Het artikel 'Israël laat woningen in Zuid-Libanon versneld slopen en vernietigt infrastructuur' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraken van defensieminister Katz die «naar voorbeeld van Gaza» te werk wilt gaan in Libanon?1
Veroordeelt u deze uitspraken? Zo ja, welke consequenties bindt u daaraan? Zo niet, hoe is dat te rijmen met het internationaal recht?
Wat is uw reactie op de aanvallen van Israël op waterinstallaties in Libanon?2
Deelt u de mening dat het ontzeggen van water aan een bevolking een oorlogsmisdaad is? Zo ja, wat gaat het kabinet doen om hiertegen op te treden? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat het kabinet de watervoorziening in Libanon ondersteunen?
Wat doet het kabinet om zich in te zetten voor de-escalatie in het Midden-Oosten? Wat doet het kabinet om verdere aanvallen van Israël in Libanon te voorkomen?
Bent het eens met de uitspraken van Human Rights Watch-onderzoeker Ramzi Kaiss over de situatie in Libanon? Wat gaat u doen om een humanitaire ramp te voorkomen?3
Hoe gaat Nederland Libanon steunen in de strijd tegen Israël én bij het ontwapenen en beteugelen van de bewapende tak van Hezbollah, gezien het feit dat de Libanese regering maatregelen heeft genomen om het geweld te stoppen?4
Hoe gaat Nederland, samen met de EU, de Golfstaten of andere landen, komen tot de-escalatie en gesprekken tussen alle partijen om deze oorlog zo snel mogelijk te beëindigen, zeker gezien Libanon al aangeeft in gesprek te willen, en de aangenomen motie Dobbe (Kamerstuk 23 432, nr. 640)? Welke stappen gaat het kabinet wanneer nemen?
Hoe rijmt u het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 20245 met de actuele berichten uit de Westelijke Jordaanoever waarbij kinderen worden vermoord, huizen in brand worden gestoken en de uitbreiding van illegale nederzettingen?6
Hoe effectief is tot nu toe het Nederlandse beleid geweest ten aanzien van het opvolgen van deze adviezen?
Deelt u de mening dat als we doen wat we al deden, de verwachte resultaten hetzelfde blijven? En herinnert u zich de ambtelijke nota van afgelopen zomer waarin bleek dat als handelen niet effectief is, je moet opschalen?7
Hoe gaat u de adviezen van het Internationaal Gerechtshof in 2024 omzetten in handelen van dit kabinet, daarin meewegend dat als handelen tot nu toe ineffectief is gebleken dit kabinet zal opschalen, waarbij het doel is de Israëlische aanwezigheid in de Palestijnse gebieden beëindigd wordt, Israël onmiddellijk moet stoppen met het bouwen van nieuwe nederzettingen en Nederland de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden erkent als onrechtmatig? Kunt u dit uitsplitsen per te nemen maatregel en uitleggen waarom u kiest voor deze maatregel?
Wat is uw reactie op het rapport van de High Commissioner for Human Rights van afgelopen februari over de mensenrechtensituatie in de bezette Palestijnse gebieden?8
Deelt u de conclusies van het rapport waarbij de straffeloosheid van Israëls oorlogsdaden de afbraak van het internationaal recht hebben ingezet en dat deze beweging gestopt moet worden?
Bent u bereid, zoals de High Commissioner for Human Rights oproept, om een wapenembargo in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier gaat Nederland bijdragen om Israël zover te krijgen om een onderzoek te starten naar de straffeloosheid van Israëlische kolonisten met betrekking tot het doden van Palestijnse burgers op de Westelijke Jordaanoever, zoals staten verplicht zijn?9
Hoe is het kabinet van plan om de motie Paternotte c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3236), over een nationaal verbod op handel met illegale nederzettingen, uit te voeren gezien de actuele situatie?
