimte. Gemeenten doen er alles aan om dakloze gezinnen zo goed mogelijk te helpen. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang, maakt dat er niet altijd op korte termijn een passende plek beschikbaar is.
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
De basis om goed onderwijs te kunnen volgen, is een veilige leeromgeving waar een leerling zich gezien weet. Toch is het niet volledig te voorkomen dat leerlingen met stress, door bijvoorbeeld dakloosheid, het risico op achterstanden lopen. Door programma’s als Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School en Omgeving en het onderwijsachterstandenbeleid wordt ingezet op het verminderen van de effecten van stress en het vergroten van de leer- en ontwikkelmogelijkheden van de meest kwetsbare leerlingen. Scholen met een hoge populatie kwetsbare leerlingen kunnen aanvullende middelen ontvangen om het negatieve effect dat omgevingsfactoren kunnen hebben op de leerkansen te verminderen. Dit stelt scholen in staat om aanvullende ondersteuning te bieden die het risico op achterstanden verkleinen in de vorm van bijvoorbeeld een schoolmaaltijd of ontwikkelactiviteiten, zodat ook deze leerlingen beter kunnen deelnemen aan het onderwijs. Brugfunctionarissen kunnen daarbij een voor de leerkrachten ontlastende rol vervullen.
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Het is niet bekend hoeveel dakloze gezinnen met minderjarige kinderen buiten de opvang of hulpverlening vallen. Om te bepalen of een gezin überhaupt in aanmerking komt voor gemeentelijke jeugdhulp of Wmo-ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang), voert de gemeente een onderzoek uit. Het niet beschikken over passende woonruimte is op zichzelf geen reden om in aanmerking te komen voor opvang. Op het moment dat het gezin zelfredzaam wordt bevonden, is een gemeente niet verplicht een voorziening te verstrekken. De gemeente mag een zelfredzaam gezin wel toegang geven tot de opvang, al zijn de gezinnen vooral gebaat bij passende huisvesting. Ik begrijp de complexiteit daarvan vanwege de schaarse woningmarkt, maar ik roep lokale partijen wel op om passende oplossingen te vinden.
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in besluiten rondom woningbouw, tijdelijke huisvesting / flexwonen en het organiseren van kleinschalige opvang. Daarnaast werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) dakloze mensen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentiecategorie. Dit betekent dat deze gezinnen onder bepaalde voorwaarden met voorrang recht krijgen op een woning. Aanvullend hierop zetten we in op de uitvoering van de «Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar)»3, waarmee we het aantal dakloze jongeren willen reduceren en een verdere toename willen voorkomen.
De positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Longevity Shift: A New Era of Physician Engagement in Longevity Medicine» (Ipsos, maart 2026), waaruit blijkt dat artsen in toenemende mate worden geconfronteerd met patiënten die vragen stellen over longeviteitsgeneeskunde, maar dat zij daarvoor onvoldoende zijn opgeleid, en dat bestaande bekostigingsstructuren preventieve en op gezondheidsoptimalisatie gerichte zorg structureel ontmoedigen?
Ja.
Deelt u de analyse dat de huidige fee-for-servicebekostiging een structurele drempel opwerpt voor preventieve en longeviteitsgerichte zorg, doordat artsen niet of nauwelijks worden gecompenseerd voor tijdsintensieve consulten bij gezonde patiënten zonder gediagnosticeerde aandoening? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit knelpunt weg te nemen?
We hanteren in ons zorgstelsel een vaste volgorde: we kijken eerst of een behandeling of advies tot het verzekerde pakket behoort (de aanspraak). Pas als iets wettelijk verzekerde zorg is, wordt er gekeken naar de manier van betalen (de bekostiging). De Zorgverzekeringswet (Zvw) is een individuele schadeverzekering: vergoeding is alleen mogelijk bij noodzakelijke zorg vanwege ziekte of een verhoogd individueel medisch risico door de aanwezigheid van medische risicofactoren. Bij longeviteitsinterventies is er geen sprake van noodzakelijke geneeskundige zorg en het behoort daarom niet tot het verzekerde pakket. Er is dus is geen aanspraak op deze zorg.
In het kader van de Zvw wordt individuele preventie vergoed als het geïndiceerde en/of zorggerelateerde preventie betreft. Voorbeelden hiervan zijn onder meer het programma stoppen met roken, de Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI) en risicogerichte screening. Longeviteitsinterventies richten zich echter op gezonde mensen die gezond willen blijven. Het kabinet juicht dit toe en zet zich op andere manieren hiervoor in, o.a. via bredere preventie1.
Voor zorg die buiten het verzekerde pakket valt, geldt dat deze in de private sfeer kan worden aangeboden. In dat geval zijn zorgaanbieders in beginsel vrij om hun eigen tarieven vast te stellen en hierover afspraken te maken met patiënten.
In hoeverre is longeviteitsgeneeskunde als interventioneel vakgebied geïntegreerd in de basisopleiding en nascholing van huisartsen en medisch specialisten in Nederland? Bent u bereid dit te onderzoeken (met de Minister van OCW) en of de opleidingseisen op dit punt aanvulling behoeven, mede in het licht van de toenemende vraag vanuit de samenleving naar gezondheidsoptimalisatie en verlenging van de gezonde levensduur?
In Nederland maken preventie en leefstijl reeds onderdeel uit van medische (vervolg)opleidingen en nascholing. Er bestaat echter geen apart erkend vakgebied longeviteitsgeneeskunde. Veldpartijen en opleiders gaan zelf over de inhoud van de opleidingen. Het curriculum moet aansluiten op de toekomst, en dat geven zij zelf vorm.
Bent u bekend met het signaal uit het rapport dat artsen bij longeviteitsgeneeskunde interventies voorschrijven aan mensen die zich gezond voelen, zonder dat er sprake is van een vastgestelde aandoening, terwijl de standaard van zorg op dit terrein grotendeels ongedefinieerd blijft? Welke rol ziet u voor de overheid bij het ontwikkelen van klinische richtlijnen en evidence-based standaarden voor longeviteitsgerichte preventiezorg, zodat artsen niet zonder professioneel kader opereren?
Het kabinet is zich ervan bewust dat binnen de longeviteitsgeneeskunde interventies worden toegepast bij mensen zonder vastgestelde aandoening, terwijl een standaard van zorg op dit terrein nog ontbreekt. De overheid stelt zelf geen medische standaarden op, maar regelt de voorwaarden voor kwaliteit van zorg. Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is de zorgaanbieder verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede en veilige zorg. Daarnaast is het aan de betrokken organisaties van zorgverleners, (vaak) samen met cliëntenorganisaties en zorgverzekeraars, om in de professionele standaard of kwaliteitsstandaarden vast te leggen wat goede zorg is.
Bent u bereid te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg binnen de Nederlandse bekostigingssystematiek een structurele plek kan krijgen, bijvoorbeeld via uitkomstbekostiging of een gerichte aanvulling op de Zorgverzekeringswet, naar voorbeeld van ouderenzorgmodellen in Denemarken en Finland.
Het kabinet ziet geen reden om te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg een structurele plek kan krijgen binnen de Nederlandse bekostigingssystematiek. Zoals hierboven aangegeven valt longeviteitsgerichte preventiezorg niet onder de reikwijdte van de Zvw omdat geen sprake is van noodzakelijke geneeskundige zorg. Alleen als sprake is van een aanspraak in de zin van de Zvw, kan over de vorm van bekostiging worden nagedacht. Het Ipsos-rapport geeft overigens ook aan dat standaarden en evidence nog ontbreken.
In hoeverre acht u het wenselijk dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken van een vergoedingsstructuur, primair ontwikkelt in de cash-pay en conciergegeneeskunde en daarmee feitelijk voorbehouden blijft aan vermogenden? Welke maatregelen overweegt u om de toegankelijkheid van preventieve longeviteitszorg voor een breed publiek te waarborgen?
Het Ipsos-rapport signaleert dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken van een vergoedingsstructuur, ontwikkelt buiten het reguliere zorgstelsel. Dit is een logisch gevolg van het feit dat deze zorg niet voldoet aan de criteria voor collectieve vergoeding binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw), namelijk dat sprake moet zijn van medisch noodzakelijke zorg. Dit brengt met zich mee dat bepaalde vormen van zorg alleen toegankelijk zijn voor mensen die deze kosten zelf dragen. Tegelijkertijd geldt dat binnen een solidair zorgstelsel niet alles collectief kan worden vergoed. Juist het maken van scherpe keuzes is noodzakelijk om de toegankelijkheid, betaalbaarheid en solidariteit van het stelsel als geheel te waarborgen.
Het kabinet zet in op brede toegankelijkheid van bewezen effectieve preventie, bijvoorbeeld via:
Bent u bereid te bezien hoe longeviteitsgerichte preventiezorg beter kan worden ingebed in bestaande beleidskaders, zoals het Nationaal Preventieakkoord, het Integraal Zorgakkoord en de Wet publieke gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet richt zich niet als zodanig op longeviteitsgerichte preventiezorg. Wel zet het kabinet in op brede toegankelijkheid van bewezen effectieve preventie. Hiervoor verwijs ik graag naar de beleidsbrief VWS van 24 april 20262.
Bent u bereid om, in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad, beroepsverenigingen en relevante wetenschappelijke instituten, een Nationale Strategie Longeviteitsgeneeskunde te ontwikkelen, met concrete doelstellingen voor de integratie van longeviteitsgerichte preventiezorg in het zorgstelsel, de opleiding van zorgprofessionals, wetenschappelijk onderzoek en de toegankelijkheid van deze zorg voor alle Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Hoewel het Ipsos-rapport wijst op een groeiende belangstelling, benadrukt het ook dat het veld nog in ontwikkeling is en dat standaarden en evidence ontbreken. Om die reden is het kabinet niet voornemens een aparte Nationale Strategie te ontwikkelen.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de bestaande onderzoeksinfrastructuur van onder andere Maastricht University en Maastricht UMC+, waaronder The Maastricht Study met haar grootschalige biobanking en deep phenotyping en het MERLN Institute for Technology Inspired Regenerative Medicine, strategisch kan worden ingezet als nationaal expertisecentrum voor longeviteitsgeneeskunde, door koppeling van biobankdata, biomarkers van biologische veroudering en klinische toepassingen? En hoe deze kennisinfrastructuur structureel kan worden ingebed in de nationale onderzoeks- en zorgagenda?
De inrichting van onderzoeksprogramma’s en de positionering van specifieke kennisinstellingen of samenwerkingsverbanden als nationaal expertisecentrum is in de eerste plaats aan de betrokken kennisinstellingen zelf. Universiteiten en universitair medische centra hebben daarbij een eigen verantwoordelijkheid om strategische samenwerkingen aan te gaan, onderzoeksagenda’s vorm te geven en consortia te ontwikkelen.
