Het FTM-artikel 'Palantir heeft ‘gevaarlijke’ grip op cruciale Europese infrastructuur' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het FTM-artikel «Palantir heeft «gevaarlijke» grip op cruciale Europese infrastructuur» van 15 oktober 2026?1
Klopt het dat Defensie al langere tijd een pilot aan het draaien is om de aankoop van MAVEN Smart Systems te onderzoeken? Zo ja, waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd toen er meerdere vragen over gesteld werden op 11 juli 2025, 28 april en 29 april 2026?2, 3, 4
Hoeveel andere pilots worden door Defensie gedraaid om het gebruik en eventuele aanschaf van Palantir te toetsen?
Op welke manier maken de AIVD en de MIVD gebruik van software van Palantir en/of hebben zij in het verleden hier gebruik van gemaakt? Over welke periode wordt/werd hiervan gebruikt gemaakt?
Zijn hierbij ook gegevens van Nederlanders verwerkt?
Indien de AIVD en/of de MIVD inderdaad met het gebruik van Palantir zijn gestopt, wat waren hier de overwegingen om hiermee te stoppen?
Klopt het daarnaast ook dat het commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten eerder dit jaar een «tijdelijke» overeenkomst sloot met Palantir? Zo ja, waar dient dit contract voor en waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd toen er vragen over gesteld werden op 28 april en 29 april 2026?5, 6
Hoe rijmt de verkennende pilot bij Defensie en de overeenkomst met het commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten met de ambitie om binnen twee jaar Palantir-gebruik binnen de overheid volledig afgebouwd te hebben, ofwel het tweesporenbeleid?
Hoeveel kosten al deze nieuwe (tijdelijke) contracten en pilots?
Waarom zei u dat alleen de politie gebruik maakt van Palantir in de «Raffinaderij», terwijl nu blijkt dat dit geen compleet beeld is van de huidige situatie?
Eerder zei u dat de politie gebruik maakt van Palantir in de raffinaderij om terrorisme en «zware misdaad» te bestrijden; wat is de juridische definitie die de politie hanteert voor «zware misdaad»?
Acht u het nog steeds wenselijk om Palantir volledig af te bouwen, zodat we binnen onze overheid op geen enkele manier meer gebruik maken van Palantir? Zo nee, waarom bent u van gedachte veranderd?
Kunt u uitleggen waarom u het een goede keuze vindt om gebruik te blijven maken van de software van een bedrijf dat onder andere gebruikt wordt voor de doeleinden van ICE en de oorlog in Iran?
Bent u ervan bewust dat, na het eerste FTM-bericht over de samenwerking tussen Palantir en de Marechaussee en de situatie omtrent de onbehandelde aangiftes, dit de derde keer is dat u de Kamer verkeerd geïnformeerd heeft? Kunt u daarop reflecteren?7, 8
Kunt u deze vragen apart van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Mogelijke Nederlandse toetreding tot het Common Armoured Vehicle System (CAVS)-programma. |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is de huidige stand van zaken van de gesprekken die u voert met meerdere Europese landen over toetreding tot het Common Armoured Vehicle System (CAVS)-programma?1
Kunt u uiteenzetten wat volgens u de voor- en nadelen (kunnen) zijn van toetreden tot het CAVS-programma?
Kunt u aangeven aan welke voorwaarden Nederland zou moeten voldoen om te kunnen toetreden tot het CAVS-programma?
Op welke termijn verwacht u een besluit te kunnen nemen over al dan niet Nederlandse toetreding tot het CAVS-programma?
Wanneer is het volgens u op zijn vroegst mogelijk om formeel toe te treden tot het CAVS-programma en eventueel over te gaan tot aanschaf? Wanneer zouden de eerste voertuigen vervolgens aan Nederland geleverd kunnen worden?
Wat zou toetreding tot het CAVS-programma betekenen voor de huidige Nederlandse pantservoertuigen? Welke voertuigen zouden mogelijk worden vervangen en hoe verhoudt dit zich tot lopende en geplande investeringen in deze voertuigen?
Welke mogelijkheden zijn er volgens u voor betrokkenheid van de Nederlandse defensie-industrie bij het CAVS-programma? Bent u bereid om, in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken, hierover al tijdens de toetredingsgesprekken afspraken te maken, bijvoorbeeld over productie, onderhoud en technologieoverdracht?
Bent u bereid de Kamer uiterlijk in het eerste kwartaal van 2027 te informeren over de mogelijkheden voor Nederlandse toetreding tot het CAVS-programma, inclusief een concreet tijdpad, de financiële gevolgen, de gevolgen voor bestaande materieelprojecten en de kansen voor de Nederlandse defensie-industrie?
Deelt u de zorgen van de Algemene Rekenkamer1 over het feit dat de Nederlandse infrastructuur op veel plekken niet aan de NAVO-eisen voldoet, waardoor in geval van een militair conflict in Europa militaire transporten niet goed en snel door Nederland vervoerd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat er naar aanleiding van eerdere rapporten en waarschuwingen over de staat van de Nederlandse infrastructuur weinig tot niets gedaan is met deze zorgen? Zo nee, wat heeft het kabinet concreet gedaan de afgelopen jaren om opvolging te geven aan eerdere zorgen vanuit de Algemene Rekenkamer hierover? Kan per eerder rapport worden aangegeven welke concrete acties ondernomen zijn en welke budgettaire gevolgen hieraan gekoppeld waren?
Deelt u de mening dat hopen op het feit dat er altijd een omrijroute is waar het transport (gedeeltelijk) overheen kan rijden erg naïef is en getuigt van slechte voorbereiding op een mogelijke oorlogssituatie waarin militair transport daadwerkelijk met grote spoed door Nederland verplaatst moet worden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het, vanuit militair oogpunt, kwetsbaar is om erop te vertrouwen dat bij een conflict de infrastructurele bottlenecks in de logistieke keten niet zullen worden aangevallen?
Deelt u de mening dat het oplossen van de knelpunten in de militaire mobiliteit niet alleen een verantwoordelijkheid is van het Ministerie van IenW? Zo nee, waarom niet?
Wat is de reden dat het kabinet niet bereid is om extra te investeren in noodzakelijk onderhoud van bestaande infrastructuur? Kan hierbij uitgebreid toegelicht worden wat de potentiële militaire en economische gevolgen zijn van het uitstellen van noodzakelijk onderhoud?
Welke concrete acties en budgettaire gevolgen verbindt het kabinet aan dit nieuwe zorgelijke rapport van de Algemene Rekenkamer?
Kunt u aangeven wat de te verwachten economische gevolgen zijn van één, vijf en tien jaar uitstel van noodzakelijk onderhoud en investeringen?
Kunt u aangeven wat de te verwachten meerkosten zijn wanneer noodzakelijk onderhoud en investeringen één, vijf en tien jaar worden uitgesteld?
Hoe wordt geanticipeerd op (extra) slijtage van wegen door zwaar militair transport?
Kunt u aangeven welk deel van de kosten van onderhoud een aanpassing van infrastructuur bekostigd worden door IenW en welk deel door defensie? Deelt u de mening dat noodzakelijk onderhoud van bestaande wegen in beginsel door IenW bekostigd zou moeten worden en aanpassingen specifiek voor militair transport door defensie? Zo nee, hoe kijkt u naar de verdeling van de kosten?
In hoeverre anticipeert u op middelen vanuit Europa voor militaire mobiliteit? Zijn hierover reeds concrete gesprekken gevoerd en wat zijn de verwachtingen van u hierbij?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Infrastructuur en Waterstaat?
Bent u bekend met de aangehouden motie waarin de regering wordt opgeroepen om bij defensie-inkopen uitsluitend in te zetten op Nederlandse en Europese producenten?1
Deelt u de opvatting dat afhankelijkheid van China voor kritieke defensietoepassingen ongewenst is, zeker wanneer Nederlandse bedrijven (zoals bij supervezels) beschikken over de benodigde kennis, productiecapaciteit en de volledige waardeketen?
Welke concrete stappen heeft Defensie sinds het debat gezet om de afhankelijkheid van Chinese supervezels af te bouwen en Nederlandse of Europese alternatieven te benutten?
Welke lopende en voorgenomen contracten voor ballistische en blastbeschermende middelen zijn sinds het debat beoordeeld op de mogelijkheid om Chinese materialen te vervangen door Nederlandse of Europese alternatieven?
Hoe verklaart u dat bedrijven uit de sector aangeven dat zij sinds het aanhouden van de motie niets meer van Defensie hebben vernomen?
Klopt het dat Defensie nog geen contact heeft opgenomen met Nederlandse producenten van supervezels en ballistische beschermingsmiddelen over de uitvoering van deze motie? Zo nee, met welke bedrijven is wanneer gesproken?
Hoe verhoudt het blijven gebruiken van Chinese supervezels zich tot de ambitie van het kabinet om de Nederlandse defensie-industrie te versterken en strategische afhankelijkheden af te bouwen?
Welke concrete acties heeft u sinds het debat ondernomen om Nederlandse producenten van supervezels in een positie te brengen waarin zij Defensie kunnen bevoorraden of leverancier van de wereld kunnen worden?
Kunt u aangeven welke financiële omvang gemoeid is met de lopende en voorgenomen inkoop van ballistische en blastbeschermende middelen waarvoor Nederlandse producenten in aanmerking zouden kunnen komen?
Wanneer verwacht u daadwerkelijk over te gaan tot aanbestedingen waarbij Nederlandse supervezelproducenten kunnen inschrijven? Kunt u een concreet tijdpad geven?
Het achteraf wijzigen van de beantwoording van Kamervragen over de benoeming van minister Boekholt-O’Sullivan |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de op 8 september 2026 gepubliceerde beantwoording van Kamervragen over de benoeming van Minister Boekholt-O’Sullivan een dag later inhoudelijk is gewijzigd, waarbij een passage uit antwoord 12 is verwijderd?1
Waarom is de oorspronkelijke passage «De door u genoemde informatie was bekend, maar vormde geen belemmering voor de benoeming» uit antwoord 12 verwijderd? Was deze mededeling feitelijk juist? Zo nee, wat was er onjuist aan? Zo ja, waarom is een feitelijk juiste en politiek relevante mededeling achteraf verwijderd?
Wie heeft opdracht gegeven tot deze wijziging, wat was daarvoor de reden, wanneer is daartoe besloten en wie heeft uiteindelijk toestemming gegeven voor de gewijzigde beantwoording?
Is het tijdens deze kabinetsperiode vaker voorgekomen dat reeds gepubliceerde en aan de Kamer verstrekte antwoorden op Kamervragen achteraf inhoudelijk zijn gewijzigd? Zo ja, hoe vaak is dit gebeurd en kunt u per geval aangeven welke beantwoording het betrof, welke inhoudelijke wijziging is aangebracht en waarom de Kamer daarover niet is geïnformeerd?
Begrijpt u dat het achteraf inhoudelijk wijzigen van reeds gepubliceerde antwoorden het vertrouwen van Kamerleden in de informatievoorziening door het kabinet ernstig schaadt en de controlerende taak van de Kamer ondermijnt?
Het bericht dat Nederland zich mengt met tientallen satellieten in de strijd om de ruimte |
|
Jan Schoonis (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland mengt zich met tientallen satellieten in strijd om de ruimte: We kunnen niet om SpaceX heen»?1
Hoe voorkomt u dat Nederland voor kritieke ruimtecapaciteiten afhankelijk blijft van niet-Europese partijen en hoe stimuleert u juist zoveel mogelijk Europese samenwerking?
Bent u voornemens om samen met andere Europese landen op te trekken om de schaal van Europese ruimtecapaciteiten te vergroten en Nederland daarin als koploper te positioneren? Sluit Nederland bijvoorbeeld aan bij European Defence Projects of Common Interest rondom Space of andere EU-instrumenten? Zo nee, is Defensie voornemens dit zelf te initiëren?
Bent u van mening dat investeren in de Nederlandse (en Europese) ruimtevaartsector een win-win-winscenario kan opleveren, doordat hiermee zowel de operationele beschikbaarheid van Defensie, de strategische autonomie, de veiligheid van vitale infrastructuur als het economisch belang van de Nederlandse ruimtevaartsector worden versterkt?
Hoe kijkt u naar de lange termijn ruimtevaartagenda en de daarin uitgesproken ambitie om toe te groeien naar de ESA-norm? Bent u bereid hiervoor een concreet ingroeipad uit te werken?
Overwegende dat meerdere departementen ambities en belangen hebben in het ruimtedomein en ze elkaar kunnen versterken, hoe gaat u dit interdepartementaal borgen?
Overwegende dat in de Defensienota is aangekondigd dat een Space Command wordt opgezet, kunt u aangeven welk tijdspad u voor ogen heeft en welke concrete doelen en taken dit Space Command krijgt?
Hoe vertaalt u de ambities uit de Defensienota naar een meerjarige capability roadmap voor het ruimtedomein en hoe bent u voornemens hier vanuit de «Gouden Driehoek» (overheid, industrie en kennisinstellingen) in op te lopen?
Hoe beschermt Nederland zijn eigen ruimte-infrastructuur, inclusief het grondsegment, gezien de toenemende afhankelijkheid van ruimtecapaciteiten voor veiligheid, economie en duurzaamheid en het toenemende dreigingsbeeld?
Hoe realiseert Nederland een onafhankelijke toegang tot de ruimte? Heeft u onderzocht welke toegevoegde waarde een Nederlandse of Benelux-lanceercapaciteit kan hebben voor de strategische autonomie van Nederland en Europa? Is daarbij ook gekeken naar mogelijkheden binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk?
Hoe gaat u instrumenten zoals NADI en de Defensie Innovatie Opschalingsautoriteit benutten voor de Nederlandse ruimtevaartsector? En welke rol ziet u voor zichzelf als launching customer?
Het bericht "Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s" |
|
Tamara ten Hove (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in de praktijk individuele ambtenaren vanuit hun eigen overtuiging een zodanig grote invloed op beleid kunnen uitoefenen dat effectief leidinggeven vanaf hogerhand onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken dit beeld niet.
Hebben de secretaris-generaal en/of de commandant der strijdkrachten u geïnformeerd over deze zaak en de genomen keuzes? Zo ja, wanneer en in welke vorm? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op hoofdlijnen geïnformeerd over deze zaak. Over de precieze wijze en het moment van informeren doe ik geen nadere mededelingen om redenen van privacy bij individuele casuïstiek.
Gaat u de illegaal handelende ambtenaren van de zogenaamde «werkgroep» per direct op non-actief zetten en/of ontslaan, of blijft de enige werknemer van Defensie die consequenties ervaart de legaal handelende schietinstructeur? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie, noch in de geschetste situatie.
Acht u het wenselijk dat melding maken van disfunctioneren van het apparaat bij hogere rangen door Defensie geduid wordt als een vorm van «werkweigering»? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u eraan doen die cultuur te veranderen?
Het melden van ongewenst gedrag, het doen van een integriteitsmelding of het melden van disfunctioneren is geen werkweigering. Van werkweigering is bijvoorbeeld sprake wanneer iemand zich zonder toestemming niet meldt voor de toegewezen functie, waarbij de afwezigheid evenmin achteraf gerechtvaardigd is. Er is dus ook geen reden om de cultuur hierop te veranderen.
Hoe voorkomt u dat correctiemechanismen binnen Defensie (en andere overheidsinstanties) zich bij hun beoordeling louter baseren op interne rapportages van diezelfde organisatie waartegen de klachten zijn ingediend?
Daarvan is geen sprake. Bij het beoordelen van klachten wordt niet alleen gekeken naar het standpunt van de organisatie waarover wordt geklaagd maar nadrukkelijk ook naar het standpunt van de klager en andere relevante informatie.
Hoeveel vaststellingsovereenkomsten en andere vormen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn in de afgelopen vijf jaar binnen Defensie gesloten?
De bevoegdheid tot het sluiten van vaststellingsovereenkomsten is op verschillende commandantenniveaus in de organisatie belegd. Defensie houdt hiervan geen centrale registratie bij. Daarom kan ik niet aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten.
In hoeveel van de onder vraag zeven genoemde beëindigingen was sprake van omstandigheden die ook maar enigszins van vergelijkbare aard zijn met de onderhavige zaak, waaronder beëindiging van het dienstverband naar aanleiding van een arbeidsconflict, een integriteitskwestie, een melding, een klacht of een vergelijkbare aanleiding? Kan de Kamer een geanonimiseerde uitsplitsing naar categorie van aanleiding ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 7; omdat ik niet kan aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten, kan ik ook geen uitsplitsing maken per categorie.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat Defensie meent «geen partij» te zijn in deze zaak, ondanks dat de complete besluitvorming gebaseerd is op interne rapportages van Defensie, het een (opgezegde) arbeidsovereenkomst bij Defensie betreft, de secretaris-generaal als ook de commandant der strijdkrachten zijn geïnformeerd en de complete zaak is gebaseerd op handelen in zijn functie als militair? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Defensie is geen partij bij het verstrekken of intrekken van privéwapenverloven.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om deze en vergelijkbare samenspanningen van ambtenaren te doorbreken en serieuze consequenties daaraan te verbinden?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie. Van samenspanningen is geen sprake.
Bent u bekend met de berichtgeving1 dat Defensie na uitgebreid overleg heeft geoordeeld dat vijf windturbines van circa 250 meter hoog bij Windpark Buitenpolders geen belemmering vormen voor de militaire vliegveiligheid, terwijl vier van de vijf turbines binnen het beperkingengebied van 15 kilometer rond Vliegbasis Gilze-Rijen liggen? Klopt deze berichtgeving? Zo ja, wanneer is dit oordeel afgegeven, betreft dit een voorlopig of definitief oordeel, welke concrete onderzoeken, risicoanalyses en militaire adviezen liggen hieraan ten grondslag en bent u bereid deze met de Kamer te delen?
Ja, Defensie is bekend met de berichtgeving. De veronderstelling dat Defensie heeft ingestemd met een uitgewerkt windparkproject is niet terecht.
Defensie is, daarbij ondersteund door het Rijksvastgoedbedrijf, de afgelopen jaren als belanghebbende uitgebreid betrokken geweest bij de studies voor het vaststellen van het zoekgebied voor het plaatsen van windmolens in de gemeente Waalwijk. Defensie heeft in dit gebied haar relevante belangen nadrukkelijk ingebracht. De gemeente heeft de belangen van Defensie betrokken in de besluitvorming.
Defensie blijft ook in de volgende fasen van de ruimtelijke procedure als belanghebbende betrokken om te beoordelen of het defensiebelang niet wordt geschaad. Deze beoordeling is mogelijk zodra vanuit de gemeente en/ of de zonneparkbeheerder met Defensie wordt gedeeld waar welke turbines worden gepland.
Welke veiligheidsrisico's brengen de vijf windturbines van circa 250 meter hoog volgens Defensie met zich mee voor militairen, militaire luchtvaartuigen en de operationele inzet vanaf Vliegbasis Gilze-Rijen, gelet op het feit dat deze windturbines ongeveer 100 meter hoger zijn dan de hoogte waarbij binnen het beperkingengebied een afzonderlijke vliegveiligheidsbeoordeling door Defensie is vereist? Welke gevolgen heeft dit oordeel voor de huidige en toekomstige militaire inzet, waaronder laagvliegoefeningen, helikopteroperaties en toekomstige uitbreidingsmogelijkheden, en zijn aan dit oordeel voorwaarden verbonden, bijvoorbeeld ten aanzien van de maximale hoogte, exacte locatie of operationele beperkingen? Zo ja, welke?
Defensie beoordeelt ruimtelijke projecten, zoals een windpark, zowel op veiligheidsaspecten, als op de mate waarin operationele- en oefenmogelijkheden daardoor worden beïnvloed.
In relatie tot deze ontwikkeling is voor Defensie vooral de vliegroute van en naar het helikopter laagvlieggebied «Maas/Waal» voor de helikopters van Gilze-Rijen van belang. In dit gebied heeft de gemeente Waalwijk geen windturbines gepland.
De aanwezigheid van het genoemde 15 km beperkingengebied (de zgn. «Outer Horizontal Surface») betekent niet op voorhand dat er geen windprojecten mogelijk zijn. Nadere beoordeling van het definitieve plan zal dit moeten uitwijzen. Tevens moet standaard elk windproject worden beoordeeld op de mate waarin radarbeelden worden verstoord.
