Examens van 38 eindexamenleerlingen van de Duin en Kruidbergmavo uit Driehuis aangetekend op weg waren naar de tweede correctie, maar niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Peter Kwint (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Opnieuw examens per post verdwenen. Voor vierde keer raak in één week»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat er opnieuw examenwerk van examenkandidaten bij de postverwerking is verdwenen?
Scholen zijn op basis van het Eindexamenbesluit vo (artikel 41, tweede lid) zelf verantwoordelijk voor de verzending van het werk aan de tweede corrector. In de examenprotocollen van de VO-raad is opgenomen dat scholen het werk aangetekend verzenden. Hiermee wordt goed geborgd dat er een bevestiging is van zowel verzending als ontvangst en kan het werk worden getraceerd. Er zijn geen aanwijzingen dat de betreffende scholen zich niet aan de geldende regels of protocollen hiervoor hebben gehouden. Scholen mogen er op vertrouwen dat na het afgeven van de examens aan de verzenddienst er zorgvuldig met de post wordt omgegaan.
Hoe beoordeelt u of verzending van examenwerk per aangetekende post nog betrouwbaar is nu dit voor de vierde maal is misgegaan in één week?
In de regel is verzending van het examenwerk per aangetekende post betrouwbaar. Het kan in uitzonderlijke gevallen voor komen dat hierbij iets mis gaat en ieder jaar zijn er enkele van deze gevallen. Navraag bij de Inspectie van het Onderwijs hierover wijst uit dat er dit jaar zes gevallen bekend zijn. Bij drie van die gevallen ging het om eenzelfde busje van PostNL, dat gebruikt werd om werk tussen deze drie scholen te verzenden (voor tweede correctie). In totaal betrof het in vier van de zes gevallen diefstal en tweemaal is er sprake van vermissing van de poststukken. Bij één van deze twee scholen waar er sprake was van vermissing van de poststukken zijn de examens inmiddels terecht.
Deelt u de mening dat het zeer onrechtvaardig is ten opzichte van examenkandidaten als telkens sommigen voortaan examens moeten overdoen ten gevolge van zulke fouten in de postverwerking?
Voor leerlingen is het uiteraard zeer vervelend als zij reeds gemaakte examens moeten overdoen als gevolg van het zoekraken van het gemaakte werk. Het is voor de borging van de kwaliteit van diploma’s wel erg belangrijk dat er een volledige eerste en tweede correctie van de examens plaatsvindt. Dit is uiteindelijk ook in het belang van de leerling.
Wat voor alternatieven ziet u als PostNL niet in staat mocht blijken de verzending van aangetekende post voortaan vlekkeloos te laten verlopen? Kan het werk scannen en mailen voor de tweede correctie zo’n alternatief vormen?
Over het algemeen verloopt het verzenden van examenwerk zonder problemen. Scholen kunnen er voor kiezen het werk voor verzending te kopiëren. Dit kan uitkomst bieden voor het alsnog of opnieuw uitvoeren van een volledige correctie in het geval dat werk verdwijnt. Als het gemaakte werk verdwijnt nadat de tweede correctie is verricht en de eerste en tweede corrector de score aantoonbaar hebben vastgesteld, hoeft het examen niet opnieuw gemaakt te worden. Het is echter wel belangrijk dat het originele leerlingenwerk fysiek aan de tweede corrector wordt verzonden. Bij het verzenden van kopieën of bij het scannen en mailen van het werk is er een groter risico op fraude, bijvoorbeeld door digitale manipulatie van het gemaakte werk. Scannen en mailen is daarnaast kwetsbaar voor hacking en storingen van ICT-systemen.
De financiële gevolgen voor de Rijksbegroting van de ingetrokken wetswijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Studenten heffen het glas na overwinning over studierente»?1
Ja.
Klopt het dat met de intrekking van de wetswijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs er een gat van 226 miljoen euro (oplopend tot 2060) is geslagen in de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap? Kunt u inzichtelijk maken hoe de opbouw van dit tekort er tot 2060 uitziet?
De gederfde rente-inkomsten op de rijksbegroting beginnen in 2025 met € 1mln en lopen op naar € 226 miljoen in 2060.
Deelt u nog steeds de door u in diverse debatten, waaronder het debat van 5 december 2018, gedeelde opvatting dat de opbrengsten van deze maatregel toebehoren aan de algemene middelen?2
De maatregel was inderdaad bedoeld om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verbeteren.
Kunt u nader, en met concrete voorbeelden, toelichten wat u in datzelfde debat bedoelde toen u zei dat het op orde brengen van de begroting via de route van Financiën, dit «buitengewoon goed voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is.»?
Het kabinet heeft afgesproken om de totale overheidsfinanciën op orde te brengen. Onhoudbare overheidsfinanciën zorgen vroeg of laat voor benodigde bezuinigingsmaatregelen, bijvoorbeeld generieke taakstellingen op de Rijksbegroting. OCW is een groot onderdeel van de totale rijksbegroting en draagt dus ook een groot aandeel bij aan eventuele generieke taakstellingen. Vandaar heeft OCW een belang bij houdbare overheidsfinanciën.
Deelt u de mening dat de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, onder meer vanwege een doelmatigheidskorting, al onverantwoord onder druk staat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat een extra bezuiniging onwenselijk is?
De doelmatigheidskorting was een erfenis van het vorige kabinet. Dit kabinet heeft deze doelmatigheidskorting deels teruggedraaid en bovendien in het regeerakkoord zeer fors geïntensiveerd op de OCW-begroting (€ 1,6 miljard in 2019). Ook dit voorjaar is er weer generaal budget toegevoegd aan de OCW-begroting (€ 96 miljoen in 2019).
Op welke wijze gaat u er zorg voor dragen dat het niet wijzigen van de rentemaatstaf voor studieleningen, niet leidt tot extra bezuinigingen in het onderwijs?
De wijze waarop wordt omgegaan met de gederfde inkomsten als gevolg van het niet wijzigen van de rentemaatstaf wordt in de augustusbesluitvorming bezien. Hier wordt u met Prinsjesdag over geïnformeerd.
Klopt het dat het kabinet in augustus dit jaar met een plan komt om het tekort van 226 miljoen euro te dichten? Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan het debat over de Voorjaarsnota te informeren over denkbare scenario’s?
De gederfde inkomsten als gevolg van het niet wijzigen van de rentemaatstaf worden inderdaad betrokken in de augustusbesluitvorming. Hier wil ik niet op vooruit lopen.
Het bericht ‘Internationaal podium voor Nederlandse startups tijdens Academic Startup Competition’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Internationaal podium voor Nederlandse start-ups tijdens Academic Startup Competition» van 15 mei 2019?1
Ja.
Kunt u inzicht geven in het aantal start-ups dat de Nederlandse universiteiten voortbrengen in vergelijking met universiteiten in andere landen in de wereld?
Volgens TechLeap.NL (voorheen StartupDelta) zijn er in Nederland meer dan 5500 startups. Er zijn geen eenduidige cijfers beschikbaar over het aantal academische startups en spin-offs in Nederland. TechLeap.NL ontwikkelt – samen met kennisinstellingen – de Science Finder, waarmee dit beter in beeld kan worden gebracht.
Op basis van OECD onderzoek2 wordt in Nederland naar schatting 4% van de startups opgericht door een onderzoeker. Vaak zijn dit spin-offs. Daarnaast wordt ongeveer 9% van de startups opgericht door een student. Op basis hiervan is naar schatting ongeveer 13% van de Nederlandse startups een academische startup.
De OECD vergelijkt in haar onderzoek 25 landen. Alleen in Zwitserland (12%), Denemarken (5%) en Ierland (5%) wordt een groter aandeel van de startups opgericht door onderzoekers. Daarnaast worden in acht landen3 – waaronder Canada (13%), Israël (12%) en Australië (12%) – een groter aandeel van de startups opgericht door studenten.
Hoe beoordeelt u in dat licht de bewering dat Nederlandse universiteiten en instituten meespelen op het hoogste podium met betrekking tot internationale start-ups?
De cijfers van het OECD laten zien dat Nederlandse universiteiten en instituten het goed doen ten opzichte van andere landen. En zoals in de Kamerbrief «Technologie en ondernemerschap; de hoogste tijd voor een nieuwe impuls» wordt aangegeven, is het Nederlandse startup ecosysteem in de Genome ranglijst voor startup ecosystemen wereldwijd gestegen van de 19e naar de 15e positie en binnen Europa op de 5e positie blijven staan. Het kabinet heeft de ambitie, dat het Nederlandse startup en scale-up ecosysteem zich ontwikkelt tot één van de vijf sterkste ecosystemen ter wereld en het sterkste binnen Europa.4
Welke specifieke aanvullende maatregelen worden deze regeerperiode vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap genomen om academische start-ups te stimuleren, gezien het feit dat in het regeerakkoord is aangegeven dat «start-ups en publiek-private samenwerkingen tussen academische instellingen en het midden- en kleinbedrijf worden gestimuleerd»?2
Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik naar de beleidsreactie op de evaluatie van het Valorisatieprogramma6, de Kamerbrief «Stand van zaken startup en scale-up beleid»7 en de recent naar de Kamer gestuurde brief «Technologie en ondernemerschap: hoogste tijd voor nieuwe impuls»8 waarin is aangegeven welke maatregelen deze periode worden genomen.
Op welke manier heeft u tot nu toe invulling gegeven aan de aanbeveling uit de Eindevaluatie valorisatieprogramma 2010–2018 met betrekking tot het sluiten van een valorisatiepact?
In de beleidsreactie op de evaluatie van het Valorisatieprogramma 2010–2018 is aangegeven dat het streven is om jaarlijks een bijeenkomst met de kennisinstellingen, het bedrijfsleven en andere stakeholders te organiseren om te bespreken of de doelstellingen en ambities ten aanzien van valorisatie worden gerealiseerd.
Samen met de Staatssecretaris van EZK streef ik ernaar in 2020 de eerste bijeenkomst te houden. Wij willen in aanloop naar deze bijeenkomst verkennen of we daaraan ook concrete afspraken kunnen verbinden en of het sluiten van een valorisatiepact meerwaarde heeft.
Kunt u aangeven op welke manier u, in samenwerking met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, de regeerakkoordmiddelen van 400 miljoen euro voor onderzoek en innovatie aanwendt voor valorisatie en de stimulering van academische start-ups?
Dit kabinet investeert structureel per jaar € 200 miljoen in fundamenteel onderzoek en € 200 miljoen in toegepast onderzoek en innovatie.
Bij de aanvullende middelen op de OCW-begroting wordt de focus op impact geïntegreerd in het beleidsinstrumentarium, zoals benoemd in de hierboven genoemde Kamerbrieven. Belangrijke onderdelen hierin zijn de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) en de sectorplannen. Zo moeten voorstellen in de NWA expliciet aandacht besteden aan kennisbenutting en ondernemerschap. Aangezien impact een integraal onderdeel is van deze instrumenten is het niet mogelijk een uitsplitsing te geven welk deel van dit bedrag wordt besteed aan impact.
De aanvullende middelen voor toegepast onderzoek en innovatie die via de EZK-begroting lopen worden via het missiegedreven innovatiebeleid ingezet in lijn met de Kennis- en Innovatieagenda’s voor de maatschappelijke thema’s en de sleuteltechnologieën. De topsectoren stellen deze agenda’s op. Afgesproken is dat deze agenda’s apart ingaan op valorisatie en marktcreatie.
Er wordt structureel € 25 miljoen geïnvesteerd in een beleidspakket voor de innovatiekracht van het mkb. Hiervan wordt € 1,7 miljoen exclusief geïnvesteerd in het bevorderen van startups en scale-ups en valorisatie. Met de intensivering van het budget van de MIT, SBIR en het innovatiekrediet wordt innovatie gestimuleerd, met name ten behoeve van het mkb. Bij de innovaties die hiermee op projectbasis worden gestimuleerd kan valorisatie van kennis een onderdeel zijn. Academische startups kunnen van deze instrumenten gebruik kunnen maken. In de brief naar aanleiding van de motie Van der Lee c.s. is de Staatssecretaris van EZK onder meer ingegaan op hoe deze instrumenten een bijdrage leveren aan kennisbenutting en kennisverspreiding.
Er wordt structureel € 75 miljoen geïnvesteerd in TO2’s, waarvan verwacht wordt dat de TO2-instellingen vanuit deze intensivering een budget oplopend tot structureel € 7,5 miljoen expliciet samen met het mkb oppakken.
Er is oplopend tot € 50 miljoen structureel beschikbaar voor thematische PPS’en die binnen de Kennis-en Innovatieagenda’s zullen worden ingezet.
Naast de extra investeringen uit het Regeerakkoord heb ik samen met de Staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat € 24 miljoen uit het toekomstfonds beschikbaar gesteld voor de nieuwe Thematische Technology Transfer-regeling.9 In aanvulling op de hierboven genoemde middelen heeft de Staatssecretaris van EZK voor de komende 4 jaar € 65 miljoen extra vrijgemaakt voor het verbeteren van het ondernemersklimaat voor startups en scale-ups.10
Deelt u de mening van prins Constantijn van Oranje dat «het een kunst zal zijn volgend jaar een nieuwe lijst van academische start-ups op te stellen», zoals hij zei tijdens de Academic Startup Competition? Zo ja, hoe wilt u academische start-ups stimuleren? Bent u voornemens om – in samenwerking met de VSNU – ervoor te zorgen dat de pijplijn van academische start-ups gevuld kan blijven worden met nieuwe uitvindingen en bedrijven? Zo ja, hoe wilt u dat concreet doen?
Het kabinet onderschrijft het belang van een gunstig klimaat voor academische startups. Met de maatregelen uit de eerder genoemde brief «Technologie en ondernemerschap: hoogste tijd voor nieuwe impuls», beoogt het kabinet het startup en scale-up klimaat te verbeteren en daarmee de aanwas en doorgroei van (academische) startups te bevorderen. Ik verwijs hierbij ook naar de overige bij het antwoord op vraag 4 genoemde Kamerbrieven.
Het artikel ‘Kan ik meer verdienen met hetzelfde werk in het PO?’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kan ik meer verdienen met hetzelfde werk in het PO»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel dat gepubliceerd is in het ledenblad van de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO).
Deelt u de mening dat leerlingen gebaat zijn bij een docententeam op school met vaste aanstellingen en zo min mogelijk wisselingen gedurende een schooljaar?
In algemene zin deel ik de mening dat leerlingen gebaat zijn bij een stabiele invulling van de lessen.
Hoeveel van het totaal aantal vakleerkrachten lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs hebben geen vaste aanstelling op de school waar ze werken, maar werken voor een organisatie zoals bijvoorbeeld de gemeente, een sportservicebureau of een uitzendbureau? Kunt u dit uitsplitsen per organisatie?
