Het bericht ‘Negatieve spaarrente voor consumenten lijkt onvermijdelijk’ |
|
Erik Ronnes (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in het Financieele Dagblad van 9 september 2019: «Negatieve spaarrente voor consumenten lijkt onvermijdelijk»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het scenario dat burgers wellicht binnenkort moeten betalen om spaargeld te stallen bij een bank?
Ik ben mij ervan bewust dat het de lage rente voor spaarders lastig is. Vooralsnog is een negatieve rente op spaardeposito’s van consumenten echter niet aan de orde. Renteverlagingen door centrale banken resulteren niet per se in negatieve rentes op spaardeposito’s van consumenten. Dit is afhankelijke van de keuzes die commerciële banken maken. Zoals ik schrijf in antwoord op vragen van het lid Nijboer (PvdA) kunnen banken er in veel gevallen ook voor kiezen om een negatieve rente op spaardeposito’s te voorkomen. Daarnaast heeft de ECB maatregelen aangekondigd die een deel van de door de banken bij de ECB gestalde reserves uitzonderen van de negatieve rente («tiering»), waardoor de kans op een negatieve rente voor gewone spaarders afneemt.
Het is niet op voorhand te zeggen wat de exacte gedragseffecten van een mogelijke negatieve rente op spaardeposito’s zullen zijn. Zoals ik schrijf in antwoord op vragen van het lid Nijboer (PvdA) lijken de macro-economische gevolgen te overzien. Desalniettemin zal ik de ontwikkelingen in Nederland en de Eurozone vanuit het oogpunt van de financiële stabiliteit zorgvuldig blijven monitoren.
Bent u bekend met het verbod op een negatieve spaarrente zoals dat in België geldt? Zo ja, ziet u een dergelijk verbod ook als mogelijke maatregel voor Nederland om daarmee Nederlandse spaarders te beschermen tegen de negatieve effecten van de lage rentestand?
België kent in haar inkomstenbelasting een vrijstelling voor rente-inkomsten uit spaardeposito’s die voldoen aan bepaalde voorwaarden. De fiscale voorwaarden voor spaardeposito’s zijn vastgelegd in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen.2 Voorwaarde is dat de vergoeding van spaardeposito’s bestaat uit een basisrente en een getrouwheidspremie. Ook mag aan de houder van een spaardeposito geen debetrente worden gevraagd. Het ligt daarom voor de hand dat spaardeposito’s die banken aanbieden aan Belgische klanten in de meeste gevallen voldoen aan deze fiscale voorwaarden.
Ik realiseer me dat burgers zich zorgen maken over de dalende rente en dat een verbod op een negatieve spaarrente als gevolg daarvan wordt genoemd als een mogelijkheid. Een hard verbod op negatieve rente is echter een zeer forse ingreep in de markt, die ook nadelen kent. Zo kan het wettelijk verbieden van een negatieve spaarrente ten koste gaan van de effectiviteit van monetair beleid en in een extreem scenario zelfs de financiële stabiliteit schaden.3Banken kunnen verder ook op andere manieren kosten doorberekenen aan hun klanten, wat de effectiviteit van een verbod op negatieve rente mogelijk beperkt.
Het invoeren van een negatieve rente op spaardeposito’s is voor banken een forse stap. Ik zal met de banken in gesprek gaan over de lage rente en de onrust die bestaat over een mogelijke negatieve rente op spaardeposito’s. Ook zal ik in die gesprekken het dilemma aan de orde stellen van het al dan niet ingrijpen door middel van een verbod. Verder blijf ik de ontwikkelingen in Nederland en de Eurozone zorgvuldig monitoren, zodat eventuele gedragseffecten tijdig kunnen worden gesignaleerd en er waar nodig op kan worden ingespeeld.
Daarnaast is het kabinet zich al langer bewust van de zorgen over de dalende rente voor spaarders. Het kabinet heeft daarom recentelijk voorgesteld het huidige box 3-stelsel aan te passen zodat het beter aansluit bij het rendement op spaargelden.Daarin is gekozen om spaargeld af te bakenen door aan te sluiten bij de definitie van een deposito in de Wft. De komende tijd wordt dit uitgewerkt in een wetsvoorstel, dat voor de zomer van 2020 aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.4
Indien u dit niet als een mogelijke oplossing ziet; wat bent u van plan te doen aan een mogelijke negatieve spaarrente voor consumenten? Bent u bereid onderzoek te doen naar een mogelijk verbod op negatieve spaarrente?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u mogelijke weglekeffecten van spaarders die hun spaargeld in België gaan stallen, wanneer de Nederlandse banken besluiten een negatieve spaarrente te hanteren? Zo nee, waarom niet?
Een negatieve rente op spaardeposito’s van consumenten is vooralsnog niet aan de orde is. Ik wil daarom ook niet speculeren over mogelijke effecten. Ik volg de ontwikkelingen nauwgezet. Verder spreek ik geregeld met mijn collega’s in het buitenland over de regulering van het bankwezen en daarbij zal ik ook dit onderwerp aan de orde stellen.
De toegankelijkheid van de tijdelijke huisvesting van de Tweede Kamer voor blinden en slechtzienden |
|
John Kerstens (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat blinden en slechtzienden een goede toegang moeten hebben tot de tijdelijke huisvesting van de Tweede Kamer?
Ja.
Zal in de tijdelijke huisvesting ook een audiomaquette worden geplaatst zodat blinden en slechtzienden door middel van tast en audio zich een beeld van de Tweede Kamer kunnen vormen? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Uw gedachte heeft mijn sympathie. Het plaatsen van een audiomaquette als onderdeel van de voorzieningen in de tijdelijke huisvesting is echter vanwege de rolverdeling tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gebruikers van de tijdelijke huisvesting, een zaak van de Tweede Kamerorganisatie. De Tweede Kamerorganisatie heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de komst en het onderhoud van de audiomaquette die nu staat opgesteld in de Statenpassage. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft daar destijds, vanwege de genoemde rolverdeling, geen betrokkenheid bij gehad. Omdat de maquette vooral de plenaire zaal beslaat, geef ik u in overweging om de Tweede Kamerorganisatie te verzoeken de bestaande maquette mee te laten nemen. De zaal in de tijdelijke huisvesting is immers vergelijkbaar. Door de gesproken teksten aan te passen is de maquette goed bruikbaar in de tijdelijke huisvesting. Ik zal ook van mijn kant de Tweede Kamerorganisatie hierop laten attenderen.
Welke andere voorzieningen die de toegankelijkheid voor blinden en slechtzienden bevorderen zullen in de tijdelijke huisvesting van de Tweede Kamer aanwezig zijn? Zijn deze voorzieningen toereikend om een goede toegang voor blinden en slechtzienden te garanderen?
De voor het publiek toegankelijke ruimten en de vleugel met de vergaderruimten zullen voldoen aan de eisen volgens het ITs Publiek (Integrale toegankelijkheid standaard 2012), bijvoorbeeld brailleteksten in de lift, leuningen bij hoogteverschillen in publieke gebieden en voelbare markering van de bovenste en de onderste traptrede. Voor de overige niet-publieke ruimten worden de bestaande voorzieningen (zoals een invalidentoilet) gecontinueerd.
De sociale staat van Nederland 2019 |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) waarin, afgezien van het algemeen positieve beeld van de sociale staat van Nederland, geconcludeerd wordt dat ondanks de flinke economische groei, de kwaliteit van leven voor veel mensen niet is toegenomen sinds het begin van de crisis in 2008?1
Ja.
Hoe verklaart u dat de objectieve kwaliteit van leven tussen 2008 en 2018 gemiddeld gezien niet is toegenomen, ondanks het economische herstel van de afgelopen jaren? In hoeverre is dit veroorzaakt door het gevoerde beleid?
Het SCP geeft aan dat tussen 2008 en 2010 sprake was van een verbetering van de objectieve leefsituatie, dat vanaf 2010 tot 2012 sprake was van een verslechtering, en dat de objectieve leefsituatie sindsdien niet significant is veranderd. Overigens laat het SCP zien dat de leefkwaliteit van ouderen de laatste tien jaar verbeterd is.
Onderliggend speelt mee dat de stijging van de levensverwachting stagneert, het aandeel mensen met een lichamelijke beperking niet afneemt en het aandeel mensen met een langdurige aandoening licht toeneemt. Het aantal vakanties, deelname aan vrijwilligerswerk en de deelname aan sport- en cultuur zijn vrij stabiel. Woonkwaliteit, bezit van consumptiegoederen en koopkracht zijn verbeterd. Het SCP doet geen uitspraak over de mate waarin beleid verantwoordelijk is voor deze ontwikkelingen.
Hoe verklaart u dat de groep mensen met zowel objectieve als subjectieve achterstanden in de kwaliteit van leven niet kleiner wordt? In hoeverre is dit veroorzaakt door het gevoerde beleid?
De objectieve leefsituatie en subjectieve levenstevredenheid van mensen wordt door veel verschillende factoren beïnvloed. Op sommigen daarvan heeft de overheid indirect invloed. Andere factoren liggen buiten het bereik van de overheid, of kunnen wel beïnvloed worden maar slechts op zeer lange termijn. De overheid is niet in staat om elk probleem van alle Nederlanders weg te nemen. Op die punten waar de overheid wel invloed heeft en een verantwoordelijkheid ziet, voert dit kabinet beleid.
In de Sociale Staat van Nederland 2017 heeft het SCP eveneens verschillen beschreven tussen verschillende groepen. In de kabinetsreactie daarop heeft het kabinet aangegeven deze verschillen helaas te erkennen, en uiteengezet welke inzet het kabinet daarop heeft. Het gaat dan onder andere om het volgende:
Daarnaast heeft het kabinet in de recente Miljoenennota ook een aantal andere maatregelen aangekondigd waarvan een positieve bijdrage aan de objectieve leefkwaliteit kan worden verwacht. Het gaat dan onder andere om meer ruimte op de knellende woningmarkt, door een impuls van 1 miljard euro voor de woningbouw en het verder aanjagen van de bouw met 1 miljard via de verhuurdersheffing; en lastenverlichting, door een hogere algemene heffingskorting en een hogere arbeidskorting.
In hoeverre kan de relatieve welvaartstilstand van de afgelopen tien jaar verklaard worden door per saldo toenemende (onvermijdbare) kosten en lasten?
Het SCP concludeert dat het gestandaardiseerd reëel besteedbaar inkomen van de meeste huishoudens in de periode 2008- 2013 is gedaald als gevolg van de grootste economische crisis na de Tweede Wereldoorlog. In de periode van 2013 tot 2017 is het inkomen van de meeste groepen weer hersteld.
Het SCP schrijft ook dat de invloed van de overheid via belastingen, premies en toeslagen op de hoogte van inkomens beperkt is. Economische ontwikkelingen zoals de reële loonontwikkeling en werkeloosheid zijn veel belangrijker voor de ontwikkeling van inkomens. Dat gezegd hebbende zijn de collectieve lasten de afgelopen tien jaar gestegen van circa 36% in 2008 tot circa 39% in 2019. Deze hogere collectieve lasten hangen samen met hogere collectieve uitgaven aan onder andere zorg en sociale zekerheid (AOW-uitgaven). Overigens is de ontwikkeling van de «welvaart» natuurlijk veel breder dan alleen de ontwikkeling van het inkomen. Onze welvaart hangt af van ons menselijk, economisch, natuurlijk en sociaal kapitaal. Randvoorwaarde daarbij is dat onze vrede, veiligheid en democratische rechtsorde gewaarborgd zijn. Met hervormingen en investeringen probeert het kabinet onze welvaart te versterken. In de Miljoenennota 2020 wordt hier uitgebreid aandacht aan besteed.
Ziet u het als een nederlaag van de afgelopen kabinetten dat de objectieve kwaliteit van leven van Nederlanders niet is toegenomen en dat verschillen tussen groepen naar inkomen en naar opleiding op de arbeidsmarkt de afgelopen tien jaar niet veranderd zijn ondanks de economische opleving? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zie vraag 3.
Deelt u de mening van het SCP dat de stagnatie van de subjectieve en objectieve kwaliteit van leven tussen 2008 en 2018 uit te leggen is als achteruitgang, gezien de doelstelling in het regeerakkoord: «Nederland moet niet alleen vooruitgaan in de statistieken»?2
Zie vraag 3.
Deelt u de conclusie van het SCP dat recente economische groei meer bij bedrijven is terechtgekomen dan bij burgers? Kunt u dit verklaren? In hoeverre komt dit door het gevoerde beleid? Hoe gaat u het tij keren?
Het kabinet onderkent dat de beschikbare inkomens van huishoudens sinds de crisis beperkt zijn gestegen, vergeleken met de ontwikkeling van het bbp. Voor een deel komt dat doordat de lasten zijn gestegen om hogere overheidsuitgaven aan bijvoorbeeld zorg en onderwijs te bekostigen – uitgaven die doorgaans ten goede komen aan huishoudens. Dat laat echter onverlet dat de inkomensgroei van huishoudens beperkt is.
Het CPB laat in de MEV2020[1] zien hoe de groei van het nationale inkomen na belasting («de nationale koek») in de periode 2008–2020 wordt verdeeld tussen bedrijven, gezinnen en de overheid. Die analyse laat zien dat vooral bedrijven en de overheid tijdens de beginjaren van crisis de grootse klappen hebben opgevangen, terwijl huishoudens in die periode gespaard zijn gebleven. In latere crisisjaren is het aandeel van de overheid licht gestegen, in de periode waarin de overheidsfinanciën op orde zijn gebracht. Na de crisis hebben vooral bedrijven geprofiteerd van economische groei, om van de crisis te herstellen. Voor de komende jaren vertaalt zich dat in een hoger aandeel voor huishoudens.
Het kabinet ziet graag dat huishoudens kunnen meeprofiteren van economische groei. Daarom heeft het kabinet op Prinsjesdag een pakket aan latenverlichting aangekondigd dat vooral huishoudens ten goede komt, en niet zozeer bedrijven. Samen is dat goed voor structureel € 3 miljard, bovenop de lastenverlichting die al was afgesproken in het Regeerakkoord. Het tweeschijvenstelsel wordt een jaar eerder ingevoerd en daarnaast verhoogt het kabinet de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, terwijl de verlaging van de vennootschapsbelasting voor bedrijven met een jaar wordt uitgesteld. Bovendien heeft het kabinet eerder dit jaar aangekondigd om de energierekening van burgers te verlagen, terwijl bedrijven juist een hoger aandeel van de energierekening gaan betalen.
Constaterende dat het aandeel mensen met een lage levenstevredenheid en lage levensstandaard stijgt, wat gaat u extra doen om deze groeiende groep van nu al 400.000 mensen, waaronder ouderen, uit het slop te trekken en perspectief te bieden op werk, en als dat niet mogelijk blijkt op degelijke inkomensbescherming, zodat zij niet meer door de bodem zakken?
Zie vraag 3.
Wat gaat u eraan doen om te bereiken dat Nederland niet alleen in de statistieken gemiddeld vooruitgaat, maar dat de groeiende economie ook daadwerkelijk leidt tot verbetering in de kwaliteit van leven en dat alle Nederlanders ook ervaren dat het beter gaat?
Zie vraag 3.
Wat gaat u doen met het advies van de directeur van het SCP om niet alleen of vooral naar koopkrachtcijfers te kijken, maar ook naar alles wat daar omheen zit en mede bepalend is voor de kwaliteit van leven, zoals de gezondheidszorg, het leenstelsel of de lastenontwikkeling?
Ik ben het van harte met de directeur van het SCP eens dat wij ons niet moeten blindstaren op de koopkrachtplaatjes. Koopkrachtplaatjes zijn een nuttig instrument om inzicht te geven in de effecten van beleid gegeven de economische ontwikkeling, maar zijn te beperkt om uitspraken te doen over de ontwikkeling van de welvaart. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4 wordt in de Miljoenennota 2020 uitgebreid aandacht besteed aan de ontwikkeling van de brede welvaart
Hoe kan verklaard worden dat onder 65-plussers sinds 2014 een dalende tendens waarneembaar is in het gebruik van thuiszorg, hulp bij het huishouden en andere ondersteuning thuis? In hoeverre wordt dit veroorzaakt door de beschikbaarheid van thuiszorg en andere vormen van huishoudelijke ondersteuning en in hoeverre wordt deze tendens opgevangen door toenemende mantelzorg? Welke conclusies verbindt u aan het afnemende beroep op thuiszorg?
Er is sinds 2014 veel veranderd waardoor de cijfers over het gebruik niet goed met elkaar te vergelijken zijn. Zo is met de hervorming van de langdurige zorg vanaf 2015 meer nadruk gelegd op wat mensen en hun omgeving zelf kunnen en hoe ze zelf regie houden op hun eigen leven. Met de hervormingen is ook het aanbod van voorzieningen anders vormgegeven. Voor een uitgebreide beschouwing hierop verwijs ik naar de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 juni jl. waarin een reactie is gegeven op de evaluatie van de hervorming langdurige zorg.
De volstrekt onhoudbare situatie op vluchtelingenkampen op Lesbos |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kinderen die niet meer praten»?1
Ja
Deelt u de mening dat het beeld dat in het bericht geschetst wordt voor de zoveelste keer aangeeft dat de situatie in het vluchtelingenkamp op Lesbos volkomen onhoudbaar en inhumaan is? Zo nee, waarom niet?