Is Defensie bij de beoordeling van Windpark Buitenpolders volledig zelfstandig en uitsluitend op basis van militaire en vliegveiligheidskundige overwegingen tot haar oordeel gekomen, of hebben andere ministeries, provinciale of gemeentelijke overheden of initiatiefnemers invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel? Zo ja, op welke wijze?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Door medeoverheden of andere partijen is geen invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel.
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van onze militairen altijd zwaarder moet wegen dan klimaat- en duurzaamheidsbeleid? Kunt u bevestigen dat Defensie nooit concessies zal doen aan de veiligheid van militairen of de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht om de realisatie van windturbines of andere duurzame energieprojecten mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Voor Defensie hebben operationele inzetbaarheid en veiligheid van personeel, zowel militair als burger, prioriteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt daarom beoordeeld of deze de operationele gereedstelling raken van de krijgsmacht of een risico vormen voor de veiligheid van het defensiepersoneel. Waar mogelijk werkt Defensie zoveel mogelijk mee aan het vinden van duurzame oplossingen.
Heeft u kennisgenomen van het artikel van het online luchtvaartplatform Up in the Sky van 9 mei 2026 (hierna: het artikel) «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de aan u gerichte brief van de vaste commissie voor Defensie van 21 mei 2026 met de aanhef «Betreft: Aanbieding artikel «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»» en het verzoek daarin dat stelt: «In de procedurevergadering van 21 mei 2026 heeft de commissie besloten graag een reactie van u op dit artikel te ontvangen»?2
Ja. Op 11 juni jl. heb ik op de brief van de vaste commissie voor Defensie mijn reactie gegeven (Kamerstukken II 2025/26, 31 936, nr. 1297; kenmerk 2026D28894).
Waarom heeft u in de kabinetsreactie van 11 juni 2026 gesteld «Bij brief van 21 mei 2026 (2026Z09727/2026D23983) te reageren op een brief van een burger van 11 mei 2026»3, terwijl uit het hierboven onder vraag 2 geciteerde schriftelijke verzoek van de vaste commissie voor Defensie glashelder blijkt dat er door de Kamer niet is gevraagd om een reactie op «een brief» en wel om een kabinetsreactie op het artikel?
In de brief van de vaste commissie voor Defensie werd gerefereerd aan een burgerbrief met daarin hoofdzakelijk een verwijzing naar het genoemde artikel. In mijn eerdergenoemde brief van 11 juni jl. heb ik daarop mijn reactie gegeven.
Hoe verhoudt het niet honoreren van het verzoek van de Kamer, zoals hierboven onder vraag 2 geciteerd, zich tot de informatieplicht van het kabinet jegens de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
De vaste commissie voor Defensie heeft verzocht om een reactie op het genoemde artikel. In mijn brief van 11 juni jl. heb ik hierop gereageerd. Daarnaast is hierover ook gesproken tijdens het notaoverleg Veteranen met de vaste commissie voor Defensie op 22 juni jl. Ik herken dan ook niet het beeld dat het verzoek van de Kamer om inlichtingen niet zou zijn gehonoreerd. De door de Kamer gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
Welke wet of regeling staat het kabinet toe om dit verzoek om informatie van de Kamer opzettelijk naast zich neer te leggen? Indien daarvoor geen legitieme grond bestaat, welke gevolgtrekkingen verbindt u hieraan?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn de door de Kamer gevraagde inlichtingen verstrekt.
Hoe verhoudt het door de Minister van Defensie en vicepremier tijdens het debat over de veteranennota van 22 juni 2026 niet beantwoorden van mijn gestelde vragen zich tot de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
Tijdens het notaoverleg Veteranen zijn aan de Minister van Defensie vragen gesteld die betrekking hebben op een voormalig medewerker van Defensie.
In algemene zin dient het kabinet bij het verstrekken van inlichtingen aan de Staten-Generaal die betrekking hebben op een individuele burger, rekening houden met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals bepaald in artikel 10 van de Grondwet.
Voor zover de vragen geen betrekking hadden op privacygevoelige gegevens, heeft de Minister deze – mede in relatie tot een motie over hetzelfde onderwerp – achteraf schriftelijk beantwoord. Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
In welke wet of regeling is vastgelegd dat het feit dat Defensie c.q. de Staat is gedagvaard een uitzonderingsgrond zou zijn voor de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer die volgt uit Artikel 68 van de Grondwet? Indien die uitzonderingsgrond niet bestaat, waarom beroept het kabinet zich er dan op?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 6 merk ik op dat de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg Veteranen van 22 juni jl. heeft toegelicht dat zij het in eerste instantie niet opportuun achtte om in het parlement in te gaan op een individuele casus waarbij Defensie door betrokkene is gedagvaard, aangezien dit het proces bij de rechter zou kunnen beïnvloeden.
Zijn er door Defensie inmiddels excuses aangeboden en aansprakelijkheid erkend voor de onherroepelijke tuchtrechtelijke veroordelingen van 4 (vier) verschillende Defensieartsen, waarvan 2 (twee) verschillende artsen in 2 (twee) verschillende rechtsplegingen voor het vervalsen van het medische dossier van betrokkene? Zo nee, waarom niet en zo nee, gaat de Minister van Defensie en zorgaanbieder van Defensie dat nog doen en zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het vermeend vervalsen van het medisch dossier heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in het hoger beroep de defensiearts een maatregel van waarschuwing opgelegd. Daarbij geeft het Centraal Tuchtcollege aan: «Het Centraal Tuchtcollege ziet overigens geen enkel aanknopingspunt voor de suggestie van klager dat er sprake is van een moedwillige vervalsing of kwaad opzet van [de defensiearts]».
De tuchtklachten ten aanzien van een andere defensiearts over een verwijderingsverzoek zijn gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Daarbij is aangegeven door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: «het is het college duidelijk geworden dat [de defensiearts] zeer prudent en zorgvuldig te werk heeft willen gaan bij de afhandeling van het verwijderingsverzoek in de gegeven situatie. Zij was op de hoogte van de relevante wet- en regelgeving en heeft zorgvuldig willen zijn, maar is daarbij niet uitgegaan van de juiste maatstaf.»
Defensie heeft als bestuursorgaan over deze tuchtrechtelijke procedures tegen het handelen van de twee defensie-artsen niet afzonderlijk excuses aangeboden en ziet na de uitkomst van deze tuchtrechtelijke procedures hier ook geen verdere aanleiding toe. Met betrokkene zijn twee vaststellingsovereenkomsten gesloten, waarbij finale kwijting is overeengekomen.
Waarom is de Kamer voorgehouden dat er sprake zou zijn van «opschoning» van het medisch dossier van betrokkene, terwijl inmiddels in rechte vaststaat dat er sprake was van vervalsing?4
Zie het antwoord op vraag 8.
Waarom worden de tuchtrechtelijk veroordeelde artsen bijgestaan door de landsadvocaat, terwijl Defensie in reactie op Kamervragen herhaaldelijk heeft gesteld dat Defensie in deze kwestie geen partij zou zijn?
Defensie en, vervolgens drie (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder twee (voormalig) defensieartsen, zijn in 2025 gezamenlijk aansprakelijk gesteld voor een vermeende gemiste carrière in de burgerluchtvaart. Daarom is besloten gezamenlijk verweer te voeren. Gebruikelijk is dat de Staat in dit soort procedures vertegenwoordigd wordt door de Landsadvocaat. Defensie en de (voormalig) defensiemedewerkers hebben deze aansprakelijkheid van de hand gewezen. Defensie heeft onlangs schriftelijk verweer ingediend bij de rechtbank Den Haag.
Hoe verhoudt de stellingname van de Minister dat Defensie geen partij zou zijn zich tot de verantwoordelijkheid van de Minister als zorgaanbieder van Defensie?
De tuchtklachten waren gericht tegen het handelen van defensieartsen. In die tuchtrechtprocedures stond het individuele handelen van de defensieartsen centraal, en was Defensie geen partij.
Houdt het kabinet vol dat Defensie geen partij zou zijn? Zo ja, kunt u dat toelichten en zo nee, wanneer is die opstelling veranderd en welke gevolgen heeft dit in relatie tot de eerdere herhaaldelijke beweringen dat Defensie geen partij zou zijn?
Defensie is op dit moment, samen met drie (voormalig) defensiemedewerkers gedaagde – en dus partij – in de gestarte dagvaardingsprocedure. Bij de tuchtrechtzaken gericht tegen de artsen was Defensie geen partij.
Waarom is de Kamer verkeerd geïnformeerd dat Defensie geen zwijgcontracten zou aanwenden om medewerkers de mond te snoeren?5
Op basis van deze vraag is mij niet duidelijk waarop de veronderstelling is gebaseerd dat Defensie «zwijgcontracten» zou aanwenden. Mijn ambtsvoorganger heeft in reactie op de aangehaalde (en vervallen) motie uit 2019 het volgende aangegeven (Handelingen II 2018/19, nr. 51, item 4):
Deze uitspraak is gedaan in de context van het rapport van de Commissie-Giebels uit 2018. Deze commissie deed onderzoek naar de sociaal veilige werkomgeving bij Defensie. Een van de aanbevelingen van de Commissie-Giebels was om meer duidelijkheid te geven over de «zwijgplicht» tijdens een intern onderzoek. In dit kader heeft de Kamer via de motie-Kerstens verzocht om «voor eens en altijd duidelijk te maken dat het bij het melden van misstanden en calamiteiten onder druk laten ondertekenen van geheimhoudingsverklaringen niet aan de orde is» (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 X, nr. 118).
In navolging hierop is de Aanwijzing SG 989 «Interne onderzoeken» aangepast, waarover de Kamer op 10 februari 2020 per brief is geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 X, nr. 54). De aanwijzing geeft aan dat betrokkenen bij het onderzoek vertrouwelijk moeten omgaan met verkregen informatie. Als betrokkenen gedurende het interne onderzoek met elkaar spreken over het onderzoek, kan dit namelijk de authenticiteit van de verklaringen beïnvloeden, hetgeen de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede komt. Echter, dit mag er niet toe leiden dat een betrokkene ervan wordt weerhouden om aangifte te doen, informatie te delen met zijn raadsman en/of vertrouwenspersoon of contact te zoeken met andere officiële instanties, zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid, het Huis voor Klokkenluiders, de Nationale ombudsman of andere externe toezichthouders.
Hoe vaak en tegen hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers heeft Defensie zwijgcontracten aangewend, door de medewerker ondertekend of niet? Indien dit nooit vaker is gebeurd, waarom dan wel tegen betrokkene?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat Defensie zwijgcontracten zou hebben aangewend tegen (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder betrokkene.
Wie was de Defensiemedewerker die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde en welke functie bekleedde de Defensiemedewerker die het zwijgcontract aanwendde op dat moment?
Zie het antwoord op vraag 14.
Welke functie(s) bij Defensie heeft de medewerker, die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde, nadat het zwijgcontract is aangewend, nog bekleed bij Defensie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Is de medewerker die het zwijgcontract inzette tegen betrokkene vandaag de dag nog werkzaam bij Defensie en zo ja, op welke functie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Hoe verhoudt het voor betrokkene achtergehouden dossier van tenminste 1700 e-mails van de toenmalige commandant van de vliegbasis Eindhoven zich tot goed werkgeverschap, de AVG, de wet- en regelgeving met betrekking tot de bescherming van klokkenluiders en de sociale veiligheid binnen Defensie?
Ik herken mij niet in het beeld dat er e-mails zouden zijn achtergehouden.
Beheert Defensie over meer (voormalig) Defensiemedewerkers dergelijke dossiers en zo ja van hoeveel (voormalig) werknemers en zo nee, waarom dan wel over betrokkene?
Defensiemedewerkers hebben een personeelsdossier, en zorgverleners houden conform de daarvoor geldende wettelijke verplichting een medisch dossier bij. Bij uitzondering kan daarnaast sprake zijn van een aanvullend dossier, zoals een onderzoeksdossier in het geval van een intern onderzoek.
Indien Defensie dergelijke dossiers beheert van meer (voormalige) Defensiemedewerkers, om hoeveel medewerkers gaat het, waaruit bestaan die dossiers, wat is de omvang van die dossiers en zijn de betreffende medewerkers daarover geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat Defensie deze dossiers delen met de betreffende medewerkers en zo nee waarom niet?
Defensiemedewerkers zijn ermee bekend dat Defensie, met inachtneming van de AVG, persoonsgegevens bijhoudt, zoals dat gebruikelijk is bij het bijhouden van personeelsdossiers. Daarnaast is Defensie wettelijk verplicht medische dossiers van (oud-)medewerkers bij te houden. Medewerkers en oud-medewerkers van Defensie kunnen hun personeelsdossier en medisch dossier desgewenst opvragen.
Onderzoekdossiers, zoals beschreven bij vraag 19, zijn uitsluitend toegankelijk voor het bevoegd gezag of geautoriseerde functionarissen. Betrokkenen kunnen verzoeken om afschriften van die delen van een onderzoeksdossier die rechtstreeks op hen betrekking hebben.
Waarom heeft Defensie het dossier van tenminste 1700 e-mails over betrokkene ook achtergehouden voor de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO)6?
Defensie heeft volledige medewerking verleend aan het onderzoek van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid. Defensie heeft de informatie aangeleverd waar door de Onderzoeksraad Integriteit Overheid om is verzocht.
Waarom heeft betrokkene het dossier, waaronder maar zich niet beperkend tot de 1700 e-mails over hem van de voormalig commandant van vliegbasis Eindhoven en de documenten die zijn achtergehouden met het zwijgcontract, ook bij navraag7 en ook met een beroep op de AVG8, nooit ontvangen?
Defensie heeft per brief van 29 januari 2021 hierover met betrokkene gecorrespondeerd en deze vragen geadresseerd. Het recht van inzage op grond van de AVG is van toepassing. Indien een verzoek wordt ingediend vindt beoordeling plaats conform de vigerende wet- en regelgeving waaronder de beperkingen in artikel 13 AVG zoals de rechten en vrijheden van anderen.
Heeft het Ministerie van Defensie in deze kwestie informatie, waaronder in ieder geval de documenten zoals door betrokkene genoemd in de brieven van 4 maart 2019 en 12 januari 2021 die beiden in afschrift zijn verstuurd aan de Kamer9, achtergehouden voor de rechter? Zo ja, welke informatie en kunt u daar een opsomming van geven? Zo ja, op grond van welke wet of regeling bent u daartoe bevoegd? Bent u van mening dat alleen een verzoek van een rechtbank reden kan zijn voor overdracht van een dossier en zo ja, kunt u dat toelichten?
Defensie is niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene.
Is de Minister bereid om het volledige dossier alsnog aan betrokkene te verstrekken en zo nee, waarom niet en op welke grond?
Zie het antwoord op vraag 22.
Gaat het Ministerie van Defensie het dossier in lopende en toekomstige gerechtelijke procedures buiten de rechtspleging houden en zo ja, waarom en zo ja op welke grond of regeling bent u daartoe bevoegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de noodzaak van transparantie en waarheidsvinding en waarom belemmert u die in dat geval opzettelijk?
Zoals aangegeven bij vraag 23, is Defensie niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene. Ieder verzoek van een rechtbank zal worden beoordeeld op grond van geldende wet- en regelgeving.
Waarom is, gelet op het antwoord van uw ambtsvoorganger op eerdere schriftelijke Kamervragen10, een vaststellingsovereenkomst met afspraken over rehabilitatie niet bekend bij betrokkene11? Bestaat er überhaupt een vaststellingsovereenkomst waarin het woord «rehabilitatie» wel voorkomt? Heeft de Minister van Defensie, met de reactie van uw ambtsvoorganger, de Kamer verkeerd geïnformeerd en zo nee, waarom niet en zo ja, welke gevolgtrekkingen verbindt u daar aan?
Zoals mijn ambtsvoorganger in reactie op Kamervragen van 8 november 2019 (Aanhangsel van de Handelingen II 2019/20, nr. 926) voor de volledigheid heeft opgemerkt, zijn met betrokkene naar aanleiding van het rapport van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) afspraken gemaakt om hem te rehabiliteren. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In 2017 is met betrokkene een tweede vaststellingsovereenkomst gesloten. Over de inhoud van deze overeenkomsten doe ik verder geen mededelingen. Daarmee is de Tweede Kamer niet onjuist geïnformeerd.
Waarom is het kabinet, ook na ontvangst van een brief daarover van betrokkene die in afschrift aan de Kamer is gestuurd12, niet teruggekomen op de bewering dat er sprake zou zijn geweest van mediation en dat er een vaststellingsovereenkomst zou bestaan waarin afspraken zouden staan over rehabilitatie?13 Waarom is de Kamer daarover verkeerd geïnformeerd?
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 26, zijn met betrokkene twee vaststellingsovereenkomsten gesloten. De Tweede Kamer is daarover niet onjuist geïnformeerd.
Indien het kabinet volhoudt dat er wel sprake zou zijn geweest van mediation (wat een formeel traject is onder leiding van gespecialiseerde instanties), kunt u dan aangeven wie de mediator was, wanneer de beweerde mediation zou hebben plaatsgevonden en waaruit de beweerde mediation exact bestond, wat de uitkomst was van de beweerde mediation en wie er bij Defensie de leidinggevende was (de zogenoemde «tot straffen bevoegde meerdere») die iets met de uitkomst van de beweerde mediation heeft moeten doen? Indien nee, waarom kunt u dit niet?
Ik kan hier niet op ingaan. In zijn algemeenheid vindt mediation plaats onder afgesproken geheimhouding van alle partijen die bij die mediation betrokken zijn.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers, terwijl juist dàt niet meer te achterhalen is?
Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (2026D33530, Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie heeft opgesteld.
Naast deze loggingen in het medisch dossier wordt ook een loggingsbestand aangelegd van alle gebruikers die inzage hebben gehad in het dossier. Dit bestand is in 2010 wel volledig bijgehouden maar bij de systeemmigratie in het weekend van 4 maart 2011 is het deel van 16 april 2010 tot 26 november 2010 achtergebleven in de brondatabase. Voorafgaand en achteraf is een back-up gemaakt van alle bestanden. Deze bestanden worden over het algemeen slechts 28 dagen bewaard. In die periode is, ondanks gebruikers- en acceptatietesten, het verlies aan informatie niet aan het licht gekomen.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers terwijl u dat alleen zou kunnen vaststellen na inzage van alle getroffen medische dossiers, hetgeen alleen mogelijk is met de expliciete, vastgelegde toestemming daartoe van de (voormalig) Defensiemedewerkers wiens medische dossiers het betreft? Als er geen sprake is geweest van deze inzagen, hoe kunt u dan tot de conclusie komen dat er geen gevolgen zouden zijn?
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt er geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie opstelt. Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen.
Welk standpunt zal Defensie innemen wanneer een (voormalig) Defensiemedewerker stelt dat er in de periode dat er medische loggingsgegevens uit het medische dossier zijn verdwenen, ook medische informatie (waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot artsencontact, consulten, medische gegevens, ziektebeelden, diagnoses en medische prognoses, medicijngebruik, etc.) uit het dossier is verdwenen? Welke (juridische) onderbouwing ligt er ten grondslag aan die reactie? Welke bewijsvoering zou Defensie daartoe kunnen aanwenden?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Zijn er vaker dan in de genoemde periode14 medische gegevens, waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot loggingsgegevens, verwijderd of verdwenen uit, toegevoegd aan of gewijzigd in medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers en zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren, om welke gegevens en in welke periode in de tijd gaat het en om hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers gaat het daarbij? Zijn de getroffen medewerkers daarover geïnformeerd en zo nee, waarom niet? Indien onbekend, hoe kunt u als zorgaanbieder van Defensie dan de integriteit van de medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers garanderen en indien u dit niet kunt, welke gevolgen heeft dit?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Kunt aan alle (voormalig) Defensiemedewerkers uit wiens medisch dossiers loggingsgegevens zijn verdwenen15 garanderen dat er geen: aan hun medische dossiers zijn toegevoegd, of uit hun medische dossiers zijn verwijderd, of zijn gewijzigd, in de wetenschap dat in het geval van het gelijktijdig ook het verwijderen van de daarmee corresponderende loggingsgegevens, zulke mutaties nooit maar aan te tonen zijn?
Zie het antwoord op vraag 29.
