Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Marc Vervuurt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De uitbraak van het stijgend tekort aan medische hulpmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Stijgend tekort aan medische hulpmiddelen in ziekenhuizen»?1
Kunt u een overzicht aan de Kamer sturen van de omvang van de tekorten aan essentiële medische hulpmiddelen in Nederlandse ziekenhuizen?
Welke categorieën medische hulpmiddelen zijn momenteel het meest kwetsbaar voor leveringsproblemen? Voor welke hulpmiddelen dreigen er reeds tekorten op korte termijn?
In hoeveel gevallen hebben tekorten aan medische hulpmiddelen de afgelopen twee jaar geleid tot uitstel van operaties, aanpassing van behandelingen of risico’s voor patiëntveiligheid?
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de beschikbaarheid van essentiële medische hulpmiddelen, en acht u dat toezicht voldoende effectief?
Welke lessen zijn volgens u getrokken uit de tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens de coronapandemie?
Acht u Nederland voldoende voorbereid op grootschalige tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens een toekomstige geopolitieke crisis die de toeleveringsketen verstoort?
Op welke termijn verwacht u de aangekondigde blauwdruk voor een crisisstructuur bij grootschalige tekorten gereed te hebben?
Welke bijkomende acties plant u te ondernemen om Nederland weerbaarder te maken voor verstoringen in internationale productieketens van medische hulpmiddelen in de context van toenemende geopolitieke spanningen?
Hoeveel financiële middelen heeft het kabinet precies vrijgemaakt voor het vergroten van de weerbaarheid van medische productieketens en strategische voorraden?
Wat vindt u van het voorstel om de inkoop van medische hulpmiddelen in Nederland meer centraal te organiseren? Zal u stappen in deze richting zetten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Welk beleid van andere lidstaten om een tekort aan medische hulpmiddelen te voorkomen, kan als voorbeeld voor Nederland dienen en overweegt u in Nederlands beleid om te zetten?
Bent u bekend met het plan France 20302 waarmee Frankrijk in deze tijden van geopolitieke spanningen en verstoorde toeleveringsketens de productie van essentiële medicijnen naar Frankrijk terughaalt? In welke mate zou een dergelijk plan volgens u ook voor Nederland interessant zijn? Zo nee, waarom niet? Acht u het nuttig een dergelijk plan naar medische hulpmiddelen uit te breiden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt’. |
|
Tijs van den Brink (CDA), André Poortman (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat er zware pijnstillers uit de reguliere farmaceutische keten worden verhandeld op de zwarte markt?
Hoe duidt u de constatering van Zembla dat er diverse kwetsbaarheden en lekken in de keten van geneesmiddelendistributie en afvalinzameling zijn zoals corrupte medewerkers binnen Nederlandse apotheken?
Hoe duidt u het in het bericht beschreven voorval waarin er door het HagaZiekenhuis in eerste instantie geen aangifte werd gedaan van diefstal van medicatie door een medewerker en er eveneens geen melding werd gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?
Bent u bereid met de sector in gesprek te gaan om te bezien of de huidige richtlijnen rondom het melden van diefstal en het doen van aangifte toereikend zijn en of deze voldoende worden nageleefd?
Hoe weegt u het verzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om de bevoegdheid om met een «fictieve identiteit» proefaankopen te doen en bent u bereid te onderzoeken of deze en andere instrumenten en maatregelen getroffen kunnen worden om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, al dan niet in samenwerking met het Openbaar Ministerie, instaat te stellen tegen deze problematiek op te treden?
Bent u van mening dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar illegale handel in legale medicatie? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen kunt u nemen om te achterhalen waar legale opiaten vandaan komen die uiteindelijk op de zwarte markt illegaal worden verhandeld?
Wat is uw mening over de rol die onlineplatforms zoals Telegram spelen in de illegale handel van medicijnen en wat kunt u, naast het aanspreken van deze platforms, verder doen om dit tegen te gaan?
In hoeverre is het strafbaar om legale medicijnen illegaal te verhandelen via online platforms en welke handvaten zijn er om deze handel aan te pakken?
Heeft u zicht op de omvang van de online handel in designerdrugs?
Acht u de huidige wetgeving rondom de aanpak van designerdrugs toereikend genoeg om juist ook de online handel ervan tegen te gaan? Welke knelpunten zijn hierbij nog aan de orde?
Het oplopende medicijntekort |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort dreigt op te lopen»?1
Klopt het dat steeds meer fabrikanten stoppen met de productie van goedkope medicijnen in Nederland?
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal gestopte fabrikanten in de afgelopen 10 jaar?
Klopt het dat de twintig meest gebruikte medicijnen in veel gevallen maar twee of drie producenten hebben? Zo ja, wat vindt u daar van?
Onderschrijft u de woorden van apothekersvereniging LEF dat dit beangstigend is voor de mensen die deze medicijnen nodig hebben?
Wat gaat u doen om het medicijntekort op te lossen?
Heeft u zicht op hoeveel extra zorgkosten ontstaan doordat patiënten moeten overstappen op alternatieve geneesmiddelen, bijvoorbeeld door extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames of aanvullende behandelingen?
Hoe beoordeelt u het feit dat generieke geneesmiddelen slechts circa 0,45 procent van de totale zorguitgaven uitmaken, terwijl volgens betrokken partijen juist op deze middelen extreem wordt bezuinigd?
Bent u bereid met zorgverzekeraars, apothekersorganisaties en fabrikanten in gesprek te gaan over aanpassing van het preferentiebeleid om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen? Zo nee, waarom niet?
Batchnummers van de coronavaccins |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Waarom zijn (alleen) de batchnummers van de coronavaccins in dit overzicht1 niet opgenomen?
Kunnen deze batchnummers alsnog worden toegevoegd aan dit overzicht? Zo nee, waarom niet?
De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?
Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?
Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?
Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?
Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?
Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?
Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?
Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?
Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?
Het bericht ‘De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?»1
Ja, het kabinet is bekend met het bericht. Jolie heeft mij een aangrijpende brief gestuurd over haar situatie. Die brief raakt mij zeer.
Kunt u uitgebreid toelichten waarom het medicijn Enhertu (trastuzumab deruxtecan) niet wordt vergoed voor borstkankerpatiënten met HER2-low?
Enhertu is een geneesmiddel dat voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker (en andere soorten kanker) is geregistreerd. Door de hoge prijs in combinatie met de hoge verwachte uitgaven is het middel voor alle toekomstige indicaties in de sluis geplaatst. Dat gebeurt als pakketopname van een nieuw geneesmiddel of een nieuwe indicatie vanuit maatschappelijk perspectief risicovol is. Geneesmiddelen en indicaties die in de sluis staan worden pas vergoed vanuit het basispakket als ze voldoen aan de pakketcriteria. Daarvoor kijkt het Zorginstituut of het geneesmiddel effectief is. Een geneesmiddel is effectief als het even goed of beter werkt dan de huidige standaardbehandeling. Ook beoordeelt het Zorginstituut de kosteneffectiviteit, dat zegt of de extra kosten van een geneesmiddel voor een specifieke indicatie, in dit geval Enhertu bij HER2-low borstkanker, in verhouding staan tot de extra effectiviteit.
Enhertu is voor de behandeling van HER2-low borstkanker nog niet opgenomen in het basispakket. Het Zorginstituut heeft geoordeeld dat Enhertu bij HER2-low borstkanker effectief is, maar dat de extra effecten niet opwegen tegen de extra kosten van HER2-low borstkanker (het middel is voor deze indicatie dus niet kosteneffectief). Daarom adviseert het Zorginstituut dit geneesmiddel pas in het basispakket op te nemen nadat de leverancier een aanzienlijke korting heeft gegeven.2
Helaas heeft de prijsonderhandeling voor Enhertu bij HER2-low borstkanker niet tot een positief resultaat geleid. Het valt mij zwaar dat Enhertu niet kan worden opgenomen in het basispakket voor deze indicatie. Dit is teleurstellend voor patiënten, hun naasten en behandelaren die hun hoop hebben gevestigd op dit geneesmiddel.
Enhertu is voor een andere indicatie inmiddels wel vergoed. Dat is voor patiënten met HER2-positieve borstkanker. Deze indicatie stond ook in de sluis en is vervolgens door het Zorginstituut beoordeeld.
Het Zorginstituut adviseert een lagere korting voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker om de extra effecten in balans te brengen met de extra kosten dan bij HER2-low borstkanker.3 Na een onderhandeling wordt Enhertu sinds 11 april 2024 vergoed vanuit het basispakket bij HER2-positieve borstkanker.
Deelt u de mening dat er sprake is van ongelijke behandeling indien een medicijn voor de ene groep borstkankerpatiënten wel vergoed wordt, maar niet voor een andere groep borstkankerpatiënten die evenredig baat heeft bij dit middel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze mening niet. Enhertu is voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker geregistreerd. Het Zorginstituut heeft op basis van de ingediende dossiers van de leverancier twee aparte beoordelingen gegeven, één voor Enhertu bij HER2-postieve borstkanker en een bij HER2-low borstkanker. In het kort komt het erop neer dat de extra effecten en extra kosten voor deze twee groepen borstkankerpatiënten niet gelijk zijn. Dat betekent dat er minder korting nodig is voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker dan bij HER2-low borstkanker.
Klopt het dat het gaat om een groep van 1.500 vrouwen in Nederland?
Er zijn jaarlijks ongeveer 1500 vrouwen met HER2-low borstkanker, maar niet alle patiënten komen in aanmerking voor behandeling met Enhertu. Volgens het pakketadvies van het Zorginstituut komen er jaarlijks ongeveer 585 patiënten met HER2-low borstkanker in aanmerking komen voor behandeling met Enhertu.
Klopt het dat het medicijn in 26 andere Europese landen wel beschikbaar is voor deze groep?
Het kabinet kan niet verifiëren in welke landen Enhertu voor de behandeling van vrouwen met HER2-low borstkanker wordt vergoed. Daar komt bij dat vergoeding van een geneesmiddel niet in elk land hetzelfde betekent als in Nederland, namelijk dat elke patiënt die in aanmerking komt voor de behandeling deze ook daadwerkelijk krijgt.
Hoe legt u aan deze 1.500 vrouwen uit dat u het middel, wat hun leven kan verlengen en kwaliteit van leven kan verbeteren, niet vergoedt?
Het lot van deze patiënten raakt mij zeer. De afweging of Enhertu voor deze patiënten wordt opgenomen in het basispakket van de zorgverzekering, is zorgvuldig gemaakt. Namens het kabinet volg ik daarbij het beleid van mijn voorgangers. Het kabinet begrijpt dat dat zeer teleurstellend is voor Jolie, andere patiënten en hun families.
Daarbij wijst het kabinet op het volgende. Gegeven dat er beperkte financiële middelen zijn, moeten er keuzes worden gemaakt in de zorg. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren. Elke euro kan maar één keer worden uitgegeven. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst behaald worden. Het kabinet houdt rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers – ook als dat betekent dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel. Het kabinet zou willen dat we dergelijke keuzes niet zouden hoeven maken, want het zou patiënten zoals Jolie natuurlijk heel graag een ander bericht geven, maar helaas is dat – en hier moet het kabinet toch ook wijzen op de hoge prijzen van dit soort geneesmiddelen – een luxe die ons niet gegeven is.
Betekent uw reactie op de brief van Jolie Jacobs dat de situatie van patiënten met HER2-low borstkanker «nadrukkelijk uw aandacht heeft» dat u zich niet alleen laat informeren, maar dat u alles zult doen wat in uw mogelijkheden ligt om dit middel zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor deze groep patiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u exact aangeven welke stappen u gaat ondernemen en wat het tijdspad is?
De situatie van patiënten met HER2-low borstkanker heeft nadrukkelijk mijn aandacht. Zo verzoek ik, namens het kabinet, de leverancier of hij nu wel bereid is om een maatschappelijk aanvaardbare prijs overeen te komen. Het kabinet wil patiënten nadrukkelijk geen valse hoop geven, soms lukt het niet om tot overeenstemming te komen met leveranciers.
Bent u bereidt om, zo snel als mogelijk, het besluit van uw voorganger te herzien en om dit medicijn alsnog toe te laten tot het basispakket en daarmee beschikbaar te maken voor de borstkankerpatiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet?
Als de leverancier bereid is om alsnog tot aanvaardbare prijsafspraken te komen, ben ik, namens het kabinet, bereid om Enhertu op te nemen in het basispakket. Het kabinet roept de leverancier op om, in het belang van alle patiënten met HER2-low borstkanker, zijn standpunt te heroverwegen. Ook staat voor de leverancier de mogelijkheid open om nieuwe data aan te leveren bij het Zorginstituut en een herbeoordeling te vragen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: ’Gezondheid patiënten staat op het spel’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Erkent u de uitkomsten van het onderzoek door het SIR instituut en de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) dat jaarlijks circa vier miljoen patiënten worden geconfronteerd met medicijntekorten en dat in meer dan zeventig procent van de gevallen het gaat om preferent aangewezen medicijnen die niet leverbaar zijn?1
Het kabinet is bekend met het onderzoek. In het onderzoek van het SIR instituut en LEF wordt geconstateerd dat 56,7% van de geregistreerde tekorten plaatsvond in een groep van geneesmiddelen waarop preferentiebeleid wordt gevoerd2. Het verbaast mij niet dat een groot deel van de in de «meldweek» gemelde tekorten en leveringsproblemen gaat om preferente geneesmiddelen. Het aandeel van de geneesmiddelenmarkt waarover preferentiebeleid wordt gevoerd is namelijk groot: in 2023 werd op 86% van de extramuraal geleverde geneesmiddelen preferentiebeleid gevoerd3. Het percentage uit het onderzoek van het SIR instituut en LEF zegt niets over een eventueel oorzakelijk verband tussen het voeren van het preferentiebeleid en het ontstaan van geneesmiddelentekorten of andere leveringsproblemen.
Het kabinet deelt met mevrouw Coenradie dat, ondanks dat de tekorten teruglopen, nog steeds te veel patiënten geraakt worden door geneesmiddelentekorten. Dit vindt het kabinet onwenselijk. Het kabinet zet zich dan ook onverminderd in om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid te verbeteren. Nog dit voorjaar informeert het kabinet de Kamer, zoals gebruikelijk, over de voortgang van de ingezette maatregelen en over de verdere plannen om de beschikbaarheid en leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren.
Deelt u de opvatting dat voor het welzijn van al deze patiënten slechts één relevante definitie bestaat: een tekort is een tekort zodra de apotheek het medicijn niet kan leveren, ongeacht wat er administratief wordt geregistreerd?
Het kabinet deelt deze opvatting grotendeels. Uiteraard is ook voor dit kabinet het belangrijkst dat de patiënt over diens geneesmiddel kan beschikken. Maar op meer plekken in de keten kunnen problemen ontstaan met de beschikbaarheid van geneesmiddelen, waar de patiënt niets van hoeft te merken. Bijvoorbeeld bij de producent of groothandel. Ook op die plekken wil het kabinet de beschikbaarheid van geneesmiddelen verbeteren. Om ervoor te zorgen dat álle partijen in de keten sneller en duidelijker kunnen communiceren, handelen en monitoren, en zo uiteindelijke tekorten voor patiënten te voorkomen, is binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) de afspraak gemaakt om uniforme definities van geneesmiddelentekorten op te stellen.
