Herinnert u zich de motie van het lid Omtzigt c.s. over het organiseren van een wereldconferentie van democratieën in Den Haag?1
Ja.
Bent u het met de Amerikaanse president-elect eens dat het van groot belang is dat de leiders van democratieën bij elkaar komen om gezamenlijk een antwoord te formuleren op het oprukkende autoritarisme en de democratische rechtsstaat nieuw leven in te blazen?
Het kabinet steunt het voornemen van President-elect Biden om een Summit for Democracy te organiseren. Uw Kamer is daarover reeds geïnformeerd in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 7 december 2020 (Kamerstuk 21501–02, nr. 2250).
Bent u het ermee eens dat Den Haag, als internationale stad van vrede en recht, een symbolisch zeer geschikte locatie is voor het houden van een conferentie van democratische landen?
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de tot nu toe geleverde inspanningen om de wereldconferentie van democratieën naar Nederland te halen?
Uw Kamer is reeds geïnformeerd over het feit dat er niet of nauwelijks mogelijkheden zijn voor beleidsinhoudelijke contacten met de inkomende administratie voor de inauguratie. Er is daarom tot op heden nog geen mogelijkheid geweest om met de inkomende Biden-administratie te spreken over de aangekondigde Summit for Democracy. Na de inauguratie zal er contact gezocht worden met de administratie, o.a. via de Nederlandse ambassade, om meer te weten te komen over dit initiatief, hiervoor Nederlandse steun uit te spreken en ook te spreken over het mogelijk organiseren van deze Top in Den Haag.
Heeft u inmiddels contact gehad met de inkomende Biden-administratie over het Nederlandse aanbod om de wereldconferentie van democratieën in Den Haag te organiseren? Zo ja, wat was de reactie? Zo nee, kunt u dit aanbod zo spoedig mogelijk onder de aandacht brengen van de nieuwe Amerikaanse regering?
Zie antwoord op vraag 4.
Heeft u de Nederlandse ambassadeur in de Verenigde Staten de opdracht gegeven om het Nederlandse aanbod actief onder de aandacht te brengen van de nieuwe Amerikaanse regering? Zo nee, kunt u dit zo spoedig mogelijk doen?
Zie antwoord op vraag 4.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
Ja.
De berichtgeving ‘Ombudsman: vergoeding voor invalide veteranen moet sneller’ |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() |
Hoe beoordeelt u de berichtgeving «Ombudsman: vergoeding voor invalide veteranen moet sneller»?1
De Veteranenombudsman heeft een degelijk onderzoek uitgevoerd en daarbij alle partijen die een rol hebben in het proces van de afhandeling van letselschadeclaims betrokken. Op 3 september 2020 heeft hij een rondetafelconferentie georganiseerd waarvoor ook vertegenwoordigers van Defensie waren uitgenodigd. Ik heb met veel belangstelling kennis genomen van het rapport en ik ben blij met de suggesties voor verbetering van de zorg voor veteranen en voor het verkorten van de doorlooptijden van schadeprocedures. Zoals gebruikelijk krijgt de Veteranenombudsman binnen drie maanden een inhoudelijke reactie.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van de veteranenombudsman naar de duur van de schadeprocedures na klachten van tientallen veteranen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting van de veteranenombudsman dat in totaal honderden veteranen te maken hebben met een te trage afhandeling van aanvragen voor militair invaliditeitspensioen en aanvullende schadevergoeding, hetgeen tot veel stress en onzekerheid bij veteranen leidt, alsmede «schrijnende en onverteerbare situaties»?
Ik herken de klacht dat veteranen het in het algemeen lang vinden duren voordat hun letselschade is afgewikkeld. Ik realiseer mij ook dat een lang proces tot spanning en onzekerheid kan leiden bij veteranen. Toch komt het slechts incidenteel voor dat de afhandelingsduur van een letselschadeclaim leidt tot een klacht of bemiddelingsverzoek bij de Veteranenombudsman. In een groot deel van de zaken is sprake van goed contact tussen veteranen en hun belangenbehartigers enerzijds en de letselschadejuristen van Defensie anderzijds en worden claims in goed overleg afgehandeld.
Deelt u de opvatting van de veteranenombudsman dat een veteraan die invalide raakt binnen twee jaar schadevergoeding moet krijgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Defensie een aanvraag voor een schadevergoeding voortaan binnen twee jaar afhandelt? 5. Wat vindt u van de mogelijke oplossingen die in het rapport van de veteranenombudsman genoemd staan, zoals:
Het vergoeden van letselschade is een essentieel onderdeel van het veteranenzorgsysteem en betreft een vorm van erkenning en waardering voor veteranen. Defensie streeft altijd naar een snelle en volledige afwikkeling van de claims. De zorgvuldige afwikkeling van een claim is echter een complex proces, dat ook bij een voortvarende aanpak de nodige tijd in beslag neemt. Ik ben mij ervan bewust dat de afhandelingsduur als te lang wordt ervaren. Naast dat Defensie al bezig is met verbeteringen van het proces en een evaluatie van de Regeling Volledige Schadevergoeding uit laat voeren door de Audit Dienst Rijk, ben ik blij met het rapport van het onderzoek dat de Veteranenombudsman heeft gedaan. Defensie streeft er naar – samen met betrokken partijen – de schadevergoeding binnen twee jaar af te handelen.
Bent u bereid over te gaan tot digitalisering van medische dossiers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, binnen welke termijn? Kunnen tot die tijd artsen niet met elkaar bellen over reeds gedane keuringen?
Ik sta positief tegenover de aanbevelingen die de Veteranenombudsman noemt. Zoals ik u heb gemeld in de Veteranennota 2019 – 2020 (Kamerstuk 30 139, nr. 234) werkt Defensie aan de herziening van het uitkeringen en voorzieningenstelsel voor veteranen. In de beoogde herziening zijn ook deze elementen terug te vinden zoals het beperken van het aantal medische keuringen, een centrale rol voor de zorgcoördinator in het hele proces en goede ondersteuning van het proces door een verbeterde bedrijfsvoering en informatievoorziening.
Is de pilot met drie advocatenkantoren wel genoeg? Kan niet direct bij alle zaken toenadering gezocht worden door Defensie, om de verharding in de juridische procedures te doorbreken?
Ik sta positief tegenover digitalisering van medische dossiers. Het digitaliseren van de bestaande medische dossiers is evenwel tijdrovend, kostbaar en levert beperkte tijdswinst op. Daarbij is de complicatie dat sprake is van meerdere partijen (Defensie, ABP, UWV) die op dit moment elk hun eigen systeem kennen, al dan niet digitaal. Ik ga de aanbeveling van de Veteranenombudsman grondig bezien op de mogelijkheden die daadwerkelijk bijdragen aan tijdswinst in het proces.
De collegiale afstemming tussen (keurings-)artsen vindt momenteel al plaats. Maar waar het gaat om keuringen door verzekeringsartsen is zorgvuldigheid en nauwkeurigheid geboden, waardoor mondelinge afstemming niet altijd mogelijk is.
Herkent u zich in de kritiek van de veteranenombudsman dat tempo nogal eens ontbreekt bij de omgang van Defensie met veteranen? Waarom moet er al jaren worden gewacht op de toegezegde verbeteringen van het militair (invaliditeits-)pensioen, de klachtenafhandeling en de regeling voor militairen met PTSS? Waarom ontbreekt het kennelijk vaak aan een goede uitvoering? Wat bent u bereid hieraan te doen en binnen welke termijn?
De drie advocatenkantoren waarmee de pilot loopt, zijn de juridisch belangenbehartigers van het overgrote deel (tussen de 75 en 80 procent) van de veteranen die een claim bij Defensie hebben lopen. Het is een proef om te kijken wat werkt om daarna de afspraken te bestendigen. Om die reden is het aantal partijen in eerste aanleg beperkt tot deze drie hoofdpartijen.
Naast dit proefproject streeft Defensie er in alle zaken naar om pro-actiever, duidelijker en transparanter op te treden richting de veteranen en hun belangenbehartigers. Dat is er juist op gericht om verharding te voorkomen of te doorbreken. Het doel hiervan is om in alle zaken de doorlooptijden te verkorten en om het schaderegelingsproces beter te laten aansluiten bij het rechtvaardigheidsgevoel van de veteraan.
Bent u bereid het rapport van de veteranenombudsman en uw reactie daarop naar de Kamer te sturen?
Ik herken me in de kritiek van de Veteranenombudsman waar het gaat om de wachttijden voor medische keuringen en in de afhandelingsduur van schadeclaims. In de veteranennota 2019 -2020 heb ik daarover gerapporteerd. Ik herken me niet in de opmerking dat het vaak ontbreekt aan een goede uitvoering. Er wordt bij voortduring gewerkt aan verbeteringen van de zorg voor veteranen. Voor wat betreft de afhandeling van verzoeken om een schadevergoeding is de capaciteit hiervoor sinds 2015 bijna verdubbeld en ondersteunt de Landsadvocaat waar nodig. Verder is onlangs het Nederlands Veteraneninstituut tot stand gekomen als resultaat van de samenvoeging van zes veteranenorganisaties. Doordat expertise van de keten van zorg nu in een centrale organisatie is ondergebracht, kan beter afgestemd, geïntegreerd en meer doelgerichte zorg worden geleverd. Een centrale organisatie maakt het overzichtelijk voor de veteranen. Het Veteranenloket blijft bestaan en is effectiever en flexibeler ingericht (Kamerstuk 30 139 nr. 240 van 13 januari jl.). En zoals hierboven aangegeven, werkt Defensie aan de herziening van het uitkeringen en voorzieningenstelsel voor veteranen.
De Ranglijst Christenvervolging 2021 van Open Doors |
|
Martijn van Helvert (CDA), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Hebt u kennisgenomen van de Ranglijst Christenvervolging 2021?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding van Open Doors dat vervolging van christenen intensiveert, dat nu alle 50 landen van de Ranglijst vallen in de categorieën «zeer zware» of «extreme» vervolging, en dat dit in totaal gaat over 309 miljoen christenen?
De door Open Doors gesignaleerde trends, zoals de toenemende vervolging van christenen en het toenemend geweld, zijn zeer zorgelijk. Het is onacceptabel dat personen worden vervolgd omwille van hun religie of levensovertuiging.
Open Doors erkent dat het moeilijk is resultaten te generaliseren en landen met elkaar te vergelijken. Open Doors is transparant in de methode die is gebruikt. Het gaat om een combinatie van kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Omdat de methodiek regelmatig wordt aangepast, zijn ook de jaarlijkse cijfers moeilijk te vergelijken
Hoe beoordeelt u dat volgens Open Doors in 2020 (meetperiode 1 oktober 2019–30 september 2020) ruim 4.700 christenen vanwege hun geloofsovertuiging zijn vermoord, 4.488 kerken en christelijke gebouwen (zoals scholen, ziekenhuizen en begraafplaatsen) werden aangevallen, 4.277 christenen zonder vorm van proces gearresteerd, veroordeeld of gevangengezet werden, en dat ruim 1.700 christenen gekidnapt werden?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u de negatieve invloed van de COVID-19-pandemie op de positie van religieuze minderheden, waaronder christenen, en wat doet u hieraan?
Voor velen heeft de pandemie de risico’s in hun soms toch al kwetsbare bestaan vergroot. Zo is de positie van minderheden, waaronder religieuze, verder onder druk komen te staan door COVID-19. Religieuze groepen en geloofsgemeenschappen blijken onevenredig hard getroffen door de crisis. De oorzaken daarvan zijn niet alleen religieus van oorsprong, maar hangen ook sterk samen met de achtergestelde sociaaleconomische positie waarin sommige religieuze minderheidsgroeperingen zich – onafhankelijk van de coronacrisis – bevinden. Nederland houdt, net als andere landen en VN actoren waaronder Speciaal Rapporteur Ahmed Shaheed, de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en roept samen met gelijkgezinde landen op tot het waarborgen van de vrijheid van religie en levensovertuiging en de gelijke behandeling van religieuze minderheden. Daarnaast levert Nederland noodhulp en juridische bijstand (zie Kamerstuk 32 735, nr. 307).
Hoe verhouden de talloze voorbeelden van uitsluiting of discriminatie bij de uitdeling van (voedsel)hulp in met name Aziatische en Afrikaanse landen en van het aanwijzen van christenen als schuldigen van de pandemie, zich tot de vier «quick scans» die u begin oktober presenteerde? Zijn er reeds concrete resultaten te benoemen op basis van de daarin opgenomen aanbevelingen?
De quick scan signaleert dat religieuze minderheden als gevolg van de pandemie te maken hebben met discriminatie en stigmatisering, waarbij religieuze groepen worden aangewezen als de veroorzakers van (de verspreiding van) het virus. Dit is een trend die we ook terug zien in andere landen.
Na toezending van de quick scan heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op 16 december jl. met zijn Pakistaanse ambtgenoot gesproken en zijn zorgen over de vrijheid van religie en levensovertuiging en bescherming van religieuze minderheden overgebracht. Ook tijdens de hoog ambtelijke politieke consultaties op 8 december jl. heeft Nederland hiervoor aandacht gevraagd.
De Pakistaanse overheid ondersteunt de arme delen van de bevolking door het Ehsaas-programma. Tijdens de COVID-19-pandemie is dit programma sterk uitgebreid. Bijna 15 miljoen mensen ontvingen een financiële bijdrage met een totaalwaarde van $ 112 miljoen. Ook religieuze minderheden, waaronder christenen, komen voor deze financiële steun in aanmerking. De ambassade heeft onder andere een project van het Center for Social Justice (CSJ) gesteund, waardoor de toegang van religieuze minderheden tot sociale voorzieningen van overheidsinstanties is verbeterd.
Daarnaast is door de Nederlandse ambassade in India een project gestart gericht op het aanpakken van de wortels van nepnieuws. Moslims lijken daar met name de dupe van te zijn. Nederland hoopt hiermee de intercommunale spanningen te verminderen die als gevolg van de pandemie verder kunnen oplopen.
Ook in andere landen, waaronder Iran, blijft Nederland zich onverminderd inspannen om de vrijheid van religie en levensovertuiging en de positie van religieuze minderheden wereldwijd te bevorderen.
Deelt u de opvatting dat er de laatste jaren sprake is van een verwoestende toename van geweld door islamitische extremistische groepen zoals Boko Haram, ISWAP, ADF en Anwar al-Sunna tegen christenen in landen in de sub-Sahara Afrika regio zoals Nigeria, Mozambique en de Democratische Republiek Congo (DRC)?
Het kabinet constateert dat het geweld door islamitische extremistische groeperingen in gebieden in sub-Sahara Afrika (o.a. in het gebied rondom het Tsjaadmeer en in Mozambique) toeneemt. Ook het geweld van ADF en andere gewapende groepen in de Democratische Republiek Congo intensiveert. Daarmee neemt ook geweld toe tegen burgers, waaronder christenen.
Welke mogelijkheden ziet u bilateraal en in Europees en internationaal verband voor het nemen van (verdere) initiatieven om dit geweld uit te bannen?
Nederland stelt deze trend in Europees en internationaal verband aan de orde en zet zich, waar mogelijk met internationale partners, in om deze ontwikkelingen tegen te gaan. Zo steunt Nederland, in de regio rondom het Tsjaadmeer, onder meer via UNDP de regionale stabilisatie strategie van de vier Tsjaadmeerlanden. Ook draagt Nederland bij aan psychosociale steun aan slachtoffers van extremistisch geweld.
Herkent u een voortgaande verslechtering van de situatie in Nigeria, waar vorig jaar 3.530 christenen werden vermoord vanwege hun geloofsovertuiging en niet hoofdzakelijk om sociaaleconomische redenen, zoals u aangaf in antwoord op eerdere schriftelijke vragen?2
Extremistische groeperingen als Boko Haram en ISWAP nemen in Nigeria weer aan kracht toe en daarmee ook het aantal aanslagen en slachtoffers. Groepen zoals Boko Haram en ISWAP richten hun geweld tegen burgers met verschillende achtergronden, waaronder christenen en moslims.
In centrale delen van Nigeria, eisen de conflicten tussen boeren en herders maar ook banditisme en extreem crimineel geweld vele slachtoffers. Herders en boeren, maar ook slachtoffers en belagers, zijn van allerlei etnische en religieuze achtergronden en het conflict tussen boeren en herders is niet primair van religieuze aard. Mede door de complexiteit van deze conflicten zijn geen eenduidige cijfers van de religieuze achtergrond van slachtoffers in centraal Nigeria aanwezig. Duidelijk is wel dat ook veel christenen slachtoffer zijn van het geweld en dat gemoederen steeds meer verhit raken. Nigeriaanse autoriteiten treden in algemene zin onvoldoende op om geweld aan te pakken.
Onderschrijft u dat de Nigeriaanse overheid onvoldoende bij machte is om haar burgers te beschermen tegen deze aanvallen en dat de overheid het laat gebeuren dat het noorden van het land verder islamiseert? Bent u bereid hierover rechtstreeks in gesprek te gaan met de Nigeriaanse overheid?
De Nigeriaanse overheid is inderdaad onvoldoende in staat om haar eigen burgers te beschermen. Het land heeft te maken met een toenemend aantal vaak zeer gewelddadige conflicten en heeft onvoldoende politie en militaire capaciteit om de veiligheid in het hele land te garanderen. Hierdoor zijn autoriteiten niet in staat om extremistische groeperingen, zoals ISWAP, te verslaan. Daarnaast is er sprake van straffeloosheid. Er wordt niet of nauwelijks opgetreden tegen criminelen en daders van geweld.
Dit zijn onderwerpen die regelmatig worden opgebracht in gesprekken met Nigeriaanse ambtsgenoten. Zo heeft de Minister van Buitenlandse Zaken tijdens zijn laatste bilaterale gesprek met Minister van Buitenlandse Zaken Onyeama zijn zorgen geuit over het geweld tussen groepen, waarbij geweld tegen christenen expliciet is genoemd. Ook steunt Nederland projecten om stabiliteit te bevorderen en straffeloosheid tegen te gaan.
Volgens Open Doors zijn er sterke argumenten dat Boko Haram en ISWAP zich schuldig maken aan misdaden tegen de menselijkheid en aan genocide; bent u bereid in VN-verband het initiatief te nemen tot een nader internationaal onderzoek?
