Het bewijs voor Russische betrokkenheid bij de drones bij Leipzig |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Waarom weigert u, desnoods vertrouwelijk, het bewijs dat er volgens u zou zijn voor Russische betrokkenheid bij de drones die gesignaleerd zouden zijn bij Leipzig met de Kamer te delen?
Is dit (vermeende) bewijs ter beschikking gesteld aan de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten? Ja of nee?
Indien dit niet het geval is, bent u bereid de Kamer alsnog te informeren? Ja of nee? Zo nee, waarom niet?
De inhuur van influencers voor wervingscampagnes voor Defensie |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Defensie tussen 2021 en 2023 ongeveer 265.000 euro uittrok voor het inhuren van influencers om betaalde content te maken voor wervingscampagnes voor werken bij Defensie?1
Zijn in het antwoord op het WOO-verzoek over het inhuren van influencers door Defensie alle betaalde samenwerkingen van Defensie met influencers genoemd?2 Zijn dit alle commerciële samenwerkingen die het ministerie in deze periode met influencers heeft gesloten of zijn er samenwerkingen die buiten de reikwijdte van dit WOO-verzoek vallen?
In hoeveel van deze gevallen hebben influencers bij het publiceren van content aangegeven dat deze gemaakt is in opdracht van Defensie en dat zij hiervoor betaald zijn door Defensie?
Wie heeft het script geschreven? Zien we hier het script van Defensie of van de influencer zelf?
Is het onderdeel van de contracten om berichten op te volgen wanneer daar (negatieve) reacties op komen? Wanneer een influencer, na reacties op een Defensiefilmpje op Instagram, schrijft dat «Defensie veel meer is dan oorlog» en zij «keuzemogelijkheden voor de vrouw benadrukt,» spreekt hier dan de influencer of het Ministerie van Defensie?3 Deelt u de opvatting dat deze scheidslijn hier vaag is?
Kunt u garanderen dat alle contracten met influencers voldoen aan de wet- en regelgeving en het overheidsbeleid rond sluikreclame en de reclameregels voor sociale media?4 Is er bijvoorbeeld in al deze gevallen voldaan aan de regels rond reclame, sponsoring en productplaatsing?5
Wat is de hoofdboodschap die Defensie in deze campagne wil meegeven? Hoe wordt er omgegaan met de mogelijk minder aantrekkelijke kanten van het werken bij Defensie in de voorlichting en hoe wordt voorkomen dat jongeren een onrealistisch beeld wordt geschetst?
Kunt u de bedragen noemen die Defensie heeft uitgegeven aan de inhuur van influencers in 2024, 2025 en 2026, en het aantal contracten?
Zijn er meer van deze campagnes met influencers voorzien? Welk bedrag is hiervoor gereserveerd? Met welk deel op de Defensiebegroting van 2027 tot 2030 corresponderen deze budgetten?
Hoe vaak is de door Defensie gepromote content bekeken?
Hoe evalueert u de effectiviteit van deze campagne? Wat is er bijvoorbeeld bekend over het bereik en het extra aantal mensen dat geworven is dankzij deze campagne? Wat is er bekend over het effect op imagoverbetering van Defensie?
Wat zegt het feit dat wervingscampagnes gecamoufleerd via influencers moeten worden gedaan over het draagvlak voor het promoten van Defensie en voor uitgaven aan promotiecampagnes van Defensie in het bijzonder?
De nucleaire samenwerking met Frankrijk |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de vergaderagenda was van het gesprek vorige week met Frankrijk over samenwerking op het gebied van kernwapens?1 Zo nee, waarom niet?
Wat was de inbreng van Nederland in dit gesprek over samenwerking met Frankrijk op het gebied van kernwapens? Bent u bereid deze inbreng met de Kamer te delen?
Aangezien volgens een bericht op het Ministerie van Defensie de mogelijkheden voor verdere versterking van de Europese dimensie van nucleaire afschrikking zijn besproken, kunt u aangeven welke concrete opties aan de orde zijn gekomen? Zo nee, waarom niet?
Welke (voorlopige) besluiten zijn genomen? Zijn er besluiten genomen rond nauwere samenwerking in trainen en oefenen, doelstellingen waar u op de wekelijkse persconferentie naar verwijst?2
Klopt het dat begin december verder gepraat wordt met Frankrijk hierover, door de premier?3 Wat staat er dan op de agenda? Worden er besluiten voor die vergadering voorbereid? Zo ja, welke?
Wat wordt de inbreng van Nederland tijdens het gesprek begin december? Bent u bereid deze inbreng vooraf met de Kamer delen?
Kunt u uitsluiten dat Franse kernwapens op Nederlandse bodem worden geplaatst? Zo nee, waarom noemt u dit in de wekelijke persconferentie dan «helemaal niet aan de orde»?4
Kunt u uitsluiten dat Nederland gaat deelnemen aan nucleaire proeven? Zo nee, waarom niet?
Waarom hecht u er belang aan de nucleaire samenwerking met Frankrijk in de persconferentie herhaaldelijk historisch te noemen? Verandert de beoogde samenwerking bijvoorbeeld iets aan het bestaande Nederlandse kernwapenbeleid?
Wat is het einddoel van de gesprekken met Frankrijk?
Hoe verhouden de gesprekken over deelname van Nederland aan het Franse kernwapenprogramma zich tot tot het door Nederland ondertekende non-proliferatieverdrag?
Waarom heeft u over de door u ontraden motie Dobbe cs,5 die verzocht de Kamer te informeren over de nucleaire samenwerking met Frankrijk, gezegd dat die «naar allerlei zaken vraagt waar gewoon helemaal geen sprake van is», terwijl het Ministerie van Defensie nu meedeelt dat er stappen gezet zijn in een beoogde (nucleaire) samenwerking met Frankijk? Waarin en waarom verschilt uw lezing van de motie van de communicatie van uw eigen ministerie?
Vindt u dat de Tweede Kamer zijn controlerende taak moet kunnen uitoefenen met betrekking tot de nucleaire samenwerking met Frankrijk op het gebied van kernwapens? Zo ja, welke ontwikkelingen rond kernwapens zijn volgens u belangrijk genoeg om de Kamer wél over te informeren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
Deelt u de zorgen van de Algemene Rekenkamer1 over het feit dat de Nederlandse infrastructuur op veel plekken niet aan de NAVO-eisen voldoet, waardoor in geval van een militair conflict in Europa militaire transporten niet goed en snel door Nederland vervoerd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat er naar aanleiding van eerdere rapporten en waarschuwingen over de staat van de Nederlandse infrastructuur weinig tot niets gedaan is met deze zorgen? Zo nee, wat heeft het kabinet concreet gedaan de afgelopen jaren om opvolging te geven aan eerdere zorgen vanuit de Algemene Rekenkamer hierover? Kan per eerder rapport worden aangegeven welke concrete acties ondernomen zijn en welke budgettaire gevolgen hieraan gekoppeld waren?
Deelt u de mening dat hopen op het feit dat er altijd een omrijroute is waar het transport (gedeeltelijk) overheen kan rijden erg naïef is en getuigt van slechte voorbereiding op een mogelijke oorlogssituatie waarin militair transport daadwerkelijk met grote spoed door Nederland verplaatst moet worden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het, vanuit militair oogpunt, kwetsbaar is om erop te vertrouwen dat bij een conflict de infrastructurele bottlenecks in de logistieke keten niet zullen worden aangevallen?
Deelt u de mening dat het oplossen van de knelpunten in de militaire mobiliteit niet alleen een verantwoordelijkheid is van het Ministerie van IenW? Zo nee, waarom niet?
Wat is de reden dat het kabinet niet bereid is om extra te investeren in noodzakelijk onderhoud van bestaande infrastructuur? Kan hierbij uitgebreid toegelicht worden wat de potentiële militaire en economische gevolgen zijn van het uitstellen van noodzakelijk onderhoud?
Welke concrete acties en budgettaire gevolgen verbindt het kabinet aan dit nieuwe zorgelijke rapport van de Algemene Rekenkamer?
Kunt u aangeven wat de te verwachten economische gevolgen zijn van één, vijf en tien jaar uitstel van noodzakelijk onderhoud en investeringen?
Kunt u aangeven wat de te verwachten meerkosten zijn wanneer noodzakelijk onderhoud en investeringen één, vijf en tien jaar worden uitgesteld?
Hoe wordt geanticipeerd op (extra) slijtage van wegen door zwaar militair transport?
Kunt u aangeven welk deel van de kosten van onderhoud een aanpassing van infrastructuur bekostigd worden door IenW en welk deel door defensie? Deelt u de mening dat noodzakelijk onderhoud van bestaande wegen in beginsel door IenW bekostigd zou moeten worden en aanpassingen specifiek voor militair transport door defensie? Zo nee, hoe kijkt u naar de verdeling van de kosten?
In hoeverre anticipeert u op middelen vanuit Europa voor militaire mobiliteit? Zijn hierover reeds concrete gesprekken gevoerd en wat zijn de verwachtingen van u hierbij?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Infrastructuur en Waterstaat?
Het bewijs naar Russische betrokkenheid bij de drones bij Leipzig |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u het bewijs naar de Kamer sturen van Russische betrokkenheid bij de drones die gesignaleerd zouden zijn bij Leipzig? Kunt u ook voor (een aantal van) de cyberaanvallen in Nederland bewijzen dat Rusland hiervoor verantwoordelijk is en ook dit bewijs ter controle naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?1
Bent u bekend met het bericht «Maandenlange zoektocht van Defensie naar opvanglocatie voor asielzoekers levert nul plaatsen op. «We zijn teleurgesteld»»?1
Kunt u toelichten hoe de zoektocht naar overheidsgrond voor asielopvang sinds deze zomer is verlopen? Welke gebieden zijn hiervoor in kaart gebracht, zowel locaties in bezit van defensie als andere locaties in bezit van het Rijksvastgoedbedrijf?
Klopt het dat locaties zijn afgevallen op basis van «lokaal draagvlak»? Zo ja, bij hoeveel locaties was dit het geval en welke argumenten werden daarbij aangedragen?
Kunt u toelichten waarom locaties die eerder beschikbaar zijn gesteld voor asielopvang nu zijn afgevallen?
Zijn er nog opties in beeld voor een opvanglocatie, die niet in bezit zijn van defensie? Bijvoorbeeld ander grondgebied dat in bezit is van het Rijksvastgoedbedrijf? Zo ja, hoeveel locaties zijn hiervoor nog in beeld?
Kunt u toelichten welke andere opties u nog heeft om op korte termijn een opvanglocatie te vinden om te voorkomen dat personen in Ter Apel buiten moeten slapen?
Kunt u bevestigen dat defensie op dit moment enkel is betrokken bij «overleg» over asielopvang maar geen formeel steunverzoek heeft ontvangen? Wordt een dergelijk steunverzoek alsnog overwogen?
Welke concrete gevolgen heeft het uitblijven van deze opvangplekken voor de beschikbare opvangcapaciteit de komende maanden en het blijvende tekort aan plekken in Ter Apel?
Kunt u toelichten hoeveel plekken er nodig zijn om het aanmeldcentrum in Ter Apel te ontlasten? Kunt u toelichten waarom er vanuit het Rijk niet een (paar) grootschalige noodopvang komt voor deze personen totdat uitvoering van de Spreidingswet deze noodopvang overbodig maakt?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende commissiedebat over vreemdelingen- en asielbeleid?
Bent u bekend met het artikel «Russia-linked accounts spread far-right narrative online during Ceuta migration crisis, analysis finds»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat dergelijke desinformatiecampagnes rondom migratie in Europa steeds sneller en gecoördineerder verlopen (in zeven talen, honderdduizenden views in enkele uren), zoals ook onderzoekers van Alliance4Europe en 411 stellen? Herkent u dat dit specifiek is te herleiden tot aan Rusland gelieerde netwerken, waaronder het Telegram-kanaal Rybar en het daaraan gekoppelde Pravda-netwerk?
Het kabinet is bekend met de algemene trend dat FIMI-campagnes in toenemende mate worden ingezet door (statelijke) actoren om strategische doelstellingen te bevorderen. FIMI staat voor Foreign Information Manipulation and Interference, buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging. De opkomst van artificiële intelligentie (AI) geeft deze actoren meer geavanceerde mogelijkheden om dergelijke acties te ondernemen. Grootschalige incidenten bij buurlanden en bondgenoten onderstrepen dat deze dreiging reëel is.
