Het bericht dat twee derde van de dierenartsen meer antibiotica voorschrijft dan de streefwaarde |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat uit eerste benchmarkwaarden van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa) blijkt dat tweederde van de dierenartsen meer antibiotica voorschrijft dan de streefwaarde?1
Het rapport van de SDa met de eerste benchmark voor dierenartsen heb ik, samen met de Minister van VWS, onlangs aan de Kamer aangeboden met de brief «Antibioticagebruik in de veehouderij». In deze brief heb ik aangegeven dat ik positief ben over de ontwikkeling van deze veterinaire benchmark, omdat het een belangrijk instrument is dat dierenartsen in staat stelt hun voorschrijfpatroon van antibiotica te spiegelen aan dat van collega’s en daarbij te zoeken naar verbetermogelijkheden.
De SDa heeft in het rapport een streefwaarde voor het voorschrijfpatroon van dierenartsen gedefinieerd. De SDa ziet deze streefwaarde als een toekomstig ambitieniveau. Het feit dat 60% van de dierenartsen zich boven dit toekomstige ambitieniveau bevindt, geeft voor mij aan dat het van belang is dat de veterinaire beroepsgroep actie onderneemt om dit percentage te gaan verlagen, zodat steeds meer dierenartsen in de toekomst binnen de streefwaarde zullen vallen. De initiatieven voor het zorgvuldiger en minder voorschrijven van antibiotica die de KNMvD en de SGD momenteel naar aanleiding van dit rapport ontplooien (zie kamerbrief), juich ik dan ook toe.
Deelt u de bezorgdheid over het aantal dierenartsen dat meer antibiotica voorschrijft dan de streefwaarde?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat er ingrijpende maatregelen nodig zijn als dierenartsen vijf tot 20 keer meer antibiotica voorschrijven dan collega’s?
Ik onderschrijf de oproep van SDa dat de dierenartsen met een voorschrijfpatroon boven de actiewaarde zich kritisch moeten oriënteren op hun voorschrijfpatroon. Daarnaast ben ik van mening dat dit ook van toepassing is op dierenartsen die met hun voorschrijfpatroon nog niet voldoen aan de streefwaarde.
De grote spreiding in prescriptie binnen de sectoren moet nader worden geanalyseerd. De KNMvD heeft reeds toegezegd een nadere analyse te zullen verrichten naar de spreiding in het voorschrijfpatroon en actief te zoeken naar oorzaken en verbetermogelijkheden.
Ik vind het belangrijk dat de veterinaire beroepsgroep zelf initiatieven neemt om met behulp van dit rapport op zoek te gaan naar verbetermogelijkheden ten aanzien van het voorschrijfpatroon van dierenartsen.
Ik ondersteun daarom het initiatief van de Stichting Geborgde Dierenarts (SGD) om de veterinaire benchmarkindicator (VBI) te automatiseren en medio 2014 te implementeren in het private kwaliteitssysteem voor dierenartsen. Daarmee krijgen alle deelnemende dierenartsen actuele inzage in hun eigen benchmark. Op basis hiervan kunnen dierenartsen hun voorschrijfpatroon aanpassen. De Stichting Geborgde Dierenarts zal bovendien vanaf begin 2015 een verbetertraject opleggen aan dierenartsen die boven de actiewaarde blijven.
Deze nulmeting, op basis van de cijfers van 2012, is voor mij geen aanleiding om aanvullende maatregelen te nemen. In de afgelopen periode zijn al diverse maatregelen door overheid en private partijen doorgevoerd gericht op het zorgvuldiger en minder voorschrijven van antibiotica (o.a. de UDD-regeling en de formularia en richtlijnen van de veterinaire beroepsgroep). Deze maatregelen, gecombineerd met deze benchmark en de daaraan gekoppelde private verbetertrajecten, zullen in de komende periode hun vruchten gaan afwerpen.
In welke gevallen geeft de SDa gegevens uit de benchmark door aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), die dierenartsen vervolgens kan sanctioneren en in welke gevallen gaat de NVWA daadwerkelijke over tot sanctioneren?
De SDa geeft geen gegevens door aan de NVWA. De SDa beschikt alleen over geanonimiseerde gegevens over het gebruik op een bedrijf en het voorschrijfpatroon van dierenartsen. Productschappen verstrekken wel gegevens van «veelgebruikende veehouders» uit de melkvee-, varken-, vleeskuiken- en kalversector aan de NVWA. De NVWA gebruikt deze gegevens in haar risicogericht toezicht. De NVWA beoordeelt bij dierenartsen of zij zorgvuldig en restrictief antibiotica voorschrijven. De richtlijnen en formularia van de beroepsgroep worden daarbij als toetsingscriteria gebruikt. Een dierenarts kan daarvan gemotiveerd afwijken, mits de onderbouwing ook wordt vastgelegd. Als de NVWA twijfelt over de handelswijze van de dierenarts, dan wordt dit voorgelegd aan de klachtambtenaar. Die kan een zaak starten bij het Veterinair Tuchtcollege.
Als de dierenarts zich niet houdt aan wettelijke verplichtingen, treedt de NVWA handhavend op.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de overgrote meerderheid van de dierenartsen zo snel mogelijk aan de streefwaarde gaat voldoen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de Kamer de komende maanden met regelmaat te informeren over nieuwe benchmarkcijfers?
Ja. Begin juni zal het SDa-expertpanel de cijfers over het voorschrijfpatroon van dierenartsen in 2013 publiceren. Ik zal u die rapportage toesturen.
Is er inmiddels al meer duidelijkheid over hoe het kan dat dierenartsen in 2012 meer antibiotica voorschreven dan dat er (geregistreerd) verkocht was?
Nee. Zoals ik in de Kamerbrief van 29 augustus 2013 (TK 29 683, nr. 168) heb aangegeven is het interen op eerder opgebouwde voorraden bij dierenartsenpraktijken een mogelijke oorzaak van het verschil tussen de omvang van het gebruik en de verkoop van antibiotica in 2012. De SDa zal in haar rapportage (verwacht in juni 2014) over de gebruiksgegevens in 2013 hier nader aandacht aangeven.
Klopt het dat de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa) heeft geconstateerd dat de antibioticaresistentie snel daalt als gevolg van de vermindering van het antibioticagebruik in de veehouderij? Zo ja, hoe groot is deze daling?
De constatering betreft geen uitspraak van de SDa, maar van prof.dr. D. Mevius, hoogleraar antimicriobiële resistentie aan de Universiteit Utrecht.
Hij deed deze uitspraak op het SDa symposium op 27 maart 2014 op basis van lopend monitoringsonderzoek naar de ontwikkeling van antibioticumresistentie bij dieren in een aantal veehouderijsectoren. Over de resistentiedaling in 2012 heb ik u per brief van 11 november 2013 geïnformeerd (TK 29 683, nr. 172).
De meest recente formele cijfers over de ontwikkeling van antibioticumresistentie bij dieren in deze veehouderijsectoren zullen worden gepubliceerd in de Maran rapportage over het jaar 2013. Deze rapportage is nu nog niet beschikbaar. Ik verwacht u daarover medio 2014 nader te kunnen informeren.
Deelt u de mening dat er voor de periode na 2015 nieuwe reductiedoelstellingen dienen te worden vastgesteld om het antibioticagebruik in de veehouderij nog verder te verminderen?
Het antibioticumbeleid is erop gericht om resistentievorming en resistentieverspreiding tegen te gaan.
Vorig jaar heb ik u met mijn brief van 4 juli (TK 29 683 nr. 167) samen met de Minister van VWS gemeld dat wij ons, naast onze inzet op antibioticareductie, meer gaan richten op preventieve maatregelen door de sectoren zoals aanpassing van stal- en managementsystemen om infecties te voorkomen.
De inzet van veehouders en dierenartsen en de huidige reductiedoelstellingen hebben bijgedragen aan een aanzienlijke reductie van het antibioticumgebruik in de veehouderij in de afgelopen jaren. Dit heeft ook geleid tot een daling in resistentievorming bij landbouwhuisdieren. Maar we zijn er nog niet. De ambitieuze 70% reductiedoelstelling voor 2015 is nog niet bereikt. De SDa rapportage met de nieuwe reductiecijfers over het jaar 2013 wordt in juni 2014 verwacht.
In overleg met experts en de betrokken sectoren zal, mede op basis van de bereikte resultaten, worden bezien welk beleid na 2015 nodig is op het veterinaire antibioticaresistentie dossier, gericht op een verdere vermindering van resistentievorming en resistentieverspreiding.
Wolf krijgt 'verblijfsvergunning' |
|
Rudmer Heerema (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom het noodzakelijk is om de wolf een wettelijke bescherming te bieden?1
De provincies hebben mede naar aanleiding van het rapport van Alterra mij verzocht om duidelijkheid te geven over de status van de wolf onder de Flora- en faunawet. Dat is belangrijk, omdat zij hun bevoegdheden met betrekking tot beheer en schadebestrijding slechts kunnen toepassen met betrekking tot van nature in Nederland voorkomende zoogdieren. Hetzelfde geldt voor het Faunafonds. Hoewel de aanwezigheid van wolven in Nederland nog niet feitelijk is vastgesteld, moet, gezien de nabijheid, dispersie-ranges en jachtafstanden van wolven in Duitsland, er van worden uitgegaan dat Nederland in principe tot het verspreidingsgebied van de wolf behoort. Door de wolf aan te wijzen, wil ik bij voorbaat duidelijk maken dat provincies en Faunafonds bevoegd zijn ten aanzien van in het wild levende wolven in ons land.
Deelt u de zorgen dat het faunafonds onvoldoende middelen beschikbaar heeft om aan alle schade-aanvragen te voldoen, zoals de schade die wordt toegebracht door ganzen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de provincies daarover een oordeel te geven. Zij zijn in het kader van decentralisatie van natuurtaken financieel verantwoordelijk geworden voor het Faunafonds. De provincies hebben laten weten dat eventuele bijkomende wolvenschade geen negatief effect zal hebben op tegemoetkomingen voor andere schades, conform de huidige regels van het Faunafonds.
Kunt u toelichten wat het effect is op het faunafonds, wanneer ook schade door de wolf uitgekeerd moet worden?
Het is in eerste instantie aan de provincies om daarvan een inschatting te geven. Afgaand op schadegevallen in Duitsland ligt het in de rede dat dit in eventuele gevallen om relatief geringe bedragen zal gaan ten opzichte van het totaal aan uitgekeerde tegemoetkomingen voor andere diersoorten.
Het faunafonds heeft een plafond; kunt u aangeven ten koste van welke andere te vergoeden schade dit zal gaan als schade van de wolf ook verhaald moet worden op het faunafonds?
Het Faunafonds hanteert geen plafond voor tegemoetkomingen in schade, die zij uitkeren op grond van de Flora- en faunawet en de daarop gebaseerde regels van het Faunafonds.
Deelt u de opvatting dat de middelen in het faunafonds moeten worden aangevuld als blijkt dat er onvoldoende beschikbaar is om schade uit te keren omdat steeds meer dieren een wettelijke bescherming krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het afschieten van huiskraaien |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Woede in Hoek van Holland om afschieten huiskraaien»?1
Ja.
Is het waar dat de ingehuurde «faunabeheerder» het verschil niet weet tussen de beschermde kauw en de onbeschermde huiskraai, en «bij vergissing» een kauw heeft doodgeschoten? Zo ja, had de uitvoerder expliciete toestemming van de grondeigenaar om kauwen te bestrijden?
Deze vragen hebben betrekking op het aanwijzingsbesluit van de Gedeputeerde Staten (GS) van Zuid-Holland van 5 december 2012. Dit is dan ook een zaak van de provincie Zuid-Holland. De informatie in dit antwoord heb ik van de provincie ontvangen.
