De vervolging van de presentatoren van RoddelPraat en de onderbouwing van het vervolgingsbeleid bij beledigende uitlatingen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) Jan Roos en Dennis Schouten vervolgt wegens beledigende uitlatingen over twee vrouwen in hun programma RoddelPraat?
Kunt u bevestigen dat het OM deze vervolging publiekelijk heeft toegelicht met de stelling dat verbale agressie tegen vrouwen bijdraagt aan een cultuur waarin ernstigere vormen van geweld mogelijk worden? Kunt u de volledige toelichting aan de Kamer verstrekken?
Hanteert het OM de zogenoemde «piramide van geweld», of vergelijkbare modellen waarin beledigingen en seksistische grappen in verband worden gebracht met mishandeling, verkrachting en moord, bij zijn vervolgingsbeleid, interne opleidingen of publieke communicatie? Zo ja, welke modellen betreft dit en kunt u de bijbehorende documenten verstrekken?
Welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwen het door het OM genoemde verband tussen verbale agressie tegen vrouwen en ernstigere vormen van geweld? In hoeverre tonen deze onderzoeken een oorzakelijk verband aan, en in hoeverre beschrijven zij correlaties, maatschappelijke opvattingen of theoretische veronderstellingen?
Welk onderscheid maakt het OM tussen een model dat wordt gebruikt voor maatschappelijke bewustwording en een wetenschappelijk gevalideerd model dat geschikt is om concrete beslissingen over strafrechtelijke vervolging te ondersteunen?
Hoe voorkomt het OM dat algemene uitspraken over een maatschappelijke cultuur worden vertaald naar verantwoordelijkheid van individuele verdachten voor geweld dat zij niet hebben gepleegd en waartoe zij niet hebben aangezet?
Welke criteria hanteert het OM om beledigende uitlatingen over een vrouw aan te merken als gendergerelateerde agressie? Is daarvoor bepalend dat de beledigde persoon een vrouw is, of moet ook een aantoonbaar verband bestaan tussen de uitlating en haar geslacht?
Deelt u de opvatting dat de ernst en urgentie van geweld tegen vrouwen op zichzelf geen bewijs vormen voor de stelling dat specifieke beledigende uitlatingen aan dat geweld bijdragen? Hoe wordt dit onderscheid bewaakt in het vervolgingsbeleid en de communicatie daarover?
Welke betekenis heeft de veronderstelde bijdrage van uitlatingen aan een gewelddadige cultuur voor de beslissing om wegens belediging te vervolgen? Betreft dit een zelfstandig vervolgingsargument, een factor bij de prioritering of uitsluitend een toelichting voor het publiek, en op welke beleidsregels berust deze toepassing?
Hoe waarborgt het OM bij dergelijke vervolgingsbeslissingen de vrijheid van meningsuiting, waaronder de ruimte voor satire, overdrijving en uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten, en hoe worden de rechten en reputatie van betrokkenen daartegen afgewogen?
Hanteert het OM dezelfde vervolgingscriteria bij vergelijkbare beledigingen over het uiterlijk van mannen en vrouwen? Zo nee, welke verschillen bestaan er en wat is daarvoor de objectieve rechtvaardiging?
Hoe voorkomt het OM dat het in zijn publieke communicatie verdachten van belediging tevens in verband brengt met ernstige geweldsdelicten waarvoor zij niet worden vervolgd? Hoe verhoudt dergelijke communicatie zich tot de onschuldpresumptie en de vereiste terughoudendheid tegenover verdachten?
Hoe wordt de inzet van opsporings- en vervolgingscapaciteit voor beledigingszaken afgewogen tegen de inzet voor concrete bedreiging, stalking, mishandeling en seksueel geweld? Welke rol spelen de ernst van het feit, het aantoonbare risico voor slachtoffers en de bekendheid van verdachten daarbij?
Klopt het dat deze zaak aan een meervoudige strafkamer wordt voorgelegd? Zo ja, welke overwegingen rechtvaardigen die keuze en in hoeverre is deze behandeling gebruikelijk bij vergelijkbare beledigingszaken?
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de wetenschappelijke en juridische onderbouwing van het gebruik van de «piramide van geweld» of vergelijkbare modellen binnen het OM, en te laten toetsen of daarbij voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen maatschappelijke urgentie, empirisch bewijs en individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid?
De inzet van politiedrones voor verkeershandhaving |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Je kunt nu ook worden bekeurd op basis van dronebeelden: «Op deze manier hebben we veel meer overzicht»» van Het Parool van 16 september 2026, waarin wordt bericht dat de politie drones inzet om vanuit de lucht verkeersovertredingen vast te stellen en op basis van de gemaakte beelden bekeuringen uit te schrijven?
Kunt u uiteenzetten op welke specifieke wettelijke grondslag de politie deze drones inzet voor verkeershandhaving en het verzamelen van beeldmateriaal dat vervolgens wordt gebruikt voor het opleggen van sancties?
Klopt het dat deze inzet in beginsel wordt gebaseerd op Artikel 3 van de Politiewet 2012, in samenhang met de algemene opsporingsbevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering? Zo ja, kunt u toelichten waarom deze algemene taakomschrijving naar uw oordeel een voldoende specifieke wettelijke grondslag vormt voor het op afstand en voor betrokkenen veelal onzichtbaar observeren, fotograferen en identificeren van weggebruikers met moderne hoogwaardige camera-apparatuur?
Erkent u dat Artikel 3 van de Politiewet volgens vaste rechtspraak alleen een voldoende grondslag vormt wanneer de daarmee gepaard gaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt is en dat bij stelselmatige observatie een specifieke wettelijke bevoegdheid noodzakelijk is?
Deelt u de opvatting dat het voor de vraag of sprake is van stelselmatige observatie in de zin van deze rechtspraak niet doorslaggevend kan zijn of de waarneming formeel wordt ingezet in het kader van opsporing dan wel van generiek toezicht, maar dat bepalend is of burgers feitelijk op identificeerbare, herkenbare wijze worden geobserveerd en gevolgd met het oog op het opleggen van een sanctie? Zo nee, waarom zou dat onderscheid hier wel doorslaggevend zijn, terwijl het feitelijk effect voor de betrokken burger – herkenbaar in beeld gebracht, mogelijk gevolgd, en uiteindelijk beboet – in beide gevallen identiek is?
Welke criteria hanteert de politie bij deze vorm van dronehandhaving om te voorkomen dat de observatie, gelet op de duur, intensiteit, frequentie, locatie en gebruikte technische hulpmiddelen, het karakter krijgt van stelselmatige observatie?
Wordt bij deze inzet continu beeld opgenomen van het verkeer en de aanwezige personen en voertuigen, of worden uitsluitend beelden vastgelegd vanaf het moment dat een politiefunctionaris een vermoedelijke overtreding constateert? Kunt u de volledige werkwijze uiteenzetten vanaf het moment dat de drone opstijgt tot het moment waarop eventueel een sanctie wordt opgelegd?
Hoeveel voertuigen en personen worden gemiddeld tijdens één dergelijke drone-inzet herkenbaar of identificeerbaar in beeld gebracht zonder dat zij enige overtreding hebben begaan?
Over welke technische mogelijkheden beschikken de gebruikte drones en camera’s precies wat betreft optische en digitale zoom, beeldresolutie, kentekenherkenning, herkenning van gezichten, volgen van individuele personen of voertuigen en het vastleggen van beelden over grote afstand?
Klopt het dat bij eerdere juridische beoordelingen van politiedrones mede van belang werd geacht dat de destijds gebruikte camera’s geen beelden konden produceren waarop gezichten herkenbaar waren? Zo ja, wanneer heeft u voor het laatst laten beoordelen of de inmiddels sterk verbeterde technische mogelijkheden van moderne drones gevolgen hebben voor de vraag of Artikel 3 van de Politiewet nog steeds een voldoende wettelijke grondslag biedt?
Is specifiek juridisch beoordeeld wat het betekent voor de omvang van de grondrechteninbreuk dat moderne drones vanaf grote hoogte zeer gedetailleerde beelden kunnen maken en daarmee personen of voertuigen kunnen observeren zonder dat betrokkenen redelijkerwijs merken dat zij worden geobserveerd? Zo ja, kunt u deze beoordeling aan de Kamer doen toekomen?
Hoe verhoudt deze werkwijze zich volgens u tot Artikel 10 van de Grondwet en Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in het bijzonder tot de eisen van voorzienbaarheid, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Welke concrete proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging wordt voorafgaand aan een drone-inzet gemaakt? Wordt daarbij expliciet onderzocht of hetzelfde handhavingsdoel met een minder ingrijpend middel kan worden bereikt?
Is voor deze specifieke vorm van verkeershandhaving met drones een gegevensbeschermingseffectbeoordeling dan wel GEB/DPIA uitgevoerd? Zo ja, wanneer is deze vastgesteld, door wie en bent u bereid deze, zo nodig met weglating van operationeel gevoelige gegevens, aan de Kamer te verstrekken?
Indien geen afzonderlijke gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB)/Data Protection Impact Assessment (DPIA) is uitgevoerd, kunt u dan uitleggen waarom dit niet noodzakelijk is geacht bij een vorm van gegevensverwerking waarbij op grote schaal beeldmateriaal en kentekengegevens van burgers kunnen worden verzameld met behulp van relatief nieuwe surveillancetechnologie?
Welke categorieën persoonsgegevens worden bij deze drone-inzet verwerkt? Worden naast kentekens eveneens gezichten, inzittenden, locaties, tijdstippen, rijroutes of andere tot personen herleidbare gegevens opgeslagen?
Welke bewaartermijnen gelden voor beelden waarop een overtreding is vastgesteld en welke bewaartermijnen gelden voor beelden van personen en voertuigen die géén overtreding hebben begaan?
Worden beelden waarop geen relevante overtreding of ander strafbaar feit zichtbaar is automatisch vernietigd? Zo ja, binnen welke termijn en op welke wijze wordt gecontroleerd dat dit daadwerkelijk gebeurt?
Voor welke andere doeleinden dan de oorspronkelijke verkeershandhaving mogen de gemaakte beelden worden geraadpleegd of verder verwerkt? Kunnen beelden bijvoorbeeld worden gebruikt voor andere opsporingsonderzoeken, intelligence-doeleinden, persoonsherkenning of analyse van verplaatsingspatronen?
Kunnen de met deze drones gemaakte beelden automatisch worden gekoppeld aan andere politiebestanden of systemen, waaronder ANPR-gegevens? Zo ja, welke koppelingen zijn technisch en juridisch mogelijk en welke daarvan worden daadwerkelijk toegepast?
Wordt bij deze werkwijze gebruikgemaakt van geautomatiseerde beeldanalyse, kunstmatige intelligentie, automatische kentekenherkenning, objectherkenning of andere algoritmische technieken? Zo ja, welke systemen worden gebruikt en welke menselijke controle vindt plaats voordat op basis daarvan handhavend wordt opgetreden?
Geldt de werkwijze, dat bij drone-inzet waarschuwingsborden worden geplaatst om burgers erop te wijzen dat met drones wordt gevlogen en beelden worden gemaakt, eveneens voor verkeerscontroles zoals beschreven in het genoemde artikel? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt het uitgangspunt dat burgers over drone-inzet worden geïnformeerd zich tot de in het artikel beschreven handelwijze waarbij de drone bewust op een zodanige hoogte wordt gebracht dat weggebruikers deze niet opmerken?
Acht u het vanuit het oogpunt van rechtsbescherming wenselijk dat burgers in beginsel niet weten dat zij door de overheid vanuit de lucht worden geobserveerd, terwijl de verzamelde beelden vervolgens tegen hen kunnen worden gebruikt in een sanctieprocedure?
Welke mogelijkheden heeft een burger die op basis van dronebeelden wordt beboet om kennis te nemen van de gemaakte beelden, de context waarin deze zijn verkregen en de rechtmatigheid van de inzet van de drone te betwisten?
Wordt in het proces-verbaal of de beschikking vermeld dat de geconstateerde overtreding met behulp van een drone is vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
Welke rol heeft het Openbaar Ministerie gespeeld bij het goedkeuren van deze werkwijze? Kunt u de juridische beoordeling of beleidsmatige goedkeuring waarop deze landelijke uitrol is gebaseerd aan de Kamer doen toekomen?
Welke pilot is aan de landelijke uitrol voorafgegaan, waar en gedurende welke periode heeft deze plaatsgevonden, hoeveel dronevluchten zijn daarbij uitgevoerd, hoeveel overtredingen zijn geconstateerd en welke evaluatiecriteria zijn gehanteerd?
Is bij de evaluatie van deze pilot uitsluitend gekeken naar effectiviteit en verkeersveiligheid, of eveneens naar privacy, grondrechten, proportionaliteit, subsidiariteit en de mogelijke maatschappelijke gevolgen van uitbreiding van overheidssurveillance?
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken geweest bij de beoordeling van deze werkwijze of vooraf geraadpleegd? Zo ja, welke opmerkingen of voorwaarden heeft zij meegegeven? Zo nee, waarom niet?
Bestaat er een afzonderlijk landelijk inzetkader voor het gebruik van politiedrones? Zo ja, kunt u dit inzetkader integraal aan de Kamer verstrekken en aangeven in hoeverre daarin specifieke regels zijn opgenomen over verkeershandhaving, technische camera-capaciteiten, herkenbaarheid, opname, opslag, toegang en verdere verwerking van beelden?
Wie beslist in een concreet geval waar, wanneer en gedurende welke periode een drone voor verkeershandhaving wordt ingezet en aan welke inhoudelijke voorwaarden moet voorafgaand aan een dergelijke inzet zijn voldaan?
Bestaat er een maximum voor de duur en frequentie waarmee één locatie, wegvak of gebied door middel van drones mag worden geobserveerd? Zo nee, hoe wordt dan voorkomen dat een opeenvolging van afzonderlijke drone-inzetten in de praktijk leidt tot structureel cameratoezicht vanuit de lucht?
Acht u het denkbaar dat dezelfde technische infrastructuur in de toekomst ook wordt ingezet voor het constateren van andere gedragingen, zoals telefoongebruik achter het stuur, gordelgebruik, overtreding van milieuzones of andere bestuurs- of strafrechtelijk gesanctioneerde gedragingen? Waar ligt volgens u de wettelijke grens aan uitbreiding van dit instrument?
Deelt u de opvatting dat het feit dat een bepaalde technologie technisch in staat is een overtreding waar te nemen, op zichzelf geen voldoende reden kan zijn om die technologie zonder afzonderlijke wettelijke afweging ook voor dat doel in te zetten?
Hoe voorkomt u dat door opeenvolgende afzonderlijke toepassingen van bestaande algemene bevoegdheden geleidelijk een vorm van grootschalige surveillance ontstaat die de wetgever nooit als samenhangend systeem heeft beoordeeld of uitdrukkelijk heeft gelegitimeerd?
Bent u bereid, voordat deze werkwijze verder landelijk wordt opgeschaald, de Kamer volledig te informeren over de wettelijke grondslag, de technische mogelijkheden, het inzetkader, de gegevensbeschermingseffectbeoordeling, de bewaartermijnen, de juridische beoordeling van het Openbaar Ministerie en de evaluatie van de pilot?
Publieke politieke uitlatingen van rechters |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ingezonden brief in de Volkskrant van een volgens het openbare register senior rechter in Amsterdam, waarin onder meer wordt gesproken over de «giftige boodschap» van extreemrechts, een vergelijking wordt gemaakt met de wijze waarop Goebbels in 1933 de media bespeelde en wordt gesuggereerd dat media minder aandacht zouden moeten besteden aan extreemrechtse politieke boodschappen?1
Deelt u de opvatting dat voor het vertrouwen in de rechterlijke macht niet alleen van belang is dat rechters feitelijk onafhankelijk en onpartijdig oordelen, maar ook dat zij in hun publieke optreden voorkomen dat redelijkerwijs de schijn van politieke vooringenomenheid kan ontstaan?
Welke regels, gedragscodes en richtlijnen gelden momenteel voor rechters die zich buiten de rechtszaal publiekelijk uitlaten over actuele politieke partijen, politieke stromingen of maatschappelijke controverses?
Waar ligt volgens u de grens tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting die ook een rechter toekomt en anderzijds de bijzondere verantwoordelijkheid van een rechter om het vertrouwen in zijn politieke neutraliteit en onpartijdigheid te bewaken?
Acht u het verenigbaar met die bijzondere verantwoordelijkheid wanneer een zittend rechter een actuele politieke stroming publiekelijk omschrijft als «giftig», deze in verband brengt met Goebbels en 1933 en er tegelijkertijd voor pleit dat media die politieke stroming minder ruimte geven? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt u daaraan in algemene zin?
Hoe wordt binnen de Rechtspraak omgegaan met situaties waarin een rechter zich eerder publiekelijk zeer negatief heeft uitgelaten over een politieke partij, politieke stroming of de aanhangers daarvan en vervolgens een zaak moet behandelen waarbij personen of organisaties uit die politieke kring partij zijn?
Kan een dergelijke publieke uitlating volgens de bestaande regels aanleiding geven tot verschoning van de rechter of tot een geslaagd wrakingsverzoek? Welke maatstaf wordt daarbij gehanteerd?
Wordt binnen de Rechtspraak bijgehouden hoe vaak publieke politieke uitlatingen van rechters aanleiding hebben gegeven tot verschoning, wraking, klachten of interne bespreking? Zo nee, acht u het wenselijk daar meer inzicht in te verkrijgen?
Bent u van mening dat de bestaande gedragsregels voldoende duidelijk zijn over politieke en partijpolitieke uitlatingen van zittende rechters, of ziet u aanleiding de Raad voor de rechtspraak te verzoeken deze normen nader te verduidelijken?
Deelt u de opvatting dat de rechterlijke onafhankelijkheid niet alleen bescherming tegen politieke beïnvloeding van buitenaf vereist, maar ook een zekere mate van politieke terughoudendheid van rechters zelf, juist omdat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat hun politieke overtuiging geen rol speelt wanneer zij voor een rechter verschijnen?
De afsluiting van de Merwedebrug en de staat van de Nederlandse infrastructuur |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Merwedebrug per direct en voor onbepaalde tijd is afgesloten voor vrachtverkeer?
Ja
Wanneer werd voor het eerst geconstateerd dat het staal in de boogconstructie minder sterk was dan eerder werd aangenomen?
In voorbereiding voor werkzaamheden van het project A27 Houten – Hooipolder, waarbij een nieuwe brug naast de bestaande gebouwd gaat worden, zijn in 2025 en 2026 aanvullende herberekeningen en inspecties uitgevoerd. Hieruit bleek dat naast inspecties ook aanvullend materiaalonderzoek gewenst was. Afgelopen maanden zijn deze aanvullende onderzoeken door Rijkswaterstaat en TNO uitgevoerd. Op 16 juli zijn de voorlopige resultaten door TNO met Rijkswaterstaat gedeeld. De materiaaleigenschappen bleken slechter te zijn dan verwacht en hiermee was er noodzaak om met spoed de constructieve veiligheid van de brug opnieuw te beoordelen. Op 17 juli is op basis hiervan opgeschaald en is op zaterdag 18 juli om 17.30 uur een vrachtwagenverbod ingesteld.
Wanneer bent u hierover geïnformeerd?
Ik ben op 17 juli door Rijkswaterstaat geïnformeerd.
Welke onderzoeken en inspecties hebben geleid tot het besluit de brug met onmiddellijke ingang af te sluiten?
Zie beantwoording van vraag 2.
Waarom is gekozen voor een onmiddellijke afsluiting, terwijl de inspecties al eerder hadden plaatsgevonden?
Zie beantwoording van vraag 2.
Welke alternatieven zijn overwogen alvorens tot volledige afsluiting voor vrachtverkeer over te gaan?
Er zijn diverse opties overwogen; van volledige of gedeeltelijke afsluiting voor alle verkeer tot een relatief beperkte gewichtsbeperking. Er is overwogen om het verkeer naar 1 rijstrook terug te brengen, maar dat leverde onvoldoende gewichtsbeperking op om tot een acceptabele belasting van de brug te komen. Daarmee zou echter niet aan de constructieve veiligheid worden voldaan. Alles overwegende is er gekozen voor afsluiting voor vrachtverkeer zwaarder dan 3,5 ton en touringcars. De belasting op de brug van verkeer lichter dan 3,5 ton is relatief gering en vormt nu geen veiligheidsrisico voor de brug.
Waarom mogen lijnbussen, hulpdiensten en zwaar beladen bestelbussen met aanhanger de brug nog wel gebruiken, terwijl vrachtverkeer volledig wordt geweerd? Hoe verhoudt dit zich tot de constructieve overwegingen die aan het verbod ten grondslag liggen?
Gezien de kwaliteit van het staal is de noodzaak om per direct de (zware) belasting van de brug sterk te verminderen door een vrachtwagenverbod. Bestelbussen en personenauto’s zijn minder zwaar dan veel vrachtwagens en dragen maar beperkt bij aan de belasting van de brug. Alleen lichte bestelbussen tot 3,5 ton zijn toegelaten (voertuigcategorieën N1 en M1). Nood- en hulpdiensten en lijnbussen zijn de enige uitzonderingen die wordt gemaakt, omdat dit in verhouding niet vaak voorkomt en daarmee getolereerd kan worden voor wat betreft de constructieve veiligheid.
Welke technische grens is gehanteerd bij het bepalen welke voertuigen nog wel en welke niet meer over de brug mogen rijden?
De grenzen die hiervoor gebruikt worden zijn vastgelegd in de NEN8700 waarin de normen zijn vastgelegd voor de toetsing van de constructieve veiligheid in bestaande bouw en verbouw. Op basis hiervan kan bepaald worden welke gewichtsklassen van voertuigen nog toelaatbaar zijn gegeven de draagkracht van de brug.
Hoe lang verwacht u dat de afsluiting zal duren?
Op dit moment worden er nadere onderzoeken uitgevoerd naar de sterkte van de brug en passende maatregelen daarbij. De resultaten tot nu toe bevestigen de eerdere conclusies dat de brug niet voldoet aan de geldende normen, en bevestigen de noodzaak van de genomen maatregelen. Duidelijkheid over de duur van de maatregelen kan gegeven worden als er genoeg zicht is op de sterkte van de brug en de maatregelen die nodig zijn om de beperkingen op te mogen heffen. Omdat de onderzoeken nog lopen is daar nu nog geen antwoord op te geven.
Wanneer verwacht u de Kamer hierover nader te informeren?
Zodra daar aanleiding toe is, wordt de Kamer geïnformeerd.
Hoeveel vrachtwagens maakten vóór de afsluiting dagelijks gebruik van de Merwedebrug?
Voor de afsluiting reden er tussen de 7.000 en 8.000 vrachtauto's per dag per rijrichting over de brug.
Welke extra verkeersdruk verwacht u op de alternatieve routes?
Omdat het alleen een afsluiting voor vrachtverkeer is, is de verwachting dat de totale extra verkeerdruk op alternatieve routes beperkt is. Een indicatie van de extra reistijd voor het vrachtvervoer als gevolg van het omrijden op rustige momenten is tot 30–45 minuten, wat tijdens drukke momenten kan oplopen naar 45–60 minuten.