Het artikel 'Wereldeconomie op de rand van afgrond door blokkade Hormuz: bijna 9 miljoen vaten per dag te weinig' |
|
Bart Bikkers (VVD), Alisha Müller (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht en hoe beoordeelt u de geschetste situatie?1
Ja
Het kabinet deelt de zorgen met betrekking tot de economische gevolgen van de verstoringen in wereldwijde energiestromen. De internationale oliemarkt staat als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten onder grote druk. De verstoring van de doorvoer via de Straat van Hormuz heeft directe gevolgen voor de beschikbaarheid en prijsvorming van ruwe olie en olieproducten. Tegen deze achtergrond heeft het kabinet besloten op te schalen naar fase 1 («alertering») van het Landelijk Crisisplan Olie. Deze fase stelt het kabinet in staat om de situatie intensiever te volgen en tijdig voorbereid te zijn op een mogelijke verdere verslechtering. De situatie wordt constant en nauwlettend gemonitord en we blijven in contact met marktpartijen, het Internationaal Energie Agentschap, de Europese Commissie en andere lidstaten voor afstemming.
Met welke concrete scenario’s houdt het kabinet momenteel rekening, aangezien het kabinet werkt aan scenario’s en maatregelen in het kader van een mogelijke energiecrisis?
Het kabinet bereidt zich goed voor, getuige de scenario's zoals geschetst in de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok.2 Deze variëren van een situatie met beperkte impact tot een scenario met ernstige verstoringen en fysieke tekorten van olie en gas.
De scenario's geven inzicht in de mogelijke gevolgen voor het energieaanbod, de economie en voor huishoudens en bedrijven en zijn gebaseerd op analyses van het Internationaal Energie Agentschap (IEA), De Nederlandsche Bank (DNB), het Centraal Planbureau (CPB), de Europese Centrale Bank (ECB), de OESO en het IMF.
Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario's, onder andere door breed maatregelen te inventariseren en uit te werken om bedrijven en huishoudens te ondersteunen en neemt hiervoor signalen uit de samenleving en uit het bedrijfsleven mee.
Deelt u de zorg van verschillende energie experts dat Nederland en Europa mogelijk op korte termijn (april/mei) met fysieke tekorten aan diesel en kerosine te maken kunnen krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet begrijpt de zorgen van energie-experts en houdt rekening met mogelijke verstoringen en de economische gevolgen daarvan. Op dit moment voorzien we, ondanks de verstoring, nog geen acuut probleem voor de leveringszekerheid van olie of olieproducten. Maar, hoe langer het conflict duurt en hoe meer energie-infrastructuur beschadigd raakt, hoe groter de impact op de prijzen en de leveringszekerheid.
Ter context, de EU is voor circa 23% van haar kerosinegebruik afhankelijk van import. Ongeveer 77% wordt gemaakt in raffinaderijen binnen de EU. Zolang voldoende ruwe olie beschikbaar blijft, kunnen raffinaderijen in de EU op gebruikelijk niveau blijven produceren. Daarnaast beschikken Nederland en andere EU-lidstaten over strategische olievoorraden. Dit dempt het onmiddellijke effect, maar is op de middellange termijn een zorg.
Bovendien is de oliemarkt mondiaal en kunnen de prijsverschillen de handel naar, maar ook uit de EU stimuleren.
Hoe bereidt u zich voor op mogelijke fysieke tekorten aan diesel en kerosine? Worden er mitigerende maatregelen bedacht voor verschillende sectoren?
Nederland en Europa beschikken over relatief grote strategische olievoorraden. Bij een gelijkblijvende verstoring van de aanvoer kunnen we met deze voorraden nog maanden vooruit. In het kader van de collectieve actie, aangekondigd door het Internationaal Energie Agentschap op 11 maart, bereidt Nederland zich voor op de inzet van een deel van deze voorraden.
Tegelijkertijd bereidt het kabinet zich voor op verschillende scenario's, inclusief situaties met dreigende schaarste of tekorten. Voor een specifieke crisis op het gebied van schaarste van olie en/of olieproducten ligt het Landelijk Crisisplan Olie (LCP-O)3 klaar. Dit plan is onderdeel van de nationale crisisbeheersingsstructuur en vastgesteld door de Tweede Kamer.4 In dit plan zijn maatregelen per escalatiefase uitgewerkt, waarbij alle relevante publieke en private actoren worden betrokken. Momenteel bevindt Nederland zich in fase 1 (alertering), waarmee de voorbereiding en coördinatie worden geïntensiveerd. Bij verdere verslechtering van de situatie kan worden opgeschaald naar fase 2 (vroegtijdige waarschuwing), fase 3 (alarmering) en uiteindelijk fase 4 (afkondiging van een oliecrisis of noodsituatie).
In de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok is een inventarisatie van mogelijke maatregelen voor een energieschok gedaan. In bijlage 2 van die brief is uiteengezet wat de sectorale doorwerking van de energieschok is.