In algemene zin geldt dat Rusland al jaren een veelheid aan hybride activiteiten inzet, waaronder FIMI campagnes.
Erkent u dat de initiële reacties uit de lidstaten – waaronder Nederland – juist bijdragen aan de Europese verdeeldheid die het Kremlin beoogt te creëren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat het kabinet daarmee onbedoeld heeft bijgedragen aan het Kremlin-narratief? Welke lessen trekt u daaruit voor toekomstige crisiscommunicatie?»
Nee, de gebeurtenissen in Ceuta waren zeer zorgelijk, uitzonderlijk en ongekend. De grootschalige irreguliere grensovergang van duizenden mensen naar Ceuta is een schending van de territoriale integriteit van Spanje en daarmee van de Europese Unie. Het snelle optreden van Spanje in samenwerking met Marokko, en de plaatsgevonden EU coördinatie in de Integrated Political Crisis Respone (IPCR) en de extra informele JBZ-raad waren noodzakelijk. Nederland heeft in de brief op 1 augustus jl. aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad gezamenlijk met 21 lidstaten hier toe opgeroepen. In lijn met de oproep in de brief heeft Spanje de grenzen versterkt en de op grote schaal terugkeer bewerkstelligd, en vond er een extra JBZ-Raad plaats.
Deelt u de mening dat social mediabedrijven een rol hebben om dit soort desinformatie-netwerken te identificeren en hun schadelijke desinformatie te mitigeren voordat zij bij een volgend incident weer worden ingezet? Ziet u, gelet op de constatering van 411, dat «That machinery» bij het volgende grensincident aan de Middellandse Zee opnieuw klaarstaat, aanleiding om hier proactief op te anticiperen in plaats van achteraf te reageren? Zo ja, hoe pakt u dit op en met welke mate van spoed?
Het kabinet acht het belangrijk dat sociale mediaplatformen hun verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, niet-authentiek gedrag en FIMI. Onder de Digitaledienstenverordening (DSA) moeten zeer grote onlineplatforms, waaronder Facebook, Instagram, X en TikTok, en zeer grote onlinezoekmachines, waaronder Google, systeemrisico’s identificeren, analyseren en beoordelen. Zij zijn verplicht om tenminste jaarlijks een risicobeoordeling uit te voeren en, waar nodig, maatregelen te nemen om de geïdentificeerde systeemrisico’s te beperken. Factoren zoals opzettelijke manipulatie kunnen deze systeemrisico’s vergroten. Wanneer dat het geval is zijn de bedrijven verplicht maatregelen te nemen om dit tegen te gaan.
Het Kabinet maakt zich al langer zorgen over buitenlandse actoren die, bijvoorbeeld via FIMI-campagnes, proberen onze samenleving en democratie te ondermijnen. Daarom is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in nauwe samenwerking met JenV, BZ en Defensie, bezig met het opzetten van een organisatie die FIMI structureel kan detecteren. In december 2026 zal de Minister van Binnenlandse Zaken de Kamer verder informeren over de stand van zaken van deze organisatie.
Bent u bekend met de signalen die op sociale media circuleren dat op 15 augustus 2026 weer mogelijk een grensoversteek zal plaatsvinden? Zo ja, hoe zet u zich in voor een gezamenlijke solidaire Europese aanpak?
Ja. Zoals inmiddels bekend is een nieuwe grootschalige poging tot grensoversteken uitgebleven. In de Kamerbrief van 3 augustus jl. (nr. 32317–1020) is uiteengezet hoe het kabinet invulling wil geven aan een Europese aanpak in reactie op gebeurtenissen als deze.
Deelt u de zorg dat, na de minstens 72 doden bij de vorige oversteek, mensen opnieuw het risico lopen te worden ingezet als instrument in een desinformatiecampagne? Welke stappen onderneemt het kabinet, al dan niet in EU-verband richting Marokko, om te voorkomen dat kwetsbare mensen zo worden gebruikt?
Het kabinet betreurt het verlies van deze mensenlevens. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten tegen irreguliere migratie en daarmee gepaard gaande levensbedreigende routes, middels een sterk Europees asiel en migratie systeem en samenwerkingsverbanden met derde landen zoals Marokko. Met de inzet tegen irreguliere migratie beoogt het kabinet ook de mogelijkheid tot instrumentalisatie van kwetsbare migranten als ook mensensmokkel tegen te gaan. Van belang is hierbij de volledige implementatie van de Schengengrenscode. Bovendien vormt het beschermen van kwetsbare migranten een belangrijk onderdeel van de intensieve samenwerking met derde landen zoals Marokko, zowel in bilateraal als in Europees verband. Hiertoe hebben ook de 22 lidstaten opgeroepen in de brief van 1 augustus jl. Verder steunt Nederland de aanpak van de Europese Commissie om FIMI tegen te gaan.
Kunt u bovenstaande antwoorden één voor één voor 15 augustus 2026 beantwoorden?
De beantwoording is u zo snel mogelijk toegekomen.
Bent u bekend met dit bericht, en met het feit dat uw secretaris-generaal sinds 1 januari 2022 voorzitter is van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg, de instelling die hier een institutionele boycot voert tegen Israëlische staatsinstellingen?1 2 3 4 5 6
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat TivoliVredenburg zijn boycot mede rechtvaardigt met de kwalificatie «genocidaal geweld» voor het optreden van Israël in Gaza? Kunt u aangeven of, en zo ja hoe, de Raad van Toezicht, onder voorzitterschap van uw secretaris-generaal, dit standpunt van de instelling heeft goedgekeurd of getoetst? Is deze kwalificatie ook het standpunt van het kabinet? Zo ja, op welke rechterlijke uitspraak is dat standpunt gebaseerd? Zo nee, hoe beoordeelt u dat uw eigen secretaris-generaal als voorzitter toezicht houdt op een instelling die deze kwalificatie wél publiekelijk hanteert?
Ja. Het betreft een besluit dat is genomen door de directie van TivoliVredenburg.
Was u ervan op de hoogte dat deze nevenfunctie werd voortgezet en zelfs bestendigd (herbenoeming tot 1 januari 2030) nadat TivoliVredenburg zijn culturele boycot van Israël publiekelijk had ingesteld? Zo ja, sinds wanneer? Zo nee, hoe verklaart u dat dit niet eerder bij u bekend was?
Ja. De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal zijn mij bekend. De Minister van Defensie is in 2023 akkoord gegaan met deze nevenfunctie. Alle nevenwerkzaamheden van de Topmanagementgroep (TMG) van de Algemene Bestuursdienst (ABD) zijn te raadplegen op de website van de ABD. De lijst met nevenwerkzaamheden wordt periodiek geactualiseerd.
Is deze nevenfunctie destijds gemeld en getoetst conform de Gedragscode Integriteit Rijk en de regels voor nevenfuncties van topambtenaren? Kunt u de uitkomst van die toetsing met de Kamer delen?
Ja. De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal zijn getoetst en hebben geleid tot een goedkeuring van de nevenfunctie. De nevenfunctie is tijdig en volledig openbaar gemaakt conform de daarvoor geldende procedures van de CAO Rijk.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Defensie, gebonden aan ambtelijke onpartijdigheid en loyaliteit aan het kabinetsbeleid, als voorzitter van de Raad van Toezicht toezichthoudende eindverantwoordelijkheid draagt voor een instelling die eigenstandig en publiekelijk een institutionele boycot voert tegen de staatsinstellingen van een land? Zo nee, waarom niet?
De secretaris-generaal is voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg. De Raad van Toezicht is belast met het toezicht op het algemeen functioneren van de directie, de benoemingen van bestuurders en het toezicht op financieel gebied. De directie heeft dit besluit genomen.
Uw ambtsvoorganger, Minister Brekelmans, heeft in de Tweede Kamer gesteld dat de F-35 essentieel is voor de veiligheid van Nederland en zijn internationale partners, waaronder Israël, en dat eenzijdig loslaten van deze samenwerking Nederland tot een onbetrouwbare partner zou maken en een risico zou vormen voor onze eigen luchtmacht. Onderschrijft u deze analyse van uw ambtsvoorganger? Zo nee, waarom niet?7
Ja, deze analyse onderschrijf ik.
Zo ja op vraag 6: hoe verhoudt de door uw ambtsvoorganger benoemde afhankelijkheid van Israëlische (defensie)technologie zich tot het feit dat uw eigen secretaris-generaal een instelling voorzit die datzelfde land institutioneel boycot?
De secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie is de voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg, niet de voorzitter van de directie van TivoliVredenburg. De directie van TivoliVredenburg heeft het besluit genomen.
Acht u het verenigbaar met de positie en geloofwaardigheid van het Ministerie van Defensie dat de hoogste ambtenaar van dat ministerie in een nevenfunctie een boycot mede faciliteert tegen een land waarmee Nederland op defensiegebied nauw samenwerkt? Zo ja, waarom? Zo nee, welke stappen gaat u zetten?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid uw secretaris-generaal te vragen zijn nevenfunctie als voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg neer te leggen, dan wel hem te vragen zich binnen die Raad publiekelijk te distantiëren van de boycot? Zo nee, waarom niet?
Ik acht de nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie verenigbaar met zijn functie als secretaris-generaal. De secretaris-generaal heeft aangegeven nadere afspraken met de Raad van Toezicht te hebben gemaakt, waardoor hij zich bij eventuele toekomstige besprekingen van dergelijke onderwerpen in de Raad van Toezicht zal onthouden van deelname.
Bent u bereid de Kamer te informeren over alle overige nevenfuncties van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie en de wijze waarop deze zijn getoetst op verenigbaarheid met zijn ambtelijke positie? Zo nee, waarom niet?
De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie zijn volgens de geldende procedures voor de TMG publiekelijk kenbaar gemaakt. De lijst met werkzaamheden is te raadplegen via de website van de ABD.
Bent u bekend met het feit dat de voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg tevens de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Defensie is, en dat deze Raad van Toezicht toeziet op een instelling die een institutionele boycot van Israël voert?
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke dubbelrol, rijksambtenaar aan de top van een ministerie én toezichthouder-voorzitter bij een gesubsidieerde instelling met een eigen institutioneel boycotbeleid tegen Israëlische instellingen, op gespannen voet staat met de schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die van de rijksoverheid mag worden verwacht? Zo nee, waarom niet?
Voor leden van de TMG gelden de rijksbrede integriteitsregels, aangevuld met openbaarmakings- en meldingsplichten om belangenverstrengeling te voorkomen. Om integriteit te waarborgen, zijn alle leden van de TMG verplicht hun nevenactiviteiten te melden aan hun werkgever. Voorafgaand aan de aanstelling worden nevenwerkzaamheden getoetst aan verenigbaarheid in relatie tot de te vervullen functie. Het overzicht van de nevenwerkzaamheden van de TMG is online openbaar te raadplegen.
Onder welke subsidieregeling(en) en voor welk bedrag ontvangt TivoliVredenburg jaarlijks direct of indirect rijkssubsidie, bijvoorbeeld via de Basisinfrastructuur Cultuur (BIS) of via de gemeente Utrecht?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg. Het podium ontvangt een jaarlijkse bijdrage van € 13,4 miljoen van de gemeente Utrecht in het kader van de Utrechtse Cultuurnota 2025–2028. Van het Fonds Podiumkunsten ontvangt TivoliVredenburg € 58.450 per jaar uit de Podiumregeling. Vanuit het Fonds Cultuurparticipatie krijgt het podium € 32.360 uit de regeling Co-creatie instellingen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met TivoliVredenburg over de voorwaarden waaronder subsidie wordt verstrekt, mede in het licht van deze dubbele rol als topambtenaar en toezichthouder, en de selectieve boycot van Israëlische deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg.
Deelt u de opvatting dat het weren van Israëlische studenten een vijandiger klimaat kan creëren voor Joodse en Israëlische bezoekers, artiesten en studenten in Nederland, zeker wanneer een zittend topambtenaar dit beleid als toezichthouder mede draagt? Zo nee, waarom niet?
Culturele instellingen moeten ruimte hebben om artistieke en inhoudelijke keuzes te maken. Die artistieke vrijheid is echter nooit een vrijbrief voor racisme, discriminatie en/of antisemitisme. Instellingen mogen mensen niet uitsluiten op grond van kenmerken die wettelijk beschermd zijn.