Boko Haram en ISWAP maken zich inderdaad schuldig aan ernstige misdrijven door terroristische aanvallen tegen de burgerbevolking. Dit heeft in de afgelopen jaren een van de grootste humanitaire rampen ter wereld voortgebracht.
De aanklager van het Internationaal Strafhof heeft afgelopen december toestemming aan de rechters van het Strafhof gevraagd om een officieel onderzoek te starten naar de situatie in Nigeria. De aanklager noemde de gewelddadigheden in Nigeria, waaronder oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid (het overgrote deel gepleegd door Boko Haram, maar ook door Nigeriaanse autoriteiten) van ongekende schaal. De aanklager gaf aan dat hoewel Nigeria wel de wil heeft laten zien om zelf te vervolgen, hier onvoldoende van terecht was gekomen. De Nigeriaanse president onderstreepte tijdens een debat van de Algemene Vergadering van Verdragspartijen dat Nigeria met de aanklager zal blijven samenwerken.
Gelet op het feit dat het Internationaal Strafhof jurisdictie heeft over Nigeria, is een nader internationaal onderzoek niet van toegevoegde waarde.
Herkent u een verdere toename van de inzet van digitale controlemiddelen zoals camera’s, apps en online monitoring – soms onder de noemer van coronabestrijding – in met name China om de bevolking en in het bijzonder minderheden als christenen en moslims in de gaten te houden, onder druk te zetten en buiten te sluiten?
Door middel van het gebruik van big data, camera’s met gezichtsherkenning en gedwongen installatie van apps verzamelt China veel informatie over haar bevolking. Surveillance vindt onder meer plaats door middel van camera’s met gezichtsherkenning, verplichte installatie van apps om de inhoud van telefoons te kunnen monitoren en de afname van DNA, vingerafdrukken en irisscans van personen tussen 12 en 65 jaar oud. Minderheden zoals de Oeigoeren in de provincie Xinjiang, Tibetanen en Christenen ervaren ook surveillance in de vorm van camera’s in of rond moskeeën, tempels en kerken. Bovendien zijn er signalen dat gezichtsherkenningssoftware wordt getest die etnische kenmerken registreert.
Spant u zich ervoor in dat dit niet gebeurt met (behulp van) technologie afkomstig van bedrijven uit Nederland en andere Europese landen? Kunt u een overzicht geven van de huidige (export)regels op dit vlak, en vergen deze regels nadere aanscherping?
De juridische basis voor het EU exportcontrolebeleid voor dual-use goederen is de EU Dual Use Verordening. Controle vindt plaats op basis van een lijst van dual-use goederen die in deze EU-verordening is bijgevoegd. Deze controlelijst wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van internationale afspraken in exportcontroleregimes over te controleren goederen en technologie. Nederlandse bedrijven zijn verplicht een exportvergunning aan te vragen als zij goederen of technologie op deze EU-controlelijst willen exporteren buiten de EU. Voor een overzicht van gecontroleerde cybersurveillance-items wordt verwezen naar de brief aan uw Kamer van 16 juli 2020 (Kamerstuk 32 735, nr. 309). In het geval van vergunningplichtige dual-use goederen, wijst de Nederlandse regering een vergunning af indien het risico bestaat dat de goederen bijdragen aan mensenrechtenschendingen. Ook eist het kabinet voor bepaalde vergunningen een internal compliance program. Hierin moet expliciet beschreven staan welke inspanningen een bedrijf onderneemt om risico’s op mensenrechtenschendingen te minimaliseren.
Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van cybersurveillancetechnologie laat het kabinet momenteel een onderzoek uitvoeren naar de aard en toepassingen van dit soort technologieën. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek zal worden bezien wat de mogelijkheden zijn om deze via vast te stellen parameters onder exportcontrole te kunnen brengen. Dit betreft ook onderzoek naar nieuwe technologieën zoals gezichtsherkenningssoftware. De resultaten worden – onder voorbehoud dat de situatie omtrent COVID-19 geen verdere vertraging oplevert – in juni verwacht.
Inzet van Nederlandse technologie voor het onderdrukken van bevolkingsgroepen of het schenden van mensenrechten acht het kabinet in alle gevallen onwenselijk. Nederlandse bedrijven die inspelen op de vraag naar geavanceerde technologie dienen zich te allen tijde rekenschap te geven van mogelijke ongewenste toepassingen van geleverde producten door afnemers. Het kabinet verwacht van bedrijven dat zij gepaste zorgvuldigheid (due diligence) toepassen in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, hierbij behoren bedrijven na te gaan of de afnemers een aandeel hebben in de totstandkoming van surveillancesystemen die de vrijheid van burgers beperkt. Ook zet het kabinet in op een verplichting voor bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in lijn met de internationale richtlijnen, bij voorkeur op Europees niveau.
Ziet u ook mogelijkheden om op te treden tegen de toenemende sinificatie («verchinezing») van religies zoals het christendom en de islam en de staatsbemoeienis met geloofsuitingen in China? Beaamt u dat ook dit fundamenteel indruist tegen internationaalrechtelijke principes op het vlak van godsdienstvrijheid? Wilt u hiertegen protest aantekenen in uw diplomatieke contacten met het land?
In China bepaalt de overheid welke vormen van religie zijn toegestaan en welke niet. De Chinese overheid erkent vijf religieuze stromingen (protestantisme, katholicisme, boeddhisme, taoïsme en de islam) die elk onder toezicht staan van een door de overheid gecontroleerde Patriotic Religious Association. Deze beperkingen laten geen ruimte voor andere stromingen of mogelijke nieuwe afsplitsingen. De vrijheid van religie en levensovertuiging is in de afgelopen jaren verder afgenomen, waarbij er vanuit de overheid inderdaad sterk wordt ingezet op de «sinificatie» van religie in China.
Het kabinet ziet deze ontwikkelingen in China als zeer zorgwekkend en stelt de mensenrechten consequent bilateraal en multilateraal (o.a. via de EU) bij de Chinese autoriteiten aan de orde. Daarbij gaat bijzondere aandacht uit naar vrijheid van religie en levensovertuiging. Ook de ambassade in Peking geeft extra aandacht aan dit onderwerp, onder meer door het identificeren en steunen van projecten via het gedelegeerde Mensenrechtenfonds. Verder hoopt het kabinet dat zodra de reisbeperkingen vanwege COVID-19 worden opgeheven een bezoek van zowel de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging als de Mensenrechtenambassadeur aan China op korte termijn mogelijk is.
In hoeverre bent u van mening dat het EU-China Investeringsakkoord (CAI) rekening houdt met de ernstige mensenrechtenschendingen in het land? Deelt u de mening van een groep China-experts dat de EU, mede in het licht van bovenstaande vraagstukken, geen haast zou moeten maken met het sluiten van dit akkoord?3
Het investeringsverdrag is in eerste instantie bedoeld om de toegang van Europese ondernemers op de Chinese markt te verbeteren en het gelijk speelveld tussen de EU en China voor investeerders te versterken. Investeringen vinden natuurlijk niet in een vacuüm plaats en daarom heeft de EU en NL in het bijzonder steeds ook aangedrongen op stevige afspraken over onder andere arbeidsrechten in het akkoord. Tegelijkertijd kan en zal een EU-China investeringsakkoord niet het antwoord op alle problemen zijn. Daarvoor zullen we ook andere instrumenten moeten ontwikkelen en inzetten.
Herkent u een groeiend nationalisme op basis van religieuze identiteit in landen als Turkije en India met verstrekkende gevolgen voor religieuze minderheden zoals christenen? Bent u bereid om de ontwrichtende rol die Turkije vaak speelt in de regio, waaronder Nagorno-Karabach, Noord-Irak, Syrië en Libië, te benoemen en waar mogelijk actie te ondernemen?
De Europese Commissie constateert in haar laatste landenrapport over Turkije (2020) dat vrijheid van religie en levensovertuiging in het algemeen wordt gerespecteerd in Turkije, maar wijst op specifieke problemen en incidenten. Als voorbeelden noemt de Commissie de moord op een buitenlandse protestantse pastor in november 2019, de uitzetting van enkele tientallen protestanten uit Turkije, langlopende claims rondom de teruggave van land aan de Syrisch-Orthodoxe gemeenschap en het ontbreken van een rechtspersoonlijke titel voor bepaalde religieuze gemeenschappen. Nederland onderschrijft deze conclusies en de suggestie om de aanbevelingen van de Venetië-Commissie aan Turkije uit 2010 ten aanzien van religieuze minderheden uit te voeren. Het rapport van Open Doors verschaft daartoe aanvullende informatie.
Waar nodig stelt Nederland zorgen over Turks optreden in de regio in bilateraal en multilateraal verband aan de orde. Zo heeft Nederland bijvoorbeeld in EU-verband gepleit voor een moratorium op het leveren van wapens aan Turkije die kunnen worden ingezet in Nagorno-Karabach, Syrië, of Libië.
Met betrekking tot India kan gesteld worden dat sinds het aantreden van de BJP partij van Premier Modi in 2014 het hindoe nationalisme is toegenomen. Verder zijn de breuklijnen tussen de grootste religieuze gemeenschappen die in de aanloop naar de COVID-19 crisis al bestonden, sindsdien verder verdiept. Andere bronnen dan het Open Doors rapport bevestigen geweldsincidenten gericht tegen christelijke gemeenschappen en ook vormen van sociale uitsluiting, bijvoorbeeld waarbij christenen vanwege hun geloof uit dorpsgemeenschappen werden verjaagd. Het aantal geweldsincidenten gericht tegen moslims (vaak ook met dodelijke afloop) ligt hoger, maar hierover worden geen exacte gegevens bijgehouden.
Welke mogelijkheden ziet u om de aanhoudende aanvallen van Hindoe-extremisten tegen christenen in India en de bijbehorende straffeloosheid aan de orde te stellen?
Nederland spant zich bilateraal in om de vrijheid van religie en levensovertuiging te bevorderen. Zo steunt de Nederlandse ambassade Indiase organisaties die zich inzetten voor dit mensenrecht onder andere door het bevorderen van de interreligieuze dialoog.
Daarnaast zullen de inbreuken op de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging aan de orde worden gesteld in het kader van de EU-India Mensenrechtendialoog. Deze was voorzien voor januari 2021, momenteel wordt naar een alternatieve datum gezocht. Het hervatten van deze dialoog is overeengekomen tijdens de EU-India top in juli 2020.
Helaas kon het voorgenomen bezoek van de Speciale Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging in 2020 vanwege de COVID-pandemie vooralsnog geen doorgang vinden.
Verder zal in 2022 in het kader van de VN-Mensenrechtenraad de Universal Periodic Review (UPR) van India plaatsvinden, waarbij de mensenrechtensituatie in India in VN-Mensenrechtenraadverband wordt beoordeeld. Nederland zal zich ervoor inzetten dat de vrijheid van religie en levensovertuiging in het kader van deze UPR aan de orde wordt gesteld.
Welke mogelijkheden ziet u, ook in het licht van de motie-Stoffer/Voordewind (Kamerstuk 35 000 XVII, nr. 49) voor het versterken en stimuleren van de rechtsorde en het tegengaan van straffeloosheid van onder andere criminele organisaties in Midden- en Latijns-Amerika?
Het versterken en stimuleren van de internationale rechtsorde is een belangrijke doelstelling in zowel de beleidsnota Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) als in de Geïntegreerde Buitenland- en Veiligheidsstrategie (GBVS). Het tegengaan van straffeloosheid en het vergroten van accountability vormen hiervan belangrijke aspecten die actief worden uitgedragen en ondersteund via de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen. Daarnaast vraagt Nederland, via bilaterale en multilaterale kanalen en in EU-verband, aandacht voor het versterken van de rechtsorde en het tegengaan van straffeloosheid. Graag verwijs ik naar de Kamerbrief d.d. 10-08-2020 met «Voorbeelden van de dagelijkse inzet van Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen op de bevordering en versterking van de rechtsstaat». (Kamerstuk 33 734, nr. 49)
Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in Latijns-Amerika zetten middels verschillende programma’s in op versterking van de rechtsorde en het tegengaan van straffeloosheid. Zo wordt in Colombia, via het International Center for Transitional Justice, het Speciale Vredestribunaal ondersteund waar onder andere rechtszaken tegen voormalig FARC-strijders worden voorbereid. In Guatemala en Colombia werkt het Netherlands Institute for Multiparty Democracy aan het versterken van de rechtsorde middels haar Power of Dialogue Consortium. Tevens wordt in de regio via het mensenrechtenfonds ingezet op de ondersteuning van organisaties en activisten die zich bezig houden met het aankaarten van misstanden.
Wat kunt u doen om de dubbele kwetsbaarheid van meisjes en vrouwen uit religieuze minderheden, waaronder christenen, te adresseren? Waar ziet u mogelijkheden om te waarborgen dat meisjes en vrouwen gelijk worden gezien volgens de wet en dat geweld tegen hen, zoals verkrachting, ontvoering en gedwongen huwelijken, niet ongestraft blijft?
In de eerste plaats door zowel de gelijke rechten voor vrouwen en meisjes als vrijheid van religie en levensovertuiging – afzonderlijk en in samenhang – te blijven onderstrepen. Dit gebeurt onder meer door samen met gelijkgezinden in de International Religious Freedom and Belief Alliance (IRFBA) initiatieven te ontplooien op het snijvlak van vrijheid van religie en levensovertuiging en gender. Maar ook bij gelegenheid in de Mensenrechtenraad middels aanbevelingen in de Universal Periodic Review. Daarnaast worden dergelijke kwesties waar nodig opgebracht in politieke consultaties. Zo kaartte de Minister van Buitenlandse Zaken gedwongen bekeringen en huwelijken recentelijk aan in een gesprek met zijn Pakistaanse ambtsgenoot.
Tevens zet het kabinet zich in voor de verbetering van de (maatschappelijke) positie van vrouwen en meisjes. Voor Nederland is het van belang de positie van vrouwen zodanig te versterken dat zij ook zelf in staat zijn hun gelijkheid voor de wet af te dwingen. Zo stelt Nederland zich ten doel deelname van vrouwen aan (politieke, maar ook religieuze) besluitvorming en vrouwelijk leiderschap te vergroten. Dit is een standaardonderdeel van het optreden van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en maakt deel uit van de programma’s Versterking Maatschappelijk Middenveld.
Bij de inzet voor gelijke toegang tot recht, zonder discriminatie, hoort ook de aanpak van straffeloosheid zodat daders van geweld vervolgd worden. Hierbij is specifiek aandacht voor (seksueel) geweld tegen vrouwen.
Nederland investeert in rechtsstaatontwikkeling via onder andere UNDP, UN Women en (internationale) ngo’s. Eén van de doelen hierbij is verbetering van nationale wetgeving in lijn met internationale mensenrechtenstandaarden. UN Women zet zich met Nederlandse steun bijvoorbeeld in voor het bewust maken van vrouwen van hun rechten, inclusief het gebruik van rechtssystemen. Daarnaast draagt UN Women bij aan gender-sensitieve juridische hervormingen, om te zorgen dat iedereen toegang heeft tot recht en daders niet ongestraft blijven.
Welke mogelijkheden ziet u om landen van de Ranglijst, en prioritair de top-25, aan te spreken op internationale verdragen die zij ondertekend hebben en in de praktijk soms met de voeten treden?
In de eerste plaats vraagt het kabinet aandacht voor de vrijheid van religie en levensovertuiging, en schendingen van dit recht, tijdens bilaterale politieke consultaties. Tevens is de vrijheid van religie en levensovertuiging een prioritair onderwerp van de EU en is het onderdeel van het EU actieplan. De EU vraagt hiervoor ook aandacht middels de EU mensenrechtendialogen.
Daarnaast is de Speciaal Gezant voornemens om diverse landen te bezoeken die tot de top-25 landen van de Open Doors Ranglijst behoren. Momenteel wordt er ook gekeken naar de mogelijkheden om deze bezoeken op andere manieren plaats te laten vinden.
Een andere mogelijkheid is – bij gelegenheid – middels de Universal Periodic Review (UPR) in de VN Mensenrechtenraad waarmee autoriteiten worden aangespoord om mensenrechtenverdragen na te leven. Recentelijk heeft Nederland de Malediven en Mauritanië, twee landen die momenteel in de top-25 staan, aanbevolen om nationale wetgeving en praktijk aan te passen zodat internationale standaarden op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging worden gewaarborgd.
Deelt u, aangezien uit onderzoek blijkt dat religieuze minderheden bij hulpprogramma’s van overheden worden buitengesloten of gediscrimineerd, de mening datlocal faith actors (LFA’s) een belangrijke rol kunnen spelen bij de verspreiding van noodhulp en de wederopbouw van hun land, bijvoorbeeld in Syrië?
Een deel van de Nederlandse organisaties waarmee het Ministerie van Buitenlandse Zaken samenwerkt voor noodhulp en/of wederopbouw, werkt samen met lokale organisaties met een religieuze grondslag. Deze organisaties hebben dikwijls een sterk lokaal netwerk voor het organiseren en implementeren van humanitaire hulp.
Het humanitair beleid van Nederland is gebaseerd op de humanitaire principes (menselijkheid, onpartijdigheid, onafhankelijkheid en neutraliteit) en het bieden van hulp op basis van noden. De noodhulporganisaties waarmee het Ministerie werkt, voeren hun werk uit volgens dit humanitair imperatief, om die reden richten deze organisaties zich niet specifiek op religieuze minderheden noch is het toegestaan om religieuze minderheden uit te sluiten.
In Syrië ondersteunt Nederland uitsluitend noodhulpprogramma’s die worden uitgevoerd door professionele noodhulporganisaties met een religieuze dan wel een seculiere grondslag.
Daarnaast verdiept Nederland middels ambassades zijn netwerk met faith based organizations en local faith actors. Ook zijn er diverse projecten uitgerold binnen het Mensenrechtenfonds waarbij er gebruik wordt gemaakt van LFA’s. Zo wordt er bijvoorbeeld samengewerkt met lokale Imams om gelijke rechten van vrouwen en meisjes te bevorderen in conservatievere moslimcontext.
Kunt u aan de hand van data laten zien dat door Nederland ondersteunde hulpprogramma’s gebruik maken van LFA’s?