Welke gevolgen heeft de afsluiting voor de doorstroming op de A15, A16, A2 en overige omleidingsroutes?
Zie vraag 12. Als er al sprake is van extra verkeerdruk, is dat op de A16 (Moerdijkbrug) en de A2 en A59. Lokale alternatieven zijn beperkt vanwege het ontbreken van een rivierovergang.
Welke gevolgen heeft de toegenomen drukte op de omleidingsroutes voor de aanrijtijden van hulpdiensten in de regio? Hoe wordt de bereikbaarheid van nooddiensten geborgd?
Minimaal, zie ook beantwoording vraag 12. Met nood- en hulpdiensten is hierover afstemming. Zij kunnen gebruik blijven maken van de Merwedebrug.
Welke gevolgen heeft de afsluiting voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, nu door gelijktijdige beperkingen op onder meer de N3 en de A27 het aantal geschikte routes sterk afneemt? Hoe borgt u de veiligheid én de continuïteit van dit transport?
De geschatte extra reistijd voor vrachtverkeer als gevolg van het verbod van vrachtwagens op de Merwedebrug wordt ingeschat op rustige momenten op 30–45 minuten, tijdens drukke momenten kan dit oplopen tot 45 tot 60 minuten. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de verwachting dat dit helaas meer is, omdat – afhankelijk van de bestemming – de alternatieve verplichte routes beperkter zijn en er mogelijk verder omgereden moet worden.
Is onderzocht welke gevolgen de afsluiting heeft voor de bereikbaarheid van bedrijven, havens, distributiecentra en industriële locaties in de regio?
Nee, de afweging is gemaakt op basis van veiligheid. De resultaten van het materiaalonderzoek waren onverwacht en dusdanig urgent dat onmiddellijke afsluiting voor vrachtverkeer onvermijdelijk was. Laat onverlet dat het duidelijk is dat impact voor bedrijven in de nabijheid van de brug het grootst is.
Bent u bekend met signalen dat individuele transportbedrijven tienduizenden euro's per week of zelfs per dag extra kosten verwachten? Hoe beoordeelt u deze signalen?
De signalen zijn mij bekend. De afsluiting van de Merwedebrug is echter niet zonder reden. De resultaten van het materiaalonderzoek waren dusdanig dat er direct ingegrepen moest worden. Daarbij is gekozen voor een maatregel die ertoe leidt dat de constructieve veiligheid van de brug kan worden gewaarborgd en de andere weggebruikers, de hulpdiensten en het openbaar vervoer nog veilig gebruik kunnen blijven maken van de brug. Transportbedrijven kunnen een beroep doen op de regeling voor nadeelcompensatie.
Gaat u de economische schade voor ondernemers en de logistieke sector in kaart brengen?
In dit soort gevallen treedt de Regeling Nadeelcompensatie in werking. Partijen die schade lijden kunnen bij Rijkswaterstaat een verzoek om nadeelcompensatie indienen.
Welke gevolgen verwacht u voor consumentenprijzen indien deze extra transportkosten langere tijd aanhouden?
Hierover kan ik geen uitspraken doen, omdat dit van heel veel factoren afhankelijk is.
Deelt u de opvatting dat deze keer voorkomen moet worden dat compensatie voor ondernemers uitblijft, zoals dat volgens ondernemers het geval was na de afsluiting van 2016, waarbij de schade grotendeels werd afgedaan als ondernemersrisico? Op welke wijze zorgt u ervoor dat de bestaande regeling voor nadeelcompensatie ditmaal wel toereikend is voor de getroffen ondernemers?
Op grond van artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat er aanspraak op nadeelcompensatie voor zover er schade wordt geleden die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. De «Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024» biedt een laagdrempelige toegang tot een beoordeling. Dat zal ook bij de huidige afsluiting het geval zijn.
Bent u bereid ondernemers tegemoet te komen indien de afsluiting langdurig blijkt?
Ja. De «Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024» houdt rekening met de omstandigheden. Zo moet bij het bepalen van het normaal maatschappelijk risico worden betrokken of de afsluiting een normale of niet-normale maatregel is en ook of er sprake is van een langdurige maatregel. Een onafhankelijke commissie brengt hierover advies uit.
Bent u bereid tijdelijk een uitzondering te maken op de kilometerheffing voor de extra omrijkilometers die rechtstreeks voortvloeien uit deze afsluiting?
Nee, de Wet vrachtwagenheffing biedt geen mogelijkheid voor een tijdelijke uitzondering van extra omrijkilometers. Eigenaren van vrachtwagens moeten per gereden kilometer betalen voor het gebruik van het heffingsnetwerk. Het heffingsnetwerk is vastgelegd in de wet. Verder zou een dergelijke uitzondering niet uitvoerbaar zijn. Ondernemers kunnen wel via Rijkswaterstaat een beroep doen op de wettelijk vastgelegde regeling voor Nadeelcompensatie. Overigens geldt in de periode van 1 september tot en met 31 december van dit jaar een tijdelijke verlaging van de tarieven van de vrachtwagenheffing met 22,3%. Daarmee komt het kabinet ondernemers tegemoet vanwege de hoge brandstofprijzen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten.
Heeft Rijkswaterstaat onderzocht of gecontroleerd nachtelijk vrachtverkeer onder voorwaarden mogelijk zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Vanuit constructieve veiligheid dient de belasting op de brug te worden verminderd. Dit geldt voor zowel overdag als ’s nachts. Personenauto's vormen door hun geringe gewicht ten opzichte van vrachtwagens maar een klein percentage van de belasting op de brug door het wegverkeer. Vrachtwagens veroorzaken het grootste gedeelte van de belasting. In de nacht neemt de belasting op de brug door minder personenverkeer maar weinig af. Het toelaten van vrachtverkeer tijdens de nacht zal waarschijnlijk leiden tot meer vrachtverkeer en dus een hogere belasting. Een belasting die voor deze brug op dit moment volgens de berekeningen niet toelaatbaar is.
Hoe beoordeelt u de kritiek dat de informatievoorziening en bewegwijzering in de eerste dagen onvoldoende waren?
De resultaten van het materiaalonderzoek waren onverwacht en dusdanig urgent dat onmiddellijke afsluiting voor vrachtverkeer onvermijdelijk was. De informatie over de afsluiting voor vrachtverkeer en touringcars is zo snel als mogelijk naar buiten gecommuniceerd. Het kost inderdaad enige tijd om de bebording en bewegwijzering goed op orde te krijgen. Deze is afgelopen week samen met de politie nagelopen en verder versterkt. Regelmatig wordt dit nog gecontroleerd en bezien of verdere aanpassingen noodzakelijk zijn.
Welke maatregelen neemt u om sluipverkeer door dorpen en woonkernen te voorkomen?
Zie vraag 13. Omdat er plaatselijk weinig alternatieven zijn om de rivier over te steken is de verwachting dat er weinig lokaal sluipverkeer zal zijn.
Welke gevolgen verwacht u van de gelijktijdige werkzaamheden aan de Papendrechtse brug, de Algerabrug en de afsluiting van de Merwedebrug voor de bereikbaarheid van Zuidwest-Nederland?
Zie ook de beantwoording van vraag 14. De gecombineerde afsluiting van de Papendrechtse en Algerabrug laat tot nu toe nog weinig effect zien op de bereikbaarheid van Zuidwest-Nederland als geheel. De verwachting op voorhand was dat de afsluiting van de Papendrechtsebrug circa 30 minuten vertraging oplevert. Aangezien de afsluiting van de Merwedebrug alleen effect heeft op het vrachtverkeer, heeft dit daarom geen aanvullend effect voor het gehele verkeersbeeld. Hierbij moet worden aangetekend dat dit beeld is opgebouwd in de relatieve rustige vakantieperiode.
Waarom is de vervanging van de Merwedebrug niet eerder gerealiseerd, terwijl al langer bekend was dat vervanging noodzakelijk was?
Tijdens de vorige tijdelijke afsluiting van de Merwedebrug in het najaar van 2016 werkte IenW al volop aan de planuitwerking voor de verbreding van de A27 tussen Houten en het knooppunt Hooipolder, inclusief de vervanging van onder andere de Merwedebrug. In 2020 is het Tracébesluit A27 Houten-Hooipolder onherroepelijk geworden. Vervolgens vond tijdens en na de Covid-periode de voorbereiding van de realisatie plaats en zijn begin 2023 de reguliere onderdelen gegund. Voor de complexe en risicovolle onderdelen, waaronder de Merwedebrug, eerst een ontwerpfase plaats door de aannemer en RWS.
Over de voortgang van de A27 Houten – Hooipolder is uw Kamer regelmatig geïnformeerd. Zo is in de MIRT-brief najaar 20241 gemeld dat het programma te maken heeft met aanzienlijk hogere kosten dan eerder was voorzien. Oorzaken hiervan betreffen prijsstijgingen, huidige marktspanning, een te lage initiële raming en voortschrijdend inzichten (onder andere onderschatting complexiteit en een slechtere staat van het areaal). 11 mei jl.2 is aan uw Kamer geïnformeerd dat de ontwerpfase van de Merwedebrug West is afgerond. Dit heeft geleid tot het definitief opdragen van de uitvoeringswerkzaamheden waarmee het project formeel is overgegaan in de realisatiefase.
Kan de bouw van de nieuwe Merwedebrug worden versneld nu de bestaande brug is afgesloten? Welke gevolgen heeft de eerdere fasering en versobering van het project A27 Houten-Hooipolder voor de duur van de huidige situatie?
De bestaande brug is enkel afgesloten voor vrachtverkeer, het andere verkeer blijft gewoon gebruik maken van de Merwedebrug.
In de huidige planning voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug is reeds fors ingezet op slimme bouwfasering om met name de eerste (westelijke) brug zo snel mogelijk beschikbaar te hebben ter vervanging van de huidige brug. Deze planning resulteert naar verwachting in een openstelling van de nieuwe Merwedebrug West in 20313.
De bouw van de nieuwe brug is complex. Zeker ook omdat de nieuwe brug op korte afstand wordt gebouwd van de bestaande brug. De bouwwerkzaamheden kunnen namelijk van invloed zijn op de huidige brug (zettingen, trillingen).
Voorkomen moet worden dat de bestaande brug door de werkzaamheden beschadigd raakt. De recent bekend geworden slechtere staat van de huidige brug, vergroot de bouwcomplexiteit en legt daarmee extra druk op de bouwplanning. Zo mag ook het bouwverkeer voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug geen gebruik maken van de bestaande brug. Dit heeft consequenties voor de bouwlogistiek. De impact wordt op dit moment onderzocht. Een verdere versnelling van de bouw ligt hiermee niet voor de hand.
Welke onderhoudswerkzaamheden zijn de afgelopen tien jaar aan de Merwedebrug uitgevoerd?
De Merwedebrug heeft het einde van de technische levensduur bereikt. De onderhoudsopgave wordt dan groter en onvoorspelbaarder. De brug wordt regelmatig geïnspecteerd en daarbij geldt voor een aantal onderdelen in een verhoogd inspectieregime. De inspecties vormen de basis voor het onderhoud aan de brug. Het onderhoud betrof de afgelopen jaren zowel de verhardingen (deklagen en onderlagen) als de constructie zelf. Denk daarbij aan: reparatie en vervanging van de voegovergangen, herstel van scheuren en het verwijderen van corrosie (met name op het beweegbare deel). Ook het vervangen van de opleggingen en het conserveren van de hangerkabels is in de afgelopen periode nodig geweest om de brug beschikbaar en veilig te houden.
Welke lessen zijn getrokken uit de afsluiting van de Merwedebrug in 2016 en waarom hebben deze niet kunnen voorkomen dat opnieuw een langdurige afsluiting noodzakelijk is?
Bij de huidige afsluiting van de brug zijn de rapporten en aanbevelingen van de afsluiting in 2016 bij de hand genomen. Ook toen werd de brug voor verkeer zwaarder dan 3,5 ton afgesloten. De aanbevelingen hadden met name betrekking op een betere betrokkenheid van medeoverheden en andere belangrijke partijen, wat nu ook zorgvuldiger is gedaan. De aanleiding voor de afsluiting was echter verschillend: toen was er sprake van vermoeiing van de verbindingen in de brug en daar zijn ook passende maatregelen op getroffen, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van verstevigingen en verscherpte inspecties, zie ook beantwoording vraag 29. Het onderzoek heeft uitgewezen dat het staal van de brug een andere kwaliteit heeft dan mocht worden aangenomen.
Hoeveel bruggen, tunnels, sluizen en viaducten in beheer van het Rijk bevinden zich momenteel in een staat waarbij aanvullende beperkingen of onverwachte afsluitingen niet kunnen worden uitgesloten?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Op 8 december 2025 zijn de meest recente rapportages met de Kamer gedeeld.4 De eerstvolgende Staat van de Infrastructuur wordt dit najaar gepubliceerd.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over kunstwerken die in een zodanige slechte staat verkeren dat gebruiksbeperkingen zijn opgelegd en/of die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 objecten met een gebruiksbeperking en 104 objecten die onder een verhoogd inspectieregime staan.5 In de beleidsbrief van 24 april jl. is aangekondigd dat als we niets doen, het de verwachting is dat dit aantal in 2030 verdubbeld is. RWS stelt verschillende maatregelen in om de veiligheid op deze kunstwerken te waarborgen. Tegelijkertijd zijn de beschikbare middelen in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds en de beschikbare capaciteit helaas niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities te bekostigen en uit te kunnen voeren. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer van 19 juni jl. geïnformeerd.
Bij hoeveel rijkskunstwerken is momenteel sprake van uitgesteld onderhoud?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Daarin wordt onder meer inzicht geboden in de locaties waar onderhoudswerkzaamheden zijn uitgesteld en waarvoor op peildatum juli 2025 nog geen uitvoering is gepland in de periode 2026–2028. Voor RWS gaat het in totaal om 136 objecten per peildatum juli 2025. Dit is overigens een momentopname; de situatie kan gedurende het jaar wijzigen.
Welk bedrag is volgens u nodig om de huidige onderhoudsachterstand van Rijkswaterstaat volledig weg te werken?
De Algemene Rekenkamer heeft in haar verantwoordingsonderzoek over 2024 het tekort voor exploitatie, onderhoud en vernieuwing van de netwerken van Rijkswaterstaat geraamd op € 34,5 miljard voor de periode tot en met 20385. Het betreft de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en hoofdwatersysteem.
Acht u de huidige onderhoudsbudgetten voldoende om de veiligheid, betrouwbaarheid en economische functie van de Nederlandse infrastructuur structureel te waarborgen? Zo ja, waaruit blijkt dat?
De middelen die beschikbaar zijn in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds zijn niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities op het gebied van infrastructuur te bekostigen. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Op 16 maart jl.6 is de Kamer geïnformeerd over de grote opgaven binnen het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds en de noodzaak om scherpe keuzes te maken; enerzijds wat we moeten en willen en anderzijds wat we kunnen met het geld dat we hebben. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer op 19 juni jl.7 geïnformeerd.
Bent u bereid de Kamer vóór de behandeling van de begroting Infrastructuur en Waterstaat een integraal overzicht te sturen van:
Zie beantwoording van vraag 31, 32, 33 en 34.
Deelt u de opvatting dat het steeds vaker onverwacht moeten afsluiten van bruggen, viaducten en andere vitale infrastructuur erop wijst dat Nederland te lang heeft geleund op uitgesteld onderhoud? Zo nee, waarom niet?
Ja, daarom ben ik samen met de Staatssecretaris van I&W bezig met het proces rondom het afweegkader, om de basis van onze netwerken weer op orde te brengen. Daarvoor is het noodzakelijk om samen met uw Kamer scherpe keuzes te maken en te prioriteren wat nu nodig is, wat later kan en wat we niet meer doen. Zie ook beantwoording van vraag 31, 32, 33 en 24.
Bent u bekend met de uitspraak van misdaadjournalist Paul Vugts in de Parool Misdaadpodcast van 11 juni 2026, waarin hij stelt dat Amsterdamse ambtenaren hem zouden hebben benaderd nadat hij had gepubliceerd over Syrische asielzoekers die verantwoordelijk zouden zijn voor een golf van straatroven in Amsterdam, met de boodschap dat dergelijke berichtgeving «rechts in de kaart» zou spelen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is wanneer ambtenaren feitelijke journalistieke berichtgeving beoordelen aan de hand van de vraag welke politieke stroming daar mogelijk baat bij zou hebben?
In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat de overheid, bijvoorbeeld via woordvoerders of persvoorlichters, contact onderhoudt met journalisten. Het is de taak van deze ambtenaren om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt dat een ambtenaar zijn werk politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen.
Deelt u de mening dat de waarheidsvinding door journalisten nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan de vraag of feiten «links», «rechts» of enig ander politiek kamp in de kaart spelen?
Ja. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen. Zij hanteren hierbij de journalistieke kernbeginselen, zoals hoor en wederhoor en het verifiëren van bronnen. Deze werkwijze draagt eraan bij dat een onderwerp vanuit verschillende perspectieven wordt belicht. Het is vervolgens aan de lezer, kijker of luisteraar om zich op basis van de door de journalist verstrekte informatie een eigen oordeel te vormen.
Acht u het verenigbaar met de persvrijheid wanneer overheidsfunctionarissen journalisten benaderen met de suggestie dat bepaalde feiten beter niet gepubliceerd kunnen worden omdat deze een politiek onwenselijk effect zouden kunnen hebben?
In algemene zin kan ik zeggen dat de persvrijheid in het geding komt als er van overheidswege censuur zou worden toegepast, bijvoorbeeld het op basis van politieke motieven uitvaardigen van een verbod iets te publiceren. Dat is in Nederland niet toegestaan. Daarnaast is het onacceptabel als de overheid «zachte druk» uitoefent op journalisten of media. Zulke druk kan een zogenoemd chilling effect veroorzaken, waardoor journalisten uit vrees voor negatieve gevolgen overgaan tot zelfcensuur. Ook dat is onwenselijk en dient te worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kwalificeren van feitelijke berichtgeving als iets wat «rechts in de kaart speelt» een vorm van politieke framing is die niet thuishoort in het contact tussen overheid en journalistiek?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een overheid die journalisten probeert te bewegen om feiten niet of minder prominent te publiceren uit angst voor electorale of ideologische gevolgen, zich begeeft op een hellend vlak richting politieke beïnvloeding van de pers?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Vindt u het acceptabel dat ambtenaren kennelijk niet primair bezwaar zouden hebben tegen de feitelijke juistheid van berichtgeving, maar tegen de mogelijke politieke interpretatie daarvan?
Ik verwijs u naar het antwoord op vragen 3 en 4.
Deelt u de mening dat de taak van journalisten is om relevante feiten boven tafel te krijgen en te publiceren en niet om bij iedere publicatie af te wegen of die publicatie «rechts in de kaart» zou kunnen spelen?
Ja. Journalisten werken volgens journalistieke kernbeginselen. De Raad voor de Journalistiek vat dit in de Leidraad kernachtig samen: «Goede journalistiek is waarheidsgetrouw en nauwgezet, onpartijdig en fair, controleerbaar en integer.»2 Het is aan de journalist om, vaak in overleg met zijn redactie, de afweging te maken hoe deze beginselen in een concreet geval worden toegepast.
Bent u bereid uit te spreken dat feiten over criminaliteit, migratie, asiel en openbare veiligheid niet mogen worden verzwegen of afgezwakt omdat de politieke consequenties daarvan bepaalde partijen of stromingen zouden kunnen bevoordelen?
Ja. Een gezond debat wordt gevoerd met de juiste feiten. Journalisten hebben een belangrijke rol in het brengen van deze feiten, zodat de lezer, kijker of luisteraar zelf een afweging kan maken en een mening kan vormen.
Deelt u de mening dat het bestrijden van «rechtse» politieke duiding nooit een taak kan is van gemeentelijke ambtenaren in hun contact met journalisten?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 2 kan ik zeggen dat in contacten met journalisten, het de taak van ambtenaren is om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt zoals hiervoor aangegeven dat een ambtenaar zijn werk te allen tijde politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Het bestrijden van een bepaalde politieke duiding behoort niet tot de taak van een ambtenaar.
Bent u bereid bij de gemeente Amsterdam na te vragen of de term «rechts in de kaart spelen», of woorden van gelijke strekking, daadwerkelijk is gebruikt in contact met Paul Vugts of met andere journalisten?
De lokale gemeenteraad, in dit geval de Amsterdamse, heeft tot taak het college van burgemeester en wethouders te controleren. In de Amsterdamse gemeenteraad zijn tevens raadsvragen gesteld over deze kwestie, waarmee de gemeenteraad dus invulling geeft aan deze verantwoordelijkheid.
Bent u bereid daarbij ook na te gaan of binnen de gemeente Amsterdam interne richtlijnen, instructies of communicatiestrategieën bestaan waarin wordt gesproken over het voorkomen van berichtgeving die «rechts», «populistisch», «extreemrechts» of andere politieke stromingen in de kaart zou kunnen spelen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 11.
Kunt u uitsluiten dat er binnen de gemeente Amsterdam of andere overheidslagen beleid, instructies of informele werkwijzen bestaan om berichtgeving over asielzoekers, statushouders, migranten of criminaliteit te ontmoedigen wanneer deze politiek ongewenst wordt geacht?
Ten aanzien van de situatie in de gemeente Amsterdam zijn er raadsvragen gesteld, zoals benoemd in het antwoord op vraag 11. Ik heb geen signalen ontvangen dat er bij overheden gebruikt wordt gemaakt van beleid, instructies of informele werkwijzen over het ontmoedigen van bepaalde berichtgeving.
Bent u bereid te onderzoeken of overheidscommunicatieafdelingen journalisten vaker benaderen met politieke argumenten over de mogelijke impact van hun berichtgeving, in plaats van met feitelijke correcties of wederhoor?
Ik heb geen signalen ontvangen dat ambtenaren regelmatig journalisten benaderen met politieke argumenten. Ik zie derhalve geen aanleiding voor een onderzoek.
Bent u bereid heldere richtlijnen op te stellen of aan te scherpen waarin wordt vastgelegd dat overheidsfunctionarissen journalisten niet mogen aanzetten tot het achterwege laten van berichtgeving op grond van het argument dat deze «rechts in de kaart» zou spelen?
Nee. Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de voorgaande vragen.
Deelt u de mening dat juist het achterhouden of ontmoedigen van feitelijke berichtgeving over gevoelige onderwerpen het wantrouwen in overheid en media voedt?
Zorgvuldige en eerlijke communicatie door de overheid is essentieel voor het vertrouwen van burgers in de overheid. De media hebben tot taak om in informatie te voorzien, de macht te controleren en een podium te bieden aan diverse geluiden. De journalistieke sector heeft hiervoor zelf standaarden opgesteld, zoals bijvoorbeeld in de eerder aangehaalde Leidraad van de Raad voor de Journalistiek.
Bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van iedere vorm van overheidsdruk op journalisten die is gebaseerd op de politieke gevolgen van hun berichtgeving?