Voor de financiering van wetenschappelijk onderzoek bestaan in Nederland verschillende instrumenten, waaronder competitieve onderzoeksprogramma’s van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), ZonMw en Europese onderzoeksfondsen. Onderzoeksinstellingen kunnen binnen deze kaders voorstellen indienen.
Het Ministerie van VWS heeft geen directe rol in het aanwijzen of inrichten van specifieke nationale expertisecentra op het terrein van longeviteitsgeneeskunde. Wel blijft het kabinet via de bredere kennis- en innovatieagenda’s aandacht houden voor ontwikkelingen die kunnen bijdragen aan gezondheid, kwaliteit van leven en toekomstbestendige zorg. Daarbij is het van belang dat wetenschappelijke inzichten hun weg vinden naar de praktijk via bestaande samenwerkingsstructuren tussen onderzoek, zorg en maatschappelijke partners.
Bent u bereid de Kamer te faciliteren met een technische briefing over longeviteitsgeneeskunde, waarbij in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad en academische centra de stand van de wetenschap, de klinische toepasbaarheid, de ethische en maatschappelijke implicaties en de mogelijke inbedding in het Nederlandse zorgstelsel integraal worden toegelicht?
In bovenstaande beantwoording is uiteengezet hoe gekeken wordt naar de positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel. Als de Kamer besluit een briefing te organiseren over dit onderwerp dan is het kabinet uiteraard bereid om nadere toelichting te geven.
Het bericht 'Minister Boekholt gebruikte geen telefoon- en douchemuntjes in Afghanistan: ‘Het citaat klopt niet’' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Minister Boekholt gebruikte geen telefoon- en douchemuntjes in Afghanistan: «Het citaat klopt niet»»?1
Ja.
Welke zwaarwegende redenen had u om in een toonaangevende buitenlandse krant nepnieuws te verspreiden?
In de Kamerbrief van 26 maart (2026D13974) heb ik een toelichting gegeven op mijn uitspraken in dit interview. Op 12 maart bracht ik een werkbezoek aan de provincie Utrecht in het kader van woningbouw en beperkende factoren hiervoor, zoals stikstof en netcongestie. Tijdens dit werkbezoek waren journalisten aanwezig, waaronder een verslaggever van The Guardian.
In gesprek met de journalist van The Guardian gaf ik wat voorbeelden van hoe mensen om kunnen gaan met schaarste. Hierbij verwees ik onder meer naar schaarste tijdens militaire uitzendingen. Hoewel ik hiermee bedoelde te onderstrepen dat we samen veel voor elkaar kunnen krijgen, heeft dit voorbeeld voor verwarring gezorgd. Ik had dit voorbeeld niet moeten gebruiken en mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen. Daar trek ik lering uit.
Is deze werkwijze toonaangevend voor uw verdere werkwijze als dienaar van de Kroon? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het werkbezoek sprak ik over mijn werk als woonminister en de uitdagingen rond woningbouw en netcongestie, zoals ik eerder ook in uw Kamer en met andere Nederlandse journalisten heb gedaan. In gesprek met The Guardian had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen.
Waarom heeft u de fout pas erkend nadat de Volkskrant hier verder onderzoek naar gedaan heeft?
In gesprek met de journalist van The Guardian gaf ik wat voorbeelden van hoe mensen om kunnen gaan met schaarste. Hierbij verwees ik onder meer naar schaarste tijdens militaire uitzendingen.
De tekst is niet vooraf ingezien. Na publicatie zag ik dat het voorbeeld voor verwarring zorgde. Daarover heb ik in de brief van 26 maart toelichting gegeven.
Vindt u dit passen bij het door het huidige kabinet uitgedragen mantra over de nieuwe bestuurscultuur? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Was het hiervoor benoemde voor u de aanleiding om de Kamer middels uw brief van 25 maart jl. niet tijdig en volledig te kunnen en/of willen beantwoorden?
Nee. Ik heb uw Kamer op 26 maart via eerder genoemde brief geïnformeerd over resterende vragen over mijn interview in The Guardian.
Vindt u uw handelen passen binnen het grondwettelijke recht van het parlement op informatie, zoals beschreven in artikel 68 van de Grondwet? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het werkbezoek sprak ik over mijn werk als woonminister in lijn met het coalitieakkoord, zoals ik eerder ook in uw Kamer en met andere Nederlandse journalisten heb gedaan. Ik had mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen om te voorkomen dat er verwarring zou kunnen ontstaan. Hierover heb ik de Kamer op 26 maart geïnformeerd.
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk, doch uiterlijk voor 31 maart a.s., beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Rotterdamse huisartsenpost toont clip 'Boom Boom Tel Aviv' op groot scherm' |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de huisartsenpost Rotterdam Zuidplein op een groot scherm een videoclip is vertoond waarin geweld wordt verheerlijkt, zoals te zien was op beelden die op sociale media circuleerden?1
Op de gevel van een huisartsenpraktijk in Rotterdam, huisartsenpost Zuidplein, hangt een scherm. Het is goed te zien vanaf de straat. Op dat scherm verscheen in maart een videoclip. Het liedje uit de clip heeft als titel: «Boom, Boom, Tel Aviv». Een van de strofen uit het liedje luidt: «But humanity never expected good behavior from your Jews».
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Worden deze beelden door of namens deze huisartsenpost zelf aangestuurd of door een externe advertentiedienst?
Wie de beelden aanstuurde, is voor het kabinet vooralsnog onduidelijk. Er is inmiddels een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Vermoedelijk zal daaruit blijken wie de beelden aanstuurde. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Heeft deze huisartsenpost een verantwoordelijkheid om bij (potentiële) patiënten geen enkele zorg te laten ontstaan over de vraag dat ongeacht de herkomst of nationaliteit van een persoon deze kan rekenen op de best beschikbare zorg?
Huisartsen moeten zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2 De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. In de tweede kernregel is opgenomen: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet».3
Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Deelt u de opvatting dat zorgverleners, en zorginstellingen in het bijzonder, een neutrale, veilige en niet-politieke omgeving moeten bieden aan alle patiënten, ongeacht herkomst, religie of politieke opvatting?
Ja.
Hoe verhoudt het vertonen van een video waarin geweld wordt gevierd zich volgens u tot de professionele normen, zoals beschreven door de KNMG en in bredere zin in de medische beroepsethiek, waaronder het uitgangspunt dat artsen en zorginstellingen handelen op een wijze die geen schade toebrengt, vertrouwen wekt en respect voor iedere patiënt waarborgt?2
Zoals hierboven uitgelegd, moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. De gedragscode biedt artsen een leidraad voor het professionele handelen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. Zoals hierboven aangegeven, staat in de tweede kernregel: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet». Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» acht het kabinet volkomen onacceptabel. Een dergelijke videoclip kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk en kan daarmee de toegang tot zorg belemmeren.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden, waaronder de KNMG-gedragscode, maakt daar deel van uit.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse artseneed, zoals opgenomen in de universitaire opleidingen sinds 2003, artsen onder meer verplicht tot het bevorderen van vertrouwen, het voorkomen van schade en het professioneel handelen in het belang van de patiënt? Acht u het vertonen van deze video in lijn met die eed en professionele verplichtingen?
De artseneed is een morele en ethische belofte. De artseneed is niet juridisch bindend. De bovengenoemde gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen. Die maakt deel uit van de professionele standaard.
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.5 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Zijn er eerder uitingen op dit scherm geweest die vraagtekens zetten bij de genoemde normen die gelden voor leden van de medische beroepsgroepen?
Het College van burgemeester en Wethouders van Rotterdam heeft in 2023 vragen beantwoord van de gemeenteraad over antiwesterse en pro-Palestijnse posts op de LinkedIn-pagina van Huisartsenpost Zuidplein.
Bent u ervan op de hoogte dat buurtbewoners inmiddels klachten hebben ingediend over het scherm en dat het scherm inmiddels is uitgezet? Worden deze klachten betrokken bij een onderzoek of bestuurlijke beoordeling?
In hoeverre buurtbewoners hebben geklaagd en bij wie, is het kabinet niet bekend. Wel is bekend dat er een opsporingsonderzoek is opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden patiënten hebben om een formele klacht in te dienen wanneer zij zich door dergelijke politieke of gewelddadige boodschappen onveilig, ongewenst of bedreigd voelen bij het bezoeken van een huisartsenpost?
Patiënten die zich onveilig, ongewenst of bedreigd voelen, kunnen een melding doen bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Zie: Ik heb een klacht | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
Daarnaast kunnen patiënten een klacht indienen bij de zorgaanbieder zelf. De zorgaanbieder is verplicht een schriftelijke regeling op te stellen voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten.
Kunt u toezeggen om deze situatie onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Wat vindt uzelf van het vertonen van deze videoboodschap boven een huisartsenpost in relatie tot de KNMG-gedragsregels en de medische beroepsethiek, inclusief de normen over neutraliteit, veiligheid en het vermijden van schade?
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Welke voorwaarden gelden er voor met premie, c.q. belastinggeld, betaalde zorginstellingen ten aanzien van het gebruiken van publieke schermen of uitingen voor politieke, activerende of mogelijk polariserende boodschappen? Zijn deze waarborgen volgens u voldoende?
De vertoning van beelden op een scherm aan de gevel van een huisartsenpraktijk moet aan diverse normen voldoen. Het kabinet acht deze normen voldoende. De vertoning mag allereerst niet strafbaar zijn. Of er sprake is van strafbaarheid wordt uitgezocht in het reeds opgestarte opsporingsonderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast is voor het plaatsen van een scherm aan een gevel een vergunning vereist. Dat is geregeld in de Omgevingswet. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam heeft een toezichtsonderzoek opgestart.
Tot slot moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode maakt deel uit van de professionele standaard. De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Deelt u de opvatting dat het vertonen van gewelddadige en polariserende content vanaf een zorginstelling niet alleen onverenigbaar is met de rol van een huisartsenpost, maar ook onwenselijk is in de openbare ruimte?
Ja.
Welke bestuurlijke maatregelen acht u passend indien een zorginstelling (herhaaldelijk) uitingen verspreidt die angst of haat kunnen aanwakkeren in de openbare ruimte? Wordt daarbij ook de mogelijkheid betrokken van (tijdelijke) sluiting of het intrekken van vergunningen indien normen structureel worden overschreden?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in dit geval niet de bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen te treffen. Toezichtsonderzoek en de eventuele beslissing om handhavingsmaatregelen te treffen is aan de toezichthouders: de IGJ en Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door IGJ of andere toezichthouders, en over eventuele maatregelen die u naar aanleiding daarvan noodzakelijk acht?
Ja, voor zover dat binnen de geldende wettelijke kaders mogelijk is, zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door de IGJ of andere toezichthouders, evenals over eventuele maatregelen die naar aanleiding daarvan noodzakelijk worden geacht.
