Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Ja, deze zorgen deel ik. Desinformatie over de Holocaust kan zich via sociale media snel verspreiden en het onderwijs hierover bemoeilijken. Daarom zet het Ministerie van OCW in op het versterken van mediawijsheid en digitale geletterdheid, zodat leerlingen beter leren omgaan met (des)informatie en de betrouwbaarheid van bronnen kunnen beoordelen.
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Het niet kunnen onderscheiden van een AI-gegenereerde afbeelding van een echte afbeelding hoeft niet direct samen te hangen met een gebrek aan historische basiskennis. Historische basiskennis is wel degelijk zeer belangrijk. Dezedie helpt leerlingen in weerbaarheid tegen desinformatie over de Holocaust. Daarom wordt vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie ingezet op het versterken van kennis over de Holocaust en het ondersteunen van docenten hierbij.
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Dit beeld herken ik voor een deel. Het Ministerie van OCW heeft in 2025 een docentenpeiling laten uitvoeren naar bevorderende en belemmerende factoren bij het geven van holocausteducatie.2 Een deel van de docenten (14%) geeft wel aan dat zij te maken hebben gehad met Holocaustontkenning; voor Holocaustbagatellisering of -verdraaiing is dit 38 procent van de docenten (waarbinnen de helft aangeeft dat dit «heel soms» gebeurt). Ook komt het geregeld voor dat docenten merken dat een leerling des- of misinformatie tot zich heeft genomen: een kwart van de docenten geeft aan dat dit «soms» of vaker gebeurde.
Ons oordeel op basis van deze cijfers is dat des- en misinformatie over de Holocaust een reëel en zorgelijk probleem is, ook al manifesteert het zich niet in alle klassen even sterk en speelt het breder dan alleen op dit onderwerp. De meeste docenten geven aan dat ze dit in hun lessen gebruiken en geen behoefte hebben aan extra ondersteuning.
Dertien procent van de docenten heeft wel behoefte aan ondersteuning bij het omgaan met Holocaustontkenning of -verstoring en 12% bij het omgaan met heftige discussies in de klas. Daarom zet het kabinet via het Nationaal Plan Holocausteducatie in op versterking van holocausteducatie. In september 2025 is vanuit amendement Ceder c.s. II3 een project van start gegaan dat zich richt op gastlessen over antisemitisme, racisme en discriminatie, waarbij persoonlijke verhalen centraal staan. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan antisemitische stereotypen en aan complottheorieën. Ik ben zelf met leraren in gesprek over wat nodig is om dergelijke thema’s en schurende onderwerpen goed te kunnen bespreken in de klas. Ook dragen de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid bij aan de toerusting van leerlingen om om des- en misinformatie te herkennen en kritisch te beoordelen. Daarbij worden docenten onder meer ondersteund via de subsidie Schurende Gesprekken van het Expertisepunt Burgerschap, die scholingsaanbod biedt in het voeren van gesprekken over gevoelige en maatschappelijk beladen onderwerpen in de klas.
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 blijkt dat de helft van de docenten bekend is met de conceptkerndoelen digitale geletterdheid en een kwart hier al mee werkt. De huidige curriculumherziening en -implementatie brengt dit nieuwe leergebied alleen maar nog meer onder de aandacht onder docenten.
Om docenten te ondersteunen is het Expertisepunt Digitale Geletterdheid opgericht. Dit expertisepunt verzamelt en ontsluit bestaande materialen en kan helpen om thema’s zoals online des- en misinformatie beter onder de aandacht te brengen. Daarnaast wordt er via het Expertisepunt Burgerschap scholingsaanbod ontsloten voor docenten voor het voeren van moeilijke gesprekken in de klas, dit kan gaan over polarisatie, maatschappelijke spanningen, maar ook over (online) desinformatie: Scholingsaanbod - Scholingsaanbod Schurende gesprekken. Dit onderwerp vraagt echter blijvende aandacht gezien de snelheid waarmee digitale ontwikkelingen en vormen van des- en misinformatie zich ontwikkelen.
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Met de ontwikkeling van nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid wordt gewerkt aan een stevigere verankering van digitale geletterdheid binnen het onderwijs. Deze kerndoelen bieden scholen en docenten meer handvatten om structureel aandacht te besteden aan mediawijsheid, online informatievaardigheden en het herkennen van des- en misinformatie. Scholen worden daarnaast ondersteund bij de implementatie van de kerndoelen, zodat scholen het leergebied digitale geletterdheid op een passende manier in hun onderwijs kunnen integreren. Op dit moment vind ik nog meer additionele maatregelen daarom niet nodig. Het kabinet blijft de voortgang op dit gebied monitoren en blijft, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, in gesprek met leraren over de implementatie van de kerndoelen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
De mogelijkheid om met AI-toepassingen realistisch ogende beelden te genereren brengt risico’s met zich mee, zeker wanneer het gaat om gevoelige historische gebeurtenissen zoals de Holocaust. AI-gegenereerde beelden kunnen bijdragen aan verwarring, misleiding en bagatellisering van historische feiten. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd raakt dit aan een bredere maatschappelijke ontwikkeling rondom generatieve AI en online desinformatie. Daarom zet het kabinet in op meerdere sporen: het versterken van digitale burgerschap en mediawijsheid via het onderwijs (o.a. met het Regieplan Digitalisering onderwijs), het stimuleren van verantwoord gebruik van AI en effectieve regulering van platforms via de DSA en nieuwe Europese regels rondom AI, en het toewerken naar een digitale publieke ruimte waarin publieke waarden, gebruikersbelangen, keuzevrijheid en democratische weerbaarheid centraal staan.
Tegelijkertijd geldt dat generatieve AI op zichzelf een technologie is met zowel positieve als negatieve toepassingen. Het kabinet acht het daarom van belang om gericht op te treden tegen onrechtmatig gebruik en verspreiding van dergelijke beelden, zonder afbreuk te doen aan fundamentele rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
Indien sprake is van uitingen die kwalificeren als groepsbelediging, aanzetten tot haat of discriminatie, of het opzettelijk bagatelliseren, ontkennen of goedkeuren van de Holocaust op een wijze die strafbaar is onder het Wetboek van Strafrecht, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Daarnaast wordt op Europees niveau gewerkt aan verdere normering van verantwoord AI-gebruik via onder meer de AI-verordening, die onder meer transparantieverplichtingen bevat voor aanbieders van AI-systemen die synthetische audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren. Zij moeten er op grond van de verordening voor zorgen dat de outputs van het AI-systeem worden gemarkeerd als kunstmatig gegenereerd of gemanipuleerd. Met andere woorden: AI-gegenereerde nepbeelden moeten als zodanig herkenbaar zijn.
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Indien AI-gegenereerde Holocaustbeelden worden gebruikt op een wijze die strafbaar is, bestaan verschillende instrumenten om daartegen op te treden. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan sprake zijn van strafbare feiten zoals groepsbelediging (artikel 137c, tweede lid Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (artikel 137d Sr) of andere strafbare vormen van Holocaustontkenning of -bagatellisering.
Het Openbaar Ministerie kan strafrechtelijk onderzoek verrichten en vervolging instellen. Het OM en de politie kunnen bij aangiften of meldingen van strafbare online content een vrijwillig verwijderverzoek richten aan de betreffende hostingdienst of het online platform om content offline te krijgen. Als dat niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken voor zover een aanbieder in Nederland gevestigd is. Geeft een aanbieder geen gehoor aan zo’n bevel, dan vervalt de bescherming tegen strafrechtelijke vervolging uit artikel 54a Wetboek van Strafrecht. Werkt een aanbieder wél mee, dan biedt artikel 54a Sr bescherming tegen strafrechtelijke vervolging. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat, maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijkheid van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten via een internationaal rechtshulpverzoek.
Op grond van de DSA gelden zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten, onder meer gericht op het tegengaan van de verspreiding van illegale content. Hostingdiensten, waaronder online platforms en sociale mediadiensten, moeten onder meer voorzien in mechanismen om personen of entiteiten de mogelijkheid te bieden illegale inhoud bij hen te melden en zij moeten deze meldingen tijdig en adequaat beoordelen en daarover beslissen. Meldingen van zogeheten betrouwbare flaggers dienen met voorrang te worden behandeld. Zo is Meld Online Discriminatie (MOD) onder de DSA als betrouwbare flagger aangewezen. Daarnaast moeten aangewezen zeer grote online platforms (VLOP’s) de zogeheten systeemrisico’s van hun dienst in kaart brengen en mitigeren, waaronder het risico op de verspreiding van desinformatie.
Indien sprake is van niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van de aangewezen zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines geldt dat de Europese Commissie de primaire bevoegde toezichthouder is op de naleving van de DSA. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of tussenhandeldiensten voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Wanneer sociale media-platforms strafbare content verspreiden, kunnen opsporingsinstanties en het OM optreden binnen de bestaande wettelijke kaders. Dat kan in specifieke gevallen leiden tot strafrechtelijke vervolging of verzoeken tot verwijdering van content. Daarnaast zet het kabinet in op een goede toepassing en de effectieve handhaving van de DSA, als belangrijk Europees wettelijk kader voor een veiligere online omgeving, waaronder de daaruit voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichtingen om illegale content en misbruik tegen te gaan en, voor zeer grote onlineplatforms, het beheersen van systeemrisico’s. De verspreiding van desinformatie of AI-gegenereerde nepbeelden, kan zo’n systeemrisico vormen.
Het kabinet blijft in gesprek met platforms over hun verantwoordelijkheid bij de bestrijding van illegale content en desinformatie. Ook heeft het kabinet samen met het onderwijs richtlijnen over het gebruik van sociale media op verschillende leeftijden en in relatie tot school gepubliceerd.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Het kabinet zoekt op het terrein van online content moderatie de dialoog met online platforms. In dit verband is relevant dat in 2023 een publiek-private samenwerking (PPS) is ingericht, onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP), die het gesprek tussen overheid en internetsector faciliteert over onder meer trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. Mijn ministerie verkent, samen met andere departementen, hoe de aanpak van online desinformatie, online discriminatie en antisemitisme hierin kan worden betrokken. Voor wat betreft de DSA, is het aan de bevoegde toezichthouders om toe te zien op de naleving daarvan. Het onderwerp desinformatie staat daarbij, ook op Europees niveau, op de agenda. Signalen over desinformatie en AI-geregenereerde nepbeelden over de Holocaust zijn doorgeven aan de ACM en de Europese Commissie.
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De overlast van invasiewaterplanten |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overlast invasieve waterplanten. «Boosdoeners» én methoden van bestrijding in beeld» in het mei-nummer 2026 van het VISblad?1
Ja
Deelt u de constatering dat invasieve uitheemse waterplanten, zoals de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), zich steeds verder verspreiden in Nederlandse wateren en daarbij inheemse flora en fauna verdringen?
Ja
Kunt u een actueel overzicht geven van de verspreiding in Nederland van invasieve waterplanten, waaronder watercrassula (Crassula helmsii) en grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), en aangeven hoe deze verspreiding zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
Op verspreidingsatlas.nl2 is de verspreiding van een groot aantal soorten (water)planten binnen Nederland door de tijd te volgen. Zowel watercrassula (Crassula helmsii)3 als grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides)4 nemen sterk toe.
Welke ecologische gevolgen hebben deze invasieve waterplanten voor visstanden, waterkwaliteit en biodiversiteit?
De exacte effecten verschillen per gebied en per soort. Sommige invasieve waterplanten kunnen bijvoorbeeld waterlichamen met een dichte mat van stengels en bladeren overgroeien. Hierdoor worden inheemse planten verdrongen, onderwaterplanten sterven af en aanwezige dieren verdwijnen. De dichte matten en het afsterven van grote massa’s waterplanten kunnen leiden tot zuurstofgebrek in het water. Dit heeft een negatieve invloed op andere waterorganismen en kan leiden tot vissterfte.
In hoeverre belemmeren invasieve waterplanten het recreatief gebruik van wateren, waaronder sportvisserij, waterrecreatie en onderhoud van watergangen?
Bij overvloedige groei van invasieve waterplanten kunnen watergangen en waterinlaten verstopt raken. Planten kunnen hinder veroorzaken voor de pleziervaart en recreatieve mogelijkheden zoals zwemmen, duiken en sportvisserij beperken. Het beheer en onderhoud van watergangen wordt bemoeilijkt door verstopping van waterlopen en ophoping van plantenmassa bij kunstwerken, wat kan leiden tot wateroverlast.
Recreatie kan zelf ook een bron van verdere verspreiding van invasieve exoten vormen, doordat (delen van) planten meeliften met bijvoorbeeld scheepsschroeven en visgerei.
Welke rol spelen waterschappen bij de signalering, beheersing en bestrijding van invasieve waterplanten en op welke wijze vindt landelijke coördinatie plaats?
In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten5, dat door voormalig Staatssecretaris Rummenie in januari van dit jaar naar de Tweede Kamer is gestuurd, staat beschreven hoe de aanpak van invasieve exoten in ons land is georganiseerd.
Vanuit hun verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de waterveiligheid, voldoende waterafvoer en een goede waterkwaliteit, monitoren waterschappen actief de aanwezigheid en ontwikkeling van waterplanten. Hierdoor zijn waterschappen vaak de eerste overheden die nieuwe vestigingen van invasieve waterplanten signaleren.
Wanneer invasieve soorten de doorstroming negatief beïnvloeden, kunnen de waterschappen vanuit hun waterbeheertaak maatregelen treffen om verspreiding te voorkomen en schade te beperken, bijvoorbeeld preventieve maatregelen, snelle verwijdering bij nieuwe introducties of beheersing van gevestigde populaties.
De uitvoering van bestrijdings- en beheersmaatregelen van invasieve uitheemse soorten is in Nederland grotendeels gedecentraliseerd naar provincies. Provincies zijn primair verantwoordelijk voor het natuurbeleid en de aanpak van de meeste invasieve uitheemse soorten van de Europese Unielijst, met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
De landelijke afstemming vindt plaats via verschillende overleg- en samenwerkingsstructuren, waaronder interbestuurlijke overleggen tussen Rijk, provincies en waterschappen en gezamenlijke programma’s.
Welke bestrijdings- en beheersmaatregelen worden momenteel toegepast en wat is bekend over de effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen?
Waterschappen en provincies geven aan dat zij diverse methodes toepassen, zoals machinaal en handmatig verwijderen, peilverlaging en machinaal afgraven. Er wordt ook geëxperimenteerd met nieuwe methodes zoals elektrocutie en bevriezen met droogijs.
De effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen zijn in de praktijk echter vaak beperkt. Veel invasieve waterplanten kunnen zich snel herstellen en verspreiden zich via fragmenten, waardoor herhaald beheer noodzakelijk is. Bestrijding leidt zelden tot volledige uitroeiing en het langdurig treffen van beheersmaatregelen blijft vaak nodig. Om die reden wordt veelal ingezet op het beperken van schade en risico’s in plaats van volledige eliminatie.
Zijn er volgens u voldoende financiële en personele middelen beschikbaar bij waterschappen en andere beheerders om de problematiek van invasieve waterplanten effectief aan te pakken?