Met de informatie die mij bekend is, is het niet mogelijk om algemene uitspraken te doen over de verdeling van de verschillende typen aanstellingen die scholen aangaan met hun leerkrachten. Ook is niet bekend hoeveel leerkrachten exact in dienst zijn bij een sportservicebureau, de gemeente of een uitzendbureau.
Wel is gebleken uit de monitor van de Brede Regeling Combinatiefunctionarissen2 (voorheen Brede Impuls Combinatiefunctionarissen) dat 29 procent van de bijna 3000 formatieplaatsen van combinatiefunctionarissen / buurtsportcoaches in 2018 (deels) werkzaam was in het primair onderwijs. Van de totale groep combinatiefunctionarissen / buurtsportcoaches is bekend bij wie het formele werkgeverschap ligt. De meest voorkomende werkgevers zijn de door de gemeente gesubsidieerde organisaties voor sport (19 procent) en de welzijnsorganisaties (16 procent), gevolgd door gemeenten (11 procent). Vier procent is in dienst bij een commerciële sportorganisatie. Om het werkgeverschap beter in beeld te brengen zal in de monitor brede impuls combinatiefuncties over 2019 ook in kaart worden gebracht onder welke cao de sportfunctionarissen werkzaam zijn.
Klopt het dat juist de aanstelling bij een sportservicebureau ervoor zorgt dat docenten lichamelijke opvoeding minder verdienen dan wanneer ze in dienst zijn bij een school[bestuur]?
In artikel 3:23 van de cao PO en in artikel 8 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs is vastgelegd dat wanneer een ingehuurde werknemer hetzelfde werk doet, deze ook recht heeft op hetzelfde loon, arbeidsvoorwaarden en overige vergoedingen. Pas wanneer het takenpakket dusdanig verschilt van een vakleerkracht is een andere beloning gerechtvaardigd.
Mij zijn geen gegevens bekend op landelijk niveau over de verdiensten van vakleerkrachten die in dienst zijn bij een sportservicebureau.
Klopt het ook dat juist deze groep docenten meer dan gemiddeld gedurende het schooljaar van school verandert, waardoor leerlingen vaker een nieuw gezicht voor de klas zien?
Ik heb hier geen informatie over.
Wat is de reden dat schoolbesturen de vakleerkrachten lichamelijke opvoeding geen vaste aanstelling aanbieden en de voorkeur lijken te hebben voor inhuurconstructies?
Met de informatie die mij bekend is, is het niet mogelijk om algemene uitspraken te doen over de voorkeuren van schoolbesturen. Dit zal afhangen van het beleid en de omstandigheden van de school, waaronder de lokale beschikbaarheid van (vak)leerkrachten.
Klopt het dat een school uiteindelijk duurder uit is als een vakleerkracht lichamelijke opvoeding via een inhuurconstructie ingehuurd wordt, terwijl de vakleerkracht minder verdient? Bij wie komt het verschil tussen salaris en werkelijke inhuurkosten terecht? Kunt u aangeven om welke bedragen dit gaat? Hoeveel winst maken sportservicebureaus met deze verhuurconstructie?
Over de tariefstelling bij inhuurconstructies tegenover vaste aanstellingen zijn geen algemene uitspraken te doen, dat hangt af van specifieke omstandigheden.
Het verschil tussen het uitgekeerde salaris en de inhuurkosten voor scholen zal terechtkomen bij de organisatie die de verantwoordelijkheid en het formele werkgeverschap draagt. Over de bedragen waar het hier om gaat, zijn mij evenmin gegevens bekend, en hetzelfde geldt voor de eventuele winst die sportservicebureaus zouden kunnen maken. Tegenover de mogelijke winst staan overigens financiële risico’s, bijvoorbeeld van eventuele verzuimkosten, die een formele werkgever draagt. In de regel kan gesteld worden dat dergelijke bureaus vaak organisaties zijn zonder winstoogmerk.
Kunt u in overleg treden met de PO Raad om uw bezorgdheid te uiten over het grote aantal vakleerkrachten lichamelijke opvoeding dat onnodig ingehuurd wordt in plaats van een vaste aanstelling te krijgen en daarbij aangeven dat een sterke docententeam baat heeft bij vaste aanstellingen, waardoor docenten zich ook meer verbonden aan en betrokken bij school voelen?
Ik ben in overleg met de PO-Raad en de KVLO om dit onderwerp onder de aandacht van hun leden te brengen.
De uitvoering van de motie Van den Hul c.s. (35 000 VIII, nr. 173) inzake het inzichtelijk maken van de ruimtebrief |
|
Peter Kwint (SP), Kirsten van den Hul (PvdA), Lisa Westerveld (GL), Paul van Meenen (D66) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u de discrepantie tussen de wens van de Kamer dat de regering er bij de onderwijswerkgeversorganisaties op aandringt de ruimtebrieven voortaan inzichtelijk te maken voor alle sociale partners aan de cao-onderhandelingstafel en de Kamer informeert over het tijdpad en uitkomsten van deze inspanning en de aankondiging van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, dat deze ter uitvoering van de motie de werkgeversorganisaties slechts zal «wijzen op» het verzoek uit de motie1 en de naam van de ruimtebrief met ingang van de eerstvolgende brief wordt gewijzigd?
In mijn brief van 17 mei jl. (Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 183) heb ik aangegeven op welke wijze uitvoering kan worden gegeven aan de motie. De door u beschreven discrepantie volgt uit de eerder met u gedeelde overwegingen rond het al dan niet inzichtelijk maken van de ruimtebrief. Tegen die achtergrond is duidelijk aangegeven op welke wijze het kabinet uitvoering zal geven aan de motie. Het kabinet kan en wil de onderwijswerkgevers niet verplichten om de inhoud van de brieven inzichtelijk te maken aan de onderhandelingstafel.
De naamsverandering van de brief staat los van de motie en is tijdens de beantwoording van de vragen die gesteld zijn bij het schriftelijk overleg van 11 december 2018 naar u gecommuniceerd, zie ook Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 159. Hierbij was de overweging dat de naam «ruimtebrief» voor verwarring zorgt aangezien de brief de kabinetsbijdrage betreft en niet de loonruimte.
Deelt u de mening dat het onderwijs een sector is die niet vergelijkbaar is met een marktsector? Zo nee, waarom niet? Zo ja, geldt dit voor meer publieke sectoren?
Sectoren zijn op een aantal punten niet met elkaar te vergelijken, maar wel op het punt dat afspraken over arbeidsvoorwaarden in collectieve arbeidsovereenkomsten in vrije onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers tot stand komen. De normalisering van de rechtspositie van werknemers in het openbaar onderwijs onderstreept dit principe. Het gedwongen openbaar maken van een budgettaire positie is strijdig met deze onderhandelingsvrijheid.
Op welke wijze gaat u bij het verzenden van de eerstvolgende ruimtebrief, na het verschijnen van de Voorjaarsnota 2019, gestalte geven aan het bij de werkgeversorganisaties aandringen op de ruimtebrief inzichtelijk te maken?
Het kabinet zal de werkgeversorganisaties in het onderwijs – ter uitvoering van de motie – bij verzending van de genoemde brief wijzen op het verzoek uit de motie Van den Hul door middel van een aparte oplegger. Hierbij zal het kabinet, zoals eerder richting uw Kamer gecommuniceerd, aangeven dat de motie op gespannen voet staat met de vertrouwelijkheid van de brief en het beginsel van onderhandelingsvrijheid. Ook zullen de motie en de kabinetsreactie daarop als bijlagen worden meegezonden.
Het bericht ‘Lerarensteun voor klimaatactie op initiatief van Greenpeace’ |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lerarensteun voor klimaatactie op initiatief van Greenpeace»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onderwijs geen vehikel dient te zijn voor het activisme van Greenpeace, noch voor ander activisme, van welke politieke kleur dan ook?
Ik heb uw Kamer op 17 mei jl. per brief geïnformeerd over een vergelijkbare situatie.2 Zoals ik in die brief aangaf hecht ik er aan om de formele verantwoordelijkheidsverdeling te respecteren. Het is grondwettelijk verankerd dat scholen het onderwijs zelf mogen inrichten. Het past bij de autonomie van scholen en de professionele ruimte van leraren om daarin eigen afwegingen te maken. Het gesprek over die afwegingen hoort thuis binnen de school.
Deelt u de opvatting dat leerlingen niet moeten worden ingezet voor het klimaatactivisme van leraren?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het docentencollectief «Teachers for Climate» indruist tegen de kerntaak van het leraarschap dat erin voorziet leerlingen zelf te leren nadenken en op basis daarvan te leren zelfstandig keuzes te maken?
Goed onderwijs – en dat geldt voor zowel openbaar als bijzonder onderwijs – moet de pluriformiteit binnen onze samenleving tot uitdrukking brengen, zoals is vastgelegd in de huidige burgerschapsopdracht. Het is de opdracht aan scholen om leerlingen te leren zelfstandig politieke en maatschappelijke vraagstukken kritisch te doordenken teneinde een eigen geïnformeerde positie in te kunnen nemen. Daarbij past genuanceerde informatie. Scholen zijn vrij in de wijze waarop zij hun onderwijs inrichten.
Bent u bereid op te treden tegen leraren die leerlingen aanzetten tot spijbelen en de school en leerlingen gebruiken voor hun eigen, activistische politieke agenda binnen het docentencollectief «Teachers for Climate» dat op instigatie van Greenpeace is gestart?
Zoals aangegeven hecht ik eraan om de formele verantwoordelijke verdeling te respecteren. Onderdeel van de vrijheid van onderwijs is dat scholen de verantwoordelijkheid hebben om richting ouders en leerlingen aanspreekbaar te zijn op de keuzes die zij maken. Ouders en leerlingen kunnen kwesties via de vertegenwoordiging in de medezeggenschapsraad bij het schoolbestuur aankaarten. Daarnaast kan een klacht worden ingediend via de daarvoor geldende klachtenregeling.
Bent u bereid om een verbod in te stellen op de infiltratie van het onderwijs door actiegroepen van welke signatuur dan ook?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Instellingen voor hoger onderwijs die tentamens zonder meer door laten gaan op de dag van de openbaar vervoersstaking |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u zich voorstellen dat lang niet alle studenten op de dag van de openbaar vervoersstaking voor een beter pensioen, 28 mei 2019, op eigen houtje vervoer kunnen regelen naar tentamens die de instellingen voor hoger onderwijs dan hebben gepland?
Ik kan me voorstellen dat het niet iedere student lukt om vervoer te regelen naar tentamens.
Hoe beoordeelt u in dat licht het bericht dat een aantal hogescholen en universiteiten lessen en tentamens dinsdag gewoon laat doorgaan?1
Zie vraag 1.
Bent u bereid om met de betrokken instellingen in overleg te treden over het bieden van werkbare alternatieven voor de studenten, die op deze wijze eenzijdig met een probleem worden opgezadeld? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik afgelopen vrijdag ook in de pers heb aangegeven, verwacht ik dat instellingen rekening houden met studenten die een toets of tentamen missen door de staking. Het is aan hogescholen en universiteiten om te bepalen of zij in verband met de openbaar vervoerstaking lessen en tentamens al dan niet doorgang laten vinden. Van studenten mag ook wel enige creativiteit verwacht worden om toch op hun bestemming te komen. Maar als studenten echt in een overmachtsituatie terecht komen, dan verwacht ik wel enige coulance van instellingen. Ik verwacht van hen om zelf in overleg te treden met die studenten waarvoor individuele oplossingen gezocht moeten worden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de stakingsdag?
Ja.
Het bericht 'Universiteiten nemen spionagerisico voor lief' |
|
Harry van der Molen (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteiten nemen spionagerisico voor lief»?1 Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja. Het artikel illustreert het belang van bewustwording en alertheid bij de kennisinstellingen en van het traject waarin wordt onderzocht in hoeverre aanvullende maatregelen mogelijk en gewenst zijn met betrekking tot de risico’s van ongewenste kennis- en technologieoverdracht via de weg van (academisch) onderwijs en onderzoek. In dit traject wordt onderzocht op welke manier er een brede kennisregeling kan worden opgezet.2
In hoeverre heeft de afgelopen jaren in Nederland spionage en diefstal van onderzoeksbevindingen plaats gevonden binnen (legale samenwerkingsverbanden van) academische kennisinstellingen, waarvoor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarschuwt en kunt u een aantal voorbeelden met ons delen?
Zoals de AIVD in het jaarverslag 2018 meldt, vindt ook binnen legitieme samenwerkingsverbanden tussen academische en kennisinstellingen diefstal van onderzoeksbevindingen plaats. De AIVD meldt dat het veiligheidsbewustzijn en de weerbaarheid van het Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen tegen deze risico’s onvoldoende lijken en dat dit een risico vormt voor de economische veiligheid van ons land. Nederlandse innovaties verdwijnen op die manier over de grens. Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over casuïstiek die het actuele kennisniveau en de modus operandi van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten raken.
Wat vindt u van de uitspraak van de directeur van het Mercator Institute for China Studies dat het bij vermoedens van spionage mogelijk moet zijn om in het kader van de nationale veiligheid buitenlanders te weren van onderwijs- of onderzoeksprogramma’s? Hoe vaak heeft de afgelopen jaren een universiteit een buitenlandse student en /of medewerker al dan niet proactief geweerd vanwege (vermoedens van) spionage of diefstal?
Zoals in het antwoord op vraag 1 gesteld, onderzoekt het Kabinet de mogelijkheid en wenselijkheid van aanvullende maatregelen. Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning. Uw Kamer zal op de hoogte worden gesteld van de uitkomst van deze verkenning. Ik beschik niet over cijfers van studenten of onderzoekers die de toegang tot universiteiten is ontzegd door deze instelling op basis van (vermoedens van) spionage of diefstal.
Welke (juridische) mogelijkheden hebben universiteiten momenteel om bij (vermoedens van) spionage of diefstal buitenlanders (proactief) te weren van onderwijs- of onderzoeksprogramma’s?
Voor toegang tot bepaalde specifieke onderwijs- en onderzoeksgebieden is een ontheffing vereist onder de Sanctieregeling Noord-Korea 2017. Alle studenten en onderzoekers, ongeacht hun nationaliteit, moeten een ontheffing aanvragen indien zij toelating wensen tot de onderwijs- en onderzoeksvelden genoemd in de bijlage van deze sanctieregeling. Deze lijst is geactualiseerd met de wijziging van de regeling op 31 mei jl. Indien de betrokkene een risico vormt voor proliferatie naar Noord-Korea kan de toegang tot de specifieke onderwijs- en onderzoeksvelden worden ontzegd.