Herinnert u zich uw Kamerbrief van 13 juli jl. waarin u aangeeft niets de doen met de Kameruitspraak om te onderzoeken of slachtoffers van Hawija individueel kunnen worden gecompenseerd?
Ja.
Erkent u dat de Kamerbrief geen nieuwe informatie of argumenten bevat die de leden niet al tot zich hadden genomen voor de stemming over de motie?
Het is aan de leden zelf om te bepalen welke argumenten zij meenemen in hun overwegingen voor een stemming.
Erkent u dat er in de motie niet wordt gesproken over de aansprakelijkheid van de gevolgen van de wapeninzet door de Nederlandse staat, en deze motie dus ook los staat van de rechtszaak die wordt gevoerd door slachtoffers?
Ja.
Klopt het dat andere partnerlanden en Nederland zelf in het verleden vrijwillige (ex gratia) betalingen hebben uitgekeerd aan burgerslachtoffers zonder dat er sprake was van aansprakelijkheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het argument dat het uitkeren van individuele vrijwillige betalingen in de zaak Hawija «de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen»?
Als uitgangspunt geldt dat Defensie bij een legitieme krijgshandeling onder het humanitair oorlogsrecht niet verplicht is tot compensatie voor burgerslachtoffers. Dat kan anders liggen in geval van onrechtmatig geweldgebruik of een rechterlijke uitspraak. Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratia betalingen) is gericht op maatwerk.1 Nederland heeft in het verleden, bijvoorbeeld in Afghanistan in de periode 2002–2021, net als meerdere partnerlanden vrijwillige vergoedingen op individueel niveau uitgekeerd.2 De aard van de inzet in Afghanistan verschilde wezenlijk van die in Irak tegen ISIS: in Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijden van ISIS. Dergelijke variabelen, zoals de aard van de wapeninzet en de context van een conflict, zorgen voor verschillende afwegingen bij het al dan niet toekennen van vrijwillige individuele financiële vergoedingen.
Voorkomen moet worden dat de verwachting ontstaat dat bij toekomstig, rechtmatig geweldgebruik op een legitiem doel tijdens een gewapend conflict3, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen terwijl er geen reden is om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren telkens tevens praktische bezwaren zijn geuit tegen individuele vergoedingen – zoals dat het onmogelijk is om te achterhalen wie er schade hebben geleden –, zonder dat hier serieus onderzoek naar is gedaan? Zo nee, op welke wijze is deze optie onderzocht?
De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Het kabinet heeft de opties in kaart gebracht voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of gemeenschap, zoals eerder aan uw Kamer gemeld.4 Over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele vergoeding is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.5 Alhoewel niet doorslaggevend, klopt het dat er verschillende praktische bezwaren zijn geuit als onderdeel van deze overwegingen, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele vergoeding te realiseren.
Kunt u bevestigen dat reeds in 2020, toen er werd gekozen door het toenmalige kabinet om niet over te gaan tot individuele compensatie, hierover verschil van mening was tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie? Zo ja, kunt u die stukken met de Kamer delen?
Binnen zowel het Ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken is zorgvuldig nagedacht over de opties voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of de gemeenschap.6 Er is meermaals ambtelijk overleg geweest over de wenselijkheid en haalbaarheid van deze opties. Het uiteindelijke besluit ligt echter bij het kabinet dat destijds op basis van verschillende overwegingen heeft besloten niet over te gaan tot het uitkeren vrijwillige tegemoetkomingen op individueel niveau, zoals ook benoemd in de Kamerbrief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.7 De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Allereerst stelt het kabinet dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd, en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Hoewel niet doorslaggevend gelden in deze casus ten overvloede verschillende praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Zo is het jaren na de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie in Hawija welke schade heeft ondervonden door de secundaire explosie en om, conform de motie Fritsma8, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Stukken hieromtrent zijn openbaar gemaakt op basis van de Wet open overheid.9
Denkt u dat het moeilijk is om conform de motie-Fritsma vast te stellen dat de vijf omgekomen kinderen van Abdullah Rashid Saleh geen ISIS-sympathisanten waren? Zo ja, waarom?
De motie-Fritsma verzoekt de regering «op actieve wijze zeker te stellen dat geen cent van de door Nederland betaalde schadevergoedingen aan de gemeenschap van Hawija terechtkomt bij (oud-)IS’ers».10 Gelet op het besluit van het kabinet om over te gaan tot vrijwillige vergoeding van de gemeenschap, zijn er geen stappen ondernomen om tot vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.11 Defensie heeft dan ook geen onderzoek gedaan naar persoonsdossiers van individuele slachtoffers en spreekt zich niet uit over individuele casuïstiek.
Hoe kan het tot rechtsongelijkheid leiden als mensen niet voldoende kunnen bewijzen dat zij slachtoffer zijn van de Nederlandse wapeninzet in Hawija? Is er bij eerdere vrijwillige betalingen ook uitgekeerd aan slachtoffers die daar geen enkel bewijs voor hebben aangeleverd?
Een individuele tegemoetkoming zou, indien daartoe zou worden besloten, betrekking moeten hebben op de volledige groep die daarvoor op basis van gehanteerde criteria in aanmerking zou komen, en niet op slechts een deel van deze groep. Dit vraagstuk is echter niet aan de orde, aangezien reeds is besloten om niet over te gaan tot individuele tegemoetkomingen.12
Bent u bereid om conform de aangenomen Kamermotie alsnog te onderzoeken of individuele compensatie mogelijk zou kunnen zijn en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie motie Lid Piri (PRO), juni 2026» en «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.13 Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa 10 miljoen voor aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.
Kunt u de bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Klopt het dat u van plan bent scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij te kopen? Zo ja, kunt u schetsen hoe u tot deze keuze bent gekomen en hoeveel geld hiermee gemoeid is?
Nee dat klopt niet. Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98) geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om met de Israëlische firma Elbit een contract te sluiten voor de levering van het smart vest, met hierin ballistische platen. In juni 2024 heeft Defensie een instandhoudingsovereenkomst getekend met deze leverancier met een looptijd van drie jaar. Binnen deze overeenkomst kan Defensie elk jaar ballistische beschermingsmiddelen afnemen voor de opbouw van haar voorraden.
In de huidige scherfvesten zijn Nederlandse supervezels verwerkt. Defensie heeft momenteel nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten, maar heeft het voorstel van Elbit tot gebruik van Chinese supervezels afgewezen. Defensie wacht een nieuw voorstel van Elbit af. Hierbij is het uitgangspunt strategische autonomie. Daarom wil Defensie dat gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse supervezels, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken. Zodra hierover meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Defensie doet geen uitspraak over de verdere details uit lopende gesprekken met haar leveranciers en de specifieke gelden die met deze aanschaf zijn gemoeid. Hiermee beschermen we onze onderhandelingspositie en de commerciële belangen van de leverancier.
Deelt u de opvatting dat de Nederlandse krijgsmacht in een tijd van toenemende geopolitieke spanningen zo min mogelijk afhankelijk moet zijn van landen waarmee Nederland strategische belangenconflicten kan hebben? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze opvatting deel ik. In de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (DSII) beschrijft het kabinet de strategie en initiatieven om de Nederlandse Defensiegerelateerde Technologische en Industriële Basis (NLDTIB) verder te versterken. Ten behoeve van de chemie- en materialensector heeft Defensie samen met het Ministerie van KGG dan ook een actie-agenda «Chemie en Materialen voor Defensie» vastgesteld. Daarover is uw Kamer op 27 mei 2026 geïnformeerd.1 Deze actie-agenda geeft Nederland handelingsopties om de Nederlandse chemie en materialensector beter te benutten voor defensiedoeleinden, specifiek op het gebied van munitiegrondstoffen en geavanceerde materialen, waar supervezels onder vallen. Het beschikken over een vitale NLDTIB is immers van belang voor het voortzettingsvermogen van de Nederlandse krijgsmacht.
Hoe verhoudt de keuze voor scherfwerende platen met Chinese componenten zich tot de ambitie van het kabinet om strategische afhankelijkheden in vitale sectoren, waaronder defensie, terug te dringen?
In de huidige scherfvesten die al aan Defensie zijn geleverd, zijn Nederlandse supervezels verwerkt. Bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten, wil Defensie dat Europese of Nederlandse supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie).
Waarom is in deze aanbesteding of contractuele afspraak niet uitgesloten dat onderdelen of grondstoffen afkomstig zijn uit China, gezien de toenemende aandacht voor economische veiligheid en strategische afhankelijkheden? Kan de Minister aangeven welke risicoanalyse is gemaakt ten aanzien van de afhankelijkheid van Chinese grondstoffen en productieketens voor deze essentiële beschermingsmiddelen?
Het voor deze vraag relevante contract is getekend in juni 2024. In april 2025 lanceerden Defensie en EZK de DSII. Binnen deze strategie is smart materials een van de vijf focusgebieden. Mede vanwege van de wens van dit kabinet om de Nederlandse krijgsmacht autonomer te maken en ook de Nederlandse defensie-industrie te stimuleren, werkt Defensie de implementatie van deze strategie op dit moment nader uit.
In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Waar het de nationale veiligheid kan raken hanteert Defensie de ABRO (algemene beveiligingseisen Rijksoverheidsopdrachten). Deze eisen worden gesteld aan kritieke leveranciers (bijvoorbeeld bedrijven die met staatsgeheim werken of die software leveren). Binnen de ABRO gelden ook strikte regels voor onderleveranciers, deze moeten aan dezelfde regels voldoen als de hoofdaannemer. Bovendien mogen leveranciers niet zonder voorafgaande goedkeuring een onderleverancier inschakelen.
Kan de Minister toelichten in hoeverre bij de inkoop van defensiematerieel niet alleen wordt gekeken naar het eindproduct, maar ook naar de herkomst van kritieke halffabricaten en grondstoffen binnen de toeleveringsketen? Welke maatregelen neemt de Minister om te voorkomen dat strategische afhankelijkheden van landen als China via de achterdeur in NAVO-toeleveringsketens terechtkomen?
Het is een keuze van de hoofdleverancier bij welke sub-leverancier opdrachten worden uitgezet. Defensie controleert – naast de kwaliteitskeuring – of de gekozen sub-leverancier aan de contractueel overeengekomen voorwaarden voldoet. De leverancier is daarmee ook verantwoordelijk voor risico’s in de toeleveringsketen.
Defensie ziet noodzaak om controle te kunnen uitoefenen op herkomst van supervezels. Het uitgangspunt daarbij is strategische autonomie. In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Het is van belang om voldoende inzicht te hebben in risicovolle strategische afhankelijkheden in de toeleveringsketens van defensiematerieel. Hierover is uw Kamer geïnformeerd op 7 juli 2026 door middel van de Kamerbrief Kabinetsinzet Nationale Grondstoffenstrategie (32 852, nr. 426). Het deelprogramma Weerbare Toeleveringsketens, als onderdeel van het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie, zal ook bijdragen aan het vergroten van het inzicht in de afhankelijkheden in de toeleveringsketens in de defensiesector.
Hoe wordt er in het algemeen toezicht gehouden op afhankelijkheden binnen de toeleveringsketens van landen als China bij de inkoop van defensiematerieel? Heeft de Minister overzicht van de afhankelijkheden in de toeleveringsketens van Defensiematerieel? Zo nee, is de Minister voornemens dit overzicht te maken, zodat ook een afbouwpad kan worden gedefinieerd?
Zie antwoord vraag 5.
Is de Minister bereid om bij toekomstige defensieaankopen een expliciete toets uit te voeren op strategische afhankelijkheden, waaronder de herkomst van kritieke grondstoffen en onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Conform de DSII en de actie-agenda «Chemie en Materialen voor Defensie» ondernemen Defensie en EZK concrete acties om de herkomst van kritieke grondstoffen en componenten van defensiematerieel en -munitie inzichtelijk te maken. Defensie weegt de eventuele wens om strategische afhankelijkheden te mitigeren af tegen de overige belangen binnen materieelverwerving, zoals de noodzaak om de operationele gereedheid van de krijgsmacht met urgentie te versterken
Welke Nederlandse en Europese alternatieven voor deze scherfvesten zijn onderzocht voordat Defensie besloot gebruik te maken van deze leverancier? En waarom is er uiteindelijk niet gekozen voor een leverancier uit Nederland of Europa, terwijl volgens de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) Nederlandse bedrijven beschikken over vergelijkbare capaciteiten?