Kunt u de melding zoals door het Ministerie van Defensie op 20 augustus 2020 gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens over de verdwenen loggingsgegevens delen met de Kamer? Indien u dit niet kunt, waarom niet?
Ja, zie bijlage.
Is het binnen Defensie nog altijd een zoals beweerd «gebruikelijke werkwijze» om zogenaamde «aantekeningen» in een medisch dossier van een Defensiemedewerker op te slaan als een consult met diagnoses dan wel met diagnosecodes en een primaire diagnose?16 Zo ja, wat is de reden om die praktijk voort te zetten? Zo nee, waarom is Defensie daarmee gestopt en wanneer is Defensie daarmee gestopt?
Nee. Sinds 25 juni 2021 maakt Defensie gebruik van een nieuw digitaal patiëntendossier. Hierin heeft de arts de mogelijkheid om een privéaantekening te maken die alleen inzichtelijk is voor de arts die deze aantekening maakt. Deze aantekening maakt geen onderdeel uit van het medisch dossier en mag niet worden gebruikt voor informatie die van belang is voor het verlenen van goede zorg. Het systeem biedt daarnaast de opties: openbare aantekening en aantekening voor specialisme (bijvoorbeeld alleen voor cardiologen). Deze beide aantekeningen maken wel onderdeel uit van het patiëntendossier. Door deze mogelijkheden is het gebruiken van de aantekening van «consult» voor een dergelijke aantekening niet meer nodig.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de norm NEN 7513 en zo nee, over welke periode in tijd voldeed Defensie daar niet aan en waarom niet? Welke gevolgen verbindt Defensie daaraan? Zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en kunt u uw bevindingen daarover met de Kamer delen?
De Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz) regelt in artikel 15e logging en specifiek welke loggingsinformatie moet worden opgenomen in een afschrift. De bepalingen rondom elektronische afschrift/inzage en logging zijn op 1 juli 2020 in werking getreden.17 Het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders bepaalt in artikel 5 dat de logging van het systeem voldoet aan het bepaalde in NEN 7513 en regelt de bewaartermijn. In juli 201918 is bepaald dat de logging als bedoeld in het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders, ten minste 5 jaar moet worden bewaard vanaf het moment dat de logregel wordt geschreven.
NEN 7513 is niet apart certificeerbaar, NEN 7510 wel. NEN 7513 specificeert een gemeenschappelijk kader voor de logging van persoonlijke gezondheidsinformatie aan de hand van toegangs- en zoekgebeurtenissen. De NEN 7510 betreft eisen voor informatiebeveiliging van zorginformatiesystemen.
In het Defensie beveiligingsbeleid zijn de normen van de NEN 7513 en NEN 7510 opgenomen. Het eerstelijns zorgbedrijf van Defensie alsmede de beheerorganisatie zijn NEN 7510 gecertificeerd. Het huidige digitale patiëntendossier is geaccrediteerd door de Beveiligingsautoriteit van Defensie en voldoet daarmee aan het Defensie beveiligingsbeleid vanaf ingebruikname.
Er worden periodieke controles uitgevoerd. Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met medische persoonsgegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA). Jaarlijks worden de jaarverslagen van de interne toezichthouders naar de Kamer gestuurd.
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de norm NEN 7513 en zo nee waarom niet? Zo ja, wie is de bevoegde autoriteit om dat vast te stellen en op welke manier heeft de bevoegde autoriteit dat vastgesteld? Voert de bevoegde autoriteit hier periodieke controles op uit, waaronder met bijvoorbeeld steekproeven en audits? Kunt u de uitkomst van deze controles met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 36.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de KNMG norm «Omgaan met medische gegevens»17 en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld? Zo nee, waarom niet en welke gevolgen zijn hieraan verbonden?
De richtlijn «Omgaan met medische gegevens» is opgesteld door de artsenfederatie KNMG en beschrijft op welke wijze artsen, met inachtneming van hun beroepsgeheim, medische gegevens mogen verzamelen, opslaan, uitwisselen of anderszins mogen gebruiken.
De KNMG-richtlijn is juridisch gezien een vorm van zelfregulering binnen de beroepsgroep en geldt ook voor defensieartsen. De gedragsnormen uit deze richtlijn zijn daarmee gericht op individuele artsen. Het professionele handelen van een individuele arts wordt door de medische tuchtrechter beoordeeld, waarbij de normen uit de beroepsgroep vaak gebruikt worden.
Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met (medische) gegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA).
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de KNMG norm «Omgang met medische gegevens» en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en zo nee, waarom niet en welke gevolgen verbindt u daar aan?
Zie het antwoord op vraag 38.
Hoe verhouden de conclusies in het rapport van het Huis voor Klokkenluiders zich tot de informatie die door het kabinet eerder aan de Kamer is verstrekt en die door de Minister in het debat over de veteranennota op 22 juni 2026 in reactie op mijn vragen nadrukkelijk is genoemd18? Heeft het Ministerie van Defensie met het aan de Kamer toezenden van deze informatie Kamer volledig geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Indien ja, kunt u in uw antwoord de conclusies van het Huis voor Klokkenluiders daarin betrekken? Wilt u zich in uw antwoord beperken tot de feiten van de misstanden zoals vastgesteld door het Huis voor Klokkenluiders en niet verwijzen naar maatregelen die met het oog op het voorkomen van herhaling pas zijn genomen nádat de misstanden zijn gepleegd?
Tijdens het notaoverleg Veteranen op 22 juni jl. werd gerefereerd aan «het rapport van het Huis voor Klokkenluiders over financiële fraude bij 336-suadron en joyriding met Defensievliegtuigen».
Voor zover de vraag betrekking heeft op het interne onderzoek over vermeende misstanden op vliegbasis Eindhoven met betrekking tot declaraties en privégebruik van defensiemiddelen, heeft de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg gereageerd dat de rapporten in 2016 naar de Kamer zijn verstuurd. Hierbij gaat het om beide delen van het interne onderzoeksrapport van Defensie die op 29 november 2016 naar de Kamer zijn verstuurd (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52).
Waarom is het rapport van het Huis voor Klokkenluiders nooit aan de Kamer gestuurd terwijl het wel direct betrekking heeft op de gang van zaken op vliegbasis Eindhoven?
Zie het antwoord op vraag 40. Eerder heeft de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) – de voorganger van het Huis voor Klokkenluiders – onderzoek gedaan naar meldingen van een vermoeden van een misstand op vliegbasis Eindhoven. Over de conclusies en adviezen van de OIO en de reacties van Defensie, is de Kamer geïnformeerd (zie o.a. Kamerstukken II 2014/15, 34 000 X, nrs. 88 en 94; Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nrs. 8 en 51; Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, nr. 1001).
Wilt u het rapport van het Huis voor Klokkenluiders alsnog aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 en 41.
Is er over het rapport van het Huis voor Klokkenluiders door Defensie een zogenoemde «appreciatie» geschreven? Zo nee, waarom niet en zo ja, wanneer en door wie en kunt u die met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 t/m 42.
Hoe beoordeelt u het feit dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven op 5 juli 2016 aangifte deed bij de Koninklijke Marechaussee19? Waarvan deed de commandant op die dag aangifte?
Artikel 78 van de Wet militair tuchtrecht bepaalt dat de commandant die kennisneemt van een gedraging van een militair die naar zijn oordeel een strafbaar feit betreft, verplicht is daarvan aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee (KMar). In de praktijk is het gebruikelijk dat de commandant bij een (vermoeden van een) strafbaar feit daarover advies inwint bij bijvoorbeeld een juridisch adviseur van de eenheid, voordat contact wordt opgenomen met de KMar en/of het Openbaar Ministerie (OM). Indien twijfel bestaat of sprake is van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt dit ter beoordeling voorgelegd aan de KMar en/of het OM en beslist het OM welke stappen genomen worden. Dit bespreken en melden van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt in spreektaal «aangifte doen» genoemd.
Niet altijd is voor de KMar en/of het OM meteen duidelijk dat een geconstateerde gedraging een strafbaar feit betreft en niet altijd wordt direct aangifte gedaan. Soms wordt Defensie gevraagd om zaken zelf nader (administratief) uit te zoeken en deze informatie ter beoordeling voor te leggen.
In het onderhavige geval heeft de commandant vliegbasis Eindhoven op de genoemde datum overleg gehad met de KMar. Dit had betrekking op een op die dag door haar ontvangen melding van een vermoeden van misstanden, mogelijke declaratiefraude. In dit geval is naar aanleiding van deze melding niet overgegaan tot het opnemen van een aangifte. In overleg met de KMar is de commandant vliegbasis Eindhoven overgegaan tot een intern Defensieonderzoek. Wel is geregistreerd dat de commandant hierover een gesprek heeft gevoerd bij de KMar.
Dit is vermeld bij de datum 5 juli 2016 in de tijdlijn die is opgenomen in het rapport dat naar aanleiding van het interne onderzoek is opgesteld. Dit rapport is aan uw Kamer aangeboden op 29 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52)
Kunt u het proces-verbaal van aangifte van 5 juli 2016 aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet en zo nee, kunt u wel aangeven wat het proces-verbaalnummer is en zo nee waarom niet?
Nee, er is geen proces-verbaal, want er is geen aangifte opgenomen.
Hoe beoordeelt u dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven, onder ede op 30 augustus 2018, de aangifte van 5 juli 2016 ontkende20?
Nu er geen aangifte is opgenomen, is deze ontkenning een verklaring naar waarheid.
Is er aangifte gedaan naar aanleiding van de beweringen onder ede bij de rechtbank Gelderland op 30 augustus 2018 door de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven en huidig Minister van VRO en zo nee waarom niet en zo nee, gaat u dat nog doen en zo nee waarom niet?
Nee. Er was en is geen aanleiding om aangifte te doen.
Hoeveel meldingen over sociale onveiligheid en andere vormen van ongewenst gedrag, gericht tegen persoonlijke gedragingen van de toenmalige commandant van vliegbasis Eindhoven (de huidig Minister van VRO), zijn er de afgelopen 15 jaren gedaan bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID), hoeveel van die bij het MID binnengekomen meldingen zijn doorgezet naar de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) en wat is er door zowel het MID als het COID met die meldingen gedaan? Kan de Minister al deze meldingen en de uitkomst van de behandeling daarvan delen met de Kamer en zo nee, waarom niet?
Meldingen worden in vertrouwen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID) en de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) gemaakt. Inhoudelijke informatie over individuele meldingen of informatie die herleidbaar is naar een melder of beschuldigde wordt alleen gedeeld met functionarissen die een directe rol hebben in de behandeling van de betreffende melding. Algemene informatie over aantallen meldingen zijn terug te vinden in de gepubliceerde jaarverslagen integriteit van Defensie.
Wilt u deze vragen ieder afzonderlijk, op nummer en zonder verwijzing naar eerdere vragen beantwoorden en wel binnen de daartoe gestelde termijn van 3 weken en in ieder geval voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit Defensie?
U ontvangt de antwoorden op de vragen voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit.
Het artikel ‘Defensie wil gouden aandeel in fabrikant van dronesoftware’ |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Defensie wil gouden aandeel in fabrikant van dronesoftware?»1
Ja, het Ministerie van Defensie is op de hoogte van het genoemde artikel.
Welk formeel afwegingskader heeft u gevolgd leidende tot uw besluit om met Intelic een optie tot een gouden aandeel in de samenwerkingsovereenkomst op te nemen? Kunt u het gehanteerde afwegingskader en uw antwoorden op bijhorende kernvragen delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie en Intelic zijn overeengekomen een langdurige strategische samenwerking aan te gaan. Gedurende dit proces heeft het Ministerie van Defensie in kaart gebracht welke publieke belangen een rol spelen bij de werkzaamheden die Intelic voor het Ministerie van Defensie zal verrichten. Vervolgens is geanalyseerd of de geïdentificeerde publieke belangen voldoende geborgd zijn.
De conclusie is dat, naast de reguliere contractuele afspraken, extra maatregelen nodig zijn om die publieke belangen voldoende te borgen. Daarom heeft Defensie met Intelic afspraken gemaakt, waaronder de optie tot een eenzijdige mogelijkheid voor de Staat tot het verwerven van een prioriteitsaandeel.
De analyse over de noodzaak en de besluitvorming of de Staat dit instrument ook daadwerkelijk zal gebruiken, zal plaatsvinden aan de hand van de Nota deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 en het «Handboek aangaan deelnemingen». Bij de besluitvorming zal ook aan alle wettelijk voorgeschreven kaders, zoals de Comptabiliteitswet 2016, worden voldaan. De besluitvorming hierover zal plaatsvinden in overeenstemming met de Minister van Financiën. Uw Kamer zal worden geïnformeerd als hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
In hoeverre zijn de Comptabiliteitswet, de «Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022» en het «Handboek aangaan deelnemingen» zoals gepubliceerd door het Ministerie van Financiën2, gevolgd bij uw besluit om zorgvuldigheid te waarborgen? Op welke onderdelen is hiervan afgeweken en waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt er gewerkt aan een gedeeld formeel afwegingskader door de Ministeries van Defensie, Financiën en Economische Zaken voor toekomstige besluiten over strategische deelnemingen in de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële Basis (NLDTIB)? Zo nee, waarom niet, en kunt u hier opdracht toe geven? Zo ja, wanneer wordt dit afwegingskader naar met de Kamer gedeeld?
Voor besluiten over eventuele strategische deelnemingen in de defensie-industrie is de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 en het daarin opgenomen afwegingskader van toepassing. Het afwegingskader is sector-overstijgend en ook toepasbaar op de defensie-industrie.
In 2027 zal de reguliere en periodieke rapportage ter evaluatie van de Nota 2022 plaatsvinden. In algemene zin wordt hierin onderzocht of het beleid versterkt dient te worden om publieke belangen op verschillende beleidsterreinen doeltreffender en doelmatiger te kunnen borgen. Defensie wordt hierin meegenomen als beleidsterrein. Zo werken we aan een gedeeld formeel afwegingskader met het Ministerie van Financiën en Economische Zaken en Klimaat voor toekomstige besluiten over strategische deelnemingen in de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële basis.
Daarnaast wordt momenteel een interdepartementale economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie uitgevoerd. Uw Kamer is hierover op 3 oktober 2025 geïnformeerd.3 Deze beleidsanalyse heeft tot doel, breed gedragen beleidsopties te formuleren, zodat de defensie-uitgaven effectief en doelmatig kunnen bijdragen aan versterking van de (Europese) militaire capaciteit. Het beleid inzake het aangaan van strategische samenwerking met de defensie-industrie is onderdeel van de analyse.
De inhoudelijke beoordeling per individuele casus wordt aan de hand van de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022en het «Handboek aangaan deelnemingen» opgesteld. Over de uitkomsten van de EBA wordt uw Kamer in september geïnformeerd. De uitkomsten worden vervolgens verwerkt in het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie, waarover uw Kamer later dit jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u uw uitspraak in het artikel dat een daadwerkelijk gouden aandeel «een hele procedure» is, waarbij het Ministerie van Financiën betrokken is en goedkeuring van het parlement nodig is nader duiden? Is de Minister van Financiën betrokken geweest in deze besluitvorming tot een optie op een gouden aandeel bij Intelic?
Met deze tekst doel ik op de van toepassing zijnde wettelijke kaders en beleidskaders zoals ook beschreven in het antwoord op vragen 2 en 3. Uw Kamer zal worden geïnformeerd als hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
Heeft u vooraf juridisch advies verkregen over de effectiviteit en rechtmatigheid van deze optie op een gouden aandeel in Intelic, en/of op een daadwerkelijk gouden aandeel in de toekomst? Zo ja, kunt u de inhoud van dit advies delen met de Kamer?
Ja, de Landsadvocaat is betrokken bij dit proces.
Adviezen van de Landsadvocaat kan ik gelet op de kabinetsbeleidslijn voor openbaarmaking van adviezen van de Landsadvocaat (Kamerstuk 35 510, nr. 4) niet met u delen.
Heeft u vooraf overleg gevoerd met de Europese Commissie en wat is het standpunt van de Commissie, aangezien in het verleden de gouden aandelen bij KPN en TPG zijn verboden?
Nee, er is voor deze specifieke casus geen overleg gevoerd met de Europese Commissie.
Kunt u de ambtelijke beslisnota naar de Kamer sturen die gevolgd is ten behoeve van dit besluit om een optie op een gouden aandeel af te spreken met Intelic dan wel een daadwerkelijk gouden aandeel te gaan nemen?
De beslisnota zal vertrouwelijk met uw Kamer worden gedeeld.4
Kunt u de definitie van een gouden aandeel specificeren? Wat valt er onder «strategische besluiten» door Intelic, waarvoor het Ministerie van Defensie voortaan eerst toestemming moet verlenen en behelst dit ook een vetorecht? Kunt u nader uiteenzetten hoe dit zal verschillen van de huidige situatie?
Klopt het dat u van plan bent scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij te kopen? Zo ja, kunt u schetsen hoe u tot deze keuze bent gekomen en hoeveel geld hiermee gemoeid is?
Nee dat klopt niet. Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98) geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om met de Israëlische firma Elbit een contract te sluiten voor de levering van het smart vest, met hierin ballistische platen. In juni 2024 heeft Defensie een instandhoudingsovereenkomst getekend met deze leverancier met een looptijd van drie jaar. Binnen deze overeenkomst kan Defensie elk jaar ballistische beschermingsmiddelen afnemen voor de opbouw van haar voorraden.
In de huidige scherfvesten zijn Nederlandse supervezels verwerkt. Defensie heeft momenteel nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten, maar heeft het voorstel van Elbit tot gebruik van Chinese supervezels afgewezen. Defensie wacht een nieuw voorstel van Elbit af. Hierbij is het uitgangspunt strategische autonomie. Daarom wil Defensie dat gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse supervezels, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken. Zodra hierover meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Defensie doet geen uitspraak over de verdere details uit lopende gesprekken met haar leveranciers en de specifieke gelden die met deze aanschaf zijn gemoeid. Hiermee beschermen we onze onderhandelingspositie en de commerciële belangen van de leverancier.
Deelt u de opvatting dat de Nederlandse krijgsmacht in een tijd van toenemende geopolitieke spanningen zo min mogelijk afhankelijk moet zijn van landen waarmee Nederland strategische belangenconflicten kan hebben? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze opvatting deel ik. In de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (DSII) beschrijft het kabinet de strategie en initiatieven om de Nederlandse Defensiegerelateerde Technologische en Industriële Basis (NLDTIB) verder te versterken. Ten behoeve van de chemie- en materialensector heeft Defensie samen met het Ministerie van KGG dan ook een actie-agenda «Chemie en Materialen voor Defensie» vastgesteld. Daarover is uw Kamer op 27 mei 2026 geïnformeerd.1 Deze actie-agenda geeft Nederland handelingsopties om de Nederlandse chemie en materialensector beter te benutten voor defensiedoeleinden, specifiek op het gebied van munitiegrondstoffen en geavanceerde materialen, waar supervezels onder vallen. Het beschikken over een vitale NLDTIB is immers van belang voor het voortzettingsvermogen van de Nederlandse krijgsmacht.
Hoe verhoudt de keuze voor scherfwerende platen met Chinese componenten zich tot de ambitie van het kabinet om strategische afhankelijkheden in vitale sectoren, waaronder defensie, terug te dringen?
In de huidige scherfvesten die al aan Defensie zijn geleverd, zijn Nederlandse supervezels verwerkt. Bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten, wil Defensie dat Europese of Nederlandse supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie).
Waarom is in deze aanbesteding of contractuele afspraak niet uitgesloten dat onderdelen of grondstoffen afkomstig zijn uit China, gezien de toenemende aandacht voor economische veiligheid en strategische afhankelijkheden? Kan de Minister aangeven welke risicoanalyse is gemaakt ten aanzien van de afhankelijkheid van Chinese grondstoffen en productieketens voor deze essentiële beschermingsmiddelen?
Het voor deze vraag relevante contract is getekend in juni 2024. In april 2025 lanceerden Defensie en EZK de DSII. Binnen deze strategie is smart materials een van de vijf focusgebieden. Mede vanwege van de wens van dit kabinet om de Nederlandse krijgsmacht autonomer te maken en ook de Nederlandse defensie-industrie te stimuleren, werkt Defensie de implementatie van deze strategie op dit moment nader uit.