Daarnaast maakt het Kabinet zich in toenemende mate zorgen over het ballistische raketprogramma van Iran en heeft om die reden het toezicht op studenten en onderzoekers in specifieke onderwijs- en onderzoeksgebieden verscherpt. Alle studenten en onderzoekers die actief zijn in deze onderwijs- en onderzoeksgebieden zullen worden getoetst op een mogelijke relatie met het Iraanse ballistische raketprogramma. Nieuwe studenten en onderzoekers die activiteiten willen ontplooien in deze onderwijs- en onderzoeksgebieden zullen worden getoetst voordat zij met het onderwijs of onderzoek starten. De EU-sanctieverordening Iran (267/2012), hoewel niet opgesteld met oog op hoger onderwijs, biedt een grondslag voor dit aangescherpt toezicht.
Wat kunnen deze instellingen in uw ogen doen om hun zogenaamde «dual-use»-technologieën minder kwetsbaar te maken voor spionage, diefstal en oneigenlijk gebruik? Deelt u de mening dat Chinese studenten uitgesloten moeten worden van bepaalde studierichtingen gerelateerd aan vitale sectoren en high tech technology, dit naar analogie van Iraanse studenten rondom (nucleaire) wapens?2
Bestuurders van universiteiten zijn verantwoordelijk voor de integrale veiligheid van hun instelling. Het stimuleren van het bewustzijn van veiligheidsrisico’s onder onderzoekers, studenten en ander personeel, onder andere op het gebied van «dual-use»-technologieën, is hiervan een belangrijk onderdeel. Met een vergroot veiligheidsbewustzijn binnen instellingen worden patronen sneller zichtbaar en kan de instelling eerder handelen. Er bestaat geen wettelijke grond waarop instellingen studenten of onderzoekers enkel op grond van (niet-EU) nationaliteit uit kunnen sluiten van specifieke opleidingen. In het traject waarin wordt onderzocht of (aanvullende) maatregelen gewenst zijn wordt ook gekeken naar andere risicolanden dan Iran en Noord-Korea en andere dan de huidige aangewezen onderwijs- en onderzoeksgebieden. Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning.
Hoe verhouden academische vrijheid en nationale veiligheid zich volgens u tot elkaar?
Openheid en toegankelijkheid zijn belangrijke kernwaarden voor het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De hoge kwaliteit en internationaal hoge status van ons hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek hebben we mede hieraan te danken. Ik sta pal voor de academische vrijheid. Binnen kennisinstellingen moeten studenten, docenten en onderzoekers de ruimte krijgen om te leren, ontdekken en innoveren. Maar net als andere fundamentele vrijheden, heeft ook de academische vrijheid grenzen. Deze grenzen kunnen zijn gelegen in de nationale veiligheid maar kunnen ook voortvloeien uit internationaal en Europeesrechtelijke verplichtingen. De risico’s ten aanzien van ongewenste kennis- en technologieoverdracht ten behoeve van het Iraanse ballistische raketprogramma en het risico dat verworven kennis bijdraagt aan proliferatiegevoelige activiteiten van Noord-Korea of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Noord-Korea hebben bijvoorbeeld aanleiding gegeven tot maatregelen die de academische vrijheid van individuen kunnen beperken. In het traject waarin wordt onderzocht of aanvullende maatregelen gewenst en mogelijk zijn zal de proportionaliteit hiervan worden afgewogen.
Welke concrete maatregelen kunt en bent u van plan te nemen om het veiligheidsbewustzijn en de weerbaarheid van het Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen te vergroten, die volgens de AIVD op dit moment beide onvoldoende zijn?
Het veiligheidsbewustzijn en de weerbaarheid van Nederlandse kennisinstellingen worden gestimuleerd in het platform Integraal Veilig Hoger Onderwijs. Dit platform is met steun van het Ministerie van OCW ingericht door de Vereniging van Nederlandse Universiteiten (VSNU) en de Vereniging Hogescholen (VH). Hierin werken bestuurders en veiligheidsexperts van hoger onderwijsinstellingen samen aan het stimuleren van veiligheidsbewustzijn door het uitwisselen van kennis en kunde en het ontwikkelen van tools en handreikingen. Ik heb de VSNU enkele maanden geleden nog gewezen op het belang van bewustwording en alertheid ten aanzien van internationale samenwerking. Dezelfde boodschap is ook gecommuniceerd met de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en de Vereniging Hogescholen.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) informeert bedrijven over de bescherming van bedrijfsvertrouwelijke gegevens en de bescherming van intellectueel eigendom middels octrooien, auteursrecht en andere rechten. Octrooicentrum Nederland (OCNL), onderdeel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, is de octrooi verlenende instantie voor het Nederlands grondgebied.4 Ook adviseert RVO over andere wijzen waarop bedrijfsgeheimen actief moeten worden beschermd, zoals fysiek en digitaal.5 Daarnaast is het Digital Trust Center (DTC) opgericht, dat niet-vitale ondernemers helpt met veilig digitaal ondernemen.6
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) dat deel uitmaakt van het Ministerie van Justitie en Veiligheid is het centrale informatieknooppunt en expertisecentrum op het gebied van cybersecurity voor de rijksoverheid en organisaties binnen de vitale infrastructuur. Het NCSC informeert en adviseert genoemde organisaties over digitale dreigingen en kwetsbaarheden, verricht daartoe analyses, en verleent die organisaties bijstand bij het treffen van maatregelen bij dreigingen en incidenten.
De AIVD heeft verscheidene publicaties uitgebracht over spionage voor zowel instanties als individuen.7 Daarnaast informeert en/of adviseert de AIVD (in specifieke gevallen) instanties die het doelwit vormen van inlichtingenactiviteiten, en adviseert hen over weerstandsverhogende maatregelen. Personen of instanties die het vermoeden hebben doelwit te zijn (geweest) van spionage, kunnen dit ook altijd rechtstreeks melden bij de AIVD, of MIVD wanneer het opdrachten voor het Ministerie van Defensie betreft. Bedrijven die opdrachten uitvoeren voor het Ministerie van Defensie worden contractueel Algemene Beveiligingseisen Defensie Opdrachten (ABDO) opgelegd. Deze bedrijven kunnen zich wenden tot Defensie voor advies en assistentie, alsmede met vragen over beveiliging.
Zou, naar aanleiding van de conclusie in de beleidsnotitie «Nederland-China: een nieuwe balans» dat er in Nederland, anders dan in China, vrijwel geen centrale regie is over academische samenwerking3 meer centrale regie een deel van de oplossing voor bovengenoemd spionageprobleem kunnen zijn? Indien ja, hoe zou deze centrale regie volgens u vorm kunnen krijgen?
Bij de ten uitvoerlegging van de Chinanotitie zal het aspect van regie zeker aan de orde komen, onder meer via de instelling van een Chinataskforce waaraan verschillende departementen en diensten zullen deelnemen en die structureel overleg zal voeren met onder andere de academische wereld. Voor wat betreft de kenniswereld onderzoekt het kabinet nog de wenselijkheid van aanvullende maatregelen. Ik verwijs naar de antwoorden hierboven op de vragen 3, 4 en 7. Op de uitkomsten van de verschillende trajecten, i.c. op de vormgeving van een eventuele regierol, kan ik nu nog niet vooruit lopen.
De hoge ouderbijdrage van ouders met hoogbegaafde kinderen |
|
Peter Kwint (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Ouders hoogbegaafde kinderen zijn hoge ouderbijdrage school beu»?1
Ja.
Bent u het met deze ouders eens dat een ouderbijdrage van 500 euro te hoog en in strijd met de richtlijn van de PO-Raad is?
Het onderwijs voor (hoog)begaafde leerlingen moet net als voor andere leerlingen vrij toegankelijk en kosteloos zijn. Scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs moeten gezamenlijk voorzien in een passend aanbod voor elke leerling, ook voor (hoog)begaafde leerlingen. Indien aparte voorzieningen nodig zijn om in de ondersteuningsbehoefte van een leerling te voorzien, dan dient daarin te worden voorzien door de eigen school of samenwerkingsverband. De toelating hiertoe mag niet afhankelijk worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders.
Zolang de bijdrage expliciet vrijwillig is mag een school de hoogte van de bijdrage in overleg met de medezeggenschapsraad zélf bepalen. Tegelijkertijd ben ik het met de PO-Raad eens als zij in haar richtlijn opneemt dat impliciete drempels ontoelaatbaar zijn. Een hoge vrijwillige ouderbijdrage kan in mijn ogen een impliciete drempel opwerpen, omdat het ouders tegenhoudt om hun kind aan te melden.
Waar kunnen ouders terecht als zij vinden dat het schoolbestuur en het samenwerkingsverband passend onderwijs onvoldoende oor hebben voor hun argumenten?
Een gesprek met de medezeggenschapsraad, de directeur van een school of het samenwerkingsverband kan vaak al veel oplossen. Mocht dit niet het gewenste resultaat hebben dan bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de school. De klachtenprocedure is te vinden in de schoolgids van de betreffende school.
Hoe staat het met de extra subsidieregeling voor hoogbegaafdenonderwijs? Zijn er veel aanvragen? Zou een aanvraag die tot doel heeft de ouderbijdrage te normaliseren kansrijk zijn? Zo nee, waarom niet?
De beoordelingscommissie is bezig met het beoordeling van de aanvragen. Er is sprake van een grote diversiteit aan keuzes voor doelgroepen en doelstellingen bij de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd. Het belang van expertiseontwikkeling, kennisdeling en samenwerken op regionaal niveau komt daarbij in veel varianten terug in de plannen. Waar dit aansluit op de huidige stand van zaken in een regio, houden samenwerkingsverbanden er rekening mee dat ook de basisondersteuning op hun scholen nog beter moet worden ingericht.
Van de 152 samenwerkingsverbanden hebben 147 een (gezamenlijke) subsidieaanvraag ingediend om het onderwijs- en ondersteuningsaanbod in hun regio verder vorm te geven. Of een aanvraag die zich (mede) richt op beperking van vrijwillige bijdragen voor ouders succesvol is, hangt af van de kwaliteit van de aanvraag en in hoeverre deze aan de subsidievoorwaarden voldoet. De subsidieregeling heeft tot doel het aanbod voor leerlingen met kenmerken van (hoog)begaafdheid te ontwikkelen, bestendigen of uit te bouwen. Van subsidieaanvragers (samenwerkingsverbanden) wordt co-financiering verwacht. In de regeling is bepaald dat de co-financiering niet mag worden betaald door ouders.
Bent u bereid contact op te nemen met het samenwerkingsverband passend onderwijs in de regio Nijmegen en het betreffende schoolbestuur en hen te adviseren over de mogelijkheden om dit type onderwijs te financieren zonder hoge ouderbijdrage?
Graag verwijs ik het schoolbestuur en het samenwerkingsverband voor advies door naar het Informatiepunt Onderwijs en Talentontwikkeling van de SLO. Wel zal ik dit voorbeeld meenemen bij een eerstkomend bestuurlijk overleg met de PO-Raad.
Weet u voor hoeveel andere hoogbegaafdenklassen in Nederland er nog steeds (hele) hoge ouderbijdragen gevraagd worden? Zo nee, bent u bereid dit uit te laten zoeken en ons een overzicht te sturen?
Er is geen compleet beeld bij hoeveel hoogbegaafdenklassen vrijwillige ouderbijdragen worden gevraagd. Ik ben bereid om voor de volgende Schoolkostenmonitor in gesprek te gaan met de onderzoekers om te bezien of zij een representatief beeld kunnen geven over de ouderbijdrage voor het onderwijs aan (hoog)begaafde leerlingen. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat de laatste Schoolkostenmonitor in maart 2019 is verschenen en dat de volgende pas weer over twee jaar zal verschijnen.
Weet u waarom de vrijwillige ouderbijdragen voor «extra ondersteuning» in de Schoolkostenmonitor niet verder zijn uitgesplitst, waardoor er geen zicht is op het verschil in ouderbijdrage tussen bijvoorbeeld ondersteuning bij dyslexie en hoogbegaafdheid? Bent u bereid het verschil hiertussen bij de volgende Schoolkostenmonitor mee te nemen?
De onderzoekers hebben deze splitsing niet gemaakt omdat de Schoolkostenmonitor slechts een klein aantal ouders van leerlingen dat dit soort onderwijs volgt wist te bereiken. Bij de volgende Schoolkostenmonitor zal ik van te voren met de onderzoekers in gesprek gaan om te onderzoeken of zij hier extra aandacht aan kunnen besteden om zo een meer representatief beeld te schetsen van de ouderbijdrage voor extra ondersteuning.
Wat vindt u ervan dat de gemiddelde ouderbijdrage voor extra ondersteuning 336 euro bedraagt?
Zie antwoord op vraag 2.
Heeft u er zicht op of ouders die om een hogere ouderbijdrage voor extra ondersteuning gevraagd worden, zich vaker verplicht voelen om deze te betalen, en of deze ouders vaker dan gemiddeld hun schoolkeuze af laten hangen van de vrijwillige ouderbijdrage? Zo nee, kunt u dit bij de volgende Schoolmonitor laten onderzoeken?
Uit de Schoolkostenmonitor po, vo, mbo 2018–2019 blijkt dat bij bijna alle ouders de hoogte van de kosten niet van invloed is geweest op de schoolkeuze voor hun kind. Hieronder vallen ook ouders die een hoge(re) geldelijke bijdrage betalen voor extra ondersteuning.
Bent u er ook van geschrokken dat de hoogste vrijwillige ouderbijdrage voor extra ondersteuning het afgelopen schooljaar 1.625 euro bedroeg? Vindt u dat er een plafond moet komen aan het bedrag dat als vrijwillige ouderbijdrage gevraagd mag worden?
Ik ben hiervan geschrokken, maar ik wil benadrukken dat het hier om uitzonderingen gaat. Zoals eerder aangegeven in mijn brief van 7 maart 2018 kent het instellen van een maximum aan de vrijwillige ouderbijdrage ook nadelen. Daarom wil ik vooralsnog geen maximum bedrag invoeren.
Deelt u de mening dat speciaal onderwijs onderdeel is van het basisaanbod en geen extra bijdrage rechtvaardigt?
Elke leerling in Nederland kan kosteloos naar school. De wet is daarover heel duidelijk. Scholen mogen aan ouders wel een bijdrage vragen. Die bijdrage is altijd vrijwillig. De keuze om deze bijdrage wel of niet te betalen mag geen consequenties hebben voor deelname aan het onderwijsprogramma. Ook daarover is de wet duidelijk.
De gesprekken met de onderwijssector over het oplossen van het lerarentekort |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de brief die de Algemene Onderwijsbond (hierna, AOb) u heeft doen toekomen op 21 mei 2019?1
In antwoord op de brief heb ik de AOb laten weten dat ik de zorgen van leraren erken. De aanpak van het oplopende tekort is dan ook mijn topprioriteit. Leraren merken de effecten direct als er geen leraar gevonden kan worden om te vervangen of om de formatie voor komend jaar rond te krijgen.