Er is geen plaats voor overheidsdruk op journalisten om zo hun berichtgeving te beïnvloeden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Seksuele uitbuiting van minderjarigen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving vanaf 21 mei 2026 over een lopend politieonderzoek in het Duitse Neurenberg, waarbij de recherche een speciale onderzoekscommissie genaamd «EKO Kajal» heeft ingesteld naar aanleiding van signalen dat minderjarige meisjes – van wie het jongste bekende slachtoffer dertien jaar oud is – rondom het centraal station stelselmatig werden benaderd door een groep verdachten van voornamelijk Syrische, Noord-Afrikaanse en Pakistaanse afkomst, afhankelijk werden gemaakt van harddrugs zoals crystal meth en vervolgens seksueel werden uitgebuit?
Ja
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving, mede in het licht van de grootschalige zaken in Rotherham en Rochdale, waarbij de dadergroepen overwegend bestonden uit mannen van Pakistaanse afkomst en de slachtoffers overwegend autochtone Britse meisjes waren – en waarbij de officiële evaluatie (Jay Report, 2014) concludeerde dat autoriteiten jarenlang hebben gefaald doordat zij de etnische achtergrond van de dadergroepen niet durfden te benoemen – en deelt u de opvatting dat onderzocht moet worden in hoeverre bij dergelijke zaken sprake is van etnisch gemotiveerde selectie van slachtoffers?
Seksueel misbruik van minderjarigen is afschuwelijk; ieder slachtoffer van seksuele uitbuiting is er één te veel. Gelet op het feit dat het hier gaat om berichtgeving over individuele zaken die buiten Nederland spelen, ga ik op de berichten niet verder in. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor structureel etnisch gemotiveerde slachtofferselectie in Nederlandse zaken, daarom is een onderzoek gericht op etniciteit niet nodig.
Deelt u de opvatting dat zaken als Rotherham en Rochdale enerzijds, en de huidige zaak in Neurenberg anderzijds, een structureel patroon laten zien waarbij kwetsbare minderjarigen door georganiseerde groepen worden gerekruteerd, via alcohol, drugs of intimidatie in een positie van afhankelijkheid en onmacht worden gebracht en vervolgens stelselmatig seksueel worden misbruikt en uitgebuit – en dat dit patroon zich doorgaans buiten het directe zicht van politie, hulpverlening en lokale overheden afspeelt?
Seksueel misbruik van minderjarigen is afschuwelijk. De situaties in Rotherham, Rochdale en Neurenberg spelen in verschillende landen. Het is niet aan mij om daar verdere uitspraken over te doen.
Voor de Nederlandse situatie geldt dat er geen vergelijkbare zaken bekend zijn van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen – waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet. De politie en het OM hebben wel onderzoeken gekend waarin minderjarige slachtoffers seksueel zijn uitgebuit door samenwerking van meerdere daders, maar er zijn geen aanwijzingen voor een structureel patroon. De politie is hier alert op en zal bij eventuele nadere signalen direct afwegen of opsporingsonderzoek geïndiceerd is.
Beschikt u over signalen dat vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen – waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet – zich ook in Nederland voordoen? Zo ja, wat is hierover bekend? Zo nee, op basis waarvan concludeert u dat dergelijke signalen ontbreken, mede gelet op het feit dat de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in 2025 heeft gewaarschuwd voor infiltratie van criminele netwerken in zorginstellingen?
Bij de politie zijn thans geen aanwijzingen bekend van vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet.
De waarschuwing van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (hierna: Nationaal Rapporteur) voor infiltratie van criminele netwerken in zorginstellingen was mede aanleiding voor het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) om onderzoek te doen naar ronselpraktijken binnen zorginstellingen. Uit dat onderzoek volgt dat zorginstellingen vanwege de kwetsbaarheid van bewoners aantrekkelijk kunnen zijn voor mensenhandelaren. Tot dusverre is in één geval betrokkenheid van een medewerker vastgesteld. Ondanks de resultaten uit dit onderzoek ben ik mij bewust van de signalen van criminele infiltratie in zorginstellingen. We voeren binnen het Actieplan Samen tegen mensenhandel daarnaast een pilot uit naar de preventie van ronselen in beschermd en begeleid wonen. Dit is gericht op het herkennen, bespreken en voorkomen van ronselen in zorginstellingen. De eerste inzichten laten zien dat de aanpak professionals helpt bij het signaleren en bespreekbaar maken van risico’s.
Worden in Nederland gegevens bijgehouden over de mate waarin minderjarige meisjes via drugs, schulden, afhankelijkheidsrelaties of andere vormen van dwang in seksuele uitbuiting terechtkomen? Zo ja, wat laten deze gegevens zien over de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet, en acht u dit aanvaardbaar?
De politie registreert slachtoffers van uitbuiting die bij haar in beeld komen, waaronder minderjarige meisjes. De specifieke vorm van dwang waardoor zij in de uitbuitingssituatie terecht zijn gekomen (bijvoorbeeld drugs, schulden of afhankelijkheidsrelaties) wordt niet landelijk en uniform geregistreerd. Daar is vanuit het opsporingsbelang ook geen directe noodzaak toe, omdat voor minderjarigen het bestaan van dwang geen vereiste is om te komen tot strafbaarheid wegens mensenhandel.
Kunt u aangeven in hoeveel zaken van seksuele uitbuiting of verkrachting van minderjarigen de afgelopen vijf jaar sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband van meerdere daders, en in hoeveel zaken van een individuele dader?
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) houdt geen registratie bij van het aantal zaken met betrekking tot seksuele uitbuiting van minderjarigen waarin sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband dan wel van individuele daders.
In hoeverre beschikken politie, Openbaar Ministerie, gemeenten, jeugdzorginstellingen en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel over voldoende instrumenten om georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten vroegtijdig te herkennen en te ontmantelen, en welke knelpunten worden hierbij gesignaleerd?
De politie en het OM zijn primair verantwoordelijk voor het herkennen (politie) en het opsporen en vervolgen (OM) van verdachten van georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten. Gemeenten en jeugdzorginstellingen vervullen een cruciale signalerings- en meldfunctie richting ketenpartners. De Nationaal Rapporteur doet onafhankelijk onderzoek en adviseert het kabinet over verbeteringen in de aanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen.
De politie en het OM geven aan te beschikken over toereikende instrumenten om signalen van georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten tijdig te herkennen en te onderzoeken. Wanneer dergelijke netwerken in beeld komen, biedt het huidige wettelijke kader voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden.
Er wordt stevig geïnvesteerd in het versterken van de signalerings- en meldfunctie rond mensenhandel in brede zin, bij ketenpartners. Binnen het Actieplan Programma Samen tegen Mensenhandel is specifieke aandacht voor minderjarige slachtoffers via bewustwording en deskundigheidsbevordering, onder meer bij jeugdzorg, politie en het OM. Professionals worden ondersteund met een gratis e-learning, maatwerktrainingen en de campagne «Jongeren zijn #GeenBuit» om signalen van mensenhandel bij jeugdigen tijdig te herkennen en ernaar te handelen. Ook wordt ingezet op het verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen lokale en regionale partners centraal, en de versterking van de regionale en bovenregionale samenwerking.
Wordt in Nederland structureel onderzocht of bepaalde groepen minderjarige meisjes een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van deze vorm van uitbuiting – bijvoorbeeld meisjes uit instabiele gezinssituaties, de jeugdzorg of de gesloten jeugdhulp – en zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek?
Er zijn op dit moment geen signalen bekend bij de politie van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet. Gericht onderzoek op basis van politiedata naar deze concrete modus operandi is daardoor momenteel niet mogelijk.
Beschikt u over gegevens omtrent de nationaliteit, migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten die in Nederland betrokken zijn bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen? Zo ja, bent u bereid deze gegevens met de Kamer te delen? Zo nee, deelt u de opvatting dat het ontbreken van deze registratie – gelet op de uitdrukkelijke conclusie in het Britse Jay Report dat het niet benoemen van de achtergrond van dadergroepen het ingrijpen heeft vertraagd en slachtoffers heeft geschaad – zelf een beleidsrisico vormt dat correctie behoeft?
De politie en het OM registreren geen migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten. Indien bekend wordt de nationaliteit door de politie wel geregistreerd; deze gegevens worden gedeeld met de Nationaal Rapporteur en opgenomen in haar jaarbeeld. Bijzondere categorieën van politiegegevens mogen ook enkel door de politie en het OM verzameld en verwerkt worden indien dit noodzakelijk is voor het doel van de verwerking, i.c. de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Deze gegevens worden dan ook niet categorisch verwerkt, omdat de verwerking niet voor alle situaties noodzakelijk zal zijn. De Nationaal Rapporteur heeft de wettelijke taak om onderzoek te doen naar de aard en omvang van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen. Ook is het een wettelijke taak om onderzoek te doen naar de effecten van het huidige beleid op de aanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen en om de regering te adviseren over het voorkomen en bestrijden ervan. Ik laat me hierover dan ook adviseren door de Nationaal Rapporteur.
Indien gegevens over de achtergrond van daders bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen niet structureel worden verzameld of geanalyseerd, acht u het wenselijk hierin verandering te brengen, zodat beter inzicht ontstaat in de aard, omvang en achtergrond van deze ernstige vorm van criminaliteit en de aanpak daarop kan worden afgestemd?
Zie antwoord vraag 9.
Welke concrete lessen trekt u uit de zaken in Neurenberg, Rotherham, Rochdale en vergelijkbare buitenlandse onderzoeken, en ziet u aanleiding om de Nederlandse aanpak – inclusief het instrumentarium voor vroegherkenning, registratie en vervolging – tegen het licht te houden?
Het is niet aan ons om op basis van mediaberichten over buitenlandse zaken conclusies te trekken of beleidslessen te formuleren.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van de aard en omvang van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen in Nederland, inclusief de wijze waarop politie, Openbaar Ministerie en hulpverlening dit monitoren en bestrijden, alsmede een beoordeling of het huidige instrumentarium toereikend is?
De Nationaal Rapporteur rapporteert jaarlijks over de aard en omvang van seksuele uitbuiting, ook van minderjarigen. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 7 geven politie en OM aan voldoende uit de voeten te kunnen met het huidige instrumentarium.
Het bericht dat migratiedeskundige Ruud Koopmans niet langer welkom zou zijn als spreker bij een bijeenkomst van Pakhuis de Zwijger |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat socioloog en migratiedeskundige Ruud Koopmans niet langer welkom zou zijn als spreker bij een bijeenkomst van Pakhuis de Zwijger vanwege uitingen op sociale media?
Ja.
Ontvangt Pakhuis de Zwijger direct of indirect rijkssubsidie, dan wel financiering via rijksfondsen, semipublieke instellingen of andere publieke middelen? Zo ja, om welke bedragen gaat het in de afgelopen vijf jaar?
Pakhuis de Zwijger heeft een bijdrage ontvangen van € 745.000 in de context van de Culturele Basisinfrastructuur (BIS) 2021–2024 van het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. Voor de periode 2025–2028 ontvangt Pakhuis de Zwijger een bijdrage van € 550.000 per jaar via het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Pakhuis de Zwijger ontvangt tevens subsidie vanuit het Kunstenplan van de gemeente Amsterdam. Andere inkomstenbronnen zijn publieksinkomsten, partnerbijdragen, horeca en zaalverhuur. Voor 2026 heeft Pakhuis de Zwijger een begroting van in totaal € 5.760.500.
Deelt u de opvatting dat van publiek gefinancierde debatinstellingen een zekere mate van pluriformiteit en openheid mag worden verwacht, juist waar het gaat om maatschappelijk controversiële onderwerpen zoals migratie?
Ik acht het in algemene zin van belang dat er ruimte is voor debat over politiek-maatschappelijke thema’s met een diversiteit aan perspectieven. Echter is het niet aan mij om de programmering van een culturele instelling te beoordelen. Hoe invulling wordt gegeven aan debat en programma en wat hiervoor wordt georganiseerd of wie wordt uitgenodigd is aan de instelling. In onderhavig geval heeft de Adviesraad Migratie overigens besloten de bijeenkomst op een andere locatie te houden.
Hoe verhoudt het weren van een spreker vanwege publieke politieke of maatschappelijke uitingen zich volgens u tot het publieke doel van debatinstellingen die zeggen ruimte te bieden aan het maatschappelijk gesprek?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het wenselijk dat een gerenommeerd migratiewetenschapper wordt geweerd wegens online uitingen, terwijl hij juist was uitgenodigd om over migratie in debat te gaan?
Zie antwoord vraag 3.
Welke criteria gelden voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen op het gebied van maatschappelijke dialoog, democratische vorming of publiek debat ten aanzien van ideologische diversiteit en pluriformiteit?
Voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen geldt dat zij artistiek en inhoudelijk autonoom zijn. Dit is een belangrijk uitgangspunt in een democratische rechtsstaat. Wel geldt in algemene zin dat van instellingen met een publieke debat- of dialoogfunctie mag worden verwacht dat zij een podium geven aan verschillende stemmen en opvattingen in het debat. Dit gesprek wordt momenteel uitvoerig gevoerd binnen de sector. Een belangrijke aanjager hiervan is het advies «Maken (z)onder druk» van de Raad voor Cultuur, hierin wordt o.a. gekeken naar de verantwoordelijkheid van de instelling. De uiteindelijke afweging blijft echter altijd aan de instelling zelf. Het is niet aan het kabinet om programmering inhoudelijk te beoordelen of te sturen op specifieke politieke of ideologische vertegenwoordiging.
Volgens de missie en visie van Pakhuis de Zwijger stelt men zich ten doel om met een duurzame, inclusieve, pluriforme, humane, verbonden en toekomstgerichte programmering bij te dragen aan vrije gedachtewisseling op het gebied van de dynamiek van de stedelijke samenleving1. Het is, indien gevraagd wordt om een Rijksbijdrage via de Basisinfrastructuur (BIS), aan de Raad voor Cultuur om de toegevoegde waarde van de activiteiten en de programmering van een instelling inhoudelijk te beoordelen.
Deelt u de zorg dat er een situatie kan ontstaan waarin gesubsidieerde debatinstellingen in de praktijk vooral sprekers uitnodigen die passen binnen een relatief smal ideologisch spectrum?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er bij het Rijk of subsidieverstrekkers waarborgen of evaluatiecriteria aanwezig om te voorkomen dat publiek gefinancierde instellingen bijdragen aan institutionele uitsluiting van legitieme maatschappelijke opvattingen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de spanning tussen enerzijds codes of conduct van debatinstellingen en anderzijds het publieke belang van open debat, juist tussen fundamenteel verschillende perspectieven?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid in overleg te treden met publiek gefinancierde debatinstellingen over de vraag hoe ideologische pluriformiteit en ruimte voor controversiële, maar democratisch legitieme stemmen beter kunnen worden gewaarborgd?
Zie antwoord vraag 6.
Het afzeggen van een interview met Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een interview met de Vlaamse politicus Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) is afgezegd na overleg met de universiteit, omdat de benodigde inzet en impact op de campus te groot zouden zijn geweest?1
Ja.
Klopt het dat volgens de betrokken organisaties veiligheid en noodzakelijke beveiliging een belangrijke rol speelden bij deze afzegging?
De UvA heeft mij laten weten dat het studentenplatform Room for Discussion heeft besloten het interview te annuleren. Dit hebben zij gedaan na consultatie bij de UvA en op basis van een brede afweging. Daarbij is gekeken naar de veiligheid en de benodigde veiligheidsmaatregelen, maar ook naar de gevolgen voor onderwijs en onderzoek, logistieke overwegingen, eventuele protocollaire eisen en de wensen van de gast.
Hoe beoordeelt u het dat een gesprek met een democratisch actieve politicus op een universiteitscampus geen doorgang vindt vanwege verwachte veiligheids- en beheerslasten?
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om ervoor te zorgen dat de randvoorwaarden voor bijeenkomsten en de veiligheid van de aanwezigen voldoende geborgd zijn. Indien de risico’s voor de veiligheid te groot zijn, kan het zo zijn dat bijeenkomsten geen doorgang kunnen vinden. Ik betreur het dat er situaties zijn waarbij de veiligheid van studenten en genodigden onvoldoende kan worden gegarandeerd en een bijeenkomst daarom geannuleerd moet worden.
Onderschrijft u dat universiteiten bij uitstek plaatsen behoren te zijn waar vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid en confrontatie met uiteenlopende maatschappelijke en politieke opvattingen actief worden beschermd?
Ik onderschrijf dat de academische vrijheid op universiteiten actief beschermd moet worden. De vrijheid van meningsuiting dient overal actief beschermd te worden. Universiteiten zijn bij uitstek de plekken in de samenleving voor een open debat en dialoog, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van academische kernwaarden, zoals o.a. kritisch denken, onafhankelijkheid, respect en transparantie. Instellingen zijn hier primair verantwoordelijk voor en zetten zich hier ook voor in.
Deelt u de opvatting dat diversiteit van opvattingen op de universiteit óók betekent dat studenten en medewerkers in aanraking moeten kunnen komen met standpunten die als ongemakkelijk, omstreden of impopulair worden ervaren?
Ja, ik deel deze opvatting. Ik acht het van belang dat er op universiteiten ruimte is voor debat over maatschappelijke thema’s met een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van academische kernwaarden.
Hoe voorkomt de overheid volgens u dat op universiteiten in de praktijk een situatie ontstaat waarin de verwachte onrust rond een spreker zwaarder gaat wegen dan het belang van open debat?
De instellingsbesturen hebben de ingewikkelde taak om zowel het open debat, alsook de veiligheid op de campus te waarborgen. Bij het faciliteren of organiseren van bijeenkomsten wordt per casus, in overleg met betrokken partijen, een afweging gemaakt of iemand kan komen spreken. Het beoordelen van de risico's van bijeenkomsten, het nemen van veiligheidsmaatregelen en het daarbij waar nodig inschakelen van daartoe bevoegde partijen, is de verantwoordelijkheid van de instelling in samenspraak met de lokale driehoek. Ik vertrouw erop dat zij deze afwegingen weloverwogen maken. Het is niet aan mij als Minister om mij in die afweging te mengen.
Deelt u de zorg dat het afzeggen van bijeenkomsten wegens verwachte protesten, veiligheidsrisico’s of organisatorische druk ertoe kan leiden dat niet de formele regels, maar de dreiging van verstoring bepaalt welke opvattingen nog gehoord mogen worden?
Zoals aangegeven bij vraag 3 betreur ik het als een bijeenkomst vanwege veiligheidsredenen niet door kan gaan. Ik verwacht van instellingen dat zij zich maximaal inspannen om de randvoorwaarde van veiligheid te borgen en hierover op lokaal niveau met de veiligheidsdriehoek overleg te plegen. In mijn gesprekken met bestuurders merk ik dat zij zich hier ten volle van bewust zijn en voor inzetten. Ik herken dan ook niet het beeld dat instellingen relatief snel afschalen of afgelasten. Als hierover zorgen leven binnen de academische gemeenschap op de instellingen, dan kunnen zij hierover met het College van Bestuur in gesprek.
Acht u het wenselijk dat universiteiten een positieve inspanningsverplichting hebben om legale bijeenkomsten en interviews juist wel mogelijk te maken, inclusief passende beveiliging, in plaats van dergelijke activiteiten relatief snel af te schalen of af te gelasten?
Zie antwoord vraag 7.
Welke landelijke kaders, richtlijnen of handreikingen bestaan er momenteel voor universiteiten om de balans te bewaken tussen veiligheid enerzijds en vrijheid van meningsuiting en academische pluriformiteit anderzijds?
Over de wijze waarop instellingen deze balans bewaken hebben mijn ambtsvoorgangers uw Kamer op 3 juli en 18 december 2025 geïnformeerd met de brieven over veiligheid op universiteiten en hogescholen.2 In de bijlage bij de brief van 3 juli gaan de koepelorganisaties VH en UNL specifiek in op de kaders, richtlijnen en handreikingen die zij hiervoor gebruiken en hoe de sectorale coördinatie van hun veiligheidsbeleid is ingericht.
Wordt binnen die kaders voldoende expliciet gemaakt dat universiteiten niet alleen sociaal-demografische diversiteit, maar ook intellectuele en ideologische diversiteit behoren te bevorderen?
Ik vind het belangrijk dat universiteiten zich blijvend inzetten voor diversiteit en inclusie zodat er een leer- en werkomgeving wordt gecreëerd waar iedereen zich kan ontplooien. Onder deze diversiteit valt niet alleen de genoemde sociaal-demografische diversiteit maar ook intellectuele en ideologische diversiteit. Het bevorderen van intellectuele en ideologische diversiteit is een kernwaarde van het hoger onderwijs en niet alleen uitgangspunt in deze kaders, maar ook in de uitvoering van de brede maatschappelijke opdracht van de instellingen.
In hoeverre ziet u signalen dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen op campussen structureel moeilijker aan bod komen vanwege bestuurlijke terughoudendheid, veiligheidsbezwaren of druk vanuit actiegroepen?
Hoger onderwijsinstellingen staan in het midden van de samenleving en vervullen een essentiële rol in het maatschappelijk debat over de meest uiteenlopende onderwerpen. Dat doen zij door binnen hun instellingen het academische debat te stimuleren. Ik acht het van belang dat hierbij ruimte is voor diversiteit aan perspectieven, ook binnen politiek-maatschappelijke thema’s. Hierbij is het belangrijk dat academische kernwaarden. Daarnaast hebben zij de taak om met een veelvoud aan opvattingen om te gaan in hun onderwijs- en onderzoeksactiviteiten en hiervoor een veilige leer- en werkomgeving te bieden. Het is de verantwoordelijkheid van de academische gemeenschap om te zorgen dat alle perspectieven aan bod komen, en om gevrijwaard te blijven van een bias op basis van politieke of maatschappelijke voorkeuren. Ik onderken de zorgen die leven dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen onder druk staan. Naar aanleiding van de motie Heite laat ik een onafhankelijk onderzoek uitvoeren waarbij de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap worden geïnventariseerd en geanalyseerd.3
Het artikel noemt eerdere incidenten aan de UvA rond gesprekken met onder anderen Ruben Brekelmans, Rob Bauer, Kajsa Ollongren, Femke Halsema en Jordan Peterson; ziet u hierin een incidenteel patroon van losse gebeurtenissen of een structureler probleem rond het organiseren van debat op universiteiten?
Universiteiten zijn de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven. Hoe invulling wordt gegeven aan die cultuur en wat hiervoor wordt georganiseerd is aan de universiteiten. De universiteiten zijn onlangs gestart met het versterken van het academisch debat door in iedere universiteit een dialoogmaker aan te stellen. Zij organiseren binnen de instellingen verschillende debatten over schurende onderwerpen die juist als doel hebben het academische debat binnen de academische gemeenschap op goede wijze te voeren.
Ik heb geen zicht op wat er allemaal georganiseerd wordt op universiteiten en hoe vaak situaties zoals genoemd in het artikel voorkomen. Voor de situaties waar het artikel naar verwijst, heeft het instellingsbestuur een complexe afweging gemaakt, zoals in de voorgaande antwoorden toegelicht. Ik vertrouw erop dat de instelling hier per casus weloverwogen beslissingen in maakt.
Wordt bij afwegingen over omstreden sprekers systematisch vastgelegd welke concrete risico’s zijn geïdentificeerd, welke minder vergaande alternatieven zijn onderzocht en waarom uiteindelijk voor afgelasting is gekozen?