In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Waar het de nationale veiligheid kan raken hanteert Defensie de ABRO (algemene beveiligingseisen Rijksoverheidsopdrachten). Deze eisen worden gesteld aan kritieke leveranciers (bijvoorbeeld bedrijven die met staatsgeheim werken of die software leveren). Binnen de ABRO gelden ook strikte regels voor onderleveranciers, deze moeten aan dezelfde regels voldoen als de hoofdaannemer. Bovendien mogen leveranciers niet zonder voorafgaande goedkeuring een onderleverancier inschakelen.
Kan de Minister toelichten in hoeverre bij de inkoop van defensiematerieel niet alleen wordt gekeken naar het eindproduct, maar ook naar de herkomst van kritieke halffabricaten en grondstoffen binnen de toeleveringsketen? Welke maatregelen neemt de Minister om te voorkomen dat strategische afhankelijkheden van landen als China via de achterdeur in NAVO-toeleveringsketens terechtkomen?
Het is een keuze van de hoofdleverancier bij welke sub-leverancier opdrachten worden uitgezet. Defensie controleert – naast de kwaliteitskeuring – of de gekozen sub-leverancier aan de contractueel overeengekomen voorwaarden voldoet. De leverancier is daarmee ook verantwoordelijk voor risico’s in de toeleveringsketen.
Defensie ziet noodzaak om controle te kunnen uitoefenen op herkomst van supervezels. Het uitgangspunt daarbij is strategische autonomie. In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Het is van belang om voldoende inzicht te hebben in risicovolle strategische afhankelijkheden in de toeleveringsketens van defensiematerieel. Hierover is uw Kamer geïnformeerd op 7 juli 2026 door middel van de Kamerbrief Kabinetsinzet Nationale Grondstoffenstrategie (32 852, nr. 426). Het deelprogramma Weerbare Toeleveringsketens, als onderdeel van het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie, zal ook bijdragen aan het vergroten van het inzicht in de afhankelijkheden in de toeleveringsketens in de defensiesector.
Hoe wordt er in het algemeen toezicht gehouden op afhankelijkheden binnen de toeleveringsketens van landen als China bij de inkoop van defensiematerieel? Heeft de Minister overzicht van de afhankelijkheden in de toeleveringsketens van Defensiematerieel? Zo nee, is de Minister voornemens dit overzicht te maken, zodat ook een afbouwpad kan worden gedefinieerd?
Zie antwoord vraag 5.
Is de Minister bereid om bij toekomstige defensieaankopen een expliciete toets uit te voeren op strategische afhankelijkheden, waaronder de herkomst van kritieke grondstoffen en onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Conform de DSII en de actie-agenda «Chemie en Materialen voor Defensie» ondernemen Defensie en EZK concrete acties om de herkomst van kritieke grondstoffen en componenten van defensiematerieel en -munitie inzichtelijk te maken. Defensie weegt de eventuele wens om strategische afhankelijkheden te mitigeren af tegen de overige belangen binnen materieelverwerving, zoals de noodzaak om de operationele gereedheid van de krijgsmacht met urgentie te versterken
Welke Nederlandse en Europese alternatieven voor deze scherfvesten zijn onderzocht voordat Defensie besloot gebruik te maken van deze leverancier? En waarom is er uiteindelijk niet gekozen voor een leverancier uit Nederland of Europa, terwijl volgens de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) Nederlandse bedrijven beschikken over vergelijkbare capaciteiten?
In de oorspronkelijke aanbesteding hebben ook Nederlandse en Europese partijen een offerte ingediend. Deze aanbiedingen zijn beoordeeld met behulp van een multi-criteria analyse, waarin de prijs, kwaliteit en levertijd van het product onder andere zijn meegewogen. Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98) geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om met de firma Elbit een contract te sluiten. In 2024 is de instandhoudingsovereenkomst met deze leverancier bekrachtigd.
Zoals bij vraag 4 en 6 aangegeven wordt inmiddels ook strategische autonomie en herkomst meegewogen bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn.
Kan de Minister aangeven welke criteria bij deze aanschaf de doorslag hebben gegeven? In welke mate waren daarbij prijs, leveringszekerheid, strategische autonomie, Europese samenwerking en de positie van de Nederlandse defensie-industrie meegewogen? Deelt de Minister de mening dat bij defensieaankopen niet uitsluitend naar de aanschafprijs moet worden gekeken, maar ook naar de bredere economische en strategische effecten, zoals behoud van kennis, productiecapaciteit en werkgelegenheid in Nederland en Europa?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt de Minister de kritiek van de NIDV dat het kabinet enerzijds inzet op meer productie in Nederland en Europa, maar anderzijds bij eigen inkoop onvoldoende rekening houdt met de positie van de Nederlandse defensie-industrie?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, ook strategische autonomie en leveringszekerheid van het materieel in toenemende mate meewegen binnen de mogelijkheden van de huidige (aanbestedings-)regelgeving
Erkent de Minister dat strategische autonomie niet alleen gaat over militaire capaciteit, maar ook over het beschikken over eigen industriële en technologische kennis? En erkent zij dat aankopen als aangehaald in deze set vragen niet in lijn zijn met de ambities uit de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie?
Ja. Beschikking over een voor ons benodigd ecosysteem dat voortzettingsvermogen garandeert is een belangrijke voorwaarde voor strategische autonomie. Daarom is de ambitie in de Defensienota 2026 en in de DSII om dit meer in Nederland en Europa op te bouwen. Opbouw tot een volwaardig Nederlands of Europees alternatief kost tijd en geld. Op korte termijn maken we daarom zorgvuldig afwegingen tussen implicaties voor strategische autonomie op den duur en veiligheid van onze militairen vandaag. Daarom wegen we ook kwaliteit, prijs, levertijd en leveringszekerheid mee.
Kan de Minister aangeven welk aandeel van de Nederlandse defensie-uitgaven momenteel terechtkomt bij Nederlandse en Europese bedrijven en welk aandeel bij leveranciers van buiten de Europese Unie?
Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de Stand van Defensie.
Hoe voorkomt de Minister dat Nederland door afzonderlijke nationale aankopen juist de Europese defensiesamenwerking en de ontwikkeling van een sterke Europese defensie-industrie belemmert?
Nederland blijft inzetten op sterkere Europese defensiesamenwerking. Door samen te werken aan het ontwikkelen van militaire capaciteiten en het stimuleren van de Europese defensie-industrie dragen de EU en de NAVO bij aan de Europese veiligheid. Waar Nederland kiest voor industrieversterkend inkopen wordt parallel verkend in hoeverre kleinere samenwerkingsverbanden meer continuïteit kunnen borgen voor de defensie-industrie. Dit is met name van belang in gezamenlijke ontwikkeltrajecten waar Nederland een coördinerende rol heeft, zoals bij de EU priority capability area voor drones en counterdrones. Ook heeft Defensie een Government-to-Government (G2G)-office in het leven geroepen om te zorgen dat industrieversterkend inkopen voldoende mogelijkheden biedt voor andere landen om bij de Nederlandse contracten aan te sluiten.
Is de Minister bereid deze specifieke aanschaf opnieuw te beoordelen vanuit het uitgangspunt van strategische autonomie en Europese samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Ja. In de huidige scherfvesten zijn Nederlandse supervezels verwerkt en bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten wil Defensie dat Europese of Nederlandse supervezels worden gebruikt. Dit is in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie.
Is er bij deze aankoop rekening gehouden met het feit dat scherfvesten goed moeten aansluiten op het vrouwenlichaam? Zo nee, ziet de Minister ook de kans om met regionale samenwerking meer maatwerk toe te passen?
Bij de aankoop van dit type vest is met het aansluiten van de pasvorm op het vrouwenlichaam geen rekening gehouden. Defensie beschikt over scherfvesten die wel aansluiten op het vrouwelijk lichaam. U bent hierover geïnformeerd in het Defensie Projectenoverzicht van mei 2025 (Kamerstuk 27 830, nr. 465 van 21 mei 2025).
Overwegende dat Defensie gaat werken met Chinese 3D-printers, kan de Minister toelichten welke cybersecurity- en contra-inlichtingenrisico’s zijn onderzocht voordat is besloten om 3D-printers van een Chinese fabrikant in gebruik te nemen voor het produceren van onderdelen voor de Nederlandse krijgsmacht?
Het betreft een in China geassembleerd systeem voor Laser Based Powder Fusion-printers. De kritieke componenten zijn afkomstig uit Europa en Japan. Defensie heeft de mogelijke risico’s gewogen. Daarbij is relevant dat met de software op een afgesloten netwerk kan worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers hoeft te draaien. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de beantwoording van de SV van Lanschot (CDA) over het bericht dat Defensie investeert in Spaanse en Chinese 3D machines (Kamerstuk 2026Z14731).
Verder betreft het twee stuks, waar de productie geen onderdeel zal gaan uitmaken van een productielijn ten behoeve van de Nederlandse krijgsmacht. Deze 3D-printers worden ingezet voor test- en onderzoeksdoeleinden voor Defensie. Nadat het gebruik van deze 3D-printers is geëvalueerd, neemt Defensie het besluit of er opnieuw een vraag voor Laser Based Powder Fusion-printers in de markt wordt uitgezet, waarbij eventuele risico’s zullen worden beoordeeld en gemitigeerd. Daarbij weegt het uitgangspunt strategische autonomie zwaar mee in de besluitvorming.
Hoe waarborgt de Minister dat digitale ontwerpen, technische tekeningen en andere gevoelige informatie over defensiematerieel niet toegankelijk kunnen worden voor buitenlandse partijen, waaronder partijen die onder invloed van de Chinese overheid kunnen staan?
Defensie beveiligt haar data door het maken van contractuele afspraken, het beperken van operationele risico’s en het doorlopend onderzoeken van alternatieve leveringsmogelijkheden. In dit geval is de machine geassembleerd in China, maar zijn de kritieke componenten van het systeem afkomstig uit Europa en Japan. Met de software kan op een afgesloten netwerk worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers hoeven te draaien. Verder gebruikt Defensie deze printer uitsluitend voor het opdoen van kennis over een productietechniek van metaalprinten. De printers worden niet in Staatsgeheime trajecten of bij kritieke processen binnen Defensie gebruikt. Het betreft enkele stuks en geen productielijn, wat de eventuele overstap naar een ander systeem niet in de weg zit. De opgebouwde kennis wordt meegenomen in eventuele toekomstige aanschaf, waarbij strategische autonomie integraal zal worden meegewogen in de besluitvorming.
Zijn er Europese alternatieven overwogen? Zo ja, welke en waarom zijn deze afgevallen? Zo nee, waarom niet?
In de voorbereiding van deze aanbesteding is een marktonderzoek uitgevoerd. Aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek heeft Defensie een aantal kwalitatieve eisen en gunningscriteria opgesteld, op basis waarvan de aanbesteding op de markt is gezet en de aanbiedingen zijn beoordeeld. Vier Europese leveranciers konden aan de gestelde eisen voldoen en hebben ingeschreven op deze aanbesteding. In de commercieel vertrouwelijke bijlage bij de beantwoording SV van Lanschot (CDA) (Kamerstuk 2026Z14731) is uw Kamer geïnformeerd over de productvergelijking.
Deelt de Minister de opvatting dat strategische technologieën zoals industriële 3D-printcapaciteiten voor defensietoepassingen onderdeel zouden moeten zijn van een Nederlandse of Europese technologische basis? Zo ja, welke stappen zet het kabinet om de ontwikkeling en inzet van Europese alternatieven te stimuleren?
Ja, Defensie zet vanaf het ontstaan van 3D-printers en het vakgebied Additive Manufacturing, in op het samen met de kennisinstellingen onderzoeken van de mogelijkheden en onmogelijkheden van de technologie en de borging van de kennisbasis. Nationale en internationale samenwerking heeft geleid tot ontwikkeling van de technologie van TRL 1 tot en met TRL 9 niveau, zodat 3D printen in fabricage-, en onderhoudsprocessen wordt toegepast. Hierbij wordt opgemerkt dat het domein niet alleen bestaat uit de printer zelf, maar ook uit een ondersteunende wetenschappelijke basis bestaande uit onder andere materiaalkunde, system engineering en -design. Ook in NAVO-en EU/EDA-verband is projectmatig samengewerkt met bondgenoten. Op deze wijze wordt kennis gedeeld tussen landen en kan van elkaars ontwikkeling worden geprofiteerd. Om de defensie-specifieke kennis en innovatie rond dit onderwerp verder te versterken, heeft Defensie in samenwerking met MinEZK een innovatiecall gefinancierd, waarin 3D-printen ten behoeve van defensie toepassingen een van de focusonderwerpen is. Deze call ter waarde van € 3,8 miljoen is in juli door ChemistryNL gepubliceerd.
Overwegende dat de Verenigde Staten het gebruik van 3D-printers van strategische concurrenten zoals China voor militaire toepassingen aan banden hebben gelegd vanwege mogelijke veiligheidsrisico’s, kan de Minister toelichten waarom Nederland tot een andere risico-inschatting komt en welke afwegingen maken dat deze technologie hier wel wordt toegelaten binnen de krijgsmacht?
Defensie maakt altijd een risico-inschatting van de continuïteit van de leverancier en beperkt het risico van een dergelijke afhankelijkheid door het aanleggen van voorraden reservedelen, de aanschaf van en het (deels) in eigen beheer nemen van het onderhoud. Voor elke aanschaf worden daarbij afgewogen keuzes gemaakt, die per aanschaf kunnen verschillen. Defensie beveiligt haar data door het maken van contractuele afspraken, het beperken van operationele risico’s en het doorlopend onderzoeken van alternatieve leveringsmogelijkheden.
De technologie zelf (de software) is van Europese afkomst. De assemblagefabriek staat in China. Doordat de technologie Europees is, kan op een afgesloten netwerk worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers moet draaien. Deze printers worden niet gebruikt in Staatsgeheime trajecten of bij kritieke processen binnen Defensie. In dat geval gelden er specifieke eisen (zoals de ABRO – algemene beveiligingseisen Rijksoverheidsopdrachten) of kan apparatuur extra gecontroleerd worden op de aanwezigheid van spionage apparatuur. Defensie gebruikt deze printer voor het opdoen van kennis over een productietechniek van metaalprinten. Het betreft enkele stuks en geen productielijn, wat de eventuele overstap naar een ander systeem niet in de weg zit. De opgebouwde kennis wordt meegenomen bij eventuele toekomstige aanschaf. Bij een eventuele toekomstige aanschaf wordt ook bekeken waar de printer voor zal worden gebruikt en of er specifieke veiligheidseisen moeten worden gesteld aan de leverancier (en onderleverancier). In dat geval is het uitgangspunt strategische autonomie.
Het bericht dat Defensie scherfvesten wil afnemen van Chinees-Israëlische makelij |
|
Maes van Lanschot (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie binnen een bestaande raamovereenkomst met een Israëlisch bedrijf beschermende scherfvesten wil afnemen waarin Chinese vezels zijn verwerkt?1
Nee dat klopt niet. Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98) geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om met de Israëlische firma Elbit een contract te sluiten voor de levering van het smart vest, met hierin ballistische platen. In juni 2024 heeft Defensie een instandhoudingsovereenkomst getekend met deze leverancier met een looptijd van drie jaar. Binnen deze overeenkomst kan Defensie elk jaar ballistische beschermingsmiddelen afroepen voor de opbouw van haar voorraden.
Defensie heeft momenteel nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten, maar wacht een nieuw voorstel van Elbit af. In de huidige scherfvesten zijn Nederlandse supervezels verwerkt. Het voorstel van Elbit om Chinese supervezels te gebruiken is van de hand gewezen. Ook bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten wil Defensie dat Europese of Nederlandse supervezels worden gebruikt. Zodra hierover meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Defensie doet geen uitspraak over de verdere details uit lopende gesprekken met haar leveranciers en de specifieke gelden die met deze aanschaf zijn gemoeid. Hiermee beschermen we onze onderhandelingspositie en de commerciële belangen van de leverancier.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het voornemen uit de actieagenda «productie- en leveringszekerheid munitie en Defensiematerieel» van juni 2024, dat het mantra beste product, voor de beste prijs losgelaten wordt en dat de factor tijd en herkomst van het product – bij voorkeur Europees of Nederlands – zwaarder gaan meewegen?2
Het is een keuze van de hoofdleverancier bij welke sub-leverancier opdrachten worden uitgezet. Defensie controleert – naast de kwaliteitskeuring – of de gekozen sub-leverancier aan de contractueel overeengekomen voorwaarden voldoet en kan in voorkomend geval een voorkeur uitspreken over te contracteren sub-leveranciers door de hoofdaannemer. Defensie heeft momenteel nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten, maar wacht een nieuw voorstel van Elbit af. Hierbij is het uitgangspunt zijn dat gebruik wordt gemaakt van Europese supervezels, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken. Zodra hierover meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Het voor deze vraag relevante contract is getekend in juni 2024. In april 2025 lanceerden Defensie en EZK de DSII, binnen deze strategie is smart materials een van de vijf focusgebieden. Defensie ziet noodzaak om controle te kunnen uitoefenen op herkomst en productielocatie van supervezels. In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Hoe beoordeelt u de keuze voor Chinese sterke vezels in het licht van het rapport «Chemie en materialen voor Defensie», dat u onlangs met de Kamer heeft gedeeld?3
In de huidige scherfvesten die aan Defensie zijn geleverd zijn Nederlandse supervezels verwerkt. Verder wordt in de Kamerbrief «Kabinetsaanpak chemie en materialen voor Defensie4» het actieplan ter bescherming van de Nederlandse supervezelsindustrie benoemd. In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Wat is de totale looptijd van de genoemde raamovereenkomst met de Israëlische leverancier, op welke datum is deze ingegaan en wanneer loopt deze af? Welke verlengingsopties bevat de raamovereenkomst en onder welke voorwaarden kan Defensie daarvan gebruikmaken?
De raamovereenkomst voor de initiële levering van het smart vest is in 2015 getekend. In 2024 heeft Defensie een instandhoudingscontract getekend met de leverancier met een looptijd van drie jaar, dan eindigt het contract maar bestaat de mogelijkheid om het contract twee keer met twee jaar te verlengen. De raamovereenkomst geeft ruimte aan de leverancier om gedurende de looptijd voorstellen te doen om artikelen te verbeteren en door te ontwikkelen.
Welke juridische mogelijkheden heeft u om deze raamovereenkomst tussentijds te beëindigen, op te schorten of aan te passen wanneer sprake is van nieuwe strategische risico’s, zoals afhankelijkheid van Chinese materialen of onderdelen?
Deze overeenkomst loopt binnen een jaar af met de mogelijkheid om het contract twee keer met twee jaar te verlengen. Het voortijdig opzeggen van de raamovereenkomst zou betekenen dat Defensie niet tijdig kan beschikken over de benodigde scherfvesten om de juiste ballistische bescherming te bieden aan haar militairen en de groei van de krijgsmacht te faciliteren.
Bevat de raamovereenkomst bepalingen over de herkomst van kritieke materialen, ketentransparantie, leveringszekerheid en uitsluiting van leveranciers of grondstoffen uit risicolanden zoals China? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
In dit raamcontract was het gebruikmaken van een toeleverancier uit China niet uitgesloten. Defensie heeft momenteel nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten. Bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten waar Nederlandse supervezels in verwerkt zijn, wil Defensie dat Europese supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie). Defensie heeft het voorstel van Elbit tot gebruik van Chinese supervezels van de hand gewezen en wacht een nieuw voorstel van Elbit af. Zodra hierover meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd. Strategische autonomie is daarbij het uitgangspunt.
Is het gebruik van Chinese vezels door de leverancier vooraf aan u gemeld en door u goedgekeurd? Op welk moment bent u hiervan op de hoogte gesteld?
Ja, het voorgenomen gebruik van Chinese vezels – in plaats van de huidige Nederlandse supervezels – in een nog af te nemen hoeveelheid scherfwerende vesten is gemeld. Zoals toegelicht is Defensie in gesprek met Elbit over de herkomst van de door Elbit gebruikte supervezels. Gelet op de Europese herkomsteisen die Defensie samen met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken heeft geformuleerd, wil Defensie dat Europese supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie).
Herkent u de uitspraak van de Stichting Nederlandse industrie voor defensie en veiligheid (NIDV) dat Nederland juist op dit soort materialen over topbedrijven beschikt?