Er is niet één oplossing voor het lerarentekort. Een pakket van maatregelen is nodig om op korte en lange termijn te zorgen voor voldoende en goede leraren voor alle sectoren. Zoals ik eerder in antwoord op Kamervragen heb gemeld, werken we sinds het najaar van 2018 samen met vertegenwoordigers van schoolbesturen, schoolleiders, leraren, opleidingen en gemeenten, zonder verschillen van opvatting weg te poetsen, aan het gezamenlijke doel het tekort aan leraren aan te pakken.2
Aan de AOb heb ik laten weten dat ik niet ben ingegaan op de uitnodiging voor een bilateraal gesprek voor de voorjaarsnota. Zolang deze niet naar de Kamer is gestuurd, gaan leden van het kabinet niet in gesprek over de voorjaarsnota.
Hoe duidt u de rol van deze vakbond in het oplossen van het lerarentekort?
Sinds de AOb zich eind vorig jaar heeft teruggetrokken uit het landelijke overleg, heeft de AOb op bestuurlijk niveau geen rol bij de gezamenlijke aanpak van het lerarentekort.
Met welke (sociale) partners voert u momenteel gesprekken over het oplossen van het lerarentekort?
Partijen die deelnemen aan het landelijk overleg zijn de PO-Raad, VO raad, MBO Raad, VH, VSNU, CNV, AVS en FvOv en vertegenwoordiging uit de G4. Het UWV en het Participatiefonds zijn agendalid.
Acht u met uw huidige gesprekspartners de sector afdoende vertegenwoordigd om tot gedragen oplossingen te komen? Zo ja, hoe verhoudt dit zich uw inziens tot het feit dat de AOb met 85.000 leden verreweg de meeste werknemers in de onderwijssector vertegenwoordigt? Zo nee, op welke wijze gaat u er zorg voor dragen dat de toekomstige oplossingen voldoende draagvlak hebben?
Zoals in eerder genoemde antwoorden op Kamervragen staat, werken we bij voorkeur samen met zoveel mogelijk partijen die een bijdrage kunnen leveren aan de aanpak van het lerarentekort. Aan het landelijke overleg nemen dan ook vertegenwoordigers deel van schoolbesturen, schoolleiders, leraren, opleidingen en gemeenten. Het is de keus van de AOb geweest om niet langer deel te nemen aan het landelijke overleg. Met de andere partijen zijn wij constructief verder gegaan met de aanpak.
Deelt u de opvatting van de AOb en Onderwijsinspectie dat het onderwijs en de onderwijskwaliteit onder druk staan als gevolg van het lerarentekort en de werkdruk?
Ja, die opvatting deel ik. Daarom heeft de aanpak van het lerarentekort ook de hoogste prioriteit.
Hoe duidt u de onrust in het onderwijsveld? En wat is uw reactie op de stelling van de AOb dat bij het uitblijven van extra geld voor het onderwijs bij Voorjaarsnota, zij zich genoodzaakt voelen over te gaan tot nieuwe acties?
Zoals in het antwoord op vraag 1 staat, kan ik mij de zorgen van leraren voorstellen. De aanpak van het tekort is prioriteit en dit kabinet investeert dan ook in maatregelen die bijdragen aan de aanpak van de tekorten.
Zoals in eerder genoemde antwoorden staat is extra geld alleen naar mijn mening niet voldoende. Er is een plan van aanpak langs zes lijnen uitgewerkt, juist omdat het tekort niet met een enkele maatregel is op te lossen. Bovendien functioneert de onderwijsarbeidsmarkt in hoge mate regionaal. Daar zijn de partijen actief die verantwoordelijk zijn voor het aanstellen en opleiden van leraren. Ik zet daarom in op een regionale aanpak van het lerarentekort. Met de subsidieregeling voor de regionale aanpak wordt de samenwerking in de regio ondersteund.
Het is natuurlijk een goed recht van de AOb om ervoor te kiezen actie te blijven voeren voor nog meer extra geld. Wel constateer ik dat andere partijen een andere afweging maken en constructief met elkaar en met ons samenwerken bij de aanpak van het lerarentekort. Het pleidooi, ook van die partijen voor meer investeringen staat deze samenwerking niet in de weg.
Het bericht dat hogeschool Saxion in verweer komt tegen de nieuwe financieringsplannen voor het hoger onderwijs |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hogeschool Saxion in verweer komt tegen de nieuwe financieringsplannen voor het hoger onderwijs?1
Ja.
Deelt u de mening dat hogescholen, in tegenstelling tot universiteiten, niet uitgesloten moeten worden van extra aandacht voor techniekonderwijs?
Zoals ik eerder heb toegezegd zal ik uiterlijk 21 juni 2019 mijn beleidsreactie op het advies van de commissie Van Rijn aan uw Kamer sturen.
Deelt u de opvatting dat het zeer onrechtvaardig is dat hogescholen het slachtoffer worden van de verschuiving van gelden, in het geval van hogeschool Saxion gaat het jaarlijks om 4 miljoen euro, van de regio naar de Randstad?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat hogescholen in de regio die goed presteren, zoals Saxion, niet verantwoordelijk gehouden moeten worden voor het falen van hogescholen in de Randstad die te maken hebben met veel «switchers»?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de aanbevelingen van de Commissie-Van Rijn ten aanzien van de aanpak van «switchers» in de Randstad te negeren en ervoor te zorgen dat hogescholen in de regio niet gekort zullen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Scriptie onvoldoende? Dan ook geen beloning voor docent’ |
|
Zihni Özdil (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Scriptie onvoldoende? Dan ook geen beloning voor docent»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat wanneer een scriptie onvoldoende scoorde of niet werd afgemaakt, geschiedenisdocenten aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) geen onderwijsuren kregen toebedeeld voor de begeleiding van hun studenten?
De RUG heeft mij laten weten dat de instelling voor de verdeling van onderwijstaken een allocatiesystematiek hanteert die is gebaseerd op inspanning en niet op uitkomst. Dit verdeelmodel geeft volgens de RUG docenten de ruimte om een scriptie te begeleiden en de scriptie op kwaliteit te beoordelen. De onderwijsuren worden volgens de RUG toebedeeld op basis van verwachte scriptiebegeleiding en niet – achteraf – op basis van scriptiecijfers. Aangezien het aantal scripties vooraf nooit exact vaststaat, wordt bij het inschatten van de verwachte inzet aan scriptiebegeleiding in veel gevallen uitgegaan van het aantal scriptietrajecten in het voorgaande jaar als indicator. In de gealloceerde uren voor de begeleiding van scripties wordt volgens de RUG ook rekening gehouden met een variëteit aan begeleidingsintensiteiten (sommige studenten hebben veel begeleiding nodig, anderen minder): de toegedeelde uren zijn gebaseerd op gemiddelden. Intensievere trajecten worden gemiddeld genomen gecompenseerd door minder intensieve trajecten.
Kunt u de Kamer verzekeren dat regelingen waarbij onderwijsuren worden toebedeeld op basis van het resultaat van een student, op dit moment op geen enkele andere hogeschool of universiteit worden toegepast? Zo nee, bent u bereid maatregelen te nemen zodat dergelijke regelingen niet meer kunnen worden toegepast?
De VSNU en VH hebben mij laten weten dat de regelingen over het toebedelen van onderwijsuren per universiteit en hogeschool en vaak ook per faculteit en opleiding verschillen. De VSNU en VH hebben geen signalen ontvangen die erop wijzen dat sprake is van een koppeling tussen de resultaten van studenten en de onderwijsuren die een docent krijgt toebedeeld.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat docenten betaald krijgen voor onderwijsuren op basis van het rendement van een student in plaats van de daadwerkelijk gemaakte uren?
Ja. Ik hecht eraan te benadrukken dat docenten in hun rol als examinator tot een onafhankelijk en inhoudelijk gedegen oordeel moeten kunnen komen bij de beoordeling van scripties. Daar hoort voor mij ook bij dat er voor docenten geen – al dan niet onbedoelde – financiële prikkels zijn die afbreuk kunnen doen aan het inhoudelijke oordeel. Ik vind daarom een praktijk waarin onderwijsuren niet worden erkend als er geen voldoende wordt behaald of een scriptie niet wordt afgemaakt ook niet kunnen.
Bent u bereid om de gedupeerde docenten te compenseren? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen (arbeids)verhouding tot individuele docenten binnen instellingen. De relatie tussen instelling en docenten is een interne aangelegenheid van, in dit geval, de RUG.
Herkent u de signalen van het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) dat docenten onder druk worden gezet om studenten een voldoende te geven? Bent u bereid deze signalen verder te onderzoeken? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik ook bij het antwoord onder vraag 3 heb aangegeven hebben de VSNU en VH geen signalen ontvangen die er op wijzen dat er sprake is van koppeling tussen resultaten van studenten en onderwijsuren die een docent krijgt toebedeeld. Ik zie geen aanleiding dit verder te onderzoeken. Voor mij is van belang dat we met elkaar een fijnmazig systeem van checks en balances hebben afgesproken waarmee de kwaliteit van toetsen en beoordelen wordt geborgd in het hoger onderwijs. Daarin hebben naast docenten ook examinatoren, examencommissies en het bestuur een belangrijke rol. Ook worden alle opleidingen periodiek gevisiteerd door externe onafhankelijke commissies van deskundigen. Daarbij wordt ook gekeken of de beoordeling adequaat is geweest.
Deelt u de mening dat de huidige bekostigingssystematiek, waarin hogescholen en universiteiten geen inschrijvingsbekostiging ontvangen voor studenten na de nominale inschrijfduur van vijf jaar, bijdraagt aan perverse maatregelen zoals de eerder besproken regeling aan de RUG? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat bent u voornemens te doen om deze onderliggende oorzaak op te lossen?
Het huidige bekostigingsmodel voor het hoger onderwijs is een verdeelmodel om het beschikbare geld over de instellingen te verdelen. De instellingen hebben vervolgens de autonomie om zelf te beslissen op welke wijze ze het geld verdelen over faculteiten en afdelingen. Er is een systeem van checks en balances waarmee de kwaliteit van toetsen en beoordelen wordt geborgd in het hoger onderwijs. Op dit moment ben ik bezig met mijn beleidsreactie op het advies van de commissie Van Rijn over de herziening van de bekostiging. Zoals ik eerder heb toegezegd zal ik uiterlijk 21 juni 2019 mijn beleidsreactie op het advies van de commissie Van Rijn aan uw Kamer sturen.
Het inzichtelijk maken van (de gevolgen van) het lerarentekort |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het voorstel van de Algemene Onderwijsbond om scholen te verplichten de gevolgen van het lerarentekort te melden bij de onderwijsinspectie?1 Wat is up reactie daarop?
Ja, dat voorstel ken ik. Tijdens het notaoverleg over de Staat van het Onderwijs op 17 juni heb ik aangegeven dat ik er geen voorstander van ben om registratie te verplichten. Inmiddels is de motie van u, de heer Kwint en mevrouw Westerveld over registratie van het lerarentekort door OCW aangenomen. Ik ga daarom de komende tijd kijken hoe ik hier uitvoering aan kan geven.
Deelt u de mening dat elk kind elke schooldag zeker moet zijn van goed onderwijs? Zo ja, op welke manier garandeert u dat alle kinderen elke schooldag goed onderwijs krijgen? Zo nee, waarom niet?
De kwaliteit van het onderwijs staat voorop, ook als er tijdelijk noodmaatregelen moeten worden getroffen door het lerarentekort. Bij signalen dat zaken uit de hand lopen, of dat de veiligheid of kwaliteit op een school in het geding is, zal de inspectie contact opnemen met het bestuur. De inspectie vraagt altijd eerst naar de aard en achtergrond van een situatie, en naar mogelijke oplossingen. Mocht de situatie voortduren, dan kan de inspectie vragen om een plan van aanpak, waarin het bestuur aangeeft hoe het gaat sturen op herstel van de situatie.
Bent u bekend met de geluiden dat sommige klassen maanden achtereen een bepaald vak niet krijgen en er kinderen zijn die vier in plaats van vijf dagen naar school gaan vanwege het ontbreken van leraren? Vindt u het wenselijk om in beeld te hebben voor hoeveel en welke kinderen een dergelijke situatie geldt? Zo nee, waarom niet?
Voor het primair onderwijs geldt dat er bij de Inspectie geen gevallen bekend zijn waarin leerlingen structureel vier in plaats van vijf dagen naar school gaan. In het voortgezet onderwijs moeten scholen per schooljaar ten minste 189 dagen onderwijs verzorgen. Daarbij kunnen zij op jaarbasis twaalf voor leerlingen roostervrije dagen inplannen, waarvan maximaal zes rondom de centraal vastgestelde zomervakantie. Ook hebben VO-scholen de wettelijke ruimte om het onderwijs naar eigen (professioneel) inzicht in te richten en te plannen. Dat kan door elk vak elke week op het lesrooster te zetten, maar ook bijvoorbeeld door sommige vakken modulair aan te bieden, zodat leerlingen zo’n vak niet het hele jaar volgen, maar bijvoorbeeld alleen de eerste of tweede helft van het jaar. Belangrijk daarbij is dat de verplichte onderwijsinhouden aan bod komen en dat leerlingen voldoende onderwijs volgen, zodat zij aan het eind van elk leerjaar goed toegerust kunnen doorstromen naar de volgende klas, na de onderbouw in beginsel alle profielen nog kunnen kiezen en uiteindelijk goed voorbereid zijn op de examens, het vervolgonderwijs en hun (toekomstige) plek in de samenleving.
Voor mijn reactie op uw vraag over het in beeld brengen van dergelijke situaties, zie het antwoord op vraag 1.
Klopt het dat er nu geen volledig en accuraat overzicht is van waar het lerarentekort tot problemen leidt, en welke oplossingen scholen daarvoor inzetten? Zo nee, bent u bereid dit actuele overzicht te delen? Zo ja, deelt u de conclusie dat dit betekent dat onbekend is hoeveel en welke kinderen niet elke schooldag goed onderwijs krijgen en u daarmee niet kan garanderen dat alle kinderen elke schooldag goed onderwijs krijgen?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de opvatting dat bij het huidige grote lerarentekort het onverantwoord is om niet in beeld te hebben hoeveel en welke kinderen elke schooldag goed onderwijs krijgen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om een dergelijk overzicht te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Schokkende verschillen tussen de schooladviezen die Friese kinderen in groep 8 krijgen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat klopt er van de bevindingen van het Fries Sociaal Planbureau dat er bij de schooladviezen enorme verschillen bestaan tussen diverse Friese gemeenten?1
Het is mij bekend dat er regionale verschillen bestaan tussen regio’s als het gaat om de hoogte van de schooladviezen. In niet-stedelijke gebieden scoren leerlingen vaker hoger op de toets dan hun schooladvies. Dit is overigens niet alleen in Friesland het geval, zie mijn eerdere antwoorden op Kamervragen over soortgelijke problematiek in de provincie Drenthe.2
Tevens worden hier minder adviezen na een hoger toetsadvies bijgesteld. Dit is ook een van de constateringen in de brief over schooladviezen en resultaten op eindtoets in schooljaar 2017–2018, die ik uw Kamer 29 november 2018 heb doen toekomen.3
Loopt het noordoostelijk deel van Fryslân op dit punt ook ernstig uit de pas met grote delen van de rest van de provincie?