In de oorspronkelijke aanbesteding hebben ook Nederlandse en Europese partijen een offerte ingediend. Deze aanbiedingen zijn beoordeeld met behulp van een multi-criteria analyse, waarin de prijs, kwaliteit en levertijd van het product onder andere zijn meegewogen. Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98) geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om met de firma Elbit een contract te sluiten. In 2024 is de instandhoudingsovereenkomst met deze leverancier bekrachtigd.
Zoals bij vraag 4 en 6 aangegeven wordt inmiddels ook strategische autonomie en herkomst meegewogen bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn.
Kan de Minister aangeven welke criteria bij deze aanschaf de doorslag hebben gegeven? In welke mate waren daarbij prijs, leveringszekerheid, strategische autonomie, Europese samenwerking en de positie van de Nederlandse defensie-industrie meegewogen? Deelt de Minister de mening dat bij defensieaankopen niet uitsluitend naar de aanschafprijs moet worden gekeken, maar ook naar de bredere economische en strategische effecten, zoals behoud van kennis, productiecapaciteit en werkgelegenheid in Nederland en Europa?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt de Minister de kritiek van de NIDV dat het kabinet enerzijds inzet op meer productie in Nederland en Europa, maar anderzijds bij eigen inkoop onvoldoende rekening houdt met de positie van de Nederlandse defensie-industrie?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, ook strategische autonomie en leveringszekerheid van het materieel in toenemende mate meewegen binnen de mogelijkheden van de huidige (aanbestedings-)regelgeving
Erkent de Minister dat strategische autonomie niet alleen gaat over militaire capaciteit, maar ook over het beschikken over eigen industriële en technologische kennis? En erkent zij dat aankopen als aangehaald in deze set vragen niet in lijn zijn met de ambities uit de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie?
Ja. Beschikking over een voor ons benodigd ecosysteem dat voortzettingsvermogen garandeert is een belangrijke voorwaarde voor strategische autonomie. Daarom is de ambitie in de Defensienota 2026 en in de DSII om dit meer in Nederland en Europa op te bouwen. Opbouw tot een volwaardig Nederlands of Europees alternatief kost tijd en geld. Op korte termijn maken we daarom zorgvuldig afwegingen tussen implicaties voor strategische autonomie op den duur en veiligheid van onze militairen vandaag. Daarom wegen we ook kwaliteit, prijs, levertijd en leveringszekerheid mee.
Kan de Minister aangeven welk aandeel van de Nederlandse defensie-uitgaven momenteel terechtkomt bij Nederlandse en Europese bedrijven en welk aandeel bij leveranciers van buiten de Europese Unie?
Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de Stand van Defensie.
Hoe voorkomt de Minister dat Nederland door afzonderlijke nationale aankopen juist de Europese defensiesamenwerking en de ontwikkeling van een sterke Europese defensie-industrie belemmert?
Nederland blijft inzetten op sterkere Europese defensiesamenwerking. Door samen te werken aan het ontwikkelen van militaire capaciteiten en het stimuleren van de Europese defensie-industrie dragen de EU en de NAVO bij aan de Europese veiligheid. Waar Nederland kiest voor industrieversterkend inkopen wordt parallel verkend in hoeverre kleinere samenwerkingsverbanden meer continuïteit kunnen borgen voor de defensie-industrie. Dit is met name van belang in gezamenlijke ontwikkeltrajecten waar Nederland een coördinerende rol heeft, zoals bij de EU priority capability area voor drones en counterdrones. Ook heeft Defensie een Government-to-Government (G2G)-office in het leven geroepen om te zorgen dat industrieversterkend inkopen voldoende mogelijkheden biedt voor andere landen om bij de Nederlandse contracten aan te sluiten.
Is de Minister bereid deze specifieke aanschaf opnieuw te beoordelen vanuit het uitgangspunt van strategische autonomie en Europese samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Ja. In de huidige scherfvesten zijn Nederlandse supervezels verwerkt en bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten wil Defensie dat Europese of Nederlandse supervezels worden gebruikt. Dit is in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie.
Is er bij deze aankoop rekening gehouden met het feit dat scherfvesten goed moeten aansluiten op het vrouwenlichaam? Zo nee, ziet de Minister ook de kans om met regionale samenwerking meer maatwerk toe te passen?
Bij de aankoop van dit type vest is met het aansluiten van de pasvorm op het vrouwenlichaam geen rekening gehouden. Defensie beschikt over scherfvesten die wel aansluiten op het vrouwelijk lichaam. U bent hierover geïnformeerd in het Defensie Projectenoverzicht van mei 2025 (Kamerstuk 27 830, nr. 465 van 21 mei 2025).
Overwegende dat Defensie gaat werken met Chinese 3D-printers, kan de Minister toelichten welke cybersecurity- en contra-inlichtingenrisico’s zijn onderzocht voordat is besloten om 3D-printers van een Chinese fabrikant in gebruik te nemen voor het produceren van onderdelen voor de Nederlandse krijgsmacht?
Het betreft een in China geassembleerd systeem voor Laser Based Powder Fusion-printers. De kritieke componenten zijn afkomstig uit Europa en Japan. Defensie heeft de mogelijke risico’s gewogen. Daarbij is relevant dat met de software op een afgesloten netwerk kan worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers hoeft te draaien. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de beantwoording van de SV van Lanschot (CDA) over het bericht dat Defensie investeert in Spaanse en Chinese 3D machines (Kamerstuk 2026Z14731).
Verder betreft het twee stuks, waar de productie geen onderdeel zal gaan uitmaken van een productielijn ten behoeve van de Nederlandse krijgsmacht. Deze 3D-printers worden ingezet voor test- en onderzoeksdoeleinden voor Defensie. Nadat het gebruik van deze 3D-printers is geëvalueerd, neemt Defensie het besluit of er opnieuw een vraag voor Laser Based Powder Fusion-printers in de markt wordt uitgezet, waarbij eventuele risico’s zullen worden beoordeeld en gemitigeerd. Daarbij weegt het uitgangspunt strategische autonomie zwaar mee in de besluitvorming.
Hoe waarborgt de Minister dat digitale ontwerpen, technische tekeningen en andere gevoelige informatie over defensiematerieel niet toegankelijk kunnen worden voor buitenlandse partijen, waaronder partijen die onder invloed van de Chinese overheid kunnen staan?
Defensie beveiligt haar data door het maken van contractuele afspraken, het beperken van operationele risico’s en het doorlopend onderzoeken van alternatieve leveringsmogelijkheden. In dit geval is de machine geassembleerd in China, maar zijn de kritieke componenten van het systeem afkomstig uit Europa en Japan. Met de software kan op een afgesloten netwerk worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers hoeven te draaien. Verder gebruikt Defensie deze printer uitsluitend voor het opdoen van kennis over een productietechniek van metaalprinten. De printers worden niet in Staatsgeheime trajecten of bij kritieke processen binnen Defensie gebruikt. Het betreft enkele stuks en geen productielijn, wat de eventuele overstap naar een ander systeem niet in de weg zit. De opgebouwde kennis wordt meegenomen in eventuele toekomstige aanschaf, waarbij strategische autonomie integraal zal worden meegewogen in de besluitvorming.
Zijn er Europese alternatieven overwogen? Zo ja, welke en waarom zijn deze afgevallen? Zo nee, waarom niet?
In de voorbereiding van deze aanbesteding is een marktonderzoek uitgevoerd. Aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek heeft Defensie een aantal kwalitatieve eisen en gunningscriteria opgesteld, op basis waarvan de aanbesteding op de markt is gezet en de aanbiedingen zijn beoordeeld. Vier Europese leveranciers konden aan de gestelde eisen voldoen en hebben ingeschreven op deze aanbesteding. In de commercieel vertrouwelijke bijlage bij de beantwoording SV van Lanschot (CDA) (Kamerstuk 2026Z14731) is uw Kamer geïnformeerd over de productvergelijking.
Deelt de Minister de opvatting dat strategische technologieën zoals industriële 3D-printcapaciteiten voor defensietoepassingen onderdeel zouden moeten zijn van een Nederlandse of Europese technologische basis? Zo ja, welke stappen zet het kabinet om de ontwikkeling en inzet van Europese alternatieven te stimuleren?
Ja, Defensie zet vanaf het ontstaan van 3D-printers en het vakgebied Additive Manufacturing, in op het samen met de kennisinstellingen onderzoeken van de mogelijkheden en onmogelijkheden van de technologie en de borging van de kennisbasis. Nationale en internationale samenwerking heeft geleid tot ontwikkeling van de technologie van TRL 1 tot en met TRL 9 niveau, zodat 3D printen in fabricage-, en onderhoudsprocessen wordt toegepast. Hierbij wordt opgemerkt dat het domein niet alleen bestaat uit de printer zelf, maar ook uit een ondersteunende wetenschappelijke basis bestaande uit onder andere materiaalkunde, system engineering en -design. Ook in NAVO-en EU/EDA-verband is projectmatig samengewerkt met bondgenoten. Op deze wijze wordt kennis gedeeld tussen landen en kan van elkaars ontwikkeling worden geprofiteerd. Om de defensie-specifieke kennis en innovatie rond dit onderwerp verder te versterken, heeft Defensie in samenwerking met MinEZK een innovatiecall gefinancierd, waarin 3D-printen ten behoeve van defensie toepassingen een van de focusonderwerpen is. Deze call ter waarde van € 3,8 miljoen is in juli door ChemistryNL gepubliceerd.
Overwegende dat de Verenigde Staten het gebruik van 3D-printers van strategische concurrenten zoals China voor militaire toepassingen aan banden hebben gelegd vanwege mogelijke veiligheidsrisico’s, kan de Minister toelichten waarom Nederland tot een andere risico-inschatting komt en welke afwegingen maken dat deze technologie hier wel wordt toegelaten binnen de krijgsmacht?
Defensie maakt altijd een risico-inschatting van de continuïteit van de leverancier en beperkt het risico van een dergelijke afhankelijkheid door het aanleggen van voorraden reservedelen, de aanschaf van en het (deels) in eigen beheer nemen van het onderhoud. Voor elke aanschaf worden daarbij afgewogen keuzes gemaakt, die per aanschaf kunnen verschillen. Defensie beveiligt haar data door het maken van contractuele afspraken, het beperken van operationele risico’s en het doorlopend onderzoeken van alternatieve leveringsmogelijkheden.
De technologie zelf (de software) is van Europese afkomst. De assemblagefabriek staat in China. Doordat de technologie Europees is, kan op een afgesloten netwerk worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers moet draaien. Deze printers worden niet gebruikt in Staatsgeheime trajecten of bij kritieke processen binnen Defensie. In dat geval gelden er specifieke eisen (zoals de ABRO – algemene beveiligingseisen Rijksoverheidsopdrachten) of kan apparatuur extra gecontroleerd worden op de aanwezigheid van spionage apparatuur. Defensie gebruikt deze printer voor het opdoen van kennis over een productietechniek van metaalprinten. Het betreft enkele stuks en geen productielijn, wat de eventuele overstap naar een ander systeem niet in de weg zit. De opgebouwde kennis wordt meegenomen bij eventuele toekomstige aanschaf. Bij een eventuele toekomstige aanschaf wordt ook bekeken waar de printer voor zal worden gebruikt en of er specifieke veiligheidseisen moeten worden gesteld aan de leverancier (en onderleverancier). In dat geval is het uitgangspunt strategische autonomie.
Berichtgeving dat voormalig minister Brekelmans een operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Waarom geeft u wel een algemeen antwoord1 over het belang van de aanhouding van Jos Leijdekkers, maar weigert u in te gaan op de concrete beschuldigingen2 dat voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming over de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers?
Waarom beroept u zich op operationele vertrouwelijkheid om geen antwoord te geven op vragen over de politieke verantwoordelijkheid van voormalig Minister Brekelmans? Welk concreet operationeel of veiligheidsbelang wordt volgens u geschaad door te bevestigen of te ontkennen of voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden?
Deelt u de mening dat, indien voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden en daarmee zijn eigen belang boven het landsbelang heeft gesteld, de Kamer en de Nederlandse samenleving het recht hebben dit te weten? Zo nee, waarom niet?
Aangezien u deze vraag in de beantwoording van de eerdere Kamervragen onbeantwoord heeft gelaten, verzoek ik u nogmaals het volgende aan te geven: welke rol heeft voormalig Minister Brekelmans gespeeld bij de besluitvorming over de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers en heeft hij daarbij vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid bezwaar gemaakt tegen de uitvoering van die voorgenomen operatie?
