Het rapport 'No fuel, no fight: The Dutch fuel industry and European military readiness' |
|
Peter de Groot (VVD), Alisha Müller (VVD) |
|
Derk Boswijk (CDA), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente rapport van The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) getiteld «No fuel, no fight: the Dutch fuel industry and European military readiness»?1
Hoe beoordeelt u de toenemende tekorten aan kerosine en diesel in het licht van de voortdurende afbouw van de nationale productiecapaciteit? In hoeverre deelt u de expliciete zorgen van de onderzoekers over de risico’s die deze trend met zich meebrengt voor de stabiliteit en capaciteit van de Nederlandse kritieke energie-infrastructuur?
Hoe weegt u de strategische waarde van de Nederlandse energie-infrastructuur voor de bredere leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese Unie, zeker gezien de Nederlandse rol als logistiek knooppunt?
Bent u bereid om samen met de Ministeries van I&W, Defensie en EZK in kaart te brengen hoe de toekomstige afhankelijkheden van brandstoffen zich ontwikkelen en wat de concrete gevolgen hiervan zijn voor defensie, de burgerluchtvaart en kritieke energie-infrastructuur?
Wat is uw reactie op de prognose uit het rapport dat de importafhankelijkheid voor brandstoffen in 2040 zal stijgen naar 46% voor Nederland en maar liefst 72% voor de gehele Europese Unie? Welke risico’s ziet u hierin voor onze strategische autonomie?
Hoe reflecteert u op de aanbeveling dat de Nederlandse overheid, in EU-verband, een kritieke ondergrens voor productiecapaciteit moet vaststellen en de noodzakelijke instrumenten moet inzetten om deze capaciteit operationeel te houden voor de vitale brandstofvoorziening?
Onderschrijft u de conclusie dat Nederland en de EU stevenen op een verhoogde kwetsbaarheid door een groeiende afhankelijkheid van externe brandstofimporten? Welke stappen ziet u om deze trend te keren?
Op welke wijze borgt u het behoud van de kritieke energie-infrastructuur op Nederlands grondgebied? In hoeverre worden hierbij de specifieke vereisten voor militaire mobiliteit en de collectieve Europese verdediging meegewogen?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de huidige Methaanverordening potentieel 90% van de huidige wereldwijde olie-import diskwalificeert en de kosten voor het Europese bedrijfsleven kan laten oplopen tot 80 miljard euro?
Bent u bereid de conclusies uit dit rapport te integreren in de aangekondigde «Toekomstvisie brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie»? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer deze visie tegemoet zien?
Bent u, mede in het licht van de bevindingen over de leveringszekerheid, bereid om de extra voorwaarden voor de indirecte kostencompensatie (IKC-ETS) voor de raffinagesector te heroverwegen, aangezien dit momenteel fungeert als een nationale kop op Europese regelgeving?
Hoe kijkt u aan tegen de gereedstelling van de krijgsmacht en de risico’s van brandstoftekorten die kunnen optreden in de toekomst?
Kunt u uiteenzetten hoe hij tegen de conclusie aankijkt dat in geval van een conflict de krijgsmacht voorrang moet krijgen op de beschikbaarheid van brandstoffen?
Welk specifiek beleid voert het Ministerie van Defensie op het hebben van voldoende brandstoffen in het geval van een conflict?
Kunt u ingaan op de conclusies in het rapport in het licht van de huidige brandstofstrategie van Defensie, ook in NAVO en Europees verband?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de conclusies van het rapport?
Kunt u deze vragen 1 voor 1 beantwoorden?
Het bericht dat Defensie steevast wegkijkt bij racisme. |
|
Michelle Jagtenberg (D66), Fatimazhra Belhirch (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Defensie kijkt steevast weg bij racisme, zeggen deze militairen»?1
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme bij Defensie onacceptabel zijn, dat er hiervoor binnen Defensie geen plek is en dat iedere vorm en uitlating ervan resoluut aangepakt moet worden?
Wat is uw reactie op de ervaringen van de betrokken militairen dat meldingen van racisme onvoldoende worden opgepakt en in hoeverre herkent u deze signalen?
Hoe verklaart en beoordeelt u dat militairen met een migratieachtergrond drempels ervaren om discriminatie en racisme te melden, mede vanwege angst voor repercussies of negatieve gevolgen voor hun loopbaan? En wat zegt dit volgens u over het vertrouwen in de organisatie?
In hoeverre duiden deze signalen volgens u op een breder cultuurprobleem binnen (delen van) Defensie, en welke elementen van die cultuur dragen hier volgens u aan bij?
Welke concrete verantwoordelijkheid dragen leidinggevenden bij het signaleren en aanpakken van racisme, en op welke wijze worden zij hier aantoonbaar op beoordeeld en afgerekend?
In hoeverre wordt in het kader hiervan uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250, nr. 422) over het bevorderen dat in beoordelingscycli van leidinggevenden wordt opgenomen dat zij actief zorg dragen voor een veilige en inclusieve werkomgeving vrij van racisme en discriminatie?
Kunt u uiteenzetten hoe het huidige meldsysteem (zoals het COID) functioneert in de praktijk, en in hoeveel gevallen meldingen van racisme de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot concrete maatregelen of sancties?
Hoe wordt geborgd dat daders consequent worden aangesproken (inclusief maatregelen) en dat melders van racisme daadwerkelijk worden beschermd tegen benadeling?
In hoeverre acht u het wenselijk dat meldingen en onderzoeken naar racisme volledig onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaatsvinden? Hoe is dit nu geborgd?
Overwegende dat twee (oud) medewerkers refereren aan diverse racistische uitspraken: hoe beoordeelt u de volgende uitspraken? Deelt u de opvatting dat dergelijke uitspraken racistisch en absoluut onacceptabel zijn, en dat hier altijd consequent tegen moet worden opgetreden?
Hoe beoordeelt u de opmerking die gemaakt zou zijn door het COID (namelijk de vraag aan Zaahir om de melding over het afslachten van moslims te laten vallen omdat anders de persoon die dat gezegd zou hebben zijn baan kwijt zou raken)?
Bent u bereid met betrokkenen in gesprek te gaan om hun ervaringen te horen, excuses aan te bieden voor de gang van zaken en te bezien of herstel of vervolgacties (mocht daar behoefte aan bestaan) passend zijn?
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van de nazi-uitingen binnen Defensie in 2018 (en tot welke concrete resultaten heeft dat geleid)?
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van het artikel van 10 klokkenluiders bij Defensie uit 2023 over hoe het melden van misstanden bij Defensie erin resulteert dat je zelf onder de loep wordt genomen (en tot welke tastbare resultaten heeft dat geleid)?
Kunt u een overzicht geven van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie binnen Defensie in de afgelopen 15 jaar? Kunt u per document aangeven welke aanbevelingen zijn gedaan, welke zijn opgevolgd en welke concrete resultaten zijn bereikt?
Welke lessen trekt Defensie uit andere organisaties (nationaal of internationaal) die succesvol discriminatie hebben aangepakt, en op welke wijze vertaalt u deze lessen naar concrete maatregelen binnen Defensie?
Bent u bereid nog dit jaar te komen met een lijst van concrete maatregelen (inclusief planning) hoe Defensie racisme en discriminatie gaat aanpakken, de meldingsbereidheid gaat worden verhoogd en hoe gaat worden voorkomen dat melders uiteindelijk slachtoffer worden van hun eigen melding?
In hoeverre is er bij Defensie een discriminatietoets verricht door de Staatscommissie Discriminatie en Racisme?
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van de aanpak van racisme en discriminatie binnen Defensie?
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
Het bericht dat defensie vasthoudt aan zero-tolerancebeleid voor drugs. |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat met het zero-tolerancebeleid sollicitanten bijvoorbeeld worden afgewezen op basis van het roken van een joint in hun tienerjaren?
Kunt u exact toelichten op basis waarvan (welk verleden en/of gebruik) defensiepersoneel kan worden ontslagen of als ongeschikt kan worden bestempeld tijdens een sollicitatie?
Kunt u voor de afgelopen tien jaar aangeven hoeveel militairen er jaarlijks vanwege drugsgebruik zijn ontslagen en hoeveel sollicitanten zijn afgewezen vanwege drugsgebruik in het verleden?
Hoe verhoudt dit beleid zich tot de huidige maatschappelijke realiteit waarin (beperkt) recreatief gebruik van bijvoorbeeld cannabis voorkomt, zonder dat dit leidt tot disfunctioneren?
Overwegende dat uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat een kwart van de Nederlanders wel eens wiet of cannabis heeft gebruikt, erkent u dat de keuze voor een zero-tolerancebeleid een groot deel van de Nederlanders uitsluit van actief dienen voor Defensie? Zo niet, hoe kunt u dit onderbouwen?
Deelt u de constatering dat het huidige beleid geen ruimte laat voor maatwerk en proportionaliteit, bijvoorbeeld bij een eenmalige overtreding zonder relatie tot de dienst?
Acht u het proportioneel dat een militair voor een eenmalig incident met softdrugs zijn gehele loopbaan kan verliezen, terwijl andere gedragingen (zoals overmatig alcoholgebruik) niet altijd tot vergelijkbare sancties leiden?
Hoe verhoudt het zero-tolerancebeleid op het gebied van drugs zich tot het beleid op het gebied van alcohol? Erkent u dat in veel gevallen alcoholgebruik gevaarlijker is voor militairen dan (het ooit gerookt hebben van) een joint?
Erkent u dat het vreemd is dat het roken van een joint zoals omschreven in het artikel van de NOS leidt tot ontslag terwijl drankgebruik compleet wordt geaccepteerd?1
Hoe beoordeelt u het risico dat waardevolle en schaars opgeleide militairen verloren gaan door een strikt sanctieregime, terwijl Defensie tegelijkertijd kampt met personeelstekorten?
Bent u bekend met signalen dat militairen of aspirant-militairen zich gedwongen voelen om niet eerlijk te zijn over eerder (incidenteel) drugsgebruik uit angst voor afwijzing? Zo niet, hoe duidt u het feit dat aspirant-defensiepersoneel op online fora informatie en strategieën deelt over hoe om te gaan met vragen over hun drugsgebruik in hun tienerjaren?
Hoe beoordeelt u wetenschappelijke inzichten, zoals onderzoek waaruit blijkt dat beperkt drugsgebruik in het verleden geen negatieve correlatie heeft met functioneren of prestaties binnen de krijgsmacht?2
Welk wetenschappelijk bewijs ligt er onder de keuze om te kiezen voor een zero-tolerancebeleid voor zowel soft- als harddrugs? Kunt u een overzicht geven van de onderzoeken die aantonen dat het gebruik (in het verleden) van softdrugs een groter risico vormt voor het functioneren van (aspirant-)militairen dan drankgebruik?
Bent u bereid om (in overleg met militairen, vakbonden en experts) te komen tot een herziening van het drugsbeleid waarin proportionaliteit, maatwerk en evidence-based beleid centraal staan?
De materieelafhankelijkheden van de Nederlandse krijgsmacht |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u op hoofdlijnen aangeven in welke capaciteitsdomeinen Defensie structureel afhankelijk is van leveranciers buiten de Europese Unie?
Nederland werkt samen met Europese bondgenoten om als Europa meer verantwoordelijkheid te nemen voor onze veiligheid. Het Kabinet doet publiekelijk geen inhoudelijke uitspraken over afhankelijkheden van andere landen.
In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor een bepaald wapensysteem altijd een afhankelijkheid van de (buitenlandse) leverancier oplevert, zowel voor de initiële levering, voor de levering van de bijbehorende munitie, als voor de instandhouding zoals door de levering van reservedelen. Defensie maakt altijd een risico-inschatting van de continuïteit van de leverancier en beperkt het risico van een dergelijke afhankelijkheid door het aanleggen van (inzet)voorraden munitie en reservedelen, de aanschaf van onderhoudsdocumentatie en het onderhoud (deels) in eigen beheer te nemen. Voor elk project worden daarin afgewogen keuzes gemaakt, die per project kunnen verschillen.
In de Economische Beleidsanalyse Defensie-industrie (Kamerstuk 31 125, nr. 143) wordt onder meer onderzocht op welke capaciteitsgebieden in Nederland en Europa afhankelijkheden kunnen worden gemitigeerd.
In welke van deze capaciteitsdomeinen is sprake van een single source-situatie, waarbij op korte of middellange termijn geen volwaardig Europees alternatief voorhanden is?
Zie antwoord vraag 1.
Welke aspecten van operationele soevereiniteit vormen volgens u de meest kwetsbare afhankelijkheden, en welke hiervan acht u het meest urgent om te mitigeren?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per capaciteitsdomein duiden of er sprake is van een volwassen Europees alternatief, een Europees alternatief in ontwikkeling, of het geheel ontbreken van een Europees alternatief?
Zie antwoord vraag 1.
Welke afwegingscriteria hanteert u bij de keuze tussen een Europese en een niet-Europese leverancier en welk gewicht krijgt strategische autonomie in die afweging ten opzichte van prijs, levertijd en interoperabiliteit?
De geopolitieke ontwikkelingen vragen dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid en meer rekening houdt met strategische autonomie en leveringszekerheid. Dat vraagt om een vitale defensie-industrie die beter kan bijdragen aan de behoefte van de krijgsmacht (Beleidsbrief Defensie april 2026 – Kamerstuk 36 800, nr. 78). Defensie laat om deze reden herkomst – binnen de grenzen van het aanbestedingsrecht – steeds zwaarder meewegen in de keuzes voor materieel, naast kwaliteit, prijs en levertijd (Actieagenda Productie- en Leveringszekerheid – Kamerstuk 36 410, nr. 93 – en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie – Kamerstuk 31 125, nr. 125). Defensie kijkt daarom naar Nederlandse en Europese leveranciers voor de levering van militair materieel en munitie, voor zover de operationele gereedheid en de veiligheid van onze mensen dit toelaten. Daarnaast wordt bij de afweging gekeken naar risico’s in de leveringsketen, afhankelijkheden van derde landen en de mate waarin interoperabiliteit binnen NAVO- en EU-verband is geborgd.
