Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
De negatieve BTI-toets in het kader van de overname van het bedrijf Solvinity (Platform DigiD) |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Wat betekent een negatief BTI-oordeel concreet voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van het bedrijf Solvinity en daarmee voor DigiD?
Kunt u uiteenzetten welke risico’s er bestaan voor burgers alsmede voor de overheidsdienstverlening als de huidige situatie langer voortduurt?
Welke exitstrategie is er richting 2028, zeker omdat Logius/BZK zelf meldt dat het Solvinity-contract op 27 maart 2026 met twee jaar is verlengd omdat een overstap vóór augustus 2026 niet veilig werd geacht?
Kunt u in het licht van de in de vorige vraag benoemde risico’s, de eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen omtrent de overname van Solvinity deze week beantwoorden, zodat de risico’s duidelijk in kaart kunnen worden gebracht?
Kunt u toelichten op basis van welke criteria, risicoanalyses en wettelijke kaders het BTI-advies tot stand is gekomen?
Welke specifieke veiligheids-, afhankelijkheids-, governance- of soevereiniteitsrisico’s lagen ten grondslag aan het negatieve oordeel en speelt digitale autonomie hierin ook een rol?
Kunt u het volledige BTI-advies, inclusief de onderliggende overwegingen en risicoanalyses met de Kamer delen?
Op welke exacte grondslag wordt de overname tegengehouden: Wet Vifo, hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet, beide, of andere gronden? Zo ja, welke specifieke gronden?
Kunt u toelichten welke Europese of nationale technologische alternatieven zijn onderzocht voor de overname van IT-dienst van DigiD? Kunt u tevens uitleggen of deze alternatieven van gelijkwaardige technologie zijn als die van Kyndryl, aangezien blijkt dat Europa en Nederland, de Verenigde Staten niet kunnen bijbenen op het gebied van technologische innovatie op vele gebieden?
Kunt u uitleggen dat indien het alternatief niet van gelijkwaardige technologische kwaliteit is, er voldoende rekening is gehouden met het verhoogde risico op cyberaanvallen en daarmee met de veiligheid van burgers?
Welke gevolgen verwacht het kabinet dat dit oordeel heeft voor het investerings- en vestigingsklimaat voor internationale technologiebedrijven in Nederland?
Binnen welke termijn verwacht het kabinet duidelijkheid te kunnen geven over een definitieve oplossing?
Kunt u uitleggen waarom betrokkenheid van internationale technologiepartijen binnen het GRIP-IT-project van Defensie wel verenigbaar werd geacht met nationale veiligheidsbelangen, nota bene bij de hervorming van de Defensie-ICT, terwijl in de onderhavige casus een negatief BTI-oordeel is afgegeven?
Welke lessen worden getrokken voor toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur?
Wat wordt aan burgers verteld behalve «DigiD blijft werken»?
Kunt u de vragen los van elkaar en op de kortst mogelijke termijn beantwoorden?
De toegankelijkheid van het notariaat op Bonaire |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Eric van der Burg (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Ministerie verwijst bij klachten notarissen Bonaire naar toezichthouder»?1
Hoe beoordeelt u de in het artikel geschetste zorgen over aanhoudende lange wachttijden, de verminderde toegang tot het notariaat en de signalen van mogelijk ongelijke behandeling? Kunt u aangeven op welke wijze daar tot nu toe vanuit het ministerie aandacht voor is geweest?
Bent u het ermee eens dat een goed functionerend en toegankelijk notariaat op Bonaire essentieel is voor niet alleen de lokale economie, maar ook voor de rechtszekerheid en rechtsbescherming op Bonaire?
Kunt u, gezien het gegeven dat direct toezicht bij de Kamer van Toezicht van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie belegd is, aangeven hoeveel klachten bij de Kamer van Toezicht zijn binnengekomen over het functioneren van het notariaat op Bonaire en in hoeverre dit heeft geleid tot verdere maatregelen? Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag of naar uw oordeel de rol als toezichthouder voldoende bekend is om effectief te functioneren?
Welke mogelijkheden ziet u om de situatie te verbeteren?
Het verlengen van het DigiD-contract |
|
Chris Stoffer (SGP), Henk Vermeer (BBB), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Herbert , Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat op 27 maart 2026 besloten is om het DigiD-contract met Solvinity nogmaals voor twee jaar te verlengen?
Op dit moment heeft Logius een contract met Solvinity dat uiterlijk in augustus 2028 afloopt. Binnen het huidige contract kan er gebruik worden gemaakt van een tweede en laatste verlengingsoptie voor de periode van 7 augustus 2026 tot (uiterlijk) 6 augustus 2028. Het gaat hierbij om het contract met Solvinity voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden aan het platform waar onder andere DigiD op draait. Het is niet mogelijk om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen in gevaar komen. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 ingestemd met een contractverlenging voor de periode van 7 augustus 2026 tot 6 augustus 2028.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuze? Is het niet verlengen van het contract serieus overwogen?
De afgelopen maanden zijn er door Logius en BZK verschillende mogelijkheden verkend, zoals het versneld overstappen naar een andere leverancier of het zelf in beheer nemen van het platform waar voorzieningen als DigiD op draaien
Het beheer van het platform vraagt om een ervaren beheerorganisatie om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening blijvend te kunnen borgen. Op dit moment is het niet mogelijk om het platform in eigen beheer te nemen vanwege het feit dat Logius niet beschikt over voldoende kennis en capaciteit.
Het beheer van het platform versneld onderbrengen bij een andere beheerorganisatie kan ook leiden tot risico’s. De voornaamste reden hiervoor is dat een nieuwe beheerorganisatie kennis en ervaring moet opbouwen met het platform dat door Logius wordt gebruikt. Onder normale omstandigheden wordt hier een periode van 6 tot 12 maanden voor gehanteerd.
Deze overdracht kan plaatsvinden nadat een aanbestedingstraject is doorlopen en een nieuwe contractant is geselecteerd. Dat maakt het niet mogelijk om de overdracht naar een andere leverancier voor augustus 2026 af te ronden. Het vormgeven van een nieuwe aanbesteding en de overdracht naar een nieuwe leverancier is een langdurig traject dat zorgvuldig moet worden doorlopen, juist om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening te borgen.
Welke andere opties heeft u overwogen, behalve het contract met twee jaar verlengen? Waarom zijn deze opties afgevallen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft u om vóór het definitieve beslismoment begin mei alsnog af te zien van de contractverlenging van twee jaar? Kunt u een beroep doen op een voorwaarde in het contract of een wettelijke bevoegdheid om dit vervroegd te doen?
De Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-opdrachten (ARBIT) zijn op deze overeenkomst van toepassing en bieden middels artikel 30 (onder voorwaarden) mogelijkheden tot het tussentijds ontbinden of opzeggen van de overeenkomst.
Voor het definitieve beslismoment van 6 mei 2026 heb ik geen mogelijkheden om af te zien van de contractverlenging. Zoals in de beantwoording op vraag 2 beschreven, zijn er op dit moment geen mogelijkheden om per augustus 2026 over te stappen naar een andere partij die in voldoende mate continuïteit en veiligheid kan borgen.
Zo niet, heeft u de mogelijkheid om het contract slechts onder voorbehoud te verlengen zolang Solvinity niet door een Amerikaans bedrijf wordt overgenomen? Bent u bereid om zo’n voorbehoud te maken?
Zie antwoord op vraag 2 en 4.
Heeft u de aangenomen motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1467) en de twee moties-Kathmann c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1190) (Kamerstuk 26 643, nr. 1507) meegewogen in dit besluit? Zo ja, hoe?
Deze zijn meegenomen in het besluit. Het kabinet wacht het oordeel van de onafhankelijke toezichthouder in het kader van het driesporenbeleid zoals vermeld in de Kamerbrief van 10 februari 20261 en de kabinetsreactie van 21 april 20262 af, om vervolgens een besluit te kunnen nemen.
Om vanaf (uiterlijk) augustus 2028 over te stappen naar een contractant waarbij het zeggenschap in Nederlandse/Europese handen ligt3, 4, wor dt er door Logius samen met de Landsadvocaat gekeken naar onder welke voorwaarden de aanbesteding kan worden uitgezet in de markt. In juni 2026 zullen wij uw Kamer hierover informeren.
Kunt u concreet uitleggen hoe de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening in gevaar komt als het contract niet was verlengd? Op basis van welke onderzoeken concludeert u dat?
Logius heeft een leverancier nodig voor het leveren van diensten die benodigd zijn om het platform waarop voorzieningen zoals DigiD staan, te laten draaien. Logius moet daarom een contract afsluiten met een leverancier. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 2.
Is het mogelijk om de DigiD-diensten, die nu in beheer zijn bij Solvinity, binnen drie maanden over te schakelen naar een ander bedrijf? Is deze optie serieus onderzocht?
Zie beantwoording vraag 2.
Hoe kunt u het DigiD-contract met Solvinity in zo kort mogelijke tijd ontbinden, nog vóór 2028, als de Amerikaanse overname doorgang vindt? Kunt u de Kamer uiterlijk in juni 2026 informeren over de opties die u hiertoe heeft en wat hiervan de kosten zijn?
Zie antwoord op vraag 4 en 6. Ik zal uw Kamer in juni 2026 nader informeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het definitieve verlengen van het contract in begin mei beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat een rechter duizenden Woo-verzoeken indiende om misbruik van de wet aan te tonen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rechter bombardeert gemeenten met duizenden informatieverzoeken om punt te maken»?1
Ja.
Klopt het dat een zittende rechter volgens deze berichtgeving op grote schaal Woo-verzoeken heeft ingediend bij gemeenten, niet primair om informatie openbaar te krijgen, maar om aan te tonen hoe eenvoudig misbruik van de Woo mogelijk is? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
Ja, dit klopt. Het recht op toegang tot overheidsinformatie en het kunnen doen van een Woo-verzoek is belangrijk voor de werking van onze democratie. Vanzelfsprekend is het onacceptabel dat dit belangrijke recht uit de Woo wordt misbruikt. Misbruik maken van de Woo leidt tot verspilling van publieke middelen en levert het overheidsorganisaties een hoop extra werk op. Misbruik ondermijnt een goede werking van het openbaarheidsstelsel, bijvoorbeeld omdat dit ten koste gaat van de doorlooptijd van andere Woo-verzoeken.
Deelt u de opvatting dat de Woo bedoeld is om openbaarheid van bestuur te bevorderen, maar niet om overheden op grote schaal doelbewust administratief te belasten of de uitvoeringspraktijk te ontregelen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het risico dat dit soort massale en mogelijk strategische Woo-verzoeken, zeker bij kleinere gemeenten, leidt tot verdringing van reguliere publieke taken, oplopende uitvoeringskosten en langere wachttijden voor bona fide verzoekers?
Transparantie van overheidshandelen en openbaarmaking van overheidsinformatie zijn belangrijke waarborgen in onze democratische rechtsstaat. Misbruik van het recht om Woo-verzoeken te doen, is dan ook onacceptabel. Deze casus laat zien dat misbruik van de Woo mogelijk is.
Om misbruik tegen te gaan, bevat de Woo een antimisbruikbepaling. Van deze bepaling kunnen overheidsorganisaties gebruik maken als een Woo-verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Op dit moment heb ik geen signalen dat misbruik van de Woo op grote schaal voorkomt. Wel is het voor bestuursorganen soms lastig om te bepalen wanneer zij gebruik kunnen maken van de antimisbruikbepaling. Daarom hebben we een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen hierbij helpt.2 Daarnaast wordt dit jaar de Woo geëvalueerd, waarbij ook wordt gekeken naar de werking van de antimisbruikbepaling. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie kunnen we kijken of extra maatregelen nodig zijn om misbruik te voorkomen en te bestrijden.
Heeft u zicht op de omvang van de belasting voor gemeenten door dit soort bulkverzoeken, bijvoorbeeld in termen van extra ambtelijke inzet, externe juridische kosten en vertraging in de afhandeling van andere Woo-verzoeken? Zo nee, bent u bereid dit via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) uit te vragen?
Onlangs is een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoeringslasten van Woo-verzoeken.3 In dit onderzoek is niet specifiek gekeken naar bulkverzoeken, maar wel naar zogenaamde «zeer complexe» verzoeken,4 waar ook de hier bedoelde bulkverzoeken onder kunnen vallen. Op landelijk niveau vergen de 10% meest complexe Woo-verzoeken circa 30% van de totale tijd die wordt besteed aan de afhandeling van Woo-verzoeken. De gemiddelde tijdsbesteding voor zeer complexe Woo-verzoeken bedraagt 113 uren voor kleine gemeenten, 128 uren voor middelgrote gemeenten en 159 uren voor grote gemeenten. Dit betreffen uitdrukkelijk niet allemaal verzoeken waarmee misbruik wordt gemaakt van de Woo. In de wetsevaluatie wordt nader gekeken naar de effecten van de Woo in de praktijk en de werking van de antimisbruikbepaling. De uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoeringslasten worden in de wetsevaluatie meegenomen.
Welke mogelijkheden hebben bestuursorganen op dit moment om op te treden tegen kennelijk oneigenlijk of disproportioneel gebruik van de Woo, en acht u dat instrumentarium toereikend?
Zoals eerder genoemd, heeft de Woo een antimisbruikbepaling (artikel 4.6) waarmee bestuursorganen een middel hebben om Woo-verzoeken die een ander doel hebben dan het verkrijgen van informatie niet in behandeling te nemen. Hier heeft de gemeente Utrecht in deze casus ook een beroep op gedaan.
Of de antimisbruikbepaling wordt ingezet, is een afweging die het bestuursorgaan zelf moet maken op basis van de relevante feiten en omstandigheden van de betreffende casus. Er is dus geen standaardformule die altijd kan worden toegepast als er een vermoeden van een oneigenlijk of misbruikverzoek is. Zoals hiervoor al benoemd, is vanuit mijn ministerie – in samenwerking met een overheidsbrede werkgroep – een handreiking opgesteld met handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. Zo kan met behulp van indicatoren uit de wet, jurisprudentie en de praktijk worden bepaald of in een casus toepassing van de antimisbruikbepaling passend is.
