Het bericht ‘Spying, hacking and intimidation: Israel’s nine-year ‘war’ on the ICC exposed’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Spying, hacking and intimidation: Israel’s nine-year «war» on the ICC exposed»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Israël niet alleen alle bevelen van de Verenigde Naties (VN)-Veiligheidsraad, het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof (ICC) weigert uit te voeren, maar ook de legale routes actief ondermijnt die de Palestijnen zouden kunnen gebruiken om voor hun rechten op te komen? Welke opties blijven er volgens u op deze manier voor de Palestijnen over om voor hun rechten op te komen en wat zegt dat over Nederlands relatie met een land dat deze houding aanneemt ten opzichte van de internationale rechtsorde waar Nederland een vaandeldrager van is?
Universele rechtsprincipes gelden altijd en overal. Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationale Strafhof (ISH), zijn ambtsdragers en zijn personeel en als zodanig door het Strafhof aangewezen getuigen. Het is van belang dat, wereldwijd, gedegen en onafhankelijk onderzoek wordt gedaan als er sprake is van mogelijke ernstige schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Nederland zet zich daar voor in en roept de partijen consequent op tot naleving van het internationaal recht.
Was u bekend met het feit dat er diplomatieke missies door Israël naar Den Haag werden ondernomen met juristen vanuit Israëls Ministerie van Buitenlandse Zaken, Israëls Ministerie van Justitie en Israëls hoogste juridische militaire autoriteit? Zo ja, wat vindt u van het feit dat Israël op deze manier druk uitoefende op de hoofdaanklager van het ICC en haar in vertwijfeling probeerde te brengen, zoals toegegeven door Roy Schondorf, terwijl Nederland de primair aangewezen staat is om te waken dat de hoofdaanklager haar werk onafhankelijk en zonder druk kan uitoefenen? Zo nee, hoe is het mogelijk dat u niet bekend was met jaren van offensieve diplomatieke missies vanuit Israël op Nederlands grondgebied?
Nederland is zich als gastland van het Internationaal Strafhof (ISH) terdege bewust van de gevaren van externe beïnvloeding en inmenging waar zowel het Hof, zijn gekozen ambtsdragers en medewerkers, als de door het Hof als zodanig aangewezen getuigen mee kunnen worden geconfronteerd. Dergelijke gevaren zijn ook geenszins een uniek kenmerk van het onderzoek naar de situatie in de bezette Palestijnse Gebieden.
Het is van belang dat de organen van het Strafhof hun mandaat onafhankelijk – en zonder bedreigingen en intimidaties – kunnen uitvoeren. Deze verplichting geldt op basis van het Statuut van Rome voor iedere verdragspartij, maar daarnaast heeft Nederland als gastland inderdaad ook een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland. Nederland onderhoudt doorlopend contact met het ISH waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen
Zijn er acties ondernomen tegen Israël nadat bleek dat het hoofd van de Mossad hoogstpersoonlijk betrokken was bij een operatie tegen de hoofdaanklager van het ICC, die wordt omschreven als stalken en manipulatief, inclusief dreigingen tegen haarzelf, haar familie en haar carrière? Zo nee, waarom niet?
Om veiligheidsoverwegingen kunnen er geen uitspraken worden gedaan over individuele casussen. Wel kan in zijn algemeenheid gezegd worden dat ten aanzien van eventuele inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren, de betrokken ministeries in nauw contact staan met de opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten om deze te onderkennen, te duiden en waar nodig en mogelijk maatregelen te treffen. Het kabinet ziet dergelijke activiteiten als een vorm van ongewenste buitenlandse inmenging en vindt dit volstrekt onwenselijk. Er zijn doorlopende contacten met het ISH waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen. Uit veiligheidsoverwegingen kan er niet in detail worden getreden over de aard van deze besprekingen of de specifieke zaken die daar aan de orde komen.
Doet dit gedrag u ook denken aan maffiapraktijken? Zo ja, wat zegt dat over de zeer nauwe banden die Nederland met een regering onderhoudt die op het allerhoogste politieke niveau, gezien het feit dat het hoofd van de Mossad directe instructies van Netanyahu ontving, opdracht geeft om maffiamethodes te hanteren? Zo nee, beschouwt u dit als gedrag waar afgezien van oproepjes verder geen consequenties aan verbonden hoeven te worden?
Zoals ook bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven, acht het kabinet elke vorm van ongewenste buitenlandse inmenging volstrekt onwenselijk. Als Verdragspartij bij het Statuut van Rome en gastland van het Internationaal Strafhof zet Nederland zich in om het Strafhof te steunen en zich uit te spreken tegen elke vorm van intimidatie. Indien er op basis van actuele dreigingsinformatie aanleiding toe is, treft Nederland de nodige beveiligingsmaatregelen.
Wat vindt u ervan dat er weinig zorgen bij Israëls inlichtingendiensten bestonden over het bespioneren van de voormalige hoofdaanklager van het ICC, mevrouw Fatou Bensouda, omdat «she’s black and African, so who cares?»? Deelt u de mening dat dit een walgelijke vorm van racisme blootlegt?
Zonder nadere informatie reageert het kabinet niet op een enkele aan een anonieme bron toegeschreven uitspraak.
Wat vindt u ook van de uitspraak van premier Netanyahu dat het ICC zich schuldig maakt aan «het nieuwe antisemitisme»? Bent u het ook maar een beetje eens met Netanyahu’s aantijging? Indien u het er totaal niet mee eens bent, wat vindt u er dan van dat antisemitisme op deze manier als grondeloze laster wordt ingezet om het ICC te besmeuren? Indien u het er wel mee eens bent, kunt u dan uitleggen waarom?
Het Strafhof houdt zich als onafhankelijke juridische instantie bezig met opsporing en vervolging van internationale misdrijven. Nederland steunt het Internationaal Strafhof en respecteert de onafhankelijkheid van het Strafhof. De uitspraak van premier Netanyahu dat het ISH zich schuldig maakt aan «het nieuwe antisemitisme» laat het kabinet aan hem.
Wat vindt u ervan dat Israël zowel de Shin Bet, de Mossad, als de militaire inlichtingendienst onder de coördinatie van de Israëlische Nationale Veiligheidsraad heeft geactiveerd tegen het op Nederlands grondgebied gevestigde ICC? Wat vindt u ervan dat de operatie tegen een instituut in Nederland nota bene militair werd geclassificeerd door Israël «as a war that had to be waged, and one that Israel needed to be defended against. It was described in military terms»?
Zoals bij de beantwoording van vragen 4 en 5 is aangegeven, acht het kabinet elke vorm van ongewenste buitenlandse inmenging volstrekt onwenselijk. Om veiligheidsoverwegingen kunnen er geen uitspraken worden gedaan over specifieke aantijgingen. Er is goed en doorlopend contact tussen het ISH en Nederland over gastlandzaken, inclusief veiligheidsaangelegenheden. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat ten aanzien van eventuele inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren, de betrokken ministeries in nauw contact staan met de opsporingsdiensten en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om deze activiteiten te onderkennen en te duiden, en om waar nodig en mogelijk maatregelen te treffen.
Bent u bekend dat uit het stuk van The Guardian blijkt dat het ICC de Nederlandse autoriteiten reeds in 2015 al op de hoogte heeft gebracht van de illegale druk die Israël op het onafhankelijk werk van het Strafhof uitoefent? Waarom hebben we in de afgelopen negen jaar geen enkel rapport gezien van uw departement of van de veiligheidsdiensten waarin werd gesproken over Israëls ondermijnende activiteiten die ieder jaar in intensiteit zijn toegenomen? Hoe komt het dat andere landen met naam en toenaam worden benoemd in veiligheidsrapporten en -verslagen, maar dat Israël een hand boven het hoofd wordt gehouden ondanks deze serieus ondermijnde activiteiten die al jaren escaleren?
Zie antwoord vraag 8.
Is de Nederlandse dreigingsanalyse met betrekking tot statelijke actoren al aangepast voor Israël? Zo nee, wanneer gaat dat gebeuren?
Het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren kent vooralsnog geen vaste ritmiek. Bij het uitbrengen van een eventueel nieuw Dreigingsbeeld Statelijke Actoren zullen relevante ontwikkelingen ten aanzien van statelijke dreigingen op de nationale veiligheidsbelangen worden meegenomen in de afwegingen.
Wat vindt u van het feit dat een substantieel deel van Israëls spionage van het ICC kan plaatsvinden omdat Israël de controle heeft over het elektromagnetisch spectrum in de bezette Westelijke Jordaanoever en Gaza? Wat zegt dat over de risico’s voor dit strafrechtelijk onderzoek van het ICC en het gevaar voor ondermijning ervan? Wat kan Nederland, afgezien van oproepjes aan Israël, hiertegen doen?
Het is primair aan het ISH zelf om bij de beperking van de risico’s voor het strafrechtelijke onderzoek met dit feit rekening te houden.
Bent u bereid om vanuit het voorzorgsprincipe te handelen en aparte, niet-Israëlische systemen te gebruiken voor alles wat met de beveiliging van het ICC te maken heeft om het risico uit te sluiten dat Israël middels de systemen en software het werk en de veiligheid van het ICC kan compromitteren?
Het Internationaal Strafhof is zelf verantwoordelijk voor hun interne infrastructuur, waaronder ICT systemen en software. Nederland spant zich daarbij in om het Strafhof veilig en ongehinderd haar werk te laten doen. Cyberveiligheid krijgt daarbij aandacht, zeker ook na de cyberaanval op het Hof in september 2023.
Bent u ermee bekend dat Israël heeft geprobeerd om een strafrechtelijke vervolging te vermijden door eerst het ICC te bespioneren, om vervolgens onderzoek te veinzen naar exact die gevallen die het ICC onderzocht, zodat het ICC gebonden zou blijven aan het complementariteitsbeginsel? Wat vindt u daarvan in het licht van het feit dat de hoofdaanklager van het ICC thans zegt dat Israël niet voldoet aan de voorwaardes van het complementariteitsbeginsel en verdachten afschermt («shield suspects») en louter de schijn van onafhankelijke en onpartijdige juridische processen ophoudt («sham»)?
Het ISH is een «court of last resort» dat slechts mag optreden als de bevoegde nationale autoriteiten de vermeende internationale misdrijven niet kunnen of niet willen onderzoeken en vervolgen. Deze complementariteit moet ambtshalve worden getoetst door de Aanklager en de rechters van het ISH en kan worden betwist door staten met rechtsmacht over de relevante internationale misdrijven die zelf ook onderzoek verrichten. In zijn persbericht van 20 mei heeft Aanklager Khan slechts in algemene zin gesteld dat het bij deze nationale onderzoeken wel moet gaan om onafhankelijke en onpartijdige gerechtelijke procedures en niet om schijnvertoningen die slechts tot doel hebben om verdachten af te schermen. Het is aan de organen van het Strafhof om te toetsen of daar sprake van is. De Nederlandse regering respecteert de onafhankelijkheid van de organen van het Strafhof en bemoeit zich daarom niet met deze inhoudelijke toetsing door het Hof.
Wat vindt u, in het licht van de voorgaande vraag, van Israëls staande beleid om alle onderzoeken naar internationale misdrijven nog steeds zelf uit te willen voeren? Heeft Nederland vertrouwen in de onafhankelijkheid van dergelijke officiële Israëlische onderzoeken? Zo ja, waarom?
Zoals in het antwoord op vraag 13 is aangegeven is het in eerste instantie aan de bevoegde nationale autoriteiten zelf, zoals Israël, om onderzoek te doen naar vermeende internationale misdrijven. Het kabinet gaat er in principe van uit dat de rechtsstaat Israël zo is ingericht dat onafhankelijk onderzoek wordt gefaciliteerd. Zoals hierboven aangegeven is het aan de Aanklager en rechters van het Strafhof – en niet aan de verdragspartijen bij het Statuut van Rome – om een oordeel te vellen over de vraag of aan het beginsel van complementariteit is voldaan.
Heeft u al contact gehad met de Verenigde Staten (VS) over het feit dat er zowel vanuit de republikeinse als de democratische partij, openlijk is gedreigd en druk uit is geoefend op het ICC? Zo ja, wat was de reactie van de VS? Zo nee, waarom heeft u daar nog geen contact over gehad?
Ja, hierover zijn contacten geweest. Een woordvoerder van het Witte Huis heeft eind mei aangegeven sancties tegen het ISH niet de juiste aanpak te vinden op de verzoeken om arrestatiebevelen.
Kan iemand in Nederland zonder consequenties een dreigement als «val Israël aan en wij zullen jou aanvallen» uiten richting het ICC? Zo nee, waarom niet en hoe zou Nederland hiertegen optreden vanuit de rol van het land dat primair belast is met de operationele bescherming van het ICC?
Dreigementen richting het Strafhof worden serieus genomen, zowel in strafrechtelijke zin als in het treffen van benodigde beveiligingsmaatregelen.
Zijn er ook diplomatieke gevolgen wanneer een dreigement van dien aard op internationaal niveau wordt geuit, zoals door prominente Amerikaanse senatoren die zeiden: «target Israel and we will target you»? Hoe staan de diplomatieke gevolgen volgens u in verhouding tot de nationale strafrechtelijke maatregelen die we zouden nemen? Treedt Nederland daar evenwichtig in op? Zo ja, waar blijkt dat evenwicht uit wanneer Amerikaanse senatoren dergelijke dreigingen doen, maar er vanuit Nederland alleen algemene oproepjes volgen dat het ICC zijn werk zonder druk moet kunnen doen? Of is er meer geweest dan dat? Zo ja, wat dan? Zo nee, waarom is het alleen bij oproepjes gebleven en worden de VS en deze senatoren nooit bij naam genoemd en veroordeeld? Waarom doet Nederland dat wel in andere gevallen?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Strafhof, zijn ambtsdragers en zijn personeel. Het is van belang dat de organen van het Strafhof hun mandaat onafhankelijk – en zonder bedreigingen en intimidaties – kunnen uitvoeren. Nederland heeft daarbij als gastland ook een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het zetelverdrag. Over concrete maatregelen worden om veiligheidsoverwegingen geen uitspraken gedaan.
Het Voorzitterschap van de Vergadering van verdragspartijen (Assembly of States Parties, ASP) heeft op 17 mei een verklaring gepubliceerd waarin wordt gereageerd op de recente gebeurtenissen en waarin wordt opgeroepen om de onafhankelijkheid van het Strafhof te respecteren. Op 14 juni is een verklaring uitgebracht door 93 verdragspartijen, waaronder Nederland, waarin zij hun steun voor het Strafhof herbevestigen en onderstrepen dat het Hof, zijn gekozen ambtsdragers en medewerkers hun werk zonder intimidatie moeten kunnen verrichten. Nederland onderzoekt op dit moment samen met gelijkgezinde verdragspartijen of in aanvulling op deze verklaring nog verdere gezamenlijke stappen wenselijk en gepast zijn.
Wat is de laatste keer dat u de Hague Invasion Act met de Amerikanen hebt besproken? Wat was de uitkomst van dat gesprek? Is het alleen bij oproepjes gebleven?
Nederland heeft in 2002 kritiek geuit op de aanname van de American Service-Members» Protection Act, beter bekend als de «The Hague Invasion Act». De regering heeft begin 2023 met de VS gesproken over de amendementen op deze wet die een bredere samenwerking tussen de VS en het Strafhof mogelijk maken ten behoeve van het onderzoek naar de situatie in Oekraïne.
Is Nederland voorbereid om het ICC te beschermen indien de Hague Invasion Act geactiveerd zou worden? Zo nee, waarom niet?
Voor het moment zijn nog slechts verzoeken om arrestatiebevelen ingediend en is een activering van de The Hague Invasion Act totaal niet aan de orde.
Is de penitentiaire inrichting in Scheveningen nog wel geschikt om verdachten van internationale misdrijven op te sluiten gezien de dreigingen die niet alleen van Rusland, maar ook vanuit Israël en de VS komen? Bent u bereid om daar samen met het ICC onderzoek naar te doen in het licht van deze nieuwe dreigingen?
Over de invulling van veiligheidsaspecten van de Penitentiaire Inrichting (PI) in Scheveningen in zijn algemeenheid worden in de openbaarheid nooit uitspraken gedaan. Indien de veiligheidssituatie in de PI veranderd, zijn wij bereid om met het Strafhof nader onderzoek te doen.
Heeft u de Israëlische en/of de Amerikaanse ambassadeur ter verantwoording op het matje geroepen? Zo nee, vond u deze feiten daar niet ernstig genoeg voor?
De Israëlische ambassadeur is verzocht zich te melden op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de aantijgingen in de artikelen in The Guardian en +972 Magazine. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden, waarbij de Nederlandse zorgen over de berichtgeving zijn overgebracht.
Het artikel 'Schuldhulpverlening ziet fors meer bedrijven met geldzorgen' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Micky Adriaansens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schuldhulpverlening ziet fors meer bedrijven met geldzorgen»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat steeds meer kleine ondernemers (met name eenmanszaken) schuldhulpverlening aanvragen?
Ja, ik ben bekend met de toename van het aantal kleine ondernemers, met name eenmanszaken, die schuldhulpverlening aanvragen. Dit is een ontwikkeling die mijn aandacht heeft.
Herkent u het probleem dat stijgende kosten zoals personeelskosten, huur en energie tot betalingsproblemen leidt?
Ja, ik herken dit probleem. Stijgende kosten voor personeel, huur en energie kunnen aanzienlijk bijdragen aan de betalingsproblemen die ondernemers ervaren. Deze kostenstijgingen kunnen de financiële draagkracht van bedrijven, vooral kleine bedrijven en eenmanszaken, onder druk zetten.
In september 2023 verscheen het rapport Activeren en faciliteren van de aanjager aanpak problematische schulden ondernemers. Bij een aantal van deze adviezen is een pilot gestart zoals bij het waarborgfonds saneringskredieten en de Wet schuldsanering natuurlijke personen(Wsnp). Is het mogelijk aan de hand van tussentijdse evaluaties conclusies te verbinden en stappen te nemen?
Ja, het is mogelijk om aan de hand van tussentijdse evaluaties conclusies te trekken en passende stappen te ondernemen.
De pilot Saneringskredieten voor ondernemers, uitgevoerd door het Waarborgfonds Saneringskredieten en de NVVK, loopt goed. Monitoring vindt ook in de komende periode nog plaats op risico’s en effectiviteit. De eerste resultaten laten zien dat het een waardevolle aanvulling lijkt op het instrumentarium van de schuldhulpverlener. De NVVK geeft aan dat voor de ondernemer, de schuldhulpverlener en de schuldeiser de kredietvorm rust en duidelijkheid biedt.
De voortgang van de pilots wordt nauwlettend gevolgd en tussentijdse evaluaties zullen inzicht geven in de effectiviteit van de maatregelen. Zodra die beschikbaar zijn zullen we die naar de Kamer sturen. Indien nodig kunnen op basis van deze evaluaties verdere stappen worden ondernomen om de schuldhulpverlening aan ondernemers te verbeteren.
Wat is de stand van zaken van het toegangspunt dat het rapport adviseert?
De ontwikkeling van het toegangspunt zoals geadviseerd in het rapport is in volle gang. Er wordt gewerkt aan een centraal punt waar ondernemers terecht kunnen voor ondersteuning en informatie over schuldhulpverlening. Dit toegangspunt moet bijdragen aan een efficiëntere en toegankelijkere dienstverlening voor ondernemers met financiële problemen.
Daarnaast ben ik momenteel volop bezig met de Actieagenda MKB-dienstverlening die tot doel heeft om de komende jaren een vraag gestuurd stelsel van publieke dienstverlening te creëren dat ondernemers beter bereikt, activeert en ondersteunt bij het toekomstbestendig maken en behouden van hun bedrijf. Ik zal de Kamer in Q1 2025 middels een Kamerbrief verder informeren hierover.
Zou het, ondanks uw negatieve appreciatie van het advies uit het rapport om een voucherregeling om ondernemers in staat te stellen hun boekhouding op orde te krijgen, toch beter zijn deze regeling te maken zodat deze ondernemers in staat zijn hun boekhouding bij te laten werken? Zo nee, waarom niet?
Hoewel het advies voor een voucherregeling voor het bijwerken van de boekhouding van ondernemers begrijpelijk is, blijft mijn standpunt negatief. Het belang van bijgewerkte administratie staat niet ter discussie. Op basis hiervan wordt immers de levensvatbaarheid van een onderneming vastgesteld. Echter, het bijhouden van een goede administratie is in beginsel een ondernemersverantwoordelijkheid, daar heeft de overheid geen rol in. Voorts ligt het probleem van financiële administratie vaak dieper dan enkel een tijdelijk gebrek aan middelen om de boekhouding bij te werken. Daarnaast voorziet de markt voldoende in informatie en scholing over dit onderwerp. Het is belangrijk om structurele oplossingen te bieden die ondernemers helpen bij het duurzaam verbeteren van hun financiële management, bijvoorbeeld door educatie en langdurige ondersteuning in plaats van eenmalige vouchers.
Wat is de stand van zaken van een verbeterde publieke dienstverlening aan het midden- en kleinbedrijf? Hoe zouden andere gemeentes het goed lopende initatief Ondernemer Centraal uit Utrecht kunnen volgen om tot een goed ecosysteem te komen?
Gemeentes doen meer op het gebied van schuldhulpverlening en betalingsachterstanden dan vaak bekend is bij ondernemers. De ondernemersdienstverlening richt zich zowel op preventie als op actieve ondersteuning en begeleiding bij financiële moeilijkheden, zowel op persoonlijk als op zakelijk vlak. Ondernemers kunnen bij hun gemeente terecht voor tijdelijke inkomenssteun, het herfinancieren van schulden of investeringen via het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz), of een minnelijk schuldhulpverleningstraject.
De verbetering van de publieke dienstverlening aan het midden- en kleinbedrijf (mkb) is een doorlopend proces. Er zijn verschillende initiatieven en projecten gestart om de ondersteuning van het mkb te versterken. Gemeentes kunnen succesvolle initiatieven zoals Ondernemer Centraal uit Utrecht volgen door kennis en best practices te delen, samen te werken met lokale ondernemersorganisaties en specifieke behoeften van lokale ondernemers te inventariseren. Door een op maat gemaakte benadering kunnen gemeentes bijdragen aan een gezond en ondersteunend ecosysteem voor ondernemers. De VNG ondersteunt gemeentes hierbij via diverse ondersteuningsproducten, zoals een Handreiking Ondernemers met financiële zorgen en een toolkit communicatie met ondernemers in zwaar weer (samen ontwikkeld met de KVK, het Digitaal Ondernemersplein en de Belastingdienst).
Daarnaast is het de doelstelling van de actieagenda mkb-dienstverlening om de dienstverlening aan ondernemers te verbeteren door deze logischer te ordenen en makkelijker vindbaar te maken. Hierin werken we intensief samen met onder andere gemeentes.
Tot slot hebben het kabinet, de VNG, de NVVK en Divosa op 21 maart 2024 hun handtekening gezet onder een gezamenlijk plan om de schuldhulpverlening in Nederland nog verder te versterken. Onder de basisdienstverlening schuldhulpverlening2 valt onder andere een hulpaanbod dat toegespitst is op verschillende doelgroepen, waaronder ondernemers.3
Het bericht ‘Faillissement dreigt nu ook voor zorg-bv huisartsenketen Co-Med’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Faillissement dreigt nu ook voor zorg-bv huisartsenketen Co-Med» en wat is uw reactie op het mogelijk aanstaande faillissement van Co-Med?1
Ik heb het bericht gelezen en wil allereerst nogmaals benadrukken dat ik geschrokken ben van de signalen over de situaties die zijn ontstaan bij Co-Med praktijken. Deze situatie is onaanvaardbaar. Patiënten moeten erop kunnen rekenen dat ze bij een goede huisarts terecht kunnen. Ik vind het zeer kwalijk dat de zorg bij een aantal locaties van Co-Med niet op orde is.