Het kabinet deels overigens niet de stelling uit het Telegraaf-artikel dat er sprake is van een tekort als er een bepaald merk van een geneesmiddel niet beschikbaar is, terwijl andere merken van hetzelfde geneesmiddelen wel beschikbaar zijn. In verreweg de meeste gevallen kan een patiënt overstappen naar een ander merk van hetzelfde geneesmiddel zonder dat dat gevolgen heeft voor diens gezondheid.4
Deelt u de signalen uit de apotheekpraktijk dat apothekers met de rug tegen de muur worden gezet: het preferente middel is er niet, een alternatief ligt wel op de plank, maar als de apotheker dat alternatief verstrekt riskeert hij een boete van de zorgverzekeraar?
Het kabinet kent de signalen dat apothekers zich in dergelijke situaties soms klemgezet kunnen voelen en dat dit (financiële) onzekerheid voor hen creëert. Daarom neemt het kabinet deze signalen mee in gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid.
Deze onzekerheid wordt onder andere veroorzaakt doordat de aanduiding van deze situatie in informatiesystemen niet gestandaardiseerd is en anders wordt beoordeeld door zorgverzekeraars. Een andere oorzaak ligt in de snelheid waarmee informatiesystemen aangepast kunnen worden. Om te zorgen voor een betere en snellere aansluiting tussen leverbaarheid en vergoedingsstatus is in het AZWA afgesproken dat de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) gaan zorgen voor snelle aanpassing van de vergoedingsstatus door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is. Ook werken zij aan meer frequente updates van de informatie hierover in informatiesystemen. Zodra zij dit gerealiseerd hebben is het voor apothekers veel sneller dan nu duidelijk welk alternatief zij binnen het preferentiebeleid kunnen afleveren. Ook neemt hierdoor de administratieve last voor apothekers af doordat hun ICT-systemen sneller actueel zijn. Het kabinet is blij dat de KNMP en ZN dit oppakken en spoort hen aan hier voortvarend mee aan de slag te gaan.
Het is van belang dat er heldere, realistische en eenduidige afspraken zijn over de situaties waarin een preferent aangewezen merk van een geneesmiddel niet voorradig is. Uiteindelijk is het aan de zorgverzekeraars en apotheken zelf om hier in de inkoopgesprekken afspraken over te maken, voor zover dat niet al gebeurt. Het kabinet vraagt daar bij beide partijen aandacht voor.
Vind u deze situatie verdedigbaar en zo ja, hoe legt u dat uit aan de patiënt die met lege handen naar huis moet?
Het komt zelden voor dat patiënten zonder behandeling komen te staan als een preferent aangewezen middel niet voorradig is. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.5
Bent u bereid om per direct, zonder te wachten op lopend onderzoek, een noodmaatregel in te voeren waarbij apothekers geen boetes van zorgverzekeraars krijgen wanneer zij in dringende situaties een beschikbaar alternatief verstrekken, aangezien wat op papier beschikbaar is in de praktijk niet aan de balie bestaat? Zo nee, wat is dan uw alternatieve oplossing voor de patiënt die morgen zijn hartmedicatie nodig heeft maar niet gaat krijgen?
Nee, het kabinet ziet geen noodzaak tot het instellen van een noodmaatregel. Contractuele afspraken over de omgang met dit soort situaties zijn een zaak tussen apothekers en zorgverzekeraars. Het kabinet begrijpt dat er onzekerheid ontstaat bij apotheken doordat niet alle zorgverzekeraars op dezelfde manier met deze situaties omgaan. Het kabinet gaat hiervoor aandacht vragen bij de koepels van apotheken en zorgverzekeraars.
Kunt u uitleggen waarom een patiënt in het huidige systeem niet mag bijbetalen voor een vertrouwd medicijn, maar wel de volledige kosten zelf moet betalen als hij dat middel wil blijven gebruiken?
Een systeem waarin patiënten kunnen bijbetalen voor niet-preferent aangewezen middelen creëert ongelijke toegang tot zorg en verhoogt de totale zorgkosten. Dat wordt hieronder nader toegelicht.
In het huidige systeem vergoedt de zorgverzekeraar per groep geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof in ieder geval één variant volledig. Op deze variant krijgt de zorgverzekeraar korting van de leverancier. Het preferentiebeleid is nu zo vormgegeven dat bijbetaling binnen zo’n groep niet toegestaan is. Dit houdt de uitvoering eenvoudig en de zorgkosten beheersbaar. Een niet-preferent geneesmiddel valt buiten de basisdekking, dus de verzekerde betaalt het hele bedrag zelf.
Dit kan oneerlijk lijken omdat een bekend, maar duurder geneesmiddel niet vergoed wordt. Ook niet voor een deel. Het huidige systeem is juist solidair en rechtvaardig omdat iedere verzekerde met dezelfde aandoening dezelfde behandeling volledig vergoed krijgt, ongeacht inkomen. Bijbetaling zou ongelijke toegang tot zorg creëren, omdat niet iedereen uit eigen portemonnee kan bijbetalen. En het zou de totale zorgkosten verhogen door voorkeur voor varianten waarop de zorgverzekeraar geen korting krijgt.
Ook zou vaker kiezen voor duurdere geneesmiddelen waarop de zorgverzekeraar geen korting ontvangt de totale zorgkosten verhogen, waardoor premies voor iedereen stijgen. Daarnaast zou deze mogelijkheid betekenen dat de zorgverzekeraar zich niet aan haar afspraken met de leverancier kan houden. De zorgverzekeraar krijgt namelijk korting van de leverancier omdat eerstgenoemde garandeert dat het betreffende merk van het geneesmiddel voor al diens verzekerden het preferent aangewezen middel is. Dat is niet meer het geval als een verzekerde door bijbetaling een ander geneesmiddel kan krijgen. Dit zou de onderhandelingspositie van zorgverzekeraars ten opzichte van leveranciers verslechteren, opnieuw met hogere zorgkosten als gevolg.
Waarom acht u deze situatie rechtvaardiger dan een systeem waarbij iemand alleen het prijsverschil bijbetaalt?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het pleidooi van de apothekersbranches voor een systeem van «laagste prijs + bandbreedte», waarbij meerdere merken van een medicijn volledig worden vergoed en waarvoor geen jarenlang onderzoek maar een beleidsbesluit nodig is? Bent u bereid om uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 met zorgverzekeraars concrete afspraken te maken over de implementatie van dit model? Zo nee, wat is uw bezwaar tegen een systeem dat leveringszekerheid vergroot zonder afbreuk te doen aan kostenbeheersing?
Ja, het kabinet is bekend met het pleidooi voor een «laagste prijs + bandbreedte»-model. De stellingname die de schrijvers van het pleidooi doen dat dit model de leveringszekerheid vergroot zonder kostenstijging vraagt om meer onderbouwing. Doorgaans brengen bredere vergoedingen hogere zorguitgaven met zich mee.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om afspraken te maken over de implementatie van dit model. Het kabinet werkt op dit moment aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet verwacht u in lijn met de motie eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie. Het lijkt mij zinvol om deze evaluatie af te wachten. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan, kan dan overwogen worden alternatieven zoals dit model nader te verkennen.
Kunt u, aangezien zorgverzekeraars rapporteren over de besparingen van het preferentiebeleid, ook inzichtelijk maken wat de totale maatschappelijke kosten zijn: extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames door medicatiewisselingen, uitvoeringslasten voor apothekers, en de menselijke tol van patiënten die zonder medicatie zitten?
Ja, de evaluatie van het preferentiebeleid die op verzoek van de Kamer wordt uitgevoerd beoogt naast de besparingen ook de maatschappelijke kosten en baten van het preferentiebeleid in beeld te brengen. Het kabinet verwacht u eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie.
Erkent u dat «goedkoop op papier» niet hetzelfde is als «doelmatig in de praktijk»?
Als het lid Coenradie bedoelt dat aan het preferentiebeleid behalve baten ook kosten verbonden kunnen zijn, dan deelt het kabinet dat. Zoals hierboven aangegeven is het doel van de evaluatie van het preferentiebeleid om de totale kosten en baten inzichtelijk te maken. Dit omvat niet alleen de directe besparingen op papier, maar ook effecten op de administratieve lasten voor apothekers, op de beschikbaarheid van geneesmiddelen en op de patiëntenzorg.6
Bent u bereid om uiterlijk eind februari 2026 een spoedoverleg te beleggen met zorgverzekeraars, apothekersbranches en patiëntenvertegenwoordigers, met als concrete opdracht: het vaststellen van afspraken die per 1 april 2026 operationeel zijn, zodat patiënten niet langer met lege handen naar huis gaan terwijl alternatieven op de plank liggen?
Het kabinet ziet geen toegevoegde waarde in het inlassen van een spoedoverleg. Er vindt namelijk al regelmatig overleg met hen plaats. Specifiek werkt het kabinet bijvoorbeeld met de zorgverzekeraars, apothekersbranches en andere relevante partijen aan verbeteringen van het inkoop- en preferentiebeleid. En werkt het kabinet met veldpartijen (met vertegenwoordigers van patiënten, leveranciers, groothandels, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, voorschrijvers, apothekers en de overheid) voortvarend aan de structurele verbetering van de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Zo wordt in het kader van het AZWA gewerkt aan snelle aanpassing van de vergoeding door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is én aan een frequente update van de informatie hierover in informatiesystemen zoals de G-standaard. Alle veldpartijen zijn zich bewust van de urgentie en dragen naar vermogen bij aan het oplossen van de beschikbaarheidsproblematiek.
Hoe verklaart u aan miljoenen Nederlanders dat, als zij in een levensbedreigende situatie terechtkomen, ze niet geholpen mogen worden vanwege beleid, terwijl een alternatief medicijn beschikbaar is?
Deze vraag wekt de suggestie dat miljoenen Nederlanders, als zij in een levensbedreigende situatie terecht komen, niet geholpen mogen worden. Dat is onjuist. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of met een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.7
Problemen met de vergoeding van spraakcomputers voor mensen die zonder hulp niet of moeilijk kunnen communiceren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u ons een inschatting geven van hoeveel personen vanaf 1 januari 2024 een aanvraag gedaan hebben bij hun zorgverzekeraar of zorgkantoor voor een spraakcomputer of andere spraakhulpmiddelen?
Het is lastig om exacte aantallen van aanvragen voor een spraakcomputer vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) te vinden. Dit komt door de manier waarop zorgverzekeraars aanvragen registeren. Zo registreren sommige zorgverzekeraars alleen goedgekeurde aanvragen of kan er uit het systeem niet gehaald worden of het om een spraakcomputer of alleen software gaat. Op basis van een uitvraag die Zorgverzekeraars Nederland voor VWS heeft gedaan, waarop overigens niet alle zorgverzekeraars hebben gereageerd, kan er een inschatting worden gegeven.
In totaal hebben zorgverzekeraars rond 3.500 aanvragen ontvangen in 2024 en 2025, dus circa 1.750 per jaar. Hier kunnen dus ook aanvragen voor alleen de software tussen zitten.
Ik heb ook contact gehad met Lacoh, de branchevereniging van de leveranciers. Deze geeft aan dat er circa 1.100 spraakhulpmiddelen per jaar geleverd worden in Nederland, waarvan ongeveer 10% alleen software betreft. Hierin missen dan weer de cijfers van de niet-goedgekeurde aanvragen.
Ook voor de aanspraak vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) is het niet mogelijk om het totale aantal ingediende aanvragen uit de beschikbare registraties eenduidig vast te stellen. Op basis van declaratiegegevens en informatie van betrokken partijen kan wel een indicatieve inschatting worden gegeven van het aantal personen met een goedgekeurde aanvraag voor communicatieapparatuur binnen de Wlz.
Uit deze gegevens volgt dat in 2024 naar schatting circa 100 personen een aanvraag hebben gedaan en een spraakcomputer of andere communicatieapparatuur hebben ontvangen binnen de Wlz. In 2025 is dit aantal gestegen naar circa 230 personen.
Hoeveel aanvragen voor spraakcomputers of andere spraakhulpmiddelen zijn er sinds 1 januari 2024 (naar schatting) afgewezen en om welke redenen?
Voor de meest betrouwbare cijfers over afgewezen aanvragen vanuit de Zvw heb ik contact gehad met Lacoh. Lacoh geeft aan dat in 2024 er 52 aanvragen voor spraakcomputers zijn afgewezen waarbij 29 verzekerden met niets eindigden en 21 software vergoed kregen. Van één verzekerde is het onbekend of er uiteindelijk een hulpmiddel is geleverd is en één verzekerde heeft een spraakcomputer
vergoed gekregen na overstappen naar een andere zorgverzekeraar. In 2025 zijn er 123 aanvragen voor spraakcomputers afgewezen waarbij 96 verzekerden met niets eindigden en 27 verzekerden software vergoed kregen.
Ik heb ook navraag gedaan bij zorgverzekeraars. De cijfers zijn vergelijkbaar met wat Lacoh heeft gedeeld: op basis van wat gedeeld is door een aantal zorgverzekeraars zouden er in totaal circa 180 afwijzingen zijn voor 2024 en 2025. De reden voor het afwijzen die zorgverzekeraars over het algemeen geven is dat het geen doelmatige zorg betreft. Er zou in de aanvragen onvoldoende onderbouwd worden waarom de verzekerde niet uitkomt met een reguliere tablet met spraaksoftware.
Voor de Wlz geldt dat uit de beschikbare registraties het niet mogelijk is om een betrouwbaar percentage afgewezen aanvragen vast te stellen. Op basis van declaratiegegevens en informatie van betrokken partijen kan wel een indicatieve inschatting worden gegeven van het absolute aantal afwijzingen. In 2024 zijn naar schatting circa 50 aanvragen afgewezen. In 2025 betreft dit circa 80 aanvragen. Het lagere aantal afwijzingen in 2024 hangt samen met het feit dat in dat jaar minder aanvragen zijn ingediend.
De voornaamste redenen voor afwijzing zijn procesmatige onvolkomenheden (zoals onjuiste of onvolledige aanvragen), het feit dat het hulpmiddel niet is bedoeld voor primaire communicatie of geen directe relatie heeft met de Wlz-zorg, dat de aanvraag een aanpassing of reparatie betreft (waarvoor in 2024 geen aanspraak bestond) en dat het hulpmiddel niet valt onder de aanspraak op bovenbudgettaire bekostiging.
Hoeveel klachten zijn er sinds 1 januari 2024 door de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) ontvangen over de vergoedingen van spraakhulpmiddelen? Bij hoeveel van deze klachten is geoordeeld dat het besluit van de zorgverzekeraar onterecht was?
De SKGZ meldt dat er in totaal 10 zaken omtrent de aanspraak op spraakcomputer zijn binnengekomen sinds 1 januari 2024; 4 in 2024 en 6 in 2025.