De handreiking is net gepubliceerd en moet zijn effect in de praktijk dus nog krijgen. Uiteraard herzien we zo nodig de handreiking op basis van signalen uit de praktijk en nieuwe jurisprudentie. Eventuele aanvullingen van het instrumentarium kunnen volgen naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo.
In hoeverre deelt u de opvatting dat er een betere balans nodig is tussen enerzijds het recht op openbaarheid en anderzijds bescherming van bestuursorganen tegen seriematig of evident oneigenlijk gebruik van de Woo?
Een goed werkend openbaarheidsstelsel is van groot belang. Binnen dit stelsel moeten zowel het recht op overheidsinformatie als mogelijkheden voor bestuursorganen om met misbruik van dit recht om te gaan, geborgd zijn. Het is daarom belangrijk om hier ook in het onderzoek van de wetsevaluatie grondig en objectief naar te laten kijken.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende waarborgen nodig zijn tegen massale, herhaalde of geautomatiseerd ingediende Woo-verzoeken, bijvoorbeeld door bundeling van identieke verzoeken, een steviger misbruiktoets of andere procedurele drempels voor evident oneigenlijk gebruik?
Tijdens de wetsevaluatie van de Woo worden de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk onderzocht. Hieronder vallen dus ook de doeltreffendheid van de antimisbruikbepaling en misbruik van de Woo in de praktijk. De onderzoekers zal worden gevraagd om aanbevelingen te doen voor verbetering van de uitvoering en uitvoerbaarheid van de wet.
In tussentijd zetten we al stappen om tot een betere uitvoering en uitvoerbaarheid van de Woo te komen. Zo hebben we zeer recent een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen helpt bij het omgaan met misbruik van de Woo.5 Aan de handreiking hebben ook verschillende gemeenten meegewerkt. Ook is er een openbare internetconsultatie gedaan waarin iedereen op de concepthandreiking kon reageren. Vanuit de praktijk bleek vooral behoefte aan een handreiking met praktische handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. De handreiking is dan ook een praktisch product geworden dat helpt om misbruik van de Woo te herkennen en te bestrijden.
In hoeverre worden de uitvoeringsproblemen die samenhangen met dit soort bulkverzoeken meegenomen in de lopende evaluatie, monitoring en verbetermaatregelen rond de Woo, en hoe voorkomt u dat misbruik door enkelen het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de Woo verder ondermijnt?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om samen met gemeenten te bezien welke praktische maatregelen op korte termijn mogelijk zijn om de afhandeling van grootschalige en kennelijk oneigenlijke Woo-verzoeken beter te organiseren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u tevens bereid om, gelet op de bijzondere positie van een rechterlijke ambtsdrager in deze kwestie, hierover in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak en de Kamer voor het commissiedebat Wet open overheid te informeren welke concrete opties u ziet om misbruik van de Woo tegen te gaan, zonder het fundamentele recht op openbaarheid voor normale verzoekers onnodig te beperken?
Ik vind het niet noodzakelijk, en gezien de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht onwenselijk, om over deze kwestie in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Holland ook aangegeven deze kwestie hoog op te nemen en gemeld dat de betreffende rechter geen zaken meer behandelt totdat duidelijk is of het handelen gevolgen moet hebben (en zo ja, in welke vorm).6 De concrete acties die ik vanuit BZK onderneem, zoals de handreiking en het onderzoek in het kader van de wetsevaluatie, heb ik in de voorgaande antwoorden toegelicht.
Bent u bekend met de voorgenomen overname van Solvinity Group B.V. door Kyndryl Netherlands B.V., de rol van Solvinity als leverancier van het platform waarop DigiD draait, en de eerdere beantwoording van Kamervragen over deze casus?
Kunnen de Verenigde Staten volgens u gezien worden als een bondgenoot? Zo nee, waarom niet?
Acht u het waarschijnlijk dat een NAVO-bondgenoot als de Verenigde Staten doelbewust DigiD of vergelijkbare Nederlandse kritieke digitale overheidsinfrastructuur zou uitschakelen? Graag een onderbouwing op basis van dreiging, intentie, capaciteit, precedent en diplomatieke consequenties.
Acht u een dergelijk scenario realistisch, of gaat het primair om een theoretische mogelijkheid die in de risicoanalyse wel moet worden meegenomen, maar niet gelijkgesteld mag worden aan een waarschijnlijke dreiging? Graag een expliciet onderscheid tussen «mogelijk», «aannemelijk», «waarschijnlijk» en «urgent».
Kunt u per juridisch instrument, CLOUD Act, FISA Section 702, Executive Order 12333 en eventuele andere relevante Amerikaanse bevoegdheden, uiteenzetten wat de wettelijke grondslag is, welke autoriteit bevoegd is, welk type gegevens kan worden gevorderd of verzameld, welke rechterlijke toetsing plaatsvindt, of kennisgeving aan de betrokkene, Logius of de Nederlandse Staat verplicht, verboden of beperkt kan zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), verwerkersovereenkomsten en contractuele geheimhoudingsplichten?
Kunt u expliciet onderscheid maken tussen toegang tot gegevens enerzijds en operationele zeggenschap over systemen anderzijds? Klopt het dat wetgeving zoals de CLOUD Act primair ziet op toegang tot elektronische gegevens en niet zonder meer op het met «één druk op de knop» uitschakelen van infrastructuur?
Hoe verhoudt de stelling dat Solvinity in beginsel geen toegang heeft tot burgerservicenummers, adres en telefoonnummer van DigiD-gebruikers zich tot de eerdere kabinetsuitspraak dat Amerikaanse autoriteiten «in theorie» toegang kunnen krijgen tot gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt?
Bent u van mening dat er momenteel geen gelijkwaardige technologieën zijn op Nationaal/Europees gebied? Zo ja, bent u dan van mening dat hierdoor de continuiteit van de dienstverlening juist onder druk komt te staan?
Kunt u reflecteren op de gehele Amerikaanse verwevenheid met technologie, zoals de hardware waar de applicaties van Solvinity op draait, de datacenters en eveneens de zeekabels? Zijn deze componenten/diensten ook in handen van Amerikaanse bedrijven? Bent u het daarom eens met de mening dat het nationaliseren van Solvinity geen enkel effect heeft op deze risico’s, gezien de verwevenheid in de keten?
Welke concrete risico’s bestaan er momenteel volgens u op het gebied van het opvragen van data, inzage in data en het (eenzijdig) stopzetten van dienstverlening, en van welke vormen van dienstverlening maakt de overheid op dit moment gebruik bij niet-Nederlandse of niet-Europese partijen?
Welke aanvullende (theoretische) risico’s zouden volgens u kunnen ontstaan op deze punten als gevolg van de beoogde overname van Solvinity door Kyndryl?
Kunt u allen de voorgaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Het artikel 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland»?1?
Ja.
Hoe kwalificeert u het naar buiten treden van de Centrale Privacy Officer (CPO) van Logius in deze casus als het buiten de eigen rol treden door via media en procedures politieke druk uit te oefenen?
De berichtgeving in verschillende media is op persoonlijke titel gedaan en de mediaoptredens en de inhoud daarvan zijn niet afgestemd met het departement. Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Ten aanzien van de inhoud kan ik melden dat, zoals eerder is toegelicht aan uw Kamer, het niet mogelijk is om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening van Logius in gevaar komt. Een dergelijk traject is langdurig en vraagt een overdracht en een zorgvuldige voorbereiding en uitvoering. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 het besluit genomen dat Logius haar contract met Solvinity mag verlengen met twee jaar. De ondertekening van deze verlenging zal begin mei 2026 plaatsvinden. Op dit moment wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden Logius haar IT-fundament zo snel mogelijk opnieuw kan gaan aanbesteden. De Landsadvocaat is nauw bij dit proces betrokken. In juni zullen wij uw Kamer in meer detail informeren.
Welke formele interne escalatiekanalen stonden voor deze functionaris open, welke van deze kanalen zijn feitelijk benut en klopt de bewering dat toegang tot de bewindspersoon of de politieke leiding is geweigerd?
In het algemeen geldt dat voor het afgeven van een signaal of het doen van een melding over een vermoeden van een integriteitsschending of misstand de meldregeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties drie mogelijkheden beschrijft. In beginsel worden signalen of meldingen gedaan bij de direct leidinggevende van een medewerker. Een medewerker kan er ook voor kiezen een melding te doen bij het Meldpunt Integriteit. Tot slot kan een medewerker – desgewenst anoniem – een melding doen bij een vertrouwenspersoon. Meldingen worden vertrouwelijk in ontvangst genomen en behandeld. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het benutten van de genoemde kanalen of mogelijke acties die in individuele casuïstiek zijn genomen.
Is in deze casus formeel een melding gedaan op grond van de Wet bescherming klokkenluiders en, zo ja, onder welke kwalificatie of categorie is die melding gedaan?
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Kunt u aangeven of in deze casus onderzoek wordt gedaan naar mogelijke ongeoorloofde openbaarmaking van interne informatie en, zo nee, waarom niet? Indien daarvan wel sprake is, op basis van welke normen, procedures en mogelijke disciplinaire of strafrechtelijke kaders vindt dat onderzoek plaats?
Op dit moment wordt geen onderzoek gedaan. Het stuk waaruit geciteerd lijkt, is breder binnen het departement beschikbaar is. Het is niet duidelijk hoe de informatie openbaar is geworden. Er wordt aangifte gedaan van het vermoeden van een schending van de geheimhoudingsplicht. In artikel 9 van de Ambtenarenwet 2017 is vastgelegd dat ambtenaren verplicht zijn tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie, waarvan zij het geheime karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Een schending van deze verplichting kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. De aangifte is niet gericht tegen specifieke personen.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de voor ambtenaren geldende regels over contacten met de media, het in het artikel opgenomen citaat van een bron met jarenlange ervaring in de top van ministeries die volgens het artikel niet officieel met de media mocht spreken?2
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek. Onder andere de Gedragscode Integriteit Rijk geeft concrete kaders voor externe contacten en meningsuitingen. In algemene zin geldt dat van ambtenaren wordt verwacht dat zij zich in contacten met derden, zoals de media, horen te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. In de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren is hierover bepaald dat een ambtenaar in functionele contacten met derden, zich er rekenschap van moet geven dat hij als zodanig optreedt namens of ten behoeve van de Minister. Ambtenaren handelen of spreken niet voor zichzelf, maar met het oog op het door de Minister of ministerraad vastgesteld beleid. Een ambtenaar heeft overigens wel het recht op vrijheid van meningsuiting tenzij de goede vervulling van zijn functie of de het goede functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid is verzekerd (artikel 10 Ambtenarenwet 2017). Wanneer daar sprake van is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Deelt u de opvatting dat politiek wordt bedreven in de Tweede Kamer der Staten-Generaal en in het kabinet, en niet vanuit de ambtelijke organisatie via mediaoptredens en rechtszaken tegen de Staat?
In onze democratische rechtsstaat hebben ambtenaren een adviserende rol en besluit uiteindelijk de politiek. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Welke disciplinaire, integriteitsrechtelijke of rechtspositionele kaders gelden wanneer een ambtenaar vertrouwelijke of interne informatie gebruikt om lopende politieke besluitvorming publiekelijk te beïnvloeden?
Onder andere Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Ambtenarenwet 2017, de Cao Rijk en de Gedragscode Integriteit Rijk bieden onder meer integriteitsrechtelijke, rechtspositionele en disciplinaire kaders voor ambtenaren. Welke kaders van toepassing zijn en hoe deze worden ingezet, is afhankelijk van de omstandigheden in een specifieke zaak.
Acht u het, gelet op deze casus, verdedigbaar dat het kabinet de regie in dit dossier heeft, wanneer ambtenaren op deze wijze naar buiten treden, de Staat aanklagen en zich daarover ook openlijk uitlaten op sociale media?3
Verwezen wordt naar de antwoorden op vraag 6, 7, 8 en 10.
Is het kabinet bereid onomwonden uit te spreken dat ambtenaren mogen waarschuwen, adviseren en, waar de wet dat toestaat, melden, maar dat zij geen parallel politiek strijdtoneel via media en procedures mogen organiseren tegen het eigen kabinetsbeleid?
Rijksbreed wordt een werkklimaat bevorderd waarbij medewerkers op de werkvloer hun vragen en dilemma’s- bij collega’s en leidinggevenden kunnen uitspreken en samen met hen kunnen onderzoeken hoe hier het beste mee om te gaan. Het bieden van ruimte voor reflectie en dialoog op de werkvloer behoort volgens het kabinet niet alleen tot goed werkgeverschap, maar is juist ook noodzakelijk om als rijksdienst effectief te kunnen functioneren en de neutraliteit te behouden.
Na het ambtelijk advies besluit uiteindelijk de bewindspersoon. De politieke weging kan tot een ander besluit leiden dan ambtelijk werd geadviseerd. De bewindspersoon legt daarover verantwoording af aan het parlement. Vervolgens voeren ambtenaren uit wat politiek is besloten, ook als de politieke weging tot een ander besluit heeft geleid dan werd geadviseerd. Als de uitvoering van een politiek besluit onbedoelde gevolgen heeft, is het de taak van ambtenaren om die signalen terug te leggen bij de verantwoordelijk bewindspersoon zodat die het besluit kan heroverwegen. Ook dan besluit uiteindelijk de politiek.
Verder wordt verwezen naar het antwoord bij vraag 6.
Zou u de vragen afzonderlijk van elkaar willen beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel?1
Kunt u zich herinneren dat in het plenaire debat van 11 februari 2026, in reactie op vragen van het lid Heutink over het driesporenbeleid, u heeft geantwoord dat er, totdat de processen van die drie sporen zijn doorlopen, er niets zou gebeuren? Zo nee, wat heeft u dan wel gezegd?
Klopt het dat er na afronding van spoor twee al een handtekening door de koper en verkoper gezet zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Als blijkt dat er na afronding van spoor twee al een handtekening gezet zou kunnen worden, hoe kunt u dan zeggen dat er totdat de drie sporen zijn doorlopen er niets zou gebeuren?
Bestaat er een mogelijkheid dat u in uw reactie geantwoord heeft vanuit de context? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten en de context delen met de Kamer? Zo nee, waar komt dit antwoord dan vandaan?