In de aanwijzing van 5 december 2012 staat dat gedeputeerde staten het risico dat bij de uitvoering een enkele kauw of zwarte kraai wordt gedood, hebben afgewogen in de besluitvorming. In de aanwijzing staat dat afschot pas toegelaten is in laatste instantie. Duke Faunabeheer heeft zich aan de aanwijzing gehouden.
Het eventueel intrekken van de aanwijzing is overigens een bevoegdheid, die ligt bij de provincie.
Deelt u de mening dat vergunningen van Duke Faunabeheer ingetrokken moet worden als blijkt dat de eigenaar van het bedrijf inderdaad een kauw heeft gedood, zonder de benodigde toestemming? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de aanwijzing om huiskraaien te vangen pas afschot toelaat in allerlaatste instantie? Zo ja, bent u van mening dat Duke Faunabeheer de bedoelde terughoudendheid betracht heeft alvorens over te gaan tot afschot?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de lijst van «inheemse diersoorten» aan herziening toe is, nu daarop exotische soorten voorkomen die al sinds mensenheugenis niet in Nederland gesignaleerd zijn? Zo nee, kunt u aangeven waarom soorten als Auerhoen, witbuikzandhoen en zwartbuikzandhoen wel als inheemse soorten beschouwd worden en de huiskraai niet?
Nederland is verplicht om bescherming te bieden aan alle vogelsoorten die van nature in het wild voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie (Vogelrichtlijn; Richtlijn 79/409/EEG). Of een vogelsoort wel of niet in Nederland voorkomt, is daarbij niet van invloed. Dit is als zodanig geïmplementeerd in de Flora- en faunawet.
Het auerhoen, witbuikzandhoen en het zwartbuikzandhoen behoren tot de van nature in Europa voorkomende vogelsoorten (en zijn dus beschermd) en de Indische huiskraai niet. De Indische huiskraai is in de Regeling beheer en schadebestrijding dieren aangewezen als invasieve exoot.
Deelt u de mening dat het onderscheid tussen «eigen, inheemse dieren» en «allochtone, uitheemse dieren» niet meer van deze tijd is? Zo nee, waarom niet?
Ik ga ervan uit dat u doelt op het gemaakte onderscheid tussen beschermde diersoorten en invasieve exoten. Dit onderscheid is gemaakt in de Vogelrichtlijn en als zodanig geïmplementeerd in de Flora- en faunawet. Dit juist ter bescherming van de inheemse dier- en plantensoorten (zie ook de antwoorden op de vragen 5 en 7).
Zie ook de antwoorden op de vragen 5 en 7.
Kunt u aangeven wanneer dieren die al decennia of langer niet meer in Nederland gesignaleerd zijn als uitheems beschouwd gaan worden en of u ruimte ziet nieuwe soorten als inheems aan te merken wanneer die algemeen voorkomen zoals de halsbandparkiet?2
De deelnemende landen aan het Biodiversiteitsverdrag – waaronder ook Nederland – hebben met elkaar vastgesteld dat invasieve exoten, na habitatverlies en exploitatie, de grootste bedreiging voor biodiversiteit vormen. De deelnemende landen zijn verplicht om beleid te ontwikkelen waarmee de introductie van soorten die inheemse soorten of ecosystemen kunnen bedreigen wordt voorkomen. Ik geef hieraan invulling door beleid te ontwikkelen dat de inheemse biodiversiteit tegen invasieve exoten beschermt.
Mijn beleid ten aanzien van «nieuwe diersoorten» hangt af van de verwachte effecten van de introductie van deze nieuwe diersoort op de biodiversiteit, economie en veiligheid. Ik hanteer hierbij de volgende lijn.
Als vuistregel geldt dat van dieren die op eigen kracht Nederland kunnen bereiken, bijvoorbeeld door het verbinden van natuurgebieden of vanwege klimaatverandering, minder schade te verwachten is dan van soorten die door direct menselijke handelen (transport, infrastructuur) in Nederland geïntroduceerd worden. De halsbandparkiet komt van origine uit tropisch Afrika en Zuid-Azië en is ooit naar Europa gehaald als volièrevogel. In de loop der jaren is een aantal van deze vogels ontsnapt of vrijgelaten. De halsbandparkiet is dus een uitheemse soort.
Zie ook het antwoord op vraag 5.
De openstelling van de markt voor het ophalen en verwerken van kadavers |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is de veronderstelling juist dat de Wet dieren en het Besluit dierlijke producten ruimte bieden om meerdere partijen toe te laten tot de markt voor het ophalen en verwerken van kadavers uit de veehouderij?
Ja, in de Regeling dierlijke producten kan Nederland worden ingedeeld in meerdere werkgebieden waarbij per gebied een ander bedrijf kan worden aangewezen.
Deelt u de mening dat openstelling van de markt en enige vorm van concurrentie bij kan dragen aan verbetering van de afzet van producten uit de verwerking van kadavers en aan het realiseren van een scherpe tariefstelling?
Ja, die mening deel ik in algemene zin. Daarbij wil ik wel de kanttekening plaatsen dat dit niet een gegarandeerd resultaat hoeft te zijn. Het LEI concludeert in haar onderzoek dat het systeem in Nederland efficiënt is ingericht1. Dit komt mede doordat Rendac alleen kosten in rekening mag brengen, vermeerderd met een afgesproken percentage ondernemingsvergoeding. In het Verenigd Koninkrijk is er bijvoorbeeld meer sprake van concurrentie op de markt voor het ophalen en verwerken van kadavers, maar liggen de kosten hoger.
Bent u bereid in overleg te treden met partijen die, zoals door één van hen is aangegeven1, inmiddels serieuze belangstelling hebben om, naast Rendac en op basis van de noodzakelijke randvoorwaarden, in de markt voor het ophalen en verwerken van kadavers te springen?
Ik ga graag in gesprek met partijen die belangstelling hebben om toe te treden. Uit dat gesprek zal moeten blijken of de betreffende partij aan de voorwaarden kan voldoen zoals ik die in mijn brief van 5 februari jongstleden1 uiteen heb gezet.
Terugroepactie sleurt vleesbedrijven mee |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Terugroepactie sleurt vleesbedrijven mee»?1
Ja.
Herkent u zich in het beeld dat geschetst wordt dat de terugroepactie bij vleesverwerker Van Hattem Vlees tientallen andere middelgrote en kleinere vleesbedrijven in de ondergang dreigt mee te sleuren? Zo nee, waarom niet?
Uit onderzoek van de NVWA is gebleken dat het bedrijf de herkomst van het uitgeleverde vlees over de periode 1 januari 2012 tot en met 23 januari 2014 niet kon aantonen. Bij partijen, waarvan de herkomst onbekend of onduidelijk is, kan niet worden gegarandeerd dat deze aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoen en bijvoorbeeld de vereiste keuringen en monsternames hebben ondergaan. De NVWA was daarom op grond van Europese wetgeving genoodzaakt het vlees als niet geschikt voor humane consumptie aan te merken en het bedrijf te sommeren om dit uit voorzorg van de markt te laten halen.
Bij de besluitvorming hierover staat de voedselveiligheid voorop. De consument moet erop kunnen vertrouwen dat producten betrouwbaar en veilig zijn. Levensmiddelbedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor de betrouwbaarheid en veiligheid van de grondstoffen en producten onder hun beheer. Zij zijn dus ook verantwoordelijk voor de gevolgen, als hieraan niet/onvoldoende wordt voldaan.
Indien een ondernemer kan aantonen dat een partij volledig traceerbaar is en aan alle wettelijke voedselveiligheidsvoorschriften voldoet dan hoeft het vlees niet te worden teruggehaald of kan al teruggehaald vlees weer in de handel worden gebracht. De bewijslast hiervoor ligt bij de ondernemer.
Op 11 maart jl. hadden acht bedrijven aangegeven de traceerbaarheid van hun producten te kunnen aantonen. Bij één bedrijf heeft de NVWA vastgesteld dat de traceerbaarheid inderdaad is aangetoond. Bij de overige bedrijven zijn de gegevens nog in onderzoek bij de NVWA.
Op dit moment is nog niet met zekerheid te zeggen hoeveel van de bij de terugroepactie betrokken bedrijven de wettelijk vereiste veiligheid en traceerbaarheid van hun producten kunnen aantonen.
Klopt het dat door de actie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een sneeuwbaleffect dreigt waardoor een veelvoud van die 28 miljoen kilo vlees terug moet en tientallen andere bedrijven onterecht ook over de kop dreigen te gaan? Zo nee, waarom niet? Kunt u aangeven op welke wijze de NVWA in haar besluitvorming rekening heeft gehouden met deze gevolgen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat bij Van Hattem veel slachtingen in opdracht van derden plaatsvonden en dat de karkassen en karkasdelen direct na de slacht teruggaan naar de opdrachtgever om daar te worden uitgebeend? Zo ja, kunt u toelichten waarom het nodig is dat ook deze bedrijven moeten deelnemen aan de zogeheten recallactie?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de vragen bij Van Hattem eerst gingen over 56 afgekeurde Shetland-ponys en dat zowel de NVWA als Rendac hier geen registratie van bijhoudt? Zo nee, gaat u in de toekomst maatregelen nemen om dit wel bij te houden? Deelt u de opvatting dat dit vreemd is aangezien Van Hattem is afgerekend op het bijhouden van de registratie? Zo nee, waarom niet?
Nee. De noodzaak voor de recall is gegrond op meerdere afwijkingen in het systeem van tracking en tracing van dit bedrijf. De aanvoer van levende dieren en ter destructie afgevoerde dode dieren maakte hier onderdeel van uit.
Na de aanvoer van dieren bepaalt het slachthuis welke dieren worden aangeboden voor de ante mortem keuring door de NVWA. Het kan voorkomen dat dieren, bijvoorbeeld pony’s, niet worden aangeboden voor deze keuring door bijvoorbeeld een onjuist of onvolledig paspoort. Deze dieren worden gedood en aangeboden voor destructie.
Het bedrijf moet paardachtigen voor destructie individueel aanmelden bij Rendac. Op dit bedrijf werden paardachtigen met het overige destructiemateriaal (als bulk) afgevoerd. Zowel de NVWA als Rendac hebben geen verantwoordelijkheid voor het bijhouden van de registratie van deze dieren.
Deelt u de opvatting dat de NVWA in haar terugroepactie onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de middelgrote en kleinere vleesbedrijven? Zo ja, wat kunt u hier op zowel korte als lange termijn aan doen?
Ook middelgrote en kleinere vleesbedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor de betrouwbaarheid en veiligheid van de grondstoffen en geproduceerde producten en dienen te voldoen aan de wettelijke regels hieromtrent. Zij zijn dus ook verantwoordelijk voor de gevolgen, als hieraan niet of onvoldoende wordt voldaan. Zoals gezegd blijft bij de besluitvorming over de noodzaak van een terugroepactie de voedselveiligheid voorop staan. De consument moet kunnen vertrouwen op veilige en betrouwbare producten.
Het bericht ‘GPS moet dier tijdens transport beschermen’ |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «GPS moet dier tijdens transport beschermen»?1
Ja.
Klopt het dat GPS-controle nu alleen steekproefsgewijs op 15 procent van de veetransporten wordt toegepast bij ritten langer dan acht uur of van meer dan 500 kilometer?