8 van de 10 klachten waren voor de Ombudsman Zorgverzekeringen:
2 van de 10 klachten zijn behandeld door de Geschillencommissie Zorgverzekeringen:
Kunt u toelichten op welke wijze de uitspraak van de SKGZ van 5 juni 2025 van invloed is op het beleid en de praktijk omtrent het wel of niet goedkeuren van vergoedingen voor spraakhulpmiddelen?1
Het advies van het Zorginstituut in dit geschil, en daarmee het bindend advies van de SKGZ, volgt uit de nieuwe inzichten van het Zorginstituut omtrent de aanspraak op spraakcomputers. Zoals ik uw Kamer vorig jaar heb geïnformeerd2, heeft het Zorginstituut in opdracht van VWS in 2025 de aanspraak verduidelijkt. Deze verduidelijking is met de partijen, waaronder de zorgverzekeraars, gedeeld.3 Dit zou de grootste invloed op de praktijk moeten hebben. Daarbij kan deze meest recente uitspraak van de SKGZ zeker helpen.
Klopt het dat er momenteel nog steeds geen vergoeding mogelijk is voor (aangepaste) hardware voor spraakcomputers, ondanks de aangenomen motie Westerveld c.s. over het vergoeden van spraakcomputers en de eerder gestelde vragen over dit onderwerp?2
Nee, dat klopt niet. Op basis van de aanspraak kan een verzekerde met een spraakfunctiestoornis wel degelijk aanspraak maken op de aangepaste hardware van spraakcomputers wanneer de verzekerde niet uitkomt met een ander spraakhulpmiddel. Ik ben mij ervan bewust dat met de verduidelijking van het Zorginstituut nog niet alle problemen zijn opgelost. Uit contacten met het veld heb ik begrepen dat er nog steeds een groep verzekerden is die geen toegang heeft tot een spraakhulpmiddel, terwijl zij die wel nodig hebben. Dit komt mogelijk door interpretatieverschillen van de aanspraak. Ik ga daarom opnieuw in gesprek met onder andere zorgverzekeraars, zodat we daarna de oplossingen in kaart kunnen brengen.
In hoeverre is de 1,8 miljoen euro die met het amendement-Westerveld is vrijgemaakt om spraakondersteuning voor mensen die onder de Wet langdurige zorg (Wlz) vallen, uitgegeven aan dit doel?3
In 2025 is op basis van declaratiedata circa 3,3 miljoen euro gedeclareerd voor spraakcomputers binnen de Wlz. Daarmee is het met het amendement-Westerveld beschikbaar gestelde bedrag van 1,8 miljoen euro ruimschoots besteed aan het beoogde doel.
Welke redenen zijn er om de vergoeding voor de hardware af te wijzen, maar de vergoeding voor de software goed te keuren?
In de praktijk komt het voor dat een verzekerde de hardware van een spraakcomputer niet vergoed krijgt door de zorgverzekeraar, maar de software wel. Een veelvoorkomende reden voor afwijzing is dat het geen doelmatige zorg betreft volgens de zorgverzekeraar. Er zou in de aanvragen in die situaties ook vaak onvoldoende onderbouwd worden waarom de verzekerde niet uitkomt met een reguliere tablet met spraaksoftware.
Hoe groot dit probleem precies is, is vooralsnog niet bekend. Ik probeer op dit moment om samen met leveranciers, de belangenbehartiger van de patiënten en zorgverzekeraars meer inzicht te krijgen in de cijfers, omdat dit ook helpt bij het zoeken naar de beste oplossing.
Bestaat er op dit moment een richtlijn voor zorgverzekeraars en zorgkantoren om te beoordelen of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening of dat aangepaste hardware nodig is?
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld6, wordt sinds 1 januari het Functioneringsgericht Indiceren (FGI) protocol gebruikt voor spraakhulpmiddelen.
Met dit protocol kan er objectief onderbouwd worden op wat voor soort spraakhulpmiddel de verzekerde redelijkerwijs aangewezen is. Als hiermee uitgekomen wordt op een geïntegreerde spraakcomputer met aangepaste hardware, dan is de hardware van de spraakcomputer niet als algemeen gebruikelijk te beschouwen.
Klopt het dat in de praktijk momenteel spraakcomputers die niet ooggestuurd zijn, weinig tot niet worden vergoed door zorgverzekeraars? Zo ja, kunt u aangeven op basis waarvan dit wordt besloten?
Nee, dat klopt niet. Ook niet-ooggestuurde spraakcomputers kunnen in aanmerking komen voor vergoeding vanuit het basispakket. Voor alle spraakcomputers geldt wel dat de verzekerde daar redelijkerwijs op aangewezen moet zijn en dat dit per individu wordt beoordeeld.
Heeft u inmiddels zicht op de groepen voor wie toegankelijkheid en beschikbaarheid van spraakhulpmiddelen een probleem is en hoe dit opgelost kan worden? Zo ja, kunt u dit nader toelichten? Zo nee, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren?
Het blijft lastig om de groepen voor wie de toegankelijkheid en beschikbaarheid een probleem is goed in beeld te krijgen, zowel in omvang als in afbakening.
Ik voer daarom gesprekken met de verschillende spelers en er komen steeds meer inzichten over de doelgroep, maar het beeld is nog niet compleet.
Ik blijf mij ervoor inzetten om te zorgen dat alle mensen die nu aangewezen zijn op een spraakhulpmiddel, hier ook toegang tot hebben. Ik ben hierover met alle betrokken partijen in gesprek, zodat er een structurele oplossing komt. Ik zal uw Kamer blijven informeren over de voortgang.
Klopt het dat verschillende zorgverzekeraars de richtlijnen op verschillende wijzen interpreteren en hanteren zoals dat sommige zorgverzekeraars er voor kiezen spraakcomputers met touchbediening niet meer te vergoeden?
Het is mij niet bekend dat sommige zorgverzekeraars spraakcomputers met touchbediening standaard niet vergoeden. Of er aanspraak gemaakt kan worden op vergoeding is afhankelijk van de situatie van de verzekerde en moet per individu beoordeeld worden.
Kunt u aangeven welke criteria er gelden voor aanpassingen om te oordelen of een reguliere iPad dusdanig aangepast is dat het beschouwd kan worden als een geïntegreerd hulpmiddel en daarmee in aanmerking komt voor vergoeding?
Het verschilt per individu of er aanspraak gemaakt kan worden op een geïntegreerde spraakcomputer waar een reguliere tabletonderdeel van is en dit moet per individu beoordeeld worden.
Welke mogelijkheden ziet u voor het sturen op de mogelijkheid van een vergoeding van het totaalpakket, dat wil zeggen: passing-hardware-software-aanpassingen-ondersteuning?
Zoals hierboven genoemd vind ik het belangrijk om ervoor te zorgen dat verzekerden die nu aangewezen zijn op een spraakhulpmiddel, hier ook toegang tot hebben. Ik ben hierover met alle betrokken partijen in gesprek, zodat er een structurele oplossing komt. Ik zal uw Kamer hierover informeren rond de zomer.
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse militairen treffen in oorlogstijd nieuwe vijand; dodelijke infectie met resistente bacteriën»?1
Ja.
Bent u het eens met kapitein-ter-zee en internist Barth dat Nederland te weinig antibiotica op voorraad heeft in geval van tijden van militair conflict? Zo nee, waarom niet?
Er zijn in Nederland verschillende voorraden van geneesmiddelen (en dus ook van antibiotica). Zo bestaat er voor de reguliere zorg een verplichte veiligheidsvoorraad van geneesmiddelen van in totaal 8 weken. Aanvullend daarop heb ik voor de reguliere zorg in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosol. Deze voorraad is dus bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken2.
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide categorieën geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt. Al deze veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen en effecten voor patiënten te voorkomen.
Deze voorraden zijn bedoeld om een periode van verhoogde vraag of beperkte levering te overbruggen. Deze voorraden zijn niet ingericht voor het opvangen van het verbruik tijdens een (militaire) crisis. Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.3
Daarnaast beschikt de Nederlandse krijgsmacht over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
De oorlog in Oekraïne laat zien dat nieuwe behandelingen nodig zijn tegen micro-organismen die (multi)resistent zijn tegen bestaande antibiotica. Het is daarom hard nodig dat nieuwe en innovatieve antibiotica worden ontwikkeld. Dit proces kan jaren tot decennia duren. Om het onderzoek naar nieuwe en innovatieve antimicrobiële middelen aan te jagen, heb ik meerdere (nog lopende) onderzoeksprogramma’s naar nieuwe antibiotica gefinancierd.4 Ook is het van belang om via diagnostiek de meest effectieve behandeling voor te kunnen schrijven. De behoefte aan nieuwe antibiotica en diagnostiek speelt niet alleen in de reguliere zorg, maar ook expliciet bij de krijgsmacht. Daarom onderzoek ik, samen met de Staatssecretaris van Defensie, hoe wij in de toekomst hier samen op kunnen trekken om Nederland weerbaarder te maken.
Bent u van plan een afdoende strategische voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren ten behoeve van onze Nederlandse militairen in geval van militair conflict? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse krijgsmacht beschikt al over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische producten). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.5
Om te voorkomen dat voorraden van medische producten opraken, is het belangrijk dat producenten hun productie kunnen opschalen tijdens een crisis. Samen met de Staatssecretaris van Defensie verken ik daarom of we afspraken kunnen maken met producenten om hiervoor capaciteit vrij te houden.
Bent u van plan een afdoende voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren voor de structurele behoefte van de Nederlandse burger? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
Voor de reguliere zorg heb ik al in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosolen. Deze extra voorraad is bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken.
De veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen. Deze extra voorraad ligt er al, en zorgt voor minder en minder lange geneesmiddelentekorten.6
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen), waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.7
Ik acht het niet wenselijk dat de overheid zelf geneesmiddelen produceert om te voorzien in de structurele behoefte van de Nederlandse burger. In Nederland vindt al commerciële productie plaats van geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Wel hecht ik er groot belang aan dat Nederland en Europa minder afhankelijk worden van landen buiten Europa voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Daarvoor trek ik in Europees verband op. In dat kader is de Europese Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act (CMA)) in ontwikkeling. Deze beoogt onder meer productie van kritieke geneesmiddelen, zoals antibiotica, in Europa te stimuleren.8 Verder neemt de overheid een proactieve rol aan in het faciliteren van onderzoek, het laten verhogen van voorraadhoogtes en onderzoekt de o de mogelijkheden om productie op te schalen.
Is er in geval van een grootschalig militair conflict gegarandeerd voldoende capaciteit voor Nederlandse gewonde militairen in Nederlandse én in Oost-Europese ziekenhuizen? Zo nee, wat gaat u concreet ondernemen om dit op orde te brengen en wat is het tijdspad?
In het geval van een grootschalig militair conflict richt het Ministerie van Defensie samen met NAVO-bondgenoten een militair geneeskundige behandel- en vervoerketen in voor de opvang van Nederlandse gewonden. Het primaire doel is het zo snel mogelijk herstellen van de militair, zodat deze weer ingezet kan worden. Als herstel van een Nederlandse gewonde in het inzetgebied niet mogelijk is, wordt de gewonde voor behandeling vervoerd naar Nederland. Uiteindelijk zal de gewonde behandeld worden in de reguliere zorg in Nederland.
Oost-Europese ziekenhuizen maken planmatig geen deel uit van de militaire keten. De zorginstanties van de zogenoemde Oost-Europese frontnations kunnen mogelijk ingezet worden in de zorg van de Nederlandse militairen maar zijn in een grootschalig conflict vooral belast met het opvangen van hun eigen gewonde militairen en burgerslachtoffers.
Ten algemene zijn de staatsecretaris van Defensie en ik met het zorgveld in gesprek over wat nodig is voor het vergroten van de weerbaarheid van de zorg. Dit gaat ook over de inzet op opschaalbare noodzorg, waarmee het kunnen absorberen van een langdurige toestroom van patiënten wordt nagestreefd. Over deze inzet is uw Kamer op 12 december 2025 geïnformeerd.6
Het onderzoek door het OM naar sterfgevallen door illegale medicijnsites |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM onderzoekt 49 sterfgevallen door illegale medicijnsite»?1
Ja, wij zijn bekend met dit bericht.
Deelt u de analyse dat het schrikbarende aantal sterfgevallen aantoont dat het voor (buitenlandse) webshops veel te eenvoudig is om de wet te omzeilen en zonder recept medicijnen te verkopen en dat funcaps.nl mogelijk slechts het topje van de ijsberg is?
Wij delen de mening dat de berichtgeving uitermate schokkend is en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers. Tegelijkertijd hechten wij eraan op te merken dat het strafrechtelijk onderzoek tegen Funcaps nog loopt en dat het uiteindelijk aan de rechter is over de zaak een oordeel te vellen. Wij vinden het belangrijk duidelijk te krijgen of dit inderdaad het topje van de ijsberg is.
Er zijn en komen nog steeds stoffen op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Als van deze stoffen kan worden gesteld dat deze naar aandiening of toediening lijken op een geneesmiddel, onderzoekt en beoordeelt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of deze middelen strafbaar kunnen worden gesteld onder de Geneesmiddelenwet. Indien sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid kan het aanbieden van de middelen ook strafbaar zijn onder artikel 174, Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is er ook aanbod van experimentele middelen die spiergroei en vetverlies moeten bewerkstelligen. Bij deze middelen is de Warenwet van toepassing waar de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op toeziet. We hebben dus te maken met de Opiumwet, de Geneesmiddelenwet, de Warenwet en het Strafrecht.
Websites zoals Funcaps proberen de Opiumwet, Geneesmiddelenwet en Warenwet te omzeilen door het gebruik van de termen als «voor onderzoeksdoeleinden» of «niet voor menselijke consumptie». Wij vinden dit zeer ongewenst gezien de mogelijke gezondheidsrisico’s die het gebruik van dit soort middelen met zich meebrengen. Daarom zijn wij, samen met alle betrokken partijen, waaronder de IGJ, NVWA, Politie en Openbaar Ministerie (OM), in gesprek om in kaart te brengen met welke problemen we hier te maken hebben. Wij zullen uw Kamer daar zo spoedig als mogelijk over informeren.
Voldoet de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) wat u betreft nog om dergelijke praktijken te voorkomen, zeker als sites gehost worden in de Verenigde Staten of andere landen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) speelt geen rol bij het toezicht op en de handhaving van malafide websites die geneesmiddelen of drugs aanbieden. In de Wkkgz is vastgelegd dat zorgaanbieders goede zorg moeten bieden, oftewel zorg van goede kwaliteit en van goed niveau. Ook versterkt de wet de individuele en collectieve rechtspositie van cliënten en voorziet het in effectieve middelen voor handhaving van de rechten van cliënten. De Wkkgz zorgt ervoor dat cliënten recht hebben op informatie als er iets in de zorgverlening niet goed gaat en biedt cliënten de mogelijkheid om een klacht in te dienen of naar een onafhankelijke geschilleninstantie te stappen. In dit soort praktijken is geen sprake van zorgverleners.
Hoe kan het dat webshops als funcaps.nl konden leveren aan minderjarigen?