Welke maatregelen kunt u treffen om de leveringszekerheid van diesel en kerosine te vergroten? Kan de aanvoer hiervan via alternatieve routes of bronnen worden vergroot?
Alternatieve routes of bronnen voor kerosine en diesel zijn op dit moment beperkt. Het aanbod van kerosine in de twee regio's waarvan Europa afhankelijk is, het Midden-Oosten en Azië, is op dit moment verstoord. Hetzelfde geldt, in mindere mate, voor diesel, waarvan het aanbod voor Europa gedeeltelijk verstoord is. De hogere prijzen in Europa trekken wel kerosinevolumes aan ten koste van Azië, maar dit is beperkt. Dieselvolumes worden in grotere mate uit de VS en Azië gehaald in plaats van het Midden-Oosten.
Met de opschaling naar fase 1 van het LCP-O onderstreept het kabinet dat het de ernst van de ontwikkelingen onderkent en zich voorbereidt op mogelijke verdere verstoringen. Op dit moment is er geen sprake van acute tekorten of directe ingrepen in de markt. Het kabinet monitort de ontwikkelingen continu en is voorbereid om, als de situatie daartoe aanleiding geeft, tijdig over te gaan tot verdere opschaling van het crisisniveau.
Wat zouden de economische gevolgen zijn van dergelijke tekorten, in het bijzonder voor de Nederlandse economie en voor de transport- en luchtvaartsector (zowel civiel als militair)?
In de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok is uiteengezet wat de economische gevolgen zijn van alle mogelijke scenario's van de energieschok voor de Nederlandse economie, maar ook voor specifiek de transport- en luchtvaartsector5.
Is er een mogelijkheid voor Nederlandse raffinaderijen om hun productie van kerosine te vergroten?
Momenteel draaien de raffinaderijen op gebruikelijk niveau. Er is aangegeven dat er tot eind juni geen tekort aan ruwe olie wordt verwacht om kerosine te maken. Raffinaderijen zullen altijd een mix maken van olieproducten en zullen niet overgaan op het produceren van slechts één product. Ongeveer 10% van de productie in Nederlandse raffinaderijen is kerosine. Als de prijsprikkels zodanig zijn dat het loont om meer kerosine te produceren dan zullen raffinaderijen daarvoor optimaliseren, maar dat is in de praktijk beperkt. Daarbij moet wel gezegd worden dat de flexibiliteit van raffinaderijen om van product te wijzigen naar schatting enkele procenten is, wat zou betekenen dat productie van kerosine in Nederlandse raffinaderijen zou kunnen stijgen met enkele procenten. Daarnaast is de ruimte voor optimaliseren zeer afhankelijk van de opzet van de raffinaderij en het type ruwe olie dat beschikbaar is; lichtere ruwe olie geeft bijvoorbeeld meer kerosine dan zwaardere ruwe olie.
Het bericht ‘Waakhond fileert Haagse ontkenning: ’Hamas had wel degelijk vinger in de pap bij hulporganisaties’ |
|
Annelotte Lammers (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van NGO Monitor, «Analysis: How the Dutch Government is Evading Accountability for its Humanitarian Assistance Funding»?1, 2
Ja.
Welke maatregelen heeft het kabinet genomen, gelet op het jaarverslag van 2016 van het Palestinian Centre for Human Rights (PCHR), dat datzelfde jaar Nederlandse overheidsfinanciering ontving en waarin werd gesteld dat in Gaza «internationale organisaties werden lastiggevallen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Hamas)», organisaties «vaak concessies deden om hun werk te kunnen voortzetten», een «verbod gold op onderzoeksactiviteiten zonder toestemming van het ministerie» en dossiers «zonder wettelijke grondslag werden gecontroleerd», om te voorkomen dat door Nederland gefinancierde organisaties concessies doen aan Hamas of afhankelijk worden van goedkeuring door Hamas-ministeries?
Het kabinet heeft reeds aan uw Kamer toegelicht (Kamerstukken 2026Z03619 en 2026Z03619) dat besluiten om bepaalde organisaties te financieren altijd zorgvuldig worden genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Vraagstukken over due dilligence worden ook meegenomen in beoordelingsmemoranda, bijvoorbeeld in de risicoanalyse en intergriteitsbeoordeling. Het beoordelingsmemorandum kan niet worden geaccordeerd zonder een geldige ORIA. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluaties en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het ministerie daartegenop. Organisaties waar Nederland mee samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties.