Zie antwoord vraag 20.
Stuurt u, samen met uw collega voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, bij noodhulpoperaties rondom onder meer COVID-19 op hulpverlening voor iedereen, zodat niet geselecteerd wordt op religieuze identiteit? Bent u bereid misstanden tegen te gaan?
Zoals ook in de beleidsnota «Mensen Eerst» is toegelicht, is het Nederlandse Humanitaire beleid gebaseerd op onder meer de humanitaire principes: menselijkheid, onpartijdigheid, onafhankelijkheid en neutraliteit. Nederland dringt er op aan dat iedereen deze principes te allen tijde waarborgt. Uitsluiting op basis van religieuze identiteit is onacceptabel.
Waar ziet u mogelijkheden om samen te werken met andere speciaal gezanten voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (FoRB) binnen en buiten Europa om samen de schendingen van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging aan te kaarten, zoals gesignaleerd in de rapportage van de Ranglijst? Deelt u – in het licht van de alarmerende informatie die de Ranglijst Christenvervolging 2021 biedt – de mening dat de reeds één jaar bestaande vacature van speciaal gezant FoRB in Europa dringend vervuld dient te worden?
De Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging werkt reeds actief samen met collega’s binnen en buiten Europa waarbij, indien mogelijk, initiatieven worden afgestemd om draagvlak te vergroten. Buiten Europa wordt er onder meer middels de International Religious Freedom and Belief Alliance actief samengewerkt om acties te ontplooien ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd. De gezant agendeert voortdurend kwesties, zoals die zijn gesignaleerd in het rapport van Open Doors binnen die IRFBA en in bilaterale contacten.
De Minister van Buitenlandse Zaken deelt uw mening dat de vacature van Speciaal Gezant FoRB vervuld dient te worden. De Europese Commissie heeft op 8 juli jl. via twitter bekendgemaakt dat aan vicepresident en commissaris Schinas een adviseur wordt toegevoegd met hetzelfde mandaat als de vroegere EU gezant. Onlangs heeft de voorzitter van de Commissie de breedte van dat mandaat onderstreept, maar is er helaas nog niemand benoemd.
Waar en hoe bieden de Ranglijst Christenvervolging 2021 en de onderliggende landendossiers verdere aanknopingspunten voor het mensenrechtenbeleid van Nederland en voor de toekomstige inzet van de Mensenrechtenambassadeur en de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging?
De ranglijst is mede richtinggevend voor de landenbezoeken van de Mensenrechtenambassadeur en de Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging. Tevens biedt de ranglijst, samen met eigen informatiegaring en informatie van partnerorganisaties, achtergrondinformatie die wordt meegenomen in het selecteren van gesprekspartners en de voorbereiding daarop.
De zorgelijke ontwikkelingen voor het maatschappelijk middenveld in Oeganda in aanloop naar de verkiezingen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de ontwikkelingen in Oeganda in aanloop naar de verkiezingen?1 2 3
Ja.
Wat is uw oordeel over de onrustige situatie in Oeganda in aanloop naar de verkiezingen waarbij ten minste 54 doden zijn gevallen, de persvrijheid onder druk staat en het het maatschappelijk middenveld onmogelijk wordt gemaakt om de verkiezingen te monitoren, zoals onder meer door de ingetrokken accreditatie van Citizens Coalition for Electoral Democracy (CCEDU)?
Het kabinet is bezorgd over de gespannen situatie in Uganda. Verkiezingsperiodes in Uganda zijn vaker onrustig verlopen, maar het grootschalig geweld van 18 en 19 november jl. waarbij ten minste 54 doden vielen en de vergaande beperkingen op de persvrijheid en de ruimte voor het maatschappelijk middenveld om onder ander de verkiezingen te monitoren, zijn ongebruikelijk voor Uganda en reden tot grote zorg.
Heeft u de zorgen over de huidige ontwikkelingen die het maatschappelijk middenveld zwaar onder druk zetten gedeeld met uw Oegandese ambtgenoot? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich de afgelopen maanden op verschillende manieren, onder meer in EU-verband en met gelijkgezinden, uitgesproken over de situatie in Uganda, waarbij zorgen zijn gedeeld over de krimpende ruimte voor de media en het maatschappelijk middenveld. Nederland heeft in die gezamenlijke verklaringen de Ugandese autoriteiten opgeroepen tot het waarborgen van persvrijheid, het belang van het behoud van ruimte voor het maatschappelijk middenveld en het belang van transparante en vreedzame verkiezingen.
EU-ambassadeurs hebben in een politieke dialoog op 6 november jl. met president Museveni het buitensporig optreden van veiligheidsdiensten aan de orde gesteld. In reactie op het grootschalige geweld van 18 en 19 november is er op 26 november een lokale EU-verklaring afgegeven. In die verklaring werden alle partijen opgeroepen om zich te onthouden van geweld en werd gevraagd om een onafhankelijk onderzoek naar de toedracht van het geweld in te stellen.
Mede namens Nederland gingen er op 8 januari jl. verklaringen van leden van de Media Freedom Coalition (MFC) en de Partners for Democracy and Governance (PDG, een lokale groep van donorlanden) uit. In beide verklaringen worden de Ugandese autoriteiten opgeroepen om in aanloop naar de verkiezingen het maatschappelijk middenveld ruimte te bieden en om de persvrijheid te waarborgen.
Op 12 januari jl. riep de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Josep Borrell, de Ugandese autoriteiten in een verklaring op tot transparante, inclusieve en geloofwaardige verkiezingen. Het kabinet steunt deze EU-verklaring en onderstreept het belang van persvrijheid en het behoud van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld.
Nederland is vanaf januari 2021 een jaar lang voorzitter van de lokale Justice Law and Order Sector (JLOS) donorgroep in Uganda. In die hoedanigheid zal Nederland zich onder meer inzetten voor ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Nederland houdt mede in EU verband de situatie in Uganda nauwlettend in de gaten en zal zich beraden op verdere stappen als de situatie daarom vraagt.
Heeft u de zorgen over de huidige ontwikkelingen die het maatschappelijk middenveld zwaar onder druk zetten gedeeld met uw Europese ambtgenoten? Zo nee, bent u bereid dit alsnog op korte termijn te doen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u mogelijkheden ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld door een gezamenlijke EU-verklaring richting Oeganda over een eerlijk verkiezingsproces, inclusief vrijheid voor de media om het verkiezingsproces te volgen en vrij en open toegang tot internet? Zo ja, bent u bereid hierin het voortouw te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid op korte termijn deze vragen te beantwoorden met het oog op de te houden verkiezingen in Oeganda?
Het bericht dat Afrika getroffen dreigt te worden door een tweede coronagolf |
|
Mahir Alkaya |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
Wat is uw mening over het bericht «Wordt Afrika nu toch getroffen in de tweede coronagolf?»?1
Het artikel geeft duidelijk de zorgen weer over de opleving van het aantal besmettingen in Afrika. Het kabinet deelt die zorg, evenals de zorg over de secundaire effecten van de corona-epidemie. De bestaande uitdagingen op het Afrikaanse continent op het terrein van gezondheid, onderwijs en economie zijn door de pandemie nog groter geworden. Het is dan ook belangrijk deze brede context bij de bestrijding van COVID-19 niet uit het oog te verliezen.
Bent u van plan om ook in de tweede golf extra geld vrij te maken voor de aanpak van de coronacrisis in ontwikkelingslanden, in aanvulling op de € 150 miljoen die Nederland tijdens de eerste golf extra vrij maakte hiervoor, nu ontwikkelingslanden hard dreigen te worden geraakt door de gevolgen van de crisis?
In 2020 zijn binnen de BHOS-begroting middelen vrij gemaakt voor de aanpak van de coronacrisis in ontwikkelingslanden. Daarnaast heeft het Kabinet aanvullend extra middelen beschikbaar gesteld n.a.v. het AIV advies (zie mijn Kamerbrief 33 625, nr. 320). Op 11 januari jl. is binnen mijn begroting voor 2021 ook nog EUR 25 miljoen vrijgemaakt voor een bijdrage aan COVAX AMC (zie Kamerbrief VWS 2021D01249). Naast deze bijdragen zijn – naast de reguliere inspanningen van BHOS zoals ook vastgesteld met de begroting 2021 – momenteel geen aanvullende middelen voorzien. Dit is ook mede ingegeven door de budgettaire krapte op mijn begroting en het streven bestaande programma’s van BHOS zoveel mogelijk uit te kunnen voeren zoals beoogd.
Hoeveel vaccins verwacht u dat er beschikbaar komen voor Afrikaanse landen via de vaccin-programma’s waaraan Nederland meebetaalt, gezien het feit dat vaccins ook in Afrika een essentieel onderdeel van de oplossing van de coronacrisis zijn, maar er maar weinig vaccins beschikbaar lijken te komen voor het continent? Hoe verhoudt dit zich tot de hoeveelheid vaccins die het continent nodig heeft om de pandemie effectief te beëindigen?
COVAX AMC, het multilaterale initiatief dat is opgericht om lage inkomenslanden te ondersteunen bij de inkoop en distributie van COVID-19 vaccins, heeft eind december 2020 reeds ca. 1.3 miljard doses COVID-19 vaccins voor 92 lage- en middeninkomenslanden zeker gesteld. Dit aantal is nodig om 20% van de bevolking van de 92 landen te vaccineren. Voor de allocatie van deze vaccins wordt het WHO Allocation Mechanism gevolgd, ook voor Afrikaanse landen. Verwachting is dat lage – en lage-middeninkomenslanden op deze manier binnen 3–4 maanden kunnen beginnen met vaccineren. Het hoofd van de Africa Centre for Disease Control (CDC) onderstreepte in december jl. dat met een gezamenlijke Afrikaanse strategie voor de financiering van de additionele vaccins, gestreefd wordt naar een vaccinatiegraad van 60%.
De WHO heeft samen met andere internationale partners een brief gestuurd over het financieringstekort voor vaccins, beschermende middelen, diagnostische tests en geneesmiddelen voor ontwikkelingslanden.
Op welke manier zal Nederland bijdragen aan de volgens Gavi benodigde USD 5 miljard extra in 2021 voor het COVAX AMC instrument om de nodige vaccins voor lage- en middensinkomenslanden te financieren?2
In mijn brief van 18 december jl. (25 295, nr. 902) heb ik reeds benadrukt dat een eerlijke verdeling van vaccins wereldwijd, de bestrijding van deze wereldwijde pandemie ten goede komt, en in die zin ook in het belang van Nederland is.
Daarom heb ik recentelijk besloten een extra bijdrage van EUR 25 mln. beschikbaar te stellen voor COVAX AMC, de pijler van COVAX die speciaal is ingericht voor lagere en middeninkomenslanden. Dat maakt dat de totale Nederlandse bijdrage aan de Access to Covid Tools Accelerator (ACT-A), het coördinatiemechanisme om lage- en middeninkomenslanden te voorzien van vaccins, beschermende middelen, diagnostische tests, geneesmiddelen nu EUR 85 mln. bedraagt. Nederland is hiermee de 11e publieke donor van ACT-A.
Zoals aangegeven in diezelfde Kamerbrief (25 295, nr. 902), zal daarnaast vanuit de VWS begroting EUR 25 mln. worden gereserveerd voor het in natura beschikbaar stellen van vaccins voor ontwikkelingslanden aan COVAX AMC of via EU kanalen in afstemming met COVAX AMC.
Deelt u de mening dat de patenten op COVID-vaccins niet in de weg mogen staan van snelle en goedkope productie van vaccins voor ontwikkelingslanden? Bent u bereid om u in internationaal en Europees verband in te zetten voor de opschorting van deze patenten?
Het systeem van intellectuele eigendom heeft in deze pandemie grootschalig en kostbaar onderzoek naar mogelijke vaccins gestimuleerd. Dat heeft geleid tot de snelste ontwikkeling van vaccins ooit, met inmiddels al twee vaccins die door Europees medicijnagentschap EMA goed zijn gekeurd. Dit toont aan dat het systeem van intellectuele eigendom, als stimulans om te investeren en te innoveren, zijn vruchten afwerpt. Nederland heeft vooralsnog geen indicaties dat octrooien een barrière vormen voor het opschalen van de productiecapaciteit of beschikbaarheid van vaccins voor ontwikkelingslanden. Het stelsel van octrooibescherming stelt bedrijven juist in staat hun innovaties te delen, kennis en gegevens uit te wisselen, licenties te verlenen en productie op grote schaal te waarborgen.
Het kabinet is van mening dat wel voortdurend goed gekeken moet worden naar mogelijke knelpunten op het gebied van intellectuele eigendom die opschaling van productie en betaalbaarheid van COVID-19-vaccins zouden kunnen belemmeren. In mijn brief van 18 december 2020 (Kamerstuk 25 295, nr. 902) heb ik de Kamer reeds geïnformeerd dat Nederland daarom binnen de EU en (via de Europese Commissie) in de Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights (TRIPS) Council van de WTO het belang van toegang tot veilige, efficiënte en betaalbare vaccins en medicijnen voor iedereen benadrukt, ook voor ontwikkelingslanden. Nederland steunt daartoe actief de inzet van de Commissie om zorgen hierover serieus te onderzoeken en te bekijken of er op onderdelen pragmatische stappen nodig zijn.
De situatie in Griekse vluchtelingenkampen |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de erbarmelijke situatie in de Griekse vluchtelingenkampen?
Hoe reageert u op de situatie in de Griekse kampen, waarbij onder meer sprake is van een situatie waarbij baby’s rattenbeten oplopen, het kamp in Lesbos niet winterklaar is en wordt geteisterd door hevige regenbuien en de psychische gezondheid van deze vluchtelingen is verslechterd in de achterliggende jaren? Op welke wijze wilt u deze situatie zo spoedig mogelijk gaan verbeteren?1 2 3
Deelt u de mening dat deze vluchtelingen een menswaardige opvang moeten krijgen? Zo ja, welke acties onderneemt u samen met de Europese en Griekse autoriteiten om daarin te voorzien?
Vindt u nu nog niet dat het tijd is voor een speciale civiel-militaire noodoperatie onder leiding van Frontex, gezien de nog altijd erbarmelijke omstandigheden van de asielzoekers in deze kampen? Bent u bereid zich hier bij uw Europese collega’s voor in te zetten?
Hoe zet u zich in voor het bespoedigen van de beoordeling van de asielaanvragen, zodat afgewezen migranten spoedig kunnen worden uitgezet naar veilige gebieden en anderen worden herplaatst in een van de lidstaten? Bent u bereid de beoordeling van asielaanvragen te versnellen door dit een van de onderdelen van de noodoperatie te laten zijn? Zo nee, waarom niet?
De beoordeling van asielaanvragen ligt eerste instantie bij de Griekse autoriteiten. Hierbij worden zij ondersteunt door het Europees Ondersteuningsbureau voor Asielzaken (EASO), dat hiervoor haar aantal personeelsleden in Griekenland de afgelopen jaren fors heeft uitgebreid5. Lidstaten waaronder Nederland leveren experts aan EASO om deze ondersteuning mogelijk te maken. Het afgelopen jaar hebben de Griekse autoriteiten de achterstanden in de asielaanvragen significant weggewerkt. In de periode januari tot en met november 2020 zijn ruim 76.000 aanvragen verwerkt. Dat is een stijging van 69% ten opzichte van dezelfde periode het jaar ervoor. De achterstand is inmiddels met 40% gedaald in vergelijking met december 2019. Ook de beroepscomités hebben de achterstand gehalveerd van 14.500 eind vorig jaar tot ongeveer 3.800 nu.
Zoals eerder gemeld is er ook verder geïnvesteerd in het verbeteren van de opvangcondities en het verlichten van de migratiedruk op de eilanden. Momenteel verblijven er nog circa 17.000 migranten op de Griekse eilanden, vergeleken met 42.000 in maart 2020. Feit blijft dat de aantallen vluchtelingen en migranten de capaciteit van opvang op een aantal van deze eilanden nog altijd te boven gaan. Wel meldde EASO medio januari jl. dat de achterstanden in de aanvragen van asielzoekers op de eilanden merendeels zijn weggewerkt.
Zoals hierboven vermeld, biedt ook de Taskforce Griekenland van de Europese Commissie hulp aan de Griekse autoriteiten bij het doorvoeren van structurele verbeteringen op het gebied van terugkeer, opvang en asiel, waaronder de versnelling van de asielprocedure. Het kabinet bevordert dit met de levering van experts. Gezien al deze inspanningen en de voortgang die de Griekse autoriteiten hebben geboekt – en nog steeds boeken – bij het wegwerken van achterstanden bij de behandeling van asielverzoeken, zie ik op dit moment geen aanleiding voor genoemde noodmaatregel.
Het verzoek voor inzet van het Defensiepersoneel ter ondersteuning van het zorgpersoneel |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() |
Welke verzoeken heeft Defensie, al dan niet via de veiligheidsregio’s, ontvangen voor inzet van militairen ter ondersteuning van het zorgpersoneel?1 2
Defensie heeft gedurende de gehele COVID-19 crisis meerdere verzoeken ontvangen voor Militaire Steunverlening in het Openbaar Belang (MSOB). Deze steunverzoeken zijn volgens de formele procedure bij Defensie terechtgekomen. De verzoeken voor ondersteuning van zorgpersoneel komen van ziekenhuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen en zorghotels.
Aangezien ondersteuning door Defensie last resort is, wordt eerst gekeken of de andere mogelijkheden door de zorgaanbieder reeds zijn benut. Als blijkt dat deze mogelijkheden onvoldoende opleveren, kan via de GGD/Veiligheidsregio een verzoek worden gedaan voor steunverlening bij het Landelijk Operationeel Coordinatie Centrum (LOCC). Deze verzoeken worden gezamenlijk besproken door Defensie, GGD/GHOR en VWS. Als geconstateerd wordt dat het verzoek aan bovengenoemde de gestelde voorwaarden voldoet, kijkt Defensie over welke mogelijkheden zij in praktische zin beschikt om te ondersteunen. Defensie zal contact met de zorgaanbieders opnemen en fysiek een «fact finding» bezoek brengen aan de verzoekende instelling om optimale steun te kunnen realiseren. Daarna wordt de wijze van inzet bepaald.