Bent u bereid om bij verwervingsbeslissingen expliciet mee te wegen dat een Europese leverancier, ondanks bijvoorbeeld een eventueel hogere prijs of latere leverdatum op dit moment, bijdraagt aan het structureel opbouwen van Europese industriële capaciteit?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, strategische autonomie en leveringszekerheid ook de herkomst van het materieel meewegen voor zover dit binnen de huidige (aanbestedings-)regelgeving mogelijk is. Bij voorkeur kiest Defensie voor Nederlandse of Europese leveranciers. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Orders zijn een belangrijke factor in de mogelijkheid van defensiegerelateerde bedrijven om op te kunnen schalen en nieuwe producten te kunnen ontwikkelen. Daarom heeft Defensie in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie aandacht voor «industrieversterkend inkopen». Defensie beziet per casus waar dit instrument kan worden toegepast, conform de ambities die het kabinet in het coalitieakkoord heeft opgenomen. Hierbij houdt Defensie oog voor de operationele gereedheid van de krijgsmacht en de veiligheid van onze militairen. Indien Europese of Nederlandse leveranciers niet (tijdig) kunnen voorzien in de behoefte van de krijgsmacht, beziet Defensie parallel hoe soortgelijke capaciteiten kunnen worden opgebouwd in samenwerking met internationale partners.
Kunt u reflecteren op de balans tussen kwaliteit en kwantiteit in het Nederlandse materieelbeleid en toelichten in hoeverre de lessen uit Oekraïne, waar voorraaddiepte, verliestolerantie en industriële opschaalbaarheid cruciaal zijn gebleken, aanleiding geven om die balans te herijken?
Vanwege de geopolitieke situatie ligt de focus van Defensie op versterking en vernieuwing van de krijgsmacht, op versneld toewerken naar militaire paraatheid en innovatie, en op het scheppen van de voorwaarden om het gevecht langere tijd te kunnen volhouden. Defensie is volop bezig om binnen de vastgestelde kaders de plannen en maatregelen hiervoor uit te werken. Hierbij wordt rekening gehouden met de vereisten die moderne oorlogsvoering aan de krijgsmacht stelt. Hierover wordt uw Kamer in de Defensienota 2026 nader geïnformeerd. Duidelijk is dat in het materieel- en industriebeleid de balans moet worden gevonden tussen vervanging en vernieuwing van bestaande capaciteiten evenals ontwikkeling van nieuwe capaciteiten en toepassing van innovatieve technologieën. Defensie zet zich in om de productiemogelijkheden van militair materieel in Nederland en Europa op te schalen. Naast investeringen in zwaardere bemenste wapensystemen, zet Defensie ook in op onbemenste en goedkopere wapensystemen. Vanuit een operationeel en financieel perspectief streeft Defensie naar een mix van hoogtechnologische en laagtechnologische middelen. De verwerving van onbemenste systemen hoort daarbij. Het gaat naast afwegingen van kwaliteit en kwantiteit ook om aspecten zoals tijdige beschikbaarheid en herkomst van materieel, en de wijze waarop Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zo goed mogelijk worden betrokken.
In welke Europese instrumenten en programma’s participeert Nederland gericht op het afbouwen van niet-Europese afhankelijkheden en in welke projecten vervult Nederland een leidende of substantieel meedragende rol?
Nederland neemt deel aan verschillende EU-programma’s die zich richten op versterking van de Europese defensie-industrie. Momenteel neemt Nederland en de Nederlandse industrie bijvoorbeeld deel aan het Europees Defensiefonds, dat zich richt op onderzoek en ontwikkeling. Daarnaast is Nederland voornemens om ook deel te nemen aan het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP).
Welke instrumenten zet u in om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen te positioneren in die Europese ontwikkelingsprogramma’s en acht u deze instrumenten afdoende?
Defensie heeft instrumenten waarmee Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen worden ondersteund bij het deelnemen aan Europese programma’s als het Europees Defensiefonds (EDF) en het Europees Defensie-industrie Programma (EDIP). Zo heeft Defensie budgetten beschikbaar waarmee de deelname van industrie en instituten aan het EDF wordt gefinancierd. Ook heeft Defensie budget beschikbaar om bedrijven en instituten in staat te stellen om deel te nemen aan ontwikkelingsactiviteiten van het Europees Defensie Agentschap (EDA). Tenslotte financiert Defensie de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om Nederlandse bedrijven te ondersteunen die willen deelnemen aan Europese ontwikkelingsprogramma’s. Aangezien de defensiegerelateerde ontwikkelprogramma’s in het volgende Meerjarig Financieel Kader van de EU in aantal en omvang zullen toenemen, is het te verwachten dat de instrumenten van Defensie op termijn moeten worden opgeschaald. De exacte omvang van die opschaling is nu nog niet goed in te schatten.
Op welke termijn en met welke concrete mijlpalen verwacht u de meest kritische niet-Europese afhankelijkheden afgebouwd of gemitigeerd te hebben?
Zie antwoord op de vragen 1 tot en met 4.
Kunt u deze vragen ruimschoots voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Recente berichtgeving over Palantir |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66), Fatimazhra Belhirch (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van Follow the Money waarin wordt gesteld dat de Kamer niet volledig is geïnformeerd over een contract met Palantir?1
Erkent u dat het antwoord dat in augustus 2025 is gegeven door de Minister van Justitie en Veiligheid op de vraag of er buiten de bekende voorbeelden binnen Justitie en Veiligheid gebruik is of wordt gemaakt van software van Palantir onjuist of op zijn minst onvolledig was? En erkent u dat de Kamer onjuist en/of onvolledig is geïnformeerd?
Kunt u precies uiteenzetten wanneer het contract tussen de Koninklijke Marechaussee (KMar) en Palantir is afgesloten, welke onderdelen van Defensie hierbij betrokken zijn en waarom de Kamer hier niet (volledig) vooraf over is geïnformeerd?
Heeft u kennisgenomen van het 22-punten manifesto van Palantir dat zij op hun sociale media hebben gezet?2 Hoe beoordeelt u dat manifesto? Deelt u de mening dat dit manifesto direct ingaat tegen de normen en waarden van de Nederlandse overheid en dat er mede op basis daarvan geen samenwerking kan plaatsvinden tussen Palantir en de Nederlandse overheid?
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle samenwerkingen die er hebben plaatsgevonden of plaatsvinden tussen de Nederlandse overheid en Palantir sinds de oprichting in 2003? Mochten er nog lopende samenwerkingen zijn, liggen er exitstrategieën om als Defensie zo snel mogelijk te stoppen met het gebruik van de betreffende software?
Bent u bekend met het bericht «Ukraine Creates UK-Backed «A1» AI Hub to Develop EW-Resistant Drones and Predict Russian Moves»?1
Ja.
Naar aanleiding van uw bezoek aan Oekraïne in maart 2026 werd bekend dat Nederland intensief gaat meekijken bij de Oekraïense inzet van drones op het slagveld, om meer te leren over de mogelijkheden voor Nederlandse productie en innovatie van onbemenste systemen; sluit dit aan op het initiatief in de berichtgeving?
Nee, dit staat los van het in de berichtgeving genoemde initiatief. Nederland is bekend met het Oekraïense AI-centrum A1, ook wel het Center of Innovations and Defence Technologies Development. Vanuit Defensie wordt contact gezocht met de initiatiefnemers van dit centrum, onder meer in het kader van lessons learned en mogelijke samenwerking.
Heeft de Nederlandse industrie toegang tot de beschikbare informatie en zo ja, hoe waarborgt u dat deze informatie eerlijk toegankelijk is voor alle geïnteresseerde marktpartijen?
Defensie heeft op dit moment zelf geen directe toegang tot deze specifieke informatie, omdat Nederland niet betrokken is bij dit initiatief. Daardoor beschikt Defensie ook niet over een informatiepositie die met de Nederlandse defensie-industrie kan worden gedeeld of waarvoor Defensie de toegang kan reguleren. Nederlandse bedrijven die zelf actief zijn in Oekraïne kunnen uiteraard via hun eigen contacten met Oekraïense eindgebruikers operationele feedback of gefilterde informatie ontvangen. Dat betreft echter geen door Defensie beheerde of via Defensie beschikbaar gestelde informatiepositie. Tegelijkertijd wordt verkend op welke wijze Nederland in de toekomst kan aansluiten bij initiatieven gericht op kennis- en informatie-uitwisseling, mede om lessen uit Oekraïense innovaties breder toegankelijk te maken voor relevante Nederlandse stakeholders.
Is Nederland ook voornemens om zelf een soevereine database aan te vullen voor het trainen van AI-modellen (al dan niet met Europese partners)? Wordt de Nederlandse industrie aangesloten bij een mogelijk initiatief?
Geschikte data voor het trainen van AI-modellen voor militaire doeleinden is schaars. Daarom erkent Defensie het belang van een database met dergelijke data. Defensie verkent verschillende mogelijkheden voor het verkrijgen van data van hoogwaardige kwaliteit, waarmee robuuste militaire AI kan worden ontwikkeld. Denk hierbij ook aan alternatieven zoals synthetische data. Industriepartners worden actief betrokken.
Ziet u ook een kans om als Nederland koploper in Europa te worden in het ontwikkelen van verantwoorde AI? Wat gaat u op korte termijn initiëren om dit te bewerkstelligen?
Nederland zet zich al geruime tijd in voor de verantwoorde ontwikkeling, verwerving en inzet van militaire AI. Met de eerste Responsible AI in the Military Domain (REAIM) Summit in het voorjaar van 2023 heeft Nederland het thema verantwoorde AI in het militaire domein voor het eerst op de internationale agenda gezet. Nederland was bij alle REAIM summits co-host, in 2023, 2024 en 2025. Daarnaast speelt Nederland een actieve rol in de Governmental Group of Experts on Lethal Autonomous Weapon Systems (GGE LAWS). Van 2024 tot en met 2026 zit Nederland deze groep voor. Het doel is om consensus te bereiken over elementen van toekomstige afspraken over autonome wapensystemen. Tijdens de GGE LAWS bijeenkomsten gaat het ook over de huidige en toekomstige rol van AI in LAWS. Nederland blijft nauw betrokken bij het mogelijke vervolg van REAIM en de GGE LAWS. Daarnaast is Defensie nadrukkelijk bezig met het proces van verantwoorde verwerving van AI. Tot slot wordt onderzocht hoe Defensie militaire AI kan verifiëren en valideren voor veilig gebruik en inzet.
Hoe weegt u het risico van het niet zelf hebben van een soevereine database voor het trainen van AI-modellen en van welke landen verwacht u afhankelijk te zijn?
De data waarop de AI-modellen worden getraind is grotendeels afkomstig en in beheer van Defensie. Daarnaast zullen er technische maatregelen worden getroffen om de daadwerkelijke uitkomsten van de AI-modellen te kunnen valideren, voordat deze daadwerkelijk (operationeel) worden ingezet. Bijvoorbeeld door eerst in een simulatieomgeving te werken. Op dit moment onderzoekt Defensie op Europees niveau met welke aanbieders en partnerlanden hiervoor een samenwerking kan worden gestart.
Sluit u aan bij de gedachten dat we de standaarden voor militair gebruik van AI niet aan externe machten overlaten, maar dat we die zelf bepalen?
Het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, is onverkort van toepassing op het militair gebruik van AI. Het gebruik van AI in het militaire domein mag niet leiden tot schendingen van dit recht. Dit zijn bestaande afspraken. Daarnaast onderschrijft Nederland bijvoorbeeld de NAVO-principes voor het verantwoord gebruik van AI. Voor de effectiviteit van nieuwe internationale afspraken, specifiek ten aanzien van AI in het militaire domein, is het van belang dat staten die actief zijn op het gebied van de ontwikkeling van state-of-the-art AI hieraan meedoen. Nederland zet zich op verschillende manieren actief in om nieuwe afspraken te maken, bijvoorbeeld in het kader van REAIM en van de GGE LAWS.
Ziet u mogelijkheden om aan te haken op het samenwerkingsverband tussen Duitsland en Oekraïne, die hun defensiesamenwerking verder hebben geïntensiveerd door een memorandum te tekenen op het gebied van delen van data van het slagveld, waarbij Duitsland ook toegang krijgt tot real-time DELTA battlefield management system?
Ja, Defensie ziet deze mogelijkheden. Defensie kijkt expliciet naar en werkt samen met Oekraïne om lessen van het slagveld te vertalen o.a. door het delen van relevante informatie. In het deel van de organisatie belast met de militaire steun aan Oekraïne wordt actief gekeken naar innovatie en zo genoemde Lessons Learned en de disseminatie daarvan. Daarnaast werkt Defensie aan het verbinden van Nederlandse en voor Defensie relevante kennisinstellingen met Oekraïense kennis en innovatie instituten
Ziet u het belang van in Europees verband initiatieven organiseren voor een strategisch autonome battlefield management architectuur die interoperabiliteit tussen de (gefragmenteerde) Europese systemen waarborgt?
Ja. Defensie onderschrijft het belang van samenwerking in Europees verband gericht op een meer strategisch autonome battlefield management architectuur. Interoperabiliteit tussen nationale systemen is essentieel voor het effectief gezamenlijk optreden van Europese krijgsmachten, onder meer binnen NAVO- en EU-verband.