Deze berichtgeving bevestigt eens te meer dat de situatie op Lesbos, maar ook op andere Griekse eilanden, uiterst zorgwekkend is. Het kabinet deelt dan ook uw zorgen en ongeduld. Wat het kabinet betreft is er duidelijk sprake van een dringende noodzaak om structurele verbeteringen door te voeren op het gebied van opvang en het versnellen van asiel- en terugkeerprocedures. Nederland dringt daar voortdurend op aan, op ambtelijk en politiek niveau, bilateraal en in EU-verband. Griekenland dient daarvoor zelf verantwoordelijkheid te nemen. In dat licht verwelkomt het kabinet de prioriteiten van de nieuwe Griekse regering op het terrein van migratie, waaronder het verbeteren van de opvang, het versnellen van asielprocedures, het versterken van grensbewaking en het opschalen van terugkeer. Wat Nederland betreft verdient Griekenland daar alle steun bij, zowel van de Commissie als van de EU lidstaten. Deze is Griekenland ook vaak aangeboden.
Nederland heeft de Griekse autoriteiten steun aangeboden bij het doorvoeren van hogergenoemde prioritaire verbeteringen, bijvoorbeeld door het delen van kennis, expertise en ervaring. Minister-President Rutte heeft dit ook in zijn recente gesprek met zijn Griekse counterpart nogmaals benadrukt. De uitspraken van de nieuwe Griekse regering bieden vertrouwen dat reeds lang benodigde stappen nu daadwerkelijk worden gezet. Op welk termijn dat tot resultaat leidt is afhankelijk van de inspanningen van de Griekse autoriteiten en de steun die zij daarbij ontvangen van Europese partners.
Deelt u de mening dat in dit vluchtelingenkamp op grove wijze tal van kinderrechten worden geschonden? Zo ja, aan welke kinderrechten denkt u zoal? Zo nee, waarom niet?
Het is duidelijk dat de opvang op de Griekse eilanden niet voldoet aan de Europese en internationale standaarden. Dit zorgt voor schrijnende omstandigheden, met name voor de meest kwetsbaren, waaronder kinderen. Het is van belang dat de geldende internationale en nationale normen worden gehandhaafd en Griekenland hier de nodige stappen in zet. Daarom dringt Nederland al langer aan op het doorvoeren van structurele verbeteringen. Voorts biedt Nederland via EASO experts aan die zijn gespecialiseerd in de opvang van kwetsbare groepen zoals alleenstaande minderjarigen. Momenteel zijn Nederlandse experts gedetacheerd bij EASO die zich inzetten voor onder andere de begeleiding en opvang van alleenstaande minderjarigen op Samos en het doorvoeren van structurele verbeteringen in de opvang.
Deelt u de mening dat niet alleen Griekenland verantwoordelijk kan worden gehouden voor het oplossen van de problemen met de vluchtelingen op Lesbos en met name de kinderen daaronder? Zo ja, hoe gaan de EU en Nederland concreet op korte termijn voor de oplossing zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de situatie in het vluchtelingenkamp voor met name kinderen zodanig is, dat de tijd van op Europees niveau praten en onderhandelen voorbij is en dat er snel gehandeld moet worden? Zo ja, hoe gaat u het initiatief hiertoe nemen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt uw ongeduld. Zoals vaak met uw Kamer gewisseld, vraagt Nederland doorlopend aandacht voor de schrijnende situatie op de Griekse eilanden. Ook heeft Nederland meermaals het aanbod gedaan om de Griekse autoriteiten te ondersteunen om structurele verbeteringen door te voeren op het gebied van opvang en het versnellen van asiel- en terugkeerprocedures. Daarbij wordt bij voorkeur in Europees verband samengewerkt met de Commissie, EASO, Frontex en andere EU lidstaten.
Nu de nieuwe Griekse regering maatregelen heeft aangekondigd die hier nauw op aansluiten, verwacht het kabinet dat er nu ook, met Europese steun, stappen zullen worden gezet. Een van de acute maatregelen die de Griekse regering heeft getroffen is het overplaatsen van kwetsbare groepen, waaronder minderjarigen naar het vasteland.
Op 10 september jl. heeft de Griekse regering via de Europese Commissie de lidstaten verzocht om maximaal 2.500 alleenstaande minderjarige asielzoekers te herplaatsen. Dit verzoek wordt momenteel bestudeerd.
Hierbij wordt wel aangetekend dat het kabinet in principe geen voorstander is van een nieuwe herplaatsingsronde. Zoals vaker met uw Kamer gewisseld, draagt herplaatsing niet bij aan een structurele oplossing. Het is bovenal zaak dat structurele verbeteringen worden doorgevoerd in de opvang om onder andere adequate zorg te kunnen bieden aan kwetsbare groepen als alleenstaande minderjarige asielzoekers.
Deelt u de mening dat «om blijvende psychologische schade te voorkomen, deze kinderen onmiddellijk uit het Moria-kamp, van Lesbos af, [moeten] worden weggehaald.»? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen en op welke zeer korte termijn? Hoeveel kinderen is Nederland bereid op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De zorggroep Aventura |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van diverse berichten inzake de zorggroep Aventura?1
Ja.
Wat vindt u van de managementvergoeding van bijna een kwart miljoen euro die aan beide eigenaren van Aventura (bovenop hun salaris) wordt uitbetaald? Is naar uw mening hier sprake van een constructie met als doel dan wel gevolg dat de Wet normering topinkomens wordt omzeild? Bent u bereid dergelijke constructies via wetgeving de pas af te snijden?
Het CIBG, de toezichthouder in de zorg op de naleving van de Wet normering topinkomens (Wnt), heeft Aventura zeer recent in onderzoek genomen. Op dit moment is daarom nog geen uitspraak te doen over de managementvergoedingen en de relatie met de Wnt.
Vindt u het bedrag van € 4.700 dat Aventura blijkbaar maandelijks per cliënt ontvangt in verhouding staan tot de diensten, zorg en begeleiding die door Aventura worden geleverd? Kunt u beschrijven waar een cliënt naar uw mening voor een dergelijk bedrag aanspraak op zou moeten kunnen maken? Bent u bereid in dezen maximumtarieven vast te leggen?
De Friese gemeenten geven aan het bedrag van € 4.700 niet te herkennen.
Op basis van de AMvB reële prijs Wmo 2015 stellen gemeenten met inachtneming van een aantal kostprijselementen een reëel tarief vast voor ondersteuning die geboden wordt in het kader van de Wmo 2015. De reële prijs voor ondersteuning wordt dan ook mede beïnvloed door de lokale infrastructuur en door lokaal vastgelegde kwaliteitseisen en uitvoeringseisen.
Het stellen van maximumtarieven zou betekenen dat ondersteuning (landelijk) genormeerd dient te worden. Mijns inziens staat dat haaks op hetgeen beoogd is met de Wmo 2015, namelijk maximaal maatwerk leveren, passend bij de behoeften van de cliënt en de lokale infrastructuur.
Wat vindt u van de constructie dat cliënten van een in handen van de eigenaren van Aventura zijnde organisatie («de tak beschermd wonen») dagbesteding doen bij een andere organisatie van dezelfde personen (een autobedrijf)? Wat vindt u van het woud aan BV’s en stichtingen dat deel uitmaakt van Aventura, waarbij over en weer opdrachten worden verleend? Vindt u nader onderzoek daarnaar gewenst? Bent u bereid daaraan via regelgeving paal en perk te stellen?
De concernrelaties van Aventura bv zijn bij aanvang van de overeenkomst overlegd door de aanbieder. De concernrelaties in de vorm van meerdere bv's zijn op zichzelf niet verboden en zien we vaker binnen het sociaal domein. De gemeente Smallingerland heeft aangegeven meer toezicht te willen houden op de financieringsstromen tussen de verschillende bv’s. Dat vind ik een goede ontwikkeling.
In de aanbesteding Beschermd Wonen in Friesland zijn geen afspraken gemaakt over waar de dagbesteding moet plaatsvinden en of dit mag op locaties/andere organisaties van de aanbieder. Zolang de besteding van zorggeld rechtmatig plaatsvindt en de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is, is de bedrijfsconstructie van een zorgaanbieder geen punt van bijzondere aandacht.
Wat vindt u van het feit dat Aventura zonder toestemming logo’s van bijvoorbeeld gemeente, openbaar ministerie en politie gebruikt? Welke consequenties heeft dat voor Aventura?
Het ongevraagd gebruik maken van de logo’s van genoemde instellingen vind ik onwenselijk en is in strijd met wet- en regelgeving. Bij het constateren van dit feit heeft de gemeente de zorgaanbieder direct gesommeerd het logo te verwijderen. Dit is ook gebeurd. Ik vertrouw erop dat de gemeente vervolgstappen onderneemt, mocht het toch nogmaals gebeuren.
Herkent en erkent u het beeld dat aanbieders van beschermd wonen regelmatig geen zorgachtergrond hebben en dat dergelijke aanbieders als paddestoelen uit de grond schieten? Ziet u dit als (ongewenst) gevolg van marktwerking?
Het beeld dat aanbieders regelmatig geen zorgachtergrond hebben, herken ik niet. Wel ontvang ik signalen van gemeenten dat zij zich soms zorgen maken over de kwaliteit die sommige aanbieders leveren. Zij kunnen hier in de eventuele aanbesteding en contractering goede afspraken over maken. Ook als sprake is van marktwerking zijn er mogelijkheden om te sturen op het leveren van zo goed mogelijke kwaliteit aan cliënten.
In de brief van 9 juli aan uw Kamer (35 000 XVI, nr. 133) staan maatregelen genoemd met als doel om zoveel mogelijk te voorkomen dat organisatorische en/of financiële constructies worden gehanteerd die doelmatige besteding van zorggeld in gevaar brengen (bestrijden van «excessen»).
Hoe vindt u dat, vierenhalf jaar (!) na inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving en nadat gemeenten (meer) verantwoordelijk zijn geworden voor beschermd wonen inclusief het toezicht daarop, aan dat toezicht en de daarbij horende handhaving wordt vormgegeven?
Op basis van artikel 6.1 van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het toezicht op de maatschappelijke ondersteuning. Gemeenten doen dit door een of meerdere toezichthouders aan te wijzen. Dat toezicht is volop in ontwikkeling. Niet alles verloopt altijd even soepel en er is altijd ruimte om te leren en te verbeteren. Juist dat leren wil ik graag versnellen.
Instellingen voor Beschermd Wonen ondersteunen doorgaans de meest kwetsbaren binnen de groep mensen die een vorm van maatschappelijke ondersteuning nodig hebben. Het is daarom van belang dat het toezicht hierop proactief wordt vormgegeven in plaats van (alleen maar) reactief. In het kader van thematisch risicogestuurd toezicht, heb ik van de IGJ vernomen dat zij samen met gemeenten in 2020 meer focus legt op Beschermd Wonen. Bij toezicht op Beschermd Wonen is vaak sprake van gecombineerd toezicht, waarbij zowel de gemeentelijk toezichthouder als een Rijksinspectie betrokken is. De Minister van VWS ondersteunt dit waar nodig, om op deze manier de ontwikkeling van het Wmo-toezicht te versnellen. In zijn beleidsreactie op de jaarlijkse rapportage van de IGJ over het Wmo-toezicht, die binnenkort naar uw Kamer zal worden gezonden, zal hij nader ingaan op welke manier instellingen voor Beschermd Wonen bezocht worden.
Daarnaast ondersteunt de Minister van VWS gemeenten om toezicht en handhaving in het Wmo-domein uit te voeren en te versterken. De VNG organiseert – op ons verzoek – expertmeetings, waarbij toezichthouders van elkaar en elkaars methodes kunnen leren. Tevens heeft de Minister van VWS aangegeven werk te maken van openbaarmaking van Wmo-toezichtrapportages. Dit is een instrument om het Wmo-toezicht (nog) verder te professionaliseren.
Omdat bij Aventura ook Wlz cliënten in zorg zijn, staat Aventura ook onder toezicht van de IGJ. De IGJ heeft naar aanleiding van de signalen uit de media contact opgenomen met de gemeente en daaropvolgend zeer recentelijk een onaangekondigd toezichtbezoek afgelegd aan Aventura. Indien nodig onderneemt de IGJ zelf stappen naar aanleiding van dit onderzoek.
Durft u de garantie te geven dat een en ander in het hele land inmiddels op een goede wijze wordt vormgegeven, zodat vaak kwetsbare jongeren worden beschermd en «foute» zorgaanbieders worden geweerd of bent u van mening dat een en ander nog onvoldoende op orde is?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u het gevoel dat gemeenten soms terughoudend zijn met handhaving, nu het niet altijd eenvoudig is in voorkomende gevallen cliënten elders onder te brengen?
Nee, dat gevoel heb ik niet. Mijn beeld is dat gemeenten hun zorgplicht en de kwaliteit van ondersteuning serieus nemen. De gemeente Smallingerland heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een beperkte capaciteit rondom intramuraal beschermd wonen.
Wat ziet u als úw verantwoordelijkheid in dezen en bent u bereid die te nemen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid in dezen niet nog langer af te wachten of gemeenten toezicht en handhaving in dezen op orde krijgen en zèlf de regie te nemen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u in het kader van het hiervoor bedoelde bijvoorbeeld bereid om het wetsvoorstel Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) óók volledig van toepassing te verklaren op aanbieders van beschermd wonen?
Nee. Het wetsvoorstel Wtza richt zich primair op een verbetering van het kwaliteitstoezicht van de IGJ op nieuwe zorgaanbieders. Aangezien Wmo-ondersteuning niet behoort tot het toezichtsdomein van de IGJ, past het niet om de Wtza daarnaar uit te breiden. Wel bestaat er een afsprakenkader voor de Wmo toezichthouders en de Rijksinspectie om de samenwerking bij gezamenlijk toezicht te bevorderen. Dit afsprakenkader wordt momenteel herzien. Begin 2020 zal de VNG dit afsprakenkader verspreiden onder gemeenten en toezichthouders.
Bent u bereid, daar waar het gaat om het toezicht op aanbieders van beschermd wonen, binnen afzienbare termijn met een actieplan te komen met maatregelen om misstanden zoals hier en in andere gevallen geconstateerd te voorkomen?
Zie antwoord vraag 7.
De opvang van Venezolaanse migranten |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Human Rights Caribbean zeer teleurgesteld is over de besteding van 23,8 miljoen euro die Nederland beschikbaar stelt aan Curaçao en Aruba voor de opvang van Venezolaanse migranten?1
Ja.
Klopt het dat zo’n beetje het hele bedrag bestemd is voor het tegenhouden en het detineren van Venezolaanse migranten? Zo nee, kunt u aangeven waaraan het beschikbare bedrag wél wordt besteed? Hoeveel van het beschikbaar gestelde bedrag komt ten goede aan de versterking van de asielprocedure en de verbetering van opvangvoorzieningen?
In de brief van 6 september jl. (Kamerstuk 29 653, nr. 58) is uw Kamer geïnformeerd over de besteding van de 23,8 miljoen euro die het kabinet bij Voorjaarsnota heeft vrijgemaakt voor enerzijds de respons op de bijstandsverzoeken van Aruba en Curaçao en anderzijds maatregelen in het kader van crisisbeheersing in de regio. In nauwe afstemming met Aruba en Curaçao is een samenhangend pakket aan ondersteuningsmaatregelen uitgewerkt dat in het komende jaar in gezamenlijkheid uitgevoerd zal worden. In het ondersteuningspakket is onder meer aandacht voor de versterking van de maritieme grenzen en het optimaliseren van de vreemdelingenketen, maar ook voor diverse sociaal-maatschappelijke projecten op het gebied van onderwijs, opvang van kwetsbare groepen, gezondheidszorg en bejegening van migranten. Van de 23,8 miljoen euro is 7,2 miljoen gereserveerd voor het optimaliseren van de vreemdelingenketen. Uitgangspunt voor de Nederlandse ondersteuning aan de landen is dat conform de staatsrechtelijke verhoudingen binnen het Koninkrijk de verantwoordelijkheid voor het migratiebeleid een autonome aangelegenheid betreft. De landen bepalen zelf of en, zo ja, welke voorzieningen zij willen treffen voor migranten die om bescherming vragen. Er is geen algemene verplichting tot het geven van opvang en andere vormen van bijstand. Wel kan in uitzonderlijke gevallen – wanneer de vreemdeling volkomen afhankelijk is van de Staat – de noodzaak bestaan enige vorm van opvang te bieden. Dit zal per geval bekeken moeten worden en vraagt een individuele beoordeling.
Zowel Aruba als Curaçao geven aan dat voor bepaalde kwetsbare groepen gekeken wordt naar mogelijke vormen van tijdelijke opvang. Op Curaçao wordt in individuele opvang voorzien in gevallen van slachtoffers van mensenhandel. Om deze personen te beschermen is in samenwerking met het Ministerie van Sociale ontwikkeling, Arbeid en Welzijn, voor woongelegenheid gezorgd. In het kader van de door Nederland te leveren bijstand wordt een deel van de 7,2 miljoen euro voor de vreemdelingenketen beschikbaar gesteld voor de inrichting van circa 36 opvangplekken voor kwetsbare groepen op Curaçao. Op Aruba biedt de stichting Fundacion pa Hende Muher den Dificultad opvang aan slachtoffers van onder andere mensenhandel, mensensmokkel en huiselijk geweld. Het kabinet heeft op verzoek van de regering van Aruba 255.000 euro beschikbaar gesteld aan de stichting voor de uitbreiding van de opvangcapaciteit met circa 30 extra plekken.
Wat vindt u van het pleidooi van Human Rights Caribbean om een gedeelte van het budget beschikbaar te stellen voor een eerlijke en fatsoenlijke behandeling van Venezolaanse vluchtelingen en hen in staat te stellen zichzelf in hun minimumbehoeften te voorzien?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om een substantieel gedeelte van het beschikbaar gestelde bedrag ten goede te laten komen aan de verbetering van de asielprocedure en opvang? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De sluiting die dreigt voor de spoedpost van de huisartsendienst Twente-Oost |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht waaruit blijkt dat de spoedpost van de Huisartsendienst Twente-Oost (HDT) in Oldenzaal dreigt te moeten sluiten?1
Ja.