Webshops mogen alleen geneesmiddelen te koop aanbieden als zij aangemeld zijn en vermeld staan op het overzicht van online aanbieders van geneesmiddelen van het Agentschap CIBG. Het CIBG controleert of de webshop daadwerkelijk verkoopt wat hij wettelijk mag verkopen en of de website voldoet aan de overige voorwaarden. Goedgekeurde webshops moeten dan ook het EU-logo voor online aanbieders van geneesmiddelen op de website vermelden.
Voor webshops die op illegale wijze geneesmiddelen te koop aanbieden is leeftijdscontrole geen voorwaarde: het aanbod is hoe dan ook verboden en hierop wordt gehandhaafd.
Aan welke regels omtrent leeftijdscontrole dienen webshops die medicijnen verkopen zich te houden? Wordt hier wat u betreft voldoende op gehandhaafd?
Zie antwoord vraag 4.
Waar kunnen ouders terecht die zich zorgen maken om medicijnen of drugs die hun kinderen online bestellen, zeker als webshops niet adequaat reageren op noodkreten van ouders zoals bij funcaps.nl is gebeurd? Weten deze ouders de weg naar bijvoorbeeld de Inspectie Gezondsheidszporg en Jeugd (IGJ) te vinden en is hier direct en adequaat op gereageerd?
Voor vragen over drugsgebruik kunnen gebruikers terecht bij de Drugsinfolijn van het Trimbos-instituut. De infolijn en de chat zijn ook bedoeld voor naasten van mensen die drugs gebruiken.
Mensen met klachten over geneesmiddelen kunnen terecht bij het officiële Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) van de IGJ. Het LMZ is het aanspreekpunt voor cliënten, patiënten, hun naasten en andere betrokkenen. Het LMZ is een aparte afdeling van de IGJ en werkt nauw samen met de inspecteurs. Wanneer er meldingen binnenkomen die wijzen op overtredingen, kan de IGJ besluiten om onderzoek te doen.
Daarnaast adviseren wij iedereen met vragen of klachten over geneesmiddelen contact op te nemen met de eigen huisarts of apotheker.
Had de IGJ funcaps.nl al in beeld ten tijde van de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen in maart 2025 over het omzeilen van de wet door webwinkels die medicijnen verkopen?2 Hoe snel is ingegrepen toen signalen binnenkwamen over de webshop?
Wij gaan ervan uit dat u verwijst naar de beantwoording van de Kamervragen over het omzeilen van de wet door webwinkels die geneesmiddelen verkopen. Het ging daarin om buitenlandse artsen die online geneesmiddelen aan patiënten in Nederland voorschreven. Dit is iets anders dan in het geval van Funcaps, dat er onder meer van verdacht wordt geneesmiddelen zonder vergunning beschikbaar te hebben gesteld. Daarnaast gaat het deels om Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS) die pas per 1 juli 2025 strafbaar zijn. Niettemin is het aanbieden van al deze middelen strafbaar als wordt voldaan aan de delictsomschrijving van art. 174, Wetboek van Strafrecht. De middelen werden onder de noemer «research chemicals» aangeboden. Tot slot gaat het bij een deel van de door Funcaps aangeboden middelen om middelen die naar het oordeel van het OM voor het leven en gezondheid gevaarlijk zijn zoals bedoeld in artikel 174, Wetboek van Strafrecht.
Hoe kan het dat een webshop als funcaps.nl jarenlang zijn activiteiten heeft kunnen voortzetten en dat er zelfs al twee nieuwe sites in de lucht zijn sinds funcaps.nl offline is gehaald?
Dit heeft een aantal oorzaken:
Wat ook meespeelt is dat pas door het strafrechtelijk onderzoek de omvang van de problematiek dermate goed zichtbaar is geworden. Wij zijn nu in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij zullen we bijvoorbeeld kijken naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij informeren de Kamer hier verder over in de brief genoemd in het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een aanscherping van de beroepsnormen voor apothekers, zoals u suggereerde als oplossing in uw beantwoording op de schriftelijke vragen, een druppel op de gloeiende plaat is en geen oplossing biedt voor malafide webshops die vooral bezig zijn met het omzeilen van de wet? Zo ja, welke strengere wet- en regelgeving is wat u betreft nodig om deze praktijken daadwerkelijk uit te bannen? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de mogelijkheid om online receptplichtige geneesmiddelen te kunnen bestellen geldt dat dit op zichzelf niet illegaal is, wanneer er daadwerkelijk een recept is. Het is hierbij wel belangrijk dat goede zorg geleverd wordt.
Ten aanzien van de websites waarop «research chemicals» worden aangeboden kan worden gesteld dat voor zover bekend er geen link is met opgeleide apothekers en artsen. Een aanscherping van de beroepsnormen voor apothekers is geen oplossing voor bedrijven zoals Funcaps die bewust de wet omzeilen. Dit soort illegale webshops kunnen ten slotte ook in handen zijn van niet-apothekers.
Malafide webshops passen voortdurend nieuwe methoden toe om regels te omzeilen, waardoor het moeilijk blijft om ze volledig te bestrijden, ook al omdat de websites in beginsel in de hele wereld kunnen worden gehost. Wij zijn met de betrokken partijen in gesprek om te onderzoeken of het huidige instrumentarium voldoende ruimte biedt om het illegale aanbod tegen te gaan.
Daarnaast kent deze problematiek niet alleen een aanbodkant, maar ook een vraagkant. Wij vinden het daarom ook belangrijk om te kijken hoe de vraag naar illegale geneesmiddelen kan worden verminderd. Bij vraag 10 ga ik hier verder op in.
Welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat mensen op de hoogte zijn van de gevaren van malafide webshops die medicijnen verkopen, zeker aangezien de sites vaak wel ogen als een echte online apotheek? Ziet u heil in een publiekscampagne om met name jongeren die op zoek zijn naar slaapmiddelen, angstmedicatie en (designer)drugs te wijzen op de mogelijke gevaren?
Wij gaan onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen. Het Trimbos-instituut adviseert voorzichtig te zijn bij publiekscampagnes gericht op het ontmoedigen van online aankoop van geneesmiddelen of drugs, omdat zulke campagnes soms onbedoeld het gebruik juist kunnen normaliseren of aantrekkelijker maken. Wij informeren uw Kamer hier verder over in eerdergenoemde brief.
Het bericht 'Na coronaprik melden duizenden vrouwen zware menstruatieklachten' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Is de Minister bekend met het bericht «Na coronaprik melden duizenden vrouwen zware menstruatieklachten»?1
Ja.
Zijn de cijfers genoemd in het artikel en verzameld door data-analist Wouter Aukema, correct? Concreet, klopt het dat er bij Lareb vóór de vaccinatiecampagne gemiddeld twee meldingen per week binnenkwamen van vrouwen met menstruatieklachten, dat dit na de start van de vaccinatiecampagne plots opliep tot 1600 per week en dat er in totaal meer dan 20.000 meldingen zijn gedaan van hevige bloedingen, uitblijvende menstruaties, extreme krampen of andere verstoringen van de cyclus? Indien deze cijfers niet correct zijn, wat zijn dan wel de correcte cijfers?
Vóór de coronavaccinatiecampagne, in een periode dat jongere vrouwen niet op grote schaal in aanmerking kwamen voor een vaccinatie, ontving Lareb ongeveer 2 meldingen per week over menstruatiestoornissen na geneesmiddelengebruik. Na de start van de vaccinatiecampagne steeg het aantal meldingen. Het klopt dat er weken zijn geweest met 1600 meldingen of meer.2 Tot 17 november 2025 ontving Lareb 27.989 meldingen over een menstruatiestoornis na een coronavaccinatie.
Dat menstruatiestoornissen vaker werden gemeld als vermoede bijwerking hangt samen met het gegeven dat in korte tijd op zeer grote schaal tegen het coronavirus werd gevaccineerd. Daarbij is er ook specifiek media-aandacht geweest voor menstruatiestoornissen na coronavaccinatie, waardoor vrouwen die menstruatiestoornissen hadden ervaren na vaccinatie eerder geneigd waren om dit te melden. Dit verklaart mede de pieken in het aantal meldingen.
Lareb heeft regelmatig bericht over de meldingen en duiding gegeven over de inzichten in relatie met de coronavaccins.3 In de kennisbank van Lareb is een samenvatting van de wetenschappelijke kennis met verwijzingen naar de wetenschappelijke literatuur te vinden over menstruatiestoornissen na vaccinatie.4 Lareb houdt de meldingen zorgvuldig in de gaten en daarom zie ik geen aanleiding om extra onderzoek te laten uitvoeren.
Indien het aantal meldingen van menstruatieklachten in 2021 inderdaad plotseling sterk is toegenomen, wat zou hiervan de oorzaak kunnen zijn? Indien dit niet duidelijk is, is de Minister wellicht bereid dit te laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De problemen met hulpmiddelenbedrijf Medipoint |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de vele klachten die mensen die hulpmiddelen nodig hebben uiten over hulpmiddelenbedrijf Medipoint?1, 2
Hulpmiddelen zijn belangrijk in het dagelijks leven van mensen om mee te kunnen doen of (langer) thuis te kunnen blijven wonen. Ik vind het daarom betreurenswaardig als mensen niet goed geholpen worden door een hulpmiddelenleverancier. Zeker wanneer mensen ernstig nadeel ondervinden van gebrekkige service, bijvoorbeeld als zij daardoor niet (zelfstandig) kunnen participeren.
Bent u het eens dat het onacceptabel is als mensen lang moeten wachten (soms zelfs in acute situaties), niet geholpen worden, afgewimpeld worden of de verkeerde onderdelen krijgen?
Ja, ik vind dit onacceptabel.
Deelt u de analyse dat marktwerking een rol bij deze problemen speelt, doordat gemeenten aanbestedingen uitschrijven waarbij teveel gestuurd wordt op de laagste prijs? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse deel ik niet. Als gemeenten kiezen voor inkoop via aanbesteden is gunning op basis van de laagste prijs op basis van de Wmo 2015 niet toegestaan. Gemeenten dienen op basis van de Wmo 2015 – naast voldoende minimum kwaliteitseisen – ook een reële prijs te hanteren binnen de Wmo 2015. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld door het toepassen van een adequate tariefdifferentiatie rekening houden met een goede balans tussen reële prijs en kwaliteit. In deze balans wordt ook rekening gehouden met de beleidsruimte die individuele gemeenten hebben. De concrete invulling daarvan kan per regio of gemeente verschillen, maar wel effect hebben op de prijs, danwel de kwaliteit.
Gemeenten worden daarbij ondersteund door diverse kaders en informatie, waaronder de Handreiking Inkoop Hulpmiddelen van de VNG3, het Landelijk Normenkader Hulpmiddelen4 en de landelijke prijslijsten. Tegelijkertijd wordt op dit moment door het Ketenbureau i-Sociaal Domein gewerkt aan de
contractstandaarden voor hulpmiddelen voor de overeenkomst en de inkoopdocumenten. Dit project beoogt onnodige verschillen tussen gemeenten in de contractering van leveranciers te minimaliseren en administratieve lasten voor leveranciers te verlagen.
Bent u het eens dat het onacceptabel en onuitlegbaar is dat er nu grote verschillen zijn tussen gemeenten als het gaat om hoe goed de levering en het onderhoud van hulpmiddelen nu is geregeld? Zo ja, bent u bereid om zich ervoor in te zetten deze verschillen te verminderen, door gemeenten ertoe aan te zetten het Landelijk Normen Kader te ondertekenen? Zo nee, waarom niet?
Het onderhoud en de levering van hulpmiddelen moet ongeacht de gemeente waarin iemand woont, goed georganiseerd zijn. Dit is nog niet overal het geval. Daarom zet ik mij samen met de VNG, leveranciers, clientorganisaties en professionals in om de toegang en beschikbaarheid van hulpmiddelen de komende jaren te verbeteren. In de Werkagenda VN-verdrag Handicap, die ik afgelopen juli naar uw Kamer heb gestuurd, zijn meerdere maatregelen opgenomen gericht op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegang tot hulpmiddelen.5 Met die maatregelen richten we ons onder andere op het vroegtijdig herkennen van complexe aanvragen en het verbeteren van de communicatie tussen verschillende bij hulpmiddelen betrokken partijen. En we werken aan een monitor om te meten of deze maatregelen leiden tot merkbare verbeteringen bij hulpmiddelengebruikers. Tot slot staan in de Werkagenda verschillende maatregelen gericht op het door gemeenten laten ondertekenen van de convenanten die voortkomen uit het Normenkader.
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat mensen snel en goed geholpen worden als er problemen zijn met een hulpmiddel? Heeft u hier al over gesproken met Medipoint? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen?
De Wmo 2015 is een gedecentraliseerde wet. Het is daarom aan de gemeente om contractuele afspraken te maken met de leverancier en de leverancier erop aan te spreken als deze zich niet aan de afspraken houdt.
Vanuit VWS is wel met enige regelmaat contact met branchevereniging Firevaned, waar Medipoint onderdeel van is. Firevaned is actief betrokken bij de uitvoering van de maatregelen in de Werkagenda VN-verdrag Handicap, zoals benoemd bij het antwoord op vraag 4. Daarnaast is vanuit VWS gesproken met Medipoint over de klachten. Zie daarop het antwoord van vraag 6.
Heeft Medipoint inmiddels al concrete stappen gezet om de klantenservice te verbeteren? Zo nee, bent u bereid om hen daarop aan te spreken?
Medipoint gaf in gesprek met VWS aan dat zij het erg vervelend vindt dat de kwaliteit van haar klantenservice in enkele vestingen momenteel niet goed is. Zij lichtte toe hoe zij op dit moment werkt aan het verbeteren van de service, waaronder door training van medewerkers, uitbreiding van het klantenserviceteam en betere monitoring van klanttevredenheid. Deze werkwijze breidt zij uit met een «leermeester casemanagement», die casemanagers traint op onder andere klantgerichtheid en klantcommunicatie. Tot slot zegt Medipoint de voortgang op het verbetertraject actief te monitoren, te evalueren en bij te sturen waar nodig.
De uitzending van Radar over de problemen met bekkenbodemmatjes |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Radar over de problemen met bekkenbodemmatjes en het verwijderen daarvan?1
Ik ben onder de indruk van het verhaal van deze twee vrouwen en vind het moedig dat zij dit hebben gedeeld in de uitzending. Ik ben blij dat de behandeling heeft geleid tot verlichting van hun klachten.
Deelt u de mening dat het een onacceptabele situatie is dat vrouwen enorm ingrijpende klachten ervaren door de inzet van bekkenbodemmatjes en andere mesh-implantaten, waarvan werd gezegd dat deze veilig waren, terwijl de volledige verwijdering daarvan niet in Nederland wordt aangeboden en vaak niet wordt vergoed als dit in het buitenland gebeurt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid hierover met de getroffen vrouwen in gesprek te gaan?
Ik vind het heel vervelend dat vrouwen deze klachten ervaren. De problematiek rondom mesh-implantaten heeft onder mijn voorgangers onder andere geleid tot terughoudend gebruik van mesh-implantaten in gespecialiseerde ziekenhuizen, betere voorlichting via een specifieke patiënten folder2, en een leidraad om de nazorg van mesh3 te verbeteren.