GPS is in de transportverordening uitsluitend voorgeschreven bij veewagens die worden gebruikt voor transporten langer dan 8 uur. Een tachograaf is altijd verplicht. Op basis van de teruggestuurde reisjournaals worden door het Interventiebureau Dier (IBD) van de NVWA van 15% van de lange afstandstransporten standaard de GPS-gegevens opgevraagd en bekeken. Ook als de invulling van een reisjournaal daartoe aanleiding geeft worden de GPS-gegevens opgevraagd van het betreffende transport. NVWA-inspecteurs onderweg of inspecteurs op slachthuizen hebben op locatie slechts beperkt toegang tot deze gegevens. Via IBD kunnen de gegevens wel volledig worden opgevraagd en beoordeeld. Een veetransport is niet standaard live te volgen voor de NVWA. Enkele transporteurs hebben die mogelijkheid wel.
Waarom wordt er niet standaard gebruik gemaakt van een effectief controle-instrument, zoals GPS?
Tachograafgegevens bij korte transporten (korter dan 8 uur) worden ook opgevraagd door IBD indien daartoe aanleiding is. Op basis van deze gegevens is na te gaan of er illegale bewegingen hebben plaatsgevonden.
In het kader van de handhaving van de mestregelgeving gaat GPS verplicht worden voorgeschreven. Inmiddels heb ik ook de bij het diervervoer betrokken branche- en sectorpartijen verzocht om het verplicht gebruik van GPS-systemen, als één van de voorwaarden, in hun nog te ontwikkelen kwaliteitssysteem voor diervervoer op te nemen.
Wat vindt u van de wens van de Dierenbescherming om veetransporten voortaan standaard via GPS-systemen in de gaten te houden?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van de suggestie om GPS-controle ook steekproefsgewijs bij binnenlands veevervoer plaats te laten vinden?
Zie antwoord vraag 3.
Is er zonder GPS-controle genoeg inzicht in mogelijke wantoestanden bij het transport van dieren?
Het is zeker belangrijk om de onaangekondigde steekproefsgewijze controle van GPS data in stand te houden. Door deze controles zijn de transporteurs zich er van bewust dat ze ook na afloop van een transport beboet kunnen worden voor ongeoorloofde acties.
Het bericht heksenjacht bij erkende oormerkweigeraars |
|
Sander de Rouwe (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «NVWA blokkearret bioboeren» en de radio-uitzending over hetzelfde onderwerp bij Omroep Friesland?1
Ja.
Wat is volgens u de reden dat de betreffende boeren spreken van een heksenjacht?
Gewetensbezwaarden hebben in het verleden een uitzondering gekregen van de reguliere I&R-regeling, maar hebben wel de verplichting om zich te houden aan de eisen uit het protocol «Gewetensbezwaarden I&R-rund». In de afgelopen jaren is gebleken dat niet alle gewetensbezwaarden zich houden aan deze voorschriften. Daarom is de NVWA in 2012 gestart met het aanscherpen van de controles op gewetensbezwaarden.
Eind 2012 heeft dat geleid tot het versturen van diverse schriftelijke waarschuwingen aan bedrijven die zich niet houden aan voornoemde voorschriften.
Eind 2013 is voor bedrijven, die eerder een schriftelijke waarschuwing ontvingen en waarbij wederom werd geconstateerd dat men zich niet heeft gehouden aan het voornoemde protocol, het protocol opgezegd.
Verder is er bij een enkel bedrijf sprake van een bedrijfsoverdracht waardoor de opvolger niet meer in aanmerking zou komen voor het protocol. Ik ga het protocol op dit punt aanpassen, zodat ook de opvolger bij een bedrijfsoverdracht in aanmerking komt voor het protocol «Gewetensbezwaarden I&R-rund».
Wat zijn nou precies de redenen om de betreffende bedrijven te blokkeren en dieren van het erf af te voeren en is er bijvoorbeeld sprake van dierverwaarlozing?
De reden voor de opzegging is dat de gewetensbezwaarden niet hebben voldaan aan de voorwaarden van het eerder genoemde protocol. Hiermee komt de betrouwbaarheid in het geding voor de identificatie en traceerbaarheid van de runderen ten behoeve van diergezondheid en volksgezondheid. De bedrijven waarbij het protocol door de NVWA is opgezegd, dienen vervolgens te voldoen aan de regeling I&R en tevens onverkort ook aan Europese regelgeving. De regelgeving bepaalt dat bedrijven waarbij bij meer dan 20% van de dieren een omissie met betrekking tot I&R vertonen, geblokkeerd worden totdat de omissie is verholpen door de houder. Bij deze bedrijven worden de runderen gehouden zonder dat deze zijn voorzien van oormerken, hetgeen niet in overeenstemming is met de vigerende regelgeving.
Op het bedrijf van één houder werd, naast de omissies met betrekking tot I&R, verwaarlozing van de door de houder gehouden runderen geconstateerd omdat deze niet werden gehouden conform welzijnsregelgeving. De dieren zijn op basis hiervan van het bedrijf afgevoerd en onder bewaring van de overheid gesteld. Dinsdag 11 maart is het grootste deel van de runderen weer teruggekeerd bij de houder. De omstandigheden op het bedrijf zijn zodanig verbeterd dat weer wordt voldaan aan de welzijnsregelgeving.
Kunt u aangeven welke afspraken met erkende oormerkweigeraars zijn gemaakt met betrekking tot het niet aanbrengen van oormerken bij runderen?
De afspraken met de zogenaamde oormerkweigeraars zijn opgenomen in het voornoemde protocol «Gewetensbezwaarden I&R-rund». In het protocol zijn afspraken opgenomen met betrekking tot alternatieve identificatie van runderen, zoals het tijdig maken van foto’s van de oormerkloze runderen en het tijdig aanleveren van monstermateriaal (haren) ten behoeve van DNA-analyse aan een laboratorium.
Heeft u of uw departement contact gehad met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over de ontstane situatie?
Ja.
Vinden er meer gerichte acties van de NVWA plaats? Zo ja, welke?
Conform het protocol worden de deelnemers aan het protocol jaarlijks gecontroleerd op het voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in het protocol. In het vierde kwartaal van 2014 zullen alle deelnemers wederom worden gecontroleerd.
Wist u tijdens het Algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad van 11 februari 2014 dat de NVWA de erkende oormerkweigeraars zou blokkeren? Zo ja, wat is uw afweging geweest om hier niet over te spreken naar aanleiding van verschillende vragen over de stand van zaken met betrekking tot de oormerkweigeraars?
Op dat moment was ik daar nog niet over geïnformeerd.
Bent u bereid de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Het verbod op het aanbinden van koeien |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Definitie kleine stallen mogelijk verruimd»?1
Ja.
Wanneer verwacht u een reactie van de Europese Commissie op uw voorstel tot wijziging van de Landbouwkwaliteitsregeling, dat het mogelijk maakt om ontheffing te verlenen op het verbod tot het aanbinden van koeien?
Mijn voornemen tot wijziging van de Landbouwkwaliteitsregeling in het kader van aanbinden van biologische runderen heb ik eind januari 2014 aan de Europese Commissie gemeld conform richtlijn 98/43 over de notificatie van technische voorschriften. De Europese Commissie kijkt niet inhoudelijk naar het voorschrift, maar bekijkt of er sprake is van handelsbelemmeringen. Binnen een termijn van drie maanden kunnen lidstaten en de Commissie Opmerkingen maken (artikel 8 lid 2) of een Uitvoerig Gemotiveerde Mening (UGM) indienen (artikel 9 lid 1). Als er geen Opmerkingen of UGM's ingediend worden, is de notificatieprocedure na drie maanden voltooid en kan de ontwerptekst worden vastgesteld. Kortom, indien reactie van de Europese Commissie volgt, verwacht ik die uiterlijk 30 april 2014. Tot die tijd is sprake van een «stand still», hetgeen inhoudt dat de procedure ter vaststelling van het besluit stilligt.
Kunt u aangeven of een ontheffingstermijn van tien jaar, die is aangevuld met nog eens een bedrijfsspecifieke verlenging van drie jaar, een redelijke termijn is voor biologische boeren om te voldoen aan aanpassingen aan stalsystemen zodat het overbodig wordt om koeien aan te binden? Klopt het dat in 2012 een woordvoerder van het ministerie van Landbouw2 bevestigd heeft dat dat de einddatum van de ontheffingsperiode op 31 december 2013 vast stond en dat de biologische boeren daarmee een duidelijk signaal hebben gekregen dat een verlenging van de ontheffingsperiode van dertien jaar geen mogelijke optie was?
Op grond van de huidige EU-regelgeving voor biologische landbouw is het in principe niet toegestaan om dieren aan te binden. Tot en met 2013 bestonden er twee mogelijkheden om hierop een uitzondering te maken, te weten voor oude stallen en kleine stallen. De uitzondering voor oude stallen is per 1 januari 2014 vervallen. De uitzondering voor kleine stallen betreft een permanente mogelijkheid op grond waarvan elke lidstaat zelfstandig de invulling van een kleine stal mag definiëren. De dieren in deze kleine stallen mogen worden aangebonden.
Ik heb besloten de definitie voor kleine stallen tijdelijk tot 1 januari 2016 te verruimen van 10 tot 50 dieren. Dit betekent dat kleine stallen tot en met 50 dieren hun vee tijdelijk kunnen aanbinden. Deze overgangsmaatregel acht ik legitiem, omdat de bedrijven die nog niet alle maatregelen hebben getroffen, bedrijven zijn die te maken hebben met (ruimtelijke) structuurtechnische beperkingen, zoals stallen in monumentale panden, ligging tegen natuurgebieden, jonge ondernemers met onvoldoende financiering voor de overname en (kleine) zorgboerderijen met risico’s voor cliënten als dieren niet aangebonden zijn. Uiteraard dienen deze bedrijven te blijven voldoen aan dierenwelzijnseisen, en daar ziet Skal ook op toe. Ik vind het van belang dat deze bedrijven hun maatschappelijke functie kunnen blijven vervullen en biologisch kunnen blijven produceren. Daarbij maak ik met Bionext concrete afspraken over het gericht afbouwen van het aanbinden, zodat kan worden voorkomen dat er per 1 januari 2016 nog bedrijven zijn met meer dan 10 dieren die deze nog aanbinden. Op dit moment zijn er nog zo'n 30 biologische bedrijven die aanbinden. Verder heb ik meegewogen dat ons omringende landen ook gebruik maken van de uitzonderingsmogelijkheid in de huidige EU-regelgeving voor biologische landbouw voor het aanbinden van dieren in kleine stallen, waarbij kleine stallen gedefinieerd zijn op aantallen tussen 35 en 70 dieren.
Klopt het dat, anno 2014, van de 120 bedrijven er ruim 40 bedrijven zijn die hun koeien nog steeds aanbinden? Wat vindt u van de houding en de mentaliteit van de betreffende bedrijven en van Bionext, dat zij 13 jaar na het ingaan van het verbod, geen enkele actie hebben ondernomen om het aanbinden van koeien uit te faseren en waar baseert u uw vertrouwen op dat zij het aanbinden van koeien eind 2015 wel uitgefaseerd hebben terwijl er nu nog niet eens een plan van aanpak ligt?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het opschorten van het verbod op het aanbinden van koeien niet eerlijk is ten opzicht van biologische boeren die hier wel in hebben geïnvesteerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, mijn voornemen betreft een tijdelijke verruiming van het begrip kleine stallen waardoor alle bedrijven genoodzaakt blijven passende maatregelen te nemen, voor zover ze niet vallen onder de definitie van kleine bedrijven.
Klopt het dat onder deze 40 boerderijen, er boerderijen zijn waar alleen jongvee en/of droge koeien op de grup staan? Hoe beoordeelt u het aanbinden van jongvee in het licht van de conclusie van de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA)3, dat het aanbinden van jongvee als ongewenst moet worden beschouwd omdat de dieren te zeer beperkt worden in het soortspecifiek, bij die leeftijd horende exploratiegedrag?