Op 20 juni 2024 hebben de vier grote zorgverzekeraars hun overeenkomst met Co-Med opgeschort. Dinsdag 25 juni jl. hebben de zorgverzekeraars aangegeven de contracten met Co-Med te gaan beëindigen. Zorgverzekeraars concluderen dat Co-Med de continuïteit van goede zorg niet kan garanderen. Daarom bieden zij een alternatieve oplossing voor patiënten die ingeschreven staan bij een huisartsenpraktijk van Co-Med. De zorgverzekeraars adviseren hun verzekerden om hier per direct gebruik van te maken.
Alle patiënten van Co-Med, ongeacht wie hun zorgverzekeraar is, kunnen via www.cz.nl/co-med per praktijk zien wat het alternatieve aanbod is. Alle patiënten van Co-Med zijn vorig week ook schriftelijk op de hoogte gebracht en geadviseerd gebruik te maken van het alternatieve aanbod.
Het nu beschikbare alternatieve aanbod is een tijdelijke oplossing. Per praktijk liggen ook plannen klaar voor een structurele oplossing. Wanneer de structurele oplossing van kracht kan gaan is afhankelijk van hoe de situatie rondom Co-Med zich ontwikkelt.
Zorgverzekeraars hebben mij laten weten ook het alternatieve aanbod dagelijks te controleren op de gestelde kwaliteitseisen, zoals bereikbaarheid en beschikbaarheid van (huis)artsen voor de patiënten.
Ik word al enige tijd regelmatig schriftelijk op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen rondom Co-Med. Sinds 17 juni 2024 heb ik dagelijks contact met de NZa en de IGJ om een update te krijgen over de situatie.
De NZa en de IGJ hebben aangegeven de situatie bij Co-Med zeer nauwlettend te volgen. De IGJ heeft daarbij aandacht voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg en de NZa voor kwaliteit van bedrijfsvoering en continuïteit van zorg. De IGJ en NZa wijzen op alternatieven die de zorgverzekeraar aanbiedt.
Herkent u het beeld dat zowel patiënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars schetsen over het onder druk staan van de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg bij bedrijfsketens in de zorg in het algemeen en bij Co-Med in het bijzonder?
Op 4 maart 2024 heb ik uw Kamer het rapport «Opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg» van de NZa en de IGJ toegestuurd2. In het rapport geven de IGJ en de NZa aan dat bedrijfsketens een bijdrage kunnen leveren aan de toekomstbestendigheid van de huisartsenzorg in een veranderend zorglandschap. Zo kunnen grote bedrijfsketens bedrijfsprocessen efficiënter inrichten, waardoor de huisarts kan worden ontzorgd. Denk hierbij aan zaken zoals huisvesting, personeels- en financiële administratie en contracten met zorgverzekeraars.
De NZa en de IGJ ontvangen echter ook meldingen en signalen van patiënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars over bedrijfsketens in de huisartsenzorg. Uit hun reguliere onderzoek naar deze meldingen blijkt dat de kwaliteit en toegankelijkheid van de huisartsenzorg bij een deel van deze bedrijfsketens niet altijd voldoende geborgd is.
Op 18 april 2024 heb ik samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) uw Kamer onze reactie op het bovengenoemde rapport toegestuurd en toegelicht hoe het vervolgproces wordt vormgegeven3. Ik vind dat kwaliteit en toegankelijkheid van zorg bij het leveren van zorg voorop moeten staan. Zorgaanbieders moeten altijd voldoen aan de eisen van kwaliteit en toegankelijkheid, zoals die ook zijn vastgesteld in wet- en regelgeving. Dat geldt ook voor de bedrijfsketens in de huisartsenzorg. De IGJ en NZa zien hierop toe en handhaven waar nodig, zoals ook al gebeurd is de afgelopen periode. Uit het verkennend onderzoek van de toezichthouders komt een aantal knelpunten naar voren met betrekking tot het reguliere toezicht op deze ketens. De IGJ en NZa doen diverse aanbevelingen om hun toezicht op deze ketens te verbeteren. In de brief van 18 april 2024 wordt aangegeven wat de vervolgstappen zijn die ik ga nemen in het licht van de aanbevelingen van de IGJ en NZa.
Specifiek wat betreft Co-Med geldt volgens de IGJ dat de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van de zorg in meerdere huisartsenpraktijken structureel niet goed geregeld is. Om die reden heeft de IGJ Co-Med een aanwijzing gegeven. De rechter heeft op 17 april 2024 geoordeeld dat de zakelijke weergave van de aanwijzing openbaar gemaakt kan worden. De aanwijzing is per 9 februari 2024 ingegaan en loopt een half jaar.
Co-Med moet tijdens de looptijd van deze aanwijzing onder andere gegevens aanleveren waaruit blijkt dat de continuïteit van de (spoedeisende) huisartsenzorg tijdens praktijkuren is geregeld. Uit inspectieonderzoek blijkt dat Co-Med nog steeds in strijd handelt met de aanwijzing genoemde LHV-Richtlijnen voor de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de huisartsenzorg en daarmee in strijd met artikel 2 en 3 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Om te bewerkstelligen dat alsnog wordt voldaan aan de aanwijzing heeft de
inspectie Co-Med op 18 juni 2024 een last onder dwangsom opgelegd. Op dit moment bekijkt de IGJ nog wat de beëindiging van het contract door de verzekeraars betekent voor de opvolging van het besluit van 18 juni 2024 om een last onder dwangsom op te leggen.
Deelt u de mening dat korte termijn winstbejag en kwaliteit en toegankelijkheid van zorg op gespannen voet met elkaar staan?
Ik deel de mening dat financiële belangen (zowel op de korte als op de lange termijn) nooit voor de maatschappelijke belangen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid mogen gaan. Daarbij kunnen deze verschillende belangen met elkaar schuren, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Het onderzoeksrapport van EY naar private equity in de zorg laat bijvoorbeeld zien dat er op basis
van de beschikbare data geen aanwijzingen zijn dat door private equity gefinancierde zorgaanbieders slechter presteren dan andere zorgaanbieders op het gebied van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid4.
Is er bij het bedrijf Co-Med sprake van «Too big to fail»? Oftewel: staat de toegankelijkheid van zorg voor een hele regio onder druk te staan als het failliet gaat?
Co-Med is een grote zorgaanbieder van huisartsenzorg, maar ook al omdat de zorg zich niet concentreert in één regio en verspreid is over het land, deel ik de stelling «too big to fail» in deze niet.
Kunt u in kaart brengen wat het eventuele gevreesde faillissement van Co-Med concreet betekent voor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van zorg voor de 50.000 patiënten? Hoeveel patiënten zijn er dan per huisarts? Is de norm van 2095 patiënten en per huisarts nog realistisch haalbaar?
Het huidige continuïteitsbeleid – dat is aangescherpt na de faillissementen van het MC Slotervaart en het MC IJsselmeerziekenhuizen – houdt in dat zorgaanbieders, zorgverzekeraars en de toezichthouders IGJ en NZa als eersten aan zet zijn bij mogelijke continuïteitsrisico’s. Centrale regie is in het uiterste geval noodzakelijk wanneer het betrokken partijen zelf niet lukt om een goede oplossing te vinden en financiële problemen, naar oordeel van de NZa en IGJ, leiden tot een onbeheersbare situatie met risico’s voor de patiëntveiligheid tot gevolg.
Het Ministerie van VWS zal in dat geval alle betrokken partijen bij elkaar roepen en aanspreken op hun verantwoordelijkheden5.
Zoals nader uiteengezet in mijn antwoord op vraag 1 stellen de vier grote zorgverzekeraars en de toezichthouders IGJ en NZa in de huidige situatie bij Co-Med alles in het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. Ik word al enige tijd regelmatig schriftelijk op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen rondom Co-Med. Sinds 17 juni 2024 heb ik dagelijks contact met de NZa en de IGJ om een update te krijgen over de situatie. De verzekeraars hebben maatregelen genomen om de continuïteit van de huisartsenzorg voor de patiënten van Co-Med te realiseren.
De praktijken van Co-Med verschillen in grootte. Ik heb geen zicht op het aantal patiënten per huisarts. Het aantal van 2095 patiënten per fulltime huisarts is overigens geen norm, maar een praktijkgrootte die de NZa hanteert bij het vaststellen van de tarieven voor de huisartsenzorg. Het staat praktijkhouders vrij om meer of minder patiënten in te schrijven.
Hoe gaat u het faillissement van een bedrijf waar de huisartsenzorg van 50.000 patiënten is ondergebracht opvangen? Hoe blijft een huisarts toegankelijk voor deze 50.000 patiënten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u in kaart brengen in hoeverre de commercialisering van de huisartsenzorg heeft bijgedragen aan het nijpende huisartsentekort in Enschede, ook gezien het feit dat Co-Med Enschede voor 8800 patiënten slechts twee huisartsen ter beschikking heeft?
Ik beschik niet over informatie om in kaart te kunnen brengen in hoeverre de commercialisering van de huisartsenzorg bijdraagt aan een huisartsentekort in Enschede. Daarbij zou overigens ook commercialisering wel nader gedefinieerd moeten worden. Wel is mij bekend dat de regionale huisartsenorganisatie SHT-THOON, met hulp en steun van alle huisartsen in Twente, op 10 juni 2024 een nieuwe huisartsenpraktijk heeft geopend voor mensen zonder huisarts6.
Overigens is elke zorgaanbieder in Nederland, ongeacht de achtergrond of financieringswijze, verplicht kwalitatief goede zorg te verlenen. Dit geldt ook voor aanbieders van huisartsenzorg. Zij moeten voldoen aan dezelfde randvoorwaarden en kwaliteitskaders zoals die zijn vastgelegd in wet- en regelgeving en in de veldnormen opgesteld door de beroepsgroep. Binnen deze kaders hebben aanbieders van huisartsenzorg veel vrijheid om de (organisatie)vorm waarin de zorg wordt geleverd, zelf in te vullen. Hierbij is het niet voorgeschreven hoeveel patiënten er per huisarts mogen zijn. Wel kunnen er risico’s optreden, bijvoorbeeld wanneer het realiseren van winst belangrijker wordt dan de kwaliteit van zorg.
Co-Med voldeed niet aan de gestelde eisen en daarom heeft de toezichthouder IGJ handhavend opgetreden. Voor goede kwaliteit en toegankelijkheid van huisartsenzorg vind ik het van groot belang dat er goede invulling wordt gegeven aan de kernwaarden van huisartsenzorg. De IGJ en de NZa besteden specifiek aandacht aan de kernwaarden «continuïteit» en «persoonsgerichtheid» in hun rapport «Opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg»7. Zij doen voor het toezicht van de IGJ de aanbeveling aan de beroepsgroep en patiëntvertegenwoordigers om deze kernwaarden voor de huisartsenzorg te vertalen naar uitgangspunten en – waar mogelijk – normen. Door huisartsenzorg te leveren volgens deze kernwaarden, kunnen we in de toekomst situaties voorkomen waarbij de toegankelijkheid in het geding komt. Om die reden ga ik, samen met het veld, op basis van de aanbeveling van de IGJ en NZa in gesprek om deze kernwaarden te concretiseren en waar mogelijk te vertalen in normen.
Vindt u het wenselijk dat er meer bevoegdheden komen om overnames in de zorg tegen te houden als de kwaliteit de kwaliteit van zorg in het geding is, de prijzen te veel stijgen of er te veel marktmacht ontstaat, zodat de ontstane situatie bij Co-Med in de toekomst kan worden voorkomen?
Naar mijn mening speelt toetsing van concentraties (zoals een fusie of overname) een belangrijke rol bij een tijdige signalering van risico’s voor individuele zorgverlening. Een dergelijke toetsing draagt bij aan het voorkomen van problemen op het gebied van bijvoorbeeld continuïteit en kwaliteit van zorg. De huidige toetsing van concentraties, zoals belegd bij de NZa in de vorm van de Zorgspecifieke fusietoets, biedt echter zeer beperkt de mogelijkheid om evident onwenselijke concentraties op inhoudelijke gronden tegen te houden. Het is daarom wenselijk om de gronden uit te breiden op basis waarvan de NZa zich kan onthouden van goedkeuring aan een concentratie. Daarbij denkt het kabinet aan een (ruimere) toets op continuïteit van zorg, kwaliteit van zorg en onrechtmatig gedrag met betrekking tot de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Recent heeft de Minister van VWS een brief aan uw Kamer verzonden waarin uitgebreid wordt toegelicht hoe het kabinet dit wenst vorm te geven8.
Israëlische spionage- en intimidatiecampagne tegen het Internationaal Strafhof |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Revealed: Israeli spy chief «threatened» ICC prosecutor over war crimes inquiry» en «Spying, hacking and intimidation: Israel’s nine-year «war» on the ICC exposed» van The Guardian i.s.m. de Israëlische media +972 Magazine en Local Call, d.d. 28 mei 2024?1 2
Herkent u het beeld, op basis van informatie bekend bij uw ministeries en de Nederlandse inlichtingendiensten, dat Israël al jaren een spionage- en intimidatiecampagne voert tegen het Internationaal Strafhof en getuigen bij onderzoek naar oorlogsmisdaden begaan op Palestijns grondgebied? Zo nee, wat herkent u niet?
Hoe gaat Nederland als gastheer van het Internationaal Strafhof (ICC) bevorderen en waarborgen dat aanklager Khan en de rechters van het Hof, die zich momenteel buigen over de arrestatiebevelen tegen drie Hamas-kopstukken en de Israëlische premier Netanyahu en Minister van Defensie Gallant, onafhankelijk hun werk kunnen (blijven) doen, nu er bericht wordt dat Israël de afgelopen maanden ook volop bezig is geweest met het belemmeren van het ICC en intimidatie van aanklager Khan?
Gezien de nieuwsberichten waarin wordt gerefereerd aan een melding bij de Nederlandse autoriteiten door aanklager Bensouda nadat zij bij haar huis in Den Haag is opgezocht door twee mannen die vermoedelijk voor de Israëlische inlichtingendienst werken, hoeveel meldingen van pogingen tot intimidatie, omkoping, chantage en/of spionage door Israël of andere landen hebben de Nederlandse inlichtingendiensten dan wel politie ontvangen van het ICC, haar medewerkers, of (Palestijnse) ngo's en individuen die informatie aanleveren aan het ICC sinds 2015?
Is er op enig moment door Nederland een onderzoek ingesteld naar (vermeende) spionage- en intimidatieactiviteiten tegen het ICC? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat Nederland als gastheer van het ICC een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor de bescherming van de medewerkers van het ICC en personen die (willen) getuigen over oorlogsmisdaden? Zo ja, op welke manier draagt Nederland concreet bij aan deze bescherming?
Deelt u de mening dat de praktijken zoals beschreven in The Guardian onacceptabel zijn en een ernstige inbreuk vormen van art. 70 van het Statuut van Rome, waarin de onafhankelijke werking van het Hof gegarandeerd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u naar de observatie dat Israël, op basis van via spionage verkregen getuigenissen bij het ICC, retroactief juridische onderzoeken start naar vermeende oorlogsmisdaden, zodat het ICC niet langer jurisdictie heeft om deze incidenten te betrekken bij haar onderzoek? Deelt u de mening dat dergelijke door Israël gestarte onderzoeken beogen om de onafhankelijke waarheidsvinding door het ICC en juridische aansprakelijkheid voor begane misdaden te ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u naar de beschuldigen van het hacken en aftappen van de aanklager en de medewerkers van het ICC door Israël in het licht van de eerder geuite waarschuwingen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid over de «afhankelijkheid van buitenlandse apparatuur», vanwege het risico op zogenaamde «backdoors» in de Nederlandse infrastructuur? Kunt u garanderen dat deze risico’s zijn afgedekt? Zo ja, op welke manier?
Beschikt u over informatie dat mensen bang zijn om bij het ICC te getuigen ten aanzien van Israëlische oorlogsmisdaden? Wat kan en gaat Nederland als gastheer van het ICC doen om getuigen in de uitoefening van hun recht om te getuigen te beschermen?
Hoe kijkt u nu terug op het besluit van de Israëlische regering Netanyahu om in oktober 2021 zes Palestijnse mensenrechten ngo's, waaronder Al-Haq, die zich bezighouden met de monitoring en rapportage van Israëlische misdaden in bezet Palestijns gebied, als «terreurorganisaties» te bestempelen?
Hoe kijkt u in het licht van de alarmerende bevindingen van The Guardian naar de aantijgingen van Israël tegen UNRWA, die Israël ook heeft geuit zonder tot op heden serieus en betrouwbaar bewijs te presenteren?
Gaat u naar aanleiding van de bevindingen van The Guardian in overleg met het Internationaal Strafhof om als gastland de onafhankelijkheid en het functioneren van het Hof en de veiligheid van zijn medewerkers te waarborgen en bevorderen?
Gaat u de Israëlische ambassadeur ontbieden, om opheldering vragen en signaleren dat spionage- en intimidatiecampagnes op Nederlands grondgebied volkomen onacceptabel zijn?
Heeft u aanwijzingen dat medewerkers van de Israëlische ambassade betrokken zijn bij spionage- en intimidatiecampagnes tegen het ICC? Zo ja, bent u bereid hen het land uit te zetten? Zo nee, kunt u uitleggen hoe de intimidatie van het ICC in ernst verschilt van de poging in 2018 van Rusland om het kantoor van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) in Den Haag te hacken?
Welke andere vervolgacties bent u op basis van de alarmerende bevindingen van The Guardian bereid te nemen en op welke termijn?
Kunt u de vragen elk afzonderlijk beantwoorden binnen twee weken?
Het artikel ‘Onderzoek onthult: ziekenhuizen missen menselijke prestaties als oorzaak medische fouten’ |
|
René Claassen (PVV) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Zorgvisie «Onderzoek onthult: ziekenhuizen missen menselijke prestaties als oorzaak medische fouten»?1
Ja.
Deelt u de mening dat bij analyses naar medische fouten gemaakt voor, tijdens en na de operatie de verschillen in «menselijke prestaties» meegewogen zouden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is al geruime tijd bekend met het feit dat menselijke factoren een rol kunnen spelen bij calamiteiten. De IGJ stelt zich op het standpunt dat het cruciaal is om verdiepende vragen te stellen over de context waarbinnen deze mensen handelen en zo de gebeurtenis te doorgronden. Op die manier zou voor het voetlicht moeten komen welke organisatorische en psychische factoren een rol gespeeld hebben bij de gebeurtenis. Dit kan op vele manieren. De IGJ stuurt daarbij aan op een open en lerende cultuur bij de zorgaanbieders (conform andere sectoren) en gebruikt meerdere strategieën om zorgaanbieders hierin te stimuleren. Veel zorgaanbieders maken steeds vaker gebruik van de FRAM-methodiek2 bij hun calamiteitenonderzoek. Het toezicht van de IGJ volgt deze beweging en de afgelopen jaren is de focus van inspectie verschoven naar wat er nu daadwerkelijk van een gebeurtenis geleerd is. Voor meer informatie verwijs ik naar het verslag van een webinar «Verbeteren in vizier»3 en «Incidententoezicht: nadruk op leren en verbeteren4».
Deelt u de mening dat er daardoor dus ook weinig verbetermaatregelen op dat gebied van menselijke prestaties zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee die mening deel ik niet.
Zoals bij vraag 2 beschreven is de context waarin het menselijk handelen heeft plaatsgevonden belangrijk. De IGJ ziet door haar manier van werken bewustwording in de ziekenhuizen. Daarnaast blijkt uit de ronde langs de ziekenhuizen dat uiteindelijk veel meer is ondernomen om herhaling van een calamiteit te voorkomen. Wel lijkt er nog ruimte voor verbetering te zijn door na verloop van tijd de effectiviteit van de genomen maatregelen in kaart te brengen en daarop te reflecteren. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder(s) om ervoor te zorgen dat de zakelijke inhoud van de rapportage met de betrokken burgers wordt gedeeld. De richtlijn calamiteiten rapportage en bestuurlijke reactie is geen in te vullen format maar een handleiding waarin de inspectie de aspecten benoemt die aan de orde moeten komen. Ik hecht er hier nog aan om op te merken dat zorgaanbieders zelf eindverantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de zorg en daarom wettelijk verplicht zijn calamiteiten te melden bij de inspectie. Bij deze verantwoordelijkheid past ook het continu verbeteren van de zorg. Hoeveel voorzorgsmaatregelen een zorgaanbieder ook neemt, calamiteiten zijn niet altijd te voorkomen. Zorg is immers mensenwerk. Belangrijk is dat een zorgaanbieder van een calamiteit leert. Van een zorgaanbieder wordt verwacht dat er zorggedragen wordt voor een open werkklimaat, waarin van fouten geleerd wordt en waarin men elkaar aanspreekt en waar ook verbetermaatregelen op het gebied van menselijke prestaties worden meegenomen.
Deelt u de mening dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) geen genoegen zou moeten nemen met het niet beoordelen van prestaties door persoonlijke of organisatiefactoren in hun onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om de IGJ te bewegen deze factoren wel mee te laten wegen in hun onderzoeken?
Zoals uit vraag 2 blijkt heeft de IGJ al aangegeven dat zij reeds langere tijd al voortschrijdend inzicht heeft.
Deelt u de mening dat de IGJ erop toe zou moeten zien dat verbetermaatregelen altijd moeten leiden tot kwalitatief betere zorg en daarom niet akkoord moet gaan met vage, niet meetbare verbetervoorstellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u dan nemen zodat de IGJ deze vage verbetermaatregelen niet meer accepteert?
De IGJ vraagt om SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden) verbetermaatregelen en toetst deze tijdens eerder beschreven gesprekken.
Kunt u uitleggen waarom binnen risicosectoren zoals de luchtvaart en de olie- en gasindustrieën, bij de analyses na calamiteiten de verschillen in prestaties door persoonlijke of organisatiefactoren zoals moeheid en het werkproces wel meewegen, maar dat dit in de zorgsector niet het geval is? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het inzicht in het belang van een open en lerende cultuur heeft de veiligheid in de luchtvaart verbeterd. Op dit punt kan de zorgsector leren van de luchtvaart en de olie en gasindustrie. Veiligheid is ook voor zorgverleners en zorgbestuurders een belangrijk punt: zij willen namelijk heel graag veilige en passende zorg leveren aan hun patiënten. Want, zoals we weten, is de impact van calamiteiten voor patiënten en nabestaanden groot en is de impact die een (bijna) incident of calamiteit heeft op een zorgverlener eveneens groot. Ook zorgverleners verdienen na ingrijpende gebeurtenis peer support. Daarom werken ziekenhuizen, maar ook de IGJ, hard aan het creëren van een open cultuur waarin openlijk spreken over incidenten (waaronder ook bijv. moeheid en of persoonlijke en of organisatiefactoren) gaat behoren tot het normale gedragspatroon. Alleen op deze manier kan geleerd worden van incidenten en calamiteiten.
Over de tijd (2007, 2012 en 2020) monitort het Nivel de patiëntveiligheidscultuur in de Nederlandse ziekenhuizen5. Hieruit blijkt dat deze cultuur zich in de afgelopen jaren ziekenhuizen heeft ontwikkeld van een bureaucratische cultuur richting een meer proactieve veiligheidscultuur.
In de afgelopen jaren heeft ook het perspectief van Safety II in de zorg een vlucht genomen. Hierbij past ook de ontwikkeling van een open cultuur en psychologische veiligheid om praktijksituaties – waaronder calamiteiten – vanuit een brede benadering bespreekbaar te maken. Daarnaast krijgt ook het persoonlijk welzijn van de arts en het effect hiervan op klinische prestaties aandacht in de opleiding tot medisch specialist en wordt hier ook onderzoek naar gedaan. Bij het Amsterdam UMC kunnen artsen in opleiding de cursus «Fit to perform» volgen waarbij de relatie tussen persoonlijke vitaliteit en professionele prestaties centraal staat6.
Bent u alsnog bereid prestatievariabiliteit in analyses na calamiteiten in de zorg mee te nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit dan voor elkaar krijgen?
