De publicatie van de Handelsmonitor 2025 |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie van de Handelsmonitor 2025, opgesteld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) waaruit blijkt dat 45% van de Nederlandse ondernemers een (sterk) negatieve impact ervaart als gevolg van het handelsbeleid van de VS?
Deelt u de zorgen van deze ondernemers? Zo ja, welke concrete stappen bent u voornemens te zetten om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een lastenverlichting voor internationaal opererende Nederlandse ondernemers te onderzoeken, bijvoorbeeld in de vorm van verlaging van de vennootschapsbelasting of door het opzetten van exportgerelateerde aftrekposten, teneinde hun concurrentiepositie te versterken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid exportbevorderende maatregelen te intensiveren, bijvoorbeeld door uitbreiding van het budget voor handelsmissies en RVO-subsidieregelingen gericht op markttoegang?
In hoeverre acht u de huidige garantieregelingen van RVO, zoals de Exportkredietverzekering en Borgstelling MKB-kredieten (BMKB), toereikend voor ondernemers die als gevolg van de veranderende geopolitieke verhoudingen moeilijker toegang hebben tot financiering? Bent u bereid deze regelingen te verruimen?
Bent u bereid te onderzoeken of de innovatieboxregeling en de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) uitgebreid kunnen worden voor bedrijven die actief investeren in het diversifiëren van hun afzetmarkten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken of een aanvullende fiscale aftrek mogelijk is voor mkb-bedrijven die kosten maken voor het verkennen en betreden van nieuwe exportmarkten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet u voor de hoge uitval?
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze vrouwen in de WIA instromen?
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80 en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arbo-artsen?
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker worden?
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat u hier concreet uitvoering aangeven?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht 'Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: 'De wereld kijkt andere kant op'' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de toename van geweld in Gaza in de afgelopen weken?1
Deelt u het oordeel dat juist nu extra moet worden ingezet op steun aan bestaande hulpstructuren in Gaza?
Is het kabinet nog steeds van plan de relatie met UNRWA te herstellen, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn zal hier uitvoering aan worden gegeven?
Welke financiële consequenties zijn verbonden aan deze coalitieafspraak voor de komende jaren?
Hoe bent u van plan om te gaan met de wens van de Eerste Kamer om de BNI-koppeling in de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking te herstellen?
De wens van de Eerste Kamer is goed gehoord. Het kabinet actualiseert het ODA-budget op basis van een koppeling aan het BNI, investeert in ontwikkelings-samenwerking en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm. De motie Huizinga-Heringa (Kamerstuk 36 600 XVII, M) is hiermee uitgevoerd, de moties die vragen om een koppeling aan 0,7% van het BNI niet (motie Holterhues in de Eerste Kamer, Kamerstuk 36 725, F; motie Hirsch in de Tweede Kamer, Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 51).
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Rotterdamse huisartsenpost toont clip 'Boom Boom Tel Aviv' op groot scherm' |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de huisartsenpost Rotterdam Zuidplein op een groot scherm een videoclip is vertoond waarin geweld wordt verheerlijkt, zoals te zien was op beelden die op sociale media circuleerden?1
Op de gevel van een huisartsenpraktijk in Rotterdam, huisartsenpost Zuidplein, hangt een scherm. Het is goed te zien vanaf de straat. Op dat scherm verscheen in maart een videoclip. Het liedje uit de clip heeft als titel: «Boom, Boom, Tel Aviv». Een van de strofen uit het liedje luidt: «But humanity never expected good behavior from your Jews».
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Worden deze beelden door of namens deze huisartsenpost zelf aangestuurd of door een externe advertentiedienst?
Wie de beelden aanstuurde, is voor het kabinet vooralsnog onduidelijk. Er is inmiddels een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Vermoedelijk zal daaruit blijken wie de beelden aanstuurde. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Heeft deze huisartsenpost een verantwoordelijkheid om bij (potentiële) patiënten geen enkele zorg te laten ontstaan over de vraag dat ongeacht de herkomst of nationaliteit van een persoon deze kan rekenen op de best beschikbare zorg?
Huisartsen moeten zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2 De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. In de tweede kernregel is opgenomen: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet».3
Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Deelt u de opvatting dat zorgverleners, en zorginstellingen in het bijzonder, een neutrale, veilige en niet-politieke omgeving moeten bieden aan alle patiënten, ongeacht herkomst, religie of politieke opvatting?
Ja.
Hoe verhoudt het vertonen van een video waarin geweld wordt gevierd zich volgens u tot de professionele normen, zoals beschreven door de KNMG en in bredere zin in de medische beroepsethiek, waaronder het uitgangspunt dat artsen en zorginstellingen handelen op een wijze die geen schade toebrengt, vertrouwen wekt en respect voor iedere patiënt waarborgt?2
Zoals hierboven uitgelegd, moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. De gedragscode biedt artsen een leidraad voor het professionele handelen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. Zoals hierboven aangegeven, staat in de tweede kernregel: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet». Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» acht het kabinet volkomen onacceptabel. Een dergelijke videoclip kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk en kan daarmee de toegang tot zorg belemmeren.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden, waaronder de KNMG-gedragscode, maakt daar deel van uit.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse artseneed, zoals opgenomen in de universitaire opleidingen sinds 2003, artsen onder meer verplicht tot het bevorderen van vertrouwen, het voorkomen van schade en het professioneel handelen in het belang van de patiënt? Acht u het vertonen van deze video in lijn met die eed en professionele verplichtingen?
De artseneed is een morele en ethische belofte. De artseneed is niet juridisch bindend. De bovengenoemde gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen. Die maakt deel uit van de professionele standaard.
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.5 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Zijn er eerder uitingen op dit scherm geweest die vraagtekens zetten bij de genoemde normen die gelden voor leden van de medische beroepsgroepen?
Het College van burgemeester en Wethouders van Rotterdam heeft in 2023 vragen beantwoord van de gemeenteraad over antiwesterse en pro-Palestijnse posts op de LinkedIn-pagina van Huisartsenpost Zuidplein.
Bent u ervan op de hoogte dat buurtbewoners inmiddels klachten hebben ingediend over het scherm en dat het scherm inmiddels is uitgezet? Worden deze klachten betrokken bij een onderzoek of bestuurlijke beoordeling?
In hoeverre buurtbewoners hebben geklaagd en bij wie, is het kabinet niet bekend. Wel is bekend dat er een opsporingsonderzoek is opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden patiënten hebben om een formele klacht in te dienen wanneer zij zich door dergelijke politieke of gewelddadige boodschappen onveilig, ongewenst of bedreigd voelen bij het bezoeken van een huisartsenpost?
Patiënten die zich onveilig, ongewenst of bedreigd voelen, kunnen een melding doen bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Zie: Ik heb een klacht | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
Daarnaast kunnen patiënten een klacht indienen bij de zorgaanbieder zelf. De zorgaanbieder is verplicht een schriftelijke regeling op te stellen voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten.
Kunt u toezeggen om deze situatie onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Wat vindt uzelf van het vertonen van deze videoboodschap boven een huisartsenpost in relatie tot de KNMG-gedragsregels en de medische beroepsethiek, inclusief de normen over neutraliteit, veiligheid en het vermijden van schade?
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Welke voorwaarden gelden er voor met premie, c.q. belastinggeld, betaalde zorginstellingen ten aanzien van het gebruiken van publieke schermen of uitingen voor politieke, activerende of mogelijk polariserende boodschappen? Zijn deze waarborgen volgens u voldoende?
De vertoning van beelden op een scherm aan de gevel van een huisartsenpraktijk moet aan diverse normen voldoen. Het kabinet acht deze normen voldoende. De vertoning mag allereerst niet strafbaar zijn. Of er sprake is van strafbaarheid wordt uitgezocht in het reeds opgestarte opsporingsonderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast is voor het plaatsen van een scherm aan een gevel een vergunning vereist. Dat is geregeld in de Omgevingswet. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam heeft een toezichtsonderzoek opgestart.
Tot slot moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode maakt deel uit van de professionele standaard. De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Deelt u de opvatting dat het vertonen van gewelddadige en polariserende content vanaf een zorginstelling niet alleen onverenigbaar is met de rol van een huisartsenpost, maar ook onwenselijk is in de openbare ruimte?
Ja.
Welke bestuurlijke maatregelen acht u passend indien een zorginstelling (herhaaldelijk) uitingen verspreidt die angst of haat kunnen aanwakkeren in de openbare ruimte? Wordt daarbij ook de mogelijkheid betrokken van (tijdelijke) sluiting of het intrekken van vergunningen indien normen structureel worden overschreden?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in dit geval niet de bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen te treffen. Toezichtsonderzoek en de eventuele beslissing om handhavingsmaatregelen te treffen is aan de toezichthouders: de IGJ en Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door IGJ of andere toezichthouders, en over eventuele maatregelen die u naar aanleiding daarvan noodzakelijk acht?
Ja, voor zover dat binnen de geldende wettelijke kaders mogelijk is, zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door de IGJ of andere toezichthouders, evenals over eventuele maatregelen die naar aanleiding daarvan noodzakelijk worden geacht.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de afdeling sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een vacature heeft geplaatst die uitsluitend is bedoeld voor wetenschappers van kleur?1
Uit navraag bij de Erasmus Universiteit Rotterdam heb ik begrepen dat de vacature niet uitsluitend bedoeld was voor wetenschappers van kleur. En dat de Erasmus Universiteit Rotterdam de vacature heeft aangepast om te verduidelijken dat ze geen sollicitanten uitsluit.
Wat vindt u ervan dat de EUR een methode van personeelswerving gebruikt die is gebaseerd op huidskleur, die ertoe leidt dat een groot aantal kandidaten bij voorbaat wordt uitgesloten omdat zij de «niet de goede huidskleur» hebben?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van vacatures van een universiteit. Instellingen geven zelf hun werving- en selectiebeleid vorm. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders.
Wie kunnen er precies solliciteren op vacatures voor «scholars of color» en wie niet en deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om mensen in te delen in twee categorieën, zoals hier lijkt te gebeuren, namelijk wel of niet «of color»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een dergelijk wervingsbeleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat is vastgelegd in Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en dat discriminatie «op welke grond dan ook» verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Artikel 1 van de Grondwet is voor wat betreft de verhouding tussen werkgever en werknemer nader geconcretiseerd in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Op basis van artikel 2 lid 3 Awgb mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan. Het moet dan gaan om het wegnemen of verminderen van feitelijke nadelen die verband houden met de grond ras of geslacht en het onderscheid moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel.
Deelt u de mening dat het vreemd en zorgelijk is dat een faculteit voor sociale wetenschappen die commitment claimt tot «antiracisme» juist raciale eisen stelt?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Wat vindt u van de aan deze vacature kennelijk onderliggende opvatting van de faculteit voor sociale wetenschappen van de EUR dat wetenschappers van kleur bijzondere expertise hebben voor de studie van ongelijkheid die andere wetenschappers ontberen?
Zoals in antwoord 1 aangegeven, heb ik begrepen dat de vacature openstaat voor alle wetenschappers.
Hoe beoordeelt u het feit dat de twee vacatures geen eisen stellen aan specialisaties of methodologische vaardigheden?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Bent u van mening dat een vacaturetekst als «Commitment to integrating progressive, antiracist and social justice resources and pedagogy in the classroom is an essential component of both positions» academici met conservatieve opvattingen lijkt uit te sluiten? Graag een toelichting.
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Is u bekend of er buiten de ESSB van de EUR nog meer faculteiten zijn die vacatures plaatsen die uitsluitend zijn bedoeld voor «scholars of color»?
Ik heb van de Erasmus Universiteit Rotterdam begrepen dat die er niet zijn.
Bent u bereid met de universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat procedures om personeel te werven gevrijwaard blijven van discriminatoire criteria?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met het wervingsbeleid op universiteiten. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders. Ik zie geen noodzaak om additionele afspraken te maken met de universiteiten.
Deelt u het oordeel van dit voorval als een voorbeeld van positieve discriminatie?
Het aanmoedigen van kandidaten van kleur om te solliciteren is geen voorkeursbeleid, oftewel positieve discriminatie, ook anderen zijn welkom om te solliciteren. Bovendien betekent voorkeursbeleid voor mensen van kleur niet per definitie dat er sprake is van verboden onderscheid. Een werkgever mag voorkeursbeleid voeren als een bepaalde groep mensen onvoldoende vertegenwoordigd is en er is voldaan aan een aantal andere vereisten. Het is niet aan mij om te oordelen over individuele gevallen.
Zo ja, acht u dit soort discriminatie onwenselijk en gaat u daar actief actie tegen nemen in uw nieuwe nationale programma tegen racisme en discriminatie?
Uw Kamer heeft het kabinet gevraagd een overkoepelend programma tegen discriminatie en racisme te maken. Daarin zal het kabinet actie ondernemen tegen alle vormen van verboden onderscheid. Verder wijs ik graag naar mijn antwoorden op vragen 4 en 11.