Ja.
In april 2025 lanceerden Defensie en EZK de DSII, binnen deze strategie is smart materials een van de vijf focusgebieden. Mede vanwege de wens van dit kabinet om Nederland autonomer te maken en ook de Nederlandse defensie-industrie te stimuleren werkt Defensie de implementatie van deze strategie op dit moment nader uit. Daarbij onderzoekt Defensie ook hoe om te gaan met lopende contracten en hoe de betrokkenheid van de Nederlandse en Europese industrie beter kan worden geborgd.
Zijn de Nederlandse en Europese partijen die de vesten, platen en daarvoor benodigde sterke vezels kunnen leveren benaderd door Defensie om ook mee te dingen naar deze opdracht? Zo nee, waarom niet?
Deze specifieke raamovereenkomst betreft de levering van onderdelen van het bestaande scherfwerende vest. Het gaat hier om een voorstel van de leverancier binnen de bepalingen van de lopende raamovereenkomst. Er heeft daarom geen nieuwe besluitvorming plaatsgevonden en er zijn geen andere partijen benaderd voor een nieuwe opdracht. Defensie onderwerpt het product wel aan nieuwe certificeringsproeven om zeker te stellen dat de kwaliteit van de platen aan de gestelde eisen voldoet. In de oorspronkelijke aanbesteding hebben ook Nederlandse en Europese partijen een offerte ingediend. Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om met de firma Elbit een contract te sluiten (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98).
Als deze Nederlandse en Europese partijen niet benaderd zijn, hoe weet u dan dat zij voor de beste oplossing hebben gekozen?
Zie antwoord vraag 9.
Is het binnen dit project mogelijk om alsnog te kiezen voor vesten en platen van Nederlandse of Europese makelij, met sterke vezels uit Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de afname van deze beschermende scherfvesten op te schorten totdat duidelijk is welke Nederlandse of Europese alternatieven beschikbaar zijn en welke risico’s kleven aan het gebruik van Chinese vezels?
Defensie is niet bereid om de afname binnen de huidige raamovereenkomst op te schorten, maar is in gesprek met Elbit. Daarbij wordt ook gesproken over de herkomst van de door Elbit gebruikte supervezels. Defensie heeft het voorstel van Elbit tot gebruik van Chinese supervezels van de hand gewezen. Opschorten betekent dat Defensie niet tijdig beschikking heeft over de benodigde scherfvesten om de juiste ballistische bescherming te bieden aan haar militairen en de groei van de krijgsmacht te faciliteren.
Hoe voorkomt het kabinet in het algemeen dat Nederland voor essentiële defensiematerialen afhankelijk wordt van productielocaties buiten Europa?
Het zekerstellen van leveringszekerheid en waar mogelijk voorkomen én verminderen van ongewenste strategische afhankelijkheden is een belangrijke prioriteit voor het kabinet, omdat deze afhankelijkheid een negatieve impact kan hebben op het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht. Daarom werken Defensie en EZK met de DSII aan de versterking van de NLDTIB. In het Nationaal Programma Defensie-Industrie en Innovatie wordt deze strategie verder geconcretiseerd en uitgevoerd.
In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Hoe wordt bij grote defensieorders geborgd dat Nederlandse bedrijven kunnen deelnemen aan de toeleveringsketen en dat kennis, innovatie en werkgelegenheid in Nederland behouden blijven?
Bij grote defensieorders kijken Defensie en Economische Zaken in een vroeg stadium naar de mogelijkheden voor deelname van de Nederlandse defensie-industrie, onder meer door marktconsultatie, industriële samenwerking en het betrekken van Nederlandse bedrijven in de toeleveringsketen. Het Industriële Participatiebeleid zorgt ervoor dat, indien we genoodzaakt zijn in het buitenland aan te schaffen, bijvoorbeeld omdat we de betreffende industrie zelf niet in huis hebben, de Nederlandse defensie-industrie en kennisinstituten toch betrokken worden bij de ontwikkeling, productie en instandhouding van deze defensieorders. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar directe levering, maar ook naar de bijdrage aan kennisontwikkeling, innovatie, onderhoud, productiecapaciteit en werkgelegenheid in Nederland. Het kabinet zet zich er daarnaast voor in dat Nederlandse bedrijven kunnen aansluiten bij internationale en Europese defensieprogramma’s, zodat de Nederlandse industriële basis wordt versterkt en de strategische autonomie van Nederland en Europa wordt vergroot.
Is het kabinet van mening dat de huidige aanbestedingsregels voldoende ruimte bieden om bij defensie-inkopen de strategische autonomie van Nederland en Europa mee te wegen?
Het kabinet zet zich in Europees verband in voor aanpassing van de aanbestedingsregels op defensie- en veiligheidsgebied, zoals aangegeven in de updates over versnellen van het inkoopproces5 en zoals recent verzocht met de motie van lid Peter de Groot (VVD)6.
Binnen de huidige (aanbestedings-)regelgeving laat Defensie bij de aanschaf van materieel, naast kwaliteit, prijs, levertijd ook strategische autonomie en leveringszekerheid van het materieel in toenemende mate meewegen.
In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Welke mogelijkheden benut u nu al om bij aanbestedingen leveringszekerheid, strategische autonomie en behoud van kritieke productiecapaciteit als gunningscriterium mee te wegen?
Zie antwoord vraag 14.
Is het kabinet bereid te onderzoeken hoe bij defensie-aanbestedingen meer gewicht kan worden toegekend aan productie, onderhoud en innovatie in Nederland of Europa, binnen de geldende Europese regelgeving?
Ja. Het Nationaal Programma Defensie Industrie & Innovatie zal hier verder invulling aan geven, in lijn met de gekozen focusgebieden in de Defensie Strategie voor Industrie & Innovatie, en conform de ambities uit het coalitieakkoord om 50% in Nederland en Europa aan te besteden. Zoals toegelicht, heb ik in de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie uw Kamer in dat verband geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Is het kabinet bereid zich in Europees verband in te zetten voor aanpassing van de aanbestedingsregels, zodat lidstaten bij defensie-inkopen meer ruimte krijgen om strategische economische belangen en leveringszekerheid mee te wegen?
Zie antwoord vraag 14.
In hoeverre biedt de Industrial Accelerator Act ruimte voor bescherming en versterking van de binnenlandse defensie-industrie?
Het Commissievoorstel voor de Industrial Accelerator Act (IAA) bevat geen directe maatregelen voor de defensie-industrie, omdat dit voorstel primair is gericht op het versterken van de Europese industriële capaciteit in strategische (civiele) sectoren, zoals energie-intensieve industrieën, net-zero technologieën en de automotive sector. Het voorstel voor de IAA bevat wel verschillende instrumenten die industrie kunnen versterken, zoals de mogelijkheid om een Europees voorkeursprincipe toe te passen bij overheidsaanbestedingen en subsidieregelingen, strengere voorwaarden voor grote buitenlandse investeringen en versnelde vergunningprocedures, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de EU. Hoewel deze maatregelen niet specifiek op defensie industrie zijn gericht, versterken zij wel de Europese industriële basis en kunnen zij ook de productiecapaciteit van bedrijven vergroten die zowel civiele als militaire producten ontwikkelen (dual-use industrie). Daardoor kan ook de defensiesector indirect profiteren. De ruimte om specifiek de binnenlandse industrie te beschermen blijft echter beperkt, omdat de IAA is gericht op versterking van de Europese industriële basis als geheel, en niet nationaal gericht is.
Kunt u aangeven welke kansen u ziet om defensie-investeringen sterker te benutten voor de versterking van de Nederlandse maakindustrie en technologische kennisbasis?
De Nederlandse en Europese defensie-industrie en kennisbasis is cruciaal voor het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht. Zonder een sterke industriële basis kan Defensie niet tijdig beschikken over voldoende materiaal en onderhoudscapaciteit in een Hoofdtaak 1 scenario. Bovendien is een technologische voorsprong nodig om de tegenstander een stap voor te blijven. Daarom wil het kabinet ten minste 50% van het Defensiematerieel inkopen bij de Nederlandse en Europese industrie. Om hier concreet uitvoering aan te geven, werkt het kabinet aan een Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie. Dit plan van aanpak wordt in Q4 van dit jaar met uw Kamer gedeeld.
Het bericht ‘Defensie zet zinnen op scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij, en dat schiet Nederlandse industrie in verkeerde keelgat’ |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Defensie zet zinnen op scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij, en dat schiet Nederlandse industrie in verkeerde keelgat»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke Nederlandse leveranciers vergelijkbare vesten kunnen leveren en wat de eventuele verschillen daartussen zijn? Kunt u daarbij een vergelijking maken in levertijd, kosten, gewicht van de scherfvesten en de functionaliteit tussen de scherfvesten van Nederlandse makelaardij en die van de aangekochte Chinees-Israëlische materialen?
Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98) van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om een contract te sluiten met de firma Elbit voor de levering van het smart vest. Het smart vest bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder ballistische platen.
Er zijn/waren geen Nederlandse leveranciers bekend die een volledig vest kunnen leveren. Defensie doet geen (openbaar) uitspraak over individuele leveranciers, omdat dit de commerciële belangen van de leverancier schaadt.
Kunt u aangeven welke verplichting de raamovereenkomst oplegt aan Defensie om nieuwe ballistische beschermingsmiddelen alleen bij deze leverancier af te nemen? Bevat de raamovereenkomst de harde verplichting dit te allen tijde bij deze leverancier te doen?
In juni 2024 heeft Defensie een instandhoudingsovereenkomst getekend met deze leverancier met een looptijd van drie jaar, inclusief de mogelijkheid om het contract twee keer twee jaar te verlengen. De raamovereenkomst omvat de levering van (onderdelen van) het bestaande smart vest. Onderdeel van deze overeenkomst is de juridische verplichting om deze producten gedurende de looptijd van de raamovereenkomst af te nemen bij de leverancier.
Bent u het ermee eens dat, gelet op de term «kan afnemen», uit de eigen verklaring van Defensie blijkt dat er geen verplichting bestaat om deze materialen bij deze leverancier aan te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Nee, Defensie deelt dit beeld niet wat betreft dit scherfwerende vest (zie het antwoord op vraag 3).
De raamovereenkomst omvat de mogelijkheid voor de leverancier om verbetervoorstellen in te dienen, wat hier het geval is. Deze ontwikkeling is nog niet getest en Defensie heeft nog geen keuze gemaakt over de afname van de doorontwikkelde ballistische platen. Voor dit deel geldt geen verplichting om deze doorontwikkelde platen te accepteren. Gedurende de looptijd van het contract kan Defensie wel of niet extra nieuwe producten afnemen; uitbreiding van hetzelfde product dient wel bij dezelfde leverancier te gebeuren. Bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten waar Nederlandse supervezels in verwerkt zijn, wil Defensie dat Europese supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie). Het uitgangspunt daarbij is het zekerstellen van de strategische autonomie van Nederland.
Kunt u aangeven op welke gebieden Defensie nog meer raamovereenkomsten heeft waaruit dergelijke besluiten voort kunnen vloeien, terwijl er Nederlandse alternatieven beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Een raamovereenkomst is het resultaat van een genomen inkoopbesluit en wordt gekenmerkt door de mogelijkheid om gedurende de looptijd van de overeenkomst flexibel artikelen af te nemen. Defensie heeft verschillende goed lopende raamovereenkomsten, bijvoorbeeld voor de levering van klein kaliber munitie. In aanloop naar het sluiten van een dergelijke overeenkomst weegt Defensie, in lijn met de doelstellingen uit de DSII, de aspecten prijs, tijd, kwaliteit en herkomst mee.
Bent u het ermee eens dat bij enige juridische mogelijkheid deze opdracht alsnog aan een Nederlands bedrijf gegund moet worden en zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Nee, Defensie deelt deze opvatting niet. Dit is omdat Defensie tijdig de beschikking wil kunnen hebben over de benodigde ballistische platen en vesten om ballistische bescherming te bieden aan haar militairen en de groei van de krijgsmacht te faciliteren.
Defensie heeft nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten, maar wacht een nieuw voorstel van Elbit af. Defensie heeft het voorstel van Elbit tot gebruik van Chinese supervezels van de hand gewezen. Zoals toegelicht wil Defensie dat Europese supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie).
Welke gevolgen heeft deze deal met China voor de Nederlandse bedrijven die in het kader van het Verbeterd Operationeel Soldaten Systeem (VOSS) ballistische beschermingsmaterialen produceren? Welke gevolgen heeft dit op het VOSS-project zelf?
Er is geen sprake van een deal met China. De leverancier heeft een voorstel gedaan om de bestaande platen te verbeteren en daarbij gebruik te maken van Chinese vezels. Zoals toegelicht is Defensie in gesprek met de leverancier over de herkomst van de gebruikte supervezels.
Hoe rijmt u de voor Nederlanders nieuwe belastingregels die per 1 juli 2026 van kracht zijn op Chinese aankopen, onder andere om de binnenlandse economie te ondersteunen, met het blijven aankopen van scherfwerende producten uit China, terwijl de Nederlandse industrie hier ook in kan voorzien?
De scherfvesten die Defensie heeft gekocht komen niet uit China. De invoerrechten van 3 EUR per goed voor zendingen onder de 150 EUR gelden voor goederen die via e-commerce worden gekocht. De aanschaf van scherfvesten valt niet onder deze regeling. Bij invoer van scherfvesten zijn de gebruikelijke douane-regels van toepassing.
Bent u bekend met het bericht dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft geoordeeld dat de AIVD en MIVD niet zorgvuldig zijn omgegaan met verzamelde persoonsgegevens? (Kamerstuk 36 263, nr. 50)
Ja.
Onderschrijft u dat juist van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), gelet op de aard en gevoeligheid van de gegevens die zij verwerken, mag worden verwacht dat zij de wettelijke waarborgen voor gegevensverwerking strikt naleven? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd door de CTIVD, zijn bulkdatasets van groot belang voor de goede taakuitvoering van de wettelijke taken van de diensten. Tegelijkertijd is duidelijk dat het gebruik van bulkdatasets een aanzienlijke privacyinbreuk kan meebrengen. Wij onderschrijven vanzelfsprekend de noodzaak van het bestaan van voldoende waarborgen rondom de verwerking van bulkdatasets, alsook een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan. In het algemeen geldt dat deze waarborgen worden nageleefd, maar, zoals de CTIVD heeft geconstateerd, valt er winst te behalen in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Het verbeteren van het beheer van bulkdatasets staat hoog op de agenda van de diensten. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het CTIVD-onderzoek hebben de diensten reeds diverse verbetermaatregelen genomen om tegemoet te komen aan de geconstateerde knelpunten (zie het gebundelde antwoord op vraag 4, 5, 8 en 15). De komende tijd zetten de diensten de implementatie van deze verbetermaatregelen voort. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij daarnaast ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke concrete tekortkomingen heeft de CTIVD vastgesteld in de wijze waarop de AIVD en MIVD-persoonsgegevens verwerken, bewaren en toegankelijk maken?
Een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD is te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Voor het volledige overzicht van de bevindingen en aanbevelingen verwijzen wij u naar het rapport van de CTIVD.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze tekortkomingen zijn ontstaan, terwijl de diensten beschikken over uitgebreide interne controlemechanismen en extern toezicht?
Wij constateren dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit met zich meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het onderzoek hebben de diensten zelfstandig verschillende risico’s en kwetsbaarheden geïdentificeerd ten aanzien van (de verwerking van) bulkdatasets. In verschillende gevallen hebben deze risico’s daadwerkelijk geleid tot compliance-incidenten, die voorafgaand aan en tijdens het onderzoek aan de CTIVD zijn gemeld. Naar aanleiding van deze incidenten hebben de diensten direct maatregelen getroffen om dergelijke incidenten te detecteren, mitigeren en in de toekomst te voorkomen, dan wel het risico dat dit soort incidenten zich voordoen aanzienlijk te verkleinen. Het betreft hier maatregelen op het gebied van autorisatiebeheer en toegangsmanagement, alsook maatregelen die zien op het vergroten van het bewustzijn bij medewerkers rondom het belang van compliant werken. De eerste belangrijke stappen zijn zodoende al gezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat structurele maatregelen nodig zijn. In dat kader verwelkomen wij de bevindingen van de CTIVD, die de urgentie van het onderwerp onderstrepen en oplossingsrichtingen aandragen voor de toekomst waar de diensten vanzelfsprekend voortvarend aan blijven werken. Zoals reeds genoemd is een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Met een aantal van de aanbevelingen uit het rapport zijn de diensten al aan de slag gegaan. Zo werken de diensten aan een applicatie voor toestemmingsverzoeken, waarmee de mogelijkheid om gegevens te raadplegen op geautomatiseerde wijze wordt gekoppeld aan de looptijd van het toestemmingsverzoek en de bijbehorende autorisaties. Daarnaast zullen de AIVD en de MIVD de interne logging van systemen uitbreiden om incidenten waarin autorisatiebeheer een rol speelt in de toekomst zo veel mogelijk te kunnen voorkomen, sneller te kunnen detecteren en beter te kunnen mitigeren. Dit draagt bij aan compliant werken. Wij onderstrepen evenwel dat de benodigde technische verbetermaatregelen aanpassingen vergen, bijvoorbeeld in de IT-systemen, die tijd en capaciteit kosten. De realisatie van deze structurele verbeteringen zal daarom een substantiële en consistente inspanning vergen. De diensten zullen de CTIVD periodiek op de hoogte houden van de ontwikkelingen en vorderingen op dit gebied.
Tot slot, zullen wij in aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Zijn de geconstateerde tekortkomingen het gevolg van onvoldoende capaciteit, onvoldoende deskundigheid, tekortschietende sturing of een andere oorzaak? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de CTIVD eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd? Zo ja, welke aanbevelingen zijn destijds gedaan en waarom hebben deze kennelijk niet voorkomen dat de huidige situatie is ontstaan?
De CTIVD heeft eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd. In toezichtrapporten nr. 70 en 71 over de verwerking van passagiersgegevens van luchtvaartmaatschappijen en het verzamelen van bulkdatasets met de hackbevoegdheid en de verdere verwerking daarvan heeft de CTIVD ook aandacht gevraagd voor de naleving van de waarborgen voor de verdere verwerking van bulkdatasets. Naar aanleiding van deze rapporten hebben onze ambtsvoorgangers de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 geïntroduceerd, met daarin aanvullende waarborgen en maatregelen die meer recht doen aan de bescherming van fundamentele rechten van burgers en de operationele waarde van bulkdatasets voor de diensten. De CTIVD stelt nu vast dat in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen nog winst valt te behalen. Wij herkennen ons in dat beeld en zetten het reeds ingezette verbetertraject de komende tijd voort (zie het antwoord op vraag 4-5-8-15).
Is naar uw oordeel sprake van tekortschietende uitvoering van bestaande wettelijke regels, of acht u de huidige wettelijke kaders onvoldoende duidelijk, vaag, uitvoerbaar of te strict? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wiv 2017 kent geen speciale regels voor het gebruik van bulkgegevens, met uitzondering van de bulkgegevens die worden verzameld met de inzet van onderzoeksopdrachtgerichte (OOG) interceptie. In de praktijk heeft dat geleid tot onduidelijkheden en een onoverzichtelijk stelsel voor de verdere verwerking van bulkgegevens. Mede naar aanleiding van toezichtrapporten van de CTIVD is de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 opgesteld. De CTIVD heeft geconstateerd dat het huidig wettelijk kader in beginsel voldoende waarborgen biedt, maar dat winst te behalen valt in de uitvoering en (technische) implementatie van deze waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Tegelijkertijd stellen wij vast dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij nadrukkelijk aandacht vragen voor deze en andere geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke organisatorische en technische maatregelen zijn inmiddels getroffen om ervoor te zorgen dat wettelijke waarborgen, waaronder autorisatiebeheer, bewaartermijnen en interne controles, structureel worden nageleefd?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer zijn de geconstateerde tekortkomingen voor het eerst ontstaan en sinds wanneer was u hiervan op de hoogte?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe wordt periodiek gecontroleerd of deze maatregelen daadwerkelijk functioneren en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd, voor zover de staatsveiligheid zich daar niet tegen verzet?