Klopt het dat het ziekenhuis Medisch Spectrum Twente (MST) van plan is de huur te gaan verhogen met 70%? Op basis waarvan denkt MST dat een verhoging van 70% gerechtvaardigd zou zijn?
De Spoedpost Oldenzaal is voor Nederlandse begrippen een kleine huisartsenpost (HAP) met een werkgebied van ongeveer 82.000 inwoners zijnde de gemeenten Dinkelland, Losser en Oldenzaal. Ik heb begrepen van de directie van Spoedzorg Huisartsen Twente (SHT) – de organisatie waar de Spoedpost Oldenzaal onderdeel van is – dat Spoedpost Oldenzaal niet financieel rendabel is. Het (gedeeltelijk) sluiten van de Spoedpost Oldenzaal is nu onderwerp van gesprek. Bij de besluitvorming liggen twee opties voor: sluiting van de Spoedpost Oldenzaal in de nacht en de overige ANW-uren wel geopend blijven of volledige sluiting van de Spoedpost Oldenzaal en het werkgebied van Spoedpost Oldenzaal verdelen over de Spoedposten Enschede en Hengelo. Door deze verdeling ontstaan qua werkgebied en verrichtingenniveau van huisartsenzorg twee gelijkwaardige Spoedposten waar efficiënt personele bezetting zoals huisartsen en triagisten ingezet kan worden. De directie van SHT is van mening dat de acute huisartsenzorg in de regio door volledige sluiting van de Spoedpost Oldenzaal toekomstbestendig zal zijn. Het definitieve besluit over een (gedeeltelijke) sluiting moet nog worden genomen. De uitvoering van het definitief besluit zal vanaf maandag 6 januari 2020 worden ingevoerd.
De spoedpost kon vooral volledig geopend zijn vanwege de samenwerking met het ziekenhuis Medisch Spectrum Twente (MST). Door het aflopen van de samenwerkingsovereenkomst en huurovereenkomst per 1 januari 2020, moeten er nieuwe afspraken komen passend bij de huidige situatie en financieringsafspraken in de gezondheidszorg. Nieuwbouw in 2015, kosten voor bedrijfsvoering (waaronder huisvesting) van de huisartsenpost in de avond, nacht en weekend- uren en de eis van College Sanering Zorginstellingen (CSZ) voor marktconforme prijzen bij vervreemding of verhuur van zorgvastgoed, maken dat verhoging van de huur noodzakelijk is. Strikt genomen betreft de huurverhoging geen 70% aangezien SHT inmiddels meer oppervlakte in gebruik heeft dan in het oorspronkelijke contract staat opgenomen, aldus het MST. Dat is in het nieuwe voorstel van MST ook aangepast.
Het MST heeft mij laten weten dat ze op dit moment acht verpleegkundigen detacheren naar de spoedpost in Oldenzaal waarbij de kosten, maar niet de opbrengsten van de verpleegkundige inzet gedeeld worden. MST heeft in gesprek met SHT aangegeven een deel van deze kosten niet meer te kunnen en willen dragen. Dit betekent voor de spoedpost dat de kosten van de nieuwe overeenkomsten zullen stijgen en dat de spoedpost geen gebruik meer kan maken van de inzet van verpleegkundigen van het ziekenhuis. Daarnaast heeft SHT mij laten weten, dat los van de financiële implicaties, het voor SHT onmogelijk is – gezien de krapte op de arbeidsmarkt – om de extra diensten in de nacht en eventuele extra bezetting in de avonden en weekenden op korte termijn ingevuld te krijgen.
Ik heb van de directie van SHT begrepen dat ze met de Raad van Afgevaardigden (RvA) van de Spoedpost Oldenzaal (vertegenwoordiging van de huisartsengroepen die bij de post aangesloten zijn) vanaf juni diverse gesprekken hebben gevoerd om de opties te bespreken om de consequenties van het opzeggen van de samenwerkingsovereenkomst en huurovereenkomst te bespreken. Daarbij was een randvoorwaarde gesteld door de directie dat deze eventuele maatregel tenminste budgettair neutraal zou moeten zijn. Zowel de directie van SHT als de leden van de RvA zijn van mening dat in ieder geval de sluiting in de nacht van de Spoedpost Oldenzaal onvermijdelijk is gezien het gering aantal verrichtingen van huisartsenzorg.
Klopt het dat het MST geen verpleegkundigen meer wil leveren voor de Oldenzaalse huisartsenpost? Zo ja, wat is de reden daarvan?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de facto ziekenhuis MST de Oldenzaalse huisartsenpost sluit door eenzijdig de voorwaarden irreëel te veranderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er cijfers van NEED (Netherlands Emergency department Evaluation Database) beschikbaar over hoeveel mensen van de huisartsenpost uit Oldenzaal terecht komen op de spoedeisende hulppost in Enschede en/of Hengelo? Zo, ja kunt u die delen?
Er zijn geen cijfers van NEED beschikbaar over hoeveel mensen van de spoedpost uit Oldenzaal doorverwezen worden naar de spoedeisende hulppost in Enschede en Hengelo. Spoedpost Oldenzaal heeft naar verhouding een klein verzorgingsgebied met een gering aantal verrichtingen van huisartsenzorg. De Spoedpost Enschede heeft momenteel een verzorgingsgebied van 186.395 inwoners. De Spoedpost Hengelo heeft een verzorgingsgebied van 131.310 inwoners. Na eventuele sluiting van Spoedpost Oldenzaal zullen de Spoedposten Enschede en Hengelo elk een verzorgingsgebied van ongeveer 200.000 inwoners krijgen.
Zijn de adherentiecijfers in de regio in kaart gebracht, conform de aangenomen motie Van den Berg (Kamerstuk 31 016, nr. 198)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze cijfers delen?
Zorgaanbieders beschikken zelf over deze gegevens en kunnen deze gebruiken bij besluitvorming. Van het SHT heb ik begrepen dat in kaart gebracht is wat de adherentiecijfers zijn en wat de consequenties zijn van een eventuele (gedeeltelijke) sluiting van de Spoedpost Oldenzaal. Het SHT heeft het RIVM gevraagd om te toetsen of in de nieuwe situatie de landelijke bereikbaarheidsnorm (minimaal 90% van de inwoners van het werkgebied van de HAP kan binnen 30 minuten per auto de HAP bereiken) niet overschreden wordt. Ik heb begrepen dat de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM laat zien dat bij een sluiting van de Spoedpost Oldenzaal, de landelijke bereikbaarheidsnorm ruimschoots behaald blijft.
Kan worden aangegeven wanneer en hoeveel mensen er naar de Oldenzaalse huisartsenpost komen?
Zie antwoord vraag 6.
Is er een regiobeeld gemaakt over de zorgbehoefte voor Oldenzaal en omstreken met cijfers over bevolkingsopbouw, sociaaleconomische status, leeftijdsopbouw met cijfers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Nivel, ziekenhuizen en het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ)?
Menzis heeft als grootste zorgverzekeraar in de regio het initiatief genomen een regiobeeld te maken, zoals ook afgesproken is in de bestuurlijke akkoorden 2019–2022. Onder begeleiding van een bureau heeft Menzis in de afgelopen maanden een regiovisie Twente 2030 ontwikkeld. Dit beeld is geanalyseerd en opgeschreven vanuit het perspectief van Twente en dus niet specifiek voor Oldenzaal. Met deze visie gaat Menzis nu met de partijen in de regio om tafel.
Deelt u de mening dat in deze casus de zorgaanbieders de regionale bestuurders en inwoners tot nog toe onvoldoende geconsulteerd hebben, terwijl dit volgens uw concept AMvB over wijzigingen in de (acute) zorg wel noodzakelijk is? Hoe gaat u in dit geval handhaven dat het overleg in de regio wel wordt gevoerd?
Zoals u weet is de AMvB acute zorg, waarin de communicatie met partijen en inwoners in de regio een belangrijk onderdeel is, nog niet in werking getreden. Echter, vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze AMvB stimuleer ik op dit moment reeds dat zorgaanbieders die overwegen om het aanbod van acute zorg op een bepaalde locatie te sluiten, handelen in de lijn van deze concept AMvB.
Conform de concept AMvB acute zorg heeft de SHT gesprekken gevoerd over de eventuele (gedeeltelijke) sluiting van de Spoedpost Oldenzaal met onder meer het MST, wethouders van de betrokken gemeenten, zorgverzekeraar Menzis, vertegenwoordigers van huisartsengroepen, het ROAZ Euregio en de voorzitter van de patiëntenvertegenwoordiging (Stichting Vrienden van Heil der Kranken). Er wordt onder andere een continuïteitsplan opgesteld en begin oktober wordt dit besproken in een ROAZ-overleg. Naar mijn mening zal de SHT een informatiebijeenkomst voor inwoners moeten organiseren om de inwoners de gelegenheid te geven hun zorgen en suggesties te uiten, voordat er een definitief besluit genomen wordt. In gesprek met de directie van SHT heb ik daarom dit verzoek neergelegd. De directie van SHT heeft aangegeven met dit verzoek aan de slag te gaan.
Bent u bereid te bevorderen dat zorgverzekeraar Menzis, MST, zorgaanbieders en bestuurders in gesprek gaan met als doel dat een huisartsenpost open blijft in en voor Oldenzaal en Noordoost Twente? Kunt u de uitkomsten van dat gesprek binnen een maand delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 9.
De financiële problemen die Curaçaose oud-studenten ondervinden bij het aflossen van studieschulden |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat oud-studenten op Curaçao door DUO in financiële problemen raken bij de aflossing van hun studieschuld?1 Klopt het dat u een brief van uw Curaçaose collega hierover hebt ontvangen? Zo ja, bent u bereid een afschrift van uw antwoord aan de Kamer te sturen?
Ja. Ik voeg een afschrift van mijn brief bij.2
Klopt het dat DUO eraan in de weg staat dat deze groep oud-studenten hun studieschuld aflost? Klopt het dat DUO deze oud-studenten langdurig in onzekerheid laat over een passende aflossingsregeling, maar in de tussentijd wél snel is met het toepassen van incassomaatregelen?
Ik herken het beeld niet dat DUO aflossing van de studieschuld door deze groep oud-studenten in de weg staat. Het is de taak van DUO om studieschulden te innen en dat op een behoorlijke manier te doen. Dat betekent dat het voor oud-studenten snel duidelijk moet zijn hoe hoog hun studieschuld is en welk bedrag zij maandelijks moeten terugbetalen. DUO informeert studenten hier ook over.
Oud-studenten hoeven niet meer af te lossen dan zij gezien hun inkomen kunnen dragen. Als het inkomen waarvan wordt uitgegaan is verslechterd, dan kan de oud-student verzoeken om bij de berekening van een ander inkomensjaar uit te gaan. Tevens is het voor de oud-student ook mogelijk om een aflossingsvrije periode aan te vragen. Mocht desondanks toch een betalingsachterstand (dreigen te) ontstaan, dan is het verstandig om direct contact op te nemen met DUO. Er kan dan in overleg met de oud-student naar een passende oplossing worden gekeken. De oud-student wordt dan ook gevraagd aan te tonen waarom de geboden opties niet tot het gewenste resultaat leiden. Een DUO medewerker kan op basis van de specifieke persoonlijke situatie van een oud-student in onderling overleg tot een aangepaste afspraak komen.
De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport (OWCS) heeft mij laten weten signalen te hebben ontvangen dat het voor oud-studenten in de praktijk lastig is om onder andere vanwege het tijdsverschil telefonisch in contact te komen met DUO en informatie te ontvangen over het treffen van een betalingsregeling. Daarom kunnen studenten op Curaçao veel zaken zelf regelen in Mijn DUO en is DUO ook per e-mail te bereiken. In het najaar zullen medewerkers van DUO een aangesloten periode op Curaçao aanwezig zijn, zodat het wordt vergemakkelijkt om in contact te treden met DUO.
Verder wil ik benadrukken dat DUO niet zomaar een incassobureau inschakelt voor het innen van de studieschuld. Als oud-studenten de betalingsverplichting niet nakomen, is er sprake van een achterstallige schuld en zal DUO een betalingsherinnering sturen. Als ook dit niet tot een betaling leidt, zal een aanmaning worden verstuurd. Als daarop wederom geen reactie is ontvangen door DUO, zal een tweede aanmaning worden gestuurd. DUO zet pas een deurwaarder in als alle herinneringen en aanmaningen niet tot betaling of tot contact over een mogelijke betalingsregeling hebben geleid. Ook de deurwaarder zal eerst proberen via de minnelijke weg te incasseren. Indien ook dit niet het gewenste resultaat oplevert, zal overgegaan worden tot een gerechtelijke inningsprocedure.
In hoeverre wordt bij het bepalen van de aflossingsregeling rekening gehouden met lokale omstandigheden? Deelt u de mening dat met het oog op de lagere lonen en het afwijkende belastingstelsel voor Curacaose oud-studenten andere aflossingsbedragen moeten worden vastgesteld? Klopt het bijvoorbeeld dat er gevallen bestaan waarin de hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag hoger is dan het op Curaçao gehanteerde minimumloon?
De voorwaarden waaronder oud-studenten hun studieschuld moeten terugbetalen zijn opgenomen in de Wet studiefinanciering 2000 en zijn voor alle oud-studenten hetzelfde. Pas als een oud-student over voldoende inkomen beschikt, hoeft de studieschuld te worden terugbetaald. Dat gebeurt bij oud-studenten die in Europees Nederland wonen automatisch omdat DUO door automatische koppeling met de gegevens van de Nederlandse Belastingdienst kan beschikken over de inkomensgegevens van deze oud-studenten. De oud-studenten op Curaçao kunnen – net als alle andere oud-studenten die buiten Europees Nederland wonen – een draagkrachtmeting aanvragen. Bij het bepalen van de draagkracht van een oud-student is het inkomen van de oud-student zelf van belang en dat van een eventuele partner. DUO vraagt de inkomens van Curaçaose oud-studenten die eerder draagkracht hebben aangevraagd periodiek op bij de Belastingdienst van Curaçao om proactief de draagkracht te continueren. Indien de Belastingdienst van Curaçao deze informatie (nog) niet kan verstrekken, wordt de debiteur gevraagd zelf inkomensgegevens te verstrekken, om op die manier de draagkracht vast te stellen.
Bij een inkomen onder het Nederlandse minimumloon, hoeft een oud-student niets terug te betalen. Het Nederlandse minimumloon ligt hoger dan het minimumloon op Curaçao, dus als oud-studenten inkomsten hebben onder het op Curaçao gehanteerde minimumloon hoeven zij niets terug te betalen. Uitgaan van het (hogere) Nederlandse minimumloon is dit dus in het voordeel van oud-studenten op Curaçao.
DUO roept oud-studenten op om de aanvraag te doen om naar draagkracht terug te mogen betalen. Alleen dan kan rekening gehouden worden met het daadwerkelijke inkomen van de oud-student. Ook bij oud-studenten met betalingsachterstanden die DUO verzoeken om een betalingsregeling, wordt rekening gehouden met de omstandigheden van de oud-student. In individuele gevallen kan rekening worden gehouden met bijzondere omstandigheden.
Bent u bereid om de huidige aflossings- en incassopraktijk te onderzoeken en maatregelen te treffen om oud-studenten een proportionele aflossingsregeling aan te bieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn denkt u hierover uitsluitsel te kunnen bieden en bent u bereid in de tussentijd af te zien van incasso’s?
Medewerkers van DUO reizen dit najaar en in het voor- en najaar van 2020 voor een aaneengesloten periode af naar Curaçao om samen met debiteuren met betalingsproblemen naar een oplossing voor hun probleem te zoeken.
Zoals ik verder in mijn reactie op de brief van de Minister van OWCS ook heb aangegeven, vind ik dat onderzocht moet worden of de manier van het innen van achterstand van de studieschuld volgens de regels plaatsvindt. Geen enkele oud-student mag in de problemen komen door het afbetalen van een studieschuld. DUO heeft het Ministerie van OWCS gevraagd om concrete casussen om de signalen over de incassopraktijken te kunnen onderzoeken. Als uit de nadere informatie van de Minister van OWCS blijkt dat daar zaken mis zijn gegaan, zal ik zeker maatregelen nemen.
Extra geld voor leraren dat mogelijk slechts de loonbijstelling betreft |
|
Lodewijk Asscher (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat de € 285 miljoen waarmee u goede sier tracht te maken, slechts uit de reguliere loonbijstelling komt en het dus geen extra geld voor leraren betreft?1
In mijn brief aan de Kamer van 11 september jl. staat dat het kabinet over 2019 voor het primair onderwijs structureel 285 miljoen euro beschikbaar stelt via de loonbijstelling. Dit geld is beschikbaar. Het onderwijspersoneel in alle andere onderwijssectoren dan het po profiteren er al van.
Deelt u de mening dat ieder kind moet kunnen rekenen op een goede leraar voor de klas? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen?
Alle kinderen verdienen goed onderwijs. Voldoende, goede leraren spelen daarin een belangrijke rol. Wij werken daarom samen met de partijen van het landelijke overleg aan de aanpak van de tekorten. Zoals in genoemde brief staat, zien wij een aantal positieve effecten:
Hoewel er al veel gebeurt, blijft ook de komende periode de inzet van alle partijen, landelijk en regionaal, hard nodig om op korte en lange termijn te zorgen voor voldoende leraren.
Wat vindt u ervan dat er steeds vaker kinderen naar huis worden gestuurd omdat er geen leraar is, er nieuwe vierdaagse schoolweken dreigen en dat schoolbesturen waarschuwen voor een situatie waarin kinderen straks pas vanaf vijf jaar les krijgen? In hoeverre ziet u het als uw taak om daar iets aan te doen?