Deelt u de mening dat u de Kamer destijds gerust heeft gesteld door te stellen dat er niets zou gebeuren, en er dus ook geen handtekening zou worden gezet, totdat de drie sporen zijn afgerond? Deelt u deze mening, nu u dit artikel leest, nog steeds? Zo ja, waarom? Zo nee, wat was dan de mening van het kabinet ten tijde van het debat geweest?
Uit welke wet blijkt dat het treffen van mitigerende maatregelen randvoorwaardelijk is om tot koop en verkoop door partijen over te gaan? Graag een uitgebreide toelichting.
Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te zetten en dus geen goedkeuring te verlenen inzake de overname van Solvinity door Kyndril voordat alle feiten op tafel liggen en voordat de Kamer hier een uitspraak over heeft gedaan?
Kunt u garanderen dat deze klokkenluider beschermd wordt en op geen enkele wijze benadeeld wordt en nu en in de toekomst op een veilige plek zijn werk kan verrichten?
Toenemende regeldruk voor lokale gemeenschapsactiviteiten |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Tentfeesten in gevaar door regels en kosten» van Hart voor Nederland en «Meer regels voor evenementen: onderzoek naar natuur soms nodig» van Omroep Land van Cuijk?1, 2
Deelt u de opvatting dat door de stapeling van regels en administratieve verplichtingen lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten onder druk komen te staan?
Hoe beoordeelt u de uitkomst van de landelijke enquête onder organisatoren van dorpsfeesten door Landelijke Vereniging Kleine Kernen (LVKK) dat 79 procent van de organisatoren van dorpsfeesten gemeentelijke regelgeving als een belemmering ervaart?3
Hoe verklaart u dat vooral de eisen rond veiligheid, vergunningen en bureaucratie als grootste struikelblokken worden genoemd? Welke rol ziet u voor de landelijke overheid om, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, hier regeldruk te verminderen?
Kunt u in kaart brengen aan welke landelijke regelgeving voldaan moet worden bij het organiseren van lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten? Zou u daarin per relevante wetgeving aan kunnen geven welke verplichtingen daaruit voort kunnen vloeien?
Kunt u aangeven welke ruimte er is voor gemeenten om binnen de Omgevingswet regeldruk in het buitengebied tegen te gaan?
Bent u van mening dat van lokale gemeenschapsactiviteit zoals dorpsfeesten niet verwacht kan worden dat zij aan dezelfde administratieve verplichtingen zouden moeten voldoen als grootschalige evenementen zoals festivals?
Is het binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk om voor lokale gemeenschapsactiviteiten versoepelde vergunningsprocedures te laten gelden? Zo nee, bent u bereid om te verkennen op welke manier gemeenten in staat gesteld kunnen worden om voor bepaalde lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten versoepelde procedures te laten gelden?
Bent u bereid om samen met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en maatschappelijke organisaties, zoals de LVKK, op te trekken om te kijken hoe regelgeving voor lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten, versoepeld kan worden?
Het bericht ‘Aantal banen bij overheid fors gegroeid’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal banen bij overheid fors gegroeid»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op dit bericht?
Het beeld dat het aantal overheidsbanen de afgelopen periode is gegroeid, herken ik. Bepaalde segmenten van de overheid groeien om de slagvaardigheid van de overheid als geheel te vergroten. Dat hangt onder meer samen met extra taken en maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie, hersteloperaties en stikstofaanpak. De in het artikel geschetste stijging is ook deels verklaarbaar door wat er van de overheid wordt gevraagd. Zo is bijvoorbeeld de behoefte aan juridische expertise sterk toegenomen. Strenge eisen rondom privacy leiden tot veel vraag naar juridisch personeel. Juridische expertise is ook nodig om de toename in diverse bezwaar- en beroepsprocedures – en het maatwerk dat dit vraagt – op te vangen.
Om als samenleving veiliger en weerbaarder te zijn is bijvoorbeeld gekozen voor verdere groei van Defensie, maar ook voor versterking van politie en de veiligheidsketen, voor beter toegeruste toezichthouders en inspecties en voor het vaker in vaste dienst nemen van specialistische kennis, zoals IT-professionals, om de afhankelijkheid van externe inhuur te verminderen. De politieke ambities en de keuzes die hieruit volgen, zijn eveneens van invloed op de omvang van het ambtenarenapparaat.
Tegelijk geldt dat een groei van het aantal ambtenaren niet automatisch leidt tot een beter functionerende overheid. Als complexiteit, stapeling van regels, juridische drukte en overhead toenemen, groeit het ambtenarenapparaat mee zonder dat burgers en ondernemers daar altijd betere dienstverlening of snellere uitvoering van merken.
Dat gezegd hebbende, constateer ik evenzeer dat de groei van het aantal medewerkers in 2025 is afgevlakt, wat mede veroorzaakt wordt door de taakstelling die het vorige kabinet in gang heeft gezet. Het komt er nu op aan om door te pakken en te zorgen dat de overheid een fundamenteel efficiënter en effectiever wordt met veel minder (complexe) wet- en regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat. Daarom coördineer ik als Staatssecretaris van BZK de komende jaren de vernieuwing van de Rijksdienst. Onderdeel van deze ambitie is het verder terugbrengen van de (kosten voor) externe inhuur. Dit kan echter ook verambtelijking tot gevolg hebben, waardoor cijfermatig het aantal fte kan stijgen.
Bent u het er mee eens dat dit haaks staat op de ambities uit het coalitieakkoord om tot een minder omvangrijk ambtenarenapparaat te komen? Zo ja, hoe kan het dat er sprake is van een banengroei van achttien procent in plaats van dat er sprake is van een daling, terwijl het kabinet-Schoof ook al een taakstelling op dit dossier had?
Zoals in het vorige antwoord opgenomen is de groei in 2025 tijdens het vorige kabinet afgevlakt. De uitvoering van de taakstelling, die vanuit het vorige kabinet is gestart, loopt door tot en met 2030. De effecten hiervan zullen de komende jaren zichtbaar worden.
Deelt u de mening dat door een groeiend ambtenarenapparaat de problemen in onder andere de tekortsectoren, zoals het onderwijs en de zorg, niet worden opgelost? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De krapte op de arbeidsmarkt vraagt om keuzes. Personeel is schaars en moet dus zoveel mogelijk terechtkomen op plekken waar het direct bijdraagt aan maatschappelijke opgaven, zoals onderwijs, zorg, veiligheid en uitvoering. De inzet van het kabinet is dan ook niet simpelweg gericht op krimp van de rijksdienst als doel op zichzelf. Het gaat erom de rijksoverheid productiever te maken, complexiteit en overhead terug te dringen en schaarse arbeid vrij te spelen voor sectoren waar de tekorten het grootst zijn. Daarom zet het kabinet in op het beheersen van de groei van de rijksdienst, het verder uniformeren van de bedrijfsvoering binnen het Rijk, het slimmer inzetten van digitalisering en AI via gezamenlijke voorzieningen en een Nederlandse Digitale Dienst, het verminderen van externe inhuur door specialistische kennis vaker duurzaam in huis te organiseren, het doelmatiger laten werken van uitvoeringsorganisaties en het vereenvoudigen van regels en procedures, zodat minder capaciteit opgaat aan bureaucratie en meer capaciteit beschikbaar komt voor maatschappelijke prioriteiten
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord om te komen tot een slagvaardige overheid?
Voor het zomerreces wordt de Kamer geïnformeerd over de actieagenda Slagvaardige Overheid met hierin acties voor de korte en lange termijn.
Wanneer worden de eerste concrete, positieve resultaten verwacht van de doelstellingen uit het coalitieakkoord? Wordt uw ambitie nu nog groter gezien het apparaat met achttien procent is gegroeid? Zo ja, wat is die ambitie?
Zoals ik ook in de Beleidsbrief van BZK aan u schreef, bouwt het kabinet aan een slanke en slagvaardige overheid die focust op wat echt nodig is. Onze ambitie is en blijft hier onverminderd op gericht. We stellen een helder doel: een overheid die eenvoudig en betrouwbaar is, die slagvaardig en wendbaar opereert, die eerlijk is over wat kan en verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen, een overheid die geworteld is in de samenleving en dichtbij mensen staat.
Een forse groei van het aantal ambtenaren leidt daarbij niet automatisch tot een beter functionerende overheid. Integendeel: als complexiteit, stapeling van regels, juridische drukte en overhead toenemen, groeit het apparaat mee zonder dat burgers en ondernemers daar altijd betere dienstverlening of snellere uitvoering van merken. Juist daarom houdt het kabinet vast aan de koers uit het coalitieakkoord: een efficiëntere en effectievere overheid, met minder complexe regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat.
Onze ambitie wordt daarmee niet abstracter, maar concreter en scherper. Wij willen dat de eerste resultaten juist zichtbaar worden op punten waar de groei nu het meest knelt: minder onnodige regels, eenvoudiger uitvoering, meer uniformiteit in de bedrijfsvoering, minder afhankelijkheid van externe inhuur en een betere inzet van personeel op kerntaken en maatschappelijke prioriteiten. Waar het nodig is om specialistische kennis intern op te bouwen of de afhankelijkheid van externen te verminderen, kan dat tijdelijk of plaatselijk tot verschuivingen binnen het apparaat leiden. De richting blijft echter helder: kleiner waar dat kan, sterker waar dat moet en productiever over de volle breedte. De in het artikel gesignaleerde groei verandert daar niets in.
Bij deze ambitie realiseert het kabinet zich dat er én op korte termijn zicht moet en kan zijn op eerste resultaten, én dat het ook een lange adem vergt om gewenste verbeteringen ook duurzaam in de overheidsorganisatie door te voeren. Een andere manier van werken is niet van het ene op het andere moment breed in te voeren en leidt niet onmiddellijk tot overheidsbrede resultaten. Het is een omvangrijke veranderopgave waarbij aandacht nodig is voor cultuur, gedrag en de aanpak van onderliggende patronen.
Tegelijkertijd moet op de korte termijn al zichtbaar zijn dat die verandering wordt ingezet. Voor het zomerreces wordt de eerste editie van de actieagenda opgeleverd, waarin de koers wordt uitgezet voor de realisatie van een slagvaardige overheid. Het kabinet zal daarbij direct sturen op eerste zichtbare verbeteringen op het gebied van vereenvoudiging, organisatie en uitvoering.
Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 3.
Het bericht dat een eeuwenoude paasvuurtraditie stopt door regeldruk |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Einde van een eeuwenoude traditie: organisatie stopt met paasvuur door regeldruk» van Omroep Gelderland?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat een bijna honderd jaar oude paasvuurtraditie in Huissen moet stoppen omdat vrijwilligers achter de organisatie niet langer kunnen voldoen aan de stapeling van regelgeving, vergunningseisen en bijkomende kosten?
In de media verschenen berichten dat een eeuwoude traditie, georganiseerd door een kleine groep vrijwilligers, niet kan worden voortgezet. De oorzaak? Een opeenstapeling van regels van verschillende overheden. Dit is een treffend voorbeeld van hoe regelgeving de concrete praktijk – zoals bij een paasvuur – zeer complex maakt.
Dit is precies het soort onbegrijpelijke ingewikkeldheid dat wij als kabinet willen aanpakken. Een traditie van bijna honderd jaar, gedragen door vrijwilligers met hart voor hun dorp of stad, zou niet mogen stranden op regels die afzonderlijk misschien redelijk lijken, maar alles bijeen geheel onhaalbaar lijken te zijn voor kleine organisaties. Dit probleem speelt niet alleen in Huissen – het is een landelijk patroon.
Als Staatssecretaris voor de Slagvaardige Overheid is het mijn taak dit, samen met vele anderen, structureel op te lossen. Niet alleen door regels één voor één te laten schrappen of te vereenvoudigen, maar ook door de overheid anders te laten nadenken: Is deze regel proportioneel? Is hij ook uitvoerbaar voor een clubje vrijwilligers? Dit vraagt ook om een mentaliteitsverandering: regels moeten nodig zijn – niet meer dan nodig, en niet onnodig ingewikkeld. Ik ben ervan overtuigd dat heel veel zaken veel simpeler kunnen, zonder afbreuk te doen aan breed gedeelde publieke waarden.
Als Staatssecretaris wil ik het derhalve breed en structureel aanpakken en zal ik geen oordeel uitspreken over de feiten en omstandigheden van deze specifieke casus of de concreet toepasselijke regels. Wel illustreert deze casus op indringende wijze de klem waarin mensen belanden door de aard en opeenstapeling van regels. De regels leiden in de praktijk, ook door de combinatie van regels, tot een blokkade van activiteiten die wellicht helemaal niet schadelijk, gevaarlijk of anderszins maatschappelijk ongewenst zouden hoeven zijn.
Kunt u uiteenzetten met welke landelijke regelgeving en vergunningseisen organisatoren van paasvuren te maken krijgen, waaronder regels op het gebied van evenementenvergunningen, stikstof, natuurwetgeving en veiligheid?
Uit de mij bekende informatie over deze casus blijkt dat het gaat om een combinatie van regelgeving en eisen van gemeentelijke en provinciale overheden op het gebied van veiligheid en natuurbescherming. Ook spelen nationale wetten, zoals de Gemeentewet, Omgevingswet en Waterwet, een rol die de basis vormen van veel decentrale regulering.
Dat blijkt ook af te hangen van de lokale situatie en bijvoorbeeld of het een nieuwe locatie betreft. Genoemd kunnen worden een evenementenvergunning en verkeersontheffing en eventueel een omgevingsvergunning, de daarbij behorende voorwaarden en daarvoor in rekening te brengen leges. De concrete omstandigheden, wat men waar precies wil doen bepalen de toepasselijke regels, waarbij de desbetreffende gemeente een belangrijke rol speelt in het bepalen van de regels en de wijze waarop deze concreet worden toegepast en ook het beleid binnen de desbetreffende veiligheidsregio een rol speelt. De toepasselijke regels hangen dus van de concrete casus af.
Deelt u de zorg dat de stapeling van regels en administratieve verplichtingen voor vrijwilligersorganisaties steeds moeilijker uitvoerbaar wordt, waardoor lokale tradities en gemeenschapsactiviteiten onder druk komen te staan?