Het tekort aan SEH-artsen en het niet volledig opvolgen van het advies van het Capaciteitsorgaan |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VWS-plannen voor SEH-artsen vallen Yara Basta rauw op haar dak»?1
Ja.
Klopt het dat het Capaciteitsorgaan in december 2025 heeft geadviseerd om het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen te verhogen van 40 naar 60 per jaar, en dit advies slechts gedeeltelijk wordt overgenomen, resulterend in circa 50 opleidingsplaatsen voor 2027?
Nee dat is onjuist. De besluitvorming over het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 zal later dit jaar plaatsvinden. Naar verwachting wordt de Tweede Kamer in het tweede kwartaal geïnformeerd door middel van de kabinetsreactie op de ramingen van het Capaciteitsorgaan voor de periode 2027–2030. Het kabinet kan niet vooruit lopen op de budgettaire besluitvorming. Dit misverstand is ontstaan omdat VWS, op verzoek van Stichting BOLS die jaarlijks advies uitbrengt over de verdeling van de opleidingsplaatsen, richtinggevende instructies heeft gegeven voor 2027. Omdat het kabinet niet vooruit kan lopen op budgettaire besluitvorming, zijn deze instructies gericht op de huidige financiële kaders. Met deze instructies kon BOLS alvast een start maken met het toewijzingsjaar 2027.
Waarom wijkt u af van het advies van het Capaciteitsorgaan, terwijl dit orgaan een bredere en meer realistische raming hanteert waarin ook zogenoemde «verborgen vacatures» zijn meegenomen?
Zie antwoord op vraag 2.
In hoeverre is het besluit om het aantal opleidingsplaatsen te beperken ingegeven door budgettaire kaders in plaats van zorginhoudelijke noodzaak?
Zie antwoord op vraag 2.
Erkent u dat het zichtbare aantal vacatures een onderschatting vormt van het werkelijke tekort, en dat beleid dat daarop wordt gebaseerd structureel te laag uitvalt?
Het ramingsmodel van het Capaciteitsorgaan omvat een breed palet aan parameters en brengt de benodigde capaciteit aan zorgprofessionals integraal in beeld. De raming is niet uitsluitend gebaseerd op zichtbare vacatures, maar op een samenstel van factoren, waaronder demografie, zorgvraag, vergrijzing, in- en uitstroom en opleidingscapaciteit. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding om te concluderen dat beleid op basis van deze ramingen structureel te laag wordt vastgesteld.
Hoe voorkomt u dat het tekort verder oploopt door gelijktijdige factoren als vergrijzing, toenemende zorgvraag en uitstroom van personeel?
Zoals in vraag 5 aangegeven houdt het Capaciteitsorgaan in haar adviezen ook rekening met factoren als vergrijzing en uitstroom. Naast de instroom via de opleidingen geldt dat de personele houdbaarheid een brede uitdaging is waar het kabinet alle partijen in zorg en welzijn voor nodig heeft. Met het sluiten van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) zijn bestuurlijke afspraken gemaakt om het dreigende personeelstekort te laten dalen met 100.000 mensen. Voor dit doel zet het kabinet, samen met het veld, tot en met 2028 de volgende stappen gericht op het vergroten van de ruimte voor professionals:
Tot slot blijft dit kabinet zorg- en welzijnswerkgevers stimuleren om het werkplezier van hun medewerkers te borgen en uitstroom van personeel terug te dringen. De primaire verantwoordelijkheid voor deze zaken ligt immers bij de werkgevers. De overheid ondersteunt hen hierbij, in het bijzonder op onderwerpen als het vergroten van professionele autonomie en zeggenschap via het Landelijk Actieplan Zeggenschap en de Landelijke Monitor Zeggenschap, het terugdringen van verzuim en verloop via het Preventieplan Zorg en Welzijn en het ondersteunen bij de aanpak van agressie met onder andere de campagne «Blijf jezelf, tel even tot 11». Ook is sinds kort met ondersteuning van VWS het nieuwe loopbaanplatform Zowi in testversie beschikbaar gekomen voor de sector. Studenten, professionals en zij-instromers kunnen hier terecht voor betrouwbare informatie en concreet advies over hun (eerste of volgende) loopbaanstap in zorg en welzijn.
Acht u het verantwoord dat SEH-afdelingen opereren op minimale bezetting zonder buffer, terwijl de werkdruk aantoonbaar toeneemt en uitvalrisico’s hoog zijn?
Ziekenhuizen doen hun best om SEH-afdelingen zo goed mogelijk te bemensen, rekening houdend met piekmomenten. Als het echt niet anders kan hanteren ze tijdelijk een presentatiestop voor mensen met een niet levensbedreigende zorgvraag. Voor dat soort situaties worden in de regio goede afspraken gemaakt, zodat de ambulancedienst weet waar de patiënt terecht kan. Deze afspraken dragen bij aan de kwaliteit van de zorg voor de patiënt en het voorkomen van overbelasting van de medewerkers.
Hoe voorkomt u dat het opleiden van extra artsen onvoldoende effect sorteert, zolang uitstroom door werkdruk en beperkte duurzame inzetbaarheid niet structureel wordt aangepakt?
De verantwoordelijkheid voor de aanpak van uitstroom en uitval van personeel ligt primair bij werkgevers in zorg en welzijn. Het kabinet stimuleert hen om hier actief mee aan de slag te gaan door het verspreiden van kennis en informatie en het delen van goede voorbeelden. Via ondersteuning van het preventieplan zorg en welzijn deelt het kabinet bijvoorbeeld de werkwijze, inzichten en handelingsperspectieven van deze data-gedreven aanpak om verzuim en verloop te verminderen en werkplezier te vergroten. Daarnaast ziet het kabinet dat op verschillende plaatsen in de sector actief ingezet wordt op zaken rond behoud en ontwikkeling van medewerkers. In Zuid-Limburg wordt bijvoorbeeld met behulp van transformatiemiddelen uit het Integraal Zorgakkoord gewerkt aan een domeinoverstijgende arbeidsmarktaanpak met concrete activiteiten op het gebied van behoud en duurzame inzetbaarheid. Dergelijke veelbelovende aanpakken deel ik actief, onder andere via het Actie Leer Netwerk of via de communicatiekanalen van VWS.
Acht u het risico reëel dat SEH-afdelingen moeten afschalen of tijdelijk sluiten door personeelstekorten? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
De personeelstekorten in de acute zorg zijn het gevolg van bredere arbeidsmarktproblematiek. Met de ondertekening van het AZWA zet het kabinet samen met de sector stappen om de tekorten terug te dringen.
Naast het beschikbaar stellen van opleidingsplekken voor medisch specialisten, gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel, worden sinds 1 januari 2025 ook modules van de verpleegkundige vervolgopleidingen bekostigd vanuit de beschikbaarheidbijdrage. Hierdoor kunnen verpleegkundigen ook delen van opleidingen in het acute cluster volgen, passend bij de werkzaamheden en de persoonlijke situatie. Dit maakt het volgen van specialistische modules laagdrempeliger en zorgt voor snellere inzetbaarheid op de afdeling.
Daarnaast staat in het AZWA dat in de regio’s afspraken worden gemaakt over de inrichting van het zorglandschap. Daaronder valt ook de beschikbaarheid en kwaliteit van de spoedeisende zorg.
Als een ziekenhuis een SEH wil afschalen of (tijdelijk) sluiten, moet het ziekenhuis een zorgvuldig besluitvormingsproces volgen, met betrokkenheid van bijvoorbeeld gemeenten en inwoners. Deze regelgeving wil het kabinet aanscherpen. De beide Kamers zullen een concept van deze aanscherpingen nog voor de zomer ontvangen.
Welke integrale strategie hanteert u voor de acute zorg, inclusief verpleegkundigen en andere zorgprofessionals, in plaats van een eenzijdige focus op opleidingsplaatsen?
Het kabinet wil investeren in een toekomstbestendig zorglandschap en zet daarbij in op passende zorg als norm. Dit vraagt om blijvende aandacht en anders kijken naar de zorg: meer sturen op zorg die bijdraagt aan gezondheid en kwaliteit van leven. Het kabinet bouwt daarom verder op de afspraken uit het Integraal Zorgakkoord (IZA), en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). Van belang is dat in de regio’s afspraken worden gemaakt over de inrichting van de acute zorg en de samenwerking tussen ziekenhuizen en binnen de keten van acute zorg. Aandachtspunten bij deze afspraken zijn de toegankelijkheid en kwaliteit van de acute zorg en de beschikbaarheid, het werven en behouden van medewerkers.
Bent u bereid alsnog het volledige advies van het Capaciteitsorgaan over te nemen en het aantal opleidingsplaatsen te verhogen naar 60 per jaar? Zo nee, welke gevolgen accepteert u voor de toegankelijkheid van de acute zorg?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat de druk op de spoedeisende hulp niet uitsluitend het gevolg is van een tekort aan personeel, maar ook samenhangt met factoren als gebrekkige doorstroming binnen ziekenhuizen, inefficiënte organisatie en suboptimale inzet van bestaande capaciteit?
Druk op de spoedeisende hulp kan verschillende oorzaken hebben. Voorbeelden daarvan zijn de hoogte van de acute zorgvraag, personeelskrapte op de spoedeisende hulp of in de rest van het ziekenhuis (wat de doorstroom vanuit de SEH belemmert) of in de wijkverpleging of verpleeghuiszorg (wat de doorstroom uit het ziekenhuis belemmert). Van belang zijn een goede personeelsplanning in het ziekenhuis en een brede triage, zodat patiënten niet onnodig op de SEH terecht komen. Verder is belangrijk dat er in de regio goede afspraken zijn in de hele keten en dat er inzicht is in actueel beschikbare capaciteit.
Welke concrete maatregelen neemt u om deze structurele knelpunten in de organisatie en doorstroming van de acute zorg aan te pakken, naast het verhogen van opleidingscapaciteit? E.g. flexibele personeelsinzet hebben voor pieken (bijv. meer ongelukken).
Over de organisatie van en de doorstroming vanuit de acute zorg kunnen het beste afspraken gemaakt worden in de regio, rekening houdend met de specifieke omstandigheden in die regio. Afspraken over de inrichting van de acute zorg die zijn opgenomen in regionale plannen vormen een belangrijk uitgangspunt voor de inkoop en financiering door zorgverzekeraars.
Het programma zorgcoördinatie is bedoeld om te zorgen dat patiënten de juiste zorg op de juiste plek door de juiste zorgverleners krijgen. Om dat te bevorderen zijn hierover in het Integraal Zorgakkoord (IZA) afspraken gemaakt. Inmiddels zijn door alle regio’s transformatieplannen ingediend en goedgekeurd en wordt volop gewerkt aan de uitvoering hiervan.