Instellingen hebben gezamenlijk via hun Platform Integrale Veiligheid de handreiking «Controversiële sprekers» ontwikkeld, een handelingskader voor de omgang met controversiële sprekers en ongewenste beïnvloeding. Het richt zich op een zorgvuldig intern proces voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur. In de bij vraag 9 genoemde brief van de koepelorganisaties UNL en de VH geven de instellingen aan dat zij deze handreiking hebben verwerkt in het instellingsbeleid.
Zou het volgens u wenselijk zijn dat universiteiten achteraf transparanter verantwoording afleggen wanneer bijeenkomsten of gesprekken worden afgezegd die raken aan het vrije publieke debat?
Ik vind het wenselijk dat universiteiten, voor zover mogelijk, transparant zijn over dit soort besluiten. Vanwege veiligheid zal er niet altijd volledige transparantie mogelijk zijn. Zoals aangegeven onder vraag 13, hebben de instellingen een zorgvuldig intern proces ingericht voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur.
Bent u bereid met universiteiten in gesprek te gaan over aanvullende waarborgen voor vrijheid van meningsuiting en diversiteit van opvattingen op de campus, en de Kamer hierover te informeren?
Momenteel werkt de KNAW aan een advies over vrijheid van meningsuiting binnen de wetenschappelijke sector. Daarnaast start ik, naar aanleiding van de motie Heite, een onafhankelijk onderzoek waarbij de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap worden geïnventariseerd en geanalyseerd.4 Tot slot heeft uw Kamer met de motie Claassen verzocht om concrete afspraken te maken met de universiteiten ter versterking van de praktische borging van academische vrijheid en uw Kamer periodiek te informeren over voortgang en resultaten.5 Hierover ben ik met Universiteiten van Nederland (UNL) in gesprek. Ik wil de uitkomsten van deze trajecten afwachten voordat ik andere acties onderneem. Dit najaar wil ik uw Kamer informeren over de uitkomsten van het advies van de KNAW, het onderzoek naar de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap en de stand van zaken wat betreft de uitvoering van de voorgenoemde motie Claassen. Hierbij wil ik uw Kamer ook informeren over het advies van de KNAW inzake de juridische borging van academische vrijheid die ik dit jaar verwacht te ontvangen. De voorgenoemde uitkomsten wil ik in samenhang voorzien van mijn beleidsreactie en uw Kamer hierover informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of een landelijke handreiking of gedragscode nodig is waarin expliciet wordt vastgelegd dat universiteiten terughoudend moeten zijn met het afzeggen van legale debatbijeenkomsten enkel vanwege verwachte maatschappelijke controverse?
Nee, ik ben hier niet toe bereid. Bij iedere casus moeten de instellingsbesturen een eigen, complexe afweging maken of iemand kan komen spreken. Zoals toegelicht onder vraag 13 hanteren de onderwijsinstellingen een zorgvuldig intern proces voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur.
Kunt u uiteenzetten hoe volgens u moet worden voorkomen dat studenten op universiteiten juist minder in aanraking komen met afwijkende of schurende perspectieven, terwijl academische vorming vraagt om blootstelling aan fundamenteel verschillende ideeën?
Universiteiten zijn bij uitstek de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat en waar ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven ook als deze afwijkend of schurend zijn. Hoe invulling wordt gegeven aan die cultuur en wat hiervoor wordt georganiseerd is aan de universiteiten. Het is niet aan mij als Minister om mij hierin te mengen. Dat is namelijk de essentie van academische vrijheid.
Deelt u de opvatting dat het vermogen om afwijkende, impopulaire of zelfs provocerende standpunten in een vreedzame en ordelijke setting te bespreken, een kernonderdeel is van wetenschappelijke en democratische vorming?
Ik acht het openstaan voor perspectieven en ervaringen van anderen en het kunnen uitwisselen van standpunten, compromissen sluiten en omgaan met meerderheids- en minderheidsstandpunten zeker van belang voor de democratische vorming. Daarnaast is het leren voeren van het academisch debat onderdeel van het academisch onderwijs.
De vertraging en mogelijke versobering van de verbreding van de A27 tussen Houten en Hooipolder |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dreigt de kaasschaaf voor de A27? Regio vreest nieuwe knelpunten en stilvallen van woningbouw»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat, door oplopende kosten, delen van het project A27 Houten–Hooipolder zijn uitgesteld, versoberd of heroverwogen? Zo ja, welke onderdelen betreft dit precies?
In de MIRT-brief najaar 2024 is gemeld dat het programma A27 Houten-Hooipolder te maken heeft met aanzienlijk hogere kosten dan eerder was voorzien. In de MIRT-brief van voorjaar 20252 is aangegeven dat – als gevolg van deze oplopende kosten – keuzes gemaakt moeten worden. Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder wordt er prioriteit gegeven aan het uitvoeren van de werkzaamheden die onvermijdelijk zijn; het gaat om de vervanging van de Merwedebruggen en de Hagesteinsebruggen (beide einde levensduur).
Programmaonderdelen die gericht zijn op de doorstroming, worden gefaseerd in de tijd waarbij de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (beperken van flessenhalzen) als eerste worden uitgevoerd. Het gaat hier bijvoorbeeld om de wegverbreding tussen Everdingen en Gorinchem en de aanleg van Merwedebrug Oost.
Werkzaamheden die reeds gestart zijn, worden doorgezet (knooppunt Hooipolder en aansluiting Groote Haar). Dit betekent echter ook dat andere onderdelen van het programma op een later moment worden uitgevoerd. Concreet gaat het hier om de capaciteitsuitbreiding van de Houtensebrug3 en de vervanging van de Keizersveerbruggen en aansluitende infrastructuur.
Inmiddels is de ontwerpfase van de Merwedebrug West en van de Hagesteinsebruggen afgerond. Daarmee is er meer inzicht gekomen in de planning van het programma. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031 en de Hagesteinsebruggen naar verwachting in 2034. Per separate brief (11 mei 20264) is de Kamer nader geïnformeerd over de over de laatste ontwikkelingen bij het programma A27 Houten-Hooipolder (inclusief planning en financiën).
Kunt u aangeven wat op dit moment de actuele kostenraming van het project A27 Houten–Hooipolder is, hoe deze zich verhoudt tot eerdere ramingen en welke oorzaken ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen?
Het beschikbare budget bedraagt in het MIRT 2026 € 2.998 mln. Om de onvermijdelijke onderdelen en de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (zie antwoord 2) uit te kunnen voeren bedraagt de aanvullende dekking circa € 1.850–1.970 mln.5.
Oorzaken die ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen betreffen prijsstijgingen, huidige marktspanning, een te lage initiële raming en voortschrijdende inzichten (onder andere onderschatting complexiteit en een slechtere staat van het areaal).
Gezien de grote omvang van dit aanvullende bedrag zijn er verschillende scenario’s (bijvoorbeeld een geheel nieuw ontwerp of de renovatie van de bestaande Merwedebrug) onderzocht en zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Geen van deze opties leverde echter de beoogde kostenbesparing op zonder fors in te boeten op het beoogde resultaat. Dat resultaat moet worden bereikt gegeven het feit dat het traject één van de belangrijkste noord-zuid verbindingen van Nederland vormt. Het betreft een grote noodzakelijke vernieuwingsopgave van vitale infrastructuur (o.a. verouderde Merwedebrug en Hagesteinsebrug). Ook is er sprake van acute infrastructurele knelpunten op het tracé, die verder toenemen als gevolg van de groeiende mobiliteit.
Welke scenario’s voor fasering, versobering of bezuiniging worden momenteel onderzocht? Kunt u per scenario aangeven wat de gevolgen zijn voor capaciteit, doorstroming, verkeersveiligheid, leefbaarheid en uitvoeringstermijn?
Zie beantwoording vraag 2 en 3. Uitgangspunt blijft om het hele Tracébesluit uit te voeren en de meest urgente onderdelen als eerste op te pakken.
Deelt u de zorg dat het uitstellen van de vervanging of aanpassing van onderdelen zoals de Keizersveerbrug, de Houtensebrug en knooppunt Gorinchem ertoe kan leiden dat nieuwe of blijvende knelpunten ontstaan op het traject A27? Zo nee, waarom niet?
Bij de prioritering is de afweging zodanig gemaakt dat de kans op knelpunten zo klein mogelijk is, zie beantwoording vraag 2. Daarbij blijft het belangrijk dat het gehele programma (Tracébesluit) uiteindelijk wordt uitgevoerd.
Hoe beoordeelt u in het bijzonder de betekenis van de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem voor de doorstroming op de A27, gelet op het feit dat dit traject behoort tot de grootste fileknelpunten van Nederland?
Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder is de Merwedebrug met gedeeltelijke aanpak van knooppunt Gorinchem de grootste flessenhals. Bovendien heeft de Merwedebrug einde technische levensduur bereikt en is vervanging op korte termijn noodzakelijk. Dat is de reden dat dit onderdeel van het programma met prioriteit wordt uitgevoerd.
Deelt u de opvatting dat een gedeeltelijke aanpak van de A27, waarbij cruciale flessenhalzen onvoldoende worden meegenomen, het risico vergroot dat publiek geld wordt geïnvesteerd zonder dat de beoogde filevermindering daadwerkelijk wordt gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Uiteindelijk wordt het hele Tracébesluit uitgevoerd, maar wordt de uitvoering langer over de tijd verspreid. De belangrijkste flessenhalzen worden hierbij als eerste aangepakt. Zie ook vraag 5.
Kunt u aangeven wat de verwachte effecten zijn van de huidige onzekerheid rond de A27 op de filedruk bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindsituatie indien onderdelen worden geschrapt of uitgesteld?
Voor de doorstroming is de Merwedebrug de grootste flessenhals op de A27 tussen Houten en Hooipolder. De bestaande Merwedebrug heeft einde levensduur bereikt. Naast de bestaande Merwedebrug zal de nieuwe Merwedebrug West worden gebouwd. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031. Tijdelijk zal deze brug gebruikt worden in twee richtingen. Na de sloop van de bestaande brug zal de Merwedebrug Oost (capaciteitsuitbreiding) worden gebouwd. De precieze planning van de Merwedebrug Oost is nog niet bekend. Dit is afhankelijk van de vervanging van de objecten Steenenhoek en Palenweg die momenteel nader wordt uitgewerkt. De vermindering van de filedruk is hiermee afhankelijk van het moment van openstellen van Merwedebrug Oost. Bij een latere opstelling van Merwedebrug West zal het bestaande knelpunt erger worden als gevolg van autonome groei (langdurigere spitsperiode). Het positieve effect van de verbreding van Gorinchem-Everdingen zal pas bij openstelling van Merwedebrug Oost zijn bereikt. Daarnaast zal er een risico zijn van terugslag van de file op de A27 over knooppunt Gorinchem.
De filedruk tijdens de uitvoering van m.n. het gedeelte Everdingen-Gorinchem zal fors zijn, hiervoor zijn de nodige nacht-, weekend- en zomerafsluitingen gepland (link planning werkzaamheden).
Welke gevolgen verwacht u van verdere vertraging of versobering voor de bereikbaarheid van Gorinchem en de omliggende regio, zowel voor bewoners als voor goederenvervoer, hulpdiensten en regionale economie?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal er langer sprake zijn van hinder door de files op het traject met gevolgen voor de bereikbaarheid.
Erkent u dat de aanhoudende onzekerheid over de A27 negatieve gevolgen kan hebben voor woningbouw, bedrijventerreinen en andere ruimtelijke ontwikkelingen in de regio, juist op een plek waar bereikbaarheid een essentiële randvoorwaarde is? Zo ja, hoe weegt u dat mee?
De Tweede Kamer is op 11 mei 2026 geïnformeerd over de stand van zaken van het programma A27 Houten-Hooipolder. Met deze brief wordt duidelijkheid gegeven over de planning van realisatie van dit programma. De inzet is en blijft om uiteindelijk het gehele Tracébesluit te realiseren. Zie tevens de beantwoording vraag 2 voor de onderdelen die prioriteit krijgen.
Kunt u concreet aangeven welke woningbouw- en economische ontwikkelingen langs het traject A27 Houten–Hooipolder geraakt kunnen worden door uitstel of versobering van het project?
De A27 Houten-Hooipolder is vooral een belangrijke verbindingsroute tussen het noorden en zuiden van Nederland en als ontsluiting van het rivierengebied. Deze vertraging heeft vooral hiervoor gevolgen.
Welke gevolgen heeft de huidige onzekerheid voor de ontwikkeling van openbaarvervoermaatregelen in de corridor, waaronder de snelle busverbinding tussen Breda, Gorinchem en Utrecht en de aanleg van overstappunten?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal de OV-verbinding tussen Breda en Utrecht langer hinder ondervinden van de files op het traject. Hierbij blijft het uitgangspunt dat tijdens de werkzaamheden de weg en vaarweg zoveel mogelijk beschikbaar blijven voor verkeer.
Hoe beoordeelt u de toename van sluipverkeer op gemeentelijke en provinciale wegen als gevolg van aanhoudende congestie op de A27? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk?
Helaas zal de regio als gevolg van de gefaseerde uitvoering op diverse plekken langer last blijven houden van het sluipverkeer bij hinder op de A27. In het programmabudget zijn middelen gereserveerd voor een beperkte passende hinderaanpak; deze worden al sinds de start van het programma ingezet en de hinderaanpak blijft van toepassing nu uitvoering van het programma langer duurt. Rijkswaterstaat voert landelijk verkeersmanagement uit in afstemming met de regio. Doel van Rijkswaterstaat hierbij is om automobilisten op de snelweg te houden en sluipverkeer te voorkomen.
In hoeverre zijn de betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden, waaronder Slimme Aanpak A27, betrokken bij de keuzes die nu worden gemaakt over planning, budget en scope?
Met de leden van de Bestuurlijke Advies Groep (BAG) (betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden) is na het faseringsbesluit van mei 2025 afgesproken om de effecten van het faseringsbesluit inzichtelijk te maken. Ook is aan de leden van de BAG gevraagd proactief mee te denken over mogelijke beheersmaatregelen en meekoppelkansen. Hiervoor zijn werkateliers gepland. Het is de ambitie om rond de zomer concrete voorstellen te bespreken in de BAG en hierover vervolgens afspraken te maken.
Bent u bereid op korte termijn met de regio in overleg te treden over een integrale oplossing voor het gehele traject, inclusief de knelpunten bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem? Zo ja, op welke termijn?
Voor de belangrijkste werkzaamheden binnen het programma A27 Houten-Hooipolder (o.a. Merwedebrug West en Hagesteinsebruggen) is de Tweede Kamer per brief is geïnformeerd over de stand van zaken. Direct hierna worden de regionale bestuurders geïnformeerd over de stand van zaken. Duidelijkheid over de aanpak van de werkzaamheden voor de langere termijn (o.a. Houtensebrug en Keizersveerbruggen) is afhankelijk van nieuwe besluitvorming binnen het Mobiliteitsfonds. Vanuit het programma is regelmatig contact met de regio over de voortgang van het programma, maar na de zomer zal ik ook zelf hierover in gesprek gaan met de regio.
Kunt u de Kamer vóór de komende begrotingsbehandeling of een ander eerstvolgend relevant debat een geactualiseerde planning sturen, inclusief duidelijkheid over budget, scope, fasering en oplevermomenten van de verschillende deelprojecten?
De Tweede Kamer is op 11 mei per brief geïnformeerd over de stand van zaken. Over de voortgang van het programma wordt de Tweede Kamer op de reguliere momenten geïnformeerd.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om te voorkomen dat het project zodanig wordt versoberd dat hardnekkige fileknelpunten, waaronder bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, in stand blijven?
Met het afronden van de ontwerpfase en het definitief opdragen van de Merwedebrug West wordt een grote stap gezet in het programma A27 Houten-Hooipolder. De Merwedebrug vormt namelijk het grootste knelpunt tussen Houten en Hooipolder.
Het besluit om het werk aan de Merwedebrug West op te dragen (gunnen), kan niet langer uitgesteld worden om het afgesproken traject met de aannemerscombinatie binnen de gemaakte afspraken af te ronden. Uitstel van het besluit leidt tot vertraging van de start van de uitvoering en verandering van de voorwaarden waaronder het werk zou kunnen worden uitgevoerd. Dit zou leiden tot hogere kosten, een langere duur en grotere risico’s. Op 23 juni 2026 vindt het Commissiedebat Strategische keuzes bereikbaarheid plaats, waarin het afweegproces voor de brede prioritering binnen het Mobiliteitsfonds en Deltafonds met de Tweede Kamer besproken wordt. De begrotingsregels schrijven voor dat meerkosten van dekking worden voorzien. De meerkosten voor de Merwedebruggen worden voor nu gedekt uit de Ring Utrecht, het besluit voor de definitieve dekking loopt mee in dit afweegproces. Er dient geprioriteerd te worden over de volle breedte van de opgaven, het MIRT en de fondsen. Zie hiervoor de brief die ik samen met de Staatssecretaris naar de Tweede Kamer heb gestuurd (Kamerbrief 36800-A-39, d.d. 16 maart 2026).
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van het project, de kostenontwikkeling en de bestuurlijke afstemming met de regio?
De Tweede Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de MIRT-projecten via Kamerbrieven die voorafgaand aan de commissiedebatten MIRT aan de Tweede Kamer worden gestuurd.
Door de politie georganiseerde iftarbijeenkomsten |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichten en op sociale media verspreide video’s waaruit blijkt dat op verschillende locaties iftarbijeenkomsten zijn georganiseerd of gefaciliteerd door de politie, onder meer in of bij politiebureaus, waarbij ook de islamitische gebedsoproep (azan) te horen is?
Ja.
Klopt het dat er op of bij meerdere politiebureaus iftarbijeenkomsten hebben plaatsgevonden die door of met medewerking van de politie zijn georganiseerd of gefaciliteerd? Zo ja, om welke locaties, data en gelegenheden ging het?
Het optreden van de politie moet passen binnen de kaders van de rechtsstaat en neutraal zijn. Dat betekent dat zij onder diensttijd en in uniform niet actief deelnemen aan religieuze uitingen zoals bidden, zingen en reciteren. Het is belangrijk dat de politie in nauwe verbinding staat met de samenleving. Dit doet de politie onder andere om begrip tussen de politie en verschillende doelgroepen in de samenleving te bevorderen, en om toegankelijk te blijven als organisatie, het vertrouwen te versterken, bij te dragen aan bevordering van sociale cohesie, contacten op te bouwen en preventief signalen op te pikken. Dit zijn belangrijke elementen van gebiedsgebonden politiewerk en dragen bij aan de legitimiteit en effectiviteit van de politieorganisatie.
Deelname aan en het faciliteren van gemeenschapsactiviteiten kan een bijdrage leveren aan bovenstaande. Bijvoorbeeld als het gaat om religieuze vieringen zoals een paasontbijt, kerstdiner of een maaltijd om het vasten te verbreken. Vaak gebeurt dit op uitnodiging van lokale partners om de onderlinge verbinding te versterken.
Klopt het dat in het in de video getoonde geval sprake was van een iftarbijeenkomst waarbij de azan werd voorgedragen in aanwezigheid van politieagenten in uniform? Zo ja, wie was verantwoordelijk voor de organisatie en op basis van welke overwegingen is besloten deze bijeenkomst te houden?
Tijdens deze bijeenkomsten is het mogelijk dat er religieuze uitingen worden gedaan door aanwezigen.
Voor de politie geldt dat de politie de neutraliteit behoudt door onder diensttijd en in uniform niet actief deel te nemen aan religieuze uitingen zoals bidden, zingen en reciteren. Optreden van de politie moet passen binnen de kaders van de rechtsstaat en neutraal zijn.
Acht u het passend dat in of bij politiebureaus expliciete religieuze uitingen of rituelen plaatsvinden die behoren tot één specifieke godsdienst, terwijl de politie een neutrale vertegenwoordiger van de rechtsstaat behoort te zijn?
De politie neemt deel aan bijeenkomsten in het teken van betekenisvolle dagen, of faciliteert en organiseert deze zelf. Dit wordt onder andere gedaan tijdens verschillende religieuze dagen of periodes, zoals Kerst, Pasen, Chanoeka, het Poerimfeest, en Holi Phagwa. Hierbij wordt geen specifiek onderscheid gemaakt en wordt gestreefd naar een goede mix van betekenisvolle dagen.1 Los van religieuze dagen of periodes maakt de politie ook op andere momenten en manieren contact met burgers. In verschillende contexten sluit de politie aan bij uiteenlopende maatschappelijke activiteiten, zoals buurtbijeenkomsten, herdenkingen en culturele evenementen. De gekozen vorm verschilt per gemeenschap maar de insteek is altijd vanuit maatschappelijke betrokkenheid en verbinding, niet vanuit een ideologie of een religie.
Zijn er binnen de politie richtlijnen of protocollen voor het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarmaaltijden, gebedsmomenten of andere religieuze activiteiten, in politiegebouwen of tijdens politiegerelateerde evenementen? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
De politie handelt op basis van de Grondwet en de belangrijkste waarden van onze democratische rechtsstaat. De politie vertegenwoordigt de wet in een seculiere rechtsstaat, waar religie en staat gescheiden zijn. Een geüniformeerde agent is een bijzondere vertegenwoordiger van de overheid. De rol van de politie in onze democratische rechtsstaat is namelijk essentieel en de aanwending van bevoegdheden van de politie en de inzet van geweldsmiddelen kunnen diep ingrijpen op de (grond)rechten van burgers. Dit brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee en vereist een neutrale uitstraling. Om die reden moet elk vermoeden van aantasting van die neutrale uitstraling worden vermeden. De beroeps- en gedragscode is hierbij leidend. De korpsleiding ziet toe op de neutraliteit en op de juiste interpretatie en uitvoering van deze beroeps- en gedragscode.
Ik heb uw Kamer toegezegd met de korpsleiding in gesprek te gaan zodat deelname aan evenementen niet kan leiden tot (de schijn van) aantasting van de neutraliteit of het gezag van de politie. Over de uitkomsten van dit gesprek wordt uw Kamer geïnformeerd in het tweede halfjaarbericht.
Worden bij dergelijke bijeenkomsten politiecapaciteit, werktijd, faciliteiten of andere publieke middelen ingezet? Zo ja, kunt u inzicht geven in de aard en omvang van deze inzet?
Maatschappelijke verbinding is een belangrijke randvoorwaarde voor goed en effectief politiewerk. Alle hierop gerichte activiteiten zijn ingebed in de structuur van de organisatie en geborgd in het beheersplan en de begroting. De politie-eenheden financieren deze bijeenkomsten binnen de reguliere middelen en vanuit verschillende budgetten, waaronder het GGP-budget, individuele teambudgetten of programma’s zoals Politie voor iedereen en het Netwerk Divers Vakmanschap. De politie houdt geen landelijke registratie bij van afzonderlijke maatschappelijke bijeenkomsten.
Zijn er ook voorbeelden bekend waarbij andere religieuze tradities – zoals christelijke, joodse of andere religieuze bijeenkomsten of rituelen – op vergelijkbare wijze door of met medewerking van de politie in politiegebouwen zijn georganiseerd of gefaciliteerd?