De oplopende tekorten vragen veel inzet en creativiteit van scholen om er voor te zorgen dat leerlingen onderwijs kunnen volgen. De inzet waarmee dat gebeurt verdient grote waardering. Echter, ook in tijden van tekorten geldt de huidige wetgeving. Dat betekent dat het structureel invoeren van een vierdaagse werkweek of kinderen pas op vijfjarige leeftijd naar school laten gaan, niet mogelijk is.
Aan het onmogelijke wordt niemand gehouden. De inspectie houdt ook rekening met de huidige context waarin scholen soms (tijdelijke) noodoplossingen moeten treffen. De kwaliteit van het onderwijs is daarbij het uitgangspunt.
Deelt u de mening dat reguliere budgetten niet volstaan om het lerarentekort en de salariskloof in het basisonderwijs aan te pakken? Zo ja, met welke aanvullende maatregelen gaat u dan komen? Zo nee, hoe pijnlijk zichtbaar moeten de gevolgen van het lerarentekort worden voordat u tot actie overgaat?
De tekorten in het onderwijs, maar ook breder binnen de publieke sector en daarbuiten, zijn een complex, maatschappelijk probleem waar niet één oplossing voor is. Het vraagt een breed pakket aan maatregelen en een gezamenlijke inzet van veel partijen, landelijk en regionaal, om tot oplossingen te komen.
Het is ook daarom dat dit kabinet investeert in onder meer de verlaging van de werkdruk en beloning in het po, en in de halvering van het collegegeld in de eerste twee jaar van lerarenopleidingen. Daarnaast werken we landelijk en regionaal samen om de aanpak van de tekorten te stimuleren en ondersteunen via onder meer de subsidieregelingen voor de regionale aanpak, voor zijinstromers, voor het opleiden van onderwijsassistenten tot leraren, voor het begeleiden van herintreders, etc.
Tijdens de algemene politieke beschouwingen op 19 september heeft de Minister president gezegd dat het kabinet bereid is om in de komende weken te bezien of er voor 2020 incidenteel extra geld beschikbaar kan komen voor het oplossen van urgente knelpunten met betrekking tot het lerarentekort. Belangrijk is dan wel dat de sociale partners snel een cao afsluiten met het geld (285 miljoen euro) dat nu al beschikbaar is. Naast de cao kan dan geld beschikbaar worden gesteld op schoolniveau via de systematiek van het werkdrukakkoord.
Hoewel we er nog lang niet zijn, zien wij, zoals in het antwoord op vraag twee staat, een aantal positieve ontwikkelingen van de aanpak. Zo zijn er meer zijinstromers, gaan meer mensen met een uitkering weer aan de slag in het onderwijs en groeit het aantal aanmeldingen voor de pabo. Dat neemt niet weg dat de gezamenlijke aanpak ook komende periode hard nodig blijft om op korte en lange termijn te zorgen voor voldoende leraren.
Deelt u de mening dat leraren recht hebben op dit geld? Hoe verhoudt zich dit tot uw uitspraak: «Als de schoolbestuurders en vakbonden niets doen, gaat het geld de reserves in.»?
Het is aan werkgevers en werknemers om afspraken te maken over dit geld. Het is zonde dat er geld voor 2019 beschikbaar is dat nog niet is ingezet. Wij rekenen er daarom op dat de sociale partners in het po snel met elkaar om de tafel gaan voor het maken van afspraken over de inzet van de beschikbare middelen.
Wat is uw reactie op het noodpakket dat de sector heeft voorgesteld vóór de zomer? Heeft u ook reeds contact gehad met de sector hierover?2
In de brief vraagt de sector om meer geld. Binnen de begroting is daarvoor geen ruimte. Zoals in het antwoord op vraag 4 staat, heeft de Minister president aangegeven dat het kabinet bereid is incidenteel extra geld beschikbaar te stellen voor de aanpak van de tekorten. Belangrijk is dat dan snel een cao wordt afgesloten met het geld (285 miljoen euro) dat nu al beschikbaar is. Zodra een cao is afgesloten wordt geld beschikbaar gesteld op schoolniveau via de systematiek van het werkdrukakkoord.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan Prinsjesdag?
Dit is helaas niet gelukt. Wel zijn de antwoorden ruim binnen de afgesproken termijn.
Bent u bekend met het bericht «Multicultureel Netwerk Defensie (MND) viert jubileum»?1
Ja
Kunt u aangeven op welke wijze Defensie het MND ondersteunt? Kunt u ook aangeven waaruit deze ondersteuning bestaat en welke bedragen en voorwaarden hiermee zijn gemoeid? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt zich dit met uw belofte tot meer openheid?
De ondersteuning aan het MND valt in het kader van een bredere ondersteuning aan de diversiteitsnetwerken van Defensie. In mijn brief over de Opbrengsten Programma Behoud en Werving (Kamerstuk 34 919 X, nr. 38 van 15 mei 2019) geef ik inzicht in de financiële middelen die beschikbaar zijn voor de bevordering van diversiteit- en inclusiviteit.
Kunt u aangeven waaruit de samenwerking tussen Defensie en het MND bestaat? Kunt u ook limitatief aangeven welke aanbevelingen en adviezen het MND heeft gedaan en tot welke stappen dit heeft geleid? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt zich dit met uw belofte tot meer openheid?
De samenwerking tussen Defensie en het MND bestaat o.a. uit het geven van advies en het deelnemen aan relevante bijeenkomsten. Zoals ook in het bericht is aangegeven, heeft het MND bijvoorbeeld geadviseerd om militairen met een Antilliaanse achtergrond in te zetten bij de noodhulp na orkaan Irma. Daarnaast is het MND betrokken op het terrein van werving zoals bijvoorbeeld tijdens het jaarlijkse Kwaku-festival. Dergelijke adviezen zijn niet geformaliseerd en het is ook niet mijn voornemen om dit in de toekomst te formaliseren. Een limitatieve opsomming is daarom niet te geven. Volledigheidshalve vermeld ik dat de samenwerking met de diversiteitsnetwerken van Defensie, gebaseerd is op afspraken die gelden voor ieder netwerk. De invulling van de adviesrol is overigens aan de netwerken zelf.
Bewijst de opmerking «De krijgsmacht draait op teams. En sterke teams zijn divers.» dat Defensie een diversiteitsbeleid voert, waarin diversiteit prevaleert boven kwaliteit? Zo nee, waarom niet?
Diversiteit draagt bij aan de kwaliteit. Defensie bevordert diversiteit en kwaliteit is daarbij het leidende principe. Van prevaleren van diversiteit boven kwaliteit is geen sprake.
Vindt u het niet beschamend dat Defensie wel intensief samenwerkt met het MND, terwijl initiatieven voor defensieslachtoffers en veteranen (zoals bijv. NLPoms, KOVOM en KNIL) aan hun lot worden overgelaten? Betekent dit dat diversiteit prevaleert boven de zorg voor defensieslachtoffers en veteranen? Zo nee, waarom niet?
Bij Defensie wordt er veel aandacht besteed aan slachtoffers en veteranen. De zorg voor veteranen en militaire oorlogs- en dienstslachtoffers is solide belegd bij het Veteraneninstituut en het Veteranenloket. Via dit stelsel biedt Defensie dienstverlening aan Nederlandse veteranen, dienstslachtoffers en hun gezinsleden. Voor details over het veteranenbeleid verwijs ik u graag naar de jaarlijkse Veteranennota (Kamerstuk 30 139, nr. 218 van 11 juni 2019). Meer specifiek waar het de nazorg voor medewerkers van de zogenaamde POMS-locaties betreft, verwijs ik u naar mijn brief over chroom-6 van 4 juli 2019 (Kamerstuk 35 000 X, nr. 147)
Daarnaast is het nodig diversiteit en inclusiviteit te bevorderen. Dit omdat het bijdraagt aan de kwaliteit van onze inzet. Zie voor de aanpak mijn beleidsbrief van 11 oktober 2018 (Kamerstuk 35 000 X, nr. 12). Kortom, voor beide zaken is aandacht.
Kunt u de gestelde vragen tijdig en afzonderlijk van elkaar beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja
Zuid- en Oost-Europeanen die omgeschoold worden voor de Nederlandse zorg |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat vindt u ervan dat Zuid- en Oost-Europeanen worden omgeschoold voor de Nederlandse zorg?1
De afweging om buitenlandse zorgverleners in dienst te nemen is aan zorginstellingen. Ik zie het werven van personeel uit het buitenland niet als een structurele oplossing voor personeelstekorten in zorg en welzijn. Het staat zorginstellingen evenwel vrij om buitenlandse zorgverleners in dienst te nemen, mits die aan alle vereisten voldoen. Voor EU-onderdanen geldt uiteraard het principe van vrij verkeer. Daarnaast kent de Wet BIG een erkenningsystematiek voor diploma’s waarmee BIG-registratie versneld kan plaatsvinden. Beheersing van de Nederlandse taal is een belangrijke voorwaarde.
Wat vindt u ervan dat organisaties zoals de European Multi Talent Group (EMTG) personeel rekruteren voor de Nederlandse zorg? Zijn er meer organisaties die personeel voor de Nederlandse zorg rekruteren? Kunt u hier een overzicht van sturen?
Ik vind het van belang dat het inschakelen van zorgpersoneel uit het buitenland door Nederlandse zorgorganisaties gebeurt binnen de geldende regelgeving voor het vrij verkeer van personen en de kwaliteit van zorg (zie ook het antwoord op vraag2. Er is geen compleet beeld van de mate waarin zorginstellingen buitenlandse zorgverleners naar Nederland willen halen, maar we ontvangen met enige regelmaat signalen over (kleine) individuele initiatieven. Daarnaast is bekend dat het aandeel buitenlandse verpleegkundigen relatief klein is in Nederland. Van de 192.633 verpleegkundigen die ingeschreven staan in het BIG-register komen er 2.476 uit het buitenland3 (waarvan 1.595 met een diploma uit een EER-land).
Is u bekend hoeveel en welke zorgorganisaties (actief) gebruik maken van bureaus zoals EMTG om zorgpersoneel uit het buitenland te kunnen aannemen?
Zie antwoord vraag 2.
Is u bekend hoeveel geld Nederlandse zorgorganisaties aan bureaus zoals EMTG voor buitenlands zorgpersoneel betalen? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 2.
Worden risico’s genomen met buitenlands zorgpersoneel die de taal niet compleet vaardig zijn, bijvoorbeeld bij medicatieverstrekking? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kwaliteit van zorg en veiligheid van de patiënt staan voor mij voorop. Ik hecht er groot belang aan dat zorgverleners die in Nederland zelfstandig aan de slag gaan, voldoen aan alle vereisten die de Wet BIG stelt. Om in aanmerking te komen voor BIG-registratie moeten buitenlandse zorgverleners een bewijs van Nederlandse taalvaardigheid op het juiste niveau kunnen overleggen. Voor alle buitenlandse zorgverleners geldt dat zij de Nederlandse taal voldoende moeten beheersen.
Vindt u het zorgelijk dat zorgverleners uit Spanje worden gehaald om de tekorten aan zorgpersoneel in Nederland op te lossen, terwijl in Spanje een tekort is van 131.000 verpleegkundigen? Deelt u de mening dat we niet moeten inzetten op zorgpersoneel uit het buitenland, maar nog meer inzet moeten plegen op het behouden en werven van zorgpersoneel uit Nederland zelf? Welke aanvullende maatregelen gaat u treffen?
Het relatieve kleine aandeel van buitenlandse verpleegkundigen is een indicatie dat het aantrekken van mensen uit andere lidstaten niet veel voorkomt. Ik ben het met u eens dat voor het oplossen van personeelstekorten het veel belangrijker is om in te zetten op het werven en behoud van zorgpersoneel. Dit is precies waar we met het actieprogramma Werken in de Zorg op inzetten. Ik heb u dit voorjaar geïnformeerd over de voortgang4. Dit najaar doe ik dit opnieuw.
Mogelijke belangenverstrengeling door de overstap van de directeur van de Europese Bankenautoriteit (EBA) naar een financiële lobbyclub |
|
Renske Leijten |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Top EU regulator Farkas to head banking lobbying group AFME»1? Erkent u dat bestuurders en hooggeplaatste functionarissen bij een financiële toezichthouder, zoals de Europese Bankenautoriteit (EBA), vrij moeten zijn van belangenverstrengeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik heb kennisgenomen van dat artikel. Het staat voorop dat voor elke overheidsinstelling integriteit de norm is; belangenverstrengeling is uit den boze, en ook de schijn van belangenverstrengeling dient te worden vermeden. Voor (financiële) toezichthouders is dit onlosmakelijk verbonden met het principe van onafhankelijk toezicht. Ik heb eerder aangegeven dat het goed is om in gesprek te zijn met stakeholders, mits dit op gepaste afstand gebeurt.2 Hierdoor weet de EBA bijvoorbeeld wat er leeft onder haar stakeholders en wordt haar werk meer zichtbaar. Uiteraard is van belang dat de EBA zich in de uitvoering van haar taken niet door het contact met stakeholders laat beïnvloeden. Om (de schijn van) belangenverstrengeling tegen te gaan voert de EBA een actief integriteitsbeleid3 en is zij transparant over het contact met stakeholders4.
Wat vindt u ervan dat de directeur van de EBA overstapt naar de Association for Financial Markets in Europe (AFME), die voor haar leden, zoals Blackrock, Goldman Sachs, ABN Amro, HSBC en vele andere financiële instellingen, beleggers en banken, lobbyt voor een Europese Bankenunie en Kapitaalmarktunie? Kunt u uw antwoord toelichten?2 3
Ik hecht eraan dat er regels zijn om ethisch gedrag en integriteit te waarborgen. Voor personeel bij de EBA, met inbegrip van de uitvoerend directeur, gelden dezelfde regels als voor EU-ambtenaren.7 Dat betekent in de eerste plaats dat zij gebonden zijn aan het beroepsgeheim waarvan nadrukkelijk is bepaald dat dit ook na beëindiging van het dienstverband blijft gelden.
Daarnaast geldt er een afkoelingsperiode van twee jaar waarin zij na hun vertrek, voordat zij een nieuwe functie aanvaarden, hun voormalige werkgever moeten informeren, die kan besluiten om de voorgenomen werkzaamheden te verbieden of om aan de uitoefening ervan voorwaarden te stellen.8
Bij de aankondiging van zijn vertrek heeft de EBA naar buiten gebracht dat de heer Farkas gedurende twee jaar na zijn vertrek zich niet mag bezighouden met lobbywerk bij de EBA of uit hoofde van zijn nieuwe functie contact mag hebben met personeel van de EBA.9 Bovendien mag hij gedurende anderhalf jaar na zijn vertrek de leden van de AFME niet adviseren of anderszins bijdragen aan de activiteiten van die organisatie als het gaat om onderwerpen die verband houden met zijn werk bij de EBA. In aanvulling hierop is Farkas» takenpakket bij de EBA aangepast: hij heeft niet langer bemoeienis met de kerntaken van de EBA maar uitsluitend nog met operationele aangelegenheden, en in de laatste drie maanden voor zijn vertrek op 31 januari 2020 wordt hij van zijn taken ontheven.
Erkent u dat het voor de lobbyorganisatie AFME en haar leden een uitgelezen kans is om informatie te krijgen over hoe er toezicht wordt gehouden op de financiële instellingen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze is gegarandeerd dat (gevoelige) beleidsinformatie die de oud-directeur van de toezichthouder heeft niet bij de financiële instellingen terechtkomt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het de spuigaten uitloopt met hooggeplaatste functionarissen en politici die een (lucratieve) overstap maken naar de financiële sector? Zo neen, waarom niet?4
Op 1 februari 2018 is een nieuwe gedragscode voor eurocommissarissen in werking getreden. Deze gedragscode zorgt voor duidelijkere regels, hogere ethische normen en meer transparantie. Zo is de afkoelingsperiode voor voormalige commissarissen verlengd en wordt de commissie bij de toepassing van de gedragscode bijgestaan door een nieuw en daadkrachtiger onafhankelijk ethisch comité. De aanscherping volgde op een aantal incidenten rondom voormalige leden van de commissie-Barroso II die voor ophef zorgden. De komende periode, na het vertrek van de commissie-Juncker, zal een test worden voor de robuustheid van de nieuwe gedragscode.
Op basis van deze nieuwe gedragscode geldt voor voormalige commissarissen een afkoelingsperiode van twee jaar (drie jaar voor de voormalige Commissievoorzitter). Gedurende deze periode moeten zij beroepsactiviteiten die zij voornemens zijn te vervullen, melden bij de Commissie. Als het gaat om een functie die verband houdt met hun voormalige beleidsterrein, kan de Commissie haar goedkeuring pas verlenen na raadpleging van het ethisch comité. Deze besluiten en de adviezen van het comité worden openbaar gemaakt. Daarnaast gelden er beperkingen voor bepaalde activiteiten, zoals lobbyen bij leden of personeel van de Commissie voor onderwerpen die tot hun portefeuille behoorden. Deze regels zijn vergelijkbaar met het Nederlandse kabinetsbeleid inzake afkoelingsperiodes en lobby van bewindspersonen.12
In bovenstaande antwoorden schreef ik al wat de afkoelingsperiode voor voormalige EU-ambtenaren behelst.
Hoe gaat u voorkomen dat straks allerlei oud-eurocommissarissen overstappen naar de financiële sector? Kunt u uw antwoord toelichten?5
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid actief te pleiten voor een zogenaamde afkoelperiode voor EU-ambtenaren en commissarissen zodat ze niet met recente kennis bij de financiële sector aan de slag kunnen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom is ABN Amro – dat grotendeels in handen is van de Nederlandse overheid – lid van de AFME? Welke strategische redenen liggen hieraan ten grondslag?