Defensie ontvangt dagelijks verzoeken voor ondersteuning van defensiepersoneel aan het zorgpersoneel. Het genoemde driehoeksoverleg vindt dan ook zeer frequent plaats.
Er zijn sinds de tweede COVID-19 golf zijn intrede deed (oktober 2020) in het totaal 25 verzoeken gehonoreerd, zowel grootschalig (bijv. 1.000 medewerkers van Defensie paraat voor test- en vaccinatiestraten) als kleinschalig (bijv. 1 planner voor het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding).
Welke verzoeken zijn gehonoreerd dan wel afgewezen?
Defensie moet zekerstellen dat de lopende missies in het buitenland worden uitgevoerd en terdege worden voorbereid, tevens zal Defensie voorbereid moeten zijn op de andere belangrijke taken die van haar worden verwacht. In evenwicht met deze taken zal Defensie het gevraagde personeel inzetten met de juiste prioriteit in de bestrijding van de pandemie.
In de brief 29 282, nr. 426 van 5 januari jl. heeft mijn collega, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uw Kamer uitgebreid geïnformeerd welke afwegingen gemaakt worden bij het beoordelen van ondersteuningsverzoeken van verpleeghuizen instellingen die thuiszorg leveren en zorghotels.
Gelet op de gelimiteerde capaciteit, zijn er twee belangrijke opties waarin defensiepersoneel kan worden ingezet. Allereerst kan ondersteuning van de verpleeghuizen plaatsvinden om de druk op de continuïteit van de zorg te verminderen. Tevens kan ondersteuning van de keten (bijvoorbeeld een zorghotel) plaatsvinden om stagnatie van de doorstroom van patiënten vanuit het ziekenhuis te voorkomen. Daarmee wordt ook de zorg in de ziekenhuizen ondersteund. Het is van belang om te benoemen dat er eerder afspraken zijn gemaakt over de extra inzet van Defensiepersoneel voor COVID19-ziekenhuiszorg. Deze vindt geconcentreerd plaats in het UMC Utrecht. Defensie ondersteunt het UMC Utrecht sinds 22 oktober 2020 met maximaal 160 medisch geschoolde medewerkers (en vanaf 20 januari 2021 met maximaal 100 medische geschoolde medewerkers).
Uitgangspunt is dat eerst regionaal wordt gezocht naar samenwerking tussen zorgaanbieders. Daarna kunnen zorgaanbieders een aanvraag doen voor verzorgend en ondersteunend personeel van andere instanties zoals Extra Handen voor de Zorg en het Rode Kruis. Het opgerichte expertiseteam Zorgcontinuïteit van GGD/GHOR Nederland ondersteunt de regio hierbij. Als laatste biedt Defensie een mogelijkheid tot gerichte en tijdelijke ondersteuning, altijd afgewogen ten opzichte van de reguliere inzet in de eerste en tweede hoofdtaken van Defensie.
Op meerdere locaties biedt Defensie inmiddels ondersteuning. Een actueel beeld van de ondersteuning door Defensie in het kader van de COVID-19 crisis vindt u op Defensie.nl.
Welk afwegingen worden gemaakt voor het beoordelen van hulpverzoeken ter bestrijding van de pandemie in Nederland? Welke prioriteit krijgt deze taak, ten opzichte van de inzet van militairen voor de lopende missies in het buitenland?
Zie antwoord vraag 2.
Is het mogelijk meer militairen vrij te maken voor ondersteuning van het zorgpersoneel, aangezien het zorgpersoneel in ziekenhuizen op hun tandvlees loopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Defensie heeft naast de taken ten behoeve van ondersteuning in nationale crisisoperaties, ook verplichtingen, zoals reguliere inzet in Nederland, beschermen van het gemeenschappelijke grondgebied en bijdragen aan het handhaven van de internationale rechtsorde. Militair personeel dient naast deze inzet ook gereedgesteld te worden om deze taken uit te kunnen voeren.
Met inachtneming van al deze taken en de voorbereiding daarop, wordt iedere ondersteuningsvraag specifiek beoordeeld en levert Defensie de maximale ondersteuning voor het zorgpersoneel.
Op welke manier is de motie-Marijnissen over inzet van o.a. Defensie ter ondersteuning van het zorgpersoneel uitgevoerd?3
Naast de grote inzet waarmee Defensie het zorgpersoneel bovenregionaal in het Universitair Medisch Centrum Utrecht ondersteunt, heeft Defensie in meerdere zorginstellingen militair personeel tewerkgesteld om het zorgpersoneel te ontlasten en te ondersteunen. Tevens staan er 1.000 medewerkers van Defensie paraat voor de verdere ondersteuning van de zorg op een breed terrein: planning, coördinatie, testen, vaccineren en logistiek.
Ook hier verwijs ik naar het actuele beeld op Defensie.nl.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Het juridische advies van de commissie over de Brexit-deal |
|
Stieneke van der Graaf (CU), Renske Leijten (SP), Achraf Bouali (D66), Bram van Ojik (GL), André Bosman (VVD), Lodewijk Asscher (PvdA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Herinnert u zich dat u op 25 december aan de Kamer schreef: «Het kabinet acht het daarbij van groot belang dat het akkoord over een handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK geen precedent vormt voor toekomstige akkoorden met derde landen. Daarom heeft Nederland samen met andere lidstaten reeds gevraagd om een bevestiging van de juridische dienst van de Raad (JDR), dat op grond van de inhoud van het voorliggende akkoord in dit geval zowel een EU-only als een gemengd akkoord mogelijk zou zijn en dat een politieke keuze voor een EU-only akkoord in dit geval geen juridische verplichting zal betekenen om bij toekomstige EU-akkoorden met andere derde landen op dezelfde terreinen opnieuw een EU-only akkoord te sluiten. De JDR heeft beide punten inmiddels bevestigd.»
Er zijn over deze vraagstukken geen schriftelijke adviezen van de Juridische Dienst van de Raad (JDR) verschenen; de JDR heeft beide punten mondeling bevestigd. Op verschillende plaatsen in het Raadsbesluit tot ondertekening zal de conclusie van de juridische argumentatie van de JDR worden opgenomen. Die is in lijn met de juridische argumentatie van het kabinet, zoals hieronder wordt uiteengezet.
De juridische argumentatie van het kabinet waarom een EU-only akkoord hier mogelijk is en die door de JDR gedeeld wordt, loopt langs de volgende lijnen.
De afspraken die onderdeel uitmaken van de nu voorliggende overeenkomst zijn onder te verdelen in verschillende categorieën EU bevoegdheden:
Er is derhalve in dit geval geen juridisch dwingende reden om een gemengd akkoord te sluiten waarbij zowel de Unie als de lidstaten partij worden. Er is immers steeds sprake van een EU bevoegdheid. Uit de vaste rechtspraak van het EU Hof van Justitie volgt bovendien dat er bij bevoegdheden uit de 2e en 3e categorie, ook als de Unie niet exclusief bevoegd is, wel nog een keuze gemaakt kan worden om deze enkel door de Unie te laten uitoefenen (d.m.v. het sluiten van een EU-only akkoord)1. Daarmee is het een politieke keuze om de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst met het VK als EU-only of gemengd te bestempelen.
De juridische argumentatie van het kabinet waarom een politieke keuze voor een EU-only akkoord in dit geval geen juridische verplichting betekent om bij toekomstige akkoorden met andere derde landen op dezelfde terreinen opnieuw een EU-only akkoord te sluiten en die ook door de JDR gedeeld wordt, loopt langs de volgende lijnen.
Het betreft hier de juridische vraag in welke gevallen de Unie exclusief bevoegd is om extern op te treden. Met andere woorden, het gaat hier om de vraag in welke gevallen alléén de Unie bevoegd is om een overeenkomst te sluiten met een derde land, zonder dat ook de lidstaten daarbij partij kunnen zijn. Dat is alleen het geval wanneer de overeenkomst louter afspraken bevat op gebieden die vallen binnen het bereik van artikel 3 VWEU.
Wanneer de Unie exclusief bevoegd is om extern op te treden wordt bepaald in artikel 3 VWEU. Het gaat op grond van dit artikel om de volgende gevallen:
De Unie is exclusief bevoegd wanneer het gaat om de gebieden die genoemd worden in lid 1 van artikel 3 VWEU, te weten a) de douane-unie; b) de vaststelling van mededingingsregels die voor de werking van de interne markt nodig zijn; c) het monetair beleid voor de lidstaten die de euro als munt hebben; d) de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid; e) de gemeenschappelijke handelspolitiek. Wanneer sprake is van afspraken in een overeenkomst met een derde land op één van deze gebieden, is dan ook alleen de Unie hiertoe bevoegd.
De Unie is daarnaast exclusief bevoegd om een overeenkomst met een derde land te sluiten in de gevallen die genoemd worden in lid 2 van artikel 3 VWEU, te weten a) indien een wetgevingshandeling van de Unie in die sluiting voorziet; b) indien die sluiting noodzakelijk is om de Unie in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen, of c) wanneer die sluiting gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen.2
Wanneer de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK als EU-only akkoord gesloten wordt, betekent dit dat de Unie daarin zowel bevoegdheden zal uitoefenen die vallen binnen het bereik van genoemd artikel 3 VWEU (en die alleen de Unie kan uitoefenen), als bevoegdheden die daar niet binnen vallen (en die zowel de Unie als de lidstaten kunnen uitoefenen). Vanwege de politieke keuze om ook dit laatste type bevoegdheden in dit geval door de Unie te laten uitoefenen, ontstaat in dit geval een EU-only akkoord.
Er is geen aanleiding om te denken dat bevoegdheden die nu niet binnen het bereik van artikel 3 VWEU vallen, en waarbij het een politieke keuze is deze door de Unie te laten uitoefenen in het akkoord met het VK, alleen om die reden in een toekomstig akkoord met een ander derde land wel binnen het bereik van artikel 3 VWEU zullen vallen. Dat is immers niet één van de gronden die in artikel 3 VWEU zelf genoemd worden voor het bestaan van een exclusieve bevoegdheid voor de EU. Met andere woorden, er is nu geen sprake van een verplichting tot een EU-only akkoord voor deze afspraken en in de toekomst ook niet.
Deze juridische conclusie zal uitdrukkelijk worden opgenomen in een artikel van het Raadsbesluit tot ondertekening (dat nu nog in concept voorligt in Brussel) en ook worden bevestigd in een aparte verklaring van de Commissie. Die verklaring is als vertrouwelijk bijlage toegevoegd aan deze beantwoording.3
Heeft de Juridische Dienst van de Raad dit advies op papier gezet? Zo ja kunt u dit aan de Kamer doen toekomen? (hierbij zij verwezen naar het arrest C-350/12 van het EU-Hof van 3 juli 2014, Raad vs. In ’t Veld over de openbaarheid van dit soort adviezen en de zeer beperkte weigeringsgronden die hier van toepassing zijn)
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de Juridische Dienst van de Raad verzoeken dit advies alsnog op papier uit te brengen indien de Juridische Dienst van de Raad het advies niet op papier gezet heeft en dit advies voor maandag 28 december 11.00 uur aan de Kamer doen toekomen?
Op verschillende plaatsen in het Raadsbesluit tot ondertekening zal de conclusie van de juridische argumentatie van de JDR worden opgenomen. Die is in lijn met de juridische argumentatie van het kabinet zoals die in vraag 1 is uiteengezet.
Kunt u alle interne en externe adviezen over dit Brexit verdrag (eigen juridische dienst en mogelijk de landsadvocaat) per ommegaande aan de Kamer doen toekomen?
Zie het antwoord op vraag 1 voor de juridische analyse van het kabinet.
Indien het verdrag een gemengd verdrag is, welke mogelijkheden zijn er dan om de transitie op 1 januari soepel te laten verlopen? Wilt u hierbij denken aan voorlopige inwerkingtreding hiervan, aan artikel 24 van het WTO verdrag en eventueel andere mogelijkheden?
Zie het antwoord op vraag 1. In aanvulling daarop geldt dat de overgangsperiode tot 1 juli 2020 kon worden verlengd middels een gezamenlijk besluit van de EU en het VK in het Gemengd Comité van het Terugtrekkingsakkoord. Het VK heeft er voor gekozen de overgangsperiode niet te verlengen. Verlenging van de overgangsperiode is op basis van het terugtrekkingsakkoord zodoende niet langer mogelijk.
Voorlopige toepassing van de onderdelen van een gemengd akkoord die niet worden uitgeoefend door de Unie is niet mogelijk via de band van de Unie. Hiermee zou er bij voorlopige toepassing van een gemengd akkoord op de desbetreffende deelterreinen een situatie vergelijkbaar met no-deal ontstaan. Dit is onwenselijk gezien de verstoring en (economische) schade die dit met zich mee zou brengen.
Artikel XXIV van het GATT-verdrag maakt het partijen mogelijk een douane-unie, vrijhandelsakkoord of een tijdelijke overeenkomst met als doel die te bereiken (interim--akkoord) sluiten. Daarbij is het partijen toegestaan om bepaalde preferentiële behandeling niet toe te passen, zoals bijvoorbeeld het meestbegunstigdebeginsel. Artikel XXIV GATT-verdrag is in de context van het aflopen van de overgangsperiode niet relevant, omdat het slechts de basis biedt om een overeenkomst of tijdelijke overeenkomst op het gebied van goederenhandel te sluiten. De partijen zouden een dergelijke overeenkomst dan dus eerst hebben moeten uitonderhandelen. Gezien de beperkte reikwijdte van Artikel XXIV GATT-verdrag zou dit in geen geval uitkomst bieden om de verstoringen die op een groot aantal terreinen voortvloeien uit het aflopen van de overgangsperiode te voorkomen. Het bereiken en per 1 januari 2021 van toepassing laten worden van het bereikte akkoord is verkieslijk boven een no deal situatie die voor belanghebbenden tot veel verstoringen en (economische) schade zou leiden.
Kunt u deze vragen een voor een en voor maandag 28 december 11.00 beantwoorden?
Ja.
Burgerdoden in Uruzgan |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de berichtgeving dat een Nederlandse veteraan medio 2007 mogelijk burgers doodde in de Chora-vallei in de Afghaanse provincie Uruzgan?1
Het kabinet heeft kennis genomen van het artikel en neemt dit uiterst serieus omdat het een potentieel ernstige melding betreft. Het feit dat een Uruzgan-veteraan een dergelijke melding ruim dertien jaar na dato doet, verdient zorgvuldige aandacht.
Kunt u uitleggen wat er die dag precies gebeurde in de Chora-vallei? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van het artikel van Trouw, dat Defensie vooraf ter inzage kreeg, zijn de rapportages bezien die mogelijk betrekking zouden kunnen hebben op het incident dat beschreven is. Op dit moment heeft Defensie nog niet de door de melder omschreven inzet uit medio 2007 in Afghanistan een-op-een kunnen koppelen aan een in de archieven opgeslagen rapport.
Het Trouw-artikel alleen biedt te weinig aanknopingspunten om gerichter naar het geweldsincident te kunnen zoeken dan tot dusver is gedaan. Om deze reden heeft Defensie op 24 december jl. een gesprek met de veteraan gevoerd, waarin meer gegevens omtrent de gemelde inzet zijn verkregen. Aan de hand hiervan wordt opnieuw een zoekslag gemaakt in de archieven van Defensie en zullen – na overleg met het Openbaar Ministerie – vervolgstappen worden bepaald.
Wat is er intern allemaal gecommuniceerd en gerapporteerd over dit incident? Kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in uw archieven geen meldingen zijn gevonden van een incident dat voldoet aan de beschrijving van de veteraan? Zo ja, hoe is dat mogelijk?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat van elke geweldsinzet een rapport moest worden gemaakt, dat in kopie naar de marechaussee ging? Is dat gebeurd?
Van al het gebruik van geweld door militairen wordt een rapport opgemaakt met daarbij een appreciatie van de commandant. Die rapporten gaan zowel de militaire bevelslijn in, als in afschrift naar de Koninklijke Marechaussee.
Kunt u bevestigen dat er enkel is gehandeld op basis van walkietalkieverkeer, waarmee de zogenoemde rules of engagement zijn overtreden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat zogenaamd uitlokkingsvuur is toegepast?
Klopt het dat een verkeerd huis is geraakt? Zo nee, wat zijn dan de feiten?
Klopt het dat is gevuurd op mensen die geen wapens droegen? Zo nee, wat voor wapens hadden zij dan bij zich? Hoeveel mensen zijn er gedood bij deze actie?
Klopt het dat er tijdens dit incident niet op de Nederlandse militairen is geschoten?
Kunt u toelichten waarom Defensie precies geschrokken is naar aanleiding van dit verhaal?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1.
Houdt u staande dat in de periode van 2006 tot 2010 in Uruzgan geweld nooit onrechtmatig is toegepast? Zo ja, waarop baseert u dat?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 wordt van elk geweldgebruik door militairen rapport opgemaakt met daarbij een appreciatie van de commandant. Er zijn geen gevallen bekend over de periode van het Nederlandse optreden in Uruzgan waarin het Ministerie van Defensie of het Openbaar Ministerie het gerapporteerde geweld onrechtmatig heeft bevonden.
Hoe wordt deze melding van de veteraan precies onderzocht? Deelt u de opvatting dat een onafhankelijk uitgevoerd dient te worden naar het gebruik van geweld en burgerslachtoffers in de periode van 2006 tot 2010 in Uruzgan? Zo nee, waarom niet?
Op 13 oktober jl. heeft uw Kamer ingestemd met de nieuwe procedure met betrekking tot het informeren van de Tweede Kamer bij een vermoeden van burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet in het kader van artikel 100 van de Grondwet (Kamerstuk 27 925, nr. 723). Daarin is onder meer vastgelegd dat Defensie de Kamer informeert wanneer het ministerie besluit een onderzoek in te stellen naar een melding van een vermoeden van burgerslachtoffers. Zoals de procedure beschrijft wordt een dergelijk besluit voorafgegaan door een eerste analyse en beoordeling van de broninformatie. Deze stap in de procedure is momenteel aan de orde. Op basis hiervan zal ik, na overleg met het OM, besluiten al dan niet een onderzoek in te stellen. Als ik besluit tot een onderzoek naar deze melding zal ik u conform de procedure daarover informeren.