Bent u bekend met het bericht dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft geoordeeld dat de AIVD en MIVD niet zorgvuldig zijn omgegaan met verzamelde persoonsgegevens? (Kamerstuk 36 263, nr. 50)
Ja.
Onderschrijft u dat juist van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), gelet op de aard en gevoeligheid van de gegevens die zij verwerken, mag worden verwacht dat zij de wettelijke waarborgen voor gegevensverwerking strikt naleven? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd door de CTIVD, zijn bulkdatasets van groot belang voor de goede taakuitvoering van de wettelijke taken van de diensten. Tegelijkertijd is duidelijk dat het gebruik van bulkdatasets een aanzienlijke privacyinbreuk kan meebrengen. Wij onderschrijven vanzelfsprekend de noodzaak van het bestaan van voldoende waarborgen rondom de verwerking van bulkdatasets, alsook een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan. In het algemeen geldt dat deze waarborgen worden nageleefd, maar, zoals de CTIVD heeft geconstateerd, valt er winst te behalen in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Het verbeteren van het beheer van bulkdatasets staat hoog op de agenda van de diensten. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het CTIVD-onderzoek hebben de diensten reeds diverse verbetermaatregelen genomen om tegemoet te komen aan de geconstateerde knelpunten (zie het gebundelde antwoord op vraag 4, 5, 8 en 15). De komende tijd zetten de diensten de implementatie van deze verbetermaatregelen voort. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij daarnaast ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke concrete tekortkomingen heeft de CTIVD vastgesteld in de wijze waarop de AIVD en MIVD-persoonsgegevens verwerken, bewaren en toegankelijk maken?
Een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD is te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Voor het volledige overzicht van de bevindingen en aanbevelingen verwijzen wij u naar het rapport van de CTIVD.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze tekortkomingen zijn ontstaan, terwijl de diensten beschikken over uitgebreide interne controlemechanismen en extern toezicht?
Wij constateren dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit met zich meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het onderzoek hebben de diensten zelfstandig verschillende risico’s en kwetsbaarheden geïdentificeerd ten aanzien van (de verwerking van) bulkdatasets. In verschillende gevallen hebben deze risico’s daadwerkelijk geleid tot compliance-incidenten, die voorafgaand aan en tijdens het onderzoek aan de CTIVD zijn gemeld. Naar aanleiding van deze incidenten hebben de diensten direct maatregelen getroffen om dergelijke incidenten te detecteren, mitigeren en in de toekomst te voorkomen, dan wel het risico dat dit soort incidenten zich voordoen aanzienlijk te verkleinen. Het betreft hier maatregelen op het gebied van autorisatiebeheer en toegangsmanagement, alsook maatregelen die zien op het vergroten van het bewustzijn bij medewerkers rondom het belang van compliant werken. De eerste belangrijke stappen zijn zodoende al gezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat structurele maatregelen nodig zijn. In dat kader verwelkomen wij de bevindingen van de CTIVD, die de urgentie van het onderwerp onderstrepen en oplossingsrichtingen aandragen voor de toekomst waar de diensten vanzelfsprekend voortvarend aan blijven werken. Zoals reeds genoemd is een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Met een aantal van de aanbevelingen uit het rapport zijn de diensten al aan de slag gegaan. Zo werken de diensten aan een applicatie voor toestemmingsverzoeken, waarmee de mogelijkheid om gegevens te raadplegen op geautomatiseerde wijze wordt gekoppeld aan de looptijd van het toestemmingsverzoek en de bijbehorende autorisaties. Daarnaast zullen de AIVD en de MIVD de interne logging van systemen uitbreiden om incidenten waarin autorisatiebeheer een rol speelt in de toekomst zo veel mogelijk te kunnen voorkomen, sneller te kunnen detecteren en beter te kunnen mitigeren. Dit draagt bij aan compliant werken. Wij onderstrepen evenwel dat de benodigde technische verbetermaatregelen aanpassingen vergen, bijvoorbeeld in de IT-systemen, die tijd en capaciteit kosten. De realisatie van deze structurele verbeteringen zal daarom een substantiële en consistente inspanning vergen. De diensten zullen de CTIVD periodiek op de hoogte houden van de ontwikkelingen en vorderingen op dit gebied.
Tot slot, zullen wij in aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Zijn de geconstateerde tekortkomingen het gevolg van onvoldoende capaciteit, onvoldoende deskundigheid, tekortschietende sturing of een andere oorzaak? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de CTIVD eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd? Zo ja, welke aanbevelingen zijn destijds gedaan en waarom hebben deze kennelijk niet voorkomen dat de huidige situatie is ontstaan?
De CTIVD heeft eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd. In toezichtrapporten nr. 70 en 71 over de verwerking van passagiersgegevens van luchtvaartmaatschappijen en het verzamelen van bulkdatasets met de hackbevoegdheid en de verdere verwerking daarvan heeft de CTIVD ook aandacht gevraagd voor de naleving van de waarborgen voor de verdere verwerking van bulkdatasets. Naar aanleiding van deze rapporten hebben onze ambtsvoorgangers de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 geïntroduceerd, met daarin aanvullende waarborgen en maatregelen die meer recht doen aan de bescherming van fundamentele rechten van burgers en de operationele waarde van bulkdatasets voor de diensten. De CTIVD stelt nu vast dat in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen nog winst valt te behalen. Wij herkennen ons in dat beeld en zetten het reeds ingezette verbetertraject de komende tijd voort (zie het antwoord op vraag 4-5-8-15).
Is naar uw oordeel sprake van tekortschietende uitvoering van bestaande wettelijke regels, of acht u de huidige wettelijke kaders onvoldoende duidelijk, vaag, uitvoerbaar of te strict? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wiv 2017 kent geen speciale regels voor het gebruik van bulkgegevens, met uitzondering van de bulkgegevens die worden verzameld met de inzet van onderzoeksopdrachtgerichte (OOG) interceptie. In de praktijk heeft dat geleid tot onduidelijkheden en een onoverzichtelijk stelsel voor de verdere verwerking van bulkgegevens. Mede naar aanleiding van toezichtrapporten van de CTIVD is de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 opgesteld. De CTIVD heeft geconstateerd dat het huidig wettelijk kader in beginsel voldoende waarborgen biedt, maar dat winst te behalen valt in de uitvoering en (technische) implementatie van deze waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Tegelijkertijd stellen wij vast dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij nadrukkelijk aandacht vragen voor deze en andere geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke organisatorische en technische maatregelen zijn inmiddels getroffen om ervoor te zorgen dat wettelijke waarborgen, waaronder autorisatiebeheer, bewaartermijnen en interne controles, structureel worden nageleefd?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer zijn de geconstateerde tekortkomingen voor het eerst ontstaan en sinds wanneer was u hiervan op de hoogte?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe wordt periodiek gecontroleerd of deze maatregelen daadwerkelijk functioneren en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd, voor zover de staatsveiligheid zich daar niet tegen verzet?
De diensten hebben sinds april 2023 een compliance-meldingssysteem. Dit wordt doorlopend geprofessionaliseerd. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan het vergroten van het compliance-bewustzijn binnen de diensten om compliance incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en daar waar onverhoopt toch iets misgaat deze incidenten vroegtijdig te detecteren en te mitigeren. Met de CTIVD is in 2023 overeengekomen dat naast het systeemtoezicht van de CTIVD, door de diensten een intern compliance-managementsysteem zou worden ingericht, waar een intern inschalingsmodel voor compliance-incidenten deel van uitmaakt. De diensten en de CTIVD hebben hiervoor gezamenlijk een incidentenprotocol opgesteld waarin is opgenomen hoe moet worden omgegaan met compliance-incidenten en wie wanneer daarover geïnformeerd dient te worden. De CTIVD houdt regulier toezicht op het compliance-meldingssysteem en kan hierover, indien aangewezen, rapporteren. Het ligt niet voor de hand, gelet op het efficiënt functioneren van het interne compliance-managementsysteem, dat wij uw Kamer, anders dan via de openbare jaarverslagen of de daarvoor geëigende kanalen, informeren over compliance-incidenten.
Wordt bij de ontwikkeling of aanbesteding van nieuwe informatiesystemen standaard getoetst of wettelijke bewaartermijnen, autorisaties en logging automatisch worden afgedwongen?
Gezien de specifieke aard van onze werkzaamheden worden veel informatiesystemen in het operationele domein door de diensten zelf ontwikkeld. Hierbij worden wettelijke vereisten zoals bewaartermijnen en autorisaties en functionele eisen zoals logging, integraal onderdeel gemaakt van het ontwikkelproces. Autorisatiebeheer en logging zijn essentieel voor de operationele veiligheid, betrouwbaarheid, beschikbaarheid en vertrouwelijkheid van de data van de diensten. Deze vormen derhalve vanzelfsprekend een belangrijke leidraad bij de ontwikkeling van nieuwe informatiesystemen.
Bent u van oordeel dat de huidige systemen van de AIVD en MIVD zodanig zijn ingericht dat wettelijke waarborgen technisch worden afgedwongen («security by design» en «privacy by design»)? Zo nee, waarom niet?
Hoewel niet alle waarborgen volledig technisch te automatiseren zijn, zijn er adequate controles aanwezig om de naleving ervan te waarborgen. Het waarborgen van security – en privacy by design is een continu proces van optimalisatie en onderdeel van de ICT-architectuur. De aanbevelingen uit het CTIVD-rapport worden gebruikt voor de verdere aanscherping van processen en ICT-architectuur. Daarnaast biedt de in voorbereiding zijnde nieuwe Wiv 202X, waarvan de contouren reeds zijn geschetst, een verbeterd en essentieel kader om de ondersteuning van het inlichtingenproces op het gebied van rechtmatigheid en technische borging verder te professionaliseren en te optimaliseren waarbij tegelijkertijd geen afbreuk wordt gedaan aan de operationele slagkracht van beide diensten.
Kunt u uitsluiten dat vergelijkbare tekortkomingen zich ook voordoen bij andere overheidsorganisaties die grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens verwerken? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Het verzamelen van bulkinformatie is uniek voor de AIVD en de MIVD. Als hiervoor verantwoordelijke Ministers informeren we u in deze antwoorden hoe we het beheer van deze bulkdatasets de komende tijd verder gaan versterken. In algemene zin doen alle overheidsinstanties altijd hun best om persoonsgegevens die onder hun verantwoordelijkheid vallen zo goed mogelijk te beheren. Dat zich daarbij tekortkomingen kunnen voordoen, kan helaas nooit helemaal worden uitgesloten. Ook daar zijn toezichthoudende instanties die daar op permanente basis onderzoek naar doen. In voorkomend geval kan de verantwoordelijke Minister besluiten tot een aanvullend onderzoek.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van gevoelige persoonsgegevens in de eerste plaats afhankelijk is van een zorgvuldige uitvoering van wettelijke waarborgen, goed ingerichte processen en deugdelijk toezicht, ongeacht de herkomst van de gebruikte technologie of leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wij onderschrijven de noodzaak van het hebben van voldoende waarborgen en een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan, ongeacht technologie of leverancier. Deze waarborgen zijn nodig om recht te doen aan de bescherming van de fundamentele rechten van burgers.
Welke lessen trekt u uit deze bevindingen om te voorkomen dat vergelijkbare tekortkomingen zich in de toekomst opnieuw voordoen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 6 en 9 en 4, 5, 8,en 15 zijn gezamenlijk beantwoord. De overige vragen zijn separaat beantwoord.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat de verkorting van opleidingen heeft geleid tot een beperktere ervaringsopbouw van militairen, waardoor relatief jonge en onervaren militairen sneller onder verzwarende oorlogsnabootsende omstandigheden moeten oefenen terwijl zij daarvoor nog onvoldoende ervaring hebben opgebouwd, met als gevolg dat de veiligheid tijdens oefeningen onder druk komt te staan?1
Allereerst willen we benoemen dat de twee dodelijke ongevallen tijdens militaire oefeningen in 2025 ons diep hebben geraakt. Elk slachtoffer is er één teveel. Defensie blijft er alles aan doen om ongevallen te voorkomen.