Ja, die zorg deel ik. Vrijwilligersorganisaties vervullen een belangrijke rol in onze samenleving. Grote, professionele, organisaties hebben tegenwoordig al vaak met een hoop regels en bureaucratie te maken, maar voor een kleine groep vrijwilligers is het al snel ondoenlijk. Wanneer de regeldruk zo is gegroeid dat de uitvoering van maatschappelijk gedragen activiteiten onhaalbaar wordt, heeft dat een onwenselijke uitholling van het maatschappelijk leven tot gevolg. Dit is ook een onderbouwing van het beleid van dit kabinet om de regeldruk voor burgers merkbaar te verminderen.
In hoeverre wordt bij het opstellen en toepassen van regelgeving rekening gehouden met de uitvoerbaarheid voor vrijwilligersorganisaties die evenementen organiseren die gedragen worden door lokale gemeenschappen? Is hier procesmatig iets voor ingeregeld?
Bij de voorbereiding van nationale wetgeving moet binnen de Rijksoverheid allereerst het Beleidskompas goed worden toegepast. Dit is de centrale werkwijze die vraagt om een analyse van de gevolgen voor de relevante doelgroep(en), waaronder in voorkomende gevallen ook vrijwilligersorganisaties. Ook de zogenoemde doenvermogentoets is een instrument en werkwijze die analyseert of het voorgenomen beleid uitgaat van een realistisch mensbeeld en aansluit bij het gedrag en de leefsituatie van de relevante doelgroep(en). Daarbij zal zo mogelijk ook aandacht moeten worden besteed aan de opstapelende effecten voor burgers en wat nationale en lokale regels samen betekenen voor een kleine vrijwilligersorganisatie.
Naast deze instrumenten hebben burgers en bedrijven ook de zelf mogelijkheid om te reageren op nationale conceptregelgeving – bijvoorbeeld door te reageren op een consultatie. De praktische mogelijkheden voor ongeorganiseerde burgers zijn echter zeer beperkt. Het vraagt aan de andere kant ook veel van de makers van beleid en wetgeving om daar oog voor te hebben. Wat betreft lokale en regionale regelgeving bieden gemeenten vaak ruimte voor inspraak en participatie van burgers en (vrijwilligers-)organisaties.
Bent u, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, bereid om specifiek te kijken naar regelgeving die initiatieven uit de samenleving onevenredig hard raakt? Bent u ook van plan hier een subdoel voor te nemen om een minimumaantal regels te schrappen die vrijwilligersorganisaties in de weg zitten?
Deze maand vindt de internetconsultatie plaats voor vereenvoudigingen die worden opgenomen in de eerste editie van de in het coalitieakkoord genoemde Vereenvoudigingswet. Daarin zullen naar verwachting nog geen specifieke vereenvoudigingen voor vrijwilligersorganisaties onderdeel van zijn. Daarnaast zal ik wel binnen enkele weken een groot aantal organisaties oproepen om samen met de meest betrokken ministeries vereenvoudigingsvoorstellen te ontwikkelen voor de eerstvolgende ronde in 2027. Mogelijk bevat die ronde ook regels die het werk van vrijwilligers(organisaties) makkelijker maakt. Ik hoop namelijk op een rijke oogst voor de tweede en volgende edities. Eind juni zal ik de Kamer nader over deze vereenvoudigingswet en de bredere aanpak informeren.
Specifiek voor maatschappelijke organisaties en vrijwilligers staan in het coalitieakkoord bovendien enkele gerichte maatregelen aangekondigd om de regeldruk te verminderen. Maar er is dus meer nodig. De inzet van het gehele kabinet is om een aanpak te ontwikkelen die zich richt op het maatschappelijk effect en merkbaar is voor de professionals, burgers en ondernemers. Deze aanpak moet ook bijdragen aan de slagvaardigheid van de overheid zelf en de ambtelijke dienst.
Het schrappen of vereenvoudigen van regels is daarbij geen doel op zich. Waar het om gaat, is dat mensen hun leven kunnen leiden en inrichten, individueel of in georganiseerd verband, zonder de overheid als obstakel te ervaren. En een overheid die ook eenvoudiger werkt. Dat uitvoerders en vakmensen hun werk kunnen doen zonder onnodige regels en formulieren. En dat mensen de overheid weer als begrijpelijk en betrouwbaar ervaren. Hierin is het van belang dat er ook wordt gekeken naar het geheel aan regels waar bijvoorbeeld een vrijwilligersorganisatie aan moet voldoen.
De kwestie van de paasvuren illustreert dat het ook bij vrijwilligersorganisaties niet om een denkbeeldige problematiek gaat. De wijze waarop het kabinet de zeer stevige ambities uit het coalitieakkoord op dit onderdeel zal gaan uitvoeren, wordt op dit moment verkend, in samenspraak met de Minister van Economische Zaken en Klimaat en binnen de Tasforce Slagvaardige Overheid. Casuïstiek als de Paasvuren zal daarin ook besproken worden.
Op de korte termijn valt al veel te winnen door de administratieve zaken te vereenvoudigen, voor alle ondernemers en burgers, ook vrijwilligersorganisaties, – dat is echte vereenvoudiging zonder dat een publiek belang wezenlijk tekort wordt gedaan. Maar de ambitie is om ook op brede domeinen zoals het fiscale, sociale en fysieke domein de stelsels meer ingrijpend te vereenvoudigen.
De berichten 'Scholen Bonaire vol: tientallen kinderen de dupe' en 'Basisscholen zitten vol' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Heera Dijk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Scholen Bonaire vol: tientallen kinderen de dupe» en «Basisscholen zitten vol» van Dossier Koninkrijksrelaties en het Antilliaans Dagblad?1, 2
Ja, zowel het ministerie als het Openbaar Lichaam Bonaire (hierna: OLB), zijn bekend met deze berichtgeving.
Klopt het dat er op dit moment in Bonaire onvoldoende plekken zijn in het basisonderwijs voor alle leerplichtige kinderen?
Ja, er is op dit moment sprake van druk op de beschikbare capaciteit in het basisonderwijs op Bonaire. In de praktijk betekent dit helaas dat niet ieder leerplichtig kind direct geplaatst kan worden op het moment dat een aanmelding plaatsvindt. In de beantwoording van vragen 6, 7 en 8 wordt toegelicht hoe we samen met het OLB en de andere betrokken verantwoordelijke partijen zo snel mogelijk extra plekken proberen te realiseren.
Hoe groot is op dit moment het tekort aan plaatsen in Bonaire in het basisonderwijs en hoeveel kinderen wachten momenteel op plaatsing?
Er zijn momenteel tenminste 30 kinderen voor wie geen capaciteit is op basisscholen. Dit aantal fluctueert steeds omdat het soms lukt een leerling te plaatsen, maar er tegelijkertijd ook nieuwe kinderen bij komen die wachten op een plek. Het OLB en de schoolbesturen houden samen een continu en actueel overzicht bij.
Hoe beoordeelt u de situatie dat leerplichtige kinderen mogelijk langere tijd geen toegang hebben tot onderwijs omdat er geen beschikbare plekken zijn?
Ik beoordeel deze situatie natuurlijk als zeer zorgelijk. Wanneer kinderen buiten het onderwijsproces raken, brengt dat risico’s mee voor hun ontwikkeling, basisvaardigheden, taalverwerving, sociale participatie en verdere schoolloopbaan.
Wat is volgens u de oorzaak van het gebrek aan voldoende plaatsen in het basisonderwijs op Bonaire?
De zeer sterke bevolkingsgroei op Bonaire, grotendeels veroorzaakt door immigratie vanuit zowel de regio als Europees Nederland, legt druk op allerlei voorzieningen, waaronder het onderwijs. Ten eerste kan de aanleg van nieuwe scholen en noodvoorzieningen deze groei niet in voldoende mate bijbenen. Daarnaast zorgen de stijgende bouwprijzen dat de geplande bouw van locaties ook moeilijker gerealiseerd kan worden. Het vinden van extra onderwijspersoneel is bovendien complex en kost tijd.
De groei van het aantal leerlingen betreft niet alleen de vierjarigen, maar bestaat uit leerlingen van alle leeftijden. Met name scholen voor primair onderwijs hebben geen plek voor nieuwe leerlingen, zelfs na de reeds uitgebreide groepsgrootte. Een complicerende factor daarbij is dat een deel van de thuiszittende leerlingen Spaanstalig is en in sommige gevallen ook een zorgbehoefte heeft. Daardoor is gespecialiseerd personeel nodig dat in staat is om onderwijs te geven aan anderstaligen en/of leerlingen met een zorgbehoefte.
Kunt u uiteenzetten welke verantwoordelijkheden het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) en het Rijk ieder hebben bij het realiseren van voldoende onderwijsplekken op Bonaire, en tegen welke belemmeringen zij daarbij aanlopen?
Het Ministerie van OCW en het OLB zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de voorziening in de huisvesting van scholen op Bonaire. In het kader van het tekort aan onderwijsplekken kijken zij samen naar korte – en langetermijnoplossingen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over het huren van nieuwe huisvesting, het aanleggen van noodvoorzieningen en het gereed krijgen van klaslokalen met voldoende en passend schoolmeubilair. Zo wordt onder andere het schoolterrein bij een basisschool veilig gemaakt waardoor op die school twee nieuwe lokalen in gebruik kunnen worden genomen.
Werving naar personeel is de verantwoordelijkheid van de school. Het OLB houdt daarnaast conform de Leerplichtwet BES toezicht op naleving van de leerplicht en heeft een coördinerende rol wanneer leerlingen langdurig geen toegang hebben tot onderwijs. In dit geval coördineert het OLB, in samenwerking met de betrokken partijen, het vinden van een oplossing. Het Rijk is verantwoordelijk voor de bekostiging van de scholen en is stelselverantwoordelijk. Indien voor het realiseren van lesplaatsen en onderwijs voor de thuiszittende leerlingen aanvullende bekostiging nodig is, kunnen schoolbesturen dit aanvragen bij het Ministerie van OCW. Er zijn nog geen aanvragen ingediend, omdat de aanvraag afhankelijk is van de daadwerkelijke hoeveelheid leerlingen die de school of scholen gaan opvangen. Een dergelijke aanvraag behandelt het Ministerie van OCW met spoed.
Heeft het kabinet contact gehad met het OLB over het tekort aan onderwijsplekken? Zo ja, welke afspraken zijn met het OLB gemaakt om ervoor te zorgen dat alle leerplichtige kinderen op Bonaire zo snel mogelijk onderwijs kunnen volgen?
Ja, het Ministerie van OCW, het OLB en de schoolbesturen hebben doorlopend contact over het tekort aan onderwijsplekken en eventuele oplossingen. Een belangrijk onderdeel van de kortetermijnoplossing is het gereedmaken van lokalen in een gehuurd pand met zes tot tien leslokalen. Na een gesprek tussen het OLB en de schoolbesturen, heeft een schoolbestuur aangeboden het onderwijs in dit pand op zich te nemen. Het OLB en OCW ondersteunen deze school met de benodigde aanvullende bekostiging.
Welke mogelijkheden ziet u om te zorgen er ook voldoende leraren beschikbaar zijn wanneer nieuwe klaslokalen op Bonaire worden gerealiseerd?
Zoals hierboven toegelicht, werken het OLB en OCW samen met schoolbesturen, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de werving en inzet van personeel. Hierbij wordt gewerkt aan bredere en snellere werving, het beter benutten van kandidaten die al op het eiland of in de regio beschikbaar zijn, en het verminderen van praktische belemmeringen voor de inzet van leerkrachten van buiten het Koninkrijk.
Het bericht dat 3,3 miljard euro aan IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid is stopgezet |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Rechter dwarsboomt IT-aanbesteding rijksoverheid van € 3 mrd» (Financieel Dagblad, 9 maart 2026)?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met de uitspraak van de rechter in Den Haag, die stelt dat twee IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid ter waarde van 3,3 miljard euro gestaakt moeten worden?2
Ja.
Wat is uw reactie op de berichtgeving en de rechterlijke uitspraak?
De Staat werkt momenteel aan verduidelijking en, waar nodig, aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden, in lijn met het vonnis.
Mede omdat de zaak onder de rechter is, wordt niet in algemene zin ingegaan op de berichtgeving. Dat is anders ten aanzien van concrete vragen die de Kamer stelt.
Kunt u toelichten welke aanpassingen u gaat doorvoeren of al heeft doorgevoerd in de aanbestedingsvoorwaarden om aan de rechterlijke uitspraak te voldoen?
Nee, op dit moment nog niet. Het onderzoek naar de mogelijkheden om de aanbestedingsvoorwaarden te verduidelijken danwel aan te passen loopt nog.
Zouden de IT-aanbestedingen, indien ze doorgang vinden, de digitale autonomie van Nederland vergroten of verkleinen? Kunt u dit onderbouwen?
Op dit moment kan niet concreet worden gezegd of de aanbestedingen de digitale autonomie van Nederland vergroten danwel verkleinen. Echter, op de Europese Aanbesteding Programmatuur 2025 (EAP-2025) aanbestedingen waren en blijven de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT) van toepassing. De ARBIT bevat ook voorwaarden die bijdragen aan digitale autonomie en soevereiniteit, zoals voorwaarden met betrekking tot exit, opzegging, ontbinding en informatieveiligheid.
Met de aanbestedingen wordt beoogd raamovereenkomsten te sluiten met daartoe geschikt bevonden resellers. Dat zijn resellers die zich aan de aanbestedingsvoorwaarden conformeren. De deelnemers doen binnen de raamovereenkomsten met de resellers nadere uitvragen voor de levering van specifieke producten. De impact op de digitale autonomie is vooral afhankelijk van de inhoud van deze nadere uitvragen.
Hoe houdt u de komende vier jaar de mogelijkheid om de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven via aanbestedingen te verkleinen conform de wens van de Tweede Kamer,3 nu u middels een raamovereenkomst de voorwaarden voor nieuwe inkoop jarenlang vastlegt?
Bij aanpassing van de aanbestedingsstrategie en -voorwaarden wordt, waar van toepassing en mogelijk, (nieuw) rijksbreed beleid geborgd, waaronder rijksbreed beleid inzake digitale autonomie en soevereiniteit.
