Hoe reageert u op het bericht dat patiënten met schildklierproblemen van geneesmiddel moeten wisselen, ondanks dat de NHG-richtlijn en de KNMP-richtlijn anders voorschrijven?1 2
In tegenstelling tot wat wordt aangegeven in het door de heer Van Gerven aangehaalde blog, wordt er geen preferentiebeleid gevoerd voor Levotyroxine door zorgverzekeraars voor zover mij bekend. Voor zover wisseling plaatsvindt naar een andere variant van levotyroxine liggen daar kennelijk andere oorzaken aan ten grondslag. In zijn algemeenheid merk ik op dat op de websites van de zorgverzekeraars is na te gaan of er een preferentiebeleid wordt gevoerd voor een geneesmiddel.
Bent u er van op de hoogte dat patiënten die middelen gebruiken met de werkzame stof levothyroxine problemen kunnen ondervinden bij het overstappen naar een ander merk geneesmiddel, omdat de dosering anders is en de hulpstoffen anders zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u er voorts van op de hoogte dat patiënten derhalve bij het wisselen van merk extra controle moeten ondergaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u er in dat verband van dat zorgverzekeraars patiënten dwingen over te stappen op een ander merk geneesmiddel omdat dit preferent is?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat de paar euro die bespaard wordt door een preferent middel te verstrekken opweegt tegen de last die patiënten met schildklierproblemen hierdoor ondervinden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u voorrekenen hoeveel bespaard wordt door een preferent middel te verstrekken? Kunt u daarnaast voorrekenen hoeveel kosten gemoeid zijn met de extra controles die moeten worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 1.
Welke zorgverzekeraars gaan voorbij aan de richtlijnen van het NHG en de KNMP, en patiënten met schildklierproblemen dwingen over te stappen op een ander merk?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat zorgverzekeraars op de stoel van de arts en de apotheker gaan zitten, en voorschrijven welk geneesmiddel de patiënt krijgt?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de visie dat zowel de NHG-richtlijn als een KNMP-richtlijn nooit door een zorgverzekeraar mogen worden overruled? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen om deze praktijk te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er naast levothyroxine nog andere geneesmiddelen waar dit probleem zich voordoet? Welke last ondervinden patiënten in die gevallen van dit beleid van de zorgverzekeraars? Wat gaat u daartegen ondernemen?
Zie antwoord vraag 1.
Een Turkse wet over het verlenen van eerste hulp |
|
Harry van Bommel |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Kent u het bericht «Turkey signs law «criminalizing» medical first aid without govt permit»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat in Turkije een wet is aangenomen die op straffe van hoge boetes of meerdere jaren gevangenisstraf vereist dat artsen vooraf toestemming van de autoriteiten moeten verkrijgen voordat spoedeisende eerste hulp mag worden verleend? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Inderdaad is in Turkije een wet aangenomen, maar nog niet van kracht geworden, die onder meer bepaalt dat noodhulp alleen verleend kan worden door geautoriseerde medici totdat formele medische hulpverlening is gearriveerd en medische hulpverlening op gang is gekomen. Als medici die daartoe niet geautoriseerd zijn desondanks hulp bieden, kan hen dat een gevangenisstraf opleveren van één tot drie jaar of een boete van maximaal 400.000 euro. Turkije stond niet open voor overleg met de EU over de ontwerpwet.
Het kabinet betreurt dat deze wet, die niet in overeenstemming is met de medische beroepscode, is aangenomen. Het kabinet zal dit dan ook bilateraal en in EU-verband bij de Turkse regering aankaarten, in lijn met mijn uitlatingen over dit onderwerp tijdens het algemeen overleg van juni 2013.
Deelt u de stevige kritiek op de wet van meerdere artsenorganisaties en van de VN-rapporteur ter zake, onder andere dat deze wet ingaat tegen de ethische en professionele verantwoordelijkheden van artsen? Indien neen, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich uw uitlatingen tijdens een algemeen overleg over Turkije in juni 2013, waarin u onder meer stelde dat het ernstig is als artsen zich bezwaard of beperkt voelen bij het voldoen aan hun hippocratische eed doordat ze bang zijn dat ze daarvoor zullen worden gestraft door een overheid?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid bij uw Turkse collega’s uw zorgen over de nieuwe wet te uiten en erop aan te dringen dat artsen onder geen beding moeten worden tegengewerkt bij het uitvoeren van hun hippocratische eed?
Zie antwoord vraag 2.
Het uitrijden van drijfmest op grasland |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Waarom is ervoor gekozen om het uitrijden van drijfmest op grasland pas toe te staan vanaf 15 februari a.s. en voor bouwland al vanaf 1 februari a.s.?1
De periodes waarin het verboden is dierlijke meststoffen te gebruiken zijn afgestemd op wat nodig is voor een doelmatige bemesting van gewassen en wat wenselijk is om een bepaalde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit te bereiken of te behouden. Aanwenden van mest vroeg in het jaar vergroot zowel op bouwland als op grasland het risico op uit- en afspoeling van nutriënten. Door akkerbouwers reeds toe te staan op 1 februari meststoffen, waaronder kunstmest, toe te dienen, wordt hen extra ruimte geboden mest aan te wenden bij weersomstandigheden die het gevaar van structuurschade beperken. Zoals uiteengezet in de volgende antwoorden is er op grasland minder landbouwkundige noodzaak het land reeds vanaf 1 februari te bemesten.
Is de veronderstelling juist dat het uitrijden van drijfmest op begroeid grasland minder risico’s voor het milieu met zich mee brengt dan het uitrijden van drijfmest op kaal bouwland?
Ja, mest aangewend op grasland zal minder afspoeling geven dan op kaal bouwland. Ook het gevaar van uitspoeling zal op grasland kleiner zijn, zeker als sprake is van een groeiend gewas.
Is de veronderstelling juist dat bij het eerder uitrijden van drijfmest op grasland de totaal aan te wenden hoeveelheid mest beter over het groeiseizoen verspreid kan worden, waardoor een hogere grasopbrengst en bijbehorende onttrekking van mineralen gerealiseerd kan worden en het bodemleven gestimuleerd kan worden?
Nee. Het heeft pas zin om te bemesten als het gewas ook daadwerkelijk stikstof en andere nutriënten gaat opnemen. Stikstofopname in februari is meestal laag als gevolg van de lage temperatuur, maar er zijn altijd uitzonderlijke jaren. Bodemleven reageert vooral op temperatuur; bemesting bij lage temperaturen zal niet leiden tot stimulering van bodemleven.
Is de veronderstelling juist dat bij het eerder uitrijden van drijfmest op grasland het gras eerder door kan groeien en koeien eerder de wei in kunnen?
Nee, zie antwoord op vraag 3
Is de veronderstelling juist dat bij het eerder uitrijden van drijfmest op grasland de buiten- en bodemtemperatuur gemiddeld genomen lager zijn en dat dit een gunstig effect heeft op het reduceren van de ammoniakemissie bij het uitrijden?
Een lage temperatuur bij aanwending is gunstig voor het beperken van de ammoniakemissie. Gezien het variabele weerbeeld in februari is niet te zeggen of eerder uitrijden een temperatuurvoordeel oplevert. Zeker is wel dat de hoeveelheid neerslag, de windsnelheid, de methode van toediening en samenstelling van de mest een groter effect hebben dan de temperatuur bij aanwending.
Is de veronderstelling juist dat bij het eerder uitrijden van drijfmest deze mest eerder uit de silo kan, wat een bijdrage kan leveren aan het beperken van ongewenste en levensbedreigende gasvorming?
De Onderzoeksraad voor Veiligheid bereidt een rapport voor naar aanleiding van een recent ongeval met een mestsilo. Ik wacht aanbevelingen van de Raad over mogelijkheden risico’s te beperken af.
Bent u bereid ook het uitrijden van drijfmest op grasland per 1 februari a.s. toe te staan, zo mogelijk nog voor dit jaar, en de regelgeving daarop aan te passen?
Toestaan dat reeds vanaf 1 februari drijfmest wordt aangewend op grasland zal in een enkel jaar met een vroeg voorjaar mogelijk een landbouwkundig voordeel opleveren. Of dat het geval is, is meestal pas achteraf vast te stellen. Zoals ik in de antwoorden op voorgaande vragen heb aangegeven, vergroot eerder aanwenden ook het risico van uit- en afspoeling en dientengevolge van een verslechtering van de waterkwaliteit. De recente evaluatie van de Meststoffenwet laat zien dat in een groot deel van ons land de kwaliteit van vooral het oppervlaktewater achterblijft bij gestelde doelen. Mede gezien het onzekere landbouwkundige voordeel dat daaraan is verbonden, acht ik daarom een vervroeging van de uitrijperiode op grasland niet verantwoord.
Trainingen voor de jihad in thuislanden van westerse Syrië-gangers |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedeserteerde terrorist: Al Qaeda traint in Syrië westerlingen voor de jihad in eigen land»?1
Ja.
Op welke wijze worden berichten dat westerlingen in Syrië getraind worden voor de jihad in eigen land, meegenomen in beleid dat gericht is op terugkerende jihadisten?
Het dreigingsniveau terrorisme is in maart 2013 verhoogd van beperkt naar substantieel. Aanleiding waren de ontwikkelingen zoals geschetst in het DTN2 32: de dreiging die uitgaat van zogenoemde jihadgangers en terugkeerders, de toenemende jihadistische radicalisering van kleine groepen jongeren in Nederland en de verslechtering van de situatie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Dit beeld werd ondersteund door het DTN33 t/m DTN35. Het beleid dat het kabinet voert wordt bepaald op basis van deze dreiging. Gezien de ernst en omvang van de potentiële dreiging, is de inzet van alle contraterrorisme-partners geïntensiveerd en zijn verdere interventies aangekondigd.3 Het beleid is zowel inlichtingmatig, strafrechtelijk als bestuurlijk. Binnen al deze componenten wordt rekening gehouden met mogelijke training. Bij aanwijzingen hiervan kan een strafrechtelijk traject gestart worden.
Hoeveel jihadisten zijn er op dit moment teruggekeerd uit Syrië en hoeveel zijn daarvan vastgezet?
Inmiddels zijn zo’n twintig jihadisten teruggekeerd uit Syrië. Over concrete gevallen worden geen mededeling gedaan.
Deelt u de visie dat administratieve detentie een belangrijk middel is waarmee het jihadistisch gevaar aangepakt kan worden? Zo neen, bent u bekend met het gegeven dat landen als de Verenigde Staten, Israël, Engeland en Australië dit middel wel gebruiken?
Wanneer van een persoon een dreiging uitgaat – bijvoorbeeld omdat de persoon van plan is uit te reizen naar of is teruggekeerd van een jihadistisch strijdgebied – dan beschikt het Openbaar Ministerie over voldoende wettelijke instrumenten om, in samenwerking met de politie, strafrechtelijk op te treden. Zo is bij verdenking van een terroristische misdrijf bewaring mogelijk ook buiten het geval van ernstige bezwaren tegen de verdachte.
Tevens bestaan er bestuurlijke instrumenten voor de aanpak, zoals het stopzetten van toeslagen en uitkeringen, het nemen van paspoortmaatregelen en het kunnen bevriezen van financiële tegoeden. Ik acht daarom het creëren van aanvullende administratieve detentiemogelijkheden ten behoeve van terrorismebestrijding niet noodzakelijk. Er vindt internationaal voortdurend uitwisseling plaats over de aanpak van de jihadistische dreiging. De voorzieningen in diverse landen t.a.v. administratieve detentie geven vooralsnog geen aanleiding tot een andere koers.
Wanneer zorgt u er voor dat een ieder met een andere of dubbele nationaliteit die deelneemt of deel heeft genomen aan de gewapende islamitische strijd, ons land wordt uitgezet (indien nodig na denaturalisatie)?