De diensten hebben sinds april 2023 een compliance-meldingssysteem. Dit wordt doorlopend geprofessionaliseerd. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan het vergroten van het compliance-bewustzijn binnen de diensten om compliance incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en daar waar onverhoopt toch iets misgaat deze incidenten vroegtijdig te detecteren en te mitigeren. Met de CTIVD is in 2023 overeengekomen dat naast het systeemtoezicht van de CTIVD, door de diensten een intern compliance-managementsysteem zou worden ingericht, waar een intern inschalingsmodel voor compliance-incidenten deel van uitmaakt. De diensten en de CTIVD hebben hiervoor gezamenlijk een incidentenprotocol opgesteld waarin is opgenomen hoe moet worden omgegaan met compliance-incidenten en wie wanneer daarover geïnformeerd dient te worden. De CTIVD houdt regulier toezicht op het compliance-meldingssysteem en kan hierover, indien aangewezen, rapporteren. Het ligt niet voor de hand, gelet op het efficiënt functioneren van het interne compliance-managementsysteem, dat wij uw Kamer, anders dan via de openbare jaarverslagen of de daarvoor geëigende kanalen, informeren over compliance-incidenten.
Wordt bij de ontwikkeling of aanbesteding van nieuwe informatiesystemen standaard getoetst of wettelijke bewaartermijnen, autorisaties en logging automatisch worden afgedwongen?
Gezien de specifieke aard van onze werkzaamheden worden veel informatiesystemen in het operationele domein door de diensten zelf ontwikkeld. Hierbij worden wettelijke vereisten zoals bewaartermijnen en autorisaties en functionele eisen zoals logging, integraal onderdeel gemaakt van het ontwikkelproces. Autorisatiebeheer en logging zijn essentieel voor de operationele veiligheid, betrouwbaarheid, beschikbaarheid en vertrouwelijkheid van de data van de diensten. Deze vormen derhalve vanzelfsprekend een belangrijke leidraad bij de ontwikkeling van nieuwe informatiesystemen.
Bent u van oordeel dat de huidige systemen van de AIVD en MIVD zodanig zijn ingericht dat wettelijke waarborgen technisch worden afgedwongen («security by design» en «privacy by design»)? Zo nee, waarom niet?
Hoewel niet alle waarborgen volledig technisch te automatiseren zijn, zijn er adequate controles aanwezig om de naleving ervan te waarborgen. Het waarborgen van security – en privacy by design is een continu proces van optimalisatie en onderdeel van de ICT-architectuur. De aanbevelingen uit het CTIVD-rapport worden gebruikt voor de verdere aanscherping van processen en ICT-architectuur. Daarnaast biedt de in voorbereiding zijnde nieuwe Wiv 202X, waarvan de contouren reeds zijn geschetst, een verbeterd en essentieel kader om de ondersteuning van het inlichtingenproces op het gebied van rechtmatigheid en technische borging verder te professionaliseren en te optimaliseren waarbij tegelijkertijd geen afbreuk wordt gedaan aan de operationele slagkracht van beide diensten.
Kunt u uitsluiten dat vergelijkbare tekortkomingen zich ook voordoen bij andere overheidsorganisaties die grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens verwerken? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Het verzamelen van bulkinformatie is uniek voor de AIVD en de MIVD. Als hiervoor verantwoordelijke Ministers informeren we u in deze antwoorden hoe we het beheer van deze bulkdatasets de komende tijd verder gaan versterken. In algemene zin doen alle overheidsinstanties altijd hun best om persoonsgegevens die onder hun verantwoordelijkheid vallen zo goed mogelijk te beheren. Dat zich daarbij tekortkomingen kunnen voordoen, kan helaas nooit helemaal worden uitgesloten. Ook daar zijn toezichthoudende instanties die daar op permanente basis onderzoek naar doen. In voorkomend geval kan de verantwoordelijke Minister besluiten tot een aanvullend onderzoek.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van gevoelige persoonsgegevens in de eerste plaats afhankelijk is van een zorgvuldige uitvoering van wettelijke waarborgen, goed ingerichte processen en deugdelijk toezicht, ongeacht de herkomst van de gebruikte technologie of leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wij onderschrijven de noodzaak van het hebben van voldoende waarborgen en een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan, ongeacht technologie of leverancier. Deze waarborgen zijn nodig om recht te doen aan de bescherming van de fundamentele rechten van burgers.
Welke lessen trekt u uit deze bevindingen om te voorkomen dat vergelijkbare tekortkomingen zich in de toekomst opnieuw voordoen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 6 en 9 en 4, 5, 8,en 15 zijn gezamenlijk beantwoord. De overige vragen zijn separaat beantwoord.
Het bericht dat de Defensie investeert in Spaanse en Chinese 3D Machines |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie voor ruim € 6 miljoen metaal-3D-printsystemen van Chinese makelij aanschaft, terwijl er ook Nederlandse producenten zijn die systemen van dezelfde of hogere kwaliteit aanbieden?1
Dit klopt niet. Defensie heeft een aanbesteding in concurrentie op de markt gezet met een waarde van € 6 miljoen voor drie metaalprinters, inclusief optieruimte, software, installatie, instructie, dienstverlening en onderhoud voor een periode van vijf jaar. Deze opdracht is conform de Aanbestedingswet 2012 met een Europese openbare aanbestedingsprocedure gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving. Eén van deze percelen betreft een Europese leverancier waarvan het specifieke product in China wordt geassembleerd. De componenten zijn afkomstig uit Europa, de VS, Japan en China.
Hoe verhoudt deze aanschaf zich tot de kabinetsambitie om verhoogde defensiebestedingen te laten neerslaan in de Nederlandse maakindustrie?
De doelstellingen uit het coalitieakkoord zien op het versterken van de Nederlandse en Europese defensie-industrie en strategische autonomie. Defensie is bij Europese Aanbestedingsprocedures gehouden aan aanbestedingsregelgeving. Inschrijvende partijen en de producten die zij aanbieden worden niet uitgesloten op basis van nationaliteit of herkomst.
Voor deze specifieke aanschaf is een behoefte gesteld voor drie metaalprinters om de haalbaarheid van het metaalprinten voor Defensie te onderzoeken, inclusief software, installatie, instructie, dienstverlening en onderhoud voor een periode van vijf jaar. Gunning vond plaats op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding en additionele kwaliteitseisen als levertijd, de afhandeltijd van defecten en storingen en het bouwvolume. In de commercieel vertrouwelijke bijlage vindt uw Kamer meer informatie over de productvergelijking.2
Is bij de voorbereiding van deze aanbesteding onderzocht of en onder welke voorwaarden Nederlandse fabrikanten aan de gestelde eisen konden voldoen, en zo ja, wat was de uitkomst daarvan?
Zie antwoord bij vraag 4.
Hoe beoordeelt u het dat het eisenpakket in de praktijk zo uitpakte dat een Nederlandse partij alleen via een constructie met een buitenlandse distributeur van Chinese systemen kon inschrijven?
In de voorbereiding van deze aanbesteding is een marktonderzoek uitgevoerd. Aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek heeft Defensie een aantal kwalitatieve eisen en gunningscriteria opgesteld, op basis waarvan de aanbesteding op de markt is gezet en de aanbiedingen zijn beoordeeld. Vier Europese leveranciers konden aan de gestelde eisen voldoen en hebben ingeschreven op deze aanbesteding, waaronder twee Nederlandse partijen.
Deelt u de opvatting dat een dergelijk traject, met een uitvoerig eisenpakket en een langdurig proces, voor relatief kleinschalige investeringen in productietechnologie onevenredig zwaar is? Zo niet, waarom niet? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of vereenvoudiging mogelijk is zodat kansen voor Nederlandse leveranciers beter benut kunnen worden?
Defensie moet zo snel mogelijk het militair vermogen versterken, waarbij Defensie vanzelfsprekend ook onder deze omstandigheden blijft toezien op de doelmatige, rechtmatige en navolgbare besteding van overheidsmiddelen. Een zorgvuldige en controleerbare besteding van publiek geld is van groot belang voor Defensie. Daarnaast is en blijft Defensie gebonden aan de Europese aanbestedingsregelgeving.
Deze specifieke Europese aanbesteding is efficiënt binnen enkele maanden uitgevoerd met een pakket aan criteria dat aansluit bij de eisen en wensen van Defensie en het actuele marktaanbod.
In hoeverre wordt bij aanbestedingen voor strategische productietechnologie de herkomst van leveranciers, Nederlands, Europees of van buiten de EU, meegewogen, en acht u de huidige weging afdoende om te voorkomen dat Nederlandse en Europese bedrijven structureel worden gemist?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, strategische autonomie en leveringszekerheid, ook de herkomst van het materieel meewegen binnen de mogelijkheden van de huidige (aanbestedings-)regelgeving.
Acht u het wenselijk dat de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Marine ervaring met metaal-3D-printen opdoen op Chinese machines, gelet op de ambitie de strategische afhankelijkheden van een land als China af te bouwen?
Het betreft geen Chinese machine, maar een in China geassembleerd systeem. De kritieke componenten van dit systeem zijn afkomstig uit Europa en Japan. In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor een bepaald systeem altijd een afhankelijkheid van de (buitenlandse) leverancier oplevert. Voor elke aanschaf worden daarin afgewogen keuzes gemaakt over de risico’s voor de continuïteit, die per aanschaf kunnen verschillen.
Voor deze specifieke technologie geldt dat Defensie de printers aanschaft om onderzoek te doen naar de potentiële operationele toepassingen van 3D printtechniek. Het doel is om ervaring en kennis op te doen met het ontwerpen en produceren van metalen reservedelen voor uiteenlopende machines en voertuigen. Deze techniek biedt nieuwe mogelijkheden om gevechtsschade snel te repareren.
Hoe wordt geborgd dat de data veilig blijft op een systeem van Chinese makelij, en dat de kennis en kunde, zoals certificeringen, die Defensie opbouwt op deze systemen niet verloren gaan bij een eventuele overstap naar een ander systeem?
Defensie beveiligt haar data door het maken van contractuele afspraken, het beperken van operationele risico’s en het doorlopend onderzoeken van alternatieve leveringsmogelijkheden. In dit geval is de machine geassembleerd in China, maar zijn de kritieke componenten van het systeem afkomstig uit Europa en Japan. Met de software kan op een afgesloten netwerk worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers hoeft te draaien. Verder gebruikt Defensie deze printer voor het opdoen van kennis over een productietechniek van metaalprinten. Het betreft enkele stuks en geen productielijn, wat de eventuele overstap naar een ander systeem niet in de weg zit. De opgebouwde kennis wordt meegenomen in eventuele toekomstige aanschaf.
Hoe schat u het risico in dat Defensie zich met deze aanschaf afhankelijk maakt van een Chinese fabrikant die op elk moment, door exportrestricties of geopolitieke ontwikkelingen, de levering van vervangende systemen, service en reserveonderdelen kan staken?
Defensie doet in het openbaar geen uitspraken over eventuele afhankelijkheden ten aanzien van defensietechnologie. Onderwerpen die inzicht geven in operationele belangen worden om veiligheidsredenen alleen in beslotenheid besproken.
Voor deze aanschaf is de mate van afhankelijkheid laag. De aanschaf wordt gedaan in het kader van opdoen van kennis, expertise en lessen. Defensie is hier operationeel niet van afhankelijk.
Welke maatregelen heeft u genomen om deze afhankelijkheid te beperken, bijvoorbeeld ten aanzien van de beschikbaarheid van reserveonderdelen, software-updates en technische ondersteuning bij een eventuele verstoring van de handelsrelatie met China?
Het vergroten van strategische autonomie en daarmee het beperken van afhankelijkheden heeft prioriteit voor Defensie. Dit is daarbij geen doel op zichzelf, maar een middel om operationele continuïteit te kunnen waarborgen. Daarom worden in de samenwerking met (niet-Europese) technologiebedrijven contractuele, organisatorische en technische maatregelen getroffen. Daarnaast onderzoekt Defensie de mogelijkheden om, al dan niet samen met bondgenoten, Europese alternatieven te (helpen) ontwikkelen.
Zo worden bijvoorbeeld in EU-programma’s voor defensie-industrie zoals het European Defence Industry Programma (EDIP) verschillende eisen opgenomen die dit moeten bevorderen. Ten eerste moet 65 procent van de componenten uit de EU komen. Ten tweede moet de hoofdaannemer uit de EU komen en juridisch bevoegd zijn om componenten uit derde landen te vervangen voor EU-alternatieven.
Bent u bereid te onderzoeken hoe bij toekomstige aanbestedingen van strategische productietechnologie Nederlandse en Europese leveranciers beter in beeld komen, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Er zijn en worden meerdere concrete maatregelen genomen om de Nederlandse en Europese industriële basis te versterken en strategische afhankelijkheden te verminderen. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) is ingezet op gerichte versterking van de Nederlandse en Europese defensiesector, onder meer door meer industrieversterkend in te kopen en nadrukkelijker te kijken naar productie en instandhouding in Nederland en Europa. In de D-SII is daarnaast aangekondigd dat Defensie, waar passend binnen operationele en juridische kaders, nadrukkelijker inzet op inkoop en samenwerking binnen Nederland en Europa om afhankelijkheden van niet-Europese leveranciers te verkleinen. Grensoverschrijdende industriële samenwerking binnen Europa blijft essentieel om de Europese productiecapaciteit en leveringszekerheid structureel te versterken.
Uw Kamer wordt in Q3 2026 via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie geïnformeerd over de stappen die we zetten om de Nederlandse en Europese industrie te versterken. Met de inzet op industrieversterkend inkopen verhoogt Defensie het aandeel van Nederlandse bedrijven in defensiecontracten.
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Marc Vervuurt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Het kabinet juicht de ontwikkeling van nieuwe behandelingen voor bijvoorbeeld therapieresistentie PTSS, depressie en verslavingsproblematiek toe. Het kabinet is zich ervan bewust dat verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica gunstige resultaten laten zien, zoals bijvoorbeeld onderzoek naar MDMA bij posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het is goed om te benadrukken dat het hier gaat om geneesmiddelenonderzoek. Het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van deze en andere therapeutische toepassingen van psychedelica is op dit moment echter nog onvoldoende voor inzet in de praktijk. Het kabinet vindt nationaal en internationaal onderzoek op dit gebied dan ook van groot belang en wacht de resultaten van de lopende studies en beoordeling daarvan door autoriteiten zoals het Europees Medicijn Agentschap (European Medicines Agency, EMA) met belangstelling af.
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Het kabinet heeft daarover inderdaad signalen ontvangen.
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Het kabinet kan niet voorkomen dat patiënten op zoek gaan naar alternatieve behandelingen. Het kabinet heeft begrip voor patiënten die een behandeling willen proberen, maar wil benadrukken dat het in hun eigen belang is dat de behandeling wel effectief en veilig is. Op dit moment is nog onduidelijk welke patiënten precies baat kunnen hebben bij dergelijke therapieën. Het kabinet vindt het daarom belangrijk dat de veiligheid en effectiviteit eerst verder worden onderzocht voordat deze therapieën in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Verder kunnen patiënten informatie over bijvoorbeeld de risico’s van het zelf experimenteren met psychedelica vinden op de websites van het Trimbos1-instituut en van Jellinek2.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de kwaliteit, effectiviteit en veiligheid eerst voldoende zijn aangetoond voordat een dergelijk middel als behandeling wordt ingezet. Daarom hecht het kabinet eraan dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Voor het beschikbaar maken van middelen via een compassionate use programma3 moet aan de voorwaarden van het CBG zijn voldaan4. Er moet bijvoorbeeld zicht zijn op spoedige registratie van het middel. Dit onderstreept nogmaals het belang van gedegen onderzoek naar veiligheid en effectiviteit. Dat neemt niet weg dat het kabinet wel compassie heeft voor patiënten die op zoek zijn naar een behandeling, zoals ook aangegeven bij vraag 3.
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over bijvoorbeeld patiëntselectie en behandelsetting. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het CBG. Dergelijke studies kunnen inzicht geven in de juiste patiëntengroep en de optimale toepassing van het geneesmiddel. In Nederland zijn er verschillende instanties die onderzoekers kunnen adviseren over de opzet van studies met patiënten, bijvoorbeeld de Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO) en het eerdergenoemde CBG.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
In Nederland is al een duidelijk kader ingericht voor compassionate use. Ik verwijs hiervoor naar het CBG5. Een van de vereisten is zicht op registratie, waarvoor het eerder benoemde klinische onderzoek van belang is.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Het kabinet is ervan op de hoogte dat individuele landen zoals Tsjechië regulerende of uitzonderingsroutes hebben ontwikkeld om dergelijke therapieën (onder strikte voorwaarden) mogelijk te maken. Het is echter belangrijk dat de reguliere routes voor geneesmiddelenontwikkeling worden gevolgd zodat autoriteiten zoals het EMA of het CBG de balans tussen werkzaamheid en veiligheid kunnen beoordelen. Juist in het belang van de patiënt.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet is zich bewust van de grote behandelbehoefte bij patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen. Verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica laten gunstige resultaten zien. De toenmalige Minister van VWS heeft daarom, samen met de stichting Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZonMw), 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor nader onderzoek naar psychedelica als behandeling, om de effectiviteit, veiligheid en kwaliteit beter in kaart te brengen6.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Het kabinet refereert hier aan de antwoorden op vraag 7 en 8. Het onderzoek binnen de genoemde ZonMw-subsidie moet daarom, vanwege de genoemde redenen, passen in een eventueel toekomstig registratietraject.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Het kabinet erkent de grote behoefte van patiënten aan nieuwe behandelmogelijkheden, maar vindt het belangrijk dat de effectiviteit en veiligheid van psychedelica als behandeling eerst verder worden onderzocht voordat dergelijke behandelingen in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Het kabinet staat er wel voor open om mogelijkheden te verkennen voor eventuele vervolgfinanciering (bij positieve resultaten) van het ZonMw-onderzoek.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
De Amerikaanse regering heeft beleid geïntroduceerd dat erop is gericht de ontwikkeling en toelating van psychedelische geneesmiddelen te versnellen en de toegang daartoe te vergroten. De ontwikkelingen in de VS vormen voor het kabinet geen aanleiding om van de eigen beleidslijn af te wijken, namelijk inzetten op gedegen onderzoek voordat deze middelen worden ingezet als behandeling. Daar waar wetenschappelijke resultaten uit de VS de inzet van deze middelen in Nederland zou kunnen versnellen is dat natuurlijk welkom.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet ziet op dit moment geen lessen, aandachtspunten of kansen voor Nederlands beleid naar aanleiding van uitspraken van de president van de Verenigde Staten over dit onderwerp.
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
In algemene zin richten veel farmaceutische bedrijven zich primair op de Amerikaanse markt vanwege de hoge prijzen die daar betaald worden voor geneesmiddelen, dat zal hier niet anders zijn.
Het EMA beschikt over verschillende instrumenten om versnelde of eerdere toegang tot innovatieve geneesmiddelen mogelijk te maken. Bedrijven en onderzoekers kunnen deze benutten. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het EMA7. Begin dit jaar heeft een eerste psychedelicum de zogenaamde PRIME status ontvangen door het EMA8. PRIME is een programma van het EMA voor veelbelovende geneesmiddelen die een belangrijke onvervulde medische behoefte kunnen vervullen.
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Het kabinet onderschrijft de noodzaak van effectieve behandelingen bij patiënten met PTSS, waaronder patiënten uit geüniformeerde beroepen.
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Ja.
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Eerder heeft VWS, samen met ZonMw, 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de ontwikkeling van psychedelica als behandeling. Binnen de oproep kan worden gekozen voor een combinatie van één psychedelicum voor de behandeling van één psychiatrische indicatie. Voor een vergelijkbare subsidie op het gebied van neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, is op dit moment helaas geen ruimte in de begroting. Mogelijk kan het Psynapse-consortium, dat is gevormd als onderdeel van de ZonMw-subsidie, een rol spelen bij het ondersteunen van onderzoek naar het effect van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten.
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Het kabinet is verheugd dat het Psynapse-consortium een ontwikkelplan heeft opgesteld om tot meer geregistreerde geneesmiddelen binnen de psychiatrie te komen. Bovendien verkennen en werken diverse partijen, zoals het EMA, het CBG, het landelijk patiëntenplatform MIND, de Hersenstichting en het Psynapse-consortium, aan de mogelijkheden voor onderzoek naar verschillende psychedelica voor psychiatrische aandoeningen11. Het kabinet ziet de samenwerking tussen deze partijen als een goede ontwikkeling.