VWS-plannen voor SEH-artsen vallen Yara Basta rauw op haar dak – Zorgvisie
Gezondheid en kankerrisico’s rond Chemelot |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» (19 december 2025), waarin wordt geconcludeerd dat er onvoldoende gezondheidsgegevens beschikbaar zijn om vast te stellen of ziekten, waaronder kanker, rond Chemelot vaker voorkomen dan elders in Nederland?
Ja
Hoe verklaart u dat anno 2026 nog geen epidemiologisch gezondheidsonderzoek onder omwonenden van Chemelot is uitgevoerd, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangeeft dat bestaande gegevens onvoldoende zijn om mogelijke gezondheidseffecten van het chemiecluster te beoordelen?
GGD Zuid-Limburg voert in opdracht van de gemeenten een vierjaarlijkse GGD Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen uit die een beeld geeft van de gezondheid in Zuid-Limburg, waaronder ook in de gemeenten rond Chemelot. De GGD doet dit onderzoek voor gemeenten. Gemeenten hebben, buiten deze monitor, niet om aanvullend onderzoek gevraagd en tot op heden heeft de GGD geen aanleiding gezien zelf dergelijk aanvullend onderzoek uit te voeren. Het RIVM geeft aan dat aanvullend onderzoek op hun verkenning vooral zinvol is als op basis van de analyse van de blootstelling aan stoffen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, als uit ander onderzoek blijkt dat er (mogelijk) milieugerelateerde gezondheidseffecten zijn en/of als er geen (betrouwbaar) beeld is over blootstelling en/of gezondheid. Dat lijkt alleen voor geluidbelasting van toepassing. De luchtkwaliteit komt weliswaar als aandachtspunt voor de gezondheid naar voren, maar de gezondheidsrisico’s vanuit luchtkwaliteit komen voor een belangrijk deel door fijnstof en stikstofoxiden. Deze luchtvervuiling is voor een groot deel afkomstig van andere bronnen, waarbij de totale waarden in de gebieden rond het chemiecluster niet opvallend hoog zijn en de opgetelde bijdrage van de belangrijkste zeer zorgwekkende stoffen op een concentratie rond het niveau van het maximaal toelaatbaar risiconiveau wordt geschat. De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft provinciale staten op 19 december 2025 een reactie gestuurd op het onderzoek van het RIVM met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten om daarop te reageren.
Klopt het dat blootstelling van omwonenden aan chemische stoffen rond Chemelot momenteel niet rechtstreeks via biomonitoring (bijvoorbeeld bloed- of urinemonsters) wordt gemeten, maar hoofdzakelijk wordt geschat via milieumetingen en modellen? Zo ja, acht u dit voldoende voor gezondheidsbescherming?
Het kabinet heeft hierover contact gehad met de provincie Limburg, die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening aan Chemelot, en met GGD Zuid-Limburg. Het klopt dat geen onderzoeken zijn uitgevoerd met behulp van biomonitoring. Met behulp van biomonitoring kan worden vastgesteld of bepaalde gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in het bloed of andere lichaamsstoffen van omwonenden, maar daarmee kan niet aangetoond worden hoeveel van die stoffen afkomstig is van Chemelot. Om te kunnen adviseren over maatregelen die Chemelot kan nemen, is het belangrijker om naar de uitstoot van Chemelot te kijken en die waar nodig terug te dringen.
De Gezondheidsraad heeft in 2023 geadviseerd een structureel landelijk meetprogramma op te zetten voor de blootstelling aan chemische stoffen met behulp van biomonitoring. Het kabinet heeft het RIVM gevraagd in beeld te brengen hoe zo’n meetprogramma eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre mogelijke verhoogde ziekte- en zorgkosten in de Chemelot-regio samenhangen met industriële blootstelling en leefomgevingsfactoren, en wat de sociaaleconomische gevolgen zijn voor bewoners, zorgstelsel en regionale gezondheidsverschillen?
Het Ministerie van IenW heeft in 2024 aan de Kamer toegezegd te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Uit een gegeven opdracht aan een extern onderzoekbureau bleek afgelopen jaar dat het een complex onderzoek is. Daarom heeft het Ministerie van IenW de vraag nu aan het RIVM gesteld. RIVM voert dit onderzoek uit als onderdeel van de opdracht om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s als gevolg van industriële activiteiten. RIVM maakt hiervoor inzichtelijk welke informatie op dit vlak er al ligt (bijvoorbeeld handleidingen die de GGD’en gebruiken), samen met de leerpunten uit de onderzoeken die afgelopen jaren zijn gedaan. Waar nodig vult het RIVM dit aan om kennislacunes te dichten. Eén van die onderdelen betreft zorgkosten. Naar verwachting levert het RIVM na de zomer het eerste deel van deze studie op (inzicht in bestaand materiaal met lessen uit uitgevoerd onderzoek). De overige onderdelen, waaronder het onderdeel over zorgkosten, volgen daarna. Bij dit onderdeel zal het RIVM starten met een verkenning van de mogelijkheden én onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven dat het zinvol kan zijn te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
Kunt u inzicht geven in hoeveel inwoners uit de Chemelot-regio zorg ontvangen voor aanhoudende lichamelijke klachten (SOLK/ALK), voor chronische en respiratoire aandoeningen en voor kanker, en of deze ziekte- en zorgpatronen afwijken van landelijke gemiddelden?
Het kabinet heeft geen specifieke rapportages of overzichten op dat schaalniveau («Chemelot-regio»). In opdracht van het kabinet worden echter wel veel gegevens op het schaalniveau van GGD-regio’s en gemeenten beschikbaar gesteld. De informatie is vindbaar in de Atlas VZinfo waarin regionale verschillen rondom zorg en ziekten in beeld worden gebracht op meer dan 500 kaarten, waaronder kaarten over chronische en respiratoire aandoeningen, kanker en de ervaren gezondheid.1 Daarnaast beheert het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) de Nederlandse Kanker Atlas, waar op driecijferig postcodeniveau gegevens worden weergeven van kankerdiagnoses.2
Kunt u aangeven welke concrete gezondheidskundige onderzoeken en maatregelen het kabinet voor 2030 rond Chemelot zal uitvoeren om eventuele verhoogde gezondheids- en kankerrisico’s voor omwonenden aantoonbaar vast te stellen en te verminderen? Kunt u daarbij toezeggen dat een biomonitoringsprogramma onder omwonenden wordt opgezet, inclusief periodiek bloed- en urinemonsteronderzoek naar blootstelling aan relevante (zeer zorgwekkende) chemische stoffen?
De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft op 19 december 2025 een reactie op het RIVM-rapport gestuurd aan provinciale staten met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten daarop te reageren.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, heeft het Ministerie van IenW het RIVM gevraagd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Daarnaast loopt de studie van het RIVM waarmee in beeld gebracht wordt hoe een landelijk meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen. Dit zou ook gaan om een algemeen meetprogramma, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot.
Politieke beïnvloeding en eenzijdige ideologische sturing in het voortgezet onderwijs |
|
René Claassen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de via LinkedIn verspreide oproep «Docenten: Vertel Palestijnse Verhalen!», waarin wordt gesteld dat sprake zou zijn van een «koloniale politiek van vernietiging en plundering» door Israël en waarin docenten in het voortgezet onderwijs worden opgeroepen hun curriculum aan te passen op basis van het boek «Teaching Palestine: Lessons, Stories, Voices»(2025)?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat het gebruik van expliciet normatieve en politiek geladen kwalificaties in onderwijsbijeenkomsten, georganiseerd voor docenten in het voortgezet onderwijs, spanning kan opleveren met eisen aan pluriformiteit, academische zorgvuldigheid en politieke neutraliteit in het funderend onderwijs?
Ik deel deze opvatting niet. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in levensovertuiging en politieke gezindheid. Daarbij past het om leerlingen over verschillende perspectieven te onderwijzen.
Dat soort perspectieven kunnen een zekere normatieve of politieke geladenheid met zich meebrengen. Dat brengt voor scholen de extra verantwoordelijkheid met zich mee om evenwicht aan te brengen in de verschillende en soms tegengestelde perspectieven. Bovendien is het ook een verantwoordelijkheid van het onderwijs om scholieren en studenten te stimuleren om zelf kritisch na te denken over de eigen perspectieven. Ik vertrouw erop dat scholen deze verantwoordelijkheid serieus nemen en op een professionele manier omgaan met de ruimte die ze daarbij hebben.
Kunt u aangeven in hoeverre dergelijke bijeenkomsten, georganiseerd aan de Universiteit Leiden, passen binnen de wettelijke kaders voor burgerschapsonderwijs?
De wettelijke burgerschapsopdracht ziet toe op het onderwijs dat op scholen in het primair en voortgezet onderwijs gegeven wordt. Universiteitsbijeenkomsten vallen buiten de reikwijdte van de wettelijke burgerschapsopdracht.
Hoe beoordeelt u het feit dat een betrokkene bij deze activiteiten tevens functies vervult binnen de lerarenopleiding (ICLON/Universiteit Leiden), binnen ProDemos en binnen de sectie maatschappijkunde en maatschappijwetenschappen bij SLO?
In algemene zin vind ik het getuigen van actieve participatie als een betrokken docent meerdere rollen binnen en flankerend aan het onderwijs vervult.
Acht u het wenselijk dat één persoon vanuit meerdere institutionele posities invloed kan uitoefenen op curriculumontwikkeling, docentprofessionalisering en burgerschapsvorming, in het bijzonder rond een gevoelig thema, dat forse invloed heeft op de lespraktijk?
Zo lang personen blijven binnen de relevante wettelijke kaders, bijvoorbeeld ten aanzien van het burgerschapsonderwijs, zie ik geen bezwaren tegen betrokkenheid bij zowel curriculumontwikkeling, als docentprofessionalisering en burgerschapsonderwijs. Het proces bij zowel curriculumontwikkeling, docentprofessionalisering als burgerschapsonderwijs is gedegen ingericht en kent voldoende waarborgen om te voorkomen dat een enkel dominant is.
Welke waarborgen bestaan er om belangenverstrengeling, netwerkcorruptie of eenzijdige ideologische beïnvloeding bij curriculumontwikkeling en docentprofessionalisering te voorkomen, met name wanneer het gaat om gevoelige internationale conflicten?
Bij de actualisatie van het curriculum wordt altijd een zorgvuldig proces doorlopen waarbij veel leraren, vakexperts, scholen en schoolleiders betrokken zijn. De recent ontwikkelde conceptkerndoelen zijn door leraren en lerarenteams door heel Nederland van feedback voorzien. Het ontwikkelteam heeft de feedback gewogen en verwerkt in de opgeleverde kerndoelen. Dat maakt dat er nu een gebalanceerd en weloverwogen curriculum ligt dat op breed draagvlak kan rekenen en dat niet eenzijdig ideologisch beïnvloed is.
Lerarenopleidingen bepalen de inhoud van hun onderwijsaanbod op basis van de landelijke kennisbases die hogescholen gezamenlijk met elkaar hebben geformuleerd. Bij de formulering van deze kennisbases worden ook diverse experts en onderwijsprofessionals geraadpleegd.