Deelnemers moeten binnen hun inkoopvraagstukken borgen dat zij gericht besluiten nemen inzake de reductie van het risico op afhankelijkheid. Dat betekent dat zij bestaande producten vervangen door alternatieven die minder / geen risico op afhankelijkheid kennen. Voor nieuwe producten dienen zij voor hun nadere uitvragen binnen de raamovereenkomsten aanvullende eisen en voorwaarden op te nemen, passend bij de specifieke opdracht, om te borgen dat het risico op afhankelijkheid beheersbaar blijft.
Ziet u met de rechterlijke uitspraak en de noodzaak om de aanbestedingsvoorwaarden aan te passen ook de mogelijkheid om digitale autonomie zwaarder mee te wegen als criterium?
Deze vraag kan op dit moment nog niet worden beantwoord. De categorie Software Rijk onderzoekt nog of en zo ja, in welke mate de aanbestedingsvoorwaarden ten aanzien van digitale soevereiniteit en autonomie verder moeten worden aangepast.
Welke gevolgen heeft de rechterlijke uitspraak voor de twee IT-aanbestedingen ter waarde van 3,3 miljard euro? Kunt u een overzicht geven van lopende contracten waar deze uitspraak mogelijk ook gevolgen voor heeft?
Voor het antwoord op de eerste vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3. De aanbestedingen zijn gestaakt. De Staat onderzoekt de noodzaak en mogelijkheden voor aanpassing of herziening van de aanbestedingsvoorwaarden en neemt op basis van de bevindingen een besluit inzake de vervolgaanpak. Ter overbrugging zijn de bestaande raamovereenkomsten verlengd, om te voorkomen dat de inkoop van standaardprogrammatuur tussentijds stilvalt.
De uitspraak van de rechter heeft gevolgen voor alle opdrachten (nadere overeenkomsten) die worden afgesloten onder de verlengde raamovereenkomsten van het Ministerie van Defensie en van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De ministeries zijn hierover geïnformeerd.
Wat is het doel en de noodzaak van de twee IT-aanbestedingen? Welke diensten zouden precies ingekocht worden bij Microsoft en Oracle, en in welke ministeries en overheidsorganisaties zouden deze gebruikt worden?
Zoals toegelicht bij vraag 6 is het doel van de aanbestedingen om voor de inkoop van standaardprogrammatuur (zowel nieuwe, als uitbreidingen op bestaande software) een duidelijk en rechtmatig afsprakenkader te creëren. Deze aanbestedingen hebben niet specifiek betrekking op software van Microsoft of Oracle.
De noodzaak van de aanbestedingen is drieledig, namelijk:
Diensten die worden ingekocht zijn: de levering van standaardsoftware, onderhoud en support, helpdeskondersteuning, adviesdiensten, installatie en configuratie van standaardsoftware en trainingen en opleidingen.
De aanbestedingen worden uitgevoerd ten behoeve van het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De lijst met deelnemende organisaties staat onderaan de beantwoording van deze lijst met vragen en antwoorden.
Waarom vraagt u in de aanbesteding voor deze grote IT-projecten om «levering van standaardprogrammatuur van vendor Microsoft» in plaats van dat u de technische eisen uitvraagt van de software die u wil inkopen?4
Binnen de lopende raamovereenkomsten moet het voor deelnemers mogelijk zijn om, indien nodig, het aantal licenties voor het gebruik, onderhoud en/of beheer van deze programmatuur uit te kunnen breiden. Een uitvraag op basis van technische eisen kan leiden tot aanbod van een ander typen licenties, hetgeen praktisch niet wenselijk is en tot kostenverhoging kan leiden.
Wat bedoelt u met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft? Op welke toepassingen gaat dit, en waarom neemt u deze af via de tussenhandelaar?5
Met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft wordt de closed source- en open source, software bedoeld die softwareleveranciers gebruiken voor het leveren van hun software(diensten). Dat is ook van toepassing voor software(diensten) van Microsoft (Perceel6. Binnen deze aanbesteding is het leveren van open-source software(diensten) voorbehouden aan een ander Perceel, Perceel 2. Om te voorkomen dat dit voorbehoud ervoor zorgt dat de software van de softwareleverancier in Perceel 1 niet meer werkt, danwel wordt uitgesloten, omdat deze open source software bevat, is de uitzonderingsgrond toegevoegd dat ook software(diensten) met gerelateerde open source toepassingen in Perceel 1 kunnen worden aangeboden.
De Staat neemt deze oplossingen af via resellers omdat de Staat de software op deze wijze op basis van eenduidige voorwaarden (ARBIT) in kan kopen.
Hoe verhoudt het niet opnemen van technische eisen voor de af te nemen software zich tot artikel 2.75–2.77 van de Aanbestedingswet 2012, nu ook de term «of gelijkwaardig» (2.76, lid 4, subartikel b) ontbreekt?6
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (> 4.000) kunnen leveren. De concrete, technische eisen worden niet in de raamovereenkomst vastgelegd, maar pas bij elke afzonderlijke nadere offerteaanvraag van een deelnemer. Die offerteaanvraag kan:
Waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat, geldt die ook voor de betreffende nadere offerteaanvraag voor standaardprogrammatuur en bijbehorende dienstverlening. Dat kan bijvoorbeeld in de volgende situaties:
Samengevat: de technische specificaties worden per opdracht geformuleerd binnen het raamwerk, en waar de wet uitzonderingen of een lichter regime toelaat, wordt dat op die specifieke nadere offerteaanvraag toegepast.
Zijn de toepasselijke (verplichte of aanbevolen) standaarden van het Forum Standaardisatie uitgevraagd in deze aanbestedingen? Zo nee, waarom niet, en hoe verzekert u dan dat ook gegadigden naast Microsoft en Oracle aan de aanbesteding kunnen voldoen?
Ja, de standaarden van het Forum Standaardisatie zijn uitgevraagd.
Zijn de IT-aanbestedingen gericht op het inkopen van software of het vinden van softwareverkopers? Gaan deze aanbestedingen niet feitelijk over het aangaan van een licentieovereenkomst, waarbij het softwarebedrijf als rechthebbende eenzijdig de voorwaarden bepaalt?
De EAP-aanbestedingen zijn gericht op het contracteren van meerdere resellers (softwareverkopers) die binnen de raamovereenkomst in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (>4.000 softwareproducten) kunnen leveren.
De deelnemers doen binnen de (rijksinkoopvoorwaarden van de) raamovereenkomst bij de gecontracteerde resellers nadere offerteaanvragen die leiden tot het aangaan van licentieovereenkomsten. De licentieovereenkomsten worden echter gesloten onder de voorwaarden van de Rijksoverheid en niet eenzijdig onder voorwaarden van de softwareleverancier.
Zijn Microsoft en Oracle de énige techbedrijven die kunnen voldoen aan de technische en operationele eisen die u stelt in de aanbesteding? Zo ja, bent u het dan met de indieners eens dat de aanbesteding toeschrijft naar Microsoft en Oracle?
Nee, niet alleen Microsoft of Oracle kunnen aan de aanbestedingseisen voldoen.
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe een zeer breed scala aan standaardprogrammatuur (meer dan 4.000 producten) kunnen leveren. De EAP2025-aanbestedingen schrijven daarom niet toe naar Microsoft of Oracle.
Wat bedoelt de Staat met de stelling dat «80 tot 85% van de offerteaanvragen een productgerichte offerteaanvraag [betreft]»? Kan er sprake zijn van een open aanbesteding als het merendeel van offertes om één specifiek product vraagt?
Met «80–85%» wordt gedoeld op het aandeel nadere offerteaanvragen dat productgericht is en middels minicompetities binnen de raamovereenkomsten wordt uitgevraagd. Het doen van productgerichte uitvragen binnen een raamovereenkomst is wettelijk toegestaan in die gevallen waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat. Zie ook de beantwoording op vraag 12.
De aanbesteding is open want deze heeft tot doel meerdere opdrachtnemers te contracteren die in staat zijn om de gevraagde standaard programmatuur te kunnen leveren.
Hoeveel van deze 80 tot 85% van deze productgerichte offerteaanvragen worden uiteindelijk bij Microsoft en Oracle afgenomen? Kunt u dit inzichtelijk maken?
Nee, die informatie kan niet inzichtelijk worden gemaakt, omdat deze informatie niet centraal wordt geregistreerd.
Zorgen deze productgerichte offerteaanvragen ervoor dat het op voorhand vrijwel zeker is dat software van Microsoft en Oracle zal worden gekozen? Zo nee, waarom is er dan gekozen voor productgerichte offerteaanvragen? Zo ja, is het dan terecht om te stellen dat er sprake is van een vendor lock-in?
Nee, een productgerichte offerteaanvraag zorgt ervoor dat door één van de gecontracteerde resellers een specifiek product (standaardprogrammatuur) wordt uitgevraagd en geleverd. Dit kan Microsoft of Oracle betreffen, maar ook andere standaardprogrammatuur.
Voor een productgerichte uitvraag wordt gekozen, omdat er bijvoorbeeld sprake is van uitbreiding van de licenties van een oplossing die reeds in gebruik is. Zie ook de beantwoording van vraag 12.
Een productgerichte uitvraag betekent op zichzelf niet dat sprake is van een vendor lock-in.
Deelt u de analyse van de indiener dat deze mate van productgerichte offerteaanvragen een vendor lock-in van enkele grote techbedrijven in de hand speelt? Zo nee, kunt u onderbouwen dat dit niet het geval is?
Nee, de analyse wordt niet gedeeld.
In de vraag worden oorzaak en gevolg omgedraaid. Immers, het uitgangspunt is dat een deelnemer standaardprogrammatuur functioneel uitvraagt, tenzij op grond van de Aanbestedingswet 2012 voor de concrete opdracht een lichter regime of een uitzondering geldt. In dat geval kan de deelnemer een productgerichte uitvraag doen bij de gecontracteerde reseller.
Een vendor lock-in kan ontstaan ná ingebruikneming van de oplossing met de beste prijs-kwaliteitverhouding. In die situatie kan die afhankelijkheid een grond zijn om bij uitbreidingen of vernieuwing productgericht uit te (moeten) vragen.
Is software van Microsoft en Oracle de enige manier om uw dienstverlening te kunnen handhaven? Zo nee, waarom is dan gekozen voor de productgerichte offerteaanvragen?
Nee, software van Microsoft en Oracle is niet de enige manier om dienstverlening te kunnen handhaven. De vraag of een deelnemer zonder software van bijvoorbeeld Microsoft, Oracle of een andere fabrikant kan, wordt op deelnemer niveau vastgesteld.
Centraal inzicht in overwegingen die ten aanzien van besluitvorming over offerteaanvragen van individuele deelnemers ten grondslag ligt, ontbreekt; die gegevens zijn niet centraal bijgehouden en geregistreerd.
Is dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren, eerder toegepast bij IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid, zoals gesteld wordt in de berichtgeving? Zijn er lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is?
Ja, dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren is eerder toegepast bij uitgevoerde aanbestedingen voor raamovereenkomsten van de Rijksoverheid inzake de levering van standaardprogrammatuur.
Ja, er zijn lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is.
Hoe verhouden deze productgerichte offerteaanvragen bij Microsoft en Oracle zich tot de Aanbestedingswet 2012, artikel 1.10a, in het bijzonder lid 2, namelijk het verbod om opdrachten te ontwerpen «met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen»?7
In dit kader kan worden verwezen naar het antwoord op vraag 18. Overigens zien productgerichte uitvragen niet alleen toe op Microsoft en Oracle. De gronden om productgericht uit te vragen, gelden in gelijke mate voor de softwareproducten (> 4.000) van alle vendors.
Bent u bekend met (in omvang) vergelijkbare aanbestedingen van ICT die op een soortgelijke manier, door het noemen van de merknaam, een of meer Europese leveranciers bevoordelen? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom is dit bij Amerikaanse bedrijven dan wel het geval?
Nee. In dit kader kan verder worden verwezen naar de beantwoording op vraag 10.
De aanbestedingen richten zich niet specifiek op de levering van producten van Amerikaansen vendors, maar op producten (> 4.000) die de deelnemers via de gecontracteerde resellers afnemen.
Kunt u alle relevante stukken die betrokken zijn bij de (voorbereiding van) deze twee IT-aanbestedingen aan de Kamer doen toekomen, inclusief risico-analyses en voorbereidende notities?
Ja, in de bijlagen treft u de relevante aanbestedingsstukken en nota’s van inlichtingen aan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, en toezeggen dat u de IT-aanbestedingen niet doorzet totdat deze juridisch houdbaar zijn en de Kamer volledig is geïnformeerd?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Toegezegd wordt dat de aanbestedingen worden voortgezet nadat op basis van de resultaten van de in- en externe consultaties een besluit is genomen over de (mate van) aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden en de vervolgaanpak. De Kamer zal tegelijkertijd met de markt worden geïnformeerd op de wijze waarop de aanbesteding zal worden hervat.
De noodkreet van de BES-eilanden over veiligheid |
|
Heera Dijk (D66) |
|
David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de oproep vanuit de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) tot structurele versterking van de justitieketen in Caribisch Nederland?1
Ja.
Herkent u de situatie zoals deze door de gezaghebbers van Saba, Bonaire en Sint-Eustatius wordt geschetst en wat is uw reactie op de drie concrete oproepen zoals deze zijn opgenomen in het bericht richting de beide Kamers en richting het kabinet?
Wij herkennen de situatie zoals geschetst door de gezaghebbers van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Vanuit onze eigen verantwoordelijkheden onderhouden wij in verschillende overlegstructuren nauw contact met onze diensten en de bestuurders in Caribisch Nederland (CN).
In de brief wordt aandacht gevraagd voor de personele en materiële tekorten bij de uitvoerende diensten in CN, onder andere bij het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN). In dit kader kan gemeld worden dat de Nationale Politie nauw met KPCN en de andere politiekorpsen in het Caribisch deel van het Koninkrijk samenwerkt. Zo wordt sinds februari 2025 KPCN tijdelijk ondersteund door de Nationale Politie en de KMar om de bezetting van primair de noodhulp op Bonaire te vergroten. Op zijn beurt ondersteunt KPCN de KMar op Saba en Sint Eustatius bij de controles op de aankomsten en afvaarten van de ferries. Onlangs zijn de afspraken hierover verlengd tot begin 2027. Voor een verdere toelichting op de personele bezetting, waaronder die van de overige genoemde diensten, verwijzen wij graag naar vraag 3.