Het Openbaar Ministerie heeft inmiddels laten weten een feitenonderzoek te starten naar een geweldsaanwending door Nederlandse militairen medio 2007 in Afghanistan. Zoals aangegeven in het persbericht van het OM, volgt het feitenonderzoek op de publicatie in Trouw over mogelijke burgerslachtoffers als gevolg van de geweldsaanwending en de contacten die er reeds zijn geweest tussen het Ministerie van Defensie en het OM over de aanstaande publicatie van dit artikel.
Deelt u de mening dat een meldpunt moet worden ingesteld voor veteranen die ook zaken willen melden die ze kwijt willen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hecht er aan dat veteranen laagdrempelig toegang hebben tot zorg en dienstverlening. Het Veteranenloket faciliteert deze toegang 24 uur per dag en zeven dagen per week. Veteranen die incidenten willen melden uit de tijd van hun inzet in missies of operaties kunnen hiervoor terecht bij het Veteranenloket of bij de commandant van hun (toenmalige) eenheid. Defensie beziet in hoeverre het noodzakelijk is om de mogelijkheid hiertoe breder onder de aandacht van veteranen te brengen.
Zo ja, deelt u de mening dat dit meldpunt buiten de Defensie organisatie geplaatst moet worden en onafhankelijk dient te zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u ook reageren op een vermoede «spotter» die gevangen werd genomen? Aan wie is hij overgedragen? Wat is hem aangedaan? Is hij gemarteld?
Het artikel in Trouw biedt te weinig aanknopingspunten om dit bericht na te gaan.
Kunt u aangeven van hoeveel burgerdoden in interne communicatie en rapporten melding is gemaakt in de periode 2006–2010? Op welke wijze werd bijgehouden of het strijders of burgerslachtoffers betrof?
De Nederlandse bijdrage aan de ISAF-missie is zoals gebruikelijk na beëindiging geëvalueerd. Uw Kamer is geïnformeerd dat het in Uruzgan niet mogelijk is geweest om een exact aantal slachtoffers te bepalen. Zie hiervoor de Eindevaluatie Nederlandse bijdrage aan ISAF 2006–2010 (Kamerstuk 27 925, nr. 436) en de antwoorden op eerdere Kamervragen over burgerslachtoffers in Uruzgan (Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1203). Over de eindevaluatie van de Nederlandse bijdrage is met uw Kamer gesproken.
Het bericht dat er tientallen communistische partijcomités binnen Nederlandse bedrijven in China bestaan |
|
Jan Paternotte (D66), Kees Verhoeven (D66), Harry van der Molen (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht dat binnen het Nederlandse bedrijfsleven in China op grote schaal leden van de Communistische Partij werkzaam zijn?1
Ja.
Was het bij de Nederlandse overheid bekend dat er binnen het Nederlandse bedrijfsleven invloed is van de Communistische Partij? Zo ja, wordt hier actief op gehandeld?
Ja. In de kabinetsnotitie «Nederland-China: Een Nieuwe Balans» van 15 mei 20192 wordt gewezen op het feit dat de Chinese overheid nauw betrokken is bij het Chinese bedrijfsleven. In bedrijven met meer dan drie partijleden van de Chinese Communistische Partij (CCP) is het instellen van een partijcomité verplicht. Dit geldt eveneens voor joint ventures met buitenlandse bedrijven.
Bedrijven die zaken willen doen in en met China kunnen zowel bij de RVO als het postennetwerk in China terecht voor voorlichting over alle aspecten die komen kijken bij het zakendoen in China. Een goede voorbereiding en verdieping in het land, de economie en marktkansen, maar ook potentiële risico’s, zijn van belang voor ieder bedrijf dat zich op de Chinese markt wil begeven of vestigen.
Heeft de Nederlandse overheid afspraken gemaakt met Nederlandse bedrijven die in China opereren en in aanraking komen met de wensen en eisen van de Communistische Partij?
Het kabinet investeert in het stroomlijnen en versterken van de kennis- en informatievergaring ten aanzien van China en in de China-capaciteit van de RVO. Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven, kunnen bedrijven die zaken willen doen in en met China zowel bij de RVO als het postennetwerk in China terecht voor voorlichting over alle aspecten die komen kijken bij het zakendoen in China.
Wat voor economische, strategische of andere effecten heeft deze Chinese invloed op de Nederlandse bedrijven die in China opereren?
Zoals in het NOS-artikel wordt geschetst, lijkt de invloed van partijcomités op de bedrijfsstrategie van de genoemde bedrijven op dit moment gering. Dit wordt bevestigd door contacten van het kabinet met het Nederlandse bedrijfsleven. Uit de Business Confidence Survey van de Europese Kamer van Koophandel komt hetzelfde beeld komt naar voren.3 Van de geraadpleegde bedrijven zegt 60% procent zich niet bewust te zijn van de aanwezigheid van de CCP binnen het eigen bedrijf. 22% procent geeft aan dat de CCP aanwezig is, maar zich niet bemoeit met de bedrijfsvoering. 7% geeft aan dat de CCP een waardevolle bijdrage levert aan de interne besluitvorming. 5% laat weten dat de CCP in staat is om beslissingen te vetoën. Tot slot geeft 3% aan dat de CCP het besluitvormingsproces vertraagt.
Worden deze Chinese departementen gebruikt om verdere invloed op deze bedrijven, ook buiten China, te vergroten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bestuursleden bij Nederlandse bedrijven actief in China zijn direct of indirect gelieerd aan de Communistische Partij?
Dat er bij buitenlandse bedrijven in China, waaronder vestigingen van Nederlandse bedrijven, leden van de communistische partij werkzaam zijn, is bekend, maar het kabinet beschikt niet over precieze aantallen.
Heeft u inmiddels contact gehad met de top van deze Nederlandse bedrijven Zo ja, wat voor afspraken heeft u hierover gemaakt?
Het kabinet staat regulier in contact met diverse bedrijven, groot en klein, en spreekt met hen onder meer over kansen en risico’s in het (internationale) ondernemingsklimaat, waarbij zakendoen in en met China tevens onderwerp van gesprek is. Uit contacten met een aantal bedrijven dat actief is in China, blijkt dat het beeld uit het artikel herkend wordt.
Zijn er enige aanwijzingen gevonden dat er sprake zou zijn van het stelen of doorsluizen van intellectueel eigendom van deze Nederlandse bedrijven?
In de jaarverslagen van AIVD en MIVD staat dat economische samenwerking met China kansen en risico’s biedt, waaronder het risico dat intellectueel eigendom van Nederlandse bedrijven ongewild in Chinese handen terecht komt. Over het kennisniveau van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten doet het kabinet in het openbaar geen uitspraken.
Brengt de Nederlandse overheid de dataset actief in kaart, om het lek ook in het strategisch voordeel van Nederland in te zetten?
Zie het antwoord op vraag 2. Over specifieke onderzoeken van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten doet het kabinet in het openbaar geen uitspraken.
In hoeverre is er bekend dat dit ook bij andere westerse bedrijven in China gebeurt? Heeft u daarover contact met uw Amerikaanse of Europese ambtgenoten?
Zie het antwoord op vragen 4 en 5 waarin wordt verwezen naar de Business Confidence Survey van de Europese Kamer van Koophandel. Aan de enquête hebben 626 bedrijven meegedaan, waardoor het resulterende rapport een goed beeld geeft van de Europese ervaringen op het gebied van zakendoen in China.
Bent u bereid om een open gesprek te voeren met de Chinese ambassadeur in Nederland om deze kwestie aan te kaarten, en tekst en uitleg te vragen?
Belemmeringen waar bedrijven tegenaan lopen maken onderdeel uit van de agenda die Nederland bij verschillende gelegenheden met China bespreekt. Zo heb ik vorige maand in mijn gesprek met de Chinese viceminister van Handel het belang van betere markttoegang, bescherming van intellectueel eigendom, het beëindigen van (informele) gedwongen technologieoverdracht en het realiseren van een gelijk speelveld voor buitenlandse ondernemingen in China benadrukt.
Deelt u de mening dat Chinese werknemers die bedrijfsgeheimen van Nederlandse bedrijven stelen op de Chinese listing van de Europese Magnitsky dienen te komen?
Diefstal van bedrijfsgeheimen valt buiten de reikwijdte van het EU-mensenrechtensanctieregime.
Bent u bekend met de berichtgeving over de dreiging van Rusland met betrekking tot het opzeggen van het belastingverdrag met Nederland?1 2 3
Ja.
Klopt het dat Rusland het belastingverdrag met Nederland wil opzeggen? Zo ja, waarom, per wanneer, en per wanneer is het juridisch gezien ook daadwerkelijk mogelijk? Gaat het om het hele verdrag of om specifieke verdragsartikelen? Wat is de huidige stand van zaken? Welke stappen zijn er gezet sinds de aankondiging van Rusland tot opzegging in augustus 2020?
Nederland is sinds 2014 in onderhandeling met Rusland over een (reguliere) gedeeltelijke herziening van het belastingverdrag. In januari 2020 was er ambtelijke overeenstemming over de gedeeltelijk herziening van het belastingverdrag. In augustus 2020 heeft Rusland Nederland benaderd om de op ambtelijk niveau uitonderhandelde aanpassingen van het belastingverdrag op een aantal onderdelen te herzien om de mogelijkheid te krijgen onder het verdrag (hogere) bronbelastingen te kunnen gaan heffen, ook in gevallen waar geen sprake is van verdragsmisbruik. Dit verzoek is door Rusland aan meerdere landen gedaan, waarbij de selectie van de landen zou zijn gebaseerd op de omvang van uitgaande dividend- en rentebetalingen vanuit Rusland naar die landen. Op basis van de informatie die ik tot mijn beschikking heb, heeft Rusland, naast Nederland, de volgende EU-lidstaten met hetzelfde verzoek benaderd: Cyprus, Malta en Luxemburg. Ook zou Zwitserland zijn benaderd. In relatie tot Cyprus, Malta en Luxemburg zijn de belastingverdragen aangepast conform het Russische verzoek. Die landen zijn echter niet een-op-een te vergelijken met Nederland. Een aanzienlijk deel van de Nederlandse investeringen betreft namelijk het (reële) Nederlandse bedrijfsleven dat op grote schaal investeert en actief is in Rusland. Het voorstel komt er in de kern op neer dat Rusland, ook in gevallen waar geen sprake is van verdragsmisbruik, slechts bereid zou zijn om verdragsvoordelen onder strenge voorwaarden toe te kennen aan beursgenoteerde bedrijven. Één van die voorwaarde is dat een beursgenoteerde vennootschap in Nederland een direct aandelenbelang heeft in een dochtervennootschap in Rusland. Het ligt in de rede dat niet alle beursgenoteerde bedrijven aan alle voorwaarden zullen (kunnen) voldoen. Bedrijven zonder beursnotering, bijvoorbeeld familiebedrijven, zouden in het geheel niet meer in aanmerking komen voor verdragsvoordelen. Slechts een zeer beperkt aantal belastingplichtigen zou dan nog in aanmerking komen voor de verdragsvoordelen. Hiermee wordt onvoldoende rekening gehouden met de belangen van het reële Nederlandse bedrijfsleven. Nederland heeft in dit kader constructieve tegenvoorstellen gedaan.
Nederland heeft geen formele kennisgeving van de beëindiging van het belastingverdrag tussen Nederland en Rusland ontvangen. Wel heb ik via de media vernomen dat Rusland het belastingverdrag wil op zeggen indien er geen akkoord kan worden bereikt en dat de nationale procedure voor beëindiging van het verdrag reeds in de opstartfase zit. De Nederlandse inzet is erop gericht om de gesprekken voort te zetten met als doel alsnog tot overeenstemming te komen.
Het verdrag kan eenzijdig worden beëindigd met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste zes maanden voor het verstrijken van een kalenderjaar. Het belastingverdrag houdt in dat geval op van toepassing te zijn voor belastingjaren- en tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan. Dit houdt in de praktijk in dat de toepassing van het belastingverdrag, kort gezegd, op zijn vroegst per 1 januari 2022 kan worden beëindigd indien Rusland onverhoopt besluit om tot beëindiging over te gaan. Een belastingverdrag kan alleen integraal worden beëindigd. Ik heb geen informatie over hoe andere landen zich voorbereiden op een eventuele beëindiging van het belastingverdrag.
Hoeveel Nederlandse (mkb-)bedrijven doen zaken met/in Rusland of met Russische bedrijven? Op welke manier worden deze Nederlandse bedrijven geraakt wanneer het belastingverdrag door Rusland wordt opgezegd? Kunnen ook individuele personen worden geraakt door het eenzijdig opzeggen van het belastingverdrag?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen 2 en 5 heeft Nederland van Rusland geen formele kennisgeving van de beëindiging van het belastingverdrag ontvangen. Het risico op dubbele belastingheffing wordt groter indien er een verdragsloze situatie zou komen te ontstaan. Voor zover niet op andere wijze in het voorkomen van dubbele belasting is voorzien, zoals in een verdragsloze situatie, is onder omstandigheden een beroep op het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 mogelijk. Dit is een eenzijdige Nederlandse regeling die in voorkomende gevallen en onder bepaalde voorwaarden voorkomt dat belastingplichtigen die in Nederland wonen of gevestigd zijn (binnenlands belastingplichtigen) over hetzelfde inkomen tweemaal belast worden, namelijk in Nederland en in een ander land. Een beroep op het Besluit voorkoming dubbele belastingheffing 2001 zou in voorkomende gevallen voor bedrijven en natuurlijke personen voorkomen dat sprake zal zijn van dubbele belastingheffing wanneer het belastingverdrag met Rusland zou zijn beëindigd. Dat besluit zal echter niet in alle gevallen soelaas bieden. Het belangrijkste gevolg (voor het Nederlandse bedrijfsleven) van een verdragsloze situatie is dat Rusland (hogere) bronbelastingen zal kunnen heffen op uitgaande dividend-, rente- en royaltybetalingen. In de tweede plaats komen deze (hogere) bronbelastingen in relatie tot Rusland in een verdragsloze situatie niet meer voor verrekening in aanmerking. Zonder een belastingverdrag wordt in relatie tot Rusland namelijk geen verrekening gegeven en zullen deze betalingen in beginsel4 zowel in Nederland als in Rusland aan belastingheffing worden onderworpen (dubbele belastingheffing).
Hoewel mij niet bekend is hoeveel in Nederland gevestigde bedrijven in Rusland actief zijn of in Rusland investeren, is mijn indruk – op basis van de bedrijven die zich bij mij hebben gemeld naar aanleiding van de onderhandelingen met Rusland – dat het om substantiële bedrijvigheid in verschillende sectoren gaat. Dit gegeven wordt versterkt door verschillende cijfers over de bilaterale economische relatie tussen Nederland en Rusland5. Zo is Nederland één van grootste handelspartners voor Rusland en is Rusland één van de belangrijkste handelspartners, buiten de Europese Unie, voor Nederland. De gevolgen van een verdragsloze situatie zijn niet alleen schadelijk voor bestaande investeringen maar werpen tevens een drempel op voor nieuwe investeringen.
Deelt u de zorgen over de gevolgen van de eenzijdige opzegging van het belastingverdrag voor Nederlandse (mkb-)bedrijven, zoals het vervallen van belastingafspraken ter voorkomen van het betalen van dubbele belasting? Zo ja, op welke manier kunt u onze Nederlandse (mkb-)bedrijven nu en in de komende periode helpen en informeren over de gevolgen voor de handel met/in Rusland wanneer het belastingverdrag daadwerkelijk door Rusland wordt opgezegd? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die zorgen en vind een verdragsloze situatie tussen Nederland en Rusland daarom onwenselijk. Mijn inzet is en blijft er dan ook op gericht alsnog tot een evenwichtig akkoord te komen. Mocht het verdrag toch onverhoopt eenzijdig worden opgezegd, dan zal ik ervoor zorgdragen dat informatie beschikbaar komt over de beëindiging van het belastingverdrag met Rusland. Een (groot) deel van het bedrijfsleven is zich overigens zeer wel bewust van de mogelijke gevolgen in een dergelijk scenario. Mijn ministerie heeft met hen (al dan niet via VNO-NCW) contact hierover.
Hebben alle Europese lidstaten dezelfde eenzijdige Russische eis ontvangen tot aanpassing van de bilaterale belastingverdragen? Zo nee, welke landen niet en waarom niet? Welke landen wel en hoe bereiden deze lidstaten hun (mkb-)bedrijven voor op de mogelijke gevolgen wanneer wel en wanneer niet wordt ingegaan op de Russische eis? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Het statement van de EU dat meer dan 800 Palestijnen het risico lopen gedwongen te worden uitgezet in Oost-Jeruzalem |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het statement van de EU dat meer dan 800 Palestijnen het risico lopen gedwongen te worden uitgezet in Oost-Jeruzalem als gevolg van rechtszaken die voor Israëlische rechtbanken zijn gebracht, voornamelijk door Israëlische kolonisten?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat deze gedwongen uitzettingen van Palestijnen in bezet gebied een grove schending vormen van het internationaal humanitair recht en internationale mensenrechten? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het bezettingsrecht heeft Israël als bezettende mogendheid specifieke verplichtingen jegens de Palestijnse bevolking. Zo is gedwongen verplaatsing van de burgerbevolking van het bezette gebied niet toegestaan. Het kabinet roept Israël op tot strikte naleving van deze verplichtingen.
Welke stappen onderneemt u om Palestijnse gezinnen in Oost-Jeruzalem te beschermen tegen uitzetting en gedwongen hervestiging?
Nederland en de EU hebben zich met regelmaat in Raadsconclusies en in verklaringen krachtig uitgesproken tegen Israëlische plannen voor gedwongen verplaatsing, en zullen dat blijven doen. Ook in bilaterale contacten – zowel op politiek als ambtelijk niveau – dringen Nederland en de EU er geregeld bij Israël op aan om af te zien van acties die strijdig zijn met internationaal recht, zoals uitzetting, sloop, gedwongen verplaatsingen en de uitbreiding van nederzettingen. Om die positie te onderstrepen, bezoeken Nederlandse en Europese diplomaten regelmatig Palestijnse families die bedreigd worden met gedwongen uitzettingen, o.a. in Oost-Jeruzalem. Nederland financiert daarnaast organisaties die (juridische) steun geven aan Palestijnen in Oost-Jeruzalem.