In hoeverre worden binnen door OCW gefinancierde of erkende instellingen richtlijnen gehanteerd om te voorkomen dat eenzijdige politieke framing van internationale conflicten structureel wordt geïntegreerd in lesmateriaal en/of docententrainingen? Bent u bereid richtlijnen waar nodig te ontwikkelen of te verscherpen?
Scholen zijn vrij om (internationale) conflicten in het onderwijs te benaderen op een manier die zij passend achten, mits binnen de kaders van bijvoorbeeld de wettelijke burgerschapsopdracht. Zo mag het onderwijs niet in strijd zijn met de basiswaarden van de democratische rechtstaat en moet scholen kennis over en respect voor verschillen in politieke gezindheid bijbrengen onder leerlingen. Deze vrijheid brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Ik vertrouw erop dat scholen hier op een professionele mee omgaan en dat zie ik ook in de praktijk. Er is geen noodzaak om hiervoor nadere richtlijnen te ontwikkelen.
Acht u het risico reëel dat door systematische inbedding van één conflictframe met betrekking tot «Palestina» en Israël in curricula en nascholingstrajecten een klimaat ontstaat waarin antisemitisme of vijanddenken jegens Joden (indirect) wordt genormaliseerd en op welke wijze monitort u dit risico?
De wettelijke burgerschapsopdracht draagt scholen op om zorg te dragen voor een schoolcultuur waarin alle leerlingen zich veilig voelen. Dit geldt voor alle scholen en leerlingen, ook Joodse. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet hierop toe.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre binnen lerarenopleidingen, curriculumcommissies en gesubsidieerde instellingen sprake is van eenzijdige ideologische sturing rond het Israëlisch-Palestijns conflict en de Kamer hierover te informeren?
Zowel lerarenopleidingen als curriculumcommissies staan bij de ontwikkeling van nieuw curriculum in nauw contact met diverse experts en onderwijsprofessionals. Daarbovenop houdt de inspectie toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en op de naleving van wettelijke kaders, in het geval van lerarenopleiding in samenwerking met de aangewezen accreditatieorganisatie. Zo zijn er voldoende checks and balances ingebouwd om eenzijdige ideologische sturing te voorkomen. Er is op dit moment geen noodzaak om daar aanvullend onderzoek naar te doen.
Kunt u toezeggen dat bij de ontwikkeling van burgerschaps- en maatschappijleerprogramma’s expliciet wordt gewaarborgd dat geopolitieke thema’s feitelijk en historisch worden onderbouwd én binnen het kader van de democratische rechtsstaat worden behandeld?
Burgerschaps- en maatschappijleerprogramma’s worden ontwikkeld op basis van de kerndoelen en examenprogramma’s. Deze kerndoelen en examenprogramma’s worden door de overheid vastgesteld. Daarin staat wat leerlingen moeten weten, kunnen of hebben ervaren. De manier waarop een school de inhoud van de kerndoelen en examenprogramma’s aanleert aan de leerlingen en welke leermiddelen of lesmethodes zij daarbij gebruiken, is aan de school. OCW ondersteunt hen bij het maken van goed onderbouwde keuzes met een kwaliteitskader voor leermiddelen. Scholen kunnen naar verwachting vanaf volgend schooljaar gebruik gaan maken van dit kader. Scholen en leermiddelenmakers werken kennisgedreven aan geopolitieke thema’s en houden rekening met de kaders die de democratische rechtsstaat stelt.
Het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann |
|
René Claassen (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann waarin wordt gesteld dat meerdere theaters en zalen onder druk zijn gezet door linkse actiegroepen vanwege geplande optredens van Rogier Kahlmann en dat dit in diverse gevallen heeft geleid tot de annulering van voorstellingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat culturele instellingen door georganiseerde druk en dreigementen worden bewogen om programmering aan te passen of te schrappen?
Ik zie dit als een ongewenste en zorgwekkende ontwikkeling die de artistieke vrijheid van makers en culturele instellingen onder druk zet. Artistieke vrijheid vormt een fundament van onze democratische rechtstaat, waarin iedereen de ruimte moeten krijgen om zichzelf te uiten, ook als dit schuurt.
Deelt u de opvatting dat het intimideren van podia en programmeurs vanwege de inhoud van een voorstelling een ernstige aantasting vormt van de artistieke vrijheid en de vrijheid van meningsuiting?
Ja, die opvatting deel ik.
In hoeverre acht u het wenselijk dat een kleine, activistische linkse minderheid via dreiging met klachten, reputatieschade of meldingen bij instanties feitelijk een veto kan uitspreken over culturele programmering?
Culturele instellingen hebben de vrijheid om zelf te bepalen wie zij wel of niet programmeren. Burgers hebben de vrijheid om iets van deze programmering te vinden, maar dat moet wel op een correcte wijze. Ik acht iedere inmenging die culturele instellingen onder druk zet om hun keuzes aan te passen onwenselijk.
Kunt u aangeven of en hoe vaak gesubsidieerde culturele instellingen zich bij uw ministerie hebben gemeld vanwege druk, bedreiging of intimidatie rondom programmering in de afgelopen jaren?
Er zijn mij enkele incidenten bekend van door OCW gesubsidieerde culturele instellingen die te maken kregen met druk, bedreiging of intimidatie vanwege hun programmering. Bezien vanuit een breder perspectief constateer ik dat makers en culturele instellingen druk ervaren op hun artistieke vrijheid, bijvoorbeeld in polariserende discussies over programmeringskeuzes. Deze signalen ontving de Raad voor Cultuur ook en bewogen hem ertoe om een advies uit te brengen over artistieke vrijheid, dat de Raad 21 januari jl. aan uw kamer heeft aangeboden.2 Op dit moment bereid ik een reactie op dit advies voor.
Welke verantwoordelijkheid ziet u voor de overheid om culturele instellingen te beschermen tegen ongeoorloofde druk en intimidatie, juist wanneer deze instellingen afhankelijk zijn van publieke middelen?
Ik vind het belangrijk een inclusieve, pluriforme en toegankelijke culturele sector te waarborgen. Als de samenleving polariseert en de spanningen toenemen, moet de culturele en creatieve sector een veilig podium blijven bieden voor het vrije woord, artistieke expressie en dialoog. Om instellingen hierin te ondersteunen heeft mijn ambtsvoorganger de Handreiking Weerbare Cultuursector3 van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt. Deze handreiking en het onderliggende onderzoek bieden culturele instellingen houvast om zorgvuldige afwegingen te maken in de dynamiek van maatschappelijke spanningen, polarisatie en toenemende druk om positie te kiezen.
Deelt u de zorg dat het normaliseren van dergelijke actiemethoden leidt tot zelfcensuur binnen de culturele sector, waarbij instellingen uit angst voor repercussies bepaalde artiesten of thema’s mijden?
Ik deel de zorg dat acties die culturele instellingen onder druk zetten bepaalde keuzes te maken de druk op de artistieke vrijheid vergroot. In tijden van maatschappelijke spanningen en polarisatie is het daarom extra belangrijk om culturele instellingen handvatten te bieden voor de omgang met maatschappelijke druk. Hiervoor heeft mijn voorganger onlangs de handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt.
Bent u bereid in overleg te treden met de culturele sector over richtlijnen of ondersteuning voor instellingen die te maken krijgen met georganiseerde intimidatie of dreiging rondom hun programmering?
Hierover ben ik reeds in gesprek met de sector. De handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut is het resultaat van een onderzoek dat tot stand is gekomen aan de hand van meerdere gesprekken met de sector.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om culturele instellingen te beschermen tegen druk en intimidatie rondom hun programmering?
Ik neem dit onderwerp zeer serieus. Daarom beraad ik me op dit moment goed op het eerder genoemde advies van de Raad voor Cultuur over artistieke vrijheid. Ik zal in mijn reactie op dit advies ook ingaan op de druk en intimidatie rondom programmering van culturele instellingen.
Het bericht dat aan het begin van het studiejaar 2024-2025 de totale studieschuld in Nederland 29 miljard euro bedroeg |
|
René Claassen (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over dat aan het begin van het studiejaar 2024–2025 de totale studieschuld in Nederland € 29 miljard bedroeg?1
Ja.
Kunt u aangeven welk deel van deze schuld naar verwachting uiteindelijk kwijtgescholden zal worden? Graag uitgesplitst naar de volgende categorieën: overlijden van de schuldenaar, medische gronden en kwijtschelding na afloop van de 35-jarige aflossingsperiode.
Het bedrag aan studieleningen dat niet wordt terugbetaald is afhankelijk van verschillende factoren. Denk daarbij aan leengedrag van de student, de economische omstandigheden en de rentestanden, die allemaal over een langere periode variëren. Een accurate raming van het bedrag dat wordt kwijtgescholden is voor de lange termijn daarom niet te geven, zeker niet wanneer de kwijtscheldingen verder in de toekomst liggen. Daarom wordt voor de lange termijn uitgegaan van het percentage dat het CPB bij de invoering van het leenstelsel heeft becijferd, 13,6% van de studieleningen wordt kwijtgescholden.2
Voor de beantwoording van deze vraag kijken we primair naar de kwijtscheldingen binnen de begrotingshorizon. Binnen de begrotingshorizon wordt zo nauwkeurig mogelijk geraamd op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen over de uitstaande studieschulden en studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
In navolgende tabel is de hoogte van de belangrijkste kwijtscheldingen weergegeven. Bij deze tabel zijn de volgende kanttekeningen van belang.
Aanvullende beurs
26,4
29,0
31,0
33,0
36,0
36,0
36,0
Overlijden
14,2
15,0
15,0
15,0
15,0
16,0
16,0
Kwijtschelding einde 15jaarstermijn
54,9
55,0
68,0
85,0
105,0
125,0
142,0
Nieuwe aanspraak
10,5
12,5
11,0
9,5
8,0
8,0
8,0
Hoe worden deze kwijtscheldingen administratief verwerkt? Wordt hiervoor een specifiek budget gereserveerd, of worden deze kosten verwerkt binnen de algemene begroting? Kunt u dit toelichten?
De meeste kwijtscheldingen worden in het financiële systeem van DUO apart geboekt, verantwoord en gemonitord. In het Departementaal Jaarverslag van OCW worden deze kwijtscheldingen vervolgens verantwoord onder de inkomensoverdracht Overig uitgaven (R) op het studiefinancieringsartikel (artikel 11). Naast kwijtscheldingen vinden op de Overige uitgaven (R) ook technische bijstellingen plaats.