In hun brief vragen de gezaghebbers ook aandacht voor een betere onderlinge samenwerking tussen KMar, KPCN, Douane en Kustwacht. De genoemde diensten werken regelmatig met elkaar samen, op zowel strategisch niveau als operationeel. Dat manifesteert zich bijvoorbeeld in de Multidisciplinaire Maritieme Hub Bonaire (MMHB), waarin ook het Openbaar lichaam Bonaire participeert. De MMHB geeft invulling aan integraal maritiem toezicht rondom Bonaire. In algemene zin zullen wij de algehele samenwerking van onze diensten, onder meer met het oog op een zo goed mogelijke informatiepositie, blijven bevorderen, met inachtneming van hun mogelijkheden en respectievelijke bevoegd- en verantwoordelijkheden. Zowel waar het de onderlinge samenwerking betreft, als die met andere (al dan niet lokale) diensten. Daarnaast wordt de samenwerking verder verdiept door gezamenlijke leertrajecten en kennisdeling, bijvoorbeeld door de start van een gezamenlijke opleiding van aspiranten voor de Kustwacht Caribisch Gebied en KPCN in augustus 2026.
Wat is de meest recente stand van zaken met betrekking tot de personele bezetting van politie-, justitie- en veiligheidspersoneel op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), uitgedrukt in fulltime-equivalent (fte), bezette versus openstaande vacatures en de verhouding tot de beleidsdoelstelling?
De personele bezetting van KPCN, KMar, Douane Caribisch Nederland (Douane CN) en de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland (JICN), wordt onderstaand uiteengezet uitgedrukt in fulltime-equivalent (fte). De verhouding tussen bezette versus openstaande vacatures en de verhouding tot de beleidsdoelstelling wordt daarbij steeds aangegeven. Voor alle onderstaande gegevens is peildatum 31 december 2025 aangehouden.
Voor alle bovengenoemde diensten geldt dat 100% bezetting het streven blijft. Om KPCN in staat te stellen om zijn taken in de afdelingen basispolitiezorg en opsporing conform de beleidsdoelstellingen uit te kunnen voeren, wordt het korps tijdelijk ondersteund met 10 fte van de Nationale Politie en 2 fte van de KMar. Deze ondersteuning loopt minimaal tot Q2 2027. Met de BES-claim wordt de formatie van de KMar in Caribisch Nederland uitgebreid. Dit proces is reeds in gang gezet, afgelopen maand is een nieuwe initiële opleiding voor personeel van de Rijksdienst Caribisch Nederland-collega’s (RCN) gestart. In de komende jaren zal de KMar verder invulling geven aan de personele uitbreiding.
Bij de JICN zat de vacatureruimte in december jl. met name in de beveiliging. De in- en uitstroom van personeel is echter een continu proces. Daarom wordt er actief geworven om openstaande vacatures zo snel als mogelijk op te vullen.
De vacatureruimte bij de Douane CN is op dit moment bijna weer ingevuld. Daarnaast wordt verzocht om uitbreiding van de formatie. De beleidsdoelstellingen uit de Rijksbegroting voor Douane CN richten zich op professionalisering, het versterken van de uitvoeringskwaliteit en het moderniseren van systemen en organisatie. Douane CN sluit hierop aan door actief te investeren in personeelsontwikkeling, risicogericht toezicht en procesverbetering, evenals in de werving van nieuw personeel om de capaciteit te versterken. Daarnaast wordt de samenwerking binnen de keten geoptimaliseerd om toezicht en handhaving efficiënter en meer in lijn met de Nederlandse uitvoeringsstandaarden te organiseren. Deze inzet draagt gezamenlijk bij aan het realiseren van de rijksbrede opgave om de uitvoeringskwaliteit structureel te verbeteren.
Welke concrete stappen heeft het u al gezet of gepland om het structurele personeelstekort bij het Korps Politie Caribisch Nederland en de Douane op de BES-eilanden aan te pakken?
Voor KPCN geldt dat er sinds 2023 intensief gewerkt wordt aan het opleiden van nieuwe politiemensen voor het korps. Daarbij zijn de volgende maatregelen genomen, dan wel zullen de volgende maatregelen genomen worden:
Naast de opleiding van nieuwe collega’s wordt er permanent geworven voor reeds ervaren collega’s uit andere delen van het Koninkrijk. In 2025 stroomden op deze wijze 12 fte in.
De tijdelijke ondersteuning vanuit de Nationale Politie en de KMar, die in de eerste plaats de basispolitiezorg op Bonaire borgt, wordt ook benut om de recent ingestroomde collega’s en aspiranten te begeleiden waarmee hun leerproces in de praktijk wordt gecontinueerd.
Douane CN is in 2025 gestart met een intensief werving- en selectie traject dat voorspoedig verloopt. Medio maart 2026 is de eerste instroom van 12 nieuwe medewerkers voor structurele inzet. De vacatureruimte (zie vraag 3) komt daarmee in april 2026 op 2 fte. Daarnaast komt er per 1 mei 2026 8 fte tijdelijke extra bijstand vanuit Douane Nederland bij. Deze bijstand richt zich op Fysiek Toezicht en Risicomanagement. Momenteel wordt gekeken of en welke aanvullende menskracht nodig is.
Welke informatie heeft u over de omvang en aard van de wapenproblematiek op de BES-eilanden, en welke maatregelen worden overwogen?
De afgelopen tijd zijn meermaals signalen ontvangen dat de problematiek omtrent vuurwapenbezit en -gebruik is toegenomen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De Raad voor de Rechtshandhaving wijst in haar rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» naar de meest recent verschenen criminaliteitsbeeldanalyse Caribisch Nederland 2020–2024. Sinds 2024 is er een stijging te zien van vuurwapengeweld op Bonaire. Volgens de Criminaliteitsbeeldanalyse zijn er op Bonaire twee groepen bezitters van vuurwapens te onderscheiden. De eerste groep bestaat uit jonge mannen die een vuurwapen zien als statussymbool, de tweede groep bestaat uit mensen die zich in het criminele milieu begeven.2
Tegen deze achtergrond acht de Douane het essentieel dat de beschermingstaak expliciet wordt betrokken bij de aanpak van de vuurwapenproblematiek. De Douane zet daarom in op het verder versterken van risicogerichte controles op goederenstromen, het intensiveren van informatiegestuurd toezicht en het versterken van de samenwerking met ketenpartners zoals politie, Koninklijke Marechaussee, Kustwacht en het Openbaar Ministerie. Op deze manier wordt beoogd de illegale invoer van vuurwapens en onderdelen daarvan zo effectief mogelijk te voorkomen en te bestrijden.
Recent zijn de politiekorpsen van Aruba, Curaçao, Caribisch Nederland en Sint Maarten samen met de Openbare Ministeries een gezamenlijke actie gestart om illegale vuurwapens vrijwillig te laten inleveren. Personen die in het bezit zijn van een illegaal vuurwapen krijgen de mogelijkheid dit vrijwillig in te leveren zonder strafrechtelijke gevolgen voor overtreding van de wapenwetgeving. Na afloop van de actieperiode zullen gerichte controles en opsporingsacties volgen om illegaal wapenbezit verder aan te pakken.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) financiert ook het RIEC Caribisch Nederland (CN) dat het tegengaan van vuurwapens meeneemt in de bredere ondermijningsaanpak. Samen met de relevante partners wordt binnen het RIEC-verband gewerkt om controles uit te voeren in de havens op Bonaire om een bijdrage te leveren aan het bestrijden van vuurwapensmokkel.
Overwegende dat de gezaghebbers stellen dat de Douane haar inzet momenteel primair op inning van accijnzen en belastingen richt en minder op veiligheidsvraagstukken, kunt u toelichten hoe de taakverdeling en prioriteiten van de Douane worden afgestemd op veiligheidsrisico’s en welke maatregelen nodig zijn om eventuele lacunes in grensbewaking en criminaliteitsbestrijding te dichten?
Douane CN zet in op het versterken van de beschermingstaak, onder meer door de inzet van een adviseur Ondermijning en door intensievere samenwerking en informatie-uitwisseling met ketenpartners. Hiermee wordt beoogd eventuele lacunes in grensbewaking en criminaliteitsbestrijding verder te verkleinen.
Daarbij werkt Douane CN volgens het Handhavingsplan Douane Nederland, waarbij de veiligheidsrisico’s worden meegewogen en een risico-gestuurde aanpak leidend is.
De afgelopen jaren is geïnvesteerd in Douane CN en is de formatie uitgebreid. Tegelijkertijd is de externe opgave toegenomen door onder meer bevolkingsgroei, toenemende logistieke stromen en ontwikkelingen in de veiligheidscontext. Dit vraagt om scherpe prioritering in de inzet van capaciteit. Het kabinet neemt het signaal van de gezaghebbers dat de bezetting van de dienst tegen een ondergrens kan aanlopen serieus. Recent zijn twaalf nieuwe medewerkers ingestroomd. Zij doorlopen momenteel een opleiding en zullen na afronding daarvan volledig inzetbaar zijn.
Overwegende dat de gezaghebbers aangeven dat het gewenste en acceptabele niveau van rechtsbescherming in Caribisch Nederland onder druk staat, Welke concrete stappen onderneemt het kabinet om de rechtsbescherming en toegang tot rechtspraak voor inwoners van de BES-eilanden te garanderen op een niveau dat gelijkwaardig is aan Europees Nederland?
Toegang tot het recht, waarvan toegang tot rechtspraak onderdeel is, is een basisvoorwaarde voor een goed functionerende rechtsstaat. Dat uitgangspunt geldt onverminderd voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Een significante en concrete stap in het verbeteren van de toegang tot het recht voor burgers in Caribisch Nederland is de introductie van het Lokèt Hurídiko /Legal Desk. Hiertoe is in oktober 2025 door JenV en BZK de Stichting voor rechtshulp en gelijke behandeling BES opgericht. Deze stichting zal, vergelijkbaar met het Juridisch Loket in het Europese deel van Nederland, burgers op Bonaire (Lokèt Hurídiko) en Sint Eustatius en Saba (Legal Desk) voorzien van gratis en laagdrempelig toegankelijke eerstelijns rechtshulp. Daarnaast is de dienstverlening van de stichting ook specifiek gericht op hulp en ondersteuning bij discriminatie en kwesties die te maken hebben met gelijke behandeling. De stichting werkt momenteel aan de inrichting van de voorzieningen op de drie eilanden. Verwacht wordt dat de dienstverlening in de loop van 2026 op gang zal komen.
Vanaf 1 januari 2026 is de Wet bescherming tegen discriminatie op de BES in werking getreden. Hierdoor is de gelijkebehandelingswetgeving zoals we die kennen in het Europese deel van Nederland ook van toepassing op inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Als onderdeel van deze wet krijgt het College voor Rechten van de Mens ook een oordelende taak in Caribisch Nederland. Dit houdt concreet in dat inwoners van de BES-eilanden het College voor Rechten van de Mens kunnen verzoeken om te beoordelen of er in juridische zin in een specifieke situatie sprake is geweest van discriminatie. Lokèt Hurídiko/Legal Desk kan burgers bijstaan bij een dergelijke procedure.
Naast bovenstaande is er ook aandacht voor de gesubsidieerde rechtsbijstand. De afgelopen tijd zijn in samenwerking met de Raad voor Rechtsbijstand de eerste maatregelen genomen om voor mensen met minder draagkracht de toegang tot (tweedelijns) rechtsbijstand te verbeteren. Zo is de inkomensnorm die geldt voor de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES (Wkrb) beleidsmatig aangepast. Momenteel wordt gekeken naar de verbetering van de vergoedingen voor advocaten die burgers op basis van de Wkrb. bijstaan. Voor de langere termijn zal aandacht zijn voor verdere versterkingen van het systeem en onderhoud aan de bestaande wetgeving, waarbij bijvoorbeeld ook aandacht zal zijn voor mediation. In dit kader is recent subsidie verstrekt om de bestaande pilot mediation in strafzaken op beperkte schaal uit te breiden naar civiele zaken.
Welke opvolging is er tot op heden gegeven aan het rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» van de Raad voor de Rechtshandhaving?
Vanuit het Ministerie van JenV is er de afgelopen tijd gewerkt aan de beleidsagenda voor Caribisch Nederland 2026–2030 (beleidsagenda). In deze beleidsagenda worden nadrukkelijk de aanbevelingen van de Raad voor de Rechtshandhaving zoals benoemd in het rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» (Staat 2024) meegenomen. De beleidsagenda is op 31 maart jongstleden met uw Kamer gedeeld.
De Gazaraad van Trump |
|
Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Hanneke van der Werf (D66), Sarah Dobbe (SP), Kati Piri (PvdA), Derk Boswijk (CDA), Eric van der Burg (VVD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u voornemens om aanwezig te zijn bij de tekenceremonie van Trumps «Vredesraad» donderdag in Davos?
Het kabinet heeft op 17 januari jl. een uitnodiging ontvangen om deel te nemen aan de Board of Peace, en op 19 januari jl. een uitnodiging om het Handvest daarvan te ondertekenen.
Het kabinet heeft, samen met Europese partners, een aantal serieuze vragen gesteld over het voorgestelde mandaat van de Board of Peace aangezien dat verder gaat dan oorspronkelijk voorzien in VN-Veiligheidsraadresolutie 2803 en waarin de focus lag op Gaza. De vragen betreffen onder andere hoe het voorgestelde mandaat zich verhoudt tot de VN en het VN-Handvest, de besluitvormingsstructuur van de organisatie en de verhouding tot andere internationale organisaties. Het kabinet onderstreept het belang van zoveel als mogelijk gecoördineerd optrekken met andere beoogde deelnemers aan de Board of Peace, waaronder Europese partners. Daarom is het voor Nederland op dit moment te vroeg om op donderdag 22 januari a.s. deel te nemen aan de ondertekeningsceremonie die op die dag in Davos door de VS wordt georganiseerd.