In het kader van het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is over specifieke invasieve exoten die de waterschappen aangaan (waaronder invasieve uitheemse waterplanten) tussen LVVN, provincies en de Unie van Waterschappen (UvW) ambtelijk afstemming geweest. Voor waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
De aanpak van invasieve waterplanten vraagt om een structurele inzet van financiële en personele middelen. Hoewel waterschappen en andere beheerders zich actief inzetten, staan deze middelen in de praktijk onder druk. Bestrijding is arbeidsintensief, langdurig en moet vaak worden herhaald, terwijl de effectiviteit van maatregelen beperkt kan zijn. In de praktijk wordt de inzet gericht op prioritering en het beheersen van de grootste risico’s.
Ik heb geen zicht op de financiële en personele middelen bij beheerders. Waterschappen hebben echter aangegeven in 2024 € 6,1 mln. uitgegeven te hebben aan de bestrijding van invasieve waterplanten, uitgevoerd door externe partijen. Ten algemene geldt dat LVVN en provincies vanuit het natuurbeleid (waaronder het exotenbeleid) afspraken maken over prioritering en de aanpak van invasieve exoten, met daarbij de ambities per soort en een financieringsopgave voor de komende vier jaar. Deze afspraken zijn opgenomen in het aanvalsplan invasieve exoten. Met de beschikbare middelen wordt prioriteit gegeven aan preventie en vroegtijdige detectie en eliminatie van invasieve exoten waarvoor eliminatie het doel is. Daarnaast heb ik dit jaar specifiek voor de aanpak van invasieve waterplanten in natuurgebieden door provincies € 6,5 mln. euro gereserveerd op de LVVN-begroting, om in een aantal natuurgebieden een eerste start te maken.
In hoeverre draagt de verkoop van potentieel invasieve waterplanten via tuincentra en webshops bij aan verdere verspreiding in het Nederlandse watersysteem?
Van een aantal invasieve waterplanten is bekend dat ze in het verleden verhandeld werden in de vijver- en aquariumhandel. Hoewel de handel in soorten van de Europese Unielijst van zorgwekkende invasieve exoten (verder: Unielijst) inmiddels is verboden, worden nog steeds waterplanten aangeboden waarvan bekend is dat ze onder bepaalde omstandigheden invasief kunnen worden. De handel heeft dus bijgedragen aan de aanwezigheid van invasieve waterplanten in Nederland. Daadwerkelijke introductie in het milieu gebeurt veelal door bewust of onbewust weggooien van invasieve vijver- of aquariumplanten door consumenten. Verdere verspreiding kan vervolgens op uiteenlopende manieren plaatsvinden, onder andere door werkzaamheden en recreatie. Vanuit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten worden daarom acties voorbereid die gericht zijn op preventie en bewustwording van onder andere consumenten en tuinbranche.
Kunt u toelichten hoe Nederland uitvoering geeft aan de Europese exotenverordening (Verordening (EU) nr. 1143/2014) voor wat betreft invasieve waterplanten?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd, binnen Nederland en in Europees verband. Het bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid.
Rijk, provincies en waterschappen werken samen om invasieve exoten aan te pakken. Ze hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheden. Het Ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor nationaal beleid op het gebied van natuur en biodiversiteit en systeemverantwoordelijk voor het exotenbeleid. Met betrekking tot invasieve exoten vallen onder de verantwoordelijkheid van LVVN taken zoals preventie, onderzoek, monitoring, communicatie, toezicht en handhaving, risicobeoordelingen, rapportage aan Brussel.
Uitvoering van het natuurbeleid is in Nederland in 2012 grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Na de inwerkingtreding van de Exotenverordening is vervolgens in 2018 ook de verantwoordelijkheid voor het treffen van bestrijdings- en beheersmaatregelen tegen de meeste invasieve exoten van de Unielijst gedecentraliseerd naar de provincies. Provincies zijn ook verantwoordelijk voor herstelmaatregelen in natuurgebieden met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
Het Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt over het ambitieniveau per soort van de Unielijst. Voor een aantal soorten van de Unielijst is artikel 17 van de Europese Exotenverordening van toepassing. Dit zijn soorten die nog niet in Nederland voorkomen of in een vroeg stadium van invasie zijn en waarvoor een eliminatiedoelstelling geldt. Soorten die wijdverspreid zijn, zijn meestal niet meer volledig te verwijderen en vallen onder artikel 19 van de Europese Exotenverordening. De Exotenverordening schrijft voor dat lidstaten beheersmaatregelen moeten treffen tegen deze soorten. Lidstaten hebben beleidsruimte om zelf te bepalen hoe zij hier invulling aan geven.
De goede ecologische waterkwaliteit conform de Kaderrichtlijn Water (KRW) valt onder de systeemverantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW. In de Rijkswateren is de uitvoering van deze taak belegd bij Rijkswaterstaat (RWS).
De waterschappen zien toe op het functioneren van het waterbeheer in regionale wateren. Beheer vindt plaats vanuit hun taken op gebied van waterbeheer (aan- en afvoer) en waterkwaliteit (KRW). Voor invasieve waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
Klopt het dat verbodsbepalingen uit de Europese exotenverordening uitsluitend gelden voor soorten die zijn opgenomen op de zogeheten Unielijst en dat invasieve uitheemse soorten die niet op deze lijst staan nog steeds verhandeld mogen worden?
Ja. Wel geldt sinds 2022 in Nederland ook een nationaal handelsverbod voor drie Aziatische duizendknopen. Deze staan sinds augustus 2025 ook op de Unielijst.
Acht u het wenselijk dat ernstig schadelijke invasieve waterplanten die (nog) niet op de Unielijst staan nationaal beperkender worden gereguleerd, bijvoorbeeld via verkoopverboden of aanvullende beheersmaatregelen?
Voor soorten die (nog) niet op de Unielijst staan kan overwogen worden om een nationaal handelsverbod in te stellen. In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten staat dat een mogelijk nationaal handelsverbod op «typisch Nederlandse» invasieve exoten, waaronder de gele bieslelie, wordt verkend. De gele bieslelie staat deels in het water, meestal op de oever, maar ook op de hogere droge delen.
Een handelsverbod kan een effectieve maatregel zijn om nieuwe introducties binnen Nederland tegen te gaan. Hier dient wel een goede onderbouwing aan ten grondslag te liggen. Een nationaal handelsverbod kan ook uitwerking hebben op het ónopzettelijk verspreiden of importeren van deze invasieve exoten. Zoals in het geval dat de invasieve exoot of delen daarvan (zaden, stengel- of worteldelen) onopzettelijk meelift in andere producten of materialen (zoals potplanten, grond of bagger).
Hoe zijn de verantwoordelijkheden op het terrein van invasieve waterplanten verdeeld tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en leidt deze verdeling in de praktijk tot knelpunten in de aanpak?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Welke rol spelen maatschappelijke organisaties, waaronder hengelsportorganisaties en natuurbeheerders, bij het signaleren en bestrijden van invasieve waterplanten?
Deze organisaties kunnen bijdragen aan het signaleren, melden en vrijwillig bestrijden van invasieve waterplanten. Samenwerking tussen waterbeheerders en deze partijen is van groot belang omdat invasieve waterplanten zich makkelijk via het water kunnen verspreiden. Deze organisaties hebben een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van verdere verspreiding via onzorgvuldig gebruik of onderhoud van onder meer scheepshuiden, -schroeven, ballastwater of visgerei.
Wordt het effect van bestrijding en beheer van invasieve waterplanten structureel gemonitord en zo ja, hoe worden deze resultaten gebruikt voor beleidsverbetering?
Er vindt monitoring van verspreiding plaats via een landelijk systeem waarin de kennisorganisaties een belangrijke rol spelen. De resultaten van deze monitoring worden gebruikt om verspreiding en effectiviteit van maatregelen te volgen, beheerstrategieën en prioriteiten bij te stellen en beleid gericht te verbeteren. Monitoring en kennisuitwisseling vormen daarmee een essentieel onderdeel van de doorontwikkeling van het exotenbeleid. Ik ben in overleg met provincies over het ontwikkelen van een online tool waarmee de verspreiding, de bestrijding en het beheer van invasieve exoten en het effect van die aanpak structureel gemonitord gaat worden. Invasieve waterplanten kunnen hier ook een plek in krijgen. Ik ben van plan om voor de ontwikkeling middelen vrij te maken, als een van de maatregelen uit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten. De waterschappen monitoren de invasieve waterplanten in het kader van de Bedrijfsvergelijkingen. Deze cijfers worden gebruikt voor het volgen van trends en ontwikkelingen ten behoeve van het eigen beheer.
Bent u bereid te komen tot een nationale strategie voor invasieve waterplanten, waarin preventie, handel, bestrijding, verantwoordelijkheidsverdeling en samenhang met doelen uit de Kaderrichtlijn Water expliciet worden betrokken?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten dat in januari 2026 door Staatssecretaris Rummenie naar de Tweede Kamer is gestuurd beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd (binnen Nederland en in Europees verband), welke acties genomen gaan worden om de aanpak te versterken en welke financiële consequenties daaraan verbonden zijn. Het aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid. De aanpak van invasieve waterplanten vormt hier een integraal onderdeel van. Onderliggend doel van het exotenbeleid en van het aanvalsplan is de nadelige gevolgen van invasieve exoten voor de biodiversiteit en voor ecosysteemdiensten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. Daarbij draagt het aanvalsplan direct en indirect ook bij aan andere maatschappelijke doelstellingen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Erkent u dat snelgroeiende waterplanten in onder andere het Markermeer en de Randmeren leiden tot onveilige situaties voor watersporters en zwemmers?
Het is mij bekend dat watersporters en zwemmers hinder kunnen ondervinden van waterplanten en dat dit in sommige gevallen kan leiden tot onveilige situaties.
Hoe beoordeelt u het feit dat boten regelmatig vastlopen en zelfs reddingsboten hinder ondervinden van waterplanten?
Dat is vervelend, maar niet altijd te voorkomen. Inheemse waterplanten maken deel uit van en dragen bij aan een gezond ecosysteem.
Kunt u aangeven hoe vaak hulpdiensten, zoals de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM), moeten uitrukken vanwege problemen met waterplanten en hoe deze trend zich ontwikkelt?
Hierover zijn binnen mijn ministerie geen cijfers bekend.
Bent u bereid om met de KNRM in gesprek te gaan over de overlast van waterplanten zodat voorkomen kan worden dat ze onnodig veel moeten uitrukken.
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaarwegen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Ik zie daarin geen rol voor mij weggelegd.
Deelt u de zorg dat watersporters soms risicovolle handelingen verrichten om hun schroef vrij te maken, met mogelijk levensgevaarlijke situaties tot gevolg?
Dat is zorgelijk, maar het is ook de eigen verantwoordelijkheid van de recreant om eventuele waterplanten op een veilige manier te verwijderen.
Waarom worden waterplanten voornamelijk gemaaid in hoofdvaargeulen, terwijl recreatiegebieden en zwemlocaties relatief onbehandeld blijven?
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaargeulen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Beheersing van waterplanten is erg intensief en daardoor kostbaar. Bovendien zijn inheemse waterplanten onderdeel van en dragen ze bij aan een gezond water ecosysteem. Daarom moeten keuzes worden gemaakt waar welke inzet op wordt gepleegd. Waterplanten worden in de praktijk vooral door vaarwegbeheerders gemaaid in hoofdvaargeulen omdat hier doorstroming, waterafvoer en veiligheid leidend zijn. Het vrijhouden van deze geulen is noodzakelijk om het waterbeheer te kunnen uitvoeren en om risico’s voor wateroverlast en scheepvaart te voorkomen.
Welke concrete maatregelen neemt u om de veiligheid buiten de hoofdvaargeulen te verbeteren, waar juist veel recreanten aanwezig zijn?
Dit valt niet onder mijn verantwoordelijkheid als Minister van LVVN, maar is primair een taak van de waterbeheerders.
De artikelen 'Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af' en 'Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië' |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af»1 en «Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de opstelling van de directeur van de Biënnale die stelt dat de Biënnale boven geopolitieke conflicten staat en dat kunst de dialoog op gang brengt?
Het kabinet gaat niet in op uitspraken van de directeur van een autonome culturele instelling. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de aanwezigheid van Rusland ten zeerste veroordeeld, net als vele andere Europese Ministers. Tegelijkertijd is het evenement benut om steun te betuigen aan Oekraïne.
Is over de aanwezigheid van het Koninklijk paar bij de opening een bewust besluit genomen waar u als Minister van Buitenlandse Zaken bij betrokken was? Zo ja, is kunt u toelichten wat uw afweging was om hiermee in te stemmen?
Er is afstemming geweest binnen het kabinet over de aanwezigheid van het Koninklijk Paar en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij de opening van het Nederlandse paviljoen voorafgaand aan de opening, gezien het zestigste jubileum van de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale. Er was geen Nederlandse delegatie aanwezig bij de algemene opening van de Biënnale.
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne. Zo hebben het Koninklijk Paar en de Minister een ontmoeting gehad met de Oekraïense Minister van cultuur.
Tegelijkertijd is de Biënnale één van de belangrijkste evenementen op de internationale culturele agenda. De Biënnale is in essentie het platform van kunstenaars, waarbij artistieke vrijheid belangrijk is. Die vrijheid moeten we beschermen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is er ook geweest om dat te benadrukken.
Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen en tegelijkertijd te blijven benadrukken dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren.
Deelt u de zorg dat de aanwezigheid van het staatshoofd bij de opening van een evenement waar tegelijkertijd officiële, door het Kremlin gefinancierde kunst te zien is, onbedoeld een signaal van legitimering of normalisering van de Russische aanwezigheid kan afgeven?
Zoals eerder benoemd is deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen voor Nederland onaanvaardbaar. Daarom heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, samen met 21 andere Europese cultuurministers en in afstemming met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een protestbrief gestuurd aan de organisatoren van de Biënnale en een verklaring ondertekend vanuit Oekraïne tegen de deelname van Rusland. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne.
Er zijn daarnaast verschillende maatregelen genomen om interactie met Rusland te voorkomen in overeenstemming met bestaand beleid. Uiteraard waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending vanzelfsprekend niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl. Ook heeft Nederland niet deel genomen aan de algemene opening van de Biënnale op 9 mei jl. Daarnaast heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in haar openingsspeech van het Nederlands paviljoen ook nog expliciet aangegeven dat de Russische deelname aan de Biënnale voor Nederland onacceptabel is.
Hoe rijmt u de aanwezigheid van het staatshoofd met het Nederlandse beleid om Rusland internationaal zoveel mogelijk te isoleren zolang de agressieoorlog in Oekraïne voortduurt?
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen, Oekraïne te ondersteunen en tegelijkertijd aan te geven dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren. Ook werd elk contact vermeden met de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending. Tevens waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl.
Als de Biënnale boven geopolitieke conflicten gaat, hoe rijmt u dat dan met de opstelling van de jury om geen prijzen toe te kennen aan landen die door het Internationaal Strafhof worden beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de deelname van Rusland aan de Biënnale, een land dat een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, sinds 2022 om die reden is uitgesloten van deelname en nu deelneemt met een volledig door de Russische regering gefinancierde delegatie kunstenaars?