Jaarlijks wordt in het voorjaar de studiefinancieringsraming bijgesteld. De kwijtscheldingen worden dan allemaal zo nauwkeurig mogelijk geraamd voor de jaren binnen de begrotingshorizon. Dit gebeurt op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen over de uitstaande studieschulden en het studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 wordt de kwijtschelding op basis van medische gronden niet afzonderlijk geraamd en verantwoord. DUO rekent de kosten die voortvloeien uit deze kwijtschelding toe aan de verschillende studiefinancieringsproducten waar de kwijtschelding betrekking op heeft (hoofdzakelijk de rentedragende lening).
Kunt u een overzicht geven van de spreiding van studieschulden onder studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000? Hierbij het verzoek om per categorie het aantal studenten én de totale schuld in euro’s vermelden.
Onderstaande tabel geeft de spreiding van de definitieve studieschulden (inclusief rente) onder (oud-)studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000 weer. Hierbij is per categorie het aantal studenten en de totale schuld in euro’s opgenomen. De leningen ten aanzien het levenlanglerenkrediet en Caribisch Nederland (WSF BES) zijn buiten beschouwing gelaten. Ook de prestatiebeurzen die nog niet zijn omgezet naar een gift of definitieve lening zijn niet meegenomen.
Deze tabel, evenals de tabellen in de andere antwoorden, geeft de stand per 31 december 2025 weer. Er is gekozen om in de beantwoording de meest actuele stand van de studieschulden te presenteren. Hierdoor sluiten de tabellen niet aan op de stand die het CBS heeft gebruik voor hun publicatie.
736.508
308.111
182.357
121.360
81.527
53.291
34.353
41.495
1.559.002
€ 2.955
€ 4.464
€ 4.494
€ 4.209
€ 3.641
€ 2.910
€ 2.220
€ 3.426
€ 28.319
Een kanttekening bij deze tabel is dat deze de actuele schulden weergeeft. Dit betekent dat een deel van de debiteuren nog studeert en hun schuld dus verder zal oplopen, terwijl een ander deel al is begonnen met aflossen, waardoor hun huidige schuld lager ligt dan aan het begin van de aflossingsfase.
Volgens het bericht bedroeg de totale studieschuld € 29 miljard aan het begin van studiejaar 2024–2025. Kunt u aangeven welk deel van deze schuld valt onder het oude stelsel (SF15) en welk deel valt onder het nieuwe stelsel (SF35)? Hierbij ook het verzoek om aan te geven om hoeveel studenten het in beide gevallen gaat.
Onderstaande tabel geeft het aantal personen en de totale uitstaande schuld weer per terugbetaalregime. Hierbij zijn het terugbetaalregime SF15-oud en SF15-nieuw samengenomen als SF-15. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, geven de tabellen de stand per 31 december 2025.
759.727
12.241
537.888
12.231
219.307
3.847
1.516.922
28.319
Een kanttekening bij deze tabel is dat een persoon onder meerdere terugbetaalregimes van DUO kan vallen. Bijvoorbeeld als een debiteur een studieschuld heeft uit een eerdere studie en daarmee onder SF-15 valt maar inmiddels opnieuw is gaan studeren (onder SF-35). Hierdoor ligt het aantal personen in bovenstaande tabel hoger dan het aantal unieke personen voor alle fases. Het aantal unieke personen voor alle fases betreft 1.417.298.
Daarnaast zijn in de groep «nog studerend» alleen studenten opgenomen die een collegegeldkrediet of een rentedragende lening hebben. Studenten die uitsluitend een voorlopige lening in de vorm van een prestatiebeurs ontvangen, zijn buiten beschouwing gelaten.
Volgens het CBS zijn er 1,6 miljoen mensen met een studieschuld. Kunt u aangeven hoe deze groep is onderverdeeld in de volgende categorieën: nog studerend, afgestudeerd en in de aanloopfase (nog niet begonnen met aflossen) en bezig met het afbetalen van de studieschuld.
In onderstaande tabel staan de gegevens voor het aantal personen uitgesplitst naar studiefase, aanloopfase en aflosfase.
300.449
246.775
969.698
Een kanttekening bij deze tabel is dat één persoon in meerdere fases kan voorkomen, bijvoorbeeld wanneer iemand die al aan het aflossen is over een eerdere studie en vervolgens opnieuw besluit te gaan studeren.
Kunt u aangeven hoeveel van de personen die zijn begonnen met het aflossen van hun studieschuld daarvan het volledige wettelijke maandbedrag betalen en hoeveel gebruik maken van de draagkrachtregeling en daardoor een lager maandbedrag betalen?
Onderstaande tabel geeft het aantal personen weer dat aan het aflossen is en of zij onder draagkracht vallen. Dit aantal wijkt af van het totaal aantal personen in de aflosfase, omdat in deze tabel alleen debiteuren zijn meegenomen waarvoor in december 2025 door DUO een termijn in rekening is gebracht. Personen die zich in de aanloop- of studiefase bevinden, een schorsing of stopzetting hebben, in een aflossingsperiode zitten of onder de schuldsanering vallen, zijn niet in de tabel opgenomen.
909.748
414.682
495.066
Een kanttekening bij deze tabel is dat voor debiteuren onder het terugbetaalregime SF15-oud niet automatisch een draagkrachtmeting wordt uitgevoerd dat moeten de debiteuren zelf aanvragen. Voor debiteuren uit SF15-oud die zelf geen draagkracht hebben aangevraagd, is daardoor niet bekend of zij in aanmerking zouden zijn gekomen voor een verlaging van hun wettelijke maandbedrag.
Wat is de voornaamste opleidingsrichting van personen met een studieschuld van € 50.000 of meer? Gaat het voornamelijk om alphastudies, betastudies of gammastudies?
Het is niet mogelijk om de gevraagde gegevens te leveren, omdat DUO de opleidingsrichting van studenten niet registreert in het studiefinancieringssysteem. Dit gegeven is namelijk niet noodzakelijk voor de uitvoering van de studiefinancieringswetgeving. Voor de benodigde koppeling tussen gegevensbestanden is daarom geen grondslag in de wet. De overheid moet bij het koppelen van gegevensbestanden zorgvuldig te werk gaan. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van de persoonsgegevens van betrokkenen moet daarbij in verhouding staan tot de noodzaak van deze koppeling.
Voorts merk ik op dat er veel verschillende factoren invloed hebben op de hoogte van een studieschuld, waardoor er geen causaal verband kan worden gelegd tussen enkel het type studie dat een debiteur heeft gevolgd en de hoogte van diens studieschuld. Door deze complexiteit van factoren zie ik geen overtuigende reden om deze koppeling van gegevensbestanden te realiseren.
Het rapport ‘Gevangen in Vrijheden’ van de Taskforce Antisemitismebestrijding. |
|
Annelotte Lammers (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Gevangen in Vrijheden» van de Taskforce Antisemitismebestrijding, waaruit blijkt dat Joodse studenten worden uitgescholden voor «kankerjood», met stokken geslagen, zich voortdurend moeten verantwoorden voor hun Joods-zijn en zich daardoor zeer onveilig voelen op hun eigen campus?1
Ja.
Deelt u de mening dat uit dit rapport en uit de voortdurende toename van antisemitisme steeds duidelijker blijkt dat antizionisme een verkapte vorm is van antisemitisme?
Het kabinet sluit zich aan bij de manier waarop het rapport2 dit uiteenzet, namelijk dat in sommige gevallen antizionisme kan fungeren als dekmantel voor antisemitische sentimenten. Het rapport stelt dat antizionisme een antisemitisch karakter krijgt wanneer antizionistische uitingen gepaard gaan met ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden, het gebruik van antisemitische stereotypen of het collectief verantwoordelijk stellen van Joden voor het handelen van Israël. Laat duidelijk zijn dat het kabinet dergelijke uitingen sterk afwijst.
Welke middelen wendt u zelf aan en welke middelen stimuleert u bestuurders te gebruiken, om met harde hand op te treden tegen terugkerend antisemitisme? Indien geen, waarom niet?
Er worden, zowel door mij als Minister van OCW als door de onderwijsinstellingen, verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practices te delen. Ook werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan een handreiking voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen over het herkennen van en omgaan met antisemitisme waarbij ik gebruik maak van de expertise van diverse organisaties uit het veld. Daarnaast hebben mijn voorgangers regelmatig gesprekken gehad met Joodse studenten en medewerkers over hun ervaringen, met instellingsbesturen over deze signalen en met de NCAB over de voortgang van de lopende acties. Die lijn zet ik door.
Deelt u de mening dat de visa ingetrokken moeten worden van buitenlandse studenten die zich schuldig maken aan antisemitisme en dat een visumverbod tot de mogelijkheden moet behoren om dergelijke studenten te weren? Zo nee, waarom niet?
Onderwijsinstellingen moeten voor studenten en medewerkers een veilige plek bieden. Voor antisemitisme is in onze samenleving, en daarmee ook op onze onderwijsinstellingen, geen plaats. Ten aanzien van het intrekken van studentenvisa van studenten die afkomstig zijn van buiten de EU, geldt zowel bij toegang als gedurende het verblijf het volgende: wanneer bij onherroepelijke veroordeling is vast komen te staan dat zij een gevaar zijn voor de openbare orde kan de verblijfsvergunning van deze persoon worden ingetrokken. In deze veroordeling kan strafbaar antisemitisch handelen een rol spelen. Indien een vreemdeling in Nederland is veroordeeld voor een misdrijf ontvangt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hiervan een bericht. De IND beoordeelt of een vergunning kan worden ingetrokken.4 Hierbij toetst de IND aan de zogenoemde «glijdende schaal» (art. 3.86 Vreemdelingenbesluit 2000) en het evenredigheidsbeginsel. Afhankelijk van de ernst van het delict waarvoor een vreemdeling is veroordeeld, kan de IND de vreemdeling ongewenst verklaren en een inreisverbod opleggen. Het is dus niet aan de Minister van OCW of de Minister van J&V om te oordelen over wanneer visa ingetrokken zouden moeten worden.
Klopt het dat laffe bestuurders uit angst bedreigende spandoeken en haatteksten laten hangen? Zo ja, gaat u eisen dat dergelijke uitingen per direct worden verwijderd en dat daders worden gesanctioneerd?
Ik sluit mij niet aan bij de bewering dat bestuurders «laf» reageren op escalaties en uitwassen bij demonstraties. Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inzetten om de veiligheid voor (Joodse) studenten en medewerkers te borgen. Het eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en stelt dat het duidelijk is dat de protestacties veel vragen van bestuurders en vele medewerkers om hen heen qua inzet. Ik steun hen in de complexe afweging die zij moeten maken. Ook stelt het rapport dat instellingen acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn protesten5, het evalueren van veiligheidsbeleid en het versterken van de afstemming met de lokale driehoek. Daarop aanvullend roept het rapport bestuurders en betrokkenen op om oog te hebben voor de Joodse minderheid, naast hen te gaan staan en duidelijk en zichtbaar voor hen op te komen. Dit onderstreep ik ten zeerste.