Eerder heb ik uw Kamer geantwoord4 dat het deelnemen aan de jihadistische strijd of training volgen in het buitenland strafbaar is op grond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht. Op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap kan het Nederlanderschap worden ingetrokken als sprake is van een onherroepelijke veroordeling wegens een terroristisch misdrijf. Voorwaarde is dat de betrokken persoon naast de Nederlandse nationaliteit ook nog een andere nationaliteit bezit. Intrekking is niet mogelijk als staatloosheid daarvan het gevolg is. Voorwaarde is ook dat het misdrijf na 1 oktober 2010 is gepleegd. Na het intrekken van het Nederlanderschap wordt betrokkene ongewenst vreemdeling verklaard en wordt hij uitgezet.
Het inkoopbeleid van zorgkantoren |
|
Otwin van Dijk (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat er volgens Actiz (brancheorganisatie voor zorgaanbieders) nog veel belemmeringen bestaan voor de hervorming van de langdurige zorg door het inkoopbeleid van zorgkantoren voor 2014?1
Ja.
Wat vindt u van de uitkomst van de enquête die Actiz onder haar leden heeft gehouden over AWBZ-zorgcontractering, waaruit blijkt dat vele leden van Actiz de oude regels van budgetbeheersing van zorgkantoren en afspraken voor één jaar als belemmering zien voor vernieuwing in de langdurige zorg?
Bij brief van 27 januari 2014 (Kamerstuk II 29 515, nr. 351) heb ik uw Kamer het rapport «Op weg naar minder administratieve lasten» toegestuurd ter uitvoering van de motie-Van Dijk c.s. (Kamerstuk II 30 597, nr. 356) Eén van de verbetervoorstellen betreft het mogelijk maken van meerjarenafspraken over de productie. Daarmee hebben zorgaanbieders onder andere meer zekerheid over hun inkomsten, waardoor zij gerichter kunnen investeren in onder andere kwaliteit, huisvesting, zorginnovatie en ketensamenwerking. Zoals ik u heb laten weten, neem ik de verbetervoorstellen ter hand in het kader van de besprekingen met de brancheorganisaties en zorgkantoren over de inkoop van intramurale langdurige zorg voor het jaar 2015 en volgende jaren.
Deelt u de mening dat vernieuwing in de langdurige zorg hard nodig en zeer gewenst is, en aansluit bij de visie van het kabinet op de hervorming van de langdurige zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik deel die opvatting van harte. Met de voorgestelde maatregelen in het kader van de hervorming van de langdurige zorg wil de regering een omslag in het denken over de langdurige zorg en het handelen in de praktijk bewerkstelligen. Daarbij horen ook nieuwe zorgarrangementen. Ik zal uw Kamer binnenkort informeren over de innovatie in de zorg en de beleidsvoornemens die ik daarbij voor ogen heb.
Deelt u voorts de mening dat een meerjarenperspectief, en aansluitend meerjarig inkoopbeleid door zorgkantoren, bij de transitie van de langdurige zorg hard nodig is om tot vernieuwing in de zorg te komen, zonder ongewenste effecten voor cliënten en zorgaanbieders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bovendien van mening dat het onwenselijk is dat zorgkantoren een voorschot nemen op bezuinigingen die in 2015 ingaan, en dat dit juist door het voor slechts één jaar afspraken willen maken met zorgaanbieders in de hand gewerkt wordt? Deelt u de mening dat dit mogelijk tot ongewenste gevolgen voor cliënten en zorgaanbieders in de langdurige zorg leidt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind dat de zorgkantoren niet vooruit moeten lopen op beleidsmaatregelen die pas voor 2015 voorzien zijn. Ik volg de situatie op dit punt nauwlettend en houd de zorgkantoren aan de afspraken die ik met hen gemaakt heb.
Wat gaat u doen om het inkoopbeleid van zorgkantoren te beïnvloeden, zodat er ook in de AWBZ tot de gewenste vernieuwing gekomen kan worden, met zo min mogelijk ongewenste gevolgen voor cliënten en zorgaanbieders?
Zoals gezegd, ben ik in overleg met ZN, de zorgkantoren en de brancheorganisaties over de zorginkoop voor het jaar 2015. Onderdeel daarvan zijn ook de vernieuwingen, zoals die in het kader van de Wet langdurige zorg vorm zullen krijgen. Het desbetreffende wetsvoorstel verwacht ik binnenkort bij uw Kamer in te kunnen dienen. Deze wet biedt mij ook een grondslag om waar nodig sterker invloed uit te oefenen op het inkoopbeleid voor de langdurige zorg.
Kunt u de Kamer voor 1 maart 2014 inlichten over de genomen acties richting de zorgkantoren om hun inkoopbeleid te veranderen, en ook via inkoopbeleid door zorgkantoren in de AWBZ tot de gewenste vernieuwing, toekomstbestendigheid en goede toegankelijkheid van kwalitatieve langdurige zorg te komen?
Zoals ik u in de brief van 27 januari 2014 (Kamerstuk II 29 515, nr. 351) waarmee ik uw Kamer het rapport «Op weg naar minder administratieve lasten» heb aangeboden – heb laten weten, zal ik de Kamer komend voorjaar informeren over de uitkomsten van de besprekingen en hoe die hun beslag hebben gekregen in de kaders voor de inkoop van langdurige zorg in 2015.
Oost-Europese overlast op vakantieparken |
|
Sietse Fritsma (PVV), Joram van Klaveren (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vakantiepark vaak vrijstaat»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel Poolse en andere Oost-Europese arbeidsmigranten er in Nederlandse vakantieparken huizen en in welke gemeenten?
Het CBS heeft onderzocht in de gemeenten uit de 9 regio’s van het programma Flexwonen Arbeidsmigranten hoeveel arbeidsmigranten er in welke gemeente gehuisvest zijn. Daarbij is geen onderscheid gemaakt naar type woonvorm, waardoor het niet bekend is hoeveel arbeidsmigranten er in Nederlandse vakantieparken gehuisvest zijn. Wel weet ik dat, op basis van signalen uit de regio’s, bekend is dat arbeidsmigranten in Noord-Holland noord, Brabant, Limburg en op de Veluwe door de werkgevers gehuisvest worden op recreatieterreinen.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om de verloedering en overlast die deze groep op vakantieparken veroorzaakt structureel te bestrijden?
Overlast en overbewoning ontstaan doordat er teveel arbeidsmigranten in huizen worden gehuisvest die daar niet voor bedoeld zijn. Dat geldt ook voor recreatieparken. Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor de handhaving op overlast en overbewoning en als het gaat om het maken van afspraken voor goede alternatieven. Ten aanzien van dit laatste zijn zij wel afhankelijk van werkgevers en huisvesters. Ook hebben zij de provincie nodig als het gaat om het bieden van planologische ruimte voor deze alternatieven. En de provincie ziet toe op de handhaving door gemeenten. Sinds de ondertekening van de nationale verklaring in 2012 heeft de minister een rol, op verzoek van de Tweede Kamer, in de regie bij het maken van afspraken tussen bestuurders en werkgevers op het gebied van huisvesting. De laatste stand van zaken heeft u op 1 oktober jl. ontvangen. In de afgelopen periode heeft dit geleid tot afspraken in 7 van de 9 regio´s. De afspraken betreffen 31.000 extra huisvestingsplekken voor arbeidsmigranten voor 7 van de 9 regio’s in de komende jaren. De uitvoeringsperiode varieert per regio.BZK ondersteunt gemeenten op verschillende manieren bij hun verantwoordelijkheid om te handhaven op woonoverlast2. Om gemeenten handvatten te geven voor het aanpakken van misstanden op recreatieparken, heeft het ministerie van BZK samen met de regio Noord-Veluwe een bestuurlijke expertmeeting georganiseerd. Naast bestaande juridische instrumenten is ook gesproken over ruimtelijke oplossingen zoals bijv. een vereveningsstrategie. Een verslag van deze bijeenkomst is te vinden op: http://www.flexwonenarbeidsmigranten.nl/nieuws/n786-impressie-expertmeeting-recreatieparken/.
Deelt u de mening dat er te allen tijde een ontmoedigingsbeleid gevoerd dient te worden ten aanzien van de huisvesting van Oost-Europese arbeidsmigranten, zeker op vakantieparken, in plaats van een aanmoedigingsbeleid zoals weergegeven in de «Nationale verklaring huisvesting arbeidsmigranten»?
Sinds de openstelling van de grenzen voor landen in Midden-en Oost-Europa voor de Europese arbeidsmarkt in 2007 is het vrij werknemersverkeer een feit. Inmiddels blijkt uit onderzoek dat er plm. 340.000 arbeidsmigranten in Nederland zijn. Deze mensen leveren in veel sectoren binnen de Nederlandse economie een belangrijke bijdrage. De migratie gaat ook gepaard met misstanden op verschillende terreinen, waaronder huisvesting. Om gemeenten en werkgevers te ondersteunen bij de ontwikkeling en overlast en overbewoning tegen te gaan, heeft mijn ambtsvoorganger met o.a. de VNG, Aedes, sociale partners en een aantal gemeenten zoals Den Haag, Rotterdam en het Westland in maart 2012 de Nationale Verklaring voor tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten ondertekend. Nadien zijn de partijen gezamenlijk aan de slag gegaan om in 9 regio´s bestuurlijke afspraken te maken tussen bestuurders en werkgevers over huisvesting voor arbeidsmigranten. Dit vooral met het oog op het bieden van alternatieven en het aanpakken van de misstanden. Mede door een tekort aan alternatieven zoeken werkgevers hun toevlucht tot bijvoorbeeld recreatieparken en huisvesten arbeidsmigranten in huisjes die daar niet voor bedoeld zijn, met overlast of botsende ritmes van arbeidsmigranten en recreanten tot gevolg.
Bent u bereid alles in het werk te stellen om de tewerkstellingsvergunningen voor o.a. Polen, Roemenen en Bulgaren opnieuw in te voeren?
Het vrij werknemersverkeer is een van de peilers van de Europese Unie. Het opnieuw invoeren van de tewerkstellingsvergunningen voor Polen, Roemenen en Bulgaren is in strijd met de Toetredingsverdragen met deze landen. Nu de overgangstermijnen zijn afgelopen geldt dat ook voor werknemers uit Polen, Roemenië en Bulgarije. Het kabinet zet zich in om arbeidsmigratie in goede banen te leiden en schijnconstructies en oneerlijke concurrentie aan te pakken.
Hoe duidt u het gegeven dat er tienduizenden Nederlanders zijn die getroffen worden door het zwalkende gemeentelijke beleid met betrekking tot de permanente bewoning van recreatiewoningen?
Iedere gemeente is vrij om het beleid ten aanzien van onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen te wijzigen. Gemeenten houden hierbij rekening met de voor- en nadelen die dit lokaal met zich mee brengt onder andere in relatie tot economie, veiligheid en woningmarkt. Het aantal van tienduizenden gevallen dat genoemd wordt, kan niet worden geverifieerd. Het is de vraag of het hier gaat om bewoners die hun onrechtmatige bewoning zijn aangevangen vóór 1 november 2003 (die volgens de VNG voorbeeldbeleidsregels onder voorwaarden een persoonlijke vergunning zouden kunnen krijgen, de zogenaamde oude gevallen) of dat de onrechtmatige bewoning later is gestart. Bij deze laatste groep mag van bewoners verwacht worden dat ze zich goed hebben laten informeren over permanente bewoning van recreatiewoningen. Veel mensen hebben vervolgens toch het risico genomen onrechtmatig in hun recreatiewoning te (blijven) wonen.
De nalevings- en handhavingscijfers van het rookverbod in de horeca |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de recente nalevings- en handhavingscijfers van het rookverbod in de horeca?1
Over het algemeen wordt het rookverbod in de horeca goed nageleefd. In de restaurants, hotels en ook de eetcafés is de naleving hoog. In de cafés en discotheken wordt het rookverbod nog niet voldoende nageleefd. Wel is sinds 2011 sprake van een stijgende trend in de naleving. Hoewel ik met de naleving in deze sectoren niet tevreden ben, vind ik de trend wel bemoedigend.