Bij elke behandeling moet worden gekeken of de voordelen groter zijn dan de nadelen. Dat geldt ook voor een mesh-implantaat. Geen enkele behandeling is zonder risico’s. Daarom is het belangrijk dat de specialist samen met de patiënt een goede afweging maakt. In de patiënten folder staat uitgebreide informatie over klachten en mogelijke behandelingen. Ook staat er informatie in over het verwijderen van een mesh-implantaat. Hoe dit verwijderen precies gaat, hangt af van de situatie van elke patiënt. De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) geeft aan dat artsen per persoon bekijken of een implantaat helemaal moet worden verwijderd. Zij letten daarbij op de soort en ernst van de klachten en op de risico’s van een volledige verwijdering. Als gekozen wordt voor volledige verwijdering, kan dit in Nederland gebeuren in twee gespecialiseerde centra: Amsterdam UMC, locatie AMC, en UMC Utrecht.
Deze operaties worden – als ze medisch noodzakelijk zijn – vergoed vanuit het basispakket. In mijn antwoorden op vraag 8 en 9 ga ik hier verder op in.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is wanneer vrouwen wordt verteld dat hun klachten «tussen de oren» zitten, terwijl dit een structureel probleem is dat veel vrouwen raakt? Deelt u de analyse dat het feit dat het hierbij om vrouwen gaat daarbij meespeelt?
Ik vind het niet acceptabel als iemand te horen krijgt dat haar klachten «tussen de oren» zouden zitten. Iedereen heeft recht op goede zorg, ongeacht bijvoorbeeld geslacht. Dat geldt voor vrouwen die denken dat hun klachten door een mesh-implantaat komen, maar ook voor vrouwen die moeten leren omgaan met pijn en ongemak. Als een arts zelf niet verder kan helpen, moet hij of zij de patiënt zo goed mogelijk doorverwijzen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat dezelfde experts betrokken zijn bij het onderzoek naar bekkenbodemmatjes, de toelating, de toepassing ervan en de beslissing om deze wel of niet te verwijderen en dat deze ook betaald worden door de producenten? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om deze (schijn van) belangenverstrengeling aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen vind ik het belangrijk dat de zorg met medische hulpmiddelen steeds verder verbetert. De ervaring van artsen die met deze hulpmiddelen werken, speelt daarbij een grote rol. Het klopt dat artsen soms advies geven aan fabrikanten. Dat doen zij onder andere om de producten te verbeteren op basis van ervaringen in de praktijk, zodat ze veiliger worden of beter werken. Ik vind het vooral belangrijk dat deze samenwerking met fabrikanten transparant gebeurt en dat het zorgt voor betere zorg. Sommige van de afspraken tussen een fabrikant en zorgverlener worden gunstbetoon genoemd. Hierbij betaalt een bedrijf een zorgprofessional bijvoorbeeld voor de deelnamekosten van een congres. Er gelden strenge regels voor gunstbetoon, om te voorkomen dat er vormen van beïnvloeding plaatsvinden.
Hoe kijkt u naar het Engelse voorstel om bekkenbodemmatjes enkel te laten plaatsen in gespecialiseerde centra waar deze ook volledig verwijderd kunnen worden?
Ik ben niet bekend met de exacte inhoud van dat voorstel en kan er daarom niet inhoudelijk op reageren. In Nederland worden bekkenbodemmatjes alleen in gespecialiseerde centra geplaatst. Daarnaast kunnen patiënten bij twee academische ziekenhuizen (Amsterdam UMC, locatie AMC en UMC Utrecht) terecht wanneer volledige verwijdering de beste oplossing is.
Deelt u de mening dat het besluit over de toelating van implantaten zoals bekkenbodemmatjes zou moeten worden genomen door een onafhankelijke publieke instelling, zoals ook de praktijk is bij geneesmiddelen, in plaats van door commerciële partijen en experts die worden gefinancierd vanuit de producenten zelf? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. De toelating van implantaten op de Nederlandse markt verloopt volgens Europese regelgeving. Implantaten moeten voldoen aan de strengste eisen uit de Europese verordening voor medische hulpmiddelen, de Medical Device Regulation (MDR). De MDR stelt hoge eisen waaraan een product moet voldoen. Dat betekent onder andere dat fabrikanten tijdens de ontwikkeling verschillende klinische onderzoeken moeten laten doen. De overheid heeft erkende keuringsinstanties (notified bodies) aangewezen die bekijken of medische hulpmiddelen aan de Europese eisen voldoen. Deze instanties zijn onafhankelijk, onpartijdig en deskundig. Als een implantaat voldoet aan de strenge Europese eisen voor onder andere veiligheid, dan geeft een notified body een CE-markering af. Alleen producten met een CE-markering mogen in Nederland op de markt worden gebracht.
Deelt u de mening dat Nederland zelf de expertise zou moeten hebben om bekkenbodemmatjes volledig te verwijderen, als we deze hier ook plaatsen? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dit te regelen? Bent u bereid om zich in te zetten voor het opzetten van een expertisecentrum op dit gebied? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals ik eerder in het antwoord op vraag 2 heb geschreven, zijn er in Nederland al twee academische ziekenhuizen die mesh-implantaten volledig kunnen verwijderen als dat de beste oplossing is. De benodigde expertise is dus al in Nederland aanwezig.
Deelt u de mening dat vrouwen die in het buitenland hun bekkenbodemmatje of ander mesh-implantaat moeten laten verwijderen in het buitenland, omdat dit in Nederland niet mogelijk is, deze behandeling volledig vergoed moeten krijgen? Zo ja, hoe gaat u regelen dat zij dit gewoon vergoed krijgen? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat zij hiervoor afhankelijk zijn van hun eigen spaargeld, giften van vrienden en familie, crowdfunding en/of zichzelf in de schulden moeten steken?
Verwijderingsoperaties worden vergoed vanuit het basispakket als ze medisch noodzakelijk nodig zijn. Als zo’n operatie in Nederland (of bij een gecontracteerde zorgaanbieder in het buitenland) niet mogelijk is of niet op tijd kan plaatsvinden, moet de zorgverzekeraar – als de patiënt daarom vraagt – toestemming geven voor behandeling in een ander EU/EER-lidstaat, in Zwitserland of in het Verenigd Koninkrijk. Dit is verplicht volgens Europese regels4.
Dezelfde voorwaarden gelden hierbij als in Nederland. Er is bijvoorbeeld een verwijzing nodig van de huisarts of medisch specialist. Vergoeding vindt dan plaats volgens de sociale ziektekostenverzekering van het betreffende land. Moet de patiënt toch nog een deel zelf betalen, dan is soms een aanvullende vergoeding uit de zorgverzekering mogelijk.
Deelt u de mening dat de vrouwen die hun bekkenbodemmatjes of ander mesh-implantaat op eigen kosten hebben moeten laten verwijderen in het buitenland hiervoor gecompenseerd moeten worden? Zo ja, hoe gaat u dit regelen? Zo nee, waarom niet?
Gelet op het antwoord op vraag 8 is compensatie van een voor eigen rekening uitgevoerde verwijderingsoperatie niet aan de orde. Als een operatie niet, of niet op tijd, in Nederland (of bij een gecontracteerde zorgaanbieder in het buitenland) kan worden gedaan, dan moet vooraf toestemming worden gevraagd volgens de EU-regels. Alleen in bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken.
Als niet aan de voorwaarden van de zorgverzekering is voldaan, of als er geen voorafgaande toestemming is gevraagd en gekregen, dan kunnen de kosten niet worden vergoed.
Farmapiraterij en medicijnkaping |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Daniëlle Jansen (NSC) |
|
|
|
|
U stelt dat u geen inzicht heeft in de investeringen die de firma heeft gedaan1, terwijl juist dat inzicht essentieel is om te beoordelen of de prijs buitensporig is. Vindt u niet dat u, als Minister, actief dit inzicht zou moeten eisen om uw onderhandelingspositie te versterken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?2
Ik begrijp de vraag naar transparantie over de investeringen die een firma heeft gedaan om een geneesmiddel op de markt te brengen. Inzicht in de daadwerkelijke kosten zou kunnen helpen bij een prijsstelling die enerzijds voldoende recht doet aan de investeringen van een firma en anderzijds niet onevenredig hoog is. Het blijkt in de praktijk ingewikkeld om hier een goed kader voor te maken. Welke ontwikkelkosten reken je wel mee en welke niet? Soms kunnen de ontwikkelingen mee zitten en soms is er veel tegenslag. Wiens verantwoordelijkheid is dat? En zo zijn er nog veel meer vragen die daar bij gesteld kunnen worden waar geen of geen eenduidig antwoord op gegeven kan worden. De ACM, de Nederlandse Zorgautoriteit en het Zorginstituut werken op dit moment aan een advies over maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG). Wellicht kan dit advies er aan bijdragen hoe hier mee om te gaan.
Toch zijn de ontwikkelingskosten van een geneesmiddel op zichzelf niet doorslaggevend bij de prijsonderhandelingen. In deze onderhandelingen is het advies van het Zorginstituut Nederland leidend. Het Zorginstituut beoordeelt of een geneesmiddel in het basispakket opgenomen kan worden aan de hand van vier vaste pakketcriteria:
Bij dure geneesmiddelen leidt deze beoordeling vaak tot een advies om een prijsverlaging te bedingen, omdat de gevraagde prijs niet in verhouding staat tot de waarde die het middel voor de patiënt oplevert.
Zoals eerder aangegeven vind ik het belangrijk om duidelijker aan te geven aan welke geneesmiddelen de maatschappij behoefte heeft en wat we bereid zijn om daarvoor te betalen3.
Het Zorginstituut heeft dit geneesmiddel nog niet beoordeeld op pakketwaardigheid. U geeft aan dit advies te willen afwachten alvorens een besluit te nemen over vergoeding. Kunt u aangeven wanneer dit advies uiterlijk verwacht kan worden?
De firma heeft voor tiratricol nog geen vergoedingsdossier ingediend. Ik heb daarom geen informatie over wanneer ik een advies van het Zorginstituut kan verwachten.
Deelt u de opvatting dat één van de fundamentele politieke vraagstukken is in welke mate de overheid de markt dient te reguleren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Dit is inderdaad een belangrijk politiek vraagstuk.
Indien u deze opvatting deelt: waarom is het volgens u dan niet aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om een oordeel te vellen over de hoogte van bedrijfswinsten, of deze waar nodig te beperken?
Ik kan niet sturen op de hoogte van bedrijfswinsten, met name omdat het gaat om internationale bedrijven die wereldwijd actief zijn. Ik heb wel invloed op beheersing van de uitgaven aan geneesmiddelen. Daarvoor heb ik verschillende instrumenten waar mijn ambtsvoorganger u eerder over heeft geïnformeerd4.
En waarom acht u het wel tot de verantwoordelijkheid van de Minister om zich uit te spreken over hoge prijzen van geneesmiddelen?
De prijzen van geneesmiddelen vallen direct onder mijn verantwoordelijkheid en ik zet me daar dan ook hard op in, bijvoorbeeld door middel van prijsonderhandelingen. Ik streef daarbij naar maatschappelijk aanvaardbare prijzen. Ik ben bereid meer te betalen voor geneesmiddelen die daadwerkelijk van toegevoegde waarde zijn voor de patiënt. Bij nieuwe geneesmiddelen worden soms hoge prijzen gevraagd terwijl de gezondheidswinst op lange termijn nog niet vaststaat. Ik kan daar, op basis van het advies van het Zorginstituut, rekening mee houden bij de prijsonderhandeling.
Deelt u de analyse dat wanneer farmaceutische bedrijven hun winstmarges zouden beperken en daarmee lagere prijzen mogelijk maken, dit de betaalbaarheid van de zorg ten goede zou komen, zoals ook door uw ambtsvoorgangers meermaals is onderstreept? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse dat winstmaximalisatie in het algemeen op gespannen voet staat met betaalbaarheid van geneesmiddelen. Maar, zoals mijn ambtsvoorganger eerder ook aangaf, het internationale financiële ecosysteem van geneesmiddelenontwikkeling is zeer complex en niet eenvoudig bij te sturen.
Investeringen van financiers hangen af van de verwachtingen die zij hebben over de bereidheid van overheden en verzekeraars om te betalen voor een nieuw geneesmiddel. Daarom vind ik het belangrijk dat de ontwikkeling en de vergoeding van nieuwe geneesmiddelen zo goed mogelijk aansluit op een duidelijke, breed gedragen behoefte vanuit de samenleving. En dat we vaststellen wat wij als maatschappij bereid zijn om te betalen voor een bepaald type geneesmiddel. Zoals vermeld werken de ACM, de Nederlandse Zorgautoriteit en het Zorginstituut werken op dit moment aan een advies over maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG). Dit advies is na de zomer gereed. Daarin wordt aandacht besteed aan de elementen die van invloed zijn op maatschappelijke aanvaardbaarheid van uitgaven en prijzen aan geneesmiddelen. Dit advies kan behulpzaam zijn in het maken van keuzes in dit soort situaties.
Vindt u het problematisch dat er geen transparantie over de prijsvorming door farmaceuten wordt gegeven? Zo ja, wat doet u hieraan? Zo niet, waarom niet?
Zoals aangegeven bij vraag 1 begrijp ik de vraag naar transparantie over de investeringen die een firma heeft gedaan om een geneesmiddel op de markt te brengen. De ontwikkelingskosten van een geneesmiddel maken echter geen onderdeel uit van de criteria die worden toegepast voor het bepalen van een maatschappelijk aanvaardbare prijs.
U zegt dat het maatschappelijk aanvaardbaar moet zijn wat wij als samenleving betalen voor geneesmiddelen. Waarom laat u die beoordeling dan grotendeels over aan marktpartijen en toezichthouders, in plaats van als politiek verantwoordelijk bewindspersoon zelf de regie te nemen?
Ik neem de regie waar ik kan en waar dat gepast is. Via het programma MAUG zijn burgers gevraagd hoe zij denken over de prijzen van dure geneesmiddelen en welke overwegingen zij belangrijk vinden bij keuzes in het prijs- en vergoedingsbeleid. Het rapport bevat waardevolle inzichten die kunnen bijdragen aan huidige en toekomstige beleidsvorming5. Daarnaast zet ik me in voor effectieve toepassing van instrumenten die de prijzen en vergoedingen van geneesmiddelen reguleren, zoals het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS) en de Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp)en het inkoopbeleid van zorgverzekeraars en zorginstellingen6. En onderhandel ik, op advies van het Zorginstituut, over de prijs van dure geneesmiddelen.
U geeft aan dat universiteiten vaak niet in staat zijn harde prijsafspraken te maken bij licentiedeals. Waarom neemt u geen maatregelen om hen hierin te ondersteunen of te verplichten, zodat publieke investeringen niet leiden tot private woekerwinsten?
Ik begrijp deze wens. Ik vind het ook onwenselijk wanneer er sprake is van onevenredig hoge winsten, vooral wanneer de ontwikkeling van het geneesmiddel voor een groot deel met publieke investeringen is gefinancierd. Het verplichten van harde prijsafspraken kan er echter toe leiden dat potentiële licentienemers (bedrijven) afhaken. Daarmee komen interessante academische vondsten mogelijk niet beschikbaar voor patiënten.