De bevindingen van het Fries Sociaal Planbureau laten zien dat in vergelijking met de hele provincie, in het noordoosten van Friesland meer leerlingen hoger scoren op de eindtoets dan hun schooladvies. Het gaat om een verschil van circa 10 procent.
Hoe beoordeelt u deze stand van zaken?
Ik vind dit een zorgelijke ontwikkeling. Eerder wees ik uw Kamer er al op dat vooral in minder stedelijke regio’s sprake lijkt te zijn van onderadvisering. Deze ontwikkeling heeft dus al langer mijn aandacht.
Het is daarom goed dat in Friesland – net als in andere niet-stedelijke regio’s – een positieve dalende trend is te zien in het percentage adviezen dat moet worden heroverwogen en een positieve stijgende trend in het percentage adviezen dat daarvan wordt bijgesteld. Ondanks deze positieve ontwikkeling blijf ik werk maken van het tegengaan van deze regionale verschillen in advisering en bijstelling. Ik ga daar uitgebreider op in, in mijn brief over de Eindevaluatie van de Wet eindtoetsing PO, die ik u separaat doe toekomen.
Wat doen de betrokken scholen met de verplichting om het gegeven advies tegen het licht te houden als de Centrale Eindtoets een flinke afwijking naar boven vertoont?
Op basis van landelijke gegevens van voorgaande schoolgaande jaren is bekend dat van circa een kwart van de leerlingen met een heroverweging het schooladvies wordt bijgesteld. Wanneer er sprake is van een verschil van een heel schoolniveau tussen het schooladvies en de eindtoets, wordt van één van de drie leerlingen het advies bijgesteld.
Hoe verklaart u dat in en gemeente als Achtkarspelen heel veel leerlingen een te laag schooladvies krijgen maar het vervolgens ook nog eens zeer beperkt wordt bijgesteld?
Dit is door mij of het Fries Sociaal Planbureau niet onderzocht. Zoals ik in het antwoord op de eerste vraag aangaf, is op basis van landelijke gegevens bekend dat beide vaak samen gaan: leerlingen in deze regio’s scoren vaak beter op de eindtoets dan hun schooladvies en hun hogere toetsadvies leidt minder vaak tot een bijstelling.
Hoe verklaart u dat desondanks het Dockinga College in Dokkum qua opstroom een normale school is? Had de opstroom niet juist groter moeten zijn bij deze mate van onderadvisering vanuit de basisscholen?
Dit is door mij of het Fries Sociaal Planbureau niet onderzocht. Op basis van landelijke gegevens is bekend dat leerlingen met een advies dat lager is dan hun toetsadvies niet noodzakelijk altijd opstromen. Daarbij speelt helaas een rol dat leerlingen doorgaans presteren conform wat er van hen wordt verwacht, de selffulfilling prophecy., 4 5 Daarnaast speelt een rol dat in minder stedelijke regio’s er ten onrechte sprake lijkt te zijn van een lager ambitieniveau bij zowel ouders als scholen.6
Ziet u een verband met analoge berichten over basisscholen in Groningen?2
Dat verband zie ik. Ook in Groningen is – net als in andere niet-stedelijke regio’s – sprake van onderadvisering.8In de brief over de Eindevaluatie van de Wet eindtoetsing po die ik u separaat doe toekomen, ga ik nader in op achterliggende oorzaken van onderadvisering en de mogelijkheden om de effecten van onderadvisering te verminderen.
Ziet u mogelijkheden om de rol van de afstand tot de school in zo’n plattelandsregio te beperken?
Die mogelijkheden zie ik niet. Bovendien is het de vraag of dit een oplossing biedt voor het probleem. Eerder meldde ik u al dat de nabijheid van vo-scholen wel van invloed lijkt te zijn op onderadvisering door scholen.9 Daarnaast speelt een verschil in ambitieniveau een rol. Ik vind het belangrijk om hier maatregelen op te nemen die zoveel mogelijk aangrijpen op zaken die verschil kunnen maken, waardoor eventuele onderadvisering tijdig kan worden gecorrigeerd. Mijn brief over de Eindevaluatie van de Wet eindtoetsing PO gaat hier uitgebreider op in.
Wat wilt u in het algemeen ondernemen tegen deze schokkende verschillen?
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 3 en vraag 8.
De eerlijke betaling van kunstdocenten |
|
Corinne Ellemeet (GL), Paul Smeulders (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Mooi dat er aandacht is voor de eerlijke betaling van kunstenaars, maar vergeet de kunstleraar niet»?1
Ja, ik ken het artikel.
Is een loopbaan, zoals die van in het artikel genoemde drumdocent, die van een vaste baan naar een ZZP-constructie is gegaan, typerend voor kunst- en cultuurdocenten?
De loopbaanontwikkeling van kunst- en cultuurdocenten kent een grote diversiteit. Er zijn meer voorbeelden bekend van de beschreven loopbaanontwikkeling.
Is het waar dat er inmiddels zo’n 20.000 ZZP’ers in de kunsteducatie zijn en hooguit nog zo’n 1000 in vaste dienst? Wat vindt u van deze ontwikkeling?
Uit navraag bij het CBS blijkt dat er verschillende schattingen bestaan over de aantallen docenten die in de kunsteducatie werkzaam zijn in loondienst en als zelfstandige. In een pilotonderzoek van het CBS uit 2015 kwam een voorlopige en indicatieve schatting van circa 10.500 docenten in loondienst.2 De schatting van 20.000 zzp’ers komt uit vervolgonderzoek, waarbij de doelgroep van het onderzoek bovendien is uitgebreid, waardoor ook het aantal docenten in loondienst hoger werd geschat. Dit onderzoek is vanwege onvoldoende respons echter niet als representatief te beschouwen en is daarom ook niet gepubliceerd. Relevant is ook dat het zeer aannemelijk is dat de schattingen niet unieke personen betreffen; docenten kunnen verschillende dienstverbanden en werkzaamheden als zzp’er combineren.
Op StatLine publiceert het CBS algemene cijfers over het aantal zelfstandigen en hun inkomens en vermogens in bijvoorbeeld de bedrijfstakken Cultureel onderwijs, Podiumkunst en Scheppende kunst (SBI’s 8552, 9001 en 9003). Veel docenten kunsteducatie zullen in die bedrijfstakken actief zijn.3
Uit cijfers die Cultuurconnectie, de brancheorganisatie voor cultuureducatie, amateurkunst en volksuniversiteitswerk, heeft van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) blijkt dat 148 bij het PFZW aangesloten organisaties die «kunstzinnige vorming» bieden in totaal 2.658 werknemers hebben met een gemiddelde parttimefactor van 48,9 procent.
Ik heb op zichzelf geen oordeel over (de verhouding tussen) het aantal zelfstandigen zonder personeel en het aantal vaste contracten in de kunsteducatie. Ik vind het vooral van belang dat zelfstandigen in de culturele en creatieve sector hun beroepspraktijk gezond vorm kunnen geven en dat er door beide partijen op de juiste gronden wordt gekozen voor de opdrachtgever-opdrachtnemer relatie.
Bent u het eens met de Kunstenbond, die spreekt van een uitholling van de arbeidsvoorwaarden? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ik ben me ervan bewust dat werkenden, en met name zelfstandigen, in de culturele sector vaak werken onder ongunstige voorwaarden. Samen met vertegenwoordigers uit de culturele sector hecht ik eraan dat zelfstandigen in de culturele en creatieve sector hun beroep gezond vorm kunnen geven. Daartoe faciliteer ik de sector in de uitvoering van zijn arbeidsmarktagenda, inclusief beheer en promotie van de Fair Practice Code voor de culturele en creatieve sector en het vormgeven van een Platform Arbeidsmarkt Culturele en Creatieve Toekomst, dat wil bijdragen aan normering van minimum contractvoorwaarden en ondernemersrisico’s in de culturele sector.
Daarnaast zijn in het regeerakkoord en in het pensioenakkoord maatregelen aangekondigd die tot doel hebben de positie van kwetsbare zzp’ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt te verbeteren. Over de invulling en uitwerking van de in het regeerakkoord aangekondigde maatregelen heeft u inmiddels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën een brief ontvangen.
Wanneer er twijfel bestaat over de kwalificatie van de arbeidsrelatie dan staat een gang naar de rechter open.
Deelt u de mening dat kunst- en cultuurdocenten zouden moeten beschikken over een arbeidsongeschiktheidsverzekering, een pensioenvoorziening en financiële zekerheid?
De behoefte aan financiële zekerheid geldt niet specifiek voor de culturele en creatieve sector. In het pensioenakkoord is overigens afgesproken dat er een wettelijke verzekeringsplicht komt voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. Het doel van deze verzekeringsplicht is om naast de bestaande werknemersverzekering ook andere werkenden te beschermen tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid en te borgen dat iedereen zich kan verzekeren. Het staat zelfstandigen daarnaast vrij om zelf aanvullend vorm te geven aan hun sociale zekerheid. De arbeidsmarktagenda van de sector zelf beoogt om de sociale zekerheid van zelfstandigen in deze sector te verhogen. Ik ondersteun de uitvoering van die agenda.
Is bekend hoeveel ZZP’ers in de kunsteducatie een arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben en een pensioen opbouwen? Zo ja, hoeveel zijn dit? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Uit onderzoek van het CBS op basis van gegevens uit de belastingaangifte van zelfstandigen is bekend welk deel van de zzp’ers met werk als zelfstandige als voornaamste inkomensbron premies voor arbeidsongeschiktheid en lijfrente heeft betaald: respectievelijk 18,6 en 9,6 procent van de 905,9 duizend zzp’ers in 2017.4 In het CBS onderzoek is niet berekend hoe dit voor de zzp’ers in de kunsteducatie is. Wel blijkt dat in de bedrijfstak Cultuur, recreatie en overige diensten (SBI R tot en met U) deze aandelen onder het gemiddelde liggen: 7,1 procent van de 99,8 duizend zzp’ers in die sector in 2017 betaalde in 2017 premies voor arbeidsongeschiktheid en 5,2 procent voor lijfrente. Het CBS kan deze cijfers eventueel specificeren voor de zzp’ers in de bedrijfstakken Cultureel onderwijs, Podiumkunst en Scheppende kunst (SBI’s 8552, 9001 en 9003).
Verder is elke branche verantwoordelijk voor het realiseren van zijn eigen kennisbasis ten aanzien van inkomens en beroepspraktijk, afhankelijk van de thema’s en bevragingslast die zij relevant achten.
Deelt u de mening dat een uurloon onder de vijftig euro niet genoeg is als er rekening moet worden gehouden met extra kosten, zoals een verzekering van je muziekinstrumenten, reiskosten, niet-declarabele uren, arbeidsongeschiktheidsverzekering, pensioen, huur van lesruimte, etc?
Belangrijk is in de eerste plaats dat door werken een inkomen verworven kan worden waarmee ten minste kan worden voorzien in de basisbehoeften. Daarom is het kabinet voornemers om een wettelijk generiek minimumtarief in te voeren om zelfstandigen in staat te stellen een inkomen te verwerven waarmee in een bestaansminimum kan worden voorzien. Een nadere uitwerking van deze maatregel vindt u in de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën die op 24 juni jl. naar de Tweede Kamer is verzonden inzake de voortgang uitwerking maatregelen «werken als zelfstandige». Een minimumtarief is niet per se hetzelfde als fair practice of een duurzame beroepspraktijk. Het is aan de sector zelf om vorm te geven aan fair practice. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap faciliteert en stimuleert dat proces in het kader van de Arbeidsmarktagenda van de culturele en creatieve sector. De realisatie van fair practice speelt ook een rol in de uitvoering van de motie van de leden Ellemeet en Asscher. Zoals gemeld in de Uitgangspuntenbrief Cultuurbeleid 2021–2024 zal uw Kamer in het najaar worden geïnformeerd over de voortgang op dit gebied.
Wat vindt u ervan dat docenten vaker onbetaalde uren maken en vaker zelf opdraaien voor huur- en materiaalkosten?
Zie verder het antwoord op vraag 4.
Wat is naar uw mening de taak van de overheid bij het faciliteren van kunst- en cultuureducatie? Ziet u kunsteducatie voor amateurs als een publieke voorziening? Zo ja, welke rol ziet u daarin voor u zelf en de overheid weggelegd? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen. Deze algemene doelstelling wordt op het gebied van kunst- en cultuureducatie op verschillende manieren vertaald. Zo behoren doelstellingen voor cultuureducatie en -participatie tot de criteria voor subsidie aan instellingen die behoren tot de landelijke culturele basisinfrastructuur (BIS). Daarnaast ondersteunt het rijk ontwikkelingen op het gebied van cultuureducatie en cultuurparticipatie, waaronder begrepen kunsteducatie voor amateurs, via het LKCA dat amateurkunst en cultuureducatie ondersteunt met kennis en netwerken en via het Fonds voor Cultuurparticipatie dat subsidies verstrekt voor cultuurparticipatie en cultuureducatie. Gemeenten en provincies maken hun eigen keuzes en afwegingen.
Deelt u de analyse van het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie Amateurkunst (LKCA) dat bepaalde vormen van kunst- en cultuureducatie buiten de Randstad zullen verdwijnen, omdat er niet genoeg vraag naar is? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Dat risico is aanwezig, maar het is niet met stelligheid te zeggen dat bepaalde vormen van kunst- en cultuureducatie buiten de Randstad zullen verdwijnen omdat er niet genoeg vraag naar is. Er is geen onderzoek naar gedaan.
Bent u bereid om met de VNG in gesprek te gaan met als doel de verschraling van het aanbod van cultuureducatie tegen te gaan en de arbeidsmarktpositie van kunst- en cultuurdocenten te verbeteren?
Ik overleg regelmatig met de VNG over ontwikkelingen op het gebied van cultuureducatie. Ook eventuele knelpunten die zich op dat gebied voordoen kunnen dan ter sprake komen.
Is bekend hoeveel kunstencentra en muziekscholen de afgelopen tien jaar zijn gesloten? Zo ja, hoeveel zijn dit?
Het LKCA heeft gegevens over het verloop van het aantal centra voor de kunsten tot en met 2015.5 Daaruit blijkt dat er in 2009 in totaal 182 centra voor de kunsten waren tegenover 137 in 2015. Deze daling kwam aanvankelijk door fusies tussen de centra, want het aantal gecombineerde instellingen nam sindsdien toe ten koste van afzonderlijke muziekscholen en creativiteitscentra. Bij de inventarisatie van centra in 2015 is te zien dat voor het eerst ook de gecombineerde instellingen in aantal afnemen, van 110 in 2013 naar 96 in 2015. In die jaren is er dus daadwerkelijk sprake van opheffingen in plaats van fusies.