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak tot wetswijzigingen of beleidsaanpassingen. Bij positieve onderzoeksresultaten kan aanvullende financiering voor vervolgonderzoek wenselijk zijn. Op dit moment is hiervoor onvoldoende ruimte in de begroting.
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Het kabinet vindt dat het volgen van deze ontwikkelingen primair een verantwoordelijkheid is van onderzoekers, maar staat open voor signalen en informatie hierover.
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Het kabinet werkt aan een toekomstbestendig toetsingssysteem dat klinisch onderzoek in het algemeen moet bevorderen. Daarnaast zal het zich bij de Europese onderhandelingen over de Biotech Act I inzetten voor de maatregelen die gericht zijn op versnelling, stroomlijning en voorspelbaarheid van beoordelingsprocedures van klinisch onderzoek12. Wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën kan, zoals eerder aangegeven, eventueel ook worden gefaciliteerd met (vervolg)subsidies, al is daarvoor op dit moment geen ruimte in de begroting.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Het kabinet heeft bij het opzetten van de eerdergenoemde ZonMw-subsidie als voorwaarde gesteld dat het onderzoek moet aansluiten op eerder en lopend nationaal en internationaal onderzoek.
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Het kabinet ziet het niet als haar verantwoordelijkheid om in kaart te brengen welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Het is niet de verantwoordelijkheid van het kabinet om het belang van psychotherapie bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten te waarborgen. Het kabinet wijst er wel op dat openbare informatie laat zien dat het EMA aandacht heeft voor een mogelijke rol van psychotherapie bij de behandeling met psychedelica en de methodologische aspecten daarvan bij het klinisch onderzoek13.
Tegelijkertijd geeft het EMA aan dat, hoewel geneesmiddelenautoriteiten verantwoordelijk zijn voor het toelaten van nieuwe geneesmiddelen op de markt, zij niet bepalen hoe artsen deze geneesmiddelen in de klinische praktijk gebruiken14.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Voortgezette samenwerking met Walraven via Aurexys bv |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Wist u, op het moment dat u instemde met de overdracht van de contracten naar Aurexys bv, dat de strafrechtelijk vervolgde verdachten achter DTS Armory daar aandeelhouder van waren? Zo ja, waarom heeft u die overdracht dan toch gefaciliteerd?
Voorzover bekend zijn de eigenaren van Aurexys B.V. niet onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld. Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld. Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping. Ook in dit geval is deze lijn gevolgd.
Aurexys bv heeft dezelfde eigenaar als DTS Armory en de verdachten achter DTS Armory waren er aandeelhouder van. Waarom beschouwt u dit dan toch als «een ander bedrijf»?
Defensie doet, in de gevallen waar u met uw vraag op doelt, zaken met een rechtspersoon en niet met een natuurlijk persoon. Aurexys B.V. is een andere rechtspersoon dan DTS Armory B.V. en kan daardoor zelfstandig overeenkomsten aangaan.
Klopt het dat u al sinds 15 november 2025 wist dat de wapenvergunning van DTS Armory was ingetrokken wegens verdenking van fraude? Waarom is er pas ná de publicaties van Follow the Money ingegrepen, en is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd? Deelt u de conclusie dat hier dus geen sprake was van daadkrachtig optreden?
De overheveling van het contract van DTS Armory B.V. naar Aurexys B.V. is direct na kennisneming van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie op 15 november 2025 in gang gezet en heeft geleid tot het ondertekenen van een overeenkomst op 3 december 2025. Er was op dat moment geen aanleiding om deze overheveling aan de Tweede Kamer te melden. De eerste publicatie van Follow the Money was op 13 maart 2026.
U stelde in De Balie dat Defensie «meteen» had gehandeld en niet meer met Walraven zou samenwerken, maar stelde in het Kamerdebat dat lopende contracten gewoon doorlopen. Hoe duidt u deze tegenstrijdigheid?
Het klopt dat wij geen zaken meer doen met het aan de heer W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. vanwege het ontbreken van de juiste vergunningen, maar het klopt niet dat wij op dit moment geen zaken doen met andere aan hem gelieerde bedrijven. Ik maak daarom van deze gelegenheid gebruik om mijn uitspraak bij De Balie te verhelderen. Naar aanleiding van een opmerking van een andere gespreksdeelnemer inzake het intrekken van een vergunning op grond van de Wet Wapens en Munitie van een aan de heer W. gelieerd bedrijf, reageerde ik onder andere met: «daarna is ook meteen gehandeld vanuit Defensie dat we met deze persoon niet meer kunnen samenwerken». Daarmee bedoelde ik niet de heer W. persoonlijk, maar het betreffende aan dhr. W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. De heer W. is niet onherroepelijk veroordeeld en daarom is er in dit geval ook geen grond tot het op voorhand uitsluiten van een aan hem gelieerde rechtspersoon.
In het debat zei u: «Dat is niet waar. Er is geen persbericht.» Via uw woordvoerder werd dit later bijgesteld tot: er is geen persbericht «waarin melding wordt gemaakt van een specifieke leverancier». Erkent u dat dit twee wezenlijk andere uitspraken zijn en dat uw oorspronkelijke ontkenning niet juist was aangezien het persbericht over deze levering openbaar op de website van Defensie staat?1
Een van de onderwerpen waarover ik met uw Kamer heb gesproken tijdens het Commissiedebat Materieel van 3 juni 2026, is de levering van boten door een aan de heer W. gelieerd bedrijf. Daarna was er verschil van inzicht met uw Kamer over het al dan niet uitgegaan zijn van een persbericht over de levering van de boten. Ik merkte op dat Defensie daarover geen persbericht heeft uitgegeven en bedoelde daarmee een persbericht waarin specifieke aantallen of leverancier(s) vermeld zijn. Er is vanuit Defensie op 4 juni 2025 een persbericht uitgegaan over een maritiem steunpakket voor Oekraïne. Vorig jaar is in dat persbericht een indicatie gegeven van het aantal te leveren boten, maar is geen exact aantal genoemd noch welke partij(en) deze levert. In een Kamerbrief van 17 juni 2025 over het verslag van de NAVO bijeenkomst gehouden op 5 juni 2025 te Brussel en voorafgegaan door een bijeenkomst van de Ukraine Defence Contact Group (UDCG) op 4 juni 2025, zijn wel specifieke aantallen genoemd.2
Defensie bevestigt «zaken te doen met bedrijven waar de heer Walraven aan gelieerd is». Om welke bedrijven en bedragen gaat het en is hierbij ook de drone-onderneming Hyllus bv betrokken, waarvan Walraven gevolmachtigde is?
Defensie maakt deze informatie niet openbaar. Ik bied uw Kamer aan om hier in een vertrouwelijke technische briefing nader op in te gaan.
Voor welk totaalbedrag heeft Defensie inmiddels contracten gesloten met DTS Armory, Aurexys bv en andere aan Walraven gelieerde bedrijven en wat is daarvan tot op heden daadwerkelijk in Oekraïne geleverd? Hoe kan de Kamer controleren of deze honderden miljoenen aan gemeenschapsgeld doelmatig zijn besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de samenwerking met álle bedrijven waarbij Walraven betrokken is daadwerkelijk te beëindigen en te garanderen dat de overige partijen in het Oekraïne-project hun werk zonder zijn betrokkenheid kunnen voortzetten? Zo nee, waarom niet ook gezien uw eerdere uitspraak in De Balie?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen één voor één afzonderlijk beantwoorden, vóór de voortzetting van het commissiedebat Materieel op 10 juni?
Vanwege de samenloop in beantwoording zijn enkele vragen gecombineerd.
Het rapport 'No fuel, no fight: The Dutch fuel industry and European military readiness' |
|
Peter de Groot (VVD), Alisha Müller (VVD) |
|
Derk Boswijk (CDA), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente rapport van The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) getiteld «No fuel, no fight: the Dutch fuel industry and European military readiness»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de toenemende tekorten aan kerosine en diesel in het licht van de voortdurende afbouw van de nationale productiecapaciteit? In hoeverre deelt u de expliciete zorgen van de onderzoekers over de risico’s die deze trend met zich meebrengt voor de stabiliteit en capaciteit van de Nederlandse kritieke energie-infrastructuur?
Op de korte termijn zijn er binnen Nederland geen signalen voor tekorten aan kerosine en diesel. Nederland monitort de prijzen en voorraden van olie en zorgt voor strategische olievoorraden.
Als gevolg van de energietransitie neemt de fossiele raffinagecapaciteit in Europa af. Dit wordt daarnaast gedreven door toenemende mondiale concurrentie en stijgende operationele kosten in Europa. Belangrijk hierbij is dat de afbouw van deze capaciteit in Europa in lijn is met de opbouw van hernieuwbare alternatieven.
Fossiele raffinaderijen hebben een rol tijdens de transitie naar duurzame energie. Zolang de wereldeconomie nog in belangrijke mate op fossiele brandstoffen draait, vormt het behoud van stabiele, regionale raffinagecapaciteit een belangrijke pijler voor de leveringszekerheid. Een grotere en structurele leveringszekerheid wordt op de langere termijn bereikt door de transitie naar een hernieuwbare energievoorziening, waarbij bronnen zoals wind, zon en duurzame grondstoffen binnen Europa zelf benut respectievelijk gewonnen kunnen worden.
Hoe weegt u de strategische waarde van de Nederlandse energie-infrastructuur voor de bredere leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese Unie, zeker gezien de Nederlandse rol als logistiek knooppunt?
Nederland speelt een belangrijke rol als toegangspoort voor olie en (duurzame) brandstoffen en huisvest een van de grootste raffinageclusters van Europa. Nederland is bovendien de grootste Europese exporteur van kerosine. De Nederlandse brandstof- en chemiegrondstoffen (BCP)-sector maakt deel uit van het ARRRA-cluster, een netwerk van raffinaderijen, krakers en chemiebedrijven tussen Antwerpen, Rotterdam en het Duitse Rijn-Ruhrgebied, verbonden via pijpleidingen, waterwegen, spoor en wegen.
De kracht van de Nederlandse raffinaderijen berust mede op hun positie in de aan-, door- en uitvoer van aardolieproducten en de nabijheid van liquid bulk zeehavens, die ook fungeren als bunkering hubs. Behoud van de bestaande energie-infrastructuur – pijpleidingen, waterwegen, terminals, opslag en logistieke verbindingen – is van belang, zodat een deel kan worden gebruikt voor productie van hernieuwbare brandstoffen en de levering van fossiele producten die in de transitiefase nog nodig zijn.
Bent u bereid om samen met de Ministeries van I&W, Defensie en EZK in kaart te brengen hoe de toekomstige afhankelijkheden van brandstoffen zich ontwikkelen en wat de concrete gevolgen hiervan zijn voor defensie, de burgerluchtvaart en kritieke energie-infrastructuur?
I&W, Defensie en EZK werken intensief samen op het gebied van weerbaarheid en energiezekerheid. Dit krijgt onder meer vorm binnen de aanpak weerbaarheid en militaire paraatheid tegen hybride en militaire dreigingen, de Toekomstvisie op Brandstoffen- en chemiegrondstofproductie, het Aanpak Aanbod Duurzame Koolstofdragers (AADK), de Visie Verduurzaming Bunkerbrandstoffen en de Roadmap Energiezekerheid voor Defensie.
Binnen deze trajecten is er structureel aandacht voor het vergroten van de strategische autonomie door fossiele grondstoffen te vervangen door hernieuwbare alternatieven, met name daar waar elektrificatie niet mogelijk is. Tegelijkertijd richten de ministeries zich op de rol van de bestaande raffinagesector tijdens de transitiefase, bijvoorbeeld voor sectoren als Defensie die de komende jaren voorlopig sterk afhankelijk blijven van fossiele brandstoffen.
Wat is uw reactie op de prognose uit het rapport dat de importafhankelijkheid voor brandstoffen in 2040 zal stijgen naar 46% voor Nederland en maar liefst 72% voor de gehele Europese Unie? Welke risico’s ziet u hierin voor onze strategische autonomie?
Nederland is op dit moment al in hoge mate afhankelijk van import van ruwe olie voor de productie van kritieke brandstoffen. Voor de strategische autonomie van Nederland is een betrouwbare en ononderbroken brandstofvoorziening een basisvoorwaarde. De afnemende fossiele raffinagecapaciteit moet daarom gepaard gaan met het ontwikkelen van kansen op import- en productiediversificatie via de productie van biodiesel en SAF. Binnen deze ontwikkelingen spant het kabinet zich in om economische robuustheid, maatschappelijke weerbaarheid, militaire paraatheid en energiezekerheid te waarborgen (zie ook antwoord 4).
Hoe reflecteert u op de aanbeveling dat de Nederlandse overheid, in EU-verband, een kritieke ondergrens voor productiecapaciteit moet vaststellen en de noodzakelijke instrumenten moet inzetten om deze capaciteit operationeel te houden voor de vitale brandstofvoorziening?
Het kabinet wil een tekort aan olie kunnen voorkomen en de gevolgen van hoge prijzen beperken. Daarom worden strategische olievoorraden aangehouden en ligt er een landelijk crisisplan olie (LCP-O). Het LCP-O beschrijft hoe publieke en private actoren in verschillende fases van een (dreigende) oliecrisis kunnen samenwerken om vitale brandstofvoorziening te garanderen.
Uit het oogpunt van leveringszekerheid acht ik het wenselijk dat in elk geval een deel van de productie van (hernieuwbare) brandstoffen in Nederland en Europa plaatsvindt. Hiervoor zijn de opbouw van productie van hernieuwbare brandstoffen en verduurzaming van bestaande raffinaderijen noodzakelijk. Dit komt aan de orde in de Toekomstvisie op Brandstoffen- en chemiegrondstofproductie en het Aanpak Aanbod Duurzame Koolstofdragers (AADK), die na de zomer aan uw Kamer worden verzonden.
Onderschrijft u de conclusie dat Nederland en de EU stevenen op een verhoogde kwetsbaarheid door een groeiende afhankelijkheid van externe brandstofimporten? Welke stappen ziet u om deze trend te keren?
De kwetsbaarheid van Nederland en de EU hangt samen met risico’s in de aanvoer van kerosine en diesel. Deze importafhankelijkheid vraagt om gericht beleid om leveringszekerheid te borgen. Het kabinet erkent de risico’s voor economie, veiligheid en energiezekerheid, mede zichtbaar in de situatie rond de Straat van Hormuz. Daarom wordt actief ingezet op maatregelen om de vraag te verlagen door te elektrificeren waar dat kan, de toeleveringsketens te versterken, waaronder diversificatie van import, uitbreiding van infrastructuur en versterking van opslag- en productiefaciliteiten (zie ook antwoord 4).
Op welke wijze borgt u het behoud van de kritieke energie-infrastructuur op Nederlands grondgebied? In hoeverre worden hierbij de specifieke vereisten voor militaire mobiliteit en de collectieve Europese verdediging meegewogen?
Het kabinet borgt de kritieke energie-infrastructuur door deze expliciet te beschermen, te onderhouden en waar nodig te versterken via ruimtelijke inpassing, regulering en investeringen in netverzwaring, waterstof- en brandstofinfrastructuur en strategische opslagcapaciteit.
Bij besluitvorming wordt leveringszekerheid structureel meegewogen, inclusief risico’s op verstoringen en de weerbaarheid tegen sabotage of uitval.
De eisen voor militaire mobiliteit maken hier integraal onderdeel van uit: energie-infrastructuur moet geschikt blijven voor snelle verplaatsing en inzet van bondgenoten in het kader van Host Nation Support en voor de krijgsmacht, inclusief gegarandeerde beschikbaarheid van brandstoffen. Ook in EU-verband wordt afgestemd op de vereisten voor collectieve verdediging, zodat infrastructuur aansluit op gezamenlijke defensieplanning en crisisrespons.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de huidige Methaanverordening potentieel 90% van de huidige wereldwijde olie-import diskwalificeert en de kosten voor het Europese bedrijfsleven kan laten oplopen tot 80 miljard euro?
Nederland acht de methaanverordening belangrijk om de klimaatdoelen te halen. Ik neem hierbij de zorgen over de uitvoerbaarheid serieus en heb daar op verschillende manieren aandacht voor gevraagd bij de Europese Commissie. Ik steun de flexibiliteit die de Europese Commissie heeft aangekondigd voor importeurs bij de uitvoering van de verordening en kijk uit naar het concrete voorstel. Tegelijkertijd blijf ik in gesprek met de Europese Commissie, andere lidstaten, marktpartijen en toezichthouders over de implementatie van de verordening en de zorgen die daarbij spelen.
Bent u bereid de conclusies uit dit rapport te integreren in de aangekondigde «Toekomstvisie brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie»? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer deze visie tegemoet zien?
In de Toekomstvisie brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie, die naar verwachting in het najaar naar de Kamer wordt verzonden, worden scenario’s voor de opbouw van hernieuwbare brandstoffen en de afbouw van fossiele brandstof- en chemiegrondstofproductie gewogen op een aantal publieke belangen. Een van deze belangen is strategische autonomie, in het bijzonder leveringszekerheid. Daarbij zal ik ook de inzichten van het rapport betrekken.
Bent u, mede in het licht van de bevindingen over de leveringszekerheid, bereid om de extra voorwaarden voor de indirecte kostencompensatie (IKC-ETS) voor de raffinagesector te heroverwegen, aangezien dit momenteel fungeert als een nationale kop op Europese regelgeving?
Op dit moment komen raffinaderijen die brandstoffen produceren met meer dan 50% fossiele herkomst niet in aanmerking voor de IKC-ETS. Dit onderwerp is momenteel onderdeel van de bredere lopende gesprekken rondom de verlaging van de elektriciteitskosten. Op Prinsjesdag zal hierover meer duidelijkheid komen.
Hoe kijkt u aan tegen de gereedstelling van de krijgsmacht en de risico’s van brandstoftekorten die kunnen optreden in de toekomst?
Voor de krijgsmacht is energie mission critical: een essentiële voorwaarde voor gevechtskracht. Brandstoffen zijn nodig voor varen, vliegen en rijden en daarmee voor de gereedstelling met inbegrip van oefenen en trainen van de krijgsmacht. Defensie heeft eigen opslagcapaciteit en contracten met civiele leveranciers die momenteel worden herzien en waar nodig aangevuld om voldoende capaciteit nu en in de toekomst zeker te stellen. Voor de lange termijn richt Defensie zich ook op het beperken van de energiebehoefte en het versterken van energiezekerheid door diversificatie van energiebronnen zoals alternatieve brandstoffen, energie-efficiency en elektrificatie van materieel.
Kunt u uiteenzetten hoe hij tegen de conclusie aankijkt dat in geval van een conflict de krijgsmacht voorrang moet krijgen op de beschikbaarheid van brandstoffen?
In geval van een gewapend conflict of nationale noodtoestand zal de energiebehoefte voor uitvoering van defensietaken sterk toenemen en kan het daarom noodzakelijk zijn dat vitale middelen, waaronder brandstoffen, prioritair beschikbaar worden gesteld aan de krijgsmacht en andere essentiële diensten. In het LCP-O is uitgewerkt hoe voorrang wordt verleend in het geval van dreigende tekorten als gevolg van crisis of conflict. Defensie is als onderdeel van de vitale infrastructuur opgenomen als prioritaire gebruiker. Daarbij geldt verder dat in uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden op basis van noodrecht maatregelen kunnen worden getroffen om de taakuitvoering door de krijgsmacht te waarborgen. Daarbij blijft het uitgangspunt dat maatregelen proportioneel worden ingezet en maatschappelijke ontwrichting zoveel mogelijk wordt beperkt. Voor het verlenen van voorrang op brandstof aan Defensie is een kabinetsbesluit vereist.
Welk specifiek beleid voert het Ministerie van Defensie op het hebben van voldoende brandstoffen in het geval van een conflict?