Deelt u de mening dat het naleefniveau tegenvalt, mede gezien het feit dat het percentage horecagelegenheden zonder rokers binnen de totale steekproef vorig jaar is gedaald? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat ziet u als de oorzaak van de tegenvallende naleving?
De naleving van het rookverbod is sinds 2011 ieder jaar gestegen. Dat vind ik positief. De lichte daling in de naleving tussen voorjaar 2013 (73% geen rokers) en najaar 2013 (71% geen rokers) is statistisch niet significant. Slechte naleving kan meerdere oorzaken hebben: onduidelijkheid over waar wel en waar niet gerookt mag worden en er zijn horeca ondernemers die zich willens en wetens niet aan de wet houden. Om de naleving verder te verbeteren heb ik de handhaving geïntensiveerd via het tabaksteam met jonge toezichthouders en wil ik zorgen voor duidelijkheid door het rookverbod weer voor alle horecagelegenheden te laten gelden. Dit wetsvoorstel wordt momenteel behandeld in uw Kamer.
Wat is uw verwachting ten aanzien van de naleving als gevolg van de recent ingevoerde verhoging van de minimumleeftijd, en het grotere aantal handhavers dat wordt ingezet? Kunt u aangeven welke concrete doelen u zich stelt voor de volgende naleefrapportage? Zo nee, waarom niet?
De verhoging van de minimum leeftijd voor tabak zal niet direct invloed hebben op de naleving van het rookverbod in de horeca. Wel is het voor te stellen dat de verhoging van de minimum leeftijd invloed heeft op het aantal jongeren dat begint met roken. Op de langere termijn zal daardoor het aantal rokers afnemen, en daarmee ook de behoefte om in horeca te roken. Zoals ook in antwoord op vraag twee aangegeven is de handhaving geïntensiveerd. Mijn verwachting is dat deze intensivering en ook de hoge boetes een bijdrage zullen leveren aan de naleving. Ik besef wel dat dat niet van de één op de andere dag gebeurt. Ik streef ernaar dat de naleving ieder jaar blijft stijgen naar uiteindelijk een goede naleving van het rookverbod zoals nu overigens in het merendeel van de horeca al het geval is (met een nalevingpercentage van ruim boven de 90%).
Welke indicatoren worden gehanteerd voor de controle van het rookverbod in de dagelijkse praktijk van handhaving? Blijkt uit ervaring of onderzoek dat deze indicatoren valide resultaten geven? Deelt u de mening dat het aantal in een discotheek aanwezige asbakken weinig zegt over de naleving van het rookverbod, daar in discotheken sigarettenas tegenwoordig vaak op de grond of in glazen wordt gedeponeerd? Zo nee, waarom niet?
De NVWA observeert of in een horecagelegenheid wordt gerookt. Dat kan ook gebeuren via reuk of via het aantreffen van smeulende sigaretten in de asbak of op de grond. In het nalevingsonderzoek wordt onderzocht in hoeveel cafés asbakken op tafels staan, omdat dat iets zegt over de intentie van de ondernemer. Uit het nalevingsonderzoek blijkt dat in steeds minder horecagelegenheden asbakken op tafels staan. Dit kan een indicatie zijn dat de intentie van steeds meer ondernemers is om roken niet toe te staan.
Kan de Kamer in het derde kwartaal van 2014 tussentijds worden geïnformeerd over de handhaving van de minimumleeftijd voor tabakaankoop, zodat de kwaliteit en reikwijdte van de handhaving niet pas in januari 2015 bekend worden, hetgeen de informatiepositie van de Kamer niet ten goede zou komen en tussentijds bijsturen bemoeilijkt wordt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn brief heb aangegeven wil ik de Kamer voortaan graag eenmaal per jaar informeren over alle handhaving en naleving van het rookverbod in de horeca en de leeftijdgrens tabak. Dit geeft duidelijker trends weer en is ook efficiënter voor de NVWA, die alle gegevens moet verzamelen. Daarbij wordt het onderzoek naar de leeftijdgrens éénmaal per jaar uitgevoerd en gecombineerd met het onderzoek naar de naleving van de alcoholleeftijdsgrens. Derhalve heeft het mijn voorkeur om eenmaal per jaar, in januari, een volledig overzicht te geven van de inspanningen van de NVWA en van de naleving op het gebied van het rookverbod en de leeftijdgrens tabak.
De inlichtingenvergaring in Burum naar aanleiding van de uitzending van Nieuwsuur op 13 januari jl. |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Nieuwsuur van 13 januari jl. over de inlichtingenvergaring in Burum?
Ja.
Bent u op de hoogte van de plaatsing van de Amerikaanse apparatuur met de mogelijkheid van inlichtingenverzameling op Nederlands grondgebied? Zo nee, hoe kan de Nederlandse overheid dan toezicht houden op de activiteiten van de Amerikanen in Nederland? Zo ja, op welke wijze gaat u de Kamer hierover informeren?
Inmarsat levert vanuit Teleport Burum commerciële telecommunicatiediensten aan overheden en organisaties binnen het kader van de Telecommunicatiewet in Nederland. Het Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische Zaken houdt toezicht op de handhaving van deze wet.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) hebben geen aanwijzingen dat er in Burum sprake is van inlichtingenactiviteiten door buitenlandse mogendheden. De diensten doen structureel onderzoek naar dergelijke activiteiten van buitenlandse mogendheden in Nederland. Indien wordt geconstateerd dat een buitenlandse mogendheid zonder toestemming en medewerking van de AIVD en MIVD inlichtingenactiviteiten verricht op Nederlands grondgebied, treft de regering altijd maatregelen.
Bent u door of namens de Amerikaanse regering geïnformeerd over de activiteiten op het gebied van inlichtingenvergaring door de Amerikanen in Burum? Zo ja, wanneer bent u hierover geïnformeerd? Zo nee, gaat u alsnog de Amerikaanse regering verzoeken u hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 2.
Houdt de Nederlandse overheid toezicht op de Amerikaanse activiteiten met betrekking tot inlichtingenverzameling in Nederland? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op hoeveel bedrijventerreinen in Nederland is Amerikaanse of overige buitenlandse apparatuur met de mogelijkheid van inlichtingenverzameling geplaatst? Op welke wijze is het toezicht door de Nederlandse overheid op het gebruik van deze soort apparatuur door anderen geregeld?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak komt het voor dat een Nederlands defensieterrein grenst aan een bedrijventerrein?
In veel gevallen grenzen defensieterreinen aan bedrijventerreinen of bieden zij ruimte voor civiel medegebruik. Voorbeelden hiervan zijn de marinehaven in Den Helder, de ontwikkeling van de nieuwe marinierskazerne in Vlissingen op een bedrijventerrein en het civiele medegebruik van de militaire luchthavens.
Hoe gebruikelijk is het dat activiteiten in het vitale en hele delicate veiligheidssegment plaatsvinden op een bedrijventerrein grenzend aan een defensieterrein waar men dezelfde activiteiten verricht?
Zie antwoord vraag 6.
Welke controle is er op de rechtmatigheid van inlichtingenvergaring door anderen dan de Nederlandse organisaties die onder toezicht staan van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD)?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt de Nederlandse overheid de door de Nationale SIGINT Organisatie (NSO) verzamelde inlichtingen in Burum met derden? Zo ja, met welke partijen?
De Nederlandse diensten werken zowel in als buiten het NAVO-bondgenootschap samen met buitenlandse partnerdiensten. Dit gebeurt binnen de kaders van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv2002). Het gaat vooral om het uitwisselen van gegevens om de informatiepositie van de diensten te versterken. Over de partnerdiensten kunnen in het openbaar geen uitspraken worden gedaan.
Aan wie betaalt het Amerikaanse leger huur, het zogeheten telehousing, om de apparatuur in Burum te kunnen plaatsen en om satellietservice te ontvangen?
Inmarsat is een commerciële onderneming die op het private satellietgrondstation in Burum diensten aanbiedt voor het ontvangen en verzenden van satellietsignalen. Klanten betalen Inmarsat voor deze diensten. Voor meer informatie over Inmarsat verwijs ik de indieners naar de antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Van Raak c.s.
Welk Amerikaans bedrijf is betrokken bij de exclusieve beheersing van het United States Government Network van Inmarsat?
Op welke wijze garandeert u de naleving van de Nederlandse wetgeving door buitenlandse bedrijven die zich bezig houden met inlichtingenvergaring?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat de Nigeriaanse president de anti-homowet heeft ondertekend |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Nigeriaanse president de anti-homowet heeft ondertekend?1
De ondertekening van de zogeheten Same Sex Marriage Prohibition Act door de Nigeriaanse president is teleurstellend en zorgwekkend. De wet bevat bepalingen die volgens lokale belangenorganisaties in strijd zijn met zowel de Nigeriaanse grondwet als internationale mensenrechtenverdragen waar Nigeria partij bij is.
Wat is uw reactie op het bericht dat Nigeria tientallen homo’s opgepakt heeft?2
Dit bericht heeft betrekking op gebeurtenissen in de deelstaat Bauchi en is bevestigd door een LHBT-organisatie waarmee de ambassade in contact is. Het arresteren van personen op basis van hun seksuele oriëntatie is zeer zorgelijk. Dit incident zou overigens al op 27 december 2013 – bijna twee weken voordat de president de wetgeving ondertekende – hebben plaatsgevonden.
Welke stappen heeft Nederland, zowel zelf als in EU-verband, ondernomen om de Nigeriaanse autoriteiten aan te spreken op discriminerende wetgeving voor LHBT’s nadat deze afgelopen jaar goedgekeurd werd door het Nigeriaanse parlement?3 4
Al sinds 2006 – toen een eerdere versie van deze wet voor het eerst werd geïntroduceerd – heeft Nederland, samen met EU-partners de positie van LHBT’s onder de aandacht gebracht van de autoriteiten en deze aangesproken op discriminerende wetgeving. Op advies van LHBT-organisaties – en in samenspraak met gelijkgezinde ambassades – is daarbij gekozen voor een aanpak achter de schermen om te voorkomen dat stevige publieke verklaringen en hierop volgende persaandacht contraproductief zouden uitwerken.
Daarnaast heeft Nederland de wetgeving en de positie van LHBT’s regelmatig in internationaal verband opgebracht, zoals recentelijk in het kader van de Nigeriaanse Universal Periodic Review bij de Verenigde Naties. De EU Hoge Vertegenwoordiger Ashton heeft naar aanleiding van de aanname van het wetsontwerp door het Huis van Afgevaardigden en de ondertekening door de president haar zorg uitgesproken. Daarnaast heeft een hoge EU-delegatie vorige week de zorgen van de EU overgebracht aan de Nigeriaanse Ministers van Justitie en Buitenlandse Zaken.
Bent u voornemens om zelf of in EU-verband te reageren op deze discriminerende wetgeving richting van de Nigeriaanse regering? Zo ja, welke stappen bent u van plan te gaan nemen? Zo neen, waarom niet?
Hoge Vertegenwoordiger Ashton heeft reeds een verklaring naar buiten gebracht. Nederland en gelijkgezinde landen beraden zich op dit moment over mogelijke vervolgstappen. Hierbij worden ook lokale LHBT-organisaties geconsulteerd.
Bent u voornemens om zelf of in EU-verband te reageren op het specifieke bericht dat Nigeria tientallen homo’s opgepakt heeft? Zo ja, welke stappen bent u van plan te gaan nemen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre is het bovengenoemde incident volgens u een direct gevolg van het invoeren van de discriminerende wetgeving jegens homoseksuelen?
Het bovengenoemde incident vond plaats voorafgaand aan de ondertekening van de nieuwe wetgeving en homoseksualiteit is al langer strafbaar in Nigeria. Niettemin is het niet uit te sluiten dat het wetgevingsproces wel degelijk invloed heeft gehad op dit specifieke incident.
In hoeverre ondersteunt Nederland projecten in Nigeria om discriminatie van LHBT’s tegen te gaan?