Per 2019 telde Cultuurconnectie 131 organisaties voor cultuureducatie. De relatief geringe afname (van 6) tussen 2015 en 2019 wordt verklaard uit het feit dat er sinds 2017 een klein aantal docentencollectieven (niet zijnde werkgevers) in het ledenbestand van Cultuurconnectie is bijgeschreven.
Leerlingen die worden uitgeschreven op school |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wen Long (8) moet dagelijks zes uur reizen om passend onderwijs te krijgen»?1
Ja.
Graag wil ik vooraf aangeven waar ik in mijn antwoorden wel of niet op in kan gaan. In een aantal gevallen is mijn antwoord op uw vraag beperkt, omdat ik niet kan ingaan op individuele gevallen. Wel geef ik toelichting op de handelwijze van het ministerie en de onderwijsinspectie in algemene zin.
Hoe rijmt u dit met uw uitspraken in het algemeen overleg van 21 februari 2019 inzake onderwijs en zorg, waarin u heeft gezegd dat dit niet mag en een kind niet zomaar kan worden uitgeschreven?
Zoals ik op 21 februari jl. heb aangegeven, een leerling kan niet zomaar worden uitgeschreven door de school. Dat kan alleen op verzoek van ouders. Wanneer er geen toestemming van de ouders is, is er sprake van verwijdering. Een school kan verschillende redenen hebben om een leerling te verwijderen, denk aan: wangedrag van de leerling of ouders, of als een leerling ingeschreven staat op twee scholen. Wanneer dat laatste het geval is, kan de school waar de leerling het eerst stond ingeschreven ervan uit gaan dat er geen verplichting bestaat een andere school te zoeken die bereid is de leerling toe te laten.
Voor de verwijderingsprocedure gelden strikte wettelijke eisen, die per onderwijssector verschillen. In alle gevallen geldt:
Hoe kan het dat deze specifieke casus bij u in februari onder de aandacht is gebracht, maar er nog steeds geen oplossing is gevonden voor kind en ouders?
Zie antwoord 1.
Is er tussen 21 februari 2019 en de uitzending van EenVandaag contact geweest tussen het Ministerie van OCW en de ouders? Zo ja, wanneer en wat is er afgesproken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord 1.
Hoe kan het dat de Inspectie van het Onderwijs (onderwijsinspectie) constateert dat de uitschrijving onrechtmatig was, maar hier geen consequenties aan worden verbonden?
Wanneer de onderwijsinspectie constateert dat een school zich niet houdt aan de regels rond uitschrijven, dan spreekt zij de school daar op aan. Vervolgens vraagt de onderwijsinspectie aan de school de tekortkoming te herstellen door ervoor te zorgen dat de verwijderingsprocedure aan wet- en regelgeving voldoet. Mocht de school de tekortkoming niet herstellen, kan de onderwijsinspectie namens mij de bekostiging opschorten of inhouden.
Waarom verwijst u in het plenaire debat van 27 maart 2019 naar een nationale geschillencommissie en zorgcoördinatoren bij onrechtmatige uitschrijving2 en wijst u in uw schriftelijke reactie op vragen van EenVandaag naar de onderwijsconsulenten?
Goed om te lezen dat u mijn schriftelijke reactie heeft gelezen. Helaas is deze niet meegenomen in de uitzending van EenVandaag.
Als ouders en school het niet eens worden over het best passende aanbod (wat kan leiden tot uitschrijving of verwijdering), zijn er verschillende stappen die ouders kunnen nemen. Het door mij verwijzen naar die verschillende stappen, heeft te maken met de verschillende situaties waar op dat moment over werd gesproken.
Kunnen ouders bij de geschillencommissie, de zorgcoördinator of de onderwijsconsulent terecht als hun kind onrechtmatig is uitgeschreven? Kunt u uiteen zetten wat de bevoegdheden en mogelijkheden van deze personen en instanties zijn wanneer ouders er niet uitkomen met school of het samenwerkingsverband?
Voor elke situatie geldt een wenselijke volgordelijkheid in het nemen van de stappen. De eerste stap is altijd om het gesprek aan te gaan met de school. Het is raadzaam om hier de zorgcoördinator of intern begeleider eventueel samen met de schoolleiding bij te betrekken. Zij zijn het eerste aanspreekpunt voor leerlingen met een zorgbehoefte binnen hun onderwijsinstelling. Als dat niet lukt, dan is de volgende stap om het samenwerkingsverband te betrekken en in gesprek te gaan. De school initieert deze actie over het algemeen. Het samenwerkingsverband is namelijk verantwoordelijk voor een goed ondersteuningsaanbod voor alle kinderen in de regio samen met zorg. Er kan gedurende het hele traject een beroep worden gedaan op onderwijsconsulenten. Deze kunnen advies geven op afstand of uiteindelijk ook meehelpen door middel van bemiddeling om tot een oplossing te komen. Wanneer sprake is van een daadwerkelijk geschil over de toelating, de verwijdering of de ondersteuning (zoals verwoord in het ontwikkelingsperspectiefplan), kan een verzoek ingediend worden voor een advies bij de Geschillencommissie passend onderwijs. Dat verzoek moet worden ingediend binnen 6 weken na de dag waarop het ontwikkelingsperspectiefplan of de beslissing over toelaten of verwijderen is bekendgemaakt. Daarnaast kunnen ouders een geschil voorleggen via een kort geding aan de rechter voor een bindende uitspraak.
Hoewel ons niet bekend is dat adviezen van de geschillencommissie niet worden opgevolgd, ga ik naar aanleiding van het rapport van Marc Dullaert «de kracht om door te zetten»3 waarin hij een aanbeveling doet om te komen tot een bindende arbitrage, verkennen welke mogelijkheden er zijn om de Geschillencommissie passend onderwijs een bindend advies te kunnen laten doen.
Is waar dat onderwijsconsulenten moeten stoppen met het bemiddelen naar een oplossing tussen leerling, ouders en school, als ouders juridisch advies inwinnen of zich laten bijstaan door een jurist of advocaat?
Nee dat is niet waar. Onderwijsconsulenten hebben als taak om te bemiddelen tussen leerlingen en hun ouders en de school, in een specifieke situatie. Wanneer daarover een juridische procedure wordt gestart, is bemiddeling in de praktijk vaak niet meer goed mogelijk. Om die reden kan de bemiddeling in dergelijke gevallen stoppen.
Is het waar dat de Geschillencommissie Onderwijs niet bevoegd is omdat het hier niet gaat om een verwijderingsbesluit maar om de informatieplicht van scholen aan het Ministerie van OCW, onder andere ten behoeve van de handhaving van de leerplichtwet?
Nee. De Geschillencommissie passend onderwijs is bevoegd te adviseren over de toelating en de verwijdering van een leerling. In het regelement op de website van de Geschillencommissie passend onderwijs is voor belanghebbenden te vinden wat de Geschillencommissie wel en niet in behandeling neemt.
Wat is de reden dat de onderwijsinspectie toestaat dat scholen antedateren, zoals is gebeurd bij een leerling op het Vossius Gymnasium? Vindt u dit wenselijk?
De onderwijsinspectie staat niet toe dat scholen antedateren. De onderwijsinspectie heeft vastgesteld dat het Vossius Gymnasium onrechtmatig heeft gehandeld.
Wat is de reden dat de onderwijsinspectie de school niet heeft aangesproken op de naleving van artikel 27 van de Leerplichtwet?
Zoals in het (openbare) rapport4 van de onderwijsinspectie over het onderzoek bij het Vossius Gymnasium is vermeld, is de school door de onderwijsinspectie aangesproken op het niet naleven van de Leerplichtwet.
Is bekend hoeveel kinderen door de school worden uitgeschreven zonder toestemming van de ouders? Zo nee, bent u bereid dit te inventariseren?
Nee dat is niet bekend. Feitelijk is het zo dat kinderen niet mogen worden uitgeschreven zonder toestemming van ouders, tenzij de leerling ook op een andere school staat ingeschreven. Wanneer er geen toestemming van ouders is, is er sprake van verwijdering. Voor die procedure gelden strikte wettelijke eisen. Zie ook mijn antwoord op vraag 2. Het kan gebeuren dat een school zich niet houdt aan de regels rond verwijderen. Wanneer de onderwijsinspectie dat constateert, dan spreekt zij de school daar op aan en vraagt de school de tekortkoming te herstellen.
Kunt u de Kamer informeren over het aantal scholen dat sinds de aanpassing van de Leerplichtwet (per 1 januari 2012) op de schending van de informatieplicht door de onderwijsinspectie is aangesproken? Is bekend in hoeveel van die overtredingen door de onderwijsinspectie een maatregel is opgelegd?
De onderwijsinspectie doet in alle sectoren van het funderend onderwijs (po, vo en so) en het mbo onderzoek naar de naleving van de Leerplichtwet 1969 door steekproeven te nemen uit de verzuimadministratie van een school. Vanaf 1 januari 2012 tot op heden heeft de inspectie totaal 28 keer (MBO: 23, VO: 4, SO:5 een bestuurlijke boete opgelegd omdat een school niet voldeed aan één van de verplichtingen genoemd in artikel 27, onder b, Leerplichtwet, namelijk artikel 21 van de Leerplichtwet. Dat is de verplichting om het verzuim zonder geldige reden van een leerling van in totaal zestien uren les- of praktijktijd binnen vier weken te melden bij het verzuimloket. Er is één bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet voldoen aan artikel 27, onder c, van de Leerplichtwet 1969 in verband met een tweede constatering van ontoereikende verzuimregistratie.
Deelt u de mening dat het niet zo kan zijn dat schoolbesturen zich door de uitschrijving van een leerling aan hun zorgplicht kunnen onttrekken?
Het is inderdaad niet de bedoeling dat schoolbesturen zich aan de zorgplicht passend onderwijs onttrekken door leerlingen uit te schrijven. Een school kan een leerling niet verwijderen zonder dat er een passende plek op een andere school is gevonden.
Deelt u de mening dat de zorgplicht van scholen te makkelijk omzeild kan worden als doorzettingsmacht richting de scholen niet is geregeld? Zo ja, hoe wilt u dit regelen?
Nee, zie het antwoord op vraag 14. Wat betreft de doorzettingsmacht kan ik het volgende melden. Regio’s kunnen nu al aan de slag, om binnen het kader van het op overeenstemming gericht overleg (OOGO) en in de regionale thuiszittersaanpakken, afspraken met elkaar te maken over wie het mandaat krijgt om de regie te nemen mocht het onderling vastlopen. Daarbij moet aandacht zijn voor de termijnen, de casusregie, het mandaat van de casusregie en de aanpak waarmee doorbraken kunnen worden bereikt als een situatie daarom vraagt. De wijze waarop dit in de regio concreet wordt vormgegeven, is wat mij betreft uitdrukkelijk aan de regio’s zelf. Dan gaat het bijvoorbeeld om bij welke professional de casusregie wordt belegd.
De nadere invulling van de wettelijke verankering van doorzettingsmacht wordt komende tijd verder uitgewerkt. Hierbij worden ook de aanbevelingen van Marc Dullaert6 meegenomen.
Bent u bereid om op korte termijn een landelijk meldpunt of ombudsinstantie in te richten zodat deze ouders, en alle andere ouders, zo snel mogelijk worden geholpen met het vinden van een geschikte oplossing?
In de 13e voortgangsrapportage passend onderwijs informeer ik uw Kamer over hoe ik de komende tijd voor ouders en betrokkenen duidelijker kan maken waar ze moeten zijn en wat daar aan informatie en ondersteuning gekregen kan worden. Dat is wat mij betreft niet een landelijk meldpunt of één loket, maar moet verbonden zijn aan de regio’s waar uiteindelijk ook de keuzes gemaakt moeten worden.
Mag een school aan leerling en ouder(s) een contract opleggen waarbij voorwaarden worden gesteld aan het volgen van onderwijs, zoals het zoeken van professionele ondersteuning buiten de school?
De extra ondersteuning is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de school van inschrijving. De school is verplicht al dan niet met ondersteuning van buiten goed en passend onderwijs te bieden. Deze ondersteuning is onderdeel van het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectiefplan waarover overeenstemming moet zijn bereikt met de ouders. Op deze manier is ook geregeld dat tussen de school en ouders overeenstemming bestaat over de afwijking van het onderwijsprogramma.
Is bekend hoe vaak het voorkomt dat een school een contract opstelt met nadere voorwaarden voor het volgen van onderwijs?
Nee.
Handhaaft de onderwijsinspectie in situaties waarin scholen extra voorwaarden stellen aan toelating en plaatsing?
Dat is niet aan de orde. Het stellen van extra voorwaarden aan toelating en plaatsing mag niet. Wel mag een school in overleg met de ouders maatwerk regelen, dat op de leerling is toegesneden (afwijking onderwijstijd). Deze ondersteuning is onderdeel van het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectiefplan. De onderwijsinspectie kijkt in het toezicht in algemene zin of leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte passende ondersteuning krijgen.
Het bericht ‘Algemene voorwaarden en verzekering rijscholen niet altijd op orde’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel van BNR Nieuwsradio en feit dat rijscholen hun algemene voorwaarden en verzekeringen niet altijd op orde hebben?1
Ja.
Is het waar dat er zich situaties voordoen waarbij leerlingen moeten opdraaien voor verkeersovertredingen of schade die zij veroorzaken tijdens de rijles, omdat de rijschool de zaken niet op orde heeft?
De branchepartijen hebben aangegeven dat zij enkele voorbeelden kennen van situaties waarbij leerlingen schade en/of boetes zouden moeten betalen. Het betreft hier niet bij hen aangesloten rijscholen.
Hoe is het mogelijk dat rijscholen rondrijden met auto’s die niet of onvoldoende verzekerd blijken te zijn of niet verzekerd zijn voor inzittenden? Zijn hier cijfers van bekend? Zo ja, kunt u dan een overzicht bieden van de laatste drie jaar.
Er zijn bij mij geen rijscholen bekend die lesauto’s inzetten die niet voldoen aan minimale basis wettelijke aansprakelijkheid (WA) en dus onverzekerd zijn. Dat is een verplichting voor iedere autobezitter.
Aanvullende verzekeringen, zoals een Casco (All Risk) en de inzittendenverzekering zijn niet verplicht en worden niet centraal geregistreerd. Er zijn daarover dan ook geen cijfers bekend.