Ja, dit wordt ook gedaan tijdens verschillende betekenisvolle dagen die o.a. terug te voeren zijn op een geloofsovertuiging zoals Kerst, Pasen, Chanoeka, het Poerimfeest en Holi Phagwa. Hierbij wordt geen specifiek onderscheid gemaakt en wordt gestreefd naar een goede mix van betekenisvolle dagen.
Hoe verhoudt het faciliteren van expliciet religieuze activiteiten zich volgens u tot de vereiste neutraliteit van de politie als overheidsinstelling?
Ik herken het beeld dat de politie zich identificeert met een specifieke religie niet. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag vier is deelname van de politie aan maatschappelijke ontmoetingen of het organiseren ervan, geen ideologische keuze, maar onderdeel van goed en professioneel politiewerk. Om die reden neemt de politie deel aan verschillende bijeenkomsten in het teken van betekenisvolle dagen, onder andere dagen met een religieuze achtergrond. De politie bepaalt zelf aan welke dagen specifiek aandacht wordt besteed. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt en wordt gestreefd naar een goede mix van betekenisvolle dagen.2 Tijdens deze bijeenkomsten is het mogelijk dat er religieuze uitingen worden gedaan door aanwezigen.
Voor de politie geldt dat de politie de neutraliteit behoudt door onder diensttijd en in uniform niet actief deel te nemen aan religieuze uitingen zoals bidden, zingen en reciteren. Optreden van de politie moet passen binnen de kaders van de rechtsstaat en neutraal zijn.
Deelt u de zorg dat het faciliteren van expliciet religieuze activiteiten door de politie het beeld kan wekken dat de politie zich met een specifieke religie identificeert, en dat dit het vertrouwen in de neutraliteit en onpartijdigheid van de politie bij delen van de samenleving kan ondermijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Acht u het wenselijk dat politieagenten in uniform aanwezig zijn bij of deelnemen aan religieuze rituelen of oproepen, zoals het voordragen van de azan, in de context van een door of met medewerking van de politie georganiseerde bijeenkomst?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid te bezien of nadere richtlijnen nodig zijn om te waarborgen dat politiegebouwen en politieactiviteiten een levensbeschouwelijk neutraal karakter behouden?
Ik heb uw Kamer toegezegd met de korpsleiding in gesprek te gaan om te waarborgen dat deelname aan evenementen niet leidt tot (de schijn van) aantasting van de neutraliteit of het gezag van de politie. In dit gesprek zal ik tevens uw vraag betrekken. Over de uitkomsten van dit gesprek wordt uw Kamer geïnformeerd in het tweede halfjaarbericht.
Is er bekend in hoeverre er onder politieagenten draagvlak bestaat voor het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarbijeenkomsten, in of bij politiebureaus? Zo ja, wat zijn de uitkomsten daarvan?
Zoals ik heb aangegeven is het bevorderen van de sociale cohesie en het creëren van begrip tussen de politie en verschillende doelgroepen in de samenleving, onderdeel van goed politiewerk. Er zijn bij mij geen signalen bekend van ongewenste druk of weerstand bij medewerkers over deelname aan activiteiten die bovengenoemd doel dienen. Deze deelname gebeurt vrijwillig en het staat medewerkers vrij om hierin een andere keuze te maken.
Hoe wordt binnen de politie omgegaan met politieagenten die zich levensbeschouwelijk neutraal willen opstellen en daarom niet willen deelnemen aan religieuze bijeenkomsten of rituelen, zoals iftarbijeenkomsten of het bijwonen van religieuze oproepen? Wordt het weigeren van deelname formeel en informeel volledig geaccepteerd?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u aangeven of er binnen de politie signalen, meldingen of klachten bekend zijn van politieagenten die zich onder druk gezet, ongemakkelijk of bezwaard hebben gevoeld door het organiseren van religieuze bijeenkomsten in of bij politiebureaus?
Zie antwoord vraag 12.
Zijn er binnen de politie interne discussies, spanningen, ergernissen of vormen van weerstand bekend onder medewerkers met betrekking tot het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarbijeenkomsten, door of met medewerking van de politie?
Zie antwoord vraag 12.
Meerdere talen in de schoolklas |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Meerdere talen in de klas is goed voor de leerling. Maar gaat dat niet ten koste van het Nederlands»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Hoe verzoent u dit beleid met het fundamentele belang dat alle leerlingen het Nederlands volledig leren beheersen?
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen goed leren lezen, schrijven en rekenen in het Nederlands. Dit is de basis die nodig is om mee te kunnen doen in de samenleving. Tegelijkertijd hebben alle leraren één of meer leerlingen in de klas die thuis een andere taal dan het Nederlands spreken. Dit stelt leraren voor een extra uitdaging. Om die reden heeft de voormalig Minister van OCW de Onderwijsraad gevraagd te adviseren over hoe leraren kunnen omgaan met talige diversiteit in de klas. De Onderwijsraad adviseert op basis van wetenschappelijk onderzoek om kennis en vaardigheden in een eerder geleerde taal te benutten om de Nederlandse taalvaardigheid van leerlingen te versterken.2 Dit sluit aan bij de nieuwe kerndoelen en eindtermen Nederlands, waarin is opgenomen dat er ruimte moet zijn voor thuistalen, waaronder ook streektalen en dialecten.3 Onderzoekers en experts op het gebied van meertaligheid onderschrijven dat dit een effectieve interventie kan zijn.4 Een voorwaarde is wel dat de school dit evidence-informed doet.5 De Onderwijsraad adviseert om scholen hierbij te ondersteunen met professionalisering, expertise en handreikingen. In de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad staat beschreven hoe het Masterplan basisvaardigheden en het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) hierin voorzien.6
«Ruimte bieden aan thuistalen» betekent voor leraren dat ze gewoon onderwijs in de Nederlandse taal geven. Het gaat erom dat leraren een thuistaal niet als een belemmering zien, maar als een mogelijk hulpmiddel voor het leren van en in het Nederlands. Onderzoek laat zien dat dit een positieve invloed heeft op de leerresultaten en het welbevinden van leerlingen.7 Uiteraard is het aan schoolleiders en leraren zelf om hiervoor een evidence-informed aanpak te kiezen. Er is geen wetenschappelijk bewijs dat het benutten van een eerder geleerde taal in het onderwijs het risico op onderwijsachterstanden vergroot.8
Bent u bereid toe te geven dat het stimuleren van thuistalen het risico op onderwijsachterstanden kan vergroten? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat uw beleid het gedrag van ouders, die stelselmatig thuis Nederlands weigeren te spreken, beloont en dat kinderen op school niet voldoende Nederlands leren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe waarborgt u dat dit beleid de werkdruk van leraren niet onacceptabel verhoogt en de kwaliteit van het onderwijs niet schaadt?
Op bijna alle scholen zitten kinderen die van huis uit (ook) een andere taal dan het Nederlands spreken. Leraren zijn op zoek naar manieren om deze leerlingen zo goed mogelijk te begeleiden in hun ontwikkeling. Het is effectief gebleken om de thuistaal van leerlingen als hulpmiddel in te zetten om een leerling op weg te helpen. Uit nationaal en internationaal onderzoek blijkt dat hiervoor geen ingewikkelde interventies nodig zijn.9 Er zijn laagdrempelige manieren die al een positief effect hebben. Voorbeelden hiervan zijn om vertaalapps te gebruiken of om een meertalige bibliotheek in te richten, zodat leerlingen het boek dat op school wordt voorgelezen, in de thuistaal mee naar huis kunnen nemen. Leerlingen doen op die manier thuis voorkennis op van het verhaal. Op school kunnen ze zich dan focussen op de Nederlandse taal. Dit helpt de leerling bij het leren van en in het Nederlands.
Hoe voorkomt u dat dit beleid bijdraagt aan een gefragmenteerde multiculturele samenleving?
Het kan juist positief bijdragen aan integratie als leerlingen hun thuistaal als hulpmiddel mogen gebruiken om nieuwe lesstof te leren in de Nederlandse taal. De Onderwijsraad geeft hier twee redenen voor. Ten eerste leren leerlingen de Nederlandse taal sneller als zij hun thuistaal als opstapje mogen gebruiken. Dit is belangrijk om segregatie tegen te gaan. Ten tweede voelen leerlingen zich meer verbonden met de school als hun thuistaal wordt gewaardeerd. Dit zorgt ervoor dat leerlingen zich eerder openstellen voor hun klasgenoten in plaats van dat zij zich terugtrekken in groepjes.10
Is het, volgens u, verantwoord dat leerlingen minder tijd besteden aan kernvakken zoals Nederlands en rekenen, omdat scholen verplicht worden aandacht te geven aan meerdere thuistalen? Zo nee, welke alternatieve richtlijnen gaat u geven aan scholen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat het Nederlands de hoofdtaal blijft en dat alle kinderen voldoende taalvaardigheid ontwikkelen, ongeacht hun thuistaal?
Het is wettelijk bepaald dat Nederlands de hoofdtaal van het onderwijs is. Scholen moeten de Nederlandse taalvaardigheid van leerlingen optimaal bevorderen. Het Masterplan basisvaardigheden heeft als doel zowel de Nederlandse taal, als rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid van alle leerlingen te verbeteren. Scholen ontvangen structurele bekostiging en krijgen inhoudelijke begeleiding van onderwijscoördinatoren. Het programma ondersteunt scholen daarnaast om evidence-informed te werken, zodat zij een onderbouwde aanpak kiezen waarmee zij resultaten kunnen boeken. In lijn hiermee geef ik prioriteit aan de implementatie van het nieuwe curriculum voor het funderend onderwijs, waarin de basisvaardigheden een centrale plek hebben. Leerlingen lezen, schrijven en rekenen niet meer alleen tijdens de les begrijpend lezen of wiskunde, maar bij alle vakken.
Het spionageschandaal bij de NCTV |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een voormalig medewerker van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) jarenlang staatsgeheime informatie zou hebben doorgespeeld aan de Marokkaanse geheime dienst?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze zaak een van de grootste veiligheids- en spionageschandalen uit de recente Nederlandse geschiedenis is? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat een medewerker met toegang tot uiterst vertrouwelijke informatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) jarenlang ongecontroleerd honderden staatsgeheime documenten kon printen, meenemen en digitaliseren?
Welke concrete tekortkomingen in toezicht, interne controle en informatiebeveiliging hebben dit mogelijk gemaakt?
Kunt u aangeven welke risico’s deze informatielekken hebben opgeleverd voor de nationale veiligheid en de veiligheid van Nederlandse burgers?
Zoals geschetst Kamerbrief van 25 november 2025 is door de politie direct na de aanhouding van de verdachte gekeken naar de veiligheidsrisico’s voor zowel medewerkers als lopende onderzoeken.4 Mede naar aanleiding van deze doorlichting heeft de politie maatregelen genomen. Op dit moment loopt, mede naar aanleiding van de motie Six-Dijkstra, een onderzoek naar de schade van de mogelijk gelekte gegevens bij de NCTV.5 Zoals toegezegd in de brief van 10 november jl. zal ik uw Kamer voor zover dit mogelijk is nader informeren over relevante ontwikkelingen.
In hoeverre zijn door deze zaak lopende operaties, informatiebronnen of personen in binnen- en buitenland in gevaar gebracht?
In zijn algemeenheid geldt dat dat er in de openbaarheid niet wordt ingegaan op vragen omtrent staatsgeheime informatie of operaties. Voor de behandeling hiervan heeft de Kamer haar geëigende kanalen.
Wanneer ontving de AIVD de eerste signalen van mogelijk ongeoorloofd contact tussen de verdachte en buitenlandse inlichtingendiensten, en waarom is toen niet eerder ingegrepen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorg dat Nederland structureel te naïef omgaat met buitenlandse inmenging en spionage, met name vanuit landen die hier een grote diaspora hebben?
Sinds 2018 zet het kabinet Rijksbreed in op tegengaan van ongewenste buitenlandse inmenging.6 In 2023 is deze aanpak geïntensiveerd, met onder andere maatregelen om het bewustzijn over statelijke inmenging te vergoten en de strafbaarstelling van spionageactiviteiten in Nederland uit te breiden.7 Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de Kamerbrief «Stand van zaken aanpak ongewenste buitenlandse inmenging» en de fenomeenanalyse van de AIVD en NCTV over dit thema.8
Deelt u de zorg dat ambtenaren met sterke persoonlijke, familiale of buitenlandse loyaliteiten kwetsbaar kunnen zijn voor belangenverstrengeling en het schenden van het ambtsgeheim, zoals blijkt uit recente zaken waaronder die van Fouad A.?2
De Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) stelt dat privécontacten van rijksambtenaren het vertrouwen van het publiek in de overheid kunnen beïnvloeden. Hier staat tegenover dat een ambtenaar recht heeft op de bescherming van zijn of haar privéleven zolang de uitoefening van dit recht het functioneren of het functioneren van de dienst niet schaadt. Voor ambtenaren met toegang tot relevante informatie of diensten geldt dat het integriteitsrisico groter is. De Rijksoverheid zet daarom in op bewustwording over integriteitsrisico’s, onder andere via het rijksbrede programma «Weerbaarheid Rijksoverheid tegen ondermijning».
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of er sprake is van structurele patronen bij het schenden van het ambtsgeheim, waaronder het beschermen van bekenden, en of huidige screenings- en toezichtmechanismen daarbij tekortschieten?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van vragen 2, 3 en 4. Ten aanzien van een centraal toezicht op staatsgeheimen verwijs ik u naar de initiatiefnota van de voormalige leden Six Dijkstra. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer een kabinetsreactie op deze initiatiefnota gestuurd.
Hoe beoordeelt u de rol van de Marokkaanse staat in deze zaak, gezien de verdenkingen van direct contact tussen de verdachte en hoge functionarissen van de Marokkaanse inlichtingendienst?
Zoals eerder door het kabinet is aangegeven, is het van belang om eerst de uitkomsten van het strafproces af te wachten.
Worden er, naar aanleiding van deze zaak, diplomatieke of veiligheidsmaatregelen overwogen ten aanzien van de samenwerking met Marokko?
Zie antwoord vraag 11.
Acht u de huidige screenings- en herbeoordelingsprocedures voor medewerkers met toegang tot staatsgeheime informatie toereikend? Zo nee, welke aanscherpingen acht u noodzakelijk?
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat collega’s inloggegevens konden uitlenen zonder dat dit direct werd gesignaleerd of gesanctioneerd?
Deelt u de opvatting dat het uitlenen van accounts en het meenemen van staatsgeheime stukken naar huis wijst op een gebrekkige veiligheidscultuur binnen de NCTV?
Welke bestuurlijke of disciplinaire gevolgen zijn er verbonden aan het falen van interne beveiligingsmaatregelen binnen de NCTV?
In hoeverre wordt momenteel rekening gehouden met mogelijke kwetsbaarheden voor buitenlandse beïnvloeding, zoals financiële voordelen, reizen of andere gunsten, bij medewerkers in gevoelige functies?
Van alle rijksambtenaren wordt verwacht dat zij in hun werk betrouwbaar, onafhankelijk en onpartijdig zijn. In artikel 8, eerste lid, onder e, van de Ambtenarenwet 2017 is opgenomen dat het de ambtenaar niet is toegestaan om zonder toestemming van de overheidswerkgever giften, vergoedingen en beloften van een derde aan te nemen of hierom te vragen, indien de ambtenaar als ambtenaar met deze derde betrekkingen onderhoudt. Als grondregel geldt dat het aannemen van geschenken slechts geoorloofd is wanneer de handelingsvrijheid van de ambtenaar er niet direct of indirect door wordt aangetast én het gedrag van de ambtenaar de toets van de openbare verantwoording kan doorstaan.11 Zoals ook in de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) is opgenomen, dient elke rijksambtenaar bij geschenken na te gaan wat de achtergrond en mogelijke bijbedoelingen van een geschenk zijn. Indien een ambtenaar zich hierdoor niet meer vrij voelt om een onpartijdige beslissing te nemen, moet een geschenk geweigerd worden. In het geval van een geschenk door een buitenlandse relatie, dient de rijksambtenaar dit te beschouwen als een geschenk aan de organisatie en bespreekt de rijksambtenaar het geschenk met de leidinggevende. In het verlengde hiervan is het Rijksbrede programma «Weerbaarheid Rijksoverheid tegen ondermijning» in het leven geroepen tegen ondermijning vanuit statelijke actoren, buitenlandse beïnvloeding, en criminele organisaties. Vanuit het programma is er bijvoorbeeld een toolkit ontwikkeld waarmee Rijksorganisaties een risicoanalyse kunnen uitvoeren ten aanzien van corruptie en ondermijning.
Bent u bereid om het beleid rondom het accepteren van geschenken, reizen en andere voordelen van buitenlandse partijen verder aan te scherpen voor ambtenaren met toegang tot staatsgeheimen?
Zie antwoord vraag 17.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor de inrichting en het toezicht op de nationale veiligheidsketen als geheel?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de inrichting en het toezicht op de nationale veiligheidsketen als geheel. Als benoemd bij de beantwoording van vragen 2 tot en met 4 heeft mijn ambtsvoorganger de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en de politie. Voor de uitkomsten van dit rapport en de maatregelen die zijn getroffen verwijs ik u naar de eerder genoemde brief van 13 december 2024. Ten aanzien van een centraal toezicht op staatsgeheimen verwijs ik u naar de initiatiefnota van de voormalige leden Six Dijkstra. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer een kabinetsreactie op deze initiatiefnota gestuurd.
Kunt u toezeggen dat de Kamer volledig en transparant wordt geïnformeerd over de uitkomsten van evaluaties en eventuele hervormingen naar aanleiding van deze zaak?
Bij brief van 24 oktober 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de ADR heb gevraagd om een aanvullend onderzoek te doen bij de NCTV naar de opvolging van de aanbevelingen van het rapport van de ADR naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en de politie en waar nodig aanvullende aanbevelingen te doen. Uw Kamer zal, zoals toegezegd in de genoemde brief en tijdens het debat met uw Kamer van 3 april 2025, vanzelfsprekend over de uitkomsten worden geïnformeerd.
De handelsdeal tussen de EU en India |
|
Ralf Dekker (FVD), Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen welke categorieën Indiase burgers onder het Europese Unie (EU)-India handels- en mobiliteitsakkoord in aanmerking komen voor toegang tot Nederland en andere EU-lidstaten? Kunt u dit uitsplitsen naar studenten, arbeidsmigranten, zelfstandigen en gezinsleden?
De definitieve tekst van de EU-India handelsovereenkomst is momenteel nog niet publiekelijk beschikbaar. Zodra de Europese Commissie het definitieve onderhandelingsresultaat ter besluitvorming aan de EU-lidstaten in de Raad voorlegt zult u, zoals bij alle handelsovereenkomsten, een beschrijving van de inhoud met bijbehorende kabinetsappreciatie van de overeenkomst ontvangen.
Wel kan worden opgemerkt dat het gebruikelijk is dat de EU in haar handelsoverenkomsten met derde landen afspraken maakt over handel in diensten. Onderdeel daarvan zijn afspraken over personen die een dienst in de andere verdragspartij willen leveren door fysieke aanwezigheid in die andere verdragspartij, de zogenaamde «mode-4» afspraken. Deze dienstverleners komen enkel en alleen tijdelijk naar de andere verdragspartij om hun dienst aan een eindverbruiker of consument te leveren, waarbij zij ofwel bij een werkgever in het thuisland in dienst blijven ofwel als in het thuisland gevestigde zelfstandige opereren. Het is dus niet zo dat deze personen permanent de arbeidsmarkt van de andere verdragspartij betreden of zich permanent in het andere land vestigen. Mode-4 afspraken gelden uitsluitend voor sectoren die onder de reikwijdte van de handelsovereenkomst vallen en voor bepaalde categorieën hooggekwalificeerde dienstverleners, zoals zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, dienstverleners op contractbasis, zelfstandigen en personen die op tijdelijke basis naar een buitenlandse vestiging van hun werkgever worden overgeplaatst (zgn. intra-corporate transferees). Voor elke categorie dienstverlener gelden specifieke voorwaarden. Voorbeelden daarvan zijn de eis voor een universitair of gelijkwaardig diploma, een minimum aantal jaar werkervaring en een maximale verblijfsduur variërend van een aantal maanden tot drie jaar. Ook blijven nationale en Europese eisen voor (beroeps-)kwalificatie en -licenties onverminderd van toepassing, net als Europese en nationale wetgeving over visa, toegang, verblijf, werk en sociale zekerheid.
Parallel aan de EU-handelsovereenkomst hebben de EU en India op 26 januari jl. een Memorandum van Overeenstemming (Memorandum of Understanding, MoU) op het gebied van mobiliteit gesloten. Dit MoU staat los van de EU-India handelsovereenkomst en betreft een niet-juridisch bindend kader met afspraken over onderwerpen die zowel irreguliere migratie als reguliere migratie raken. Daarmee bevat het MoU voornamelijk intentieverklaringen en blijven nationale competenties op het gebied van arbeidsmarkttoegang en toelating onverminderd gelden. Uw Kamer heeft recent een kabinetsappreciatie van dit MoU ontvangen.1
Hoeveel extra migratie vanuit India verwacht u als gevolg van dit akkoord, uitgesplitst naar tijdelijke en langdurige verblijven? Is hiervoor een impactanalyse uitgevoerd en zo ja, kan deze met de Kamer worden gedeeld?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 zien afspraken in EU-handelsovereenkomsten over het verkeer van dienstverleners op bepaalde categorieën dienstverleners die enkel en alleen voor het leveren van een specifieke dienst op tijdelijke basis in de andere verdragspartij verblijven. De Europese Commissie heeft eerder een sustainability impact assessment uitgevoerd, dat o.a. nader ingaat op de verwachte economische effecten van het akkoord op dienstenhandel.2 Dit onderzoek geeft geen analyse van migratiestromen tussen de EU en India.
In hoeverre behoudt Nederland volledige zeggenschap over toelating, verblijf en uitzetting van Indiase burgers nu mobiliteitsafspraken op EU-niveau worden gemaakt?
De finale teksten van de EU-India handelsovereenkomst zijn nog niet beschikbaar, maar in algemene zin geldt dat dienstverleners die op basis van een EU-handelsovereenkomst een dienst aan een consument in de EU leveren op tijdelijke basis en alleen voor het aanbieden van die dienst in de EU verblijven. Verdragspartijen bij een EU-handelsovereenkomst behouden bovendien beleidsruimte om maatregelen te treffen ter regulering van de toegang van personen tot en van hun tijdelijke verblijf op Europees grondgebied. Daartoe behoren ook maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van landsgrenzen en het verzekeren van een ordelijk verkeer van personen over die grenzen.
Klopt het dat het akkoord voorziet in versoepelde toegang voor Indiase hoogopgeleide professionals en dienstverleners? Hoe wordt voorkomen dat deze regeling in de praktijk leidt tot verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt?
Zoals hierboven uiteengezet zijn de finale teksten van de EU-India handelsovereenkomst nog niet beschikbaar. In algemene zin geldt dat dienstverleners die op basis van een EU-handelsovereenkomst een dienst aan een consument of eindgebruiker in de andere verdragspartij leveren op tijdelijke basis en alleen voor het aanbieden van de betreffende dienst in de andere verdragspartij verblijven. Daarbij blijven zij in dienst van een werkgever in het thuisland of opereren zij als een, in het thuisland gevestigde, zelfstandige. Het gaat derhalve om hooggekwalificeerde arbeid die tijdelijk wordt verricht in specifieke sectoren, zodat het risico op verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt minimaal is. Daar komt bij dat Nederlandse dienstverleners op hun beurt betere toegang krijgen tot de Indiase dienstenmarkt.