Ik deel uw mening dat de prestatievariabiliteit een belangrijk punt is. In de aanpak van het landelijke programma Tijd voor Verbinding7, welke gefinancierd wordt vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, speelt de human factor kant ten aanzien van patiëntveiligheid een grote rol. Daarnaast loopt er bij ZonMw een programma rondom Safety II8. Dit programma, waarbij 23 projecten zijn gefinancierd via ZonMw, bevindt zich in een afrondende fase. Het gedachtegoed van Safety II heeft als uitgangspunt de menselijke prestaties. Juist omdat het mensenwerk is gaat het zo vaak goed in de zorg, is de gedachte. (Ervaren) professionals zijn namelijk in staat om verantwoord af te wijken de voorgeschreven werkwijze in protocollen als de individuele situatie daar om vraagt. Safety II gaat daarbij uit van een positieve benadering: analiseer waarom het zo vaak goed gaat in complexe situaties en leer daarvan met elkaar. Human factors spelen daarin een grote rol. Safety II maakt dus een omgekeerde analyse dan in het artikel genoemd: juist doordat goede zorgverlening mensenwerk is met bijbehorende prestatievariabiliteit worden fouten voorkómen en gaat het zo vaak toch goed in complexe situaties.
Het artikel 'BKR brengt vele duizenden mensen in problemen door ze onterecht te registreren als wanbetaler' |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Carola Schouten (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «BKR brengt vele duizenden mensen in problemen door ze onterecht te registreren als wanbetaler»?1
Ja.
Wat is de juridische status van een registratie in het Bureau Krediet Registratie (BKR)-register? Wat zijn de praktische consequenties van een registratie in het BKR-register? Heeft een registratie negatieve gevolgen in de relatie tussen burger en overheid?
Kredietverstrekkers zijn wettelijk verplicht om bij het aangaan van een nieuw krediet informatie in te winnen over de financiële positie van de consument. Daarmee kan worden beoordeeld of het verantwoord is om het krediet te verstrekken. Zo wordt overkreditering voorkomen. Dit zorgt ervoor dat burgers minder snel in de financiële problemen komen. Als het gaat om een krediet van meer dan € 250 dan zijn de kredietverstrekkers verplicht om, als onderdeel van deze krediettoets, een stelsel van kredietregistratie te raadplegen. In de praktijk is er één stelsel van kredietregistratie in Nederland, namelijk het BKR.
Er zijn twee type registraties in het BKR-register. Er is sprake van een «positieve registratie» bij het BKR op het moment dat een krediet wordt afgesloten. Op het moment dat er een betalingsachterstand van minimaal twee maanden aaneengesloten ontstaat, wordt er daarnaast een «negatieve registratie» opgenomen in het register. De kredietverstrekker heeft de verplichting om de burger altijd schriftelijk en tijdig te waarschuwen dat een voortdurende betalingsachterstand in het kredietregister zal worden gemeld. De burger heeft dan nog de gelegenheid om de negatieve registratie te voorkomen. Kredietverstrekkers nemen beide soorten registraties mee bij hun besluit om een nieuw krediet te verstrekken. Positieve registraties geven informatie over bestaande betalingsverplichtingen waardoor de consument minder financiële ruimte heeft om een nieuw krediet aan te gaan. Een negatieve registratie duidt op betalingsachterstanden, waardoor het onverantwoord kan zijn om op dat moment een additioneel krediet te verstrekken. Een positieve registratie zonder gekoppelde negatieve registratie is een indicatie dat de consument blijkbaar voldoende in staat is om krediet af te sluiten zonder dat er problemen ontstaan. Ook dit is relevante informatie voor de kredietverstrekker bij de beoordeling van een kredietaanvraag.
De registratie bij het BKR betreft slechts (een deel van de) informatie die de kredietverstrekkers mee moeten nemen in hun krediettoets. Het is aan de kredietverstrekkers om de informatie uit het BKR-register te interpreteren en te wegen. De registratie heeft op geen enkele wijze bindende werking en heeft in dat opzicht dan ook geen aparte juridische status. Het staat kredietverstrekkers bijvoorbeeld vrij om een nieuw krediet te verstrekken ondanks een negatieve BKR-registratie, natuurlijk alleen als zij van mening zijn dat dit verantwoord is gelet op de financiële positie van de aanvrager.
Een bijzondere juridische status die wel wordt toegekend aan de informatie uit het BKR-register, is dat het een verwerking van persoonsgegevens betreft in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De diverse vereisten en voorschriften uit de AVG zijn dus van toepassing op een registratie.
Een BKR-registratie heeft geen negatieve gevolgen in de relatie tussen burger en overheid want de overheid raadpleegt het register niet en gebruikt de informatie dus niet in haar omgang met burgers.
Houdt de overheid toezicht op het BKR? Zo ja, hoe?
Het register wordt nu beheerd door de private stichting BKR zonder dat over het beheer en toezicht daarop wettelijk iets is geregeld. Wel houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op het BKR, zoals zij toezicht houdt op alle organisaties die persoonsgegevens verwerken.
Er wordt gewerkt aan de nieuwe Wet stelsel kredietregistratie. Het betreffende artikel in het AD refereert hier ook aan. Met deze wet wordt het beheer van het stelsel van kredietregistratie een wettelijke taak, die vervolgens wordt toegewezen aan het BKR als uitvoerder van deze taak. Hiermee wordt het mogelijk om wettelijke waarborgen te stellen over belangrijke aspecten van het register. Dit ziet onder meer op de termijn dat gegevens in het register zijn opgenomen, de mogelijkheid om een verzoek in te dienen om de registratie te verwijderen, de toegang tot de gegevens en eisen aan de beheerder van het register.
Recent heeft de Autoriteit Persoonsgegevens haar advies gepubliceerd over dit wetsvoorstel. Dit is een standaard onderdeel van een wetgevingstraject als de nieuwe wet mede betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens. Op dit moment wordt het advies bestudeerd om te bekijken of het wetsvoorstel aanpassing behoeft.
Bent u van mening dat mensen toegankelijk inzicht moeten kunnen krijgen in hun BKR-registratie en dat het bij kleine schulden eenvoudig moet zijn om een negatieve registratie te laten verwijderen?
Ik vind het belangrijk dat burgers online op een simpele wijze inzicht kunnen krijgen in hun BKR-registratie. Dit is nu al mogelijk via de website van het BKR.2
Het is goed voor te stellen dat iemand last kan hebben van de registratie van een reeds afgeloste schuld. Het is aan de kredietverstrekkers en het BKR om te oordelen over het verwijderen van registraties. Zij zijn hiertoe verplicht op grond van artikel 21AVG. Daarin is vastgelegd dat een betrokkene te allen tijde het recht heeft om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens. De kredietverstrekker of het BKR moet de verwerking van de persoonsgegevens dan staken, tenzij dwingende gerechtvaardigde gronden worden aangevoerd die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene.
Hierbij moet dus een afweging plaatsvinden tussen enerzijds het belang van handhaving van de BKR-registraties, en anderzijds het belang van de betrokken burger bij verwijdering. Een registratie bij BKR dient een belangrijk maatschappelijk doel, namelijk consumenten beschermen tegen overkreditering. De kredietverstrekkers of het BKR moeten dat belang afwegen tegen de overwegingen die worden aangevoerd door de burger.
Binnen deze belangenafweging kan de omvang van de schulden een factor zijn, maar er zijn meer aspecten die worden meegewogen. In gerechtelijke uitspraken en uitspraken van het Kifid is gebleken dat er een groot aantal andere elementen een rol spelen: burgers moeten aantonen dat zij inmiddels in een gezonde financiële situatie verkeren, er moeten duidelijke nadelen zijn van de BKR-registratie (zoals afwijzing van een nieuwe lening of hypotheek), er kunnen eventuele bijzondere individuele omstandigheden spelen zoals een huis dat moest worden verkocht door een persoonlijke situatie, en er wordt gekeken naar de mate waarin de consument zelf een verantwoordelijkheid had bij het ontstaan van de betalingsachterstand en de wijze waarop de consument zich opstelde richting de kredietverstrekker. De exacte belangenafweging zal dan ook per individueel geval verschillen. Gelet hierop is het niet aan het kabinet om nadere uitleg van de AVG te geven door een algemene aanpak voor te schrijven over de wijze waarop de belangenafweging plaatsvindt.
Herkent u de beschreven praktijk waarbij mensen van het kastje naar de muur gestuurd worden als zij wat willen doen aan hun negatieve BKR-registratie? Hoe duidt u deze praktijk?
Het is heel vervelend als mensen het gevoel hebben om van het kastje naar de muur te worden gestuurd. Deze signalen hebben mij niet eerder bereikt. Burgers kunnen nu met hun verwijderingsverzoek terecht bij de kredietverstrekkers en bij het BKR. Beide partijen zijn aangemerkt als gegevensverwerker in de zin van de AVG en zijn daarom verplicht om de verzoeken in behandeling te nemen. Zowel de kredietverstrekkers als het BKR nemen daarom op dit moment deze verzoeken in behandeling. Als de kredietverstrekker het verzoek heeft afgewezen dan is er de mogelijkheid om het voor te leggen aan het Kifid. Hiermee is er een laagdrempelige manier om de afwijzing te betwisten. Ook kan de afwijzing worden aangevochten bij de rechter. Een afwijzing van een verwijderingsverzoek door het BKR kan alleen worden voorgelegd aan een rechter. Omdat het BKR geen financiële instelling is, is het BKR niet aangesloten bij het Kifid.
In het artikel staat over pogingen om een negatieve registratie te verwijderen: «Onze ervaring is dat het BKR altijd nee zegt. Pas als we dreigen met een dagvaarding komt er beweging in»; hoe duidt u deze praktijk van het BKR? Bent u bereid om met het BKR in gesprek te gaan over deze praktijk? Zo ja, bent u bereid om in dat gesprek aan te dringen op een duidelijk onderscheid in registraties tussen grote problematische schulden en relatief kleine (reeds afbetaalde) schulden?
Ik ga hierover met het BKR in gesprek. Zoals toegelicht in antwoord op vraag 4 is het aan het BKR (en de kredietverstrekkers) om een eigen belangenafweging uit te voeren over verwijderingsverzoeken. De omvang van de schuld is één element dat zij hierin meenemen en de afweging moet per individueel geval plaatsvinden. Ik ga met het BKR bespreken waarom de perceptie op dit moment is dat verzoeken altijd worden afgewezen en of het BKR bijvoorbeeld mogelijkheden ziet om haar dienstverlening ten aanzien van de verwijderingsverzoeken te verbeteren.
Hoe duidt u het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) in het artikel? Bent u het met de AP eens dat er in het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel Wet stelsel kredietregistratie een onderscheid moet komen tussen verschillende soorten registraties, waarbij de ernst van de registratie een rol speelt in de gevolgen van de registratie, zoals leencapaciteit? Bent u van plan de AP intensiever te betrekken bij het nog in te dienen wetsvoorstel?
Het advies van de AP wordt volgens de gebruikelijke wetgevingsprocedure meegenomen in de verdere totstandkoming van de Wet stelsel kredietregistratie. Zoals altijd bekijk ik momenteel in hoeverre het wetsvoorstel aanpassing behoeft naar aanleiding van het advies van de AP en naar aanleiding van de reacties op de openbare consultatie die heeft plaatsgevonden.
Juridische analyse(s) van het hoofdlijnenakkoord |
|
Michiel van Nispen (SP), Glimina Chakor (GL), Joost Sneller (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat ambtenaren van het Ministerie van Binnenlandse Zaken een juridische analyse hebben gemaakt van het hoofdlijnenakkoord?1 Zo ja, kunt u deze analyse op zo kort mogelijke termijn met de Kamer delen op basis van artikel 68 Grondwet?
Kunt u juridische analyses van het hoofdlijnenakkoord die op andere ministeries zijn gemaakt ook met de Kamer delen?
Indien u niet bereid bent een van deze analyses met de Kamer te delen, kunt u dan gemotiveerd toelichten op grond waarvan u weigert deze documenten te delen?
De discriminerende vooringenomenheid door het gehele controleproces van fraude bij DUO |
|
Aant Jelle Soepboer (FNP) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de publicatie «Indirecte discriminatie door geldverstrekker Duo bij opsporing van fraude blijkt erger dan gedacht»?1
Ja.
Herinnert u zich dat u in het debat op 21 maart 2024 over fraudebestrijding door DUO heeft aangegeven dat in het onderzoek door PricewaterhouseCoopers (PwC) is vastgesteld dat directe gegevens met betrekking tot afkomst, zoals migratieachtergrond, geen directe rol hebben gespeeld bij de selectie van studenten voor controle?2
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat uit nieuw onderzoek blijkt dat door het gehele CUB-proces sprake was van vooringenomenheid ten opzichte van studenten met een niet-Europese migratieachtergrond, zoals onder andere via de aangenomen motie van het lid Soepboer moest worden onderzocht, terwijl dit niet naar voren kwam in het eerdere onderzoek van PwC?3
Voor ik antwoord op de vraag, verduidelijk ik graag dat vooringenomenheid in de voorliggende onderzoeken een specifieke, statistische definitie heeft. Een proces wordt vooringenomen genoemd indien sprake is van «significante afwijkingen in de demografische verhoudingen ten opzichte van de bronpopulatie (de populatie van alle ontvangers van een uitwonendenbeurs) die ontstaan door onevenredige selectie van bepaalde studenten in de loop van het CUB-proces.»4 Dat een proces in deze zin vooringenomen is, impliceert dus niet dat sprake is van bewuste selectie van bepaalde groepen door DUO of individuele medewerkers.
Het PwC-onderzoek waarnaar het lid Soepboer verwijst, constateerde onder andere dat verschillende onderdelen van het selectiemodel, waarmee studenten voor controle werden uitgekozen, niet inhoudelijk zijn onderbouwd en niet goed onderhouden zijn. Het totale proces van het selecteren van studenten heeft volgens het PwC-onderzoek indirect discriminerend gewerkt. Relevant hierbij is dat PwC voor haar onderzoek geen beschikking had over data over de migratieachtergrond van studenten, en daarom als benadering keek naar het aandeel mensen met een migratieachtergrond in de wijk waarin de student woont. In mijn brief hierover heb ik aangekondigd dat het CBS in opdracht van DUO nader onderzoek zou doen naar de oververtegenwoordiging van studenten met een migratieachtergrond, met behulp van data die voor PwC dus niet beschikbaar waren.5 Dat nieuwe onderzoek heb ik op 22 mei jl. aan uw Kamer aangeboden.6
Zoals ik in de begeleidende brief bij het nieuwe onderzoek aangeef, ontstaat de indruk dat de vertekening sterker is dan we op basis van het PwC-onderzoek dachten. Daarnaast lijkt de vertekening zich uit te strekken tot de fase van het huisbezoek. De nieuwe resultaten onderstrepen wat mij betreft dat de controlesystematiek anders moet. Ze onderstrepen daarmee ook de noodzaak van de excuses die ik in de voornoemde brief heb aangeboden. Dat de situatie slechter is dan we al vermoedden is buitengewoon teleurstellend.
Hoe beoordeelt u de conclusie van het nieuwe onderzoek dat de handmatige selectie van studenten voor controle en huisbezoek, nadat zij al automatisch waren ingedeeld in risicocategorieën, de vooringenomenheid van het CUB-proces versterkte?
Deze conclusie herken ik uit het rapport van PwC. Ik betreur dit en betrek deze observatie bij het vormgeven van het vervolgproces.
Kunt u aangeven wat verdere mogelijke zorgpunten zijn binnen het fraudebeleid van DUO nu blijkt dat met de tussenkomst van mensen de vooringenomenheid in de algoritmes ook niet is ondervangen?
De conclusie dat menselijke tussenkomst de vooringenomenheid van algoritmes niet per se ondervangt – en in dit geval zelfs versterkt heeft – neem ik in brede zin mee bij het vervolgproces. Naast de handmatige selectie wordt daarbij ook gekeken naar andere onderdelen waarin menselijk handelen een rol speelt, zoals de huisbezoeken, het nemen van besluiten op basis van huisbezoeken en de bezwaarprocedures.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze vooringenomenheid tien jaar lang onopgemerkt is gebleven, terwijl dit onderzoek al in een korte periode kon concluderen dat er door het gehele CUB-proces sprake was van vooringenomenheid?
Ik heb eerder benoemd dat ik dit bijzonder betreur. Het inrichten van een zorgvuldige evaluatiestructuur, en het doorlichten van de wijze waarop signalen opgepakt en doorgegeven worden binnen DUO en het beleidsdepartement, zijn onderdeel van de opvolging van dit onderzoek.
Hoe gaat u invulling geven aan de in vraag drie genoemde motie die oproept om in een vervolgtraject ook de gebruikte (statistische) modellen en de bewustheid van de keuzes voor het gebruik hiervan te onderzoeken?
De resultaten van beide onderzoeken laten duidelijk zien dat de inrichting van de controlesystematiek onvoldoende onderbouwd is geweest. Ik deel met de indieners van de motie7 dat het daarom cruciaal is om het gebruik van statistische modellen zeer zorgvuldig vorm te geven, en te leren van wat er in het verleden fout is gegaan. Zoals toegezegd informeer ik uw Kamer in het najaar over het vervolgproces.
Kunt u deze vragen een voor een binnen twee weken beantwoorden en in ieder geval een dag voor het commissiedebat DUO en Hoger onderwijs d.d. 12 juni 2024 aan de Kamer doen toekomen?
Ja, waarbij ik voor de volledigheid vermeld dat voorgenoemd debat inmiddels is uitgesteld.
Het bericht 'Zwaargewond pleegmeisje (10) vertelde op school dat ze werd mishandeld, toch moest ze terug naar huis' |
|
Patrick Crijns (PVV) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zwaargewond pleegmeisje (10) vertelde op school dat ze werd mishandeld, toch moest ze terug naar huis»?1
Ja.
Hoe konden de lokale autoriteiten en pleegzorgorganisaties de herhaalde meldingen van mishandeling negeren, vooral gezien het feit dat deze waarschuwingen afkomstig waren van verschillende bronnen, inclusief het meisje zelf?
Als een kind niet in de eigen omgeving kan opgroeien, dan moet juist een pleeggezin een veilige en zorgzame plek zijn. Ik vind het hartverscheurend dat het in deze situatie zo mis is gegaan. Dit maakt het van groot belang dat deze situatie uitgebreid wordt onderzocht. Dit onderzoek gebeurt in gezamenlijkheid door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Inspectie Justitie en Veiligheid (IJV) met betrokkenheid van de Inspectie van het Onderwijs. Het is belangrijk om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen over wat er precies in deze situatie is gebeurd en welke belangrijke lessen daaruit voor de toekomst te trekken zijn. De resultaten van dit onderzoek wil ik afwachten.
Bent u bereid uit te zoeken hoe het kan dat dit meisje op school vertelde dat ze werd mishandeld en toch terug naar huis moest? Welke acties heeft de school ondernomen? Heeft de school een melding gedaan bij Veilig Thuis? Op welke manier heeft de school gebruikt gemaakt van de meldcode?
Ik vind het belangrijk dat binnen het onderzoek van de inspecties nauwkeurig wordt gekeken naar de rol en acties van iedere organisatie die bij deze situatie betrokken is, en daarmee ook van de school. Het is belangrijk dat scholen alert zijn op signalen van kindermishandeling en daarop handelen. Professionals in de sectoren gezondheidszorg, maatschappelijke ondersteuning, jeugdzorg, onderwijs, kinderopvang en justitie werken met de «verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling». De meldcode biedt handelingsperspectief voor de professional als hij of zij huiselijk geweld of kindermishandeling vermoedt.
Deelt u de mening dat de verwijsindex risicojongeren deze verschillende signalen bij elkaar had kunnen brengen en er adequaat actie ondernomen
Ik wil eerst de resultaten van het uitgebreide onderzoek afwachten.
In hoeverre is de werkwijze van Veilig Thuis effectief in het beschermen van kinderen tegen huiselijk geweld en mishandeling, gezien het feit dat ernstige gevallen zoals deze niet tijdig werden aangepakt?
Veilig Thuis speelt als advies- en meldpunt een belangrijke rol in het doorbreken van situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het is net als bij de andere betrokken organisaties van belang dat ook uitvoerig naar de rol en acties van Veilig Thuis wordt gekeken in het onderzoek naar deze situatie.
Welke actie gaat u nemen richting andere pleeggezinnen waarover (biologische) ouders bedenkingen hebben? Wat zijn de rechten van de (biologische) ouders?
Ik vind het belangrijk dat biologische ouders serieus worden genomen en dat naar hen wordt geluisterd als zij zich zorgen maken over de situatie van hun kind. In de eerste plaats kunnen zij dit aankaarten bij de pleegzorgorganisatie en/of Gecertificeerde Instelling. Zij kunnen zich daarbij kosteloos laten bijstaan door een vertrouwenspersoon van bijvoorbeeld Jeugdstem. Ook kan Jeugdstem ouders ondersteunen bij het indienen van een klacht. Ouders kunnen ook zelf (juridische) ondersteuning inschakelen. Bij (vermoedens van) kindermishandeling werken de betrokken pleegzorgbegeleider en jeugdbeschermer met de «verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling».
Als ouders vinden dat de organisatie niet goed omgaat met hun signalen, dan kunnen zij een klacht indienen bij een onafhankelijke klachtencommissie2. Als ouders vervolgens niet tevreden zijn over de wijze waarop de klacht wordt afgehandeld, dan kunnen zij zich -voor zover de klacht betrekking heeft op de Gecertificeerde Instelling- wenden tot de Nationale- of Kinderombudsman. Ook is het mogelijk om misstanden te melden bij het Landelijk Meldpunt Zorg, onderdeel van de IGJ. Daarnaast kan eenieder die een vermoeden heeft van huiselijk geweld of kindermishandeling contact opnemen met Veilig Thuis voor advies of het doen van een melding. Tot slot kunnen ouders ook aangifte doen bij de politie van strafbare feiten.
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek van de inspecties zal met de sector worden gesproken over eventuele vervolgstappen.
Welke actie heeft de politie ondernomen nadat zij gewaarschuwd waren en het meisje aangegeven had dat ze thuis geslagen werd?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 2, 3 en 5 vind ik het belangrijk dat binnen het uitgebreide onderzoek van de Inspecties een helder beeld ontstaat van de rol en acties van iedere betrokken organisatie. Dit onderzoek wacht ik af.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er altijd gehoor gegeven wordt aan signalen die door een kind zelf afgegeven wordt?
Het belang van het kind staat altijd voorop. Het is dus van het grootste belang dat altijd naar kinderen wordt geluisterd, zeker als een kind signalen geeft die wijzen op kindermishandeling. Landelijk is hiervoor ook aandacht, bijvoorbeeld vanuit de inzet van steunfiguren voor kinderen (JIM-aanpak3) en het stimuleren van het gebruik van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling om signalen op een goede manier op te volgen en de situatie bespreekbaar te maken. Ook is het zorgvuldig luisteren naar kinderen en aansluiten bij hun behoeften onderdeel van de Hervormingsagenda Jeugd.
Hoe gaat u voorkomen dat dit nog eens gebeurt?
Het is enorm belangrijk een hartverscheurende situatie als deze te voorkomen. Daarom is het van belang om op basis van inspectieonderzoek na te gaan wat we kunnen leren om een situatie als deze zo veel als mogelijk te voorkomen.
De geweldsexplosie in detentiecentrum Rotterdam |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie in De Telegraaf over een zeer gewelddadige opstand door uitgeprocedeerde vreemdelingen in het Detentiecentrum Rotterdam (DCR) op donderdag 23 mei 2024?1
Ja.
Was u al eerder, dus voor de publicatie in De Telegraaf, op de hoogte van genoemde opstand/geweldsexplosie in het DCR? Zo ja, sinds wanneer?
Op 23 mei 2024 ben ik hierover geïnformeerd.
Wat is de reden dat u de Kamer daarover niet actief heeft geïnformeerd?
