De berichten “Antibraakmiddel eist mogelijk 100 levens” en “Onschuldige kwaal, fataal medicijn |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten de berichten «Antibraakmiddel eist mogelijk 100 levens» en «Onschuldige kwaal, fataal medicijn?»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie van o.a. de vooraanstaande professor Mirjam Sturkenboom van het Rotterdamse Erasmus Medisch Centrum dat er jaarlijks ongeveer 100 Nederlanders sterven na het gebruik van het antibraakmiddel Domperidon?
Het betreft hier een schatting op grond van de gegevens van de studie uit 2005. In deze studie werden 25 gevallen van acute hartstilstand onderzocht die verband hielden met het gebruik van geneesmiddelen. In ongeveer een derde hiervan was er een mogelijk verband met het gebruik van Domperidon. In Nederland overlijden jaarlijks naar schatting 16.000 mensen aan de gevolgen van acute hartstilstand. Op basis van het genoemde onderzoek is de schatting gemaakt dat hierbij in 2% van de gevallen geneesmiddelen een rol hebben gespeeld. Op basis van deze schattingen zou je voor Domperidon uitkomen op mogelijk 100–150 sterfgevallen. Het betreft hier dus een berekening van mogelijke aantallen en niet het aantal feitelijke gevallen.
Het CBG heeft de genoemde studie meegewogen in zijn beslissing om Domperidon de Uitsluitend Apotheek-status te geven.
Acht u het wenselijk dat dit middel, dat in Nederland vaak gebruikt wordt voor relatief onschuldige kwalen als misselijkheid of het stimuleren van borstvoeding, nog altijd vrij verkrijgbaar is bij de apotheek?
Domperidon is een zelfzorggeneesmiddel dat is ingedeeld in de categorie Uitsluitend Apotheek (UA). Dit is binnen de zelfzorggeneesmiddelen de zwaarste categorie, naast de indelingen Uitsluitend Apotheek en Drogist (UAD) en Algemene Verkoop (AV). UAD en AV houden in dat een middel ook verkrijgbaar is bij de drogist respectievelijk supermarkt of benzinestation. Voor Domperidon geldt dat dus niet. De apotheker is in staat en heeft in Nederland de plicht om bij het terhandstellen van dit middel, mede op grond van de beschikbare gegevens over ander medicijn-gebruik, te checken of sprake is van mogelijke extra risico’s voor de patiënt bij het gebruik van Domperidon. Deze risico’s kunnen o.a. betrekking hebben op leeftijd, verhoogd cholesterol, diabetes en eerdere hartproblemen. Door hierop te checken wordt het risico op bijwerkingen op het hart geminimaliseerd. De apotheker kan ook zien of het gebruik van Domperidon conflicteert met andere gebruikte geneesmiddelen.
Daarnaast merk ik nog op dat 75% van de verstrekkingen van Domperidon op dit moment op doktersrecept plaatsvindt.
Wat vindt u ervan dat cardiologen en wetenschappers verklaren dat het massaal gebruikte Domperidon vandaag de dag vanwege de risico’s niet eens op de markt toegelaten zou worden?
De beoordeling en toelating van geneesmiddelen is een taak van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Het CBG houdt sinds de markttoelating in 1979 actief de balans tussen werkzaamheid en risico’s van Domperidon in de gaten, net als bij alle andere geregistreerde geneesmiddelen. Dit houdt in dat het CBG bij het bekend worden van nieuwe gegevens beoordeelt of de balans tussen werkzaamheid en risico’s nog steeds positief is, en of er maatregelen genomen moeten worden. Maatregelen die genomen kunnen worden zijn bijvoorbeeld een aanscherping van de productinformatie voor arts en apotheker, of communicatie richting deze beroepsgroepen. Het CBG kijkt daarbij ook naar de afleverstatus en naar het belang van de Nederlandse patiënt. Er vindt thans op Europees niveau een herbeoordeling plaats van Domperidon. Het is aan de geneesmiddelen-autoriteiten in de EU om alle relevante informatie en inzichten te wegen en om zo nodig aangewezen maatregelen te treffen.
Bent u van plan Domperidon zo snel mogelijk uit de handel te nemen, dan wel uitsluitend op recept verkrijgbaar te stellen, zeker nu ook de Europese geneesmiddelenwaakhond besloten heeft nader onderzoek te doen naar dit gevaarlijke middel? Zo nee, kunt u garanderen dat Domperidon voor alle gebruikers veilig is?
Ik ben niet bevoegd Domperidon uit de handel te nemen noch om de indelings-status van Domperidon te wijzigen. Ook dat zijn bevoegdheden van de Europese en nationale beoordelingsautoriteiten. In Nederland heeft het CBG het tot op heden niet nodig gevonden de indelingsstatus van Domperidon te wijzigen in afwachting van het Europees onderzoek.
Het kan overigens nooit worden gegarandeerd dat een geneesmiddel voor elke gebruiker veilig is. Absoluut veilige geneesmiddelen bestaan niet. Geneesmiddelen hebben naast de beoogde werking vrijwel altijd ook bijwerkingen. Het gaat erom een afweging te maken tussen de baten en de risico’s van een geneesmiddel. Dit oordeel is aan de geneesmiddelenautoriteiten in Europa. Een juiste balans van baten en risico’s is constant voorwerp van onderzoek door deze autoriteiten. Daarom vindt thans ook de herbeoordeling van Domperidon plaats.
De situatie dat Nederlandse zwangeren naar België moeten voor een veilige test |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vrees voor Downkind drijft ouders naar België»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat prenatale tests als de vlokkentest en vruchtwaterpuncties een risico van 0,5 tot 2% op een miskraam met zich meebrengen?
De kans op een miskraam bij een vlokkentest of vruchtwaterpunctie ligt tussen de 0,3 en 0,5 procent. Ik begrijp echter heel goed dat vrouwen elk risico, hoe klein ook, onaanvaardbaar vinden.
Bent u bekend met het bestaan van non-invasieve prenatale tests?
Ja. Zie ook mijn antwoorden van 8 februari jongstleden op vragen van het kamerlid Dijkstra.
Bent u ermee bekend dat deze tests in België, Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten gezien worden als veilige screeningsmethode?
Ik weet dat deze test, waarmee foetaal DNA uit maternaal bloed kan worden gehaald, in verschillende landen wordt aangeboden. In Nederland is screening op onbehandelbare aandoeningen vergunningplichtig op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO).
Op 28 maart jongstleden hebben de onderzoekers mij een vergunningaanvraag voor het onderzoek toegestuurd. Hierover laat ik mij adviseren door de Gezondheidsraad (GR).
Bent u ermee bekend dat onderzoeksresultaten in hierboven genoemde landen hebben geleid tot een brede erkenning van de test? Zo ja, waarom erkent u deze buitenlandse wetenschappelijke resultaten niet?
Recent hebben onderzoeksresultaten in landen zoals Canada en de USA geleid tot een aanbeveling om de NIPT aan te bieden in plaats van de vlokkentest en vruchtwaterpunctie die nu worden gebruikt om down syndroom vast te stellen. Ik ga ervan uit dat deze resultaten worden meegewogen in de beoordeling van de vergunningaanvraag voor NIPT door de Gezondheidsraad.
Vind u het niet zorgelijk dat Nederlandse vrouwen daardoor onnodig risico lopen op een miskraam?
Ik ben het helemaal met u eens dat een test die meer zekerheid kan geven en het risico van een miskraam verkleint (de vlokkentest en vruchtwaterpunctie blijven als diagnostische test nodig voor uitsluitsel) een veelbelovende ontwikkeling is. Zie ook mijn antwoorden op de vragen van het lid Dijkstra.
Deelt u de mening dat deze test zo snel mogelijk in Nederland zou moeten worden aangeboden, om te voorkomen dat alleen de mensen die hiervan op de hoogte zijn en voldoende draagkrachtig zijn om dit op eigen kosten te doen gebruik maken van deze risicoloze prenatale screeningsmethode?
Ik deel uw mening in zoverre dat er zo snel mogelijk onderzoek moet worden gedaan naar de implementatie van deze niet-invasieve prenatale test. Daarover zijn al sinds 2011 gesprekken gaande. Intussen heeft de test zich bewezen bij zwangerschappen waarvan vooraf vaststaat dat er een hoger risico is (vanwege de leeftijd van de zwangere, dan wel door de uitslag van de combinatietest). In hoeverre de test ook bij andere zwangerschappen nuttig en betrouwbaar is moet nog nader worden onderzocht, zoals de onderzoekers in het artikel ook aangeven.
Dit onderzoek is vergunningplichtig op grond van de WBO.
Het staat vrouwen vrij deze test in het buitenland te laten verrichten. Hierbij kunnen we echter niet de (kwaliteits)waarborgen afgeven die we bij Nederlandse bevolkingsonderzoeken gewend zijn.
Zorgt u ervoor dat het voorstel dat de academische ziekenhuizen en medische beroepsgroepen d.d. 28 maart 2013 naar u toegestuurd hebben zo snel mogelijk beleid wordt, zodat geen enkele zwangere vrouw in Nederland meer onnodig risico hoeft te lopen op een vroegtijdige miskraam vanwege een achterhaalde techniek?
De vergunningaanvraag voor het onderzoek is op 28 maart jongstleden aan mij toegestuurd. Een dergelijke vergunningaanvraag moet zorgvuldig bekeken worden door specialisten. Daarom moeten het ministerie van VWS, conform de WBO, de Gezondheidsraad om advies vragen. De GR heeft daarvoor 4 maanden de tijd.
Daarna kan een beslissing worden genomen over invoering van de test in de screening. Hiervoor staat een termijn van 2 maanden. Het streven is om zo snel mogelijk te beslissen.
Kredietverstrekking aan en bankgaranties voor bouwbedrijven |
|
Paulus Jansen |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Faillissement Mulder dreigt na kredietstop ING»?1
Ja.
Is er enige vorm van inzicht in de (ontwikkeling van de) zekerheden die banken en verzekeraars eisen als onderpand voor bancair krediet en bankgaranties bij bouwbedrijven? Zo nee, deelt u de mening dat dit inzicht gewenst is, vanwege de grote gevolgen die wijzigingen in de eisen inzake zekerheden kunnen hebben voor de betreffende bedrijven?
DNB heeft op geaggregeerd niveau inzicht in de mate waarin banken het kredietrisico op leningen aan bedrijven afdekken met onderpand. Er is geen specifiek inzicht in de mate waarin van bouwbedrijven meer of minder onderpand dan van andere bedrijven wordt gevraagd. Het verzamelen van dergelijke specifieke informatie lijkt ook minder nuttig omdat gevraagde zekerheden eveneens nog per bedrijf en per lening behoorlijk kunnen verschillen.
Zijn er regels over de maximale verhouding tussen de uitstaande schuld en de gevraagde zekerheden?
Op basis van de kapitaaleisenrichtlijn hebben de zekerheden die geboden worden tegenover een lening invloed op de hoeveelheid kapitaal die een bank voor de lening moet aanhouden. Immers, hoe lager de waarde van zekerheden die een lenende partij kan inbrengen, hoe hoger het risico dat, in geval dat het bedrijf niet aan haar verplichtingen kan voldoen, de bank een verlies moet nemen bij gebrek aan in te winnen onderpand. De grote Nederlandse banken gebruiken interne modellen om te berekenen of ze voldoende kapitaal aanhouden gegeven de zekerheden die tot hun beschikking staan.
Is het stapelen van eisen inzake zekerheden voor bancair krediet en bankgaranties toegestaan? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Het is mij op basis van het betreffende artikel niet duidelijk in welke mate hier gesproken kan worden over het «stapelen» van zekerheden. Een bank kan bij het sluiten van een contract in principe die zekerheden vragen die ze nodig acht om het uitgeleende bedrag, in geval van het in gebreke blijven van de lenende partij, via een beroep op het onderpand alsnog (voor een belangrijk deel) terug te verkrijgen. Hierbij zal de rente die bedrijven moeten betalen doorgaans ook afhangen van de mate waarin een bank door ingebrachte zekerheden het kredietrisico dat zij loopt kan verlagen. De mate waarin banken om extra zekerheden kunnen vragen gedurende de looptijd van een contract zal afhangen van de specifieke contractuele afspraken.
Is er in geval van conflicten over zekerheidstellingen een snelle, laagdrempelige vorm van geschillenbeslechting?
Professionele partijen kunnen in hun contracten zelf afspreken hoe met geschillen om te gaan. Dit kunnen ook geschillen zijn die specifiek de waarde van zekerheden of de interpretatie van de contractuele afspraken aangaande zekerheden betreffen.
Duitse pensioenen |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in augustus aan het parlement geschreven heeft: «Inmiddels verstrekken de Duitse Renteversicherungen wel gegevens aan de Duitse belastingdienst en zijn ze ook bereid om onder de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 automatisch gegevens met de Nederlandse Belastingdienst uit te wisselen. Voor de inwoners van Nederland zijn drie Renteversicherungen bevoegd (Westfalen, Bund en Knappschaft-Bahn-See). De door hen verstrekte gegevens (ongeveer 45.000) betreft alle inwoners van Nederland met een Duits wettelijk pensioen. Deze drie Renteversicherungen hebben inmiddels bevestigd dat niet slechts 80%, maar 100% van de gegevens zijn uitgewisseld. De gegevens van diegenen die vrijwillig dienst hebben genomen bij bijvoorbeeld de SS, zijn daaronder niet begrepen, omdat deze geen Duits wettelijk pensioen ontvangen, maar een militair pensioen.»?1
Ja.
Is het waar dat de Duitse autoriteiten alle gegevens van de pensioenen van oorlogsgetroffenen met de Nederlandse belastingdienst deelt, zodat mensen die zo’n pensioen ontvangen het altijd opgeven bij hun belastingaanslag en dus door het hogere verzamelinkomen lagere zorg- en huurtoeslag krijgen?