Onderneemt Defensie andere initiatieven om een strategisch autonome battlefield management architectuur te maken? Zo niet, kunt u een risicoafweging van afhankelijkheden geven? Zo ja, bent u bereid een plan van aanpak te maken en te delen?
Defensie heeft reeds een aantal battlefield management architecturen in gebruik, zowel aangekocht als zelf ontwikkeld. De insteek is dat primaire componenten van toekomstige battlefield management architecturen in de basis door Defensie zelf ontwikkeld worden.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne geen zaken doet met Nederland, door 'te veel bureaucratie’ |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»?1
Ja.
Welke concrete regelgeving of procedures vormden volgens u de grootste knelpunten voor Fire Point om een productielijn in Nederland op te zetten en hoe werkt u eraan om deze knelpunten in de toekomst te voorkomen?
Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland. Er hebben dan ook geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Om deze reden is er niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken. Indien Oekraïense bedrijven zoals Fire Point de ambitie hebben om in Nederland te produceren staat het kabinet open om de mogelijkheden te verkennen, bijvoorbeeld door het betrekken van Nederlandse bedrijven en bestaande productiefaciliteiten.
Heeft Defensie na het besluit van Fire Point nog contact opgenomen met het bedrijf, en zo ja, welke concrete acties zijn ondernomen om alsnog (delen van) de productie naar Nederland te halen of een alternatieve samenwerking te realiseren?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van de berichtgeving. Dit gesprek heeft nog niet plaatsgevonden.
Hoe verhoudt de Nederlandse bureaucratische doorlooptijd zich tot die in Denemarken, waar Fire Point wél een fabriek voor raketbrandstof gaat bouwen, en welke lessen trekt het kabinet hieruit voor het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoeveel Oekraïense of andere buitenlandse defensiebedrijven hebben de afgelopen twee jaar interesse getoond in vestiging of productie in Nederland en bij hoeveel van deze bedrijven is dit niet doorgegaan vanwege bureaucratie?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Dit gebeurt niet alleen via coproductie. Het Ministerie van Defensie en EZK hebben, o.a. in samenwerking met de brancheorganisatie Nederlandse Industrie voor Defensie & Veiligheid (NIDV), verschillende handelsmissies naar Oekraïne georganiseerd met Nederlandse defensie bedrijven. Hieruit is een groot aantal samenwerkingsverbanden ontstaan tussen Nederlandse en Oekraïense bedrijven die verschillende vormen en intensiteiten kennen. Dit gaat van de levering, ontwikkeling en productie van systemen tot het gezamenlijk innoveren, moderniseren en onderhouden van systemen. Bedrijven willen zelf niet altijd over deze samenwerking in de openbaarheid treden en de contacten zijn soms alleen van bedrijf tot bedrijf in verband met commerciële vertrouwelijkheid. Het is dan ook onmogelijk te zeggen hoeveel bedrijven dit exact betreft, en of regelgeving een struikelblok heeft gevormd. Wel kunnen we bevestigen dat er met meerdere bedrijven en samenwerkingsverbanden gesprekken worden gevoerd over mogelijke productie in Nederland.
Wat zijn de ambities van het kabinet betreffende langeafstandswapens en hoe wilt u dit realiseren als een fabriek op Nederlands grondgebied niet lukt?
De krijgsmacht moet in staat zijn om te vechten en te winnen. Daarom wil Defensie beschikken over de capaciteit om moeilijk bereikbare militaire doelen van een tegenstander op grote afstand uit te schakelen. Voorbeelden hiervan zijn vijandelijke luchtverdedigings- en vuursteunsystemen, logistieke opslaglocaties en hoofdkwartieren. Deze wapens kunnen al in de eerste fase van een conflict essentiële capaciteiten van de tegenstander uitschakelen en leveren een belangrijke bijdrage aan de versterking van de gezamenlijke afschrikking en de verdediging. Daarom zet Defensie in op de versterking van deze capaciteit door de aanschaf van verschillende typen langeafstandsbewapening, de aanvulling van de inzetvoorraden munitie en het versterken van de Nederlandse en Europese productiecapaciteit.
Hiervoor maakt Defensie waar mogelijk gebruik van vraagbundeling met partnerlanden of verwerving via de NATO Supply and Procurement Agency (NSPA). Daarnaast worden via het Foreign Military Sales (FMS) proces verschillende kapitale munitie-artikelen verworven waarvoor op korte en middellange termijn geen Europese alternatieven beschikbaar zijn. De verkenning van coproductie van kapitale munitie loopt momenteel nog.
Indien antwoorden op één of meer vragen vertrouwelijk zijn, is het dan mogelijk om vertrouwelijk gebrieft te worden?
Dit is niet aan de orde.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Materieel van 3 juni 2026?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering van de directeur van Fire Point dat de Nederlandse vergunningsprocedures aanvoelen als «rennen met een loodzware rugzak», mede in het licht van de toezegging van de Minister-President om flink te investeren in de gezamenlijke productie van drones?
Wij herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Dit doen we onder andere door het organiseren van handelsmissies, het verwerven bij de Oekraïense defensie industrie en het scheppen van de randvoorwaarden voor succesvolle samenwerking tussen Oekraïense en Nederlandse bedrijven. Nederland neemt om deze reden actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Herkent u (de Minister van Defensie) het beeld dat bureaucratie een belemmering vormt voor de vestiging en opschaling van de defensie-industrie in Nederland? Is dit een knelpunt dat specifiek speelt bij de productie van drones en aanvalswapens, of herkent u dit bij de defensie-industrie in den brede?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden. Voor concrete interventies wordt gewacht op de uitkomsten van de economische beleidsanalyse (EBA).
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren door knelpunten te adresseren. Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.2 Daarnaast werken we samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de gehele defensie-industrie.
Welke stappen onderneemt u om defensie-innovatiebedrijven uit landen als Oekraïne, die onder oorlogsomstandigheden een ongekend innovatietempo hebben ontwikkeld, te laten aansluiten op het Nederlandse defensie-ecosysteem zonder dat zij vastlopen in vergunningsstelsels die op vredestijd zijn ingericht?
Om te leren van Oekraïense innovaties werkt Defensie aan coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven (Build With Ukraine). Hiermee wil het kabinet de industriesamenwerking met Oekraïne versterken. De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke concrete stappen heeft u sinds uw aantreden gezet om vergunningsprocedures voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland te versnellen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de doorlooptijd van vergunningen voor de productie van drones?
Het verminderen van regeldruk en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland zijn belangrijk onderwerpen in het coalitieakkoord. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.3 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het doel is om generiek tot verbeteringen te komen, er bestaan geen specifieke initiatieven voor de defensie-industrie.
Het kan per project verschillen of een vergunning nodig is voor militaire productie en zo ja, hoe lang een procedure duurt. Dit is onder andere afhankelijk van de locatie en de complexiteit van het project. Zeker als er gevaarlijke stoffen, milieubelastende behandelingen en/of de assemblage van munitie worden voorzien zijn de vergunningprocedures in Nederland complexer. Daarom staat Defensie in goed overleg met decentrale overheden om te onderzoeken hoe militaire productie zo snel mogelijk van start kan gaan, bijvoorbeeld via een eventuele gedoogconstructie. Uiteindelijk is het aan decentrale overheden als bevoegd gezag om hierover te besluiten.
Lopen er op dit moment initiatieven om het vestigingsklimaat voor defensie-innovatiebedrijven in Nederland gericht te verbeteren? Zo ja, welke zijn dat en op welke termijn verwacht u daar resultaat van?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe verloopt de afstemming tussen de Ministeries van Defensie en van Economische Zaken en Klimaat over het wegnemen van knelpunten voor de defensie-industrie? Welk departement heeft hierbij de regie?
De ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat werken doorlopend met elkaar samen, ook in afstemming met brancheverenigingen en koepelorganisaties, bijvoorbeeld op het gebied van het wegnemen van knelpunten voor de opschaling van de defensie-industrie. Zo hebben de ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat gezamenlijk de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 geschreven.4
Het specifieke deelonderwerp bepaalt welk ministerie de regie heeft en welk ministerie daarbij ondersteunend is.
Bent u bereid om, naar Deens voorbeeld, een versnelde vergunningprocedure in te richten specifiek voor defensie-innovatiebedrijven die willen produceren in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoe voorkomt u dat Nederland achter landen als Denemarken aanloopt als vestigingsland voor defensie-innovatie, gegeven het feit dat Denemarken bewust regelgeving heeft aangepast aan de urgentie van de huidige veiligheidssituatie?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de beperkte beschikbare ruimte en de grote druk op de fysieke leefomgeving. Een voorbeeld hiervan is het eerste coproductieproject tussen VDL en het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe staat het met de operationalisering van het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?
Het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), dat is aangekondigd in het coalitieakkoord, gaat zich richten op het realiseren van technologische doorbraken voor maatschappelijke vraagstukken. NADI gaat werken met challenge-based programma’s waar parallel verschillende technologische oplossingen voor een probleem worden verkend. Dit kunnen zowel dual-use als civiele programma’s zijn. Voorafgaand aan de zomer zal ik uw Kamer informeren over de stappen die nodig zijn om NADI te realiseren.
Kunt u een tijdlijn geven voor de oprichting van de Nederlandse Defensie Innovatie Autoriteit naar het voorbeeld van het Amerikaanse Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA)?
In de aankomende Defensienota, die voor de zomer met uw Kamer zal worden gedeeld, zal meer bekendgemaakt worden over de oprichting van een Nederlandse autoriteit voor defensie-innovatie en opschaling.
Bent u bereid om een concreet plan van aanpak met de Kamer te delen waarin de knelpunten voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland worden geïnventariseerd en weggenomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Om randvoorwaarden voor versnelling voor de gehele defensie-industrie te creëren, zal het kabinet de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie concretiseren, conform de motie van het lid Van Lanschot c.s. over de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie herzien. We zullen dit meenemen in de uitwerking hiervan, welke in Q3 2026 met uw Kamer wordt gedeeld.
Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne niet naar Nederland komt vanwege te veel bureaucratie |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het dat het Oekraïense bedrijf Fire Point, dat volgens het item van Nieuwsuur interesse had om delen van de productie naar Nederland te brengen, daar nu van afziet omdat de bureaucratie in Nederland te zwaar en te traag zou zijn?1
We herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke productie in Nederland. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven.
Herkent u het beeld dat het in Nederland in sommige gevallen anderhalf jaar kan duren voordat een defensiebedrijf een productielijn mag opzetten? Zo ja, welke vergunningen, procedures en toetsingen zijn daarbij in de praktijk meestal de oorzaak van de vertraging?
Het kan per project verschillen of een vergunning nodig is voor militaire productie en zo ja, hoe lang een procedure duurt. Dit is onder andere afhankelijk van de locatie en de complexiteit van het project. Zeker als er gevaarlijke stoffen, milieubelastende behandelingen en/of de assemblage van munitie worden voorzien zijn de vergunningprocedures in Nederland complexer. Daarom staat Defensie in goed overleg met decentrale overheden om te onderzoeken hoe militaire productie zo snel mogelijk van start kan gaan, bijvoorbeeld via een eventuele gedoogconstructie. Uiteindelijk is het aan decentrale overheden als bevoegd gezag om hierover te besluiten.
Klopt het dat de Oekraïense droneproducent Fire Point heeft afgezien van vestiging in Nederland vanwege complexe regelgeving en langdurige vergunningstrajecten?
Nee. We herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven.
Beschouwt u het niet doorgaan van deze vestiging als een gemiste kans voor de Nederlandse defensiecapaciteit, de ontwikkeling van de defensie-industrie en het opdoen van kennis en expertise op het gebied van drone-innovatie?
Deelt u de analyse dat de snelheid van innovatie cruciaal is, gezien het feit dat militaire technologie in Oekraïne zich binnen maanden ontwikkelt en al heel snel veroudert? Zo ja, hoe wordt het inkoopproces van Defensie erop ingericht om innovatie te stimuleren en belonen?
De oorlog in Oekraïne heeft geleid tot een ongekende stroomversnelling in militaire innovatie. Deze ervaringen zijn van onschatbare waarde om mee te nemen in de versterking van de Nederlandse krijgsmacht, waaronder op het gebied van innovatie. Defensie trekt hier dan ook belangrijke lessen uit. Tegelijkertijd is het van belang om te waken voor een te eenzijdige focus op Oekraïne, aangezien de specifieke kenmerken van deze oorlog niet zonder meer representatief zijn voor andere toekomstige militaire conflicten.
Het belang van innovatie voor de slagkracht van onze krijgsmacht is één van de kernideeën achter de D-SII, waarin meerdere maatregelen worden aangekondigd om het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.2 Defensie zet daarbij in op nieuwe vormen van samenwerking met kennisinstellingen, zoals TNO, NLR en Marin, om de nieuwste kennis sneller naar een hoger Technology Readiness Level te brengen, onder meer via constructies zoals scientists on the job. Daarnaast worden nieuwe financieringsinstrumenten gerealiseerd, zoals het SecFund, en wordt private financiering gemobiliseerd om innovatieve bedrijven te stimuleren.
Ook maken we werk van een steeds meer innovatiegericht inkoopproces via het SDIR kader, waarbij ruimte is voor experimenten en het opschalen van bewezen innovaties.3 Verder wordt gewerkt aan een nauwere samenwerking met Oekraïne op het gebied van kennisopbouw en -uitwisseling. Tot slot zal de oprichting van een defensie innovatie autoriteit bijdragen aan het versneld opschalen en implementeren van succesvolle innovaties binnen de krijgsmacht.