Vanuit het mensenrechtenfonds steunt de Nederlandse Ambassade door middel van een meerjarig programma een prominente Nigeriaanse organisatie die zich inzet voor de rechten van LHBTs. De ambassade onderzoekt op dit moment, mede in het kader van de nieuwe wetgeving, de mogelijkheden van verdere steun voor de bevordering en bescherming van de rechten van LHBTs.
Medicijnkosten voor vreemdelingen |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de vragen van 28 november 2013?1 Kunt u een aanvullende reactie geven op de berichten dat de PvdA Amsterdam en organisaties als STIL, LOS en INLIA felle kritieken hebben geuit op de eigen bijdrage die vreemdelingen per medicijn moeten betalen?2
Ja.
In juni 2013 heeft het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) in de bijeenkomst van Lampion, waarbij naast een aantal vertegenwoordigers van zorgverleners ook Dokters van de Wereld, Hiv vereniging Nederland, GGD Nederland en Pharos aanwezig waren, deze maatregel aangekondigd.
Op 26 november 2013 heeft CVZ de maatregel ook toegelicht in de bijeenkomst van het Breed Stedelijk Overleg, een platform met een mix van vertegenwoordigers van zorgverleners en hulpverlenerorganisaties aan onverzekerbare vreemdelingen. Sommige vertegenwoordigers van de genoemde organisaties hebben hun zorgen geuit over de uitwerking van de maatregel in situaties dat onverzekerbare vreemdelingen écht geen inkomen hebben. Daarnaast heeft de maatregel in deze gesprekken ook begrip gekregen.
De vijf-euromaatregel is niet van toepassing op weekvervolguitgiftes. Het CVZ heeft dit bewust zo gedaan om te voorkomen dat deze groep door de maatregel met onevenredig hoge kosten wordt geconfronteerd. Niet alle patiënten met chronische medicatie hebben een weekvervolguitgifte. Tot 1 januari 2014 werden de medicijnen aan onverzekerbare vreemdelingen voor maximaal 1 maand meegegeven. Deze uitgiftemogelijkheid is verruimd. De apotheker kan nu voor drie maanden medicatie meegeven. Een patiënt die voor langere tijd medicatie gebruikt betaalt dan dus maar eens in de drie maanden vijf euro per receptregel.
Deelt u de zorgen dat deze standaardbijdrage ervoor zal kunnen zorgen dat vreemdelingen huiverig zijn om medisch noodzakelijke zorg te vragen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt ondanks de maatregel toch voorkomen dat vreemdelingen niet de zorg vragen en krijgen die ze nodig hebben?
Bij het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerbare vreemdelingen geldt als uitgangspunt dat de patiënt zoveel mogelijk zelf de rekening van de ingeroepen zorg voldoet. De zorgverlener kan aan het CVZ een compensatie vragen als hij er niet in slaagt het volledige bedrag te incasseren. Dit geldt ook voor de verstrekking van medicijnen. Uit inventarisatie van het CVZ is naar voren gekomen dat onverzekerbare vreemdelingen vaak weten dat de apotheek de niet betaalde rekening kan declareren bij het CVZ. Deze wetenschap leidde vervolgens tot een scherpe daling van de bereidheid om te betalen. De verstrekking van medicijnen was daarmee verworden tot gratis medicatie aan illegalen. Die ontwikkeling vind ik onwenselijk.
Gelet op het wettelijk uitgangspunt van de regeling dat de onverzekerbare vreemdeling de kosten van zorg in beginsel zelf behoort te betalen meen ik niet dat er sprake is van het opwerpen van een onredelijke financiële barrière of dat een bedrag van € 5 de toegankelijkheid tot medisch noodzakelijke zorg belemmert. Ik zie in de vijf-euromaatregel geen onoverkomelijke drempel voor het verkrijgen van zorg. In echt urgente gevallen zal de apotheker zijn professionele verantwoordelijkheid nemen.
Vraag 4 impliceert dat illegalen hier jaren verblijven en in grote mate afhankelijk zijn van de gezondheidszorg in Nederland. Gratis gezondheidszorg bij illegaal verblijf zal illegaal verblijf niet ontmoedigen.
Op welke wijze zal een apotheek kunnen toetsen of een vreemdeling de medicijnen wel of niet kan betalen? Deelt u de mening dat vreemdelingen niet alleen risico lopen om de benodigde medicijnen niet te kunnen betalen, maar dat zij ook onnodig lang op hun medicijnen moeten wachten, als eerst moet worden vastgesteld of zij de medicijnen wel kunnen betalen?
Het toetsen van financiële draagkracht van mensen die medicijnen nodig hebben is feitelijk ondoenlijk en vind ik bovendien ongewenst. Dat doen apothekers immers ook niet voor de eigen medicijnbijdrage van verzekerden.
De apotheker diende voorheen te beoordelen hoeveel de patiënt kon betalen. Dit was een tijdrovende en vaak onmogelijke taak. Deze discussie was hoogst onplezierig en leidde vaak tot een onbevredigend resultaat.
Kunt u reageren op de kritiek van STIL dat deze maatregel op de lange termijn alleen maar duurder zal uitpakken, als mensen blijven rondlopen met medische problemen en uiteindelijk in het ziekenhuis zullen belanden?3
Zie antwoord vraag 2.
Welke extra incassokosten zullen er voor het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) verbonden zijn aan het innen van de 5 euro? Op welke wijze verhouden deze kosten zich tot de opbrengsten? Indien deze kostenraming onbekend is, bent u dan bereid deze alsnog te maken? Zo nee, waarom niet?
Aan het innen van de € 5 zijn voor het CVZ geen incassokosten verbonden.
Het CVZ heeft met de apothekers contractueel afgesproken dat zij € 5 aan de patiënt moeten vragen voor een medicijn. De verantwoordelijkheid om deze te innen ligt bij de apotheker. Bij de uitbetaling aan de apotheker wordt op elke receptregel dit bedrag automatisch ingehouden. Weekvervolguitgiften zijn van deze maatregel uitgesloten.
Klopt het dat niet duidelijk is of deze maatregel een besparing zal opleveren? Zo ja, op welke wijze acht u de 5 euromaatregel dan proportioneel, niet alleen gezien het feit dat ervoor gewaarschuwd wordt dat vreemdelingen niet meer de noodzakelijke zorg kunnen krijgen, maar ook omdat de kosten van medicijngebruik in heel Nederland in 2012 met bijna 10 procent zijn gedaald?
De vijf-euromaatregel is niet genomen met het primaire doel om een besparing op te leveren. Het is de bedoeling om de uitgangspunten van de regeling meer in acht te nemen en ervoor te zorgen dat de illegaal bijdraagt aan de zorg die hij inroept. Ook wordt zo het misverstand weggenomen dat in Nederland de zorg voor illegalen gratis is.
Deelt u de mening dat de maatregel een inbreuk vormt op de artikelen 11 en 13 van het Europees Sociaal Handvest? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De bescherming van het Europees Sociaal Handvest (ESH) strekt zich niet uit tot vreemdelingen die niet legaal verblijven op het grondgebied van Nederland. Onderdeel 1 van de Bijlage bij het herziene ESH bepaalt op dit punt dat het ESH slechts van toepassing is op die vreemdelingen die onderdaan zijn van andere landen die partij zijn bij het ESH en die legaal verblijven of rechtmatig werkzaam zijn in Nederland. Een maatregel die zich richt op illegaal verblijvende vreemdelingen kan dus niet in strijd zijn met het ESH.
Het bericht schoonmaakgigant stort zich op zorg |
|
Martine Baay-Timmerman (50PLUS) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schoonmaakgigant stort zich op zorg»?1
Ja.
Vindt u het wenselijk dat een commercieel bedrijf, dat gericht is op winst maken en zichzelf in stand houden, zich gaat bezighouden met het organiseren van hulp en zorg aan diegenen die afhankelijk zijn van hulp en zorg?
Gemeenten zijn op grond van de Wet op de maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van de ondersteuning aan de burgers die daarop aangewezen zijn. De wet geeft hen beleidsruimte om deze verantwoordelijkheid in te vullen, ook ten aanzien van het contracteren van aanbieders die deze ondersteuning aan mensen leveren. Het is aan gemeenten om, ook als opdrachtgever van de gecontracteerde aanbieders, er zorg voor te dragen dat mensen passende ondersteuning ontvangen die voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen. Gemeenten waarborgen dit vooral door middel van de inhoud van het contract met de aanbieders en het monitoren van de kwaliteit van de uitvoering. Iedere organisatie dient aan de gestelde kwaliteitseisen te voldoen.
Bent u het ermee eens dat kwaliteit van zorg altijd centraal moet staan? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de kwaliteit van zorg, ondersteuning en hulpverlening gegarandeerd blijft als het door een commercieel bedrijf geleverd wordt?
Daar ben ik het mee eens. De Wmo bevat de nodige waarborgen voor een kwalitatief goede uitvoering. Deze worden doorvertaald in overeenkomsten met aanbieders, met en zonder winstoogmerk. Daarbij geldt dat gemeenten de verantwoordelijkheid voor de (kwaliteit van de) uitvoering hebben en daar ook op kunnen worden aangesproken door cliënten. Ook kunnen gemeenteraden het betreffende college van B en W aanspreken op de uitvoering.
Vindt u het wenselijk dat één partij alle zorg en ondersteuning in een gemeente in de hand zou hebben, met het gevaar van bevoordeling van eigen partijen, zoals recentelijk is gebleken bij stichting SDS (die als stichting nog niet eens winstoogmerk heeft) en de serviceflats? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het primair van belang dat mensen ondersteuning krijgen die zij nodig hebben voor hun zelfredzaamheid en participatie. Die ondersteuning moet zo goed mogelijk aansluiten op de kenmerken van de betrokken persoon, diens situatie en persoonlijke voorkeuren. Dit veronderstelt de mogelijkheden van variatie in het aanbod. Deze variatie kan in theorie ook door middel van een overeenkomst van de gemeente met één aanbieder worden geborgd, er zijn echter vaak meerdere aanbieders binnen gemeenten actief. Gemeenten zijn op grond van de Wmo verplicht om burgers die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze te bieden tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget. Hiermee wordt de keuzevrijheid van de cliënt geborgd.
Het inkopen van maatschappelijke ondersteuning is de verantwoordelijkheid van gemeenten. Het is aan gemeenten om hierin zorgvuldig, objectief en niet discriminatoir te opereren waardoor er geen sprake zal zijn van een niet-passende bevoordeling van partijen in dit verband.
Kunt u garanderen dat bovengenoemd gevaar van bevoordeling wordt voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt keuzevrijheid voor de cliënt geborgd als één commerciële partij alles in handen heeft?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat een commerciële partij in feite verantwoordelijk zou zijn voor de besteding van een aanzienlijk bedrag aan gemeenschapsgeld?
Zie mijn antwoord op vraag 2. Zoals ik heb aangegeven is het van belang dat gemeenten er zorg voor dragen dat mensen die daarop aangewezen zijn de ondersteuning krijgen die voor hen passend is en voldoet en ook blijft voldoen aan de daaraan gestelde eisen. Gemeenten zullen deze kwalitatieve eisen doorvertalen in overeenkomsten met aanbieders en daarbij passende afspraken over het tarief maken. Dit kunnen aanbieders met en zonder winstoogmerk zijn.
Het bericht dat het landelijk schakelpunt uitbreidt naar ketenzorg |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Landelijk schakelpunt zet stap naar ketenzorg»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Wat is uw reactie op de uitbreiding van het uitwisselen van medische gegevens via het Landelijk Schakelpunt (LSP) met ketenzorg voor diabetes, cardiologie, astma en COPD, alsmede gegevens betreffende de ouderenzorg, GGZ en 2e lijn?
Ik hecht belang aan goede en veilige (elektronische) informatie-uitwisseling in de zorg. Als zorgaanbieders snel over de juiste informatie kunnen beschikken over hun patiënt en de patiënt op zijn beurt niet meerdere malen hetzelfde verhaal hoeft te vertellen dan draagt dat bij aan de efficiency en kwaliteit van zorg. Ook het principe van ketenzorg, waarbij zorgaanbieders samenwerken rond de zorg van een patiënt met een complexe hulpvraag, ondersteun ik van harte. Efficiënte informatie-uitwisseling tussen de verschillende zorgverleners rond die patiënt is een essentiële voorwaarde voor multidisciplinaire samenwerking.