DJI communiceert maandelijks over incidenten door een voorvallenlijst op de website van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) te publiceren.2 Dit incident is opgenomen in de voorvallenlijst van mei 2024. Deze lijst is gepubliceerd op 17 juni jl. Of de Tweede Kamer daarnaast nog actief over een incident wordt geïnformeerd is een afweging die per incident gemaakt wordt.
Is het juist dat er bij die opstand zestig vreemdelingen waren betrokken? Zo nee, om welk aantal gaat het dan?
Er waren circa 60 vreemdelingen aanwezig op de afdeling. Er zijn 17 vreemdelingen geïdentificeerd die op verschillende manieren betrokken waren bij het incident, één daarvan heeft fysiek geweld toegepast. Daar is aangifte tegen gedaan. De betrokkenheid van de andere 16 vreemdelingen bestond onder andere uit het belemmeren van het bieden van hulp door DJI-personeel, het niet opvolgen van opdrachten van het DJI-personeel, het belemmeren van de toegang tot de sluis, het fysiek weerstand bieden bij het herstellen van de orde en/of het vertonen van opruiend gedrag.
Bent u bekend met het feit dat in ieder geval zeven personeelsleden van het DCR tijdens die opstand gewond zijn geraakt? Zo nee, waarom niet?
Er zijn zeven personeelsleden van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) gewond geraakt. Vanwege privacyoverwegingen ga ik hier niet verder op in.
Wel merk ik op dat ik zeer geschrokken ben van dit incident. Geweld tegen personeel is onaanvaardbaar en onacceptabel. Geweld tegen medewerkers moet en wordt dan ook altijd hard aangepakt. Er wordt altijd aangifte gedaan in het kader van Veilig Publieke taak, daarbij wordt een justitiabele ook op basis van de Penitentiaire Beginselenwet disciplinair bestraft met (maximaal veertien dagen) plaatsing op een strafcel, overplaatsing en/of een andere maatregel.
Daarnaast worden dit soort incidenten altijd onderzocht door DJI zodat hiervan kan worden geleerd.
Kunt u aangeven of er nog meer medewerkers gewond zijn geraakt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat de verwondingen van genoemde medewerkers van het DCR onder andere bestaan uit bijtwonden in handen/vingers en of armen en het prikken met vingers in de ogen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat één van de medewerkers van het DCR tijdens de opstand een kopstoot heeft gekregen? Zo nee, waarom niet?
Zoals onder de beantwoording van vragen 5, 6 en 7 aangegeven ga ik vanuit privacyoverwegingen niet nader in op de verwondingen van betrokken medewerkers. Voor de betrokken medewerkers is nazorg ingeschakeld, waar zij te allen tijde een beroep op kunnen doen.
Kunt u exact aangeven welke verwondingen de medewerkers van het DCR hebben opgelopen en of zij daardoor tijdelijk, langdurig of permanent uit de roulatie zijn?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u aangeven hoeveel medewerkers van het DCR bij aanvang van de opstand aanwezig waren en of er tijdens de opstand nog is opgeschaald naar meer personeel? Voor wat betreft dat laatste: hoeveel personeel is nog voor assistentie opgeroepen?
Op het moment van het incident waren er in totaal zes personeelsleden aanwezig op de woonafdeling en de aansluitende gang naar de luchtplaats. Er werd voldaan aan de geldende ratio tussen personeelsleden en uitgesloten vreemdelingen. Negen seconden na aanvang van het incident heeft een medewerker op de alarmknop geduwd. Hierop zijn in totaal 11 medewerkers conform de geldende werkinstructies vanuit de andere afdelingen komen assisteren. De eersten daarvan waren binnen enkele seconden aanwezig.
Kunt u aangeven of door dan wel namens de medewerkers aangifte van (zware) mishandeling dan wel poging tot verwurging (poging tot doodslag) is gedaan? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat dat uitgesplitst per delict, en kunt u ook aangeven of het Openbaar Ministerie (OM) tot vervolging zal overgaan? Indien u daarmee niet bekend bent, kunt u dan toezeggen dat u de Kamer daarover nader zal informeren?
Geweld tegen medewerkers wordt altijd hard aangepakt: er wordt aangifte gedaan in het kader van Veilig Publieke taak en een gedetineerde wordt disciplinair bestraft met (maximaal veertien dagen) strafcel, overplaatsing en/of een andere maatregel. Zo is er ook in deze zaak één aangifte gedaan tegen de vreemdeling die verantwoordelijk was voor de toegebrachte verwondingen (zie ook het antwoord op vraag 4). De andere vreemdelingen hebben geen geweld toegepast. Het is vervolgens aan het OM te besluiten of er wordt overgegaan tot vervolging.
I.v.m. de veiligheid van het personeel, is het dan niet gewenster dat het OM het voortouw neemt en ambtshalve gaat vervolgen, zodat het slachtoffer niet naar buiten hoeft te treden?
Voor werknemers met een publieke taak die slachtoffer zijn van geweld is het mogelijk om aangifte te doen onder nummer (in plaats van naam en/of adresgegevens). Tevens kan de werkgever aangifte doen, namens de medewerker.
Kunt u aangeven of er meerdere vreemdelingen op cel zitten?
Voor vreemdelingen die verblijven in vreemdelingenbewaring geldt een ander type regime dan voor personen die op een strafrechtelijke titel verblijven. In DCR verblijven vreemdelingen die zijn geplaatst in vreemdelingenbewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Een vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden geplaatst indien er bijvoorbeeld het risico bestaat van onttrekking en er daarnaast zicht op uitzetting is. Vreemdelingenbewaring is het laatste middel om het vertrek te realiseren (ultimum remedium) en kan maximaal zes maanden duren (met een verlening tot maximaal 18 maanden). In DCR draagt DJI ervoor zorg dat de vreemdelingen zo goed mogelijk worden ondersteund bij de voorbereiding van terugkeer en hen beschikbaar te houden voor vertrek uit Nederland.
Alle vreemdelingen binnen DCR worden samen geplaatst op een tweepersoons cel tenzij er sprake is van ongeschiktheid zoals vermeld in art. 11a van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (RSPOG). Vreemdelingen in de reguliere detentiecentra kunnen in beginsel tussen 08.00 uur en 22:00 uur uit hun kamer.3 In de uren waarop de celdeuren openstaan, kan een vreemdeling zich vrij binnen de afdeling bewegen en deelnemen aan een activiteitenprogramma. Het wekelijkse programma bestaat uit onderdelen als schilderen, sport, bezoek en recreatie. Ook is er ruimte voor zelfstudie. In tegenstelling tot penitentiaire inrichtingen wordt er geen arbeid of scholing aangeboden, omdat een vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst en het verblijf derhalve in beginsel van korte duur is.
Kunt u aangeven hoeveel uur een vreemdeling per 24 uur op cel zit?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven of de vreemdelingen op de dag nog «vermaakt» worden met enige vorm van dagbesteding, sport of anderszins?
Zie antwoord vraag 13.
Mochten de vreemdelingen in het DCR enige vorm van dagbesteding, sport of anderszins krijgen, bent u bereid deze activiteiten te staken tot het moment dat het strafrechtelijk onderzoek naar de mishandelingen en de poging tot verwurging is afgerond en de verdachten zijn veroordeeld dan wel het land zijn uitgezet?
Er waren 17 vreemdelingen rechtstreeks betrokken bij het incident, zij zijn op basis van de Penitentiaire Beginselenwet disciplinair bestraft met (maximaal veertien dagen) plaatsing op een strafcel, overplaatsing en/of een andere maatregel. Er is één aangifte gedaan in het kader van Veilig Publieke taak tegen de vreemdeling die verantwoordelijk was voor de toegebrachte verwondingen.
Ik zie geen aanleiding om het dagprogramma op de afdeling te beperken.
De vreemdelingen die betrokken waren bij de opstand c.q. geweldsexplosie: a. welke nationaliteit hebben die? b. Hoelang zaten die al te wachten op uitzetting? c. Wat is de reden dat die vreemdelingen nog niet waren uitgezet en wanneer gaat dat alsnog plaatsvinden?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek.
Bent u bekend met de voorstelling «Journey of Pozner & Urgant» van de Russische propagandisten Vladimir Pozner en Ivan Urgant in Theater Amsterdam op 28 mei 2024?
Ja.
Bent u bekend met de achtergrond van deze propagandisten, die in hun werk een sterk pro-Russisch geluid laten horen en kent u bijvoorbeeld de uitspraken van Pozner waarin hij Georgië de schuld geeft voor de Russische inval in 2008, de grenzen van Oekraïne niet erkent, de Russische invasie in Oekraïne niet veroordeelt, en het Westen hier de schuld van geeft door uitlokking van Rusland?
Het kabinet is bekend met de achtergrond en het werk van deze individuen.
Bent u ermee bekend dat Pozner en Urgant een show hadden op de Russische staatszender Rossiya 1 (Kanaal 1), die door de EU is geboycot vanwege het verspreiden van Russische propaganda en bent u ermee bekend dat Pozner en Urgant hebben aangekondigd hun show na de Russische invasie weer te hervatten, wanneer de programmering van Rossiya 1 weer wordt aangepast?
Vladimir Pozner en Ivan Urgant hadden beiden hun eigen programma op Perviy Kanal (Kanaal 1). Het kabinet is alleen bekend met een dergelijke uitspraak van dhr. Pozner.
Wat vindt u ervan dat dergelijke pro-Russische propagandisten optreden in een Nederlands theater?
In een democratische rechtstaat is vrijheid van meningsuiting een groot goed en deze dient zwaar te wegen naast de bescherming van de democratische rechtsstaat (zie de antwoorden op vragen 7 en 8). Het kabinet legt de verantwoordelijkheid bij culturele instellingen, gesubsidieerd of zoals in dit geval ongesubsidieerd, om de afweging te maken welke voorstellingen worden geprogrammeerd. Het kabinet heeft echter begrip voor het ongemak dat dit in sommige situaties kan veroorzaken.
Aangezien de website voor het kopen van tickets voor dit evenement geheel in het Russisch is, deelt u het vermoeden dat dit optreden voornamelijk is bedoeld voor Russen in Nederland?
Het is niet aan het kabinet om een oordeel te vellen over de doelgroep van individuele theatervoorstellingen.
Gezien de achtergrond van Pozner en Urgant, de Russische taal van de show, en de verwachting dat vrijwel uitsluitend Russen de show zullen bezoeken, hoe beoordeelt u het risico dat deze show (impliciet of expliciet) zal bijdragen aan het verspreiden van Russische desinformatie en het Russisch narratief?
Het Russisch leiderschap gebruikt informatiemanipulatie als middel om instabiliteit te creëren, waaronder in EU-landen. Het kabinet is zich daarvan bewust en maakt Nederland weerbaarder tegen dergelijke dreigingen.
We moeten onderscheid maken tussen dergelijke desinformatiecampagnes en culturele of entertainmentproducties in de Russische taal en/of voor een Russische doelgroep – en er met dien verstande voor waken de grondrechten van individuen te schenden.
Hoe verhoudt deze voorstelling zich tot de ambitie en beleidsagenda van het kabinet om ongewenste buitenlandse beïnvloeding tegen te gaan?
Het kabinet heeft op 6 april 2023 in een brief omtrent de geïntensiveerde aanpak van ongewenste buitenlandse invloed (OBI) aangegeven de zorgen van de Kamer te delen waar het signalen van ongewenste inmengingsactiviteiten door buitenlandse overheden betreft1. In deze situatie wijst het kabinet er echter op dat er geen signalen zijn van dwang door een statelijke actor, en dat burgers de voorstelling bezoeken uit vrije keuze. Vrijheid van expressie en vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed in onze open en democratische samenleving.
We moeten ervoor waken dat deze niet in het geding komen. Tot aan de grens van de nationaal juridische kaders geldt dus dat kunstenaars vrij zijn zich uit te drukken en dat theaters vrij zijn te programmeren. Dat is essentieel in een democratische rechtsstaat.
Wanneer het kabinet wel dergelijke signalen ontvangt zullen deze in samenwerking met geëigende partners worden geduid en onderzocht – en zal het desbetreffende land, conform het diplomatieke spoor uit de interdepartementale OBI-aanpak, worden aangesproken wanneer sprake is van onacceptabel of grensoverschrijdend gedrag.
Hoe verhoudt deze voorstelling zich tot het beleid van de EU en Nederland om de verspreiding van Russische propaganda tegen te gaan, bijvoorbeeld door het boycotten van diverse Russische staatszenders?
Het Russisch leiderschap gebruikt informatiemanipulatie als middel om de destabilisatie van de EU te bewerkstelligen. Hiertegen kunnen verschillende instrumenten ingezet worden in het kader van FIMI (Foreign Information Manipulation and Interference) van de EU, zoals diplomatieke reacties, versterken van het maatschappelijk middenveld en fact-checking. Daarnaast is één van de instrumenten waarvan de EU zich bedient in het tegengaan van Russische propaganda de uitzendverboden die gelden voor meerdere Russische nieuwsmedia waaronder het Perviy Kanal, waar de heren Pozner en Urgant voor aanvang van de oorlog in dienst waren. Deze sanctie is ingesteld nadat Pozner en Urgant de zender hebben verlaten. Een uitzendverbod behelst ook niet automatisch een inreisverbod voor alle individuele (oud-)medewerkers van een kanaal. Daarnaast werkt de EU aan het tegengaan van een voedingsbodem voor de verspreiding van desinformatie en manipulatie van het informatiedomein. Op 12 december 2023 heeft de Europese Commissie het Defence for Democracy-pakket gepubliceerd. Dit pakket heeft als doel om o.a. vrije en eerlijke verkiezingen te bevorderen, desinformatie tegen te gaan en vrije media te ondersteunen.
Hoe verhoudt deze voorstelling zich tot het beleid van andere culturele instellingen om de banden met Rusland te verbreken, waartoe bijvoorbeeld eerder de Hermitage Amsterdam besloten heeft?
Artikel 13 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie stelt dat de kunsten en het wetenschappelijk onderzoek vrij zijn. Tot aan de grens van de nationaal juridische kaders geldt dus dat kunstenaars vrij zijn zich uit te drukken en dat theaters vrij zijn te programmeren.
Bent u bereid met Theater Amsterdam een kritische dialoog aan te gaan over de keuze om (ondanks vele kritische vragen) deze voorstelling doorgang te laten vinden, en te bespreken welke afweging hier is gemaakt tussen de vrijheid van meningsuiting en het tegengaan van Russische propaganda?
Het is aan de Nederlandse instellingen zelf om hun programmering vorm te geven; om die reden willen wij daar niet in treden. Wel herhalen we de oproep tot opschorting van formele en institutionele samenwerkingen met de overheid in de Russische Federatie en Belarus, evenals met de aan hen gelieerde culturele instellingen. Daarbij verwijzen wij naar de brief die op 9 maart 2022 aan uw Kamer is gestuurd inzake dit onderwerp2.
Bent u bereid om een kritisch en indringende dialoog te starten met de culturele sector over de vraag hoe een juiste afweging kan worden gemaakt tussen de vrijheid van meningsuiting en het tegengaan van Russische propaganda, en of in deze afweging ondersteuning vanuit de Rijksoverheid gewenst is?
Zie het antwoord op vraag 10.
Extreemrechtse memes |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Grappig, maar gevaarlijk: NCTV wil maatschappij wapenen tegen extreemrechtse «meme»»1?
Ja.
Deelt u de mening dat dit soort memes veel impact kunnen hebben op de samenleving en in het bijzonder op jongeren en hun gedachtenontwikkeling?
Memes zijn een belangrijk online communicatiemiddel voor extreemrechts2 en worden op diverse manieren en met verschillende functies ingezet. De stelselmatige verspreiding van extreemrechtse memes draagt bij aan de normalisering en sociale acceptatie van een onverdraagzaam gedachtegoed, leidt tot (online) groeps- en identiteitsvorming binnen een radicale subcultuur en biedt mogelijk inspiratie voor geweld of ander extremistisch handelen. Zo kan de normalisering van extremistisch gedachtegoed leiden tot racisme, uitsluiting en discriminatie van minderheden en andersdenkenden. Memes kunnen daarnaast bijdragen tot niet-gewelddadige extremistische acties als haatzaaien, angst verspreiden, doelbewust desinformatie verspreiden, demoniseren en intimideren, verwerpen van wet- en regelgeving, en pogingen om een parallelle samenleving tot stand te brengen waarbij het gezag van de Nederlandse overheid en het rechtssysteem worden afgewezen. Dit zijn ongewenste ontwikkelingen die de sociale cohesie aantasten en de democratische rechtsorde en daarmee ook de nationale veiligheid op termijn kunnen ondermijnen.
Via memes kan extremistisch gedachtegoed op een laagdrempelige manier verspreid worden richting jongeren. Zo bereiken aanhangers van extreemrechts vooral jongeren in het online domein, die in de eerste instantie niet ontvankelijk zijn voor ingewikkelde ideologische extremistische theorieën. Omdat memes de extreemrechtse boodschap – zoals antidemocratische, racistische en onverdraagzame uitingen – juist op een zogenaamd humoristische en subtiele manier verpakken, bestaat het risico dat jongeren op deze manier toch geïnteresseerd raken in het extreemrechtse gedachtegoed. Op deze manier kunnen jongeren van grotere sociale media platformen en gamefora gelokt worden naar alternatieve en besloten platformen, waar veel explicietere rechts-extremistische ideeën worden gedeeld, waaronder kwaadaardige complottheorieën, geweldsfantasieën, antisemitisme en boodschappen die aanzetten tot haat.
Hoe gaat u de samenleving en in het bijzonder jongeren weerbaarder maken tegen extreemrechtse memes waarvan de inhoud vergaande radicalisering en extremisme of zelfs terrorisme beoogt en verheerlijkt2?
Het kabinet is van mening dat er in onze democratische rechtsorde absoluut geen plaats is voor rechts-extremistische uitingen of opvattingen. Het is zorgelijk en kwalijk dat extreemrechts gedachtegoed onder andere via memes breed verspreid wordt en een aantrekkingskracht uitoefent op met name kwetsbare, jonge mannen, niet zelden minderjarig. Het kabinet is er alles aan gelegen om jongeren hiertegen te beschermen en weerbaar te maken, niet alleen vanwege de dreiging van extremistisch en/of terroristisch geweld maar ook voor de kansen en toekomst van deze jongeren. Dit vergt een aanpak van twee kanten; het vergroten van de (online) weerbaarheid van jongeren en, het tegengaan van de online verspreiding van deze extremistische en soms zelfs terroristische content. Het is binnen onze democratie een grondrecht om een open discussie te voeren, waarin mensen hun mening vrij kunnen uiten. Maar dat betekent niet dat er in onze democratische rechtsorde plaats is voor rechts-extremistische uitingen.
Het is allereerst belangrijk om bewustzijn te creëren voor online content die wellicht onschuldig lijkt, maar dat zeker niet is. Daarom is het van belang om de mediawijsheid en digitale weerbaarheid van met name jongeren te versterken. Het vergroten van digitale weerbaarheid gebeurt nu vooral via diverse cursussen en programma’s gericht op jongeren. Er wordt ingezet op het verhogen van mediawijsheid ten aanzien van online bronnen, het herkennen van extremistische boodschappen, en middels de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.4 Zo is er het lesprogramma «Under Pressure» dat zich richt op het vergroten van weerbaarheid tegen desinformatie en het vergroten van democratisch burgerschap onder jongeren om zo de voedingsbodem voor polarisatie en radicalisering te verminderen.5 De inzet op het vergroten van digitale weerbaarheid via (lokale) interventies en het ondersteunen van professionals en gemeenten wordt de komende jaren verder versterkt. Daarnaast wordt de adequate inzet van de versterkingsgelden die gemeenten kunnen aanvragen voor de aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme benut om meer bewustzijn te creëren over de online aspecten van extremisme en terrorisme. Zo maken diverse gemeenten reeds gebruik van online (weerbaarheids)cursussen en projecten die hiervoor aandacht vragen.
Ook het tegengaan van de online verspreiding van extremistische en terroristische content heeft prioriteit. In de beantwoording van de vragen 7, 8 en 9 ga ik hier verder op in.
Wat zijn de huidige mogelijkheden om te handhaven op extremistische memes of memes die oproepen tot geweld? Op welke vlakken schieten het strafrecht of mogelijkheden tot online contentbeheer tekort?
Het kabinet werkt aan een Versterkte Aanpak Online (VAO) inzake extremistische en terroristische content. De contourenbrief hierover is op 12 december 2023 naar uw Kamer is gestuurd.6 Eén van de prioriteiten binnen deze Versterkte Aanpak Online is het tegengaan van zogenoemde borderline («legal yet harmful») content waartoe memes vaak kunnen worden gerekend. De uitwerking van de Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content kunt u na de zomer 2024 verwachten.
Indien er wel sprake is van online terroristisch materiaal, kan de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) verwijderingsbevelen sturen op basis van de Verordening Terroristische Online Inhoud7 en de Uitvoeringswet Terroristische Online Inhoud.8 Aanbieders van hostingdiensten zijn verplicht om specifiek materiaal op aanwijzing van de ATKM binnen een uur te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Memes die niet in strijd zijn met de Verordening Terroristische Online Inhoud kunnen niet door de ATKM worden verwijderd (zie ook de beantwoording van vragen 7, 8 en 9).
Wanneer er sprake is van memes die strafbare feiten of strafbare uitlatingen bevatten, zoals bedreiging, is strafrechtelijke opsporing van de personen achter (anonieme) accounts mogelijk. Het is aan het Openbaar Ministerie om dit te beoordelen.
Zie ook het antwoord op vraag 7.
Is er voldoende kennis en capaciteit bij de politie om dit soort memes te herkennen? Zo nee, welke acties worden of kunnen worden ondernomen om die kennis bij de politie te doen toenemen? Is hier tijdens de opleiding aandacht voor? Zo nee, wordt dit in de toekomst wel opgenomen in het curriculum?
In de opleidingen bij de politie is er aandacht voor actuele ontwikkelingen op het gebied van extreemrechts, waaronder rechts-extremisme en rechtsterrorisme. In het kader van de aanpak contraterrorisme, extremisme en radicalisering heeft de politie samen met de NCTV een digitale symbolenbank ingericht. Deze symbolenbank is beschikbaar voor politieagenten en helpt bij het herkennen van rechts-extremistische verschijningsvormen, waaronder memes. Binnen de politie is er thans voldoende expertise aanwezig om dit soort memes te herkennen en om de organisatie hierover breed te kunnen adviseren.
Ziet u mogelijkheden om jongerenwerkers in te zetten om jongeren hier online op aan te spreken of voor te behoeden? Welke best practices bestaan al in het lokale veld?
Jongerenwerkers zijn onmisbare professionals om preventieve maatregelen ten aanzien van (online) extremisme uit te voeren. Zo werken diverse gemeenten reeds met online jongerenwerkers die via sociale mediaplatformen in contact staan met jongeren en hen zo ondersteunen. Bij zorgelijk online gedrag, zoals ondermijning, georganiseerde criminaliteit, radicalisering en extremisme, kunnen jongerenwerkers daarover in gesprek gaan met jongeren en zo nodig interveniëren. Het is van belang dat personen die een voorbeeldfunctie bekleden – zo ook jongerenwerkers – zich bewust zijn van dit soort memes en zich actief uitspreken tegen extremistische uitingen om de normalisering hiervan tegen te gaan.
Daarnaast worden er in samenwerking met gemeenten en professionals door het Rijk handelingsperspectieven opgesteld om hen te ondersteunen bij het versterken van digitale weerbaarheid in preventie van o.a. extremisme. Ook wordt er naar manieren gekeken om jongeren zelf te betrekken bij het versterken van de digitale weerbaarheid. Verder werkt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een overzicht van interventies gericht op preventie van radicalisering, waarbij specifiek aandacht wordt gegeven aan interventies in het online domein. Aanvullend, zoals benoemd in de beantwoording van vraag 3, ondersteunt de NCTV gemeenten via de versterkingsgelden om meer bewustzijn te creëren over de online aspecten van extremisme en terrorisme. Uiteraard zullen eventuele nieuwe online interventies getoetst worden aan alle relevante wettelijke en juridische kaders waaronder die met betrekking tot de privacy.