De Belastingdienst ontvangt sinds kort gegevens over Duitse wettelijke pensioenen («Duitse Rente») die worden betaald aan inwoners van Nederland. Deze gegevens ontvangt de Belastingdienst van de Deutsche Renteversicherungen (DRV) via automatische uitwisseling op basis van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009. Onder degenen die een «Duitse Rente» ontvangen is ook een beperkte groep van personen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland als dwangarbeider hebben gewerkt en op grond daarvan een «Duitse Rente» ontvangen. Duitse pensioengegevens, andere dan de «Duitse Rente», ontvangt de Belastingdienst momenteel niet via automatische gegevensuitwisseling. Dit geldt dus ook voor Duitse pensioen- of inkomensgegevens van oorlogsgetroffenen die in Nederland wonen, zoals bijvoorbeeld de zogenoemde art. 2 Fonds uitkeringen die aan Joodse vervolgingsslachtoffers worden betaald.
Welke gegevens over Duitse militaire pensioenen (en uitkeringen wegens fysieke of psychische schade) van Nederlanders die vrijwillig krijgsdienst genomen hebben bij de Duitse bezetter (of van hun nabestaanden), krijgen de Nederlandse belastingautoriteiten bij de uitwisseling van belastinggegevens?
De Belastingdienst ontvangt via automatische gegevensuitwisseling momenteel geen gegevens over Duitse militaire pensioenen en uitkeringen wegens fysieke of psychische schade die worden betaald aan inwoners van Nederland.
Bent u bekend me het feit dat Duitsland pensioenen op een andere wijze heeft uitgekeerd in het verleden2, en weet u of dat op dit moment in Nederland gebeurt? Indien u dat niet weet, bent u dan bereid hiernaar navraag te doen bij de Duitse autoriteiten?
Nee, dit is mij niet bekend en het is ook niet bekend of dit in de verhouding tot Nederland gebeurt. Over de inlichtingenuitwisseling neemt de Belastingdienst op korte termijn contact op met de Duitse autoriteiten. Het is, zoals in onderdeel I al uiteengezet, mijn streven dat de huidige uitwisseling van fiscale gegevens met Duitsland (Regeling van 16 oktober 1997, nr. AFZ97/3934, Stcrt. 1997, 235) wordt uitgebreid tot pensioengegevens van inwoners van Nederland. Nederland is daarover in overleg met Duitsland. Verder geldt met ingang van 1 januari 2015 tussen de lidstaten van de Europese Unie de verplichte automatische inlichtingenuitwisseling van pensioengegevens over het belastingjaar 2014 op basis van Richtlijn 2011/16/EU van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (Pb EU van 11 maart 2011, L 64/1).
Hoeveel Nederlanders hadden na de oorlog recht op een pensioen uit Duitsland, omdat zij daar in het leger gediend hadden (en daar eventueel fysieke of geestelijke schade aan overgehouden hadden) en hoeveel mensen hebben ook werkelijk zo’n pensioen ontvangen en hoeveel mensen ontvangen nog steeds zo’n pensioen uit Duitsland?
Er zijn in Nederland geen gegevens beschikbaar waaruit blijkt hoeveel Nederlanders recht hadden op een pensioen uit Duitsland vanwege Duitse krijgsdienst. Exacte informatie over het aantal Nederlanders dat vanwege Duitse krijgsdienst na de oorlog een pensioen uit Duitsland ontvangt, kan alleen door de Duitse autoriteiten worden verschaft.
De Nederlandse regering heeft kennisgenomen van de discussie die (in het verleden) in het Duitse parlement is gevoerd over de vraag of de «Versorgungsrenten» (op basis van het «Bundesversorgungsgesetz») moeten worden uitbetaald aan mensen, al dan niet in het buitenland woonachtig, die tijdens de Tweede Wereldoorlog vrijwillig in dienst zijn getreden bij de Duitse krijgsmacht en mogelijk verdacht worden van oorlogsmisdaden. De discussie over de hoogte van Duitse pensioenen, van welke aard dan ook, acht ik in beginsel een Duitse interne aangelegenheid. Mij is verder geen informatie bekend over de daadwerkelijke intrekking van dergelijke Duitse pensioenen. Uit de discussie die hierover in het Duitse parlement is gevoerd, kan worden afgeleid dat ook aan Duitse zijde hierover slechts beperkte informatie aanwezig is. Een eventueel verzoek van de Duitse autoriteiten om informatie zal Nederland positief beantwoorden.
Voor de positie van voormalige dwangarbeiders (of hun nabestaanden) verwijs ik graag naar de informatie die over deze discussie al aan het parlement is gestuurd met betrekking tot de Vierde Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering van 29 maart 1951. Omdat voormalige dwangarbeiders tijdens hun verblijf in Duitsland geen rechten voor de Nederlandse Invaliditeitswet opbouwden, hebben zij over deze periode alsnog in Nederland rechten toegekend gekregen. Nederland heeft van Duitsland een afkoopsom ontvangen voor het afzien van de rechten op de Duitse wettelijke pensioenen («Duitse Rente»).
Bij de toekenning van Nederlandse uitkeringen voor oorlogsgetroffenen (zoals bijvoorbeeld uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers) controleert de Sociale verzekeringsbank het oorlogsverleden van de verzoeker. Dit gebeurt door onderzoek bij het Nationaal Archief, waar de dossiers van de bijzondere rechtspleging van direct na de oorlog (CABR) zijn opgeslagen. Indien er een onderzoek is ingesteld naar een persoon, hetgeen bij nagenoeg iedereen is gebeurd die in Duitse legerdienst is geweest en zich direct na afloop van de oorlog weer in Nederland heeft gevestigd, dan is dit dossier nog te raadplegen. Indien zo iemand een uitkering in het kader van de oorlogswetten aanvraagt, dan zal deze «onwaardig» worden verklaard en geen uitkering op grond van deze wetten ontvangen, als de aanvraag niet na het bekend worden van deze feiten door de aanvrager wordt ingetrokken.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van de heer De Coninck uit België die in zijn land onderzoek gedaan heeft naar pensioenen van collaborateurs en dwangarbeiders en concludeert: «Ik stoot op aanvullende pensioenen van 425 tot 1275 euro per maand (bij collaborateurs). Bij de dwangarbeiders spreken we van 50 euro per maand.»?3
Zie antwoord vraag 5.
Worden in Nederland vergelijkbare bedragen uitgekeerd aan collaborateurs en aan voormalig dwangarbeiders (of hun nabestaanden) en is daar ooit onderzoek naar gedaan?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat het in de Duitse wetgeving sinds 1998 mogelijk is om oorlogspensioenen geheel of gedeeltelijk in te trekken, indien iemand zware misdaden begaan heeft en dat sindsdien 99 pensioenen ingetrokken of geweigerd zijn?4
Zie antwoord vraag 5.
Zijn ook pensioenen van Nederlandse oorlogsmisdadigers sinds die tijd ooit ingetrokken of is er in overleg met de Duitse autoriteiten ooit een poging toe gedaan?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat voor Nederlandse gevangenen de AOW-uitkering stop gezet wordt?
Op grond van artikel 8b AOW vervalt het recht op AOW als de pensioengerechtigde een gevangenisstraf ondergaat van ten minste een maand.
Wordt een Duits oorlogspensioen stopgezet indien iemand levenslang gestraft wordt vanwege de misdaden begaan in de Tweede Wereldoorlog?
Paragraaf 1a van het Bundesversorgungsgesetz biedt de mogelijkheid om «Versorgungsrenten» stop te zetten als de gerechtigde tijdens de Tweede Wereldoorlog misdaden tegen de menselijkheid heeft gepleegd. Met name is dit aan de orde bij het vrijwillige lidmaatschap van de SS. Of een pensioen moet worden stopgezet is ter feitelijke vaststelling van de Duitse autoriteiten.
Kunt u deze vragen uiterlijk 20 april beantwoorden, zodat het antwoord samen met de brief over pensioenen en belastingen voor dwangarbeiders, vervolgingsslachtoffers en Nederlanders, die in het Duitse leger gevochten hebben, aan de Kamer wordt gestuurd?
Helaas is dit niet gelukt.
Mogelijke misbruik van de tegenprestatie bij het aan het werk helpen van bijstandsgerechtigden |
|
Sadet Karabulut |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat gemeenten de normen voor de tegenprestatie in de bijstand overschrijden en de uitspraak van de rechter dat een aanbod om 32 uur per week als algemeen medewerker te worden aangesteld niet als een tegenprestatie naar vermogen kan worden aangemerkt.?1 2
Ik verwijs U voor mijn reactie naar mijn brief aan uw Kamer van 9 april jl. (Kamerstukken 30 545, nr. 121) waarin ik een reactie geef op het Zwartboek FNV en de uitzending van Nieuwsuur over werken in de bijstand.
Bent u – gezien de uitwassen in gemeenten – bereid de tegenprestatie in de bijstand te schrappen of tenminste de voorwaarden te verduidelijken opdat eerlijk werk en eerlijk loon voorop komt te staan bij het aan het werk helpen van bijstandsgerechtigden? Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot de gerechtelijke uitspraak?
Ik ben niet van plan om de tegenprestatie zoals opgenomen in de WWB te schrappen. Ik ben van mening dat de voorwaarden die in de wet zijn opgenomen helder zijn. De rechter is in de uitspraak van 25/2/2013 tot een duidelijke afweging gekomen en ik zie dan ook geen reden om de voorwaarden verder te verduidelijken.
Wat is uw mening over het idee om de voorwaarden voor de tegenprestatie – zoals opgenomen in de notitie van de minister «wat gaat er veranderen in de WWB» – op te nemen in de Wet Werk en Bijstand, zodat voor iedere gemeente duidelijk is, dat de werkzaamheden van een tegenprestatie een paar uur per dag of per week behelzen en deze werkzaamheden niet voor langere tijd mogen worden uitgevoerd?3
De notitie van het ministerie van SZW op het Gemeenteloket waarnaar u verwijst is opgesteld om gemeenten voor te bereiden op de invoering van de tegenprestatie in de WWB. De inhoud van de passage over de tegenprestatie sluit aan bij de wettelijke bepalingen. Ik zie dan ook geen reden om de wettelijke bepalingen aan te vullen met een zelfde boodschap.
Bent u bereid om voor gemeenten een verplichting in te voeren de werkzaamheden voor de tegenprestatie in een overeenkomst met de bijstandsgerechtigde vast te leggen opdat rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden duidelijk worden? Zo nee, waarom niet?
Nee. De rechten en plichten met betrekking tot de tegenprestatie zijn duidelijk vastgesteld in de WWB. Conform de WWB bepaalt het college aan de hand van de individuele omstandigheden en de beschikbare aangeboden maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de tegenprestatie. Ik vind het niet passen om in de wet nadere bepalingen op te nemen over de wijze van uitvoering door gemeenten.
Zijn gemeenten verplicht om bij uitvoering van de tegenprestatie rekening te houden met de individuele omstandigheden van bijstandsgerechtigden en deze vooraf te bespreken door middel van een werkcoach met bijstandsgerechtigden? Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat gemeenten stoppen met het aanbieden van een standaard overeenkomst in het kader van de tegenprestatie?
Zie het antwoord op vraag 4. De wijze waarop de gemeente de afweging maakt rond het opleggen van de tegenprestatie is een kwestie van uitvoering. Gemeenten hebben daarin beleidsvrijheid. Van het bestuur van Orionis Walcheren heb ik begrepen dat zij naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Breda hun uitvoeringsregels en de overeenkomst zullen aanpassen. Naar aanleiding van deze casus zie ik geen reden om verdere stappen te ondernemen.
Deelt u de mening dat reguliere werkplekken en CAO’s onder druk worden gezet, wanneer bijstandsgerechtigden via een tegenprestatie reguliere werkzaamheden verrichten? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om gemeenten die zich hier schuldig aan maken, te stoppen?
Een tegenprestatie is geen regulier werk. De wet is daar heel duidelijk over. Het is de verantwoordelijkheid van het college en vervolgens van de gemeenteraad om te bewaken dat de tegenprestatie additionele werkzaamheden betreft. De afwegingen en eventueel debat hierover dienen op lokaal niveau plaats te vinden. Cliënten en hun vertegenwoordigers hebben via cliëntenparticipatie de mogelijkheid om actief daaraan deel te nemen.
Kunt u een definitie geven van «onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden en werkzaamheden die bijstandsgerechtigden bij Orionis in het kader van een tegenprestatie moeten verrichten op straffe van een korting op de uitkering hieraan toetsen?4
De wetgever spreekt van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Het gaat dus om werkzaamheden die een maatschappelijk belang dienen. De precieze invulling daarvan is afhankelijk van de aanwezigheid van maatschappelijk nuttige werkzaamheden in een gemeente. Uit de uitspraak van de Rechtbank Breda blijkt dat in het aanhangig gemaakte geval geen omschrijving werd gegeven van de door betrokkene te verrichten werkzaamheden.
Hoe verhoudt de tegenprestatie in de bijstand zich tot artikel 4 EVRM (verbod van slavernij en dwangarbeid) en het ILO-verdrag nr. 29 (gedwongen arbeid)?5
Bij de tegenprestatie gaat het, zoals ik heb toegelicht in het antwoord op de voorgaande vraag, om het verrichten van kortdurende onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Zoals in de Memorie van Toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, p. 15–16 en nr. 7, p. 52) is aangegeven, gaat het om een nieuwe burgerlijke verplichting en niet om dwangarbeid, verplichte arbeid of gedwongen arbeid in de zin van genoemde verdragen. Het ILO-verdrag spreekt van burgerlijke verplichtingen als het gaat om diensten, uitgevoerd in het onmiddellijk belang van de gemeenschap en diensten, die uit dien hoofde beschouwd kunnen worden als normale, op de leden van de gemeenschap rustende, burgerlijke verplichtingen, op voorwaarde dat de bevolking zelf of haar rechtstreekse vertegenwoordigers het recht hebben zich uit te spreken over de noodzakelijkheid van die diensten. De tegenprestatie stemt daarmee overeen. In het geval van de tegenprestatie gaat het om het opleggen van burgerlijke verplichtingen of kleine gemeenschapsdiensten, aan uitsluitend inwoners die aangewezen zijn op uitkeringen die bekostigd worden uit de algemene middelen. Daarnaast geldt nog de beperkende voorwaarde dat de verplichtingen slechts «naar vermogen» kunnen worden opgelegd.