Hoe wordt voorkomen dat deze regeling in de praktijk zal leiden tot druk op de salarissen van Nederlandse arbeidskrachten?
Zoals het antwoord op vraag 4 uiteenzet is het niet zo dat dienstverleners die op basis van een EU-handelsovereenkomst hun dienst in de andere verdragspartij aanbieden de arbeidsmarkt van dat land betreden. Ook blijven alle toepasselijke Europese en nationale wetgeving over toegang, verblijf, sociale zekerheid en werk, waaronder regels over minimumlonen, onverminderd van toepassing.
Welke waarborgen zijn opgenomen om misbruik van tijdelijke visa (zoals overstaying of schijnzelfstandigheid) door Indiase arbeidsmigranten te voorkomen?
Zoals in voorgaande antwoorden uiteengezet gelden afspraken in EU-handelsovereenkomsten voor specifieke categorieën hooggekwalificeerde dienstverleners die op tijdelijke basis en alleen voor het aanbieden van een bepaalde dienst in de EU verblijven. Deze afspraken laten toepasselijke visaregels onverminderd van toepassing en beletten EU-lidstaten niet om maatregelen te treffen ter bescherming van de integriteit van hun landsgrenzen of ter regulering van een gecontroleerd verkeer van personen over die grenzen.
Hoe verhoudt de verruiming van mobiliteit voor Indiase studenten en professionals zich tot de huidige druk op huisvesting, onderwijs en publieke voorzieningen in Nederland?
Zoals in voorgaande antwoorden omschreven geldt in zijn algemeenheid dat afspraken in EU-handelsovereenkomsten alleen toezien op specifieke hooggekwalificeerde categorieën dienstverleners die op tijdelijke basis en enkel voor het aanbieden van een specifieke dienst in de andere verdragspartij verblijven. Afspraken over mobiliteit van studenten vallen doorgaans buiten de reikwijdte van EU-handelsovereenkomsten. Daarbij behouden EU-lidstaten beleidsruimte om maatregelen toe te passen om de toegang tot en het tijdelijke verblijf van buitenlandse dienstverleners op hun grondgebied te reguleren.
Bent u bereid om per sector en per lidstaat plafonds te hanteren voor het aantal Indiase professionals dat via dit akkoord toegang krijgt, of wordt dit volledig aan de markt overgelaten?
Zoals in voorgaande antwoorden omschreven geldt in algemene zin dat afspraken over het tijdelijke verkeer van hooggekwalificeerde dienstverleners in EU-handelsakkoorden alleen voor specifieke categorieën dienstverleners gelden. Daarbij gaat het om afspraken voor het leveren van een dienst op tijdelijke basis. De mogelijkheden voor professionals om hier tijdelijk te verblijven met het oog op het aanbieden van bepaalde diensten zijn dus reeds op verschillende manieren ingeperkt. Het hanteren van een plafond is volgens het kabinet derhalve nu niet aan de orde. Nadat de Europese Commissie de definitieve teksten ter besluitvorming aan de Raad heeft voorgelegd zult u een volledige kabinetsappreciatie van de EU-India handelsovereenkomst ontvangen.
In hoeverre kunnen gezinsleden van Indiase werknemers meereizen naar Nederland en welke gevolgen heeft dit voor gezinsmigratie op de middellange termijn?
Zoals hierboven uiteengezet zijn de definitieve teksten van de EU-India handelsovereenkomst nog niet publiekelijk beschikbaar, maar geldt in algemene zin dat afspraken over het tijdelijke verkeer van personen in EU-handelsovereenkomsten alleen van toepassing zijn op specifieke hooggekwalificeerde categorieën dienstverleners die voor de levering van een specifieke dienst tijdelijk in de andere verdragspartij verblijven. Daarbij behouden EU-lidstaten, waaronder Nederland, beleidsruimte om maatregelen te treffen ter bescherming van de integriteit van landsgrenzen en het verzekeren van een ordelijk verkeer van personen over die grenzen.
Hoe wordt geborgd dat dit akkoord geen precedent schept voor vergelijkbare mobiliteitsafspraken met andere landen, wat kan leiden tot een structurele toename van arbeids- en studiemigratie naar de EU?
Afspraken over personen die hun diensten op tijdelijke basis in de andere verdragspartij willen aanbieden zijn een gebruikelijk onderdeel van EU-handelsovereenkomsten. Dergelijke afspraken zijn bijvoorbeeld opgenomen in de recente handelsakkoorden met Canada, Zuid-Korea, Japan, Vietnam, Nieuw-Zeeland, Mexico, de Mercosur-landen en het Verenigd Koninkrijk. Het gaat bij deze afspraken niet om permanente vestiging van buitenlandse dienstverleners in de EU, maar alleen om het tijdelijk aanbieden van een specifieke dienst waarvoor de aanwezigheid van de dienstverlener in de andere verdragspartij nodig is.
Welke mogelijkheden heeft Nederland om zich (tijdelijk of structureel) te onttrekken aan onderdelen van het mobiliteitskader indien de maatschappelijke gevolgen groter blijken dan voorzien?
Zoals voorgaande antwoorden uiteenzetten zien afspraken in EU-handelsakkoorden op specifieke categorieën hooggekwalificeerde dienstverleners die alleen op tijdelijke basis hun dienst in de andere verdragspartij leveren. Daarnaast behouden EU-lidstaten, waaronder Nederland, beleidsruimte om maatregelen te treffen ter regulering van de toegang en het (tijdelijk) verblijf van dienstverleners uit de andere verdragspartij.
Voor wat betreft het Memorandum van Overeenstemming dat de Europese Commissie met India heeft gesloten geldt dat het om een niet juridisch bindend afsprakenkader gaat. Dat betekent dat de huidige, nationale competenties op het gebied van bijvoorbeeld toelating in stand blijven en dat Nederland dus ook zelf bepaalt hoe het invulling geeft aan de afspraken die zijn gemaakt.
Bent u het ermee eens dat handelsakkoorden primair economisch van aard zouden moeten zijn en niet via de achterdeur moeten leiden tot verruiming van immigratiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat is het kabinet met u eens. Afspraken over (diensten)handel dienen een wederzijds economisch belang en staan los van migratiebeleid. Diensten spelen een steeds grotere economische rol in grensoverschrijdende handel. Zo was de dienstensector in 2024 goed voor ruim driekwart van de Nederlandse economie en verdiende Nederland in 2023 15,7% van zijn BBP met de export van diensten.3 Ook internationaal groeit de economische omvang van de wereldwijde dienstenhandel: diensten zijn inmiddels goed voor een vijfde van de mondiale exportverdiensten.4 Voorspelbare internationale afspraken over grensoverschrijdende dienstenhandel vormen daarmee een belangrijk onderdeel van commerciële betekenisvolle EU-handelsovereenkomsten. Het is dan ook gebruikelijk dat de EU afspraken over grensoverschrijdende dienstenhandel in handelsakkoorden met derde landen maakt, waaronder over het tijdelijke verkeer van dienstverleners.
Op welke manier wordt de Kamer betrokken bij toekomstige besluiten over de verdere uitwerking van mobiliteitsafspraken binnen het EU-India kader?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 heeft uw Kamer reeds een appreciatie van de EU-India Memorandum van Overeenstemming ontvangen en zal de Kamer voorafgaand aan besluitvorming in de Raad over de definitieve teksten van de EU-India handelsovereenkomst een beschrijving van de inhoud met bijbehorende kabinetsappreciatie ontvangen. Daarmee wordt uw Kamer in staat gesteld hierover desgewenst in debat te gaan met het kabinet, alvorens het kabinet een definitief standpunt inneemt bij de besluitvorming binnen de EU.
Kunt u deze vragen afzonderlijk, compleet en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Kunstsubsidies |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het diversiteits- en inclusiebeleid van gesubsidieerde musea, waaronder het Stedelijk Museum Amsterdam, en de wijze waarop dit beleid doorwerkt in het aankoopbeleid van museale collecties?
Ik ben bekend met de inzet op het gebied van diversiteit en inclusie door musea die subsidie van het Ministerie van OCW ontvangen. Deze instellingen rapporteren aan het ministerie over de uitgevoerde activiteiten en de voor de collectie verworven objecten in het jaarverslag. Hierin wordt ook een reflectie op de inzet in het kader van de Code Diversiteit & Inclusie opgenomen. Ook andere musea nemen vaak een reflectie over diversiteit en inclusie op in het jaarverslag, zo ook het Stedelijk Museum Amsterdam. Deze jaarverslagen worden doorgaans online gepubliceerd.
Deelt u de opvatting dat kunstsubsidies nooit mogen leiden tot (directe of indirecte) uitsluiting van kunstenaars op basis van persoonskenmerken zoals huidskleur, afkomst of seksuele geaardheid?
In Nederland geldt artikel 1 van de Grondwet, dat het gelijkheidsbeginsel verankert, en is discriminatie verboden. Op basis van wettelijke kaders mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan.
Is het u bekend dat binnen de culturele sector de perceptie bestaat dat het niet actief voeren van diversiteitsbeleid kan leiden tot een lagere subsidiebeoordeling? Acht u deze perceptie wenselijk?
Culturele organisaties die voor de periode 2025–2028 subsidie in het kader van de Culturele basisinfrastructuur aanvroegen werd gevraagd de Code Diversiteit & Inclusie (net als de Governance Code Cultuur en de Fair Practice Code) te onderschrijven. Daarbij is gemeld dat het aan instellingen zelf is om te bepalen welke doelstellingen zij hebben om de code (al dan niet verder) te implementeren en hoe zij die doelstellingen willen bereiken. Het culturele veld is op verschillende manieren geïnformeerd over de periode 2025–2028. Onder andere door middel van de website cultuursubsidie.nl, de kamerbrief Uitgangspunten Cultuursubsidies 2025–2028 en uiteraard door het publiceren van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2025–2028. De omgang met en status van de codes is hierbij geduid. Overigens is de code door de sector zelf en op eigen initiatief opgesteld en uitgewerkt.
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat «diversiteit en inclusie» een formeel beoordelingscriterium is bij subsidies die via de Raad voor Cultuur en het Mondriaan Fonds worden toegekend?
Zoals gezegd onder vraag 3 is aan instellingen voor de periode 2025–2028 van de Culturele basisinfrastructuur gevraagd de codes te onderschrijven en uit te leggen hoe zij deze toepassen. Het Mondriaan Fonds vroeg instellingen ook om de codes te onderschrijven. Zowel voor de subsidies die door de Raad voor Cultuur als het Mondriaan Fonds zijn beoordeeld geldt dat organisaties vrij zijn in de keuzes die zij maken in het vertalen van de principes uit de Code Diversiteit & Inclusie naar een eigen visie, doelen en bijpassende acties.
De Raad voor Cultuur heeft subsidieaanvragen beoordeeld aan de hand van de volgende set beoordelingscriteria: de artistieke en/of inhoudelijke kwaliteit, maatschappelijke betekenis, toegankelijkheid, bedrijfsmatige gezondheid en geografische spreiding van de instelling. Hierbij heeft de Raad voor Cultuur onder twee beoordelingscriteria specifiek naar de toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie gekeken, namelijk onder «maatschappelijke betekenis» (voor wat betreft de aspecten «Programma», «Partners» en «Personeel») en «toegankelijkheid» (voor wat betreft het aspect «Publiek»). Voor het Mondriaan Fonds geldt dat diversiteit en inclusie geen inhoudelijk beoordelingscriterium is bij de subsidies die worden toegekend aan musea. De manier waarop musea invulling geven aan het toepassen van de code Diversiteit & Inclusie wordt niet beoordeeld en heeft geen invloed op het al dan niet toekennen van de subsidie. Alleen voor de meerjarenregeling Programma’s Kunstpodia is naar het totale beleid dat kunstpodia op de drie geldende codes hebben gekeken, als een van de beoordelingscriteria. Dit omdat binnen deze regeling subsidie wordt toegekend voor de exploitatie en programma van de instelling als geheel en niet alleen voor een los project.
Indien ja, kunt u exact aangeven welk gewicht dit criterium heeft ten opzichte van artistieke kwaliteit in de beoordelingssystematiek (bijvoorbeeld in punten, wegingsfactoren of drempelcriteria)?
Voor de periode 2025–2028 heeft de Raad voor Cultuur de aanvragen van instellingen beoordeeld aan de hand van vijf samenhangende beoordelingscriteria. Onder twee beoordelingscriteria is specifiek naar de toepassing van de code Diversiteit & Inclusie gekeken. Het criterium «toegankelijkheid» werd onder andere beoordeeld aan de hand van landelijke spreiding, digitale beschikbaarheid van het aanbod en een goed prijsbeleid. Daarbij is o.a. het aspect «Publiek» van de code meegewogen. Als onderdeel van het criterium «maatschappelijke betekenis» werd beoordeeld in hoeverre de artistieke of inhoudelijke activiteiten van de instelling bijdragen aan maatschappelijke vraagstukken of aan andere maatschappelijke sectoren en in hoeverre de instelling regionaal of lokaal geworteld is. Ten aanzien van de Code Diversiteit & Inclusie is binnen dit criterium meegewogen hoe instellingen deze code naleven met betrekking tot de aspecten «Programma» en «Partners» (voor zover betrekking hebbend op de artistieke of inhoudelijke activiteiten) uit deze code. Ook het aspect «Personeel» uit de Code Diversiteit & Inclusie is in het kader van dit criterium meegewogen.
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat subsidieaanvragen zonder expliciete doelstellingen op het gebied van diversiteit en inclusie structureel lager worden beoordeeld dan aanvragen die deze wel bevatten?
Nee. Zoals bij vraag 4 aangegeven heeft de Raad voor Cultuur op basis van een geheel aan beoordelingscriteria een afweging gemaakt, waar het toepassen van de Code Diversiteit & Inclusie één onderdeel van was.
Indien nee, kunt u de beoordelingsrichtlijnen overleggen waaruit dit blijkt?
De beoordelingsrichtlijnen zijn vastgelegd in de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2025–2028 en toegelicht in de kamerbrief Uitgangspunten Cultuursubsidies 2025–2028. De Raad voor Cultuur heeft de richtlijnen verder uitgewerkt in het Beoordelingskader BIS 2025–2028 en toegepast zoals gerapporteerd in het Advies Culturele basisinfrastructuur 2025–2028.
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat instellingen die expliciet stellen uitsluitend artistieke kwaliteit als leidend criterium te hanteren, zonder aanvullende maatschappelijke doelstellingen, geen verhoogd risico lopen op afwijzing of korting?
Zoals bij vraag 5 beantwoord heeft de Raad voor Cultuur op basis van een geheel aan beoordelingscriteria een afweging gemaakt, waar artistieke en/of inhoudelijke kwaliteit één onderdeel van was. Naast dit criterium is gekeken naar de maatschappelijke betekenis, toegankelijkheid, bedrijfsmatige gezondheid en geografische spreiding van de instelling. De beoordeling sluit hiermee aan op de doelstellingen van het cultuurbeleid zoals die zijn vastgelegd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Indien u dit niet kunt bevestigen: erkent u dan dat er sprake is van indirecte beleidssturing vanuit de overheid op artistieke keuzes van musea?
Nee. Musea die op grond van de Erfgoedwet zijn belast met zorg voor de Rijkscollectie, ontvangen van het Ministerie van OCW subsidie voor het beheer van de collectie en het organiseren van publieksactiviteiten. Deze subsidie wordt ambtshalve – zonder advies van de Raad voor Cultuur – verstrekt op grond van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiering museale instellingen. In deze regeling is, in lijn met de regeling van de Culturele basisinfrastructuur, als voorwaarde gesteld dat de instelling in zijn activiteitenplan voor de periode 2025–2028 de Code Diversiteit & Inclusie onderschrijft.
Acht u het verenigbaar met de publieke taak van musea dat zij in hun aankoopbeleid expliciete prioriteiten communiceren die gebaseerd zijn op identiteitskenmerken van kunstenaars?
Ik vind het van belang dat de collecties van musea voor zover mogelijk een afspiegeling zijn van Nederland, nu en in het verleden. Het is aan het museum om te besluiten welke objecten worden verworven. Musea kunnen daarbij besluiten om werken van bepaalde kunstenaars of genres te verwerven, omdat deze werken nu nog niet vertegenwoordigd zijn in de collectie. Dit gebeurt veelal op basis van een collectieplan, waarin het museum artistiek inhoudelijke en/of maatschappelijke aandachtsgebieden en lacunes in de collectie identificeert.
Acht u het verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel dat musea in subsidieaanvragen kwantitatieve doelen formuleren voor aankopen op basis van kenmerken van kunstenaars, zoals afkomst of gender?
Ik ben niet bekend met kwantitatieve doelen bij het aankoopbeleid van musea. Het is aan musea om te besluiten over aankopen voor de collectie.
Kunt u uitsluiten, ja of nee, dat dergelijke kwantitatieve doelen in de praktijk functioneren als de facto quota, ondanks het ontbreken van die term in beleidsdocumenten?
Zoals bij vraag 9 beantwoord, is het aan musea om te besluiten over aankopen voor de collectie. Vanuit het ministerie worden er geen quota gehanteerd.
Bent u bereid alle beoordelingskaders, handreikingen en interne richtlijnen die subsidiecommissies gebruiken bij de beoordeling van diversiteit en inclusie openbaar te maken?
Zowel de beoordelingskaders als de toegelichte adviezen van de Raad voor Cultuur en de beoordelingskaders van de rijkscultuurfondsen zijn openbaar. Deze documenten maken duidelijk op welke manier de toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie is meegenomen bij de beoordeling van subsidieaanvragen.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige subsidiekader voldoende waarborgen bevat om ideologische eenzijdigheid bij gesubsidieerde culturele instellingen te voorkomen?
Nee, hier zie ik geen aanleiding voor. De beoordelingsprocessen van de Raad voor Cultuur en de rijkscultuurfondsen bevatten gezien de mix aan beoordelingscriteria voldoende waarborgen om ervoor te zorgen dat de sector in de periode 2025–2028 ruimte geeft aan verschillende stemmen.
Hoe ziet u uw rol als Minister in het bewaken van pluriformiteit in de kunstsector, zowel inhoudelijk als institutioneel?
De Wet op het specifiek cultuurbeleid bevat meerdere doelen. Eén van de doelen is om cultuuruitingen sociaal en geografisch te spreiden. Een ander doel is om de verscheidenheid van culturele uitingen in stand te houden. Het toepassen van de door de sector opgestelde Code Diversiteit & Inclusie draagt wat mij betreft bij aan het realiseren van de verschillende doelen van het cultuurbeleid. Ik vind het belangrijk dat mijn beleid bijdraagt aan het vergroten van de sociale en geografische spreiding, zodat er ruimte is voor meerstemmigheid en zoveel mogelijk mensen van cultuur kunnen genieten.
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de effecten van diversiteitscriteria op artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de gesubsidieerde cultuursector?
Nee, hier zie ik geen aanleiding voor. Zoals bij vraag 12 beantwoord bevat het beoordelingsproces door de Raad voor Cultuur en de rijkscultuurfondsen voldoende waarborgen om ervoor te zorgen dat de artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de sector behouden blijven.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
De kansen voor Nederland en Curaçao om te profiteren van de aanlanding en opslag van Venezolaanse olie |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
van Marum , Vincent Karremans (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een tanker met Venezolaanse olie is aangemeerd op Curaçao en dat deze olie daar tijdelijk wordt opgeslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling Curaçao opnieuw positioneert als een strategisch knooppunt voor energieopslag en -logistiek in het Caribisch gebied? Zo ja, welke kansen ziet u hierin voor het Koninkrijk der Nederlanden als geheel?
Het is op basis van de berichtgeving nog te vroeg om dat te concluderen. Het gaat immers vooralsnog om tijdelijke activiteiten. Daarnaast is de situatie in Venezuela nog hoogst onzeker. Er bestaan verschillende scenario’s voor een Venezuela post-Maduro. Deze onzekerheid heeft ook betrekking op de olie-industrie. Tegelijkertijd beschikt Curaçao door zijn geografische ligging en bestaande haven- en opslaginfrastructuur over kenmerken die het eiland mogelijk interessant maken voor energielogistiek in de regio. Economische aangelegenheden vallen echter binnen de autonome bevoegdheden van Curaçao en dus buiten het mandaat van Nederland en het Koninkrijk.
Ziet u mogelijkheden om de bestaande olie- en haveninfrastructuur op Curaçao structureel beter te benutten voor opslag, overslag en doorvoer van energieproducten, mede gezien de gunstige geografische ligging van het eiland?
Op dit moment wordt de olie- en haveninfrastructuur hiervoor al benut. Er zijn geen aanwijzingen dat Curaçao meer bedrijvigheid zal kennen als fossiele doorvoerhaven door de huidige ontwikkelingen. Structurele economische keuzes liggen bij Curaçao.
In hoeverre ziet u kansen voor Nederland en Nederlandse bedrijven – onder meer actief in havenontwikkeling, maritieme dienstverlening, energie-logistiek, opslagtechnologie en engineering – om te profiteren van de toegenomen rol van Curaçao in internationale energiestromen, waarbij recente ontwikkelingen meer ruimte hebben gecreëerd voor opslag, overslag en doorvoer, in het licht van de vergrote Amerikaanse betrokkenheid bij de Venezolaanse olie-industrie?
De huidige ontwikkelingen betreffen vooralsnog tijdelijke activiteiten in een specifieke geopolitieke context. Dit maakt het te vroeg om te spreken over structurele kansen voor Nederland of Nederlandse bedrijven. Dat Curaçao beschikt over bestaande haven- en opslagfaciliteiten en een strategische ligging kan het eiland in algemene zin relevant maken als energiehub in de regio. Of en in hoeverre hieruit concrete economische kansen ontstaan, is afhankelijk van verdere ontwikkelingen en betreft in de eerste plaats een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
Is er vanuit het Rijk actief contact met de regering van Curaçao over het versterken van economische samenwerking op het gebied van energie-logistiek en strategische infrastructuur? Zo ja, hoe krijgt deze samenwerking concreet vorm?
De primaire verantwoordelijkheid voor economische keuzes en haven- en industriële activiteiten ligt bij het Land Curaçao. De rol van het Koninkrijk is daarbij onder meer om, waar aan de orde, de Rijksbrede belangen te bewaken (zoals internationale verplichtingen en veiligheid).
Tegelijkertijd is er de afgelopen jaren actief ingezet om samenwerking op het gebied van energielogistiek en strategische infrastructuur te versterken. Zo zijn via de SDE++ middelen beschikbaar gesteld voor het versterken en uitbreiden van de energie-infrastructuur, waaronder netverzwaring en batterijopslag, met als doel de betrouwbaarheid en flexibiliteit van het energiesysteem te vergroten. Daarnaast is de BMKB-regeling opengesteld voor Curaçao om de toegang tot financiering voor het midden- en kleinbedrijf te verbeteren en zo de bredere economische ontwikkeling te ondersteunen. Deze inzet is gericht op het creëren van voorwaarden waarbinnen Curaçao zelfstandig verdere keuzes kan maken.