De komende jaren zal er bijzondere aandacht uitgaan naar het integreren van het online domein in de lokale aanpak van radicalisering en extremisme. Daarom blijven de Ministeries van Justitie en Veiligheid en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overleg met gemeenten en (jeugd)professionals, om het delen van best practices te stimuleren en faciliteren, de ervaren knelpunten verder te onderzoeken, effectieve methoden voor een lokale (preventieve) aanpak van online extremisme en terroristische activiteiten verder te ontwikkelen en waar mogelijk uit te breiden.
Hoe kijkt u aan tegen de rol van platforms in contentmoderatie van extremistische content, met name de berichten-applicaties (WhatsApp, Telegram, Signal), Alt-tech of alternatieve platformen (Gab, Parler, Bitchute, Minds, RocketChat) en rechts-extremistische en terroristische websites, fora en online netwerken?
Ik deel de zorgen ten aanzien van de verspreiding van extremistische online content op platforms en berichtendiensten. De mate waarin deze diensten content (kunnen) modereren verschilt aanzienlijk. Bij sommigen is (stevige) verbetering nodig. Dit geldt met name ten aanzien van alternatieve platformen zoals door het lid Mutluer genoemd, waar contentmoderatie in veel gevallen vrijwel geheel afwezig is. Hierdoor kan extremistische content veelvuldig voorkomen.
Daar waar sprake is van memes die terroristische online content bevatten, kan de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) op basis van de Verordening Terroristische Online Inhoud9 en de Uitvoeringswet Terroristische Online Inhoud10 hostingbedrijven en platformen verplichten deze content binnen één uur te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Ook heeft de ATKM de bevoegdheid om boetes te versturen naar aanbieders van hostingdiensten indien zij een verwijderingsbevel niet opvolgen. Deze boete kan oplopen tot 4% van de jaarlijkse omzet van de betreffende hosting provider.
De mate waarin sociale media bedrijven zich inspannen om de verspreiding van terroristische online inhoud te beperken is onderdeel van de dialoog met de internetsector, die ik in het kader van de eerdergenoemde Versterkte Aanpak Online ben gestart over deze thema’s. Tijdens deze gesprekken heb ik mijn zorgen over de verspreiding van extremistische online content geuit en de platforms aangesproken op hun rol in het veilig houden van hun online omgeving. De inzet blijft gericht op een structurele dialoog met de internetsector over specifiek deze onderwerpen.
Heeft u deze platforms aangesproken op hun rol? Zo ja, hoe verliepen deze gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit te doen? Welke rol hebben de providers hier volgens u in?
Zie antwoord vraag 7.
Welke rol ziet u voor de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) bij het aanspreken van platforms die dit soort memes toestaan en bij het laten verwijderen van dit soort content, mede in het licht van de Verordening terroristische online-inhoud?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe beziet u het spanningsveld tussen de vrijheid van meningsuiting enerzijds en het gevaar van extreemrechtse memes (met name de groep extremistische memes) anderzijds? Hoe wordt hierin onderscheid gemaakt tussen extremisme, terrorisme en activisme?
In de fenomeenanalyse van de NCTV wordt een meme gedefinieerd als een idee, uiting of mening gevat in tekst of in visueel materiaal zoals een foto, video of gif-bestand al dan niet voorzien van tekst of geluid, die online wordt gekopieerd en verspreid. Het gaat dus om (een onderdeel van) uitingen van personen, die in beginsel beschermd worden door de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting is een kernwaarde van de democratie. Zij kan slechts worden beperkt op grond van een wettelijke bepaling en wanneer die beperking een gerechtvaardigd doel dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Voorbeelden van dat soort beperkingen zijn er voor onder meer kinderpornografie, terroristische inhoud en haatzaaien, die allen strafbaar zijn gesteld.11 Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen uitingen in de fysieke wereld en online content: dat wat strafbaar en onrechtmatig is in de fysieke wereld is dat ook online. Om ontoelaatbare beperkingen van de vrijheid van meningsuiting te voorkomen is het beleid voor dit soort memes primair gericht op het verhogen van bewustwording, kennis en weerbaarheid.
In algemene zin geldt dat in een democratische rechtsorde personen te allen tijde binnen de grenzen van de wet hun grondrechten moeten kunnen uitoefenen. In de praktijk kan dit leiden tot een botsing van grondrechten, waarbij de uitoefening van een grondrecht door de ene persoon of groep leidt tot een botsing met een grondrecht van een andere persoon of groep. Grondrechten zijn echter niet absoluut. In de Grondwet en in verdragen zoals het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens is vastgelegd dat grondrechten onder voorwaarden kunnen worden beperkt voor een zwaarwegender doel in het kader van het algemeen belang. Vanuit het oogpunt van algemeen belang is er wetgeving met daarin beperkingen van het recht van vrijheid van meningsuiting, zoals het antidiscriminatieverbod of het verbod tot haatzaaien of opruiing. Daarnaast is soms voor deze botsing van grondrechten een contextuele rechtsstatelijke toets (door de rechter) nodig om te bepalen welke grondrecht in het specifieke geval voorrang heeft ten opzichte van andere grondrechten. Het is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of bepaalde uitingen al dan niet worden beschermd door het recht op de vrijheid van meningsuiting of andere grondrechten.
Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat extremisme niet in het verlengde van activisme ligt, maar wezenlijk iets anders is. Men dient ervoor te waken om een directe causale lijn te zien waarbij uitgegaan wordt dat maatschappelijke onrust en allerlei vormen van activisme uiteindelijk tot extremisme zouden kunnen leiden. De doelen die extremisten nastreven en/of de middelen zijn inherent antidemocratisch of ondemocratisch. Bij activisten is dit niet het geval. Om te bepalen of iets extremistisch is, worden deze gedragingen nooit geïsoleerd bezien, maar altijd binnen de context van een ideologisch motief en gepaard gaande met geweld of stelselmatige en doelbewuste gedragingen die de democratische rechtsorde ondermijnen. Voor een uitgebreidere toelichting op extremisme, het onderscheid met activisme en terrorisme, verwijs ik u naar de onlangs verschenen Nationale Extremismestrategie 2024–2029.12
Wat zijn naar aanleiding van de fenomeenanalyse van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de volgende stappen die u op dit onderwerp gaat nemen?
De conclusies uit de fenomeenanalyse zullen betrokken worden bij de verdere uitwerking van de Versterkte Aanpak Online en de uitvoering van de Nationale Extremismestrategie 2024–2029.13 Deze strategie schetst een overzicht en de kaders voor de beleidsinzet op extremisme, waaronder ook de inzet op weerbaarheid.
Bent u bereid te onderzoeken of een publiekscampagne over extreemrechtse memes eraan kan bijdragen dat burgers de beeldtaal en symboliek van memes beter leren herkennen, waarin nadrukkelijk wordt gepoogd om de groep jongeren te bereiken die door extreemrechtse memes geïnteresseerd raken in het gedachtegoed en daardoor mogelijk radicaliseren?
Een van de doelen van de publieke fenomeenanalyse naar het gebruik van memes door extreemrechts is het informeren van burgers over de gevaren omtrent extreemrechtse memes. Hierbij is het vooral zaak om bewustzijn te creëren dat sommige memes niet zo onschuldig zijn als ze lijken. Via het netwerk van de NCTV worden met de analyse professionals bereikt die met jongeren werken. Daarnaast neemt de NCTV in gesprekken met zijn communicatiepartners mee wat de toegevoegde waarde kan zijn van een jongerencampagne aanvullend op de bestaande communicatie inzet.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over terrorisme/extremisme op 20 juni a.s.?
Ja.
Het bericht ‘Nederlands bedrijf negeert ernstige schendingen in Saudi-Arabië’ |
|
Marieke Koekkoek (D66), Daniëlle Hirsch (GL), Mpanzu Bamenga (D66), Don Ceder (CU), Sarah Dobbe (SP) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de briefing van Amnesty International getiteld «Nederlands bedrijf negeert ernstige schendingen in Saudi-Arabië»?1
Ja
Kunt u reageren op de conclusie dat een Nederlands bedrijf, met behulp van de overheid, heeft bijgedragen aan het schenden van mensenrechten?
Het kabinet neemt bevindingen van maatschappelijke organisatie waaronder Amnesty International serieus. De onderwerpen die de briefing van Amnesty International worden genoemd zijn onderdeel van de structurele mensenrechtendialoog die Nederland als enige land, naast de Europese Unie, met Saoedi-Arabië onderhoudt. Met deze dialoog richten we ons op het bespreken van bredere mensenrechtenaspecten in Saoedi-Arabië die buiten de invloedssfeer van de ketenverantwoordelijkheid van bedrijven kunnen liggen.
Bent u het ermee eens dat volgens de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en het Nederlandse beleid inzake Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) bedrijven niet enkel verantwoordelijkheid dragen voor de rechten van degenen die zij zelf in dienst hebben, maar ook voor de rechten van andere mensen die worden geraakt door hun bedrijvigheid? En deelt u de opvatting dat die verantwoordelijkheid dus ook geldt als mensen van hun land worden verdreven en worden vervolgd als zij hiertegen protesteren?
De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights vormen de basis van het IMVO-beleid. Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij gepaste zorgvuldigheid in lijn met deze normen toepassen om negatieve gevolgen voor mens en milieu in hun bedrijfsvoering en waardeketens te identificeren en aan te pakken. De OESO-richtlijnen bevelen ondernemingen daarbij aan om maatregelen te nemen om een veilige ruimte te creëren waarin zorgen over negatieve gevolgen zonder represailles kunnen worden geuit. Gepaste zorgvuldigheid is de verantwoordelijkheid van bedrijven zelf. De Nederlandse overheid informeert bedrijven over het belang van IMVO en het toepassen van gepaste zorgvuldigheid en biedt dienstverlening om bedrijven hierin te ondersteunen.
Zijn er andere Nederlandse bedrijven betrokken bij het project «The Line» en, zo ja, kunt u toezeggen in gesprek met deze bedrijven te gaan over hun verantwoordelijkheid met betrekking tot het waarborgen van mensenrechten?
Ja, er zijn meerdere Nederlandse bedrijven betrokken bij het project «The Line». De verantwoordelijkheid met betrekking tot het waarborgen van mensenrechten (en in breder verband IMVO) ligt bij de bedrijven en het onderstrepen van de OESO-richtlijnen maakt onderdeel uit van de reguliere contacten die RVO en de ambassade in Saoedi-Arabië onderhouden met deze bedrijven.
Op welke manier zijn ondernemers die deelnamen aan de economische missie naar Saudi-Arabië in 2022, getoetst op IMVO en hoe zijn zij geïnformeerd over de risico’s? Zijn er deelnemende bedrijven die na afloop van de economische missie nog ondersteund zijn bij economische activiteiten in Saudi-Arabië?
Deelnemende bedrijven aan de economische missies naar Saoedi-Arabië in 2022 en 2024 hebben voldaan aan het IMVO kader voor economische missies.2 Zij hebben de IMVO-zelfscan ingevuld welke vragen stelt over de toepassing van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid. Zoals eerder medegedeeld aan Amnesty International, gaven de uitkomsten van deze zelfscans geen aanleiding tot nader onderzoek. Enkele bedrijven die deelnamen aan de economische missie in 2022, maakten ook in 2024 onderdeel uit van een economische missie op het gebied van tuinbouw en water naar Saoedi-Arabië. Voorafgaand en tijdens deze recente economische missie is een presentatie gegeven over IMVO, waarin de verwachtingen van de Nederlandse overheid op het gebied van IMVO zijn gedeeld met betrokken Nederlandse bedrijven. Hierin was tevens een rol weggelegd voor de regionale IMVO-expert in de Golfregio (zie tevens het antwoord op vraag 8).
Geven de conclusies uit deze briefing aanleiding om de voorwaarden met betrekking tot IMVO voor deelname aan economische missies aan te scherpen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
De conclusies in de briefing geven geen aanleiding om de voorwaarden met betrekking tot IMVO voor deelname aan economische missies aan te scherpen. Toepassing van de OESO-richtlijnen wordt als voorwaarde gesteld aan alle bedrijven om deel te kunnen nemen aan een economische missie. In combinatie met de voorlichting die in het kader van economische missies aan bedrijven wordt gegeven over IMVO-risico's, vormt dit coherent beleid waarmee bedrijven worden geïnformeerd over de verwachting die het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft ten aanzien van hun verantwoordelijkheid voor het opvolgen van de OESO-richtlijnen. Het toepassen van gepaste zorgvuldigheid is en blijft de verantwoordelijkheid van bedrijven zelf.
Zouden de acties en uitspraken zoals beschreven in de briefing nog houdbaar zijn onder de onlangs aangenomen Europese richtlijn voor een gepaste zorgvuldigheidsverplichting voor ondernemingen? Kunt u aangeven op welke termijn u verwacht deze richtlijn in Nederland te implementeren?
De Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) verplicht grote bedrijven gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun waardeketen. De richtlijn draagt daarmee bij aan het Europees en mondiaal bevorderen van mensenrechten en milieubescherming. Het kabinet kan zich niet uitspreken over individuele bedrijven en of zij wel of niet voldoen aan de verplichtingen van de richtlijn. Het is straks aan een onafhankelijk toezichthouder om dit te beoordelen.
Voor nationale implementatie van de CSDDD zullen de gebruikelijke procedures doorlopen worden. Na publicatie in het EU Publicatieblad en inwerkingtreding hebben lidstaten twee jaar de tijd om de CSDDD om te zetten in nationale wetgeving. Om tijdige implementatie mogelijk te maken zijn de voorbereidingen al gestart.
Kunt u reageren op elk van de aan de overheid gerichte aanbevelingen in de briefing?
In de briefing worden 7 aanbevelingen richting de overheid gedaan. Deze gaan over het Nederlands handelsbeleid en prioriteitsmarkten, voorwaarden m.b.t. gepaste zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten voor overheidssteun en de informatieverstrekking hierover. Hier zal ik kort op ingaan. Ten eerste het Nederlandse handelsbeleid, dat is gericht op de versterking van ons internationale verdienvermogen. Mensenrechten en handel sluiten elkaar niet uit en kunnen elkaar aanvullen. Keuzes voor prioriteitsmarkten en economische relaties die hieruit voortvloeien bieden mogelijkheden om binnen deze brede bilaterale relatie het gesprek te voeren over gevoelige onderwerpen.
Ten tweede, wat betreft de voorwaarden met betrekking tot mensenrechten due diligence; deze zijn al ontwikkeld en onderdeel van staand beleid. Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij de OESO-richtlijnen toepassen om in aanmerking te komen voor het bedrijfsleven instrumentarium. In de toetsing is sprake van proportionaliteit en deze is gericht op het verbeteren van de verankering van IMVO en niet op uitsluiting van het instrumentarium. Echter, als blijkt dat een bedrijf zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt, dan kan dit beëindiging (en terugvordering) van de steun of uitsluiting van een missie tot gevolg hebben.
Tot slot, zet de Nederlandse ambassade in Saoedi-Arabië zich ook actief in om te communiceren over IMVO risico’s in de lokale context, inclusief mensenrechtenschendingen. Er zijn leermodules beschikbaar en bedrijven kunnen voor vragen over het toepassen van gepaste zorgvuldigheid terecht bij het IMVO-steunpunt. Op de landenpagina van Saoedi-Arabië op de website van de RVO is daarnaast informatie opgenomen over vaak voorkomende lokale IMVO-risico’s. Bovendien is een regionale IMVO-expert aangesteld in de Golfregio waar bedrijven terecht kunnen voor vragen en ondersteuning. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken organiseert daarnaast twee keer per jaar een Breed Mensenrechten Overleg met Nederlandse mensenrechtenorganisaties.
Het bericht 'Surveillance and interference: Israel’s covert war on the ICC exposed' |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Surveillance and interference: Israel’s covert war on the ICC exposed»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie van het onderzoek dat de Israëlische overheid en Israëlische veiligheidsfunctionarissen al bijna tien jaar betrokken zouden zijn bij een surveillanceoperatie gericht op het Internationaal Strafhof en Palestijnse mensenrechtenorganisaties, met als doel het dwarsbomen van onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden door Israël?
Nederland is zich als gastland van het Internationaal Strafhof (ISH) terdege bewust van de gevaren van externe beïnvloeding en inmenging waar zowel het Hof, zijn gekozen ambtsdragers en medewerkers, als de door het Hof als zodanig aangewezen getuigen mee worden geconfronteerd. Dergelijke gevaren zijn ook geenszins een uniek kenmerk van het onderzoek naar de situatie in de bezette Palestijnse Gebieden.
In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat ten aanzien van eventuele inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren, de betrokken ministeries in nauw contact staan met de opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten om deze te onderkennen, te duiden en waar nodig en mogelijk maatregelen te treffen. Het kabinet ziet dergelijke activiteiten als een vorm van ongewenste buitenlandse inmenging en vindt dit volstrekt onwenselijk. Er is doorlopend contact met het ISH waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen. Uit veiligheidsoverwegingen kan er niet in detail worden getreden over de aard van deze besprekingen of de specifieke zaken die daar aan de orde komen.
Hoe is het mogelijk dat vertrouwelijke gesprekken tussen de aanklager van het Strafhof en Palestijnse functionarissen zijn gemonitord en gedeeld met Israëlische inlichtingendiensten, zoals bevestigd door diplomatieke diensten die de aanklager hiervan op de hoogte hebben gesteld?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u het beeld dat de Mossad zou hebben geprobeerd voormalig aanklager Bensouda onder druk te zetten met informatie over haarzelf en haar familie zodat zij zou voldoen aan de wensen van de Israëlische regering? En herkent u het beeld dat onder andere e-mail en sms-berichten van de huidige aanklager Khan en zijn medewerkers zouden zijn onderschept?
Uit veiligheidsoverwegingen kunnen er geen uitspraken worden gedaan over individuele casussen. Wel kan worden aangegeven dat er doorlopend contact met het ISH is waarbij ook de verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen. Daar waar het de fysieke veiligheid betreft en het nodig wordt geacht op basis van actuele dreigingsinformatie, kunnen er beveiligingsmaatregelen worden getroffen. Dit is in aanvulling op de eigen verantwoordelijkheid van de personen en de organisatie.
Heeft u meerdere signalen van voormalig of huidig medewerkers van het Internationaal Strafhof of het Internationaal Gerechtshof dat zij vrezen voor hun persoonlijke veiligheid vanwege hun werk met betrekking tot Israël of Israëlische functionarissen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het eens dat Nederland als gastland een speciale verantwoordelijkheid heeft in het beschermen van hoven en tribunalen en hun medewerkers tegen dreigingen van buitenaf?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Strafhof, zijn ambtsdragers en zijn personeel en als zodanig door het Strafhof aangewezen getuigen. Het is van belang dat de organen van het Strafhof hun mandaat onafhankelijk – en zonder bedreigingen en intimidaties – kunnen uitvoeren. Deze verplichting geldt op basis van het Statuut van Rome voor iedere verdragspartij, maar daarnaast heeft Nederland als gastland inderdaad ook een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (Trb. 2007, 125).
Daar waar het de fysieke veiligheid betreft en het nodig wordt geacht op basis van actuele dreigingsinformatie, kunnen er beveiligingsmaatregelen worden getroffen in Nederland voor de medewerkers van het Internationaal Strafhof en de personen die getuigen over de oorlogsmisdaden bij het Strafhof, in aanvulling op de eigen verantwoordelijkheid van de personen en de organisatie. Over de precieze invulling van de maatregelen worden om veiligheidsoverwegingen nooit in het openbaar uitspraken gedaan.
Ben u daarnaast van mening dat Nederland ook een verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van individuen of maatschappelijke organisaties, zoals Palestijnse mensenrechtenorganisaties, die meewerken aan onderzoeken van het Strafhof?
Nederland draagt op basis van het Zetelverdrag ook een verantwoordelijkheid voor de veiligheid van individuen of maatschappelijke organisaties in Nederland, zoals Palestijnse mensenrechtenorganisaties, die meewerken aan onderzoeken van het Strafhof.
Welke stappen heeft u ondernomen of gaat u ondernemen om deze veiligheid beter te borgen?
Het uitgangspunt is dat de veiligheidszorg voor alle personen, objecten en diensten in beginsel onder de verantwoordelijkheid van het decentrale gezag plaatsvindt. Indien dreigingsinformatie daartoe aanleiding geeft, kunnen maatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid een eigen, onafhankelijk onderzoek te laten doen naar deze beschuldigingen? Welke acties gaat u ondernemen als de beschuldigingen juist blijken te zijn?
De aantijgingen zien op de onafhankelijkheid en veiligheid van het ISH, waarover Nederland in doorlopend contact staat met het Hof en waarbij verschillende overheidsinstanties eveneens doorlopend betrokken zijn. De Israëlische ambassadeur is verzocht zich te melden op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de aantijgingen in de artikelen in The Guardian en +972 Magazine. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden, waarbij de Nederlandse zorgen over de berichtgeving zijn overgebracht.
Deelt u de mening dat dergelijke inmenging in lopende zaken een grove aanslag zou zijn op de internationale rechtsorde? Bent u bereid dit te bespreken met de Israëlische ambassadeur in Nederland en hem duidelijk te maken dat Nederland zulke inmenging niet accepteert?
Het kabinet ziet inmengingsactiviteiten van buitenlandse actoren als een vorm van ongewenste buitenlandse inmenging en vindt dit volstrekt onwenselijk. Er kunnen verder geen uitspraken worden gedaan over individuele casussen. De Israëlische ambassadeur is verzocht zich te melden op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de aantijgingen in de artikelen in The Guardian en +972 Magazine. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Welke stappen heeft u al gezet of gaat u zetten om ondermijning in de toekomst te voorkomen?
Zie het antwoord op de vragen 2, 3 en 6.
Het artikel 'Groenten verrotten onder de grond door extreme regenval: 'Dat gaat onherroepelijk tot tekorten leiden’' |
|
Cor Pierik (BBB) |
|
Piet Adema (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Groenten verrotten onder de grond door extreme regenval: «Dat gaat onherroepelijk tot tekorten leiden»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het weer van de afgelopen weken zo extreem is geweest dat niet alle boeren het bouwplan kunnen uitvoeren dat ze hebben ingediend bij de Gecombineerde opgave?
Ja. De Nederlandse akker- en tuinbouw heeft sinds de afgelopen herfst tot en met dit voorjaar te maken met extreem lang durende natte omstandigheden. In de herfst leidde dit al tot slechte oogstomstandigheden voor de rooigewassen en zelfs niet-geoogste akkers. Dit voorjaar was een groot aantal akkers te nat. Zelfs nu nog ervaren landbouwers mogelijk problemen vanwege de vele neerslag. Hierdoor is een groot aantal akkers erg laat ingezaaid. Intussen zijn veel plannen gewijzigd om rekening te houden met deze natte periode. Het gevolg van dit alles is een allesbehalve optimale start van het teeltseizoen 2024. Ik leef mee met al die boeren en tuinders die zijn getroffen door het natte voorjaar.
Heeft u al concrete plannen om boeren te ondersteunen die door het extreme weer gewassen zijn kwijtgeraakt of bepaalde gewassen niet (meer) kunnen telen dit jaar?
Om de financiële risico’s in de open teelten die het gevolg zijn van extreem weer te beperken, kan een ondernemer zich in Nederland verzekeren via de Brede weersverzekering, die door de overheid met premiesubsidie en vrijstelling van assurantiebelasting wordt ondersteund. Het is de eigen keuze van ondernemers om de Brede weersverzekering (als sluitstuk) voor hun risicomanagement in te zetten.