Welke concrete stappen zet het kabinet om Nederland aantrekkelijker te maken voor internationale defensiebedrijven, met name op het gebied van drones en andere innovatieve, hightech wapensystemen?
Het verminderen van regeldruk en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland zijn belangrijk onderwerpen in het coalitieakkoord. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.4 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het doel is om generiek tot verbeteringen te komen, er bestaan geen specifieke initiatieven voor de defensie-industrie.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande procedures nog passend zijn bij de huidige veiligheidssituatie?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaatzet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Welke rol spelen bankgaranties, voorfinanciering, auditvereisten en andere financiële waarborgen momenteel bij het vertragen van samenwerking met Oekraïense defensiebedrijven?
Op defensiebedrijven uit Oekraïne zijn dezelfde voorwaarden voor bankgaranties, contractaudits, e.d. van toepassing als op bedrijven uit elk ander land. Om vertraging in samenwerking met Oekraïense bedrijven te voorkomen, worden er ook bankgaranties van Oekraïense banken geaccepteerd. Indien de situatie daar om vraagt kan er gemotiveerd van de vraag om een bankgarantie worden afgeweken. Dit wordt door het Ministerie van Defensie per casus op basis van een risicoanalyse beoordeeld. De minimale eisen voor het aangaan van een verplichting en de verantwoording van publieke middelen blijven van toepassing. Deze regels worden gehandhaafd om de doel- en rechtmatige besteding van publieke middelen te waarborgen.
Bent u bereid om, waar verantwoord en juridisch mogelijk, standaard ruimer gebruik te maken van voorfinanciering of andere versnelde financieringsvormen als alternatief voor trage of belemmerende bankgaranties?
Sinds begin dit jaar heeft Defensie versoepelingen in het bevoorschottingsbeleid doorgevoerd. Waar bedrijven geen bankgarantie kunnen leveren bij een voorschot van Defensie, wordt een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het belang van de opdracht enerzijds en het beheersen van financiële en contractuele risico’s anderzijds. Ook blijft Defensie kijken naar alternatieven voor de bankgarantie en andere manieren om de financiering van de defensie-industrie nader te faciliteren. Daarbij blijft Defensie benadrukken dat ook de commerciële financiële sector daarin een rol heeft.
In hoeverre acht u het wenselijk dat andere Europese landen, zoals Denemarken, sneller kunnen schakelen door regelgeving aan te passen, terwijl Nederland hierin achterblijft? Heeft u in kaart gebracht welke regels of procedures in Denemarken anders worden toegepast dan in Nederland?
Omdat er (nog) geen sprake is geweest van het verkennen van de mogelijkheid van het bouwen van een productiefaciliteit voor een Oekraïense producent, is er nog niet in kaart gebracht welke regelgeving hierbij beperkend zou zijn. De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Recent is het eerste coproductieproject gestart, zie antwoord op vraag 4.
Juridisch gezien maakt de Deense regering gebruik van een recent ingevoerde wet die de mogelijkheid biedt om nationale defensie- of crisisgerelateerde projecten versneld door te voeren. Voor het verbeteren van het vestigingsklimaat neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Het bericht ‘Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, ‘te veel bureaucratie’’ |
|
Claire Martens-America (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Herbert , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het cruciaal is voor de Nederlandse veiligheid én voor onze economische groei dat wij koplopers op het gebied van defensietechnologie, zoals de Oekraïense drone-industrie, faciliteren om zich in Nederland te vestigen?
Ja.
In hoeverre belemmert de huidige Nederlandse terughoudendheid bij de productie van aanvalswapens en -munitie volgens u de samenwerking met innovatieve Oekraïense partners?
Nederland sluit niks uit op het gebied van productie van militair materieel, zolang dit in lijn is met nationale regelgeving en internationale verdragen en past binnen de fysieke leefomgeving. Zo verkent het Ministerie van Defensie op dit moment de mogelijkheden voor coproductie van kapitale en drone- munitieproductie in Nederland. Het kabinet zet dit met prioriteit voort en streeft ernaar munitieproductie binnen drie jaar te realiseren, afhankelijk van factoren die buiten de invloedssfeer van Defensie liggen, zoals vergunningverlening.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe beoordeelt u het feit dat dit bedrijf de Nederlandse bureaucratie omschrijft als «rennen met een loodzware rugzak»?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden.
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren.2 Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.3 Daarnaast werken we hieraan samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de defensie-industrie.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de directeur van Fire Point dat hij in Oekraïne in twee dagen een nieuwe productielijn opzet, terwijl hij in Europa (en Nederland) veel te veel tijd kwijt is aan papierwerk?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de analyse van de Oekraïense inspecteur-generaal Myronenko dat traditionele militaire bureaucratie «de grootste vijand van innovatie» is?
De oorlog in Oekraine laat het sterk toegenomen belang van kortere innovatiecycli zien die zich rechtstreeks vertalen in inzetbare gevechtscapaciteiten. Het is daarom zaak om de vereiste zorgvuldigheid bij verwervingsprocedures te betrachten en tegelijkertijd ruimte in te bouwen voor flexibiliteit en, conform de doelstellingen van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII), het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.4 Zie hiervoor het antwoord onder vraag 14.
Kunt u specifiek toelichten welke Nederlandse of Europese regels en vergunningsplichten (zoals op het gebied van exportcontrole, milieu of ruimtelijke ordening) in dit concrete geval de grootste hindernis vormden voor de vestiging van deze dronebouwer?
Nee. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland.
Is er vanuit de Ministeries van Defensie of Economische Zaken en Klimaat direct contact geweest met Fire Point om de specifieke knelpunten te achterhalen? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden tussen Fire Point en het Ministerie van Defensie of Economische Zaken en Klimaat over mogelijke productie in Nederland omdat de producent deze interesse niet kenbaar heeft gemaakt. Om deze reden is er ook niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek, zie het antwoord op vraag 9 en 10.
Zijn er na de afwijzing door Fire Point nog extra pogingen ondernomen vanuit de overheid of regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) om het bedrijf alsnog te faciliteren in Nederland?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven. Nederland verwelkomt alle initiatieven in het kader van Build with Ukraine en gaat graag met producenten in gesprek over mogelijkheden voor samenwerking met Nederlandse bedrijven, waarbij gezamenlijk wordt verkend hoe productie in Nederland vorm kan krijgen.
Bent u bereid om alsnog proactief het gesprek aan te gaan met Fire Point om te bezien of en op welke manier bureaucratische belemmeringen weggenomen kunnen worden, zodat vestiging in Nederland alsnog mogelijk wordt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is uw reactie op het feit dat Denemarken volgens de dronebouwer wel bereid was om regels «overboord te gooien» om snel zakendoen mogelijk te maken?
Op 2 september 2025 maakte Denemarken bekend dat Fire Point zich in Denemarken vestigt om vaste raketbrandstof te produceren. De Deense regering maakt gebruik van een recent ingevoerde wet die de mogelijkheid biedt om nationale defensie- of crisisgerelateerde projecten versneld door te voeren.
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke lessen trekt u uit de Deense aanpak om het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven concurrerender te maken?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.5 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Bent u bereid om, gezien de noodzaak tot economische groei en versterking van de defensiesector, de vergunningsprocedures voor de defensie-industrie drastisch te versnellen? Bent u bereid om bij de aankomende Vereenvoudigingswet hiervoor concrete vereenvoudigingen door te voeren?
Zie antwoord vraag 12.
Welke (verdere) concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat (militaire) innovaties worden vertraagd, terwijl deze essentieel zijn voor het overleven van onze bondgenoten en onze eigen veiligheid?
Het belang van innovatie voor de slagkracht van onze krijgsmacht is één van de kernideeën achter de D-SII, waarin meerdere maatregelen worden aangekondigd om het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.6 Defensie zet daarbij in op nieuwe vormen van samenwerking met kennisinstellingen, zoals TNO, NLR en Marin, om de nieuwste kennis sneller naar een hoger Technology Readiness Level te brengen, onder meer via constructies zoals scientists on the job. Daarnaast worden nieuwe financieringsinstrumenten gerealiseerd, zoals het SecFund, en wordt private financiering gemobiliseerd om innovatieve bedrijven te stimuleren.
Ook maken we werk van een steeds meer innovatiegericht inkoopproces via het SDIR kader, waarbij ruimte is voor experimenten en het opschalen van bewezen innovaties.7 Verder wordt gewerkt aan een nauwere samenwerking met Oekraïne op het gebied van kennisopbouw en -uitwisseling. Tot slot zal de oprichting van een defensie innovatie autoriteit bijdragen aan het versneld opschalen en implementeren van succesvolle innovaties binnen de krijgsmacht.
Kunt u de Kamer informeren over de huidige status van de gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven en de resultaten die tot nu toe zijn geboekt?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Om deze reden nemen we actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee de coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven mogelijk gemaakt wordt. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend. Op 16 april jl. is hier een belangrijke volgende stap in gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne.
We zoeken actief naar volgende projecten die de industriesamenwerking met Oekraine verder versterken en verwelkomen aanvullende initiatieven voor gezamenlijke productie in Nederland. Over de status van lopende gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven kan geen uitspraak gedaan worden in het kader van commerciële vertrouwelijkheid.
Bent u bekend met het artikel «Zijn bedrijf wordt verdacht van fraude, maar toch verdient deze taxibaas miljoenen bij Defensie» van Follow the Money?1
Ja.
Overwegende dat volgens berichtgeving bedrijven in het netwerk van een Nederlandse ondernemer worden verdacht van fraude in internationale munitiehandel, terwijl aan ditzelfde netwerk defensieopdrachten van grote waarde zijn verstrekt, hoe reflecteert u op deze berichtgeving?
Zakelijke integriteit, waaronder het tegengaan van fraude en corruptie, is een onderwerp dat wij zeer serieus nemen. Door de geopolitieke context, de grote behoefte aan (specialistische) militaire producten en de korte tijdspanne waarin deze geleverd moeten worden, neemt de kans op het manifesteren van fraude- en corruptierisico’s toe. Dit is ook door de Audit Dienst Rijk (ADR) gesignaleerd en Defensie werkt daarom aan verschillende verbeteringen om beter met deze toegenomen risico’s om te gaan. Voorbeelden hiervan zijn het voorbereiden van een defensiebrede frauderisicoanalyse en het ontwikkelen van een frauderisicomanagementsysteem waarin aandacht is voor de preventie, herkenning en detectie van fraude en corruptie.
Klopt het dat bedrijven gelieerd aan deze ondernemer betrokken zijn bij contracten met het Ministerie van Defensie voor de levering van wapens, munitie, boten of ander militair materieel? Zo ja, om welke contracten en bedragen gaat het precies?
Het klopt dat Defensie overeenkomsten heeft met bedrijven die aan deze ondernemer gelieerd zijn. Om operationeel en commercieel vertrouwelijke redenen doet Defensie geen uitspraak over de aard en omvang van de opdrachten.
Wanneer en op welke wijze is het Ministerie van Defensie geïnformeerd over eventuele strafrechtelijke onderzoeken of verdenkingen van fraude met betrekking tot bedrijven die betrokken zijn bij deze contracten?
Op 15 november 2025 heeft Defensie kennisgenomen van een krantenartikel in De Limburger waarin melding werd gemaakt van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie van een van de bedrijven, op grond van fraude met eindgebruikerscertificaten.
Op 18 november 2025 heeft de ondernemer Defensie over de achtergronden en oorzaken geïnformeerd. Op die datum had Defensie enkele contracten met het bedrijf dat onderwerp was van het fraudeonderzoek en waarvan de erkenning op grond van de Wet Wapens en Munitie werd ingetrokken. Defensie is niet voornemens om nieuwe overeenkomsten met dit bedrijf te sluiten. De uitvoering van deze contracten is door een ander bedrijf, dat wel over de juiste vergunningen beschikt, overgenomen zodat Defensie nog steeds over de producten kon beschikken die waren aangekocht.
Overwegende dat volgens het artikel sprake zou zijn geweest van het gebruik van valse of misleidende eindgebruikerscertificaten bij internationale munitiehandel, was het Ministerie van Defensie hiervan op de hoogte? Zo ja, wanneer en welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke integriteits-, veiligheids- en betrouwbaarheidstoetsen worden standaard uitgevoerd bij bedrijven die defensiecontracten verkrijgen, met name wanneer het gaat om handel in wapens en munitie?
Nederlandse bedrijven die wapens of munitie leveren dienen een erkenning te hebben ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan daarnaast een eigen verklaring gevraagd worden van een leverancier, een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis, een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) of een autorisatie door de MIVD ingevolge de Algemene Beveiligingseisen voor Defensieopdrachten (ABDO) c.q. de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). Voor buitenlandse bedrijven bestaan equivalente verklaringen, waar Defensie op dezelfde wijze mee omgaat.
In hoeveel gevallen heeft Defensie sinds de Russische invasie van Oekraïne gebruikgemaakt van nieuwe leveranciers of tussenhandelaren bij de inkoop van militair materieel? Welke extra risico’s op fraude of misbruik brengt dit volgens u met zich mee?