Ziet u mogelijkheden om Curaçao binnen het Koninkrijk te ontwikkelen tot een structurele energie-hub, vergelijkbaar met de rol die Nederland zelf vervult binnen Noordwest-Europa?
Hoewel Curaçao historisch een rol heeft gespeeld in de regionale energie-infrastructuur, is het op basis van de huidige informatie te vroeg om te spreken over de ontwikkeling van Curaçao tot een structurele energiehub binnen het Koninkrijk. De recente activiteiten geven daarvoor onvoldoende aanknopingspunten en kennen een tijdelijk karakter. De ontwikkeling van een dergelijke rol vergt langdurige investeringen, beleidskeuzes en stabiliteit, waarvoor de verantwoordelijkheid bij het autonome land Curaçao ligt. Nederland kan binnen de bestaande verhoudingen ondersteunen waar dat passend is, maar stuurt hier niet op.
Welke kansen ziet u om deze ontwikkelingen te benutten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao, en daarmee voor een versterking van de sociaaleconomische positie van het eiland binnen het Koninkrijk?
Gezien het vooralsnog tijdelijke karakter van de huidige activiteiten is het op dit moment moeilijk te bepalen wat de exacte mogelijkheden zijn om deze ontwikkelingen in te zetten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao. Dit betreft in de eerste plaats ook een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
In hoeverre wordt bij deze ontwikkelingen gekeken naar synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken en kennisinstellingen, zodat toegevoegde waarde zo veel mogelijk binnen het Koninkrijk blijft?
Op dit moment is er geen sprake van concrete trajecten gericht op structurele synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken of kennisinstellingen. Zolang onduidelijk is of de huidige activiteiten een duurzaam karakter krijgen, ligt de focus op het volgen van de ontwikkelingen. Indien zich op termijn meer bestendige economische activiteiten aandienen, kan worden bezien of en hoe samenwerking binnen het Koninkrijk toegevoegde waarde kan hebben, met respect voor de autonome bevoegdheden van Curaçao.
Bent u bereid om, samen met Curaçao, te verkennen hoe deze ontwikkelingen kunnen worden ingebed in een bredere economische en strategische visie voor het Koninkrijk der Nederlanden op het gebied van energie en logistiek?
Ik ben bereid om hierover met Curaçao in gesprek te blijven, binnen de bestaande overlegstructuren in het Koninkrijk. Daarbij geldt dat een eventuele bredere economische visie rekening moet houden met internationale en juridische kaders (waaronder sanctieregimes voor zover van toepassing), veiligheid en weerbaarheid van strategische infrastructuur; en milieu- en gezondheidsaspecten.
Kunt u aangeven welke vervolgstappen u ziet om deze kansen actief te benutten, en op welke termijn de Kamer hierover nader kan worden geïnformeerd?
De berichtgeving laat zien dat de ontwikkelingen rond Venezolaanse olie in de Cariben veranderlijk zijn en geopolitieke gevoelig liggen. Daarom blijf ik goed in contact met het land Curaçao over de actuele ontwikkelingen en mogelijke implicaties voor het Koninkrijk. Het is aan het autonome land Curaçao om eventuele economische kansen te benutten. Indien Nederland hier een actieve rol in krijgt, breng ik de Kamer hiervan op de hoogte stellen.
De brand in de Vondelkerk te Amsterdam en het aanstaande herstel daarvan |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brand in de Vondelkerk te Amsterdam, een rijksmonument ontworpen door Pierre Cuypers?
Ja.
Klopt het dat bij deze brand de hoofdmuren van de kerk behouden zijn gebleven en dat ook een aanzienlijk deel van het historische glaswerk intact is gebleven, waardoor het gebouw als geheel constructief behouden is gebleven?
Ja, het klopt dat delen van de gevels en het glas nog aanwezig zijn, mede door het zorgvuldige bluswerk van de brandweer. Er wordt nu door de eigenaar, Stadsherstel Amsterdam, samen met een constructeur, gekeken hoe de gevels te stutten. Daarna worden de verbrande elementen uit de kerk verwijderd. Pas dan kan er een definitieve analyse gemaakt worden van de constructieve staat.
Is het kabinet bekend met het feit dat de Vondelkerk in 1904 reeds deels door brand is getroffen en dat de destijds beschadigde onderdelen historisch getrouw zijn hersteld, zonder moderniserende of interpretatieve ingrepen?
Dit is niet geheel juist. De Vondelkerk is inderdaad in 1904 eerder getroffen door brand. Daarbij is onder meer de toren verwoest. Deze is toen herbouwd volgens een gewijzigd plan. Ook in latere tijd is de kerk verbouwd. In het bijzonder toen de kerk in de jaren ’80 door Stadsherstel Amsterdam werd gerestaureerd en herbestemd voor maatschappelijk gebruik. Zoals veel historische gebouwen toont de Vondelkerk in zijn huidige staat het resultaat van een reeks van bouwfases.
Deelt u de opvatting dat dit eerdere herstel na de brand van 1904 een relevant precedent vormt voor de wijze waarop ook nu met de herbouw van dit rijksmonument dient te worden omgegaan?
Gebouwen (en andere objecten) zijn beschermd als rijksmonument vanwege hun bijzondere erfgoedwaarden. Uitgangspunt in de omgang daarmee is het in stand houden van deze erfgoedwaarden. Tegelijkertijd zijn de meeste gebouwen voor de eigenaar een gebruiksobject. Het doel van de monumentenzorg is om behoud en gebruik op zorgvuldige wijze te verenigen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft dit vastgelegd in de Uitgangspunten voor de adviespraktijk (laatste versie 2024, Uitgangspunten en overwegingen advisering gebouwde en groene rijksmonumenten | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Deelt u de opvatting dat bij rijksmonumenten die door calamiteiten zijn beschadigd, historische reconstructie op basis van beschikbare documentatie het uitgangspunt dient te zijn?
Wat er na een calamiteit met een rijksmonument gebeurt, is in de eerste plaats aan de eigenaar. Bij de Vondelkerk heeft de eigenaar al verklaard dat alles er op gericht is de kerk te herstellen. Bij de huidige eigenaar is alle kennis over de vorige restauratie nog aanwezig. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Acht u het wenselijk dat bij de herbouw van de Vondelkerk wordt gekozen voor eigentijdse of interpretatieve ingrepen (zoals een moderne of glazen dakconstructie), indien een historisch getrouwe reconstructie technisch mogelijk is?
Het is nu te vroeg om daar een uitspraak over te doen. Eerst moet worden bekeken wat de schade precies is. Alle inspanningen zijn erop gericht de Vondelkerk te herstellen. Voor deze herstelwerkzaamheden zal door de eigenaar een vergunningaanvraag worden ingediend waarover de RCE advies zal uitbrengen aan de gemeente Amsterdam. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat van historische reconstructie uitsluitend mag worden afgeweken indien sprake is van aantoonbare technische of veiligheidsnoodzaak, en niet op basis van esthetische, beleidsmatige of functionele voorkeuren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke rol ziet u voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) bij het vaststellen van de uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, en bent u bereid deze uitgangspunten expliciet vast te leggen voordat ontwerptrajecten of architectenselecties plaatsvinden?
De RCE adviseert de gemeente Amsterdam (vergunningverlener) en de eigenaar. Er is reeds intensief contact tussen de eigenaar, Stadsherstel Amsterdam, de gemeente en de RCE. Bij de vergunningverlening voor ingrijpende wijzigingen aan rijksmonumenten is een advies van de RCE noodzakelijk. Op die manier wordt bewaakt dat zoveel mogelijk erfgoedwaarden in stand blijven. Zie verder het antwoord op vraag 4.
In hoeverre acht u het van belang dat bij de herbouw recht wordt gedaan aan het oorspronkelijke ontwerp, de materiaalkeuze en het architectonisch silhouet van Pierre Cuypers, mede gezien de nationale betekenis van diens oeuvre?
De kerk is niet voor niets een rijksmonument. Voor nu is het uitgangspunt van alle betrokkenen om de kerk te herstellen, afhankelijk van de (technische) mogelijkheden en de financiering. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid rijksmiddelen voor herstel of herbouw van de Vondelkerk te verbinden aan de voorwaarde van historisch getrouwe reconstructie conform het oorspronkelijke ontwerp, en zo ja, onder welke voorwaarden?
De financiering van het herstel van de Vondelkerk is in eerste instantie een zaak tussen de eigenaar en de verzekeraar.
Hoe voorkomt u dat bij de herbouw van rijksmonumenten na calamiteiten een precedent ontstaat waarbij «reconstructie» in de praktijk leidt tot modernisering of herinterpretatie van monumentaal erfgoed?
Bij herstel van rijksmonumenten na calamiteiten staat het behoud van de monumentale waarden centraal. Advisering door de RCE aan de gemeente Amsterdam over herstel en eventuele reconstructie vindt plaats binnen de hierboven aangehaalde uitgangspunten, waarin zorgvuldigheid, terughoudendheid en het behoud van authenticiteit leidend zijn. Daarbij kan ook ruimte zijn voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen, indien die ondersteunend zijn aan het behoud en de toekomstige instandhouding van het monument en geen afbreuk doen aan de monumentale waarden. De te nemen maatregelen worden uiteindelijk door de vergunningverlener, de gemeente Amsterdam, afzonderlijk en integraal afgewogen.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de door het kabinet en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerde uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, voordat onomkeerbare ontwerpkeuzes worden gemaakt?
De uitgangspunten die bij de advisering door de RCE worden gehanteerd zijn reeds openbaar. Zie het antwoord op vraag 4.
Het structureel voorrang verlenen aan militaire transporten op het spoor ten koste van regulier reizigers- en goederenvervoer. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Leger krijgt in 2026 voorrang: «Treinen rijden de komende twee uur niet, want er is een militair transport»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Bent u bekend met de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 13 oktober 2025 over weerbaarheid en militaire mobiliteit per spoor (Kamerstuk 30 821, nr. 321)?
Ja, daarmee ben ik bekend.
Klopt het dat het kabinet voornemens is om militaire transporten op het spoor vanaf eind 2026 structureel voorrang te geven boven het reguliere personen- en goederenvervoer, ook indien dit leidt tot het urenlang stilleggen van treinverbindingen voor reizigers?
Nee, dat klopt niet. Er is alleen sprake van voorrang voor militaire transporten in specifieke situaties. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is.
Kunt u bevestigen dat deze prioritering geen tijdelijke noodmaatregel betreft, maar een structurele beleidswijziging die wordt verankerd via een wijziging van het Besluit Capaciteitsverdeling, zoals aangekondigd in de voornoemde Kamerbrief?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Hiervoor wordt het Besluit capaciteitsverdeling aangepast.
Hoe verhoudt deze maatregel zich tot de wettelijke zorgplicht van de overheid om te voorzien in betrouwbare, toegankelijke en voorspelbare mobiliteit voor burgers, studenten en forenzen?
Het belang van betrouwbaar en toegankelijk openbaar vervoer blijft een uitgangspunt van mijn beleid. Daar doet dit wijzigingsbesluit niets aan af. In het wijzigingsbesluit is aangegeven in welke specifieke situaties militaire transporten voorrang kunnen krijgen. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan.
Acht u het aanvaardbaar dat reizigers zonder reëel alternatief geconfronteerd kunnen worden met de mededeling dat «treinen de komende twee uur niet rijden» vanwege een militair transport?
Als er sprake is van een urgent militair transport zoekt ProRail naar de minst ingrijpende maatregel om dit transport te laten rijden. Er wordt dus geprobeerd de overlast voor reizigers en vervoerders2 zo beperkt mogelijk te houden. Daarnaast zullen de militaire transporten plaatsvinden op een beperkt aantal corridors. Treinen op andere routes zullen daardoor grotendeels kunnen blijven rijden. Daardoor hebben reizigers in een aantal gevallen de mogelijkheid te reizen via een alternatieve route. Gezien de huidige geopolitieke situatie vind ik daarmee de nu voorgestelde wijziging zeer aanvaardbaar.
Op basis van welke concrete dreigingsanalyse acht het kabinet deze maatregel noodzakelijk en kan deze analyse openbaar met de Kamer worden gedeeld?
Deze maatregel wordt noodzakelijk geacht gezien de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met militaire transporten via het spoor door de ministeries van Defensie en IenW en de oplopende geopolitieke spanningen die mogelijk leiden tot meer militaire transporten. Uit die ervaringen is gebleken dat het spoorstelsel in Nederland niet voldoende is voorbereid op een mogelijke toename van militaire transporten en dat in de huidige regels geen mogelijkheid bestaat om voldoende capaciteit voor militaire transporten te verzekeren.
Klopt het dat deze beleidswijziging mede voortvloeit uit NAVO-verplichtingen, waaronder Host Nation Support, en uit internationale afspraken over militaire corridors richting Oost-Europa, zoals de North Sea-Baltic Corridor?
Ik acht deze maatregel noodzakelijk gezien de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met militaire transporten via het spoor door de ministeries van Defensie en IenW. Uit die ervaringen is gebleken dat het spoorstelsel in Nederland niet voldoende is voorbereid op een mogelijke toename van militaire transporten. Oplopende geopolitieke spanningen in Europa leiden mogelijk tot meer militaire transporten. Nederland is daarbij een belangrijk doorvoerland voor Host Nation Support en ligt aan het begin van de North Sea-Baltic Corridor.
In hoeverre betekent het streven naar een zogenoemd «militair Schengen» dat nationale besluitvorming over het gebruik van vitale civiele infrastructuur, zoals het spoor, wordt verschoven naar het internationale niveau?
Er wordt op dit moment in Europees verband gewerkt aan diverse afspraken in het kader van militaire paraatheid. Binnen deze afspraken staat de harmonisatie van procedures en wet- en regelgeving centraal. Hoe deze afspraken vorm krijgen, wordt nu besproken. De Kamer wordt via BNC-fiches steeds nauw betrokken bij de Nederlandse inzet in de gesprekken over deze afspraken.
In hoeverre wordt het Nederlandse civiele spoor hiermee feitelijk ingezet als logistieke schakel in internationale militaire operaties, waaronder vervoer van materieel richting Oekraïne, zoals ook in de Kamerbrief wordt benoemd?
Het Nederlandse spoor wordt al jaren gebruikt voor het vervoer van reizigers en voor het vervoer van een heel scala aan goederen, zowel nationaal als internationaal, en zowel civiel als militair.
Daar verandert de nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling ten principale niets aan.
Acht u het wenselijk dat vitale civiele infrastructuur structureel ondergeschikt wordt gemaakt aan internationale militaire agenda’s?
Het Nederlandse spoor wordt al jaren gebruikt voor het vervoer van reizigers en voor het vervoer van een heel scala aan goederen, zowel nationaal als internationaal, en zowel civiel als militair.
Daar verandert de nu voorliggende wijziging van het Besluit Capaciteitsverdeling niets aan. Er is derhalve geen sprake van structureel ondergeschikt maken. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is.
Waarom wordt er niet primair ingezet op alternatieven die de maatschappelijke hinder beperken, in plaats van het stilleggen van regulier reizigersvervoer?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan en zal worden geprobeerd om de hinder voor reizigers en vervoerders zo minimaal mogelijk te laten zijn. Als onderdeel van de militaire mobiliteitsopgave wordt overigens ingezet op dual-use investeringen die, naast de militaire doeleinden, ook bijdragen aan het reguliere personen- en goederenvervoer. Zo dragen deze investeringen niet alleen bij aan onze veiligheid, maar ook aan onze economie. Voorbeelden zijn investeringen in voldoende spoorcapaciteit in de havens, zoals de recente investeringen in de verplaatsing van het emplacement IJsselmonde en in Kijfhoek. Ook het investeren in het kunnen rijden met 740 meter lange goederentreinen is zowel voor Defensie als voor het commerciële spoorgoederenvervoer belangrijk.
Klopt het dat een voorganger van de huidige Staatssecretaris eerder nog stelde dat voorrang voor militaire transporten «op gespannen voet» staat met andere maatschappelijke belangen en kunt u delen wat er inhoudelijk is veranderd waardoor deze bezwaren nu worden losgelaten?
Het klopt dat in de consultatieversie van een vorige wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling werd voorgenomen om in de jaardienstregeling capaciteit te reserveren t.b.v. militaire transporten over het spoor. Op dat voorstel zijn veel reacties binnengekomen en daarom heeft mijn voorganger besloten op zoek te gaan naar een andere manier om te voorzien in de benodigde capaciteit voor militaire transporten. Dat voorstel zorgde niet voor de zekerheid die Defensie nodig heeft en kon potentieel wel veel beslag leggen op capaciteit voor andere typen vervoer. In de nu voorgestelde wijziging is gezocht naar een balans tussen het beschermen van het belang van de reiziger en de vervoerder en het belang van het faciliteren van militaire transporten.
Wie bepaalt in de praktijk of een militair transport als «urgent» wordt aangemerkt, welke objectieve criteria worden daarbij gehanteerd en welke democratische controle bestaat hierop?
In de nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling worden in de Nota van Toelichting objectieve criteria genoemd die bepalen of een transport als urgent kan worden aangemerkt. Dat is aan de orde als sprake is van bijzondere eisen voor een transport, zoals constante bewaking bij een munitietransport. Ook het dreigingsbeeld kan aanleiding zijn om een transport aan te merken als urgent. Ook zijn er treinen die echt op een bepaald moment op een bepaalde plek moeten aankomen. Om voor ProRail inzichtelijk te maken dat dit het geval is geven de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat en Defensie samen daartoe een verklaring af. De Kamer controleert dit handelen van beide Ministers.
Hoe wordt voorkomen dat het begrip «urgent» in de praktijk steeds ruimer wordt geïnterpreteerd, waardoor structurele prioritering van militair vervoer de norm wordt in plaats van de uitzondering?
In het nu voorliggende wijzigingsbesluit en de bijbehorende Nota van Toelichting wordt aangegeven wanneer sprake is van een urgent militair transport.
Kan worden uitgesloten dat de kosten en gevolgen van deze prioritering – waaronder verstoringen, infrastructurele aanpassingen en capaciteitsverlies – uiteindelijk worden afgewenteld op reizigers via hogere tarieven of een verslechterde dienstverlening?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan. De nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling leidt niet tot infrastructurele aanpassingen.
Acht u het wenselijk dat Ministers via uitvoeringsbesluiten, zonder voorafgaande instemming van de Kamer, kunnen besluiten tot maatregelen met zulke ingrijpende gevolgen voor het dagelijks leven van burgers?
Het kabinet volgt bij dit wijzigingsbesluit de gebruikelijke stappen voor het wijzigen van wet- en regelgeving. Er is dan ook geen sprake van een besluit dat wordt genomen zonder dat de Kamer hiervan in kennis wordt gesteld.
Op dit moment ligt de wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur voor ter internetconsultatie. Daarnaast is, zoals gebruikelijk bij dit soort besluiten, aan de Autoriteit Consument en Markt gevraagd een handhaafbaarheidstoets uit te voeren en aan ProRail gevraagd om een uitvoerbaarheidstoets te doen.
Dit wijzigingsbesluit wordt na verwerking van de reacties uit de consultatie en de uitkomsten van de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoetsen voorgehangen bij beide Kamers der Staten-Generaal. Daarna volgt advisering door de Raad van State. Na inwerkingtreding van het Besluit kunnen de Ministers van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat een verklaring afgeven als een militair transport voldoet aan de voorwaarden.
De toename van incidenten op de buslijnen van en naar Ter Apel en de beslissing om een gratis pendeldienst in te zetten tussen het azc in Ter Apel en station Emmen. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er een pendelbus speciaal voor asielzoekers rijdt tussen het asielzoekerscentrum (azc) in Ter Apel en station Emmen, georganiseerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de gemeenten Westerwolde en Emmen en gefinancierd door het Ministerie van Asiel en Migratie?
Er rijdt een pendelbus sinds 2019 rechtstreeks tussen het azc Ter Apel en station Emmen om overlast te voorkomen op de reguliere buslijnen. De pendelbus wordt niet enkel gebruikt door asielzoekers. In de bus moet betaald worden voor een rit. Het Ministerie van Asiel en Migratie is financier van de pendelbus. De gemeente Westerwolde voert de aanbesteding van de pendelbus uit voor de periode 2023–2026.
Bent u ervan op de hoogte dat er een stijging is te zien in zowel het aantal incidenten als de ernst ervan op buslijn 73 (Emmen–Ter Apel) en 74 (Emmen–Stadskanaal)?
Het is bekend dat het aantal incidenten op buslijnen 73 en 74 is gestegen. Voor de ernst van de incidenten kan op dit moment geen stijging worden bevestigd. Overlastgevend gedrag is hoe dan ook onacceptabel. Daarom worden verschillende maatregelen genomen en voorbereid om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen.
Kunt u bevestigen dat zowel buschauffeurs als reizigers zich onveilig voelen op genoemde trajecten, zoals eerder ook door FNV Streekvervoer in een brandbrief is gemeld?
De signalen van het gevoel van onveiligheid op de reguliere buslijnen tussen Emmen en Ter Apel onder buschauffeurs en reizigers zijn bekend. Deze signalen worden zeer serieus genomen.
Kunt u een overzicht geven van alle incidenten op deze buslijnen in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar: aard van de incidenten, ernst van de incidenten, herkomst van de daders en de afhandeling – inclusief vervolging en opgelegde sancties?
Een volledig overzicht van alle incidenten op deze buslijn uitgesplitst naar aard en ernst van de incidenten, herkomst van daders en afhandeling, is niet beschikbaar. Wel volgt uit de incidentregistratie van Qbuzz dat in de periode van 1 januari 2025 tot en met 12 oktober 2025 181 incidenten hebben plaatsgevonden op lijnnummer 73 (Emmen–Ter Apel–Stadskanaal). De aard van deze incidenten is bekend bij de vervoerder Qbuzz en betreft onder meer optreden bij betalingsproblemen en verbale agressie.
Acht u het wenselijk dat de Rijksoverheid faciliteert dat asielzoekers – van wie een deel aantoonbaar voor ernstige veiligheidsproblemen zorgt – vrijelijk worden vervoerd van het azc in Ter Apel naar Emmen?
Nee, het is niet de bedoeling dat gratis vervoer beschikbaar wordt voor asielzoekers die overlast veroorzaken. Overlastgevend gedrag dient niet beloond te worden. Het is wenselijk dat het vervoer tussen het azc in Ter Apel en station Emmen ordelijk en veilig verloopt. Daarom is in 2019 de pendelbus gestart om te borgen dat er minder overlast is van asielzoekers op de reguliere buslijnen. In de pendelbus dient iedereen een kaartje te kopen net als in de reguliere buslijn.
Vindt u het niet een fundamenteel problematische ontwikkeling dat de overheid een aparte gratis buslijn opzet, omdat een deel van de asielzoekers zich niet aan basale betalings- en gedragsnormen houdt, waardoor feitelijk niet de overtreders zich aanpassen aan de norm maar de norm aan de overtreders?
Nee. Er is geen aparte gratis buslijn opgezet. Sinds de start van de financiering van de pendelbus vanuit het Ministerie van Asiel en Migratie geldt dat voor gebruik van de pendelbus wordt betaald en dat blijft zo. De norm is dus niet aangepast: reizigers zijn betalingsplichtig en moeten zich houden aan de algemeen geldende OV-regels.