Onze beoordeling van de conclusies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid uit het rapport «Oefenen in balans» en de maatregelen die hieruit volgen hebben wij, zoals toegezegd, verwoord in de beleidsreactie op dit rapport. Deze reactie hebben wij gelijktijdig met de antwoorden op deze vragen aan uw Kamer verzonden.
Op welke wijze zijn de gevolgen van het verkorten van de Algemene Militaire Opleiding van 18 naar 10 weken voor de veiligheid, inzetbaarheid en ervaringsopbouw van militairen vooraf beoordeeld? Kunt u de onderliggende risico- of veiligheidsanalyses met de Kamer delen? Indien dergelijke analyses niet zijn uitgevoerd, waarom niet?2
Wij beantwoorden deze vraag in samenloop met vraag 4.
Bent u bereid de verkorting van de Algemene Militaire Opleiding te heroverwegen of op te schorten totdat objectief is vastgesteld dat deze geen afbreuk doet aan de veiligheid, inzetbaarheid en ervaringsopbouw van militairen? Zo nee, hoe rechtvaardigt u dan dat Defensie vasthoudt aan deze verkorting, terwijl de Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeert dat de beperkte ervaringsopbouw de veiligheid tijdens oefeningen onder druk zet en ook vanuit de praktijk is gewaarschuwd voor de gevolgen van de verkorte opleiding?
Zie het antwoord op vraag 1.
Welke initiële opleidingen, functieopleidingen of andere militaire opleidingen zijn in de afgelopen vijf jaar eveneens verkort? Kunt u per opleiding aangeven met hoeveel weken of dagen de opleidingsduur is verkort, wat daarvan de reden was, welke gevolgen vooraf zijn voorzien voor de kwaliteit van de opleiding, de ervaringsopbouw en de veiligheid van militairen, en de onderliggende risico- of veiligheidsanalyses met de Kamer delen? Indien dergelijke analyses niet zijn uitgevoerd, waarom niet?
Het opleidingslandschap in Defensie is voortdurend in beweging. Nieuwe opleidingen worden ontwikkeld, verouderde of overbodige opleidingen worden gestopt. Mede als gevolg van evaluaties worden opleidingen aangepast. Naast aanpassingen op de inhoud van een opleiding kan dit ook gevolgen hebben voor de duur van de opleiding. Defensie houdt geen centrale database van alle opleidingen bij. Defensie kent veel opleidingen, zo kent alleen het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) al meer dan 1300 verschillende opleidingen. Het is daarom niet mogelijk exact aan te geven welke opleidingen de afgelopen vijf jaar zijn verkort en wat hiervan de achterliggende redenen en gevolgen waren. Wel kunnen wij in algemene zin toelichten hoe opleidingen worden ontwikkeld en aangepast.
Nieuwe opleidingen worden via een eenduidig opgedragen systematiek ontwikkeld en uitgevoerd, waarbij voor elke opleiding eerst vastgesteld wordt wat het doel van de opleiding is, welke eisen daarbij behaald moeten worden en hoe de kwaliteit en veiligheid van de opleiding geborgd wordt. Door ontwikkelingen als de groeiopgave, nieuwe instroomsporen, nieuwe wapensystemen, lessen uit Oekraïne en de focus op hoofdtaak 1 worden opleidingen voortdurend aangepast. Bij wijzigingen van opleidingen voert Defensie een analyse uit op de impact van de wijziging van een opleiding. Hierbij wordt ook gekeken naar kwaliteits- en veiligheidsaspecten.
De aanpassingen aan opleidingen kunnen leiden tot een verkorting, maar ook een verandering of verlenging van de opleiding. Wij zetten erop in dat de mensen minder tijd doorbrengen in het opleidingsinstituut en meer tijd in de praktijk doorbrengen bij een eenheid. Een voorbeeld hiervan is de aanpassing van een tweetal initiële opleidingen binnen CLAS. Zo is voor de Algemene Militaire Opleiding (AMO – 18 weken, bedoeld voor manschappen) een volledig nieuwe Basisopleiding Koninklijke Landmacht (BOKL – 10 weken) in de plaats gekomen. Daarnaast is de Initiële Vorming Onderofficieren (IVO) in hoge mate modulair gemaakt, waardoor de duur verschilt van 2 tot 42 weken afhankelijk van de loopbaan, kennis en ervaring van de leerling. Beide aanpassingen maken niet alleen meer instroom mogelijk, maar faciliteren ook meer diverse instroomsporen.
Deelt u de opvatting dat het realiseren van de personeelsgroei bij Defensie nooit belangrijker mag zijn dan het opleiden van goed voorbereide, ervaren en veilig inzetbare militairen? Zo ja, welke concrete aanvullende maatregelen gaat u, naast de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, nemen om de kwaliteit van de opleidingen, de ervaringsopbouw en de veiligheid van nieuwe militairen structureel te versterken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
De door Defensie georganiseerde Keti Koti-deugbijeenkomsten |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door Defensie georganiseerde Keti Koti-bijeenkomst in het Wereldmuseum Amsterdam?1 Hoeveel belastinggeld heeft deze bijeenkomst in totaal gekost? Kunt u dit uitsplitsen naar onder meer de kosten voor de locatie, catering, organisatie, de vergoedingen aan de dagvoorzitter(s), sprekers en artiesten, alsmede de personele inzet van Defensie, waaronder het aantal betrokken medewerkers en de daaraan bestede diensturen?
Ja, ik ben bekend met de door Defensie georganiseerde Keti Koti-bijeenkomst op 25 juni jl. in het Wereldmuseum te Amsterdam. Hierbij waren in totaal 350 medewerkers aanwezig. Voor deze bijeenkomst is in totaal bedrag van
€ 49.857,00 uitgegeven, waarbij de onderverdeling als volgt is:
Locatie € 26.363,50
Catering € 23.493,50
Organisatie € 0,–
Dagvoorzitters € 0,–
Klopt het dat de Staatssecretaris van Defensie aanwezig was bij deze Keti Koti-bijeenkomst? Zo ja, had de Staatssecretaris echt niets beters te doen dan aanwezig te zijn bij deze deugbijeenkomst? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik was aanwezig bij de genoemde Keti Koti-bijeenkomst en neem uitdrukkelijk afstand van het woord «deugbijeenkomst». Mijn aanwezigheid had een duidelijk doel: het tonen van respect voor de herdenking, het bevorderen van diversiteit en inclusie binnen Defensie en het stilstaan bij het einde van de slavernij.
Bij welke andere Keti Koti-herdenkingen, -vieringen, -diners, -lezingen, -dialogen of andere activiteiten is Defensie dit jaar betrokken geweest, dan wel heeft Defensie deze georganiseerd of financieel of organisatorisch ondersteund? Kunt u per activiteit aangeven wat de financiële kosten waren, hoeveel defensiepersoneel en diensturen hiervoor zijn ingezet en welke externe personen of organisaties hiervoor zijn betaald?
Er is één Defensiebrede Keti Koti viering geweest. Er zijn geen andere interne vieringen binnen Defensie geweest. Ook zijn er geen andere vieringen geweest waar Defensie financieel aan heeft bijgedragen.
Deelt u de mening dat Defensie zich in een tijd van (hybride) oorlogsdreiging, grote personeelstekorten, materieeltekorten en achterstallig onderhoud moet richten op de verdediging van Nederland in plaats van op deugbijeenkomsten over diversiteit, inclusie en kolonialisme? Bent u bereid te stoppen met het organiseren en faciliteren van dergelijke deugbijeenkomsten? Zo nee, waarom niet?
Defensie heeft, net als het Rijk, Keti Koti op de kalender van betekenisvolle dagen staan. Een Keti Koti-viering is geen «deugbijeenkomst», maar past juist bij een moderne en diverse krijgsmacht. Niet alleen omdat deze activiteit bijdraagt aan een meer inclusieve organisatie (en daarmee aan het werven en behouden van personeel), maar ook met het oog op de uitkomsten van het debat over het Slavernijverleden in juli 2025 en de moties die daaruit voortkwamen. Aandacht voor de verschillende belangrijke culturele, religieuze of andere aandachtsdagen draagt eraan bij dat mensen zich thuis voelen bij de organisatie en versterkt onderling begrip, wederzijds respect en culturele sensitiviteit. Defensie besteedt daarom ieder jaar aandacht aan verschillende evenementen en bijzondere dagen zoals internationale vrouwendag, 4 en 5 mei, Keti Koti en coming out day.
De mogelijke financiering van langeafstandskruisvluchtwapens voor Oekraïne |
|
Geert Wilders (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Nederland de productie financiert van circa 700 Ruta Block 2-kruisvluchtwapens voor Oekraïne, zoals de Oekraïense Minister Mykhailo Fedorov publiekelijk heeft verklaard?1
Zoals aangegeven in het verslag van de NAVO Defensie Ministeriële (DMM) en Ukraine Defence Contact Group(UDCG) dat op 30 juni jl. met uw Kamer is gedeeld (Kamerstuk 2026D33840), zal Nederland € 250 miljoen aan in Nederland geproduceerde one-way-attack-drones aan Oekraïne leveren. Deze middenlaag kruisvluchtwapens met een verlengde dracht stellen Oekraïne in staat om versterkte doelen in de diepte aan te grijpen. De Kamer heeft herhaaldelijk opgeroepen om bij het uitblijven van de levering van Taurus-raketten Duitsland te attenderen op de ontsluiting van dit soort capaciteit. Met de aanschaf van dit soort wapens voor Oekraïne geeft Defensie gehoor aan deze oproepen.
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, waarom is zowel tijdens de persconferentie van 17 juni 2026 als in het officiële persbericht van Defensie uitsluitend gesproken over «drones», terwijl de fabrikant de Ruta Block 2 aanduidt als een «cruise system» (kruisvluchtwapen)? Bent u van mening dat u de Tweede Kamer en de Nederlandse samenleving daarmee juist en volledig heeft geïnformeerd?2
Aangaande de stand van zaken omtrent de levering van militaire steun aan Oekraïne wordt uw Kamer middels de Kamerbrief update levering militaire goederen periodiek geïnformeerd. Hierbij wordt tevens een vertrouwelijke bijlage verzonden die uw Kamer de mogelijkheid geeft om in meer detail inzicht te krijgen in de leveringen dan in het publieke domein door Defensie wordt gecommuniceerd. Gelet op de wens om uw Kamer goed geïnformeerd te houden, is in het verslag van de DMM en de UDCG een verdere toelichting verstrekt over het recente militaire steunpakket dat in aanloop naar deze bijeenkomsten is vormgegeven en aangekondigd.
Beschouwt u de Ruta Block 2 als een drone, een kruisvluchtwapen of een andere wapencategorie? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Russische agressieoorlog tegen Oekraïne heeft door de snelle innovatiecyclus de lijn tussen drones en wat wij binnen de NAVO verstaan onder kruisraketten en kruisvluchtwapens doen vervagen. De one-way-attack drone (OWA) Ruta Block 2 kan zowel als een onbemenst systeem (drone) en als een kruisvluchtwapen gekarakteriseerd worden.
Waarom heeft u ervoor gekozen de Tweede Kamer en de Nederlandse samenleving niet expliciet openbaar te informeren dat Nederland de productie financiert van langeafstandskruisvluchtwapens voor Oekraïne?
Uw Kamer wordt middels de Kamerbrief update levering militaire goederen en bijbehorende vertrouwelijke bijlage periodiek geïnformeerd over de stand van zaken omrent militaire leveringen aan Oekraïne. Daarnaast is uw Kamer in het verslag van de DMM en UDCG verder geïnformeerd over het nieuwe Nederlandse steunpakket van € 500 mln. Gelet op het belang van operationele veiligheidsoverwegingen, evenals de belangen van betrokken derde partijen, zoals internationale partners en het bedrijfsleven, maakt Defensie continue afwegingen in hoeverre openbaarmaking mogelijk is. Uw Kamer is meest recentelijk via de leveringenbrief geïnformeerd op 2 juli (Kamerstuk 22 054, nr. 486).