ABN AMRO heeft bij mij aangegeven dat dergelijke lidmaatschappen, net zoals bijvoorbeeld het lidmaatschap van de Nederlandse Vereniging van Banken, voor haar van belang zijn om informatie en kennis uit te wisselen en tevens dienen om, voor zover juridisch mogelijk en toegestaan, gezamenlijke standpunten te formuleren.
Wat kost een lidmaatschap van de AFME per jaar?
De website van AFME vermeldt dat de kosten van een lidmaatschap tenminste 5.000 Britse pond bedragen.13 Additionele kosten zijn afhankelijk van de specifieke diensten die een financiële instelling afneemt en de omvang van de instelling. Ik heb daar geen inzicht in.
Hoe vaak heeft de AFME voor haar leden lobbyactiviteiten bij de Europese Commissie en de Eurogroep? Bent u bereid dit uit te zoeken?
Op de website www.integritywatch.eu van Transparency International, die een overzicht geeft van het transparantieregister van de Commissie, blijkt dat AFME sinds december 2014 veertig maal commissarissen of leden van de kabinetten van de commissarissen heeft bezocht. Contacten rondom de Eurogroep zijn mij niet bekend.
Heeft u, uw ministerie of de Franse Minister van Financiën over de vorming van de taskforce Kapitaalmarktunie contact gehad met AFME?6
In mijn brief van 16 mei jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over het initiatief dat ik samen met mijn Duitse en Franse collega’s heb genomen voor een werkgroep die aanbevelingen zal doen voor de toekomst van de kapitaalmarktunie.15 Naar aanleiding van deze aankondiging hebben verschillende partijen contact opgenomen met mijn departement, waaronder AFME. Aan deze partijen is desgewenst de achtergrond van het initiatief geschetst. Daarbij is aangegeven dat partijen hun eventuele input kunnen meegeven aan de werkgroep.
In mijn brief van 11 juni jl. schreef ik uw Kamer dat ik mevrouw Corien Wortmann-Kool, bestuursvoorzitter van Pensioenfonds ABP, bereid had gevonden om deel te nemen aan deze werkgroep. Van Franse zijde neemt de heer Fabrice Demarigny, voorzitter van het bestuur van het European Capital Markets Institute en partner bij Mazars Scrl, deel aan de werkgroep.16 Ik ben er niet mee bekend of de Franse Minister van Financiën over de vorming van de werkgroep contact heeft gehad met AFME.
De werkgroep heeft met verschillende stakeholders gesproken en biedt de mogelijkheid om bijdragen te leveren via de website van de werkgroep https://nextcmu.eu/ waarop een openbaar consultatiedocument is gepubliceerd.17
Wie neemt er vanuit De Nederlandsche Bank (DNB), de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en/of het ministerie deel aan de komende bijeenkomst van 11, 12, 13 september 2019, te Helsinki, van lobbyclub Eurofi?7
Op de Eurofi-bijeenkomst in Helsinki was een aantal vertegenwoordigers van DNB, de AFM en het Ministerie van Financiën aanwezig. Eurofi houdt op haar website bij wie er spreken en wie deelnemen aan panels. Het overzicht van de bijeenkomst van 11, 12 en 13 september jl. is via deze link te raadplegen: http://www.eurofi.net/wp-content/uploads/2019/09/EUROFI-FI-HELSINKI-Attendees.pdf.
Valt het u ook op dat de leden van de AFME veelal ook lid zijn van Eurofi? Hoeveel lobbyclubs heeft de financiële sector om de Brusselse besluitvorming te beïnvloeden?8
De leden van AFME zijn instellingen die actief zijn op de kapitaalmarkten, de leden van Eurofi zijn instellingen die actief zijn in de financiële dienstverlening.
Dat er overlap bestaat tussen het ledenbestand van AFME en Eurofi is een logisch gevolg. Op het ministerie wordt geen overzicht bijgehouden van organisaties die de belangen van de financiële sector in Brussel behartigen.
De uitzending van De Monitor over ICT in de zorg |
|
Maarten Hijink |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de uitzending van De Monitor over ICT in de zorg? Hoe erg is het volgens u dat de twee partijen die systemen ontwikkelen om gegevens in de zorg uit te wisselen, Epic en Chipsoft, zoveel macht hebben?
Er zijn meerdere partijen die uitwisseling in de zorg mogelijk (kunnen) maken. Ik ben op de hoogte van de markt voor ziekenhuis EPD leveranciers (= Elektronisch Patiëntendossier; verwijzend naar een centraal informatiesysteem voor patiëntendossiers in een ziekenhuis). Deze markt wordt inderdaad gekenmerkt door een beperkt aantal aanbieders en alternatieven.
Op dit moment bekijk ik samen met het zorgveld hoe ik kan ondersteunen bij het bundelen van krachten in de onderhandelingen met de EPD leveranciers. Het doel hiervan is om gemeenschappelijke wensenlijsten op te stellen (voor doorontwikkeling en innovatie), beter passende en open systemen te krijgen, gewenste veranderingen sneller door te laten voeren en betere prijsonderhandelingen te kunnen doen. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) is de onafhankelijke toezichthouder. De ACM ziet op grond van de Mededingingswet erop toe dat bedrijven eerlijk met elkaar concurreren en treedt onder meer op tegen bedrijven die hun machtspositie misbruiken. Bedrijven kunnen bij de ACM terecht met hun signalen over mogelijk oneerlijke concurrentie. Het is de rol van de ACM om te oordelen over of in te grijpen op eventueel verstoorde markten. De ACM heeft mij laten weten in gesprek te gaan met de zorgsector over de mogelijkheden en risico’s van voorgenomen samenwerkingen tussen zorgaanbieders bij de inkoop van ICT.
Wat is uw oordeel over bedrijven in de zorg die extreem veel geld verdienen terwijl medici steen en been klagen over wat ze doen?
Het is aan zorgpartijen zelf om de juiste ICT-producten tegen de juiste prijzen in te kopen. Bedrijven mogen een eerlijke prijs vragen voor het leveren van hun producten of diensten, er mag geen sprake zijn van misbruik van een economische machtpositie. Ik neem signalen over hoge winsten van ICT leveranciers die actief zijn in de gezondheidszorg serieus. In mijn brief van 9 juli jl. (Kamerstuk 35 000-XVI, nr. 133) heb ik u reeds mijn standpunt over winstuitkering in de zorg medegedeeld. Hetzelfde standpunt heb ik in relatie tot winsten van ICT leveranciers actief in de zorg.
Bij deze maatschappelijke verantwoordelijkheid horen ook de juiste bekostigingsmodellen (met zoveel mogelijk vermijding van bijvoorbeeld perverse prikkels die uitwisseling in de weg staan; zoals kosten per uitwisseling) en transparantie van onder andere ontwikkelkosten en prijsopbouw. In dat kader vind ik het onwenselijk dat ICT-leveranciers bijvoorbeeld niet aan dezelfde transparantieverplichtingen dienen te voldoen als de sector waarvoor ze werken.
Wat is uw reactie op het bericht in de uitzending dat een grote ICT-leverancier ziekenhuizen en hun personeel totaal onder controle heeft en alleen helpt voor geld terwijl ze de uitwisseling van patiëntengegevens ophouden? Vindt u dit acceptabel?
Ziekenhuizen en ander zorgverleners zijn vrij in de keuze voor systemen waarmee zij patiëntgegevens verwerken. Het is aan zorgpartijen zelf om met ICT leveranciers te onderhandelen over de juiste prijzen en eisen. Tegelijkertijd vind ik het ook van belang dat informatie goed uitgewisseld kan worden. In december 2018 heb ik daarom aangekondigd regie te nemen op het versnellen van de totstandkoming van gegevensuitwisseling, onder anderen door het wettelijke verplicht stellen van elektronische gegevensuitwisseling (Kamerstuk 27 529, nr.166).
Digitalisering van gegevensuitwisseling is een behoorlijke uitdaging. Er zijn tekortkomingen in taal en techniek. Zo spreken alle betrokken beroepsgroepen hun eigen taal en die moet op elkaar worden afgestemd in alle mogelijke gegevensuitwisselingen. Daarnaast zijn er ook heel veel technische standaarden (die voor beelden bijvoorbeeld anders zijn dan voor documenten) en is er niet in elke regio al een infrastructuur voor elektronische uitwisseling. In mijn brief over elektronische gegevensuitwisseling van 12 juli jl. heb ik aangegeven gedetailleerde technische eisen aan ICT-producten te stellen op het gebied van eenheid van taal en techniek en aangekondigd leveranciers van ICT-systemen hieraan te gaan binden door dit via certificering af te dwingen. VWS voert zo actief beleid op het open maken van systemen. Deze wettelijk verplichte technische standaarden voor infrastructuren en gegevensuitwisseling maken dat de markt open wordt gemaakt voor andere aanbieders die voldoen aan deze eisen. Dit moet leiden tot meer innovatie, nieuwe toetreders en meer transparantie in de markt en draagt daardoor bij aan een beter functionerende markt.
Hebben ICT-bedrijven volgens u een belang bij (het verlenen van) goede zorg en een goede informatie-uitwisseling of bent u van mening dat de belangen van deze bedrijven ergens anders liggen, bijvoorbeeld bij het verdienen van veel geld?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u er eigenlijk van dat allerlei partijen in de zorg met verschillende systemen werken die onderling niet goed met elkaar samen kunnen werken waardoor zorgverleners in de uitwisseling van gegevens op allerlei barrières stuiten? Hoe kan het bijvoorbeeld dat zelfs ziekenhuizen die gebruik maken van dezelfde ICT-systemen van dezelfde leverancier onderling geen informatie uit kunnen wisselen? Vindt u dit ook onwenselijk en onbegrijpelijk? Hoe kan het dat de systemen helemaal niet zijn afgestemd op hoe artsen werken? Waarom zijn de systemen niet ontworpen vanuit de gebruikers, namelijk de patiënt en zorgverlener?
Een technische koppeling (eenheid van techniek) is slechts een van de onderdelen die nodig is voor goede gegevensuitwisseling. Zo ook afspraken over proces, dossiervoering en taal. Ziekenhuizen en andere zorgverleners hebben zelf systemen geselecteerd waarmee zij patiëntgegevens voor eigen gebruik opslaan. Lange tijd zijn deze systemen aangepast op de eisen en wensen van de individuele zorginstellingen, passend bij hun eigen proces. Ook EPD’s van dezelfde leverancier bij verschillende ziekenhuizen kunnen hierdoor fors verschillen qua inrichting. Ook hierom ondersteun ik (zoals in mijn antwoord op vraag 1 al gesteld) het zorgveld bij het bundelen van gemeenschappelijke inrichtingseisen en wensen.
Ziekenhuizen werken nou eenmaal met verschillende informatiesystemen, maar dat die niet of moeilijk met elkaar kunnen communiceren vind ik niet wenselijk. Daarom heb ik in december 2018 aangekondigd regie te nemen op het versnellen van de totstandkoming van gegevensuitwisseling en aangekondigd leveranciers van ICT-systemen hieraan te gaan binden, onder anderen door het wettelijke verplicht stellen van elektronische gegevensuitwisseling (Kamerstuk 27 529, nr.166).
Deelt u de mening dat de zorg soms suboptimaal is en daarmee ook beter zou kunnen als de ICT-systemen beter zouden werken en uitwisseling van informatie makkelijker wordt?
Een veilige en goed werkende elektronische uitwisseling van gegevens kan zorgen voor een efficiënter en effectiever zorgproces. Zorgverleners beschikken te vaak niet over de informatie die ze nodig hebben en zijn teveel tijd kwijt met faxen of het op DVD branden van gegevens. Mensen moeten te vaak opnieuw hun verhaal vertellen terwijl ze denken «dokter dat weet u toch wel». Ik vind daarom dat digitaal het nieuwe normaal moet worden en ik ga – zoals ik hierboven schreef – in concrete stappen elektronische gegevensuitwisseling wettelijk verplicht stellen.
Hoeveel tijd kost het zorgverleners op dit moment om alle benodigde gegevens over een patiënt beschikbaar te krijgen? Kunt u hiervan een inschatting maken?
De wijze waarop zorgverleners op dit moment alle benodigde gegevens over een patiënt beschikbaar krijgen, maar ook de winst die te behalen valt met betere elektronische gegevensuitwisseling, is sterk afhankelijk van de individuele patiënt, het zorgproces, de zorgverlener en casuïstiek. Er zijn helaas voorbeelden uit de praktijk te noemen waarin het zorgverleners veel tijd kost om alle benodigde gegevens over een patiënt beschikbaar te krijgen. Er is dus voldoende aanleiding dat dat snel anders moet, ter verbetering van de veiligheid van patiënten en voor de verlaging van de administratieve werklast van zorgverleners.
Erkent u dat het momenteel niet mogelijk is om over te stappen naar een ander ICT-systeem vanwege de kosten die daarmee samenhangen? Erkent u tevens dat ICT-leveranciers misbruik maken van die positie?
De implementatie van een groot en belangrijk ICT systeem in een zorginstelling (zoals een EPD), gaat gepaard met hoge kosten en een grote impact voor een organisatie. Het wisselen van EPD is voor een ziekenhuis een risicovol, complex en kostbaar traject. Bij het overstappen dienen ziekenhuizen te investeren in nieuwe apparatuur, voorzieningen, training van medewerkers, adviseurs en verlies aan productie. Toch stappen in de praktijk ziekenhuizen over naar een andere EPD-leverancier.
Ik wil elementen die nu het overstappen hinderen, zoveel mogelijk wegnemen. Dit doe ik bijvoorbeeld door (in de aanpak van het Programma elektronische gegevensuitwisseling) het in wet en normen gaan afdwingen van open systemen en door het doorvoeren van standaardisatie, zodat gegevens ook door andere systemen te gebruiken zijn. Zo kan er een markt ontstaan, doordat de informatie niet langer opgesloten zit in een enkel systeem en ook overstappen technisch eenvoudiger kan dan nu.
Ik omarm dan ook het initiatief vanuit het bedrijfsleven en de zorgsector, samen met VNO-NCW; het Manifest «Samen Vooruit». De ondertekenaars hiervan spreken steun uit voor de wettelijke verplichting van digitale gegevensuitwisseling, open systemen en open infrastructuren.
Klopt het dat de bereikbaarheid van de ICT-leveranciers na implementatie vaak te wensen over laat?
De mate van ondersteuning na implementatie is onderwerp van gesprek tussen zorginstelling en aanbieder en wordt onderhandeld en contractueel vastgelegd, zo laten zorgpartijen mij weten.
Deelt u de mening dat de winst van de ICT-leveranciers omgezet zou moeten worden in betere functionaliteit, ook aangezien het hier gaat om publiek geld? Vindt u de 45% netto winst van Chipsoft te verdedigen als een betere functionaliteit geen prioriteit is voor het bedrijf?
Een optimale inzet van ICT-systemen is een combinatie van openheid van dat systeem, functionaliteit maar zeker ook inpassing in het werkproces van de eindgebruiker. De zorg heeft dus goede ICT leveranciers nodig om haar zorgverlening te ondersteunen. Het is aan zorgpartijen zelf om de juiste ICT producten tegen de juiste prijzen in te kopen. Of de geleverde dienstverlening in verhouding staat tot de kosten, is aan de klant van de diensten om te beoordelen.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 al aangeef, komen mijn standpunt over winsten van ICT leveranciers actief in de zorg, overeen met de eerder in mijn brief van 9 juli jl. (Kamerstuk 35 000-XVI, nr. 133) genoemde standpunten.
Bent u op de hoogte van de winst die Epic de afgelopen jaren heeft gemaakt? Zo ja, wat is deze winst? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken? Bent u van mening dat aangezien de ICT-systemen voor informatie-uitwisseling een belangrijk onderdeel zijn van een goede zorgverlening een dergelijk gegeven, als de gemaakte winst, transparant moet zijn?
Zie antwoord vraag 10.
Vindt u de gemaakte winst van vele miljoenen in verhouding staan met de geleverde prestaties? Bent u van mening dat slecht ontworpen informatie-uitwisselingssystemen ten koste gaan van de gezondheid (en soms zelfs het leven) van mensen en de kosten van de gezondheidszorg?
Zie antwoord vraag 10.
Wat gaat u doen om de informatie-uitwisseling tussen zorgverleners te verbeteren en wanneer kunnen zorgverleners effect verwachten?
Ik vind het van groot belang dat informatie tussen zorgverleners op een goede en veilige manier wordt uitgewisseld. In december 2018 heb ik daarom al aangekondigd regie te nemen op het versnellen van de totstandkoming van elektronische gegevensuitwisseling in de zorg, onder anderen door het wettelijke verplicht stellen van elektronische gegevensuitwisseling (Kamerstuk 27 529, nr.166). Ik heb in december 2018 ook mijn voornemen uitgesproken leveranciers van ICT-systemen hieraan te gaan binden. In mijn brief van 12 juli jl. (Kamerstuk 27 529, nr. 189) heb ik aangegeven dit te doen door gedetailleerde technische eisen aan ICT-producten te stellen op het gebied van eenheid van taal en techniek. Dit zal ik vervolgens via normering en certificering af dwingen. In 2020 dien ik daarom een wetsvoorstel in waarmee ik stapsgewijs elektronische gegevensuitwisseling verplicht zal stellen. De laatste jaren heb ik door versnellingsprogramma’s de informatie-uitwisseling tussen patiënt en professional bevordert (VIPP ziekenhuizen en VIPP voor overige medisch specialistische instellingen). In de nieuwe VIPP regeling voor instellingen voor medisch specialistische zorg wordt ook de uitwisseling tussen instellingen onderling gestimuleerd. Ik verwacht deze regeling eind dit jaar te publiceren.