Het kabinet heeft daarnaast vertrouwen in de neutraliteit en onafhankelijkheid van het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke omstandigheden, zoals die als Gaza, waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingssamenwerking voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen op orde zijn; deze processen moeten ervoor moeten zorgen dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn.
Kunt u gedetailleerd beschrijven welke due diligence-procedures momenteel gelden om te waarborgen dat door de Nederlandse overheid gefinancierde projecten en NGO’s niet, direct of indirect, worden misbruikt door terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 2.
Is het kabinet, gelet op het rapport van NGO Monitor waarin wordt gewezen op infiltratie van Hamas in het Ministerie van Sociale Ontwikkeling (MoSD) in Gaza, bereid toekomstige financiering, inclusief via aangepaste contractvoorwaarden, afhankelijk te maken van het uitsluiten van het MoSD uit de uitvoering van projecten, waaronder het verstrekken van begunstigdenlijsten voor financiële steun? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 2 en 3
Was het kabinet ervan op de hoogte dat Oxfam Novib, lid van de door Nederland gefinancierde Dutch Relief Alliance (DRA), nog steeds samenwerkt met de Union of Agricultural Work Committees (UAWC), een organisatie waarvan Nederland de financiering eerder stopzette na een audit waaruit bleek dat 34 medewerkers banden hadden met de terroristische organisatie PFLP, waaronder 12 in leidinggevende posities, en dat Nederlands geld werd gebruikt voor salarissen van twee medewerkers die betrokken waren bij de moord op Rina Shnerb in 2019?
Ja, het kabinet is hiervan op de hoogte. Het staat Oxfam Novib vrij om samen te werken met andere organisaties.
Uw Kamer is in 2022 uitgebreid geïnformeerd over de uitkomsten en kabinetsreactie op extern onderzoek naar UAWC (Kamerstuk 23 432, nr. 486). Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat er financiële stromen bestaan tussen UAWC en de PFLP, en evenmin kon worden geconstateerd dat sprake is van een organisatorische eenheid tussen UAWC en PFLP, dan wel aansturing van UAWC door de PFLP. Daarnaast is er geen bewijs gevonden dat suggereert dat stafleden van UAWC of bestuursleden hun positie bij UAWC gebruikt hebben voor terroristische activiteiten of om terroristische activiteiten te steunen.
Acht het kabinet het acceptabel dat Oxfam Novib nog steeds samenwerkt met UAWC? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 5.
Indien het kabinet dit onacceptabel acht, welke gevolgen heeft dit voor de financiering van Oxfam Novib en voor organisaties binnen de Dutch Relief Alliance?
Zie antwoord op vraag 5 en 6.
Op 17 maart 2026 stelde u dat het kabinet vertrouwen heeft in de neutraliteit en onafhankelijkheid van partnerorganisaties, blijft u bij dit standpunt in het licht van de bovenstaande informatie? Zo ja, waarom?
Ja. Zie antwoord op vraag 2, 3, 5 en 6.
Bent u het, gelet op bovenstaande informatie, eens met de stelling dat het onjuist is dat «geen aanwijzingen bestaan dat Nederlandse of Europese middelen bij onbedoelde bestemmingen zijn terechtgekomen»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bereid alle steun aan organisaties waar Hamas direct of indirect zeggenschap over heeft of op enige andere wijze invloed uitoefent, op te schorten?
Dit is hier niet aan de orde. Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Het bericht 'Kanye West mag Verenigd Koninkrijk niet in' |
|
Mirjam Bikker (CU), Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Verenigd Koninkrijk (VK) Kanye West (Ye) de toegang heeft geweigerd vanwege herhaaldelijke antisemitische uitlatingen en verheerlijking van Hitler?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze artiest in juni een optreden in Nederland gepland heeft?
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke mogelijkheden u hebt om een buitenlandse artiest de toegang te weigeren of aanvullende voorwaarden te stellen, wanneer sprake is geweest van ernstige haatdragende of extremistische uitingen?