Op 3 juni 2024 is besloten om de startdata voor diverse activiteiten van de eco-regeling uit te stellen en dat steun ik. Boeren krijgen meer ruimte voor de eco-activiteiten groene braak, kruidenrijk grasland, bufferstroken langs bouwland en blijvende teelt, bufferstrook langs grasland, en weidegang. Daarnaast is de inzaaidatum van GLMC 6 verschoven naar 15 juni.
Deelt u de mening dat het belangrijk is om boeren zoveel mogelijk te ondersteunen in het uitvoeren van de eco-regelingen die horen bij het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) en zo ja, wat zijn de concrete plannen die u daarvoor heeft?
Ik vind het belangrijk om boeren zo veel mogelijk te ondersteunen bij het uitvoeren van eco-activiteiten. Doordat veel landbouwers eco-activiteiten uitvoeren als onderdeel van hun bedrijfsvoering dragen zij in grote mate bij aan de ontwikkeling naar een duurzame landbouw. Waar mogelijk probeer ik flexibiliteit te bieden. Naar aanleiding van het natte voorjaar is eerder al besloten om de startdata voor diverse eco-activiteiten te verschuiven. Hiermee wordt er ruimte geboden voor landbouwers om, ondanks het natte voorjaar, die eco-activiteiten uit te voeren.
Bent u ervan op de hoogte dat na het indienen van de Gecombineerde opgave, boeren weliswaar aanpassingen kunnen doorgeven, maar bij die aanpassingen geen eco-regelingen meer kunnen toevoegen of aanpassen?
Ja.
Deelt u de mening dat het goed zou zijn om dit jaar het aanpassen van de Gecombineerde opgave gepaard te laten gaan met het aanvragen of indienen van (andere) eco-regelingen, zodat boeren worden gestimuleerd om alsnog een ander gewas met een passende eco-regeling te zaaien, als het bij de gecombineerde opgave doorgegeven bouwplan niet langer haalbaar lijkt door de weersomstandigheden?
Ja. Het indienen van andere eco-activiteiten na de sluitingsdatum van de Gecombineerde opgave leidt echter tot grote uitvoeringsproblemen bij RVO. Het is daarom niet mogelijk om na de sluiting van de Gecombineerde opgave op 17 mei 2024 nog nieuwe eco-activiteiten toe te voegen. Wel is er samen met RVO en NVWA waar mogelijk flexibiliteit gezocht in de data waarop activiteiten moeten zijn gestart of gerealiseerd gezien de weersomstandigheden, zoals vermeld in antwoord op vraag 3. Wijzigingen in de aanmelding voor het GLB, waaronder het gewas van de hoofdteelt, kunnen tot en met 2 december 2024 doorgegeven worden. Het is verplicht om in deze periode de bedrijfssituatie actueel te houden. Als een boer door wijziging van het gewas niet meer voldoet aan de opgegeven eco-activiteit, moet de betreffende activiteit worden ingetrokken.
Het toevoegen van eco-activiteiten na de sluiting van de Gecombineerde Opgave zie ik niet als een haalbare optie. Ten eerste maakt dit de regeling financieel instabieler; het is dan pas bij de definitieve opgave te zeggen hoe het budget verdeeld wordt over de deelnemers en of er sprake is van over- of ondertekening. Dat brengt meer onzekerheid voor de deelnemers en overheid. Dat vind ik ongewenst. Ten tweede maakt dit het systeem op sommige aspecten oncontroleerbaar en onuitvoerbaar. Er kan immers bij een aantal activiteiten niet achteraf worden vastgesteld of deze zijn uitgevoerd of niet. De RVO moet de uitbetaling van GLB-subsidies kunnen verantwoorden aan de Europese Commissie. Bovendien is het voor de RVO en de NVWA van belang om tijdig de controles uit te kunnen voeren, met het oog op tijdige uitbetaling van de premies.
Tegelijk vind ik het belangrijk dat de eco-regeling flexibiliteit biedt voor het experimenteren met alternatieve bouwplannen. Daar heb ik invulling aan gegeven door toe te staan dat eco-activiteiten gedurende het jaar mogen worden ingetrokken.
Landbouwers weten dat het toevoegen van eco-activiteiten na het sluiten van de gecombineerde opgave niet mogelijk is, en hebben hier rekening mee kunnen houden in de aanmelding.
Wanneer gaat u het proces in gang zetten om die mogelijkheid te bieden en hoe gaat u die mogelijkheid bieden als het antwoord op vraag zes «ja» is?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Kunt u dan uitleggen waarom niet en of de Europese regels daarvoor wel ruimte zouden laten en zo ja, hoeveel ruimte als het antwoord op vraag zes «nee» is?
Er zijn geen Europese regels gemoeid met het aanpassen van eco-activiteiten binnen de Gecombineerde opgave. Het is voor RVO en NVWA van belang dat er voldoende tijd is om elke eco-activiteit in het veld te controleren voordat de landbouwers uiterlijk 2 december hun aanvraag definitief maken, met het oog op de tijdige uitbetaling van de GLB-premies in december van dit jaar (zie antwoord op vraag 6).
Deelt u de mening dat voor een substantieel deel van de melkveehouders het niet meer haalbaar is om aan de eisen van de eco-regeling voor de verlengde weidegang te voldoen?
Op maandag 3 juni 2024 is, op advies van de certificerende instantie van de eco-activiteit verlengde weidegang (Stichting Weidegang), besloten de startdatum voor de verlengde weidegang te verschuiven en dat steun ik. Ik deel uw mening niet dat melkveehouders niet meer aan de voorwaarden van de eco-activiteit kunnen voldoen. Afhankelijk van het verloop van de rest van het seizoen, kunnen melkveehouders aan de gestelde weidegang-uren voldoen. Stichting Weidegang is tevens schemahouder van de door het bedrijfsleven geïnitieerde weidemelkpremie.
Ziet u kans om de eisen voor de verlengde weidegang aan te passen waarbij, gezien de extreme weersomstandigheden kan worden gekozen om te eisen dat boeren die inschrijven op die eco-regeling te veranderen, bijvoorbeeld van 1.500 uur weidegang naar zo’n 1100 of 1.200 uur weidegang?
Ik vind het belangrijk om boeren zo veel mogelijk te ondersteunen bij het uitvoeren van eco-activiteiten. Het is nu nog te vroeg om te concluderen dat het gestelde aantal uren weidegang niet haalbaar is. Melkveehouders kunnen gedurende het jaar alsnog hun weideganguren behalen. Ik zal de situatie gedurende het jaar goed in de gaten houden en, indien nodig, opnieuw advies vragen aan Stichting Weidegang over aanpassing van de voorwaarden.
Door de weidegang uren bij te stellen wordt het doelbereik van deze eco-activiteit verlaagd.
Ziet u in het licht van vraag acht ruimte om de eisen voor verlengde weidegang zo aan te passen dat boeren dit jaar in het najaar langer de kans krijgen om aan die weidegang-uren te komen?
Ik zie momenteel nog geen aanleiding om de voorwaarden voor de verlengde weidegang aan te passen. Ik monitor de voortgang van de eco-activiteit weidegang nauwkeurig.
Hoe gaat u dat dan precies uitvoeren als het antwoord op vraag negen en/of tien «ja» is?
Niet van toepassing.
Kunt u dan uitleggen waarom dat niet kan en wat er dan wel mogelijk is om de boeren te steunen wat dit betreft en hoeveel ruimte u ziet in de Europese eisen wat dit betreft als het antwoord op vraag negen en tien «nee» is?
Zie antwoord op vraag 9.
Ziet u in het licht van vraag tien en elf ruimte om de veehouders die dat willen nog een maand uitstel te geven voordat ze definitief moeten doorgeven of ze mee gaan doen aan de eco-regeling voor verlengde weidegang?
Boeren kunnen tot en met 2 december definitief doorgeven of ze meedoen aan deze eco-activiteit. Ze kunnen alleen niet nog een nieuwe activiteit kiezen. Zie ook antwoord op vraag 6.
Beloningsverschillen binnen de rechterlijke macht |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Franc Weerwind (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Vrouwe Justitia is blind voor gelijke beloning»1 en herinnert u zich uw Kamerbrief bij het rapport naar onderzoek over beloningsverschillen bij rechterlijke macht?2
Ja.
Deelt u de mening dat als er binnen de rechterlijke macht sprake is van ongelijke startsalarissen tussen vrouwelijke en mannelijke rechters- en officieren-in-opleiding dat daarmee het gezag van de rechterlijke macht wordt ondermijnd als het gaat om het oordelen over ongelijke beloning buiten de rechterlijke macht? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In de Kamerbrief van 24 februari 2023 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een onderzoek over beloningsverschillen in de rechterlijke macht.3 Uit het rapport van Erasmus Q-Intelligence blijkt dat vrouwelijke rechters en officieren van justitie in opleiding (rio’s en oio’s), gemiddeld genomen, bij de start van hun opleiding 3,5% minder verdienen dan hun mannelijke collega’s. Of dit beloningsverschil onder rio’s en oio’s een ondermijnend effect heeft op het gezag van de rechterlijke macht is niet onderzocht. Hierover kan ik daarom geen uitspraken doen. Uit het rapport blijkt wel dat bij benoeming tot rechter of officier van justitie geen sprake meer is van dit beloningsverschil.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat vrouwelijke rechters en officieren van justitie bij de start van hun opleiding gemiddeld 3,5% minder verdienen dan hun mannelijke collega’s? Zo ja, wat is er sinds dit gegeven bekend werd gedaan om dit verschil op te heffen en waar heeft dat toe geleid? Zo nee, waarom niet?
Ja, uiteraard is het onwenselijk wanneer vrouwelijke rio’s en oio’s gemiddeld genomen minder verdienen dan hun mannelijke collega’s. Na het SORM van 23 maart 2023, waarin het rapport over beloningsverschillen is gepresenteerd, is afgesproken dat de partijen met een voorstel komen voor een nieuw inschalingscriterium. Binnen het SORM is sindsdien in het kader van gelijke beloning over verscheidene voorstellen gesproken. Op 18 juli jl. zijn de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) en ik tot overeenstemming gekomen dat de oude afspraak – inschaling op basis van het laatstverdiende loon – wordt losgelaten. In plaats daarvan zal ingeschaald gaan worden op basis van ongewogen werkervaring. Het nieuwe criterium wordt met terugwerkende kracht toegepast op oio’s en rio’s die vanaf 1 juli 2023 zijn ingestroomd.
Heeft u in het kader van het Sectoroverleg Rechterlijke Macht (SORM) na februari 2023 overleg gevoerd over welke stappen er «nodig zijn ten aanzien van het inschalingsbeleid» en daarbij gekeken naar «welke instrumenten ingezet kunnen worden voor de bevordering van gelijke beloning»?2 Zo ja, wat was der uitkomst van dat overleg en waar heeft dit concreet toe geleid als het gaat om het bevorderen van gelijke beloning? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom is het startsalaris van rechters-in-opleiding en officieren-in-opleiding gebaseerd op hun laatst verdiende salaris? Waarom wijkt dit af van andere beroepsgroepen waarbij bij de start ook sprake is van verschillende achtergronden en ervaringen?
In 1994 is in het SORM tussen de voormalige Minister van Justitie en de NVvR afgesproken dat het inschalingscriterium «laatstverdiende salaris» als uitgangspunt gehanteerd zou gaan worden. In 2013 en 2015 is deze afspraak opnieuw vastgelegd, allereerst in een met de NVvR bereikt Akkoord inzake de rechtspositie van de rio en de oio en vervolgens in de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.5 In recente jaren is er meer aandacht gekomen voor de onderzoeken die zijn gedaan naar ongelijke beloning en is er geconstateerd dat werkgevers mogelijk de in de maatschappij bestaande beloningsverschillen in stand houden door het startsalaris te baseren op het laatstgenoten salaris. In het SORM is gezocht naar alternatieve neutrale inschalingscriteria, ook rekening houdende met Richtlijn (EU) 2023/970.6
Deelt u de mening van de onderzoekers uit het genoemde rapport dat het beter is om het startsalaris niet langer op basis van het laatst verdiende salaris te baseren maar dat andere factoren bepalend moeten zijn? Zo ja, waarom en aan welke factoren denkt u dan? Zo nee, waarom niet?
De mening van de onderzoekers deel ik. Naar huidige inzichten is er een risico dat met dit inschalingscriterium onbedoeld eventuele beloningsverschillen uit de samenleving worden geïmporteerd. Zoals in het antwoord op vragen 3 en 4 is uitgelegd, is er in het SORM overeenstemming bereikt over «ongewogen werkervaring» als variant die het laatstverdiende salaris-criterium zal vervangen.
Acht u het wenselijk dat er één uniform salaris voor en na de benoeming tot rechter of officier moet worden ingevoerd? Zo ja, hoe gaat u dit bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vragen 3 en 4 vermeld wordt, heb ik een akkoord bereikt met de NVvR met als uitkomst dat de huidige afspraak wordt losgelaten, zodat het laatste salaris niet langer maatgevend zal zijn bij het bepalen van het startsalaris van een rio of een oio. In dit akkoord is tevens door NVvR, Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal (hierna: OM) afgesproken dat de ongewogen werkervaring leidend zal zijn bij voor het startsalaris van rechters en officieren in opleiding.
Hiermee is het inschalingsbeleid belegd als verantwoordelijkheid van de werkgevers. Dit nieuwe uitgangspunt zal door de Raad voor de Rechtspraak en het College van procureurs-generaal worden uitgewerkt en zal op een zodanige wijze door hen worden afgestemd dat er een gelijke beleidslijn is, waarbij een gelijke ervaringsduur tot dezelfde starttrede leidt voor individuele gevallen binnen OM en Rechtspraak.
Daarnaast, zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 2, blijkt uit het rapport van Erasmus Q-Intelligence dat bij benoeming tot rechter of officier van justitie geen sprake meer is van een beloningsverschil.
Het bericht ‘Vrees voor omvallen van Co-Med in Enschede: wie zouden 9000 patiënten kunnen overnemen?’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u het bericht «Vrees voor omvallen van Co-Med in Enschede: wie zouden 9.000 patiënten kunnen overnemen?» gelezen en wat is uw reactie hierop?1
Ik heb het bericht gelezen en wil allereerst nogmaals benadrukken dat ik geschrokken ben van de signalen over de situaties die zijn ontstaan bij Co-Med praktijken. Deze situatie is onaanvaardbaar. Patiënten moeten erop kunnen rekenen dat ze bij een goede huisarts terecht kunnen. Ik vind het zeer kwalijk dat de zorg bij een aantal locaties van Co-Med niet op orde is.
Op 20 juni 2024 hebben de vier grote zorgverzekeraars hun overeenkomst met Co-Med opgeschort. Dinsdag 25 juni jl. hebben de zorgverzekeraars aangegeven de contracten met Co-Med te gaan beëindigen. Zorgverzekeraars concluderen dat Co-Med de continuïteit van goede zorg niet kan garanderen. Daarom bieden zij een alternatieve oplossing voor patiënten die ingeschreven staan bij een huisartsenpraktijk van Co-Med, inclusief de praktijk in Enschede. De zorgverzekeraars adviseren hun verzekerden om hier per direct gebruik van te maken.
Alle patiënten van Co-Med, ongeacht wie hun zorgverzekeraar is, kunnen via www.cz.nl/co-med per praktijk zien wat het alternatieve aanbod is. Alle patiënten van Co-Med zijn vorig week ook schriftelijk op de hoogte gebracht en geadviseerd gebruik te maken van het alternatieve aanbod.
Het nu beschikbare alternatieve aanbod is een tijdelijke oplossing. Per praktijk liggen ook plannen klaar voor een structurele oplossing. Wanneer de structurele oplossing van kracht kan gaan is afhankelijk van hoe de situatie rondom Co-Med zich ontwikkelt.
Zorgverzekeraars hebben mij laten weten ook het alternatieve aanbod dagelijks te controleren op de gestelde kwaliteitseisen zoals bereikbaarheid en beschikbaarheid van (huis)artsen voor de patiënten.
Ik word al enige tijd regelmatig schriftelijk op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen rondom Co-Med. Sinds 17 juni 2024 heb ik dagelijks contact met de NZa en de IGJ om een update te krijgen over de situatie.
De NZa en de IGJ hebben aangegeven de situatie bij Co-Med zeer nauwlettend te volgen. De IGJ heeft daarbij aandacht voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg en de NZa voor de kwaliteit van bedrijfsvoering en continuïteit van zorg.
De IGJ en NZa wijzen op alternatieven die de zorgverzekeraar aanbiedt.
Ook heeft de NZa mij laten weten dat de regionale huisartsenorganisatie SHT-THOON, met hulp en steun van alle huisartsen in Twente, op 10 juni 2024 een nieuwe huisartsenpraktijk heeft geopend in Enschede voor mensen zonder huisarts2.
Vindt u het wenselijk dat deze 9.000 patiënten in onzekerheid zitten omdat ze bang zijn dat hun huisartsenpraktijk binnenkort failliet gaat?
Zie antwoord vraag 1.
Ligt er een plan klaar op het ministerie voor op het moment dat Co-Med failliet gaat voor alle patiënten van Co-Med? En specifiek voor deze praktijk in Enschede? Zo nee, waarom geeft u geen gehoor aan de motie Dijk en Bushoff over het in overleg gaan met zorgverzekeraars over een plan om huisartsenpraktijken van private-equitybedrijven tijdelijk onder beheer te nemen wanneer deze failliet gaan (Kamerstuk 36 410 XVI, nr. 143)?
Zoals nader uiteengezet in mijn antwoord op vraag 1 en 2 stellen de vier grote zorgverzekeraars en de toezichthouders IGJ en NZa in de huidige situatie bij Co-Med alles in het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. Ik word al enige tijd regelmatig schriftelijk op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen rondom Co-Med. Sinds 17 juni 2024 heb ik dagelijks contact met de NZa en de IGJ om een update te krijgen over de situatie.
Ook heb ik mij sinds 18 juni 2024 al enige malen laten informeren door zorgverzekeraar CZ, die mede namens de andere verzekeraars de regie heeft genomen over de situatie bij Co-Med. Dit gesprek ging over de inspanningen die verzekeraars doen om de continuïteit in de huisartsenzorg voor patiënten van Co-Med te garanderen. In dat gesprek is het niet gegaan over een algemeen plan om alle huisartsenpraktijken van private-equitybedrijven tijdelijk onder beheer te nemen wanneer deze failliet gaan. Een overleg met zorgverzekeraars over dit onderwerp ben ik ook niet voornemens te voeren. Overigens is Co-Med volgens EY weliswaar een commerciële keten, maar niet private-equity gefinancierd3.
Wat is uw reactie op het feit dat andere huisartsenpraktijken last hebben van Co-Med omdat hun patiënten een consult willen hebben die ze bij Co-Med niet krijgen of omdat ze medicatie via de telefoon voorgeschreven krijgen en het niet vertrouwen? Bent u bereid hierover het gesprek aan te gaan met Co-Med?
Ik kan me goed voorstellen dat andere huisartsenpraktijken benaderd worden door patiënten bij Co-Med. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg. Volgens de IGJ heeft Co-Med de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van de zorg in meerdere huisartsenpraktijken structureel niet goed geregeld.
Om die reden heeft de IGJ Co-Med een aanwijzing gegeven. De rechter heeft op 17 april 2024 geoordeeld dat de zakelijke weergave van de aanwijzing openbaar gemaakt kan worden. De aanwijzing is per 9 februari 2024 ingegaan en loopt een half jaar.
Co-Med moet tijdens de looptijd van deze aanwijzing onder andere gegevens aanleveren waaruit blijkt dat de continuïteit van de (spoedeisende) huisartsenzorg tijdens praktijkuren is geregeld. Uit inspectieonderzoek blijkt dat Co-Med nog steeds in strijd handelt met de aanwijzing genoemde LHV-Richtlijnen voor de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de huisartsenzorg en daarmee in strijd met artikel 2 en 3 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Om te bewerkstelligen dat alsnog wordt voldaan aan de aanwijzing heeft de
inspectie Co-Med op 18 juni 2024 een last onder dwangsom opgelegd. Op dit moment bekijkt de IGJ nog wat de beëindiging van het contract door de verzekeraars betekent voor de opvolging van het besluit van 18 juni 2024 om een last onder dwangsom op te leggen.
Wat vindt u ervan dat alle waarnemend artsen in Twente de afgelopen tijd zijn gebeld door Co-Med met de vraag of ze bij hen willen werken? Keurt u deze handelwijze af? Zo nee, waarom niet?
Inmiddels is deze situatie veranderd. In het algemeen is het wel zo dat het aan huisartsen zelf is om te bepalen voor welke organisatie zij willen werken.
Bevestigt u de uitspraken van Co-Med dat de praktijk op dit moment niet op omvallen staat? Zo nee, waarop is deze aanname gebaseerd?
Deze situatie is onaanvaardbaar. Het belangrijkste op dit moment is dat alle patiënten toegang houden tot huisartsenzorg. Ik ben dan ook dankbaar voor de inzet van alle partijen die betrokken zijn bij de totstandkoming van het alternatieve aanbod. Ik besef dat dit van iedereen extra inzet vergt. Daarnaast is het voor de medewerkers van Co-Med ook een onzekere periode. Ik hoop voor alle medewerkers dat er snel duidelijkheid voor hen is over de toekomst.
De zorgverzekeraars en de toezichthouders IGJ en NZa stellen alles in het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. De IGJ en de Nza volgen de situatie nauwlettend en houden mij sinds 17 juni 2024 dagelijks op de hoogte, zoals nader toegelicht in mijn antwoord op vraag 3.
Hoe staat het met uw uitvoering van de motie Dijk (Kamerstuk 36 410 XVI, nr. 142) over zo snel mogelijk een verbod op private-equitypartijen in de huisartsenzorg tot stand brengen en uiterlijk voor het zomerreces wetgeving naar de Tweede Kamer sturen? Wanneer kunnen we deze wetgeving verwachten?
Op 7 juni 2024 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) uw Kamer de brief «Private equity in de zorg» gestuurd4. Met deze brief heeft zij ook gereageerd op de motie Dijk over zo snel mogelijk een verbod op private-equity partijen in de huisartsenzorg tot stand brengen en uiterlijk voor het zomerreces wetgeving naar uw Kamer sturen5.
Op basis van de overwegingen in de brief, gecombineerd met de resultaten uit het onderzoek van EY naar de rol van private equity in de zorg6, is er geen gegronde reden om zorgaanbieders specifiek te verbieden om hun kapitaalbehoefte te dekken met investeringsmiddelen van private equity partijen. Een dergelijke maatregel, die ook het recht op eigendom en het verbod van discriminatie raakt, maakt inbreuk op het vrije verkeer van kapitaal (EU). De noodzaak en
proportionaliteit van een dergelijke maatregel vraagt een stevige onderbouwing om juridisch houdbaar te zijn. Daarvoor ziet het kabinet nu onvoldoende aanknopingspunten7.
Staat u nog steeds achter uw uitspraak dat u niet «zit te wachten op sprinkhanen die ondernemingen leegplukken»? Vindt u dat dat op dit moment wel gebeurt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De Minister van VWS en ik staan nog steeds achter haar uitspraak. Het gaat er bij deze uitspraak in het algemeen om dat het niet gewenst is dat financiële belangen boven de maatschappelijke belangen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg worden gesteld. Dit geldt niet alleen voor private-equitypartijen, maar voor alle zorgaanbieders. Om te voorkomen dat financiële belangen voor deze maatschappelijke belangen komen, ligt momenteel het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders ter advisering bij de Raad van State.
Met het wetsvoorstel wordt het externe toezicht op de integere bedrijfsvoering en winstuitkeringen versterkt, door onder meer een norm voor integere bedrijfsvoering te introduceren en basisvoorwaarden te stellen aan het doen van winstuitkeringen. Onder de norm voor integere bedrijfsvoering valt onder andere het voorkomen van benadeling van de zorg- of jeugdhulpaanbieder bij het bestaan van tegenstrijdige belangen, alsook het voorkomen van onverantwoorde risico’s bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen. Het wetsvoorstel regelt daarnaast een wettelijke grondslag voor het stellen van basisvoorwaarden voor het doen van winstuitkeringen door zorg- en jeugdhulpaanbieders. Deze basisvoorwaarden zullen samenhangen met de kwaliteit van de verleende zorg, de rechtmatigheid van declaraties, de continuïteit van de zorgaanbieder en het voeren van een zorgvuldige en integere bedrijfsvoering.