Het bericht ‘Wachtlijsten dreigen in ziekenhuiszorg’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Wachtlijsten dreigen in ziekenhuiszorg»?1 Wat is vervolgens uw reactie op de opmerking van de heer Berden (bestuursvoorzitter van het Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis, ETZ) «ondanks alle inspanningen zien we dat er wachtlijsten dreigen op de spoedeisende hulp, operatiekamer en intensive care. Ook hebben we zo’n dertig á veertig patiënten die op een verkeerd bed liggen»? Ziet u deze problemen ook? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Wachttijden zijn een terugkerend thema en punt van aandacht. Ook herken ik de signalen van patiënten die op een «verkeerd bed» liggen. Ik vind het belangrijk dat kwalitatief goede zorg tijdig wordt geleverd. De toezichthouders houden de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg nauwlettend in de gaten. Dit geldt ook voor wachtlijsten en het effect daarvan in de ziekenhuiszorg. Met het anders organiseren van ziekenhuiszorg waarbij het functioneren van mensen voorop staat, willen we de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg juist verbeteren. Zorg voorkomen, verplaatsen en vervangen, zoals we met de Juiste Zorg op de Juiste Plek beogen, zal daarbij ook een positieve impact hebben op de wachtlijsten in de medisch-specialistische zorg.
Zoals toegezegd in het Schriftelijk Overleg van 29 mei 2019 inzake SO Advies kwartiermaker transgenderzorg (Kamerstuk 34 650, nr. E) informeer ik uw Kamer later dit jaar over de nieuwe stand van zaken van de NZa met betrekking tot inspanningen van zorgverzekeraars om wachttijden in de medisch specialistische zorg, ggz en wijkverpleging te verminderen.
Bij de Spoedeisende Hulp (SEH’s) is, vanwege de aard van de zorgvraag, uiteraard geen sprake van wachtlijsten. Wel kan het voorkomen dat een SEH tijdens piekdrukte (de zorg op SEH’s kenmerkt zich immers door pieken en dalen in de drukte) tijdelijk een «stop» afkondigt. Dergelijke patiëntenstops zijn een verzoek aan de ambulancedienst om een bepaalde acute zorgafdeling in een ziekenhuis (bijvoorbeeld een SEH) tijdelijk te ontzien, omdat het erg druk is en de patiënt waarschijnlijk sneller in een ander ziekenhuis kan worden geholpen. Patiënten die zich in een levensbedreigende situatie bevinden kunnen in geval van een stop altijd terecht. Zie ook mijn brief van 25 juni 2019 inzake patiëntenstops (Kamerstuk 35 200-XVI, nr.2.
Stops zijn een instrument om de piekdrukte te reguleren. Ook wordt daarmee bevorderd dat de patiënten op de SEH tijdig kunnen worden geholpen, wat de patiëntveiligheid ten goede komt. Het aantal stops zegt echter wel iets over hoe vaak er sprake is van piekdrukte, en is dus wel een signaal van de druk op de SEH’s, zoals ook de NZa heeft aangegeven in de monitor acute zorg (Kamerstuk 29 247, nr. 267).
Zoals u weet doet de NZa momenteel onderzoek naar SEH-stops in het kader van signalen over deze tops en de motie-Van den Berg (Kamerstuk 29 247, nr. 271). De Kamer ontvangt binnenkort een reactie op deze motie, zie mijn brief van 19 juni 2019 (Kamerstuk 29 247, nr. 285).
Wat is uw reactie op de constatering van de heer Berden (bestuursvoorzitter van het Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis, ETZ) dat op de lange termijn de financiële afspraken in het hoofdlijnenakkoord lastig houdbaar zijn en dat het opmerkelijk is dat de overheid geen extra baanvakken opent terwijl er files dreigen?
In antwoorden op eerdere Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3706) heb ik uw Kamer mijn reactie op dit punt toegezonden. Kortheidshalve verwijs ik naar dat antwoord.
Deelt u de angst dat ziekenhuizen bij een griepgolf al helemaal vast kunnen lopen? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is onvermijdelijk dat een griepgolf kan leiden tot een toeloop bij onder andere huisartsen en bij ziekenhuizen. Ik besef dat dergelijke pieken de nodige druk kunnen zetten op een ziekenhuisorganisatie. Op 10 december 2018 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de «regionale plannen van aanpak griep» die door de elf ROAZ regio’s zijn opgesteld naar aanleiding van de evaluatie van de griepepidemie van de winter 2017–2018 (Kamerstuk 29 247, nr. 265). Uit de evaluatie indertijd bleek dat voor de aanpak van een eventuele griepepidemie samenwerking in de keten van groot belang is. De opgestelde plannen richten zich dan ook op alle aanbieders van acute zorg in ROAZ-verband.
Zoals ik in de brief van 10 december 2018 heb aangegeven vind ik het van belang dat ziekenhuizen in dat kader ook zelf preventieve maatregelen nemen. Specifiek gaat het daarbij om het verhogen van de vaccinatiegraad van personeel. Ik heb het volste vertrouwen dat de ROAZ regio’s en de ziekenhuizen daarin een eventuele griepgolf goed kunnen opvangen. In mijn regulier overleg met de voorzitters van de ROAZ-regio’s blijf ik hier aandacht voor vragen.
Bent u van mening dat de transformatiegelden van de zorgverzekeraars lastig te ontsluiten zijn? Vindt u dat zorgverzekeraars ruimhartiger moeten worden inzake de inzet van deze middelen? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit ook daadwerkelijk gebeurt?
Om de transformatie vorm te kunnen geven is in het bestuurlijk akkoord medisch-specialistische zorg 2019–2022 een incidenteel bedrag van in totaal
€ 425 miljoen beschikbaar gesteld voor de duur van het akkoord. In het akkoord is vastgelegd dat initiatieven die hiervoor in aanmerking komen voldoen aan de volgende uitgangspunten:
Ze dragen bij aan de transformatie, zoals beschreven in het rapport van de Taskforce «Juiste Zorg op de Juiste Plek»;
Ze zijn passend in het gedeelde meerjarenperspectief;
Ze zijn substantieel van aard;
Ze hebben een blijvend effect;
De door de initiatieven bespaarde omzet bij de zorgaanbieder(s) wordt niet opgevuld;
De initiatieven worden binnen de contractering op eigen merites beoordeeld;
Tenminste één medisch-specialistische zorgaanbieder en één zorgverzekeraar zijn partij in het initiatief.
Uiteindelijk is het aan individuele zorgverzekeraars en zorgaanbieders om gelet op bovenstaande uitgangspunten afspraken te maken over de inzet van transformatiegelden. Ik verwacht van ziekenhuizen dat zij hiervoor goede plannen indienen. Van zorgverzekeraars verwacht ik dat zij de plannen kritisch beoordelen, maar daarbij ook realistische eisen stellen om de transformatie verder op gang te krijgen.
De NZa vraagt de contracten op, doet hiervan een analyse en maakt daarin ook zichtbaar welke transformatieafspraken zijn gemaakt. Deze analyse wordt besproken in het bestuurlijk overleg medisch-specialistische zorg. Op basis van deze analyse bezie ik met partijen of er aanvullende afspraken nodig zijn.
Deelt u de mening dat er in de discussies over de juiste zorg op de juiste plek te weinig is nagedacht, over hoe die richting gerealiseerd moet worden? Zo nee, waarom deelt u die mening niet? Zo ja, hoe gaat u dit alsnog realiseren?
Nee, die mening deel ik niet. Aan de voorkant is er goed en uitgebreid nagedacht over de noodzakelijke transitie in de zorg en er is een breed draagvlak voor deze beweging, die voortkomt uit het veld. Een concreet resultaat hiervan is het rapport «De Juiste Zorg op de Juiste Plek». Het commitment aan deze brede beweging is door alle partijen onderschreven in de verschillende bestuurlijke akkoorden.
Uiteraard is het daarmee niet klaar. In de voortgangsbrief «De Juiste Zorg op de Juiste Plek» van 18 juni 2019 (Kamerstuk 29 689, nr. 995)) heb ik uw Kamer uitgebreid geïnformeerd over de acties die zijn en worden ondernomen door partijen om de beoogde beweging vorm te geven en waar nodig op te schalen en te versnellen. In deze brief heb ik uw Kamer ook geïnformeerd over de wijze waarop ik partijen in deze ondersteun. Kortheidshalve verwijs ik u naar deze brief.
Wat is uw reactie op de stelling dat de prestatiebekostiging in de cure een obstakel is voor de juiste zorg op de juiste plek?
Ik ben het niet eens met deze stelling. Uiteraard zitten aan elke vorm van bekostiging voor- en nadelen. Bijvoorbeeld: in het verleden zorgde juist de destijds geldende budgettering ervoor dat er wachtlijsten ontstonden. Vanuit de optiek van wachtlijsten heeft het bekostigen op basis van prestaties c.q. het belonen van volume juist een positief effect gehad. Daarnaast kan worden opgemerkt dat binnen de huidige bekostiging ook mogelijkheden zijn om het voeren van een goed gesprek te belonen. Bovendien kunnen zorgverzekeraars de zorginkoop als financieel instrument gebruiken om sturing te geven aan de «Juiste Zorg Op de Juiste Plek». Tegelijk zie ook ik ruimte voor verbetering. Zo wordt in het programma Uitkomstgerichte zorg 2019–2022 expliciet aandacht besteed aan het anders organiseren en belonen van zorg waarbij uitkomsten van zorg meer centraal komen te staan. Over de voortgang van dit programma heb ik uw Kamer op 5 juli 2019 nader geïnformeerd (Kamerstuk 31 476, nr.3.
De uitrol van 5G |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hoe veilig is het nieuwe 5G-netwerk»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Welke toestemming en/of vergunningen dient de rijksoverheid nog te geven voor het grootschalige gebruik van deze techniek?
De verwachting is dat 5G in eerste instantie gaat worden toegepast in de zogenaamde 700 MHz- en 3,5 GHz-frequentiebanden. De vergunningen voor het gebruik van de 700 MHz-band worden halverwege 2020 geveild. Het voornemen is om vergunningen in de 3,5 GHz-band te veilen in 2021/2022. Het is waarschijnlijk dat na het veilen van vergunningen in de 700 MHz-band de winnaars van die vergunningen de frequenties gaan gebruiken om 5G mee toe te passen.
Overigens is het de verwachting dat 5G ook zal worden toegepast in alle andere frequentiebanden waarvoor reeds vergunningen voor mobiele communicatie zijn of worden verleend. Dit betreft de 800, 900, 1800, 2100 MHz, en 2,6 GHz. De vergunningen zijn namelijk «technologieneutraal». Het staat de vergunninghouder vrij om elke technologie van zijn keuze toe te passen, zo lang hij zich maar houdt aan de vergunningvoorschriften.
Kunt u in een tijdlijn aangeven wat de planning is van de uitrol van 5G per regio?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een schatting geven van het aantal extra antennes dat er in totaal bijgeplaatst moet worden om een dekkend 5G-netwerk te implementeren (in absolute aantallen en in aantal per vierkante kilometer in stad en platteland)?
De overheid bepaalt niet waar en wanneer er 5G wordt uitgerold. 5G-netwerken worden aangelegd door private ondernemingen zoals KPN, T-Mobile, en VodafoneZiggo. Zij bepalen waar en wanneer zij investeren in de netwerkinfrastructuur die nodig is voor 5G, zoals antennes en het leggen van glasvezelkabels. De keuzes die zij hierbij maken zijn afhankelijk van de bedrijfsstrategie, die bedrijfsvertrouwelijk is. Mede hierdoor kan ik ook niet aangeven hoeveel extra antennes er bijgeplaatst moeten worden om landelijk dekkende 5G-netwerken te creëren. Het samenwerkingsverband van telecomproviders, Monet, heeft becijferd wat zij verwachten aan toename aan antennes door de uitrol van 5G. Deze toename is 10%; dat zijn ongeveer 4.500 extra antennes (en ongeveer 1.500 antenne-opstelpunten). Daarnaast verwachten de operators in beperkte mate kleine antennes (small cells) in de komende 3 tot 5 jaar.
Deelt u de mening dat het verwijderen van bomen (en andere groenvoorzieningen) niet het gevolg zou mogen zijn van de uitrol van het 5G-netwerk? Zo nee, waarom niet?
Bossen en andere houtopstanden vormen een uniek natuurtype. Naast de klassieke functies van natuur, landschap, productie in de vorm van houtoogst, behoud van cultureel erfgoed en recreatie, wordt de afgelopen decennia steeds meer belang gehecht aan andere functies van houtopstanden, zoals het vastleggen van kooldioxide, het leveren van ecosysteemdiensten als het bergen en bufferen van water, het dempen van grote temperatuurschommelingen in en nabij stedelijke gebieden, het filteren van fijnstof en het bijdragen aan het kwaliteit van het leven en aan een aangename leefomgeving.
Vanwege hun belangrijke functie worden houtopstanden op basis van nationaal beleid beschermd en is deze bescherming gericht op het behoud van het areaal van houtopstanden en van hun kwaliteit. Die bescherming is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming en die regels worden ongewijzigd overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving dat uitvoering geeft aan de Omgevingswet. Dat wordt geregeld via het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet, dat momenteel is voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer.
Deze regels hebben uitsluitend betrekking op houtopstanden buiten de bebouwde kom. Gemeenten wijzen in hun omgevingsplan de «bebouwingscontour kap» aan. Binnen die bebouwingscontour gelden uitsluitend de in het omgevingsplan gestelde regels over de kap van bomen. Deze regels worden dus gesteld door de desbetreffende gemeente. De provincie kan bij omgevingsverordening voorschriften stellen waaraan gemeenten zich hebben te houden in hun omgevingsplan.
Buiten de bebouwde kom zijn gedeputeerde staten in de regel bevoegd gezag voor het in ontvangst nemen van meldingen en het opleggen van een kapverbod, tenzij het gaat om situaties als bedoeld in art. 1.3 van de Wet natuurbescherming waarvoor het Rijk bevoegd gezag is.
Of bomen en andere groenvoorzieningen in het kader van de uitrol van het 5G-netwerk mogen worden gekapt moet dus worden beoordeeld aan de hand van het omgevingsplan en anders is dat ter beoordeling van provincie of Rijk, waarbij het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming en in 2021 de Omgevingswet in acht moet worden genomen. Bij de beoordeling of bomen en andere groenvoorzieningen verwijderd mogen worden dient overigens niet alleen het beschermingsregime voor hout- en houtopstanden in acht te worden genomen, maar ook het beschermingsregime voor soorten in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Ook dat beschermingsregime zal per 1 januari 2021 ongewijzigd onderdeel zijn van de Omgevingswet.
Het klopt dat het gebladerte van bomen voor demping zorgt van het antennesignaal. Dat is al zo bij de frequenties die de huidige telecomnetwerken (2G, 3G en 4G) gebruiken. Een antenne-opstelpunt zal logischerwijs geplaatst worden op een plek waar de dekking optimaal is, rekening houdend met de aanwezige vegetatie en gebouwen. We hebben geen scenario’s vernomen waarbij bomen gekapt moeten worden voor de dekking van 5G. Ook het samenwerkingsverband Monet heeft aangegeven het niet als wenselijk te zien om bij de uitrol van 5G bomen en andere groenvoorzieningen te verwijderen.
Klopt het dat bomen (en andere groenvoorzieningen) in bepaalde programma’s en/of modellen worden gezien als obstakels bij de planning van 5G-netwerken waar voorheen bomen (en andere groenvoorzieningen) dat predicaat niet hadden? Zo ja, kunt u voorbeelden geven?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke manier worden bomen (en andere groenvoorzieningen) gezien als te verwijderen obstakels bij de planning van 5G-netwerken?2
Zie antwoord vraag 5.
Is het met de toekomstige uitbreiding van de gemeentelijke bevoegdheden, als gevolg van de invoering van de Omgevingswet, mogelijk om bomen (en andere groenvoorzieningen) een andere status (juridisch of anderszins) te geven in planningsdocumenten zoals bestemmingsplannen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven welke zelfstandige Nederlandse onderzoeken zijn verricht naar het effect van elektromagnetische velden (EMV) op mensen en specifiek het gebruik van de mobiele frequenties voor 5G in Nederland?
Op 17 april jl. heb ik samen met de Minister voor Medische Zorg en Sport uw Kamer geïnformeerd over het onderwerp 5G en gezondheid.3 Er is vanaf de komst van mobiele netwerken veel onderzoek gedaan naar mogelijke gezondheidseffecten. In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat coördineert ZonMw al sinds 2006 een grootschalig onderzoeksprogramma van 16,6 miljoen euro op het gebied van hoog- en laag frequent EMV. Het programma richt zich op (1) de biologische interactie tussen blootstelling aan EMV en het menselijk lichaam; (2) epidemiologische onderzoeken naar het verband tussen blootstelling aan EMV en het optreden van gezondheidseffecten; (3) de gepercipieerde risico’s van EMV; en (4) technologische aspecten van EMV. Een van de studies uit het ZonMw-programma (COSMOS4) is verlengd tot 2023. Dit betreft een zeer groot Europees cohortonderzoek, waarin enkele honderdduizenden mensen gevolgd worden met als doel langetermijn-gezondheidseffecten te achterhalen. Daarbij wordt onder meer hun gebruik van telecommunicatiemiddelen vastgelegd en wordt hun gezondheidsstatus door de tijd heen gemeten, zodat verbanden tussen blootstelling aan EMV en gezondheid kunnen worden onderzocht. Nederland is één van de deelnemende landen. Het Kennisplatform Elektromagnetische Velden en Gezondheid (Kennisplatform EMV) geeft aan dat in het geheel van alle onderzoeken er geen bewijs is dat langdurige blootstelling aan elektromagnetische velden onder de blootstellingslimieten schadelijk is voor de gezondheid.5
Voor een overzicht van het specifiek in Nederland uitgevoerde onderzoek wordt verwezen naar het ZonMw-programma «Elektromagnetische Velden en Gezondheid».6 Op de website van ZonMw staat een overzichtspagina van onderzoek dat binnen het programma is verricht. Daar bevindt zich een publicatielijst en een overzicht. In het onderzoeksprogramma is niet specifiek naar 5G gekeken omdat 5G toen nog niet bestond. De Gezondheidsraad heeft aangegeven dat er in het verleden enkele onderzoeken zijn gedaan naar de effecten van EMV op planten, dieren en natuur.