Door de Russische invasie zijn er vele en snelle ontwikkelingen en innovaties op het gebied van militair materieel en de wijze van militair optreden. Dit brengt met zich mee dat er nieuwe bedrijven zijn waar Defensie mee samenwerkt en waar Defensie militair materieel van inkoopt. In sommige gevallen zijn dit kleine en relatief onbekende bedrijven, vaak omdat zij in staat zijn specifiek materieel goed en snel te leveren. Voorbeelden hiervan zijn droneontwikkelaars. De snelheid van levering en de leveringszekerheid zijn in deze tijden van materieelschaarste voor Defensie een van de belangrijkste criteria waarop leveranciers worden geselecteerd, uiteraard naast andere factoren als de prijs en kwaliteit van het materieel en betrouwbaarheid van de leverancier. De intensievere samenwerking met externe partners, waaronder tussenhandelaren, in tijden van schaarste vraagt van Defensie extra aandacht voor de beheersing van risico’s op het gebied van fraude en corruptie. Hiervoor werkt Defensie inmiddels aan verbeteringen en blijft dit de komende jaren ook doen. Een aantal concrete voorbeelden hiervan hebben we benoemd in ons antwoord onder vraag 2.
Overwegende dat in het artikel wordt gesteld dat bepaalde betrokken bedrijven mogelijk niet voldoen aan NAVO- of ISO-kwaliteitsstandaarden voor defensieleveranciers, kunt u aangeven aan welke kwaliteits- en certificeringsvereisten bedrijven moeten voldoen om als leverancier voor Defensie op te treden?
Defensie stelt bij de inkoop van materieel eisen aan de leverancier, aan het product en aan de kwaliteitszorg. Welke eisen gesteld worden, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald. Bij alle contracten die Defensie sluit, dus ook bij contracten met bedrijven waar deze ondernemer bij betrokken is, wordt vooraf gecontroleerd of het bedrijf en de te leveren producten aan alle gestelde eisen voldoen.
Welke controles voert het ministerie uit om te waarborgen dat materieel dat via tussenhandelaren wordt ingekocht daadwerkelijk voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en niet tegen onnodig hoge prijzen wordt geleverd?
Materieel dat gekocht wordt, wordt bij ontvangst gecontroleerd. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan een testplan worden afgesproken, een acceptatietest in de fabriek, en/of een acceptatietest na installatie bij de gebruiker. Ook wordt garantie bedongen voor productie- en/of ontwerpfouten. Welke testen en garantie worden bedongen wisselt naar gelang de aard van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald.
Bij het inkopen zonder concurrentiestelling, wordt bij contracten van meer dan € 2,5 miljoen geëist dat de ADR een onderzoek naar de prijsstelling kan uitvoeren. Daarbij wordt onder meer het winstpercentage beoordeeld. De resultaten van het ADR-onderzoek kunnen aanleiding zijn voor aanvullende onderhandelingen en bijstelling van de prijs.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat bedrijven die worden verdacht van fraude of andere integriteitsschendingen betrokken raken bij defensiecontracten of leveringen van militair materieel?
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld.
Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Bent u bereid lopende contracten met bedrijven uit het genoemde netwerk opnieuw te beoordelen op integriteit, betrouwbaarheid en prijsstelling? Zo nee, waarom niet?
Wij zien nu geen aanleiding om deze beoordeling opnieuw uit te voeren. De lopende contracten zijn beoordeeld op betrouwbaarheid en prijsstelling. De genoemde bedrijven hebben voorafgaand aan contractering een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis overlegd en er is voorcalculatorisch onderzoek uitgevoerd door de ADR. Wel is een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van dit signaal betreffende informatieverstrekking aan een leverancier.
Kunt u deze vragen tijdig voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Het bericht ‘Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power» van The New Republic?1
Hoe beoordeelt u het gegeven in het artikel dat het bedrijf Palantir doelbewust inzet op discriminerende aspecten van hun technologie waarmee democratische verhoudingen worden verslechterd?
Welke rol spelen bedrijven als Palantir Technologies momenteel in Nederlandse overheidsprocessen, bijvoorbeeld op het gebied van data-analyse, veiligheid of publieke dienstverlening?
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat technologiebedrijven die nauw samenwerken met overheden of veiligheidsdiensten ook uitgesproken politieke visies hebben over de werking van democratieën?
Hoe is er in de aanbesteding van de software van Palantir nagedacht over de impact van deze samenwerking op de democratie en maatschappij?
In referentie naar de aangenomen motie van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van Palantir, wat is de status van de uitvoering van de drie gevraagde actielijnen uit deze motie2?
Kunt u een plan aanleveren om de verschillende functionaliteiten van Palantir waar de Nederlandse overheid gebruik van maakt om te zetten naar volwaardige alternatieven, en welke EU-bedrijven dit kunnen leveren? Zo ja, kan er ook een overzicht gemaakt worden welke EU-bedrijven deze functionaliteiten kunnen leveren, en kunt u de Kamer dit doen toekomen?
Is het kabinet bereid, als de benodigde capaciteiten nog niet op de Europese markt beschikbaar zijn, om te verkennen of de talenten binnen JIVC (Joint Informatievoorziening Commando) benut kunnen worden om de benodigde capaciteiten zelf te ontwikkelen, al dan niet in samenwerking met het Nederlandse of Europese bedrijfsleven?
Is het kabinet bereid te onderzoeken of aanvullende transparantie- of governance-eisen nodig zijn voor technologiebedrijven die AI-systemen leveren aan overheden, zeker wanneer deze bedrijven ook actief zijn in defensie- en veiligheidssectoren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het Argos-bericht 'Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen» van Argos?1
Ja.
In uw Kamerbrief (Kamerstuk 36 592, nr. 60) geeft u aan: «Bij wijze van uitzondering en omdat ik in deze casus extra waarde hecht aan transparantie, informeer ik uw Kamer vooraf.» Klopt het dat u tot een brief over bent gegaan na vragen van Argos? Zo nee, waarom maakt u dan deze uitzondering?
Het besluit om de Kamer vooraf te informeren is gemaakt omdat ik voornemens ben om een Letter of Acceptance (LOA) te tekenen op 8 april aanstaande en zoals in de brief vermeld, waarde hecht aan transparantie en het tijdig informeren van de Kamer.
Welke commitment geeft Nederland aan het CCA-programma, nu en in de toekomst, bij het tekenen van de letter of acceptance?
Defensie gaat met het tekenen van de LOA een eenmalige verplichting aan richting de Amerikaanse overheid in de bandbreedte 50–250 miljoen2. Daarmee krijgen Defensie en betrokken kennisinstellingen TNO en NLR als deelnemer aan het programma kennis en toegang tot data over het CCA testprogramma.
In hoeverre zullen de vergaarde kennis en onderzoeksresultaten uit dit programma intellectueel eigendom zijn van de Nederlandse overheid?
Het programma deelt de experimentele data en analyses van het Amerikaanse testprogramma CCA met Nederland. Op grond van de LOA worden nadere samenwerkingsafspraken, onder andere op gebied van intellectueel eigendom, uitgewerkt.
Op welke manier zullen de vergaarde kennis en onderzoeksresultaten later gebruikt kunnen worden ter bevordering van een Europees alternatief?
De opgebouwde kennis stelt Defensie in staat om in de toekomst beter geïnformeerde afwegingen te maken t.a.v. toekomstige materiaalverwerving. En geeft Nederland de mogelijkheid om beter geïnformeerd in eventuele andere Europese programma's te kunnen deelnemen, indien dit opportuun is in de toekomst.
Kunt u aangeven waarvoor het benodigde budget van € 50–100 miljoen wordt gebruikt?
Om als partner in het Amerikaanse programma deel te nemen, betaalt Defensie een Buy in Fee in de vorm van een financiële bijdrage. Defensie en betrokken kennisinstellingen TNO en NLR krijgen als deelnemer aan het programma kennis en toegang tot data over CCA.
Bent u voornemens om twee testtoestellen aan te schaffen?
Door Defensie worden geen testtoestellen aangeschaft, maar wordt toegang verkregen tot het Amerikaanse CCA-programma.
Oorspronkelijk, voorafgaand aan het ondertekenen van de LOI op 16 oktober 2025, ging Defensie er vanuit dat deelname aan het onderzoeksprogramma mogelijk was door middel van aanschaf van twee testtoestellen. Dit bleek anders, zoals ook in de LOA is verwoord. Er is door de Verenigde Staten gevraagd om een financiële bijdrage ter hoogte van de aankoop van twee testtoestellen voor deelname aan het CCA programma, waarna Nederland de beschikking krijgt over de testdata en analyse. De testtoestellen blijven eigendom van de Verenigde Staten.
Waarom is de Kamer in de voorgaande Kamerbrief (Kamerstuk 36 592, nr. 56) over CCA niet ingelicht over het aanschaffen van testtoestellen?
Het aanschaffen van testtoestellen is niet aan de orde, zie vraag 7.
Worden er binnen het ministerie momenteel al vervolgstappen besproken om het inkooptraject van het CCA te vorderen, naast het aanschaffen van de twee testtoestellen? Zo ja, welke?
Nee, daar is hier geen sprake van.
Op basis van welke gronden kan de Nederlandse overheid nog uit het project stappen?
Na ondertekening van de LOA zullen nadere afspraken gemaakt worden over de inrichting van de Nederlandse deelname middels een Project Arrangement. Volgens de LOA is het mogelijk om uit het project te stappen met inachtneming van annuleringskosten. De details van de annuleringsgronden- en kosten staan in de LOA toegelicht en zijn commercieel vertrouwelijk.
Welke afspraken zijn daaromtrent gemaakt en welke kosten zijn daarmee gemoeid?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de zorg dat de verdere integratie van CCA met de vijfde generatie jachtvliegtuigen onze afhankelijkheid van het Amerikaanse defensie-ecosysteem vergroot? Waarom wel, waarom niet?
De doorontwikkeling van het vijfde generatie jachtvliegtuig staat los van Nederlandse deelname aan dit Amerikaanse CCA programma. Nederland maakt op dit moment geen aanschafkeuze in onbemenste jachtvliegcapaciteit.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is, gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen, dat Nederland verder geïntegreerd raakt in het Amerikaanse defensie-ecosysteem? Indien u deze zorg deelt, kunt u dan uitleggen hoe deze verdere integratie bijdraagt aan het onafhankelijker worden?
Als Nederland en Europa nemen we meer verantwoordelijkheid t.a.v. onze veiligheid en de verdediging van ons eigen continent. In het regeerakkoord is afgesproken om afhankelijkheden van buiten Europa af te bouwen en dat we voorop blijven in het toewerken naar een versterkte Europese pijler binnen de NAVO. Het Kabinet streeft daarom naar een meer gelijkwaardige trans-Atlantische relatie en een meer evenwichtige verdeling van de lasten binnen de NAVO. Echter houdt Defensie belang bij materieel- en industriesamenwerking met de VS, omdat we op bepaalde capaciteitsgebieden voorlopig afhankelijk zijn van kennis, onderdelen en ondersteuning vanuit de VS.
Bent u ermee bekend dat Anduril nauw samenwerkt met Palantir?
Ja.
Bent u bekend met de uitspraken van Anduril CEO Palmer Luckey: «So, to me, there's no moral high ground in using inferior technology, even if it allows you to say things like, «We never let a robot decide who lives and who dies,»» en van Palantir CEO Alex Karp «I love the idea of getting a drone and having light fentanyl-laced urine spraying on analysts that tried to screw us.»? In hoeverre bent u comfortabel met het uitbesteden van onze AI-defensiecapaciteiten aan deze personen?
Met deelname aan het programma wil Defensie kennis en data vergaren voor de mogelijke aanschaf, integratie en inzet van CCA in de verdere toekomst. Het gaat hier niet over het uitbesteden van defensiecapaciteiten. Daarnaast ga ik niet in op uitspraken van personen die geen betrekking hebben op CCA of de overeenkomst die ik van plan ben te sluiten met de Amerikaanse overheid.
Kunt u reflecteren op de uitspraak over Palantir van Italiaanse onderzoeker Francesca Bria in Follow the Money: «Het is een arm van de Amerikaanse veiligheidsstaat: een particulier instrument van geopolitieke macht. Als Europese overheden hun tools kopen, kopen ze niet alleen software: ze geven soevereiniteit op. Als je in zo’n bedrijf investeert, financier je de oorlog tegen Europese democratie.»?
Er is geen sprake van aanschaf van Amerikaans materiaal, enkel deelname aan een programma. Hiermee kan Defensie de benodigde kennis en data vergaren om later de juiste investeringskeuzes te kunnen maken. Door deelname aan het Amerikaanse programma, vergaren we ook kennis die we in Nederland en in Europees verband kunnen benutten of inzetten. Binnen het programma krijgen de kennisinstituten TNO en NLR mogelijkheden voor samenwerking, het opdoen van de nodige kennis en het vergaren van data.
Hoe verhoudt de samenwerking met deze bedrijven zich tot de verklaring over het gebruik van AI op Responsible AI in the Military Domain (REAIM), welke Nederland wel en de VS niet getekend hebben?
De software is gebaseerd op een open architectuur en geen eigendom van betrokken bedrijven, maar van de Amerikaanse overheid. Defensie behoudt de mogelijkheid om in samenwerking met de Nederlandse en Europese kennisinstellingen en industrie software te ontwikkelen conform de verklaring over Responsible AI in the Military Domain (REAIM).
Hoe verhoudt de samenwerking zich met de uitspraken van Pete Hegseth, Amerikaanse Minister van Oorlog: «De AI van het Ministerie van Oorlog zal niet woke zijn.» en «Geen domme gevechtsregels, geen moeras van natie-opbouw, geen oefening in het bouwen van democratie, geen politiek correcte oorlogen»?
Defensie voert zijn activiteiten op het gebied van AI uit conform de verklaring over Responsible AI in the Military Domain.