Zoals eerder benoemd is deelname vanuit Rusland aan internationale culturele evenementen onaanvaardbaar. Hierover heeft Nederland zich uitgesproken, zie hiervoor vraag 4.
Wat zegt u dit over hoe Italië kijkt naar de Russische oorlog in Oekraïne, aangezien ook bij de paralympics in Milaan opeens Russische sporters weer onder Russische vlag mochten deelnemen? Is dit onderwerp van gesprek met uw Italiaanse counterpart?
Italië is gastland van de Biënnale en afgelopen jaar van de Paralympics. Beide events worden georganiseerd door onafhankelijke organisaties, namelijk het bestuur van de Biënnale en het Internationaal Paralympisch Comité (IPC). De internationale sport en cultuursector opereren autonoom. Besluiten van internationale sportfederaties of cultuurinstellingen over deelname aan internationale evenementen zijn in beginsel aan hen, en die autonomie hebben wij te respecteren.
Italië heeft ook haar onvrede uitgesproken over deelname van Rusland aan de Biënnale en de paralympics en heeft het bestuur van de Biënnale en het IPC opgeroepen het besluit te herzien, in overeenstemming met andere landen en de Europese Commissie. Verder heeft zij ook aangegeven als gastland in gesprek te zijn met beide organisaties en na te gaan in hoeverre zij druk kunnen uitoefenen om tot herziening van besluit te komen. Over beide evenementen heeft Nederland in nauw contact gestaan met Europese partners inclusief Italië.
Deelt u de analyse dat in het huidige autocratische Rusland kunst en cultuur nooit losstaan van de staat, maar juist door het Kremlin worden ingezet als instrument voor (binnenlandse) propaganda en het normaliseren van een paria-status?
Het kabinet deelt de analyse dat het Kremlin kunst en cultuur actief inzet als instrument van de staat. Onder president Poetin is de ruimte voor onafhankelijke kunst en cultuur sterk ingeperkt en worden grote, door de staat gesteunde instellingen en projecten nadrukkelijk gebruikt voor binnenlandse propaganda, imperiale beeldvorming en het legitimeren van het huidige beleid.
Tegelijk is het belangrijk te onderstrepen dat niet alle Russische kunstenaars en culturele instellingen met het regime vereenzelvigd kunnen worden. Er zijn nog altijd onafhankelijke en kritische stemmen, zowel binnen Rusland als in de ballingschap. Onder grote druk en risico’s blijven zij hun werk voortzetten.
Deelt u de mening dat het toestaan van een officiële Russische delegatie ontmoedigend is voor de Oekraïense bevolking die vecht voor hun en onze vrijheid, omdat Rusland hiermee als een gelijkwaardige partner wordt behandeld?
Oekraïne heeft delegaties van andere landen actief verzocht om aanwezig te zijn bij de Biënnale, om een tegengeluid te geven aan de Russische deelname. Nederland heeft mede daarom ervoor gekozen om aanwezig te zijn en Oekraïne in hun oproep te steunen.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor het opschorten van Europese subsidies aan de Biënnale zolang een officiële Russische delegatie wordt toegelaten, in lijn met de eerdere waarschuwing van de Europese Commissie?
De Commissie heeft in de Raad Buitenlandse Zaken van april aangegeven dat het besloten heeft om de EU-financiering aan de Biënnale stop te zetten. Zoals eerder benoemd betreurt Nederland de deelname van Rusland aan de Biënnale. Nederland heeft het bestuur van de Biënnale in EU-verband opgeroepen het besluit om Rusland toe te laten te herzien.
Het bericht dat mensen in Dordrecht-West vaker longkanker krijgen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» van de GGD Zuid-Holland Zuid?1
Het kabinet vindt het zorgelijk dat uit het rapport van de GGD Zuid-Holland Zuid «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» blijkt dat in meerdere buurten van Dordrecht-West meer longkanker voorkomt dan het landelijke gemiddelde. Het kabinet begrijpt daarom de zorgen van de bewoners over hun gezondheid. Gezondheidsschade door schadelijke emissies in de leefomgeving moet zo veel mogelijk worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het alarmerend is dat bij bewoners van Dordrecht-West longkanker zo vaak voorkomt?
Het rapport bevat een belangrijk signaal. Het is ernstig dat longkanker bij bewoners van Dordrecht-West vaker voorkomt dan het landelijk gemiddelde. Het is goed dat de GGD hier aandacht voor vraagt. Het kabinet neemt dit signaal serieus. Het onderzoek wijst op blootstelling aan schadelijke stoffen in het verleden, waaronder op het werk, en op schadelijke emissies in het heden en op leefstijlfactoren, waaronder roken. Gelukkig is de situatie op het werk en in de leefomgeving sterk verbeterd ten opzichte van het verleden en is er breed ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken. Het kabinet werkt aan een gezonde leefomgeving en stuurt zoveel mogelijk op een verbetering van de leefstijl, onder meer door het ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken.
Op hoeveel andere plekken in Nederland lopen bewoners gezondheidsrisico door luchtvervuiling door onder meer industrie?
Het is niet precies te zeggen op hoeveel plaatsen in Nederland de situatie vergelijkbaar is met die in Dordrecht-West. Het RIVM meet in samenwerking met GGD’en en Omgevingsdiensten op een aantal plekken verspreid door Nederland de luchtkwaliteit. Informatie uit de metingen en uit berekeningen zijn openbaar te vinden op de websites van het luchtmeetnet2 en de Atlas Leefomgeving3. Het is bekend dat luchtvervuiling de belangrijkste van alle milieufactoren is die de gezondheid negatief beïnvloedt. Naast milieufactoren dragen ook persoonsgebonden factoren en gedrag bij. Volgens berekeningen van het RIVM veroorzaakt luchtverontreiniging ongeveer 3,4% van de ziektelast in Nederland4.
Overal is de situatie anders en is die in het verleden ook anders geweest. De invloed van luchtverontreiniging is groter op plaatsen met veel verkeer en industrie in Nederland en waar emissies uit verschillende bronnen, onder meer uit de industrie, samenkomen. Voorbeelden zijn de IJmond en de regio Rotterdam.
De luchtkwaliteit in Nederland voldoet aan de op dit moment geldende EU-normen, en is daarmee op veel plekken op een goed niveau. Deze normen liggen momenteel nog boven het gezondheidskundig meest wenselijke niveau, zoals deze zijn vastgelegd in de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)5. Vanaf 2030 gelden dan ook nieuwe, aangescherpte grenswaarden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht, als gevolg van de in 2024 herziene richtlijn Luchtkwaliteit. Deze normen liggen een stuk dichter bij de advieswaarden van de WHO. Het is de inzet van het kabinet om in 2030 overal in Nederland aan deze nieuwe grenswaarden te voldoen. Daardoor zullen de gezondheidsrisico’s van luchtvervuiling verder afnemen.
Binnen Nederland werken sinds 2020 152 overheden (139 gemeenten, alle provincies en het Rijk) samen aan het Schone Lucht Akkoord (SLA). Doel is om 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 te bewerkstelligen, met name door het verlagen van emissies van luchtvervuilende stoffen, ook als al aan de huidige grenswaarden wordt voldaan. Elke twee jaar wordt door het RIVM gemonitord of de doelen van het Schone Lucht Akkoord binnen bereik liggen. Uit de laatste «voortgangsmeting», uit 20246, blijkt dat Nederland op koers ligt om de meeste doelen van het SLA te bereiken (met uitzondering van enkele sectorspecifieke doelen). Belangrijke voorwaarde bij deze resultaten is dat hierbij wel ervan uit wordt gegaan dat het beleid dat zowel in het SLA als in de klimaat- en stikstofaanpak is geformuleerd, doorgang vindt7. In 2026 komt er weer een nieuwe voortgangsmeting uit.
Hoe gaat u de aanbevelingen van de GGD Zuid-Holland Zuid opvolgen, graag specificeren per aanbeveling?
De GGD Zuid-Holland Zuid doet aanbevelingen, gericht op a) het verder verlagen van de emissies van vervuilende stoffen rond Dordrecht-West, b) aanvullende maatregelen in de woningen, zoals filters in ventilatiesystemen, c) maatregelen gericht op een prettige, gezonde en verkoelende leefomgeving, en d) maatregelen om roken te ontmoedigen. De gezamenlijke overheden geven hier op de volgende wijze invulling aan:
Deze aanpak richt zich op het meer houvast bieden voor het Rijk, provincies en gemeenten voor het treffen van maatregelen voor een gezonde luchtkwaliteit in zwaarder belaste gebieden, zoals omwonenden bij industrie.
Een door de GGD geopperde verlaging van de maximumsnelheid naar 80 kilometer per uur op de A16 en de N3, zal waarschijnlijk slechts een zeer beperkte invloed hebben op de luchtkwaliteit in Dordrecht-West. Emissies van personenauto's en vrachtverkeer op wegen met een maximumsnelheid van 100 km/u, zoals de A16 en de N3, verschillen niet of nauwelijks van emissies op wegen met een maximumsnelheid van 80 km/u8. Emissies van het wegverkeer zijn de afgelopen jaren flink gedaald, en met name emissies van NOx zullen in de komende jaren nog verder dalen. De concentraties van NO2 en fijnstof rond de A16 en N3 voldoen aan de huidige grenswaarden.
In 2030 zullen er op grond van de in 2024 herziene EU-richtlijn Luchtkwaliteit strengere grenswaarden gelden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht. Overheden nemen continu maatregelen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Om overal in Nederland aan deze nieuwe normen te kunnen voldoen, is richting 2030 nog extra inzet nodig. Dit zal ook ten goede komen aan de gezonde leefomgeving. Op dit moment wordt bekeken welke maatregelen dat kunnen zijn.
In het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden9, wordt via de verkenning positieve financiële prikkels in algemene zin onderzocht of het mogelijk is om bovenwettelijke maatregelen te nemen voor het terugdringen van negatieve gezondheidseffecten door de industrie financieel te ondersteunen. Het feit dat de GGD Zuid-Holland Zuid deze maatregelen als effectief aanwijst, zal in dit onderzoek worden meegenomen.
Welke stappen worden er gezet om ervoor te zorgen dat de kans op longkanker in Dordrecht niet langer boven het landelijke gemiddelde blijft?
De maatregelen die genomen worden in het kader van het Schone Lucht Akkoord en het halen van de aangescherpte grenswaarden uit de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit zullen de ziektelast van luchtverontreiniging in de nabije toekomst laten dalen. Dankzij die aanpak zullen mensen in Nederland, ook in Dordrecht-West, uiteindelijk langer en langer gezond leven.
Het is verder belangrijk te constateren dat mensen in lagere leefomgevingskwaliteit meer kans hebben op gezondheidsschade. Het is alle overheden er veel aan gelegen de gemiddelde leefomgevingskwaliteit in Nederland te verbeteren. De Omgevingswet is met deze insteek vormgegeven en dwingt alle overheden om expliciet rekening te houden met de gezondheid van hun inwoners. Ook in Dordrecht-West zal een verbetering van de leefomgevingskwaliteit gezondheidswinst opleveren.
Daarnaast zet het kabinet zich actief in om roken en vapen onder jongeren terug te dringen via voorlichting, normcampagnes, rook -en reclameverboden en beperking van verkooppunten. In algemene zin daalt het aantal rokers in Nederland al jaarlijks, helaas is het effect daarvan op het aantal mensen met longkanker pas na vele jaren merkbaar.
Het onderzoek van de GGD Zuid-Holland Zuid in Dordrecht-West, uitgevoerd in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) past in deze inzet. De thema’s waaraan het programma NPLV werkt in Dordrecht-West zijn het verkleinen van gezondheidsachterstanden en het investeren in goede woningen en een verbetering van de fysieke leefomgeving. Zowel landelijk als lokaal wordt aan deze uitdagingen gewerkt.
Als laatst heeft de gemeente Dordrecht de verantwoordelijkheid om onder de Wet Publieke Gezondheid elke vier jaar een nota gezondheidsbeleid op te stellen waarin de gezondheid van de inwoners wordt bevorderd.
Welke stappen gaat u zetten om in het algemeen de kans op kanker in dit soort wijken, met veel luchtverontreiniging, te verlagen?
Zie het antwoord op vraag 4a en 5.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Mpanzu Bamenga (D66), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de schepen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht.
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Het standpunt van het kabinet is dat de exclusiviteit van rechtsmacht van de vlaggenstaat op volle zee met zich mee brengt dat niet zonder (voorafgaande) toestemming van de vlaggenstaat handhavend kan worden opgetreden tegen vreemde (koopvaardijschepen en daarmee gelijkgestelde) schepen op volle zee. Het internationaal recht erkent enkele uitzonderingen hierop, die volgens het kabinet niet van toepassing waren op de huidige situatie. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten. Ook heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden. Verder heeft het kabinet aan de Griekse en Cypriotische autoriteiten verzocht Nederlandse deelnemers aan de Flotilla in nood desgevraagd bij te staan.
Verder ligt in algemene zin de verantwoordelijk voor de veiligheid van zeevarenden op internationale wateren, afhankelijk van de situatie, primair bij de vlaggenstaat of kuststaat, naast de rol van de kapitein en de eventuele reder. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Ja. Het kabinet deelt de zorgen over de beperkte humanitaire toegang. In Gaza zijn tekorten aan vrijwel alles, van voedsel en water tot medische zorg en onderdak. Tegelijkertijd zien we dat de grensovergangen slechts zeer beperkt geopend zijn, en dat hulporganisaties zich geconfronteerd zien met restricties die hun operaties ernstig bemoeilijken.
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
Het kabinet zet zich in om de situatie in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever te verbeteren, en doet dit door een combinatie van druk en dialoog in zowel bilateraal als multilateraal verband. Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van februari 2026 onderstreept dat de ontwikkelingen in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever als gevolg van Israëlisch handelen het nodig kunnen maken om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen opnieuw te agenderen. In de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. werd duidelijk dat er voor maatregelen, zoals het (gedeeltelijk) opschorten van het associatieakkoord, vooralsnog niet de benodigde meerderheid bestaat. Op 22 mei jl. heeft de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de Nederlandse inzet op dit vlak nogmaals benadrukt. Diverse moties indachtig blijft het kabinet toewerken naar draagvlak hiervoor.
Op gebied van humanitaire hulp in het bijzonder, blijft het kabinet er bij Israël op aandringen om professionele hulporganisaties, zoals de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s ongehinderde humanitaire toegang te verschaffen. Ook hier oefent Nederland druk uit op alle niveaus, zowel bilateraal als multilateraal. In dit kader blijft het kabinet zich ervoor inspannen dat Israël zijn herregistratieplicht voor internationale ngo’s niet implementeert. Zo heeft de Minister-President zijn gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moet openstellen voor humanitaire hulp. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft dit nogmaals benadrukt in het gesprek met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 15 april jl.
De bekladding van het Nationaal Monument op de Dam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bekladding van het Nationaal Monument op de Dam met rode verf, vlak voor de Nationale Dodenherdenking?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze daad, mede gezien de symbolische waarde van het monument en het moment waarop deze plaatsvond?