Op dit moment zijn er nog zo'n 30 biologische bedrijven die melkvee aanbinden. Onbekend is welke diercategorieën dit betreft. Ten algemene, dus ook voor biologische dieren, geldt de kalverrichtlijn (EG) 2008/119 waarinstaat dat kalveren niet aangebonden mogen worden. Uitzondering geldt slechts voor aanbinden van kalveren in groepshuisvesting voor voedering gedurende één uur.
Voor de motivatie van de tijdelijke verruiming van de grens voor aantallen dieren in stallen waarin dieren aangebonden mogen worden, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Erkent u de conclusies van de RDA dat het aanbinden van jongvee leidt tot gedragsstoornissen en daarom een ernstige aantasting is van het dierenwelzijn? Wat zijn uw beweegredenen om deze bedrijven alsnog een verlenging van de ontheffingsperiode te verlenen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Vlaamse Overheid4 in zijn rapport dat grupstallen koeien beperken in hun bewegingsvrijheid en hun mogelijkheden op het vlak van sociale interacties, hoe beoordeelt u de conclusie dat koeien in vastgebonden toestand in hoge mate stress kunnen ervaren en erkent u hiermee dat het dierenwelzijn van koeien in een biologische grupstal over het algemeen lager is in vergelijking met andere biologische bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Het niveau van dierenwelzijn van biologische runderen die worden aangebonden kan lager zijn dan van biologische runderen die vrij in de stal kunnen bewegen. Daarom tref ik maatregelen om de praktijk van aanbinden in de biologische melkveehouderij te beperken. Overigens wordt in het rapport van de RDA ook erkend dat dierenwelzijn in stallen waar dieren aangebonden staan niet per definitie slechter is dan in gangbaarder systemen, omdat meerdere factoren hierbij een rol spelen.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat burgers bereid zijn een hogere prijs te betalen voor een pak biologische melk, mede vanwege het hogere dierenwelzijn in de biologische melkveehouderij? Kunt u aangeven op welke wijze Skal de burger gaat informeren dat deze biologische melk van aangebonden koeien komt? Zo nee, waarom niet?
De betrokken bedrijven en Bionext zijn zich bewust van het feit dat het, mede in verband met het consumentenvertrouwen en imago van de biologische sector, belangrijk is het aanbinden in de biologische sector te beperken. Skal controleert de biologische bedrijven op naleving van de biologische regelgeving, waaronder aspecten van dierenwelzijn. Zolang een bedrijf biologisch gecertificeerd is, kan de consument er vanuit gaan dat volgens de normen wordt geproduceerd. Deze normen zijn openbaar beschikbaar.
Hoe beoordeelt u de norm (EG) 889/2008 art. 14 dat koeien die in een grupstal leven, slechts twee keer per week toegang krijgen tot openluchtruimten? Deelt u de mening dat deze vorm van «luchten» niet voldoet aan de beweging die koeien nodig hebben?
Ik streef naar beperking van het aanbinden van melkvee in de biologische houderij. Voor kleinere bedrijven die hun dieren aanbinden, geldt de voorwaarde dat de dieren in de winter ten minste tweemaal per week toegang hebben tot openluchtruimten, als begrazing niet mogelijk is. Tweemaal per week is dus een ondergrens. In de zomer lopen de dieren in de wei.
Op welke wijze en hoe vaak gaat Skal de inspecties op «het luchten» uitvoeren? Op welke wijze gaat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) toezicht houden op de inspecties van Skal? Bent u voornemens de inspecties te intensiveren nu u de ontheffingsperiode wil verlengen? Zo nee, waarom niet?
Skal neemt in haar inspecties van biologische melkveebedrijven het aspect «uitloop» mee en zal dat ook blijven doen bij de bedrijven waar nog wordt aangebonden. Skal is daartoe wettelijk bevoegd als controleorganisatie voor biologische landbouw. De NVWA heeft geen wettelijke taak voor toezicht op Skal. Indien dierenwelzijn in het gedrang komt, wordt de NVWA door Skal ingeschakeld.
Kunt u aangeven hoeveel melkveebedrijven er binnen de bio-industrie zijn waar nog gemolken wordt in een grupstal? Bent u bereid het aanbinden van koeien in de bio-industrie te verbieden? Zo nee, waarom niet?
In de melkveehouderij worden volgens cijfers van CBS uit 2012 op 1801 bedrijven (een aantal) dieren nog aangebonden. Dit betreft zowel reguliere als biologische bedrijven. In de regel zijn dit kleinere meer traditionele bedrijven. Ik voorzie dat het aantal met de tijd zal afnemen. Ik ben niet voornemens deze vorm van houderij te verbieden. Ik blijf me in Europees verband inzetten voor verbetering van het dierenwelzijn voor melkkoeien, echter anders dan bij de biologische veehouderij is er voor de reguliere melkveehouderij geen Europese regelgeving die het aanbinden verbiedt.
De inbeslagneming van vee bij een Friese bioboeroormerkweigeraar |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat er vee van een bioboer/oormerkweigeraar is meegenomen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?1
Ja.
Wat gaat u doen om alternatieven uit te werken voor de oormerkweigeraars, zoals al enige jaren door het ministerie van Economische Zaken is toegezegd?
Op verzoek van de Tweede Kamer (motie TK 21 501-32, nr. 618) heeft mijn voorganger in 2012 een voorstel in Brussel ingediend voor een alternatieve identificatie voor de gewetensbezwaarden. Hierop is door de verantwoordelijke EU-commissaris geantwoord dat een goede identificatie en registratie van groot belang is voor de traceerbaarheid van de dieren en dat afwijkingen een belangrijke impact kunnen hebben op de betrouwbaarheid van het systeem. Het ingediende alternatieve voorstel is niet meegenomen in een eerder uitgewerkte impact onderzoek door de EU, zodat over de betrouwbaarheid geen uitspraken zijn te doen. Het voorstel is ook in de EU-werkgroep I&R aan de orde geweest, maar heeft daar geen medestanders gevonden.
In het thans voorliggende voorstel van de Europese Commissie in het kader van de identificatie van runderen wordt vastgehouden aan de verplichting dat het dier minimaal van één fysiek oormerk moet worden voorzien. Voor het tweede identificatiemiddel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een maagbolus met een chip of een chip welke onderhuids wordt aangebracht. Een eventuele invoering van de gewijzigde verordening, op basis van elektronische identificatie van runderen, zal niet eerder dan over 5 jaar ingevoerd worden.
Hoewel de haalbaarheid op korte termijn gering is blijf ik me in EU-verband inzetten voor opname in de betreffende EU-verordening van een alternatieve identificatie voor gewetensbezwaarden.
Voor wat betreft de opgelegde korting in kader van het GLB heb ik ingevolge de huidige Europese regelgeving geen andere mogelijkheid dan vast te houden aan het opleggen van een korting van 20%. Wel ga ik hierover wederom in overleg met de Europese Commissie, om deze aangepast te krijgen.
Het bericht “Alleen nog duurzame soja is stap te ver voor vleesindustrie” |
|
Jan Vos (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Alleen nog duurzame soja is stap te ver voor vleesindustrie»?1
Ja.
Bent u het eens met Nico Roozen van Solidaridad dat de toezegging van de Nederlandse vleesverwerkers om vanaf 2015 alleen duurzaam geteelde soja in te kopen als voer voor hun beesten, niet zal worden gehaald? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Voor een dergelijk oordeel is het nog te vroeg. In de op 15 december 2011 ondertekende intentieverklaring voor ketentransitie naar verantwoorde soja hebben de betrokken partijen zich verbonden met het streven dat Nederland in 2015 volledig is overgestapt op het gebruik van verantwoorde soja voor de productie van vlees, zuivel en eieren en andere voedingsmiddelen (ca. 1,8 miljoen ton sojaproduct). Als uitwerking van deze intentieverklaring is de stichting Ketentransitie Verantwoorde Soja opgericht. De ambitie van de stichting is in de tussenliggende jaren oplopende hoeveelheden verantwoorde soja aan te kopen. Voor 2013 ging dit om 1 miljoen ton. De Stichting Ketentransitie Verantwoorde Soja heeft in een persbericht van 17 februari 2014 aangegeven, dat de Nederlandse bedrijven in 2013 samen voor ruim 0,41 miljoen ton verantwoord geteelde soja hebben ingekocht. De doelstelling voor 2013 is dus inderdaad niet gehaald, ook al waren bedrijven in de stichting Ketentransitie Verantwoorde Soja in 2013 verantwoordelijk voor de aankoop van 57% van de totale hoeveelheid wereldwijd verkochte RTRS soja. In genoemd persbericht geeft de Stichting Ketentransitie Verantwoorde Soja aan dat, ondanks het tegenvallende tussenresultaat, in 2015 het gebruik van verantwoorde soja voor de productie van vlees, zuivel en eieren voor de Nederlandse markt gemeengoed wordt. Ik reken erop dat het Nederlands bedrijfsleven deze inspanning zal leveren.
Klopt het volgens u dat de vleessector wel zo veel mogelijk duurzame soja wil inkopen, maar dat het probleem is dat er niet genoeg gecertificeerde soja beschikbaar is? Zo nee, wat is volgens u dan de reden dat de vleessector achterblijft met de inkoop van duurzame soja? Zo ja, welke stappen moeten worden gezet om voldoende gecertificeerde soja te produceren en welke rol kan de Nederlandse overheid hier in spelen?
De Round Table for Responsible Soy (RTRS) publiceert op een publiek toegankelijke website over deelname, productie en afname van gecertificeerde soja (www.responsiblesoy.org ). Op deze site is te zien dat zowel in 2012 als in 2013 het totale aanbod van RTRS gecertificeerde soja groter was dan de benodigde hoeveelheid om te voldoen aan Nederlandse doelstellingen voor die jaren. Maar Nederland is niet de enige afnemer van RTRS soja. Er wordt ook ingezet op internationale «mainstream» verduurzaming van de sojaproductie en afname. Het is immers van groot belang dat er ook productie voor en vraag naar duurzame soja vanuit grote importerende landen als China ontstaat. De Nederlandse overheid stimuleert en faciliteert op verschillende manieren internationale multistakeholdersorganisaties en processen om te komen tot vergroting van het areaal duurzame productie, onder meer via het sojaprogramma van het IDH en financiële bijdragen aan het Farmer Support Program van Solidaridad. Ik verwijs voor het Nederlandse beleid ten aanzien van verduurzaming van soja verder naar het recente Kabinetsstandpunt over het WWF-report «The Growth of Soy» (32852–16, 19 februari 2014).
Overheden, dus ook de Nederlandse, zijn overigens geen lid van de RTRS.
Is het waar dat de zuivelsector wel in staat is gebleken om de beloften aangaande duurzame inkoop van soja gestand te doen, maar dat de varkens- en kippensector achterblijft? Zo ja, hoe verklaart u dit?
De Stichting Ketentransitie Verantwoorde Soja treedt op namens de gezamenlijke sectoren. De Stichting heeft in haar persbericht van 17 februari 2014 aangegeven welke hoeveelheden RTRS soja ze namens de aangesloten sectoren hebben aangekocht. Het kabinet kan niet beoordelen in welke mate de verschillende sectoren daaraan hebben bijgedragen.
Is geëvalueerd in hoeverre de Ronde tafel voor Verantwoorde Soja (RTRS), die in 2006 werd opgericht door overheden, bedrijven, boeren en maatschappelijke organisaties, succesvol is? Welk deel van de soja wordt duurzaam geproduceerd en is dit conform de gestelde doelen?