U zegt dat de prijs voor patiënten uiteindelijk niet persoonlijk voelbaar is zolang een middel vergoed wordt. Erkent u niet dat torenhoge prijzen voor medicijnen wél direct leiden tot hogere zorgpremies en verdringing van andere zorg, en dat patiënten dus alsnog de rekening betalen? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat het Nederlandse vergoedingssysteem berust op solidariteit, waarbij de financiële lasten van medicijnen collectief worden gedragen, zodat individuele toegankelijkheid niet afhankelijk is van persoonlijke draagkracht. Het is daarbij inderdaad zo dat hoge prijzen kunnen leiden tot hogere zorgpremies en verdringing van andere zorg. Ik zet mij daarom, bijvoorbeeld via prijsonderhandelingen, in om de kosten onder controle te houden en ervoor te zorgen dat deze geneesmiddelen betaalbaar blijven voor het zorgstelsel.
De effectiviteit van mRNA vaccins |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Daniëlle Jansen (NSC) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Amerikaanse Minister van volksgezondheid, op 6 augustus 2025, in een toespraak gericht tot het Amerikaanse volk het volgende heeft gezegd: «HHS [het Amerikaanse Ministerie van volksgezondheid] has determined that mRNA technology poses more risk than benefits for these respiratory viruses.»?1
Dit is een correcte weergave van de inhoud van de video.
Is het waar dat het Amerikaanse Ministerie van volksgezondheid 22 projecten (met een totaal budget van een half miljard dollar) voor het ontwikkelingen van mRNA-vaccins heeft stopgezet?
Zie antwoord vraag 1.
Kan uit dit alles geconcludeerd worden dat, volgens het Amerikaanse Ministerie van volksgezondheid, de (Corona) mRNA vaccins niet «veilig en effectief» zijn? Zo nee, waarom zegt de Amerikaanse Minister van volksgezondheid dan dat er «meer risico’s dan voordelen» zijn en waarom zet hij 22 projecten voor de ontwikkeling van mRNA-vaccins stop?
Er is wereldwijde wetenschappelijke consensus over de veiligheid en effectiviteit van de COVID-19-vaccins. Ik ben geen commentator noch politiek duider en ga de standpunten en het beleid van het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid dan ook niet becommentariëren.
Zijn volgens u (Corona) mRNA vaccins op dit moment, op basis van de laatste stand van de wetenschap, «veilig en effectief»?
Ja.
Kunt u deze vragen binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Prijs medicijnen omhoog door eis Trump’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Daniëlle Jansen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Slecht nieuws voor Nederlandse patiënt: «Prijs medicijnen omhoog door eis Trump»» uit De Telegraaf van 7 augustus 20251, waarin wordt beschreven dat president Trump grote farmaceutische bedrijven onder druk zet om de geneesmiddelenprijzen in de Verenigde Staten fors te verlagen, en waarin zorgexperts waarschuwen voor negatieve gevolgen voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van medicijnen in Nederland?
Ja.
Wat zijn volgens u de potentiële gevolgen van deze Amerikaanse druk op farmaceuten in de Verenigde Staten voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen in Nederland?
Op dit moment is nog veel onduidelijk over de vorm en reikwijdte van de maatregelen die in de Verenigde Staten zijn aangekondigd. Het is dan ook niet goed in te schatten in hoeverre dit beleid gevolgen zal hebben voor Europese en niet-Europese landen met een zorgsysteem gebaseerd op brede solidariteit en toegang. Nederland kent net als veel andere Europese landen een vorm van referentieprijzen. De Wet Geneesmiddelenprijzen (Wgp) stelt een Nederlandse maximumprijs vast op basis van prijzen in ons omringende landen. Indien de Verenigde Staten daadwerkelijk een vergelijkbaar systeem van «External Reference pricing (ERP)» zouden invoeren, dan kan dit in theorie enkele effecten hebben:
Dit handelen van fabrikanten is over het algemeen bedoeld om de prijs in de Verenigde Staten kunstmatig hoog te houden.
Enkele bedrijven hebben openlijk aangegeven voor bepaalde producten hun prijzen in Europa te verhogen, omdat zij prijsverlaging (en daarmee de lagere omzet) in de Verenigde Staten willen compenseren met hogere prijzen inEuropa2, 3. Daardoor zullen de prijzen en uitgaven in andere landen buiten de Verenigde Staten waarschijnlijk stijgen.
Hoe beoordeelt u de zorgen van hoogleraar Carin Uyl-de Groot dat Nederland door zijn kleine markt en strenge toelatingseisen mogelijk minder aantrekkelijk wordt voor farmaceuten?
Het is nu nog te vroeg om aannames te doen over mogelijke, nog niet uitgekristalliseerde effecten van prijsbeleid elders. Nederland is voor bedrijven overigens nog steeds een interessante markt binnen Europa. Dit zal naar mijn verwachting niet veranderen.
Wat doet Nederland momenteel om te voorkomen dat de prijsdruk uit andere landen, zoals de Verenigde Staten, leidt tot hogere geneesmiddelenprijzen in ons land?
Diverse instrumenten in het Nederlandse vergoedingsbeleid zorgen voor beheersing van prijzen. Zo bepaalt de Wgp de Nederlandse maximumprijs op basis van de prijzen in ons omringende landen en onderhandel ik over echt dure geneesmiddelen. Naast ons nationale vergoedingsbeleid werk ik op diverse niveaus samen met andere Europese landen. Bijvoorbeeld in Beneluxa-verband4. Het uitwisselen van informatie en het waar mogelijk samen onderhandelen over prijzen helpen om prijzen in Nederland op een verantwoord peil te houden.
Daarnaast voeren het Zorginstituut, de Nederlandse Zorgautoriteit en de Autoriteit Consument en Markt op dit moment, mede naar aanleiding van de motie van het lid Kuiken, een advies over maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG). Doel hiervan is om niet zo zeer te kijken naar de gevraagde prijs van geneesmiddelen, maar veel meer te kijken naar wat we als maatschappij een aanvaardbare prijs vinden. Daarmee kunnen we op een voor patiënten en burgers verantwoorde manier keuzes maken in de besteding van zorgmiddelen.
Deelt u de zorg dat Nederlandse patiënten langer moeten wachten op innovatieve medicijnen als farmaceuten hogere prijzen gaan vragen of deze minder snel toelaten tot onze markt?
Ik neem dit mogelijke effect serieus. Er is nu al sprake van alsmaar stijgende uitgaven aan nieuwe geneesmiddelen. Die worden mede veroorzaakt door hoge prijzen en leggen een grote druk op onze solidariteit.
Hoge prijzen van geneesmiddelen gaan ten koste van de betaalbaarheid van zorg. In Nederland en andere Europese lidstaten. Het zou betreurenswaardig zijn als fabrikanten patiënten niet op de eerste plaats stellen door hun prijzen ten koste van patiënten nog verder te verhogen, of ze zelfs langer op geneesmiddelen te laten wachten die ze nodig hebben.
Hoe gaat u voorkomen dat invoerheffingen van de VS op geneesmiddelen – zoals aangekondigd door president Trump – indirect de kosten en toegang in Nederland beïnvloeden?
Op dit moment is nog veel onduidelijk over de vorm en reikwijdte van de maatregelen die in de Verenigde Staten zijn aangekondigd. Het is dan ook niet goed in te schatten in hoeverre dit beleid gevolgen zal hebben voor Europese en andere landen. Wel heb ik over de ontwikkelingen contact met de Europese Commissie, mijn Beneluxa-partners en andere Europese Lidstaten.
Welke invloed heeft het Nederlandse toelatings- en vergoedingensysteem op de snelheid waarmee nieuwe geneesmiddelen beschikbaar komen? Bent u bereid dit systeem te herzien als blijkt dat patiënten hierdoor significant benadeeld worden?
Dure, nieuwe geneesmiddelen moeten voldoen aan de pakketcriteria die door het Zorginstituut worden getoetst. Sinds een aantal jaar onderhandel ik op basis van de adviezen van het Zorginstituut over de prijzen van nieuwe, te dure geneesmiddelen. Deze processen vergen enige tijd. Ik streef ernaar deze niet langer te laten duren dan strikt noodzakelijk. Uw Kamer is eerder bericht over de plannen voor een toekomstbestendig stelsel5. Onder meer wil ik, door vroeger in het proces samen met de beroepsgroepen de risico’s in te schatten – niet alleen financiële maar ook ten aanzien van de effectiviteit en gepast gebruik –, sneller kunnen bepalen welke risicobeheersing nodig is voor een verantwoorde pakketopname. Dit moet de snelheid van besluitvorming ten goede komen. Momenteel werk ik met partijen, waaronder ook de industrie, deze plannen verder uit. Ik informeer u hier nader over later dit jaar.
Kunt u toelichten hoe de Nederlandse overheid de farmaceutische industrie aanspreekt op transparantie rond ontwikkelingskosten, prijsstelling en onderhandelingsruimte?
Ik hecht waarde aan beter inzicht in de ontwikkelkosten, prijsstelling en de onderhandelde en werkelijk betaalde prijzen voor geneesmiddelen, maar kan deze niet afdwingen. Wel benadruk ik het belang van inzicht in afgesproken prijzen bij voortduring in onder meer de prijsonderhandelingen. In de praktijk blijkt dat leveranciers doorgaans niet bereid zijn om tot openbare prijsafspraken te komen, die door mij acceptabel worden geacht.
Omdat ik toegang tot geneesmiddelen voor de patiënt belangrijk vind, ga ik daarom akkoord met vertrouwelijke prijsafspraken. Om de vertrouwelijkheid te waarborgen, ben ik beperkt in de wijze waarop ik inzicht kan geven in hoeverre de geadviseerde kortingspercentages worden gerealiseerd: ik kan dit alleen op een bepaald aggregatieniveau doen omdat het anders tot een individueel geneesmiddel zou zijn terug te leiden.6
Bent u bereid een analyse te laten uitvoeren over de mogelijke gevolgen van het Amerikaanse beleid op de Nederlandse geneesmiddelenmarkt, en deze met de Kamer te delen?
Ik vind het belangrijk om samen met mijn Europese collega’s de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten te houden, maar zie nog onvoldoende aanknopingspunten voor zo’n analyse. De attaché Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij de Nederlandse ambassade in Washington D.C. houdt mij op de hoogte van de gebeurtenissen aldaar en ik heb contact met de brancheorganisatie Vereniging voor Innovatieve Geneesmiddelen. Wel ben ik bereid om de Tweede Kamer nauwgezet te informeren zodra ik meer duidelijkheid heb over de mogelijke maatregelen en de uitwerking daarvan op het Nederlandse systeem.
Bent u bereid om op korte termijn in Europees verband overleg te voeren met andere lidstaten over gezamenlijke inkoop en prijsafspraken met farmaceutische bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Dit is al onderdeel van mijn beleid. Nederland speelt in Europees verband immers al geruime tijd een vooraanstaande rol rond samenwerking op dit terrein. Zo is Nederland actief deelnemer aan de Beneluxa-initiatief, waarin onder meer gezamenlijke prijsonderhandelingen worden gevoerd. Daarnaast staat Nederland in beginsel positief tegenover het voorstel voor de Verordening kritieke geneesmiddelen7, die ook gezamenlijke inkoop door EU-lidstaten van geneesmiddelen van gemeenschappelijk belang onder voorwaarden beoogt te faciliteren. Dit zou een mogelijkheid kunnen bieden voor de gezamenlijke inkoop van geneesmiddelen die door marktfalen mogelijk niet op de Nederlandse markt zouden kunnen komen.
Het bericht ‘na Erasmus onderzoek maakt farmabedrijf oud medicijn onbetaalbaar’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Daniëlle Jansen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u het bericht «na erasmus onderzoek maakt farmabedrijf oud medicijn onbetaalbaar» van Follow The Money gelezen en wat is uw reactie erop?1
Ik heb dit artikel gelezen. Het is goed nieuws dat het geneesmiddel tiratricol is goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). Dit betekent dat het geneesmiddel van goede kwaliteit, veilig en werkzaam is bevonden en nu beschikbaar kan komen voor patiënten met het Allan-Herndon-Dudley syndroom, een ernstige, zeldzame aandoening. In het algemeen vind ik het een goede ontwikkeling als er onderzoek wordt gedaan naar nieuwe toepassingen van oude geneesmiddelen, oftewel drug repurposing. Ik waardeer de bijdrage van het Erasmus MC, en de verdere ontwikkeling door de firma.
De kern van het artikel is dat er ondanks lage investeringen van de firma toch een zeer hoge prijs wordt gevraagd. Ik heb geen inzicht in welke investeringen de firma precies heeft gedaan of nog moet doen om dit geneesmiddel overal op de markt te brengen. Ik kan daarom niet ingaan op de conclusies van dit artikel. In het algemeen vind ik het onwenselijk wanneer de vraagprijs van een geneesmiddel onevenredig hoog is ten opzichte van de investeringen van de firma. Voor dit geneesmiddel is door het Zorginstituut nog geen beoordeling gedaan over de pakketwaardigheid. Dit advies wacht ik af alvorens een besluit te nemen over de vergoeding.
Hoeveel kinderen in Nederland gebruiken dit medicijn? Klopt het dat dit er, zoals Follow the Money stelt, ongeveer vijftien zijn?
Op dit moment wordt de behandeling nog niet vergoed in Nederland. Ik heb begrepen dat de firma het geneesmiddel voorafgaand aan de vergoedingsbeslissing gratis beschikbaar stelt aan patiënten in Nederland. De website www.erfelijkheid.nl geeft aan dat het niet bekend is hoe vaak Allan-Herndon-Dudley syndroom voorkomt. Volgens de Horizonscan Geneesmiddelen2 betreft het in Nederland hooguit enkele patiënten3.
Deelt u de mening dat farmaceutische bedrijven als Egetis begrensd zouden moeten worden in de prijzen die zij vragen voor hun medicijnen? Zo ja, op welke manier bent u van plan hen te begrenzen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat geneesmiddelen beschikbaar komen tegen een maatschappelijk aanvaardbare prijs. Er is voor tiratricol nog geen vergoedingsdossier ingediend, dus we weten nog niet welke prijs de firma zal vragen in Nederland.
Pas na een beoordeling door het Zorginstituut kan ik een inschatting maken van wat een maatschappelijk aanvaardbare prijs is voor dit geneesmiddel en kan ik in mijn besluit afwegen of de totale uitgaven aan dit geneesmiddel daarmee aanvaardbaar zijn. Het Zorginstituut kan mij adviseren om te onderhandelen over de prijs van dure geneesmiddelen. Prijsonderhandelingen zijn essentieel om de kosten onder controle te houden en ervoor te zorgen dat deze geneesmiddelen betaalbaar blijven voor het zorgstelsel.
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) is toezichthouder. De ACM volgt ontwikkelingen op de geneesmiddelenmarkt actief en zal handhaven indien zij van mening is dat er sprake is van excessieve prijzen. Dit heeft de ACM in het verleden ook gedaan.