De vrijheden binnen onze democratische rechtsorde zijn een groot goed, waarin fundamentele grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, centraal staan. Hierbij hoort ruimte te zijn voor het openbare debat, kritiek en vormen van activisme binnen de wettelijke kaders. Waar deze grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld bij gedragingen die de democratische rechtsorde ondermijnen of een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, dient opgetreden te worden. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om de fundamentele waarden van onze samenleving te waarborgen en te beschermen. Onderdeel hiervan is het weren van extremistische vreemdelingen die een bedreiging vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid, door hen de toegang tot Nederland te ontzeggen dan wel hun verblijfsrecht te beëindigen.
Onder de bevoegdheid van de Minister van Asiel en Migratie is de besluitvorming voor toegangsweigering aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien het visumplichtige derdelanders betreft, ligt de bevoegdheid bij de Minister van Buitenlandse zaken. Ten behoeve van deze taakuitoefening is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) door de Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Buitenlandse Zaken gemachtigd om door het gebruik van publiek online openbare bronnen persoonsgegevens te verwerken, met als doel extremistische vreemdelingen te kunnen duiden.
Hierbij wordt bezien of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid.2 Daarnaast wordt ook gebruik gemaakt van andere vormen van beschikbare informatie, bijvoorbeeld van de algemene inlichtingen- en veiligheidsdiensten of van het lokaal bestuur. Indien er sprake is van een bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid kan een vreemdeling worden geweerd door een visum te weigeren, de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) te signaleren voor grensweigering en, waar aan de orde en afhankelijk van de nationaliteit, een ongewenstverklaring dan wel een inreisverbod op te leggen.
Het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft voor visumvrije vreemdelingen de Electronic Travel Authorisation (ETA) ingevoerd. Visumvrije personen die geen ETA krijgen, kunnen een visumaanvraag indienen als zij toch het VK willen inreizen. Indien de visumaanvraag geweigerd wordt, dan mag de vreemdeling het VK niet inreizen. Nederland kent een ander systeem. Visumvrije vreemdelingen mogen in beginsel zonder voorafgaande toestemming Nederland inreizen, tenzij er wordt vastgesteld dat niet aan de toegangsvoorwaarden wordt voldaan. Het weren van vreemdelingen die extremistisch gedachtegoed uitdragen, gebeurt in lijn met het toetsingskader rondom het weren van extremistische vreemdelingen.3
Zoals benoemd tijdens het debat Taskforce Antisemitismebestrijding op 21 april jl. wordt momenteel bezien wat binnen de huidige wettelijke kaders mogelijk is ten aanzien van deze casus.
Bent u voornemens om in dit specifieke geval, in navolging van het VK, van deze mogelijkheden gebruik te maken en West de toegang tot Nederland te weigeren?
Zie antwoord vraag 3.
Zo nee, kunt u toelichten hoe het Nederlandse toetsingskader op dit punt verschilt van dat van het VK, en kunt u toelichten waarom het VK in dit geval wel tot weigering is overgegaan?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voorafgaand aan het aangekondigde optreden in Arnhem contact geweest tussen het Rijk, de gemeente Arnhem, politie of andere betrokken instanties over mogelijke veiligheidsrisico’s of maatschappelijke spanningen rond dit concert?
In algemene zin geldt dat de beoordeling van eventuele veiligheidsrisico’s en maatschappelijke spanningen, evenals de besluitvorming over het al dan niet doorgaan van het evenement en de te treffen maatregelen, primair bij de lokale autoriteiten ligt, in het bijzonder de burgemeester als bevoegd gezag.
De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken vanwege het verbod op censuur. Het vooraf verbieden van een optreden is daarom alleen mogelijk als er aantoonbaar sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Wanneer daarvan geen sprake is, kunnen lokale overheden hun zorgen bespreken met de uitbater van de locatie. Het is vervolgens aan de uitbater om ervoor te zorgen dat extremistische boodschappen geen podium krijgen.
Hoe weegt u in dit soort gevallen de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid tegenover de verantwoordelijkheid van de overheid om haatzaaien en normalisering van extremisme tegen te gaan?
De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht in Nederland en vormt een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. De vrijheid van meningsuiting is echter niet onbeperkt; wanneer strafrechtelijke grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld in geval van haatzaaien, discriminatie of het aanzetten tot geweld, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Het is aan het Openbaar Ministerie om in een individueel geval te bepalen of een bepaalde uiting een strafbaar feit oplevert en of strafrechtelijke vervolging opportuun is. Het uiteindelijke oordeel daarover, mede in het licht van de vrijheid van meningsuiting, is aan de rechter.