Bent u bereid de Tweede Kamer alsnog openbaar en ondubbelzinnig te informeren over de aard van de door Nederland voor Oekraïne gefinancierde wapensystemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Realiseert u zich hoe abject uw megagiften aan Oekraïne zijn, terwijl de Nederlandse bevolking grote bezuinigingen op de zorg en de sociale zekerheid te wachten staan op grond van uw coalitieakkoord en er dankzij uw wanbeleid jaarlijks miljarden euro's naar islamitische gelukzoekers gaan? Zo ja, bent u nog helemaal bij zinnen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zich bewust van de omvang en gevolgen van de steun die Nederland aan Oekraïne verleent. Deze steun is echter geen onverantwoorde uitgave, maar een noodzakelijke investering in de veiligheid van Nederland en Europa. De Russische agressie tegen Oekraïne raakt rechtstreeks aan de Europese veiligheidsorde. Oekraïne in staat stellen zich daartegen te verdedigen, verkleint het risico dat de Russische dreiging zich verder richting de Europese buitengrenzen verplaatst. Indien de Russische dreiging, zowel in Oekraïne als aan de bredere Oostflank, niet van een duidelijk antwoord wordt voorzien, zullen de defensie-uitgaven mogelijk nog verder moeten stijgen.
Daarbij heeft de samenwerking met Oekraïne ook concrete meerwaarde voor Nederland, onder meer door het uitwisselen van operationele lessen, het versterken van onze defensie-industrie en gezamenlijke innovatie.
Het kabinet is zich tegelijkertijd bewust van de noodzaak om publieke middelen zorgvuldig en doelmatig in te zetten. Dat geldt voor iedere uitgavenpost, waaronder defensie, zorg, sociale zekerheid en internationale steun. Van «wanbeleid» is dan ook geen sprake. Het kabinet maakt bewuste keuzes die noodzakelijk zijn om de veiligheid, weerbaarheid en financiële houdbaarheid van Nederland op lange termijn te waarborgen.
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Ja.
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Hieronder verstaat het kabinet een slagvaardige, wendbare en opschaalbare gezondheidszorg die berekend is op (langdurige) crisis, conflict en ontwrichting.
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Ja.
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de zorg?
Er zijn verschillende soorten dreigingen denkbaar die een risico kunnen vormen voor de continuïteit van de zorg. Denk bijvoorbeeld aan pandemieën, cyberaanvallen, verstoring van leveringsketens of de effecten van gewapend conflict2, die vaak in meer of mindere mate samenhangend kunnen voorkomen. Om deze veelvoud van dreigingen het hoofd te kunnen bieden, is de weerbare zorg-aanpak van het kabinet all-hazard.
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moeten zorgaanbieders goede zorg leveren. Daar hoort ook bij dat de organisatie zodanig is ingericht dat continuïteit en veiligheid van zorg zijn gewaarborgd, óók tijdens calamiteiten en grootschalige incidenten.
De zorgaanbieders moeten zelf in beeld hebben in welke mate zij voorbereid zijn op (onder andere) langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, en/of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet; en het is aan hen om hiervoor zo nodig maatregelen te treffen in de eigen organisatie. Bijvoorbeeld het ontwikkelen van draaiboeken voor noodscenario’s of het oefenen daarmee.
Voor enkele van de genoemde tekorten geldt specifieke wet- en regelgeving of worden aanvullende maatregelen genomen door het kabinet. Zo geldt voor de uitval van telecom en internet dat zorgaanbieders wettelijk verplicht zijn om aantoonbaar te voldoen aan NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg.3 Bij uitval van internet of telecom moeten zorgverleners kunnen terugvallen op vooraf opgestelde noodprocedures, zoals het werken met papieren dossiers en het communiceren met externe partijen als telefonie is weggevallen.
Voor tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen geldt dat leveranciers wettelijk verplicht zijn een melding te doen van een leveringsonderbreking. Ook laat het kabinet een extra voorraad aanleggen van kritieke geneesmiddelen. Aanvullend onderzoekt het kabinet voor verschillende soorten crises welke medische producten nodig zijn, en hoe deze het beste opgeslagen en verdeeld kunnen worden. Voor hulpmiddelen kan met de alternatievendatabase van het Zorginkoop Netwerk Nederland snel gezocht worden naar een vervangend hulpmiddel. De mogelijkheden tot het aanleggen van een voorraad voor medische hulpmiddelen worden op dit moment geïnventariseerd.
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Het risico van cyberaanvallen op zorgaanbieders en actoren in de zorgketen neemt al jaren toe.4 Daarom is het van belang dat de zorg hierop voorbereid is. Zorgaanbieders zijn hiervoor in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Informatiebeveiliging en het bepalen van de risico’s moet een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. De NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, verplicht zorginstellingen passende maatregelen te nemen om de vastgestelde risico’s te beheersen. In de Kamerbrief Informatieveiligheid in de zorg5 is beschreven dat zorgaanbieders en samenwerkingsverbanden ervoor moeten zorgen dat ze de juiste eisen stellen aan hun leveranciers. Op grond van de binnenkort in werking tredende Cyberbeveiligingswet (Cbw) moeten organisaties in verschillende sectoren waaronder de sector zorg, cyberincidenten melden en bij grootschalige cyberincidenten ondersteuning krijgen. De Cbw is erop gericht om cyberincidenten en de gevolgen hiervan te monitoren, te beperken en te voorkomen.
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
De productie en distributie van geneesmiddelen bestaat uit veel verschillende stappen. Dat maakt het moeilijk om voor alle geneesmiddelen inzichtelijk te hebben hoe de productie- en leveringsketen er precies uitziet en waar afhankelijkheden zitten. In het algemeen geldt dat veel grond- en hulpstoffen van geneesmiddelen uit een beperkt aantal landen komen, zoals China en India. Het kabinet is zich daarvan bewust en zet mede daarom ook in op meer productie in Europa en Nederland, bijvoorbeeld door de Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act). Daarmee streeft het kabinet ernaar dat Nederland en de Europese Unie (EU) minder afhankelijk zijn van derde landen voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen. Recent is een voorlopig politiek akkoord bereikt.6 Maar het kabinet realiseert zich ook dat een bepaalde afhankelijkheid nu eenmaal blijft bestaan. Daarom investeert het kabinet ook in de samenwerking met grote producerende landen, zoals India.
Onderzoek uit 2025 van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), apothekersorganisatie KNMP en Universiteit Utrecht laat zien dat medicijnen met de tien meest gebruikte werkzame stoffen in Nederland grotendeels binnen Europa worden geproduceerd.7 Ook laat het onderzoek zien dat Nederland voor sommige van de onderzochte medicijnen met dezelfde werkzame stof sterk afhankelijk is van één fabrikant.
Voor medische hulpmiddelen geldt dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor de inkoop van de hulpmiddelen. Er is op dit moment geen overzicht van afhankelijkheden van bepaalde landen, entiteiten of organisaties op dit gebied. In gesprekken die het kabinet voert met het veld wordt opgeroepen om divers in te kopen om de afhankelijkheid van één leverancier of land te verminderen. Zo wordt ook bij een tijdelijke leveringsonderbreking de zorgcontinuïteit gewaarborgd.
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
De continuïteit en beschikbaarheid van (civiele) zorg is cruciaal voor de continuïteit van de samenleving èn de militaire slagkracht. Om de continuïteit van zorg te waarborgen in tijden van crisis en conflict moet de civiele zorg klappen kunnen opvangen en in het ergste geval extreme aantallen patiënten kunnen accommoderen. De opgave voor de zorg is dan ook om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. Daarbij is het in de eerste plaats aan zorgverleners om te bepalen welke zorg doorgang moet krijgen, ook tijdens crisis.
Tijdens een crisis zorgen zorgaanbieders samen voor de toegankelijkheid en kwaliteit van (acute) zorg binnen het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ). De Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) neemt deel aan het ROAZ voor de verbinding met het veiligheidsdomein. De gezondheidszorg is daarnaast een van de sectoren die onderdeel uitmaakt van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) – die op 15 augustus 2026 in werking is getreden – en ook in de zorg moet bijdragen aan het beschermen en weerbaarder maken van de levering van essentiële diensten.
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Wie bij een nationale zorgcrisis de regie heeft, hangt allereerst af van de aanleiding van een crisis en wat onder een nationale zorgcrisis precies wordt verstaan. In het algemeen geldt dat bij situaties met een landelijk, spoedeisend karakter waarbij de nationale veiligheid in het geding is, of waarbij sprake is van een grote uitwerking op de maatschappij, de nationale crisisstructuur geactiveerd zal worden. Hierin kunnen de verscheidene vakministers deelnemen op hun eigen beleidsterrein, waaronder de Minister van VWS.8 Hoe regie georganiseerd is, kan gegeven de aanleiding en omvang van een dreiging verschillen. Zo geldt bijvoorbeeld dat in de Wet publieke gezondheid (Wpg) is opgenomen dat de Minister van VWS bij een uitbraak van een A-infectieziekte met landelijke impact (of een dreiging daarvan) leiding geeft aan de bestrijding. In de meeste denkbare crisissituaties in de zorg zal er veelal sprake zijn van een samenspel van verschillende partijen die elk hun eigen taken en bevoegdheden hebben. Zo kan elke partij in het systeem de rol op zich nemen die daar belegd is. In dit kader heeft het kabinet in de beleidsbrief van 24 april 2026 kenbaar gemaakt in te zetten op sterkere regie en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in de zorg bij extreme omstandigheden.9
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie van onze militairen?
Een mobilisatie betreft het in staat van paraatheid brengen van de krijgsmacht. De gevolgen van mobilisatie voor de capaciteit van de civiele zorg zijn zeer beperkt. Tijdens een mobilisatie, waarbij nog geen sprake is van een gevechtssituatie, is er geen instroom van gewonden in het civiele zorgsysteem. En andersom geldt ook dat de zorgcapaciteit geen beperking vormt voor de mobilisatie van militairen. Wel kan het zijn dat reservisten die werkzaam zijn in de civiele zorg worden opgeroepen en dat capaciteit die Defensie in vredestijd aan het civiele zorgdomein levert – bijvoorbeeld chirurgische teams in relatieziekenhuizen – niet meer beschikbaar is.
Uiteraard kan daadwerkelijke inzet van militairen ervoor zorgen dat Defensie in die situatie noodgedwongen een grotere ondersteuning vanuit de civiele zorgsector nodig heeft. Het hangt af van mate waarin de krijgsmacht wordt ingezet wat de gevolgen zijn voor de civiele zorg. Indien er sprake is van een plotselinge toename van militaire patiënten als gevolg van een conflict kan dit extra druk leggen op het civiele gezondheidszorgsysteem.
De Ministeries van Defensie en VWS werken op dit moment aan een gezamenlijke werkagenda, waarover de Tweede Kamer in september nader wordt geïnformeerd. Hierbij is naast de ondersteuning van de krijgsmacht door de civiele zorg, het uitgangspunt dat de zorg voor niet-militairen in Nederland door moet blijven gaan tijdens crisis en conflict.
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s van VWS en Defensie?
De inzet van het kabinet is om Nederland maatschappelijk weerbaar te maken met een parate en schaalbare krijgsmacht. In de Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen van 6 december 2024 wordt het scenario geschetst dat als uitgangspunt dient voor de uitwerking van de weerbaarheidsopgave. In dit scenario moet Nederland onder andere voldoen aan bondgenootschappelijke verplichtingen en is er mogelijk sprake van een significante migratie- en/of gewondenstroom.10 Het uitwerken van afspraken tussen de Ministeries van VWS en Defensie is ook onderdeel van de eerdergenoemde werkagenda die in september met de Kamer wordt gedeeld. Verder is het oefenen van scenario’s met de militair geneeskundige keten en de aansluiting van de reguliere zorg daarop, van essentieel belang. Zo sluit het Ministerie van VWS sinds 2024 aan bij de oefening Casualty Move van de NAVO, waar geoefend wordt met brede militaire medische inzet in een artikel 5-scenario. Ook waren de Minister van VWS en de Minister van Defensie op 8 juni 2026 in Duitsland gezamenlijk aanwezig bij de Fighter Lion-oefening van de Koninklijke Landmacht. Hier werd onder meer geoefend met het functioneren van de (militaire) zorgketen.
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote ramp?
De inzet van het kabinet is dat het Nederlandse zorgsysteem in staat is om schokken op te kunnen vangen, ook bij een grote toestroom van gewonden. Op dit moment wordt in beeld gebracht wat aanvullend nodig is voor opgeschaalde noodzorg, om daarmee grote aantallen patiënten op te kunnen vangen. Hierbij wordt ook gekeken naar het specifieke scenario van grote aantallen gewonden als gevolg van een militair conflict.
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Het kabinet versterkt de weerbaarheid van de zorg op drie gebieden: (1.) zelf- en samenredzaamheid, (2.) basisnoodzorg en (3.) opschaalbare noodzorg.