De RTRS is een internationaal privaat platform dat openstaat voor lidmaatschap voor bedrijven en organisaties betrokken in de sojaketen van producent tot retail, financiële instellingen en maatschappelijke organisaties. Overheden zijn geen partij in de RTRS.
Door een uitgebreid en zorgvuldig proces van multistakeholder dialoog en internetconsultaties duurde het tot 2010 voordat RTRS criteria in een algemene ledenvergadering konden worden vastgesteld. De eerste RTRS soja werd vervolgens in 2011 geproduceerd. Het is daarom te vroeg om te kunnen beoordelen of de RTRS succesvol is. De gevraagde evaluatie is daarbij bovenal een private verantwoordelijkheid en onderdeel van een continu en publiek toegankelijk proces van verbetering binnen de RTRS.
Bemoedigend is dat de hoeveelheid gecertificeerde soja en het aantal gecertificeerde hectare in 3 jaar tijd sterk is gestegen. Daarbij groeit ook het ledenaantal van de RTRS nog steeds. RTRS streeft naar een verantwoorde «mainstream» sojamarkt. Gezien de omvang van de sojamarkt en het grote aantal spelers -met China op afstand als grootste afnemer – een stevige ambitie. RTRS heeft voor 2015 een doel geformuleerd van 5 miljoen ton verantwoorde soja.
Deelt u de mening dat Nederland, als de op één na grootste soja-importeur ter wereld, een grote verantwoordelijkheid heeft bij te dragen aan het duurzaam produceren van soja en het stimuleren van de vraag hier naar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze kan de Nederlandse overheid bijdragen aan het succes van de RTRS en welke maatregelen bent u voornemens hier toe te nemen?
Ja, ik deel deze mening. De manier waarop Nederland hieraan bijdraagt is uiteengezet in de eerder aangehaalde kabinetsreactie op het WWF-report «The Growth of Soy», de Grondstoffennotitie aan de Tweede Kamer (32 852, nr. 1, 15 juli 2011), diverse Kamervragen en in het AO van september 2009 over soja. Overigens is de Nederlandse invloed op de internationale productie en handel in soja tanende door sterk veranderende verhoudingen in productie en handel, die meer en meer een onderlinge handel is geworden tussen het Zuid-Amerikaanse continent en China en voor het grootste deel gefaciliteerd wordt door niet-Nederlandse traders. In 2012 werd op een wereldproductie van 270 miljoen ton soja, 61 miljoen ton geïmporteerd door China tegenover 35 miljoen ton door Europa (EU-27). De trend is daarbij al jaren een sterk stijgend Chinees aandeel in de importen (stijging van ca. 10 miljoen ton per jaar).
Nederland zelf importeert volgens de WUR (LEI-rapport 2010–059) ca. 2 miljoen sojaproduct, bestemd voor hoofdzakelijk diervoeders (ca. 90%) en een kleiner deel voor humaan of technisch gebruik (ca. 10%). De overige soja (in de vorm van bonen, meel of olie) die onze havens passeert wordt doorgevoerd naar hoofdzakelijk andere landen binnen de EU.
Welke maatregelen kunnen worden genomen om de vrijblijvendheid van de RTRS te beperken en de vleesindustrie er toe te bewegen stappen te zetten die er toe leiden dat zij haar belofte om per 2015 alleen duurzame soja in te kopen, nakomt?
De ambitie en inzet van het bedrijfsleven om per 2015 te komen tot 100% verantwoorde soja is van groot belang voor de afgesproken ondersteuning en facilitering hiervan door de overheid, zie ook antwoorden bij 2 en 3. De verduurzaming van (alle) grondstoffen is daarbij tevens een integraal onderdeel van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij. Wij zullen de veehouderij en andere spelers in de sojaketen blijven aanspreken op het realiseren van de afgesproken doelen.
Het bericht dat varkenshouders teleurgesteld zijn in EZ |
|
Helma Neppérus (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Varkenshouders teleurgesteld in EZ»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom is besloten om het huisvestingssysteem voor dragende zeugen uitgevoerd met een voerligbox met uitloop niet op te nemen in de nieuwe Maatlat duurzame veehouderij, waardoor als gevolg hiervan geen gebruik meer kan worden gemaakt van fiscale regelingen, zoals VAMIL en MIA?
Doelstelling van de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) is het stimuleren van koploperbedrijven om te investeren in een duurzame veehouderij. Het betreft maatregelen voor milieu, dierenwelzijn en diergezondheid die verder gaan dan de wettelijke normen en reguliere systemen. Stallen die voldoen aan de voorwaarden van de MDV komen in aanmerking voor de fiscale regelingen Milieu-investeringsaftrek (MIA) en Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen (Vamil). De lat van de MDV wordt stapsgewijs hoger gelegd. Op deze wijze wordt met de MDV innovatie en de verdere verduurzaming van de veehouderij gestimuleerd.
Staand beleid is dat met de MDV en de fiscale regelingen geen wettelijke minimummaatregelen financieel worden ondersteund. In het kader van de Europese dierwelzijnsregelgeving voor groepshuisvesting van zeugen is de reguliere voerligbox met uitloop de minimale invulling van de wettelijke voorschriften voor dierenwelzijn. Om deze reden is deze huisvestingsvorm niet meer opgenomen in de MDV. Deze werkwijze is in 2013 ook toegepast voor de koloniekooihuisvesting van legkippen.
Deelt u de opvatting dat het vreemd is dat één systeem wordt uitgezonderd ten opzichte van andere systemen, terwijl dit systeem op meerdere gebieden aantoonbare voordelen heeft op het gebied van dierenwelzijn, milieu, diergezondheid en management? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het ministerie van Economische Zaken geen systeemkeuzes behoort te maken, aangezien er verschillende huisvestingssystemen voor dragende zeugen zijn, die stuk voor stuk zowel voor- als nadelen hebben op het gebied van dierenwelzijn, milieu, diergezondheid en management? Zo nee, waarom niet?
Het is een ondernemersbeslissing welk huisvestingssysteem wordt gekozen. Deze keuze zal een varkenshouder op verschillende aspecten baseren zoals arbeid, management, dierenwelzijn, milieu en diergezondheid. Het blijft mogelijk om te investeren in voerligboxen met uitloop, maar dit staltype komt niet meer in aanmerking voor fiscale ondersteuning.
Bent u bereid om tegemoet te komen aan de oproep van de varkenshouders om de maatlat aan te passen, zodat zij alsnog gebruik kunnen maken van VAMIL en MIA? Zo nee, kunt u aangeven wat de financiële gevolgen hiervan zijn voor de ondernemers?
Varkenshouders kunnen gebruik blijven maken van de MIA en Vamil door andere vormen van (groeps)huisvesting toe te passen. De MDV stimuleert koploperbedrijven te investeren in een duurzamere veehouderij. De lat van de MDV wordt daarom stapsgewijs hoger gelegd. Zoals eerder aangegeven is het een individuele ondernemerskeuze of men aan de MDV mee wil doen.
Wat zijn de extra geraamde kosten voor de begroting als ook varkenshouders met andere systemen, zoals met stallen voor dragende zeugen die niet zijn uitgevoerd met een voerligbox met uitloop, gebruik mogen maken van de fiscale faciliteiten, zoals VAMIL en MIA van de Maatlat duurzame veehouderij?
De investeringskosten voor de voerligboxen met uitloop liggen in dezelfde orde van grootte als van andere toegepaste groepshuisvestingssystemen (KWIN: Kwantitatieve Informatie Veehouderij). De regelingen zijn gebudgetteerd.
De milieulijst voor de MIA-Vamil regeling wordt zodanig vastgesteld dat met de beschikbare middelen het meest optimale milieu- en, in het geval van de MDV, ook dierenwelzijnsresultaat wordt behaald. Dit betekent dat als de investeringskosten voor de voerligboxen met uitloop opnieuw worden toegevoegd, andere investeringen uit de Milieulijst moeten vervallen en per saldo het te bereiken milieu- en dierenwelzijnseffect afneemt.
Het bericht ‘Pandemie uit Brabant is mogelijk’ |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend het artikel «Pandemie uit Brabant is mogelijk»? 1
Ja
Wat is uw reactie op de uitspraak van viroloog Ab Osterhaus dat het niet ondenkbaar is dat er in Brabant een grieppandemie uitbreekt, die wordt veroorzaakt door een gemuteerd dierlijk virus dat kan overspringen naar mensen?
Er is altijd een kans op een uitbraak van een zoönose, inclusief een grieppandemie. Het is heel moeilijk om te zeggen hoe groot die kans is en waar en wanneer een nieuwe ziekte zal uitbreken. Het aanpassen van virussen en de overdracht van virussen tussen dieren en mensen zijn natuurlijke processen. Dierdichtheid, intensieve contacten tussen diersoorten en tussen mens en dier maar ook hygiënemaatregelen spelen daarbij een rol. De hygiënemaatregelen op Nederlandse veehouderijbedrijven zijn streng en directe contacten tussen diersoorten onderling en tussen mens en dier zijn beperkt. Wij zijn van mening dat de huidige maatregelen voldoende zijn om de kans op een uitbraak zo klein mogelijk te houden.
In Nederland bestaat een uitgebreid, verplicht programma om vogelgriep zo snel mogelijk te vinden. Op besmette bedrijven worden adequate controlemaatregelen genomen. Ook bereidt Nederland zich goed voor op uitbraken onder meer door een goede samenwerking tussen humane en veterinaire partijen, wetenschappelijk onderzoek en actuele bestrijdingsdraaiboeken. Daarnaast zorgt het humaan veterinair signaleringssysteem er voor dat een uitbraak snel gedetecteerd wordt en dat tijdig wordt opgeschaald en de juiste maatregelen genomen kunnen worden. Naar aanleiding van de Q-koortsuitbraak is de voorbereiding op uitbraken uitgebreid en aangescherpt.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de directeur van de GGD Hart voor Brabant (Jos van de Sande) die stelt dat alleen minder dieren een oplossing zijn om het risico op de uitbraak van een pandemie in Brabant te verminderen?
Het alleen verminderen van dieren is geen oplossing om het risico op de uitbraak van een pandemie te beperken. Het kabinetsbeleid richt zich op maatregelen waarmee de introductie en verspreiding van dierziekten en zoönosen worden voorkomen, zoals: strenge hygiënemaatregelen, screenen van import- en exportstromen van dierlijke producten, intensieve monitoring en een goed werkend early warning systeem. Volledig gesloten veehouderijen om het risico op zoönose-uitbraken te verminderen leveren naar de mening van het kabinet geen wezenlijke meerwaarde ten opzichte van de genoemde maatregelen. Mede uit het oogpunt van dierenwelzijn is een dergelijke ontwikkeling niet gewenst.
Wat is uw reactie op het recente rapport van de Provinciale Raad Gezondheid Brabant, waarin wordt gesteld dat varkens «worden gezien als een diersoort waarin nieuwe pandemische virussen kunnen ontstaan op het moment dat er insleep is van vogelgriepvirussen»?
Het toenmalige kabinet heeft op 31 mei 2011 reeds een reactie gegeven op het rapport «Gezondheid is geen wisselgeld» uit 2011 (Kamerstuk 28 973, nr. 51). Het is algemeen bekend dat vogelgriepvirussen varkens kunnen infecteren, waarbij varkens, als deze toevallig ook besmet zijn met een ander griepvirus, als «mengvat» op kunnen treden met een aangepast virus als gevolg. Het beleid van de Staatssecretaris van Economische Zaken is erop gericht vogelgriepvirussen in pluimvee zo snel mogelijk op te sporen en te elimineren. Zie verder de antwoorden op de vragen 2, 3 en 5.