Wat vindt u ervan dat het Erasmus MC recht heeft op tien procent van de wereldwijde opbrengsten van Tiratricol? Vindt u dit een laag of een hoog percentage? Hoe verhoudt zich dit tot vergelijkbare situaties met andere medicijnen?
Ik heb geen overzicht van royalty’s die universiteiten ontvangen voor hun innovaties, dit is in de regel vertrouwelijke informatie. Ik kan ook niet inschatten of dit een laag of hoog percentage is. Het is niet in strijd met de principes van Maatschappelijk Verantwoord Licentiëren (MVL)4 om royalty’s te vragen. In de MVL-toolkit worden daar verschillende optionele clausules voor aangereikt. Ik heb eerder dit jaar met het Technology Transfer Office van het Erasmus MC gesproken over deze casus. Het Erasmus MC heeft me laten weten, waar mogelijk, in te zetten op de principes van MVL. Het Erasmus MC heeft bijvoorbeeld afspraken met de firma gemaakt over beschikbaarheid van de medicatie voor low- and middle income countries. Ook heeft het Erasmus MC laten weten dat de royalty’s ten goede komen aan nieuw onderzoek. Ik heb begrepen dat het voor academische onderzoekers in de praktijk lastig blijkt te zijn om harde afspraken te maken over de uiteindelijke prijs van het geneesmiddel.
Welk maximum percentage winst op de verkoop van een medicijnen vindt u verdedigbaar voor een farmaceut? Wat is de economische noodzaak van exorbitante winsten voor farmaceuten?
Het is niet eenvoudig een antwoord op deze vragen te geven. Ik heb uw Kamer eerder geïnformeerd over het onderzoek naar het financiële ecosysteem van geneesmiddelenontwikkeling5. Daaruit blijkt dat het internationale financiële ecosysteem van geneesmiddelenontwikkeling zeer complex is.
Er is een relatie tussen enerzijds het investeringsgedrag van financiers en anderzijds de verwachtingen die zij hebben over de bereidheid van overheden en verzekeraars om te betalen voor een nieuw geneesmiddel, nu en in de toekomst. Ik vind het belangrijk dat de ontwikkeling en de vergoeding van nieuwe geneesmiddelen zo goed mogelijk aansluit op een duidelijke, breed gedragen behoefte vanuit de samenleving. En dat we vaststellen wat wij als maatschappij bereid zijn om te betalen voor een bepaald type geneesmiddel. De ACM, de Nederlandse Zorgautoriteit en het Zorginstituut werken op dit moment aan een advies over maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG). Dit advies is na de zomer gereed. Daarin wordt aandacht besteed aan de elementen die van invloed zijn op maatschappelijke aanvaardbaarheid van uitgaven en prijzen aan geneesmiddelen. Dit advies kan behulpzaam zijn in het maken van keuzes in dit soort situaties.
Heeft de overheid voldoende juridische of beleidsmatige instrumenten om buitensporige prijsstelling van geneesmiddelen aan te pakken? Zo ja, waarom wordt daar in dit geval geen gebruik van gemaakt? Wat is hiervoor het afwegingskader? Kunt u dit afwegingskader meesturen met de beantwoording van deze vragen?
Er is nog geen vergoedingsdossier ingediend, dus ik weet nog niet welke prijs de firma zal vragen in Nederland. Mocht de prijs te hoog zijn, dan kan het Zorginstituut mij adviseren om te onderhandelen over de prijs. Het Zorginstituut kan daarbij diverse afwegingskaders hanteren6. De ACM kan zo nodig handhaven wanneer firma’s misbruik te maken van hun machtspositie.
Op welke manier houdt u toezicht op publieke investeringen in medisch onderzoek, om te voorkomen dat deze uiteindelijk leiden tot extreem dure medicijnen die voor patiënten onbetaalbaar zijn?
Ik houd geen toezicht op dergelijke investeringen. Wel zet ik samen met de betrokken kennisinstellingen in op maatregelen die het maatschappelijk belang borgen bij het licentiëren van publieke vindingen, bijvoorbeeld op basis van de principes voor MVL. Ook kan ik via prijsonderhandelingen zorgen voor maatschappelijk aanvaardbare prijzen.
Zou u het wenselijk vinden dat bij publieke kennisontwikkeling (zoals via universiteiten of UMC’s) ook publieke zeggenschap behouden blijft over de prijs en beschikbaarheid van het eindproduct? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid om hiertoe te nemen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan universiteiten en UMCs om te bezien of zij zeggenschap willen behouden over hun innovaties of dat zij kiezen voor overdracht aan een farmaceutisch bedrijf. Via de principes van MVL en het Richtsnoer omgang met intellectuele eigendomsrechten (IER)7 kunnen zij afspraken maken met firma’s die deze innovaties verder ontwikkelen. Vaak is de expertise en capaciteit van commerciële farmaceutische bedrijven noodzakelijk voor de uiteindelijke ontwikkeling en markttoelating van geneesmiddelen.
Ook is het, gezien de grote investeringen die nodig zijn voor geneesmiddelenontwikkeling, in deze sector gebruikelijk om exclusieve licenties aan te gaan op publieke vindingen. Dit maakt het lastiger om bijvoorbeeld afspraken te maken over gedeelde zeggenschap over het eindproduct.
Zijn er volgens u voldoende prikkels in het huidige systeem voor farmaceuten om medicijnen betaalbaar te houden? Zo ja, bent u van mening dat dit wettelijk of op een andere manier moet worden afgedwongen?
Nederland kent verschillende instrumenten die de prijzen en vergoedingen van geneesmiddelen reguleren, zoals het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS), de Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp)en het inkoopbeleid van zorgverzekeraars en zorginstellingen. Ik heb u hier recent uitgebreid over geïnformeerd8. Daarnaast kan ik, op advies van het Zorginstituut, over de prijs van dure geneesmiddelen onderhandelen.
Waarom kan het Erasmus MC niet zelf, eventueel met steun van de overheid of een maatschappelijke partij, de productie van Tiratricol of een generieke variant, voortzetten om deze betaalbaar te houden? Bent u bereid hier een bijdrage aan te leveren?
In het algemeen kunnen we niet zonder de expertise van de farmaceutische industrie, vooral voor de latere fase van ontwikkeling, grootschalige productie van geneesmiddelen en het faciliteren van toegang en beschikbaarheid buiten Nederland. Het is voor academische ontwikkelaars meestal niet haalbaar om dit zelf te doen. Ik zet daarom in op synergie, zodat alle betrokken partijen hun expertise kunnen inzetten, en ondersteun initiatieven vanuit zowel de academie, als vanuit commerciële partijen.
Wat doet u om patiëntenorganisaties en zorginstellingen meer inspraak te geven in het proces rondom prijsonderhandelingen met farmaceuten?
Het Zorginstituut laat zich bij vraagstukken over toelating van (dure) geneesmiddelen tot het basispakket adviseren door de Adviescommissie Pakket (ACP). De vergaderingen van de ACP zijn openbaar en partijen hebben de mogelijkheid om in te spreken. Van die mogelijkheid wordt ook met grote regelmaat gebruik gemaakt door artsen en patiënten. Hierdoor kan de ACP meer zicht krijgen op de impact van de ziekte voor de patiënt en op de mogelijke waarde van het middel voor de patiënt in zijn of haar dagelijkse leven.
Op mijn verzoek werkt het Zorginstituut, samen met partijen betrokken bij het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Landelijk Overleg Dure Geneesmiddelen (LODG), aan een advies om te komen tot een toekomstbestendig stelsel geneesmiddelen9. Bij de doorontwikkeling van het stelsel is een belangrijk doel om betrokken partijen, waaronder patiëntenorganisaties, op een zorgvuldige en passende manier een plaats te geven in het vergoedingsproces. Dit advies wacht ik af.
Heeft u één van de patiënten, of eventueel de ouders, gesproken over de implicaties van de gigantische prijsstijging van het medicijn voor deze kinderen? Zo ja, hoe voelen zij zich hierover en wat doet dat met u? Zo niet, waarom heeft u hen niet gesproken?
Ik heb de patiënten of hun ouders nog niet gesproken, maar sta altijd open voor contact met patiënten of andere betrokken personen. In Nederland heeft iedereen recht op behandelingen die aangetoonde therapeutische meerwaarde hebben, kosteneffectief zijn en maatschappelijk aanvaardbare uitgaven kennen. Na een positief vergoedingsbesluit heeft de prijs van een geneesmiddel geen directe invloed op de geleverde zorg, noch heeft deze persoonlijke financiële gevolgen, al dragen hoge prijzen voor monopoliegeneesmiddelen bij aan stijgende zorgkosten, wat zich vertaalt in premiestijgingen. Op dit moment wordt het geneesmiddel nog niet vergoed in Nederland. Voor zover ik weet is er nog geen vergoedingsdossier ingediend bij het Zorginstituut. Ik hoop dat het spoedig voor een maatschappelijk aanvaardbare prijs beschikbaar zal komen.
Het bericht ‘Zorginstituut: ’Prijzen dure geneesmiddelen onnodig lang hoog’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u het bericht Zorginstituut: «Prijzen dure geneesmiddelen onnodig lang hoog» gelezen en wat is uw reactie hierop?1
Ik ken het nieuwsbericht van het Zorginstituut2 en het artikel in Telegraaf. In het nieuwsbericht van het Zorginstituut komen twee onderwerpen aan bod. Allereerst wordt voor het eerst gebruik gemaakt van de data en kennis van het International Horizon Scanning Initiative (IHSI). Dit is een samenwerkingsverband waarin Nederland – als grondlegger van IHSI – met acht andere landen vroegtijdig informatie over nieuwe en belangrijke geneesmiddelen in kaart brengt en met elkaar deelt. Hierdoor is er nog beter zicht op welke geneesmiddelenonderzoeken mogelijk leiden tot registratie op de Europese markt. Dit maakt het mogelijk om beter te anticiperen. Ik ben daarover zeer verheugd, want het laat duidelijk zien dat de inzet van Nederland om samenwerking met andere (Europese) landen te vergroten, zijn vruchten afwerpt. Nederland is zelf in 2017 begonnen met vooruitkijken via de Nederlandse Horizon Scan Geneesmiddelen.
Ten tweede licht het nieuwsbericht toe dat er een tweetal ontwikkelingen is, dat ons de komende tijd voor uitdagingen stelt. Dit zijn:
Beide ontwikkelingen zijn een uitdaging voor de uitgaven aan zorg. Vooral de tweede gesignaleerde trend baart mij zorgen. Bij «evergreening» gaat het om toegestane juridische en commerciële strategieën. Bedrijven verlengen dan via kleine wijzigingen aan bestaande geneesmiddelen (bijvoorbeeld de manier van toedienen) de marktpositie van hun middel. Dit kunnen waardevolle innovaties zijn die bijdragen aan de effectiviteit, veiligheid of het gebruiksgemak van geneesmiddelen, maar soms heeft een nieuwe variant geen of beperkte daadwerkelijke meerwaardeten opzichte van bestaande alternatieven. Indien de gevraagde prijs niet in verhouding staat tot die eventuele meerwaarde, vind ik dat ongewenst.
Bij motie Thiadens4 heeft de Tweede Kamer mij verzocht om «alles in het werk te stellen om evergreening tegen te gaan». Evergreening bij geneesmiddelen is een complex vraagstuk. Het raakt aan juridische en regulatoire kaders en de beperkte nationale vrijheid om deze internationaal bepaalde kaders aan te passen. Doorontwikkeling van geneesmiddelen kan echte waarde hebben voor patiënten, maar kan ook leiden tot in mijn ogen onnodige verlenging van marktexclusiviteit en hogere zorgkosten. Het is daarom essentieel om een goede afweging te maken van deze elementen, de maatschappelijke waarde van innovatie en de risico’s op ongewenste effecten.
Ten behoeve van de motie analyseer ik het onderwerp de komende tijd nader en beoordeel ik de diverse beschikbare rapporten. Ook voer ik nauw overleg met de Minister van Economische zaken die beleidsverantwoordelijk is voor intellectueel eigendom. Zelf ben ik verantwoordelijk voor het regulatoir kader van geneesmiddelen. Ik verwacht begin 2026 nader in te kunnen gaan op de aangenomen motie.
Wat is volgens u de reden dat farmaceuten vaker onnodig lang een hoge prijs voor dure geneesmiddelen vragen?
Fabrikanten van geneesmiddelen hebben commerciële doeleinden en een winstoogmerk. Daarbij benutten zij de mogelijkheden van het huidige patentsysteem en regulatoir kader. Ook zijn er steeds meer geneesmiddelen waarvoor na aflopen van een patent of de regulatoire exclusiviteit niet automatisch één of meerdere concurrerende geneesmiddelen op de markt komen. Denk hierbij aan complexe (wees)geneesmiddelen. Zolang dit niet gebeurt, heeft de fabrikant geen drijfveer om prijzen te verlagen.
In het kader van de bij vraag 2 genoemde motie Thiadens zijn er twee zaken waarover ik met de farmaceutische industrie in gesprek wil. Allereerst wil ik beter begrijpen waarom voor sommige complexe (wees)geneesmiddelen na het aflopen van marktbescherming geen generieke concurrentie ontstaat. Als blijkt dat ik met andere prikkels binnen ons zorgsysteem voor een koerswijziging bij bedrijven kan zorgen, dan wil ik dat natuurlijk onderzoeken. Een tweede punt komt voort uit de gedane observaties rondom evergreening. Zo valt het op dat bijvoorbeeld een nieuwe toedieningsvorm (denk dan aan snelle onderhuidse toediening met een injectie, in plaats van toediening via een langzaam lopend infuus) soms pas op de markt komt, kort voordat de marktbescherming op de oude toedieningsvorm afloopt. Ook hier wil ik graag bekijken of we dit type innovatie niet naar voren kunnen halen, wanneer er een duidelijk positief effect te verwachten is voor de patiënt en/of de zorg.
Hoeveel meldingen van «evergreening» zijn er tot op heden in 2025 gemeld bij het Zorginstituut? Hoeveel waren dit er in 2024? Welke geneesmiddelen betroffen deze meldingen?
Het Zorginstituut heeft aangegeven dat de werkgroepen van de Nederlandse Horizon Scan in 2025 inmiddels acht producten heeft gesignaleerd waarbij mogelijk sprake zou kunnen zijn van evergreening. Deze signalen zijn aan de Autoriteit Consument en Markt doorgegeven.
In 2024 waren dit er 3, waarbij opgemerkt moet worden dat het onderwerp de laatste tijd meer aandacht heeft gekregen.
Deelt u de mening dat «evergreening» – bestaande medicijnen aanpassen om onder het patent te blijven zodat er geen concurrentie mogelijk is en de prijs hoog blijft – een slechte ontwikkeling is, en verboden zou moeten worden?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1.
Welke wettelijke mogelijkheden heeft u om «evergreening» te beperken en/of te verbieden? Welke middelen gaat u hiervan inzetten?
De Minister van Economische Zaken is beleidsverantwoordelijk voor intellectueel eigendom en de relevante wet- en regelgeving ter zake. Zelf ben ik verantwoordelijk voor het regulatoir kader.