Bekladding is verboden en onacceptabel. Dat keur ik uiteraard af. Dat geldt zeker in dit geval nu aan het Nationaal Monument op de Dam vernielingen zijn aangericht. Naast een monumentale status heeft dit ook een grote inhoudelijke betekenis voor Nederland, zeker zo vlak voor de nationale dodenherdenking op 4 mei. Onze rechtsstaat biedt burgers genoeg alternatieve mogelijkheden om een mening te uiten. Dat uiteindelijk om 20.00 uur de herdenking toch door kon gaan als gepland, is dankzij het werk van velen.
Hoe is het mogelijk dat een nationaal monument op een dergelijk gevoelig moment niet afdoende beveiligd is gebleken en deelt u de mening dat dit in het vervolg anders aangepakt moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
De burgemeester is bevoegd tot het nemen maatregelen ter handhaving van de openbare orde. In de gemeente Amsterdam heeft de gemeenteraad aan de burgemeester de bevoegdheid gegeven om ter handhaving van de openbare orde camera’s in te zetten ten behoeve van toezicht op openbare plaatsen (art. 151c Gemeentewet). De burgemeester van Amsterdam heeft in vervolg daarop gebieden aangewezen waar cameratoezicht kan plaatsvinden. Het Nationaal Monument staat in een dergelijk gebied en er zijn twee camera’s op de Dam geplaatst.
In hoeverre was er vooraf rekening gehouden met het risico op dergelijke acties, mede gezien eerdere incidenten en maatschappelijke spanningen?
De burgemeester is het lokaal gezag en legt verantwoording af aan de gemeenteraad. De gemeente Amsterdam heeft mij desgevraagd laten weten dat er vooraf geen enkele informatie was die erop wees dat het Monument op de Dam beklad zou worden. Dat is ook niet eerder voorgekomen voorafgaand aan de nationale herdenking. Er was geen aanleiding om aanvullend op het huidige toezicht permanente bewaking van het Nationaal Monument op de Dam in te stellen. De driehoek heeft zich voorbereid op een waardige en veilige herdenking, zoals deze ook heeft plaatsgevonden.
Klopt het dat het Nationaal Monument de afgelopen jaren vaker doelwit is geweest van vandalisme en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Ja, tijdens een demonstratie in augustus 2025 heeft een deelnemer het monument beklad met de tekst «Never again is now». Deze persoon is kort daarna aangehouden.
Deelt u de mening dat herhaalde incidenten wijzen op tekortschietende beveiliging en handhaving rond dit nationale symbool? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven is de burgemeester van Amsterdam bevoegd tot het nemen maatregelen ter handhaving van de openbare orde en heeft het gebied rondom het Monument op de Dam aangewezen als gebied waar 24/7 cameratoezicht plaatsvindt. Daarnaast worden de Dam en omgeving doorlopend meegenomen in surveillancerondes van de politie. Dit toezicht wordt geïntensiveerd tijdens bijvoorbeeld evenementen en rond demonstraties.
Op deze manier kan met relatief beperkte capaciteit oog worden gehouden op monumenten. Schaarse inzet van politiemedewerkers in de openbare ruimte wordt primair ingezet ter bescherming van mensen. Het is aan het lokaal bevoegd gezag om hierover kaders te stellen en deze inzet te beoordelen.
De maximale straf voor vernieling ex artikel 350 lid 1 Sr is een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren of geldboete van de vierde categorie. Toepassing hiervan is in voorgaande gevallen uiteraard aan de rechter.
Welke concrete maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen en acht u de huidige aanpak en strafmaat afschrikwekkend genoeg? Zo ja, hoe rijmt u dat met het feit dat het herhaalde incidenten zijn? Zo nee, bent u bereid deze flink aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Ja. De gesignaleerde invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland is zeer zorgelijk en onwenselijk.
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend zouden zijn?
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft de taak, op basis van de Wet op Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017, onderzoek te doen naar personen of organisaties die (aanleiding geven tot een ernstig vermoeden dat zij) een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
De AIVD brengt jaarlijks een openbaar jaarverslag uit waarin verantwoording wordt afgelegd over de activiteiten in het jaar ervoor. Dit schrijft de Wiv 2017 eveneens voor. Dat signalen volgens berichtgeving al langer bekend zouden zijn, leidt er niet automatisch toe dat de AIVD hierover in het openbaar rapporteert. De AIVD heeft in de jaarverslagen van 2023, 2024 en 2025 melding gemaakt over onderzoek naar de mogelijke dreiging vanuit de terroristische organisatie Hamas tegen de nationale veiligheid.
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding, aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
De Kamervragen waar uw Kamer naar verwijst, betreffen vragen of er signalen zijn van financiële steun van buitenlandse donoren aan de acties van Pro-Palestijnse demonstranten in Nederland, bijvoorbeeld de acties van Samidoun Nederland.3 Daarop is destijds geantwoord dat deze signalen niet bekend zijn.
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe) informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Het kabinet kan geen uitspraken doen of er informatie via de geëigende kanalen van de AIVD is gedeeld, noch over de aard of het moment daarvan. Daarnaast doet de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geen onderzoek naar personen en/of organisaties.
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, kan het kabinet geen uitspraken doen over welke informatie wanneer via de geëigende kanalen van de AIVD is verworven.
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen deze middelen zijn verstrekt?
In algemene zin geldt dat indien er sprake is van signalen van ongewenste buitenlandse financiering, deze serieus worden genomen en waar nodig nader worden onderzocht door de bevoegde instanties. Het kabinet doet geen uitspraken over mogelijke individuele geldstromen, organisaties of landen indien dit betrekking heeft op lopende onderzoeken of inlichtingeninformatie.
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke omvang en periode?
Het kabinet heeft op dit moment geen informatie waaruit dit blijkt.
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes, demonstraties of academische programma’s?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, heeft het kabinet op dit moment geen informatie waaruit dit blijkt.
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van vragen 7 en 8 beschikt het kabinet momenteel niet over informatie waaruit dit blijkt. Het kabinet acht iedere vorm van antisemitisme, intimidatie en bedreiging onacceptabel.
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort is geschoten?
Het kabinet beziet voortdurend of de informatiepositie ten aanzien van extremisme, terrorismefinanciering en ongewenste buitenlandse beïnvloeding voldoende aanleiding geeft om maatregelen te kunnen treffen of doeltreffend te kunnen handelen. Daarbij wordt nauw samengewerkt tussen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, opsporingsinstanties en lokale partners. Zoals in ieder veiligheidsdomein geldt dat de informatiepositie voortdurend in ontwikkeling is en aanpassing vraagt aan veranderende dreigingen en netwerken.
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven, geldt in algemene zin dat dreigingen die de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Waar de inlichtingen- en veiligheidsdiensten diensten concreet onderzoek naar doen worden in het openbaar geen uitspraken over gedaan. Indien er sprake is van heimelijke buitenlandse beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Dat laatste kan onder meer binnen de rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. Op basis van het dreigingsbeeld wordt voortdurend gekeken naar mogelijkheden om risico’s op ongewenste inmengingsactiviteiten te voorzien, verstoren, verijdelen of mitigeren.
Het kabinet is daarnaast in gesprek over mogelijkheden om de motie van Zanten ten uitvoer te brengen, met name in relatie tot de (ontbrekende) grondslag tot het doen van onderzoek naar personen of organisaties bij verschillende organisaties. Uw Kamer wordt hier zo spoedig mogelijk over geïnformeerd.
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren en waar nodig te stoppen?
In algemene zin geldt dat nauw wordt samengewerkt door de betrokken veiligheidspartners om ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan. Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dient de overheid zich te richten op specifieke vormen van financiering. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) notes verbales over financieringsstromen van derde landen ontvangt, kan BZ deze doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Daarnaast blijft Europese samenwerking in de aanpak van ongewenste buitenlandse financiering van belang. Binnen het Radicalisation Awareness Netwerk (RAN) en diens opvolger de EU Knowledge Hub on Prevention of Radicalisation, wordt gewerkt aan bewustwording over het onderwerp binnen de lidstaten. Dit onder andere in de vorm van het delen van best practices en het komen tot mogelijke maatregelen.
Daarnaast moest de voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) de overheid onder andere helpen bij het tegengaan van financiering van activiteiten die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Met dit voorstel werd beoogd onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door middel van ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties in Nederland tegen te gaan. Zoals uw Kamer weet, is de Wtmo op 24 maart jl. door de Eerste Kamer verworpen. Het kabinet beziet momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Uw Kamer wordt voor het einde van dit jaar hierover geïnformeerd.
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Universiteiten en hogescholen hebben de maatschappelijke opdracht om onderzoek te doen en onderwijs te geven. Zij zijn hierin afhankelijk van internationale samenwerking, deels van externe financiering naast de Rijksbijdrage en open kennisuitwisseling. Het kabinet onderkent dat dit kansen én risico’s met zich brengt. In bepaalde gevallen kunnen Nederlandse kennisinstellingen te maken krijgen met pogingen van statelijke en niet-statelijke actoren tot beïnvloeding van meningen en inmenging in publicaties, of worden pogingen gedaan wetenschappelijk onderzoek en onderzoeksresultaten te censureren. Daarom zet het kabinet en de sector hoger onderwijs zich in voor versterking van kennisveiligheid, zoals toegelicht in diverse Kamerbrieven hierover.4 In de nieuwe Nationale Leidraad Kennisveiligheid wordt hier extra aandacht aan besteed.5 Instellingen die hier vragen over hebben kunnen terecht voor advies bij het Loket Kennisveiligheid.
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte en het resultaat is geweest?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, geldt dat dreigingen tegen de sociale en politieke stabiliteit door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Indien er signalen zijn van heimelijke beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren. Indien sprake is van ongewenste buitenlandse inmenging wordt niet geschroomd op te treden. Voor een actueel overzicht en het voorgenomen beleid inzake ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding verwijs ik uw Kamer naar de meest recente Kamerbrieven over dit thema.6
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties zoals Hamas?
Nederland zal altijd optreden tegen organisaties die als doel hebben om geweld te plegen tegen onschuldige burgers. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) heeft als doel witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Het verplicht meldingsplichtige instellingen (financiële instellingen/banken, makelaars, notarissen, advocaten etc.) om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Terrorismefinanciering is strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht. In geval er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan een opsporingsonderzoek gestart worden en kan het OM besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Daarnaast is een aantal personen en terroristische organisaties op de Nationale sanctielijst geplaatst, ook zijn terroristische organisaties in EU-verband gesanctioneerd. Bij aanwijzingen van overtreding van de Sanctiewet kan het OM ook een strafrechtelijk onderzoek starten en besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Ook het lokaal bestuur (onder andere in het kader van de Wet Bibob) en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen onderzoek doen. Binnen het Financieel Expertisecentrum (FEC)7, wordt in de TF-Taskforce samengewerkt tussen publieke en private organisaties en wordt in het Programma FEC TF tussen publieke organisaties informatie gedeeld, om zo inzicht te verkrijgen in de financiële netwerken.
Financiering via stichtingen met weinig transparantie over financiën en geen zelfregulering wordt in de 3e National Risk Assessment (NRA) Terrorismefinanciering benoemd als één van de risico’s.8 De onderzoekers constateren echter ook dat in Nederland hiertegen waarborgen bestaan. Zo zijn er stichtingen met de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Een stichting kan een ANBI-status krijgen als minimaal 90% van haar activiteiten het algemeen belang dient, indien er geen sprake is van een winstoogmerk en wanneer zij beschikt over een beperkt eigen vermogen. Een stichting met ANBI-status is verplicht om specifieke gegevens, waaronder een financiële verantwoording, openlijk op de eigen website te publiceren. Ook zijn er stichtingen met een Erkenning van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), een onafhankelijke stichting die toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een CBF-erkenning geldt als keurmerk voor goede doelen in Nederland die moeten voldoen aan enkele kwaliteitseisen en zich vrijwillig laten toetsen. Stichtingen die hier niet aan voldoen kunnen deze status ook kwijtraken. Indien een stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft en niet aan een vorm van zelfregulering doet, zouden Wwft-poortwachters bij zo’n stichting nader cliëntonderzoek kunnen verrichten om een goed beeld te verkrijgen van het daadwerkelijke risiconiveau ten aanzien van terrorismefinanciering.
Los van het beleid omtrent stichtingen zijn er verschillende sancties van kracht tegen Hamas en gelieerde organisaties die terrorisme financieren, zowel op nationaal als op Europees niveau. Om inzicht te krijgen in de internationale geldstromen rondom Hamas en financiering tegen te gaan is een specialistische taskforce opgericht bestaande uit Financial Intelligence Units uit verschillende landen, waaronder Nederland. Ook is er sinds januari 2024 een aanvullend Europees sanctieregime van kracht, gericht op het bestrijden van de sponsoren en financiers van Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad en daaraan geaffilieerde organisaties. Deze nieuwe regeling vormt een aanvulling op de beperkende maatregelen die eerder in het kader van de EU-sanctielijst terrorisme zijn aangenomen. Wanneer in Nederland stichtingen in verband kunnen worden gebracht met het financieren van Hamas, kunnen deze op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst. Zo staat de aan Hamas gelieerde Stichting Al Aqsa sinds 2003 op deze lijst.
Daarnaast bezie ik, zoals aangegeven op het antwoord op vraag 12, momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen.
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
Graag verwijs ik uw Kamer naar het antwoord op vraag 12 voor een overzicht van de bestaande instrumenten ter voorkoming van ongewenste buitenlandse financiering. Daarbij heb ik toegezegd uw Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de voortgang met betrekking tot aanvullende instrumenten om ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan.
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk de regie op voert?
De aanpak van extremisme, terrorismefinanciering en ongewenste buitenlandse beïnvloeding heeft onverminderd prioriteit binnen het kabinet. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 wordt er momenteel bezien welke aanvullende instrumenten kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Voor het einde van dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de voortgang hierover.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Op 13 mei 2026 is een verzoek op grond van de Wet Open Overheid (WOO) van gelijke strekking ingediend. Bij dit verzoek is er om openbaarmaking van dezelfde documenten verzocht. Naar verwachting zal het besluit op dit WOO-verzoek in de zomer volgen, waarmee de informatie waar mogelijk openbaar zal zijn. Ik zal het besluit op het WOO-verzoek met uw Kamer delen.
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Het gevangeniswezen in Oekraïne betreft, wanneer het over de gevangenispopulatie gaat, een van de grotere systemen in Europa.3
Het gevangeniswezen van Oekraïne staat onder directe druk door de aanhoudende oorlog en de situatie in de door het conflict getroffen en/of risicovolle gebieden: van de 91 bestaande gevangenissen zijn er zeven door Rusland bezet, zijn er twee volledig verwoest en hebben er twaalf aanzienlijke schade opgelopen. Sinds 2022 heeft Oekraïne twaalf gevangenissen en ongeveer 4000 gevangenen moeten verplaatsen. Oekraïne heeft aangegeven dat er een groot tekort is aan materieel binnen het gevangeniswezen, waaronder transportcapaciteit voor gedetineerden. Oekraïne heeft via Europris – de Europese netwerkorganisatie voor het gevangeniswezen – een oproep gedaan om hulp van andere Europese landen op dit gebied. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zag hierop de mogelijkheid om twintig, in Nederland reeds afgeschreven, gedetineerden bussen te schenken. Deze gebruikte bussen helpen om transport van gedetineerden veilig en humaan te organiseren en het schenken daarvan past bij de steun van dit Kabinet aan Oekraïne.