Wat is uw reactie op de uitspraak van GGD-arts Henk Jans, die stelt dat er volledig gesloten veehouderijen moeten komen om het risico op zoönose-uitbraken te verminderen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw standpunt als het gaat om het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uit 2008 om varkens- en kippenboerderijen minstens een kilometer uit elkaar te houden?
Dat RIVM-advies is gebaseerd op het risico voor verspreiding van een hoogpathogeen vogelgriepvirus tussen pluimveebedrijven, op basis van de epidemie van 2003. In een vervolgrapport van het RIVM uit 20122 wordt het oorspronkelijke afstandsadvies nader geduid. Deze bevindingen hebben niet geleid tot een wijziging van het beleid om geen landelijke afstandsnormen te formuleren. Overigens, afstanden tussen bedrijven die in het kader van dierziektebeheersing worden geadviseerd, zijn niet zonder meer te vertalen naar afstandsadviezen met betrekking tot de risicobeheersing van zoönosen in het algemeen.
Klopt het dat in Brabant maar liefst 91 procent van de kippenboerderijen op minder dan duizend meter van een varkenshouderij is gevestigd?
Uit de bij de Staatssecretaris van Economische Zaken bekende gegevens blijkt dat het percentage 85% is.
Het bericht LTO en NVV boos over tariefverhoging Rendac |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) en Nederlands Vakbond Varkenshouders (NVV) boos over tariefverhoging Rendac»?1
Ja.
Klopt het dat Rendac een monopoliepositie heeft op de markt voor verwerking van destructiematerialen van overleden dieren? Zo nee, kunt u toelichten hoe deze markt eruit ziet zowel op nationaal als op internationaal niveau?
Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief over kadavertarieven van 5 februari 2014 en het door het LEI uitgevoerde onderzoek welke als bijlage is bijgevoegd.
Deelt u de opvatting dat het een onwenselijke situatie is als Rendac inderdaad een monopoliepositie heeft en dat deze markt open gesteld moet worden voor nieuwe partijen? Zo ja, welke acties kunt u zelf hiervoor ondernemen, bijvoorbeeld op het vlak van de vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het ministerie van Economische Zaken van oudsher geen voorstander is van een vrije markt voor kadaververwerking, omdat de risico’s voor de volksgezondheid te groot zouden zijn? Zo ja, kunt u nader onderbouwen waarom de risico’s voor de volksgezondheid te groot zouden zijn?
Nee. Ik verwijs u verder naar mijn brief over kadavertarieven van 5 februari 2014.
Kunt u zich vinden in de veronderstelling van LTO en NVV dat de forse tariefstijging in 2013 samenhangt met de pas definitief geworden verkoop van het moederbedrijf? Zo nee, waarom niet?
Nee. De regulering van de totstandkoming van de tarieven borgt dat er geen overwinsten kunnen worden behaald. Ik verwijs u verder naar mijn brief over de kadavertarieven van 5 februari 2014.
Hoe hoog acht u de kans dat Rendac ook een verhoging van de normgewichten gaat invoeren naast de tariefverhoging en wat zijn de financiële gevolgen hiervan voor de veehouderij?
Ik verwijs u hiervoor naar de beantwoording van vraag 13 van het lid Geurts (2014Z01108) die gelijktijdig aan de Kamer is verzonden.
Het bericht Dutch Dairy Board (DDB) wil meer informatie ZuivelNL |
|
Helma Lodders (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht DDB (Dutch Dairy Board) wil meer informatie over ZuivelNL?1
Ja.
Kunt u aangeven in welke fase de plannen van de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) en Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO) verkeren om een interbrancheorganisatie op te richten? Kunt u aangeven op basis van welke voorwaarden van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) deze organisatie wordt opgericht?
LTO en NZO hebben een samenwerkingsverband opgericht ter versterking van de zuivelketen. Het samenwerkingsverband als zodanig is nog geen brancheorganisatie in de zin van het GLB. Daarvoor dient eerst een aanvraag voor een erkenning te worden ingediend, hetgeen pas mogelijk wordt wanneer een nationale regeling ter uitvoering van dit onderdeel van het nieuwe GLB is vastgesteld. Dan zal moeten worden gekeken of, indien een aanvraag wordt ingediend, deze aan de erkenningvereisten voldoet.
Deelt u de opvatting dat het vreemd is dat nu al bekend is gemaakt dat melkveehouders € 0,05 per 100 kilogram melk moeten gaan afdragen aan de nieuwe ketenorganisatie ZuivelNL terwijl er nog geen helderheid is gegeven over de nieuwe taken die interbrancheorganisaties of producentenorganisaties kunnen oppakken op basis van het GLB? Zo nee, waarom niet?
Het staat een private organisatie, of dit nu een brancheorganisatie in de zin van het GLB is of niet, vrij om een financiële bijdrage te vragen aan de (vrijwillig) aangesloten deelnemers. Het gaat hier niet om een heffing waarvoor een algemeenverbindendverklaring is of zal worden gevraagd.
Deelt u de opvatting dat het heffen van middelen zonder dat betrokkenen hierin gekend worden geen taak is van interbrancheorganisaties of producentenorganisaties aangezien dit een van de hoofdredenen was om de productschappen op te heffen? Zo ja, bent u bereid hier actie tegen te ondernemen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de werkwijze van ZuivelNL niet van deze tijd is, aangezien alles voor de boeren wordt geregeld zonder dat de boeren zelf worden geraadpleegd en gezien de hoge reserves van het Productschap Zuivel deze snelle gang van zaken niet nodig is en niet wenselijk gezien de koers van Brussel om boeren juist meer inspraak te geven? Zo ja, kunt u aangeven hoe u met deze situaties wil omgaan?
Nee. Het is goed dat een sector de samenwerking in de keten wil versterken ten behoeve van onder andere de diergezondheid, exportpositie en duurzaamheid.
Kunt u tot slot aangeven welke taken en verantwoordelijkheden interbrancheorganisaties en producentenorganisaties kunnen overnemen van de productschappen op basis van het GLB en kunt u toelichten wanneer en op basis van welke voorwaarden deze organisaties gebruik kunnen maken van een algemeenverbindendverklaring (AVV)?
Publieke taken van de bedrijfslichamen worden onder verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken uitgevoerd. Hierbij is geen sprake van algemeenverbindendverklaring van maatregelen van een producenten- of brancheorganisatie.
Voor de niet-publieke taken is het aan het bedrijfsleven zelf om te bepalen welke taken zij overnemen. Voor zover de indruk is gewekt dat het hier gaat om een in het kader van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid erkende producenten- of brancheorganisatie zou gaan, is dat onjuist.
In de motie Geurts (Kamerstuk 33 750 XIII, nr. 56) is het kabinet gevraagd een kader uit te werken voor de erkenning van producenten- en brancheorganisaties en hoe omgegaan wordt met algemeenverbindendverklaringen. Hier wordt momenteel invulling aan gegeven. Deze regeling zal in het tweede kwartaal worden gepubliceerd.
Het lot van de paarden die na het faillissement van een zorgboerderij worden geveild |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat een ex-bestuurder van zorgboerderij/manege in Nuth wordt verdacht van grootschalige fraude met onder andere PGB-gelden en dat de zorgboerderij inmiddels failliet is verklaard?1
De zorgboerderij is inmiddels failliet verklaard. Over verdenkingen tegen personen worden geen mededelingen gedaan.
Is het waar dat als gevolg van dit faillissement de 28 paarden van deze zorgboerderij binnen enkele dagen geveild gaan worden waarbij het startbod vanaf 150 euro is gezet?
De veiling van de paarden is op 25 januari 2014 gestart en op 28 januari 2014 beëindigd. Er zijn 28 paarden aangeboden op de veiling. Eén paard werd aangeboden voor € 150,–. De overige startbedragen lagen tussen de € 250,– en € 800,–. Het gemiddelde startbedrag was € 548,– per paard. De bedragen van de laatste biedingen op de veiling variëren tussen de € 780,– en € 16.300,- De 28 paarden hebben in totaal € 97.061,– opgebracht. De gemiddelde opbrengst is € 3.466,– per paard. Deze bedragen zijn exclusief veilingkosten en btw.
Deelt u de mening dat dieren geen spullen zijn zoals een koelkast of wasmachine die na een faillissement kunnen worden geveild? Zo neen, waarom niet?
Deelt u de mening dat deze paarden niet de dupe mogen worden van het faillissement, al dan niet als gevolg van fraude in de zorg?
Deelt u de analyse dat deze paarden door de veiling een groot risico lopen het slachtoffer te worden van een ondoordachte (impuls)aankoop? Deelt u de analyse dat het risico zelfs groot is dat handelaren de paarden voor een prikkie in bezit krijgen en doorverkopen voor de slacht, waar ongeveer 400 euro per paard wordt betaald? Zo ja, wat gaat u doen om deze scenario’s te voorkomen? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom u de risico’s op impulsaankopen en/of doorverkoop voor de slacht niet reëel acht?
Bent u bereid om u in te zetten voor het stopzetten van de veiling en in plaats van de veiling een deugdelijke herplaatsing van de paarden te faciliteren, bijvoorbeeld door ondersteuning van de Stichting Paard in Nood, zodat impulsaankopen voorkomen kunnen worden en het risico dat de dieren bij de slacht belanden wordt vermeden?
Bent u bekend met de zorgen van mensen uit de buurt die melden dat de verzorging van de paarden de afgelopen maanden al te wensen overliet? Heeft de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) de verzorging en het welzijn van de dieren de afgelopen maanden al gecontroleerd? Zo ja, wat waren de bevindingen van de inspecteurs? Zo neen, waarom niet?
Er hebben de NVWA geen meldingen bereikt over mogelijke welzijnsproblemen bij dit bedrijf.
In 2012 heeft de NVWA wel ondersteuning geleverd bij het onderzoek van de FIOD op de desbetreffende locatie van Tara-Manda in de vorm van expertise en het uitlezen van transpondernummers van de aanwezige paarden. Er zijn toen geen afwijkingen vastgesteld met betrekking tot het dierenwelzijn.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre en op welke wijze de NVWA betrokken was of is bij het besluit over de veiling van de dieren en het verdere verloop van dit proces?
De NVWA is niet betrokken bij het besluit tot veiling van de paarden of het verdere verloop daarvan.
Biggensterfte door onderkoeling |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Biggen aan de knijper: levensreddende actie»?1
Ja.
Vindt u het ophangen van biggen aan de oren met wasknijpers passen binnen de kabinetsvisie van een duurzame veehouderij? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Binnen de kabinetsvisie duurzame veehouderij past een zorgvuldige omgang met alle gehouden dieren. In dat kader is de ondernomen actie, het opwarmen van biggen die onderkoeld dreigen te raken in warm water, passend. De in dit geval gekozen oplossing om de biggen hierbij voor verdrinking te behoeden door deze met wasknijpers aan de oren vast te maken kan vervangen worden door welzijnsvriendelijkere oplossingen zoals speciaal hiervoor ontwikkelde «zwemvestjes».
Kunt u aangeven hoeveel biggen er jaarlijks sterven aan onderkoeling?
Nee, het is niet bekend hoeveel biggen specifiek aan onderkoeling sterven, of welk aandeel in de biggensterfte direct gerelateerd is aan onderkoeling. Hier worden geen gegevens over geregistreerd.
Kunt u aangeven wat het percentage hiervan is in verhouding met het totale aantal biggen dat jaarlijks sterft?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het fenomeen «uterine crowding» een oorzaak is van het toenemende aantal doodliggers onder biggen?
Voor zover mij bekend is er geen wetenschappelijk onderzoek dat een relatie aantoont dat «uterine crowding» direct verband houdt met het aantal «doodliggers» onder biggen.