Staat u samen met voormalig PvdA-kamerlid Spekman achter het credo van de FNV, «Gelijk werk, gelijk loon» en bent u met uw partijgenoot van mening dat invoering van de tegenprestatie op deze manier «totale ondermijning van het minimumloon is» en de PvdA «absoluut niet voor een tegenprestatie in de bijstand is»?6
Zie het antwoord op vraag 6. De tegenprestatie betreft additionele maatschappelijk nuttig werkzaamheden. Als tegenprestatie voor de uitkering. Er is dan dus sprake van een uitkering, niet van een (minimum) loon. Ik ben van mening dat iedereen naar vermogen zijn steentje kan bijdragen aan de samenleving wanneer hij tijdelijk een bijstandsuitkering heeft. Mensen blijven op deze manier betrokken bij de samenleving.
Bent u bereid om ondernemingsraden van een instelling of bedrijf te informeren wanneer bijstandsgerechtigden met behoud van uitkering, via een participatieplaats of langs de weg van een tegenprestatie voor bijstand te werk worden gesteld bij hun bedrijf of instelling? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij ondernemingsraden van individuele bedrijven of instellingen hierover te informeren. In de gevallen dat de Wet op de ondernemingsraden dit vereist, zal de bestuurder van de onderneming in overleg treden met de ondernemingsraad over de mogelijke gevolgen van een dergelijke tewerkstelling.
De aanstelling van een toezichthouder als tijdelijk voorzitter van de raad van bestuur van het Slotervaartziekenhuis |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat een lid van de Raad van Toezicht van het Slotervaartziekenhuis is aangesteld als tijdelijk voorzitter van de Raad van Bestuur?1
Ik vind het van belang dat bestuurders en toezichthouders van zorgaanbieders onafhankelijk van elkaar functioneren. Het combineren van een functie in de raad van bestuur met een functie in de raad van toezicht van dezelfde aanbieder is in dat licht onverenigbaar. In artikel 6.1, eerste lid, onderdelen a en b van het Uitvoeringsbesluit van de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi) is daarom bepaald dat personen niet tegelijk deel uit kunnen maken van het de algemene of dagelijkse leiding en van het toezichthoudend orgaan van een zorgaanbieder en dat de samenstelling van het toezichthoudend orgaan zodanig moet zijn dat zij ten opzichte van elkaar, de dagelijkse en algemene leiding van de instelling en welk deelbelang dan ook onafhankelijk en kritisch kunnen opereren. De IGZ is belast met het toezicht op de WTZi. De IGZ doet nu onderzoek naar mogelijke overtreding van de WTZi bij het Slotervaartziekenhuis.
Zijn die twee functies wat u betreft te verenigen? Kan een lid van de Raad van Toezicht die ook zitting heeft in de Raad van Bestuur wat u betreft onafhankelijk en kritisch opereren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw oordeel over het feit dat deze aanstelling ingaat tegen de zorgbrede Governance Code? Deelt u de mening dat iedere zorginstelling zich aan deze Governance Code zou moeten houden?
Zoals ik in het antwoord op de vragen 1 en 2 aangaf, vind ik een combinatie van de functies van bestuurder en toezichthouder onverenigbaar. De scheiding in functies is daarom wettelijk geregeld. Een combinatie van de functies is dus niet toegestaan. De IGZ doet nu vervolgonderzoek naar mogelijke overtreding van de WTZi bij het Slotervaartziekenhuis.
De (vernieuwde) Zorgbrede Governancecode is in 2010 door de Brancheorganisatie Zorg (BOZ) uitgebracht. 2 3Het zijn de raad van bestuur en de raad van toezicht die verantwoordelijk zijn voor de governancestructuur en de naleving van de Zorgbrede Governancecode (art. 2.1.3). Het is niet aan mij om een oordeel te geven of wel of niet aan de Zorgbrede Governance is voldaan. De zorginstelling dient in zijn jaarverslag aan te geven welke van toepassing zijnde openbaar gemaakte normen zij hanteert voor goed bestuur en het afleggen van openbare verantwoording over haar beleid en activiteiten. Hierbij dient de Zorgbrede Governancecode als uitgangspunt te worden gehanteerd. Op basis van het principe van «pas toe of leg uit» wordt in ieder geval aangegeven van welke normen uit de Zorgbrede Governancecode is afgeweken en waarom. Dit dient expliciet in de verslaggeving te worden opgenomen4.
Het Slotervaartziekenhuis geeft in het jaarverslag over 2011 aan de aanbevelingen van de goverance Zorgbrede Governancecode te onderschrijven en alleen af te wijken op het punt ten aanzien van het informatieprotocol.
Ik onderschrijf dat de Zorgbrede Governancecode zorgaanbieders kan ondersteunen bij het duidelijk en transparant inrichten van hun bestuursstructuur. Het onderschrijven van de Zorgbrede Governancecode is daarvoor in de huidige situatie geen vereiste, naleving van de WTZi is dat wel. Voor de zomer kom ik met een brief over de governance in de zorg. In die brief ga ik verder in de op de rol die de Zorgbrede Governancecode mijns inziens kan spelen bij de verbetering van bestuursstructuren in de zorg.
Deelt u voorts de mening dat iedere zorginstelling, ongeacht of deze lid is van een brancheorganisatie of niet, gebonden zou moeten zijn aan de Governance Code? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de vrees dat met de invoering van de winstuitkering in zorginstellingen voor medisch specialistische zorg het aantal zorginstellingen dat zich onttrekt aan de Governance Code toeneemt? Zo nee, waarom niet? Welke garanties kunt u geven? Zo ja, waarom bent u dan toch voornemens de winstuitkering in te voeren?
Nee. Ook zorgaanbieders die winst willen gaan uitkeren zullen aan de wet (WTZi) moeten voldoen. De wetgever bepaalt de werking en rechtskracht daarvan. In het najaar kom ik conform afspraak met de Tweede Kamer met voorstellen over het versterken van de governance in de zorg.
Vindt u het in het publieke belang dat de zeggenschap over het ziekenhuis op dit moment voor de rechter wordt uitgevochten? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Ik vind het belangrijk dat er wordt toegezien op de randvoorwaarden. Dat betekent dat ik vind dat de kwaliteit en veiligheid in ziekenhuizen op orde moet zijn, dat de governance op orde moet zijn en dat cruciale zorg wordt doorgeleverd ook als het financieel tegenzit. Dergelijke belangen moeten goed geborgd zijn. Ik heb op het moment geen signalen dat de publieke belangen zoals kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid als gevolg van een meningsverschil tussen aandeelhouders in het geding zijn. De IGZ houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten
Welke veranderingen zijn er in de statuten van het Slotervaartziekenhuis aangebracht?3
Ik heb begrepen dat bij statutenwijziging van 14 maart 2013 het Slotervaartziekenhuis de mogelijkheid heeft gecreëerd om naast gewone aandelen ook preferente aandelen uit te geven. Het gaat hier om zogenaamde cumulatief preferente aandelen. Deze preferente aandelen kunnen, volgens de statuten, worden uitgegeven zonder dat deze evenredig over de huidige aandeelhouders verdeeld dienen te worden. Zij kunnen dus ook aan één persoon of bedrijf worden verkocht.
Is het toegestaan de statuten van een ziekenhuis op zo’n manier te wijzigen dat winstuitkeringen mogelijk worden? Is dat bij het Slotervaartziekenhuis het geval? Zo ja, hoe is dat mogelijk terwijl het wetsvoorstel nog moet worden behandeld in de Tweede Kamer?
Winstuitkering is op grond van de WTZi en het Uitvoeringsbesluit verboden voor aanbieders van medisch specialistische zorg. Bovendien is in de statuten van het Slotervaartziekenhuis een statutaire winstklem opgenomen. Dat betekent dat winstuitkering door het Slotervaartziekenhuis niet alleen in strijd met de wet zou zijn, maar ook in strijd met de eigen statuten.
Deelt u de mening dat het vreemd is dat zorgverzekeraar Achmea niet met een voor het publiek bekende directeur een contract afsluit en wel met een – voor het publiek – onbekende aandeelhouder? Hoe verklaart u het dat Achmea nu wel bereid is een contract af te sluiten met het Slotervaartziekenhuis?4
Het contract dat Achmea heeft afgesloten is een contract met het Slotervaartziekenhuis, niet met een of meerdere aandeelhouders van het ziekenhuis. Namens het Slotervaartziekenhuis is het contract ondertekend door Dees Brandjes en Jos Beijnen. Zij maken deel uit van het bestuur van het ziekenhuis.
Naar ik heb begrepen zijn de afspraken die gemaakt zijn in overeenstemming met het hoofdlijnenakkoord waarmee ziekenhuizen en zorgverzekeraars zich hebben gecommitteerd om de kostengroei in de curatieve zorg te beteugelen. Ik ken de precieze inhoud van het contract niet. Ik vind dat ook niet nodig. Verzekeraars hebben een zorgplicht jegens hun verzekerden. De wijze waarop zij contracteren om aan die zorgplicht te voldoen is aan henzelf.
Wat is de inhoud van het afgesloten contract tussen Achmea en het Slotervaartziekenhuis? Welke struikelblokken zijn er weggenomen? Is er nog sprake van een maximumbedrag dat het ziekenhuis mag uitgeven aan medicijnen voor reuma- en kankerpatiënten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht 'Erdogan maakt werk van Yunus' |
|
Joram van Klaveren (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Erdogan maakt werk van Yunus»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de visie dat de stap van Turkije naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens een schoffering is van de Nederlandse soevereiniteit? Hoe gaat u dit kenbaar maken aan de Turkse regering?
Het is niet bevestigd dat Turkije de zaak Yunus aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voorlegt.
Deelt u de mening dat Erdogan geen enkele zeggenschap heeft over onze cultuur, normen en waarden en zich dan ook volledig buiten deze kwestie inzake Yunus dient te houden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat dit weer eens aantoont dat een islamitisch land als Turkije niets te zoeken heeft in de Europese Unie? Zo nee, waarom niet?
Het toetredingsproces van Turkije is voor de EU – en dus ook voor Nederland – van wezenlijk strategisch en economisch belang. Bovendien is dit proces een belangrijke motor voor hervormingen in Turkije, mede op het gebied van mensenrechten. Het gaat hier om een proces met een open einde, waarvan de uitkomst niet op voorhand vaststaat. Nederland heeft ingestemd met het lidmaatschapsperspectief voor Turkije, mits aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan. Het Kabinet ziet geen aanleiding om af te wijken van dit beleid.
Gaat u de Turkse regering nu eindelijk klip en klaar wijzen op het feit dat men in Nederland geen rekening houdt met homofobe en antichristelijke denkbeelden uit de islam? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De publicatie van sterftecijfers door Nederlandse ziekenhuizen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Precieze sterftecijfers ziekenhuizen openbaar»1 en «Schippers wil sterftecijfers openbaar»2?
Ja.
Deelt u de mening dat transparantie, het openbaar maken van cijfers over kwaliteit, met duiding, van groot belang is voor de dialoog met patiënten en de kwaliteit van zorg ten goede komt?
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer positief is dat openheid van zaken over sterftecijfers per diagnose en leeftijdsgroep wordt gegeven?
Ja.
Deelt u de mening dat er een cultuurverandering moet komen zodat ook alle overige, nabij negentig, Nederlandse ziekenhuizen op zo kort mogelijke termijn gedetailleerde cijfers per diagnose en leeftijdsgroep openbaren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te stimuleren?
We weten dat betrouwbare registraties van (ervaren) uitkomsten van zorg leiden tot doelmatigheid en een betere kwaliteit van zorg. Betrouwbare data zijn onmisbaar voor professionals, ziekenhuisafdelingen en het bestuur van ziekenhuizen om de zorg die zij leveren aantoonbaar te kunnen verbeteren. Sterftecijfers hebben een signaalfunctie en kunnen de bewustwording van ziekenhuizen over de veiligheid van hun patiënten vergroten. Registratie is dus onmisbaar willen ziekenhuizen hun sterftecijfers kunnen monitoren en sterftegevallen kunnen onderzoeken. Als je geen onderzoek doet, kun je ook geen trends herkennen, opmerkelijke afwijkingen constateren die nader moeten worden onderzocht of van je fouten leren.
Verder is er een maatschappelijk belang om geleverde en ervaren kwaliteit en kwaliteitsverschillen in de zorg te delen in het publieke domein. De kwaliteit van de geleverde zorg moet transparant zijn voor patiënten en zorgverzekeraars om hen in staat te stellen te kiezen voor kwalitatief goede zorg en deze in te kopen. De kwaliteit van de geleverde zorg moet ook transparant zijn voor het (risicogestuurd) toezicht door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ).
Ik vind publicatie van sterftecijfers daarom belangrijk. Het publiceren van gegevens zoals de HSMR kan een prikkel vormen om de registratie van kwaliteit verder te verbeteren en daaruit voortvloeiend ook de kwaliteit van zorg. Het belang van publicatie heb ik eerder aangeven in mijn brief aan uw Kamer over patiëntveiligheid van 15 november 2012 en tijdens een recent interview met het NRC.
Allereerst moet volledigheid en kwaliteit van de gegevensregistratie worden verbeterd. In november 2012 constateerde de IGZ al in haar rapport «De veiligheid telt3» dat de nodige verbeteringen gerealiseerd moeten worden. Slechts een deel van de ziekenhuizen neemt volledig deel aan de Landelijke medische Registratie (LMR) of de Landelijke Basisregistratie Zorg (LBZ). Ik spreek de ziekenhuisbesturen maar ook de brancheorganisaties daarop aan.