Heeft het ministerie contact gezocht met Italië, het Verenigd Koninkrijk, dan wel met Japan, om te verkennen wat hun plannen zijn voor onbemenste vliegtuigen en of Nederland daaraan kan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Defensie doet sinds 2023 onderzoek en heeft veelvuldig informeel contact gehad met verschillende partijen. Hieruit blijkt o.a. dat het Global Combat Air Program (GCAP) in een conceptstadium zit met een initiële focus op bemenste zesde generatie vliegtuigen als opvolger van de vierde generatie jachtvliegtuigen van Italië, het Verenigd Koninkrijk en Japan. Dit past nu niet bij de wens van Defensie om kennis te vergaren over onbemenste gevechtsvliegtuigen en daarom is niet formeel de vraag gesteld voor samenwerking.
In de Kamerbrief van 19 maart schrijft u dat: «[twee Europese samenwerkingsprogramma’s] bieden op dit moment geen mogelijkheden tot deelname aan een kennis- en innovatieprogramma voor onbemenste gevechtsvliegtuigen.»; waarom heeft u er niet voor gekozen om deze in samenwerking met andere landen op te zetten en in plaats daarvan uit te wijken naar de Amerikanen?
Defensie verkent de mogelijkheden van deelname aan programma’s in de ontwikkeling van onbemenste systemen binnen en buiten Europa in het MOBIUS project, zoals vermeld in Kamerstuk 36 592 nr.60. Het doel is waar mogelijk kennis en ervaring op te doen, om in de toekomst beter geïnformeerde materiaalverwerving te kunnen doen. Het Amerikaanse CCA programma biedt nu de kans om kennis, data en analyses in de concept, test en ontwikkelfase te vergaren. Overige programma’s bieden dit vooralsnog niet, maar blijven nauwlettend gevolgd worden.
Kunt u deze vragen apart en voor 8 april 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen’ |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen»?1
Ja.
Hoe voorziet u, naast toetreding tot het Amerikaanse CCA-programma, concreet aan te sluiten op Europese ontwikkelingen? Kunt u een plan van aanpak aan de Kamer verstrekken?
In de brief van 19 maart jl. (Kamerstuk 36 592 nr. 60) is toegelicht dat Defensie door deelneming in het CCA-programma nu concrete kansen kan benutten voor het opdoen van kennis tijdens de fase van test, onderzoek en ontwikkeling van onbemenste gevechtsvliegtuigen die kunnen samenwerken met bemenste jachtvliegtuigen. De twee genoemde grotere internationale samenwerkingsprogramma’s voor toekomstige jachtvliegtuigen, waar eventuele onbemenste gevechtscapaciteit onderdeel van uitmaakt, zijn in een beginstadium en bieden deze mogelijkheden (nog) niet. Dit neemt niet weg dat Defensie in het programma MOBIUS de mogelijkheden blijft verkennen van deelname aan andere programma’s voor kennisopbouw en ontwikkeling van dit soort systemen, wereldwijd en specifiek in Europees verband. Defensie werkt daarnaast in NAVO en in EU-verband en bilateraal met verschillende partners nauw samen op kennis- en innovatiegebied in het luchtdomein en wisselt in dit kader informatie uit over het opzetten van kansrijke projecten en initiatieven, waaronder op de gebieden van onbemenste systemen en autonomie.
Wat betreft de ambitie om aan te sluiten op Europese alternatieven; hoe gaat u om met het risico dat het ene Europese alternatief, «Future Combat Aircraft System» met daarbij behorende onbemenste systemen («Remote Carriers»), zo goed als stukgelopen is, en het andere Europese alternatief «Global Combat Air Program» zich met name richt op een volgende generatie bemenste jachtvliegtuig?
Geïntegreerde onbemenste luchtsystemen kunnen de effectiviteit van bemenste gevechtsvliegtuigen aanzienlijk vergroten en zijn sneller en goedkoper te produceren dan traditionele bemenste gevechtsvliegtuigen. De ontwikkelingen gaan snel en het is daarom aannemelijk dat bestaande trajecten van Europese landen worden doorontwikkeld of aangevuld met nieuwe initiatieven voor de toekomstige integratie van onbemenste luchtsystemen. Door deelname aan het Amerikaanse programma kan Defensie nu kennis vergaren waarmee we voorop lopen in deze ontwikkeling. Dit kan ook van nut zijn bij eventueel toekomstige deelname aan programma’s met Europese partners.
De wet- en regelgeving voor het gebruik van kunstmatige intelligentie bij militaire inzet staat nog in de kinderschoenen; wat is uw plan als de kunstmatige intelligentie in het Amerikaanse CCA-programma niet aansluit op Europese of Nederlandse standaarden? Hoe gaat u om met de risico’s? Bent u voornemens om, indien het niet aansluit, zelf alternatieven binnen Europese standaarden te ontwikkelen?
Het Amerikaanse CCA programma ontwikkelt de software in een open architectuur. Defensie behoudt de mogelijkheid om in samenwerking met de Nederlandse en Europese kennisinstellingen en industrie software te ontwikkelen conform Nederlandse dan wel Europese standaarden.
In uw recente Kamerbrief van 19 maart 2026 (Kamerstuk 36 592, nr. 60) schrijft u mogelijkheden te onderzoeken om de Nederlandse innovatieve industrie aan te laten sluiten bij de ontwikkeling van CCA in de toekomst; bent u bereid te verkennen of Nederland het voortouw kan nemen in de Europese ontwikkeling van onbemenste systemen zoals «Collaborative Combat Aircraft» of «Remote Carriers», overwegende dat dit complementair kan zijn aan huidige internationale initiatieven en de kennis en kunde in Nederland beschikbaar is?
Defensie verkent de mogelijkheden van deelname aan programma’s in de ontwikkeling van onbemenste systemen binnen en buiten Europa in het MOBIUS project. Deelname aan het Amerikaanse CCA programma biedt unieke kansen op kennisopbouw om deze verkenning zorgvuldig uit te kunnen voeren.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Rechtspositie reservisten is juridisch mijnenveld voor werkgever en werknemer’ |
|
Fatimazhra Belhirch (D66), Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtspositie reservisten is juridisch mijnenveld voor werkgever en werknemer»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de huidige aanpak onvoldoende rechtszekerheid biedt voor zowel reservisten als werkgevers? En herkent u het beeld dat de inzet van reservisten bij Defensie in de praktijk neerkomt op een dubbele rechtspositie, terwijl verantwoordelijkheden en risico’s niet eenduidig zijn geregeld? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de voorgenomen opschaling van het aantal reservisten?
In het arbeidsrecht geldt in beginsel het uitgangspunt dat werkgever en werknemer afspraken maken over de inzet als reservist bij Defensie. Gelet op de rol van de reservist tot nu toe waren die afspraken meestal afdoende. De rol en inzet van de reservist wordt echter groter en verandert van karakter. Dat vraagt om meer duidelijkheid over de rechten en plichten van de reservist, van de civiele werkgever en van Defensie als militaire werkgever. Veelal hebben reservisten daarbij twee werkgevers, waarbij de civiele werkgever de primaire werkgever is. Dat kan in bepaalde situaties tot onduidelijkheid leiden over rechten en plichten.
Daarom tref ik samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en met werkgevers- en werknemersorganisaties voorbereidingen om de rechtspositie van reservisten in hun arbeidsrelatie met hun civiele werkgever én met Defensie te verduidelijken en waar nodig te verbeteren.
Kunt u aangeven in welke sectoren de knelpunten rond loondoorbetaling, vervanging en rechtszekerheid het meest spelen? Ziet u verschillen tussen grote werkgevers en kleinere ondernemers?
Defensie onderhoudt contacten met werkgevers uit verschillende sectoren. In het algemeen bemerkt Defensie daarbij weinig terughoudendheid. Het relatienetwerk groeit gestaag en er is bij veel organisaties begrip voor het belang van reservisten voor de nationale veiligheid.
Soms hebben werkgevers vragen over bijvoorbeeld loondoorbetaling, of vervanging tijdens inzet. Deze vragen komen zowel bij grotere als kleinere werkgevers voor en in verschillende sectoren. Eenduidige communicatie en duidelijke afspraken helpen om eventuele onduidelijkheid weg te nemen. De ervaringen van werkgevers neem ik samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mee in het lopende onderzoek naar de rechtspositie van reservisten.
Kunt u uiteenzetten hoe de verantwoordelijkheid momenteel is verdeeld wanneer een reservist tijdens een oefening gewond raakt, in het bijzonder wat betreft loondoorbetaling en re-integratie?
De huidige juridische kaders zijn neergelegd in het (militair) ambtenarenrecht en het arbeidsrecht, met name in de Wet Ambtenaren Defensie en in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. De verdeling van verantwoordelijkheden kan in individuele gevallen complex zijn, mede doordat reservisten zowel een civiele als een militaire werkgever hebben.
Wanneer een reservist tijdens een oproep in werkelijke dienst gewond raakt of arbeidsongeschikt wordt, meldt deze zich in beginsel ziek bij de civiele werkgever. Nadat de oproep in werkelijke dienst is geëindigd keert de reservist terug bij zijn civiele werkgever. Daarmee blijft de civiele arbeidsrelatie leidend voor de toepassing van de regels rond loondoorbetaling bij ziekte en re-integratie.
Daarnaast kan Defensie, op grond van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen, in bepaalde gevallen aanvullende – bovenwettelijke – voorzieningen toekennen. Deze voorzieningen vormen een aanvulling op de reguliere sociale zekerheidsregelingen en zijn bedoeld om militairen, waaronder reservisten, te ondersteunen wanneer zij tijdens hun inzet voor Defensie letsel oplopen of arbeidsongeschikt raken.
Momenteel breng ik in samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in kaart hoe de verschillende juridische stelsels zich tot elkaar verhouden en of en zo ja waar verduidelijking of aanpassing van verantwoordelijkheden wenselijk is. Hierbij onderzoeken we situaties waarin arbeidsongeschiktheid ontstaat door of tijdens de inzet als reservist.
Deelt u de inschatting dat de huidige onzekerheid over aansprakelijkheid, loondoorbetaling en re-integratie bij letsel of arbeidsongeschiktheid tijdens reservistentaken een drempel kan vormen voor werkgevers om reservisten in dienst te nemen of te houden?
In de contacten met werkgevers merkt Defensie over het algemeen weinig terughoudendheid. Veel organisaties tonen begrip voor het belang van reservisten en zijn bereid hieraan bij te dragen. Tegelijkertijd hebben werkgevers vragen over bijvoorbeeld loondoorbetaling bij ziekte of arbeidsongeschiktheid. Onderzoeken laten zien dat bij individuele (aspirant-)reservisten juridische onduidelijkheid soms een reden kan zijn om af te zien van een sollicitatie als reservist of om Defensie voortijdig te verlaten. Deze inzichten neem ik mee bij de verbetering van de rechtspositie van reservisten.
Kunt u toelichten hoe het maximale bedrag van € 55 per dag bij langdurige afwezigheid als tegemoetkoming tot stand is gekomen en in hoeverre dit bedrag in verhouding staat tot de werkelijke vervangings- en loonkosten van werkgevers?
De huidige regeling voorziet in een tegemoetkoming voor werkgevers wanneer een reservist gedurende langere tijd wordt ingezet. Deze tegemoetkoming is destijds vastgesteld als een bijdrage in de kosten die werkgevers kunnen maken wanneer een werknemer langere tijd niet beschikbaar is vanwege inzet bij Defensie. Het betreft nadrukkelijk geen volledige compensatie van alle mogelijke kosten die werkgevers kunnen hebben, zoals loonkosten of kosten voor vervanging.
Vanwege de groeiende rol van reservisten en de ambities voor het reservistenbestand heeft Defensie recentelijk de regeling tegemoetkoming werkgeversbijdrage onderzocht. Onder meer zijn de werking van de huidige regeling en de ervaringen van werkgevers in de praktijk bekeken. Op basis daarvan bezien we deze regeling, waarbij we onder meer kijken naar de toekenningscriteria voor de tegemoetkoming en de hoogte van het bedrag van de tegemoetkoming.
Hoe wilt u voorkomen dat werkgevers op grote schaal hun risico beperken door aanvullingen op loondoorbetaling bij ziekte uit te sluiten bij letsel dat ontstaat door reservistentaken, zonder dat hier een andere regeling tegenover staat?
Zoals eerder in vraag 4 beschreven blijft de civiele arbeidsrelatie leidend en zijn de voorzieningen binnen Defensie een aanvulling op de bestaande sociale zekerheidsregelingen.
Zoals gezegd maakt dit ook deel uit van de eerder toegelichte samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarbij kijken we naar de positie van civiele werkgevers en de verdeling van verantwoordelijkheden bij loondoorbetaling bij ziekte. Uw Kamer wordt hierover voor het zomerreces geïnformeerd zoals toegezegd tijdens het Commissiedebat Arbeidsmarktbeleid en Arbeidsmarktdiscriminatie van 24 september 2025 en bij brief van 17 december 20252.
Hoe verhoudt de inzet als reservist zich tot de maximale arbeidstijd, wanneer reservistentaken plaatsvinden in weekenden of avonden, en welke verantwoordelijkheid heeft de werkgever om overtreding van arbeidstijden te voorkomen?
De Arbeidstijdenwet (Atw) geldt in principe voor het totale aantal uren bij verschillende werkgevers. Dat betekent dat ook uren die een reservist in werkelijke dienst werkt kunnen meetellen bij de maximale arbeidstijd en rusttijden. Werkgevers hebben de verantwoordelijkheid om te zorgen dat deze normen niet worden overschreden.