Uiteraard is het daarbij van groot belang dat de gegevensuitwisseling veilig gebeurt met respect voor de privacy van de patiënt.
Uit de informatie van de Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ), de beheerder van het landelijk schakelpunt (LSP), blijkt dat met de ondertekening van een convenant in november 2013 door partijen die een adviserende of toetsende rol (gaan) vervullen (o.m. de patiëntenfederatie NPCF en het Nederlands Huisartsengenootschap) en partijen die als bijvoorbeeld opdrachtgever, beoogd gebruiker of financier belang hebben bij het programma rond ketenzorg (o.m. Nictiz, ZN, HIS-leveranciers) een eerste stap is gezet in de richting van informatie-uitwisseling in de ketenzorg.
Vindt u het wenselijk dat hele groepen zorgverleners, zoals diëtisten, podotherapeuten en pedicures, voortaan ook medische dossiers kunnen inkijken?
Op basis van de huidige wet- en regelgeving (Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) en Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) gelden er regels die een veilige uitwisseling van (medische) patiëntgegevens tussen zorgverleners moeten waarborgen. Dit geldt vanzelfsprekend ook als gegevens worden uitgewisseld in het kader van ketenzorg.
Het is de verantwoordelijkheid van de beheerder van een elektronische uitwisselingssysteem om ervoor te zorgen dat gegevensuitwisseling plaatsvindt conform deze wet- en regelgeving en te borgen dat (medische) gegevens uitsluitend voor inzage beschikbaar zijn voor die hulpverleners die daar op grond van de geldende wet- en regelgeving recht toe hebben.
Wat betekent deze uitbreiding voor de veiligheid van de medische gegevens en de privacy van de patiënten?
De VZVZ geeft aan dat de plannen rond ketenzorg worden getoetst op veiligheid en privacy, om actuele medische informatie beschikbaar te hebben in een behandelrelatie.
Het CBP is de toezichthouder en kan indien nodig handhavend optreden.
Wordt patiënten apart om toestemming gevraagd voor deze uitbreiding?
Op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) moet elke zorgaanbieder toestemming vragen aan de patiënt of hij/zij gegevens beschikbaar mag stellen. Ik heb begrepen dat de VZVZ de reikwijdte van de toestemmingsvraag in overleg met de betrokken partijen blijvend zal toetsen.
Wat vindt het College Bescherming Persoonsgegevens van deze uitbreiding?
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft tot taak toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens. Als het CBP – al dan niet na een wijziging in een elektronische uitwisselingssysteem – hiertoe aanleiding ziet, zal het CBP handhavend op kunnen treden.
In hoeverre is Nictiz betrokken bij deze uitbreiding? Kunt u dit specificeren?
Om de informatie-uitwisseling van zorgaanbieders die mensen met een chronische ziekte helpen te verbeteren, ontwikkelt Nictiz samen met veld partijen informatiestandaarden. Deze informatiestandaarden beschrijven de informatiebehoefte van dit specifieke deel van het zorgveld, sluiten aan bij de zorgstandaarden en zijn vrij beschikbaar voor veldpartijen om toe te passen. Nictiz werkt samen met het Kwaliteitsinstituut en veldpartijen aan de ontwikkeling van informatiestandaarden, zoals beschreven in mijn eHealth brief van 12 juni 2013.
Nictiz heeft in september 2013 een informatiestandaard opgeleverd voor chronisch zieken (met een accent op cardiometabole aandoeningen) Deze standaard is tot stand gekomen in samenwerking met een veelheid van partijen waaronder de Nierstichting, Nederlands Huisartsen Genootschap en Diabetesvereniging Nederland. Nictiz geeft aan dat er behoefte was aan deze standaard omdat bij de behandeling van chronisch zieken meerdere zorgverleners zijn betrokken en een optimale uitwisseling van medische gegevens belangrijk is voor de kwaliteit van het zorgproces.
De VZVZ heeft – als één van de beheerders van een elektronisch uitwisselingssysteem – besloten deze informatiestandaard te gaan toepassen en is hiertoe een samenwerking aangegaan met een aantal veldpartijen. VZVZ heeft onder andere Nictiz gevraagd hierbij te adviseren. Dit past in de opdracht van Nictiz om het veld te ondersteunen om interoperabiliteit tussen zorgverleners en hun systemen te bevorderen – zoals Nictiz ook andere partijen dan VZVZ adviseert bij interoperabiliteit. VZVZ is geheel zelf verantwoordelijk voor de implementatie, en de afspraken met de leveranciers en de zorgomgevingen om die implementatie te realiseren – zowel financieel als inhoudelijk.
Vindt u het passend dat zorgaanbieders voor de uitbreiding naar ketenzorg een geldelijke beloning krijgen?
Ik kan mij voorstellen dat zorgverzekeraars zorgverleners tegemoet willen komen in een deel van de kosten die zij maken voor aansluiting op en gebruik van het LSP.
Het eerdergenoemde convenant biedt zorgverzekeraars de mogelijkheid afspraken te maken over een tegemoetkoming in die kosten. ZN geeft aan dat zorgverzekeraars in het verlengde van de bestaande regelingen voor huisartsen en apothekers, kunnen bekijken of een tegemoetkoming in de kosten opportuun is. Dit om zorgvuldige informatie-uitwisseling via gebruik van het LSP te bevorderen in het belang van de cliënt. Dit is ook de reden dat zorgverzekeraars middelen ter beschikking stellen om pilots rond ketenzorg uit te voeren.
Verder laat ZN weten dat pas als sprake is van een geslaagde implementatie en bij aantoonbare extra kosten voor een zorgaanbieder een nog nader te bepalen tegemoetkoming in de kosten ter beschikking zal worden gesteld.
Het is niet de bedoeling van zorgverzekeraars om aansluiting bij het LSP verplicht op te leggen aan zorgverleners die dit niet wensen. Wel willen zorgverzekeraars voorkomen dat financiële overwegingen een drempel voor gebruik van het LSP zouden vormen.
Hoe gaat u voorkomen dat zorgverzekeraars informatie-uitwisseling via het LSP als voorwaarde in hun contracten opnemen?
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb gemeld, verwijzen zorgverzekeraars bij het vaststellen van contracten naar de kwaliteitseisen van de beroepsgroep. Alleen als de beroepsgroep heeft aangegeven dat elektronische gegevensuitwisseling via het LSP als kwaliteitseis wordt gezien, zullen de zorgverzekeraars dit als zodanig in hun contracten opnemen. Het is dus de beroepsgroep zelf die beslist of aansluiting op het LSP als kwaliteitseis voor de beroepsgroep zal gelden.
Deelt u de mening dat dit een ongewenste doorstart van het LSP is en zo ja, wanneer gaat u daar een einde aan maken?
Nee, die mening deel ik niet.
De 5 euro die onverzekerbare vreemdelingen moeten betalen voor medicijnen |
|
Marit Maij (PvdA), Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Stop heffing op medicatie» over de eigen bijdrage van 5 euro die onverzekerbare vreemdelingen vanaf 1 januari jl. moeten betalen voor geneesmiddelen?1
Ja.
Waarom is overgegaan tot het invoeren van 5 euro voor medicijnen voor onverzekerbare vreemdelingen? Welk doel ligt hieraan ten grondslag? Welke opbrengst wordt van de maatregel verwacht en waarom wordt deze noodzakelijk geacht?
Bij het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerbare vreemdelingen geldt als uitgangspunt dat de patiënt zoveel mogelijk zelf de rekening voor de ingeroepen zorg voldoet. De zorgverlener kan aan het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) een compensatie vragen als hij er niet in slaagt het volledige bedrag te incasseren. Dit geldt ook voor de verstrekking van medicijnen.
Uit inventarisatie van het CVZ is naar voren gekomen dat onverzekerbare vreemdelingen vaak weten dat de apotheek de niet betaalde rekening kan declareren bij het CVZ. Deze wetenschap leidde vervolgens tot een scherpe daling van de bereidheid om te betalen. De verstrekking van medicijnen was daarmee verworden tot gratis medicatie aan illegalen.
Die ontwikkeling vind ik onwenselijk. Een verzekerde betaalt naast de inkomensafhankelijke premie maandelijks ongeveer € 100 nominale premie. Daarnaast geldt voor een verzekerde een eigen risico van € 360 euro per jaar. Een onverzekerbare vreemdeling betaalt deze bedragen niet.
De vijf-euromaatregel is niet genomen met het primaire doel om een besparing op te leveren. Het is de bedoeling om de uitgangspunten van de regeling meer in acht te nemen en ervoor te zorgen dat de illegaal bijdraagt aan de zorg die hij inroept. Ook wordt zo het misverstand weggenomen dat in Nederland de zorg voor illegalen gratis is.
Op welke wijze is de invoering van deze maatregel gecommuniceerd met de Kamer?
De eigen bijdrage van € 5 heb ik aangekondigd in de VWS-Verzekerdenmonitor die ik op 19 november 2013 (Kamerstuk 33 077, nr. 8) aan uw Kamer heb gezonden.
Op welke wijze is en wordt de invoering van deze maatregel gecommuniceerd met de niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen en de hulpverleners die voor medicijnen in de apotheek komen?
De verstrekking van medicijnen aan onverzekerbare vreemdelingen vindt plaats door een beperkt aantal gecontracteerde zorgaanbieders. In het aanbestedingstraject dat aan deze contractering is voorafgegaan, is uitvoerig aandacht besteed aan de verplichting van de vijf-euromaatregel. Apothekers met wie het CVZ een contract heeft gesloten zijn dan ook goed op de hoogte van deze maatregel. Apothekers zullen op hun beurt onverzekerbare vreemdelingen informeren. Verder hebben ook alle huisartsen in december 2013 een brief gekregen, waarin is gewezen op deze minimale bijdrage bij de apotheker. De apotheken hebben daarnaast van het CVZ een document gekregen met uitleg over deze regeling in acht talen, die zij de onverzekerbare vreemdeling kunnen geven. Deze toelichtende verklaring is ook te vinden op de website van het CVZ .
In juni 2013 heeft CVZ in de bijeenkomst van Lampion, waarbij naast een aantal vertegenwoordigers van zorgverleners ook Dokters van de Wereld, Hiv vereniging Nederland, GGD Nederland en Pharos aanwezig waren, deze maatregel aangekondigd.
Op 26 november 2013 heeft CVZ de maatregel ook toegelicht in de bijeenkomst van het Breed Stedelijk Overleg, een platform met een mix van vertegenwoordigers van zorgverleners en hulpverlenerorganisaties aan onverzekerbare vreemdelingen.
Sommige vertegenwoordigers van de genoemde organisaties hun zorgen geuit over de uitwerking van de maatregel in situaties dat onverzekerbare vreemdelingen écht geen inkomen hebben. Daarnaast heeft de maatregel van het CVZ in deze gesprekken ook begrip gekregen.
Welke waarborgen zijn er dat, in het geval een onverzekerbare vreemdeling geen financiële mogelijkheid heeft om de 5 euro eigen bijdrage te betalen, hij/zij niet verstoken blijft van het medicijn dat hij/zij nodig heeft? Kunt u hierbij aangeven welke specifieke waarborgen er zijn voor zieke kinderen, zieke ouderen en chronisch zieken? Deelt u de mening dat nooit de situatie mag ontstaan dat zieke vreemdelingen of uitgeprocedeerde asielzoekers niet de noodzakelijke medicijnen krijgen omdat zij de 5 euro niet kunnen betalen?