Het bericht dat een Nederlands schip wapens of onderdelen zou hebben geleverd in Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat een Nederlands schip deze week wapens of onderdelen zou hebben geleverd in Israël?1
Kunt u bevestigen of dit Nederlandse schip wapens of onderdelen daarvoor heeft afgeleverd in Israël, en zo ja, welk type goederen, met welke eindgebruiker? Zo niet, bent u bereid dat te verifiëren bij Hartel, de Nederlandse eigenaar van dat schip?
Zijn afgelopen jaren vaker Nederlandse schepen gebruikt voor levering van wapens of onderdelen daarvoor in Israël? Zo ja, hoe vaak? Als dit niet bekend is, waarom is hier geen kennis over?
Deelt u de opvatting dat Nederlandse bedrijven geen transporten mogen faciliteren wanneer die een duidelijk risico vormen op inzet bij schendingen van het internationaal humanitair recht?
In hoeverre heeft het kabinet vooraf kennis gehad van dit transport, en welke mogelijkheden heeft het kabinet om dergelijke transporten te voorkomen of tegen te houden, wanneer een schip onder Nederlandse vlag vaart? Zijn deze mogelijkheden in dit geval benut?
Is de afgelopen jaren ooit opgetreden tegen een Nederlands schip dat wapens of onderdelen daarvoor levert in Israël?
Hoe verhoudt deze casus zich tot de verplichtingen van Nederland onder het Genocideverdrag, in het bijzonder de verplichting om genocide te voorkomen?
Deelt u de opvatting dat ook indirecte betrokkenheid, zoals transport of logistieke ondersteuning, kan bijdragen aan schendingen van het internationaal humanitair recht? Zo nee, waarom niet?
Is voor dit transport sprake van een vergunningplicht, bijvoorbeeld voor een export- of doorvoervergunning, of een vergunning strategische diensten? Zo ja, is die ook aangevraagd en verleend, en op basis van welke criteria? Zo niet, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht dat via de haven van Rotterdam een schip wapens of onderdelen naar Israël zou hebben vervoerd? Klopt dit, wat was de exacte lading, en welke afweging is gemaakt om dit transport via de Rotterdamse haven toe te staan?2
In hoeverre kan de Nederlandse overheid vooraf controleren of via Nederlandse havens of onder Nederlandse vlag wapens of militaire goederen worden vervoerd naar conflictgebieden waar oorlogsmisdaden worden gepleegd?
Welke rol en verantwoordelijkheid heeft de haven van Rotterdam in het controleren of faciliteren van transporten met mogelijk militaire lading richting Israël?
Welke instrumenten hebben havenautoriteiten en gemeenten momenteel om dergelijke transporten te stoppen, en acht u deze voldoende?
Is het kabinet van mening dat lokale overheden en havenautoriteiten voldoende instrumenten hebben om transporten met mogelijk risicovolle lading te weigeren of te stoppen? Zo ja, welke zijn dat concreet?
Hoe wordt uitgesloten dat Nederlandse schepen of via Nederlandse havens militair materieel dat ingezet kan worden in Gaza naar Israël vervoerd wordt?
Is het kabinet bereid aanvullende maatregelen te onderzoeken om te voorkomen dat via Nederlandse havens of onder Nederlandse vlag transporten plaatsvinden die bij kunnen dragen aan oorlogsmisdaden?
Hoe gaat er worden opgetreden tegen schepen en rederijen die via Nederlandse havens wapens of militaire goederen naar Israël vervoeren, gezien de risico’s op betrokkenheid bij schendingen van het internationaal humanitair recht in Gaza en Libanon?
Het bericht dat instellingen voor mensen met dementie worstelen met opendeurenbeleid. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Instellingen voor mensen met dementie worstelen met opendeurenbeleid»?1
Ja.
Kunt u aangeven bij hoeveel zorgaanbieders de deuren in de praktijk nog gesloten zijn, aangezien de inspectie ziet dat veel zorgaanbieders werken aan een opendeurenbeleid maar bij een groot deel van de zorgaanbieders de deuren in de praktijk nog altijd gesloten? Kunt u dit uitsplitsen per sector en daarbij aangeven wat daarvoor de hoofd beweegredenen zijn?
Nee, ik heb geen inzicht in de aantallen verpleeghuizen met een zogenoemd opendeurenbeleid. Ieder verpleeghuis dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden. In het kader van opendeurenbeleid is dat de Wet zorg en dwang (Wzd).
Op welke manieren bent u van plan om in te zetten op kwaliteit van leven voor mensen met dementie?
Ik zet met de Nationale Dementiestrategie (NDS) in op meer onderzoek naar dementie, een dementievriendelijke samenleving en goede zorg en ondersteuning voor mensen met dementie. Deze strategie is onlangs geactualiseerd en in januari 2026 met uw Kamer gedeeld.2
Op welke manieren gaat u inzetten op «vrijheid, tenzij» voor mensen met dementie? En hoe faciliteert u daarin de zorgaanbieders, zorgprofessionals en familie?
Het belangrijkste instrument waarmee ingezet kan worden op «vrijheid, tenzij» voor mensen met dementie is de Wzd zelf. Het uitgangspunt van de Wzd is «nee, tenzij». Dat betekent dat cliënten niet beperkt worden in hun vrijheid, tenzij dat echt niet anders kan. En in dat geval alleen als dat gebeurt met inachtneming van de eisen die de Wzd stelt.
De meest betrokken veldpartijen (zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) hebben met de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wzd (december 2023)3 afgesproken zich ervoor in te zetten om het openen van deuren te stimuleren, hier aandacht aan te besteden en het lerende effect tussen zorgaanbieders en professionals te versterken. Vilans heeft hieraan bijgedragen met onder andere de campagne «Een deur kan op veel manieren open»4 als onderdeel van een breder Wzd-programma 2023–2025. Daarnaast heeft Vilans naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken samen met veldpartijen de folder «Leven in vrijheid voor cliënten en hun naasten of vertegenwoordigers» uitgebracht.5 In de folder wordt in duidelijke taal uitgelegd wat de Wzd is en welke stappen zorgorganisaties moeten doorlopen bij het inzetten van gedwongen zorg aan cliënten.
Binnen de Wzd-programma’s van Vilans zijn talrijke kennisproducten en -sessies ontwikkeld en aangeboden aan het veld. In het kader van de doorlopende kennisfunctie van Vilans worden de kennisproducten over de Wzd en het openen van deuren onderhouden en blijvend onder de aandacht van de zorgprofessionals gebracht door Vilans.6
Tot slot kent de Wzd om de cliënt en zijn naasten te ondersteunen de functie cliëntvertrouwenspersoon (CVP). Iedere cliënt die te maken krijgt met gedwongen zorg heeft recht op ondersteuning van een CVP.
Deelt u de mening dat dit niet alleen iets van aanbieders, professionals en familie is maar van de samenleving als geheel? Hoe zet u daar op in?
Eén van de lijnen van de Nationale Dementiestrategie is de Dementievriendelijke samenleving. Binnen dit thema werken we aan bewustwording van de samenleving over dementie en zorgen we voor inclusiviteit. We werken aan meer begrip uit de omgeving voor mensen met dementie en hun naasten. We stimuleren betere toegankelijkheid van sportclubs en verenigingen voor mensen met dementie.
Daarnaast heeft Vilans in het kader van het programma «Open de deuren» een «Dossier passende vrijheid» ontwikkeld. Dit dossier bestaat uit meerdere bouwstenen. Eén van deze bouwstenen is «Gebouw en omgeving». Het dossier geeft zorgaanbieders handvatten hoe zij zowel intern als extern een dementievriendelijke omgeving creëren.
Deelt u de zorg van de instellingen dat dementerende bewoners door het opendeurbeleid in gevaarlijke situaties terechtkomen of niet meer terugkeren? Zo ja, wat gaat u doen om hen hierin te begeleiden? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp deze zorg. Het artikel geeft de emotie goed weer die het openen van deuren voor familie en naasten soms met zich meebrengt, waarbij het gevoel dat een cliënt niet veilig is en risico’s loopt een grote rol speelt.
Juist daarom is de individuele afweging noodzakelijk. Als gevaarlijke situaties voorstelbaar zijn bij een cliënt, kan de zorgaanbieder de afweging maken dat deze cliënt niet alleen naar buiten gaat, maar kan de zorgaanbieder andere opties verkennen, zoals onder begeleiding van een zorgverlener de afdeling af en/of naar buiten.
Begrijpt u dat ook familieleden van bewoners vaak enorm worstelen met de afweging tussen vrijheid en veiligheid dat zij grote machteloosheid ervaren als het gaat om de fysieke bescherming van hun dementerende geliefden? Zo nee, waarom niet? Hoe neemt u hen mee in het opendeurenbeleid?
Het is mij bekend dat familieleden en naasten een open deur niet altijd als veilig ervaren en dat zij soms ook in situaties terechtkomen waarin zij dierbaren moeten zoeken en ophalen. Tegelijkertijd horen we, ook van familieleden, dat de kwaliteit van leven van cliënten erop vooruitgaat als zij zich meer in vrijheid kunnen bewegen. Daarom is het belangrijk dat zorgprofessionals in overleg met de naasten van een cliënt en zo mogelijk de cliënt zelf een goede afweging maken.
Onderdeel van deze individuele afweging is de inschatting van de zorgverlener welke risico’s er zijn voor de cliënt en hoe dat afgewogen kan worden tegenover de verbeterde kwaliteit van leven voor de cliënt.
Om deze afweging zorgvuldig voor elke individuele cliënt te kunnen maken heeft Vilans in 2024 een handreiking7 gemaakt ter ondersteuning van zorgprofessionals. Vilans heeft over de handreiking actief gecommuniceerd naar zorgprofessionals, onder andere via hun nieuwsbrief over gedwongen zorg.
Bent u het eens met de verzorgenden dat personeelstekort de tijd beperkt voor maatwerk en begrijpt u dat tegelijkertijd de sterke verantwoordelijk voor de bewoners en het verantwoording afleggen aan familie grote druk op hen legt? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat begrijp ik. Dat neemt niet weg dat, in geval van gedwongen zorg, altijd een individuele afweging gemaakt moet worden.
Hebt u er in tegenstelling tot de inspectie wel begrip voor dat fysieke aanpassingen geld kosten en wegens bezuinigingen niet altijd mogelijk zijn? Zo ja, op welke manier komt u hen hierin tegemoet? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad mogelijk dat fysieke aanpassingen kosten met zich brengen. In de Wet langdurige zorg (Wlz) wordt via de normatieve huisvestingscomponent geld beschikbaar gesteld voor behoud van het vastgoed. Daar horen ook aanpassingen bij die zijn ingegeven door wijzigingen in de wijze van zorgverlening.
Hoe bevordert u het delen van kennis en ervaringen binnen de verschillende sectoren met het opendeurenbeleid?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid op korte termijn met de Beroepsvereniging V&VN voor verpleegkundigen en verzorgenden en andere betrokkenen in gesprek te gaan, de knelpunten in de wet, problemen waar zij tegen aan lopen en eventueel door hen voorgestelde oplossingen in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, en sterker nog: dat doe ik al. Vanuit het Ministerie van VWS vindt er regelmatig overleg plaats op verschillende niveaus en in wisselende samenstellingen met beroepsverenigingen en dus ook de V&VN. Uw Kamer is en wordt daar op regelmatige basis over geïnformeerd. In de toelichting van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wzd (Evaluatiewet Wvggz en Wzd) dat momenteel wordt voorbereid, zal ook ingegaan worden op de inbreng van beroepsverenigingen.
Mogelijke stemfraude bij de gemeenteraadsverkiezingen in Gorinchem. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat in Gorinchem vermoedens bestaan van stemfraude met volmachten bij de recente gemeenteraadsverkiezingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk op grote schaal gebruik is gemaakt van volmachten, waaronder situaties waarin meerdere volmachten op vergelijkbare wijze waren voorbereid?
De mogelijkheid om te stemmen bij volmacht wordt in ons land breed gedragen, omdat het bijdraagt aan de toegankelijkheid van verkiezingen: mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen, krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. 54% van de kiezers die bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 een volmacht heeft afgegeven zou niet zijn gaan stemmen als machtigen niet mogelijk was.2 Dit laat zien dat het stemmen per volmacht een toegevoegde waarde heeft in ons verkiezingsproces; het zorgt dat er geen stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
De mogelijkheid om bij volmacht te stemmen brengt echter ook kwetsbaarheden met zich mee, zoals dat kiezers onder druk gezet kunnen worden om hun volmacht af te geven. Internationale waarnemers hebben bij eerdere verkiezingen ook op deze risico’s gewezen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. De wettelijke strafbepalingen zijn op dit onderwerp recent nog aangescherpt. Hiervoor is 1 januari jl. een wetswijziging3 in werking getreden (Stb. 2025, 272) waarbij de delictsomschrijving is aangescherpt en de strafmaat is verhoogd. Ook is er voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen extra ingezet op aanvullende voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers.