Daarbij is het van belang dat de vragen over de oprichting van de Board of Peaceals een internationale organisatie, met een breder mandaat dan Gaza, niet doen afleiden van de urgente noodzaak voortgang te maken met het vredesplan van president Trump voor Gaza. De inspanningen van het kabinet blijven gericht op het in stand houden van het staakt-het-vuren en het laten slagen van dit vredesplan. Het kabinet steunt daarom ook de oprichting van een Executive Board voor Gaza, die ressorteert onder de Board of Peace. Alhoewel de Board of Peace een breed mandaat heeft volgens het voorgestelde Handvest, en daarom de nodige vragen oproept, wordt in de bijgaande aankondiging van het Witte Huis de specifieke link met Gaza wel degelijk gelegd. Ook dat zal voor het kabinet meegewogen moeten worden in de wijze waarop Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace.
Deelt u de mening van de indieners dat een «Vredesraad» met onder andere Putin en Lukashenko ongewenst is en een serieuze bedreiging vormt voor de positie van de Verenigde Naties op het gebied van vrede en veiligheid wereldwijd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze berichtgeving. De VS heeft, voor zover bekend, ongeveer 60 landen uitgenodigd. Op het moment van dit schrijven is, op een aantal landen na, nog niet duidelijk welke landen de uitnodiging zullen accepteren en daadwerkelijk zullen plaatsnemen in de Board of Peace. Voor Nederland blijft het VN-Handvest hoe dan ook leidend. Ook leden van de Board of Peace zullen moeten handelen in overeenstemming met het internationaal recht.
Bent u voornemens om het Franse voorbeeld te volgen en de uitnodiging af te wijzen? Zo nee, bent u van plan om één miljard euro te betalen om deel te nemen?
Voor het kabinet komt ondertekening van het Handvest van de Board of Peaceop dit moment te vroeg. Over de wijze of, en zo ja hoe Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace is nog geen besluit genomen. Daarvoor is ook nader overleg met Europese partners gewenst.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk en voor het einde van de dag beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Berichten op sociale media over het vrijlaten van jihadistische strijders uit voorheen door de SDF bewaakte detentiefaciliteiten |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten op sociale media dat door de recente transitie in Syrië en de verschuivende gezagsverhoudingen in het noordoosten van het land, jihadistische strijders uit voorheen door de Syrian Democratic Forces (SDF) bewaakte detentiefaciliteiten zijn vrijgelaten of ontsnapt?1
Ja, het kabinet is bekend met deze zorgelijke berichten. De situatie in noordoost-Syrië is in de afgelopen periode zeer volatiel en complex geweest, waarbij ook veel onjuiste informatie online is gedeeld. Zekerheid over aantallen en verantwoordelijkheid kan in dit stadium niet gegeven worden. Er circuleren verschillende berichten dat er aan IS-gelieerde personen in Syrië zijn ontsnapt en ook weer, deels, zouden zijn opgepakt.
Kunt u bevestigen of de instabiliteit tijdens de machtswisseling in Damascus direct heeft bijgedragen aan een beveiligingsvacuüm in de regio's waar IS-gevangenen werden vastgehouden? Hoe beoordeelt u de risico's hiervan voor de nationale veiligheid van Nederland en de Europese Unie (EU)?
De machtswisseling in Damascus zelf, die zich in december 2024 voltrok, lijkt niet direct van invloed te zijn geweest op de huidige veiligheidssituatie in noordoost-Syrië. Wel is het zo dat de situatie direct wordt beïnvloed door de recente conflicten tussen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) rond de integratie van laatstgenoemde in de Syrische staat. Bij gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in de afgelopen periode is sprake geweest van een zorgelijke veiligheidssituatie, met name in de kampen en detentiecentra waar zich voormalig ISIS-strijders en hun familieleden bevinden. Bemoedigend in het kader van een stabilisering van de situatie is de – op 30 januari jl. overeengekomen – overeenkomst tussen de Syrische overgangsregering en de SDF; onderdeel hiervan is een permanent staakt-het-vuren.
Daar het kabinet zich al langer zorgen maakt over de veiligheidssituatie in Syrië en de mogelijke impact daarvan op de Europese en nationale veiligheid, is onder andere vorig jaar EUR 7 miljoen extra vrijgemaakt om repatriëring en re-integratie van Iraakse terugkeerders in Irak mogelijk te maken. Hiermee wordt de druk op de kampen verlicht.
Met alle betrokken nationale- en internationale partners houden we de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op basis daarvan maatregelen kan treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart. Op dit punt zijn ook alle nationale- en internationale partners alert en staan met elkaar in contact.
Hoe weegt u de algemene hervormingsagenda van de regering onder Ahmad al-Sharaa? Ziet u op dit moment voldoende bewijs dat Damascus een koers vaart die leidt tot duurzame vrede en een inclusieve samenleving, als voorwaarde voor verdere normalisatie?
In het afgelopen jaar heeft de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda gepresenteerd die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden, zowel ten tijde van het Assad-regime als daarna. Het kabinet verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president Sharaa getekende decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden het burgerschap toegekend zullen worden.
Dit zijn belangrijke eerste stappen, waarbij het kabinet benadrukt dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende aandacht en concrete uitvoering vergen. Het kabinet spreekt de overgangsregering dan ook consequent aan op haar verantwoordelijkheden op deze gebieden. In EU-verband benadrukt het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder,2 dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen te worden en dat zodoende sprake is van voorwaardelijke steun.3
Wat is uw visie op het proces waarbij de SDF worden geïntegreerd in de nationale defensiestructuren? Deelt u de zorg dat deze «absorptie» niet mag leiden tot de ontmanteling van de seculiere waarden en de unieke operationele expertise van de SDF?
Het kabinet volgt dit proces op de voet. De recentelijke gevechten tussen het Syrische leger en de SDF laten zien dat dit een onvoorspelbaar en complex proces is. In algemene zin kan integratie van de SDF in het Syrische leger bijdragen aan een grotere stabiliteit en meer vertrouwen in het Syrische veiligheidsapparaat bij de Syrische bevolking. Een inclusieve politieke transitie, met ruimte en rechtsstatelijke garanties voor alle Syrische gemeenschappen, waaronder de Koerden, blijft het uitgangspunt van het kabinet.
In hoeverre is er volgens uw informatie sprake van druk vanuit Turkije om de Koerdische autonomie binnen de nieuwe Syrische staatsstructuur volledig te beëindigen? Hoe streeft Nederland diplomatiek naar een balans tussen de veiligheidsbelangen van een NAVO-bondgenoot en de bescherming van de Koerdische bondgenoten?
Turkije is geen voorstander van Koerdische autonomie binnen de Syrische staatsstructuur en heeft zich uitgesproken voor integratie van alle groepen en individuen in deze structuur.
Zoals genoemd bij de beantwoording van vraag vier, blijft een inclusieve politieke transitie, met ruimte en rechtstatelijke garantie voor de Syrische gemeenschappen, waaronder de Koerden, het uitgangspunt voor dit kabinet. Deze boodschap draagt het kabinet ook uit, inclusief in contacten met de Turkse autoriteiten.
Op welke wijze monitort de Nederlandse regering de daadwerkelijke naleving van de mensenrechten en de bescherming van religieuze en etnische minderheden zoals de Koerden, Alawieten en Druzen ter plaatse, en in hoeverre is de mate van verdere diplomatieke erkenning van de Al-Sharaa regering afhankelijk van de institutionele borging van deze rechten?
Het kabinet monitort de naleving van mensenrechten in Syrië nauwgezet. Dit gebeurt bijvoorbeeld via onze steun aan het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM).
Daarnaast zet Nederland via het beleidskader FOCUS en het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» gericht in op de bescherming van religieuze en etnische minderheden, waaronder Koerden, Alawieten en Druzen.
Kunt u toelichten in hoeverre de recente ontwikkelingen, zoals de druk op de SDF-structuren en de berichten over de onveiligheid in IS-detentiefaciliteiten, zich verhouden tot het besluit om EU-sancties te versoepelen? Is deze versoepeling volgens u gestoeld op de verwachting van verdere hervormingen, en op welke wijze wordt geborgd dat deze verlichting niet contraproductief werkt voor de veiligheid van minderheden?
Het kabinet heeft, via de EU, bewust ingezet op sanctieverlichting voor Syrië, aangezien economisch herstel en wederopbouw essentieel zijn voor de stabiliteit en veiligheid. Daar zijn alle Syrische gemeenschappen bij gebaat. Tegelijkertijd hebben wij ons binnen de EU juist hard gemaakt voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken van deze misdaden te treffen, en niet de bredere Syrische bevolking of economie. Daarnaast zet het kabinet zich in de EU in voor voorwaardelijke steun aan Syrië, waarbij concrete stappen van de Syrische overgangsregering worden verwacht ten aanzien van de huidige politieke transitie en de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen. Recentelijk heeft het kabinet hier wederom in EU-verband aandacht voor gevraagd, in lijn met de motie Stoffer/Ceder.4
Kunt u toelichten hoe de toezegging van het Europese steunpakket van 700 miljoen euro voor Syrië zich verhoudt tot de actuele ontwikkelingen op de grond, zoals de druk op de Koerdische zelfbeschikking en de positie van minderheden, en op welke wijze wordt concreet toegezien op de besteding van deze middelen om te borgen dat deze niet bijdragen aan de verdere marginalisering van deze groepen?
De voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad hebben begin 2026 een financieel steunpakket toegezegd van ongeveer 620 miljoen euro voor 2026 en 2027, als onderdeel van het verder versterken van de betrekkingen tussen de EU en Syrië. Dit steunpakket is primair gericht op humanitaire hulp, herstel en stabilisatie, en is vormgegeven met oog voor de positie van kwetsbare groepen, waaronder etnische- en religieuze minderheden.
De EU volgt de ontwikkelingen in Syrië nauwgezet en betrekt deze bij de geleidelijke en voorwaardelijke inzet van steun. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 7, heeft het kabinet recentelijk het belang van deze voorwaardelijkheid benadrukt, waarbij is aangegeven dat mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties zouden moeten hebben.
Daarbij geldt dat de besteding van EU-middelen onderworpen is aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen, waaronder risicobeoordelingen, rapportageverplichtingen en onafhankelijke monitoring. De financiering loopt daarbij tot op heden uitsluitend via VN-organisaties, internationale organisaties en Ngo’s, en dus niet via Syrische overgangsregering. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat EU-steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid.
Bent u bereid om in EU-verband aan te dringen op harde voorwaarden voor de uitbetaling van de resterende tranches van het steunpakket, specifiek gekoppeld aan de veiligheid en politieke vertegenwoordiging van minderheidsgroepen?
Zie antwoord vraag 8.
Onder welke voorwaarden ziet u Syrië op de lange termijn als een volwaardige partner voor vrede in het Midden-Oosten, en op welke wijze borgt u dat verdere normalisatie van de betrekkingen gelijke pas houdt met de voortgang op het gebied van de rechten van minderheden?
Duurzame voortuitgang op het gebied van veiligheid, inclusiviteit, rechtsstatelijkheid en mensenrechten, waaronder de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, zijn cruciale elementen die onze relatie ten aanzien van de Syrische overgangsregering definiëren en ook richting de toekomst verder zullen bepalen. Op basis van concrete acties op deze gebieden kunnen de betrekkingen met de Syrische overgangsregering gefaseerd – en voorwaardelijk – plaatsvinden, waarbij dit proces steeds afhankelijk zal zijn van concrete en verifieerbare stappen op deze terreinen. Het kabinet volgt dit nauwgezet door voortdurende monitoring en nauwe afstemming met internationale partners en organisaties.
De Chinese militaire oefeningen en simulatie van een blokkade rond Taiwan. |
|
Tom van der Lee (GL), Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Eric van der Burg (VVD), Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Taiwan: China’s massive military drills stir invasion fears» van Deutsche Welle1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze grootste militaire oefeningen rondom Taiwan ooit?
De Chinese autoriteiten treden in toenemende mate assertief op in de eigen regio en in het multilaterale systeem en verhogen structureel de druk op Taiwan en landen die met Taiwan samenwerken. Sinds 2022 omvat dit onder andere reguliere, grootschalige militaire oefeningen en (des)informatiecampagnes. Deze zijn onderdeel van de Chinese strategie om onder andere met hybride activiteiten de inlijving van Taiwan in de Volksrepubliek China te bewerkstelligen. De recente militaire oefening past binnen deze inzet maar was omvangrijker dan recente voorgaande oefeningen. De boodschap van de Chinese autoriteiten was daarbij expliciet ook gericht aan externe partijen die zich, volgens China, inmengen in Taiwan. De inzet van het kabinet en de EU is gericht op behoud van de status quo.
Deelt u de mening van de Europese Commissie, die middels een verklaring van EDEO heeft aangegeven dat deze oefeningen een nieuwe bedreiging zijn voor internationale vrede en stabiliteit, en oproept af te zien van zulke acties die voor escalatie kunnen zorgen?
Ik deel de zorgen zoals uitgedragen door de woordvoerder van EDEO over de recente Chinese militaire oefening rond Taiwan; dat heb ik via sociale media ook duidelijk gemaakt. Conform diverse moties spreekt Nederland zich binnen de kaders van het één-Chinabeleid samen met de EU en gelijkgezinde landen uit vóór de-escalatie en tégen destabiliserende unilaterale acties die de status quo bedreigen. Het Taiwan-vraagstuk dient op vreedzame wijze te worden opgelost, waarbij rekening gehouden moet worden met de wensen van de Taiwanese bevolking. Alle betrokken partijen dienen zich te onthouden van unilaterale acties, dreiging of geweld gericht op het wijzigen van de status quo.
Deelt u de mening dat Nederland een extra groot belang heeft bij het handhaven van de status quo in China en Taiwan, mede gezien onze positie in wereldwijde logistiek en de halfgeleiderindustrie?
Het kabinet en de EU zijn zich bewust van de mogelijke repercussies van een crisis rond Taiwan, niet alleen voor de Taiwanese bevolking maar ook voor de hele regio en de wereldeconomie. Een eventueel conflict zou rampzalig zijn voor alle betrokkenen, maar ook grote mondiale repercussies hebben, inclusief voor Nederland. Dat betekent dat dit meer is dan een lokale kwestie en de internationale gemeenschap zich in dient te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen.
Dat vergt overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn. Dit is evenwel geen exercitie die in het openbaar kan worden gedaan.
Heeft u zicht op de exacte impact voor de Nederlandse economie van een langdurige blokkade van Taiwanese havens?