Deelname is in combinatie met een betrouwbare en volledige gegevensregistratie een vereiste om betrouwbare en betekenisvolle sterftecijfers te kunnen berekenen. Over het jaar 2011 hebben 63 ziekenhuizen alleen de HSMR (het gewogen gemiddelde sterftecijfer) gepubliceerd en hebben 6 ziekenhuizen alle sterftecijfers per aandoening (SMR’s) openbaar gemaakt. Er zijn 26 ziekenhuizen die nog geen sterftecijfer publiceren. Het is wanneer data zo snel als mogelijk beschikbaar komen.
Mede omdat de publicatie van sterftecijfers onvoldoende van de grond komt organiseert VWS een breed bestuurlijk overleg (NVZ, NFU, Orde van medisch specialisten, V&VN, NPCF, ZN, ZKN) met als doel om concrete afspraken ten aanzien van patiëntveiligheid te maken waaronder over publicatie van sterftecijfers. Dat overleg zal naar verwachting in mei 2013 plaatsvinden.
Registratie en publicatie van betrouwbare gegevens, inclusief betekenisvolle sterftecijfers is primair de verantwoordelijkheid van de ziekenhuizenbesturen samen met professionals, maar ook de brancheorganisaties hebben hierin een rol.
De brancheorganisaties NVZ en NFU hebben zich in 2009 gecommitteerd aan publicatie van sterftecijfers door de ziekenhuissector en de doorontwikkeling van het HSMR model. Echter, ik constateer dat deze toezegging tot op heden niet tot concrete resultaten heeft geleid. Mij is ook geen informatie bekend is waaruit blijkt dat er concrete initiatieven terzake in voorbereiding zijn.
Op dit moment bestaat er nog geen formele verplichting om sterftecijfers te publiceren.
Daarom zoek ik naar mogelijkheden om een verplichting tot publicatie van sterftecijfers vorm te geven. In dat kader ben ik in gesprek met de IGZ en Het Kwaliteitsinstituut over sterftecijfers als kwaliteitsindicator. In overleg met de NZa ga ik na of Artikel 38 van de Wmg concrete mogelijkheden biedt voor de openbaarmaking van sterftecijfers. Op grond van artikel 38 van de Wmg zijn zorgaanbieders verplicht informatie openbaar te maken over de eigenschappen van aangeboden prestaties en diensten op een zodanige wijze dat deze gegevens voor consumenten gemakkelijk vergelijkbaar zijn.
Hoe gaat u concreet stimuleren dat in aanvulling op de 65 ziekenhuizen die hun algemene sterftecijfers publiceerden ook de overige Nederlandse ziekenhuizen tenminste inzage geven in het algemene sterftecijfer, de zogenoemde Hospital Standardized Mortality Ratio (HSMR)?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de opvatting dat het verkrijgen van betrouwbare kwaliteitsgegevens in de zorg van groot belang is en dat het wenselijk is dat deze gegevens zo actueel mogelijk zijn? Zo nee, waarom niet? Welke bijdrage kan de HSMR volgens u aan de kwaliteitsgegevens geven? Deelt u de mening dat het belangrijk is dat de HSMR niet de resultaten in het jaar t-2, maar het jaar t-1 beschrijft? Op welke wijze kunt u deze aanpassing stimuleren?
Zie antwoord vraag 4.
Welke voorwaarden stelt u aan de publicatie van sterftecijfers? Wat verstaat u onder «volledige, uniforme en betrouwbare gegevensregistratie»?3 Bent u van mening dat de HSMR een adequaat instrument is op basis waarvan gewogen sterftecijfers tussen ziekenhuizen kunnen worden vergeleken? Zo nee, is een alternatief voorhanden? Op welke manier kan er op korte termijn, maar wel op zorgvuldige wijze, vooruitgang worden geboekt?
Er bestaat consensus over het feit dat variatie in HSMR door andere bronnen kan worden veroorzaakt dan door de kwaliteit van zorg. In wetenschappelijke literatuur is uitvoerig gerapporteerd over het huidige HSMR model, over de beperkingen van het model en over de vraag hoe het model te verbeteren is door alle factoren die bijdragen aan de kwaliteit in de casemixcorrectie te betrekken.
De sector zelf heeft vaker aangegeven dat ondanks de beperkingen van het HSMR model, het berekenen van sterftecijfers een ontwikkeling is die past binnen het streven naar verbetering en zichtbaarheid van kwaliteit. Veel ziekenhuizen lichten op hun eigen website het gepubliceerde sterftecijfer toe. Ik verwijs ook naar mijn antwoord op de vragen 4, 5 en 6.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat sommige ziekenhuizen voor het niet publiceren van hun sterftecijfers zich blijven verschuilen achter een «onvolledige registratie» of «omdat voor de HSMR moet worden betaald»?4 Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u eraan doen?
Ja, dat vind ik niet acceptabel. Voor een toelichting verwijs ik u naar mijn antwoord op de vragen 4, 5 en 6.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat alle Nederlandse ziekenhuizen de HSMR over het jaar 2012 publiceren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete mogelijkheden heeft u om de ziekenhuizen te dwingen deze informatie openbaar te maken, omdat daar de kwaliteit van zorg bij gebaat is? Welke van deze mogelijkheden gaat u inzetten? Welke rol heeft de zorgverzekeraar hierin?
Ja dat vind ik wenselijk. De publicatie van de HSMR moet door de ziekenhuizen zelf worden verzorgd. De HSMR heeft niet alleen extern betekenis, maar is vooral voor het interne kwaliteitsbeleid van ziekenhuizen en ziekenhuisafdelingen van belang. Wat betreft de codeerpraktijken en de kwaliteit en volledigheid van de gegevens zijn de instellingen zelf aan zet om daar orde op zaken te stellen. Van ziekenhuizen mag echt verwacht worden dat zij in staat zijn om relevante gegevens op verantwoorde wijze te produceren die kunnen bijdragen aan landelijke kwaliteitsdata over zorgprocessen en zorguitkomsten.
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op de vragen 4, 5 en 6 ben ik mogelijkheden aan het verkennen om publicatie te verplichten, nu blijkt dat de sector zelf geen resultaten en geen initiatieven laat zien. Zorgverzekeraars Nederland heeft laten weten dat zorgverzekeraars streven naar uitkomstindicatoren, waaronder sterftecijfers. Sterftecijfers geven patiënten en zorgverzekeraars belangrijke informatie over het succes van een behandeling en daarmee over de kwaliteits(verschillen) van zorg. Zorgverzekeraars kunnen echter moeilijk beschikken over deze gegevens op uitkomstniveau, onder meer omdat sommige klinische registraties onvoldoende betrouwbaar zijn en daarom niet openbaar. Gezien de waarde van deze informatie, streven zorgverzekeraars ernaar om voor verschillende aandoeningen, op korte termijn, over sterftecijfers te kunnen beschikken. Zorgverzekeraars hebben een eigen inkoopbeleid waarbij onder andere op basis van kwaliteitsindicatoren selectief wordt ingekocht. Ik verwijs ook naar mijn antwoord op de vragen 4, 5 en 6.
Op basis van welke concrete criteria constateert u dat de inspanningen van individuele instellingen en brancheorganisaties onvoldoende opleveren? Hoeveel tijd geeft u de zorginstellingen om betrouwbare gegevens te publiceren?
De resultaten heb ik genoemd in mijn antwoord op de vragen 4, 5 en 6. Ik heb in mijn brief aan uw Kamer van 15 november 2012, waarin ik mijn reactie geeft op het IGZ rapport «Het resultaat Telt Veiligheidsindicatoren 2009, 2010 en 2011. De veiligheid telt» aangegeven dat de ziekenhuizen vanaf het verslagjaar 2014 sterftecijfers op basis van diagnosegroepen (SMR’s) zouden moeten kunnen publiceren.
Het niet controleren van werkgevers en opleiders door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) bij het plaatsen van een vacature |
|
Paul Ulenbelt |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Opgelicht waarin uiteen wordt gezet dat het UWV verwijst naar een opleiding tot rijinstructeur bij een kennelijk onbetrouwbare opleider?1
Ik betreur het dat dergelijke situaties kunnen voorkomen.
UWV is een onderzoek gestart bij het betrokken bedrijf om vast te stellen of er sprake is van handelen in strijd met de algemene voorwaarden. Zolang dit onderzoek gaande is, worden geen nieuwe mensen aangemeld. UWV zal de huidige deelnemers benaderen om het vervolg van hun opleiding te bespreken.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat werkzoekenden via de vacaturewebsite van het UWV (www.werk.nl) terecht komen bij onbetrouwbare werkgevers en opleiders? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard kan het niet de bedoeling zijn dat werkzoekenden via de vacaturewebsite terecht komen bij onbetrouwbare werkgevers en opleiders. Klachten die in dit verband worden ontvangen worden daarom onderzocht en kunnen leiden tot het treffen van maatregelen.
Bent u van mening dat alle werkgevers en opleiders waarvan het UWV vacatures plaatst op haar vacaturewebsite www.werk.nl voor plaatsing van de vacature of opleiding uitvoerig gecontroleerd moeten worden op betrouwbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Dergelijke controles vinden niet plaats en zijn praktisch gezien onuitvoerbaar. Wel is er controle vooraf (zie het antwoord op vraag 4 en 7) en is actie nodig als blijkt dat klachten worden geuit met betrekking tot geplaatste vacatures c.q. verzorgde scholingstrajecten.
Kunt u uiteenzetten aan welke eisen werkgevers moeten voldoen om vacatures te mogen plaatsen op www.werk.nl? Zo nee, waarom niet?
Om vacatures te kunnen plaatsen op werk.nl dienen werkgevers te beschikken over een account. Werkgevers kunnen een account aanvragen op basis van hun RSIN (= rechtspersonen en samenwerkingsverbanden identificatienummer), voorheen fiscaal nummer. Verificatie van de werkgevers vindt plaats per brief op het in de Polisadministratie geregistreerde bedrijfsadres. De brief die de formeel geregistreerde onderneming ontvangt, bevat een activeringscode en de gegevens van de aanvrager. Pas na activering kunnen werkgevers vacatures plaatsen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er in de toekomst geen vacatures en opleidingen meer op www.werk.nl worden geplaatst van werkgevers die niet van te voren gecontroleerd zijn door het UWV?
Zoals hiervoor aangegeven, worden werkgevers vooraf gecontroleerd. Er vindt geen controle plaats op het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten.
Als uit onderzoek of op basis van klachten van deelnemers blijkt dat opleiders niet naar behoren presteren, worden maatregelen getroffen en wordt bezien of de toegangsovereenkomst tussen opleider en UWV kan worden ingetrokken (zie ook het antwoord op vraag 7).
Kunt u aangeven voor hoeveel werklozen de overheid per jaar de opleiding tot rijinstructeur betaalt?
Voor WW-ers worden geen opleidingen meer gefinancierd, omdat het re-integratiebudget dat hiervoor beschikbaar was, is afgeschaft met ingang van 1 januari 2012.
Voor uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking (WIA, Wajong) kan nog wel re-integratiebudget worden ingezet. Recente cijfers voor specifiek de rijschoolbranche zijn niet beschikbaar. In de periode 2008 tot begin 2011 ging het op basis van bij UWV bekende cijfers om ongeveer 30 uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die als zelfstandig rijschoolhouder of in loondienst aan de slag zijn gegaan.
Deelt u de mening dat de overheid geen opleidingen mag subsidiëren bij onbetrouwbare opleiders? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit in de toekomst niet meer gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Opleidingen worden alleen op werk.nl geplaatst als daarvoor een toegangsovereenkomst is afgesloten met de opleider. Een dergelijke overeenkomst wordt alleen afgesloten als wordt voldaan aan de eisen uit het Inkoopkader scholing 2011. Hierin wordt ondermeer geëist dat de opleider is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel of het nationale beroeps-/handelsregister en moet daaruit blijken dat het doel van het bedrijf is, het uitvoeren van scholing. Ook moet de opleider minimaal een jaar ervaring hebben met de door hem aangeboden scholing.
Bent u bereid om de aangeboden opleidingen van Mobideta, die op 27 maart 2013 om 09.47 uur nog te vinden waren op www.werk.nl, onmiddellijk te laten verwijderen van deze vacaturesite? Zo nee, waarom niet?
De opleidingen worden op dit moment niet meer via werk.nl aangeboden.
Nieuwe bezuinigingen op het infrastructuurfonds |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bouwend Nederland: Kabinet pleegt roofbouw op infrastructuur»?1
Ja.
Klopt het dat het infrastructuurfonds wordt gekort door het niet toekennen van de inflatiecorrectie? Klopt het dat het weglaten van de inflatiecorrectie tot 2028 optelt tot een bezuiniging van € 2,6 mrd.?
Onderdeel van het voorgenomen pakket maatregelen van het kabinet zoals opgenomen in de brief van de Minister van Financiën naar aanleiding van de CPB cijfers, is het niet uitkeren van de prijsbijstelling tranche 2013. Het aandeel van de IenM begrotingen (HXII, Deltafonds en Infrafonds) in die maatregel bedraagt € 160 mln per jaar (uitgaande van het jaar 2014). Het maximale effect voor alle IenM begrotingen tot en met 2028 bedraagt daarmee € 2,6 mld (16 x € 260 mln).
Het aandeel van het Infrastructuurfonds hierin is € 100 mln per jaar. Het maximale effect van de maatregel op het Infrastructuurfonds is daarmee 1,6 miljard euro voor de totale periode tot en met 2028. Dat bedrag heb ik ook in mijn brief genoemd als reactie op de vraag van uw kamer van 13 maart (Kamerstuknummer 2013Z04639).
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de planning van MIRT-projecten? Klopt het dat deze nieuwe bezuiniging nog niet is meegenomen in de toelichting op de invulling van de bezuinigingen op het infrastructuurfonds van 13 februari 2013?2
Zoals ik in de brief van d.d. 28 maart als reactie op uw verzoek van 13 maart (Kamerstuknummer 2013Z04639) heb aangegeven heeft het niet uitkeren van de prijsbijstelling nu nog geen effect op het huidige MIRT programma en is dit niet meegenomen in de brief van 13 februari jongstleden omdat de consequenties pas op een later tijdstip duidelijk zullen worden (TK 33400-A, nr. 48).