Uit gegevens van de Stuurgroep bigvitaliteit blijkt dat de afgelopen jaren de worpgrootte enigszins gestegen is, bij een gelijk blijvend aantal gestorven biggen. Hetgeen betekent dat biggensterfte juist relatief iets gedaald is.
Erkent u dat het reduceren van de worpgrootte zal leiden tot minder biggensterfte? Zo ja, bent u bereid om maatregelen te treffen om de worpgrootte te reduceren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Verhogingen lasten veehouderij |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de overname van VION Ingredients door Darling International?1
Ja.
Is de Nederlandse overheid betrokken geweest bij de overname? Zo ja, op welke manier?
Ik ben geïnformeerd over het voornemen en de afhandeling van de overname. Ik verwijs u verder naar mijn brief over kadavertarieven van 5 februari 2014.
Welke contracten heeft de Nederlandse overheid met Darling International, VION Ingredients c.q. met aan haar gelieerde bedrijven?
Zie antwoord vraag 2.
In tegenstelling tot Vion is het Darling concern beursgenoteerd; is het mogelijk dat onder druk van de aandeelhouders de destructietarieven komende jaren extra verhoogd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Nee, in het Besluit dierlijke producten staat aangegeven welke posten meegenomen worden bij de vaststelling van de tarieven. Het is niet toegestaan om tarieven daarbuiten te verhogen. De accountant van Rendac en de Auditdienst Rijk zien hier op toe. De tarieven fluctueren alleen indien de werkelijke uitgaven of inkomsten veranderen. Met name de inkomsten uit vetten, melen en huiden variëren.
Wat zijn de verdere gevolgen van de overname voor de Nederlandse overheid?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief over kadavertarieven gaan de verplichtingen onverkort over op de nieuwe eigenaar. Ik zie daarom op dit moment geen directe gevolgen voor de overheid, het bedrijfsleven of het Diergezondheidsfonds.
Wat zijn de gevolgen van de overname voor het Nederlandse bedrijfsleven?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de gevolgen van de overname voor het Diergezondheidsfonds?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat Rendac de tarieven voor 2014 verhoogd heeft? Wat is daar de oorzaak van?2
Ik verwijs u hiervoor naar mijn Kamerbrief van 5 februari over de kadavertarieven. Wanneer de tarieven zijn goedgekeurd wordt het goedkeuringsbesluit gepubliceerd in de Staatscourant.
Zijn de nieuwe destructietarieven door u goedgekeurd en op welke wijze moeten deze worden gepubliceerd? Is de publicatie ook volgens de daar voor geldende regels verlopen en wat zijn deze regels precies?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat de tarieven voor met name de varkenshouderij voor 2014 fors zijn verhoogd?3
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u een overzicht van destructietarieven per diercategorie van de jaren 2010 t/m 2014 aan de Kamer beschikbaar stellen?
Hieronder vindt u het overzicht. De tarieven fluctueren sterk over de jaren. De fluctuaties worden vooral veroorzaakt door schommelingen in inkomsten van Rendac Son B.V. Daarnaast wordt aan de hand van werkelijk behaalde resultaten verschillen met de gehanteerde tarieven nagecalculeerd. Normaal gesproken zit hier twee jaar tussen. In 2012 bleken de inkomsten gedurende het jaar te stijgen. Door alle partijen is besloten deze meevaller deels ten goede te laten komen aan de tarieven van 2013 in plaats van 2014. De tarieven voor 2013 zijn hierdoor lager uitgevallen.
Aan de hand van overleg met de sectoren en Rendac Son B.V. is de berekening van het stoptarief vanaf 2010 op verschillende wijzen doorgevoerd. Het stoptarief betreft de voorrijdkosten voor het ophalen van kadavers. In 2010 gold nog één stoptarief. Voor 2011 is besloten meer te rekenen voor de eerste zeven stops in een jaar. Vanaf 2012 is besloten om voordeel te rekenen als Rendac op afgesproken dagen kadavers ophaalt. Dit bevordert de efficiëntie, omdat hiermee de aantallen stops beter over de week kunnen worden verspreid. Hierdoor worden transportkosten geoptimaliseerd, wat weer ten goede komt aan de tarieven.
Slachtvarken
Per dier
€ 2,07
€ 0,75
€ 1,08
€ 0,75
€ 1,08
Big
Per vat
€ 6,47
€ 2,34
€ 3,38
€ 2,35
€ 3,37
Zeug
Per dier
€ 7,77
€ 2,81
€ 4,06
€ 2,82
€ 4,04
Rund > 1 jaar
Per dier
€ 25,89
€ 9,35
€ 13,53
€ 9,40
€ 13,47
Kalf
Per dier
€ 3,62
€ 1,31
€ 1,89
€ 1,32
€ 1,89
Nuchter kalf
Per dier
€ 2,07
€ 0,75
€ 1,08
€ 0,75
€ 1,08
Schaap
Per dier
€ 2,07
€ 0,75
€ 1,08
€ 0,75
€ 1,08
lam (schaap)
Per vat
€ 6,47
€ 2,34
€ 3,38
€ 2,35
€ 3,37
Geit
Per dier
€ 1,09
€ 0,39
€ 0,57
€ 0,39
€ 0,57
lam (geit)
Per vat
€ 6,47
€ 2,34
€ 3,38
€ 2,35
€ 3,37
Paard
Per dier
€ 18,12
€ 6,55
€ 9,47
€ 6,58
€ 9,43
Veulen
Per dier
€ 3,62
€ 1,31
€ 1,89
€ 1,32
€ 1,89
Pony
Per dier
€ 8,28
€ 2,99
€ 4,33
€ 3,01
€ 4,31
Pluimvee
Per vat
€ 6,47
€ 2,34
€ 3,38
€ 2,35
€ 3,37
Nertsen
Per vat
€ 6,47
€ 2,34
€ 3,38
€ 2,35
€ 3,37
Per stop
€ 20,13
Per stop <= 7
€ 35,82
Per stop (regulier)
€ 17,60
€ 17,28
€ 17,75
Per stop > 7
€ 11,20
Per stop (geplande vaten)
€ 12,94
€ 12,94
€ 12,78
Totaal tarief: slachtvarken
€ 22,20
€ 36,57
€ 18,68
€ 18,03
€ 18,83
Totaal tarief: per vat (per stop <=7 en gepland)
€ 26,60
€ 38,16
€ 16,32
€ 15,29
€ 16,15
Totaal tarief: per vat (per stop > 7 en gepland)
€ 26,60
€ 13,54
€ 16,32
€ 15,29
€ 16,15
Totaal tarief: paard
€ 38,25
€ 42,37
€ 27,07
€ 23,86
€ 27,18
Uit welke componenten zijn deze tarieven opgebouwd?
De tarieven zijn opgebouwd uit kosten en inkomsten. De rij «totaal kosten» in de tabel hieronder omvat de transportkosten en de verwerkingskosten. Daar worden opbrengsten uit vetten, melen en huiden vanaf gehaald. Daarnaast worden overschotten of tekorten verrekend, zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 11. Bij eindtotaal vindt u de overgebleven kosten. Dit bedrag vormt de basis voor de tarieven die u in het overzicht bij het antwoord op vraag 11 terugvindt en wordt verdeeld over het aantal kg aangeboden materiaal. De prijs per stop en de prijs per kg aangeboden materiaal is voor alle diersoorten gelijk. Zodra de gewichten per diersoort worden aangepast, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 13, zullen de tarieven navenant stijgen of dalen. Uiteraard blijven de totaalkosten (en het bedrag per kg aangeboden materiaal) gelijk.
(€ x 1.000)
transportkosten
13.888
14.222
14.139
13.632
13.343
– 2%
verwerkingskosten
9.149
10.319
11.369
11.060
10.347
– 6%
opbrengsten
– 1.459
– 6.322
– 8.478
– 10.632
– 9.315
– 12%
verrekening overschot/tekorten
63
– 1.064
– 1.910
– 684
– 560
– 18%
Waarom was Rendac voornemens de normgewichten aan te passen? Waarom is dit uitgesteld?
De tabel met normgewichten is sterk verouderd. Rendac heeft in 2013 steekproefsgewijs kadavers van verschillende diersoorten gewogen. Het uitgangspunt blijft dat Rendac de kosten zo reëel mogelijk over de diersoorten verdeelt. Voor de berekening van de tarieven worden de totale kosten bepaald per kg verwerkt materiaal. In overleg met alle partijen is besloten hier het komende jaar nog zorgvuldig naar te kijken in het kader van de totstandkoming van de tarieven.
Wanneer stopt het kabinet met het opleggen van verhogingen van lasten voor de veehouderij?
Ten aanzien van de tarieven voor 2014 verwijs ik u naar mijn brief over kadavertarieven van 5 februari 2014. Tevens verwijs ik u naar de beantwoording schriftelijk overleg QLL van 4 februari jl waarin de leden van de VVD-fractie hebben gevraagd naar de regelgeving in de veehouderij.
De toepassing van arsenicum in de kippen- en kalkoenindustrie in de Verenigde Staten |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Roxarsone, Inorganic Arsenic, and Other Arsenic Species in Chicken: A U.S.-Based Market Basket Sample »,? waaruit blijkt dat arsenicum in de Verenigde Staten nog steeds in de kippen- en kalkoenindustrie wordt gebruikt?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Ja. Ik beoordeel het als positief dat er ook in de Verenigde Staten aandacht is voor dit onderwerp.
Kunt u bevestigen dat arsenicum door de Europese Commissie verboden is?
Ja. Het gebruik van arseen in diervoeders is binnen Europa verboden. Aangezien de stof ook van nature voorkomt, zijn er op Europees niveau maximale limieten voor deze ongewenste stof in diervoeders vastgesteld. Deze limieten mogen niet worden overschreden.
Kunt u bevestigen dat arseen en arseenverbindingen verdacht kankerverwekkend zijn, zeer toxisch voor de mens en op lange termijn schadelijke effecten kunnen veroorzaken in het milieu?
Arseen kan in verschillende vormen voorkomen. Vanuit toxicologisch oogpunt verdient blootstelling van de mens aan anorganisch arseen met name aandacht. Langdurige inname van anorganisch arseen via de voeding of het drinkwater kan bepaalde vormen van kanker veroorzaken. Daarnaast kan langdurige inname ook tot andere effecten dan kanker leiden, waaronder schadelijke effecten op de huid, het hart, het zenuwstelsel en de ontwikkeling. Arseen en arseenverbindingen zijn toxisch voor de mens, maar de mate van giftigheid is beperkt in vergelijking tot veel andere stoffen.
Het is tevens bekend dat arseen schadelijke effecten kan hebben in het milieu. In het kader van het bodembeleid zijn er normen voor arseen afgeleid die schadelijke effecten moeten voorkomen.
Kunt u aangeven in welke landen arsenicum nog meer verwerkt wordt in veevoer? Zo ja, in welke landen? Is de aanwezigheid van arsenicum op de etiketten van de verwerkte producten vermeld?
Ik heb geen overzicht in welke landen arseen wel mag worden verwerkt in veevoer en welke eisen in de betreffende landen aan etikettering worden gesteld. In Europa mag alleen diervoeder worden geproduceerd of geïmporteerd dat aan de geldende Europese regelgeving voldoet. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is het gebruik van arseen in diervoeders binnen Europa verboden.
Kunt u aangeven wat het standpunt van de Europese Unie is, in de onderhandelingen met de Verenigde Staten over een Vrijhandelsakkoord, betreffende groeimiddelen en gentechnologie en de risico’s hiervan voor de volksgezondheid en het milieu?