In sommige situaties is de Atw niet van toepassing op arbeid door defensiepersoneel, zoals tijdens varen, vliegen of militaire oefeningen. Het gaat dan om omstandigheden waarin toepassing van de Atw op gespannen voet staat met een goede uitoefening van defensietaken. Daarom is het belangrijk dat werkgevers en reservisten goede afspraken maken over de combinatie van civiel werk en reservistentaken, zodat overtreding van arbeidstijden wordt voorkomen.
Acht u het wenselijk dat er geen ontslagbescherming bestaat voor reservisten die (tijdelijk) niet kunnen werken wegens reservistentaken en dat er geen garantie is op terugkeer in de oude functie?
Momenteel bestaat er geen specifieke wettelijke ontslagbescherming voor reservisten. Dit is onderwerp van gesprek van het onderzoek naar de rechtspositie van reservisten.
Bent u het ermee eens dat vanwege de voorgenomen opschaling van het aantal reservisten het wenselijk is om werkgevers en reservisten meer zekerheid te bieden? Zo ja, welke concrete stappen gaat u op korte termijn zetten om dit te regelen?
De rol en inzet van reservisten wordt de komende jaren groter. Dat vraagt om meer duidelijkheid over de rechten en plichten in de driehoek Defensie als militaire werkgever, de reservist/werknemer en de civiele werkgever. Daarom breng ik samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en met werkgevers- en werknemersorganisaties in kaart of en zo ja waar de rechtspositie van reservisten verduidelijking of verbetering behoeft. Uw Kamer wordt voor het zomerreces geïnformeerd.
Hoe kijkt u naar de optie om de bovengenoemde onduidelijkheden en onzekerheden door middel van een wetswijziging weg te nemen?
Zoals ik hierboven toelicht werkt Defensie continu aan het verbeteren van de rechtspositie van reservisten. Uw Kamer wordt voor het zomerreces geïnformeerd, zoals toegezegd. Daarbij zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingaan op de vraag of de rechtspositie van reservisten verduidelijking dan wel versterking behoeft door middel van nieuwe wettelijke regels. Dat neemt niet weg dat werkgevers- en werknemersverenigingen vrij zijn bovenwettelijke afspraken in een cao op te nemen.
Het bericht 'Mediamagnaat Jimmy Lai krijgt twintig jaar cel in Hongkong' |
|
Derk Boswijk (CDA), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving dat de Hongkongse autoriteiten democratie-activist Jimmy Lai hebben veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf, hetgeen, gelet op zijn leeftijd, in de praktijk kan neerkomen op een feitelijk levenslange straf?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat een veroordeling op basis van het vermeende «collusion with foreign forces» geen grond heeft in de werkelijkheid en in belangrijke mate lijkt te zijn gericht op het neutraliseren van de pro-democratische oppositie in Hongkong? Zo ja, bent u bereid uw zorgen over deze arbitraire veroordeling aan te kaarten bij uw Chinese ambtgenoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat uitvoering van de Nationale Veiligheidswet een negatief effect heeft op het democratisch proces en de rechtsstaat in Hongkong. De rechtszaak tegen Jimmy Lai maakt onderdeel uit van een bredere campagne van beperking van vrijheid van meningsuiting in Hongkong.
Onze serieuze zorgen over de veroordeling van de heer Lai en de hoge opgelegde strafmaat zijn in diplomatieke contacten overgebracht aan de Chinese autoriteiten. Daarbij is gewezen op het feit dat dit vonnis haaks staat op de verantwoordelijkheden die de Hongkongse autoriteiten hebben om de vrijheid van meningsuiting te beschermen als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Bent u bereid om in contacten met Chinese ambtgenoten het lot van Jimmy Lai en dat van de honderden andere politieke gevangenen in Hongkong structureel en expliciet aan de orde te blijven stellen? Zo ja, bent u bereid om in publieke (online) verslaglegging of via sociale media te refereren aan de inhoud van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Hongkong wordt op verschillende niveaus in gesprekken met Chinese gesprekspartners opgebracht, zowel bilateraal en in EU-verband als in multilaterale fora. Als het mogelijk is om de inhoud van deze gesprekken te delen, dan zal ik dat doen, maar daarbij merk ik op dat veel van deze gesprekken een vertrouwelijk, diplomatiek karakter hebben. Publieke verslaglegging daarvan, al dan niet via sociale media, is niet altijd mogelijk, omdat het de vertrouwelijkheid kan schaden en niet bijdraagt aan een openhartige uitwisseling van standpunten.
Bent u bereid om verontwaardiging over deze arbitraire veroordeling publiek kenbaar te maken door nationaal of in multilateraal verband een veroordelend statement uit te brengen? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Eerder heeft Nederland samen met EU -en gelijkgestemde landen verschillende keren zorgen uitgesproken over de voortgaande beperkingen van de persvrijheid in Hongkong en de onderdrukking van lokale media, waaronder de gedwongen sluiting van de krant Apple Daily en de arrestatie van eigenaar Jimmy Lai. De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) gaf via sociale media een verklaring af op de dag dat de strafmaat bekend werd gemaakt. Daarin betreurde EDEO de hoge strafmaat, kwalificeerde de Dienst de rechtszaak tegen hem als politiek gemotiveerd en riep hij op tot vrijlating van de heer Lai. Nederland heeft deze verklaring ondersteund.
Welke concrete acties onderneemt Nederland momenteel om de persvrijheid in China en de regio te beschermen en te bevorderen, en welke ruimte ziet u om deze inzet verder te versterken of op te schalen?
Vrijheid van meningsuiting online en offline is een van de prioriteiten binnen ons Nederlandse buitenlandse mensenrechtenbeleid. Nederland zet zich daardoor wereldwijd in voor de bescherming van journalisten en het bevorderen van persvrijheid. Dit doen we concreet, ook met betrekking tot China en Azië, door onze steun te verlenen aan cross-regionale verklaringen en coalities, zoals de Media Freedom Coalition (MFC) en de Freedom Online Coalition (FOC). Daarnaast investeert Nederland 20 miljoen euro in de veiligheid van journalisten en mediawerkers via het centrale Mensenrechtenfondskader via het Safety for Voices programma (2023–2027). Vanuit het gedelegeerde Mensenrechtenfonds worden via ambassades projecten en evenementen georganiseerd ter bevordering van persvrijheid en veiligheid voor journalisten. Nederland blijft doorlopend samen met partners kijken hoe deze inzet, ook in China en Azië, nog meer effect kan sorteren. Vanwege de veiligheid van partners ter plekke kan het kabinet niet in detail treden over welke organisaties Nederland exact steunt.
Acht u deze veroordeling van invloed op het investeringsklimaat en de rechtszekerheid in Hongkong, en wordt dit betrokken bij het Nederlandse en Europese beleid ten aanzien van China en Hongkong?
Het kabinet is van mening dat handhaving van de rechtsstaat en bescherming van rechten en fundamentele vrijheden, inclusief de vrijheid van meningsuiting, belangrijke factoren vormen voor een aantrekkelijk investeringsklimaat. Bedrijven nemen dergelijke factoren in overweging bij het uitvoeren van hun investeringsplannen. De veroordeling van Jimmy Lai kan in die zin van invloed zijn op het vertrouwen in het investeringsklimaat in Hongkong. Nederland en de Europese Unie benadrukken in gesprekken met de autoriteiten van China en Hongkong de cruciale rol die rechtszekerheid speelt bij het aantrekken van investeringen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de NRC-artikelen «Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao» van 21 januari 2026 en «Olietankers uit Venezuela door Nederland en Curaçao aan de ketting gelegd» van 7 februari 2026?1, 2
Ja.
Klopt het dat de olietanker Regina op 15 januari 2026 Venezolaanse olie heeft gelost in Curaçao terwijl het schip voer onder een frauduleuze vlag van Oost-Timor, de verplichte Automatic Identification System (AIS)-transponder langdurig was uitgeschakeld, het schip vermeld stond op een Amerikaanse sanctielijst en het opgegeven Maritime Mobile Service Identity (MMSI)-nummer niet bij dit schip hoorde? Zo ja, hoe verklaart u dat dit schip desondanks toestemming heeft gekregen om aan te meren en te lossen?
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het betreffende land. Alle landen van het Koninkrijk zijn gehouden aan de EU sanctielijst. Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Er is bij MT Regina geen sprake van overtreding van EU-sancties bij het aanmeren van deze schepen in de havens van Curaçao.
Schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole. Daarmee is meer feitelijk vast te stellen of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Tijdens het eerste bezoek van de MT Regina aan Curaçao op 15 januari is een havenstaatcontrole uitgevoerd door de Curaçaose autoriteiten.
Verificatie van detail gegevens is complex en vereist toegang tot bepaalde informatie. Die is niet altijd ter plaatse voorhanden zoals ook in dit geval. Na de inspectie is het schip vertrokken en is het inspectierapport, voor advies en ter informatie, door Curaçao gedeeld met Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Onder coördinatie van de KMA werken de vier landen van het Koninkrijk op maritiem gebied samen3. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd maar in ad hoc situaties wordt er informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot collegiale expertise en advies gegeven.
De KMA heeft hierop Nederlandse experts (waaronder ILT) gevraagd informatie na te trekken via diverse (specialistische) bronnen. Hieruit werd bevestigd dat het schip onder andere een valse vlag voerde. Zoals verwoord in antwoord op vraag 4 van de leden Van Oosterhout en Tseggai, valt het voeren van een valse vlag niet onder de (EU) sancties.
Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Een Maritime Mobile Service Identity (MMSI) is een uniek, negen-cijferig nummer dat in de maritieme communicatie wordt gebruikt om communicatieapparatuur van schepen en kuststations te identificeren. Het MMSI-nummer wordt verstrekt door het land waar het schip geregistreerd is (vlagstaat).
De Curaçaose autoriteiten zijn hiervan in kennis gesteld met daarbij het advies bepaalde informatie aan boord diepgrondiger te verifiëren in geval van een nieuw havenbezoek. Dat is gebeurd op 26 januari waarop het schip is aangehouden. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Wanneer waren het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Inspectie Leefomgeving en Transport en andere betrokken Nederlandse autoriteiten voor het eerst op de hoogte van deze overtredingen en signalen, waaronder de internationale waarschuwingen van Oost-Timor aan Internationale Maritieme Organisatie (IMO)-lidstaten over frauduleuze vlagvoering?
Buitenlandse Zaken was hiervan voor het eerst op de hoogte op 21 januari. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 hierboven en antwoord op vraag 5 van de leden Van Oosterhout en Tseggai.
Hoe verhoudt de eerdere verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederland pas na vragen van NRC op 21 januari 2026 kennisnam van de valse vlag en andere schendingen zich tot het feit dat de Curaçaose Maritieme Autoriteit al eerder twijfels had over de vlagvoering en hierover contact opnam met Nederland?
Onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de vier landen van het Koninkrijk samen op maritiem gebied. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd via geplande vergaderingen maar in ad hoc situaties wordt er (bilateraal) informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot expertise en advies gegeven. Buitenlandse zaken is geen direct betrokken partij wanneer het maritieme aangelegenheden (zoals een havenstaatcontrole) betreft, wel wordt er nauw samengewerkt wanneer het sancties en sanctienaleving betreft. Daarvan lijkt hier echter geen sprake zoals toegelicht onder vraag 2. Er was derhalve geen directe aanleiding voor contact met Buitenlandse Zaken.
Klopt het dat de Regina pas bij het tweede aanmeren op 28 januari 2026 aan de ketting is gelegd, nadat vanuit Den Haag was bevestigd dat sprake was van valse vlagvoering en vermoedelijke schendingen van Europese sanctieregels? Wat zegt dit volgens u over het eerdere toezicht en de informatie-uitwisseling?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2.
Welke verantwoordelijkheid draagt Nederland dan wel Curaçao voor de veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de Filipijnse bemanning van de Regina, die door het aan de ketting leggen van het schip vast is komen te zitten, en welke stappen zijn hierin gezet?
De veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de bemanning zijn internationaal geregeld op grond van het MLC-verdrag.4 De verantwoordelijkheid voor de bemanning aan boord van zeeschepen ligt primair bij de reder/scheepsbeheerder en secundair bij de vlagstaat. Bij het in gebreke blijven van voornoemde partijen, komt de kuststaat (Curaçao) in beeld.
De Maritieme Autoriteit Curaçao meldt dat zij in goed contact is met de scheepsagent. Daarnaast monitort zij de situatie met de bemanning aan boord. Enkele bemanningsleden hebben toestemming gekregen te vertrekken. De betaling, welzijn en verzorging van de bemanning zijn nog niet in gevaar.
Klopt het dat ook andere tankers die op internationale sanctielijsten staan, zoals de Volans en mogelijk de Albedo, onderweg zijn of waren naar Curaçao? Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat opnieuw schepen met vergelijkbare risico’s worden toegelaten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend ten aanzien van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving ervan. De handhaving van sancties binnen de jurisdictie van Curaçao is echter aan de autoriteiten van Curaçao. Beide schepen komen niet voor op een EU-sanctielijst. Daarmee is er geen harde weigeringsgrond zoals toegelicht in eerdere antwoorden. De Volans komt voor op diverse andere sanctielijsten, de Albedo niet. De EU heeft echter geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch is zij gehouden aan andere sanctielijsten.