Wanneer er sprake is van een hoog percentage volmachten bij een stemlokaal kan dit een aanwijzing zijn voor mogelijke risico’s zoals ronselen. Daar kan echter niet op voorhand vanuit gegaan worden. Er kunnen ook andere verklaarbare factoren zijn: bij stemlokalen in de buurt van verzorgingscentra worden bijvoorbeeld vaker stemmen bij volmacht uitgebracht dan bij andere stemlokalen. In de praktijk zien we dat concrete aanwijzingen van onregelmatigheden zoals ronselen worden gesignaleerd en dat dit leidt tot aangifte en onderzoek door het Openbaar Ministerie (hierna: OM). De politie en het OM doen op dit moment onderzoek naar de gebeurtenissen rond de gemeenteraadsverkiezing in Gorinchem. Op de uitkomsten van dit onderzoek kan ik niet vooruitlopen. Als uit dat onderzoek blijkt dat er daadwerkelijk sprake is van ronselen, is dat strafbaar en is het aan de rechter om hierover te oordelen.
De casus Gorinchem betrek ik bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Zijn er signalen dat vergelijkbare praktijken met betrekking tot volmachtstemmen ook in andere gemeenten hebben plaatsgevonden? Zo ja, waar en wordt hier ook onderzoek naar gedaan?
Er zijn geen andere signalen bij mij gemeld. Wanneer er sprake is van vergelijkbare praktijken in andere gemeenten is het aan het betreffende college om aangifte te doen, zodat de signalen kunnen worden onderzocht.
In hoeverre acht u het zorgwekkend dat op één stembureau een relatief hoog aantal volmachten is uitgebracht (circa 135 op 650 stemmen)?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het huidige systeem van stemmen bij volmacht kwetsbaar is voor misbruik? Zo ja, welke risico’s zijn hierbij bekend? Hoe worden deze risico’s op dit moment aangepakt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre komt misbruik van volmachten vaker voor bij verkiezingen in Nederland en wordt dit structureel gemonitord?
De omvang van ronselen van volmachten bij verkiezingen in Nederland lijkt in de praktijk beperkt. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan vanwege ronselen.
Er is geen actuele monitoring ingericht waarin het misbruik van volmachten structureel op een plek wordt bijgehouden. Iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst. Gemeenten en stembureaus hebben een belangrijke rol in het signaleren van mogelijke onregelmatigheden tijdens verkiezingen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. Als er signalen van ronselen zijn, dient de betreffende gemeente aangifte te doen. Dat is ook in Gorinchem gebeurd.
Deelt u de zorg dat situaties waarin kiezers worden benaderd om hun volmacht af te geven het vertrouwen in het verkiezingsproces kunnen ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Het initiatief om een volmacht af te geven moet altijd bij de kiezer zelf liggen. Wanneer kiezers worden benaderd of zelfs onder druk worden gezet om hun volmacht af te geven, ligt dit initiatief niet langer bij de kiezer maar bij de persoon die de volmacht probeert te bemachtigen. Dit kan worden gekwalificeerd als ronselen en is schadelijk voor het vertrouwen in het verkiezingsproces. Om die reden is de strafbaarstelling en strafmaat voor ronselen recent aangescherpt.
Welke rol spelen kandidaten of politieke partijen bij het verzamelen van volmachten en waar ligt de grens tussen legitieme ondersteuning en ongewenste beïnvloeding?
Het komt voor dat politieke partijen bemiddelen tussen kiezers die een volmacht willen afgeven en potentiële gemachtigden. Dit kan handig zijn voor kiezers die zeker willen weten dat de gemachtigde op de partij van hun keuze gaat stemmen. Deze praktijk is toegestaan, mits het initiatief nog altijd bij de kiezer zelf ligt om contact op te nemen met de politieke partij, zodat een gemachtigde kan worden aangewezen en de kiezer dus ook weet wie de volmachtnemer is. Zodra politieke partijen of individuele kandidaten zelf kiezers benaderen om hen te bewegen hun volmacht af te geven, is er sprake van ronselen. Het is dus van belang om deze grens scherp voor ogen te houden.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige systeem van volmachtstemmen moet worden aangepast of aangescherpt om fraude en beïnvloeding tegen te gaan?
Iedere verkiezing wordt uitgebreid geëvalueerd met als doel te onderzoeken welke verbeteringen in het verkiezingsproces mogelijk zijn. De casus in Gorinchem wordt betrokken bij de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezingen. Daarbij wordt bezien of en zo ja hoe de regels over het gebruik van volmachten moeten worden aangescherpt.
Welke vervolgstappen worden overwogen indien uit het onderzoek blijkt dat daadwerkelijk sprake is geweest van stemfraude en wat betekent dit voor de geldigheid van de verkiezingsuitslag in Gorinchem?
Het is aan het OM en vervolgens aan de rechter om te bepalen welke vervolgstappen passend zijn wanneer er sprake is van het ronselen van volmachten of andere vormen van stemfraude in Gorinchem. De gemeenteraad van Gorinchem heeft op 31 maart jl. besloten de nieuw verkozen leden niet toe te laten en een herstemming te organiseren. Inmiddels is bekend dat deze herstemming plaatsvindt op 29 april aanstaande. De gemeenteraad heeft hiertoe besloten omdat er te veel twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de stemming, nu er een onderzoek loopt naar mogelijke verkiezingsfraude door de politie en het OM.
Op welke wijze wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en eventuele bredere implicaties voor toekomstige verkiezingen?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht 'Artsen lanceren onlineportaal voor bestelling van abortuspil: ‘Zelfbeschikking in optima forma’' |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Artsen lanceren onlineportaal voor bestelling van abortuspil: «Zelfbeschikking in optima forma»»?1
Ja.
Erkent u dat het verstrekken van abortuspillen via het internet zonder behandelrelatie met de vrouw is verboden op grond van de Geneesmiddelenwet? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Geneesmiddelenwet en de Beleidsregel voorschrijven via internet mag een arts, onder bepaalde voorwaarden, via internet medicatie voorschrijven. Een van deze voorwaarden is dat de arts moet beschikken over de actuele medicatiehistorie. Er hoeft echter geen sprake te zijn van een reeds bestaande behandelrelatie.
Erkent u dat, indien er wel een behandelrelatie is, de in de Wet afbreking zwangerschap neergelegde eisen omtrent zorgvuldigheid en kwaliteit eraan in de weg staan dat de abortuspil via het internet kan worden verstrekt? Zo nee, waarom niet?
De Wet afbreking zwangerschap (Wafz) sluit abortuszorg op afstand niet expliciet uit.2 Het is aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere algemene wetten en regels voor goede en veilige zorg. De werkwijze van thuisabortus.nl roept vragen op over de naleving van deze zorgvuldigheidseisen. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct onder de aandacht gebracht bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Bent u bereid er zorg voor te dragen dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) handhavend op zal treden tegen het onlineportaal voor bestelling van de abortuspil? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht dus zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Het bericht dat de Hongaarse Minister van Buitenlandse zaken toegeeft dat hij tijdens belangrijke EU-meetings belt met de Russische Minister van Buitenlandse zaken |
|
Felix Klos (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Hongaarse Minister tijdens lopende Europese Unie (EU)-bijeenkomsten contact onderhoudt met de Russische Minister?
Ja, ik ben bekend met berichtgeving in verschillende media over het contact dat de huidige Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Szijjártó lijkt te onderhouden met de Russische Minister van Buitenlandse Zaken tijdens en rondom officiële EU overleggen.
Hoe kwalificeert u dit gedrag, in het licht van het feit dat Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne en de EU juist inzet op maximale eensgezindheid en vertrouwelijkheid?
Het kabinet is niet naïef over de mogelijkheid dat de huidige regering van Hongarije informatie deelt met de Russische Federatie. Mocht het inderdaad gaan om vertrouwelijke informatie, dan schaadt dat de Unie en ondermijnt dat het vertrouwen tussen EU-lidstaten.
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een ernstige ondermijning van het onderlinge vertrouwen binnen de EU, en mogelijk zelfs van het lekken van vertrouwelijke informatie naar een vijandige mogendheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op de vorige vraag, is het kabinet van mening dat directe uitwisseling tussen de huidige regering van Hongarije en de Russische Federatie van mogelijk vertrouwelijke informatie de Unie schaadt en het vertrouwen tussen lidstaten ondermijnt. Deze zorgen heeft Nederland ook uitgesproken via de geëigende kanalen.
Heeft deze ontwikkeling ertoe geleid dat Nederland zelf terughoudender is geworden in het delen van informatie, standpunten of strategieën binnen EU-verband, uit vrees dat deze indirect bij Rusland terecht kunnen komen? Zo ja, op welke wijze?
Effectieve en eensgezinde besluitvorming in de EU vergt dat lidstaten informatie en standpunten met elkaar delen. Dit zal Nederland blijven doen zonder naïef te zijn, en conform de geldende regels over geheimhouding binnen de Raad.
Deelt u de opvatting dat het delen van informatie met Rusland over besloten EU-bijeenkomsten in strijd is met artikel 4.3 van het Verdrag van de Europese Unie over «loyale samenwerking»?
Mocht er inderdaad sprake zijn geweest van het delen van vertrouwelijke informatie, zou dat een schending van de geheimhoudingsplicht opleveren, zoals onder andere neergelegd in artikel 6, lid 1, Reglement van Orde van de Raad, Artikel 11, Reglement van Orde van de Europese Raad en artikel 339 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU). Het is dan aannemelijk dat er eveneens sprake is van een schending van het beginsel van loyale samenwerking in de zin van artikel 4, lid 3, van het EU-Verdrag. Als lidstaten het Unierecht schenden en daarvoor voldoende bewijs bestaat, kan de Commissie handhavend optreden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen.
Acht u het wenselijk en noodzakelijk om op korte termijn binnen de EU opheldering en consequenties te eisen richting Hongarije? Bent u bereid hierin het voortouw te nemen?
De Commissie heeft haar zorgen over deze kwestie uitgesproken.1 De voorzitter van de Commissie zal dit verder bespreken op het niveau van de regeringsleiders. Ook is in de Raad reeds aandacht besteed aan de berichtgeving. Hongarije is daarbij gewezen op de juridische verplichtingen tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie onder artikel 6, lid 1, Reglement van Orde van de Raad en artikel 339 VWEU, en het beginsel van loyale samenwerking onder artikel 4, lid 3, van het EU-Verdrag. De Hoge Vertegenwoordiger heeft de huidige Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Szijjártó hier ook op aangesproken. Nederland heeft via de geëigende kanalen bij de EU instellingen de zorgen uitgesproken en informatie opgevraagd.
Bent u bereid om onmiddellijk verdere stappen te ondernemen richting Hongarije onder artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (schending van fundamentele waarden)? Zo nee, waarom niet?
Mocht vertrouwelijke informatie inderdaad door de huidige regering van Hongarije zijn gedeeld met de Russische Federatie, dan zou de Commissie een inbreukprocedure onder artikel 258 VWEU kunnen starten wegens niet nakoming van EU-rechtelijke verplichtingen.
Met de artikel 7-procedure kan actie worden ondernomen als een EU-lidstaat de fundamentele waarden (incl. rechtsstaat) uit art. 2 van het EU-verdrag schendt of als er een duidelijk gevaar bestaat dat deze EU-waarden zullen worden geschonden. In 2018 startte het Europees Parlement al een artikel 7-procedure tegen Hongarije. Die richt zich op de zorgen over onder meer de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, corruptie en belangenverstrengeling, ruimte voor het maatschappelijk middenveld, gelijke rechten voor minderheden, academische vrijheid en mediavrijheid, privacy en gegevensbescherming. Zorgen over het delen van vertrouwelijke informatie valt hier niet onder. Een (duidelijk gevaar op) schending van de waarden van artikel 2 van het EU-Verdrag kan vanwege de ontstane zorgen nu nog niet worden aangenomen. Het starten van een nieuwe procedure onder artikel 7 ligt daarmee dan ook niet in de rede.
Het kabinet acht het evenmin opportuun een statenklachtprocedure conform artikel 259 VWEU in te zetten. Dit is binnen het Unierecht een ultimum remedium om geschillen over de naleving van het Unierecht op te lossen en bedoeld voor die gevallen waarin de Commissie niet optreedt of een lidstaat het niet eens is met de handelwijze of beoordeling van de Commissie. Daar is in dit geval geen sprake van.
Alleen als de schendingen van de beginselen van de rechtsstaat het financieel beheer of de bescherming van de financiële belangen van de Unie serieus dreigen aan te tasten, kan het financiële instrumentarium worden ingezet, zoals eind 2022 is gebeurd tegen Hongarije. Het kabinet heeft er voortdurend voor gepleit dat de Commissie snel en effectief optreedt om terugval van Hongarije op rechtsstatelijk vlak te voorkomen en aan te pakken, en daarbij gebruik maakt van al het beschikbare EU-rechtsstaatinstrumentarium, inclusief het financiële instrumentarium.
Het kabinet blijft zich waar mogelijk inzetten, maar ziet juridische procedures niet als oplossing voor de korte termijn voor een EU-lidstaat die de EU actief ondermijnt. Politieke en diplomatieke druk is kansrijker.