Verlaging van het hoge beschermingsniveau in Europa voor de gezondheid van mens, dier, plant en milieu door een vrijhandelsakkoord met de VS is niet aan de orde. Vanaf het begin van de onderhandelingen heeft de EU duidelijk gemaakt dat de basiswetgeving ten aanzien van gentechnologie en gebruik van groeibevorderaars bij de vleesproductie niet ter discussie staat. Er zal niet ingeboet worden op consument- en productveiligheid. Nederland ondersteunt dit standpunt.
Kunt u aangeven of de onderhandelingen over een Vrijhandelsakkoord tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten ruimte bieden voor de import van vleesproducten, afkomstig van dieren die groeimiddelen (zoals arsenicum) toegediend hebben gekregen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u garanderen dat Nederland niet akkoord gaat met een Vrijhandelsakkoord tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten, waarbij gentechnologie en de import van vleesproducten afkomstig van dieren die groeimiddelen (zoals arsenicum) toegediend hebben gekregen, toegestaan wordt?
Zie antwoord vraag 5.
De ontwikkeling van stapelbakstallen |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Schippers levert met HyCare een slechte dienst aan imago van de varkenssector»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat binnen dit systeem de zeug met haar biggen in kunststoffen bakken worden gehouden? Hoe beoordeelt u deze vorm van huisvesting van dieren?
In dit houderijconcept worden de kraamzeug en haar biggen gehouden in verplaatsbare hokken met kunststofwanden en gedeeltelijke kunststofroosters. Deze inrichting komt ook voor in de reguliere zeugenhokken, waaronder het Prodromi kraamhok, die niet verplaatsbaar zijn. De verplaatsbare hokken met de kuntstofwanden en -roosters hebben het voordeel dat zij goed te reinigen zijn.
Kunt u bevestigen dat dit systeem via een lopende band de varkens in deze kunststoffen bakken vervoert? Kunt u bevestigen dat de verzorging van de varkens via de lopende band verloopt, waarbij de boer zich niet meer hoeft te verplaatsen? Hoe beoordeelt u deze mechanische vorm van omgang met dieren?
De Hy-care kraamhokken worden getransporteerd door de hokken op een shuttle-wagentje te plaatsen. Deze shuttle rijdt onder het hok, lift het hok enkele centimeters op en rijdt daarna weg met het hok. Het behoort tot de mogelijkheden dat op deze wijze de verplaatsbare hokken in meerdere lagen worden geplaatst.
Het hok met de dieren wordt op deze wijze naar de dierverzorger gebracht in plaats van dat de dierverzorger naar het hok toekomt. Deze nieuwe werkwijze maakt een hygiënische verzorging van de dieren mogelijk tijdens de kraam- en biggenopfokfase. Dit concept maakt het mogelijk dat met een aangepaste hokinrichting (zoals een Prodromi kraamhok) en aangepast management (speenleeftijd, klimaatregulering) het dierenwelzijn verbeterd wordt ten opzichte van reguliere stallen. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Kunt u bevestigen dat bij het reinigen van deze bigbakken, de bak gekiept wordt waarbij de biggen naar beneden rollen, wat het makkelijker maakt om de onderkant van de bak schoon te krijgen? Hoe beoordeelt u deze omgangsvorm met biggen in termen van dierenwelzijn en ethiek?
Nee. Voordat de kraamhokken worden gewassen in een aparte wasmachine zijn de biggen handmatig uit de hokken gehaald.
Het is wel mogelijk dat hokken met dieren onder een lichte helling worden geplaatst tijdens de verzorging. Dit vergemakkelijkt de verzorging van de dieren, bevordert de hygiëne en vermindert het risico op verspreiding van ziekteverwekkers. Bij een zorgvuldige werkwijze zie ik geen bezwaren voor het dierenwelzijn. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Kunt u bevestigen dat de bigbakken met een vorkheftruck gestapeld worden, zoals in magazijninstellingen ook wordt gedaan? Hoe beoordeelt u deze omgangsvorm met biggen in termen van dierenwelzijn en ethiek?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening van de Dierenbescherming dat de ontwikkeling van stapelbakstallen onethisch is, niet zal kunnen rekenen op maatschappelijk draagvlak en bijdraagt aan een negatief imago van de varkenssector? Zo ja, kunt u aangeven op welke wijze u de ontwikkeling van stapelbakstallen denkt te ontmoedigen? Zo nee, kunt u aangeven op welke wijze een stapelbakstal binnen uw visie van integraal duurzame stallen past?
Voorwaarde is dat de Hy-care stal moet voldoen aan vigerende wet- en regelgeving. De Hy-care stal bevat elementen die potentieel voordeel kunnen hebben voor de reductie van antibiotica, diergezondheid, stalklimaat en milieu. Daarmee speelt dit nieuwe concept, waarvan een eerste prototype is ontwikkeld, in op de ontwikkeling van de integraal duurzame stallen van de varkenshouderij. Tegelijkertijd kan een dergelijk potentiële systeeminnovatie ook tot gevolg hebben dat er in de varkenshouderij sprake is van verdere industrialisatie waarbij varkens in een sterk technologische omgeving worden gehouden. Vanuit maatschappelijke acceptatie en ethisch oogpunt moet een dergelijke ontwikkeling nader worden bezien. Dergelijke vraagstukken moeten ook voor de sector een belangrijk aandachtspunt zijn bij de verdere verduurzaming van de sector.
Grote problemen met zeugen in groepen |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Grote problemen met zeugen in groepen»?1
Ja.
Klopt het dat varkenshouders die zeugen houden in stabiele groepen grote problemen ervaren met verwerpers en dat sommige varkensbedrijven meer als de helft van de zeugen binnen een maand na het dekken zien verwerpen en dat dit soms oploopt tot 60 procent verwerpers? Zo ja, wat vindt u van deze situatie?
Volgens genoemd bericht zouden zeugen die in stabiele groepen worden gehuisvest meer te maken hebben met verwerpen dan in andere huisvestingssystemen. Dit zou met name in het najaar voorkomen (het zogenaamde najaarsverwerpen). In de berichtgeving wordt een deskundige van de Gezondheidsdienst van Dieren (GD) aangehaald die het vermoeden heeft geuit dat dit weleens te maken zou kunnen hebben met het opeten van de verworpen vrucht door de hokgenoten. Mogelijk dat door de aanwezigheid van prostaglandine dit tot een domino-effect van verwerpen leidt.
Navraag bij de GD leert echter dat «najaarsverwerpen» een bekend fenomeen is in de zeugenhouderij en zich niet beperkt tot in groepen gehouden dieren en zich ook niet beperkt tot het stadium van vroege dracht. De oorzaken zijn nog onvoldoende bekend. Bekend is wel dat deze multifactorieel zijn en bedrijfsspecifiek. Een eventuele rol van prostaglandine hierin is eveneens onbekend. Er is ook onvoldoende informatie in welke mate dit voorkomt, in welke systemen en in welk stadium van de dracht om hieraan conclusies te verbinden over bepaalde systemen.
Kunt u zich vinden in de verklaring dat als één zeug in het hok verwerpt de rest van de zeugen de afgestorven vruchtjes op eet en dat in deze vruchtjes hoge concentraties van het hormoon prostaglandine zit en dat als een zeug dit in de vroege dracht binnenkrijgt ze binnen een paar dagen vruchtvliesjes afwerpt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de gepresenteerde oplossing dat zeugen eerst 4 a 5 weken na het dekken individueel moeten worden gehuisvest?
De sleutel tot succes zit in het management en niet in het langer opsluiten van zeugen. Bedrijven die problemen hebben, moeten begeleid worden omdat de oorzaken van bedrijf tot bedrijf verschillend en multifactorieel kunnen zijn.
Deelt u de mening dat grote problemen ontstaan zoals het faillissement van varkenshouderijen als de regelgeving gehandhaafd blijft om de zeugen binnen vier dagen na inseminatie in groep te laten lopen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om deze bovenwettelijke eis bovenop de Europese regelgeving te schrappen?
Nee. Op basis van onderzoeksresultaten en ervaringen van diverse organisaties en bedrijven uit de keten is bekend dat het merendeel van de bedrijven geen problemen heeft en goede reproductieresultaten heeft. Ook in landen als Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Zweden en Zwitserland wordt groepshuisvesting in de vroege dracht met succes toegepast. In de Verenigde Staten zijn grote bedrijven bekend die goede resultaten boeken met het huisvesten van zeugen in groepen kort na dekken. Dat wil niet zeggen dat er geen bedrijven zullen zijn die wel problemen hebben. Deze bedrijven moeten begeleid worden.
Klopt het dat u begin september een bestuurlijk overleg heeft gehad met de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) en Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO) over de problematiek van het vroege introductiemoment van zeugen in de groep en dat u ondanks de problematiek waar de sector mee te kampen heeft te kennen heeft gegeven niet te willen afstappen van deze bovenwettelijke Europese regel en dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit per 1 januari handhavend gaat optreden? Zo ja, kunt u uw besluit nader motiveren?
Ja. Er is een gesprek geweest waarin onder andere de zorgen die NVV en LTO Nederland hebben aan bod zijn gekomen. Ik heb aangegeven vast te blijven houden aan de eis die reeds jaren terug met goede redenen in het Varkensbesluit is opgenomen, maar ik heb tevens aangegeven mijn ogen niet te willen sluiten voor ondernemers die het echt geprobeerd hebben maar toch problemen ondervinden. Ik heb middelen vrijgemaakt om deze ondernemers te laten begeleiden.
Klopt het dat na het overleg een netwerkgroep is opgericht met als doel het inventariseren en begeleiden van probleembedrijven? Zo ja, deelt u de mening dat dit niet nodig was geweest als u had afgezien van deze bovenwettelijke eis?
Ja, dat klopt. Via de netwerkgroep worden bedrijven die hebben aangegeven problemen te hebben begeleid, het zogenaamde verbetertraject. Uiteindelijk hebben 8 bedrijven zich hiervoor aangemeld. Deze netwerkgroepen zijn er juist op gericht om bedrijven die problemen ondervinden bij groepshuisvesting te informeren en begeleiden.
Klopt het dat de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) een voorstel heeft opgesteld voor een onderzoek om deze oorzaak aan te tonen? Zo ja, wanneer is dit onderzoek gereed en bent u bereid om deze uitkomsten naar de Kamer te sturen?
Ja. Volgens de GD heeft zij in 2010 een voorstel geschreven. Dat voorstel is destijds gerelateerd aan het «najaarsverwerpen». Op dit moment is er echter geen sprake van een lopend onderzoek. Mochten LTO Nederland en NVV een dergelijk onderzoek op willen starten, dan lijkt me dat zinvol. De resultaten kunnen bijdragen aan het verbetertraject zoals we dat afgelopen najaar hebben ingezet.
Bent u bereid als de uitkomsten van dit onderzoek negatief zijn, deze bovenwettelijke eis te schrappen of in ieder geval te evalueren zoals de aangenomen motie Lodders (Kamerstuk 28 286, nr. 663) beoogt ten aanzien van andere bovenwettelijke eisen die u van plan bent in te voeren zoals verbod op het koudmerken van koeien en het verbod op keizersnedes bij vleesveerassen en aan de hand van deze evaluatie te bepalen of deze maatregelen daadwerkelijk van kracht worden?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om handhaving ten aanzien van de vierdageneis door de NVWA op te schorten zolang de rechtszaak aangespannen door NVV en LTO nog loopt en de uitkomsten van de onderzoeken van zowel GD als NVV en LTO nog niet bekend zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik zie in het feit dat er mogelijk een rechtszaak wordt aangespannen en dat er mogelijk een onderzoek gaat plaatsvinden naar de rol van prostaglandine geen aanleiding om de handhaving op te schorten. Er zijn hiervoor geen redenen, noch van beleidsmatige noch van juridische aard.