Ik kan niet speculeren over de exacte impact voor de Nederlandse economie in het hypothetische geval van een langdurige blokkade van Taiwanese havens. Zoals gezegd dient de internationale gemeenschap zich in te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen en vergt dat overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn, maar kan ik daar niet verder op ingaan in het openbaar.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voor het commissiedebat van 13 januari over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ja.
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Pieter Grinwis (CU), Jan Paternotte (D66), Henk Jumelet (CDA), Peter de Groot (VVD), Eric van der Burg (VVD), Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. In de beantwoording van vraag 7, 8, 9 en 10 wordt dataveiligheid nader verdiept. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten.
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur zijn essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA). Deze overeenkomst beoogt wederzijdse openstelling van overheidsopdrachten tussen deelnemende landen op basis van transparantie, non-discriminatie en rechtszekerheid. De Europese Unie onderhoudt met deze GPA-partijen structurele en wederkerige handelsrelaties die zijn gebaseerd op internationale afspraken, hetgeen bijdraagt aan een betrouwbare samenwerking binnen de publieke aanbestedingen.
In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
De netbeheerders hebben een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is.
De slimme meter is modulair ontworpen en voor de afzonderlijke componenten is een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid. Er is dus vooraf rekening gehouden met mogelijke risico's voor bijvoorbeeld de energie- en productleveringszekerheid en de dataveiligheid van consumenten bij het vormgeven van de aanbesteding.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
De netbeheerders houden zich aan de wettelijke voorschriften omtrent databeheer en privacy en zijn op grond van de Energiewet2 verplicht hun gegevens te beveiligen en te beschermen. De huidige circa 8 miljoen slimme meters voldoen aan de gestelde (technische) eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM), die gelden onder de Energiewet.3 Ook bij de nieuwe generatie slimme meter geven de netbeheerders uitvoering aan de eisen uit het BOAUM. In deze eisen is onder meer vereist dat de meters zodanig beveiligd zijn tegen fraude met, misbruik van of inbreuk op de meters dat een passend beveiligingsniveau is gegarandeerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de internationale stand van de techniek en de uitvoeringskosten.
Conform het BOAUM registreert de meter het actuele vermogen (in Watt) en per kwartier de meterstand. De netbeheerders lezen de meters maximaal één keer per dag uit, vaak in de nacht. De netbeheerder leest enkel datgene uit wat noodzakelijk is voor het functioneren van het elektriciteitssysteem in den brede, wat ook is vastgelegd in de Energiewet en onderliggende regelgeving. Onder de Energiewet4 is de netbeheerder bevoegd per aansluiting de kwartierstanden uit te lezen ten behoeve van de onbalansverrekening als onderdeel van de balanceringstaak van TenneT.
Naast het regime van de Energiewet geldt, voor zover het gaat om persoonsgegevens, ook de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij elke verwerking van persoonsgegevens geldt voor de netbeheerders dat deze verwerking rechtmatig moet zijn in het licht van de voorwaarden in artikel 6 AVG. Ten aanzien van de omgang met slimme meterdata voor de uitvoering van hun wettelijke taken hebben de netbeheerders de «Gedragscode Slim Netbeheer» opgesteld die in februari 2022 door de Autoriteit Persoonsgegevens is goedgekeurd.5
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Zoals hiervoor opgemerkt gelden voor de netbeheerders verplichtingen ten aanzien van gegevensbescherming en -beveiliging. Voor het uitlezen van de nieuwe generatie slimme meters wordt door de netbeheerders een centraal systeem opgezet. De netbeheerders ontwikkelen dit systeem zelf en maken daarbij geen gebruik van buitenlandse fabrikanten, om de veiligheid van de data te waarborgen. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie.
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het waarborgen van productleveringszekerheid en nationale veiligheid is voor het kabinet van groot belang. De beoordeling van de netbeheerders dat de meetmodule een laag risicoprofiel kent, in combinatie met de genomen mitigerende maatregelen passend bij dit risicoprofiel, resulteert erin dat het kabinet vanuit veiligheidsoverwegingen op dit moment geen reden ziet om in te grijpen bij deze aanbesteding. Indien het kabinet in de toekomst risico’s vaststelt voor de nationale veiligheid of leveringszekerheid zal het maatregelen treffen om een dergelijk risico te mitigeren.
Een gat in de steun aan Oekraïne |
|
Eric van der Burg (VVD), Fatimazhra Belhirch (D66), Kati Piri (PvdA), Maes van Lanschot (CDA), Laurens Dassen (Volt), Don Ceder (CU), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangenomen motie van het lid Boswijk c.s. waarin de regering verzocht werd zich ervoor in te blijven spannen dat er geen ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een deel van het budget voor militaire steun aan Oekraïne van 2026 naar het jaar 2025 vooruit is geschoven?
Ja, het kabinet heeft tijdens voorjaarsbesluitvorming van 2025 besloten om de militaire steun te continueren met € 3,1 miljard op de defensiebegroting voor 2026 (binnen het totaal van € 3,5 miljard steun voor Oekraïne). De militaire en geopolitieke ontwikkelingen rondom Oekraïne hebben er toe geleid dat het kabinet heeft besloten een deel hiervan versneld in 2025 te realiseren.
Klopt het dat daarmee vaststaat dat de militaire steun aan Oekraïne in 2026 flink lager zal zijn dan in dit jaar? Zo ja, wat is het verschil?
De totale militaire steun aan Oekraïne blijft hetzelfde als bij de voorjaarsbesluitvorming is besloten. Een deel van deze steun is versneld in 2025 tot kasuitgaven gekomen. Als direct gevolg van het besluit is een gedeelte van de middelen die oorspronkelijk voor 2026 bestemd waren, reeds dit kalenderjaar uitgegeven. Het totale begrote bedrag aan kasuitgaven zal daardoor ca. € 4,3 miljard voor 2025 bedragen op de defensiebegroting. De momenteel begrote militaire steun op de defensiebegroting aan kasuitgaven voor 2026 bedraagt vooralsnog € 2,1 miljard. Voor 2027 zijn reeds kasuitgaven voor een totaal van € 750 miljoen gereserveerd op de defensiebegroting, mede omdat dit Nederland in staat stelt meerjarige uitgavenverplichtingen aan te gaan (bijvoorbeeld mbt de productie van drones en F16-gerelateerde verplichtingen).
Daarnaast is er in 2025, 2026 en 2027 nog respectievelijk ca. € 0,7 miljard, ca. € 0,5 miljard en ca. € 0,4 miljard beschikbaar op het defensiematerieelfonds voor de eigen krijgsmacht ter vervanging van eerder geleverd materieel.
Voorziet u dat in 2026 de voortzetting van de Oekraïense defensie-industrie in het geding komt? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet onderstreept het belang van het investeren in de Oekraïense defensie-industrie en heeft daartoe reeds meer dan € 1 miljard direct bij bedrijven in Oekraïne verworven. Een deel van deze investeringen zal in 2026 tot daadwerkelijke leveringen aan Oekraïne leiden. Ook in 2026 zal Nederland blijven investeren in de Oekraïense defensie-industrie.
Nederland investeert relatief veel in de Oekraïense defensie-industrie, onder andere via het Drone Line Initiative. Om voortzetting van de productie van de Oekraïense defensie-industrie in 2026 te waarborgen roept dit kabinet ook andere landen op om meer te investeren in de Oekraïense defensie-industrie. Hierbij biedt Nederland ook aan om gebruik te maken van onze contracten, ervaringen en opgedane lessen.
Bent u het ermee eens dat de Oekraïense strijdkrachten onverminderde steun verdienen? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland blijft Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel onverminderd steunen in tijden van oorlog, herstel en wederopbouw, zo lang als nodig is. Daarom is de lijn van het kabinet dat de internationale steun opgevoerd moet worden om Oekraïne in de sterkst mogelijke positie te brengen, waardoor Oekraïne ruimte krijgt bij mogelijke onderhandelingen en Oekraïne zich ook tegen toekomstige Russische agressie kan blijven verdedigen. Het onverminderd ondersteunen van de Oekraïense strijdkrachten met militaire steun is daar uiteraard onderdeel van.
Hoe bent u van plan om te voorkomen dat er ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?
Defensie richt zich op het waarborgen van een doorlopende en betrouwbare militaire steun aan Oekraïne. Tegelijkertijd is ook enige ruimte voor flexibiliteit nodig om te kunnen reageren op veranderende omstandigheden, zowel in Oekraïne als in de internationale steunverlening. Nederland zorgt ervoor dat de samenstelling van de militaire steun nauw aansluit op de behoeften van het Oekraïense Ministerie van Defensie en dat toezeggingen aan Oekraïne ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Naast de eigen inspanningen spoort Nederland ook andere bondgenoten aan om meer steun aan Oekraïne te leveren. Daarmee zet het kabinet in op meerburden sharing. Daarbij wordt ook gekeken naar de inzet van Russische bevroren tegoeden.
Oproepen tot geweld tijdens het concert van Bob Vylan in Paradiso Amsterdam |
|
Eric van der Burg (VVD), Ingrid Michon (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uitspraken van Bob Vylan tijdens zijn concert waarbij geweld tegen de vermoorde Charlie Kirk en zionisten werd toegejuicht en werd opgeroepen mensen op straat te gaan vinden?
Welke uitingen zijn gedaan door Bob Vylan zal uit het onderzoek van politie en het Openbaar Ministerie moeten blijken.
Deelt u de mening dat vrijheid van meningsuiting belangrijk is en kritiek op de Israëlische regering geuit moet kunnen worden, maar dat dit totaal iets anders is dan het verheerlijken van geweld en het tijdens een concert oproepen tot het «op straat gaan vinden van mensen?»
Voor haatzaaien en antisemitisme is in Nederland geen plaats. Dat mag niet vergoelijkt worden als vrijheid van meningsuiting, net zoals dat kritiek op de Israëlische regering niet automatisch mag worden weggezet als haatzaaien en antisemitisme. Of er sprake is van strafbare uitingen door Bob Vylan wordt door de politie en het Openbaar Ministerie onderzocht.
Hoe is de afweging tot stand gekomen om dit optreden toe te staan en is hierover contact geweest met de burgemeester van Amsterdam?
De afweging voor het laten plaatsvinden van een evenement ligt bij de organisatie van het evenement en de burgemeester. Het vooraf verbieden van een optreden is alleen mogelijk als er aantoonbare sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en, gelet op de ernst van de (te vrezen) wanordelijkheden, in redelijkheid gemeend kan worden dat de situatie met feitelijke (bijvoorbeeld de inzet van politie) of juridische minder verstrekkende middelen niet meer beheerst kan worden. De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken (vanwege het verbod op censuur).
Hoe beoordeelt u de beslissing van de Britse regering om de leden van de band strafrechtelijk te vervolgen voor haatzaaien vanwege soortgelijke uitspraken en welke mogelijkheden daartoe hebben wij daartoe in Nederland?
Ik ga geen oordeel vellen over het lopende Britse strafrechtelijke onderzoek.
Hebben de bandleden voor het optreden visa gekregen en hoe vindt deze afweging plaats? Wat hebben de uitspraken voor gevolgen voor een eventuele volgende beslissing?
Ik verwijs u naar de antwoorden van 4 september jl. op vragen van het lid Vondeling (PVV) aan de Minister van Asiel en Migratie en de toenmalig Minister van Justitie en Veiligheid over het toen nog aanstaande optreden van het punkduo Bob Vylan in Amsterdam en Tilburg. Over individuele gevallen of besluiten kan de Minister van Asiel en Migratie geen uitspraken doen.
In algemene zin geldt dat onderdanen van het Verenigd Koninkrijk voor kort verblijf visumvrij naar Nederland kunnen reizen. Voor toelating en verblijf gelden de reguliere regels van de Schengengrenscode en de Vreemdelingenwet.
Voor het weren van een vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, bijvoorbeeld vanwege het uitdragen van extremisme, kan de vreemdeling op grond van de Schengengrenscode de toegang tot Nederland (en het Schengengebied) geweigerd worden door de Minister van Asiel en Migratie. Om over te kunnen gaan tot een dergelijke maatregel, dient de IND over informatie te beschikken die hier voldoende grondslag voor kan bieden. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van duidingen van de NCTV, ambtsberichten van de AIVD en/of informatie uit de lokale driehoek. Eventuele rechterlijke uitspraken worden vanzelfsprekend betrokken bij besluitvorming, binnen het geldende wettelijke kader. Op individuele casuïstiek kan de Minister van Asiel en Migratie niet ingaan.
Is er een mogelijkheid tot het opleggen van een inreisverbod en of ongewenstverklaring en wat is hiervoor nodig?
Zie antwoord vraag 5.
Wat voor gevolgen hebben deze uitspraken, waarvoor in het Verenigd Koninkrijk dus inmiddels strafrechtelijke vervolging is gestart, voor de volgende optredens van de band in Nederland op 16 en 17 september? Welke mogelijkheden heeft de overheid om te voorkomen dat hier opnieuw wordt opgeroepen tot geweld?
Ik verwijs u naar de antwoorden van september jl. op vragen van het lid Vondeling (PVV) aan de Minister van Asiel en Migratie en de toenmalig Minister van Justitie en Veiligheid over het toen nog aanstaande optreden van het punkduo Bob Vylan in Amsterdam en Tilburg. Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en maakt daarin een eigen afweging. Het vooraf verbieden van een optreden is alleen mogelijk als er aantoonbare sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en, gelet op de ernst van de (te vrezen) wanordelijkheden, in redelijkheid gemeend kan worden dat de situatie met feitelijke (bijvoorbeeld de inzet van politie) of juridische minder verstrekkende middelen niet meer beheerst kan worden. De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken (vanwege het verbod op censuur). Wel kan de inhoud van uitingen het startpunt zijn van een keten van aanleidingen die leidt tot ingrijpen zoals het verbieden van een optreden. Daarbij heeft de burgemeester dan niet de uitlatingen zelf in gedachten, maar de objectiveerbare vrees voor wanordelijkheden waar die toe kunnen leiden.
Bent u bereid contact te hebben met het gemeentebestuur van de andere gemeenten over de reeks volgende concerten waarbij het zeer waarschijnlijk is dat opnieuw zal worden opgeroepen tot geweld?
Zie antwoord vraag 7.