De beschreven praktijken zijn binnen de wettelijke kaders mogelijk. Daarom heb ik zelf geen directe instrumenten om ongewenst gedrag te beïnvloeden, anders dan het maken van keuzes in het vergoedingsbeleid. Als een nieuw geoctrooieerde variant geen daadwerkelijke meerwaarde biedt, de gevraagde prijs niet in verhouding staat tot die eventuele meerwaarde, of indien de patentverlening er in de praktijk toe leidt dat voor de oorspronkelijke gepatenteerde variant geen concurrentie ontstaat, dan zou ik een lagere prijs kunnen vergoeden of zelfs niet kunnen vergoeden.
Of en zo ja, welke maatregelen ik kan nemen zal ik betrekken bij mijn reactie op de eerdergenoemde motie Thiadens.
Kunt u een reflectie geven op de tegenstelling tussen de belangen van de farmaceutische industrie en die van patiënten die goede en betaalbare geneesmiddelen nodig hebben, en de rol die de farmaceutische industrie heeft ingenomen in ons gezondheidszorgsysteem?
Ik stel voorop dat ik veel waardering heb voor de inspanningen van de farmaceutische industrie om met voortdurende innovatie nieuwe, waardevolle geneesmiddelen voor patiënten te ontwikkelen. Dit heeft bijgedragen in vele waardevolle geneesmiddelen voor patiënten. In het algemeen kunnen we niet zonder de expertise van de farmaceutische industrie, vooral voor de latere fase van ontwikkeling, grootschalige productie van geneesmiddelen en het faciliteren van toegang en beschikbaarheid buiten Nederland. Het is voor academische ontwikkelaars meestal niet haalbaar om dit zelf te doen. Ik zet daarom in op synergie, zodat alle betrokken partijen hun expertise kunnen inzetten, en ondersteun initiatieven vanuit zowel de academie, als vanuit commerciële partijen.
Ik vind het belangrijk dat de ontwikkeling en de vergoeding van nieuwe geneesmiddelen zo goed mogelijk aansluit op een duidelijke, breed gedragen behoefte vanuit de samenleving. En dat we vaststellen wat wij als maatschappij bereid zijn om te betalen voor een bepaald type geneesmiddel. De ACM, de Nederlandse Zorgautoriteit en het Zorginstituut werken op dit moment samen aan een advies over maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG). Dit advies is medio oktober 2025 gereed. Daarin wordt aandacht besteed aan de elementen die van invloed zijn op maatschappelijke aanvaardbaarheid van uitgaven en prijzen aan geneesmiddelen.
Bent u van mening dat het ontwikkelen en produceren van geneesmiddelen meer in publieke handen zou moeten komen, om de macht van de farmaceutische industrie te breken? Zo ja, op welke manier gaat u dit doen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is uw reactie op het initiatief van onder andere de SP om tot een Nationaal Onafhankelijk Onderzoekfonds Geneesmiddelen te komen?
Ik verwijs u naar mijn brief van 22 september jongstleden5 over het meer centraal stellen van de behoefte vanuit de samenleving als basis voor geneesmiddelontwikkeling en -vergoeding. Ik heb daar een schets voor een samenhangend stelsel voor financiering met onderzoekssubsidies bijgevoegd. De schets komt voort uit de motie Bushoff, waarin de Tweede Kamer mijn voorganger heeft gevraagd naar een schets een nationaal fonds voor geneesmiddelenontwikkeling.
Medicinale cannabis |
|
Joost Sneller (D66), Wieke Paulusma (D66) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
|
|
|
Hoe staat het met de implementatie van de tweede beleidsregel omtrent medicinale cannabis, die oorspronkelijk per januari 2025 ingevoerd zou worden maar nu vertraagd is naar uiterlijk 1 januari 2026?
Ik verwacht deze beleidsregel zonder verdere vertraging in te kunnen voeren.
Waarom zijn veldpartijen, ondanks hun relevante kennis en ervaring, tot op heden slechts beperkt betrokken bij de totstandkoming van het beleid en de aanstaande wetswijziging? Welke stappen onderneemt u om deze partijen alsnog actief en in een vroeg stadium te betrekken bij de beleidsvorming?
Veldpartijen hebben gelegenheid om input te leveren op nieuw beleid en nieuwe wetgeving bij de internetconsultaties van deze voorstellen. Ik organiseer daarbij ook nog online bijeenkomsten rondom deze consultaties. Dat is gebeurd bij de implementatie van de beleidsregel die in september 2024 in werking is getreden. Dat zal ook bij volgende beleids- en wetsvoorstellen het geval zijn.
Is er naar aanleiding van de beoogde internetconsultatie nog voldoende tijd om daadwerkelijk veranderingen aan te brengen in het voorgenomen beleid naar aanleiding van eventuele feedback uit het veld of van belanghebbenden?
Ja.
Hoe ziet u de balans tussen tijdige uitvoering en betekenisvolle participatie van belanghebbenden?
Ik neem aan dat met participatie in dezen wordt bedoeld de mogelijkheid van het leveren van inbreng door veldpartijen aan beleids- en wetstrajecten. Betekenisvolle participatie is daarmee participatie die verbetering van beleids- en wetsvoorstellen kan bewerkstelligen. Daarvoor moet er, zoals door de vraagstellers al wordt geïmpliceerd, voldoende tijd zijn voor mijn ministerie om zinvolle inbreng in voorstellen te verwerken. Ik geloof dat dit mogelijk is.
Wat is het plan met betrekking tot eventuele nieuwe aanbestedingen, nu het lopende aanbestedingstraject dat tot een tweede gecontracteerde teler had moeten leiden is beëindigd en Bureau Medicinale Cannabis (BMC) de wens heeft het contract met de overgebleven teler per 1 januari 2026 te beëindigen?
Het Ministerie van VWS is niet van plan over te gaan tot het uitzetten van nieuwe aanbestedingen. Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 21 februari jl.1 zal de overeenkomst met de huidige gecontracteerde teler worden beëindigd. Levering aan de Nederlandse patiënt wordt daarna uit bestaande voorraad gedaan tot aan de wetswijziging. Die voorraad wordt momenteel opgebouwd.
Op welke wijze gaat u garanderen dat de beschikbaarheid van medicinale cannabis voor patiënten in Nederland en daarbuiten per 1 januari 2026 en verder is gewaarborgd? Wat zijn hiervoor de concrete plannen en maatregelen?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 21 februari jl.2 zal de Nederlandse patiënt worden voorzien van cannabis die het BMC nog in voorraad heeft. Ik voorzie dat deze levering tot aan de wetswijziging kan worden voortgezet. Op dat moment kunnen marktpartijen deze levering overnemen.
Het is niet aannemelijk, maar ook niet volledig uitgesloten dat de bestaande voorraad niet meer in de vraag van Nederlandse patiënt kan voorzien. Voor dit scenario heb ik plannen uitgewerkt. Het Ministerie van VWS zal dan overgaan tot import van medicinale cannabis als «gereed product». Dit kan dan aan apotheken en apotheekhoudend artsen worden geleverd. In dit scenario moet het Ministerie van VWS wel overgaan tot een aanbesteding van «gereed product». Voor zover mogelijk is hiervoor alle benodigde documentatie gereed. Ook is een marktverkenning uitgevoerd.
Of de voorraad medicinale cannabis is uitgeput voordat de wetswijziging is ingevoerd, zal op tijd genoeg duidelijk zijn om tijdig alternatieve import te realiseren.
Hoe verhoudt het voornemen om de levering van medicinale cannabis aan patiënten in het buitenland door BMC in de loop van 2026 in zijn geheel te stoppen, zich tot het belang van goede zorg voor deze patiënten?
Dat verhoudt zich goed tot elkaar. BMC voorziet slechts in een klein deel van de totale buitenlandse vraag naar medicinale cannabis. Het wegvallen van het aanbod van BMC zal door andere marktpartijen goed kunnen worden overgenomen. Daarbij komt ook nog dat BMC buitenlandse overheden op tijd heeft geïnformeerd over dit voornemen.
Aannemelijk daarbij is zelfs dat cannabisproducten die BMC bij haar huidige gecontracteerde teler laat telen op de markt beschikbaar blijven. Deze teler heeft op haar website aangegeven in een ander Europees land haar producten te gaan produceren.
U stelt dat om beschikbaarheidsproblemen per 2026 te voorkomen, medicinale cannabis uit bestaande voorraden geleverd zal worden: in hoeverre bestaat nu al een voorraad, wie beheert die en hoe is deze voorraadopbouw juridisch geregeld onder de Opiumwet?
Er is op dit moment sprake van een voorraad medicinale cannabis. Deze is in beheer van het BMC. Deze voorraad wordt verder uitgebouwd. Daarbij is er ook vriezercapaciteit beschikbaar, die de houdbaarheid van cannabis kan verlengen. Onder artikel 8i, vijfde lid, onder c, van de Opiumwet is de Minister van VWS onder meer bevoegd om medicinale cannabis («hennep, hasjiesj en hennepolie») aanwezig te hebben. Deze verantwoordelijkheid is gemachtigd aan het BMC.
Hoe realistisch is het aanleggen van een werkbare en adequate voorraad medicinale cannabis tot het moment van een wetswijziging in 2027, aangezien de vooralsnog aanbestede teler vrij specifieke hoeveelheden levert en er dus geen goede voorraad aangelegd zou kunnen worden?
Ik ben het niet met u eens dat er geen goede voorraad aangelegd zou kunnen worden. Het BMC kan goede inschattingen maken van de vraag van de Nederlandse patiënt, omdat deze al jaren redelijk consistent is. Met kennis van de historische vraag heeft BMC dus adequaat «vooruitbesteld».
Deelt u de zorgen dat veel patiënten moeite hebben om de juiste vorm van medicinale cannabis te verkrijgen via de reguliere apotheekkanalen? Hoe weegt u dit in het licht van het recht op goede zorg?
Ik herken dit niet als breed gedragen signaal. Ik deel ook niet dat «recht op goede zorg» voorziet in een (morele) plicht tot het beschikbaar stellen van nog meer variëteiten medicinale cannabis. Volgens artikel 8h en 8i van de Opiumwet is de Minister van VWS onder andere verantwoordelijk voor het beschikbaar maken van medicinale cannabis. Aan deze verantwoordelijkheid, gemandateerd aan het BMC, is invulling gegeven door de teelt van vijf variëteiten te contracteren.
In Nederland worden geneesmiddelen vanuit het basispakket vergoed wanneer voldaan is aan de stand van de wetenschap en praktijk. Dat betekent dat het geneesmiddel voldoende bewezen effectief is. Het Zorginstituut Nederland heeft geconstateerd dat de resultaten van onderzoek onvoldoende zijn om van een bewezen werkzaamheid van de therapeutische toepassing van medicinale cannabis te kunnen spreken3.
Ik vind dat ik met het beschikbaar stellen van vijf variëteiten voldoende tegemoetkom aan mijn verantwoordelijkheid. Zeker kijkend naar de genoemde constatering van het Zorginstituut.
Herkent u het signaal dat het voor patiënten soms eenvoudiger is om via de legale wietteelt aan cannabis te komen dan via de apotheek? Acht u dit wenselijk?
Ik kan dit signaal zonder verdere informatie niet goed op waarde schatten. Ik constateer dat iedereen in Nederland medicinale cannabis na consultatie van een arts op voorschrift kan krijgen. De arts en apotheker kunnen adviseren en monitoren tijdens het gebruik ervan. Dit is de enige wenselijke manier waarop cannabis voor medicinale doeleinden kan worden verkregen en gebruikt.
Dat het in Nederland eenvoudiger is om cannabis zónder voorschrift uit het recreatieve circuit te halen is evident. Er is hiervoor geen betrokkenheid van arts en apotheker nodig. Slechts één bezoek naar de coffeeshop volstaat. Er zijn mensen die deze cannabis naar eigen inzicht voor medicinale doeleinden gebruiken. Ik vind dat onverstandig, maar dit staat hen vrij.
Wat zijn uw plannen om deze scheve situatie, waarin patiënten mogelijk tussen wal en schip vallen, te corrigeren?
Ik heb op dit moment geen plannen om deze situatie te verhelpen.
Klopt het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vier extra inspecteurs beschikbaar heeft aangesteld in dit dossier, nu er slechts zeer beperkte uitbreiding van de ruimte voor activiteiten met medicinale cannabis in de open keten plaatsvindt en aanbestedingen zijn stilgelegd? Wat is dan concreet de taak en inzet van deze inspecteurs?
Dit is niet correct. De IGJ heeft 2025 nodig om de extra inspecteurs aan te trekken en in te werken. Daarmee kunnen zij per 1 januari 2026 toezicht houden op de uitvoering van de aanstaande beleidsregel. Met deze beleidsregel worden aanvullende mogelijkheden geschept voor verhandeling via het BMC van medicinale cannabis buiten de «gesloten keten».
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de vergoeding van medicinale cannabis via de zorgverzekering? Bent u voornemend te onderzoeken of dit verbeterd kan worden?
Het Zorginstituut heeft tot dusver geen aanleiding gezien haar advies aan te passen. Zij kan dit doen als meer onderzoeksuitkomsten beschikbaar komen die de werkzaamheid van cannabis onderschrijven. Aanstaande beleids- en wetsvoorstellen zijn erop gestoeld veldpartijen meer ruimte te geven voor verhandeling van medicinale cannabis in de keten van geneesmiddelen en werkzame stoffen. Indirect moet dit bijdragen aan een beter klimaat voor partijen die in onderzoek en geneesmiddelenproductie met cannabis willen investeren.
Ik zie voor het Ministerie van VWS geen rol weggelegd om actief in wetenschappelijke onderzoeken naar de werkzaamheid van cannabis te investeren.
Wat is uw reflectie op hetgeen in het kader van de Verantwoordingsdag bij de VWS-begroting van 2024 naar voren is gebracht: «het agentschap CIBG heeft een bestaande overeenkomst voor medicinale cannabis onrechtmatig verlengd, dit heeft geleid tot € 14,5 miljoen aan fouten»?
Het is onwenselijk dat het Ministerie van VWS in strijd met de aanbestedingsregels opdrachten verleent of verlengt. Dat de opdracht voor medicinale cannabis uiteindelijk niet via de aanbesteding verstrekt kon worden komt door de voorgenomen wetswijziging, waaronder BMC geen opdrachten tot teelt meer zal verlenen. Om na intrekking van de aanbesteding de productie te borgen tot het moment van wetswijziging is het contract met de huidige teler tijdelijk verlengd. Met het beëindigen van het contract met de huidige teler per januari 2026 komt een einde aan de onrechtmatige opdrachtverlening.
Onder het voorgenomen wetsvoorstel wordt de rol van de overheid in de toeleveringsketen zo verkleind, dat van publieke aanbestedingen voor teelt geen sprake meer zal zijn. Ook andere marktpartijen dan de huidige teler kunnen zich vanaf dat moment op de markt van apotheektoelevering gaan begeven.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Drugsbeleid op 3 juli a.s.?
Het commissiedebat van 3 juli is door de Tweede Kamer tot nader orde uitgesteld.