Kunt u een overzicht geven van alle bezuinigingen en intensiveringen op het infrastructuurfonds sinds het regeerakkoord van het vorige kabinet uit 2010?
In totaal is er voor ongeveer € 19,5 miljard bezuinigd sinds het Regeerakkoord uit 2010. Daartegenover is er in totaal voor ongeveer € 9 miljard extra investeringsmiddelen beschikbaar gesteld. Per saldo is daarmee sprake van een totale bezuiniging tot en met 2028 van ruim € 10 miljard.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de werkgelegenheid in manjaren per jaar tot 2028 van de bezuinigingen op het infrastructuurfonds sinds 2010 en specifiek van het niet toekennen van de inflatiecorrectie?
De gevolgen voor de werkgelegenheid kan ik niet precies aangeven aangezien er veel meer factoren van invloed zijn op de werkgelegenheid dan de investeringen van het Rijk. Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) heeft becijferd dat een structurele bezuiniging van € 500 miljoen zou kunnen leiden tot een werkgelegenheidsverlies oplopend naar ruim 3.200 manjaren per jaar ten opzichte van het basispad in de periode tot en met 2017.3 Als ik de bezuinigingsopgave van € 10 miljard sinds 2010 zou omrekenen naar een platte reeks per jaar dan komt deze bezuiniging per jaar ongeveer neer op € 500 miljoen en daarmee op een mogelijk werkgelegenheidsverlies van 3.200 manjaren per jaar. In dit effect is het niet toekennen van de prijscompensatie meegenomen.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 5 april 2013 te beantwoorden in verband met het geplande notaoverleg MIRT op 8 april 2013?
Ja.
De zelfmoordpogingen in grensdetentie |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zelfmoordpogingen in grensdetentie van twee asielzoekers op vrijdag 1 maart en donderdag 14 maart 2013?
Ik ben bekend met een poging tot suïcide op 1 maart 2013 in Justitieel Complex Schiphol. Een poging tot suïcide in grensdetentie op 14 maart 2013 is mij niet bekend.
Klopt het dat bij beiden vanaf begin af aan duidelijk was dat er sprake was van ernstige psychische problemen? Zo ja, waarom wordt bij gevallen als deze toch besloten grensdetentie niet op te heffen en ze op te vangen in bijvoorbeeld een GGZ-instelling?
Alle ingeslotenen worden na binnenkomst gezien door een verpleegkundige van de medische dienst. Indien daartoe aanleiding bestaat, zoals bijvoorbeeld in geval van suïcidale uitlatingen of andere aanwijzingen die duiden op ernstige psychische problematiek, vindt overleg plaats tussen de verpleegkundige en de dienstdoende huisarts. Aangezien er bij binnenkomst geen aanleiding was om ingeslotene door te verwijzen of anderszins actie te ondernemen op basis van de medische en/of psychische situatie, is in dit geval gehandeld conform deze standaard procedure.
Op 25 januari 2013 is de betreffende ingeslotene door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) telefonisch bericht dat zijn asielverzoek was afgewezen. Kort na dit gesprek heeft de ingeslotene suïcidale uitlatingen gedaan. Dientengevolge heeft een gesprek plaatsgevonden met de huisarts. Met de ingeslotene is de afspraak gemaakt om – indien nodig – tijdig hulp te vragen. De ingeslotene is later nog op 3 en 19 februari jl. gezien door de medische dienst in verband met medische klachten.
Ofschoon in het onderhavige geval niet aan de orde, kunnen zich situaties voordoen waarin plaatsing in detentie niet verantwoord is. Dit kan zijn ingegeven door dringende redenen van lichamelijke of psychische aard, gelegen in de persoon van de gedetineerde, waarbij binnen de inrichting de middelen ontbreken om de benodigde zorg voor deze gedetineerde op verantwoorde wijze te leveren. Bij een vermoeden van een dergelijke situatie kan een onderzoek worden verricht naar de detentiegeschiktheid. Dit onderzoek kan door de advocaat worden aangevraagd of op initiatief van de directeur van het detentiecentrum worden opgestart. Een onafhankelijke deskundige voert het onderzoek uit.
Hoe is de psychische en medische zorg ingericht in grensdetentie?
Uitgangspunt is dat de zorg die wordt geboden in de detentiecentra gelijkwaardig is aan de basiszorg die beschikbaar is buiten de detentiecentra. Zoals ik reeds heb vermeld in het antwoord op vraag 2 wordt bij binnenkomst zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen 24 uur, een medische intake uitgevoerd door een verpleegkundige van de medische dienst. Deze intake is bedoeld om een algemeen gezondheidsbeeld vast te stellen en – indien nodig – de ingeslotene op het spreekuur van de huisarts in te plannen. Psychische problematiek vormt een onderdeel van de intake. Bij signalen van suïcidaliteit vindt volgens het protocol overleg plaats met de dienstdoende huisarts.
De medische dienst van het Justitieel Centrum Schiphol is vierentwintig uur per dag op de locatie aanwezig. Op werkdagen is er van 08:00 uur tot 17:00 uur een huisarts aanwezig. Ook buiten deze tijden is de huisarts bereik- en beschikbaar voor consulten. Voor wat betreft de geestelijke zorg geldt dat dagelijks psychologen aanwezig zijn voor consulten en crisisinterventies. Anderhalve dag per week is er een psychiater aanwezig die ook bereikbaar is buiten deze dagen om. Tenslotte vindt wekelijks psycho-medisch overleg plaats. Iedere ingeslotene kan zich aanmelden voor het spreekuur van de zorgverleners. Ook de verschillende zorgverleners kunnen ingeslotenen aanmelden voor het psycho-medisch overleg. Indien noodzakelijk kan worden doorverwezen naar tweedelijns zorg.
Wat is de standaardprocedure in grens- en vreemdelingendetentie in het algemeen na een zelfmoordpoging? Welke instanties worden geïnformeerd? Klopt het dat na deze twee zelfmoordpogingen de advocaten niet op de hoogte zijn gesteld door Justitieel Complex Schiphol? Zo ja, waarom niet en betekent dit dat advocaten nooit op de hoogte worden gesteld van zelfmoord(poging)en?
Na een poging tot suïcide staat de zorg en nazorg aan de betreffende ingeslotene voorop. Indien sprake is van lichamelijk letsel wordt eerst medische zorg geboden. Daarnaast vindt direct een gesprek plaats met een arts, psycholoog of psychiater. De invulling van de (na)zorg vergt maatwerk. Er moet zorgvuldig worden gekeken naar het gevaar dat de ingeslotene op dat moment en mogelijk op een later moment, nog voor zichzelf vormt.
Van een poging tot suïcide wordt altijd melding gemaakt. De verantwoordelijke directeur op het hoofdkantoor van DJI bepaalt, op basis van de specifieke omstandigheden van het geval, of deze melding moet worden doorgezet naar mij.
Advocaten staan ingeslotenen bij in juridische procedures. In dit verband bestaat tussen de advocaat en de ingeslotene een vertrouwelijke band waarbinnen de ingeslotene voor de rechtsgang relevante (medische en psychische) informatie kan delen. Dit is dus aan de ingeslotene zelf. Indien hiertoe aanleiding bestaat kan de advocaat – met toestemming van de ingeslotene – inzage krijgen in het medisch dossier van de ingeslotene.
Is er in deze twee gevallen besloten om over te gaan tot afzondering of isolatie? Zo ja, waarom en voor hoe lang? Deelt u de mening dat bij zelfmoordpogingen niet tot isolatie over moet worden gegaan en dat medische behandeling voorop staat?
In het geval van de ingeslotene die een poging tot suïcide heeft gedaan op 1 maart jl., is in eerste instantie niet overgegaan tot afzondering ter observatie, maar is de ingeslotene na een oproep van de medische dienst door een ambulance naar een regulier ziekenhuis gebracht. Bij terugkomst op 3 maart jl. is de ingeslotene, omdat hij nog steeds suïcidaal was, overgebracht naar een observatiecel met cameratoezicht ter bescherming van zichzelf. De ingeslotene is vanaf dat moment dagelijks gezien door de medische dienst en is voorts begeleid door de psycholoog. Vanaf 5 maart jl. tot zijn overplaatsing naar detentiecentrum Rotterdam op 25 maart jl., heeft de ingeslotene overdag op de (leef)afdeling, dus samen met de andere ingeslotenen, gerecreëerd en ’s nachts ter observatie onder cameratoezicht geplaatst.
Zoals ik reeds in het antwoord op vraag 4 heb vermeld, wordt bij de (na)zorg maatwerk geleverd. Indien er een indicatie is dat risico bestaat op herhaling, kan het noodzakelijk zijn over te gaan tot plaatsing ter observatie in een afzonderingscel. Zolang de ingeslotene in een afzonderingscel verblijft, wordt hij of zij dagelijks gezien door een gedragsdeskundige. De aard en frequentie van de contactmomenten worden op de situatie van de ingeslotene afgestemd.
Tot plaatsing in een afzonderingscel wordt alleen overgegaan als de ingeslotene een direct gevaar vormt voor zichzelf.
Klopt het dat het hier gaat om vreemdelingen die wachten op terugkeer in het kader van de Dublin-Verordening? Klopt het dat bij één van hen het claimverzoek is geweigerd, maar dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een herhaald verzoek is ingediend? Zo ja, waarom? Welke gronden leiden ertoe dat een dergelijk herhaald verzoek wordt ingediend in plaats van dat in een asielzoekerscentrum (AZC) de beslissing op de asielaanvraag mag worden afgewacht?
In de zaak van de ingeslotene die op 1 maart jl. een poging tot suïcide deed, ging het inderdaad om een zaak waarin Nederland een verzoek had ingediend bij een ander land om de vreemdeling over te nemen. Met een zaak waarin het claimverzoek zou zijn geweigerd en door de IND een herhaald verzoek zou zijn ingediend, ben ik niet bekend. In algemene zin geldt dat wanneer blijkt dat a) een vreemdeling een asielverzoek in een ander land heeft ingediend, b) de vreemdeling bekend is in een ander land in verband met een illegale inreis, of c) een ander land verantwoordelijk is op basis van mondelinge verklaringen en/of schriftelijk bewijs, de IND zo snel mogelijk een terugnameverzoek zendt aan de betreffende Lidstaat. Het betreffende land dient hierop binnen 2 weken te reageren. Het kan voorkomen dat een claim in eerste instantie wordt afgewezen, bijvoorbeeld omdat deze niet volledig is. Verder kan op een later moment informatie bekend worden op grond waarvan een herhaald verzoek opportuun is.
Zitten deze twee vreemdelingen nog steeds in grensdetentie? Zo ja, waarom? Deelt u de mening dat mensen met psychische problematiek niet geschikt zijn voor grensdetentie en dat zij gebruik moet kunnen maken van beschikbare alternatieven? Zo nee, waarom niet?
De ingeslotene die op 1 maart jl. een poging tot suïcide deed, verblijft niet meer in grensdetentie. Bij de plaatsing in grensdetentie wordt op individueel niveau altijd een afweging gemaakt tussen het grensbelang en het persoonlijk belang van de vreemdeling. Europeesrechtelijk is de Nederlandse regering verplicht om vreemdelingen die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoen de toegang te weigeren tot het Schengengrondgebied. Dit geldt ook voor vreemdelingen met psychische problemen. Zoals ik eerder al op de vragen van het Lid Arib heb geantwoord1, onderzoek ik de mogelijkheden om verantwoorde alternatieven toe te passen voor grensdetentie in geval van specifieke categorieën asielzoekers. Het gaat dan bijvoorbeeld om asielzoekers die in afwachting zijn van de overdracht in het kader van de Dublin-verordening. Ik zal in dit kader ook kijken naar de groep asielzoekers met psychische problemen.
Ik zal de bevindingen in mijn toekomstvisie over vreemdelingenbewaring en alternatieve toezichtmiddelen bij terugkeer meenemen. Deze toekomstvisie zal ik voor het zomerreces aan uw Kamer sturen.
Bent u bereid om voor het zomerreces te onderzoeken of er verantwoorde alternatieven beschikbaar zijn voor Dublinclaimanten en voor asielzoekers met psychische problemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
De vertrekbonus van een ex topman van het UMC St Radboud |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Ophef UMC St Radboud over bonus ex-topman»?1
Ik heb het krantenartikel uit de Volkskrant, uit De Gelderlander en uit Zorgvisie gelezen. Tevens heb ik de interne mededeling gelezen die in de Volkskrant wordt aangehaald.
De honorering van topfunctionarissen in de publieke en de semipublieke sectoren is al enige tijd in discussie. Dat is ook de reden waarom voorgaande kabinetten daar paal en perk aan hebben willen stellen door die inkomens te normeren op een maatschappelijk aanvaardbaar niveau. Omdat daar geen instrument voor bestond, is een instrument ontwikkeld in de vorm van de WNT, de wet normering topinkomens. Daarmee is Nederland uniek, zeker in Europees verband.
Het is dit kabinet geweest dat de laatste fase van dit wetgevingsproces heeft kunnen afronden door het wetsvoorstel in de Eerste Kamer aanvaard te krijgen. Daardoor kon de WNT (wet normering topinkomens) op 1 januari 2013 in werking treden.
Wat betreft de voorliggende casus concludeer ik dat hier sprake is van een arbeidsovereenkomst die in 2006 rechtsgeldig is aangegaan tussen de bestuurder en diens werkgever, de Raad van Toezicht (RvT). De arbeidsovereenkomst is in 2012 beëindigd conform hetgeen daarover in de arbeidsovereenkomst was overeengekomen.
Dus beide data zijn van vóór de inwerkingtreding van de WNT, die immers per 1 januari 2013 is ingegaan.
Het is een arbeidsovereenkomst die in het huidige tijdsbestek zeker niet meer op deze wijze zou worden ingevuld. Niet alleen omdat we er nu anders over denken. Maar ook omdat de WNT dit niet toestaat. De RvT van het Radboud is blijkens de berichtgeving dezelfde mening toegedaan.