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Ja.
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
De bussen zijn overgedragen aan het Ministerie van Justitie van Oekraïne ten behoeve van het Oekraïense gevangeniswezen voor specifiek gebruik binnen detentie en transport van gedetineerden. Met deze bussen kan Oekraïne zorgdragen voor het veilig en humaan vervoeren van gedetineerden. De bussen zijn hiervoor ontwikkeld en met dit doel heeft Nederland de bussen geschonken. Nadat de bussen zijn overgedragen is Oekraïne de eigenaar geworden van de bussen.
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van vraag 5 aangegeven zijn de bussen overgedragen aan het Ministerie van Justitie van Oekraïne specifiek voor de inzet binnen detentie en het transport van gedetineerden zodat dit veilig en humaan kan plaatsvinden. Het Ministerie van Justitie van Oekraïne is daarmee verantwoordelijk voor de wijze waarop deze bussen ten behoeve van het Oekraïense gevangeniswezen worden ingezet. De mobilisatie wordt in Oekraïne uitgevoerd door het Ministerie van defensie.
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht 'Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal' |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal»1 en wat betekent dit voor het aanbod aan middenhuurwoningen in Nederland?
Ik ben bekend met het artikel. Wanneer aandeelhouders kapitaal terugtrekken en de uitstroom niet gecompenseerd wordt door instroom van nieuwe investeerders, moet een fonds zijn beschikbare middelen anders aanwenden. Dit heeft impact op de investeringsruimte van een fonds en kan leiden tot liquiditeitsdruk. Afhankelijk van de omvang van de verzoeken en de wijze van afwikkeling kan dit leiden tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en/of tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt. De omvang van dit effect is niet generiek vast te stellen en hangt af van marktomstandigheden en fondskeuzes.
In welke mate veroorzaakt deze uitstroom liquiditeitsdruk bij Bouwinvest, en hoe verhoudt dit zich tot de situatie bij Vesteda, waar eerder eveneens kapitaaluitstroom heeft plaatsgevonden?
De redemptieverzoeken bij Vesteda zijn zowel relatief als absoluut aanzienlijk groter dan bij Bouwinvest. Bij Bouwinvest bedraagt de aangevraagde uitstroom per Q1 2026 circa 8% van het eigen vermogen van het fonds, terwijl bij Vesteda voor meer dan 50% van het eigen vermogen aan redemptieverzoeken is ingediend. Desondanks veroorzaakt deze redemptie bij Bouwinvest ook liquiditeitsdruk. Dit heeft een negatieve impact op de investeringsruimte van Bouwinvest.
Hoe groot acht u de kans dat Bouwinvest, net als Vesteda, woningen zal moeten verkopen om aan uitstapverzoeken te kunnen voldoen? Zo ja, in welke omvang?
De redemptieverzoeken kunnen worden ingevuld via verkoop van woningen, herfinanciering middels schuld of instroom van nieuw aandeelhouderskapitaal. Bouwinvest geeft aan dat het in de huidige markt lastig is om voldoende nieuwe investeerders aan te trekken. Daarom wordt in de praktijk regelmatig gewerkt met rotatie van kapitaal, waarbij verkoop van bestaande woningen wordt ingezet om nieuwe investeringen te financieren. Uiteindelijk gaat dit ten koste van de voorraad aan middenhuurwoningen. De uiteindelijke omvang waarin aanvullende woningverkoop noodzakelijk is, verschilt per situatie en is afhankelijk van de wijze waarop uittredingsverzoeken worden afgewikkeld.
Kunt u aangeven wat de mogelijke gevolgen zijn voor de beschikbaarheid van middenhuurwoningen en voor de ontwikkeling van de huurprijzen?
Indien de redemptieverzoeken leiden tot minder nieuwbouw huurwoningen heeft dat negatieve gevolgen van de beschikbaarheid middenhuurwoningen, omdat Bouwinvest voornamelijk in middenhuur investeert. Aangezien de middenhuur gereguleerd is, heeft dit in principe geen invloed op de ontwikkeling van de huurprijzen in dit segment. Wel kan een tekort aan middenhuurwoningen leiden tot meer vraag naar vrije sector huurwoningen. Aangezien in de vrije sector de huren niet gereguleerd zijn kan een groeiende vraag hier wel leiden tot hogere prijzen.
Deelt u de zorg dat gelijktijdige uitstroom bij meerdere woningfondsen kan leiden tot bredere effecten op de woningmarkt, zoals prijsdruk of een toename van uitponden?
Zoals toegelicht bij vraag 4 heeft de uitstroom geen effect op prijzen in het middensegment, maar kan het wel effect hebben op de prijsdruk in het vrije sector segment. Daarnaast kan uitstroom van kapitaal leiden tot uitponding van huurwoningen en afstel van nieuwbouw. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
In welke mate dragen nationale beleidsmaatregelen, zoals huurregulering en fiscale wijzigingen, volgens u bij aan het terugtrekken van investeerders uit Nederlandse woningfondsen?
Het is van belang onderscheid te maken tussen Nederlandse en buitenlandse investeerders. Hoewel Nederlandse institutionele beleggers aangeven moeite te hebben met het vinden van voldoende projecten die aan de minimale rendementseisen voldoen, is de belangrijkste reden voor hen om uit te stappen dat zij tegen de grenzen aanlopen van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd.
Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.2 Tegen deze achtergrond heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen.
Kunt u per relevante maatregel toelichten wat het effect is op de investeringsbereidheid van institutionele beleggers?
De aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat is een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. Het kabinet beschikt dan ook niet over een doorrekening van de impact van deze individuele maatregelen op de investeringen in woningbouw voor institutionele beleggers.
In hoeverre verlagen Nederlandse pensioenfondsen momenteel hun allocatie naar vastgoed, en specifiek naar woningbeleggingen? Indien dit het geval is, wat zijn daarvoor de belangrijkste oorzaken?
Nederlandse pensioenfondsen verlagen hun allocatie naar vastgoed en woningbeleggingen niet in algemene zin. Veel fondsen bevinden zich rond hun strategische doelallocatie voor wonen, waardoor de ruimte voor verdere groei beperkt is. Wel geeft een deel van de Nederlandse institutionele investeerders aan moeite te hebben met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Wat zijn de gevolgen van deze ontwikkeling voor fondsen als Bouwinvest, die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal?
Fondsen die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal kunnen hierdoor terughoudender worden in nieuwe investeringen. Wanneer pensioenfondsen hun allocatie aanpassen of belangen afbouwen, kan dit de investeringscapaciteit van vastgoedfondsen beïnvloeden. Het probleem ligt mijns inziens echter vooral bij de afwezigheid van buitenlandse investeerders, aangezien binnenlandse pensioenfondsen veelal al investeren in de Nederlandse huurwoningen rond hun strategische doelallocatie voor wonen. Dit is echter niet genoeg om de nieuwbouwdoelstellingen te halen. Hier is zowel binnenlands- als buitenlandskapitaal voor nodig.
Welke impact heeft dit op de financiering en realisatie van nieuwbouwprojecten, in het bijzonder binnen het middenhuursegment?
Indien minder kapitaal beschikbaar is voor nieuwbouw van middenhuurwoningen, heeft dit effect op de realisatie van projecten. Institutionele beleggers vervullen een belangrijke rol in de financiering en ontwikkeling van dit segment. Wanneer investeerders terughoudender worden of minder kapitaal beschikbaar hebben, kan dit de haalbaarheid van projecten beïnvloeden. Dit kan leiden tot uitstel, aanpassing of in sommige gevallen het niet doorgaan van projecten. De mate van impact verschilt per project en is afhankelijk van marktomstandigheden en financieringsstructuren.
Kunt u toelichten of en in welke mate projecten worden uitgesteld of afgeblazen als gevolg van teruglopende investeringen?
Het teruglopen van investeringen in private huurwoningen kan zorgen voor uitstel of uitval van woningbouwprojecten. Met name de projecten waar een groot aandeel private huurwoningen is voorzien kunnen zonder private investeerder (nog) geen doorgang vinden. Ik beschik echter niet over cijfers die aantonen of dit effect zich ook al in toenemende mate voordoet.
Deelt u de analyse dat Nederland minder aantrekkelijk wordt voor institutionele woningbeleggers ten opzichte van andere Europese landen?
In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3
Acht u het risico aanwezig dat kapitaal structureel verschuift naar andere markten, en welke gevolgen heeft dit voor de woningbouwopgave in Nederland?
De verwachting is dat als het Nederlandse investeringsklimaat verbetert, buitenlandse investeerders weer zullen terugkeren. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders belangrijk zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
In welke mate acht u de huidige structuur van open-end vastgoedfondsen met uitstapmogelijkheden kwetsbaar onder veranderende marktomstandigheden?
Voldoende investeringen in de bouw van (midden) huurwoningen door private partijen zijn essentieel om de investeringsopgave te halen. Tegelijkertijd heb ik geen voorkeur voor de wijze waarop deze investeringen worden gedaan. Het is aan individuele investeerders om te bepalen hoe zij willen investeren en aan fondsen om hun eigen voorwaarden te bepalen.
Acht u aanvullende maatregelen of aanpassingen in de regelgeving noodzakelijk om deze kwetsbaarheden te mitigeren?
Zie het antwoord op vraag 14.
In uw Kamerbrief van 20 april jl. (Kamerstuk 27 926, nr. 409) neemt u enkele maatregelen om voornamelijk het uitponden van middenhuur woningen tegen te gaan; welke andere maatregelen heeft u overwegen, waarom zijn deze afgevallen?
In het Regeerakkoord is afgesproken dat de Wet betaalbare huur vóór de evaluatie wordt geoptimaliseerd om het aantal huurwoningen op peil te houden. Bij de keuze voor de optimalisatie is gekeken naar waar verhuurders vooral knelpunten ervaren, en hoe deze kunnen worden opgelost waarbij de betaalbaarheid in acht is genomen. Dit betekent dat de maatregelen snel kunnen worden ingevoerd en gericht verlichting bieden. De al door mijn voorganger in gang gezette maatregelen sluiten hier passend op aan. Daarnaast heb ik ervoor gekozen om de nieuwbouwopslag te verlengen om ontwikkelaars zo snel mogelijk meerjarige duidelijkheid te geven. In 2027 wordt aan de hand van de evaluatie van de Wet betaalbare huur gekeken in hoeverre verdere aanpassingen noodzakelijk en wenselijk worden geacht.
Uit de enquête van Vastgoed Belang blijkt dat investeerders de aangekondigde maatregelen onvoldoende achten om het uitponden tegen te gaan; herkent de Minister deze signalen, waarom acht de Minister aanvullende maatregelen nu niet nodig?
Het optimaliseren van de Wet betaalbare huur is slechts een deel van de oplossing hiervoor en zal dus niet direct al het uitponden tegengaan. Daarom kijk ik tegelijkertijd breder hoe het investeringsklimaat kan worden verbeterd, onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het investeringsklimaat voor woningbouw op peil te houden, mede gezien de signalen van partijen als Bouwinvest?
Het kabinet werkt hard aan het verbeteren van het investeringsklimaat. De inzet is dat er in de toekomst meer investeerders in de Nederlandse woningmarkt willen investeren. Dit is essentieel om voldoende betaalbare huurwoningen te realiseren. Om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. Ook heb ik uw Kamer recent geïnformeerd over de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen.
Tegelijk wordt gekeken naar andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren. Die handschoen pak ik op in het kader van de Taskforce Versnelling Woningbouw en zal onderdeel zijn van het Actieplan. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen
Bent u bereid in overleg te treden met institutionele beleggers en pensioenfondsen om te verkennen hoe investeringen in de Nederlandse woningbouw kunnen worden behouden dan wel vergroot?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over het aantrekken van (buitenlandse) investeringen, bijvoorbeeld in het structureel overleg investeringsklimaat (SOI).
Welke maatregelen neemt de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw om te waarborgen dat investeren in middenhuurwoningen aantrekkelijk blijft voor institutionele beleggers, zodat woningzoekenden niet de negatieve gevolgen ondervinden van fiscale beleidsmaatregelen?
Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het Regeerakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.
Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Deelt u de mening dat het actief verwijderen of weren van boeken uit bibliotheken en schoolbibliotheken een bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting?1, 2
Deelt u de opvatting dat juist voor jongeren die thuis of in hun omgeving weinig toegang hebben tot informatie of herkenning rondom bijvoorbeeld seksuele diversiteit of genderidentiteit, een laagdrempelige en diverse bibliotheekcollectie van groot belang is?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling die wordt geschetst door de Schrijverscentrale en bibliotheken, waarbij bepaalde titels op sommige scholen niet meer welkom zijn, en ouders actief collecties «opschonen»?
Heeft u zicht op hoe vaak en welke typen titels in Nederland ter discussie worden gesteld of verwijderd uit (school)bibliotheken?
Herkent u het beeld uit de Verenigde Staten dat met name boeken over seksualiteit, seksuele diversiteit, LHBTI-personen, vrouwen en minderhedenrechten relatief vaak onderwerp zijn van verwijdering of discussie? In hoeverre speelt dit in Nederland?
Heeft u zicht op in hoeverre georganiseerde belangengroepen druk uitoefenen op bibliotheken en scholen om bepaalde titels te weren of te verwijderen?
Welke waarborgen bestaan er in Nederland om te voorkomen dat politieke of maatschappelijke druk leidt tot beperking van het aanbod in bibliotheken en het onderwijs?
Welke mogelijkheden ziet u om scholen en bibliotheken beter toe te rusten omstreden boeken te behouden, ook bij bezwaren van ouders of belangengroepen?
Bent u bereid om, samen met relevante belangenorganisaties op het gebied van onder andere LHBTI-emancipatie, gendergelijkheid en seksuele educatie, te verkennen hoe bibliotheekcollecties op deze thema’s beschermd kunnen worden?
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
Het bericht: 'Sweden Drops Use of the Term Islamophobia' |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sweden Drops Use of the Term «Islamophobia»»?1
Ja.
Klopt het dat Zweden niet langer de term Islamofobie gebruikt?
De Zweedse regering heeft in december 2024 een actieplan tegen racisme en haatmisdrijven aangenomen. Uit dat actieplan wordt duidelijk dat het begrip antimoslimracisme het begrip islamofobie vervangt in alle officiële communicatie.
Zoals de Zweedse Minister van Buitenlandse Zaken op 24 april jl. aan het Zweeds parlement heeft toegelicht, zijn de redenen daarvoor dat het woord «fobie» doet denken aan irrationele angsten van individuele personen, in plaats van aan discriminatie, uitsluiting en racisme. Bovendien kan het begrip de indruk wekken dat het uitsluitend gaat om de opvatting over de islam als religie en niet om de opvatting over moslims.