Het uitgangspunt van de wet is dat een onverzekerbare vreemdeling de kosten volledig zelf draagt. In de praktijk gebeurt dit ook regelmatig. Gelet op het wettelijk uitgangspunt van de regeling dat de onverzekerbare vreemdeling de kosten van zorg in beginsel zelf behoort te betalen, meen ik niet dat er sprake is van het opwerpen van een onredelijke financiële barrière of dat een bedrag van € 5 de toegankelijkheid tot medisch noodzakelijke zorg belemmert. In echt urgente gevallen zal de apotheker zijn professionele verantwoordelijkheid nemen. Overigens merk ik op dat ook de verzekerde Nederlander, ongeacht zijn financiële situatie, voor bepaalde medicijnen een eigen bijdrage verschuldigd is.
Welke signalen heeft u ontvangen van Vluchtelingenwerk Nederland, Lampion, Pharos en Dokters van de Wereld ten aanzien van de eigen bijdrage van 5 euro die onverzekerbare vreemdelingen vanaf 1 januari 2014 moeten betalen voor geneesmiddelen? Wat is de mening van deze organisaties over deze maatregel?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijkheden hebben apotheken, gemeenten of bijvoorbeeld hulporganisaties om onverzekerbare vreemdelingen financieel bij te staan bij het verkrijgen van medicijnen? Welke signalen heeft u dat dit nu gebeurt?
Het CVZ heeft de apothekers in het aanbestedingstraject geïnformeerd hoe om te gaan met deze regeling. Voor het CVZ is het uitgangspunt dat de apotheker deze bijdrage incasseert. Op het te vergoeden bedrag (receptregel) wordt € 5 standaard in mindering gebracht. Daarnaast heeft de apotheker uiteraard ook zijn professionele verantwoordelijkheid bij de verstrekking van medicatie. Ik vertrouw dat deze hulpverleners hier zorgvuldig mee omgaan.
Ik heb geen signalen ontvangen dat gemeenten of hulporganisaties financieel bijdragen.
Bent u bereid, in overleg met betrokken organisaties, het College voor Zorgververzekeringen (CVZ) en de apothekers, te monitoren welke effecten deze eigen bijdrage heeft voor de toegankelijkheid voor onverzekerbare vreemdelingen tot noodzakelijke medicatie en de Kamer daarover binnen een jaar te informeren?
De maatregel is op 1 januari jl. ingegaan. Een inventarisatie op basis van twee maanden praktijkervaring komt mij weinig zinvol voor. Het CVZ brengt jaarlijks een monitor uit over de gefinancierde zorgverlening aan illegaal verblijvende vreemdelingen. Ik heb het CVZ gevraagd in deze monitor zo mogelijk in te gaan op de vijf-euromaatregel en zal dit meenemen in de VWS-Verzekerdenmonitor die ik jaarlijks aan uw Kamer zend.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg medische zorg voor vreemdelingen op 20 maart a.s.? Bent u bereid vóór dit overleg in een eerste inventarisatie bij Vluchtelingenwerk Nederland, Lampion, Pharos en Dokters van de Wereld na te gaan welke gevolgen deze maatregel in de praktijk heeft voor onverzekerbare vreemdelingen en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 8.
Zorgaanbieder Vivium Thuiszorg |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over zorgaanbieder Vivium Thuiszorg die een rechtszaak aanspant tegen gemeenten, omdat die gemeenten deze organisatie houdt aan de voorwaarden die in de aanbesteding hebben gestaan? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Op het moment dat sprake is van verschil in inzicht over bijvoorbeeld de voorwaarden van de aanbesteding, staat het een partij vrij om rechtsmiddelen in te zetten. Vivium Thuiszorg heeft ervoor gekozen een zaak aanhangig te maken bij de rechter. Het is niet aan mij om daar over te oordelen. De rechter heeft in deze rechtszaak inmiddels een vonnis gewezen en ik vertrouw erop dat deze uitspraak voor beide partijen duidelijkheid biedt over de interpretatie van de voorwaarden die zijn opgenomen in de overeenkomst.
Wat vindt u ervan dat Vivium zich niet heeft gehouden aan vereiste salarisschalen voor thuiszorgmedewerkers? Vindt u dat een werkgever het recht heeft dit te doen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is niet aan mij om te oordelen over de uitspraak van de rechter. De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis aangegeven dat in de Nota van Inlichtingen, behorende bij de overeenkomst met de betrokken gemeenten, blijkt dat inschaling in FWG 10 niet toegestaan was. Ik heb schriftelijk van Vivium Thuiszorg begrepen dat zij gevolg heeft gegeven aan het vonnis van de rechtbank en de betrokken medewerkers met terugwerkende kracht in FWG 15 gaan inschalen.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de rechter dat Vivium onterecht heeft gehandeld, en op het feit dat gemeenten op alle punten in het gelijk zijn gesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het wenselijk dat Vivium veel zorggeld over de balk gooit voor dure proceskosten, simpelweg omdat zij de thuiszorgmedewerkers niet wil inschalen in een fatsoenlijke salarisschaal? Kunt u uw antwoord toelichten?
Als er onoverkomelijke verschillen van inzicht optreden tussen partijen, dan staat de gang naar de rechter ook een thuisorganisatie ter beschikking. Vivium Thuiszorg zag daar in deze situatie noodzaak toe.
Vindt u het acceptabel dat er dure rechtszaken gevoerd moeten worden, omdat een thuiszorgorganisatie onder de wet en onder de geldende cao probeert te duiken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom heeft u niet eerder ingegrepen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe oordeelt u over de beslissing van Vivium om na de uitspraak van de rechter 800 thuiszorgmedewerkers te ontslaan, om hier vervolgens op terug te komen?3 4
Ik heb van Vivium Thuiszorg en de betrokken gemeenten begrepen dat zij na het vonnis in constructief overleg zijn gegaan over de wijze waarop zij het beste gevolg kunnen geven aan het vonnis. Vivium Thuiszorg heeft mij schriftelijk laten weten dat zij niet de intentie heeft gehad om thuiszorgmedewerkers te ontslaan en dat zij streeft naar baanzekerheid voor haar medewerkers.
Is het waar dat Vivium haar thuiszorgmedewerkers niet ontslaat, omdat zij dan uiteindelijk duurder uit is dan wanneer zij voldoet aan de loonsverhogingseisen van de regiogemeenten? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Navraag bij Vivium Thuiszorg leert dat zij geen ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV. Ook heeft Vivium Thuiszorg mij laten weten dat zij naar aanleiding van het vonnis in overleg is getreden met de betrokken gemeenten om gezamenlijk tot overeenstemming te komen. Dit heeft geleid tot het besluit van Vivium Thuiszorg om de betrokken medewerkers met terugwerkende kracht in FWG 15 in te schalen.
Wat vindt u ervan dat de voorzitter van de Raad van Bestuur van Vivium tevens cao- onderhandelaar is bij Actiz? Wat vindt u ervan dat deze koepelorganisatie huishoudelijke verzorging géén onderdeel meer wil laten zijn van de cao VVT? Kunt u uw antwoord toelichten?
De samenstelling van een onderhandelingsdelegatie is een zaak van de betreffende CAO-partijen, daar treed ik niet in. Dat geldt ook voor onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden; dat is aan werkgevers en werknemers. Hetzelfde geldt voor de inzet van een cao-partij in dergelijke onderhandelingen.
Het bericht bedrijven krijgen meer tijd voor overgang naar SEPA en goede doelen vrezen daling giften door langere IBAN-nummers |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Bedrijven krijgen meer tijd voor overgang naar SEPA» en «Goede doelen vrezen daling giften door langere IBAN-nummers»?1
Ja.
Wat vindt u van het voorstel van Eurocommissaris Barnier om de deadline voor de overgang naar SEPA (Single European Payments Area) te verschuiven naar 1 augustus 2014 en dus de overgangsperiode te verlengen? Welke gevolgen heeft dit voor de Nederlandse bedrijven en consumenten?
Deelt u de analyse van goededoelenorganisaties dat het aantal giften mogelijk daalt door onduidelijkheid over de langere IBAN (International Bank Account Number) nummers? Zijn er andere bedrijven of sectoren die het ministerie en/of de Nederlandsche Bank al hebben geïnformeerd over mogelijke problemen bij de invoering van IBAN? Zo ja, welke? Wat kunt u vanuit uw rol betekenen om de problemen over onduidelijkheid of langere IBAN-nummers te verhelpen?
Mogelijke issues met de invoering van de langere IBAN kunnen worden aangekaart binnen het NFS. Zoals hierboven vermeld zijn verschillende partijen vertegenwoordigd in het NFS, ook het Ministerie van Financiën. Organisaties van banken en fondsenwervende instellingen hebben in een NFS werkgroep onderzocht hoe binnen SEPA slim met actienummers zoals giro 555 kan worden omgegaan. Door de NFS werkgroep zijn enkele oplossingen voorgedragen waarvoor voldoende draagkracht en mogelijkheden bleken te zijn.
Er zijn de laatste jaren ook innovaties geweest die het geven aan goede doelen juist vergemakkelijken, zoals iDEAL. Goede doelen kunnen hun donateurs vragen om hun IBAN op te nemen in adresboeken in de internetbankieromgeving. Dan is het handmatig invullen van de IBAN niet meer nodig. Daarnaast is de afgelopen maanden, in samenwerking met de NFS-partijen, ook middels de media veel aandacht geweest voor de overgang van Giro 555 naar IBAN. Zo zijn bij de inzameling voor de Filipijnen in goed overleg met de relevante NFS-partijen banners ingezet om ook de IBAN van 555 bekend te maken. Onlangs heeft een actie van de Samenwerkende Hulp Organisaties om een ezelsbruggetje te verzinnen voor de IBAN van 555 ook voor media-aandacht gezorgd.
Mijns inziens is het daarom geen gegeven dat het aantal giften voor goededoelenorganisaties zal dalen door het langere 555 rekeningnummer.
Hoe en wanneer gaan bedrijven en consumenten geïnformeerd worden over het (eventuele) uitstel tot 1 augustus 2014 en de gevolgen daarvan, aangezien de oorspronkelijke datum van 1 februari 2014 al heel snel nadert?
Welke mogelijkheden zijn er daarnaast om de extreem lange IBAN-nummers automatisch te blijven aanvullen, hetgeen wenselijk is voor een klantvriendelijk en gebruiksvriendelijk betalingsverkeer? Hoe kan de klantvriendelijkheid en het gebruiksgemak anders worden vergroot?
Banken mogen op grond van de SEPA-Verordening2 na de deadline niet langer geautomatiseerde conversiediensten aanbieden die het mogelijk maken dat consumenten bij betaalopdrachten gebruik kunnen blijven maken van binnenlandse rekeningnummers. Alleen wanneer bedrijven en consumenten volledig overgaan op de Europese standaarden is het mogelijk één effectieve Europese betaalmarkt te creëren. Dit is het doel van SEPA. Gemeenschappelijke standaarden en producten zijn niet het einddoel, maar wel voorwaarde voor een concurrerende en innovatieve Europese betaalmarkt. In die markt zijn nationale verwerkers en aanbieders van betalingsverkeer niet langer afgeschermd van buitenlandse concurrentie. Meer concurrentie leidt tot betere producten, meer efficiency en lagere kosten.
Het blijft wel toegestaan om buiten de betaalomgeving conversiediensten aan te bieden. Voor bedrijven en consumenten is er de IBAN BIC Service van de gezamenlijke banken, waarmee o.a. via internet en via SMS (nr 4226) IBANs kunnen worden opgevraagd. DNB heeft de banken opgeroepen om binnen de kaders van de SEPA-Verordening consumenten ondersteuning te blijven bieden bij het gebruik van IBAN.
Overigens is in de SEPA-Verordening een lidstaatoptie opgenomen om de consument twee jaar later, per 1 februari 2016, over te laten gaan op IBAN. Deze lidstaatoptie dient een uitzondering te zijn. De meeste lidstaten hebben hier niet voor gekozen om de migratie zo overzichtelijk en kort als mogelijk te houden. Ook Nederland heeft, mede met instemming van de consumentenorganisaties in het NFS, gekozen om geen gebruik te maken van deze optie. Door het NFS is gezamenlijk besloten om zowel voor de consument als voor bedrijven op één moment over te gaan op IBAN omdat dit meer duidelijkheid biedt voor alle partijen in het veld en maakt dat de overgang zo efficiënt mogelijk kan verlopen voor alle betrokken partijen. De volgende EU-landen maken gebruik van de overgangsmaatregel die het banken toestaat om nog twee jaar binnenlandse rekeningnummers te converteren naar IBAN: Cyprus, Duitsland, Portugal, Slowakije en Spanje. Estland heeft gekozen voor een overgangstermijn van één jaar, met mogelijke verlenging tot twee jaar.