Allereerst versterkt het kabinet de zelf- en samenredzaamheid van de bevolking, zoals ook is opgenomen in het coalitieakkoord. Dit betreft het vermogen van de bevolking om zichzelf (met behulp van anderen) gezond en veilig te houden in tijden van nood, waardoor onder meer het beroep op gespecialiseerde zorg wordt uitgesteld of overbodig wordt zodat de zorg zo lang mogelijk beschikbaar blijft. Als onderdeel daarvan wordt momenteel in kaart gebracht11 of aanvullend op lopende initiatieven additionele inzet nodig is, specifiek voor de kwetsbare groepen in de samenleving.
In de Beleidsbrief volksgezondheid, welzijn en sport is de versterking van de basisnoodzorg beschreven. Dit betreft bijvoorbeeld de infectieziektebestrijding door het RIVM en de GGD-en, de landelijke en regionale coördinatie van patiëntenspreiding en het aanleggen van voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen. Op 27 maart 2026 is de Kamer geïnformeerd12 over € 177 miljoen die structureel beschikbaar is gesteld op de VWS-begroting om deze versterkingen van de publieke en curatieve gezondheidszorg én pandemische paraatheid voort te zetten. Deze versterkingen waren ingezet naar aanleiding van de lessen uit de COVID-19 pandemie en dragen in bredere zin bij aan het op orde brengen van de basisnoodzorg in Nederland.
In 2026/2027 werkt het Ministerie van VWS uit welke stappen gezet dienen te worden voor de versterking van de opschaalbare noodzorg. Ondanks de inzet op een aantal versterkingen blijft onvermijdelijk dat in tijden van crisis en conflict scherpe keuzes moeten worden gemaakt die impact hebben op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg. Onderdeel hiervan is, zoals in het antwoord op vraag 9 is aangegeven, de inzet om sterkere regie- en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in geval van een crisis.
De Kamer wordt dit najaar door de Minister van VWS nader geïnformeerd over de stand van zaken van de bredere inzet op weerbare zorg.
Het interview van vicepremier Yeşilgöz met NOS Stories over dakloze jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat verstaat u precies onder «alles op alles zetten» om het aantal dakloze mensen in 2030 naar nul te brengen?1
Dit kabinet wil zich tot het uiterste inspannen om dakloosheid te voorkomen en terug te dringen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid (NAD) blijft de basis voor de aanpak van dit kabinet, waarbij wordt ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst. Uit de tussentijdse evaluatie2 blijkt echter dat we in het huidige tempo de doelstelling om in 2030 dakloosheid te beëindigen, niet gaan halen. Daarom zijn aanvullende maatregelen nodig en daarvoor geven de onderzoekers een aantal adviezen, waar dit kabinet opvolging aan zal geven. Voor het debat over de aanpak van dakloosheid in november zal ik u daar nader over informeren.
Hoe rijmt u deze uitspraken met het coalitieakkoord waarin geen enkel concreet plan staat voor dakloze mensen?
De inzet op het terugdringen van dakloosheid is niet afhankelijk van het coalitieakkoord. Tijdens het debat over het eindverslag van de informateur heeft de Minister-President al erkend dat het een omissie is dat er niets over dakloosheid in het coalitieakkoord staat. Als er één thema is waar we elkaar van links tot recht op kunnen vinden, is het de aanpak van dak- en thuisloosheid. Niemand zou dakloosheid mee hoeven maken. Het kabinet gaat daarom met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Waaruit blijkt precies dat het kabinet, in de woorden van de vicepremier «heel hoge prioriteit» geeft aan dakloze jongeren? Kunt u uiteenzetten wat er precies wordt gedaan voor deze groep of welke concrete maatregelen het kabinet op korte termijn neemt?
In 2024 heeft het kabinet een aantal gerichte, aanvullende acties uitgewerkt om jongerendakloosheid te voorkomen, wat heeft geresulteerd in de Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar).3 Het kabinet zet zich onverminderd in om deze maatregelen uit te voeren. Daarnaast wordt binnen het NAD ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst en richten deze generieke maatregelen zich óók op jongeren. Begin juni van dit jaar is door Housing First Nederland en woningcorporatie Portaal met steun van de rijksoverheid de Startmotor Wonen Eerst Jongeren gelanceerd. Hierbij spreken (bestuurders van) vijf Nederlandse steden de gezamenlijke
ambitie uit om (dreigend) dakloze jongeren versneld aan een eigen, stabiele woonplek te helpen. Het doel is om Wonen Eerst uit te laten groeien tot de landelijke norm.
Kunt u uw bewering dat er «heel veel» in het coalitieakkoord staat over de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en over preventie, onderbouwen?
In het coalitieakkoord zijn verschillende passages opgenomen over het belang van preventie, bestaanszekerheid, wonen en mentale gezondheid. Daarnaast zet het kabinet zich in om, zoals beschreven in het akkoord, de capaciteit voor complexe ggz casuïstiek te vergroten. Voor de specifieke aanpak van dakloosheid vormt het NAD de basis. Daarin staat preventie centraal en wordt ingezet op het voorkomen van dakloosheid, het tijdig signaleren van risico's en het bieden van passende ondersteuning.
Hoeveel extra budget gaat u vrijmaken om uw woorden na te komen, in de wetenschap dat het budget dat is gekoppeld aan het Nationaal Actieplan Dakloosheid, aantoonbaar onvoldoende is om de beloften waar te maken?
Op dit moment zijn geen aanvullende budgettaire besluiten genomen specifiek voor het NAD. Aanvullende maatregelen zullen worden uitgevoerd binnen de huidige structurele middelen.
Bent u bereid gemeenten te ondersteunen, die concrete plannen hebben om dakloze jongeren, of jongeren die dreigen dakloos te raken, aan een woonplek te helpen? Zo ja, hoe precies?
Het Rijk ondersteunt gemeenten door o.a. de Startmotor Wonen Eerst Jongeren, die gericht is op het realiseren van meer woningen voor dakloze jongeren, mede mogelijk te maken. Als er in de toekomst andere kansrijke initiatieven/plannen zijn, ben ik bereid om daarnaar te kijken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de verklaring van de Amerikaanse Director of National Intelligence (DNI) Tulsi Gabbard van 12 juni 2026 en het bijbehorende persbericht van de Office of the Director of National Intelligence (ODNI), waarin openbaar is gemaakt dat de Verenigde Staten, en specifiek het Amerikaanse Ministerie van Oorlog, sinds 2005 meer dan veertig biolaboratoria in Oekraïne hebben gefinancierd en ondersteund?1, 2
Ja.
Was het kabinet eerder op de hoogte van de omvang en de aard van deze investeringen van het Amerikaanse Ministerie van Oorlog in Oekraïense biolaboratoria?
Het kabinet is op de hoogte van het Amerikaanse Biological Threat Reduction Programme.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, kunt u toelichten sinds wanneer u deze kennis had?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het denkbaar dat de aanwezigheid van door de Verenigde Staten en het Ministerie van Oorlog gefinancierde biolaboratoria met gevaarlijke pathogenen, dicht bij de Russische grens, door Rusland als een bedreiging is opgevat?
Nee.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, hoe duidt u dit provocerende handelen door de Verenigde Staten?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het denkbaar dat de Amerikaanse activiteiten in de ogen van Rusland een reden kunnen zijn geweest om in 2022 Oekraïne binnen te vallen?
Nee. Het is volstrekt duidelijk dat Rusland een illegale agressie oorlog tegen Oekraïne voert waar geen enkele rechtvaardiging voor bestaat.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u deze activiteiten niet relevant acht voor de duiding van de aanloop naar de oorlog in Oekraïne?
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u van de stelling van DNI Gabbard dat de volledige omvang van deze financiering destijds bewust verzwegen is gebleven voor het publiek?
Het kabinet recenseert dergelijke stellingen niet.
Hoe beoordeelt u het feit dat eerdere signalen over biolabs in Oekraïne destijds door de Minister van Buitenlandse Zaken zijn afgedaan als desinformatie en zelfs als een door Rusland geënsceneerde complottheorie?3
Het kabinet ziet geen reden om de eerdere classificatie aan te passen, namelijk dat deze berichtgeving over biolabs in Oekraïne desinformatie betreft.
Kunt u uiteenzetten welke gevolgen deze onthulling volgens u heeft voor de voortzetting van EU- en Nederlandse steun aan Oekraïne?
De Russische agressieoorlog tegen Oekraïne is en blijft illegaal. Rusland dient de oorlog te stoppen. Nederland steunt Oekraïne in de strijd tegen Russische agressie.
Klopt het dat medio 2025 ambtelijk is gesignaleerd dat mogelijk defensiegevoelige infrastructuurgegevens openbaar beschikbaar waren op websites en in registers van de overheid, maar dat deze gegevens nog steeds online staan?1
Deelt u de opvatting dat bij een concreet risico op sabotage van militaire infrastructuur de nationale veiligheid leidend moet zijn en dat informatie daarom bij twijfel op zijn minst eerst tijdelijk moet worden afgeschermd, waarna de juridische discussie kan worden afgerond? Zo nee, waarom niet?
Kan de Minister van Defensie andere ministeries daadwerkelijk opdragen defensiegevoelige informatie onmiddellijk af te schermen? Zo nee, wie kan binnen het kabinet bij een acute dreiging wel een bindend besluit nemen?
Welke maatregelen zijn direct na de ambtelijke signalering van deze veiligheidsrisico’s medio 2025 genomen?
Klopt het dat pas in het najaar van 2025 is begonnen met het verwijderen of afschermen van deze informatie? Kunt u toelichten waarom dit na de eerste signalering nog maanden heeft geduurd?
Wat is de reden dat de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Economische Zaken en Klimaat vooralsnog geen volledige uitvoering hebben gegeven aan het verzoek van de Minister van Defensie om de kwetsbare informatie per direct offline te halen?
Waarom is pas in maart 2026 een interdepartementale werkgroep «Openbaarheid en nationale veiligheid» ingesteld, terwijl al sinds medio 2025 bekend was dat mogelijk gevoelige informatie openbaar was?
Deelt u de opvatting dat het instellen van een ambtelijke werkgroep geen alternatief kan zijn voor een onmiddellijk bestuurlijk besluit wanneer informatie per direct offline moet worden gehaald vanwege risico’s op spionage en sabotage? Zo nee, waarom niet?
Zijn de MIVD, AIVD en de NCTV betrokken bij deze ambtelijke werkgroep? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe beoordelen zij dat deze gevoelige informatie nog niet offline is gehaald?
Erkent u dat deze gang van zaken – eerst signaleren, vervolgens maanden overleggen, daarna een werkgroep instellen en uiteindelijk nog steeds geen volledige verwijdering realiseren – niet past bij de snelheid en slagkracht die nodig zijn in de huidige veiligheidssituatie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zo spoedig mogelijk alle gegevens die Defensie als potentieel sabotagegevoelig beoordeelt in ieder geval tijdelijk af te schermen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid één bewindspersoon aan te wijzen die doorzettingsmacht krijgt bij conflicten tussen openbaarmakingsverplichtingen en de nationale veiligheid, zodat niet opnieuw maandenlang interdepartementaal overleg nodig is voordat wordt ingegrepen? Zo nee, waarom niet?
Berichtgeving dat voormalig minister Brekelmans een operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een concreet plan1 lag om Jos Leijdekkers («Bolle Jos») aan te houden, maar dat deze operatie uiteindelijk niet is doorgegaan? Zo ja, waarom is hiervan afgezien?
Klopt de bewering2 dat voormalig Minister Brekelmans niet heeft ingestemd met een operatie om Jos Leijdekkers («Bolle Jos») aan te houden vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid? Zo ja, welke rol hebben deze zorgen gespeeld bij de besluitvorming? Zo nee, wat is volgens u de feitelijke gang van zaken geweest?
Klopt het dat het besluit om de operatie niet uit te voeren heeft geleid tot aanzienlijke onvrede, discussie of consternatie binnen de betrokken organisaties? Zo ja, waar zag deze op? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat van bewindspersonen mag worden verwacht dat zij het algemeen belang en de veiligheid van de samenleving vooropstellen, ook wanneer besluiten mogelijk gevolgen hebben voor hun eigen veiligheid of beveiliging, en dat persoonlijke veiligheidszorgen nooit een reden mogen zijn om af te zien van de aanhouding van een van de meest gezochte criminelen van Nederland? Zo nee, waarom niet?