Welke concrete maatregelen neemt u op dit moment om te voorkomen dat huisartsen stoppen?
Zoals benoemd in de Kamerbrief Stand van zaken versterking huisartsenzorg8 zijn in het afgelopen jaar al verschillende acties ondernomen om het werken met een vaste patiëntenpopulatie aantrekkelijker te maken. Onderdeel van de aanpak is het stimuleren van het praktijkhouderschap. Zo wordt het praktijkhouderschap aantrekkelijker door uitvoering te geven aan de IZA-afspraken zoals Meer Tijd voor de Patiënt; het anders inrichten van avond-, nacht-, en weekenddiensten van huisartsen, en de handreiking huisvestingsproblematiek voor huisartsen en gezondheidscentra.
Verder versterk ik, samen met de veldpartijen, de eerstelijnszorg door middel van de visie eerstelijnszorg 20309. Met deze visie zet het kabinet duidelijk in op langetermijnbeleid voor de eerstelijnszorg, waaronder huisartsenzorg.
Op welke manieren en op welke momenten bent u in contact geweest met Co-Med nadat zij gedeeltelijk failliet zijn verklaard in april jl.? Kunt u alle ambtelijke memo’s, notities of andere voorbereidingen die u hierover heeft ontvangen naar de Kamer toesturen?
Ik heb zelf geen contact gehad met Co-Med en word al enige tijd regelmatig schriftelijk op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen rondom Co-Med. Sinds 17 juni 2024 heb ik dagelijks contact met de NZa en de IGJ om een update te krijgen over de situatie. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk de gevraagde ambtelijke stukken sturen over ontwikkelingen bij Co-Med na het faillissement op 16 april 2024 van PCC Tele-Services Amsterdam, een dochteronderneming van Co-Med. In het kader van zorgvuldigheid zal ik een zienswijze vragen aan de belanghebbenden bij de te openbaren stukken.
De rechtsbescherming van ouders en kinderen bij spoedverzoeken aan de kinderrechter |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Tromp over de tekortschietende rechtsbescherming van ouders en kinderen bij spoedverzoeken aan de kinderechter?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Deelt u de daarin neergelegde visie dat de urgentie om een spoedmaatregel te nemen niet afdoet aan de verplichting van de kinderrechter om de genomen beslissing controleerbaar en aanvaardbaar te motiveren, zowel ten aanzien van (i) de beslissing om zonder zitting een beslissing te nemen en ten aanzien van (ii) de concrete feiten en omstandigheden waarop de genomen beslissing rust?
Diverse rapporten en adviezen hebben mij duidelijk gemaakt dat wat de jeugdbescherming betreft verbeteringen in de rechtsbescherming van ouders en kinderen noodzakelijk zijn. Binnen mijn ministerie wordt, in overleg met ketenpartners, onder meer gewerkt aan een wetsvoorstel ter verbetering van die rechtsbescherming. In dat kader zijn we ook in overleg over mogelijkheden de rechtsbescherming bij de spoedprocedure uithuisplaatsing te verbeteren, zoals het verkorten van de wettelijke termijn van 14 dagen en het verbeteren van de motivering. Over de contouren van het wetsvoorstel wordt uw Kamer in het najaar van dit jaar geïnformeerd. Overigens is de termijn van 14 dagen een maximale termijn. Ik heb begrepen dat de Rechtspraak waar mogelijk zaken eerder op zitting plaatst.
Deelt u de in het artikel neergelegde visie dat de rechtsbescherming van ouders (en kinderen) moet worden versterkt doordat wanneer beslissing is genomen zonder voorafgaande zitting, alsnog binnen uiterlijk drie dagen een zitting moet plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de in het artikel neergelegde visie dat de rechtsbescherming van ouders (en kinderen) moet worden versterkt door toevoeging van een advocaat aan de ouders?
Op dit moment loopt er een pilot die onder meer regelt dat ouders die betrokken zijn bij een procedure waarin een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht, aanspraak kunnen maken op kosteloze rechtsbijstand door een advocaat. De pilot loopt tot en met 31 december 2024. In de zomer van 2024 worden de eindresultaten van de monitoring van de pilot verwacht. Het is aan het nieuwe kabinet om te beslissen of, en zo ja op welke wijze (kosteloze) rechtsbijstand aan ouders verder vorm moet krijgen.
Deelt u de in het artikel neergelegde visie dat bezien vanuit de artikelen 6 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het besluitvormingsproces na een spoedverzoek de in het artikel beschreven gebreken vertoont?
Het artikel geeft een heldere weergave van verschillende aspecten van de spoedprocedure voor kinderbeschermingsmaatregelen en de mate waarin die naar de visie van de auteur al dan niet in lijn zijn met de eisen uit de artikelen 6 en 8 EVRM. Zoals de auteur echter ook heeft benoemd, leent de beoordeling van een klacht door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich niet voor algemene conclusies over regelgeving van een lidstaat. Tegelijkertijd kan ik de auteur volgen in zijn uiteenzetting van de eisen die het EVRM stelt aan het recht op een eerlijk proces in samenhang met het recht op bescherming van het gezinsleven in relatie tot de kinderbeschermingswetgeving. Zoals ik in het antwoord op de vragen 2 en 3 heb aangegeven wordt binnen mijn ministerie, in overleg met ketenpartners, onder meer gewerkt aan een wetsvoorstel ter verbetering van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Ook de rechtsbescherming in geval van spoedprocedures heeft hierbij mijn aandacht.
Deelt u de in het artikel neergelegde visie dat wanneer de wetgever de spoedprocedure in het jeugdrecht zou inrichten in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit het EVRM, de procedure zou zijn ingericht in overeenstemming met de in 2020 ingevoerde Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet zorg en dwang (Wzd)?
De burgemeester kan op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) een crisismaatregel nemen en op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrisch en verstandelijke gehandicapte cliënten (Wzd) een inbewaringstelling afgeven. De crisismaatregel kan verschillende vormen van gedwongen zorg omvatten, zoals gedwongen medicatie of opname. Een inbewaringstelling heeft alleen betrekking op een gedwongen opname. Met dit ingrijpen op grond van de Wvggz of de Wzd worden inderdaad grondrechten van de betrokken personen beperkt. De duur van een crisismaatregel of inbewaringstelling is drie dagen. Voor de voortzetting ervan is een machtiging door de rechter vereist.
Zoals gezegd heeft ook de rechtsbescherming in geval van spoedprocedures mijn aandacht bij het verbeteren van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming. De eisen die het EVRM stelt, vormen daarbij uiteraard het uitgangspunt. Procedures kunnen binnen de kaders van het EVRM op verschillende manieren worden ingericht. Ik kijk daarbij ook naar wat we kunnen leren van de manier van ingrijpen op grond van de Wvggz dan wel de Wzd en of er elementen uit deze procedures wellicht toepasbaar zijn in spoedprocedures ten aanzien van kinderbeschermingsmaatregelen.
Als u die visie deelt, welke maatregelen wilt u dan treffen om de rechtsbescherming in lijn met het artikel te versterken, zodat ouders en kinderen in ieder geval de minimale rechtsbescherming krijgen die hen verdragsrechtelijk toekomt?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de visie van Tromp die stelt dat bij het nemen van een crisismaatregel op grond van de Wvggz en de Wzd een inbreuk wordt gemaakt op dezelfde fundamentele rechten als bij een spoedmaatregel in de jeugdzorg? Zo ja, noodzaakt dat dan niet dat ouders en kinderen hetzelfde hoge niveau van rechtsbescherming krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
U hebt besloten om onderzoek te doen naar de onterechte uithuisplaatsingen2: wat is de stand van zaken met betrekking tot dat onderzoek?
Tijdens het debat over de Hervormingsagenda Jeugd van 27 juni 2023 heeft het lid Maeijer (PVV) vragen gesteld over een artikel in het Algemeen Dagblad waarin gesproken werd over een «onterechte uithuisplaatsing». In die betreffende casus waren kinderen uithuisgeplaatst, zonder machtiging van de kinderrechter.
Ik heb mijn ministerie gevraagd hier onderzoek naar te doen, door het gesprek aan te gaan met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Jeugdzorg Nederland. In de verzamelbrief jeugdbescherming van 18 oktober 2023 heb ik u hierover geïnformeerd.3
De Gecertificeerde Instellingen (GI’s) hebben aangegeven dat het hier een uitzonderlijke situatie betreft en hen geen andere gevallen bekend zijn waar dit aan de orde is geweest. Zij zijn er zich terdege van bewust dat in het kader van een ondertoezichtstelling voor een uithuisplaatsing altijd een machtiging moet worden aangevraagd bij de rechter. De GI’s besteden hier structureel aandacht aan in de juridische trainingen die deel uitmaken van de opleiding van jeugdbeschermers.
De IGJ heeft aangegeven dat er op basis van bij haar bekende signalen geen reden is om nader onderzoek te doen naar het stelselmatig voorkomen van onrechtmatige uithuisplaatsingen.
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2024, waarin opnieuw een onterechte uithuisplaatsing centraal staat als gevolg van een – zo blijkt uit de uitspraak – een onzorgvuldig genomen spoedmaatregel?3
De uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2024 is mij bekend. In navolging van eerdere rapporten en adviezen maakt ook deze uitspraak duidelijk dat het feitenonderzoek in de jeugdbescherming beter moet. Om die reden faciliteer ik een vervolg op het Actieplan Verbetering Feitenonderzoek.
In bovengenoemde brief die in het najaar van dit jaar naar uw Kamer gaat, zal ik u ook informeren over de stand van zaken met betrekking tot het vervolg op het Actieplan Verbetering Feitenonderzoek.
Vindt u dat die uitspraak van de rechtbank Den Haag in samenhang genomen met de eerdere uitspraken die u onderzoekt en die hebben geleid tot onterechte uithuisplaatsingen, noopt tot onmiddellijke versterking van de rechtsbescherming van ouders en kinderen?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid om, vooruitlopend op wetgeving, maatregelen te nemen die ertoe leiden dat in lijn met het hoge niveau van rechtsbescherming die de Wvggz en de Wzd aan de betrokkene bieden, ouders en kinderen altijd een controleerbaar en aanvaardbaar gemotiveerde beschikking krijgen, binnen uiterlijk drie dagen na het nemen van een spoedmaatregel worden gehoord en dan worden bijgestaan door een advocaat naar eigen keuze of bij gebreke van een eigen keuze ambtshalve toe te voegen advocaat?
Binnen mijn ministerie wordt, samen met de keten, hard gewerkt aan verbetering van de rechtsbescherming, onder andere middels een wetsvoorstel. De eisen die het EVRM stelt vormen daarbij uiteraard het uitgangspunt.
Het is aan het nieuwe kabinet verdere beslissingen te nemen over hoe de verbetering van de rechtsbescherming vorm te geven, waaronder ook de vraag of, en zo ja op welke wijze (kosteloze) rechtsbijstand aan ouders verder vorm moet krijgen.
Voor het overige verwijs ik in dit verband naar de antwoorden op bovenstaande vragen.
Als die bereidheid bij u ontbreekt, kunt u dan toelichten hoe in weerwil van wat Tromp in zijn artikel stelt, wel kan worden aangenomen dat de rechtsbescherming van ouders en kinderen beantwoordt aan de verdragsrechtelijke uitgangspunten die in het artikel worden genoemd?
Zie antwoord vraag 12.
De verplichte ‘Intelligente Snelheidsassistentie’ (ISA) in auto's |
|
Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Waarom alle nieuwe auto's na 6 juli heel irritant gaan piepen als je 1 kilometer te hard rijdt»1, «Auto moet gaan piepen als je harder dan de maximumsnelheid rijdt: nog de nodige haken en ogen aan rijhulp»2 en «Verplichte intelligent speed assistance: dit moet je weten»3?
Ja.
Klopt het dat vanaf 7 juli 2024 in alle nieuwe auto's de «Intelligente Snelheidsassistentie»/«Intelligence Speed Assistance» (ISA), waarmee auto’s gaan piepen bij snelheidsovertredingen, verplicht wordt vanwege EU-wetgeving?
Ja, het klopt dat vanaf 7 juli 2024 nieuw op de markt gebrachte auto’s vanwege de EU-verordening 2019/2144 verplicht een intelligente snelheidsassistent (ISA) moeten hebben. De Kamer is hierover op 1 juli 2022 geïnformeerd.4
ISA is een systeem in de auto om de bestuurder te helpen zich aan de geldende maximumsnelheid te houden. ISA kent verschillende varianten. De variant die per 7 juli a.s. verplicht wordt, is de waarschuwende variant waarbij de bestuurder altijd zelf de snelheid van de auto kan blijven bepalen. De waarschuwing kan worden gegeven via beeld, geluid of lichte tegendruk of trilling van het gaspedaal. De voertuigfabrikant mag een marge van maximaal 3% ten aanzien van de waargenomen snelheidslimieten hanteren voordat deze een waarschuwing geeft. ISA moet door de bestuurder uit te schakelen zijn en standaard aan staan bij het starten.
In hoeverre bent u het ermee eens dat maatregelen voor verkeersveiligheid van groot belang zijn, maar dat nieuwe systemen geen grote foutmarge mogen hebben en dat rekening gehouden moet worden met gebruikservaring van automobilisten?
Het nemen van maatregelen om de verkeersveiligheid op de weg te verbeteren is van groot belang. Ook is het Ministerie van mening dat nieuwe rijhulpsystemen in auto’s geen grote foutmarge mogen hebben. Daarom worden er op Europees niveau eisen gesteld waar ISA-systemen aan moeten voldoen. De fabrikant moet aantonen dat ISA de correcte snelheidslimiet bepaalt voor ten minste 90% van de totale afstand en voor ten minste 80% van de afgelegde afstand op elk van de drie wegtypen (stedelijke wegen en straten, niet-stedelijke wegen en autosnelwegen/autowegen/wegen met gescheiden rijbanen). Ook dient er rekening gehouden te worden met de gebruikerservaring van automobilisten. De voertuigfabrikant mag een marge van maximaal 3,0% ten aanzien van de waargenomen snelheidslimieten hanteren voordat het systeem een waarschuwing geeft. Het Ministerie van IenW monitort de gebruikservaring en tevredenheid van rijhulpsystemen, waaronder ISA, in de periodieke Monitor Smart Mobility.
Welk bewezen effect heeft deze nieuwe regel op het omlaag brengen van het aantal verkeersslachtoffers?
Het Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) laat in haar studie een verwachte reductie zien van 18% op dodelijke ongevallen en 13% op ongevallen met ernstig verkeersgewonden door het gebruik van een waarschuwend ISA systeem.5 De Europese Commissie gaat de daadwerkelijke effectiviteit van deze maatregel uiterlijk op 7 juli 2027 evalueren.
Klopt het dat het systeem nog onvoldoende goed werkt om juist verkeersveiligheid te bevorderen?
De systemen die nu op de weg rijden voldoen aan de gestelde Europese eisen. De fabrikant moet aantonen dat ISA de correcte snelheidslimiet bepaalt voor ten minste 90% van de totale afstand en voor ten minste 80% van de afgelegde afstand op elk van de drie wegtypen (stedelijke wegen en straten, niet-stedelijke wegen en autosnelwegen/autowegen/wegen met gescheiden rijbanen).
Als onderdeel van het proces van toelating wordt er door goedkeuringsinstanties getoetst of het systeem daaraan voldoet.
In welke mate kan een niet goed functionerend ISA-systeem juist contraproductief werken voor de verkeersveiligheid?
Bij het gebruik van ISA is de bestuurder verantwoordelijk voor het naleven van de relevante verkeersregels. ISA is een hulpsysteem dat de bestuurder naar beste vermogen ondersteunt, om de bestuurder waar mogelijk en waar passend te waarschuwen. Vooralsnog is er geen duidelijk wetenschappelijk bewijs dat door ISA negatieve effecten op de verkeersveiligheid optreden. En hoewel enige negatieve effecten niet uit te sluiten zijn, geeft het SWOV aan dat het netto-effect van ISA naar verwachting positief is.
Herkent u de signalen dat ISA nog lang niet altijd goed werkt, bijvoorbeeld wanneer een snelheidsbord op een naastgelegen weg staat of wanneer de camera een verkeersbord verkeerd leest?
Fabrikanten moeten aantonen dat ISA de correcte snelheidslimiet bepaalt voor ten minste 90% van de totale afstand en voor ten minste 80% van de afgelegde afstand op elk van de drie wegtypen (stedelijke wegen en straten, niet-stedelijke wegen en autosnelwegen/autowegen/wegen met gescheiden rijbanen). Het kan gebeuren dat ISA een onjuiste waarschuwing geeft. Het systeem werkt op herkenning van verkeersborden en op basis van een digitale snelhedenkaart. Om ervoor te zorgen dat ISA de maximale snelheden correct weergeeft en herkent in zoveel mogelijk gevallen, zorgt Nederland ervoor dat de informatievoorziening zowel digitaal (digitale snelhedenkaart) als fysiek (borden langs de weg) op orde is. Het blijft de verantwoordelijkheid van de autofabrikant om de correcte maximumsnelheid door te geven.
Hoe beoordeelt u dat in de praktijk de verbinding tussen de informatie in de auto en de daadwerkelijk toegestane snelheid vaak niet blijkt te kloppen, waardoor plotselinge situaties op de weg kunnen ontstaan die gevaarlijk kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe beoordeelt u dat de irritaties in de praktijk vanwege het niet goed functioneren van het systeem contraproductief zouden kunnen werken?
Maatschappelijk draagvlak voor ISA is belangrijk om ervoor te zorgen dat automobilisten het systeem niet uitzetten. Het ministerie voert jaarlijks een Monitor Rijtaakautomatisering uit, om onder andere het kennisniveau over – en de waardering van – het gebruik van ISA in kaart te brengen.
Uit de meest recente monitor (december 2023) blijkt dat een deel van de automobilisten afleiding ervaart door het gebruik van rijhulpsystemen. De reden hiervoor kan niet direct worden vastgesteld en daarom is een vervolgonderzoek toegezegd.6
Deze resultaten agendeert Nederland in de High Level Group Road Safety, een adviesorgaan binnen de Europese Unie. Signalen uit de monitor worden ook op nationaal niveau besproken met de leden van de ADAS Alliantie, waaronder de BOVAG, RDW, RAI Vereniging en ANWB. De ADAS Alliantie houdt zich bezig met het stimuleren van het veilig gebruik van rijhulpsystemen (Advanced Driver Assistance Systems, ADAS).
Hoe duidt u de door de ANWB geplaatste kanttekening dat ISA pas ingevoerd zou moeten worden wanneer een databank met snelheidslimieten bestaat die compleet actueel is?
De visie wordt gedeeld dat het hebben van een complete en actuele databank met snelheidslimieten van belang is. Om ervoor te zorgen dat ISA de maximale snelheden correct weergeeft en herkent in zoveel mogelijk gevallen, zorgt Nederland ervoor dat de informatievoorziening zowel digitaal (digitale snelhedenkaart) als fysiek (borden langs de weg) op orde is. Zie ook antwoord 12.
Is het toegestaan voor autofabrikanten om een marge in te bouwen, zodat niet bij een snelheidsovertreding van 1 kilometer per uur een auto gaat piepen? Wat vindt u daarvan?
Ja, dat is toegestaan. De voertuigfabrikant mag een marge van maximaal 3,0% ten aanzien van de waargenomen snelheidslimieten hanteren voordat deze een waarschuwing geeft. Naar aanleiding van de evaluatie van de Europese Commissie uiterlijk in 2027 kan beoordeeld worden of deze 3,0% effectief gebleken is.
Welke stappen worden gezet om te voorkomen dat het systeem niet goed functioneert?
Om het systeem goed te laten functioneren zet het ministerie in samenwerking met betrokken partijen stappen op een aantal terreinen:
Welke stappen worden gezet om het systeem goed te laten functioneren?
Zie antwoord vraag 12.
Is bekend wat ISA en andere verplichte maatregelen zoals Lane Assist betekenen voor de aanschafprijs van auto’s?
Om te beoordelen welke rijhulpsystemen Europees te verplichten, is door de Europese Commissie een kosten-/baten analyse uitgevoerd. Aan de hand van de resultaten uit deze analyse is bepaald dat de kosten en baten van het verplichtstellen van de desbetreffende rijhulpsystemen tegen elkaar opwegen.
In de volgende editie van de Monitor Smart Mobility, die naar verwachting begin 2025 wordt opgeleverd, worden de kosten van onder andere rijhulpsystemen en andere smart mobility toepassingen meegenomen. Op deze manier wordt het inzichtelijker wat voor kosten deze ontwikkelingen voor de bestuurder, maar ook voor overheden, met zich meedragen.
Blijven de data die worden verzameld door de ISA eigendom van de automobilist?
ISA is een systeem dat de, op dat moment gereden snelheid vergelijkt met de lokaal geldende snelheidslimiet. Het systeem legt deze data niet vast en deelt deze ook niet. Er worden geen persoonsgegevens verwerkt.
Is ingeregeld dat de data van de automobilist alleen kunnen worden gebruikt door de Europese Unie (EU), autofabrikanten of andere bedrijven als de automobilist hiervoor expliciet toegang heeft verleend?
Het algemene uitgangspunt is dat de zeggenschap over data die door een voertuig gegenereerd wordt bij de eigenaar van het voertuig ligt.7 Wanneer data betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare levende natuurlijke persoon is er sprake van persoonsgegevens. Persoonsgegevens van de automobilist mogen door de EU, autofabrikanten of andere bedrijven alleen gedeeld worden wanneer hiervoor een grondslag is in het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Bent u bereid om, gezien het feit dat voor autobedrijven niet altijd duidelijk is welke rijhulpsystemen op een auto zitten, wat tevens de uitleg en voorlichting aan een consument voor het juiste gebruik van een rijhulpsysteem lastig maakt, een registratiesysteem te verkennen waarbij voor autobedrijven inzichtelijk is welke rijhulpsystemen op een auto zitten?
Het is belangrijk dat autobedrijven inzicht hebben in welke rijhulpsystemen er in een auto zitten, zodat ze consumenten voldoende kunnen informeren.
Wanneer een voertuig wordt ingeschreven of op kenteken wordt gezet wordt in Nederland het Certificaat van Overeenstemming (CVO) meegestuurd naar de RDW. Dit geldt voor alle vormen van inschrijving in Nederland, inclusief de versnelde inschrijving (versnelde kentekenregeling). Dit certificaat bevat veel details over de technische kenmerken van het voertuig en wordt afgegeven na goedkeuring. Op dit certificaat staat sinds januari 2024 ook welke rijhulpsystemen er in de auto zitten.
Vanaf 5 juli 2026 moeten alle fabrikanten het certificaat digitaal beschikbaar stellen voor vanaf dan geproduceerde voertuigen. Ook moet de lidstaat waar het voertuig is goedgekeurd, de digitale certificaten publiek beschikbaar maken en opvraagbaar via het «voertuig identificatienummer» (VIN), ook bekend als het chassisnummer. Via welk gemeenschappelijk elektronisch systeem en volgens welke eisen dit moet gebeuren, wordt op dit moment op Europees niveau uitgewerkt. Door dit op Europees niveau te harmoniseren kan iedereen ook het CVO opvragen van voertuigen die in andere Europese landen zijn goedgekeurd.
Kunt u daarbij de mogelijkheid meenemen om de registratie van rijhulpsystemen automatisch mee te nemen bij de versnelde kentekenregeling?
Zie antwoord vraag 17.
Welke stappen onderneemt u om het juiste gebruik en de bekendheid van de aanwezige rijhulpsystemen onder alle autobezitters te stimuleren?