Op 12 april jl. vonden in Hongarije verkiezingen plaats. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering en hoopt op een positieve koers van Hongarije binnen de EU. Magyar heeft ook aangegeven de rechtsstaat te gaan hervormen. Het is duidelijk dat er hervormingen moeten plaatsvinden voordat EU fondsen kunnen worden vrijgegeven. Het kabinet zal zich daarvoor inzetten en deze boodschap ook bij de Commissie afgeven. Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte.
Bent u bereid om onmiddellijk verdere stappen te ondernemen richting Hongarije onder artikel 259 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) (inbreukprocedure tussen lidstaten) in reactie op de contacten met Rusland?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om zo snel mogelijk in kaart te brengen welke Europese financiële steun richting Hongarije nog stopgezet kan worden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke concrete sancties of maatregelen zijn er nog meer mogelijk wanneer een lidstaat vertrouwelijke EU-informatie deelt met Rusland?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de analyse dat het Hongaarse optreden past in een breder patroon waarin Viktor Orbán het EU-besluitvormingsproces frustreert en ondermijnt, onder meer via het inzetten van veto’s?
Zoals vastgelegd in het regeerakkoord ziet het kabinet Hongarije als een voorbeeld van een land dat de EU actief ondermijnt, en het frustreren van besluitvorming valt binnen dit patroon. Mocht vertrouwelijke informatie inderdaad door Hongarije zijn gedeeld met de Russische Federatie schaadt ook dat het onderlinge vertrouwen binnen de Unie.
Het kabinet pleit – samen met gelijkgezinde landen en binnen de kaders van het EU verdrag – actief voor betere besluitvorming binnen het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB). In lijn met motie-Klos2 zet het kabinet zich in voor het afschaffen van het vetorecht en voor de invoering van gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming (QMV) binnen het GBVB, zolang dit de nationale bevoegdheid om wel of niet aan militaire missies bij te dragen, respecteert. Het is mogelijk om QMV besluitvorming binnen het GBVB uit te breiden middels zogenaamde passerelle-clausules. Daar is echter unanimiteit voor nodig en tot nu toe bestaat hiervoor onvoldoende draagvlak onder lidstaten. Ook zet het kabinet zich in voor het gebruik van QMV voor GBVB-besluiten waar het EU-verdrag deze mogelijkheid nu reeds biedt. Zo blijft Nederland voorstander van het gebruik van QMV voor het aanpassen van de listings van sanctieregimes.
Bent u bereid om onmiddellijk op pad te gaan en steun te verzamelen voor hervorming van de EU-besluitvorming op het terrein van buitenlands beleid, in het bijzonder het afschaffen van het vetorecht, juist om misbruik zoals in dit geval tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u toezeggen dat u zich vanaf nu in iedere Raad zal uitspreken tegen de aanwezigheid van Hongarije op het moment dat vertrouwelijke informatie besproken wordt, en zo nodig zal verzoeken om de vergadering te staken tot Hongarije niet meer aanwezig is?
Zoals geantwoord op vraag 6, heeft de Raad reeds aandacht besteed aan de berichtgeving. Hongarije is gewezen op de juridische verplichtingen tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie onder artikel 6, lid 1, RvO van de Raad en artikel 339 VWEU en loyale samenwerking onder artikel 4, lid 3, EU-Verdrag. De Hoge Vertegenwoordiger heeft de Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken hier ook op aangesproken. Nederland heeft via de geëigende kanalen bij de EU-instellingen de zorgen uitgesproken en informatie opgevraagd. Zoals gesteld in beantwoording van vraag 5 kan de Commissie handhavend optreden als lidstaten het Unierecht schenden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen. Daarnaast kijkt het kabinet uit naar een nieuwe afvaardiging van Hongarije naar de verschillende Raadsformaties als gevolg van de verkiezingsuitslag van 12 april jl.
Bent u bereid manieren te onderzoeken om Hongaarse toegang tot vertrouwelijke EU-documenten te ontzeggen zolang niet kan worden vastgesteld dat deze informatie niet wordt doorgespeeld aan Rusland?
Zie antwoord vraag 13.
Thuisabortus.nl |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwe online platform thuisabortus.nl, waarmee een aantal huisartsen online abortuspillen gaat voorschrijven?
Ja.
Deelt u de mening dat dit initiatief, gelet op het feit dat het gaat om het beëindigen van menselijk leven, alle perken te buiten gaat?
Het kabinet staat pal voor goede en toegankelijke abortuszorg. Vrouwen die abortuszorg nodig hebben in Nederland verdienen zorg en hulpverlening van hoge kwaliteit, waarbij alle wettelijke vereisten worden nageleefd. In abortusklinieken en in huisartsenpraktijken worden vrouwen zorgvuldig begeleid en behandeld. Op basis van wat nu bekend is, is het de vraag of diezelfde zorgvuldigheid kan worden geboden via een website als thuisabortus.nl. De signalen over thuisabortus.nl neemt het kabinet daarom serieus. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onder de aandacht gebracht. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart.
Deelt u de grote zorgen dat een ingrijpende gebeurtenis als abortus hiermee grotendeels op afstand wordt georganiseerd? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling waarbij abortus steeds verder wordt verplaatst naar de privésfeer?
De Beleidsregel voorschrijven via internet en de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) sluiten abortuszorg op afstand niet expliciet uit.1 Het is aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere algemene wetten en regels voor goede en veilige zorg. Op basis van wat nu bekend is, roept de werkwijze van thuisabortus.nl vragen op over de naleving van deze zorgvuldigheidseisen.
Het is overigens niet nieuw dat abortus deels in de «privésfeer» plaatsvindt. Medicamenteuze zwangerschapsafbrekingen zijn al jarenlang onderdeel van de zorgvuldige abortuspraktijk in Nederland. Bij deze behandeling ondergaat een vrouw, na een consult in een abortuskliniek of bij de huisarts, de abortus grotendeels of geheel thuis.
Bent u bekend met de uitspraak van de toenmalige Minister van VWS in 2022 bij de behandeling van de initiatiefwet om de abortuspil bij de huisarts mogelijk te maken: «in de Wet afbreking zwangerschap neergelegde eisen omtrent zorgvuldigheid en kwaliteit [staan] in de weg dat de abortuspil via het internet kan worden verstrekt»?1 Hoe verhouden de activiteiten van thuisabortus.nl zich volgens u tot deze uitspraak?
Ja, het is mij bekend dat de toenmalige Minister is bevraagd over abortusmedicatie die online kon worden besteld. Uit de Handelingen van de eerste termijn van dat Kamerdebat3 blijkt dat de discussie destijds gericht was op online verkoop van abortusmedicatie zonder tussenkomst van een arts. Dit is in strijd met de eisen uit de Wafz en de Geneesmiddelenwet.
De werkwijze van thuisabortus.nl is anders. Een arts beoordeelt de aanvraag van de vrouw en kan vervolgens een recept voor de medicatie naar haar apotheek sturen. Er is hier dus wel tussenkomst van een arts, maar toch roept de werkwijze van thuisabortus.nl vragen op over de naleving van de wettelijke zorgvuldigheidseisen. Toen het initiatief bekend werd, heeft het kabinet dit daarom direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de zorgvuldigheidseisen vanuit de Wet afbreking zwangerschap? Kunt u hierbij afzonderlijk ingaan op de zorgvuldigheidseisen zoals deze in de wet (artikel 6a, derde lid Wafz) en het onderliggende besluit zijn vastgelegd?
De Wafz bevat verschillende zorgvuldigheidseisen over hulpverlening, besluitvorming, informatievoorziening en nazorg. Het is belangrijk dat deze eisen worden nageleefd, zodat vrouwen in Nederland kunnen rekenen op zorgvuldige zorg van hoge kwaliteit.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de zorgvuldigheidseisen uit de Wafz en andere relevante wet- en regelgeving. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Voldoet bijvoorbeeld het afvinklijstje op thuisabortus.nl (de «akkoordverklaring») volgens u aan deze zorgvuldigheidseisen, met name als het gaat om de vraag ten aanzien van de vrijwilligheid van de abortus?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze wordt via online voorschrijven getoetst of daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie? Is dit juridisch houdbaar?
In de Wafz worden eisen gesteld die erop zien dat elk besluit tot een zwangerschapsafbreking zorgvuldig wordt genomen en dat de afbreking alleen wordt uitgevoerd «indien de noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt.» Het is echter niet aan de arts om te toetsen óf er sprake is van een noodsituatie. De arts moet, «indien de vrouw van oordeel is dat haar noodsituatie niet op andere wijze kan worden beëindigd» zich ervan vergewissen dat de beslissing van de vrouw vrijwillig en zorgvuldig is genomen.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van deze zorgvuldigheidseisen. De IGJ heeft bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen.
Wat vindt u ervan dat thuisabortus.nl aangeeft dat niet voorkomen kan worden dat een vrouw een abortuspil besteld zonder dat zij zwanger is? Hoe wordt gecontroleerd dat de abortuspil wordt gebruikt door de persoon voor wie deze is voorgeschreven?
De werkwijze van thuisabortus.nl roept vragen op over de naleving van wettelijke zorgvuldigheidseisen. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Erkent u het risico dat abortuspillen via dergelijke platforms wordt doorgegeven aan derden of onder druk wordt gebruikt?
Zie antwoord vraag 8.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de Beleidsregel Voorschrijven via het internet? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, wat voor consequenties heeft dit volgens u?
Op grond van de Beleidsregel voorschrijven via internet mogen zorgverleners, onder bepaalde voorwaarden, medicatie voorschrijven na contact met de patiënt via internet.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van deze beleidsregel. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Hoe wordt gewaarborgd dat abortussen via online verstrekte pillen volledig en correct worden geregistreerd in de nationale abortuscijfers?
Artsen die een zwangerschapsafbreking verrichten zijn verplicht om hierover gegevens te registreren en deze te rapporteren aan de IGJ. Dat geldt ook voor artsen die een recept voorschrijven via thuisabortus.nl.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de registratieplicht. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabrotus.nl. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de Leidraad Huisartsenzorg bij een ongewenste zwangerschap? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, wat voor consequenties heeft dit volgens u?
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de beroepsrichtlijnen. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Bent u bekend met de kritiek van artsenkoepel KNMG op de werkwijze van thuisabortus.nl?2 Wat is uw reactie hierop?
Ja, de berichtgeving over de zienswijze van de KNMG is mij bekend. Het nieuwsbericht vermeldt dat de KNMG twijfelt aan de zorgvuldigheid en de juridische houdbaarheid. De KNMG vindt het onduidelijk of de werkwijze van thuisabortus.nl voldoet aan de Wafz. Zoals toegelicht in de antwoorden op bovenstaande vragen, roept de werkwijze van thuisabortus.nl ook vragen op bij het kabinet. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Wat vindt u ervan dat de huisartsen van thuisabortus.nl niet standaard een gesprek voeren met de zwangere vrouw, niet beschikbaar zijn voor nazorg bij complicaties en geen achterwacht hebben geregeld tijdens de avond-, nacht- en weekenduren?
In de Wafz staan verschillende zorgvuldigheidseisen waaraan abortusartsen en huisartsen zich dienen te houden. Deze eisen zien onder andere op zorgvuldige besluitvorming en beschikbaarheid van nazorg. Het is heel belangrijk dat deze eisen, en andere wet- en regelgeving voor goede zorg, worden nageleefd. Omdat de werkwijze van thuisabortus.nl vragen oproept over de naleving van de wettelijke zorgvuldigheidseisen, heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Wat vindt u ervan dat de huisartsen van thuisabortus.nl niet standaard om een zwangerschapsecho vragen? Bent u ermee bekend dat de abortuspil bijvoorbeeld niet gebruikt mag worden bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap? Hoe kunnen de huisartsen van thuisabortus.nl weten of er al dan niet sprake is van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap als er niet standaard een echo wordt geëist?
Bij abortuszorg door een huisarts wordt niet standaard een echo gemaakt. In de leidraad voor huisartsen staat dat een echo uitsluitend wordt aangeraden bij een vermoedelijke medische indicatie of als de zwangerschapstermijn niet betrouwbaar kan worden vastgesteld. Bij onzekerheid over de termijn of verhoogde kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap wordt een echo geadviseerd. De huisarts verwijst hiervoor door naar een andere zorgverlener. De werkwijze van thuisabortus.nl lijkt op dit punt dus niet af te wijken van abortuszorg zoals huisartsen die al leverden.
Het is niet aan mij om te beoordelen wanneer medische onderzoeken wel of niet standaard moeten worden aangeboden. Dit is bij uitstek een zorginhoudelijke afweging die zorgprofessionals moeten maken. De beroepsgroep van huisarten heeft bovengenoemde leidraad opgesteld op basis van wetenschappelijk onderzoek, kennis, ervaring en overleg met andere zorgverleners.
Kunt u aangeven hoe de activiteiten van thuisabortus.nl zich verhouden tot het strafrecht?
De strafuitsluitingsgrond in artikel 296, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht stelt dat een huisarts een medicamenteuze zwangerschapsafbreking mag verrichten volgens de Wafz. In de Wafz staan verschillende zorgvuldigheidseisen waaraan de huisarts zich dient te houden. Het is heel belangrijk dat deze eisen, en andere wet- en regelgeving voor goede zorg, worden nageleefd. Zoals in eerdere antwoorden toegelicht, heeft het kabinet daar in het geval van thuisabortus.nl vragen over.