Klopt het dat Zweden ook binnen de verschillende gremia van de EU nu aandringt om deze term niet langer te gebruiken?
Ook binnen de EU heeft de verandering van «islamofobie» naar «anti-moslim discriminatie» of «anti-moslim-haat» al plaatsgevonden en gebruik van deze aanduidingen is inderdaad staand EU beleid.
Indien dat het geval is kunt u ons toezeggen dat de Nederlandse regering dat verzoek van Zweden steunt? Zo nee waarom niet?
Nederland steunt een breed gedragen uniforme omschrijving binnen de Europese Unie voor de beschrijving van discriminatie, vijandigheid of geweld gericht tegen moslims of personen die als moslim worden gezien. Deze benadering richt zich niet op het beschermen van religies als zodanig, maar op het beschermen van individuen en hun fundamentele rechten. De Zweedse benadering sluit aan bij de bestaande Nederlandse en Europese praktijk.
Los van dit nieuwsbericht over Zweden, is het Nederlandse kabinet bereid de term Islamofobie te schrappen en juist ruimte te geven aan de vrijheid van meningsuiting en religie kritiek? Zo nee waarom niet?
Binnen de Europese Unie is het reeds staande praktijk om de term «anti-moslimhaat» te gebruiken voor discriminatie, vijandigheid of geweld gericht tegen moslims of personen die als moslim worden gezien. In internationale context is dat eveneens de term die Nederland hanteert. In binnenlandse context hanteert Nederland de term «moslimdiscriminatie». Moslimdiscriminatie is wanneer iemand negatief bejegend, uitgesloten of achtergesteld wordt vanwege het feit dat diegene (vermeend) moslim is.2 Voor Nederland is het essentieel dat het tegengaan van haat en discriminatie hand in hand gaat met het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting.
Het bericht ‘Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTI’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTIQ+’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland» waaruit blijkt dat opnieuw meerdere Instagramaccounts van LHBTIQ+-organisaties, activisten en gemeenschappen, waaronder accounts uit Nederland, offline zijn gehaald of ontoegankelijk zijn gemaakt?1
Ja, daar zijn we bekend mee.
Bent u eens met de stelling dat het blokkeren van specifieke LHBTIQ+ accounts en content onrechtmatig, discriminerend en onacceptabel is? Bent u het ook eens met de stelling dat het optreden hiervan, meermaals en herhaald in vrij korte tijd, niet steeds door Meta afgedaan kan worden als een incident maar dat het onderdeel lijkt te zijn van hun beleid?
Het zonder motivering blokkeren van lhbtiq+-accounts lijkt in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA), zeker als dit herhaaldelijk gebeurt. Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. De DSA verplicht online platforms om, bij het toepassen van inhoudsmoderatie (zoals het schorsen of verwijderen van een account), op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Het is aan de bevoegde toezichthouder of rechter om daar uiteindelijk een oordeel over te vellen.
Deelt u de ernstige zorgen dat het blokkeren van LHBTIQ+ personen en LHBTIQ+ organisaties, zonder geldige reden, discriminerend is, de vrijheid van meningsuiting aantast en de acceptatie en het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+-gemeenschap onder druk zet? Zo ja, waarom en welke acties onderneemt u om deze ernstige zorgen te adresseren?
Die zorgen delen we. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de organisaties en personen die dit overkomt, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Het kabinet is van oordeel dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementale Plan van aanpak tegen online discriminatie.2 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid, en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ook is er aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen online in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.3 Een van de doelstellingen is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Is het bij u bekend in hoeverre andere minderheidsgroepen dan LHBTIQ+ ook te maken hebben met structurele discriminatie en aantasting van hun vrijheid van meningsuiting door sociale media platforms?
Voor zover eventuele aantasting van de vrijheid van meningsuiting door socialemediaplatforms zelf plaatsvindt, zijn hierover geen cijfers bij ons bekend. Het recente rapport «Discriminatiecijfers in 2025» laat zien dat veel mensen regelmatig online discriminerende uitingen tegenkomen of zelf ervaren.4 Daarbij gaat het ook om andere minderheidsgroepen dan lhbtiq+ personen. De European Observatory of Online Hate laat eveneens zien dat er sprake is van online haat op socialemediaplatforms.5 Tegelijk weten we dat slechts een klein deel van deze ervaringen uiteindelijk wordt gemeld bij de bevoegde instanties. Online discriminatie is complex en wordt niet eenduidig geregistreerd. De aanwezigheid van online haat en discriminatie op platforms kan negatieve effecten hebben op de mate waarin minderheidsgroepen gebruik (kunnen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
Kunt u toelichten in hoeverre het blokkeren van deze LHBTIQ+ accounts en content zonder duidelijke uitleg in lijn is met de verplichtingen uit de Digital Services Act, met name ten aanzien van transparantie, motivering en effectieve bezwaarprocedures en welke stappen het kabinet en de Europese Commissie zetten om hier actief op te handhaven?
Het blokkeren van accounts en content zonder duidelijke uitleg is in strijd met de verplichtingen uit de DSA. Op grond van de DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Zij zijn verplicht om, bij het toepassen van dergelijke beperkingen, op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Ook moeten zij een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij een dergelijk besluit nemen. In dat geval moeten zij ook de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Afnemers kunnen op grond van de DSA ook geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.6
Welke acties zijn sinds de vorige blokkades (in december 2025) ondernomen door het kabinet of bevoegde toezichthouders naar aanleiding van deze signalen?
De Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft de signalen aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. In aanvulling daarop is ook op ambtelijk niveau navraag gedaan bij Meta over de blokkades om meer informatie te krijgen. Daarnaast is het signaal met de Europese Commissie gedeeld. De Europese Commissie kan naar aanleiding van deze signalen besluiten om nader onderzoek in te stellen naar de naleving van de DSA door Meta en, indien nodig, handhavend optreden.
Is er tevens contact geweest met belangenorganisaties van LHBTIQ+ personen om te vragen welke signalen er nog meer zijn en waar behoefte aan is?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie staat in goed contact met strategische samenwerkingspartners die de belangen van de lhbtiq+-gemeenschap behartigen. De strategische partners zijn zelf niet getroffen door ongemotiveerde schorsingen of verwijderingen. Zij staan wel in contact met de getroffen organisaties. Met hen bespreken we wat de getroffen organisaties hebben ervaren en ook gaan we in gesprek met een aantal van de getroffen organisaties om te horen wat hun ervaringen zijn en waar behoefte aan is.
Welke mogelijkheden ziet u voor zich om bij sociale media platformen de transparantie over het blokkeren van accounts af te dwingen zodat voor gebruikers duidelijk is op welke gronden een blokkade is ingesteld en waar ze terecht kunnen met klachten of vragen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u om platforms ertoe te bewegen geblokkeerde accounts te herstellen en/of gedupeerden te ondersteunen bij het herstellen van hun account?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen sociale media platforms die LHBTIQ+ personen en organisaties discrimineren? En welke aanvullende maatregelen overweegt u om het digitaal targetten van LHBTIQ+ gemeenschappen via sociale media platforms tegen te gaan en de LHBITQ+ gemeenschap beter te beschermen?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. Platforms als Meta moeten bij het toepassen van hun inhoudsmoderatie rekening houden met grondrechten in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, waaronder het recht op non-discriminatie. In het algemeen moeten zij de toepasselijke Europese wetgeving, waaronder de DSA, naleven. Het is aan de bevoegde toezichthouder, in dit geval de Europese Commissie, om deze regelgeving te handhaven. De lopende onderzoeken en procedures naar Meta tonen aan dat de Commissie dit doet. Voor de aanvullende kabinetsinzet op het gebied van het tegengaan van online discriminatie en het bevorderen van gender- en lhbtiq+-gelijkheid verwijzen we u naar antwoorden 3 en 7.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Natuurbranden op defensieterreinen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de recente natuurbranden op defensieterreinen, waaronder de grote brand bij ’t Harde1, de Oirschotse Heide2 en de Weerterheide3?
Ik betreur de situatie zeer. Ik spreek mijn waardering uit voor alle brandweermensen, hulpverleners, militairen en andere betrokkenen die zich hebben ingespannen om de natuurbranden te bestrijden en de gevolgen ervan te beperken. Dankzij hun tomeloze inzet, professionaliteit en betrokkenheid zijn de branden onder controle gebracht. Daarnaast ook veel waardering voor de ondersteuning vanuit België, Duitsland en Frankrijk. Deze internationale bijstand heeft bijgedragen aan een effectieve gezamenlijke inzet ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van mensen, dieren en de fysieke leefomgeving.
Begrijpt u twijfels van omwonenden van defensieterreinen over de brandveiligheid en het risico op brand op defensieterreinen?
Defensie heeft begrip voor het feit dat omwonenden vragen hebben over de veiligheid van hun directe leefomgeving. Ik wil benadrukken dat Defensie haar verantwoordelijkheid als beheerder van grote natuurgebieden serieus neem en dat veiligheid is verankerd in de operationele bedrijfsvoering. Door samenwerking met de veiligheidsregio’s en lokale overheden wordt getracht de brandveiligheid op en rondom defensieterreinen te waarborgen en de gezamenlijke reactiesnelheid in geval van calamiteiten te optimaliseren.
Er is een verhoogd risico op natuurbranden in tijden van aanhoudende droogte. Op basis van de risico’s stelt de veiligheidsregio het natuurbrandrisico vast. Defensie hanteert de brandrisicofase zoals vastgesteld door de veiligheidsregio. Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn risicobeheersende maatregelen genomen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op de overige oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
Waarom hebt u de Kamer niet zelf proactief geïnformeerd over de situaties van de branden op defensieterreinen in de afgelopen paar dagen, gezien de grote schaal van de branden en de maatschappelijke impact ervan?
Tegelijk met het verzenden van de beantwoording op deze Kamervragen, verstuurt de Minister van JenV een kamerbrief mede namens de Minister van LVVN en mijzelf.
Hoeveel van de 124 natuurbranden op defensieterreinen in 2025 zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen? Indien deze branden niet zijn ontstaan door oefeningen, hoe verklaart u dan het grote aantal branden op defensieterreinen?
Op het ASK (Artillerie Schietkamp) en ISK (Infanterie Schietkamp) zijn branden een onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Defensie beschikt op het ISK en ASK over bedrijfsbrandweer en werkt nauw samen met het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid) voor de registratie van branden en de oorzaken. Voor een zorgvuldige beheersing zijn deze locaties hierop specifiek ingericht. Voor een specifieke beantwoording ten aanzien van de cijfers is aanvullend onderzoek en afstemming met het NIPV nodig. Wij zullen de Kamer nader informeren voor het debat van 10 juni.
Hoeveel natuurbranden op defensieterreinen zijn er geweest in 2026 en hoeveel daarvan zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 4
Op 30 april meldde Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim in de media dat per 30 april strengere maatregelen zijn ingegaan, in de vorm van een aanscherping zodat er geen hitte kan ontstaan tijdens oefeningen; welke strenge maatregelen betreft dit en waarom zijn die strengere maatregelen eerder nog niet genomen? Gezien het grote aantal natuurbranden dat is ontstaan op defensieterreinen vindt u het verantwoord dat die strengere maatregelen nu pas zijn genomen?
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Het Artillerieschietkamp beschikt over bedrijfsbrandweer. Hier gelden tevens de afspraken over extra mitigerende maatregelen zoals vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Met een tijdelijke aanscherping van de maatregelen doelde de Commandant der Strijdkrachten op een verbod op alle uitzonderingen zoals benoemd in het protocol, zoals het wel toestaan van het gebruik van oefenmunitie indien er voldoende brandbestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn in de directe nabijheid van de gebruikslocatie. Voorafgaand aan het uitbreken van de natuurbranden op 29 en 30 april was er geen reden om de maatregelen aan te scherpen, het protocol volgt de fasering vanuit de Veiligheidsregio’s.
Bent u het eens met de uitspraken van Commandant der Strijdkrachten dat het niet nodig is om te stoppen met militaire oefeningen in tijden van droogte, ook gezien het grote aantal natuurbranden dat ontstaat op defensieterreinen?
Ik onderschrijf het belang van militaire oefeningen. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we in binnen- en buitenland, bij dag en bij nacht en bij koud en bij warm weer. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. We hebben alle activiteiten met een verhoogd risico tijdelijk stopgezet, maar militaire oefeningen zijn nooit zonder enig risico.
Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 11 van de Partij van de Dieren ingediend op 30 april die gebundeld met deze antwoorden is verzonden. Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het protocol, alsmede de inrichting van de terreinen, draagt zorg dat niet alleen militairen realistisch en veilig kunnen trainen, maar dat ook de natuur en omwonenden veilig zijn.
Waarom acht u het verantwoord om in droogte en bij risico op brand door te gaan met militaire oefeningen? Bent u bereid om daarmee te stoppen als er droogte en risico op brand is?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid).
Natuurbranden zijn deels onderdeel van de reguliere gecontroleerde bedrijfsvoering waarop Defensie is ingericht. Op het Artillerieschietkamp zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering uitvoerige preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst en risicobeheersende maatregelen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige terreinen is ook aandacht voor brandveiligheid. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisico als gevolg van droogte, afgekondigd door de veiligheidsregio, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor.
Wat is uw reactie op het bericht dat vliegveld Kempen Airport Defensie al maanden waarschuwt voor brand, ook nadat de brand bij ’t Harde uitbrak?4 Wanneer was u op de hoogte van deze waarschuwingen? Waarom is er niets gedaan met deze waarschuwingen door Defensie? Vindt u dat deze waarschuwingen door Defensie serieus zijn genomen en vindt u dat Defensie het risico op brand goed heeft ingeschat?
Ik heb geen signalen dat vliegveld Kempen Airport al maanden waarschuwt voor brandgevaar. Na het uitbreken van de brand in ’t Harde op 29 april is vanuit Kempen Airport omstreeks 18:43u een mail verstuurd aan de verantwoordelijke terreinbeheerder bij de 13e Lichte Brigade in Oirschot. Referte de brand in ’t Harde en een brand op de Weerterheide vorig jaar was het verzoek van de beheerder/zaakwaarnemer van Kempen Airport om op korte termijn hierover in gesprek te gaan. De melding is op die bewuste avond niet meer in behandeling genomen aangezien daar geen directe aanleiding voor was. Defensie hecht aan een goede relatie met de mensen die in de omgeving van oefen- en schietterreinen wonen of recreëren.
Hoe weegt u de veiligheid van omwonenden en het behoud van natuur met het doen van militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er natuurbranden ontstaan op defensieterreinen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Het bericht ‘Zware klap voor oliekartel Opec na vertrek Emiraten: wat betekent dit voor de olieprijs en het wereldtoneel?’ |
|
Nicole Maes (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zware klap voor oliekartel Opec na vertrek Emiraten: wat betekent dit voor de olieprijs en het wereldtoneel?»?1
Ja.
Hoe duidt u het besluit van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) om het Opec-kartel te verlaten in het licht van de structurele instabiliteit op de mondiale energiemarkt en de toenemende prijsvolatiliteit?