Defensie neemt verantwoordelijkheid voor haar energiezekerheid en richt zich op het in lijn met NAVO-afspraken aanhouden van eigen voorraden aan kerosine, diesel en scheepsdiesel. Deze opslagcapaciteit is verspreid over meerdere locaties van Defensie, waaronder militaire vliegvelden. Daarnaast heeft Defensie meerjarige raamcontracten voor de levering en het op peil houden van de brandstofvoorraden. Ook is Defensie verantwoordelijk voor het innemen, transporteren, (tijdelijk) opslaan en afleveren van vliegtuigbrandstof en voor de instandhouding van het kerosine transportsysteem van Central Europe Pipeline System (CEPS) in Nederland. Defensie kan in geval van crisis of conflict een beroep doen op brandstof via het CEPS. Indien de eigen voorraden van Defensie niet afdoende zijn, kan het noodzakelijk zijn dat in geval van een militair conflict of noodtoestand brandstof bestemd voor de civiele markt beschikbaar wordt gesteld aan de krijgsmacht. Daarom is de algemene leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese Unie ook voor Defensie van belang.
Kunt u ingaan op de conclusies in het rapport in het licht van de huidige brandstofstrategie van Defensie, ook in NAVO en Europees verband?
Er wordt onder meer geconcludeerd dat de groeiende import afhankelijkheid tot strategische kwetsbaarheid leidt en dat alternatieve brandstoffen de brandstofzekerheid kunnen vergroten mits de aanvoerketens weerbaar zijn. Deze conclusies worden gebruikt om de brandstofstrategie verder te ontwikkelen en aan te scherpen op zowel nationaal niveau als in NAVO-verband.
Zoals in de kamerbrief Uitvoeringsagenda energie en duurzaamheid2 is aangekondigd, ontwikkelt Defensie dit jaar een roadmap voor energiezekerheid. Deze roadmap is gericht op het borgen van energiezekerheid voor Defensie in de volle breedte. Hiermee wil Defensie zowel de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen beperken als de energiezekerheid van defensieobjecten zoals kazernes en kampementen vergroten.
NAVO is in 2026 gestart met een groot vernieuwingsprogramma om de brandstof- en energievoorziening van het bondgenootschap toekomstbestendig te maken. Hierin wordt gekeken naar leveringszekerheid en interoperabiliteit tijdens en na de energietransitie. Onderdelen van het programma zijn: de herziening van de NAVO single fuel policy (gebruik van één standaard brandstof om de logistiek te vereenvoudigen) en bijbehorende doctrine; de integratie en toetsing van het gebruik van alternatieve (drop-in) brandstoffen; de versterking van de brandstofketen en logistieke infrastructuur (Nato Pipeline System); de verbetering van energiezekerheid, weerbaarheid en crisismanagement en de ontwikkeling van een nieuwe operationele energie-strategie en concepten.
Sinds de inval van Rusland in Oekraïne in 2022, werkt de Europese Unie aan het afbouwen van fossiele afhankelijkheid van Rusland. Met initiatieven als RePowerEU zijn EU-breed afspraken gemaakt over het stoppen van Russische olie- en gasimport per 2027. Andere Europese plannen zoals het EU Grids Package en Accelerate EU, focussen op het stimuleren van Europese energie opwek. Door afhankelijkheden af te bouwen en eigen energieproductie op te schalen, werkt ook Europa aan haar onafhankelijkheid.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de conclusies van het rapport?
Het rapport onderstreept de urgentie om de militaire gereedheid van Nederland mee te wegen bij interventies vanuit de overheid gericht op energie- en leveringszekerheid. In lopende en nog te starten trajecten op dit terrein zal daarom de samenwerking met Defensie, EZK en I&W onverminderd de aandacht krijgen. Militaire paraatheid zal worden meegenomen in de weging.
Kunt u deze vragen 1 voor 1 beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Defensie steevast wegkijkt bij racisme |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Fatimazhra Belhirch (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Defensie kijkt steevast weg bij racisme, zeggen deze militairen»?1
Ja
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme bij Defensie onacceptabel zijn, dat er hiervoor binnen Defensie geen plek is en dat iedere vorm en uitlating ervan resoluut aangepakt moet worden?
Ja
Wat is uw reactie op de ervaringen van de betrokken militairen dat meldingen van racisme onvoldoende worden opgepakt en in hoeverre herkent u deze signalen?
Voor racisme en discriminatie is binnen Defensie geen plek. Ik betreur het feit dat deze militairen het gevoel hebben dat hun meldingen onvoldoende zijn opgepakt. Om beeld te krijgen bij de ervaringen, ben ik recentelijk in gesprek geweest met het Multicultureel Netwerk Defensie.
Hoe verklaart en beoordeelt u dat militairen met een migratieachtergrond drempels ervaren om discriminatie en racisme te melden, mede vanwege angst voor repercussies of negatieve gevolgen voor hun loopbaan? En wat zegt dit volgens u over het vertrouwen in de organisatie?
Elke medewerker moet zich veilig, gerespecteerd en gelijkwaardig kunnen voelen. Ik neem deze signalen dan ook heel serieus. Ik wil benadrukken dat racisme, discriminatie niet getolereerd worden binnen Defensie. Daarnaast is hierbij ook sprake van een wettelijk verbod, zoals opgenomen in onze Grondwet.
Ik herken en erken dat het voor komt voor dat medewerkers het lastig vinden om ongewenst gedrag te melden. Uit onderzoek blijkt dat medewerkers het lastig vinden om ongewenst gedrag te melden, vanwege angst op mogelijke gevolgen voor de eigen loopbaan of die van anderen als ook de twijfels over de wijze waarop een melding wordt behandeld.
Om deze twijfels of angst zo snel mogelijk bespreekbaar te maken en weg te nemen bij melders, beschikt Defensie over een uitgebreid netwerk van gekwalificeerde vertrouwenspersonen. Deze vertrouwenspersonen zijn voor alle defensiemedewerkers laagdrempelig en vrijblijvend benaderbaar en ondersteunen melders gedurende het gehele meldproces. Onze vertrouwenspersonen zijn opgeleid om melders een luisterend oor te bieden, kunnen het verloop van het meldproces toelichten en hen adviseren over hoe zij met de situatie willen omgaan. Hiernaast werkt Defensie aan het verder vereenvoudigen van het meldproces en het verzorgen van duidelijke communicatie hierover. Dit om twijfels over het verloop van het meldproces zoveel mogelijk weg te nemen en de drempel om te melden zo laag mogelijk te houden. Daarnaast is er een onafhankelijk meldpunt voor Defensie, het Meldpunt Integriteit Defensie (MID). Bij het MID kunnen alle defensiemedewerkers een melding doen, onafhankelijk van de lijn. Ook heeft Defensie een Commissie Ongewenst Gedrag (COG). De commissie bestaat uit onafhankelijke onderzoekers die verder verwijderd staan van de eenheid of afdeling waar het onderzoek plaatsvindt
We zetten specifiek in het licht van voorgaande specifiek in op het verhogen van culturele sensitiviteit bij medewerkers werkzaam in het meldproces en faciliteren een inclusief netwerk van vertrouwenspersonen. DO’n zorgen voor een zo divers mogelijke groep vertrouwenspersonen, waarbij in het bijzonder aandacht is voor ondervertegenwoordigde groepen zoals medewerkers met een bi culturele
achtergrond.
In hoeverre duiden deze signalen volgens u op een breder cultuurprobleem binnen (delen van) Defensie, en welke elementen van die cultuur dragen hier volgens u aan bij?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete verantwoordelijkheid dragen leidinggevenden bij het signaleren en aanpakken van racisme, en op welke wijze worden zij hier aantoonbaar op beoordeeld en afgerekend?
Van al het personeel, maar zeker leidinggevenden wordt verwacht dat zij optreden tegen dit soort gedrag. Zij zijn immers verantwoordelijk voor de sociale veiligheid op de werkvloer. Defensie tolereert geen normvervaging en glijdende schaal in gedragingen en of uitingen. Leidinggevenden zijn verantwoordelijk voor een s veilige werkomgeving op de werkvloer en dienen mensen aan te spreken, het gesprek te faciliteren en zorgdragen voor een veilige werkomgeving en worden hierop beoordeeld in de beoordelingscyclus. Bij het niet naleven en oppakken van zwaarwegende signalen rondom sociale veiligheid, kan een leidinggevende aangesproken worden en worden in voorkomend geval verdere maatregelen getroffen. U kunt hier denken aan hantering tuchtrecht en integriteitsmeldingen.
In hoeverre wordt in het kader hiervan uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250, nr. 422) over het bevorderen dat in beoordelingscycli van leidinggevenden wordt opgenomen dat zij actief zorg dragen voor een veilige en inclusieve werkomgeving vrij van racisme en discriminatie?
In het integriteitsbeleid is beschreven wat de taak, rol en verantwoordelijkheid is van leidinggevenden op integriteit en sociale veiligheid, waaronder het bevorderen van een veilige werkomgeving. Het bespreken van hoe zij hier invulling aan geven werkt daarmee door in de functionerings- en beoordelingsgesprekken die gevoerd worden met leidinggevenden binnen Defensie. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250 nr. 422).
Kunt u uiteenzetten hoe het huidige meldsysteem (zoals het COID) functioneert in de praktijk, en in hoeveel gevallen meldingen van racisme de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot concrete maatregelen of sancties?
Elke defensiemedewerker kan bij de eigen leidinggevende terecht om een melding te doen. De medewerker kan zich hierbij laten bijstaan door een vertrouwenspersoon. De leidinggevende zet de melding door aan de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID). In het geval iemand geen melding wil of kan doen bij de eigen leidinggevende is het altijd mogelijk om een melding te doen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID). Het MID is een extern meldpunt, bemenst door medewerkers van het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP). Het MID staat melders te woord, registreert de melding en zet deze, na toestemming van de melder, door aan de COID. Een integriteitsadviseur van de COID adviseert de melder en het bevoegd gezag over de verdere behandeling van de melding. Alle meldingen die via het MID of leidinggevenden binnenkomen worden geregistreerd in het registratiesysteem van de COID.
In de afgelopen vijf jaar heeft de COID 82 meldingen geregistreerd over mogelijke racistische incidenten binnen Defensie of uitingen op social media door Defensie medewerkers. Iedere melding wordt behandeld via de daarvoor geldende procedure; wanneer de telastlegging aannemelijk is, kunnen maatregelen variëren van berispingen, opgelegde functioneringstrajecten, ontslag of een cultuuronderzoek.
De meest toegepaste maatregel, op basis van een melding over racisme, is het voeren van één of meerdere bewustwordingsgesprekken. Tijdens een bewustwordingsgesprek wordt de betrokken medewerker geconfronteerd met de eigen gedragingen en de effecten die dit heeft op anderen en de beeldvorming over Defensie. Als de melder openstaat voor een gesprek met de beschuldigde kan dit onderdeel zijn van een bewustwordingsgesprek. Met deze maatregel probeert Defensie zoveel mogelijk rekening te houden met de belangen van alle betrokkenen, medewerkers verantwoordelijkheid te laten nemen voor hun eigen gedrag, hiervan te leren en situaties op een zorgvuldige en rechtvaardige manier op te lossen.
Hoe wordt geborgd dat daders consequent worden aangesproken (inclusief maatregelen) en dat melders van racisme daadwerkelijk worden beschermd tegen benadeling?
Leidinggevenden vervullen hier een belangrijke rol en zijn een voorbeeldfunctie voor de medewerkers. Zoals in mijn antwoord op vraag 6 aangegeven zijn zij verantwoordelijk voor het zorgdragen voor een veilige werkomgeving. In onze Gedragsregels is vastgelegd dat wij elkaar aanspreken bij ongewenst gedrag. Wij spreken elkaar aan op ongewenst gedrag en medewerkers die hiervoor tevens de verantwoordelijkheid dragen, onder meer door het voeren van bewustwordingsgesprekken of het nemen van rechtspositionele maatregelen.
Elke defensiemedewerker die een melding doet heeft recht op bescherming tegen benadeling. Wanneer een melder toch benadeling ervaart kan dit kenbaar gemaakt worden in de lijn of bij een vertrouwenspersoon. In eerste instantie wordt de situatie dan met betrokkenen besproken en de leidinggevende, met als doel de situatie op te lossen en te de-escaleren. Indien nodig kan de leidinggevende maatregelen nemen om de benadeling te beëindigen en eventueel sancties te nemen.
In hoeverre acht u het wenselijk dat meldingen en onderzoeken naar racisme volledig onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaatsvinden? Hoe is dit nu geborgd?
Ik vind het belangrijk dat elke defensiemedewerker een melding kan indienen, onafhankelijk van de lijn. Hiervoor is in 2020 het MID ingericht, dat extern bemenst wordt door medewerkers van het CAOP. Onderzoeken naar integriteitsschendingen of misstanden vinden ook onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaats. Deze worden door de COID uitgevoerd of, in voorkomend geval, door een externe onderzoekscommissie. De objectiviteit van de COID is gewaarborgd doordat zij buiten de hiërarchische lijn is geplaatst, direct onder de secretaris-generaal (als «Bijzondere Organisatie Eenheid»).
Overwegende dat twee (oud) medewerkers refereren aan diverse racistische uitspraken: hoe beoordeelt u de volgende uitspraken? Deelt u de opvatting dat dergelijke uitspraken racistisch en absoluut onacceptabel zijn, en dat hier altijd consequent tegen moet worden opgetreden?
Ja, die mening deel ik. Dit soort uitspraken zijn verschrikkelijk en volstrekt onacceptabel.
Hoe beoordeelt u de opmerking die gemaakt zou zijn door het COID (namelijk de vraag aan Zaahir om de melding over het afslachten van moslims te laten vallen omdat anders de persoon die dat gezegd zou hebben zijn baan kwijt zou raken)?
Ik doe in het openbaar geen inhoudelijke uitspraken over de behandeling en het onderzoeken van individuele meldingen. Het integriteitsbeleid en de meld- en onderzoeksrichtlijnen eisen dat alle betrokkenen open en eerlijk informatie delen, ongeacht eventuele consequenties. Medewerkers die bij een onderzoek betrokken zijn, mogen geen uitspraken doen over mogelijke gevolgen; die liggen bij het bevoegd gezag. De onderzoeker en adviseur registreren de verkregen informatie zorgvuldig en doen een advies aan het bevoegd gezag, dat de uiteindelijke maatregelen neemt en hierover communiceert met de betrokkenen. Voor rechtspositionele beslissingen wordt het bevoegd gezag geadviseerd door de afdeling Rechtspositie.
Bent u bereid met betrokkenen in gesprek te gaan om hun ervaringen te horen, excuses aan te bieden voor de gang van zaken en te bezien of herstel of vervolgacties (mocht daar behoefte aan bestaan) passend zijn?
Er zijn reeds gesprekken gevoerd met betrokkenen en in één geval de klacht van de betrokkene laten onderzoeken door een Commissie Ongewenst Gedrag. Defensie heeft excuses aangeboden en passende rechtspositionele vervolgacties doorgevoerd. Ook zijn er in goed overleg aanvullende afspraken gemaakt.
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van de nazi-uitingen binnen Defensie in 2018 (en tot welke concrete resultaten heeft dat geleid)?
Uw Kamer is hier reeds meermaals over geïnformeerd, daarvoor verwijs ik u naar Kamerstuk 35 000 X, nr. 144; Kamerstuk 2023Z12558; Kamerstuk 2023D32725 en Kamerstuk 35000-X-76.
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van het artikel van 10 klokkenluiders bij Defensie uit 2023 over hoe het melden van misstanden bij Defensie erin resulteert dat je zelf onder de loep wordt genomen (en tot welke tastbare resultaten heeft dat geleid)?
Sinds het uitkomen van het artikel in 2023 zijn er op basis van (wetenschappelijk) onderzoek, (beleids-)evaluaties en interne en externe ontwikkelingen maatregelen genomen voor het optimaliseren van het meldproces en de omgang en bescherming van melders.
Zo zijn er maatregelen genomen om het meldlandschap binnen Defensie te vereenvoudigen en te verbeteren. Dit heeft onder andere geleid tot het bijscholen van vertrouwenspersonen in het ondersteunen bij arbeidsconflicten, het trainen van adviseurs en onderzoekers van de COID. Daarnaast worden de mogelijkheden onderzocht om het MID door te ontwikkelen naar een volwaardige externe commissie met meer mandaat en bevoegdheden.
Tevens heeft Defensie de Erasmus Universiteit de opdracht gegeven om de ervaringen binnen Defensie met het meldproces voor integriteitsschendingen te onderzoeken. De resultaten hierover worden binnenkort verwacht en worden gebruikt om de opzet, uitvoering en ondersteuning omtrent het meldproces te verbeteren. Ik zal uw Kamer informeren over de inzichten uit het onderzoek en eventuele maatregelen die wij op basis hiervan nemen.
Kunt u een overzicht geven van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie binnen Defensie in de afgelopen 15 jaar? Kunt u per document aangeven welke aanbevelingen zijn gedaan, welke zijn opgevolgd en welke concrete resultaten zijn bereikt?
De afgelopen 15 jaar zijn er veel onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie gepubliceerd en verzonden. Een overzicht genereren van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven vergt meer tijd. Om uw vraag goed en duidelijk te beantwoorden beperk ik mij voor nu tot de onderzoeken en Kamerbrieven van de afgelopen 15 jaar, die hebben geleid tot de meest betekenisvolle, Defensiebrede inzichten en verbeteringen.
Welke lessen trekt Defensie uit andere organisaties (nationaal of internationaal) die succesvol discriminatie hebben aangepakt, en op welke wijze vertaalt u deze lessen naar concrete maatregelen binnen Defensie?
Defensie heeft in 2024 het «Beleidskader Diversiteit & Inclusie» uitgebracht. Dit beleidskader is naast wet- en regelgeving gebaseerd op een grote hoeveelheid (wetenschappelijke) inzichten van nationale en internationale organisaties. Hierbij gaat het onder meer om andere Nederlandse Ministeries, buitenlandse krijgsmachten, (inter)nationale universiteiten, TNO en de Sociaal Economische Raad. Tevens is Defensie actief lid van het Interdepartementaal Netwerk Aanpak Racisme (INAR), waar recent de beleids- en effectrapportage over de aanpak van discriminatie en racisme is besproken.
Bent u bereid nog dit jaar te komen met een lijst van concrete maatregelen (inclusief planning) hoe Defensie racisme en discriminatie gaat aanpakken, de meldingsbereidheid gaat worden verhoogd en hoe gaat worden voorkomen dat melders uiteindelijk slachtoffer worden van hun eigen melding?
In het hiervoor genoemde beleidskader Diversiteit & Inclusie zijn concrete maatregelen beschreven om racisme en discriminatie aan te pakken. Zo wordt in het kader van bewustwording jaarlijks de Internationale dag tegen racisme en discriminatie georganiseerd. Ook wordt in opleiden en trainen waar passend aandacht gegeven aan racisme en discriminatie, zowel in reguliere opleidingen als in specifieke trainingen. In het kader van «Breed werven en objectief selecteren» is er een handreiking ontwikkeld en worden pilot trainingen georganiseerd. Het inclusiebelevingsonderzoek van 2025, zorgt ervoor dat het uitvoeringsplan en de activiteiten verder aangescherpt kunnen worden. Hierin wordt mede geadviseerd door de interne Personeelsnetwerken, zoals Multicultureel Netwerk en Vrouw & Defensie. Daarnaast worden de Gedragscode en -regels geactualiseerd. Hierbij wordt onder andere het advies ingewonnen van het Multicultureel Netwerk Defensie. Het voornemen is om in de geactualiseerde Gedragscode (nog) explicieter op te nemen dat er binnen Defensie geen plek is voor discriminatie en racisme. Defensie voert tweejaarlijks een interne peiling uit omtrent de meldingsbereidheid van defensiemedewerkers. De afgelopen jaren hebben deze peilingen een meldingsbereidheid van meer dan 80% laten zien. De laatste peiling dateert uit 2024. In 2026 zal wederom een peiling worden uitgevoerd. Ik laat de uitkomsten opnemen in het Jaarverslag Integriteit Defensie over 2026.
In hoeverre is er bij Defensie een discriminatietoets verricht door de Staatscommissie Discriminatie en Racisme?
Er is contact tussen de Staatscommissie en Defensie geweest over het opnemen van de discriminatietoets als tool binnen de uitvoering van het Diversiteit & Inclusie beleid en anti-discriminatieprogramma’s. Defensie onderzoekt hoe de Discriminatietoets binnen Defensie kan worden ingezet.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van de aanpak van racisme en discriminatie binnen Defensie?
Ja. Dit zal ik doen via het Jaarverslag Integriteit Defensie.
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.