Informatie en procedures worden voortdurend bekeken, geëvalueerd en bijgesteld waar nodig; in de landen zelf en tussen de vier landen van het Koninkrijk middels samenwerking onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Zo ook ten aanzien van de pre-arrival procedure. De autoriteiten op Curaçao evalueren met alle relevante instanties de bestaande procedure en passen deze aan waar nodig. Ook de reikwijdte en juridische mogelijkheden van ontzeggende procedures, met name op EU gesanctioneerde schepen, wordt beschouwd in samenwerking met de Kustwacht Caribisch Gebied. De KMA is hierover geïnformeerd en heeft initiatief genomen om dit proces waar mogelijk Koninkrijksbreed te harmoniseren, tenminste met de maritieme autoriteiten in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Klopt het dat oliehandelaar Trafigura door de Amerikaanse overheid is ingehuurd om Venezolaanse olie te commercialiseren en dat daarvoor een vergunning van de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC is verleend? Is de Nederlandse regering vooraf geïnformeerd over deze constructie en de daaraan verbonden juridische en politieke risico’s?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld of bekend met Nederland.
Heeft de Verenigde Staten contact met Nederland of Curaçao gezocht naar aanleiding van het aan de ketting leggen van de schepen?
Nee. De Verenigde Staten hebben dit niet formeel bij Nederland noch Curaçao aangekaart.
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao en Nederland door het faciliteren van deze olietransporten en -opslag worden betrokken bij het omzeilen van sancties en mogelijk schendingen van internationaal recht?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet bekend of gedeeld met Nederland. Mocht de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC voor deze transacties een ontheffing hebben verleend, dan zou er geen sprake zijn geweest van mogelijke omzeiling van sancties. Op basis van de nu bekende informatie is er geen indicatie dat internationale regelgeving is overtreden.
Deelt u de opvatting van verschillende hoogleraren internationaal recht en Caribisch staatsrecht dat deze kwestie niet kan worden aangemerkt als een louter commerciële transactie, maar raakt aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Nee. Commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen vallen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Het enkele feit dat er een buitenlandse component aan zit betekent niet dat deze kwestie aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk raakt.
Is deze kwestie in de Rijksministerraad besproken, waar Nederland een belangrijke (meerderheids)stem heeft? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens dit alsnog te agenderen? Bent u van mening dat het in deze casus van groot belang is dat Nederland en Curaçao gezamenlijk optrekken, gezien de rijksverantwoordelijkheid voor buitenlandse betrekkingen, sanctieregimes en de naleving van internationaal recht?
Nee. Deze kwestie betreft geen Koninkrijksaangelegenheid. Er zijn geen EU-sancties op Venezolaanse olie en de betreffende schepen staan niet op een EU-sanctielijst. En, zoals gesteld in het antwoord op vraag 11, vallen commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Ten slotte vindt er op het juiste niveau actief samenwerking en uitwisseling van informatie plaats. Samenvattend is er geen aanleiding dit actief te agenderen op voornoemd niveau.
Mogelijke plaatsing van Chinese laadpalen bij gebouwen van de Rijksoverheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Rijkaart , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Rijksvastgoedbedrijf mogelijk honderden laadpalen van een Chinees bedrijf wil laten plaatsen bij gebouwen van de rijksoverheid, ondanks groeiende zorgen over strategische afhankelijkheid en veiligheid?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Het bericht gaat over een raamovereenkomst die het Rijksvastgoedbedrijf op 7 oktober 2025 heeft gegund. Deze overeenkomst gaat over het beheer van bestaande laadinfrastructuur en, als dat nodig is, de levering en plaatsing van nieuwe laadpalen bij Rijksvastgoed.
Een raamovereenkomst heeft geen afnameverplichting. Dat betekent dat er niet automatisch een vast aantal laadpalen wordt geplaatst. Per locatie wordt beoordeeld of plaatsing nodig is en hoe dit past binnen de geldende technische en beveiligingskaders.
Het kabinet vindt het belangrijk om veiligheid goed mee te wegen. Daarom worden bij dit soort aanbestedingen vooraf eisen gesteld voor functie, techniek en beveiliging. Voor locaties met een hoger risico kunnen extra eisen gelden.
Klopt het dat bij aanbestedingen voor laadinfrastructuur voor overheidsgebouwen het uitgangspunt is dat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse bedrijven en technologieën? Zo ja, hoe verhoudt de mogelijke keuze voor Chinese leveranciers zich tot dit uitgangspunt?
Aanbestedingen moeten passen binnen de geldende regels op nationaal, Europees en internationaal niveau. Die regels gaan uit van gelijke behandeling en non-discriminatie. Daarnaast is er aandacht voor beveiligingseisen en het beperken van risico’s voor de nationale veiligheid.
Binnen die regels worden aanbestedingen ingericht met duidelijke, objectieve en wettelijke eisen. Het gaat dan om functionele eisen, technische eisen en beveiligingseisen. Inschrijvingen worden op basis van die eisen beoordeeld. Dat geldt ook voor deze raamovereenkomst.
Het kabinetsstandpunt over een Europees voorkeursprincipe in publieke aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld.2
Op welke wijze zijn bij deze aanbesteding nationale veiligheidsrisico’s, waaronder cyberveiligheid, databeveiliging en mogelijke ongewenste toegang tot systemen van overheidsgebouwen, meegewogen?
Bij deze aanbesteding zijn vooraf eisen vastgesteld voor functie, techniek en beveiliging. Deze eisen gaan onder meer over informatiebeveiliging en gegevensbescherming. Ook gaan ze over een veilige aansluiting op bestaande energie- en netwerkinfrastructuur.
Daarbij wordt aangesloten op de Rijksbrede kaders voor informatiebeveiliging en op de geldende wet- en regelgeving. Het denken staat op dit punt niet stil: als het nodig is scherpen we geldende wet- en regelgeving aan.
In hoeverre acht u het risico reëel dat slimme laadpalen – die verbonden zijn met digitale netwerken en energie-infrastructuur – kunnen worden misbruikt voor spionage, sabotage of verstoring van vitale infrastructuur?
Slimme en verbonden apparatuur kan cyberrisico’s met zich meebrengen. Dit geldt ook voor slimme laadpalen. Het gaat daarbij niet alleen om de aansluiting op het energienet, maar ook om gegevensverwerking en de systemen waarmee laadpalen worden beheerd en gemonitord.
In de aanbesteding van het Rijksvastgoedbedrijf zijn daarom beveiligingseisen opgenomen voor digitale veiligheid en voor een veilige aansluiting op het energienetwerk. Deze eisen sluiten aan op de Rijksbrede beveiligingskaders. Per locatie wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, passend bij het risicoprofiel.
Wordt bij de beoordeling van dergelijke technologieën rekening gehouden met het feit dat Chinese bedrijven onder Chinese wetgeving verplicht kunnen worden om informatie te delen met de Chinese overheid? Zo ja, hoe is dit risico beoordeeld?
Bij de beoordeling van technologie en leveranciers wordt gekeken naar de manier waarop gegevens worden verwerkt en beschermd. Ook wordt gekeken naar afspraken in contracten en naar naleving van Nederlandse en Europese regelgeving. Verder wordt gekeken naar de inrichting van systemen, gegevensstromen en maatregelen om risico’s te beheersen.
Systemen die bij Rijksvastgoed worden toegepast moeten voldoen aan de nationale en Europese regels voor gegevensbescherming en informatiebeveiliging. De beoordeling richt zich daarom op concrete risico’s en maatregelen.
In hoeverre bestaat het risico dat door de inzet van Chinese technologie bij laadinfrastructuur een structurele economische afhankelijkheid ontstaat, bijvoorbeeld door onderhoud, software-updates of vervangingsonderdelen, en hoe wordt dit risico gewogen?
Bij de inrichting van laadinfrastructuur wordt ook gekeken naar uitwisselbaarheid en beheerbaarheid. Denk aan interoperabiliteit, onderhoud, ondersteuning en vervangbaarheid. Zo wordt de continuïteit geborgd. In de raamovereenkomst is als eis opgenomen dat de software moet zijn gebaseerd op open standaarden.
Hoe verhoudt deze mogelijke keuze zich tot het bredere kabinetsbeleid om strategische afhankelijkheden van China te verminderen en technologische en economische veiligheid te versterken?
Het kabinet voert actief beleid om de afhankelijkheid van derde landen te verminderen en zo onze veiligheid te vergroten3. Dit beleid wordt uitgevoerd binnen de geldende Europese en nationale wet- en regelgeving.
In dat kader gelden aanvullende beveiligingseisen voor overheidsopdrachten met veiligheidsrisico’s. Sinds 1 januari 2026 geldt Rijksbreed het kader Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO) voor opdrachten met risico’s voor de nationale veiligheid.
Bij aanbestedingen wordt altijd een zorgvuldige afweging gemaakt tussen marktwerking, aanbestedingsregels en veiligheidsbelangen. Waar nodig worden extra eisen gesteld, passend bij het risicoprofiel van de opdracht.
Bent u bereid te onderzoeken of voor vitale of gevoelige overheidslocaties een «Europees, tenzij»-benadering kan worden toegepast bij de inkoop van energie- en laadinfrastructuur, en de Kamer hierover te informeren?
Het kabinet beziet voortdurend hoe open strategische autonomie en veiligheid kunnen worden versterkt binnen de geldende Europese en nationale kaders. Daarbij wordt ook gekeken naar de samenhang tussen aanbestedingsregels en bredere veiligheids- en afhankelijkheidsvraagstukken.
Eventuele beleidswijzigingen moeten passen binnen het Europese aanbestedingsrecht en internationale verplichtingen. Bij aanbestedingen kunnen partijen alleen worden uitgesloten op wettelijke gronden, bijvoorbeeld bij sancties. Daarnaast gelden internationale afspraken over toegang tot overheidsopdrachten, zoals de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) en EU-handelsovereenkomsten. Daardoor kunnen partijen niet zomaar worden uitgesloten alleen vanwege herkomst.
De Europese aanbestedingsregels worden op dit moment herzien. Binnen het kabinet coördineert het Ministerie van Economische Zaken de Nederlandse inbreng. In dat verband wordt in Europees verband ook gesproken over een mogelijk EU-voorkeursprincipe. Het kabinetsstandpunt over een Europees voorkeursprincipe in publieke aanbestedingen is met uw Kamer gedeeld.4
Uw Kamer wordt over de voortgang en eventuele keuzes geïnformeerd via Kamerbrieven en voortgangsbrieven over economische veiligheid, open strategische autonomie en aanbestedingsbeleid.
De brief ' Stand van Zaken Aanpak Schaduwvloot' |
|
Jan Paternotte (D66), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Tieman , Ruben Brekelmans (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat, gelet op de snel veranderende veiligheidssituatie, lopende vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen via de schaduwvloot, de in de brief genoemde urgentie zich niet verhoudt tot het voorgenomen tijdpad tot de zomer voor het indienen van aanvullende wetgeving?1
De door u aangehaalde veiligheidssituatie, vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen vereisen grote urgentie voor het maken van wetgeving. Het voorbereiden van wetgeving vraagt echter tijd. Zorgvuldigheid is een vereiste en het kabinet stelt alles in het werk zo snel mogelijk wetgeving gereed te hebben. Nederland blijft in de tussentijd op alle mogelijke manieren werken aan de aanpak van de schaduwvloot.
Betekent dit tijdpad dat daadwerkelijke inspectie, aanhouding of het dwingen tot uitwijken van schepen die onder een valse vlag varen in de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ) in de praktijk pas mogelijk zal zijn na inwerkingtreding van deze wetgeving?
Het kabinet kijkt naar manieren om zo snel mogelijk actie te kunnen ondernemen tegen de schaduwvloot en zal uw kamer hierover in de nabije toekomst nader informeren.
Ook bestaat de mogelijkheid u in een technische briefing nader te informeren.
Betekent dit tevens dat het handelingsperspectief ten aanzien van vermoedelijk vals gevlagde schepen zich tot die tijd beperkt tot het benaderen van schepen en het registreren daarvan in systemen als SafeSeaNet en Thetis?
Zie antwoord vraag 2.
Kan actievere fysieke handhaving van vals gevlagde schepen plaatsvinden zonder inwerkingtreding van aanvullende nationale wetgeving? Zo ja, op welke termijn verwacht u hiermee aan te kunnen vangen? Zo nee, waarin schiet de huidige juridische ruimte precies tekort?
Zie antwoord vraag 2.
Kan het aangekondigde wetgevingsproces worden versneld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1. Het voorbereiden van wetgeving vraagt tijd. Zorgvuldigheid is een vereiste en het kabinet stelt alles in het werk zo snel mogelijk wetgeving gereed te hebben.
Waarin verschilt de Nederlandse opvatting hierover van die van bijvoorbeeld Frankrijk, dat – voor zover uit openbare bronnen blijkt – lijkt te hebben gehandeld zonder zich te baseren op aanvullende nationale wetgeving?
Voor zover bekend is het Franse optreden gebaseerd op bestaande Franse wetgeving.
Betreft de door de u aangekondigde wetgeving nieuwe wetgeving of een aanvulling op bestaande (sanctie-)wetgeving?
De aangekondigde wetgeving betreft geen wetgeving ter uitvoering of naleving van sancties. Er wordt met spoed gewerkt aan het robuuster maken van de Nederlandse wetgeving die gebruikt kan worden om schepen aan te houden. Ook wordt wetgeving opgesteld voor het systematisch kunnen inspecteren van schepen met een valse vlag. Hierin wordt de mogelijkheid meegenomen schepen aan te houden en verplicht te laten uitwijken naar aangewezen ankerplaatsen voor inspectie en, in het uiterste geval, de inbeslagname van een vals gevlagd schip.
Kan Nederland in de tussentijd (fysieke) ondersteuning leveren bij handhaving buiten de eigen EEZ, bijvoorbeeld in nabijgelegen MRS-gebieden (Mandatory Reporting of Ships) van bondgenoten, zoals in samenwerking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in het Kanaal?
Zonder op details te kunnen ingaan, wordt deze optie verkend.