In de berichtgeving wordt vermeld dat de werkgever heeft laten zien in 2011 in de geest van toen nog het wetsvoorstel voor de WNT te willen handelen «gelet op de hedendaags maatschappelijke opvattingen over beloningen van bestuurders in het (semi)publieke domein.» De RvT heeft laten onderzoeken of het goedkoper kon. Uit juridisch advies bleek echter dat men gebonden was aan de afspraken uit de arbeidsovereenkomst. Vervolgens heeft de RvT, «om het met publiek geld betaalde budget van het ziekenhuis te ontzien» een alternatieve dekking gezocht bij een steunfonds van de Stichting Katholieke Universiteit.
Vanuit mijn verantwoordelijkheid kan ik niet treden in de verantwoordelijkheid van de RvT in dezen. Ik kan slechts wijzen op het feit dat onder vigeur van de WNT dergelijke afspraken niet meer kunnen worden gemaakt.
Is het bericht waar dat de vertrekkende zorgmanager € 400.000 per jaar verdiende sinds zijn aanstelling in 2006, en hij een vertrekbonus van € 390.000 heeft ontvangen, terwijl hij vrijwillig afscheid nam? Zo ja, hoe oordeelt u hierover?
Het bruto-salaris van de vetrokken bestuurder bedroeg volgens de jaarverslagen rond de € 320.000.
Zie verder het antwoord op vraag 1.
Om welke reden heeft de heer L. nog dertien maanden een vergoeding gekregen van € 30.000 voor advieswerk?
Zoals u uit het artikel en uit het antwoord op vraag 1 hebt kunnen opmaken, heeft het Radboud de afspraken uit de arbeidsovereenkomst nageleefd zoals die bij zijn aantreden zijn overeengekomen.
Wat voor advies heeft de heer L. deze dertien maanden gegeven? Vindt u het verantwoord dat hiervoor een enorm bedrag is betaald? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 1 en vraag 3.
Waarom is niemand op de hoogte gesteld wat voor advieswerk de heer L. heeft gedaan? Waarom heeft de ondernemingsraad geen toelichting gekregen? Wat is uw oordeel daarover?
Zie het antwoord op vraag 1.
Om welke redenen wilt het UMC St Radboud geen mededelingen doen over deze riante vertrekbonus? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik heb begrepen dat het Radboud een en ander heeft toegelicht in een verklaring aan het personeel. Verder verantwoordt het Radboud deze regeling in het daarvoor bestemde, publieke verantwoordingsdocument: het jaarverslag over 2012.
Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de € 652.000 bruto waarvan Zorgvisie gewag maakt?2
Ik weet niet wat Zorgvisie allemaal heeft opgeteld. In het jaarverslag over 2012 zal het Radboud in ieder geval de juiste cijfers verantwoorden.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de heer E. van Abvakabo die aangeeft dat het schokkend is dat er matigingen voor het personeel van toepassing waren vanwege de slechte economische omstandigheden, maar dat dit niet gold voor een vrijwillig vertrekkende werkgever? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik kan me zo’n reactie van een vakbondsvertegenwoordiger enerzijds voorstellen, maar anderzijds kan ik me ook voorstellen dat een vakbondsvertegenwoordiger het standpunt huldigt dat aangegane arbeidsovereenkomsten nageleefd moeten worden.
Ziet u nu wel in dat exorbitante salarissen en bonussen ongehoord zijn in tijden waarin het loon van zorgpersoneel wordt verlaagd? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Gaat u maatregelen treffen om te zorgen dat de vertrekbonus ingevorderd wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1. Er is niets onrechtmatigs gebeurd, dus is er geen juridische titel voor zo’n vordering. Als minister heb ik pas een terugvorderingstitel onder de WNT. En die was in 2012 nog niet van kracht.
Wilt u toelichten welke bezuinigingen momenteel plaatsvinden binnen het UMC St Radboud en hoe het staat met eventuele (gedwongen) ontslagen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Mijn verantwoordelijkheid ten opzichte van zorginstellingen staat mij niet toe om te treden in de exploitatiebeslissingen die het UMC Radboud neemt omtrent de omvang van de personeelsformatie. Maar juist gelet op de alternatieve dekking die Radboud heeft gevonden voor de dekking van de kosten van deze regeling, kan ik niet direct de relatie volgen die u legt tussen deze vertrekregeling en de omvang van de personeelsformatie van het Radboud.
Gewelddadige roofoverval op een gelddepot van waardetransporteur Brinks |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van een gewelddadige roofoverval op een gelddepot van waardetransporteur Brinks?1
Ja.
Hoe ontwikkelt het aantal overvallen op gelddepots, waardetransporten, bankkantoren en pinautomaten zich de laatste jaren? Is het beeld juist dat de overvallen steeds vaker met zwaar geweld gepaard gaan?
In 2011 werden 117 ram- en plofkraken op geldautomaten begaan, in 2012 waren dat er 131. In de eerste maanden van 2013 (in de periode van januari t/m 22 april 2013) zijn in totaal 47 ram- en plofkraken op geldautomaten begaan. Dit betekent een stijging ten opzichte van dezelfde periode in 2012, waarin 24 ram/plofkraken op geldautomaten hebben plaatsgevonden, maar ongeveer gelijk aan het aantal in de eerste vier maanden van 2011 (45).
In 2011 hebben twee overvallen plaatsgevonden op gelddepots, in 2012 is één gelddepot overvallen en in 2013 (in de periode van januari tot heden) heeft er eveneens één overval op een gelddepot plaatsgevonden. Zowel in 2011 als in 2012 zijn er drie overvallen geweest op bankkantoren. Tot nu toe heeft er in 2013 geen overval plaatsgevonden op een bankkantoor. Met betrekking tot de overvallen op waardetransporten is er sinds 2011 een afname te zien. In 2011 zijn er 21 overvallen gepleegd op waardetransporten, in 2012 is dat aantal afgenomen naar 10. In 2013 zijn er tot heden twee overvallen gepleegd op een waardetransport.
Het beeld dat de overvallen steeds vaker met zwaar geweld gepaard gaan klopt voor wat betreft de ram- en plofkraken. Men probeert zich tegenwoordig ook door middel van voertuigen, het veroorzaken van een gasexplosie en soms zelfs gebruik makend van explosieven, toegang tot het geld te verschaffen. Voor de overige overvallen is dit beeld niet juist en is de mate van geweld bij deze overvallen nagenoeg gelijk gebleven.
Op welke wijze wordt getracht om het overvalrisico rond het transport en opslag van contant geld te beperken en de risico's voor de medewerkers te minimaliseren? Bent u bereid om in het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer te bezien welke aanvullende maatregelen door banken, waardetransporteurs en de overheid gewenst zijn?
Al sinds een aantal jaren wordt zwaar ingezet op de aanpak van overvallen. Mijn ambities op dit terrein zijn u bekend. De zware overvallen op depots en geld- en waardetransporten vormen een aparte categorie: het geweld dat hierbij wordt gebruikt is buitensporig en de mate van georganiseerdheid is hoog. De aanpak wordt op deze bijzondere kenmerken afgestemd.
Zowel op preventief als repressief terrein staat de aanpak op scherp. Zo zijn de gelddepots aangesloten op het systeem Liveview waardoor de beelden van een overval rechtstreeks doorgezet kunnen worden naar de meldkamer van de politie en worden er op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus strikte eisen gesteld aan de beveiliging van geldtransport. Ook vindt er periodiek overleg plaats tussen de politie, banken en de branche van waardetransporteurs waarbij informatie en kennis wordt gedeeld. Met dit laatste wordt al tegemoet gekomen aan de wens om in gezamenlijkheid naar een verdere aanscherping van de aanpak te kijken. Betrokken partijen komen daarvoor al periodiek bij elkaar sinds 2011.
Maatregelen op repressief terrein zijn de verscherpte inzet van helikopters en van arrestatieteams die speciaal getraind zijn voor het zwaarste geweldsspectrum, samenwerking met buurlanden en een zware coördinatie op het bij elkaar brengen van de informatie uit verschillende lopende strafrechtelijke onderzoeken.
In het belang van de operationele strategie kan ik in deze brief niet ingaan op álle maatregelen die genomen worden om deze zware overvallen tegen te gaan. Potentiële overvallers zouden hierop in kunnen spelen. De inzet van een drone ter ondersteuning van een achtervolging is in principe een mogelijkheid, indien een drone in de nabijheid al in de lucht is. Wanneer dit niet het geval is dan lijkt het gebruik van een drone gelet op snelheid waarmee dit soort overvallen zich voltrekt, de tijd die benodigd is om het toestel operationeel in de lucht te kunnen krijgen en het beperkte bereik ervan praktisch weinig geschikt.
Deelt u de mening dat het betalingsverkeer niet mag worden verstoord door deze vorm van criminaliteit? Deelt u ook de mening dat het een slechte zaak zou zijn indien banken mede in reactie op het stijgende aantal ram- en plofkraken het aantal pinautomaten reduceren?2
De continuïteit van het betalingsverkeer mag uiteraard niet in het gedrang komen. Banken moeten zich echter in het kader van hun streven om het aantal plof- en ramkraken te reduceren ook een oordeel vormen over de uit het oogpunt van veiligheid meest wenselijke plaatsing van geldautomaten. Dat dit zo min mogelijk ten koste moet gaan van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van contant geld is permanent onderwerp van overleg in het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer, waarin de koepelorganisaties van winkeliers en banken, organisaties van mensen met een functiebeperking en de Consumentenbond onder voorzitterschap van DNB overleggen over het betalingsverkeer. Periodiek publiceert het MOB in dat kader een zeer gedetailleerde «Bereikbaarheidsmonitor». Een nieuwe versie van de monitor verschijnt dit jaar.
Op welke wijze gaat u de pakkans vergroten van de professionele bendes die hierachter schuil gaan? Bent u bereid de inzet van «drones» te overwegen, zoals bepleit door de politievakbond ACP, zodat daders in beeld blijven indien de achtervolging door de politie vanwege te grote risico's moet worden gestaakt?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat de Russische overheid nieuwe stappen heeft gezet ten aanzien van de buitenlandse financiering van Russische ngo’s |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Russische overheid nieuwe stappen heeft gezet ten aanzien van de buitenlandse financiering van Russische niet-gouvernementele organisaties (NGO's)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze stappen?
Vanaf het moment dat wetgeving inzake NGO’s (buitenlandse financiering en betiteling als «buitenlands agent») vorige zomer in Rusland aan de orde is, hebben mijn EU-collega’s en ikzelf hier herhaaldelijk tegenover Rusland onze zorgen kenbaar gemaakt. Ook de EU Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton heeft op 26 maart 2013 in een verklaring haar zorgen uitgesproken over de NGO wetgeving en de onderzoeken bij NGO’s die vorige maand in gang zijn gezet.
Deelt u de mening dat de mensenrechtensituatie in Rusland in het algemeen slechter is geworden sinds Poetin opnieuw president van Rusland is geworden? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering maakt zich zorgen over een aantal wetten dat sinds het voorjaar 2012 is aangenomen. Met deze wetten heeft Rusland rechten ingeperkt, waaraan ook Rusland in internationaal verband is gecommitteerd.
Zo ja, is de Minister-President bereid zijn zorgen te uiten over de mensenrechtensituatie in Rusland tijdens de ontmoeting met president Poetin op 8 april van dit jaar? Is hij daarbij bereid aan te dringen op meer vrijheid voor maatschappelijke organisaties in Rusland?
De mensenrechtensituatie in Rusland is één van de onderwerpen van gesprek tijdens de ontmoeting met president Poetin op 8 april aanstaande. Daarbij zal worden aangedrongen op het nakomen van internationale afspraken ten aanzien van burgerlijke vrijheden en op het belang van maatschappelijke organisaties en de betrokkenheid van de eigen burgers voor de ontwikkeling van de samenleving.
Kunt u ingaan op de discussie die tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 11 maart is gevoerd over de mensenrechtensituatie in Rusland? Deelt u de mening dat de EU een gezamenlijke uitspraak zou moeten doen over het belang dat zij hecht aan mensenrechten binnen de strategische relatie met Rusland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe zult u bevorderen dat de EU een dergelijke uitspraak zal doen?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 11 maart jl. hebben de ministers uitgebreid het strategisch partnerschap met Rusland besproken. Ikzelf heb daarbij het belang benadrukt van respectvolle maar duidelijke boodschappen aan Rusland over de binnenlandse situatie. Alle lidstaten hebben hun zorgen kenbaar gemaakt over de binnenlandse ontwikkelingen en hebben herbevestigd dat gemeenschappelijke waarden een essentieel onderdeel zijn van de relatie tussen de EU en Rusland. Binnen de EU zijn wij het er over eens dat alleen door eensgezind en gezamenlijk optreden een zinvolle dialoog met Rusland kan worden gevoerd. Ook ik zal mij daarvoor blijven inzetten.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg over Rusland van 3 april a.s.?
Ja.
De Wet Uniformering Loonbegrip |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Wet uniformering loonbegrip, en meer in het bijzonder artikel 11d Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB), naast een impact op het belastbare loon van voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) verzekerde werknemers eveneens een impact heeft op werknemers die in een andere EU-lidstaat verzekerd zijn tegen ziektekosten, en zo ja, wat is die impact naar uw mening, zowel in stelsels waar een werkgeversbijdrage bestaat als in stelsels waarin geen werkgeversbijdrage in de ziektekostenverzekering bestaat?
Als gevolg van de Wet uniformering loonbegrip (hierna: Wet ULB) is de inhoudingsplichtige met ingang van 1 januari 2013 een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd. Ingevolge artikel 11d van de Wet op de loonbelasting 1964 behoort deze bijdrage niet tot het loon van de werknemer. Ten opzichte van het jaar 2012 zijn werknemers over hun belastbare loon zelf niet meer bijdrageplichtig voor de Zvw en vervalt de belaste vergoeding die zij van hun werkgever hiervoor ontvingen. Voor de werknemer blijft er dan een voordeel over omdat hij minder belasting is verschuldigd. Dit voordeel is geneutraliseerd door de verhoging van het belastingtarief van de eerste schijf. Werknemers die voor de ziektekosten onder een buitenlands stelsel verzekerd zijn, ondervinden niet de gevolgen van de wijzigingen van de Zorgverzekeringswet, terwijl zij voor hun in Nederland belastbare loon wel te maken hebben met de verhoging van het belastingtarief.