Of strafrechtelijke vervolging in een concreet geval aan de orde is, hangt sterk af van de specifieke omstandigheden bij die zwangerschapsafbreking. In algemene zin is het strafrecht geen voor de hand liggend instrument om naleving van zorgvuldigheidseisen te handhaven. Het OM heeft zich in het verleden uitsluitend gericht op ernstige misbruiksituaties, zoals gedwongen zwangerschapsafbrekingen door een partner (niet-arts). Als een arts mogelijk handelt in strijd met de Wafz, ligt handhaving in de eerste plaats bij de IGJ. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek te gaan over de activiteiten van thuisabortus.nl? Is de IGJ voornemens om in te grijpen?
Ja, direct nadat het kabinet hoorde dat thuisabortus.nl van start zou gaan heeft het dit bij de IGJ onder de aandacht gebracht. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht dus zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Daarbij wordt gekeken of thuisabortus.nl zich houdt aan relevante wet- en regelgeving. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Bent u bereid om het online verstrekken van abortuspillen zo spoedig mogelijk juridisch onmogelijk te maken?
Volgens het huidige juridisch kader is het aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere relevante wet- en regelgeving voor goede en veilige zorg. Het is nu eerst aan de IGJ om te kijken of thuisabortus.nl zich houdt aan relevante wet- en regelgeving. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
De mobiele eenheid voor Utrecht |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Dijksma wil eigen ME, Minister geschrokken van impact ongeregeldheden Overvecht op agenten»1 en «Sneller inzetbare ME: waarom Utrecht naar Den Haag en Rotterdam kijkt»2?
Ja.
Op grond van welke criteria wordt bepaald of een stad een eigen paraat peloton van de Mobiele Eenheid (ME) krijgt?
In de bijlagen bij de Regeling ME 2025 zijn de basiseenheden, watergetrainde eenheden en specialistische eenheden van de ME verdeeld over de verschillende regionale eenheden en de Eenheid landelijke expertise en operaties. Binnen deze kaders kan elke regionale eenheid zelf besluiten hoe de paraatheid van de ME binnen de regio is georganiseerd. De regeling wijst geen «paraat ME-peloton» toe aan specifieke steden, zoals Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Er zijn ook geen criteria op basis waarvan wordt bepaald of een stad een eigen «paraat ME peloton» krijgt.
Artikel 13, eerste lid, Regeling mobiele eenheid politie 2025 bepaalt dat de korpschef ervoor zorgdraagt dat in iedere regionale eenheid ten minste één sectie van een basiseenheid ME binnen anderhalf uur op de opkomstlocatie aanwezig en gereed voor inzet is. «Gereed voor inzet» betekent dat de leden van de mobiele eenheden de benodigde kleding en uitrusting aan hebben en dat zij gebriefd zijn. Een peloton ME bestaat uit twee secties (artikel 2, lid 4 Regeling mobiele eenheid 2025).3
Het is aan de eenheden zelf om in overleg met de lokale bevoegde gezagen te bepalen of zij een sectie of een peloton ME direct in plaats van binnen anderhalf uur klaar heeft staan voor inzet in een specifieke stad.
Waarom heeft Utrecht geen eigen paraat ME-peloton? Wat betekent dat voor de ME-paraatheid in die stad?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de genoemde politiesocioloog dat een paraat ME-peloton het verschil kan maken bij een effectieve aanpak van ongeregeldheden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het voordeel van een direct inzetbare sectie of peloton ME is dat zij direct naar de locatie kunnen gaan waar een openbare ordeverstoring plaatsvindt. Of en in hoeverre dat een verschil kan maken bij het optreden tegen ongeregeldheden, hangt af van de schaal, de omstandigheden en de complexiteit van de openbare ordeverstoring. De keuze voor een direct inzetbare sectie of peloton ME zal gevolgen hebben voor de beschikbare politiecapaciteit op andere plekken.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat bij gebrek aan een eigen ME-peloton agenten in Utrecht langer moeten wachten op ondersteuning van de ME dan in andere grote steden? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor eerder in het antwoord op vraag 2 en 3 is aangeven, moet in elke eenheid ten minste één sectie ME binnen anderhalf uur inzet gereed zijn. Hoe sneller zo’n sectie of peloton gereed is voor inzet, hoe korter agenten in de Basispolitiezorg moeten wachten op assistentie van de ME. De lengte van de tijdsduur waarbinnen een sectie of peloton binnen een politie-eenheid inzet gereed is op een specifieke locatie of in een stad, is een keuze die op lokaal niveau wordt gemaakt. De burgemeester van Utrecht zal hierover in gesprek moeten gaan met de politiechef en de andere burgemeesters binnen de eenheid. Ik treed daar niet in.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat er ook voor Utrecht een paraat peloton ME beschikbaar moet komen? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u dat bewerkstellingen? Zo nee, waarom niet en hoe wordt er dan wel voor een snellere inzet van de ME in die stad gezorgd?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat er nog meer misstanden waren bij een vruchtbaarheidskliniek in Leiderdorp |
|
Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Oud zaad» en liegen tegen de Inspectie: meer misstanden in kliniek Leiderdorp»?1
Ja.
Klopt het dat de kliniek jarenlang bewust in strijd handelde met de richtlijn ten aanzien van het maximumaantal kinderen per donor?
Het CBO-advies uit 1992 was tot aan de verschijning van het Landelijk standpunt spermadonatie in 2018 een gezaghebbend en breed gedragen document dat destijds binnen de beroepsgroep richting gaf aan het handelen van zorgverleners; zij moesten zich ertoe verhouden. In dit CBO-advies stond het maximum van 25 donorkinderen per spermadonor beschreven. Het maximum van 25 behoorde daarmee tot de destijds gangbare en breed gedragen beroepspraktijk. Wel moet worden erkend dat het CBO-advies niet volledig eenduidig was over het aantal van 25 donorkinderen, omdat er enige ruimte overbleef voor het afwijken van het maximumaantal. Bij afwijkingen van beroepsnormen gelden wel altijd voorwaarden voor de arts. Hierbij valt te denken aan een goede en transparante onderbouwing van de afwijking (het «pas toe of leg uit»-principe), en expliciete toestemming van de patiënt – de donor en wensmoeder. De Kamer ontvangt gelijktijdig met de beantwoording van deze Kamervragen een brief waarin duidelijkheid wordt gegeven over het CBO-advies.
Sinds 2018 geldt het Landelijk standpunt spermadonatie van de Nederlandse Vereniging Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en de Vereniging voor Klinische Embryologie (KLEM), waarin niet langer werd uitgegaan van maximaal 25 kinderen, maar van maximaal 12 gezinnen per donor. Sinds 1 april 2025 is een maximum van 12 vrouwen per donor wettelijk vastgelegd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting.
Het feit dat tussen 2006 en 2017 bij Medisch Centrum Kinderwens (MCK) in Leiderdorp is afgeweken van het destijds geldende maximum van 25 kinderen per donor, is sinds de zomer van 2025 bekend. Het kabinet is van mening dat er in het verleden onwenselijke overschrijdingen van het destijds geldende maximumaantal kinderen per spermadonor hebben plaatsgevonden. De situatie bij MCK, hoe dit heeft kunnen ontstaan en hoe MCK de ouders en donoren hierover voorlichtte, is onderdeel van het lopende onderzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bij MCK.
Klopt het dat de kliniek in 2015 bewust loog tegen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over het beleid ten aanzien van massadonatie?
De afwijking bij MCK ten aanzien van het maximumaantal kinderen per spermadonor, zoals staat beschreven in het CBO-advies, is onderdeel van het onderzoek dat de IGJ op dit moment uitvoert. De IGJ doet nooit uitspraken over lopende onderzoeken. Het kabinet wacht het onderzoek af.
Klopt het dat de kliniek tot op heden nooit zelf melding heeft gemaakt bij de IGJ ten aanzien van de overschrijdingen van de richtlijnen?
De inspectie doet geen uitspraken over meldingen die bij haar worden gedaan. Zeker in dit geval is dat niet mogelijk, aangezien er sprake is van een nog lopend onderzoek. Het kabinet wacht dus eerst de afronding van het inspectieonderzoek af.
Als het antwoord op de vorige vragen bevestigend is, hoe kan dat een kliniek die jarenlang de richtlijn ten aanzien van het maximumaantal donoren aan de laars lapte, nog steeds geopend is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven welke handhavingsmogelijkheden de IGJ heeft op het moment dat een zorgaanbieder bewust informatie achterhoudt of onjuiste informatie verstrekt aan de IGJ?
Wat betreft het achterhouden van informatie geldt dat eenieder verplicht is mee te werken aan het toezicht van de IGJ. Als deze medewerking niet wordt verleend, dan bestaat de mogelijkheid om een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom op te leggen om medewerking af te dwingen.
Wat betreft het bewust verstrekken van onjuiste informatie, geldt dat indien de IGJ vaststelt dat onjuiste informatie is verstrekt, daarmee rekening kan worden gehouden bij het bepalen van de interventie. Wanneer een zorgaanbieder bewust onjuiste informatie verstrekt, kan dat het vertrouwen van de IGJ in de houding, intenties en verbeterkracht van de zorgaanbieder verminderen en, afhankelijk van de ernst en risico’s, aanleiding zijn voor een zwaardere interventie, waaronder een handhavingsmaatregel. Het bewust verstrekken van onjuiste informatie is voornamelijk van belang in het kader van het beoordelen van het vertrouwen in de intenties om kwalitatief goede zorg te verlenen en daarmee de inschatting van de kans op herhaling in de toekomst. Dit volgt uit het algemeen interventiebeleid van de IGJ.
Wat is de stand van zaken van het lopende onderzoek van de IGJ naar deze kliniek? Wordt deze nieuwe informatie bij het onderzoek betrokken?
De IGJ doet geen uitspraken over lopend onderzoek. Wel heeft de IGJ aangegeven de nieuwe informatie te bestuderen.
Vindt u het ook tijd om een grootschalig en onafhankelijk onderzoek te starten naar missstanden bij fertiliteitsklinieken in de afgelopen decennia?
Het kabinet beraadt zich momenteel op de vraag of een landelijk, historisch onderzoek naar donorconceptie in Nederland mogelijk en gewenst is, en zo ja, hoe dat vorm zou kunnen krijgen. Ondertussen werkt het kabinet verder aan verbetering van een zorgvuldige praktijk van donorconceptie. Daartoe zijn bijvoorbeeld maatregelen in voorbereiding om massadonatie als gevolg van het gebruik van buitenlandse spermadonoren beter te reguleren. Deze maatregelen zijn op 12 februari jl.2 met de Kamer gedeeld.
De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Ulaş Köse (D66), Henk Jumelet (CDA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
Het bericht dat Polen en Italië met acht andere lidstaten de aanval openen op de Europese CO2-beprijzing |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Polen en Italië openen met acht andere lidstaten aanval op Europese CO2-beprijzing»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere EU-lidstaten inmiddels openlijk aandringen op herziening, afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS vanwege de gevolgen voor energieprijzen, industrie en concurrentiekracht?
Het kabinet erkent de zorgen die er momenteel bestaan vanuit de energie-intensieve industrie. Om deze zorgen te ondervangen streeft het kabinet ernaar de hoge energiekosten te adresseren, een zoveel mogelijk gelijk Europees te borgen, verduurzaming van energie-intensieve industrieën te stimuleren, en investeringszekerheid te bewaken. Het EU ETS is het voornaamste instrument om verduurzaming in de EU te stimuleren en is daarmee cruciaal voor bovengenoemde ambities. Het instrument draagt bij aan de nodige investeringszekerheid voor langjarige investeringsbeslissingen en is kosteneffectief doordat het gebruik maakt van een marktmechanisme. EU-brede beleidsinstrumenten genieten bovendien een sterke voorkeur boven nationale alternatieven, waarmee een ongelijk Europees speelveld geriskeerd wordt.
Het afzwakken of uitstellen van het EU ETS zou extra onzekerheid geven voor de energie-intensieve industrie en bedrijven treffen die al hebben geïnvesteerd in verduurzaming. Daarbij draagt het EU ETS bij aan de wens van de EU en het kabinet om onafhankelijker te worden van fossiele energie uit derde landen, waarvan het belang door de huidige hoge energieprijzen opnieuw wordt onderstreept. Het kabinet is daarom voorstander van een goed functionerend ETS en heeft zich tijdens de afgelopen Milieuraad, Energieraad en Europese Raad, uitgesproken tegen afzwakking van het ETS, conform de motie van de leden Bushoff en Van Oosterhout. Het kabinet zal zich bij de herziening van het ETS (juli 2026) inzetten voor ondersteuning van de verduurzaming van de industrie, met specifieke aandacht voor koolstoflekkage-gevoelige sectoren.