Bent u bereid om de Israëlische autoriteiten te verzoeken de toepassing van discriminerende wetten die leiden tot de uitzetting van Palestijnse gezinnen en de uitbreiding van nederzettingen in Oost-Jeruzalem, te herzien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Indien deze uitzettingen worden doorgezet, bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een veroordeling van deze acties en voor concrete vervolgstappen?
Zie antwoord vraag 3.
Subsidie aan de organisatie Islamic Relief |
|
Bente Becker (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Hilfsorgansiation Islamic Relief unter Druck»1 en «Kaag geeft moslimbroederschap met slechts 4 andere clubs toegang tot € 37,3 miljoen subsidie»?2
Ja.
Klopt het dat de organisatie Islamic Relief vanuit de Power of Voices-partnerschappen geselecteerd is om subsidie te ontvangen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo ja, hoeveel subsidie bent u voornemens te verstrekken aan deze organisatie?
Islamic Relief Worldwide is een onderdeel van het consortium JISRA dat een voorstel heeft ingediend voor subsidie voor een partnerschap onder Versterking Maatschappelijk Middenveld: Power of Voices Partnerschappen. Op basis van de mij beschikbare informatie heb ik evenwel besloten om Islamic Relief Worldwide geen subsidie te verlenen. Het consortium is hierover geïnformeerd.
Bent u bekend met andere subsidiestromen vanuit de overheid naar Islamic Relief? Zo ja, welke?
Nee, mij zijn geen andere subsidiestromen vanuit de Nederlandse overheid naar Islamic Relief Worldwide bekend.
Heeft deze organisatie in voorgaande jaren subsidie ontvangen van de overheid? Zo ja, hoeveel? Kunt u dit door middel van een overzicht duidelijk maken?
Zie antwoord vraag 3.
Sinds wanneer bent u bekend met de mogelijke banden tussen Islamic Relief en de Moslimbroederschap? Wat heeft u met deze informatie gedaan, toen deze voor het eerst bij u bekend werd?
Maandag 14 december 2020 hoorde ik voor het eerst over deze aantijgingen in de media. Hierop heb ik nadere informatie ingewonnen bij andere donoren van Islamic Relief Worldwide. Op basis van deze informatie heb ik besloten geen subsidie te verlenen aan Islamic Relief Worldwide.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Duitse Bondsregering in het aangehaalde artikel dat Islamic Relief «aanzienlijke persoonlijke banden heeft met de Moslimbroederschap»? Deelt u deze opvatting van de Duitse Bondsregering?
Ik neem die uitspraken, zoals ook verwoord in een kamerbrief aan het Duitse parlement, zeer serieus en heb deze meegenomen in de besluitvorming.
Klopt het dat de Moslimbroederschap een organisatie is met als doelstelling om de invoering van de sharia te realiseren en waarvan de AIVD in het verleden heeft geconstateerd dat diens activiteiten op lange termijn een risico zouden kunnen vormen voor de democratische rechtsorde in Nederland?
De Moslimbroederschap streeft naar islamisering van de samenleving door missie-activiteiten, religieuze opvoeding en welzijnswerk. Het is de inschatting op dit moment van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten dat de kern van de organisatie in ons land slechts uit een beperkt aantal personen bestaat en dat de invloed van de broederschap in Nederland daarmee beperkt is. De ontwikkeling van deze organisatie in Nederland heeft de aandacht van het kabinet.
Klopt het dat de Duitse Bondsregering als gevolg van deze banden tussen Islamic Relief en de Moslimbroederschap besloten heeft om geen (nieuwe) subsidie meer te verstrekken aan Islamic Relief? Zo ja, hoe beoordeelt u dit besluit?
De financiering van de Duitse autoriteiten aan Islamic Relief liep eind 2020 af. De Duitse autoriteiten hebben besloten deze steun niet verder voort te zetten. Ik neem dit besluit zeer serieus en heb dit meegenomen in de besluitvorming.
Bent u bereid in contact te treden met uw Duitse collega om te vernemen wat de exacte redenen waren om niet meer met Islamic Relief in zee te gaan? Kunt u de uitkomsten hiervan met de Kamer delen?
Uit contact met de Duitse autoriteiten is naar voren gekomen dat Duitsland de subsidierelatie niet heeft voorgezet omdat Islamic Relief Worldwide als ook Islamic Relief Duitsland naar Duits inzicht persoonlijke contacten van betekenis onderhoudt met de Moslimbroederschap en/of aanverwante organisaties.
Bent u, gezien het feit dat de samenwerking met Islamic Relief door de Duitse overheid is stopgezet na een waarschuwing van het Bundesamt für Verfassungsschutz, bereid contact te zoeken met de Nederlandse veiligheidsdiensten om te vragen hoe zij aankijken tegen samenwerking met Islamic Relief en de mogelijke banden van deze organisatie met de Moslimbroederschap?
In het besluitvormingsproces is contact geweest met de Nederlandse veiligheidsdiensten.
Klopt het dat Islamic Relief geselecteerd is voor deelname aan een gesubsidieerd programma met als thema «vrijheid van godsdienst»? Hoe is dit te rijmen met de mogelijke banden van Islamic Relief met een organisatie die een religieus wettenstelsel steunt waarin geloofsafval bestraft dient te worden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt Islamic Relief zich tot een andere, in de conclusies van de Parlementaire ondervragingscommissie naar ongewenste beïnvloeding van maatschappelijke en religieuze organisaties in Nederland (POCOB) genoemde, NGO met een vergelijkbare naam, te weten de International Islamic Relief Organisation?
Voor zover mij bekend zijn er geen directe banden tussen deze organisaties.
Hoe is de subsidieverlening aan Islamic Relief te rijmen met de Kamerbreed aangenomen motie van het lid De Roon (Kamerstuk 32 623, nr. 308) die verzoekt «om groepen – al dan niet gewapend – die de sharia (willen) opleggen nooit meer te kwalificeren als «gematigd» en deze groepen in geen geval politieke, materiële of financiële steun te geven»?
De genoemde motie richt zich op strijdgroepen die effectief gezag uitoefenen op basis van islamitisch recht, dan wel dit nastreven. Daarvan is bij Islamic Relief Worldwide geen sprake. Niettemin heb ik op basis van mij thans ter beschikking staande informatie besloten om Islamic Relief Worldwide als consortiumpartner uit te sluiten van financiering.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de Nederlandse overheid Islamic Relief subsidieert? Zo ja, bent u bereid om deze subsidie te voorkomen of stop te zetten?
Ja, ik heb besloten geen subsidie te verlenen aan Islamic Relief Worldwide.
Bent u bereid om daarnaast het gesprek aan te gaan met gemeenten of andere overheden die deze organisatie mogelijk nog wel subsidiëren om hiermee ook onmiddellijk te stoppen, conform de aangenomen motie Becker/Segers3 om geen subsidies meer te (laten) verstrekken aan organisaties waarvan signalen bestaan dat ze de integratie tegenwerken? Zo ja, op welke termijn? Zo nee waarom niet?
Een subsidieverstrekking door een gemeente is een bevoegdheid op het niveau van de gemeenten. Het kabinet treedt niet in deze bevoegdheid. Het is dan ook aan de gemeenten om te beoordelen of deze subsidies een bijdrage leveren aan de participatie in Nederland. Het Rijk informeert gemeenten actief als het over informatie beschikt over problematisch gedrag die relevant is voor die gemeenten(n).
Deelt u de mening dat de subsidierelaties met deze organisatie aantonen dat financiering van organisaties die integratie tegenwerken een onverminderd actueel probleem is? Zo ja, bent u bereid om op korte termijn met gemeenten in gesprek te gaan om bestuurlijke afspraken te maken waarbij primair wordt afgesproken dat organisaties die integratie tegenwerken nooit subsidie kunnen krijgen en dat deze subsidies worden ingetrokken wanneer bijvoorbeeld via de Taskforce blijkt dat er sprake is van problematisch gedrag? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten gaan zelf over het verstrekken van gemeentelijke subsidies en kunnen zelf subsidievoorwaarden stellen. In het algemeen geldt dat door een gemeente gefinancierde activiteiten idealiter een openbaar karakter hebben, een maatschappelijk doel dienen en aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. De beoordeling van subsidieaanvragen vindt primair plaats op basis van de inschatting of de aanvrager voldoet aan de doelstellingen van de subsidieregeling.
Als de Taskforce Problematisch Gedrag en Ongewenste Buitenlandse Financiering tot een inschatting komt dat er sprake is van problematisch gedrag, dan is dat vaak een inschatting zonder rechtstreekse juridische implicaties. Het gaat immers over een potentiële bedreiging, al dan niet op termijn, van de democratische rechtsorde. Wel zou een dergelijke inschatting een rol kunnen spelen in de beoordeling of een organisatie in staat is om effectief de doelstelling van de subsidie in te vullen. De Taskforce of deelnemers daarin benaderen gemeenten actief met voor hen relevante informatie, zie ook het antwoord op vraag 15. Omgekeerd kunnen gemeenten altijd terecht bij de Taskforce als zij vragen hebben over organisaties.
Kunt u deze vragen één-voor-één en binnen de daarvoor gestelde termijn van drie weken beantwoorden?
Nee, dat is helaas niet gelukt.
Hulpprojecten in Hawija uit de Defensiebegroting |
|
Albert van den Bosch (VVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Kabinet trekt 4 miljoen euro uit voor herstel in Hawija na luchtaanval»?1
Ja.
Herinnert u zich de, tijdens het Notaoverleg Burgerslachtoffers van 8 oktober 2020 gedane, toezegging om de Kamer aangaande een mogelijk hulpproject te informeren over het hoe en wat, hoe het uitgevoerd kan worden en hoe het gefinancierd kan worden?
Ja.
Herinnert u zich de toevoeging dat er bij de begroting van Defensie altijd gekeken moet worden waar het vandaan komt, omdat defensie nog steeds een organisatie in herstel is?
Ja.
Kunt u aangeven hoe de uitgave van vier miljoen euro gefinancierd wordt, uit welke post op de begroting dit komt en ten koste van welke andere uitgaven dit plaatsvindt?
Voor de financiering van de vrijwillige vergoeding voor de gemeenschap in Hawija wordt gebruik gemaakt van het Budget Internationale Veiligheid (BIV) dat onderdeel vormt van de Defensiebegroting.2 3 Binnen het BIV bestaat voldoende financiële ruimte om deze kosten te dekken. De financiering van deze kosten gaat daarmee niet ten koste van andere uitgaven bij Defensie.
Het bericht ‘Driejarig meisje gevonden in modder van Moria, na vermoedelijke verkrachting’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Attje Kuiken (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Driejarig meisje gevonden in modder van Moria, na vermoedelijke verkrachting»?1 Deelt u de afschuw over dit gruwelijke bericht?
Ja, ik heb kennis genomen van dit vreselijke bericht. In een interview op de Griekse radio, noemde migratieminister Mitarakis het een tragische gebeurtenis. Ik deel zijn afschuw. Hij sprak daarnaast de hoop uit dat de dader snel geïdentificeerd zou worden. Voor zover bekend is dit nog niet gebeurd.
Deelt u de mening dat kwetsbare mensen, en met name kinderen, niet mogen worden blootgesteld aan dergelijke gevaren en menswaardig moeten worden opgevangen? Bent u van mening dat het nieuwe Moria-kamp op Lesbos op deze vlakken tekort schiet? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt uw mening dat de omstandigheden in de opvangfaciliteiten op de Griekse eilanden nog altijd zorgelijk zijn, ook op het gebied van veiligheid, en maakt zich sterk voor verdere verbeteringen, referte de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 19 januari jl. In aanvulling op deze brief moge het volgende dienen.
Bij de opzet van het nieuwe opvangkamp op Lesbos, Mavrovouni, vormde verbetering van de veiligheid een van de voornaamste doelstellingen van de Griekse autoriteiten. Het kale feit dat, in tegenstelling tot Moria, alle migranten en vluchtelingen binnen de parameters van het kamp Mavrovouni onderdak en voorzieningen worden geboden is de veiligheid reeds ten goede gekomen. De aanwezigheid van een 300-koppige permanente politiemacht – in drie dagelijkse diensten van steeds 100 politiemensen –, cameratoezicht en meer verlichting in de avond hebben de veiligheidssituatie verder verbeterd. Ook de strenge regulering van in- en uitloop (mede vanwege coronamaatregelen) komt de veiligheid ten goede. De gebeurtenis waarnaar u in uw vraag verwijst is, hoe afschuwelijk ook, niet exemplarisch voor de veiligheidssituatie in Mavrovouni.
Ook in den brede doet het kenmerken van Mavrovouni als een «nieuw» Moria geen recht aan de realiteit, noch aan de geleverde inspanningen van de Griekse autoriteiten, de Europese Commissie en (internationale) organisaties. De opvangomstandigheden op Lesbos, zo stellen ook deze partijen waaronder Commissaris Johansson, zijn voor de meeste migranten en vluchtelingen onmiskenbaar verbeterd ten opzichte van een jaar geleden. Dit beeld is zeer recent nog bevestigd door de Nederlandse ambassadeur te Griekenland, op basis van haar werkbezoek aan Mavrovouni op 28 januari jl.
Griekenland heeft in de periode na de branden in Moria ook geen nieuwe hulpverzoeken meer gedaan. Ook op andere Griekse eilanden zijn de problemen in omvang afgenomen, geholpen door de significante afname van het aantal migranten en vluchtelingen dat op de eilanden verblijft: van 42.000 naar 17.000 in de tijdspanne van een jaar. Bovendien wordt door de Taskforce Griekenland van de Europese Commissie gewerkt aan nieuwe, permanente en structureel verbeterde faciliteiten, zogenaamde Multi Purpose Reception and Identification Centres (MPRICs), op alle eilanden. Op Leros en Kos zijn deze reeds in gebruik; in geval van Lesbos wordt oplevering voorzien in september 2021. Daarnaast is het nieuwe centrum op Samos, met een capaciteit van 1.000 personen, nagenoeg gereed voor gebruik. De oplevering van de MPRIC voor Chios is voorzien in december 2021.
Daarnaast kan ik u melden dat het onderzoek van de Griekse autoriteiten naar de aanwezigheid van loodvervuiling in het opvangkamp Mavrovouni uitwijst dat het loodgehalte in de woonzones binnen de aanvaardbare limieten valt.2 Zoals bekend is het opvangkamp gebouwd op militair terrein en is een deel hiervan (21.000 van de in totaal 341.000 vierkante meter) in het verleden door het Griekse leger gebruikt voor schietoefeningen. Een monster dat is genomen buiten de woonzone had een loodgehalte dat de wettelijke limiet overschreed. Naar aanleiding van de bevindingen worden momenteel op relevante plekken extra voorzorgsmaatregelen genomen, zoals ophoging met schone grond en het leggen van cementbases voor openbare ruimtes.
Hogergenoemde verbeteringen nemen niet weg dat de omstandigheden in de opvangfaciliteiten op de Griekse eilanden, waaronder in het nieuwe opvangkamp, niet aan alle standaarden voldoen en verdere, structurele verbeteringen nodig zijn. De Taskforce ondersteunt de Griekse autoriteiten bij het doorvoeren van structurele verbeteringen op het gebied van o.a. asiel- en terugkeerprocedures, opvang en integratie van statushouders en veiligheid van migranten en vluchtelingen. Nederland heeft diverse experts aan de Taskforce verbonden om hieraan een bijdrage te leveren. EASO meldde overigens medio januari jl. dat de achterstanden in de aanvragen van asielzoekers op de eilanden merendeels zijn weggewerkt.
Deelt u de mening dat toekijken hoe de humanitaire ramp die zich daar ontwikkelt niet langer tot de mogelijkheden behoort? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u op korte termijn doen om de omstandigheden in de Griekse opvangkampen te verbeteren? Bent u specifiek bereid om zich samen met de Griekse autoriteiten en de Europese Commissie in te zetten om de veiligheid van kwetsbare mensen en kinderen te vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, gezien de onmenselijke omstandigheden, een groter aantal kwetsbare mensen op te nemen in Nederland? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de motie Voordewind c.s. heeft het kabinet zich maximaal ingespannen om invulling te geven aan het herplaatsingsaanbod n.a.v. de humanitaire noodsituatie als gevolg van de branden in Moria. Het kabinet is niet voornemens om een additioneel herplaatsingsaanbod te doen.
Naar aanleiding van het Griekse herplaatsingsverzoek uit september 2019 hebben dertien lidstaten en drie geassocieerde Europese landen op verschillende momenten toezeggingen gedaan om in totaal circa 5.200 personen, waarvan 1.600 amv, vanuit Griekenland te herplaatsen. IOM, samen met EASO, UNHCR en UNICEF, ondersteunt in opdracht van de Europese Commissie de Griekse autoriteiten bij deze operatie. De organisatie meldt dat op peildatum 22 januari 2021 elf lidstaten in totaal 2.269 asielzoekers en statushouders hadden herplaatst, waarvan 586 amv.
Het Brexit-akkoord |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat er nog steeds geen Brexit-deal is tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie, terwijl de overgangstermijn op 1 januari 2021 afloopt en dus geen raamwerk is voor handel en andere zaken daarna met een van onze belangrijkste handelspartners en buurlanden?
De onderhandelaars hebben op 24 december 2020 een akkoord bereikt over het toekomstig partnerschap tussen de EU en het VK en de juridische tekst van dit akkoord is inmiddels ook gepubliceerd. Voor een inhoudelijke appreciatie verwijst het kabinet naar de brief die gelijktijdig met de beantwoording op deze vragen naar uw Kamer is verstuurd.
Heeft de Nederlandse regering zelf al de beschikking over de uitonderhandelde teksten en bijlagen bij het akkoord? Zo ja, kunt u dan precies vertellen over welke teksten u nu beschikt?
De juridische tekst van het op 24 december bereikte akkoord is inmiddels gepubliceerd.
Herinnert u zich dat het uittredingsakkoord eigenlijk zonder fatsoenlijke discussie en bestudering aan beide zijden geratificeerd is en dat de Britse regering zelf niet duidelijk leek te beseffen wat zij hadden getekend over Noord-Ierland?