In de afgelopen jaren zijn door deelnemers aan de ADAS Alliantie diverse projecten opgestart, waaronder een campagne «SLIM», om bekendheid met en veilig gebruik van ADAS, waaronder ISA, te stimuleren.
Het veilig gebruik van ADAS verdient blijvend aandacht en daarom heb ik het ADAS-convenant op 18 december 2023 opnieuw ondertekend. Dit convenant heeft een looptijd van 3 jaar, voor de periode van 18 december 2023 tot 18 december 2026. Binnen de ADAS Alliantie werkt het ministerie samen met 63 partijen om het veilig gebruik van rijhulpsystemen deze periode verder te vergroten.
Kunnen we, omdat rijhulpsystemen het beste werken als ze door automobilisten ook op de juiste manier worden gebruikt en niet frustreren, het gebruik van rijhulpsystemen beter monitoren?
Het gebruik van rijhulpsystemen wordt op dit moment al gemonitord. In de jaarlijkse Monitor Rijtaakautomatisering neemt het ministerie de cijfers over het gebruik van rijhulpsystemen mee. De monitor gaf aanleiding tot vervolgonderzoek naar afleiding door rijhulpsystemen. De ADAS Alliantie stelt momenteel een werkplan op. Hierin staan de acties opgenomen die zij gedurende de looptijd van het ADAS-convenant gaan uitvoeren. De opgedane resultaten uit de Monitor Rijtaakautomatisering worden hierin meegenomen.
Bent u bereid om over de monitoring met de RDW en de ADAS-alliantie (Advanced Driver Assistance Systems) het gesprek aan te gaan?
Ja, het ministerie is met de ADAS alliantie in gesprek over de monitoring van rijhulpsystemen. Dit gesprek wordt onder andere gevoerd aan de hand van de resultaten uit de jaarlijkse Monitor Rijtaakautomatisering. De RDW is lid van het kernteam van de ADAS Alliantie.
De exportkredietverzekering voor het LNG-project in Mozambique |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Atradius DSB (ADSB) met de herbeoordeling van de exportkredietverzekering (ekv) voor het LNG-project in Mozambique is begonnen, zoals Staatssecretaris Van Rij schrijft in zijn beantwoording van vragen van leden Hirsch en Teunissen1? Hoe wordt er door ADSB in de herbeoordeling verslag gelegd over de aanvallen op Palma in 2021 en het handelen van TotalEnergies tijdens deze aanvallen, dat zich kenmerkte door bijvoorbeeld het ontbreken van een evacuatieplan en het sluiten van de poorten voor vluchtende burgers?
Ja, dat klopt. Atradius DSB (ADSB) heeft een uitgebreide herbeoordeling van het project uitgevoerd en deze aan de Staat voorgelegd. In deze beoordeling is veel aandacht voor de veiligheidssituatie in de regio en incidenten die zich sinds 2017 hebben voorgedaan, waaronder de aanval op Palma in maart 2021 door jihadistische rebellen. In lijn met de Proximities-aanbevelingen wordt in de herbeoordeling daarnaast dieper ingegaan op de onderliggende grondoorzaken en lange termijn effecten van het conflict. Ook wordt er specifiek aandacht geschonken aan de verantwoordelijkheden die TotalEnergies (Total) heeft voor de veiligheid van werknemers en onderaannemers, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in het evacuatieprotocol.
Is er betrouwbaar en onafhankelijk onderzoek gedaan naar wat er tijdens de aanval op Palma gebeurde? Zo ja, door wie? Hoeveel mensen zijn er tijdens de aanval op Palma vermoord? Is er onderzocht wat er tijdens de aanval en in de nasleep ervan is gebeurd op Afungi, het schiereiland waar het LNG-project zich bevindt? Zijn er conclusies getrokken over de rol van Total tijdens deze aanval? Zo ja, welke? Deelt u de mening dat over deze vragen duidelijkheid moet bestaan voor een herstart van het LNG-project in Mozambique?
De gebeurtenissen in Palma en het handelen van Total tijdens deze aanval zijn integraal onderdeel van de herbeoordeling door ADSB, dat zich mede baseert op rapportages van onafhankelijke externe adviseurs. Hoewel exacte getallen ontbreken, meldt de onafhankelijke veiligheidsadviseur van de betrokken exportkredietverzekeraars dat er tot en met eind september 2023 in geheel Cabo Delgado ongeveer 4.750 dodelijke slachtoffers zijn te betreuren, waarvan circa 2.000 als gevolg van politiek gemotiveerd geweld gericht tegen de burgerbevolking.
Bent u op de hoogte van het feit dat het Franse Openbaar Ministerie een vooronderzoek is gestart naar het handelen van Total gedurende de Palma aanvallen in 2021? Zo ja, hoe heeft dit onderzoek invloed op uw beslissing om de ekv voor dit project in stand te houden, het project te blijven steunen en een eventuele herstart?
Ja, het kabinet is op de hoogte van het vooronderzoek. De Staat beschikt niet over de inhoudelijke informatie uit het Franse vooronderzoek en dit aspect kan daarom geen onderdeel uitmaken van het proces van herbeoordeling en besluitvorming.
Heeft u kennisgenomen van het incident2 in maart 2022 waarbij twee vissers zijn doodgeslagen nabij Quitunda, het dorp bij de projectlocatie, waarschijnlijk met betrokkenheid van Rwandese militairen die daar waren om veiligheid voor het LNG-project te bieden? Hoe beoordeelt ADSB de huidige aanwezigheid van verschillende militaire groeperingen in de regio, die met name aanwezig zijn om het LNG-project te beschermen?
Het kabinet is bekend met dit ernstige incident. Het kabinet beschikt niet over informatie die het verband tussen het dodelijke incident en de betrokkenheid van buitenlandse militairen bevestigt. In algemene zin geldt dat militaire betrokkenheid van omringende landen van belang is voor het herstellen en handhaven van de veiligheid in Cabo Delgado.
Bezoekt ADSB het projectgebied in het kader van de herbeoordeling? Op welke manier zorgt ADSB ervoor dat zij gedurende dergelijke bezoeken betrouwbare onafhankelijke informatie kan verzamelen?
ADSB heeft het projectgebied in de afgelopen jaren viermaal bezocht. Het laatste bezoek vond plaats in februari 2024 ten behoeve van de herbeoordeling. Bij een eventuele herstart zal ADSB dergelijke bezoeken blijven uitvoeren in het kader van monitoring, onder andere op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo). Tijdens deze bezoeken probeert ADSB betrouwbare informatie te verzamelen door met zoveel mogelijk verschillende belanghebbenden, waaronder lokale bewoners, belangengroepen en projectmedewerkers, te spreken. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen wint ADSB daarnaast ook altijd informatie in bij andere bronnen, waaronder de ambassade, lokale en internationale ngo’s en onafhankelijke consultants.
Klopt het dat de herbeoordeling de inbreng van het maatschappelijk middenveld meeneemt, zoals u in de Kamerbrief van 15 december 2023 schrijft3? Op welke manier wordt de input van het maatschappelijk middenveld, zowel in Cabo Delgado als internationaal, meegenomen in de herbeoordeling? Gezien de conclusies van het Proximities rapport dat de gesproken partijen uit het maatschappelijk middenveld niet voldoende gehoord zijn, wat gaat ADSB hierin nu anders doen dan tijdens het vorige onderzoek? Spreekt ADSB met het lokale maatschappelijk middenveld zonder dat daarbij andere partijen aanwezig zijn? Hoeveel tijd neemt ADSB om stemmen uit het maatschappelijk middenveld te horen? Welke vragen worden aan het maatschappelijk middenveld gesteld?
Ja, dat klopt. In de herbeoordeling wordt de inbreng van het maatschappelijk middenveld meegenomen, zoals vermeld in de Kamerbrief van 15 december 2023. ADSB verzamelt lokaal informatie via verschillende kanalen, waaronder de ambassade, lokale vertegenwoordigers van betrokken consultants en het project zelf. Daarnaast heeft ADSB direct contact met lokale stakeholders zonder betrokkenheid van het project. Nederlandse ngo's met lokale partners delen ook informatie over het project en de projectomgeving met ADSB en de betrokken ministeries. ADSB vraagt stakeholders naar hun visie op het project en waar verbeteringen kunnen worden aangebracht. Deze informatie wordt meegewogen in de herbeoordeling van het project.
Gezien het gegeven dat maatschappelijke organisaties in Cabo Delgado en Palma een belangrijke controlefunctie uitoefenen ten aanzien van Total, maar tegelijkertijd onder druk worden gezet door Total om financiële middelen te accepteren, wat doet de Nederlandse overheid om deze organisaties te ondersteunen bij het uitoefenen van hun taak als onafhankelijke waakhond? Kan de Nederlandse overheid meer doen, en zo ja, wat?
Total heeft een stichting opgezet genaamd «Pamoja Tunaweza» en hier 200 miljoen euro voor gereserveerd om projecten uit te voeren die de bevolking van Cabo Delgado ten goede komen. Deze stichting staat onder leiding van een voormalig hoofd van UNDP in Mozambique en kan binnen vooraf afgesproken kaders zelfstandig opereren. Er zijn geen aanwijzingen dat deze stichting maatschappelijke organisaties dwingt geld aan te nemen.
Het kabinet vindt de rol van het maatschappelijk middenveld belangrijk, ook in Cabo Delgado en Palma, en biedt hiervoor ondersteuning. De ambassade, ADSB en de betrokken ministeries blijven in contact met lokale en internationale ngo’s om zodoende zicht te houden op hun visie en de ruimte voor het maatschappelijk middenveld.
Hoe zal u garanderen dat de bronnen waar de herbeoordeling op zal moeten bouwen zo onafhankelijk mogelijk zijn en dat de informatie van journalisten, internationale ngo’s en de Nederlandse ambassades dit keer wel gewicht krijgen in het oordeel om een doorstart te mogen goedkeuren?
ADSB en de ministeries raadplegen een breed scala aan informatiebronnen voor de herbeoordeling van het project. De informatie van het project zelf, maar ook van onafhankelijke adviseurs, journalisten, internationale ngo’s en de Nederlandse ambassade wordt integraal meegewogen in de beoordeling.
Met deze aanpak beogen ADSB en de ministeries een grondige en objectieve herbeoordeling waarin alle relevante informatie wordt meegewogen in het besluitvormingsproces.
Klopt het dat naar aanleiding van het rapport van Proximities een externe onafhankelijk veiligheidsadviseur door ADSB wordt ingeschakeld, zoals u in de Kamerbrief van 15 december 2023 schrijft4? Wat is het mandaat van deze expert? Welke vragen gaat de expert beantwoorden? Hoe doet de expert onderzoek en is veldbezoek daar onderdeel van?
Om de onafhankelijke informatiepositie nog steviger te kunnen waarborgen en de Staat integraal te kunnen adviseren over veiligheidsaspecten is Clingendael gevraagd om ADSB te ondersteunen bij het beoordelen van de veiligheidsrisico’s omtrent het project. De onderzoekers van Clingendael hebben zich primair gericht op het ondersteunen van ADSB bij het analyseren van de beschikbare informatie en de adviezen van de onafhankelijke veiligheidsadviseur van de exportkredietverzekeraars. Zij zijn tevens gevraagd om te onderzoeken of het geschetste beeld representatief is. Daartoe hebben de onderzoekers gekeken naar de grondoorzaken van het conflict en de impact van het project op de omgeving op zowel de korte termijn als lange termijn. Een veldbezoek maakte geen onderdeel uit van de opdracht. Wel hebben de onderzoekers aantoonbare relevante ervaring en affiniteit met het projectgebied.
Wanneer verwacht u een voorlegging van ADSB te ontvangen?
ADSB heeft op 15 maart jl. een eerste advies aan de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken voorgelegd. Dit is het startpunt voor de beoordeling door de ministeries. Het kabinet hecht groot belang aan een zorgvuldige weging op basis van het beleidskader voor de ekv. Voor een dergelijk groot en complex project neemt in de regel het besluitvormingsproces enige tijd in beslag. Ook vanaf het moment van het eerste advies blijven ADSB, de ambassade en de betrokken ministeries alle relevante ontwikkelingen volgen. Zodra het besluitvormingsproces is afgerond zal ik uw Kamer informeren.
Hebben Van Oord en/of Standard Chartered Bank tot op heden trekkingen gedaan onder de op 25 maart 2021 afgegeven verzekeringspolissen? Zo ja, om welk bedrag gaat het?
Nee.
Deelt u de mening dat mede door de betrokkenheid van de Tweede Kamer bij deze casus belangrijke informatie naar buiten is gekomen, bijvoorbeeld door het aanvragen van het Proximities rapport? Is het daarom niet nuttig om de uitkomsten van het herbeoordelingsproces ook te bespreken in de Tweede Kamer voordat er een besluit genomen wordt, zoals de motie Thijssen c.s.5 vraagt, maar wat u in de wijze van uitvoering heeft aangegeven niet te willen doen6 ?
Het kabinet heeft de aanbevelingen van het Proximities rapport integraal overgenomen en geïmplementeerd in het beoordelingsproces. Ik deel uw mening dat het rapport daarmee een waardevolle bijdrage heeft geleverd aan het verstevigen van de beleidskaders voor de ekv. In reactie op het verzoek van de commissie BHOS met kenmerk 2024D24728 kan ik u meedelen dat het kabinet er belang aan hecht de voorspelbaarheid en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven te borgen en daarom wenst vast te houden aan de gangbare procedure voor besluitvorming waarbij het kabinet achteraf verantwoording aflegt over de uitvoering van de ekv. Voorts verwijs ik naar de Kamerbrief van 15 december 2023 over de wijze van uitvoering motie Thijssen c.s.7
Klopt het dat ADSB nu een werkinstructie veiligheid gebruikt, zoals wordt beschreven in antwoord op de Kamervragen van leden Hirsch en Teunissen van 21 mei jl.7? Kan deze werkinstructie met de Kamer gedeeld worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat klopt. Naar aanleiding van het Proximities rapport is een werkinstructie opgesteld voor de beoordeling van veiligheidsrisico’s. De werkinstructie is een intern document dat wordt gebruikt om te bepalen wanneer een aanvullende veiligheidsanalyse nodig is of externe expertise ingeschakeld dient te worden. Interne werkinstructies geven ADSB medewerkers praktische handvatten en kaders om de informatie uit ekv-aanvragen te beoordelen en worden niet publiekelijk beschikbaar gemaakt.
Klopt het dat ADSB geen eigenaar is van onderliggende documenten die ten grondslag liggen aan het advies aan de ministeries en dat deze daarom niet met het publiek gedeeld kunnen worden in het kader van transparantie, zoals beschreven in antwoord op de Kamervragen van leden Hirsch en Teunissen van 21 mei jl.8? Deelt u de mening dat het problematisch is wanneer een publiek instrument op deze manier niet kan voldoen aan afspraken over transparantie die de Nederlandse overheid heeft? Wat gaat u hieraan doen?
Ja, dat klopt. De meeste documenten die worden verstrekt aan ADSB om een transactie te kunnen beoordelen zijn eigendom van de desbetreffende private partij. Deze documenten bevatten veelal bedrijfsgevoelige informatie en kunnen daarom niet zonder toestemming door ADSB of de Nederlandse staat openbaar gemaakt worden. Het kabinet hecht veel waarde aan een transparante uitvoering van de ekv en er wordt tegelijkertijd voor een goed functioneren van de ekv rekening gehouden met bedrijfsvertrouwelijke- en concurrentieoverwegingen en een internationaal gelijkspeelveld. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 21 mei jl. voldoet het Nederlandse ekv-beleid aan alle relevante transparantieverplichtingen volgend uit internationale standaarden.10 Ik deel uw mening niet dat er niet wordt voldaan aan de gemaakte afspraken.
Bent u bekend met de laatste nieuwsbrieven van Joseph Hanlon over de situatie in Cabo Delgado9 ? Wat is uw visie op de huidige veiligheidssituatie rondom het project en Mozambique in het algemeen? Op welke informatie is deze visie gebaseerd, en van welke actoren specifiek is de verkregen informatie afkomstig?
Ja, daar is het kabinet bekend mee. In bepaalde delen van Cabo Delgado is de laatste maanden sprake van toenemend geweld van de zijde van de terroristen. De incidenten vinden niet plaats in de directe nabijheid van het project. ADSB en de onafhankelijke veiligheidsconsultant volgen de ontwikkelingen in de regio nauwgezet. ADSB raadpleegt daarnaast externe onafhankelijke bronnen die helpen bij het vormen van een oordeel over de veiligheidssituatie rondom het project.
Onderhoudt u sinds de start van de force majeure situatie contact met de Nederlandse ambassade en de andere buitenlandse ekv-verstrekkers die bij het project betrokken zijn? Heeft u recentelijk – sinds er berichten rondgaan over een mogelijke herstart van het project – contact gehad met de Nederlandse ambassade in Maputo over de veiligheidssituatie op dit moment? Zo ja, wat heeft de ambassade u over die situatie verteld? Zo nee, waarom heeft u (nog) geen contact gehad?
Ja, de betrokken ministeries en ADSB zijn en blijven met de ambassade en met betrokken buitenlandse exportkredietverzekeraars in contact en blijven ook hierdoor op de hoogte van relevante informatie en ontwikkelingen.
Klopt het dat de Nederlandse ambassade in Maputo op 24 maart op de hoogte was van de aanval op Palma, zoals blijkt uit documenten openbaar gemaakt via een Wob-verzoek van Nederlandse ngo’s? Welke informatie ontbrak er om de ondertekening van de polis op 25 maart te weigeren?
Ja, het klopt dat de ambassade op 24 maart signalen binnenkreeg dat er een aanval gaande was. Zoals door mijn voorganger reeds is aangegeven in de beantwoording van vragen van het Kamerlid Van der Lee werden de omvang en gevolgen van deze aanval pas in het weekend van 27 maart 2021 duidelijk.12 Ik acht het onaannemelijk dat de transactie in verzekering was genomen als de ontwikkeling van het geweld bekend was geweest bij de Staat.
Klopt het dat medewerkers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken sterke twijfels uitten over de steun voor het project door de veiligheidssituatie, zoals blijkt uit documenten verkregen uit het Wob-verzoek? Kunt u uitleggen waarom in juni 2020 alsnog tot de conclusie is gekomen om een positief advies te geven voor de ekv’s voor het LNG project in Mozambique?
Ja, dat klopt. De risico’s waarop werd gewezen zijn gewogen en maakten ook onderdeel uit van de advisering en de besluitvorming. Het wegen van alle visies en informatie, zowel positief als negatief, is een normaal onderdeel van het beoordelings- en besluitvormingsproces voor de ekv. De maatregelen die tijdens het acceptatieproces werden voorgesteld om de geweldscontext te mitigeren leken toereikend voor de situatie op dat moment. Met de kennis van nu kan achteraf uiteraard gesteld worden dat de situatie zich rond maart 2021 anders heeft ontwikkeld dan in 2020 ingeschat.
Klopt het dat Total er tijdens een call op 28 mei 2020 op aandrong bij de ministeries om de aanvraag zo snel mogelijk goed te keuren, zoals blijkt uit de onder de Wob vrijgegeven documenten? Klopt het dat de ministeries kort na die call met Total overtuigd de ekv-aanvraag van Van Oord en Standard Chartered Bank hebben goedgekeurd, ondanks ernstige twijfels bij werknemers op het ministerie? Wat is volgens u de invloed van Total zelf geweest op de besluitvorming? Welke garanties zijn er dat grote belanghebbenden bij een project de besluitvorming niet kunnen beïnvloeden?
Het klopt dat er op 28 mei 2020 een call met onder andere Total en de Franse ambassade in Mozambique heeft plaatsgevonden waarin gesproken is over het project en de veiligheidssituatie in de regio. Dit overleg vond op initiatief van Buitenlandse Zaken plaats, omdat er behoefte bestond aan verduidelijking op een aantal vragen op veiligheidsterrein. Hoewel Total een commercieel belang had om op tijd goedkeuring te verkrijgen in verband met haar eigen deadlines, herkent het kabinet zich niet in het geschetste beeld dat Total de ministeries onder druk heeft gezet en in ieder geval heeft dit overleg niet de onafhankelijkheid van de Nederlandse besluitvorming beïnvloed. De geldende omvangrijke procedures voor de beoordeling van ekv-transacties op basis van internationale standaarden en de professionaliteit van ambtelijke advisering borgen naar het oordeel van het kabinet een zorgvuldig proces, ook in de toekomst, vrij van beïnvloeding door derden.
Klopt het dat het LNG-project in Mozambique op moment van goedkeuring door de Staat in 2021 nog niet voldeed aan de IFC Performance Standards, zoals blijkt uit de door het Wob-verzoek openbaar gemaakte documenten? Klopt het dat de Kamerbrief van 15 december 202310 stelt dat het project opnieuw getoetst wordt aan onder andere de IFC Performance Standards? Is nu de voorwaarde dat het project hier wel aan voldoet alvorens goedkeuring te kunnen geven?
Voor exporteurs is het kunnen beschikken over een ekv vaak noodzakelijk om een exporttransactie tot stand te laten komen en daarom vragen exporteurs de ekv vaak in een vroeg stadium aan. ADSB beoordeelt projecten dus meestal voordat ze uitgevoerd worden en maakt daarvoor op basis van de op dat moment beschikbare informatie een inschatting of het project aan de internationale standaarden, waaronder de IFC Performance Standards, zal gaan voldoen tijdens de uitvoering. Dat was en is voor onderhavig project ook het geval.
Klopt het dat de uitgifte van ekv’s door ADSB voor projecten die op basis van risico’s als Categorie A worden geclassificeerd, moet worden goedgekeurd door een zogenaamd Verzekeringscomité, bestaande uit de ministeries en ADSB zelf? Hoe zou u de hiërarchie binnen dat Comité karakteriseren? Is er sprake van absolute gelijkwaardigheid? Wat gebeurt er als de leden van het Verzekeringscomité niet unaniem tot een besluit kunnen komen? Wordt een ekv in zo’n geval niet afgegeven? Kunt u enkele voorbeelden noemen van recente ekv-aanvragen die zijn afgewezen door het Verzekeringscomité?
Ja, dat klopt. Wanneer een project de milieu- en sociale risicocategorie A krijgt wordt deze altijd voorgelegd aan het verzekeringscomité. In het verzekeringscomité nemen ADSB, de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken plaats. Onafhankelijk van elkaar beoordelen de ministeries de voorlegging en alleen wanneer beide ministeries instemmen zal een ekv worden afgegeven.
Het kabinet doet geen uitspraken over specifieke afwijzingen, omdat dit bedrijfsbelangen kan schaden. In algemene zin kan ik wel zeggen dat het in de periode 2016 t/m 2021 ging om circa 28 procent van de aanvragen. Zoals toegelicht in de beantwoording van de vragen over de beleidsdoorlichting zijn de redenen voor afwijzing divers. Het komt vaak voor dat de aanvrager onvoldoende informatie heeft aangeleverd. Soms worden aanvragen afgewezen vanwege onacceptabele risico’s op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo), compliance of op financieel gebied.14
Welke rechten kunnen de indieners van een ekv-aanvraag ontlenen aan een afwijzing van de aanvraag, in aanmerking nemende dat die indieners soms tijd en kosten investeren in het doen van vooronderzoek voordat een ekv-aanvraag kan worden ingediend? Kan een ekv-aanvrager ADSB of de Nederlandse Staat aansprakelijk stellen voor een afwijzing? Zo ja, in welke gevallen zou dat kunnen?
Aan het doen van een aanvraag kunnen geen rechten worden ontleend. Het is aan de ekv-aanvrager om te bepalen of zij de Staat aansprakelijk willen stellen voor een afwijzing. Een zodanige aansprakelijkheidsstelling zou enkel kans van slagen hebben wanneer de aanvrager schade heeft geleden die veroorzaakt is door een door de rechter vastgesteld onrechtmatig handelen van de overheid.