Hoort het niet zo te zijn dat brancheorganisaties bij het signaleren van dergelijke situaties deze rijscholen direct behoren te verwijderen uit hun ledenbestand? Hoeveel en welke brancheorganisaties zijn u bekend? Hoe controleren zij hun leden op onder andere verzekeringen, algemene voorwaarden en integer en correct handelen? Wat heeft het Rijleskeurmerk voor waarde? Hoe kan een leerling vooraf weten aan welke eisen wel of niet is voldaan om dit keurmerk te krijgen? Hoe wordt omgegaan met individuele rijscholen die zich niet aan bepaalde standaarden houden en op het randje of discutabel opereren?
De brancheorganisaties BOVAG, FAM en VRB hebben allen aangegeven dat ze leden jaarlijks controleren op verzekeringen, algemene voorwaarden en integer en correct handelen. De leden dienen hun polissen ter inzage te overleggen. Hoewel dit nog niet is voorgekomen wordt bij niet voldoen het lid geroyeerd.
Het Rijleskeurmerk is een particulier vrijwillig initiatief en geeft informatie op hun website. Er bestaat geen landelijk verplicht keurmerk voor rijscholen en ook de voorwaarden zijn afhankelijk van de individuele rijschool. Elke leerling of ouder kan vooraf de individuele voorwaarden van de rijschool opvragen.
Er is een klein aantal voorbeelden van afwijkende voorwaarden door de branche gemeld en door mij doorgezet naar de ACM om mogelijke consumentenmisleiding te onderzoeken. Het CBR besteedt in de campagne rijbewijstips aandacht aan het kiezen van een goede rijschool en waar deze aan moet voldoen.
Er zijn wettelijk geen mogelijkheden om individuele rijscholen aan te spreken op vastgelegde standaarden die de consument beter kunnen beschermen. Wel onderzoek ik in overleg met de branche andere mogelijkheden om dit beter te organiseren en zal ik in het beantwoorden van de Kamervragen2, die hierover zijn gesteld door lid van Dijk met betrekking tot het faillissement van de rijschool in Zoetermeer, nader ingaan op de verschillende scenario’s die ik in overleg met de branche zal onderzoeken.
Wanneer zijn de eerste resultaten te verwachten waarbij rijscholen die niet aan de eisen voldoen hun bevoegdheid wordt ontnomen, nu de Wet Rijonderricht Motorrijtuigen (gewijzigd) door de Tweede Kamer is aangenomen?
De Wet Rijonderricht Motorrijtuigen (WRM) regelt dat instructeurs moeten voldoen aan de verplichte bijscholing en praktijkbegeleiding. Er worden in de WRM geen eisen gesteld aan rijscholen.
Hoe staat het met gesprekken met de branche en de voortgang om het kaf van het koren te scheiden en de rijschoolbranche op te schonen van lieden die daar niet horen? Welke sancties zijn er en welk toezicht is verder mogelijk om rijinstructeurs die niet aan de eisen voldoen tijdelijk of definitief uit de branche te verwijderen?
De rijschoolbranche is een vrije sector en niet gebonden aan wettelijke vestigingsregels. Mijn Ministerie onderzoekt samen met de branche, het CBR en het IBKI de mogelijkheden de kwaliteit van rijscholen te verbeteren en de consument (beginnend bestuurder) beter te beschermen. Te denken valt hier aan het mogelijk maken van onderdelen van het verbeterplan van de branche (BOVAG, FAM en VRB). Ik heb er vertrouwen in dat het nieuwe educatieve traject in de WRM zal bijdragen aan verbetering. Ik ben erg blij dat de branchepartijen actief meewerken en samen met mij ervan overtuigd zijn dat een professionele rijschoolbranche cruciaal is voor de verkeersveiligheid. Voor de sancties aangaande rijinstructeurs wordt verwezen naar het antwoord van vraag 5.
Deelt u de mening dat onverzekerd rondrijden onacceptabel is? Op welke manier wordt hierop gehandhaafd? Wat zijn de sancties bij onverzekerd rijden en kan er preventief ingegrepen worden?
Ja, dat deel ik.
De sanctie (hechtenis of geldboete) is wettelijk geregeld in de Wet Aansprakelijkheid Motorijtuigen (WAM) en wordt in opdracht van het OM door de RDW gecontroleerd in het Kentekenregister en door handhaving op straat. In het Kentekenregister wordt geen onderscheid gemaakt naar personenauto’s die gebruikt worden als lesauto. Dit geldt niet voor de casco (AllRisk) en inzittendenverzekering, waar de brancheorganisaties dus een belangrijke rol spelen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De berichten ‘Bij hoogleraar B. moesten de vrouwen hakken dragen ’ en ‘Van seksueel wangedrag tot sabotage van je onderzoek’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bij hoogleraar B. moesten de vrouwen hakken dragen»?1
Ja.
Wat vindt u van deze reconstructie van een verziekte cultuur bij een afdeling van een grote publieke instelling waar macht en angst het wonnen van veiligheid?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat na een diepgravend journalistiek onderzoek over ex-hoogleraar R.B. en de sectie arbeidsrecht, dat gebaseerd is op tientallen (vertrouwelijke) documenten, apps, mails, gespreksverslagen en rapportages, een schokkend en stuitend beeld naar voren komt?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe beoordeelt u de constatering dat jarenlang een verziekte en onveilige cultuur kon blijven bestaan waarbij deze ex-hoogleraar zelden tot de orde werd geroepen, zelfs niet als er «wél een keer melding werd gedaan»?
Universiteiten moeten een veilige haven zijn waar wetenschappers, docenten, studenten en ondersteunend personeel hun werk moeten kunnen doen zonder last te hebben van onwenselijk gedrag en intimidatie. Elk signaal van dergelijk gedrag is er een te veel. Ik vind het beeld dat in het artikel van NRC wordt geschetst schokkend. Het geschetste gedrag van de hoogleraar, de cultuur waarin dit gedrag niet in een veilige omgeving besproken kon worden en hoe lang dit zich af heeft kunnen spelen, vind ik ontoelaatbaar. Voor de cultuurverandering die nodig is om dit in de toekomst te voorkomen, moeten studenten en personeel kunnen vertrouwen op een veilige werkomgeving en procedures die daarbij passen.
Welke stappen heeft de Universiteit van Amsterdam (UvA) sinds de eerste melding uit 2005 ondernomen om de verziekte en onveilige cultuur te bestrijden? Hoe beoordeelt u deze?
Het is mij niet bekend wat de UvA met de eerste melding uit 2005 heeft gedaan. De UvA heeft mij laten weten dat, nadat in juni 2018 meldingen bij de decaan van de faculteit der Rechtsgeleerdheid binnen kwamen, ze een onafhankelijk, in sociale veiligheid gespecialiseerd bureau hebben ingeschakeld om onderzoek te doen. Dit onderzoek heeft geleid tot het vertrek van de hoogleraar. Na dit vertrek is ondersteuning geboden aan de betreffende afdeling en is interim management aangesteld. De UvA heeft een extern bureau een quick scan uit laten voeren naar het systeem van vertrouwenspersonen. Het rapport met aanbevelingen van dit bureau en een door het bestuur opgesteld overzicht van de organisatie rondom sociale veiligheid binnen de UvA zijn begin 2019 met de centrale medezeggenschap besproken. Naar aanleiding daarvan is universiteitsbreed een aantal maatregelen in gang gezet, zoals de grotere aandacht voor sociale veiligheid en diversiteit in het programma Academisch Leiderschap. Met de Centrale Studentenraad is afgesproken dat er een brede enquête over sociale veiligheid wordt uitgezet onder studenten. Naar aanleiding van het opstellen van het «Kader Diversiteit» zal de UvA een onafhankelijke ombudsfunctionaris aanstellen. Met deze stappen heeft de UvA een beweging in gang gezet om de sociale veiligheid te vergroten zodat in de toekomst ontoelaatbaar gedrag tijdig wordt gesignaleerd en aangepakt. Zie verder mijn antwoord op vraag 9.
Is er inmiddels wel sprake van een functionerend systeem van vertrouwenspersonen opgezet?
Ja. De UvA had al een netwerk van 21 vertrouwenspersonen. Het onafhankelijke bureau dat de opdracht kreeg dit systeem door te lichten heeft geen grote knelpunten aangetroffen. Naar aanleiding van de aanbevelingen van dit bureau wordt onder andere een routekaart vertrouwenspersonen uitgewerkt om de toegankelijkheid te verbeteren. In aanvulling op de vertrouwenspersonen wordt een onafhankelijke ombudsfunctionaris aangesteld.
Hoe beoordeelt u de onderzoeksopzet naar de meldingen en signalen over seksueel overschrijdend gedrag waarbij «de persoon over wie de meldingen gaan, kan lezen wie wat over hem heeft gezegd»?
De UvA heeft mij laten weten dat de onderzoeksopzet de mogelijkheid bood om desgewenst anoniem te verklaren. Ik acht het van belang dat deze mogelijkheid bestaat in een onderzoek naar een gevoelige situatie als deze. Het is echter ook van belang dat de persoon waar onderzoek naar wordt gedaan de mogelijkheid krijgt om op de bevindingen te reageren. Ik begrijp dat het ingewikkeld is om aan beide belangen volledig tegemoet te komen. Uit de onderzoeksopzet van het bureau dat door de UvA is ingeschakeld blijkt dat beide doelen binnen het onderzoek konden worden verwezenlijkt. Of dat ook in voldoende mate is gebeurd, kan ik niet beoordelen.
Hoeveel verklaringen zijn er alsnog ingetrokken en hoeveel verklaringen zijn er anoniem gedaan?
Dat is mij niet bekend. De UvA kon mij deze informatie niet verstrekken in verband met de vertrouwelijkheid.
Welke acties heeft de UvA ondernomen nadat de ex-hoogleraar moest vertrekken omdat een onderzoekscommissie vorig jaar oktober concludeerde dat er «sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag» en er «gedurende een langere periode in de betrokken afdeling een gevoel van onveiligheid heeft geheerst»? Op welke manier blijkt dat de universiteit lering heeft getrokken uit het verleden?
De UvA heeft bij de betreffende afdeling na het ontvangen van het onderzoeksrapport interim management aangesteld en extra psychosociale hulp voor medewerkers beschikbaar gesteld. Binnen de rechtenfaculteit is daarnaast bijvoorbeeld met alle afdelingsleiders gesproken en er zijn trainingen op het gebied van sociale veiligheid georganiseerd. Op 29 maart jl. is aanvullend facultair beleid op het gebied van sociale veiligheid vastgesteld, met daarin aanscherpingen op het gebied van benoemingsprocedures van leidinggevenden, trainingen en een normenkader. Universiteitsbreed wordt onder andere gewerkt aan het versterken van het systeem van vertrouwenspersonen en er wordt naar aanleiding van het nieuwe «Kader Diversiteit» een onafhankelijke ombudsfunctionaris aangesteld.
Bent u bekend met het artikel «Van seksueel wangedrag tot sabotage van je onderzoek»?2 Deelt u de mening dat kennelijk niet alleen op de UvA dergelijke praktijken plaatsvinden?
Ja. Zoals het op 6 mei verschenen onderzoeksrapport «Harassment in Dutch academia» van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH) laat zien komen wangedrag en intimidatie in verschillende vormen voor binnen de gehele academie. De onderzoekers van dit rapport stellen tevens dat de cases die zijn geanalyseerd naar alle waarschijnlijkheid het topje van de ijsberg betreft, want de hiërarchische verhoudingen en afhankelijkheidsrelaties die gelden binnen de wetenschap vormen een voedingsbodem voor dit soort praktijken. Een sociaal veilige werkomgeving is in een situatie met dergelijke complexe machtsverhoudingen extra van belang. In huidige debatten rondom het herzien van het systeem van erkennen en waarderen van wetenschap komen dit soort aspecten aan bod en wordt er nagedacht over verandering – daar ben ik blij mee. Universiteiten en kennisinstellingen moeten continu aandacht houden voor het thema sociale veiligheid en de benodigde cultuurverandering teweeg brengen.
Op welke wijze dringt u er bij de UvA en andere universiteiten op aan dat zij verantwoordelijk zijn voor een veilige en stimulerende cultuur voor studenten en wetenschappers? Op welke wijze verwacht u dat zij daar invulling aan geven?
In de wetenschapsbrief heb ik al aangekondigd dat ik na het verschijnen van het rapport van het LNVH in overleg met het veld zou treden over de acties die ondernomen moeten worden. Ik ben blij te zien dat de rectoren van de universiteiten en het LNVH in goed overleg zijn over dit onderwerp en dat de VSNU zich in een statement heeft uitgesproken tegen dit soort praktijken. Ik zal samen met het LNVH en de VSNU bekijken welke stappen er verder genomen kunnen worden, zoals ik ook in het VAO wetenschapsbeleid van 5 juni jl. heb toegezegd aan de Kamer. Ik neem daarbij de aanbevelingen uit de rapporten, zoals het instellen van een ombudsfunctionaris, ter overweging mee. Daarnaast is het belangrijk dat de universiteiten vooral zelf kritisch naar hun bestaande procedures kijken. Enkele universiteiten zijn hier al mee aan de slag gegaan. We moeten ons realiseren dat we er met goed werkende procedures nog niet zijn. Er is een cultuurverandering nodig om tot een sociaal veilige en inclusieve academie te komen. Dit zal ook onderwerp van aandacht zijn tijdens de Europese Gender Summit die Nederland op 3 en 4 oktober organiseert. Op basis daarvan presenteer ik medio 2020 samen met de veldpartijen een nationaal actieplan op gebied van diversiteit in de wetenschap, waarin een veilige en inclusieve cultuur een van de elementen zal zijn.
De uitzending van BOOS over het feit dat mbo-studenten zakken op keuzedelen |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de de uitzending van BOOS over het feit dat mbo-studenten zakken op keuzedelen? Wat is uw reactie op deze uitzending?1
Ik ken de uitzending. De uitzending benadrukt wat mij betreft het belang van goede voorlichting aan en communicatie met mbo-studenten in het algemeen, en specifiek over het moment waarop de behaalde resultaten voor keuzedelen gaan meetellen voor het behalen van een mbo-diploma. Ik ben blij dat, mede door de interventie van BOOS, er een passende oplossing is gevonden voor de betreffende studenten.
Heeft u signalen ontvangen van andere mbo-instellingen of mbo-studenten over deze problematiek?
Nee, signalen over deze problematiek heb ik niet eerder ontvangen.
Is het waar dat je niet kan zakken op het cijfer, maar dat de mogelijkheid bestaat om geen cijfer te geven voor een keuzedeel waardoor de student alsnog zakt?
De introductie van keuzedelen heeft aanzienlijke impact op het mbo. Daarom is ervoor gekozen om de mbo-sector de ruimte te geven om ervaring op te doen met de keuzedelen, voordat het behaalde resultaat mee gaat tellen voor het behalen van het diploma. Om die reden geldt voor studenten die nu starten aan hun opleiding wel de verplichting om keuzedelen te volgen en hierin examen af te leggen, maar is de hoogte van het behaalde resultaat nog niet bepalend voor het behalen van het diploma. Voor studenten die starten met een mbo-opleiding vanaf het studiejaar 2020/2021 gaat de hoogte van de behaalde resultaten voor keuzedelen meetellen voor het behalen van het diploma.