Met de invoering van IBAN wordt het bankrekeningnummer langer en uiteraard is dit wennen. Het langere bankrekeningnummer (IBAN) moet in zijn geheel worden gebruikt vanwege de uniciteit van het rekeningnummer en de noodzakelijke controlemogelijkheden (de zogeheten 97-proef). Met goedkeuring van alle NFS-leden wordt de nationale «Over op IBAN»-campagne gevoerd en wordt er speciale aandacht besteed aan kwetsbare groepen zoals ouderen en gehandicapten.
Consumenten kunnen rekeningnummers opslaan in hun adresboeken in internetbankieren, waardoor zij deze niet meer handmatig hoeven in te vullen bij elke betaalopdracht. Banken hebben bij de omzetting van internetbankieren naar betalingen met IBAN rekeningnummers die al in de adresboeken stonden al aangevuld tot IBAN. Bij nieuwe begunstigden hoeft de consument slechts eenmaal de IBAN handmatig in te vullen en deze vervolgens op te slaan in het adresboek.
Wie of wat heeft bepaald dat de lange IBAN-nummers niet automatisch mogen worden aangevuld? Waarom zou het onmogelijk zijn om de IBAN-nummers automatisch te blijven aanvullen? Hoe wordt hier in het buitenland mee omgegaan? Zijn er andere EU-landen waar IBAN-nummers automatisch blijven aangevuld? Zijn daar nog andere oplossingen voorgesteld om vergelijkbare problemen als in Nederland op te lossen?
Zie antwoord vraag 5.
Welke mogelijkheden ziet u om de bekende bankrekeningnummers van bijvoorbeeld goede doelen (zoals giro 555) toch te blijven gebruiken? Zou het automatisch blijven aanvullen van IBAN-nummers daar een oplossing voor kunnen zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om deze vragen tijdig te beantwoorden voor het algemeen overleg Betalingsverkeer op 31 januari 2014?
Ja.
De verklaring van het bedrijf Vitens over de beëindiging van zijn samenwerking met het Israëlische waterbedrijf Mekorot |
|
Agnes Mulder (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de verklaring1 van het bedrijf Vitens over de beëindiging van zijn samenwerking met het Israëlische waterbedrijf Mekorot?
Ja.
Hoe beoordeelt u de verklaring van Vitens dat uw afzeggen van een gepland bezoek aan Mekorot de aanleiding was om een gesprek aan te gaan met het ministerie van Buitenlandse Zaken over het ontmoedigingsbeleid van de regering ten aanzien van handel met Israëlische nederzettingen?
Ik heb kennis genomen van de verklaring van Vitens.
Wanneer en om welke redenen bent u overgegaan tot afzeggen van het bezoek aan Mekorot?
Graag verwijs ik u naar de brief aan uw Kamer van 16 januari 2014, met kenmerk 2014.35843, waarin op deze kwestie wordt ingegaan.
In hoeverre heeft het ontmoedigingsbeleid van de regering een rol gespeeld in uw afwegingen om het bezoek aan Mekorot af te zeggen?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u voorafgaand aan uw besluit om het bezoek aan Mekorot af te zeggen hierover overeenstemming gezocht met de minister van Buitenlandse Zaken en/of de minister-president? Zo nee, heeft u dit besluit eigenstandig genomen en waarom?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken2 van de minister van Buitenlandse Zaken dat de regering «geen enkel bezwaar ziet» tegen de samenwerking tussen Vitens en Mekorot?
Ja
Heeft u bovendien kennisgenomen van de uitspraken3 van de minister van Buitenlandse Zaken dat de regering bedrijven stimuleert om zaken te doen met Israël, omdat dat goed is voor Nederland, voor Israël en voor het vredesproces?
Ja.
Hoe verhouden deze uitspraken zich tot het door u afzeggen van het bezoek aan Mekorot?
De uitspraken van de Minister van Buitenlandse Zaken vertolken het standpunt van het kabinet.
Was u zich bij het nemen van het besluit tot afzegging bewust van de mogelijke consequenties voor de samenwerking tussen Vitens en Mekorot, alsook het nadien ontbieden van de Nederlandse ambassadeur door de Israëlische regering?
De door u genoemde gebeurtenissen zijn niet van te voren in overweging genomen bij het vaststellen van mijn programma voor het bezoek aan Israël.
Heeft u of de regering bij monde van de minister-president of de minister van Buitenlandse Zaken op enigerlei wijze excuses aangeboden aan de Israëlische regering voor het afzeggen van het bezoek aan Mekorot?
Het kabinet ziet geen reden om excuses aan te bieden voor het schrappen van het bezoek aan de Shafdan waterzuiveringsinstallatie.
Bent u bereid toe te geven dat u met het afzeggen van het bezoek aan Mekorot heeft bijgedragen aan het beëindigen van een samenwerkingsovereenkomst tussen Vitens en Mekorot waar de regering geen enkel bezwaar tegen ziet, aan chaos en onduidelijkheid over het ontmoedigingsbeleid van de regering, alsmede aan een diplomatieke rel met Israël?
Ik herken mij niet in het door u geschetste beeld.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het Algemeen overleg op 16 januari a.s. over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ik ben graag bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Het ontmoedigingsbeleid |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat u in het Algemeen overleg op 12 december 2013 over de Raad Buitenlandse Zaken toezegde dat u in het verslag van de reis naar Israël en de Palestijnse gebieden in zou gaan op het afzeggen van het bezoek van Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan Mekorot?
Ja.
Deelt u de mening dat u daar niet op in bent gegaan zowel in uw brief als in de antwoorden op vragen, waarnaar u verwijst in het reisverslag?1
Ik verwijs u graag naar de brief aan uw Kamer van 16 januari 2014, met kenmerk 2014.35843, waarin op deze kwestie wordt ingegaan.
Kunt u aangeven waarom de Nederlandse regering heeft afgezien van het aanwezig zijn bij Mekorot en of zij nog steeds achter dat besluit staat? Herkent u de publiekelijke opmerkingen van Vitens dat ambtenaren van uw Ministerie Vitens erop gewezen hebben dat Mekorot investeert in de nederzettingen en dat dit illegaal zou zijn?
Voor de reden voor afzegging van het bezoek van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan de Shafdan waterzuiveringsinstallatie verwijs ik u naar de hierboven vermelde brief. Het kabinet herkent zich niet in deze selectieve weergave van de communicatie tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Vitens. Daaraan kan worden toegevoegd dat het kabinet geen bezwaar heeft tegen samenwerking met Mekorot, voor zover die samenwerking betrekking heeft op activiteiten binnen de Groene Lijn of buiten Israël die niet ten gunste van nederzettingen komen. Dit is ook aan Vitens gemeld.
Vind u de politieke stellingname werkbaar als die betekent dat bedrijven die direct investeren in de nederzettingen ontmoedigd worden, terwijl bedrijven die indirect dit doen door Israëlische partners, niet ontmoedigd worden? Deelt u de mening dat dit voor bedrijven onduidelijkheid oplevert?
Het ontmoedigingsbeleid richt zich op activiteiten in nederzettingen, bedrijven in nederzettingen en activiteiten buiten nederzettingen die ten gunste komen aan nederzettingen. Dit is in de visie van het kabinet voldoende duidelijk. Mocht een Nederlands bedrijf in een individueel geval hierover vragen hebben, kan het in contact treden met de ambassade in Tel Aviv of met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Tevens raadt het kabinet het bedrijf aan het gesprek aan te gaan met het desbetreffende Israëlische bedrijf.
Hoe verhoudt het ontmoedigingsbeleid van het kabinet zich tot de Oslo-akkoorden aangezien het gezag en beheer over de C-gebieden volgens deze akkoorden toegewezen waren aan Israël totdat er een definitief vredesakkoord zou zijn?
Het ontmoedigingsbeleid stoelt op het standpunt dat de Israëlische nederzettingen in bezet gebied in strijd zijn met het internationaal recht, zoals ook bevestigd in het advies van het Internationaal Gerechtshof van 9 juli 2004. De toewijzing van het gezag en beheer over de C-gebieden aan Israël ingevolge de Oslo-akkoorden doet hier niets aan af. Het in artikel 49 van de Vierde Geneefse Conventie (1949) neergelegde verbod op overbrenging van de eigen bevolking naar bezet gebied geldt onverkort voor de staat Israël.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg op 16 januari a.s. over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ja.
Het bericht dat scholen geld overhouden |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderwijsinstellingen houden ruim 300 miljoen euro over»?1
Ja. De in het bericht opgenomen bedragen zijn afkomstig uit het eerder gepubliceerde jaarrekeningoverzicht voor MBO, HBO en universiteiten en het Financieel Beeld funderend onderwijs. Dit laatste overzicht is op 20 december 2013 aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 31 293, nr. 193). De overzichten voor MBO, HBO en universiteiten worden openbaar gemaakt via de website van DUO. Deze overzichten worden jaarlijks door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap opgesteld.
Klopt het dat, zoals de Algemene Onderwijsbond heeft berekend op basis van gegevens van uw ministerie, verschillende onderwijssectoren geld «overhouden»?
Een incidenteel positief resultaat betekent niet per definitie dat de sectoren geld «overhouden». Voor een prudent financieel beleid is het zaak om op de lange termijn naar evenwicht te streven. Dit sluit aan bij de bevindingen van de commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstelling (commissie Don) (Kamerstuk 32 123 VIII, nr.2. Geadviseerd werd dat instellingen een meerjarige financiële planning opstellen en een op de eigen omstandigheden toegesneden risico-analyse. Instellingen kunnen zelf van jaar tot jaar een inschatting maken om in te teren, te lenen of te sparen om zo een financiële buffer op te bouwen voor het opvangen van risico’s of om te investeren.
Kunt u (per onderwijssector) nader toelichten hoe hoog de exacte onderuitputting van de beschikbare middelen is?
Voor de onderwijssectoren als totaal zijn over 2012 de volgende resultaten behaald (in miljoenen euro’s):
PO
VO
MBO
HBO
WO
(S)BAO
Expertisecentra
Samenwerkingsverbanden WSNS
5
30
– 5
94
21,5
61
104
Voor zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs geldt, dat voor het eerst sinds enkele jaren weer sprake is van een positief resultaat. Voor het basisonderwijs is dit voor het eerst sinds 2008, voor het voortgezet onderwijs voor het eerst sinds 2010. In de jaren 2010 en 2011 samen behaalde het basisonderwijs een negatief resultaat van € 233 mln. Het voortgezet onderwijs had in deze jaren een totaal negatief resultaat van € 140 mln. Zo bezien is het positieve resultaat van € 5 mln. in het basisonderwijs, oftewel 0,1% van de totale baten, zeer beperkt. Voor het voortgezet onderwijs is dit percentage 1,2%.
De expertisecentra in het (s)vo hadden in 2012 vanwege toenemende inkomsten een positief resultaat van € 30 mln. In de jaren 2010 en 2011 bedroeg het resultaat € 1 mln.
Het beperkte positieve resultaat in het basisonderwijs is een resultante van een daling in personeelskosten. Besturen hebben op grond van een prognose voor de komende jaren in 2012 besloten minder personeel in dienst te nemen of te houden. Het positieve resultaat in het voortgezet onderwijs komt voort uit een minder sterke stijging van de personeelskosten dan verwacht gezien de leerlingontwikkeling.
De samenwerkingsverbanden Weer Samen naar School tot slot hadden in 2012 een negatief resultaat van € 5 mln., circa 1,2% van de totale baten. Met ingang van augustus 2014 zullen de samenwerkingsverbanden WSNS vervangen worden door de nieuwe samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs.