Het tegengaan van extremisme is een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid. In de Nationale Extremismestrategie 2024–2029 is onderkend dat extremistische aanjagers boodschappen kunnen verspreiden die een dreiging kunnen vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. De aanpak hiervan vraagt om maatwerk, waarbij – afhankelijk van de aard, het bereik en het effect van de uitingen – verschillende instrumenten kunnen worden ingezet. Afhankelijk van de precieze inhoud van een (extremistische) boodschap is een strafrechtelijke aanpak mogelijk.
Het kabinet zet echter niet alleen in op een strafrechtelijke aanpak, maar ook op het eerder herkennen en duiden van extremistische dreigingen. Dat gebeurt onder meer door gerichte informatie- en kennisuitwisseling tussen betrokken partners te versterken. Zo kunnen signalen van radicalisering en extremistische dreiging tijdig worden gedeeld, beter worden beoordeeld en waar nodig leiden tot passende maatregelen. Het doel van de inzet is het beperken van de groei van extremistische groepen, het tegengaan van verspreiding ervan en daarmee het bestrijden van de dreiging voor de democratische rechtsorde. De mate van de dreiging bepaalt de inzet.
Tegelijkertijd vindt deze inzet plaats binnen de kaders van de democratische rechtsstaat, waarbij grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, het uitgangspunt blijven, maar niet onbegrensd zijn. Daarom wordt steeds een afweging gemaakt tussen het beschermen van de openbare orde en nationale veiligheid enerzijds en het waarborgen van het recht op vrijheid van meningsuiting anderzijds.
Bent u bereid te bezien of het huidige juridische instrumentarium voldoende is om op te treden tegen de komst van personen die door hun gedrag of uitingen bijdragen aan antisemitisme of extremistische ideologieën, en zo nodig verbeteringen te verkennen?
Antisemitische uitingen en gedragingen raken niet alleen de veiligheid en vrijheid van Joodse gemeenschappen, maar staan ook haaks op de fundamentele waarden van de democratische rechtsstaat. Het kabinet treedt daarom stevig op tegen antisemitisme. Tegelijkertijd dient onderscheid te worden gemaakt tussen antisemitisme als fenomeen en extremistische ideologieën. Antisemitisme vormt op zichzelf geen afzonderlijke extremistische ideologie, maar kan wel onderdeel zijn van of versterkend werken binnen verschillende extremistische stromingen.
Ten aanzien van personen die een extremistische ideologie aanhangen kan ik het volgende zeggen. Voor mensen die naar Nederland willen komen om hier extremistisch gedachtegoed te verspreiden, en zodoende een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, is geen plaats. Extremisme ondermijnt onze rechtstaat en onze manier van samenleven. Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen om de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan.
Het bestaande juridische instrumentarium biedt toereikende mogelijkheden om op te treden tegen extremistische uitingen en gedragingen. Daarbij kan op verschillende wijzen worden ingegrepen, te weten op lokaal niveau of door inzet van het vreemdelingenrecht of het strafrecht.
Indien de spreker een aantoonbaar risico vormt voor de openbare orde, kan de burgemeester op lokaal niveau besluiten om het evenement of de manifestatie vooraf te beperken of te verbieden. Wanneer dit niet het geval is, kunnen lokale overheden hun zorgen over de spreker of het evenement met de uitbater van de locatie bespreken. Het is aan de uitbater zelf om te zorgen dat extremistische boodschappen bij hem geen podium krijgen.
Daarnaast kan op vreemdelingrechtelijk niveau de toegang tot Nederland worden geweigerd door een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) worden opgelegd, uiteraard indien een individuele casus voldoet aan de criteria die voor toepassing van dergelijke maatregelen gelden. Deze maatregelen vallen binnen de portefeuille van de Minister van Asiel en Migratie.
Bij het plegen van strafbare feiten, zoals uitingen die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie of die bijvoorbeeld opruiing of groepsbelediging opleveren, is strafrechtelijk optreden in individuele gevallen mogelijk. Dit is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Dit scala aan instrumenten maakt het mogelijk om in verschillende fasen en via verschillende routes effectief op te treden.
Het bericht 'ING ziet af van verkoop Russische dochter' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «ING ziet af van verkoop Russische dochter»1?
Ja.