Hoe het examen voor een keuzedeel eruitziet, bepaalt de mbo-school zelf. Dit kan een schriftelijk of mondeling examen zijn, maar ook via een portfolio met opdrachten, of een combinatie hiervan. Van tevoren moet de mbo-school aan de student duidelijk maken wat de student moet doen voor het examen. Als de student aan de betreffende voorwaarden voldoet, dan krijgt hij hiervoor een resultaat. Zoals hiervoor gezegd, is het alleen aanwezig zijn van dit resultaat op dit moment nog voldoende voor het behalen van het diploma.
Hoe gaat u voorkomen dat studenten in de toekomst kunnen zakken op keuzedelen zolang ze niet meetellen voor de slaag/zakregeling?
Zoals in het antwoord op vraag 3 weergegeven geldt voor studenten die nu een mbo-opleiding volgen dat ze niet het diploma kan worden ontzegd ten gevolge van de hoogte van het behaalde resultaat van de keuzedelen. Ik heb ook geen signalen dat dit ergens is gebeurd.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de regels met betrekking tot keuzedelen duidelijk naar studenten gecommuniceerd worden?
Vanaf de inwerkingtreding van de keuzedelen is ingezet op duidelijke communicatie hierover. Onder meer in mijn opdracht door de toenmalige regisseur herziening kwalificatiestructuur samen met het mbo veld, alsook via landelijk beschikbare websites zoals het Kennispunt MBO Onderwijs en Examinering (www.onderwijsenexaminering.nl) en van de Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs (www.jobmbo.nl). Het is een verantwoordelijkheid van mbo-instellingen zelf om hun studenten te informeren over voor hun relevante onderwerpen zoals de regels met betrekking tot examinering van keuzedelen.
De situatie op het Archimedes-instituut van de Hogeschool Utrecht |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De puzzel is soms erg complex bij Instituut Archimedes»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Is het waar dat de meerderheid van de (leraren)opleidingen bij het Instituut Archimedes onrendabel is door beperkte studenteninstroom? Is het naar uw mening wenselijk dat onderwijsinstellingen financieel nadeel hebben van het aanbieden van lerarenopleidingen in een tijd van lerarentekort?
De overheid bekostigt hogescholen en universiteiten en bekostigt niet per opleiding. Juist om hogescholen die een publieke taak hebben de ruimte te geven hun primaire opdracht – opleiden voor de brede verscheidenheid aan beroepen op de arbeidsmarkt – goed uit te voeren is de bekostiging van hogescholen zo ingericht dat colleges van bestuur zelf beleidsmatige keuzes kunnen maken bij de allocatie van de beschikbare middelen. Vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid bieden hogescholen zowel opleidingen aan die veel studenten trekken, als opleidingen die minder studenten trekken, maar wel opleiden voor maatschappelijk relevante beroepen zoals de lerarenopleidingen.
Zoals aangekondigd in mijn reactie op het Advies «Wissels om» van de Adviescommissie bekostiging hoger onderwijs en onderzoek zal ik een kostenonderzoek laten uitvoeren waarin ik ook aandacht zal hebben voor de kosten van kleine opleidingen, zorg- en lerarenopleidingen.
Klopt het volgens u dat het beëindigen van het «blended learning»-programma Maestro Kompas heeft geleid tot tekorten van het Instituut Archimedes? Zo ja, hoe valt dit te verklaren, aangezien dergelijke subsidies niet bedoeld zijn om de instituutsbegroting rond te krijgen? Hoeveel docenten zijn er opgeleid in het programma Maestro Kompas en hoeveel heeft dit project in totaal gekost?
Het college van bestuur meldt dat er geen verband is tussen het beëindigen van Maestro Kompas en tekorten bij het Instituut Archimedes. Er is wel een indirect negatief effect door het vervallen van het schaalvoordeel dat in de uitvoering van Maestro Kompas ten gunste kwam aan Instituut Archimedes. Het produceren van een «blended learning» omgeving in het kader van Maestro Kompas bracht als voordeel mee dat deze omgeving ook toegepast wordt in het Instituut Archimedes.
Het project Maestro Kompas liep van 2012 tot 2017, onder verantwoordelijkheid van de Open Universiteit. Met het project was een totaal subsidiebedrag van ruim 8 mln. gemoeid. Ongeveer 1,5 mln daarvan werd besteed aan de inzet van expertise vanuit de Hogeschool Utrecht. Het doel van Maestro Kompas was te komen tot een regionale opleidings- en professionaliseringsinfrastructuur voor Caribisch Nederland.
Met Maestro Kompas hebben alle docenten die op 10-10-2011 nog onbevoegd lesgaven op Caribisch Nederland de kans gekregen alsnog, om niet, hun bevoegdheid te halen. Daarvan is goed gebruik gemaakt. Ook zijn er onderwijsassistenten op Sint Eustatius geschoold tot bevoegd docent po, zijn grotere sommen geld voor de scholen beschikbaar gekomen om te professionaliseren en is een traject opgezet om te komen tot één gezamenlijke aanpak van het opleiden van leraren op de Cariben.
Is het waar dat het Instituut Archimedes meedoet met de pilot flexibilisering?2 Zo ja, kunt u duidelijk maken welke (deeltijd)opleidingen van het Instituut Archimedes vanaf welk moment meedoen aan deze pilot? Kunt u duidelijk maken of deze opleidingen voldoen aan de voorwaarden voor de pilot flexibilisering en daar ook vanaf het moment van deelname aan hebben voldaan?
Ja, deeltijdse lerarenopleidingen van Instituut Archimedes nemen inderdaad deel aan de pilot flexibilisering (het experiment leeruitkomsten). Het gaat om in totaal 14 opleidingen. De deeltijdse Tweedegraads lerarenopleidingen Wiskunde, Nederlands en Engelsen nemen sinds september 2017 deel. De deeltijdse Tweedegraads lerarenopleidingen Frans, Duits, Spaans, Omgangskunde, Gezondheidszorg, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Natuurkunde, Techniek, Scheikunde en Biologie nemen sinds 2018 deel aan het experiment.
De Hogeschool Utrecht heeft toestemming gekregen voor deelname aan het experiment leeruitkomsten met deze en andere opleidingen, op grond van een positief advies van NVAO en inspectie naar aanleiding van de door de Hogeschool Utrecht ingediende aanvraag voor deelname. Op grond van de uitgewerkte plannen was het oordeel dat voldaan werd aan de gestelde voorwaarden.
Met alle instellingen die deelnemen aan het experiment leeruitkomsten worden zogeheten «vinger-aan-de-pols-ontwikkelingsgesprekken» gevoerd door de projectgroep flexibilisering van OCW, NVAO en inspectie. Naar aanleiding van de gesprekken dit studiejaar met Hogeschool Utrecht zijn vragen gesteld over de implementatie van het flexibele onderwijsconcept op basis van leeruitkomsten bij de deeltijdse lerarenopleidingen. Dat heeft ertoe geleid dat aanvullende informatie is opgevraagd bij het Instituut Archimedes betreffende definitieve studiegidsen 2019–2020. Het proces voor instemming loopt op dit moment nog en zal voor 1 juli a.s. worden afgerond, wanneer de gemeenschappelijke opleidingscommissie vóór deze datum instemt.
Mede naar aanleiding van de «vinger-aan-de-pols-ontwikkelingsgesprekken» en de jaarcyclus heeft het college van bestuur in februari 2019 opdracht gegeven om een interne kwaliteitsaudit te laten plaatsvinden bij de flexibele deeltijd opleidingen van Instituut Archimedes over de inhoudelijke voortgang van deze opleidingen. De rapportage hierover is gepland in najaar 2019.
Is het waar dat de medezeggenschap binnen het Instituut Archimedes al verschillende malen geen instemming heeft verleend aan de organisatieplannen rondom de pilot flexibilisering? Is het waar dat deze zaak een van de redenen was voor het opzeggen van het vertrouwen van de medezeggenschap in de directie vorig jaar?
De Instituutsraad (IR) heeft in 2017 de beleidsnotitie «Gepersonaliseerd leren» goedgekeurd. In deze notitie ligt de basis voor de vernieuwing van de programma’s van de opleidingen. Vervolgens heeft de Instituutsraad gedurende twee achtereenvolgende jaren (2017–2018 en 2018–2019) niet ingestemd met de uitwerking van de beleidsnotitie. Inmiddels wordt in goed overleg met de Instituutsraad verder gewerkt aan de vernieuwing van de opleidingen.
Advisering over de uitwerking van de pilot flexibilisering is voorbehouden aan de Hogeschoolraad (HSR); de Instituutsraad heeft hier geen rol.
Conform de AMvB is de HSR in de gelegenheid gesteld over de inrichting van het experiment te adviseren. De HSR heeft op 28 oktober 2016 positief geadviseerd over de inrichting van het experiment.
Instemming op de studiegidsen – waarin de programma’s van de opleidingen worden vastgelegd – was belegd bij de Gemeenschappelijke opleidingscommissie. De Gemeenschappelijke Opleidingscommissie van Instituut Archimedes heeft ingestemd met de studiegidsen van afgelopen studiejaren, i.c. 2017–2018 en 2018–2019. De studiegids voor het studiejaar 2019–2020 ligt op dit moment ter instemming voor bij de Gemeenschappelijke opleidingscommissie van het instituut. Voor uiterlijk 1 juli 2019 wordt de Gemeenschappelijke opleidingscommissie geacht een oordeel over de studiegids te geven.
Op verzoek van de directeur van Instituut Archimedes heeft het college van bestuur een bemiddeling gedaan naar aanleiding van het niet instemmen door de Instituutsraad op de begroting 2019 en het managementplan 2019 van het instituut. In deze bemiddeling zijn afspraken gemaakt over begroting en managementplan die geleid hebben tot instemming door de Instituutsraad. Ook zijn er aanvullende afspraken gemaakt die erop gericht zijn om de basis van samenwerking te versterken. Het college van bestuur heeft mij verzekerd dat zij zich regelmatig laat informeren over de samenwerking door het voeren van gesprekken met direct betrokkenen.
Hoeveel middelen heeft het Instituut Archimedes tot nu toe in het kader van de pilot flexibilisering ontvangen? Zijn deze middelen besteed conform de voorwaarden van het ministerie?
De Hogeschool Utrecht heeft in 2017 in het kader van de tweede tranche van de subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen een subsidie toegekend gekregen van 2 mln. euro, voor de periode tot en met 2020. De totale projectbegroting bedraagt ruim 6,3 mln.; de Hogeschool investeert dus 4,3 mln. eigen middelen. In de jaren 2017 en 2018 is in totaal ruim 1,1 mln. euro aan subsidievoorschotten overgemaakt naar de Hogeschool Utrecht. Het college van bestuur geeft aan dat van dit bedrag in 2017 en 2018 in totaal € 350.000 naar het Instituut Archimedes is gegaan voor de ontwikkelactiviteiten bij de betreffende deeltijdse lerarenopleidingen.
De verantwoording loopt via de jaarrekening van Hogeschool Utrecht en wordt gecontroleerd door de accountant. Na afronding van de werkzaamheden in het kader van dit subsidieproject vindt in 2021 de subsidievaststelling plaats op basis van de eindverantwoording door de Hogeschool Utrecht. Op dat moment vindt ook een beoordeling door DUS-I (DUO) plaats of de middelen zijn besteed aan activiteiten die op grond van de regeling subsidiabel zijn.
Deelt u de mening dat het Instituut Archimedes als grootste docentenopleiding van Nederland (zo’n 3.500 studenten) een bijzondere waarde heeft, zeker in tijden van oplopende lerarentekorten? Deelt u de mening dat wanneer er zorgelijke signalen zijn, dit extra betrokkenheid van de Minister vraagt?
Ik ben het met u eens dat het Instituut Archimedes, net als de andere lerarenopleidingen, een belangrijke functie te vervullen hebben bij het tegengaan van het lerarentekort. Over de aanpak van de lerarentekorten trekken de Minister voor basis- en voortgezet onderwijs en media en ik intensief samen op. Dat doen we onder andere aan de bestuurlijke tafel lerarentekort waar vertegenwoordigers van scholen en lerarenopleidingen elkaar treffen. Verder voer ik afzonderlijk (periodiek) overleg met de Vereniging Hogescholen over de rol van de lerarenopleidingen bij het oplossen van de problemen op de onderwijsarbeidsmarkt en de vraag hoe ik de lerarenopleidingen daarbij kan ondersteunen.
Deelt u de mening dat het erop lijkt dat het Instituut Archimedes herhaaldelijk gebruikt maakt van tijdelijke projectsubsidies om structurele tekorten op te vangen en dat dit onwenselijk is?
Het college van bestuur van de Hogeschool Utrecht heeft mij verzekerd dat instituten binnen de instelling, inclusief Instituut Archimedes, bekostiging ontvangen gebaseerd op studentenaantallen en de opdracht het onderwijs naar behoren uit te voeren binnen deze bekostiging.
Instituut Archimedes heeft de afgelopen jaren daarnaast actief andere financieringsbronnen ingezet – deels door middel van daartoe verkregen subsidies, en door middel van inkomsten uit contractonderwijs – om kwaliteitsverbeteringen en innovatie te realiseren. De daarmee gepaard gaande schaal- en efficiency voordelen zijn het indirecte gevolg van deze projecten; het stelt Instituut Archimedes in staat om te innoveren en te verbeteren tegen lagere kosten.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het bestuur van de Hogeschool Utrecht over de situatie op het Instituut Archimedes, zowel waar het gaat om eventuele bekostigingsproblemen als de moeizame verhoudingen tussen het instituutsbestuur en de medezeggenschap?
Wanneer daar aanleiding toe is ben ik te allen tijde bereid in gesprek te gaan met de Hogeschool Utrecht.
Naar aanleiding van deze schriftelijke vragen heb ik reeds contact opgenomen met de voorzitter van het college van bestuur.
Bent u bereid om met specifieke maatregelen te komen voor het probleem van kleine docentenopleidingen die een relatief hoge maatschappelijke waarde hebben maar door hun beperkte omvang voor onderwijsinstellingen niet rendabel zijn?
Zoals gemeld in mijn antwoord op vraag 7 ben ik op regelmatige basis in gesprek met lerarenopleidingen en/of hun vertegenwoordigers over de aanpak van het lerarentekort en over de vraag wat de opleidingen nodig hebben hun rol daarbij goed te vervullen. Ook zal ik, zoals vermeld in mijn antwoord op vraag 2, in het kostenonderzoek als vervolg op het advies van de commissie Van Rijn in het bijzonder aandacht hebben voor de kosten van kleine opleidingen, zorg- en lerarenopleidingen.