Bent u het eens met de stelling dat het onwenselijk is dat asielzoekers die nog geen verblijfsvergunning hebben, zich nog in hun procedure bevinden en volgens vervoerders en vakbonden voor veiligheidsproblemen zorgen, door de overheid gefaciliteerd vrij kunnen reizen naar Emmen, waar dit tot veiligheidsrisico’s leidt?
Zie antwoord vraag 5.
Indien u dit wel wenselijk acht, kunt u uitvoerig toelichten waarom u het noodzakelijk vindt om dit vervoer te faciliteren, ondanks de veiligheidsproblemen die dit ten gevolge heeft voor Emmen?
Het is wenselijk om dit vervoer te faciliteren om de druk op de reguliere buslijnen te beperken en direct vervoer van station Emmen naar Ter Apel mogelijk te maken. Het faciliteren van de pendelbus maakt daarnaast gericht toezicht en handhaving mogelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat de inzet van de pendelbus op zichzelf extra veiligheidsproblemen veroorzaakt.
Bent u ermee bekend dat – ondanks de inzet van de pendelbus – de incidenten op de reguliere buslijnen blijven toenemen en dat deze maatregel geen structurele verbetering oplevert voor de veiligheid?
De situatie op de reguliere buslijnen is bekend. Dit staat los van de inzet van de pendelbus.
Bent u voornemens om aanvullende maatregelen te nemen om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen?
Er worden verschillende maatregelen genomen en voorbereid om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen. Asielzoekers met een kansarme aanvraag worden over meerdere locaties verspreid. Voor de doelgroep die voor overlast zorgt worden meer vreemdelingrechtelijke maatregelen mogelijk. Hierover lopen gesprekken, onder andere over de inzet van AVIM. Met de gemeente Emmen wordt verkend hoe boa’s uit de flexpool boa kunnen worden ingezet.
Indien het antwoord op vraag 9 bevestigend luidt, welke maatregelen zult u dan nemen?
Zie antwoord vraag 10.
Indien het antwoord op vraag 9 ontkennend luidt, waarom kiest u ervoor om geen aanvullende maatregelen te nemen?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het eens met de stelling dat er een veiligheidsrisico ontstaat, omdat asielzoekers zonder verblijfsvergunning, die zich nog in hun procedure bevinden en van wie de overheid onvoldoende weet wie zij zijn, vrij in Nederland kunnen rondreizen, waardoor het ontbreken van betrouwbare identiteitskennis direct bijdraagt aan de veiligheidsrisico’s?
Nee. Het ontbreken van een verblijfsvergunning tijdens de asielprocedure betekent niet dat de overheid onvoldoende weet wie betrokkene is. Bij de aanmelding worden door de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) persoonsgegevens vastgelegd, vingerafdrukken afgenomen, documenten onderzocht en een foto gemaakt. Preventieve detentie van asielzoekers is juridisch en maatschappelijk onwenselijk en strijdig met mensenrechtenkaders. Asielzoekers kunnen daarom binnen Nederland vrije reisbewegingen maken. Dit is geen vrijbrief: waar sprake is van overlast of risico’s kunnen gerichte en proportionele maatregelen worden getroffen.
Achterstallig onderhoud van onze kritieke infrastructuur. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Algemeen Dagblad waaruit blijkt – op basis van informatie van Rijkswaterstaat en ProRail – dat er sprake is van circa 54 miljard euro aan achterstallig onderhoud aan onder meer bruggen, wegen, tunnels, sluizen en spoorlijnen?1
Ja.
Onderschrijft u de analyse dat de huidige onderhoudsachterstand is opgelopen tot circa 54 miljard euro?
Het genoemde bedrag wordt niet herkend als de omvang van de huidige onderhoudsachterstand, maar als het verschil tussen de budgetbehoefte en het beschikbare budget voor Rijkswaterstaat en ProRail in de periode 2024 t/m 2038. Voor Rijkswaterstaat (RWS) gaat het daarbij om een verschil van circa € 34,5 miljard voor de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem, zoals vastgesteld door de Algemene Rekenkamer (ARK)2. Voor ProRail bedraagt het verschil tussen de budgetbehoefte en het begrotingsartikel voor de instandhouding van het spoor circa € 1,8 miljard. In een brief aan de Kamer van afgelopen zomer3 met het bijgewerkte beeld van de financiële opgaven is aangegeven dat de totale financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds optellen tot een veel groter bedrag. Zo is er onder meer ca. € 18 mld. nodig voor belangrijke opgaven zoals de invoering van ERTMS, het herstel en de inbeheername van de HSL, het onderhoud van de Nedersaksenlijn en TEN-T. Deze bedragen zijn nog niet formeel gevalideerd. Gezamenlijk met de door de ARK-gevalideerde bedragen is dit te relateren aan het in het artikel genoemde tekort van € 54 miljard.
Kunt u inzichtelijk maken welke objecten – zoals bruggen, tunnels, sluizen, sporen, wegen – momenteel in een staat verkeren die acuut of middellang onderhoud vereist, inclusief veiligheidsrisico, resterende levensduur en kostenraming?
Op 8 december jl. zijn de rapportages over de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail met de Kamer gedeeld4. In deze rapportages wordt per netwerk inzicht gegeven in de resterende levensduur en veiligheidsrisico's. Kostenramingen worden i.v.m. marktgevoelige informatie niet openbaar gemaakt.
In de RWS-rapportage wordt door middel van het kaartmateriaal een overzicht gegeven van de infrastructuur waar beperkingen voor het weg- en scheepvaartverkeer zijn ingesteld, grootschalig onderhoud en vernieuwing is gepland, onderhoud is uitgesteld of waar een verhoogd inspectieregime van kracht is.
Specifieke informatie over aan te pakken objecten bij ProRail is te vinden op de website www.spoorwerkinmijnbuurt.nl5. Hierop is te zien waar en wanneer er aan het spoor wordt gewerkt, en welke werkzaamheden er plaatsvinden. Deze informatie is beschikbaar vanaf één jaar terug tot één jaar vooruit vanaf het moment waarop de website wordt bezocht. Een verdere vooruitblik is te vinden in het jaarlijks geactualiseerde Masterplan ProRail6. Mede op basis van de staat van de infrastructuur ziet ProRail de komende tien tot vijftien jaar een stijging in de opgave voor vooral (beweegbare) bruggen, bovenleiding systemen, tunneltechnische installaties en beveiligingssystemen (samenhang met ERTMS-programma). Deze vervangingsopgave is in het Masterplan ProRail opgenomen.
Kunt u dit overzicht zo spoedig mogelijk opstellen en delen met de Tweede Kamer?
Dit overzicht is op 8 december jl. gedeeld met de Kamer door middel van de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail.
Welke oorzaken hebben volgens u ertoe geleid dat onderhoud jarenlang onvoldoende is uitgevoerd?
Aan het oplopen van het uitgesteld onderhoud bij Rijkswaterstaat liggen meerdere oorzaken ten grondslag. Veel infrastructuur die aan het eind van de jaren ’50 en ’60 is gebouwd, is aan vervanging toe en slijt sneller door intensiever gebruik en toename van zwaar verkeer. Daarnaast worden er vanuit klimaat, duurzaamheid en weerbaarheid nieuwe eisen gesteld aan de infrastructuur. Ook spelen wijzigende marktomstandigheden, onvoorziene gebeurtenissen die met hoge prioriteit moeten worden opgepakt, een beperkte beschikbaarheid van capaciteit bij Rijkswaterstaat en marktpartijen, evenals een tekort aan beschikbare middelen een belangrijke rol.
Op dit moment is er voor ProRail, op enkele plekken op de Havenspoorlijn na, geen achterstand op de exploitatie, het onderhoud en de vernieuwing.
Gelet op het feit dat deze week bekend is geworden dat er – vanwege financiële meevallers bij verschillende ministeries – circa 700 miljoen euro extra wordt overgemaakt aan Oekraïne: acht u het dan niet verstandiger om dit belastinggeld in te zetten voor het wegwerken van het achterstallig onderhoud aan de Nederlandse infrastructuur, zodat Nederlands belastinggeld direct ten goede komt aan Nederland?
Het kabinet maakt hierin een andere afweging en erkent de wens van de Tweede Kamer om snel extra militaire steun aan Oekraïne te leveren. Voor een verdere toelichting over de invulling van de motie van de Tweede Kamer voor militaire steun aan Oekraïne en de reden waarom dit kabinet de wens van de Tweede Kamer erkent, verwijs ik naar de Kamerbrief van 8 december 20257.
Deelt u de mening dat de overheid de komende jaren minder royaal om dient te gaan met belastinggeld bij uitgaven die niet direct het Nederlands belang dienen – zoals diversiteitssubsidies en ontwikkelingshulp – om zo financiële ruimte te creëren voor het dichten van de onderhoudsachterstand?
Het is aan een nieuw kabinet om de integrale weging te maken tussen verschillende beleidswensen en opgaven binnen de Rijksbegroting waaronder de opgave voor het beheer en onderhoud van onze hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdwatersysteem en ons spoorwegennetwerk.
Wettelijke bescherming van immaterieel erfgoed |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland momenteel geen wettelijke bescherming kent voor immaterieel cultureel erfgoed en hierdoor – anders dan in andere landen – geen beschermingsmechanisme bevat voor tradities, geluiden, rituelen, ambachten of culturele praktijken?
Nee, dat kan ik niet. Het klopt weliswaar dat de Erfgoedwet geen specifiek beschermingsregime voor immaterieel erfgoed bevat, maar dat wil niet zeggen dat er geen beschermingsmechanisme is.
Nederland heeft bij het beschermen van immaterieel erfgoed bewust gekozen voor een beleidsmatige benadering, omdat dit past bij de aard van dit erfgoed en bij de Nederlandse context. Immaterieel erfgoedgemeenschappen zijn zelf verantwoordelijk voor hun tradities, bepalen zelf wat hun erfgoed is en hoe zij het beoefenen, ontwikkelen en doorgeven. Dit is niet aan de overheid, en dat moet ook zo blijven.
De basis voor de beleidsmatige benadering vormt het Unesco-verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed (hierna: Unesco-verdrag) uit 2003, dat het Koninkrijk der Nederlanden in 2012 heeft geratificeerd. De structuren die in Nederland de borging en overdracht van immaterieel erfgoed faciliteren, zijn op dit verdrag gestoeld. Dit omvat o.a. het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), het programma Faro van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), het Fonds voor Cultuurparticipatie (via de Wet op het specifiek cultuurbeleid) en de provinciale erfgoedhuizen. Ter nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 1 van de Kamerbrief immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen uit 2024, met een beschrijving van de kernonderdelen van het Nederlandse beleid rond immaterieel erfgoed.1 Het belang dat overheden hechten aan immaterieel erfgoed komt ook tot uitdrukking in de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 die Rijk, VNG en IPO daarover maakten en de mogelijkheden in de Omgevingswet, zoals beschreven in vraag 7.2
Anders dan bij materiële vormen van erfgoed wordt in Nederland bij immaterieel erfgoed niet de term «beschermen», maar «borgen» of «overdracht» gebruikt. «Beschermen» impliceert dat immaterieel erfgoed in een bepaalde vorm kan worden bewaard. Immaterieel erfgoed is echter levende cultuur die door gemeenschappen wordt beoefend en meebeweegt met de tijd en omstandigheden.
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de overheid de belangen van immaterieel erfgoedgemeenschappen goed meeneemt bij het voorbereiden of aanpassen van wetgeving die effect heeft op immaterieel erfgoed. In de praktijk gebeurt dat ook.
KIEN heeft richting gemeenschappen een rol als wet- of regelgeving wordt aangepast. Zo heeft KIEN bijvoorbeeld een brochure uitgebracht voor immaterieel erfgoedgemeenschappen en gemeenten over de waarde, context en wetgeving rond vuurtradities (paasvuren, carbidschieten en vreugdevuren). Ook organiseert KIEN daarover workshops en gesprekken tussen burgemeesters, wethouders en gemeenschappen zoals carbidschieters.
Naar aanleiding van de motie van Oostenbrink (BBB) ben ik in gesprek met de VNG, met als doel te komen tot een handreiking voor vergunningverleningen voor streekevenementen.
Kunt u toelichten hoe u de positie van Nederlands immaterieel erfgoed beoordeelt in het huidige, niet-wettelijke systeem en of u van mening bent dat dit systeem voldoende is om immaterieel erfgoed op lange termijn te beschermen?
Het beleid voor immaterieel erfgoed in Nederland heeft zich sinds de ratificatie van het Unesco-verdrag in 2012 sterk ontwikkeld. Het immaterieel erfgoedveld is uitgegroeid tot een volwaardig beleidsterrein, dat een duurzaam en integraal onderdeel vormt van landelijk, provinciaal en gemeentelijk cultuurbeleid. De kracht van het Nederlandse systeem ligt in de centrale rol die erfgoedgemeenschappen zelf spelen. Want alleen gemeenschappen kunnen zorgen voor borging op de lange termijn. De Nederlandse bottom-up benadering sluit aan bij het gedachtengoed van het Unesco-verdrag, de Nederlandse maatschappelijke context en zorgt ervoor dat de ondersteuning aansluit bij de behoeften van de gemeenschappen.
In Nederland is gekozen om de coördinatie van het Unesco-verdrag bij een NGO (KIEN) te beleggen, zodat de uitvoering van het verdrag niet direct verbonden is aan de politiek en overheid. KIEN draagt bij aan borging van immaterieel erfgoed op de lange termijn door o.a. ondersteuning en deskundigheidsbevordering aan gemeenschappen te bieden en zorgt voor begrip en kennisontwikkeling over immaterieel erfgoed. Daarnaast coördineert KIEN de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland met ruim 400 bijgeschreven tradities, ambachten en gebruiken.
Voor het versterken van het immaterieel erfgoedbeleid op de langere termijn is ook het huidige ratificatietraject van het Verdrag van Faro relevant.3 In 2024 heeft Nederland het verdrag ondertekend, waarmee Nederland zich verbindt aan de drie Faro-kerndoelen; meedoen en meebeslissen over erfgoed, erfgoed verbinden aan sociaal-maatschappelijke doelen en openstaan voor andere erfgoedopvattingen. Dit verdrag en de implementatie via o.a. RCE en KIEN draagt bij aan de versterking van zeggenschap en eigenaarschap van erfgoedgemeenschappen bij de borging op de lange termijn.
Hoe denkt u over de opvatting dat het ontbreken van wettelijke bescherming van immaterieel erfgoed betekent dat Nederlandse immateriële tradities, waaronder het luiden van kerkklokken als concreet voorbeeld, volledig afhankelijk zijn van beleid en vrijwillige borging, en dat dit op lange termijn kan leiden tot verlies van cultureel erfgoed?
De rol van de overheden bij immaterieel erfgoed is faciliterend, om een kader te scheppen waarin immaterieel erfgoed kan gedijen. Een wettelijke plicht tot bescherming zou leiden tot ongewenste overheidsbemoeienis met de inhoud van tradities. Dat gaat direct in tegen het centrale uitgangspunt van het Unesco-verdrag dat gemeenschappen zelf bepalen wat hun erfgoed is.
Het is inherent aan immaterieel erfgoed dat het wordt gedragen door mensen en gemeenschappen. Zonder actieve beoefening door mensen houdt immaterieel erfgoed op te bestaan. Daarmee verschilt het fundamenteel van alle andere vormen van erfgoed.
Hoe beoordeelt u het wettelijk kader dat andere landen wel hebben ontwikkeld voor immaterieel erfgoed, zoals Zuid-Korea met de Act on the Safeguarding and Promotion of Intangible Cultural Heritage, waarin onder meer een nationale lijst met immaterieel erfgoed, erkende erfgoeddragers en een wettelijke staatsplicht tot bescherming en overdracht zijn opgenomen?1
Het Unesco-verdrag geeft landen veel vrijheid om structuren passend bij de eigen context in te richten. De Zuid-Koreaanse casus is ontstaan in een specifieke historische context na de Japanse bezetting en de Koreaanse oorlog. Dit leidde tot top-down systeem met wettelijke erkenning en een sterk hiërarchisch onderscheid tussen «erkend» en «niet erkend» immaterieel erfgoed.
In Nederland is -passend bij het sterke Nederlandse maatschappelijk middenveld- het uitgangspunt geweest om bij het ontwikkelen van het immaterieel erfgoedbeleid uit te gaan van een bottom-up benadering waarbij gemeenschappen zelf hun erfgoed aanmelden, borgen en overdragen en waarin geen hiërarchie wordt aangebracht tussen vormen van immaterieel erfgoed.
Bent u bereid te onderzoeken wat de toepasbaarheid is van het Koreaanse model voor Nederland, specifiek met betrekking tot een wettelijke definitie van immaterieel erfgoed, een bindende nationale inventaris en een wettelijke erkenning van gemeenschappen of dragers die een traditie onderhouden?
Nee, er is geen aanleiding om een onderzoek naar de toepasbaarheid van het Koreaanse model voor Nederland te starten.
De Erfgoedwet kent een definitie van cultureel erfgoed die is ontleend aan het Verdrag van Faro en die aansluit bij de Unesco-definitie van immaterieel erfgoed. Mijn ambtsvoorganger heeft eind 2024 aangekondigd deze begripsbepaling te willen aanscherpen om te verduidelijken dat -passend bij het Unesco-verdrag- overheden, erfgoedinstellingen en erfgoedgemeenschappen allemaal de ruimte hebben om in een voortdurend maatschappelijk gesprek te bepalen wat cultureel erfgoed is.
Daarnaast bestaat er een nationale inventaris; de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. Deze inventaris is niet «bindend» in juridische zin, omdat dit zou impliceren dat de overheid bepaalt wat wel en niet erkend immaterieel erfgoed is. De inventaris is een instrument ten behoeve van zichtbaarheid en toekomst geven. Gemeenschappen krijgen hierin ondersteuning vanuit KIEN.
Hoe beoordeelt u de Franse Wet nr. 2021-85 van 29 januari 2021, waarin het sensorisch erfgoed van rurale gebieden – waaronder kenmerkende geluiden zoals kerkklokken, maar ook geuren vallen – juridisch wordt verankerd in het Franse milieuwetboek als onderdeel van het nationale erfgoed?2
De Franse wet over het patrimoine sensoriel des campagnes is een reactie op het Frans fenomeen van rechtszaken van nieuwkomers in landelijke gebieden tegen geluiden en geuren zoals hanengekraai, kerkklokken en mest. De wet heeft geen direct afdwingbare rechten gecreëerd, maar wordt wel bij rechtelijke beoordelingen tijdens burengeschillen meegewogen.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze Franse benadering, waarbij immateriële en sensorische uitingen wettelijk worden beschermd, inspiratie kan bieden voor de Nederlandse praktijk rond immaterieel cultureel erfgoed en de bescherming van tradities, landschappelijke kenmerken en omgevingsgeluiden zoals kerkklokken?
De Franse benadering biedt in beperkte mate inspiratie voor Nederland. In Nederland houden rechters al rekening met de context van een burengeschil.
Relevant voor de Nederlandse praktijk is de Omgevingswet. Deze wet biedt mogelijkheden om immaterieel erfgoed te verankeren in omgevingsvisies en -plannen. Gemeenten kunnen bij het opstellen van het omgevingsvisie en -plan rekening houden met bijvoorbeeld jaarlijks terugkerende evenementen zoals processies, corso’s of carnaval, met bouwplaatsen voor wagens, met kermisterreinen of molenbiotopen en andere streekgebonden kenmerken die verbonden zijn aan de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet biedt zodoende verankering van immaterieel erfgoed zonder dat een aparte wet nodig is.
KIEN heeft samen met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de publicatie Ruimte voor immaterieel erfgoed uitgebracht.6 Deze biedt gemeenten en gemeenschappen handvatten om immaterieel erfgoed te integreren in het omgevingsbeleid. Dit is een voorbeeld van een wijze van borging die beter past bij het Nederlandse gedecentraliseerde bestel dan een nationale wet.
De Wet versterking participatie op decentraal niveau vraagt overheden een participatieverordening op te stellen waarin wordt aangegeven hoe inwoners invloed kunnen uitoefenen op het beleid, van beleidsvorming, tot uitvoering en evaluatie. In de praktijk zorgt deze wet voor deelname van o.a. immaterieel erfgoedgemeenschappen aan beleidsvorming van overheden.
Acht u het wenselijk dat ook Nederland een vorm van wettelijke verankering van immaterieel erfgoed ontwikkelt, bijvoorbeeld via een wijziging van de Erfgoedwet, of een andere wet naar voorbeeld van Frankrijk?
Nee, een wijziging van de Erfgoedwet specifiek voor immaterieel erfgoed is niet wenselijk. Het in de Erfgoedwet gehanteerde begrip «cultureel erfgoed» omvat roerend, onroerend en immaterieel erfgoed. Voor wat betreft roerend en onroerend cultureel erfgoed richt de Erfgoedwet zich primair op de aanwijzing, het gebruik en de bescherming daarvan. Immaterieel erfgoed heeft een fundamenteel ander karakter, zoals hierboven reeds verduidelijkt. Het wordt gedragen door mensen en kan niet als zodanig niet worden «beschermd». Borging van immaterieel erfgoed vindt plaats door onder antwoord 1 genoemde beleidsmatige benadering.
Bent u bereid te verkennen hoe het Nederlandse systeem voor immaterieel erfgoed versterkt kan worden door internationale best practices, en in dat kader specifiek te kijken naar wettelijke borging van immaterieel erfgoed die generaties lang zijn doorgegeven?
Nederland blijft doorlopend op de hoogte van internationale best practices via verschillende routes. Nederland wisselt bijvoorbeeld actief kennis uit via o.a. de Intergouvernementele Comité Meetings en de General Assembly van het Unesco-verdrag en via bilaterale contacten. Deze internationale uitwisseling levert inspiratie voor Nederlands beleid en de praktijk.
KIEN onderhoudt als geaccrediteerde NGO bij het Unesco-verdrag structureel internationale contacten en kijkt hoe andere landen het Unesco-verdrag implementeren. In de Kennisagenda 2021–2024 van KIEN is bijvoorbeeld internationaal vergelijkend onderzoek naar inventarisatiemethodieken opgenomen. Hieruit blijkt dat landen zeer verschillende benaderingen hanteren, passend bij hun eigen context.
Bent u bereid een verkenning uit te voeren naar mogelijke juridische instrumenten om immaterieel erfgoed te beschermen, waarin zowel het Koreaanse model (met wettelijke dragers en nationale Intangible Cultural Heritage Committee (ICH-commissie)) als het Franse model (wettelijke status voor immateriële erfgoed) worden meegenomen?
Nee, gezien voorgaande antwoorden is een verkenning van het Koreaanse en Franse modellen niet opportuun.
Kunt u aangeven welke stappen nodig zouden zijn om in Nederland tot een wettelijke erkenning en bescherming van immaterieel erfgoed te komen, én of u bereid bent deze stappen in gang te zetten?
Nee, gezien voorgaande antwoorden ben ik niet bereid om tot een wettelijke erkenning en bescherming van immaterieel erfgoed te komen.