Artikel 11d van de Wet op de loonbelasting 1964 is niet van toepassing op werknemers die voor de ziektekosten onder een buitenlands stelsel zijn verzekerd. Het maakt daarvoor niet uit of het buitenlandse stelsel voor de ziektekosten een werkgeversbijdrage kent of niet. Zie verder de antwoorden op vragen 4, 5 en 6.
Welke impact heeft artikel 11d Wet LB daarnaast op het Nederlandse fiscaal loon dat in Nederland wonende maar in België werkende grensarbeiders dienen aan te geven in hun Nederlandse aangifte Inkomstenbelasting ten behoeve van de berekening van de compensatieregeling?
Een vergelijkbaar effect als beschreven bij antwoord 1 doet zich voor bij inwoners van Nederland die in België in dienstbetrekking werkzaam zijn en recht hebben op de compensatieregeling van artikel 27 van het Nederlands-Belgische belastingverdrag. Zij vallen in het algemeen onder de Belgische wettelijke ziektekostenverzekering. De Nederlandse verhoging van de belastingtarieven leidt tot vermindering van de compensatie.
Is het uitvoeringsvoorschrift van artikel 3.12, lid 4, Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 – tot de belaste waarde van een Belgische ziektekostenverzekeringsaanspraak behoort de inkomensafhankelijke Zvw-werkgeversbijdrage – onverbindend vanwege de wettelijke bepaling van artikel 11d Wet LB, dat bij het bepalen van de omvang van het loon géén rekening wordt gehouden met de ter zake van het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in de Zvw? Zo neen, waarom niet?
Zoals in antwoord 1 is vermeld, is artikel 11d van de Wet op de loonbelasting 1964 niet van toepassing op werknemers die voor de ziektekosten onder een buitenlands stelsel zijn verzekerd. Artikel 3.12, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 is dan ook niet in strijd met artikel 11d van de Wet op de loonbelasting 1964.
Worden niet in Nederland sociaal verzekerde werknemers ongelijk behandeld ten opzichte van werknemers die wel in Nederland sociaal verzekerd zijn? Zo neen, waarom niet? Zo ja, waarin ligt de rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling? Is mogelijk sprake van strijd met het EU-recht?
Om het onderscheid tussen werknemers die onder de Nederlandse Zorgverzekeringswet vallen en werknemers die onder een vergelijkbaar buitenlands stelsel vallen, weg te nemen, zal ik in een wetsvoorstel voor de buitenlandse situaties een aan artikel 11d van de Wet op de loonbelasting 1964 vergelijkbare bepaling opnemen. Vervolgens zal in het te actualiseren besluit van 7 april 2009, nr. CPP2009/93M, Stcrt. 2009, 76, voor het vaststellen van het loon naar Nederlandse fiscale maatstaven worden bepaald hoe voor (onder andere) de Belgische en Duitse ziektekostenregelingen de wettelijk verschuldigde bijdragen zich verhouden tot de bijdragen die verschuldigd zijn op grond van de Nederlandse Zorgverzekeringswet.
Bent u bereid een besluit uit te vaardigen dat inhoudt dat bij de bepaling van de omvang van het belastbare loon van een in Nederland belastingplichtige maar niet sociaal verzekerde werknemer, het werkgeversaandeel in een buitenlandse ziektekostenregeling volledig buiten beschouwing blijft?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat werknemers die grensoverschrijdend in Nederland werken en hier belastingplichtig zijn, maar niet sociaal verzekerd, als gevolg van de inwerkingtreding per 1 januari 2013 van de Wet uniformering loonbegrip, een hogere belastingdruk op hun loon ondervinden dan de met hen vergelijkbare werknemers die in Nederland sociaal verzekerd zijn?
Zie antwoord vraag 4.
De cumulatieve effecten op natuur en milieu van activiteiten in het Waddengebied |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zoutwinning vergroot zandhonger van ’t wad»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het gestelde in dit bericht dat zoutwinning leidt tot vergroting van de zandhonger van de Waddenzee?
Frisia heeft een Milieu Effect Rapport en een passende Beoordeling opgesteld om de gevolgen te onderzoeken van het voornemen om zout te winnen onder de Waddenzee. Uit dit onderzoek blijkt dat er sprake zal zijn van enige daling van de ondergrond. Dit zal aan het oppervlak van het wad niet meetbaar of merkbaar zijn omdat natuurlijke sedimentatieprocessen de bodemdaling kunnen bijhouden. De bodemdaling als gevolg van de zoutwinning blijft binnen het zogenaamde meegroeivermogen van de Waddenzee.
Tevens is berekend wat het volume is van de verwachte daling van de ondergrond. Op grond hiervan is berekend tot welke vergroting van de zandhonger dit zal leiden. In de aanvraag van een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet 1998) zal Frisia moeten aangeven hoe de zandhonger gemitigeerd zal worden. Zonder adequate invulling hiervan kan geen instemming gegeven worden op het winningsplan.
In antwoord op eerdere vragen schrijft u dat er momenteel onderzocht wordt of de afname van de buitendelta’s gecompenseerd zou moeten worden, wordt hierbij ook bekeken of de effecten van de zandhonger gecompenseerd kunnen worden, wat de ecologische gevolgen hiervan zijn, en hoe dit zou moeten gebeuren?2
Ja, deze onderwerpen zijn onderdeel van de lopende en toekomstige studies. Om voldoende kennis te verwerven over het Waddensysteem, wordt in het kader van het Nationaal Deltaprogramma (deelprogramma Waddengebied in combinatie met het deelprogramma Kust) een kennis- en monitoringprogramma ontwikkeld. De lange termijn ontwikkeling van de buitendelta’s maakt onderdeel uit van dit programma.
Bent u het met mij eens dat er geen vergunning verleend kan worden voor zoutwinning onder de Waddenzee voordat de effecten van de zandhonger op de buitendelta’s, de kusten van Noord-Holland en de Waddeneilanden duidelijk zijn en voordat duidelijk is hoe deze effecten gecompenseerd kunnen worden?
Dat ben ik met u eens. Ten behoeve van de zoutwinning onder de Waddenzee zijn door Frisia de effecten van de hierdoor optredende zandhonger op de buitendelta’s, de kusten van Noord-Holland en de Waddeneilanden, en naar de noodzaak en mogelijkheden om deze effecten door zandsuppleties te mitigeren, voorafgaand aan de vergunningprocedures onderzocht in het Milieu Effect Rapport en in de passende beoordeling. Op basis hiervan zal bij een eventuele vergunning verlening in de vergunningvoorschriften de verplichting moeten worden opgenomen om deze effecten te mitigeren, zoals ik ook bij het antwoord op vraag 2 heb aangegeven. De vergunningprocedures zullen naar verwachting binnenkort van start gaan.
Uit uw beantwoording van eerdere vragen wordt duidelijk dat er geen overkoepelend overzicht is van de effecten op natuur en milieu van de verschillende activiteiten in de Waddenzee; zou het dan niet verstandiger zijn een centraal en openbaar overzicht bij te houden van de effecten op natuur en milieu van de verschillende activiteiten in het Waddengebied?
Het overzicht van de cumulatieve effecten van activiteiten in het Waddengebied wordt naar mijn mening door het bevoegde gezag adequaat gegenereerd als dat nodig is. Per nieuwe activiteit ligt de coördinatie bij het vergunning verlenende bevoegde gezag zoals dat in het wettelijk instrumentarium is geregeld. Zie ook mijn antwoord d.d. 15 januari 2013 op vragen 7 en 8 van mevrouw Dik-Faber (Vergaderjaar 2012–2013, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 997).
Kunt u aangeven hoe vaak jaarlijks een passende beoordeling wordt opgesteld voor activiteiten in het Waddengebied waarbij ook cumulatieve effecten op natuur en milieu worden gegenereerd bij verschillende bevoegde instanties?
Een passende beoordeling wordt opgesteld als onderbouwing van een vergunningaanvraag op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet).
In elke passende beoordeling worden de cumulatieve effecten beschreven van de activiteit met alle relevante andere projecten of activiteiten, ook als daarvoor vergunning is verleend door een van de andere bevoegde instanties.
Op 1 januari 2013 waren in totaal 123 Nb-wet vergunningen van kracht voor activiteiten of projecten in het Waddengebied, verleend door de vier bevoegde gezagen voor het Waddengebied te weten de provincies Groningen (23 vergunningen), Friesland (49) en Noord-Holland (9), en het ministerie van Economische Zaken (42).
Als bijlage bij deze brief is een overzicht gevoegd van alle (123) Nb-wet vergunningen die op 1 januari 2013 van kracht waren voor een activiteit of project in het Waddengebied3.
Kunt aangeven hoe vaak jaarlijks overleg plaatsvindt tussen verschillende bevoegde instanties over een concrete passende beoordeling en de toetsing hiervan?
Dit is mij niet bekend. Wel is mij bekend dat tussen bevoegd gezag en initiatiefnemer in de meeste gevallen vroegtijdig overleg plaatsvindt over de projecten of activiteiten waarvan de cumulatieve effecten in de passende beoordeling dienen te worden meegenomen.
Tevens is mij bekend dat op structurele basis uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde instanties.
Hoe wordt voorkomen dat er effecten over het hoofd gezien worden, gezien de honderden verleende vergunningen en de vele tientallen beschermde soorten en habitats in het Waddengebied?
Dit wordt voorkomen door de bij wet vastgelegde uitgebreide procedure om te besluiten op een vergunningaanvraag.
Allereerst dient de initiatiefnemer voorafgaand aan de vergunningaanvraag in de passende beoordeling systematisch alle relevante effecten op beschermde natuurwaarden, waaronder cumulatieve effecten van andere projecten of activiteiten, te beschrijven.
Het bevoegde gezag weet welke andere vergunningen afgegeven of in voorbereiding zijn en voert hierover overleg met de initiatiefnemer. De kwaliteit en volledigheid van de passende beoordeling, waaronder de toets op cumulatieve effecten, wordt beoordeeld door het bevoegde gezag. Indien tijdens behandeling van de aanvraag blijkt dat informatie ontbreekt of onvolledig is, kan de procedure worden geschorst en wordt de initiatiefnemer in de gelegenheid gesteld de ontbrekende informatie aan te vullen.
Vervolgens kunnen zowel andere bestuursorganen als mogelijk belanghebbenden, zoals natuur- en milieuorganisaties, een zienswijze op de aanvraag en de passende beoordeling indienen. Het bevoegde gezag betrekt deze zienswijzen bij het besluit op de vergunningaanvraag.
Wat is de status van het onderzoek dat u laat uitvoeren naar de mogelijkheden om bedrijven op een eenvoudige wijze en tegen de laagst mogelijke kosten toegang te verlenen tot ecologische informatie, met het oog op een snelle en goedkope vergunning- en ontheffing verlening?
Onder leiding van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een taskforce ingesteld die een nieuw exploitatiemodel voor de Database Flora en Fauna uitwerkt. De ontsluiting van ecologische gegevens in het kader van vergunningverlening maakt hiervan ook onderdeel uit. Naast het IPO nemen vertegenwoordigers van het Ministerie van EZ, Particuliere Gegevensinwinnende Organisaties, Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Natuurmonumenten deel aan de taskforce. Eind mei 2013 komt de taskforce met haar resultaten.
De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven waarom u het dictum van de motie Bisschop over het weigeren van openbaarmaking van toetsresultaten, waarin de regering verzocht wordt gebruik te maken van de mogelijkheid van artikel 10, tweede lid, onderdeel g, van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB), als een oproep tot bestuurlijke ongehoorzaamheid beschouwt?1
Uitgangspunt van de WOB is openbaarheid. Documenten die onder de reikwijdte van de WOB vallen, moeten openbaar gemaakt worden, tenzij een uitzonderingsgrond van artikel 10 of 11 van de WOB van toepassing is. De ruimte voor een bewindspersoon om een verzoek tot openbaarmaking af te wijzen is beperkt. Dit is wat ik aan het einde van een intensief debat over het wetsvoorstel Eindtoets PO op 21 maart 2013 heb willen benadrukken toen ik uw motie met een kwinkslag ontraadde.
Na ampele overweging heb ik besloten dat het algemeen belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het eventueel onevenredig nadeel dat scholen ondervinden. Uit zorgvuldigheid heb ik toepassing gegeven aan de bepaling in de WOB die de mogelijkheid biedt om openbaarmaking uit te stellen als rekening gehouden moet worden met bezwaren. Daar heeft een substantieel aantal schoolbesturen gebruik van gemaakt. In het kader van de bezwaarprocedure zal ik het door mij genomen besluit tot openbaarmaking heroverwegen, ook op het punt van het ingeroepen onevenredig nadeel voor de scholen. Op de uitkomst van deze heroverweging – die nog moet plaatsvinden – kan ik niet vooruitlopen. De jurisprudentie is casuïstisch. Het eventuele onevenredige nadeel moet aannemelijk worden gemaakt. Daartoe hebben de schoolbesturen de gelegenheid bij mijn heroverweging op bezwaar.
Uiteraard zal ik u informeren over de beslissing op bezwaar zodra deze is genomen.
Onderkent u dat artikel 10, tweede lid, onderdeel g, van de WOB bewust een ruime grondslag biedt om met het oog op de belangen van betrokkenen, zoals de overheid en scholen, openbaarmaking te kunnen weigeren?2 Zou het gelet op het karakter van deze bepaling niet merkwaardig zijn om juist op voorhand, zonder tussenkomst van de rechter, te stellen dat er geen juridische mogelijkheden zijn om openbaarmaking te weigeren?