Doordat de VAE uit de OPEC-alliantie stapt, kunnen zij meer produceren. De VAE heeft nu een olieproductiecapaciteit van circa 4,85 miljoen vaten per dag. Het huidige OPEC-quotum voor de VAE is 3,4 miljoen. De productie zou in theorie dus met bijna 1,5 miljoen vaten per dag kunnen stijgen. Zolang het conflict in het Midden-Oosten echter aanhoudt, en er geen tankers met olie door de Straat van Hormuz gaan, zal een dergelijke toename in productie waarschijnlijk niet plaatsvinden. Op de korte termijn zal er daarom weinig effect zijn.
Op middellange termijn (en als de Straat van Hormuz weer open gaat) zal dit waarschijnlijk neerwaartse druk zetten op de olieprijs. Het aanbod op de wereldmarkt kan namelijk groeien met zo’n 1%. Ruwweg kan op basis van de recent door de Wereldbank geschatte prijselasticiteit van de olievraag geschat worden dat 1% extra aanbod tot USD 6 tot USD 12 lagere prijzen (Brent) leidt. De prijs kan echter wel volatieler worden, omdat het aanbod minder constant is.
In hoeverre is de invloed van de Opec+ op de wereldwijde olieproductie de afgelopen jaren afgenomen ten gunste van producenten buiten dit kartel?
De invloed van OPEC is al decennia tanende. Het aandeel van de OPEC-productie in de wereldmarkt daalde van 50% in de jaren zeventig naar 43% in 2016. Toen werd tevens de OPEC+ opgericht, waarbij landen als Maleisië en Rusland zich aansloten. Zo herwon de OPEC-alliantie aan relevantie, waardoor de OPEC+ nu voor 50% van de wereldproductie verantwoordelijk is, wat daalt naar ca. 45% met het vertrek van de VAE.
Tegelijkertijd geeft OPEC+ Rusland invloed op productiebeperkingen die de mondiale olieprijs opdrijven. Hoewel sancties de Russische opbrengsten drukken, profiteert Moskou daardoor nog altijd van hogere olieprijzen, waarmee het zijn agressieoorlog tegen Oekraïne mede financiert.
Welke rol speelt de nauwe samenwerking tussen Rusland en Saoedi-Arabië binnen de Opec+ momenteel bij het kunstmatig hooghouden van de olieprijs?
De OPEC+ is erop gericht om het aanbod van olie wereldwijd te controleren, waardoor invloed kan worden uitgeoefend op de prijs en prijsvolatiliteit kan worden beperkt. Op dit moment is het voor landen in de golfregio lastig om productie van olie te verhogen, als gevolg van het conflict en de sluiting van de Straat van Hormuz.
Russische olie is gesanctioneerd, en daarom niet vrij verhandelbaar op de wereldmarkt. Na het uitbreken van de Iran-oorlog verlichtte de VS echter voor twee maanden de sancties op Russische olie. Mede hierdoor is de prijs van Russische olie hersteld naar het niveau van niet-gesanctioneerde olie. Rusland blijft met een hoge dagelijkse productie een belangrijke speler op de wereldwijde oliemarkt.
De samenwerking tussen genoemde landen speelt een rol in prijsbepaling van wereldwijde olie. Wel staat de Russische productiecapaciteit onder druk door aanhoudende Oekraïense aanvallen op olie-faciliteiten, wat Ruslands onwenselijke invloed op het OPEC+ beleid mogelijk verkleint.2
In hoeverre acht u het waarschijnlijk dat de verzwakking van de Opec – en daarmee de Opec+-alliantie – de effectiviteit van Russische marktmanipulatie inperkt en daarmee direct de financiering van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne bemoeilijkt?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 reeds aangegeven neemt de macht van de OPEC al decennia af. Het vertrek van de VAE onderstreept dat. Dit kan ervoor zorgen dat de onwenselijke invloed van Rusland op de olieprijs afneemt. Dat zou de olie-inkomsten kunnen drukken waarmee Rusland zijn agressieoorlog tegen Oekraïne mede financiert. De gevolgen voor de olieprijs en de Russische opbrengsten zijn op dit moment echter te onzeker om hierover stellige uitspraken te doen.
Hoe beoordeelt u de informatie dat het vertrek van de VAE mede is ingegeven door fundamentele onenigheid binnen de Golfregio over de reactie op de oorlog met Iran en de voortdurende blokkade van de Straat van Hormuz?
In formele verklaringen legt de regering van de VAE de nadruk op het recht om zelf te bepalen hoe zij met haar olierijkdom omgaat. Deze wens naar meer autonomie kwam ook aan de orde tijdens het bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken aan Abu Dhabi op 22 april. De uittreding wordt in die lezing gepresenteerd als een uitvloeisel van de nationale belangen van de VAE. Met dit besluit vergroot het land zijn autonomie op het gebied van olieproductie en -export.
Wat betekent het vertrek van de VAE uit de OPEC voor de GCC en wat betekent de eenheid binnen de Gulf Cooperation Council (GCC) voor de belangen van de Europese Unie (EU), niet alleen op het gebied van energiezekerheid maar ook voor de regionale veiligheid?
Het vertrek van de VAE uit de OPEC kan worden gezien als een signaal van de waarde die de VAE hecht aan nationale autonomie op het gebied van olieproductie en export. Het besluit heeft geen directe consequenties voor het opereren van de Gulf Cooperation Council (GCC) maar kan een impact hebben op de politieke cohesie van de GCC.
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie in de straat van Hormuz een directe bedreiging vormt voor de mondiale leveringszekerheid en de stabiliteit van de wereldeconomie met inbegrip van de voedselzekerheid? Zo ja wat bent u bereid bij te dragen aan de verbetering van die situatie?
De leveringszekerheid van olie, gas en afgeleide producten zoals kerosine en diesel staat wereldwijd onder druk. Op dit moment zijn er geen acute tekorten in Nederland, maar de situatie op veel andere plekken in de wereld is zorgelijker. De directeur van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) noemt de huidige situatie «ernstiger dan die van 1973, 1979 en 2022 samen». De verwachting is dat hoe langer de situatie voortduurt, hoe zorgelijker de tekorten zullen worden.
In het licht van het fragiele staakt-het-vuren tussen de VS en Iran blijft het kabinet inzetten op diplomatieke onderhandelingen om te komen tot een duurzaam einde aan de oorlog. Het is cruciaal dat er een einde komt aan de voortdurende belemmering van de vrije doorvaart in de Straat van Hormuz. Nederland speelt dan ook een voortrekkersrol bij het verkennen van de mogelijkheden om bestaande EU-sanctieregimes uit te breiden. Daarnaast is Nederland nauw betrokken bij de voorbereiding en planning van het maritieme initiatief onder leiding van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.
In Nederland heeft het kabinet een maatregelenpakket getroffen om de economische effecten van de energieschok te dempen. De Kamer is hierover geïnformeerd op 20 april 2026.3 Tevens neemt Nederland deel aan de door het IEA aangekondigde collectieve actie, waardoor voorbereidingen worden getroffen voor het vrijgeven van de strategische voorraden. Ook neemt het kabinet actief deel aan internationale afstemming binnen de EU en het IEA. Het kabinet pleit voor een gezamenlijke Europese aanpak, bijvoorbeeld om de inzet van strategische voorraden en eventuele vraagbeperkende maatregelen te coördineren en daarbij ongewenste effecten zoals weglek of exportbeperkende maatregelen te voorkomen.
Wat verwacht u dat de toenemende rivaliteit tussen de VAE en Saoedi-Arabië als effect heeft voor de regionale veiligheid?
Concurrentie tussen de VAE en Saoedi-Arabië op economisch terrein en verschillen in posities op deelonderwerpen bestonden reeds voor de uittreding van de VAE uit de OPEC. Tegelijkertijd is er ook sprake van grote gedeelde belangen, waaronder op het gebied van (regionale) veiligheid en stabiliteit, en onderlinge afhankelijkheden.
Verwacht u dat het besluit van de VAE om de OPEC te verlaten de onderlinge rivaliteit tussen de VAE en Saoedi-Arabië zal vergroten en daarmee de mogelijkheden voor samenwerking binnen de GCC bemoeilijkt?
Zie antwoord vraag 9.
Welke rol ziet u voor Nederland en de Europese Unie om bij te dragen aan het behoud van de eenheid van de GCC als strategische partner, juist nu de spanningen tussen de lidstaten over energie- en veiligheidsbeleid toenemen?
De GCC en zijn lidstaten zijn om zowel politieke als economische redenen strategische partners voor Nederland en de EU. Nederland was één van de aanjagers van het in 2022 gesloten strategisch partnerschap tussen de EU en de Golfregio en speelt een actieve rol bij de implementatie daarvan. Op bilateraal niveau zet Nederland in op verdere versterking van de bilaterale banden met de individuele GCC lidstaten. Zo bracht de Minister van Buitenlandse Zaken in april jl. een bezoek aan de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië om steun te betuigen en solidariteit te tonen naar aanleiding van de Iraanse aanvallen en om de politieke en economische betrekkingen met beide landen te versterken.
Kan de intensivering van de samenwerking tussen Nederland en de VAE op het gebied van energie-infrastructuur en maritieme veiligheid bijdragen aan de algehele stabiliteit in de regio en, zo ja, op welke manier?
Intensievere samenwerking met de VAE op energie infrastructuur kan bijdragen aan regionale stabiliteit door een betrouwbare, toekomstbestendige en waar mogelijk verduurzaamde energievoorziening te ondersteunen. Dit verkleint in een politiek kwetsbare regio het risico op verstoringen en spanningen in energiestromen. Nederland benut deze samenwerking om internationale standaarden voor veiligheid, duurzaamheid en transparantie te versterken, binnen het eigen beleid gericht op energietransitie. Leveringszekerheid blijft daarbij een relevant aandachtspunt, ook waar dit in uitzonderingsgevallen fossiele projecten raakt, binnen de geldende Nederlandse en Europese kaders.
Samenwerking op maritieme veiligheid kan het risico op incidenten, illegale activiteiten en escalatie verkleinen, en beschermt handels- en energiestromen, ook richting Europa en Nederland.
Erkent u dat de toenemende volatiliteit op de oliemarkt de vraag naar alternatieve energiebronnen en technologieën, zoals elektrische voertuigen en zonnepanelen, onvermijdelijk versnelt?
Toenemende volatiliteit van olieprijzen kan duurzame energie een aantrekkelijkere en stabielere bron van energie maken. Ook kan de vraag naar energiebesparende maatregelen toenemen. Door te verduurzamen en energie te besparen dragen we bij aan de weerbaarheid van onze energievoorziening. Het kabinet zet daarom ook in op verduurzaming en energiebesparing in het maatregelenpakket waarover de Kamer is geïnformeerd op 20 april 2026.
Hoe zet het kabinet zich in om te voorkomen dat deze versnelling leidt tot een nieuwe, eenzijdige afhankelijkheid van onvrije staten zoals China voor de levering van kritieke grondstoffen en componenten?
Binnen de aanpak van risicovolle strategische afhankelijkheden kijkt het kabinet met speciale aandacht naar risico’s voor de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen, halffabricaten en componenten. Onder de Nationale Grondstoffenstrategie, de Europese Critical Raw Materials Act (CRMA) en Resource EU wordt op zowel nationaal als Europees niveau gewerkt aan het vergroten van de leveringszekerheid, onder meer door in EU-verband in te zetten op voorraadvorming, Strategische Projecten en partnerschappen met grondstofrijke landen.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft de Tweede Kamer toegezegd deze zomer een brief over de Nederlandse bijdrage aan de CRMA te sturen. Daarin wordt u nader geïnformeerd over de stand van zaken van de kabinetsinzet.
Op welke wijze waarborgt u dat deze nieuwe afhankelijkheden niet opnieuw als geopolitiek wapen kunnen worden ingezet, naar het voorbeeld van de huidige Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz?
Binnen de eerdergenoemde Nationale Grondstoffenstrategie is het doel om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen te vergroten zodat deze niet ingezet kunnen worden als geopolitiek wapen. De gezamenlijke Europese inzet is om verstoringen in de productie en toeleveringsketens zoveel mogelijk te mitigeren en voorspelbaarheid en duidelijkheid voor onze bedrijven te vergroten. Bij de beoordeling welke grondstoffen kritiek zijn wordt ook de verwachte groei van de wereldwijde vraag als gevolg van de energietransitie meegenomen, zodat toekomstige risico's kunnen worden beperkt.
Het bericht ‘Zelenskyy threatens Israelis with sanctions over stolen grain’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Israëlische autoriteiten om tot tweemaal toe door de Europese Unie (EU) gesanctioneerde schepen uit de Russische schaduwvloot aan te laten meren en hen toe te staan graan uit door Rusland bezette delen van Oekraïne te exporteren?1
Ja.
Heeft u signalen dat Israël de afgelopen jaren vaker graan uit door Rusland bezette gebieden heeft geïmporteerd?
Het kabinet heeft deze signalen niet eerder ontvangen.
Hoe beoordeelt u deze stappen van de Israëlische regering en welk effect hebben die op de handhaving van sancties jegens Rusland?
Het kabinet veroordeelt stappen die bijdragen aan de illegale Russische agressieoorlog, ongeacht door wie deze worden begaan. Dat geldt ook voor de export van graan uit illegaal door Rusland bezet gebied in Oekraïne. Daarom heeft de EU extra sancties opgelegd tegen de Russische schaduwvloot, die betrokken is bij het transporteren daarvan.
Daarnaast heeft de Israëlische regering heeft op 30 april jl. ingegrepen toen bleek dat een schip met voornoemd Oekraïens graan wilde lossen in Israël. Nederland heeft richting Israël steun uitgesproken voor dit optreden.
Hoe beoordeelt u het financieren van de Russische oorlogskas in relatie tot het associatieakkoord tussen de EU en Israël, in het bijzonder artikel 2?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het aankopen van graan uit illegaal door Rusland bezet gebied in Oekraïne bijdraagt aan de financiering van de Russische agressieoorlog op het Europese continent, en daarmee indruist tegen zowel Europese veiligheidsbelangen als het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen overweegt u richting de Israëlische regering om de import van dergelijk illegaal verkregen graan te stoppen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om, in navolging van Oekraïne, te streven naar aanvullende sancties tegen de bedrijven, entiteiten en functionarissen die op deze wijze bijdragen aan export uit bezet gebied? Zo ja, maakt u dit een inzet bij het 21ste sanctiepakket? Zo nee, waarom niet?
De EU heeft tot nu toe sancties ingesteld tegen vijf personen, vier bedrijven en negen schepen die betrokken zijn bij de export van graan uit de door Rusland bezette gebieden in Oekraïne. Deze sancties hebben ten doel om dit graan en daarbij betrokken personen, bedrijven en schepen van de Europese markt te weren, zonder de voedselzekerheid in derde landen te raken. Het kabinet steunt deze sanctie-inzet en draag hier actief aan bij.
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk, een voor een, beantwoorden?
Er is getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording. Waar relevant is de beantwoording gebundeld.
Het bericht dat defensie vasthoudt aan zero-tolerancebeleid voor drugs. |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat met het zero-tolerancebeleid sollicitanten bijvoorbeeld worden afgewezen op basis van het roken van een joint in hun tienerjaren?