De MBO-sector kende in 2012 geen noemenswaardig exploitatieresultaat. Ook in de jaren daarvoor (2008–2011) was hiervan geen sprake. Het beeld voor het MBO over de afgelopen 5 jaar is wisselend positief en negatief. Als de resultaten van de afgelopen vijf jaar bij elkaar worden opgeteld, is er sprake van een totaal positief resultaat van € 21,3 mln. Dat betekent een gemiddeld resultaat over de afgelopen vijf jaar van € 4,3 mln. per jaar en een rentabiliteit van ongeveer 0,1% van de totale baten. Dit laat zien dat de MBO-sector de afgelopen jaren goed heeft begroot en middelen niet aan de reserves zijn toegevoegd.
De totale HO-sector had over 2012 een resultaat van € 165 mln. De HBO-sector kende in 2012 een positief resultaat van € 61 mln. De WO-sector had in 2012 een positief resultaat van € 104 mln. De resultaten fluctueren per jaar, maar vertonen een positief beeld. De rentabiliteit van de HBO-sector is in 2012 1,7% van de totale baten. Voor de WO-sector geldt dat de rentabiliteit 1,9% van de totale baten is.
Omdat bij de sector HO ten opzichte van de andere sectoren sprake is van relatief hogere inkomsten uit de derde geldstroom, kan dit resultaat niet geheel als een onderuitputting van de rijksbijdrage worden aangemerkt.
Binnen het HO geldt dat de instellingen financiële middelen reserveren omdat zij zelf verantwoordelijk zijn voor onder meer huisvestinginvesteringen, investeringen in ICT-infrastructuur en cao’s.
HO-instellingen hebben – naast de rijksbijdragen – relatief veel inkomsten uit de zogenoemde tweede en derde geldstroom. In tegenstelling tot wat geldt voor de bijdrage van de overheid, doen zich daarbij risico’s in de continuïteit voor. Als de inkomsten uit de tweede en derde geldstroom teruglopen, moet de instelling deze terugloop kunnen opvangen. Ook hiervoor moeten instellingen reserves aanhouden.
Kunt u nader toelichten hoe het mogelijk is dat er in 2012 in sommige sectoren tientallen miljoenen euro's niet zijn uitgegeven aan het onderwijs, de kwaliteit van leraren en het op peil houden van aanbod van voldoende arbeidsplaatsen voor leraren?
De genoemde bedragen betreffen slechts een fractie van de middelen die in 2012 zijn uitgegeven aan het onderwijs.
De niet in 2012 uitgegeven bedragen blijven beschikbaar voor de instellingen. Zoals aangegeven bij vraag 2 kunnen instellingen een positief resultaat gebruiken om tekorten uit het verleden aan te zuiveren of om te sparen. Deze gelden kunnen in de toekomst worden ingezet voor bijvoorbeeld investeringen in het onderwijs of om minder positieve/negatieve resultaten op te vangen.
Kunt u inzichtelijk maken of er in 2013 ook sprake is geweest van onderuitputting van de budgetten en het oppotten van geld door onderwijsinstellingen? Zo ja, om welke bedragen gaat het dan per sector?
Nee. Onderwijsinstellingen hebben nog tot 1 juli 2014 de tijd om hun jaarrekening over 2013 in te dienen. Om die reden is er op dit moment nog geen totaalbeeld van het financieel resultaat over 2013 van de verschillende onderwijssectoren beschikbaar.
Deelt u de mening dat onderwijsgeld aan onderwijs moet worden uitgegeven? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om scholen aan te moedigen of te dwingen om in een situatie van onderuitputting de middelen die zij «overhouden» alsnog te investeren in de kwaliteit van het onderwijs en niet (onnodig) oppotten?
Geld dat bedoeld is voor onderwijs moet ook aan onderwijs worden uitgegeven. De financiële situatie van de diverse onderwijsinstellingen in de diverse sectoren is echter gevarieerd en er kan niet zonder meer gesproken worden van het «overhouden» van onderwijsgeld. Een bestuur kan een goede reden hebben voor het aanhouden en of creëren van reserves. Het ministerie van OCW bepaalt niet hoeveel reserves een bestuur aan mag houden omdat er bij het aanhouden van een financiële buffer sprake is van maatwerk. In eerste instantie legt een onderwijsinstelling verantwoording af aan de direct belanghebbenden over de keuzes die het maakt bij de inzet van bekostiging, waaronder ouders, leerlingen, leerkrachten, en medezeggenschapsraad.
In 2012 is er door de Inspectie van het Onderwijs uitgebreid onderzoek gedaan naar besturen met hoge financiële buffers in het primair en voortgezet onderwijs. Uit het rapport CVO 400, dat op 23 augustus 2012 aan uw Kamer is aangeboden (Kamerstuk 31 293/31 289, nr.146), bleken 93 van de onderzochte besturen in het PO en 17 van de onderzochte besturen in het VO een te hoge financiële buffer te hebben. De Inspectie van het Onderwijs heeft afspraken met de betreffende besturen gemaakt om de reserves in te zetten voor het onderwijs en/of om zich te verantwoorden over de hoge reserves. De inspectie monitort het nakomen van de afspraken.
Arabische informatiebrieven van woningcorporaties |
|
Joram van Klaveren (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Arabische informatiebriefbrief van woningcorporaties?1
Ja.
Klopt het dat woningcorporaties WoonFriesland en Elkien informatiebrieven verstrekken in het Arabisch?
De informatiebrief waar u op doelt heeft als onderwerp het inzamelen van afval in de wijk Heechterp-Schieringen in Leeuwarden en is in het kader van een wijkverbeteringsproject verstuurd naar alle inwoners van deze wijk, zowel huurders als eigenaar-bewoners. Initiatiefnemer van het project is de gemeente Leeuwarden, waarbij ook de corporaties en afvalinzamelingsbedrijf Omrin zijn betrokken. De brief is opgesteld onder verantwoordelijkheid van de gemeente. In overleg tussen de gemeente, de corporaties en Omrin is besloten om de brief in het Nederlands, Engels en Arabisch te verzenden, omdat in deze wijk veel nationaliteiten waaronder nieuwkomers en tijdelijke buitenlandse bewoners (studenten) wonen, om hiermee het effect van de actie zo groot mogelijk te maken.
Zijn er nog andere woningcorporaties in Nederland die zo gek zijn dat ze informatie in het Arabisch verstrekken? Zo ja, welke woningcorporaties zijn dat?
Er bestaat geen landelijk overzicht van de informatie die door corporaties wordt verstrekt noch in welke taal zij dit doen. Ook Aedes beschikt niet over deze informatie.
Deelt u de mening dat woningcorporaties – die de integratie van immigranten tegengaan door het Arabisch als voertaal te gebruiken – waar mogelijk aangepakt dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt van de overheid is dat communicatie tussen de overheid en burgers plaatsvindt in het Nederlands. Daar zijn uitzonderingen op mogelijk. De overheid streeft er naar belangrijke informatie op een begrijpelijke manier te verstrekken aan de betreffende doelgroep
Gezien het feit dat het om een wijk gaat met verschillende nationaliteiten en waar ook tijdelijke inwoners en nieuwkomers wonen, kan ik mij voorstellen dat er voor gekozen werd om de informatiebrief aanvullend op het Nederlands in twee andere talen aan te bieden.
In hoeverre deelt u de visie dat immigranten zich dienen aan te passen aan de Nederlandse samenleving en niet andersom (zeker ook op het gebied van taal)?
Ik ben van mening dat het leren van de Nederlandse taal een eerste vereiste is om mee te kunnen doen in de Nederlandse samenleving.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat er per direct gestopt wordt met de krankzinnigheid om informatie te verstrekken in het Arabisch in plaats van in het Nederlands (of het Fries)?
Zie antwoord op vraag 4.
Het bericht dat medische problemen dreigen voor illegale vreemdelingen |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat medische problemen dreigen voor illegale vreemdelingen omdat onverzekerde vreemdelingen vijf euro moeten gaan betalen voor elk medicijn dat ze krijgen voorgeschreven?1 Wat is uw reactie hierop?2
Ja. De eigen bijdrage van € 5 (hierna: vijf-euromaatregel) heb ik aangekondigd in de VWS-Verzekerdenmonitor die ik op 19 november 2013 (met kenmerk 156587–111195-Z) aan uw Kamer heb gezonden. Bij de aanbesteding voor de contractering van apothekers voor 2014 en 2015 (met verlengingsmogelijkheid van maximaal drie jaar) is een minimum eigen betaling van € 5 per receptregel als uitgangspunt gehanteerd.
Naar aanleiding van de Kamervragen van 28 november 2013 van de leden Gesthuizen en Leijten over medicijnkosten voor vreemdelingen (2013Z23425) heb ik in mijn antwoord van 17 december 2013 op de vragen 1 tot en met 4 uitvoerig uiteengezet waarom deze maatregel is ingevoerd.
De maatregel is uitgewerkt in de overeenkomst die het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) aangaat met apotheken voor het leveren van farmaceutische zorg aan onverzekerbare vreemdelingen. Van belang is te vermelden dat aan de onverzekerbare vreemdeling bij weekvervolguitgifte van zijn medicijnen geen eigen betaling wordt gevraagd.
Kunt u uiteenzetten wat de consequenties zijn van deze maatregel voor de toegang tot medische zorg voor illegale vreemdelingen?
Het uitgangspunt is dat een onverzekerbare vreemdeling de kosten van zorg zelf draagt. Gecontracteerde ziekenhuizen slagen er vaak in om met behulp van een betalingsregeling of incassomaatregelen een deel van de kosten van de geleverde zorg te innen. Gelet hierop ben ik van mening dat een bedrag van (minimaal) € 5 de toegankelijkheid tot medisch noodzakelijke zorg niet belemmert.
Zoals ik in het antwoord hierboven heb aangegeven is de vijf-euromaatregel niet van toepassing op weekvervolguitgiftes. Mensen die dus week-in-week-uit- bijvoorbeeld antidepressiva of antipsychotica nodig hebben, zoals vermeld in het krantenbericht, worden dus niet keer op keer getroffen door deze maatregel. Het CVZ heeft dit bewust zo gedaan om te voorkomen dat deze groep door de maatregel met onevenredig hoge kosten wordt geconfronteerd.
Niet alle patiënten met chronische medicatie hebben een weekvervolguitgifte. Tot 1 januari 2014 werden de medicijnen aan onverzekerbare vreemdelingen voor maximaal 1 maand meegegeven. Deze uitgiftemogelijkheid is verruimd. De apotheker kan nu voor drie maanden medicatie meegeven. Een patiënt die voor langere tijd medicatie gebruikt betaalt dan dus maar eens in de drie maanden vijf euro per receptregel.
Waarom is er voor gekozen deze financiële barrière aan te brengen en niet voor een strengere toetsing van de financiële draagkracht van de personen die hun zorgkosten declareren?
Zoals in het antwoord hierboven is vermeld is het uitgangspunt van de wet dat een onverzekerbare vreemdeling de kosten volledig zelf draagt. In de praktijk gebeurt dit in een aantal gevallen ook. Gelet op het wettelijk uitgangspunt van de regeling dat de onverzekerbare vreemdeling de kosten van zorg in beginsel zelf behoort te betalen deel ik niet het gevoel dat er sprake is van het opwerpen van een onredelijke financiële barrière.
De maatregel is niet genomen met het primaire doel om een besparing op te leveren. Het is de bedoeling om de uitgangspunten van de regeling meer in acht te nemen en ervoor te zorgen dat de illegaal bijdraagt aan de zorg die hij inroept. Ook wordt zo het misverstand weggenomen dat in Nederland de zorg voor illegalen gratis is.
Het toetsen van financiële draagkracht van mensen die medicijnen nodig hebben is ondoenlijk en vind ik bovendien ongewenst. Dat doen apothekers immers ook niet voor de eigen medicijnbijdrage van verzekerden.