Verder is het niet aan de Minister van J&V of aan mij om aan te geven wanneer en hoe een onderwijsinstelling moet ingrijpen bij (uitingen van) protesten en demonstraties. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van studenten en medewerkers. Het is belangrijk dat keuzes voor het borgen van veiligheid waar mogelijk zoveel mogelijk lokaal worden genomen door de instellingsbestuurders, in nauwe samenspraak met de lokale veiligheidsdriehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan de situatie het beste worden ingeschat en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Bent u bereid maatregelen te nemen tegen docenten en bestuurders die een bepalende rol spelen in het creëren of laten voortbestaan van een onveilige sfeer voor Joodse studenten, door het niet nemen van adequate maatregelen dan wel door zelf bij te dragen aan een antisemitische cultuur? Zo ja, hoever bent u bereid te gaan? Heeft u de hoofdverantwoordelijken inmiddels in kaart gebracht?
Zoals hiervoor aangegeven zijn instellingsbesturen verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving. Daar spannen zij zich elke dag opnieuw weer voor in. Verwacht mag worden dat in het onderwijs, onderzoek en bij de verschillende overige activiteiten op instellingen, docenten en bestuurders zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen voor ruimte voor diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid nemen in de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers en hierbij het reguliere instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben, variërend van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en proportionaliteit van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van de situatie, dit ter beoordeling door de instelling als werkgever.
Pas wanneer er voor de Inspectie van het Onderwijs aanleiding is geweest om een onderzoek uit te voeren naar de sociale veiligheid op de instelling, en zij na dit gedegen onderzoek in een rapport tot de conclusie komt dat er sprake is (geweest) van wanbeheer in de zin van de Wet op hoger onderwijs en onderzoek (WHW), heb ik als Minister van OCW als ultimum remedium de mogelijkheid de Raad van Toezicht van de betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing houdt in dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of meer maatregelen.
Deelt u de mening dat de tijd van praten voorbij is en dat er per direct concrete resultaten geboekt moeten worden om antisemitisme in de kiem te smoren? Zo ja, neemt u de aanbevelingen uit het rapport over?
Het kabinet deelt de mening dat antisemitisme aangepakt dient te worden. Er is geen ruimte voor antisemitisme in onze samenleving en op onze onderwijsinstellingen. De aanbevelingen uit het rapport zijn van grote waarde voor de instellingbesturen en mijn ministerie. In het voorjaar zal vanuit betrokken ministeries een uitgebreide beleidsreactie op het rapport naar de Tweede Kamer worden verzonden, samen met de jaarlijkse actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030.
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse militairen treffen in oorlogstijd nieuwe vijand; dodelijke infectie met resistente bacteriën»?1
Ja.
Bent u het eens met kapitein-ter-zee en internist Barth dat Nederland te weinig antibiotica op voorraad heeft in geval van tijden van militair conflict? Zo nee, waarom niet?
Er zijn in Nederland verschillende voorraden van geneesmiddelen (en dus ook van antibiotica). Zo bestaat er voor de reguliere zorg een verplichte veiligheidsvoorraad van geneesmiddelen van in totaal 8 weken. Aanvullend daarop heb ik voor de reguliere zorg in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosol. Deze voorraad is dus bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken2.
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide categorieën geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt. Al deze veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen en effecten voor patiënten te voorkomen.
Deze voorraden zijn bedoeld om een periode van verhoogde vraag of beperkte levering te overbruggen. Deze voorraden zijn niet ingericht voor het opvangen van het verbruik tijdens een (militaire) crisis. Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.3
Daarnaast beschikt de Nederlandse krijgsmacht over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
De oorlog in Oekraïne laat zien dat nieuwe behandelingen nodig zijn tegen micro-organismen die (multi)resistent zijn tegen bestaande antibiotica. Het is daarom hard nodig dat nieuwe en innovatieve antibiotica worden ontwikkeld. Dit proces kan jaren tot decennia duren. Om het onderzoek naar nieuwe en innovatieve antimicrobiële middelen aan te jagen, heb ik meerdere (nog lopende) onderzoeksprogramma’s naar nieuwe antibiotica gefinancierd.4 Ook is het van belang om via diagnostiek de meest effectieve behandeling voor te kunnen schrijven. De behoefte aan nieuwe antibiotica en diagnostiek speelt niet alleen in de reguliere zorg, maar ook expliciet bij de krijgsmacht. Daarom onderzoek ik, samen met de Staatssecretaris van Defensie, hoe wij in de toekomst hier samen op kunnen trekken om Nederland weerbaarder te maken.
Bent u van plan een afdoende strategische voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren ten behoeve van onze Nederlandse militairen in geval van militair conflict? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse krijgsmacht beschikt al over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische producten). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.5
Om te voorkomen dat voorraden van medische producten opraken, is het belangrijk dat producenten hun productie kunnen opschalen tijdens een crisis. Samen met de Staatssecretaris van Defensie verken ik daarom of we afspraken kunnen maken met producenten om hiervoor capaciteit vrij te houden.
Bent u van plan een afdoende voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren voor de structurele behoefte van de Nederlandse burger? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
Voor de reguliere zorg heb ik al in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosolen. Deze extra voorraad is bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken.
De veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen. Deze extra voorraad ligt er al, en zorgt voor minder en minder lange geneesmiddelentekorten.6
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen), waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.7
Ik acht het niet wenselijk dat de overheid zelf geneesmiddelen produceert om te voorzien in de structurele behoefte van de Nederlandse burger. In Nederland vindt al commerciële productie plaats van geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Wel hecht ik er groot belang aan dat Nederland en Europa minder afhankelijk worden van landen buiten Europa voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Daarvoor trek ik in Europees verband op. In dat kader is de Europese Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act (CMA)) in ontwikkeling. Deze beoogt onder meer productie van kritieke geneesmiddelen, zoals antibiotica, in Europa te stimuleren.8 Verder neemt de overheid een proactieve rol aan in het faciliteren van onderzoek, het laten verhogen van voorraadhoogtes en onderzoekt de o de mogelijkheden om productie op te schalen.
Is er in geval van een grootschalig militair conflict gegarandeerd voldoende capaciteit voor Nederlandse gewonde militairen in Nederlandse én in Oost-Europese ziekenhuizen? Zo nee, wat gaat u concreet ondernemen om dit op orde te brengen en wat is het tijdspad?
In het geval van een grootschalig militair conflict richt het Ministerie van Defensie samen met NAVO-bondgenoten een militair geneeskundige behandel- en vervoerketen in voor de opvang van Nederlandse gewonden. Het primaire doel is het zo snel mogelijk herstellen van de militair, zodat deze weer ingezet kan worden. Als herstel van een Nederlandse gewonde in het inzetgebied niet mogelijk is, wordt de gewonde voor behandeling vervoerd naar Nederland. Uiteindelijk zal de gewonde behandeld worden in de reguliere zorg in Nederland.
Oost-Europese ziekenhuizen maken planmatig geen deel uit van de militaire keten. De zorginstanties van de zogenoemde Oost-Europese frontnations kunnen mogelijk ingezet worden in de zorg van de Nederlandse militairen maar zijn in een grootschalig conflict vooral belast met het opvangen van hun eigen gewonde militairen en burgerslachtoffers.
Ten algemene zijn de staatsecretaris van Defensie en ik met het zorgveld in gesprek over wat nodig is voor het vergroten van de weerbaarheid van de zorg. Dit gaat ook over de inzet op opschaalbare noodzorg, waarmee het kunnen absorberen van een langdurige toestroom van patiënten wordt nagestreefd. Over deze inzet is uw Kamer op 12 december 2025 geïnformeerd.6
De uitspraak van Diederik Gommers dat agressie in de zorg vaker voorkomt bij immigrantenfamilies |
|
René Claassen (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Bruijn , Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u zich in de uitspraak van Diederik Gommers dat agressie in de zorg vaker voorkomt bij immigrantenfamilies1?
Ik heb geen gegevens tot mijn beschikking met betrekking tot de prevalentie van agressie onder specifieke bevolkingsgroepen en kan de uitspraak van de heer Gommers daarom niet staven.
Welke gegevens worden op dit moment geregistreerd over agressie-incidenten in de zorg, specifiek met betrekking tot de migratieachtergrond van de betrokken daders?
Het specifiek registreren van een eventuele migratieachtergrond (middels registratie van geboorteland, nationaliteit of etniciteit) van de dader van een agressie-incident in de zorg, is op basis van zowel de Grondwet als de AVG, niet toegestaan.
In artikel 1 van de Grondwet staat opgenomen dat allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Discriminatie op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Op basis van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft eenieder recht op bescherming van zijn of haar persoonsgegevens. Om hier uitvoering aan te geven is in 2016 de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in het leven geroepen. De AVG stelt dat verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig is indien aan een aantal voorwaarden is voldaan.
Het verwerken van bijzondere persoonsgegevens is in beginsel verboden. Er is een aantal uitzonderingsgronden op basis waarvan verwerking bij uitzondering wel wordt toegestaan, maar deze gronden zien voornamelijk op de noodzakelijkheid ter bescherming van vitale belangen of andere redenen van zwaarwegend belang. Het registreren van een migratieachtergrond in het kader van agressie in de zorg, is een vorm van onderscheid op basis van iemands achtergrond en geldt daarom niet als een dergelijk zwaarwegend belang.
Hoewel het registreren van geboorteland of nationaliteit (gewone persoonsgegevens) in beginsel niet verboden is, kan dit wel een indicatie geven voor de etniciteit van een persoon. Wanneer de verwerking van de nationaliteit tot doel heeft om onderscheid te maken naar etnische afkomst (een bijzonder persoonsgegeven) wordt ook nationaliteit aangemerkt als een bijzonder persoonsgegeven. Dit geldt ook als het voor de verwerkingsverantwoordelijke redelijkerwijs voorzienbaar is dat de verwerking zal leiden tot het maken van onderscheid naar etnische achtergrond. Hiermee wordt voorkomen dat het verbod op verwerking van bijzondere persoonsgegevens wordt vermeden door slechts over nationaliteit te spreken, terwijl hiermee wel degelijk onderscheid zal worden gemaakt tussen personen op basis van hun afkomst.
Bent u bereid om in zorginstellingen structureel te laten registreren of bij agressie-incidenten sprake is van betrokkenheid van personen met een migratieachtergrond, zodat een volledig en objectief beeld ontstaat?
Zie ook mijn antwoord op vraag 2. Artikel 1 van de Grondwet en artikelen 5 tot en met 9 van de AVG sluiten voor zorginstellingen de mogelijkheid uit om te registreren of er bij agressie-incidenten sprake is van betrokkenheid van personen met een migratieachtergrond.
Bent u bereid in gesprek te gaan met ziekenhuizen en zorginstellingen om terughoudendheid bij het doen van aangifte van agressie en geweld tegen te gaan, zodat deze incidenten niet langer buiten beeld blijven en daders consequent kunnen worden aangepakt?