In uw vraag wijst u er terecht op dat het merkwaardig zou zijn om, in situaties waarin aan de zijde van betrokkenen sprake kan zijn van belangen die de WOB beoogt te beschermen, zonder tussenkomst van de rechter tot openbaarmaking te besluiten. Dit zal vooral het geval zijn in situaties waarin rekening moet worden gehouden met bezwaren van deze belanghebbenden. Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, opent de WOB de mogelijkheid om in zulke situaties weliswaar tot openbaarmaking te besluiten, maar de uitvoering van dat besluit uit te stellen totdat belanghebbenden in de gelegenheid zijn geweest rechterlijke tussenkomst in te roepen. Van die mogelijkheid is hier gebruik gemaakt. Naar aanleiding daarvan heb ik uit overwegingen van zorgvuldigheid besloten de openbaarmaking verder uit te stellen totdat ik op de bezwaarschriften een beslissing heb genomen. En als die beslissing daartoe aanleiding mocht geven, zal ik belanghebbenden opnieuw in de gelegenheid stellen rechterlijke tussenkomst in te roepen alvorens tot feitelijke openbaarmaking over te gaan. Zolang belanghebbenden dat om moverende redenen wensen, zal dus niet zonder rechterlijke tussenkomst tot openbaarmaking worden overgegaan. Voor de goede orde wijs ik er nog op dat het aan belanghebbenden is een overheidsbesluit aan een rechterlijk oordeel te onderwerpen. Ik kan dat niet zelf.
Welke argumenten heeft u om geen gebruik te maken van artikel 10, tweede lid, onderdeel g, van de WOB? Erkent u dat het feit dat sommige eigenaren van toetsresultaten zelf besloten hebben om resultaten te publiceren onvoldoende voorwaarde is om als overheid de resultaten van alle scholen openbaar te kunnen maken?
Het feit dat een aantal eigenaren van toetsresultaten deze resultaten eigener beweging publiceert, hoeft op zichzelf niet te betekenen dat andere eigenaren geen belang meer zouden hebben bij niet-openbaarmaking. Ik kan betreffende vraag dus bevestigend beantwoorden. Voor het overige verwijs ik naar de antwoorden bij vraag 1 en 2.
Kan uit uw toelichting dat u gezocht heeft naar mogelijkheden om openbaarmaking te weigeren opgemaakt worden dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens volgens u onwenselijk is voor het onderwijs? Zo ja, noopt juist die overtuiging niet tot gebruik van artikel 10, tweede lid, onderdeel g, van de WOB?
Zie het antwoord bij vraag 1.
Kunt u op basis van jurisprudentie aangeven dat een beroep op deze bepaling volslagen kansloos zal zijn? Zo nee, ligt het op grond van uw toelichting dat u niet blij bent met het WOB-verzoek en gezien uw verantwoordelijkheid op grond van artikel 23, eerste lid, van de Grondwet niet voor de hand dat u het verzoek weigert en dat u indien nodig het oordeel over de reikwijdte van de WOB aan de rechter overlaat? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij de vragen 1 en 2.
Bent u bereid deze vragen, gezien de opschorting van de levering van de gegevens, zo snel mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Het spreekverbod voor gevangenisdirecteuren en gevangenispersoneel en de verhouding tot de vrijheid van meningsuiting |
|
Nine Kooiman |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Kunt u zich voorstellen dat mensen die werkzaam zijn in het gevangeniswezen de behoefte hebben hun mening te uiten over het door u gepresenteerde Masterplan DJI 2013-2018, nu dit plan drastische gevolgen heeft voor de gevangenissen? In hoeverre hebben gevangenisdirecteuren en gevangenispersoneel die mogelijkheid?
Ik kan mij inderdaad voorstellen dat ambtenaren die werkzaam zijn binnen het gevangeniswezen behoefte hebben hun mening te uiten over het Masterplan DJI 2013–2018. Zij hebben hiertoe ook de mogelijkheid gekregen en hebben deze mogelijkheid ook daadwerkelijk benut. Binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) is afgesproken dat vestigingsdirecteuren de lokale en regionale media te woord konden staan, bijvoorbeeld over de consequenties van de besluitvorming in het Masterplan DJI 2013–2018 voor de eigen inrichting en de regio. Voor contacten met de landelijke pers is afgesproken dat hierover eerst moest worden afgestemd met de Directie Voorlichting van het Ministerie.
Het voorgaande neemt niet weg dat ambtenaren – dit is reeds in de antwoorden op eerdere Kamervragen1 vermeld – zich te allen tijde bewust moeten zijn van de beperkingen die aan het recht op vrije meningsuiting kunnen worden gesteld op grond van artikel 125a van de Ambtenarenwet. Hierover is in de antwoorden op dezelfde Kamervragen opgemerkt dat de grens voor de ambtenaar ligt daar waar door de uitoefening van dit recht de goede vervulling van zijn functie of het goede functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Zodra sprake is van directe betrokkenheid bij de beleidsvorming, dient de ambtenaar terughoudendheid te betrachten in uitlatingen die een directe relatie hebben met zijn dienstuitoefening.
Staat het gevangenispersoneel en leidinggevenden uit het gevangeniswezen altijd vrij om contact op te nemen met politici? Kunt u garanderen dat zij hierop nooit zullen worden afgerekend? Zo nee, waarom niet?
Conform de Aanwijzing Externe Contacten Rijksambtenaren2 hebben rijksambtenaren toestemming nodig van de Minister onder wie zij ressorteren voor schriftelijke of mondelinge contacten met de Staten-Generaal en individuele Kamerleden. Het is immers de Minister die in het Nederlands staatsbestel aan de Staten-Generaal inlichtingen verstrekt en verantwoording aflegt over het gevoerde beleid. Op een dergelijk verzoek zal in beginsel alleen worden ingegaan indien het verzoek het verstrekken van openbare informatie betreft. Het staat gevangenispersoneel en leidinggevenden vrij om contact op te nemen met politici, maar zij dienen zich hierbij wel rekenschap te geven van het bepaalde in artikel 125a van de Ambtenarenwet. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Is het hen ook toegestaan de media te woord te staan, zodat niet alleen de voorstanders van het sluitingsplan aan het woord komen maar dat ook andere geluiden kunnen klinken? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds is vermeld in het antwoord op vraag 1 is het medewerkers die werkzaam zijn binnen het gevangeniswezen toegestaan om de media te woord te staan.
Is het waar dat de directeur die in Eenvandaag aan het woord kwam een spreekverbod opgelegd had gekregen van het ministerie?1 Op basis waarvan? Waar was dit voor nodig?
Er is geen sprake geweest van een spreekverbod. Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vragen 1 en 3 heeft DJI intern de afspraak gemaakt dat verzoeken tot optredens in de landelijke media worden voorgelegd aan de Directie Voorlichting van het Ministerie. Dat is in het onderhavige geval niet gebeurd. Het bericht dat de Directie Voorlichting niet was geraadpleegd voorafgaand aan het optreden in Eenvandaag en dat derhalve geen toestemming kon worden verleend, bereikte de betreffende directeur pas na de opnames.
Als u werkelijk zo zeker bent van de juistheid van uw Masterplan detentie, dan is het toch ook niet erg wanneer andere meningen hierover klinken? U kunt deze dan toch (al dan niet publiekelijk) weerspreken?
Zoals ik al heb aangegeven in het antwoord op de vorige vragen hebben de medewerkers van de penitentiaire inrichtingen de ruimte gekregen en ook daadwerkelijk genomen om in de publiciteit te treden en hun opvattingen kenbaar te maken. Dat geldt ook voor leden van de Ondernemingsraden bij DJI.
Hoe verhoudt een spreekverbod zich tot de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van meningsuiting, die ook voor gevangenispersoneel geldt?
Zoals moge blijken uit mijn antwoorden op de vragen 2, 3, 4 en 5 is er geen sprake geweest van een spreekverbod.
Waarom moet de discussie overgelaten worden aan relatieve buitenstaanders, zoals wetenschappers, politici en anderen, terwijl de mensen die dagelijks dit werk doen, zoals medewerkers en directeuren van penitentiaire inrichtingen, hierover niets zouden mogen zeggen?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar hetgeen ik hierover heb opgemerkt in het antwoord op vraag 5.
Waar bent u bang voor? Waarom gaat het ministerie hier (nog steeds) zo krampachtig mee om? Bent u bereid de eerder gekozen beleidslijn, zoals onder meer neergelegd in antwoorden op eerdere vragen te versoepelen?2
Zoals reeds is vermeld in de antwoorden op eerdere Kamervragen5 geldt binnen de rijksoverheid in het algemeen de gedragslijn dat ambtenaren die door de pers worden benaderd daarover hun leidinggevenden inlichten en doorverwijzen naar hun afdeling voorlichting. De gedachte hierachter is dat uitlatingen van ambtenaren vallen onder de ministeriële verantwoordelijkheid en dat zij voorts gebonden zijn aan de bepalingen uit bovenvermeld artikel 125a van de Ambtenarenwet. Het verstrekken van informatie aan de pers behoort bovendien tot de taken en deskundigheid van de voorlichtingsafdelingen. Ik zie geen aanleiding om dit beleid aan te passen.
Kunt u deze vragen binnen twee dagen beantwoorden, met een afzonderlijk antwoord per gestelde vraag en dus niet geclusterd, vanwege de urgentie van dit onderwerp en de publieke discussie die nu gevoerd wordt?
Ja.
De verslechterende situatie van mensenrechtenverdedigers in Colombia |
|
Marit Maij (PvdA), Désirée Bonis (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving omtrent de verslechterende situatie van mensenrechtenverdedigers in Colombia en de problemen omtrent de landteruggave aan oorspronkelijke rechtmatige eigenaren in Curvaradó River Basin? 1 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat bedreigingen van en geweld tegen de mensenrechtenverdedigers in Colombia onacceptabel zijn en dat de Colombiaanse overheid alles in het werk moet stellen om de veiligheid van mensenrechtenverdedigers te waarborgen? Zo ja, wilt u deze boodschap overbrengen aan de Colombiaanse overheid? Zo nee, waarom niet?
Ja en die boodschap is herhaaldelijk overgebracht in de dialoog met de Colombiaanse autoriteiten. Het kabinet zal dit blijven doen.
Deelt u de constatering van José de Jesús Orozco – president van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten – dat in Colombia de obstakels die mensenrechtenverdedigers tegenkomen hen ervan weerhouden hun werk veilig uit te kunnen voeren?
De Colombiaanse overheid heeft een uitgebreid programma om mensenrechtenverdedigers te beschermen. Sommige mensenrechtenverdedigers hebben daar geen vertrouwen in en willen er geen gebruik van maken. Dit neemt niet weg dat er voor verdedigers, ook waar bescherming wordt geboden, veiligheidsrisico’s bestaan en dat velen aan bedreigingen blootstaan.
Bent u bereid om de Colombiaanse overheid aan te sporen door te gaan met onderzoek naar alle bedreigingen en moorden die hebben plaatsgevonden in de humanitaire zones, en specifiek naar de moord op Manuel Ruiz en zijn 15-jarige zoon, die vermoord zijn omdat ze zich inzetten voor de teruggave van geroofd land aan oorspronkelijke eigenaren?
In de contacten met de autoriteiten in Bogota en met de Colombiaanse ambassade in Den Haag wordt dit punt opgebracht.
Wilt u de Colombiaanse overheid oproepen de verantwoordelijken voor deze misdaden te bestraffen, herhaling koste wat het kost te voorkomen, en de aanwezigheid van vermeende paramilitairen te onderzoeken in Curvarado en Jiguamiando? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Ik zal bij de Colombiaanse autoriteiten aandringen op onderzoek, berechting en bestraffing om herhaling te voorkomen. Dit doe ik tijdens de Universal Periodic Review van de Mensenrechtenraad (23 april) en in de politieke dialoog.
Bent u bereid de Colombiaanse overheid aan te sporen om het integrale plan ter voorkoming van mensenrechtenschendingen en bescherming van mensenrechten en de sanering van het territorium te presenteren en implementeren zoals in verschillende gerechtelijke uitspraken is gesteld en om de gerechtelijke uitspraak 299 te implementeren die een nieuwe risico evaluatie vraagt van Maria Ligia Chaverra en Enrique Petro? Zo nee, waarom niet?
Ik zal zowel in de bilaterale dialoog als in EU-verband, de Colombiaanse overheid aansporen gerechtelijke uitspraken met betrekking tot de mensenrechten te implementeren.
Bent u voornemens de Colombiaanse overheid aan te sporen om elk type laster tegen mensenrechtenverdedigers en de leden van de humanitaire zone tegen te gaan? Wilt u er bij de Colombiaanse overheid op aandringen dat ze zich houdt aan de richtlijn 09 van het ministerie van Defensie waarin staat dat leden van het Colombiaanse leger zich moeten onthouden van ongefundeerde verklaringen die mensenrechtenverdedigers in gevaar brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Nederland heeft een programma ondersteund dat was gericht op de implementatie van maatregelen ter bevordering van de mensenrechten binnen de krijgsmacht. Nederland blijft in zijn ontmoetingen met het ministerie van Defensie aandacht vragen voor mensenrechten en het tegengaan van straffeloosheid van door de krijgsmacht begane schendingen.
In gevallen waar laster aantoonbaar is, zal dit opgebracht worden in de dialoog.
Het bericht dat Griekenland Griekse delen van Cypriotische banken gaat kopen |
|
Geert Wilders (PVV), Teun van Dijck (PVV) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Cypriotische bijkantoren worden verkocht aan Griekenland?1
Hoe is het mogelijk dat Griekenland deze Cypriotische banken kan kopen, terwijl Griekenland 240 miljard euro aan noodsteun heeft ontvangen om het bankroet van het land en de financiële sector te voorkomen? Wordt deze aankoop niet gewoon betaald uit onze noodsteun, waardoor feitelijk de Nederlandse belastingbetaler deze aankoop financiert?
Gaat u deze aankoop blokkeren, zolang Griekenland de noodsteun niet heeft terugbetaald? Zo nee, waarom niet?
Wanneer komt u tot inkeer en stopt u met het pompen van miljarden van Nederlands belastinggeld in de Zuid-Europese bodemloze putten?