Volgens het Kennisplatform EMV concluderen wetenschappelijke adviesorganen, zoals de World Health Organization (WHO) en de Gezondheidsraad, dat in wetenschappelijke onderzoeken geen bewijzen zijn gevonden voor negatieve effecten op de gezondheid door blootstelling aan elektromagnetische velden onder de blootstellingslimieten. Het Kennisplatform EMV geeft bij vragen of zorgen in de samenleving snel duidelijkheid over mogelijke gezondheidseffecten van elektromagnetische velden. In het Kennisplatform EMV werken RIVM, TNO, DNV GL, GGD GHOR Nederland, Agentschap Telecom, ZonMw en Milieu Centraal samen om wetenschap te duiden en kennis te ontsluiten voor burgers, werknemers en lagere overheden. De Gezondheidsraad heeft een adviserende functie. De Gezondheidsraad volgt de ontwikkelingen rond elektromagnetische velden en gezondheid en rapporteert daar zo nodig over.
Kunt u aangeven welke zelfstandige Nederlandse onderzoeken zijn verricht naar het effect van EMV op dieren (inclusief insecten) en specifiek het gebruik van de mobiele frequenties voor 5G in Nederland?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven welke zelfstandige Nederlandse onderzoeken zijn verricht naar het effect van EMV op de natuur en specifiek het gebruik van de mobiele frequenties voor 5G in Nederland?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven welke andere (internationale) onderzoeken zijn verricht naar het effect van EMV op respectievelijk mensen, dieren (inclusief insecten) en natuur en specifiek het gebruik van de mobiele frequenties voor 5G?
Zie antwoord vraag 9.
Welke onderzoeken bestaan er om de effecten van de verwachte cumulatieve straling van 5G-netwerken op respectievelijk mensen, dieren en natuur in kaart te brengen van de naar schatting 100 en 350 cellen per vierkante kilometer die nodig zijn voor een landelijk dekkend netwerk?3
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 4 heeft het samenwerkingsverband Monet becijferd wat zij verwachten aan toename aan antennes door de uitrol van 5G. Deze toename is 10%; dat zijn ongeveer 4.500 extra antennes (en ongeveer 1.500 antenne-opstelpunten). Daarnaast verwachten de operators in beperkte mate kleine antennes (small cells) in de komende 3 tot 5 jaar.
De huidige blootstellingslimieten voor 3G en 4G gelden straks ook voor 5G. Met 5G moet de optelsom van alle elektromagnetische velden nog steeds onder de Europees aanbevolen blootstellingslimieten blijven. Agentschap Telecom houdt dit in de gaten en is begin 2019 gestart met de metingen bij testlocaties voor 5G-antennes. Zo kan Agentschap Telecom, voor en na de uitrol van 5G, de samenleving via metingen blijven informeren over de veldsterktes en blootstelling in Nederland. Agentschap Telecom werkt in deze voorbereiding samen met het RIVM. De eerste resultaten van metingen door Agentschap Telecom bij 5G-testlocaties zijn beschikbaar op de website van het Antennebureau en het Agentschap Telecom. De eerste resultaten wijzen erop dat de gemeten veldsterktes een factor 10 tot 20 onder de blootstellingslimieten zaten.8 Agentschap Telecom doet al metingen aan de elektromagnetische velden en ziet erop toe dat de door de EU aanbevolen blootstellingslimieten op publiek toegankelijke plekken niet worden overschreden. Zowel de selectieve veldsterkte (veldsterkte van de aanwezige signalen afzonderlijk) als de cumulatieve veldsterkte (veldsterkte van alle signalen gezamenlijk) wordt gemeten door het Agentschap. In beide gevallen moeten de gemeten veldsterkten onder de limieten blijven. Om burgers zekerheid te bieden dat de EMV-blootstelling binnen de limieten blijft, worden deze limieten vastgelegd onder de Telecommunicatiewet, zoals aangekondigd in het Actieplan Digitale Connectiviteit van het kabinet.
Hoe wordt voorkomen dat, door het toegenomen aantal antennes en intensiever gebruik van frequenties, er negatieve cumulatieve effecten ontstaan voor respectievelijk mensen, dieren en natuur?
Zie antwoord vraag 13.
Hoe wordt het voorzorgsbeginsel gewaarborgd dat er geen schadelijke gezondheidseffecten op mensen, dieren en natuur mogen zijn als 5G wordt ingevoerd?
Zie antwoord vraag 13.
Wie is verantwoordelijk voor het voorkomen van negatieve cumulatieve effecten van EMV als gevolg van de grootschalige uitrol van 5G?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u een zo volledig mogelijk internationaal overzicht verschaffen van alle 5G-normen (ICNIRP «mobile telephones» en «base station»-normen, of de voor Nederland hiervan afgeleide normen) voor mensen, dieren en natuur?
Om gezondheidsschade van sterke elektromagnetische velden te voorkomen heeft een internationale commissie, de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP), blootstellingslimieten opgesteld voor elektromagnetische velden, die ook in Nederland worden gehanteerd. Deze limieten bevatten een ruime veiligheidsmarge, die rekening houdt met kwetsbare groepen, zoals ouderen, kinderen en mensen met een zwakke gezondheid. De veiligheidsmarges zijn vijftig keer lager dan het niveau waarboven gezondheidseffecten kunnen optreden. De ICNIRP beoordeelt hiervoor regelmatig de stand van de wetenschap op het gebied van elektromagnetische velden en gezondheid. Er zijn verschillende blootstellingslimieten voor elektromagnetische velden van verschillende frequenties. Deze limieten gelden voor de frequenties die in de huidige netwerken worden gebruikt en ook voor toekomstige 5G-frequenties. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) houdt het internationale beleid op het gebied van elektromagnetische velden bij en publiceert daar overzichten van. In het meest recente rapport geeft het RIVM een overzicht van het beleid ten aanzien van laagfrequente en radiofrequente elektromagnetische velden in de 28 EU-lidstaten en 7 andere geïndustrialiseerde landen.9
Op grond van het Besluit radioapparaten 2016 en de Europese Radio Richtlijn dienen radioapparaten, zoals mobiele telefoons, voor het op de markt aanbieden te voldoen aan de ICNIRP-limieten. Om aan te tonen dat deze apparatuur veilig is, hanteert de industrie de blootstellingslimieten zoals die beschreven zijn in de Europese normen. Producten met een CE-markering voldoen volgens de fabrikant aan deze normen. Dezelfde eis is ook van toepassing op de eerste ingebruikname van zenders/antennes, zoals voor 5G. Zoals in antwoord op vragen 13 t/m 16 aangegeven houdt het Agentschap hier toezicht op en doet veldsterktemetingen door het gehele land om te controleren of de blootstellingslimieten niet worden overschreden.
Kunt u aangeven hoe deze 5G-normen voor mensen, dieren en natuur zich door de tijd hebben ontwikkeld, in Nederland en in het buitenland?
Zie antwoord vraag 17.
Welke besluiten met betrekking tot de vaststelling of verandering van Nederlandse EMV-normen als gevolg van de uitrol van 5G in Nederland staan het komende jaar op de agenda?
Zie antwoord vraag 17.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om meer wetenschappelijk onderzoek te verrichten naar de gevolgen van (veranderingen in) het gebruik van de telecomfrequenties op mensen, dieren en natuur, alvorens grootschalige uitrol van 5G toe te staan? Zo nee, hoe garandeert u dat er geen schadelijke gevolgen zullen zijn?
Het is belangrijk dat de leefomgeving van mensen gezond en veilig is en ook als zodanig wordt ervaren. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft sinds 2006 ruim 16 miljoen euro geïnvesteerd in wetenschappelijke onderzoeken om te achterhalen of er gezondheidsrisico’s optreden door aanwezigheid van EMV. Uit alle inmiddels afgeronde onderzoeken en Gezondheidsraadadviezen waarin alle literatuur is meegenomen, blijkt echter dat er geen bewijzen hiervoor zijn, zolang de blootstelling beneden de blootstellingslimieten blijft. Dat geldt ook na introductie van het 5G-netwerk. Agentschap Telecom zal toezicht blijven houden op de naleving van de blootstellingslimieten. Alle veldsterktemetingen (EMV) die Agentschap Telecom uitvoert worden ook op genomen in het publiek toegankelijke antenneregister. Tevens zullen de ICNIRP-limieten voor EMV geborgd worden onder de Telecommunicatiewet, zodat het Agentschap hier ook passend toezicht op kan houden. Daarnaast blijf het kabinet de nieuwste wetenschappelijke resultaten op de voet volgen. Ook spelen het Kennisplatform EMV en organisaties als het RIVM, Gezondheidsraad en GGD’en een belangrijke rol in de advisering en ontsluiting van kennis op het gebied van EMV.
De rol die transferverpleegkundigen en transferbureaus spelen in persoonsgerichte zorg |
|
Vera Bergkamp (D66), Rens Raemakers (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief «Maatwerk in de Wlz-zorg thuis»1, waarin u onder meer schrijft over uw inzet op het verbeteren van de informatievoorziening voor transferverpleegkundigen, die in hun dagelijkse werk cliënten begeleiden bij de overgang van een instelling naar hun eigen huis en vice versa?
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel transferverpleegkundigen er in Nederland werkzaam zijn? Hoe heeft dit aantal zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld?
Er is geen goed overzicht van het aantal transferverpleegkundigen en het aantal fte’s. Enkele jaren geleden heeft de afdeling Transferverpleegkundigen van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN) uitvraag gedaan onder de transferpunten. Daar hebben echter niet alle transferpunten aan meegewerkt.
Klopt het dat het merendeel van de transferverpleegkundigen werkzaam is bij transferbureaus in ziekenhuizen? Zo niet, kunt u een procentueel overzicht geven van waar transferverpleegkundigen werken?
Ja, het merendeel van de transferverpleegkundigen is inderdaad werkzaam in ziekenhuizen, maar er is een voorzichtige ontwikkeling in de verpleeg- en verzorgingshuizen en de thuiszorg en psychiatrie. Soms hebben ze een andere functienaam, zoals zorgbemiddelaar. De V&VN heeft nog geen zicht op de precieze werkzaamheden die zij uitvoeren en in hoeverre deze verschillen van de transferverpleegkundigen in het ziekenhuis.
Deelt u de mening dat transferbureaus en transferverpleegkundigen een grote rol kunnen spelen als het gaat om het leveren van een integraal zorgaanbod voor mensen die vanuit een zorginstelling terug naar huis gaan en vice versa?
Ja. De transferverpleegkundigen maken een belangrijk deel uit van de keten in de professionele zorg die geboden wordt in zorginstellingen in Nederland. Om patiënten de mogelijkheid te geven om sneller terug te keren naar de vertrouwde thuisomgeving zonder dat de kwaliteit van zorg in het geding komt is de rol van de transferverpleegkundigen essentieel. De transferverpleegkundige werkt daarbij samen met vervolgzorgaanbieders, zorgverzekeraars en zorgkantoren. Daarbij dient genoemd te worden dat de transferverpleegkundige volledig tot vrijwel volledig werkt voor patiënten vanuit een zorginstelling en niet voor mensen die vanuit huis naar een zorginstelling gaan.
Klopt het dat de meeste transferbureaus van ziekenhuizen enkel op werkdagen tijdens kantooruren geopend zijn? Deelt u de mening dat de diensten die een transferbureau levert juist ook in het weekend en buiten kantooruren nuttig kunnen zijn? Zo ja, bent u bereid om in gesprek te gaan met transferbureaus om te bezien hoe de bereikbaarheid vergroot kan worden?
Uit navraag bij de V&VN over dit onderwerp heb ik het volgende begrepen. De meeste transferbureaus in de zorginstellingen zijn veelal tijdens kantoortijden geopend. Dit heeft er o.a. mee te maken dat de zorgbemiddeling van verzorgings- en verpleeghuizen, de planning van de thuiszorg en bijvoorbeeld ook het Centrum Indicatie Zorgstelling niet buiten kantoortijd te bereiken zijn en in de avonden en weekenden dus geen zorg te organiseren is.
Momenteel zijn er veel transferbureaus in zorginstellingen hun openingstijden wel aan het uitbreiden naar de avonden voor met name de acute zorg vanaf de SEH. Hiermee worden oneigenlijke ziekenhuisopnames voorkomen en wordt er gebruik gemaakt van regionale afspraken voor crisis- en spoedzorg binnen de verpleeghuizen, tijdelijk verblijf of thuiszorg.
Klopt het dat transferbureaus en transferverpleegkundigen voor mensen in een Zvw-instelling, zoals een ziekenhuis of eerstelijnsverblijf, enkel zorg regelen vanuit de Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg, zoals revalidatie, wijkverpleging of (tijdelijk) verblijf in een verpleeghuis?
De meeste zorg vanuit een zorginstelling wordt geregeld vanuit de Zvw en/of de Wlz. Zorg gerelateerd aan een ziekenhuisopname is meestal kortdurend en herstelgericht, maar kan ook palliatief of langdurig/permanent zijn. Ook medicatie, verpleegtechnische hulpmiddelen en tijdelijke hulpmiddelen voor thuis zijn vaak noodzakelijk vanuit het ziekenhuis. Hierin voorziet de Zvw of Wlz.
Er wordt ook soms gebruik gemaakt van zorg en ondersteuning vanuit de Wmo, zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat als transferverpleegkundigen een integraal zorgaanbod willen regelen, zij ook standaard contact dienen te hebben met gemeenten, opdat ook de ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning aansluit bij de zorg vanuit andere domeinen? Zo ja, ziet u mogelijkheden om gemeenten en transferbureaus hierin te ondersteunen, met als doel deze samenwerking te versterken?
Bij transferverpleegkundigen is het bekend dat er een aanbod aan zorgproducten vanuit de WMO geboden wordt, zoals o.a. ondersteunende begeleiding, woningaanpassingen, Wmo-spoed en respijtzorg. Gemeenten hebben hierin op grond van de Wmo 2015 en de Wet publieke gezondheid een taak. Iedere gemeente heeft hierin eigen beleid en afspraken, een zorginstelling heeft meestal met meerdere gemeentes te maken en soms zelfs met zorg door heel Nederland. In de praktijk sluit de termijn van indiceren door de Wmo niet aan bij de snelheid waarin de zorg vanuit een zorginstelling moet worden geregeld, waardoor in zulke situaties Wmo-voorzieningen bijvoorbeeld vanuit de thuissituatie worden opgestart.
Het vergt voor transferverpleegkundigen een grote inspanning om helder te krijgen welke afspraken bij welke gemeente van toepassing zijn en wie hiervoor de contactpersonen zijn. Het lijkt mij daarom belangrijk dat er op lokaal niveau afspraken gemaakt worden tussen zorginstellingen en gemeenten. Ik zal bij de afdeling V&VN Transferverpleegkundigen navraag doen in hoeverre dit gebeurt en indien nodig zal ik in overleg treden met V&VN en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en hen verzoeken hier gezamenlijk afspraken over te maken. Ook zal ik vragen in hoeverre transferverpleegkundigen en de regionale coördinatiefuncties elkaar op enigerlei wijze kunnen versterken.
Overigens wordt op veel plaatsen in Nederland, zoals in Groningen, Drenthe en Amsterdam, gewerkt volgens de transmurale zorgbrug of een vergelijkbaar concept, waarmee een warme overdracht tussen zorginstelling en thuis wordt georganiseerd. Via de vindplaats www.juistezorgopdejuisteplek.nl stimuleer ik de verspreiding van goede voorbeelden.
De huisartsenpost in Limburg die onder druk komt te staan |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Huisartsenzorg onder druk»1 en «Huisartsen vaak hindernis bij stages»?2
Ja.
Is het u bekend dat een dreigend tekort van 200 doktersassistenten in Limburg dreigt?
De uitdaging op het gebied van arbeidsmarkt voor de huisartsenzorg en de gehele sector zorg en welzijn is mij bekend. Ook is mij bekend dat er in Limburg in 2023 een tekort van circa 200 doktersassistenten wordt verwacht als er niets (anders) wordt gedaan en dat er sprake is van een verwacht tekort aan praktijkondersteuners. Het genoemde artikel uit De Limburger verwijst naar onderzoek door het Nivel en Prismant naar landelijke en regionale balans in vraag en aanbod in de huisartsenzorg waar ik vorig jaar samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) opdracht voor heb gegeven. Op 20 december 2018 heb ik het onderzoeksrapport met mijn reactie aan de Tweede Kamer aangeboden.3
Is het u ook bekend dat er een tekort aan praktijkondersteuners dreigt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorgen over de kwaliteit van huisartsenzorg die door het tekort aan doktersassistenten onder druk kom te staan? Zo ja, welke maatregelen neemt u om het tekort van doktersassistenten in Limburg tegen te gaan?