Het zerotolerancebeleid zoals we dat bij Defensie kennen ten aanzien van drugs is niet onverkort van toepassing op aspirant-militairen. Wel wordt sollicitanten gevraagd naar drugsgebruik, waarbij drugsgebruik in het verleden afhankelijk van de omstandigheden en bijvoorbeeld de geambieerde functie wordt meegenomen in de beoordeling.
Kunt u exact toelichten op basis waarvan (welk verleden en/of gebruik) defensiepersoneel kan worden ontslagen of als ongeschikt kan worden bestempeld tijdens een sollicitatie?
Er is sprake van een beoordeling op een algeheel beeld van een sollicitant, waarbij specifiek ten aanzien van drugs de frequentie, recentheid, context van drugsgebruik, het soort drugs en de leeftijd worden meegenomen bij de afweging. Daarnaast is de reden van het gebruik en het eventuele disfunctionele gedrag als gevolg hiervan ook van belang. Dit geldt zowel voor de psychologische selectie als de medische keuring. In dit laatste geval wordt vooral gekeken naar middelenafhankelijkheid, -misbruik en functioneren.
Kunt u voor de afgelopen tien jaar aangeven hoeveel militairen er jaarlijks vanwege drugsgebruik zijn ontslagen en hoeveel sollicitanten zijn afgewezen vanwege drugsgebruik in het verleden?
Uit een eerdere inventarisatie is gebleken dat in de afgelopen vijf jaar jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag is verleend onder toepassing van het drugsbeleid. Omdat er geen centrale registratie plaatsvindt van ontslagen wegens drugsgebruik, kan ik met u op dit moment geen gegevens delen van langer geleden.
Over cijfers van het aantal sollicitanten dat is afgewezen vanwege drugsgebruik beschik ik niet, aangezien niet wordt geregistreerd dat een sollicitant specifiek op basis van drugsgebruik wordt afgewezen. Bij de psychologische selectie valt drugsgebruik onder diverse beoordelingspunten, bijvoorbeeld discipline en psychische belastbaarheid of morele verantwoordelijkheid en algemene stabiliteit. Bij de medische keuring kan middelenafhankelijkheid of verslaving betrekking hebben op meerdere bijzondere functie-eisen van de militair, waaronder emotionele piekbelasting en waakzaam kunnen zijn.
Hoe verhoudt dit beleid zich tot de huidige maatschappelijke realiteit waarin (beperkt) recreatief gebruik van bijvoorbeeld cannabis voorkomt, zonder dat dit leidt tot disfunctioneren?
Het gezamenlijk kabinetsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel, mede gezien de taakstelling. Defensie hecht aan het huidige zerotolerancebeleid, omdat de veiligheid, inzetgereedheid en het goede functioneren van militairen vooropstaan. In een cultuur waarin het onderling vertrouwen in elkaars capaciteiten en waakzaamheid voorop staat, is het essentieel dat het belang hiervan niet alleen wordt uitgesproken, maar ook wordt gehandhaafd. Het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen wordt niet getolereerd. Het drugsbeleid bij Defensie heeft daarmee een zekere afschrikwekkende functie, die met voorgaande redenen wordt gerechtvaardigd.
Overwegende dat uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat een kwart van de Nederlanders wel eens wiet of cannabis heeft gebruikt, erkent u dat de keuze voor een zero-tolerancebeleid een groot deel van de Nederlanders uitsluit van actief dienen voor Defensie? Zo niet, hoe kunt u dit onderbouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de constatering dat het huidige beleid geen ruimte laat voor maatwerk en proportionaliteit, bijvoorbeeld bij een eenmalige overtreding zonder relatie tot de dienst?
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 13 april 2026 op vragen van het lid Van den Brink (CDA) (2026Z02311) schreef, hanteert Defensie in de kern een zerotolerancebeleid op het gebied van drugs. Het gebruik of bezit van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd en hierop volgt in de regel ontslag. De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd, zonder relatie tot de dienst. In dat geval kan worden volstaan met een waarschuwing.
Ik realiseer me dat een ontslag voor de betrokken militair en diens naasten grote persoonlijke gevolgen kan hebben. Daarom vind ik het belangrijk dat in die gevallen waarin de onverkorte toepassing van het beleid tot onevenredige uitkomsten voor de militair leidt, er de ruimte is om met inachtneming van de specifieke omstandigheden tot een afgewogen besluit te komen waarin het organisatiebelang en het persoonlijk belang op een zorgvuldige manier tegen elkaar zijn afgewogen.
Defensie onderzoekt of en op welke wijze die ruimte kan worden vormgegeven zonder dat dit een negatieve weerslag heeft op de helderheid en houdbaarheid van het onderliggende drugsbeleid. Het in een dergelijk geval kunnen bieden van een tweede kans heeft als secundair effect dat de uitstroom wordt beperkt. Daarnaast is er een Defensiebreed programma ontwikkeld gericht op bewustwording, voorlichting en preventie van alcohol- en drugsgebruik, hetgeen in de loop van dit jaar stapsgewijs binnen de organisatie wordt uitgerold.
Acht u het proportioneel dat een militair voor een eenmalig incident met softdrugs zijn gehele loopbaan kan verliezen, terwijl andere gedragingen (zoals overmatig alcoholgebruik) niet altijd tot vergelijkbare sancties leiden?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt het zero-tolerancebeleid op het gebied van drugs zich tot het beleid op het gebied van alcohol? Erkent u dat in veel gevallen alcoholgebruik gevaarlijker is voor militairen dan (het ooit gerookt hebben van) een joint?
De risico’s van alcohol- en drugsgebruik zijn niet altijd direct vergelijkbaar en hangen sterk af van de context en specifieke situatie. Zo geldt tijdens uitzendingen en missies in principe een strikt alcoholverbod, waarbij alleen de Commandant der Strijdkrachten op basis van het type missie kan besluiten tot een uitzondering. Defensie erkent dat alcoholgebruik net als drugsgebruik schadelijke effecten kan hebben op inzetbaarheid, veiligheid en groepsdynamiek. Daarom is er blijvende aandacht voor bewustwording, voorlichting en preventie van alcoholgebruik. Dit beleid wordt momenteel verder versterkt door gerichte campagnes en interventies, gericht op het voorkomen van risicovol gedrag en het bevorderen van verantwoord gebruik binnen de organisatie. Hiermee streeft Defensie ernaar een veilige, professionele en goed functionerende krijgsmacht te waarborgen.
Erkent u dat het vreemd is dat het roken van een joint zoals omschreven in het artikel van de NOS leidt tot ontslag terwijl drankgebruik compleet wordt geaccepteerd?1
Binnen Defensie wordt drankgebruik niet compleet geaccepteerd. Zie ook vraag 8.
Hoe beoordeelt u het risico dat waardevolle en schaars opgeleide militairen verloren gaan door een strikt sanctieregime, terwijl Defensie tegelijkertijd kampt met personeelstekorten?
Het risico dat militairen de organisatie verlaten door een streng drugsbeleid is reëel, vooral in een periode waarin Defensie kampt met personeelstekorten. Het zerotolerancebeleid is echter primair gericht op het waarborgen van veiligheid, inzetbaarheid en discipline binnen de krijgsmacht. Defensie weegt deze uitgangspunten zorgvuldig af tegen de personele uitdagingen. Tegelijkertijd wordt actief geïnvesteerd in werving, behoud en preventie, onder andere door bewustwordingscampagnes en ondersteuning van militairen bij verantwoord gedrag. Op deze manier probeert Defensie het verlies van ervaren personeel zoveel mogelijk te beperken, terwijl het sanctieregime gehandhaafd blijft om de operationele gereedheid en het vertrouwen binnen de organisatie te beschermen.
Bent u bekend met signalen dat militairen of aspirant-militairen zich gedwongen voelen om niet eerlijk te zijn over eerder (incidenteel) drugsgebruik uit angst voor afwijzing? Zo niet, hoe duidt u het feit dat aspirant-defensiepersoneel op online fora informatie en strategieën deelt over hoe om te gaan met vragen over hun drugsgebruik in hun tienerjaren?
Ja, hier zijn we ons van bewust. Ik ga er evenwel vanuit dat sollicitanten naar waarheid verklaren tijdens de sollicitatieprocedure.
Hoe beoordeelt u wetenschappelijke inzichten, zoals onderzoek waaruit blijkt dat beperkt drugsgebruik in het verleden geen negatieve correlatie heeft met functioneren of prestaties binnen de krijgsmacht?2
Zoals eerder aangegeven worden sollicitanten gevraagd naar drugsgebruik, waarbij drugsgebruik in het verleden afhankelijk van de omstandigheden en bijvoorbeeld de geambieerde functie wordt meegenomen in de beoordeling. Het roken van een enkele joint in het verleden is op zichzelf geen reden om een sollicitant af te wijzen. Tijdens het selectieproces maken wij op basis van de beschikbare informatie en verschillende selectiecriteria een inschatting van de geschiktheid van een kandidaat. Zie ook beantwoording bij vragen 1, 2 en 3.
Welk wetenschappelijk bewijs ligt er onder de keuze om te kiezen voor een zero-tolerancebeleid voor zowel soft- als harddrugs? Kunt u een overzicht geven van de onderzoeken die aantonen dat het gebruik (in het verleden) van softdrugs een groter risico vormt voor het functioneren van (aspirant-)militairen dan drankgebruik?
De reden om binnen Defensie een zerotolerancebeleid voor drugs te hanteren is omdat een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht een scherp drugsbeleid vereist, gezien de negatieve effecten van drugs op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede vanwege de lange periode waarin de werkzame stoffen in het lichaam actief blijven. Daarnaast kan gezamenlijk drugsgebruik leiden tot een groepsbinding die is gebaseerd op negatieve gronden, wat een extra reden vormt om actief op te treden tegen drugs binnen de krijgsmacht. Tot slot zijn er aantoonbare verbanden tussen drugshandel en andere vormen van criminaliteit en wordt het aanzien van het militaire ambt ernstig geschaad wanneer militairen zich op enigerlei wijze inlaten met drugs.
Bent u bereid om (in overleg met militairen, vakbonden en experts) te komen tot een herziening van het drugsbeleid waarin proportionaliteit, maatwerk en evidence-based beleid centraal staan?
Zoals ik eerder heb benadrukt, hecht Defensie aan het huidige zerotolerance beleid, vanwege het grote belang dat wordt gehecht aan de veiligheid, inzetgereedheid en het goede functioneren van militairen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat de discussie over drugsgebruik niet alleen draait om sanctionering, maar ook aspecten als preventiebeleid en het gebruik van alcohol omvat. Daarom is het van belang om het beleid periodiek op compleetheid en effectiviteit te bezien. Momenteel vindt een dergelijk onderzoek plaats, waarbij relevante stakeholders actief worden betrokken.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord»?1
Ja.
Kunt u de Israëlische aanvallen op de flotilla in de meest krachtige termen veroordelen als een schending van het internationaal recht? Zo neen, waarom niet?
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Bent u bereid om de onmiddellijke vrijlating van de gegijzelde opvarenden te eisen?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de betrokken Nederlanders zo snel mogelijk vrij te laten.
Het kabinet heeft kennisgenomen van de schokkende en ontoelaatbare beelden van de aangehouden Flotilladeelnemers die de Israëlische Minister Ben-Gvir op 20 mei jl. heeft gedeeld. Volgens het kabinet gaat deze behandeling in tegen de menselijke waardigheid. Het kabinet heeft de Israëlische regering daarop aangesproken en de Israëlische ambassadeur ontboden om opheldering te vragen. Daarbij heeft het kabinet opnieuw benadrukt dat alle opvarenden in lijn met het internationaal recht moeten worden behandeld, de veiligheid van Nederlandse opvarenden moet worden gegarandeerd en ze zo snel mogelijk moeten worden vrijgelaten. Ook heeft het kabinet om formele excuses van de Israëlische regering gevraagd. Deze oproep heeft Nederland ook herhaald in Europees verband in lijn met de motie-Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3421). Israël ging de dag erna, op 21 mei jl., over tot vrijlating van alle deelnemers.
Bent u het ermee eens dat de Israëlische blokkade van Gaza illegaal is en doorbroken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Momenteel is er geen veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke humanitaire toegang voor professionele hulporganisaties, zoals de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en internationale ngo’s, om hulp te verlenen in Gaza. In oktober 2025 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat Israël als bezettende macht verplicht is essentiële humanitaire hulp door onpartijdige (VN-)organisaties toe te staan, wanneer de lokale bevolking onvoldoende voorzien is van dergelijke hulpgoederen. Dit onderstreept het kabinet volledig, en dit gebeurt onvoldoende. Humanitaire en commerciële goederen komen zeer beperkt binnen. Hulporganisaties ondervinden een scala aan belemmeringen, waaronder de beperkte toegang, de Israëlische restricties voor dual use goederen en de Israëlische herregistratieplicht voor internationale ngo’s, die hen verhindert om adequaat hulp te bieden aan de populatie in Gaza, terwijl de humanitaire noden enorm zijn. Tegelijkertijd is de humanitaire hulp die de Sumud Flotilla hoopte af te leveren voornamelijk symbolisch van aard en niet voldoende om de hoge noden in Gaza werkelijk te verlichten.
Heeft u contact gelegd met de flotilla en in het bijzonder met de Nederlandse opvarenden? Zo neen, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Nederlandse deelnemers aan de Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
Hoe zorgt Nederland ervoor dat Israël de veiligheid van de flotilla en diens opvarenden respecteert? Zal Nederland er politieke consequenties aan verbinden indien dit niet gebeurt?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten.
Zoals uw Kamer bekend, acht het kabinet het gedrag van de Israëlische Minister van Nationale Veiligheid rondom de detentie van Flotilla-demonstranten ontoelaatbaar. Nederland heeft de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich vanwege hun extremistische uitspraken en oproepen tot geweld reeds in juli 2025 persona non grata verklaard en hen als ongewenste vreemdeling in het Schengen Informatiesysteem (SIS) gesignaleerd. Op dat moment bleef Europees draagvlak uit om tegen deze Ministers EU-sancties aan te nemen.
Het sanctioneren van Minister Ben-Gvir ligt in Brussel opnieuw voor, hetgeen dit kabinet steunt. Het kabinet onderstreept daarbij ook dat Nederland ook voorstander is van sancties tegen Minister Smotrich.
Zie ook het antwoord op vraag 3.
Op welke wijze staat u de opvarenden en in het bijzonder de Nederlandse staatsburgers bij?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Bent u bereid om sancties te treffen tegen Israël vanwege de illegale entering van de flotilla?
Zie het antwoord op vraag 3 en 6.
Nederland heeft tijdens de informele Raad Buitenlandse Zaken opgeroepen tot het sanctioneren van Ministers Ben-Gvir en Smotrich. Nederland ging eerder nationaal over tot deze stap vanwege het ontbrekende EU-draagvlak.
Verder steunt het kabinet, conform de motie-Van Baarle (21501-02-3420), de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., richting de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden. Het kabinet zal in dat kader ook in contact blijven met landen die ook duidelijkheid willen over de behandeling van Flotilla-opvarenden, ook in Europees verband.
Bent u bereid om deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.