Gedurende de onderhandelingen over de terugtrekking van het VK uit de EU heeft het kabinet zich er steeds voor ingespannen om het Nederlandse parlement zo snel en volledig mogelijk te informeren over de stand van zaken. Het conceptterugtrekkingsakkoord werd gepubliceerd op 14 november 2018. Hierover heeft uw Kamer een schriftelijke appreciatie ontvangen op 18 november 2018.1 Ook heeft toen een schriftelijk overleg plaatsgevonden waarin op 18 november 2018 door het kabinet 88 vragen zijn beantwoord over het toen bereikte akkoord.2 Op 21 november 2018 vond een technische briefing plaats over het conceptterugtrekkingsakkoord. Vervolgens heeft er op 22 november 2018 een notaoverleg plaatsgevonden in aanwezigheid van de Minister-President in aanloop naar de Europese Raad van 25 november 2018 waar het Terugtrekkingsakkoord en de Politieke Verklaring over de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK werden bekrachtigd. Uiteindelijk is na verdere onderhandelingen met de regering van de nieuwe Britse premier Johnson op 17 oktober 2019 een akkoord bereikt over een aangepaste versie van het Terugtrekkingsakkoord, met vooral aanpassingen in het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland. Hierover heeft uw Kamer een schriftelijke appreciatie ontvangen op 19 oktober 2019.3 Na ratificatie door zowel de EU als het VK is dit akkoord in werking getreden op 1 februari 2020.
Klopt het dat de luchtvaart deel uitmaakt van de onderhandelingen en dat luchtvaart een gemengde competentie is tussen de EU en de Lidstaten?
Luchtvaart vormt één van de onderwerpen in het bereikte akkoord. De onderwerpen die onderdeel uitmaken van het akkoord zijn onder te verdelen in de volgende categorieën, waarbij steeds sprake is van een EU bevoegdheid: 1) onderwerpen die vallen onder de exclusieve EU bevoegdheden; 2) onderwerpen die vallen onder tussen de EU en de lidstaten gedeelde bevoegdheden; en 3) onderwerpen die vallen onder ondersteunende, coördinerende of aanvullende bevoegdheden van de EU.
Klopt het dat het akkoord dus een gemengd akkoord zal zijn, dat alle nationale parlementen (waaronder de Tweede Kamer en de Eerste Kamer) moeten ratificeren voordat het formeel ingaat?
De onderwerpen die onderdeel uitmaken van het akkoord zijn onder te verdelen in de volgende categorieën, waarbij steeds sprake is van een EU bevoegdheid: 1) onderwerpen die vallen onder de exclusieve EU bevoegdheden; 2) onderwerpen die vallen onder tussen de EU en de lidstaten gedeelde bevoegdheden; en 3) onderwerpen die vallen onder ondersteunende, coördinerende of aanvullende bevoegdheden van de EU. Er is derhalve in dit geval geen juridisch dwingende reden om een gemengd akkoord te sluiten. Voor een appreciatie van de juridische aard van het akkoord verwijs ik u naar de brief die uw Kamer op 25 december heeft ontvangen.4
Indien u (nu nog steeds) niet zeker weet of het akkoord een gemengd akkoord is, bent u dan bereid om na ontvangst van het akkoord onmiddellijk een brief aan de Kamer te doen toekomen met de appreciatie of het akkoord een gemengd akkoord is of niet en waarop die opvatting is gebaseerd?
De onderhandelaars hebben op 24 december 2020 een akkoord bereikt over het toekomstig partnerschap tussen de EU en het VK en de juridische tekst van dit akkoord is inmiddels ook gepubliceerd. Voor een appreciatie van de juridische aard van het akkoord verwijs ik u naar de brief die uw Kamer binnen 24 uur van het verschijnen van het akkoord heeft ontvangen, zoals verzocht door de Vaste Kamercommissie Europese Zaken in de procedurevergadering d.d. 18 december jl.5
Indien luchtvaart niet geregeld is in het akkoord, hoe wordt het dan wel geregeld? Wordt daarvoor een separaat akkoord afgesloten?
Luchtvaart maakt onderdeel uit van het bereikte akkoord over het toekomstig partnerschap tussen de EU en het VK.
Kunt u, indien er een akkoord is, een precieze appreciatie geven van ieder hoofdstuk en iedere bijlage bij het akkoord, voordat u instemt (of niet) met het akkoord in de Raad?
De onderhandelaars hebben op 24 december 2020 een akkoord bereikt over het toekomstig partnerschap tussen de EU en het VK en de juridische tekst van dit akkoord is inmiddels ook gepubliceerd. Voor een inhoudelijke appreciatie verwijst het kabinet naar de brief die gelijktijdig met de beantwoording op deze vragen naar uw Kamer is verstuurd.
Indien het akkoord nu nog niet rond is, bent u dan wel in staat om de tekst van het akkoord goed te bestuderen en te beoordelen en te delen met het Nederlandse parlement voordat u instemming gaat verlenen?
De onderhandelaars hebben op 24 december 2020 een akkoord bereikt over het toekomstig partnerschap tussen de EU en het VK en de juridische tekst van dit akkoord is inmiddels ook gepubliceerd. Voor een inhoudelijke appreciatie verwijst het kabinet naar de brief die gelijktijdig met de beantwoording op deze vragen naar uw Kamer is verstuurd.
Hoeveel tijd heeft de Nederlandse regering nodig om een ingewikkeld akkoord van honderden pagina’s zoals het Brexit-akkoord, te doorgronden op al haar gevolgen?
De onderhandelaars hebben op 24 december 2020 een akkoord bereikt over het toekomstig partnerschap tussen de EU en het VK en de juridische tekst van dit akkoord is inmiddels ook gepubliceerd. Voor een inhoudelijke appreciatie verwijst het kabinet naar de brief die gelijktijdig met de beantwoording op deze vragen naar uw Kamer is verstuurd.
Is het Europees parlement in staat om het akkoord goed te bestuderen in de korte tijd die zij krijgt?
Aangezien het Europees parlement (EP) heeft aangegeven een bereikt akkoord niet meer voor het aflopen van de overgangsperiode goed te kunnen keuren, is voorlopige toepassing de enige manier om het akkoord over het toekomstig partnerschap tussen de EU en het VK per 1 januari 2021 van toepassing te laten worden. Hiertoe dient aan EU-zijde de Raad een besluit tot ondertekening en voorlopige toepassing van het akkoord vast te stellen op grond van artikel 218(5) VWEU. Het akkoord zal vervolgens in het nieuwe jaar ter goedkeuring aan het Europees parlement voorliggen. Daarbij gaat het EP over zijn eigen agenda.
Vindt u dat het van burgers en bedrijven verwacht mag worden dat zij zich vanaf 1 januari aanstaande aan een juridische tekst van een akkoord van honderden pagina’s moeten gaan houden, terwijl die tekst twee weken eerder nog niet beschikbaar is?
Gezien het verloop van de onderhandelingen is het akkoord helaas pas kort voor het aflopen van de overgangsperiode gepubliceerd. Het kabinet had liever gezien dat een akkoord al eerder was bereikt, om zo vroeg mogelijk voor het aflopen van de overgangsperiode helderheid en duidelijkheid te verschaffen voor belanghebbenden. Het kabinet zorgt zo snel als mogelijk voor een vertaling van voor burgers en bedrijven relevante onderdelen van het akkoord in de communicatie via websites en andere kanalen en zal ook de daarop benodigde aanpassingen in systemen van overheden zo snel mogelijk uitvoeren. In alle gevallen zijn de voorbereidingen erop gericht geweest dat een akkoord met het VK vanaf 1 januari kan worden toegepast en geïmplementeerd. Het bereiken en per 1 januari 2021 van toepassing worden van het bereikte akkoord is verkieslijk boven een no deal situatie die voor belanghebbenden tot veel verstoringen en (economische) schade zou leiden.
Bent u bereid om, bijvoorbeeld gebruik makend van artikel 24 van het WTO-verdrag, ervoor te zorgen dat er voldoende tijd is voor regeringen, parlementen, bedrijven en burgers om dit akkoord te bestuderen, goed te keuren en te implementeren voordat het ingaat?
De overgangsperiode kon tot 1 juli 2020 worden verlengd middels een gezamenlijk besluit van de EU en het VK in het Gemengd Comité van het Terugtrekkingsakkoord. Het VK heeft ervoor gekozen de overgangsperiode niet te verlengen. Verlenging van de overgangsperiode is op basis van het terugtrekkingsakkoord zodoende niet langer mogelijk. Met het aflopen van de overgangsperiode zullen er veranderingen in de handel tussen het VK en de EU optreden, ongeacht of een akkoord van toepassing is. Het VK treedt op dat moment uit de douane-unie en het EU-acquis is niet langer van toepassing in het VK. Als het juridisch en politiek gezien al een begaanbare weg zou zijn om artikel XXIV van het GATT-verdrag te gebruiken, dan zou dit geen uitkomst bieden om de verstoringen die op een breed aantal terreinen voortvloeien uit het aflopen van de overgangsperiode te voorkomen. Het bereiken en per 1 januari 2021 van toepassing worden van het bereikte akkoord is verkieslijk boven een no deal situatie die voor belanghebbenden tot veel verstoringen en (economische) schade zou leiden.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen een week beantwoorden?
Deze vragen zijn binnen de daarvoor geldende termijn beantwoord.
Het bericht waarin oud-Dutchbatters vinden dat er alsnog erkenning moet komen van overheid, defensie en media. |
|
Albert van den Bosch (VVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht: «Oud-Dutchbatters: overheid, defensie en media moeten alsnog met erkenning komen»?1
Het krantenartikel waar u naar verwijst is gepubliceerd naar aanleiding van de presentatie van het rapport «Focus op Dutchbat-III» en de aanbevelingen van de begeleidingscommissie Borstlap. Ik heb het rapport en de aanbevelingen op 14 december jl. in ontvangst mogen nemen tijdens een presentatie in Nieuwspoort. Met mijn brief (Kamerstuk 26 122, nr. 48. van 14 december 2020) heb ik deze documenten aan uw Kamer toegestuurd. Daarbij heb ik aangegeven dat ik begin 2021 mijn beleidsreactie zal geven. Deze heb ik u vandaag toegezonden.
Hoe beoordeelt u dat één op de drie oud-Dutchbatters een actuele behoefte heeft aan zorg of ondersteuning?
Het is van groot belang om de juiste zorg, waardering en erkenning te geven aan de Dutchbat-veteranen. Dat is ook de reden dat ik er uitvoerig onderzoek naar heb laten doen. Het onderzoeksrapport en de aanbevelingen zijn voor mij daarom belangrijke documenten. In mijn beleidsreactie – die u vandaag ontving – ben ik nader ingegaan op deze vragen.
Om handen en voeten te kunnen geven aan de aanbevelingen, is er uiteraard voldoende budget nodig. De financiële consequenties van het overnemen van de aanbevelingen zullen bij Voorjaarsbesluitvorming in overleg met de ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken worden gedekt op de departementale begroting.
Hoe kan het dat één op de vijf hulpbehoevende veteranen geen professionele hulp ontvangt, terwijl zij aangeven dat wel nodig te hebben?
Elke veteraan die bij Defensie aangeeft dat hij of zij hulp nodig heeft, kan dat ontvangen. Dat is niet alleen belangrijk voor Defensie maar het vloeit ook voort uit de Veteranenwet en het Veteranenbesluit. Voor goede en snelle zorg is het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen opgezet. Het loket voor zorg is 24-uur per dag geopend en zeven dagen in de week. Helaas komt het voor dat er veteranen zijn die zich nog niet hebben gemeld voor hulp of dat wel willen ontvangen maar niet van Defensie. Ik raad hen aan om (toch) deze stap te zetten. In beginsel levert het LZV voor elke hulpvraag een aanbod op maat. Dat geld niet alleen voor Dutchbat-veteranen – waar nu het onderzoek op gericht is geweest – maar voor elke veteraan. Uit het onderzoek “Veteraan, hoe gaat het u?” gepubliceerd in 2019 en het onderzoek onder ISAF-veteranen dat begin 2020 is gepubliceerd, is bekend dat er groepen veteranen zijn die zorg mijden en om die reden lastig te bereiken zijn. In de beleidsreactie ben ik ook op dat thema ingegaan. Alle Dutchbat-III-veteranen en hun thuisfront ontvangen binnenkort een brief, waarin zij expliciet worden uitgenodigd om contact op te nemen met het zorgloket indien zij nog professionele hulp behoeven vanwege de uitzending.
Gaat u zo snel mogelijk maatwerk leveren om deze groep te helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid ook te kijken of er bij andere groepen veteranen ook een dergelijke substantiële groep is die tussen wal en schip valt?
Zie antwoord vraag 3.
Gaat u mee in de visie van de oud-Dutchbatters dat erkenning van Defensie tekort schiet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u zich er maximaal voor inzetten dat de oud-Dutchbatters adequate extra hulp ontvangen zonder dat zij hiervoor eerst juridische stappen moeten zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen voor de oud-Dutchbatters die zich onvoldoende gewaardeerd voelen door Defensie?
Zie antwoord vraag 2.
De stand van zaken rond de gebreken aan de F-35 vliegtuigen (Joint Strike Fighters) |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
![]() |
Hoeveel van de 883 geconstateerde ontwerpfouten van de F-35 toestellen zijn op dit moment nog niet opgelost?1
Zoals ik eerder schriftelijk heb geantwoord op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2145) d.d. 3 april 2019 alsmede in de eenentwintigste voortgangsrapportage project Verwerving F-35 (Kamerstuk 26 488, nr. 461) d.d. 15 september 2020, is de lijst van tekortkomingen, dus ook die van de zogeheten category 1 deficiencies (hierna te noemen categorie 1 tekortkomingen), een momentopname en aan veranderingen onderhevig en variëren deze in aantal. Dat geldt ook voor de lijst van tekortkomingen per subcategorie, die breder is dan «Open in Dispute» en «Open No Plan to Correct».
De onderkende tekortkomingen worden in volgorde van prioritering beoordeeld en vervolgens opgelost. Tegelijkertijd kunnen nieuwe tekortkomingen op de lijst worden geplaatst ter beoordeling. Het F-35 Joint Program Office (JPO) stelt vast dat van de categorie 1 tekortkomingen er negen betrekking hebben op de F-35A (peildatum 29 december 2020), het type jachtvliegtuig dat Nederland verwerft.
Voor alle nog openstaande categorie 1 tekortkomingen zijn maatregelen genomen om het risico te verlagen of volledig weg te nemen. Deze maatregelen hebben o.a. betrekking op het aanpassen van operationele procedures of het doorvoeren van software- of hardware wijzigingen. Het zogeheten restrisico dient na implementatie van de mitigerende maatregelen op een voor Nederland acceptabel niveau te liggen. Een categorie 1 tekortkoming verdwijnt pas van de lijst van het JPO als deze daadwerkelijk opgelost is, in sommige gevallen vergt dat meer tijd. Vanwege de classificering van deze informatie kan ik uw Kamer in deze brief geen details verstrekken over de specifieke aard van de categorie 1 tekortkomingen en de getroffen maatregelen.
Ook bij de volgende fase, de doorontwikkeling van de F-35, zullen waarschijnlijk continu nieuwe tekortkomingen worden geconstateerd en gecorrigeerd. Dit is het resultaat van het naleven van strenge eisen die gericht zijn op het optimaliseren van de capaciteit van het vijfde generatie jachtvliegtuig, dat gekenmerkt wordt door hoogwaardige technologie, alsmede het garanderen van de vliegveiligheid van het materieel en het betrokken personeel.
Volgens het JPO is het totaal aantal geregistreerde tekortkomingen 875 (peildatum 28 december 2020), inclusief tekortkomingen in het kader van de doorontwikkelingen. Deze tekortkomingen hebben onder meer betrekking op het vliegtuig zelf alsmede de ondersteunende software en trainingsmiddelen. Ook de lijst van totale tekortkomingen blijft een momentopname en is aan veranderingen onderhevig. In de tekortkomingenlijst zijn ook bevindingen opgenomen die afwijken van de ontwerpeisen, maar deze tekortkomingen doen geen afbreuk aan de effectieve inzetmogelijkheden. Een groot deel van deze bevindingen worden waarschijnlijk niet als tekortkoming gezien en blijven daarom onopgelost. Deze worden door het F-35 programma na een grondige beoordeling geaccepteerd en aan het eind van de testfase afgesloten.
Welk deel hiervan is «open, in dispute» en welk deel is erkend door «contractors»?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat 162 geconstateerde ontwerpfouten nooit meer zullen worden opgelost? Waarom worden bepaalde fouten niet hersteld en wat zijn daarvan de risico’s en gevolgen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel ernstige («category 1») gebreken, die bijvoorbeeld gevaarlijk kunnen zijn voor vliegers, zijn er op dit moment nog? Kunt u deze gebreken omschrijven?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel van de 873 «software-bugs» zijn op dit moment nog niet opgelost?
Het in het artikel genoemde aantal van 873 betreft waarschijnlijk het totaal aantal openstaande tekortkomingen (peildatum 4 november 2019), zoals gerapporteerd in het jaarlijkse rapport van Office of the Director of Operational Test & Evaluation (DOT&E) op 30 januari 2020. Zoals vermeld hebben deze tekortkomingen betrekking op het vliegtuig zelf alsmede de ondersteunende software en trainingsmiddelen en zijn deze een momentopname.
In het op 13 januari jl. gepubliceerde jaarrapportage van DOT&E worden 871 openstaande tekortkomingen gemeld (peildatum 2 oktober 2020), waaronder 10 categorie 1 tekortkomingen. Zoals vermeld, blijft de lijst van totale tekortkomingen een momentopname en is deze aan veranderingen onderhevig.
Is op dit moment bekend waarom brandstofleidingen kunnen exploderen, waardoor de vliegtuigen niet kunnen vliegen tijdens onweer (omdat blikseminslag vermeden moet worden)?2 Zo ja, wat is de oorzaak van het probleem en wanneer is dit opgelost?