De verantwoordelijkheid voor een gezonde en veilige werkomgeving ligt bij werkgevers, hieronder valt ook adequaat beleid tegen agressie. Om werkgevers hierbij te ondersteunen zijn er vanuit het Ministerie van VWS in 2024 en 2025 bijeenkomsten georganiseerd over het doen van aangifte in de tien politieregio’s. Tijdens de bijeenkomsten gaven politie en OM uitleg over de Eenduidige Landelijke Afspraken, over de mogelijkheden voor werkgevers om aangifte te doen en over het aangifteproces. Ook sprak er in elke regio een best practice organisatie op het gebied van aangifte doen bij agressie.
Daarnaast heeft de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) subsidie gekregen om samen met andere beroepsverenigingen een handelingskader te ontwikkelen. Dat handelingskader geeft zorgverleners handvatten voor het omgaan met agressie, inclusief de verschillende mogelijkheden om te reageren naar de dader. Verder komt er een website waarop allerlei relevante informatie over agressie wordt gebundeld. Het handelingskader en de website zullen in Q2 van 2026 beschikbaar zijn voor de hele sector.
Tot slot ben ik voornemens om de aanpak van agressie, inclusief het doen van aangifte, onder de aandacht te blijven brengen van ziekenhuizen en andere zorginstellingen.
Deelt u de opvatting dat het veelvuldig voorkomen van agressie in de zorg door personen met een migratieachtergrond wijst op fundamentele integratieproblemen binnen bepaalde migrantengroepen, welke maatregelen bent u bereid te nemen om dit probleem bij de kern aan te pakken?
Zie antwoord op vraag 1.
Het bericht ‘Nieuwe behandeling? Alleen nog vergoeden als die klimaat en zorgpersoneel spaart’ |
|
René Claassen (PVV) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in de Volkskrant over «Nieuwe behandelingen alleen nog vergoeden als het klimaat en het zorgpersoneel gespaard worden»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het feitelijk totale onzin is om CO2-reductie mede leidend te laten zijn om te komen tot een keuze voor een medische behandeling? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat effectieve zorg beschikbaar is voor elke patiënt. Tegelijkertijd staat de zorg voor grote maatschappelijke uitdagingen, onder andere rondom arbeidsinzet en de impact van zorg op klimaat en milieu. Het kabinet werkt daarom samen met de sector toe naar een stelsel van (publieke) zorg en welzijn dat zuiniger omgaat met de beschikbare materialen en grondstoffen, zoals eerder dit voorjaar ook met uw Kamer gedeeld2. Vanuit het belang dat ook het pakketbeheer bijdraagt aan het oplossen van deze uitdagingen, heeft mijn ambtsvoorganger een onafhankelijke commissie gevraagd onder leiding van prof. Mackenbach te adviseren of deze elementen onderdeel moeten zijn van het pakketbeheer, en op welke wijze dit mogelijk is.
Ook zorgpartijen willen samen aan deze pakketopgaven werken. Ze zien deze opgaven in de praktijk vaak al als prioriteit3. Dat geldt ook voor patiënten, ook zij zijn bereid om hun bijdrage te leveren, ook op het gebied van duurzaamheid.4
Deelt u de mening dat effectiviteit van een behandeling te allen tijde leidend zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja. De effectiviteit van een behandeling staat voorop en is op dit moment als enige van de pakketcriteria in regelgeving verankerd. Dat betekent dat het uitgangspunt is dat de meest effectieve behandeling onderdeel is van het basispakket.
Tegelijkertijd zijn de maatschappelijke opgaven rondom arbeidsinzet en duurzaamheid zo groot zijn dat ze (soms) belangrijker zijn dan effectiviteit. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als een nieuwe behandeling beter werkt dan een bestaande, maar veel meer zorgpersoneel nodig heeft, of veel minder duurzaam is.
Ik wil daarom onderzoeken of dit in de toekomst een plek moet krijgen in het pakketbeheer. Het advies «Arbeidsinzet en duurzaamheid als criteria bij keuzen in de zorg» van de commissie Mackenbach is een belangrijk onderdeel daarin.
Wat is de precieze opzet van het driejarig experiment waarmee het Zorginstituut begin deze maand start en waarbij twee nieuwe criteria worden getoetst?
Gezien de maatschappelijke urgentie vind ik het belangrijk dat er snel wordt gestart met het opdoen van kennis en ervaring over deze twee mogelijke pakketcriteria. De commissie Mackenbach heeft voorstellen gedaan hoe de arbeidsinzet en milieu-impact van zorg en het effect op schaarste berekend kan worden. Ik heb het Zorginstituut gevraagd om op korte termijn een plan van aanpak te maken voor de proefperiode. Daarbij heb ik het Zorginstituut gevraagd om de adviezen van de commissie verder uit te werken. Omdat het Zorginstituut parallel werkt aan het herzien van de kwaliteitstaken, vraag ik hen om bij de uitwerking ook uitdrukkelijk te kijken hoe de resultaten ook gebruikt kunnen worden in richtlijnen van partijen of kwaliteitsstandaarden. Dit sluit ook aan op de afspraken die ik met partijen beoog te maken in het AZWA. Daarnaast heb ik ZonMw opdracht gegeven om ruimte vrij te maken in het Kaderprogramma Passende Zorg, zodat waar nodig meteen gestart kan worden met relevant onderzoek.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel dat gepland is op 19 juni a.s.?
Ja, met de beantwoording op deze datum is aan het verzoek voldaan.
Het bericht dat de traumaheli niet gestationeerd mag worden op vliegveld Teuge en nu mogelijk op vliegveld Twente gestationeerd gaat worden |
|
René Claassen (PVV) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Traumaheli op vliegveld Twente? Niet doen, zeggen ziekenhuizen in Zwolle en Enschede?»1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Deelt u de mening dat de «witte vlek» m.b.t. traumazorg in de regio Twente, Achterhoek, Salland, Vechtdal en ook delen van de Veluwe te lang bestaat en zo snel mogelijk moet worden opgelost? Zo nee, waarom niet?
Onderzoek van het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ) naar de toegankelijkheid van zorg die wordt verricht door mobiel-medische teams (MMT-zorg) laat zien dat sprake is van «witte vlekken» in de regio’s die u noemt. Hierdoor ontstaat soms de situatie dat een MMT niet direct beschikbaar is voor een acuut vitaal bedreigde patiënt. De uitbreiding vraagt om een zorgvuldig proces waarbij verschillende partijen betrokken zijn en verantwoordelijkheid dragen. Tegelijk wil ik daar waar mogelijk tempo maken, omdat ik het belangrijk vind dat de toegankelijkheid van spoedzorg in deze gebieden zo snel als mogelijk wordt verbeterd. Mijn ambtsvoorganger heeft op basis van het advies van het LNAZ in juni 2024 het principebesluit genomen tot uitbreiding van de MMT-zorg met een 24/7 helikopter-MMT op luchthaven Teuge én een 24/7 grondgebonden-MMT in Maastricht. Sindsdien worden voorbereidingen getroffen om deze uitbreiding mogelijk te maken. Het Ministerie van VWS werkt aan het verkrijgen van de benodigde middelen en doet onderzoek naar de wijze van bekostigen en bereidt de benodigde aanpassingen in de regelgeving voor. De betrokken traumacentra treffen voorbereidingen om daadwerkelijk van start te kunnen gaan. Zij zijn verantwoordelijk voor het organiseren van de zorg. Tot slot is het aan het bevoegd gezag (provincie Gelderland) om geluidsruimte te reserveren in een nieuw luchthavenbesluit.
Deelt u de mening van zowel Isala Zwolle als het Medisch Spectrum Twenmte (MST) in Enschede dat een «patiënt in acute nood niet geholpen is met een standplaats in Twente»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Isala en MST hebben mij laten weten dat voor een verbetering van de toegankelijkheid in Oost-Nederland het beste kan worden ingezet op een 24/7 helikopter-MMT op luchthaven Teuge, omdat hiermee MMT-zorg voor zoveel mogelijk acuut vitaal bedreigde patiënten kan worden gerealiseerd. De ziekenhuizen laten mij verder weten dat vliegveld Twente door zijn ligging aan de
rand van het land slechts een beperkte bijdrage kan leveren aan de toegankelijkheid van MMT-zorg in (Oost)-Nederland en daarmee geen logische keuze is. Daarom heeft stationering op vliegveld Teuge de voorkeur.
Kunt u de voor en tegen argumenten voor zowel de standplaats van een traumaheli op vliegbasis Twente als die van een traumaheli op vliegbasis Teuge uiteenzetten?2
Het LNAZ heeft uitgebreid onderzoek gedaan en een gevalideerd simulatiemodel ontwikkeld, waarmee in kaart gebracht wordt waar de probleempunten in Nederland zitten en wat de beste manier is om die op te lossen. Stationering op luchthaven Teuge komt uit het onderzoek van het LNAZ naar voren als de beste oplossing voor het dekkingsprobleem in Oost-Nederland. Daarnaast gaat met stationering op Teuge voor het grootse aantal inwoners de dekking omhoog. Teuge geeft namelijk ook aanvullende toegang tot MMT-zorg voor de regio Midden-Nederland.
Heeft u een deadline voor ogen wanneer de 5e traumaheli in Oost-Nederland operationeel moet zijn? Zo ja, wat is die deadline? Zo nee, waarom niet?
Ik kan geen deadline geven waarop een helikopter-MMT in Oost-Nederland operationeel kan zijn, omdat realisatie en implementatie van veel variabelen afhankelijk is en hier verschillende partijen bij betrokken zijn. Het Rijk moet allereerst, bij een volgend regulier financieel besluitvormingsmoment, duidelijkheid geven over het verkrijgen van de benodigde financiële middelen voor de uitbreiding van MMT-zorg op Teuge en in Limburg. Het verkrijgen van de benodigde financiële middelen is randvoorwaardelijk om te kunnen starten. Daarnaast moet worden bezien op welke manier de uitbreiding van de MMT-zorg het beste bekostigd kan worden, en moet regelgeving worden aangepast.
De betrokken traumacentra (Isala en MST) zijn verantwoordelijk voor de organisatie van zorg. Zij moeten een vergunning aanvragen bij het bevoegd gezag om te kunnen vliegen, een helikopter bestellen en personeel aantrekken en opleiden. Tot slot zal de provincie Gelderland in een passend luchthavenbesluit moeten voorzien. In lijn met de aangenomen motie Rikkers-Oosterkamp (BBB)3 zal ik bij de provincie Gelderland aandacht vragen om MMT-zorg mee te nemen in het nieuwe luchthavenbesluit. LNAZ heeft mij laten weten dat zolang er geen helikopter kan vliegen op Teuge, het MMT-team per auto vanaf omgeving Teuge kan worden ingezet. Wel geldt ook hiervoor een implementatie- en inwerktraject.