Erkent u dat de kosten van het ETS in de praktijk niet beperkt blijven tot de papieren handel in emissierechten, maar via de elektriciteitsprijs en productiekosten rechtstreeks doorwerken in de rekening van bedrijven en uiteindelijk ook van consumenten?
Ja. Het deel van de ETS-rechten dat op de markt komt via veilingen leidt tot hogere kosten. Deze kosten kunnen vermeden worden wanneer bedrijven verder verduurzamen.
Waarom kiest u er niet voor zich actief aan te sluiten bij lidstaten als Polen en Italië die pleiten voor een fundamentele herziening of tijdelijke opschorting van het ETS?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 is het kabinet geen voorstander van een afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS.
Klopt het dat in de Europese discussie over concurrentievermogen en energieprijzen inmiddels expliciet wordt gewezen op de kosten die samenhangen met het ETS? Welke conclusies trekt u daaruit voor de Nederlandse inzet?
Het klopt dat een aantal lidstaten wijst op het effect van het ETS op de elektriciteitsprijzen. Gemiddeld op EU-niveau bestaat de elektriciteitsrekening voor industriële gebruikers voor ongeveer 11% uit ETS-kosten, met variaties afhankelijk van de elektriciteitsmix van de lidstaat. Andere componenten zijn energiekosten, netkosten en belastingen. Lidstaten hebben de mogelijkheid om indirecte ETS-kosten te compenseren via de indirecte kostencompensatie (IKC). In Nederland behelst het ETS gemiddeld ongeveer 7% van de elektriciteitsrekening van industriële gebruikers, exclusief kostencompensatie. Het kabinet heeft 0,5 miljard euro per jaar gereserveerd om voor Nederland indirecte kostenstijging te mitigeren.
De impact van het ETS op korte termijn moet tevens worden afgewogen tegen de rol die het ETS op de langere termijn speelt om de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Zolang de EU voor haar energievoorziening en industriële productie sterk afhankelijk blijft van fossiele energie, blijft er een kwetsbaarheid bestaan voor externe schokken. Het huidige hoge prijsniveau van fossiele brandstoffen benadrukt eens te meer dat de energietransitie noodzakelijk is voor de leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie. Wegens de belangrijke rol van het ETS voor de energietransitie, zet het kabinet daarom in op een sterk ETS.
Bent u bereid in Brussel te pleiten voor een tijdelijke noodrem of opschorting van onderdelen van het ETS zolang de energieprijzen uitzonderlijk hoog zijn en de concurrentiekracht van de Europese industrie verder onder druk staat? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 5.
Deelt u de mening dat ETS-opbrengsten in de eerste plaats ten goede moeten gaan van de industrie en naar maatregelen die de energierekening en concurrentiedruk verlagen, in plaats van te worden gebruikt om nieuw klimaatbeleid verder op te tuigen?
Alle lidstaten zijn, op basis van de ETS-richtlijn, verplicht om de ETS-veilinginkomsten, of een financieel equivalent daarvan, te besteden aan klimaatbeleid. Het kabinet onderschrijft deze regel. De Nederlandse begroting kent een scheiding tussen inkomsten en uitgaven waardoor een directe koppeling tussen de ETS-opbrengsten en uitgaven niet mogelijk is. Wel zijn de totale uitgaven aan stimuleringsmaatregelen voor verduurzaming van de industrie momenteel ruim groter dan de ETS-1-inkomsten.2 Daarmee wordt bijgedragen aan een lagere energierekening en lagere concurrentiedruk voor de industrie. Het kabinet zal zich in de EU blijven inzetten voor het hanteren van deze regel.
Bent u bereid zich in te zetten voor een ingrijpende herziening van het ETS, waarbij betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor Europese bedrijven zwaarder gaan wegen dan de huidige ideologische fixatie op steeds hogere CO2-prijzen?
Het kabinet zet zich in voor de betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor bedrijven. Om koolstoflekkage te voorkomen bevat het ETS verschillende instrumenten: de toewijzing van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Deze instrumenten bieden op dit moment al bescherming en het kabinet zal de aankomende herziening benutten om deze instrumenten verder te verbeteren. Ten aanzien van de betaalbaarheid van energie en leveringszekerheid is het van belang dat we op zo snel mogelijke termijn onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afbouwen. Het ETS levert daar een noodzakelijke bijdrage aan.
Kunt u aangeven welke gevolgen het ETS volgens u momenteel heeft voor de Nederlandse energie-intensieve industrie, waaronder de chemie, staal, raffinage en andere grootverbruikers?
Het ETS biedt een tijdpad voor het aantal nieuwe emissierechten dat in de toekomst beschikbaar komt (het emissieplafond). Dit geeft duidelijkheid aan bedrijven over de mogelijkheid om broeikasgassen uit te stoten in de toekomst en daarmee met de vraag wanneer investeringen in verduurzaming noodzakelijk zijn. Omdat de energie-intensieve industrie een hoog risico heeft op koolstoflekkage, ontvangt zij een hoeveelheid gratis rechten die overeenkomt met de uitstoot per product van de top 10% meest efficiënte installaties. De meest efficiënte installaties hebben daarom geen ETS-kosten of verdienen aan de verkoop van ETS-rechten, en aan een hogere verkoopprijs van hun producten (in sectoren die onder het CBAM vallen). In Nederland geldt dit bijvoorbeeld voor de kunstmestindustrie en staalindustrie.
In andere sectoren zijn Nederlandse installaties echter veelal minder efficiënt dan de top 10%, waardoor de industrie kosten ondervindt van het ETS. Deze kosten kunnen worden voorkomen door te investeren in verduurzaming. Het is belangrijk dat bedrijven met inefficiënte installaties gaan investeren: zonder investeringen stevenen verouderde installaties onvermijdelijk af op sluiting. Het ETS verkleint daartoe de onrendabele top van deze investeringen; aanvullend stelt het kabinet ondersteuning zoals de SDE++ ter beschikking voor verduurzamings-investeringen. Een belangrijke kanttekening bij het vermijden van ETS-kosten door verdere verduurzaming, is dat oog moet worden gehouden voor de randvoorwaarden (bv. netcongestie). Hierdoor kunnen de ETS-kosten niet altijd op korte termijn worden vermeden.
Kunt u daarbij ook inzichtelijk maken in hoeverre ETS-kosten doorwerken in de Nederlandse elektriciteitsprijs en daarmee het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid raken?
Volgens een recente publicatie van de Europese Centrale Bank3 bestond de prijs die de energie-intensieve industrie in Nederland in 2024 betaalde voor elektriciteit, voor ongeveer 7% uit ETS-kosten. Of deze kosten gevolgen hebben voor het vestigingsklimaat hangt af van de mate van bescherming tegen koolstoflekkage. Het ETS houdt hiermee rekening door middel van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Voor dit laatste heeft het kabinet in het coalitieakkoord € 0,5 mld. per jaar gereserveerd, met als doel de elektriciteitskosten van de weglekgevoelige elektriciteits-intensieve industrie te verlagen.
Klopt het dat binnen het bestaande Europese ETS een deel van de opbrengsten van emissierechten wordt aangewend voor een fonds ten behoeve van lagere-inkomenslidstaten, het zogenoemde Modernisation Fund?
Ja.
Hoe beoordeelt u het principiële bezwaar dat Europese CO2-beprijzing daarmee niet alleen een prijsprikkel is, maar ook een herverdelingsmechanisme wordt waarbij opbrengsten uit het ETS worden ingezet voor vergroening in andere lidstaten?
Het Moderniseringsfonds draagt bij aan het moderniseren van energiesystemen en de bevordering van energie-efficiëntie in de genoemde EU lagere-inkomenslidstaten. Een beperkt deel van de inkomsten uit veilingen (2% van de veilinginkomsten tussen 2021–2030 en 2,5% tussen 2024–2030) valt ten gunste aan het Moderniseringsfonds. In totaal gaat het op EU-niveau om gemiddeld 4,3 miljard euro per jaar. De dertien lidstaten die voor dit fonds in aanmerking komen hebben een relatief verouderde industrie en elektriciteitsproductie, waardoor de ETS-kosten relatief hoog zijn. Om hier deels voor te compenseren, zorgt het Moderniseringsfonds voor een beperkt solidariteitselement in het ETS.
Kunt u inzichtelijk maken welk deel van de totale ETS-opbrengsten binnen de Europese Unie momenteel wordt gereserveerd voor het Modernisation Fund en in hoeverre dit leidt tot minder ruimte voor lastenverlichting of concurrentieversterking in lidstaten als Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat dit fonds de prikkel vergroot om ETS-opbrengsten te zien als financieringsbron voor steeds verdergaande Europese klimaatpolitiek in plaats van als middel dat juist zou moeten worden beperkt vanwege de schade voor koopkracht en concurrentiekracht?
Nee, deze mening deel ik niet.
Kunt u uitsluiten dat Nederland in toekomstige Europese onderhandelingen zal instemmen met nieuwe of grotere ETS-gerelateerde herverdelingsfondsen ten behoeve van andere lidstaten? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat Nederlandse huishoudens en ondernemingen worden geconfronteerd met hogere energiekosten, terwijl ETS-opbrengsten mede worden afgeroomd voor klimaatuitgaven elders in Europa?
Het kabinet staat in beginsel kritisch tegenover nieuwe fondsen die ETS-inkomsten herverdelen en zal dat signaal ook afgeven bij de onderhandelingen over de herziening van de ETS-richtlijn. Uiteindelijk zal een akkoord bereikt moeten worden over de gehele wijziging van de ETS-richtlijn, waarbij voorop staat dat een ambitieus ETS nodig is voor een tijdige energietransitie en daarmee uiteindelijk ook voor de betaalbaarheid van energie in de EU.
De stijgende uitstoot en het effect van de stijging van de zeespiegel op de Waddenzee |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse uitstoot van broeikasggassen vorig jaar is toegenomen?1
Houdt u vast aan het doel om in 2030 de uitstoot met 55 procent te doen afnemen ten opzichte van het referentiejaar 1990?
Zult u doen wat nodig is om dat doel effectief te bereiken?
Welk gevolg geeft u aan de vaststelling van gestegen uitstoot in de vorm van eventuele bijsturingen van uw beleid om de uitstoot weer te doen dalen en dat voldoende snel om de klimaatdoelen te halen?
Bent u bekend met het feit dat de stijging van de zeespiegel gemiddeld 30 centimeter hoger staat dan voorheen gedacht?2
Deelt u de mening dat het voor een land dat voor een groot deel onder de zeespiegel ligt, de betrouwbaarheid van modellen die gebruikt worden om ons land en inwoners te beschermen tegen een steeds sneller stijgende zeespiegel, essentieel is?
Wat betekent dit nieuwe wetenschappelijke inzicht voor de situatie in Nederland? Welke impact heeft deze nieuwe informatie op eerder genomen besluiten over het beschermen van ons land, waarbij mogelijks gebruik gemaakt is van achterhaalde en onjuiste modellen?
Klopt de berichtgeving dat ook Nederlandse onderzoeken naar zeespiegelstijging langs de kust van verkeerde aannames zijn uitgegaan? Kunt u de Kamer informeren over welke Nederlandse onderzoeken dat gaat?
Kunt u aangeven hoe u met deze nieuwe informatie omgaat bij besluiten die raken aan de kern van het behoud van de eilanden en het werelderfgoed Waddenzee, zoals bijvoorbeeld dijknormering en delfstofwinning?
Gezien in beleid en vergunningverlening voor gas- en zoutwinning in de Waddenzee (met het «Hand aan de Kraan»-principe) zeespiegelstijging een belangrijke parameter is, bent u bereid om verleende vergunningen met deze nieuwe inzichten te herijken en aan te passen?
Herinnert u zich dat in 2021 het beleid voor mijnbouw in de Waddenzee (het de «Hand aan de Kraan»-principe) is geëvalueerd en dat het kabinet de toezegging aan de Kamer heeft gedaan dat ieder jaar geëvalueerd zou worden of er nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn die moeten leiden tot een bijstelling van het gebruikte zeespiegelstijgingsscenario?3 Is dat gebeurd? Kunt u de evaluaties van 2022, 2023, 2024 en indien al beschikbaar 2025 aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u naar aanleiding van recente inzichten over zeespiegelstijging nieuwe berekeningen laten maken van de te verwachten zeespiegelstijging langs de Nederlandse (wadden)kust? Kunt u daarbij de wetenschappers achter bovenvermelde studie en het KNMI betrekken?
Bent u bereid om gezien de veiligheid voor eiland- en kustgemeenten en de liefde van veel Nederlanders voor het Wad geen onomkeerbare stappen te nemen bij vergunningverlening voor delfstofwinning tot het moment waarop u het onderzoek bedoeld in de vorige vraag met de Kamer heeft besproken?
Een tekort aan niet-westerse donoren. |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Marlons enige kans op genezing is een niet-westerse donor, en daar is een tekort aan», waaruit blijkt dat er een tekort is aan niet-westerse donoren?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat er een tekort is aan niet-westerse donoren?
Ja. Het kabinet is van mening dat het belangrijk is om zoveel mogelijk patiënten te kunnen helpen bij het vinden van een match met een geschikte donor. Om het succes van bepaalde behandelingen met lichaamsmateriaal te vergroten moet de donor matchen met de patiënt.