Het JPO heeft de landen met een F-35A-vliegtuigen, waaronder Nederland, geïnformeerd dat er beschadigde leidingen van het On-Board Inert Gas Generation System (OBIGGS) zijn geconstateerd. Hierdoor kunnen de overige brandstoftanks onvoldoende inert worden gemaakt of gehouden. Het inert maken van brandstoftanks zorgt ervoor dat de kans op explosie van brandstofdampen bij bijvoorbeeld een blikseminslag tot een minimum wordt beperkt. Het is thans nog niet bekend wanneer een definitieve oplossing beschikbaar is. De oorzaak met betrekking tot de beschadigde leidingen van het OBIGGS wordt momenteel met hoge prioriteit onderzocht door fabrikant Lockheed Martin in samenwerking met het JPO. Op basis van dit onderzoek, inclusief testvluchten, vindt naar verwachting een herontwerp van de OBIGSS-leidingen plaats, waarmee de vliegbeperking in de omgeving van onweer kan worden opgeheven. De huidige beperking heeft tot op heden nauwelijks gevolgen gehad voor de inzet van de Nederlandse F-35 jachtvliegtuigen die hun geplande vlieguren halen.
Wat zijn alle (te verwachten) kosten van het oplossen van zowel de ontwerp als de softwarefouten?
Het F-35 programma heeft een wapensysteem ontwikkeld op basis van een operationeel pakket van eisen, die in een ontwikkelingscontract met de fabrikanten Lockheed Martin en Pratt & Whitney zijn vastgelegd. Dit is, zoals gebruikelijk bij een Amerikaans ontwikkelprogramma, een zogenaamd cost-plus contract waarin een inspanningsverplichting voor de fabrikant is opgenomen om de contractuele eisen te realiseren. Inmiddels is de ontwikkelingsfase (ook wel bekend als de fase System Design and Development) voltooid en is het JPO nog bezig met de afwikkeling van het contract. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre door de fabrikanten aan de contractuele eisen is voldaan en worden afspraken over de verdere afwikkeling van het ontwikkelingscontract gemaakt.
Eventuele verbeteringen die aan het einde van de ontwikkelingsfase zijn vastgesteld, worden desgewenst meegenomen in de doorontwikkelingsfase van het vliegtuig. Nederland draagt hier niet meer aan bij dan volgens de in het F-35 programma reeds overeengekomen kostenverdeelsleutel (de zogeheten cost share ratio). De ramingen voor de totale doorontwikkeling zijn in de exploitatiekosten opgenomen en maken deel uit van de programmakosten.
Welke concrete inspanningen zijn er (geweest) om deze kosten te verhalen op bijvoordeeld de leverancier van de vliegtuigen? Wat is het Nederlandse deel van de eventuele claims?
Zie antwoord vraag 7.
Welk tijdpad is gekoppeld aan het oplossen van alle gebreken?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de analyse van een deskundige3, die aangeeft dat de F-35 weinig tot geen meerwaarde heeft, en dat voor een fractie van de kosten beter een «updated legacy aircraft» gekozen had kunnen worden? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de punten dat de F-35 kansloos zou zijn in luchtgevechten tegen andere geavanceerde vliegtuigen en dat het enige voordeel van de F-35, de stealth technologie, bij een ander toestel (de F-22) al simpelweg beter is?
De F-35 zal moeten voldoen aan alle gestelde operationele en technische eisen, waaronder die betreffende stealtheigenschappen. Over de specifieke operationele capaciteiten van de F-35, inclusief beweringen over eventuele kwetsbaarheden van het systeem, kan ik uw Kamer vanuit veiligheidsoverwegingen echter geen verdere informatie doen toekomen.
Het Amerikaanse F-22 jachtvliegtuig is niet voor export beschikbaar en derhalve wordt met Nederland geen specifieke kennis over de technische kenmerken van het toestel gedeeld.
Erkent u dat, gelet op alle kostenoverschrijdingen, door niet gehaalde deadlines (ontwerpfouten, sofwarefouten, tekorten aan reserveonderdelen en gedateerde strategische inzetbaarheid) de aanschaf van de F-35 vliegtuigen een grote fout is (geweest)? Zo nee, kunt u beargumenteerd uitleggen waarom niet?
De verwerving van de F-35 betekent een aanzienlijke versterking van de krijgsmacht en verschaft onze militairen het beste materieel voor de uitoefening van hun grondwettelijke taken, zoals o.a. de bewaking van het Nederlandse luchtruim, inzet bij conflictsituaties en de bestrijding van (terreur-) en andere dreigingen. Zoals ook aangegeven in het DMP-D Document Vervanging F-16 (kenmerk 2014D46793) en de eenentwintigste voortgangsrapportage project Verwerving F-35, wil Nederland met de F-35 zes missietypen veilig en effectief kunnen uitvoeren. De kandidatenvergelijking in 2008 heeft aangetoond dat de F-35 het meest geschikt is om alle zes missietypen uit te kunnen voeren.
Zoals ik ook tijdens het Wetgevingsoverleg Personeel en Materieel Defensie d.d. 30 november jl. heb toegelicht, zijn de ervaringen met de Nederlandse F-35 jachtvliegtuigen tot dusverre positief. Dat oordeel baseert Defensie op de eigen ervaringen met de vliegtuigen die sinds 2019 vanuit Nederland opereren alsmede de ervaringen in de Verenigde Staten waar Defensie F-35 personeel opleidt en waar Nederland sinds 2013 bijzondere kennis en ervaring heeft opgedaan door deelname in het Initiële Operationele Test en Evaluatie fase met andere internationale partners.
Er is op dit moment geen aanleiding te veronderstellen dat de belangrijkste mijlpalen, te weten de initiële operationele inzetbaarheid eind 2021 en volledige operationele inzetbaarheid in 2024, niet worden gehaald. Deze mijlpalen worden in belangrijke mate bepaald door het behalen van operationele doelstellingen, opgeleid personeel en het succesvol behalen van bepaalde trainingsdoelstellingen. Zoals gerapporteerd in de laatste voortgangsrapportage project Verwerving F-35, zal de Nederlandse F-35 vloot in 2024 alle taken over kunnen nemen van de F-16.
Miskenning door Nederlandse regering van de Joodse relatie met de Tempelberg te Jerusalem |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de in de Eerste Kamer aangenomen motie1 om «zoveel mogelijk tegen de VN-resoluties te stemmen waarin naar de Tempelberg verwezen wordt met alleen de Arabische naam» en dat u heeft gezegd «met die motie te kunnen leven»?
Ja.
Onderschrijft u dat het Jodendom een historische en religieuze relatie heeft met de Tempelberg? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft de historische, religieuze en culturele connectie van alle drie monotheïstische religies, waaronder het Jodendom, met de heilige plaatsen in Jeruzalem. Op aandringen van Nederland en de EU is vorig jaar in resolutie A/RES/74/89, de voorganger van A/RES/75/98, een paragraaf opgenomen die het belang van Jeruzalem en de heilige plaatsen voor deze religies onderstreept (zie ook Kamerbrief d.d. 26 november 2019, met kenmerk 23 432, nr. 475).
Waarom was het naar uw mening onmogelijk om in de Algemene Vergadering van de VN te stemmentegen de resolutie A/Res/75/98 (ingediend door Cuba e.a.), waarin de Tempelberg uitsluitend met de naam Haram al-Sharif werd aangeduid?2
Nederland beoordeelt iedere resolutie op zijn totale inhoud en merites. Op basis van deze beoordeling heeft Nederland, samen met het overgrote deel (22) van de andere EU-lidstaten, vóór resolutie A/RES/75/98 gestemd. De term Haram al-Sharif betreft één aspect van deze resolutie, die voorts dankzij de inzet van Nederland en de EU het belang van Jeruzalem en de heilige plaatsen voor de drie monotheïstische religies bevestigt. De paragraaf staat in de preambule, en bevat geen oproep tot handelen. Zoals tevens benoemd tijdens de recente Begrotingsbehandeling hangt het van de totale inhoud van de resolutie af of Nederland deze per saldo steunt (zie stenogram Begroting Buitenlandse Zaken (Kamerstuk 35 570-V) voortzetting). Inhoudelijk roept de resolutie in de operationele paragrafen onder meer Israël op af te zien van de sloop van Palestijnse huizen en te stoppen met uitbreidingen van nederzettingen in bezet Palestijns gebied. Het kabinet ondersteunt deze oproepen, die noodzakelijk blijven in het kader van de recente ontwikkelingen zoals de aankondiging van nederzettingenuitbreidingen in Givat Hamatos en de sloop van het Palestijnse dorp Khirbet Hamsa al-Foqa. Daarnaast veroordeelt de resolutie tevens uitingen van terrorisme en raketbeschietingen door Hamas. In het licht van deze evenwichtige inhoudelijke aspecten, die aansluiten bij het Nederlandse en Europese beleid inzake het MOVP, en waar Nederland zowel bilateraal als in multilateraal verband beide partijen op aanspreekt, heeft Nederland op 4 november jl. in de Vierde Commissie van de Algemene Vergadering vóór resolutie A/RES/75/98 gestemd (zie ook Kamerbrief van 1 december jl. met kenmerk 35 570-V, nr. 63).
Op 10 december jl. vond in de plenaire Algemene Vergadering de herbevestiging plaats van de resoluties die eerder op 4 november in de Vierde Commissie waren aangenomen. Deze stemming betreft normaliter een bevestiging van de eerdere stemming, terugkomen op reeds uitgebrachte stem is ongebruikelijk en tevens onwenselijk. Nederland stemde hier, evenals andere EU-lidstaten, conform stemposities in de Vierde Commissie en herhaalde derhalve de voorstem t.a.v. resolutie A/RES/75/98.
Heeft Nederland pogingen ondernomen om voor de stemming een tekstwijziging in de resolutie aan te laten brengen door daarin (ook) de benaming Tempelberg op te laten nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke pogingen zijn dan in het werk gesteld en waarom werden deze niet overgenomen?
Nederland heeft in EU-verband met de Palestijnse delegatie onderhandeld over de concept-resoluties (zie tevens de Kamerbrief van 17 november jl. (2020D46407). Onderdeel van deze onderhandelingen betrof de benaming van de heilige plaatsen, waarbij Nederland en de EU zich hebben ingezet voor een formulering die recht doet aan de belangen van de drie monotheïstische religies. Concreet is aan de Palestijnse delegatie het verzoek voorgelegd de term Haram al-Sharif te verwijderen. In het kader van deze onderhandelingen over het totale pakket van resoluties heeft de Palestijnse delegatie een aantal voorstellen van EU-zijde geaccepteerd, doch dit specifieke verzoek niet.
Bent u bereid uw excuses aan Israël aan te bieden voor uw laakbare stemgedrag?
Nee. Nederland beoordeelt, als soeverein land, iedere resolutie op zijn inhoud en merites. Dat laat onverlet dat Nederland nauwe en warme relaties onderhoudt met Israël.
Schade die de Palestijnse NGO UAWC lijdt door opschorting van Nederlandse financiering |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Israël frustreert EU-projecten voor Palestijnen»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de opschorting van Nederlandse financiering «nu al grote gevolgen» voor de Union of Agricultural Work Committees (UAWC) heeft, in het bijzonder voor het strategische project in de C-gebieden op de Westelijke Jordaanoever dat Nederland sinds 2013 heeft gefinancierd?
Als gevolg van het besluit op 9 juli 2020 om verdere betalingen aan UAWC op te schorten zijn verdere betalingen van het resterende bedrag, USD 1.082.395, aangehouden. Dit besluit heeft ertoe geleid dat toen reeds gemaakte kosten en goedgekeurde uitgaven met een totale waarde van USD 345.666,91 niet meer vergoed konden worden uit de geplande Nederlandse bijdrage.
Wilt u de financiële en economische schade en de humanitaire gevolgen die de opschorting van Nederlandse financiering bij projecten, begunstigden (vooral boeren) en onderaannemers van UAWC in de periode tot 1 december 2020 heeft veroorzaakt en gehad, nader toelichten en zoveel mogelijk kwantificeren? Wilt u in uw antwoord de verscherpte omstandigheden als gevolg van de coronacrisis betrekken?
Het opschorten van de Nederlandse financiering leidt ertoe dat geplande activiteiten, waar lokale gemeenschappen, individuele ondernemers en boeren soms al een eigen bijdrage voor gemaakt hebben of gepland, geen of slechts gedeeltelijke doorgang kunnen vinden. Doordat boeren de verwachte bijdragen uit het project niet krijgen kunnen zij op hun beurt hun arbeiders en toeleveranciers niet (volledig) betalen. Aannemers die het al extra moeilijk hebben vanwege de economische krimp in de Palestijnse gebieden door de coronacrisis, zitten momenteel door dit besluit met onbetaalde rekeningen.
De Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah is in contact met UAWC en de andere organisaties in het consortium die bezorgd zijn over de gevolgen van het opschorten van de verdere betalingen over de gevolgen van het besluit voor de betrokken boeren en ondernemers. Het kabinet wijst er echter op dat het werk van UAWC met Nederlandse steun slechts een deel betreft van het werk van Israëlische, Palestijnse en internationale organisaties ten behoeve van de Palestijnse inwoners van Area C.
Herinnert u zich uw eerdere antwoorden op Kamervragen, te weten:
Ja.
Deelt u de mening dat het buitengewoon wrang is dat een vitale NGO als UAWC door Nederlands toedoen reeds substantiële schade heeft geleden, nog voordat onafhankelijk en zorgvuldig onderzoek enige vorm van nalatigheid bij UAWC heeft vastgesteld? Zo neen, waarom niet?
Het besluit om een extern onderzoek in te stellen naar mogelijke banden tussen UAWC en PFLP en verdere betalingen op te schorten is een uitzonderlijke stap, die is ingegeven door het feit dat er niet alleen sprake is van aantijgingen door lobbyorganisaties, maar in dit geval ook een formele verdenking van twee voormalige medewerkers van UAWC van betrokkenheid bij een dodelijke aanslag. Het kabinet ziet gezien de zware verdenkingen geen andere mogelijkheid dan eerst de beschuldigingen aan het adres van UAWC nauwgezet te onderzoeken alvorens besloten wordt over mogelijke samenwerking met UAWC.
Wat heeft het kabinet gedaan om de schade die UAWC tot dusver heeft geleden tot een minimum te beperken, zolang geen bewijs is geleverd dat UAWC zijn verplichtingen onder de financieringscontracten met Nederland heeft geschonden?
Het opschorten van de Nederlandse betalingen heeft weliswaar gevolgen voor de werkzaamheden van UAWC (zie het antwoord op vraag 3), maar UAWC wordt door een brede groep landen gesteund, en is niet uitsluitend afhankelijk van Nederlandse financiering. Met de steun van andere landen en organisaties kan UAWC andere delen van diens werkzaamheden uitvoeren, die geen onderdeel uitmaken van het door Nederland gefinancierde programma.
Welke stappen gaat het kabinet zetten om de continuïteit van UAWC gedurende het Nederlandse onderzoek te waarborgen en verdere schade zoveel mogelijk te voorkomen?
Het kabinet zal hangende het externe onderzoek naar UAWC geen stappen zetten om de continuïteit van UAWC te waarborgen. Op basis van de uitkomsten van het extern onderzoek volgt een besluit over de samenwerking met UAWC. Zie verder het antwoord op vraag 5.
Betreurt u dat deze gang van zaken de Israëlische regering en organisaties als Regavim, die de Palestijnse aanwezigheid in de C-gebieden gericht ondermijnen en NGOs als UAWC proberen te ontwrichten, in de kaart speelt? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet is bezorgd over de versnelling van Israëlische activiteiten in Area C, waarbij het aantal nieuwe woningen in nederzettingen hard gegroeid is en het aantal Palestijnse gebouwen in Area C dat gesloopt wordt eveneens hard omhoog gegaan is. Regavim speelt hierbij een zorgwekkende rol, onder meer door Palestijnse ontwikkeling in Area C als land grab en de-facto annexatie te bestempelen (zie ook antwoorden op de feitelijke vragen Vaststelling van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) voor het jaar 2021, met kenmerk 35570-XVII). Ondersteunen van Palestijnen in Area C helpt voorkomen dat bepaalde gebieden braak komen te liggen, of dat mensen het gebied verlaten vanwege het gebrek aan perspectief.
Onderkent u het gevaar dat door deze dynamiek, waarin organisaties als Regavim en NGO Monitor oprukken en organisaties als UAWC steeds meer in het defensief raken, de kritische maatschappelijke ruimte in Israël en Palestina verder krimpt, hetgeen zou indruisen tegen de nadrukkelijke doelstelling van het kabinet om die ruimte te beschermen? Zo neen, waarom niet?
Er is een zorgwekkende trend gaande, waarbij Israël, mede onder invloed van lobbyorganisaties als Regavim, het onderscheid tussen Israël en de nederzettingen wil wegnemen en de nederzettingen in Westelijke Jordaanoever als deel van Israël behandelt. Organisaties die zich uitspreken tegen nederzettingen, of het nu Palestijnse, Israëlische of internationale organisaties zijn, worden hierbij steeds meer in het defensief gedrongen. Nederland en de EU maken zich zorgen over deze trend en steunen daarom organisaties die op basis van het internationale recht de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden bijstaan, door economische ontwikkeling te stimuleren en rechtsbescherming te bieden.
Deelt u de mening dat «het zwartmaken van Palestijnse organisaties tegenover buitenlandse donoren onderdeel [is] van de Israëlische strategie» om internationale donoren te ontmoedigen projecten in de C-gebieden te financieren? Zo neen, waarom niet?4
Het klopt dat Israël aandringt op verleggen van de focus van internationale hulp op de Westelijke Jordaanoever naar Area’s A en B. Voorstanders van het Israëlische nederzettingenbeleid, inclusief leden van de Knesset, voeren bij het Israëlische leger de druk op om sneller en vaker over te gaan tot slopen van Palestijnse gebouwen en constructies in Area C. Nederland heeft met regelmaat indringende gesprekken met de Israëlische overheid over de noodzaak van het toestaan van Palestijnse ontwikkeling in Area C en de strijdigheid met internationaal recht van de nederzettingen in het bezette gebied. Het kabinet verdedigt daarbij wanneer nodig het werk van de organisaties die zich hiervoor inzetten.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, graag binnen de reguliere termijn?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.