Ik vind het belangrijk dat iedereen overal in Nederland toegang heeft tot de huisarts, ook in regio’s waar de balans in vraag en aanbod verstoord is of dreigt te raken Daar waar dreigt dat een patiënt niet binnen een redelijke tijd toegang heeft tot voldoende en goede huisartsgeneeskundige zorg, heeft de zorgverzekeraar vanuit zijn zorgplicht de verantwoordelijkheid om na te gaan of deze patiënt bij een andere zorgverlener kan worden geholpen. Zorgverzekeraars hebben mij laten weten dat zij deze bemiddelende rol actief uitvoeren om patiënten op korte termijn bij een huisartsenpraktijk te kunnen plaatsen. Zij bieden daarnaast regionaal ondersteuning, gezamenlijk met relevante partijen, bij het oplossen van ervaren problemen van een tekort aan huisartsen. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft mij laten weten ook te zien dat er regionale oplossingen worden ontwikkeld door betrokken partijen, vaak in samenwerking met de zorgverzekeraar.
Indien mensen signalen hebben over de geleverde zorg, kunnen zij zich melden bij het Landelijk Meldpunt Zorg. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan naar aanleiding van deze signalen onderzoek doen en/of de signalen meenemen in haar risico gestuurde toezicht. Navraag bij de IGJ leert dat bij de inspectie tot nu toe geen signalen zijn binnengekomen waarbij een tekort aan doktersassistenten wordt genoemd.
Zoals ik in antwoord op eerdere vragen van lid Ploumen over tekorten aan doktersassistenten heb aangegeven4 geldt voor alle arbeidsmarktregio’s, dus ook voor Limburg, dat ik met de Minister en Staatssecretaris van VWS samen met landelijke en regionale partijen zorgbreed inzet op het terugdringen van de personeelstekorten in zorg en welzijn. De kern van het programma is een regionale aanpak met in iedere regio een actieplan van werkgevers met onderwijs en andere partijen waar naast een focus in instroom van nieuw personeel ook wordt ingezet op behoud van personeel en anders werken. Over de voortgang van dit actieprogramma Werken in de Zorg wordt de Tweede Kamer tweemaal per jaar geïnformeerd, voor het eerst weer in het najaar van dit jaar.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de formele erkenning van het beroep van doktersassistent, nadat u op 12 maart 2019 toezegde hierover met de doktersassistenten in gesprek te gaan?3 Zijn er deze zomer vorderingen gemaakt? Heeft dit gesprek inmiddels plaatsgevonden? Kunt u een toelichting geven over de stand van zaken?
Op 16 augustus en 2 juli ben ik in mijn beantwoording op vragen van het lid Ploumen inzake het tekort aan doktersassistenten6, waarin onder andere wordt gevraagd naar de erkenning van de doktersassistent in de Wet BIG, reeds ingegaan op deze vragen. Ik verwijs dan ook naar de beantwoording van 2 juli jl. op vraag 8 en 9 en naar de beantwoording van 16 augustus jl. op vraag 5.
Tevens verken ik met de sector, waaronder de huisartsenzorg, aanvullende maatregelen tegen agressie. Op 10 oktober a.s. is er een overleg met de NVDA waar o.a. dit aan de orde zal komen.
Hoe vindt u het dat er op de opleiding tot doktersassistenten jaarlijks maar 45 leerlingen kunnen starten als gevolg van een gebrek aan stageplaatsen?
Ik vind het belangrijk dat iedere leerling en student kan rekenen op een stageplek en dat er voldoende ruimte is voor begeleiding. Ook in de opleiding voor de doktersassistent. Daar waar krapte is, is het des te meer van belang dat studenten zich goed oriënteren op het betreffende werkveld. Vanuit VWS steunen we via het Actieprogramma Werken in de Zorg werkgevers in het aanbieden van stages via het Stagefonds (112 mln per jaar) en de scholingsimpuls SectorplanPlus (420 mln voor de periode 2017–2021). Voor stages in het kader van de opleiding tot doktersassistent is binnen het stagefonds een relatief hogere vergoeding beschikbaar om het aanbieden van deze stageplaatsen nog eens extra te stimuleren. Werkgevers kunnen in het kader van SectorplanPlus subsidie aanvragen voor de Beroepsbegeleidende Leerweg (BBL)-variant van de opleiding tot doktersassistent en voor opleidingen van praktijkbegeleiders en trainingen gericht op de nieuwe instroom waarmee ook extra opleidingscapaciteit kan worden gecreëerd.
Het kabinet geeft dus al een forse impuls om dokterspraktijken te ondersteunen bij het aanbieden van voldoende stageplaatsen. Onderzoek door Nivel7 laat zien dat in Limburg het aanbod van stageplaatsen voor doktersassistenten ruim voldoende lijkt om aan de vraag vanuit de opleidingen te voldoen. In de praktijk blijken er echter vaak minder plaatsen te worden aangeboden dan er in theorie beschikbaar zouden zijn. Daarom is het ook belangrijk dat bij de regionale actieplannen – de RAAT’s – vraag en aanbod inzichtelijk worden gemaakt en dat afspraken gemaakt worden om te komen tot een op de behoefte afgestemd aanbod van voldoende en goede stageplekken in de regio.
Bent u het eens dat mogelijk een deel om het tekort aan doktersassistenten in Limburg kan worden teruggebracht door het aantal stageplaatsen voor doktersassistenten te vergroten? Zo ja, bent u van plan zich in te zetten om het aantal stageplaatsen bij dokterspraktijken te vergroten? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Het toenemende aantal signalen dat werkgevers in de zorg vooruitlopen op het (nog niet ingediende en mogelijk nooit ingediend wordende) wetsvoorstel BIG-II |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de signalen dat blijkbaar steeds meer werkgevers in de zorg handelen alsof het concept-wetsvoorstel BIG-II al wet is en onder verwijzing daarnaar bijvoorbeeld verpleegkundigen taken en/of verantwoordelijkheden worden afgenomen dan wel aangepaste vacatures worden opengesteld (beide gepaard gaand met arbeidsvoorwaardelijke consequenties, bijvoorbeeld een lagere inschaling)? Bent u bekend met de signalen dat ervaren verpleegkundigen worden afgewezen voor de vacature «regieverpleegkundige», omdat ze niet aan de criteria voldoen in de overgangsregeling bij het concept-wetsvoorstel?1
Het actiecomité BIG II in overgang heeft mij een document toegestuurd waarin zij voorbeelden aandraagt van ontwikkelingen die zij signaleren op de werkvloer. Ik heb daarvan kennisgenomen. Hoewel de voorbeelden helder zijn, zijn deze voorbeelden niet altijd direct het gevolg van het concept wetsvoorstel BIG II. We zien namelijk in de voorbeelden terug dat bepaalde ontwikkelingen ook het gevolg zijn van gewijzigd beleid van zorgverzekeraars, gewijzigd beleid van zorginstellingen intern dan wel gebaseerd zijn op afspraken die veldpartijen onderling met elkaar maken. Die beleidswijzigingen of veldafspraken zijn niet altijd terug te voeren op het concept wetsvoorstel BIG II.
Ten aanzien van uw vraag of ik bekend ben met signalen dat ervaren verpleegkundigen worden afgewezen voor de vacature «regieverpleegkundige», merk ik op dat dit in beginsel een aangelegenheid is tussen kandidaat en de potentiele werkgever. Het is aan werkgevers functie-eisen op te stellen en te beoordelen of kandidaten daaraan voldoen. Echter, los daarvan, ben ik dankbaar voor iedereen die in de zorg wil werken en zoek dan ook wegen om dat enthousiasme voor werken in de zorg te bevorderen.
Indien dergelijke signalen u niet bekend zijn, bent u dan bereid daarnaar onderzoek te doen verrichten en/of in overleg te gaan met het Actiecomité «BIG II in de overgang», dat dergelijke voorbeelden heeft verzameld?2
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 1. De signalen zijn mij bekend.
Deelt u de mening dat betreffende de (overigens terechte) commotie, die over de overgangsregeling bij uw concept-wetsvoorstel is ontstaan, het terugbrengen van de rust niet gebaat is met acties van werkgevers als hierboven bedoeld en bent u dan ook bereid in de beantwoording van deze vragen het heldere signaal af te geven dat aanpassing van functies, herplaatsing van verpleegkundigen, het lager inschalen van functies, het afwijzen van mensen omdat ze niet aan de criteria van de overgangsregeling voldoen en meer van zulke zaken met een (direct dan wel indirect) beroep op de overgangsregeling bij het concept-wetsvoorstel BIG-II allemaal niet aan de orde kunnen zijn?
Zoals ik heb aangegeven bij de beantwoording van vraag 1 is het maar de vraag of alle aangehaalde voorbeelden een directe link hebben met het concept wetsvoorstel BIG II. Het wetsvoorstel is gebaseerd op een uitdrukkelijke, langgekoesterde wens van veldpartijen. Om die reden voert het te ver om van veldpartijen te vragen in het geheel geen wijzigingen door te voeren betreffende het functiehuis in zorginstellingen. Aanpassingen van het functiehuis binnen zorginstellingen is een continu aandachtspunt en is belangrijk, omdat de te leveren zorg aansluiting dient te vinden bij de zorgvraag van nu en in de toekomst.
Wat vindt u van het bericht dat werkgevers in meerdere gevallen hun medewerkers zouden hebben verboden zich bijvoorbeeld op sociale media over de overgangsregeling uit te laten? Vindt u dat een dergelijke handelwijze past bij de Nederlandse arbeidsverhoudingen in de 21e eeuw? Bent u bereid als Minister afstand te nemen van dergelijk gedrag en daarover een duidelijke uitspraak te doen?3
Het staat iedereen vrij zijn of haar mening over voorgenomen beleid te uiten. In dat kader acht ik het niet passend om mensen te verbieden zich uit te laten over de overgangsregeling.
Wilt u, gelet op bedoelde commotie en het belang van snelle helderheid in dezen, deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bereid het (aangekondigde) wetsvoorstel BIG-II per direct van tafel te halen en (nu van overeenstemming tussen bijvoorbeeld beroepsorganisaties, vakbonden en werkgeversorganisaties geen sprake meer is) de pogingen om te komen tot wettelijke verankering van beroeps- en of functiedifferentiatie te staken?
Zoals ik al eerder heb aangekondigd zie ik het wetsvoorstel rondom de regieverpleegkundige in de huidige vorm niet vliegen. Op dit moment is prof. dr. A.H.G. Rinnooy Kan aan het verkennen welke stappen in dit traject nu wenselijk zijn. Elementen die hierbij aan bod komen zien op de vraag of een wetsvoorstel nodig is, of een CAO-afspraak, of eventueel kwaliteitsstandaarden of dat er andere stappen wenselijk zijn. Ik wacht de resultaten van deze verkenning af en zal dan bezien hoe om te gaan met het concept wetsvoorstel BIG II en op welke wijze ik een rol kan en wil spelen in het vervolgtraject dat partijen voor ogen zien. Ik verwacht het advies van prof. dr. A.H.G. Rinnooy Kan begin oktober 2019.
Het bericht dat hulpverleners afhaken door te lage zorgtarieven |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hulpverlener haakt af door laag zorgtarief Eindhoven»?1
Ja.
Herkent u de signalen dat zorgtarieven voor de begeleiding van cliënten met een persoonsgebonden budget (pgb) niet kostendekkend zijn en hulpverleners daarom geen andere keuze hebben dan te stoppen?
Ik heb uw Kamer op 27 juni 2019 geïnformeerd2 over de wijze waarop verstrekkers, op basis van wet- en regelgeving, de tarieven voor een pgb vaststellen. Ik ben in deze brief ook ingegaan op signalen over tarieven van Per Saldo en MantelzorgNL. In deze brief heb ik aangegeven dat gemeenten bij de uitvoering van de Wmo 2015 passende ondersteuning moeten bieden, waarbij de hoogte van het pgb toereikend moet zijn als een cliënt een pgb wil en kan beheren.
Op grond van de Wmo 2015 dienen gemeenten in de verordening op te nemen hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende voorzieningen. Het vaststellen van een tarief vraagt om een zorgvuldige onderbouwing. Ik hecht eraan dat gemeenten dit doen. Met de VNG zal ik daarom in gesprek treden om te bezien of gemeenten hun tarieven voldoende onderbouwen, zoals de wettelijke kaders impliceren. De pgb-tarieven kunnen door de gemeente periodiek worden aangepast. Gemeenten moeten zich er wel van vergewissen dat budgethouders een toereikend tarief behouden om de benodigde ondersteuning in te kopen. Als de budgethouder het oneens is over een eventuele wijziging, kan deze met de gemeente in gesprek.
De gemeente Eindhoven geeft aan te werken met zowel uurlonen als vaste maandtarieven. Zij geven aan dat als een cliënt ondersteuning nodig heeft, waarvoor de vastgestelde tarieven ontoereikend zijn, er maatwerk wordt geleverd. Hierdoor is het mogelijk intensievere ondersteuning in te zetten. Uit deze toelichting maak ik op dat het lokale beleid is ingericht op het leveren van passende ondersteuning.
Herkent u tevens de signalen dat het verlengen van een pgb zo lang duurt dat de zorg opgeschort moet worden?
Vanaf het moment dat de inwoner bij de gemeente melding maakt van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, heeft de gemeente zes weken de tijd om onderzoek te doen, waarna binnen twee weken een beslissing op de aanvraag volgt. Deze termijnen en werkwijze zijn ook van toepassing voor een pgb-aanvraag en mogen niet worden overschreden. Indien de gemeente voor een zorgvuldig onderzoek langer de tijd nodig heeft, vindt overleg met de aanvrager plaats en kan de termijn na toestemming van de aanvrager worden verlengd. Van gemeenten verwacht ik dat zij wettelijke termijnen in acht nemen.
De gemeente Eindhoven geeft aan dat de organisatie van de toegang sinds 1 januari 2019 anders is ingericht. De wijziging van de organisatie van de toegang heeft helaas tot gevolg gehad dat tijdelijk wachtlijsten voor de toegang tot de Wmo zijn ontstaan, ook voor aanvragen en verlengingen van een pgb. Ik heb hier de afgelopen periode regelmatig contact over gehad met de gemeente Eindhoven. De gemeente heeft effectieve maatregelen genomen. Van de gemeente Eindhoven heb ik begrepen dat de (her)aanvragen die nu worden ingediend, allemaal binnen de wettelijke termijnen worden afgehandeld. Mijn beeld is dat de gemeente Eindhoven de ontstane situatie daarom inmiddels goed in beeld en onder controle heeft.
Maakt u zich ook zorgen over het feit dat pgb-houders door deze situatie de regie over hun leven kwijtraken en niet de zorg en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben als ook dat dat niet de bedoeling kan zijn?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening van de genoemde psychosociaal therapeut dat er sprake is van een «ontmoedigingsbeleid» om pgb-houders over te laten stappen op verzekerde zorg omdat gemeenten hiermee de administratieve last verlagen? Zo nee, waar baseert u dit op?
Ik heb uw Kamer op 2 juli 2019 geïnformeerd3 over de daling van het aantal Wmo pgb’s. In deze brief is aangegeven dat de term ontmoediging te algemeen is, maar dat de cliënt een gesprek met de consulent kan ervaren als het ontmoedigen van een pgb. In het keukentafelgesprek kan bijvoorbeeld de consulent aangeven dat de gemeente een soortgelijk aanbod ook heeft ingekocht in natura. Daarnaast kunnen er op basis van limitatieve weigeringsgronden gegronde redenen zijn waarom cliënten in bepaalde situaties een pgb geweigerd wordt. De gemeente Eindhoven heeft aangegeven het toegangsproces zorgvuldiger te hebben ingericht. In dit proces is aanvullend opgenomen dat een aanvrager een budgetplan opstelt en dat de gemeente grondiger onderzoekt of de aanvrager (of diens vertegenwoordiger) budgetvaardig is.
Acht u het redelijk van hulpverleners te verwachten dat zij de zorg onbetaald doorzetten om te voorkomen dat cliënten met complexe problematiek pardoes zonder hulp komen?
Nee, gemeenten hebben op basis van de Wmo 2015 de wettelijke taak om ondersteuning te bieden als de behoefte op basis van het onderzoek is vastgesteld. Uiteraard mag niet van hulpverleners verwacht worden dat zij de zorg onbetaald doorzetten. Ik verwacht van gemeenten dat zij er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.
Hebben gemeenten het recht het zorgtarief zonder beargumentering te verlagen wanneer de zorgvraag onveranderd blijft?
Zie het antwoord op vraag 2.
Baart het u zorgen dat hulpverleners te moedeloos zijn geraakt om rechtszaak na rechtszaak aan te spannen? Zo ja, welke actie gaat u ondernemen om te voorkomen dat gemeenten pgb-houders onrechtmatig bejegenen?
Ik ontvang op dit moment geen signalen dat gemeenten aansturen op rechtszaken en budgethouders onrechtmatig bejegenen. Mocht dit wel het geval zijn, dan zal ik de betreffende gemeente daarop aanspreken. Momenteel zie ik daartoe echter geen reden.
De voortgang van het behoud van het dossier ‘Sanders’ |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Is inmiddels voldaan aan de toezegging van 16 augustus 2017 dat het dossier «Sanders», dat op 4 oktober 2001 is overgebracht naar het Nationaal Archief, zo snel mogelijk zal worden gedigitaliseerd?1
Ja, de betreffende filmrollen zijn in de periode van april tot en met juli 2018 gedigitaliseerd.
Als dit dossier nog altijd niet is gedigitaliseerd, hoe gaat u er dan voor zorgen dat dit zo snel mogelijk wel gebeurt? Als dit dossier ondertussen wél is gedigitaliseerd, welke delen zijn dan nu toegankelijk?
Nu de filmrollen zijn gedigitaliseerd, zijn ze toegankelijk. Voor het BNV-archief, waarvan het dossier «Sanders» onderdeel is, geldt een beperking op de openbaarheid vanwege de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van nog levende personen. Deze beperking vervalt op 1 januari 2025. Zolang de beperking van kracht is, kunnen verzoeken tot inzage worden gericht aan de algemene rijksarchivaris, die hierover beslist.