Het hebben van dezelfde afkomst tussen een donor en een patiënt is zeer bepalend voor het vinden van een goede match en daarmee de overlevingskansen van de patiënt. Afkomst speelt een belangrijke rol bij succesvolle bloedtransfusie en stamcel- en orgaantransplantatie, omdat de kans op een succesvolle match tussen een donor en een patiënt groter is wanneer deze genetisch op elkaar lijken. De biologisch-medische kenmerken passen dan beter bij elkaar. Met een meer divers donorbestand wordt de kans op een match en daarmee de overlevingskansen voor patiënten vergroot.
Patiënten met een niet-westerse afkomst vinden op dit moment minder snel een match dan andere patiënten, omdat er minder donoren met een niet-westerse afkomst zijn. Het minder snel vinden van een match heeft een negatieve invloed op de gezondheid en overlevingskansen van deze patiënten. Om te zorgen dat iedereen gelijke kansen heeft op goede zorg is het dan ook belangrijk dat de donorbestanden voldoende divers zijn.
Wat wordt er op dit moment gedaan door het Ministerie van VWS om het tekort aan niet-westerse donoren te verkleinen?
Om de diversiteit in de donorbestanden te vergroten, is voor de periode 2023 tot 2027 een subsidiebedrag van € 2,1 miljoen beschikbaar gesteld aan Matchis (stamcellen), Sanquin (bloedproducten) en de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS, organen en weefsels). VWS heeft aangestuurd op samenwerking van deze partijen zodat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de onderlinge expertise en ervaringen.
Met de subsidiegelden die beschikbaar zijn gesteld, zijn onder andere de volgende activiteiten gefinancierd:
In Nederland geldt dat, om in aanmerking te komen voor vergoeding van (zorg)kosten bij orgaandonatie bij leven (nier, deel van lever) en stamceldonatie, de donor geen Nederlandse zorgverzekering hoeft te hebben. Ook hierdoor worden drempels bij het vinden van een niet-westerse donor (bijvoorbeeld een familielid in het buitenland) weggenomen. De zorgkosten van een buitenlandse donor worden vergoed onder voorwaarde dat de transplantatie plaatsvindt in Nederland of in een land dat lid is van de Europese Economische Ruimte.
Kosten kunnen ook vergoed worden wanneer de transplantatie plaatsvindt in het land waar de donor woont, mits de donor verwant is aan de patiënt. Dit kan helpen bij het vinden van een niet-westerse donor. Ook de onkosten van een donor uit het buitenland kunnen worden vergoed, bijvoorbeeld de vervoerskosten naar Nederland.
In hoeverre is er sprake van ongelijke overlevingskansen tussen patiëntengroepen?
Het vinden van een goede match is voor bepaalde patiëntengroepen lastiger doordat de donorbestanden onvoldoende divers zijn. Dit heeft invloed op de overlevingskansen van deze patiënten. Wat de exacte invloed van het gebrek aan diversiteit van de donorbestanden is op overlevingskansen van verschillende patiëntengroepen, is niet bekend.
Welke belemmeringen ervaren mensen met een migratieachtergrond bij het registreren als donor?
Over de belemmeringen die mensen met een migratieachtergrond ervaren bij het registreren als donor na overlijden is weinig bekend. Als het gaat om donatie bij leven blijkt uit recente onderzoeken2 dat bereidheid tot doneren onder Nederlanders van Marokkaanse en Surinaamse afkomst toeneemt als hun kennis en bewustwording over donatie bij leven wordt verhoogd. In het onderzoek onder Nederlanders van Marokkaanse afkomst gaf deze groep aan belang te hechten aan betrouwbare informatie, religieuze legitimiteit (hoe verhoudt een religie zich tot donatie) en voorlichting via professionals, moskeeën en rolmodellen binnen de gemeenschap. In het onderzoek onder Nederlanders van Surinaamse afkomst gaf deze groep aan belang te hechten aan duidelijke, herkenbare en breed gedeelde informatiecampagnes waarbij de nadruk ligt op de noodzaak van donatie en het belang van matching. Ook hechten zij aan betrouwbare communicatie vanuit de gemeenschap.
Welke concrete stappen worden genomen om deze drempels weg te nemen?
Met ondersteuning van VWS hebben stichting Matchis, Sanquin en de NTS de campagne «Donor van Ons» opgezet. Deze campagne heeft als doel de bewustwording bij Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond te vergroten over het belang van afkomst bij bloed-, stamcel-, orgaan- en weefseldonatie en de gevolgen van hun ondervertegenwoordiging in de donorbestanden. Deze organisaties hebben in de afgelopen jaren ook ieder afzonderlijk campagnes gevoerd die gericht waren op specifieke doelgroepen.
Hoe effectief is de huidige internationale samenwerking bij het vinden van matches? Zijn er mogelijkheden om deze databanken verder uit te breiden of beter toegankelijk te maken?
Bij het toewijzen van organen werkt Nederland samen met zeven Europese landen: België, Duitsland, Hongarije, Kroatië, Luxemburg, Oostenrijk en Slovenië. Deze landen zijn aangesloten bij Eurotransplant. Eurotransplant houdt bij de toewijzing van organen rekening met verschillende kenmerken van donor en ontvanger, zoals bloedgroep en weefseltype. Omdat er gewerkt wordt met één donor meldsysteem en één centrale wachtlijst is de kans op het vinden van een goede match groter. Een goede match zorgt ervoor dat uitkomsten van transplantaties gunstiger zijn. Bovendien heeft de patiënt bij een betere match na de transplantatie een betere kwaliteit van leven.
Voor bloeddonatie is Sanquin nauw aangesloten bij het internationale netwerk van bloedbanken. Deze internationale route is vooral beschikbaar in noodgevallen. In de zoektocht naar zeldzame bloedgroepen is het noodzakelijk om binnen Nederland in het donorbestand voldoende donors met zeldzame bloedgroepen te hebben.
Voor stamceldonatie is internationale samenwerking onmisbaar voor het vinden van voldoende matches voor patiënten in Nederland. Er wordt dan ook gebruik gemaakt van een wereldwijde donorbank met 43 miljoen potentiële donoren. De meeste stamceldonoren voor Nederlandse patiënten zijn afkomstig uit Duitsland. Er is internationaal ook ondersteuning via de World Marrow Donor Association waarvan Matchis een actief lid is. Voor bepaalde groepen patiënten in Nederland biedt de huidige internationale samenwerking onvoldoende kans op het vinden van een goede match. Dit is één van de redenen waarom er nu donorwerving in de Caribische regio wordt opgezet.
Hoe wordt de effectiviteit gemeten van de campagne «Donor van Ons» van Matchis, Sanquin en de Nederlandse Transplantatie Stichting, en in hoeverre blijkt uit die metingen dat de campagne aantoonbaar doelgroepen met een diverse (niet-westerse of gemengde) achtergrond bereikt?
De campagne Donor van Ons is een campagne die gericht is op bewustwording, niet op werving van donoren. Om een beeld te vormen van het effect van de campagne is en wordt door Matchis, Sanquin en de NTS voorafgaand aan en tijdens de campagne een nul- en één-meting uitgevoerd onder de doelgroepen. Deze online metingen richten zich op kennisvragen over doneren en het belang van afkomst bij het vinden van een donormatch.
De effectiviteit van de campagne zelf wordt gemeten door middel van bereik, unieke impressies en interactie van de social mediacampagne. Daarnaast worden de effecten van influencer-inzet, bereik via out of home reclame (metro, abri’s) en gegenereerde media-aandacht gemeten. De campagne is op dit moment nog niet afgerond. Nadat de campagne afgerond is, zal VWS deze samen met Matchis, Sanquin en de NTS evalueren.
Overweegt u aanvullende beleidsmaatregelen om de diversiteit in donorregistraties structureel te vergroten?
Na afronding van alle in de periode 2023 tot 2027 geplande activiteiten en afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie van de campagne Donor van Ons zal, op basis van de resultaten hiervan, worden bezien of eventuele aanvullende maatregelen op dit onderwerp nodig zijn.
De wetenschappelijke onderbouwing van windturbinenormen, de bescherming van omwonenden en afstandsnormen |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de meest recente versie van de RIVM-factsheet over gezondheidseffecten van windturbinegeluid en met de voorbereiding van nieuwe landelijke windturbinenormen?
Kunt u aangeven welke inhoudelijke wijzigingen sinds 2021 in deze factsheet zijn aangebracht, welke nieuwe wetenschappelijke inzichten daarbij zijn betrokken en op welke wijze die wijzigingen zijn verwerkt in de voorbereiding van nieuwe windturbinenormen?
Kunt u uiteenzetten welke internationale wetenschappelijke literatuur sinds 2022 door het RIVM en het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid is betrokken bij de advisering over windturbinegeluid, en kunt u daarbij specifiek ingaan op het Duitse Umweltbundesamt-onderzoek uit 2022 naar hinder van moderne windturbines?
Op welke wijze is dit Duitse Umweltbundesamt-onderzoek betrokken bij het plan-MER, de nota van toelichting en de voorbereiding van de nieuwe landelijke windturbinenormen?
Welke blootstelling-responsrelatie ligt thans ten grondslag aan de in het ontwerpbesluit en het plan-MER beschouwde normopties voor windturbinegeluid?
Kunt u per beschouwde normoptie, waaronder in ieder geval 37, 40, 43, 45, 47 en 50 dB Lden, aangeven welk percentage ernstige hinder binnenshuis en, indien beschikbaar, buitenshuis daarbij volgens de door het kabinet gebruikte modellen hoort?
Kunt u bevestigen dat in de toelichting bij de nieuwe normering 45 dB Lden wordt gekoppeld aan een lager percentage ernstige hinder binnenshuis dan 47 dB Lden, en kunt u exact uiteenzetten welke beleidsmatige en wetenschappelijke afweging ten grondslag ligt aan de uiteindelijke normkeuze?
Bent u bereid een onafhankelijke wetenschappelijke beoordeling te laten uitvoeren van de door Leonard Baart de la Faille gepubliceerde omzetting van de Duitse dosis-effectrelatie naar de Nederlandse systematiek, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
Waarom kiest het kabinet bij windturbinegeluid voor normering op basis van Lden en Lnight, en welke alternatieven, zoals aanvullende maximum- of gebeurtenisnormen, zijn onderzocht om met name slaapverstoring beter te adresseren?
Welke praktijkgegevens over klachten, hinder, slaapverstoring, handhaving en ervaren overlast rond bestaande windparken zijn betrokken bij de voorbereiding van de nieuwe normen?
Klopt het dat het RIVM momenteel een nieuw blootstelling-responsonderzoek uitvoert waarvan de resultaten eind 2026 worden verwacht, terwijl de beoogde inwerkingtreding van de definitieve windturbinenormen uiterlijk per 1 januari 2027 is voorzien?
Hoe waarborgt u dat de resultaten van dit blootstelling-responsonderzoek nog daadwerkelijk en zorgvuldig kunnen worden meegewogen bij de definitieve vaststelling van de normen?
Worden in dit blootstelling-responsonderzoek ook personen betrokken die na plaatsing van windturbines zijn verhuisd wegens ervaren overlast, en zo nee, op welke wijze wordt mogelijke selectiebias dan ondervangen?
Bent u bekend met het besluit van provinciale staten van Gelderland om voor nieuwe windturbines uit te gaan van een minimale afstand van twee keer de tiphoogte tot geluidsgevoelige gebouwen, en met het voorstel om deze afstandsnorm in de Omgevingsverordening Gelderland op te nemen?
Hoe beoordeelt u deze Gelderse afstandsnorm in het licht van de bescherming van omwonenden tegen hinder en slaapverstoring door windturbines?
Waarom is bij de voorbereiding van landelijke windturbinenormen niet gekozen voor een expliciete minimale afstandsnorm, terwijl een provincie als Gelderland daar inmiddels wel toe overgaat dan wel deze norm concreet heeft voorgesteld?
Bent u bereid expliciet te onderzoeken en uit te spreken of naast geluidsnormen ook een landelijke minimale afstandsnorm voor windturbines wenselijk en juridisch houdbaar is?
Welke instructies, handreikingen of tijdelijke beleidskaders gelden in de tussenperiode voor gemeenten en provincies die besluiten nemen over windprojecten, zodat ook op lokaal niveau wordt aangesloten bij de meest recente stand van de wetenschap?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de vraag of en, zo ja, in welke gevallen decentrale overheden vooruitlopend op de nieuwe landelijke normstelling eigen normen of vergunningvoorwaarden hanteren?
Bent u bereid geen onomkeerbare keuzes in de definitieve landelijke normstelling te maken voordat de Kamer expliciet is geïnformeerd over de betekenis van nieuwe wetenschappelijke inzichten voor de bescherming van omwonenden?
Deelt u de opvatting dat bij normstelling rond windturbinegeluid en afstandsnormen maximale transparantie over gebruikte wetenschappelijke bronnen, aannames en hinderpercentages noodzakelijk zijn om het vertrouwen van omwonenden in de overheid te versterken?
Bent u bekend met het bericht «Gescheiden ingang jongens en meisjes bij middelbare school Heemstede in verband met iftar, leerlingen verzocht schouders en knieën te bedekken»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeeld u de situatie als geschetst in het nieuwsbicht?
Dit bericht doet verslag over een iftar die op initiatief van een aantal leerlingen georganiseerd zou worden op het HBM, een christelijke school voor voortgezet onderwijs. De school heeft ruimte willen bieden aan dit initiatief. Dat kan passen bij de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze kennis en respect bevorderen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in godsdienst en levensovertuiging. Zo’n initiatief moet dan echter niet ten koste gaan van de plicht die scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben om zorg te dragen voor een veilige schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Scholen kunnen er ook voor kiezen om op andere manieren invulling te geven aan de wettelijke burgerschapsopdracht.
Kunt u bevestigen wat er feitelijk is gebeurd en zijn er u andere voorbeelden bekend, bijvoorbeeld op openbare scholen, waar dit op deze manier gebeurd is?
Naar aanleiding van de berichtgeving heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) contact opgenomen met het HBM. Het schoolbestuur van het HBM geeft aan niet op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van de uitnodiging en niet achter de inhoud van de uitnodiging te staan. Hierover is ook door verschillende media gerapporteerd. Voor dit jaar is de iftarviering komen te vervallen, volgend jaar wil de school de iftarviering wel weer organiseren. De school wil de iftarviering dan laten plaatsvinden zonder gescheiden ingangen of kledingvoorschriften.
De inspectie geeft aan dat iftarvieringen geregeld voorkomen in het voortgezet onderwijs, zowel bij openbare scholen als bij christelijke scholen. Het is voor de inspectie onbekend of daarbij scholen vragen om bepaalde voorschriften te respecteren.
Deelt u de mening dat juist het onderwijs en daarmee scholen verschillen tussen kinderen moeten verkleinen en segregatie niet moeten faciliteren?
Ja die mening deel ik. Daarom hecht ik ook veel waarde aan de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze aan leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder in ieder geval vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt specifiek van scholen dat ze onder leerlingen kennis en respect bijbrengen voor verschillen, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Daarbij past het sowieso dat kinderen leren om elkaars opvattingen te respecteren, ook als deze afwijken van de eigen opvatting of van die van de ouders. Zo wordt ingezet op het bevorderen van sociale cohesie.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze school er voor kiest jongens en meisjes niet gelijkwaardig te behandelen, maar via aparte ingangen het gebouw binnen te laten komen?
Zoals in antwoord 3 aangegeven, heeft deze school aangegeven niet achter de inhoud van de uitnodiging te staan en heeft de school zelf niet de keuze gemaakt om jongens en meisjes gescheiden het gebouw binnen te laten komen. Voor dit jaar is de iftarviering komen te vervallen. De school wil de iftarviering volgend jaar laten plaatsvinden zonder gescheiden ingangen of kledingvoorschriften
Hoe verhoudt het gescheiden binnen laten komen van jongens en meisjes zich tot de wettelijke zorgplicht voor een veilig en inclusief leerklimaat?
De school mag bij het aanbieden van het onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht. Een uitzondering geldt, op grond van artikel 7, lid 2, van de Algemene wet gelijke behandeling, voor bijzondere scholen die jongens en meisjes scheiden als onderdeel van consistent en consequent gevoerd beleid dat, vanwege de aard van het onderwijs, wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd is gegeven de grondslag van de school.
In dit geval ging het om een christelijke school die de iftar heeft willen faciliteren. Daar ziet de uitzondering in de Algemene wet gelijke behandeling niet op. Tegelijkertijd maakt het enkele feit dat de school deze activiteit – op initiatief van leerlingen – faciliteert, niet dat de school daarmee in strijd handelt met de wettelijke zorgplicht en de verantwoordelijkheden van de school ten aanzien van gelijke behandeling. Daarbij hecht ik er wel aan nogmaals te benadrukken dat op de school altijd de verplichting rust om te zorgen voor een veilige schoolcultuur.
Hoe verhoudt het organiseren van gescheiden activiteiten zich tot de wettelijke verplichte burgerschapsvorming in het onderwijs en ziet u het risico dat dit leidt tot segregatie op school?
Gescheiden activiteiten mogen niet ten koste gaan van de plicht die scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten. Dat betekent dat gescheiden activiteiten ook niet mogen leiden tot segregatie in de school, noch tot ongelijkwaardigheid.
Dit risico zie ik wel, zelfs als de activiteiten buiten schooltijd plaatsvinden en dus optioneel zijn. Dat betekent dat scholen heel bewust moeten nadenken over welke en hoe dergelijke activiteiten aansluiten op de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en burgerschapsvorming vanuit de verantwoordelijkheid als school. De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op de school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
De aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade heeft gezorgd zonder dat de rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Het vorige kabinet heeft afgelopen januari naar aanleiding van twee uitgevoerde evaluaties aangegeven dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van schade door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk (hierna: mijnbouwschade) door de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) niet op alle punten voldoet aan de verwachtingen en dat het kabinet deze samen met de mijnbouwondernemingen wil verbeteren1.
Deze structurele verbeteringen vragen om gesprekken met alle partijen uit de mijnbouwsector, die actief zijn in verschillende mijnbouwactiviteiten, zoals zout-, gas- en oliewinning. Een proces om met al deze partijen tot nieuwe afspraken te komen kost tijd. Het feit dat gedurende dit proces een aardbeving door gaswinning heeft plaatsgevonden die schade heeft veroorzaakt betreur ik. Daarom wil ik zo snel mogelijk – binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt – tot een specifieke aanpak komen voor de schade die veroorzaakt is door de beving van 14 maart 2026. Ik ben hierover met NAM en de CM in gesprek en betrek hierbij ook de medeoverheden. In mei zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur in het huis»?1 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar aanleiding van de beving heb ik maandag 16 maart 2026 een bezoek aan het getroffen gebied gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en de lokale en provinciale bestuurders (de drie burgemeesters van Assen, Midden-Drenthe en Aa en Hunze, de commissaris van de Koning en de gedeputeerde van de provincie). Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen hoe het met de inwoners gaat en wat de weerslag van de bevingen is geweest. Deze gesprekken hebben mij er nog meer van bewust gemaakt dat aardbevingen door mijnbouwactiviteiten en de schade die dit veroorzaakt een stevige impact kunnen hebben, niet alleen op huizen, maar ook op het leven van mensen.
In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een andere aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade dan in de rest van Nederland. Hier werden in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Kortgezegd, de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld verschillen in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Daarnaast heeft de schade in het effectgebied van het Groningenveld en de afhandeling daarvan tot een grote mate van maatschappelijke ontwrichting geleid. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor de afhandeling van mijnbouwschade in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg een andere aanpak geldt dan in de rest van Nederland (waaronder Eleveld).
Dat neemt niet weg dat het de hoogste prioriteit heeft dat ook de schade buiten het IMG-effectgebied op een snelle, gedegen en menselijke wijze afgehandeld wordt. Gelet op de ervaringen na de beving bij Ekehaar in 2023 vind ik het van belang dat er zo spoedig mogelijk een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff2 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat in het IMG-effectgebied geldt2, naar de rest van Nederland juridisch houdbaar is, heeft het toenmalige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied en 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland. De uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet juridisch houdbaar.
Daarbij is het goed om te noemen dat de instelling en werkwijze van de CM ervoor heeft gezorgd dat het resultaat voor schademelders in de rest van Nederland praktisch gelijk is aan toepassing van het bewijsvermoeden. De CM neemt de bewijslast van de schademelder over en doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade. Indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit gaat de CM ervan uit dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch eenzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de brief van het vorige kabinet van 27 maart 20254.
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Om zo snel mogelijk tot goede schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 te komen, beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en de belangrijkste elementen van de aangekondigde verbeteringen reeds bevat. Zoals uiteengezet in de recente brief over de beving bij Geelbroek5, wordt er nu hard gewerkt aan de schadeafhandeling door de CM, in twee stappen.
Ten eerste wil ik dat er zo snel mogelijk tot een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt. Ik ben reeds met NAM en de CM in gesprek over een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026. Het uitgangspunt is dat deze snel, gedegen en menselijk is. Met de lokale en provinciale bestuurders is maandag 16 maart besproken dat we vier tot zes weken de tijd nemen om duidelijkheid te bieden over deze aanpak.
In het verlengde daarvan ga ik – als tweede stap – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek om te komen tot generieke verbeteringen binnen de huidige systematiek van de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade.
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
De komende weken sta ik in nauw contact met de CM, de lokale bestuurders van het gebied waar de beving heeft plaatsgevonden en de NAM om zo snel mogelijk tot een schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 komen. Zoals hierboven aangegeven beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en reeds de belangrijkste elementen van de in januari geschetste verbeteringen bevat. In deze fase kan ik nog niet vooruitlopen op de inhoud van de aanpak. Ik zal uw Kamer hier in mei verder over informeren.
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Alle betrokken partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen. Het is van groot belang om hierbij oog te hebben voor de schaal van de schadeafhandeling. Gegeven de zwaarte van de beving is de uitvoerbaarheid van de aanpak een belangrijk criterium. Er moet immers voorkomen worden dat schademelders lang in onzekerheid zitten, in het bijzonder degenen met de zwaarste schades. Het instellingsbesluit van de CM biedt ook ruimte om bij een groot aantal schademeldingen voor een versnelde en vereenvoudigde aanpak te kiezen. Bij de aanpak zal ik ook nadrukkelijk oog hebben voor het feit dat een deel van de schademelders woonachtig is in het IMG-effectgebied.
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
De standaard werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoek zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. De CM geeft in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar6 aan onderzoek ter plaatse belangrijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen, ook omdat dit het vertrouwen bij schademelders bevordert.
Tegelijkertijd wordt terecht opgemerkt dat de onderzoekskosten van schade-experts voor hoge uitvoeringskosten van de CM zorgen. Zoals aangekondigd wil ik de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade door de CM verbeteren, onder meer door samen met de mijnbouwondernemingen een betere verhouding tussen geadviseerde schadevergoedingen en onderzoekskosten te realiseren. Ik wil ook dat dit element terugkomt in de specifieke aanpak van de beving van 14 maart 2026 die momenteel wordt ontwikkeld.
Tot slot is het goed om hier nog bij te vermelden dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM adviseert een vergoeding voor mijnbouwschade uit te keren. In andere gevallen komen kosten voor rekening van de overheid.
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en het Groningenveld?
Ik ben in nauw contact met lokale bestuurders, de CM en NAM, die verantwoordelijk is voor de (inmiddels ingesloten) gaswinning uit het Eleveld gasveld en aansprakelijk is voor schade die bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit dat veld veroorzaakt. Alle partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen, met oog voor de uitvoerbaarheid. Zoals ook reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven wil ik daarom dat er snel een specifieke aanpak komt voor de beving van 14 maart.
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Zie antwoord vraag 9.
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de winningsactiviteiten?
Om gas te mogen winnen is, in aanvulling op een winningsvergunning, instemming met een winningsplan nodig. Het gasveld Eleveld valt binnen het winningsplan Westerveld, waarin meerdere gasvelden zijn opgenomen. Het winningsplan Westerveld is voor het gasveld Eleveld in 2018 voor het laatst beoordeeld (op 26 maart 2024 is ingestemd met een actualisatie van het winningsplan voor het gasveld Assen). Ten behoeve van de beoordeling is advies gevraagd aan TNO, SodM, de Technische Commissie Bodembeweging (Tccb, tot en met 2023 adviseur) en de Mijnraad. Bij de beoordeling van winningsplannen wordt altijd gekeken naar de kans op bodemtrilling.
In het gasveld Eleveld zijn al vaker bevingen geweest met lagere magnitudes. Naast de kans op beven wordt ook de kenmerken van het gasveld, de mogelijke magnitudes van een beving en de effecten aan de bovengrond meegenomen zoals bebouwing en infrastructuur. Tezamen is dit het seismisch risico (SRA), dat in het winningsplan wordt aangegeven. Uit deze SRA is naar voren gekomen dat het gasveld Eleveld in de laagste categorie valt (I) maar dicht bij de grens naar een hogere categorie zit (II). Om deze reden zijn specifiek voor het gasveld Eleveld, mede naar aanleiding van de adviezen van de adviseurs, voorwaarden in het besluit opgenomen die normaliter voor SRA II-velden gelden. NAM heeft versnellingsmeters moeten bijplaatsen en een seismisch risicobeheersplan (SRB) moeten opstellen voor het gasveld Eleveld. Daarnaast is in het besluit een voorschrift opgenomen dat NAM bouwkundige vooropnamen moeten uitvoeren. NAM heeft deze voorwaarden van het besluit uitgevoerd. Op dit moment bezie ik hoe om te gaan met de veiligheidsrisico’s en schade door bevingen in het kader van de herziening van de Mijnbouwwet. Ik heb SodM, TNO, Mijnraad en het KNMI gevraagd om hier een gezamenlijk beleidsadvies voor op te stellen.