Bent u in gesprek met ING om een vertrek uit Rusland en de beëindiging van activiteiten in Rusland te vereenvoudigen en/of de activiteiten versneld af te bouwen?
Ik heb verschillende keren contact gehad met ING over het voornemen van ING om haar dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Ik doe geen inhoudelijke mededelingen over deze contacten aangezien dit grotendeels gaat om bedrijfsvertrouwelijke informatie. Wel kan ik aangeven dat ik ING op verzoek heb geïnformeerd over de toepasselijke EU-sanctiemaatregelen. Ik ben verder niet actief betrokken bij het voornemen van ING om uit Rusland te vertrekken, de besluitvorming daaromtrent en het proces van toestemming die ING nodig heeft van de Russische autoriteiten voor verkoop van haar Russische dochter.
Denkt u dat de Russische autoriteiten een verkoop van de Russische dochteronderneming bewust blokkeren?
Ik heb geen informatie over de motivatie van de Russische autoriteiten om geen toestemming te verlenen voor de beoogde verkoop van de Russische dochter van ING. Ik wil ook niet speculeren over de mogelijke redenen van de Russische autoriteiten om geen toestemming te geven voor de verkoop.
Hoe beoordeelt u de toegang van de Russische economie tot Swift door de aanwezigheid van westerse banken? Zijn er mogelijkheden om dit samen met de westerse banken te beperken?
De sancties tegen Rusland moeten de mogelijkheden van Rusland beperken om de oorlog in Oekraïne voort te zetten. Sancties maken het onder andere moeilijker voor Rusland om de oorlog te bekostigen, mede door verschillende maatregelen die het betalingsverkeer beperken. Door de sancties heeft een groot aantal Russische banken geen toegang meer tot Swift. Swift is het beveiligde communicatienetwerk dat financiële instellingen gebruiken om met elkaar te communiceren over betalingen. Swift verwerkt de betalingen niet zelf.
Het doel van de sancties is daarmee niet om het gehele handels- en betalingsverkeer met Rusland onmogelijk te maken. Zo zijn er in de sancties diverse uitzonderingen opgenomen, bijvoorbeeld voor voedsel, rechtsbijstand en betalingen van contracten afgesloten voordat sancties ingingen. Voor die toegestane handel blijft een vorm van betalingsverkeer nodig. Doordat in Rusland nog een klein aantal banken aangesloten is op Swift, kan de communicatie voor dergelijke betalingen toch plaatsvinden via dat systeem.
Ik vind het belangrijk dat westerse banken terughoudend zijn in het faciliteren van transacties van en naar Rusland. Tegelijkertijd heb ik er wel een voorkeur voor dat financiële transacties die wel toegestaan blijven van en naar Rusland verlopen via het reguliere bancaire betalingsverkeer. Het volledig beperken van het betalingsverkeer via banken zou tot gevolg kunnen hebben dat minder goed controleerbare betalingskanalen en/of -constructies worden gebruikt.
Zijn er nog meer Nederlandse bedrijven met activiteiten in Rusland die moeite hebben deze af te stoten? Welke rol speelt uw ministerie om dit te ondersteunen?
Op grond van het Russisch presidentieel decreet van september 2022 is het buitenlandse bedrijven uit «onvriendelijke landen», waaronder de EU-lidstaten en de VS, verboden hun Russische activiteiten zonder een speciale vergunning te verkopen. Over de vraag of er meer Nederlandse bedrijven zijn die hiermee te maken hebben, kan ik vanwege vertrouwelijkheid geen verdere uitspraken doen.
In algemene zin geldt dat de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Nederlandse bedrijven ondersteunt die zich uit Rusland willen terugtrekken, onder meer door ontheffingen te verlenen voor de overdracht van gesanctioneerde goederen die samenhangt met de verkoop van hun Russische activa. Op grond van EU-sanctieverordening 833/2014 is de overdracht van bepaalde goederen aan Russische entiteiten of voor gebruik in Rusland in beginsel namelijk verboden. Diezelfde verordening biedt echter de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen wanneer de overdracht van deze goederen noodzakelijk is voor de terugtrekking van een Europees bedrijf uit Rusland.
De aangenomen doodstrafwet in Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat het Israëlische parlement een wet heeft aangenomen die de doodstraf mogelijk maakt en die in de praktijk uitsluitend op Palestijnen zal worden toegepast?1
Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd over het standpunt van het kabinet over deze wetgeving.2 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen van executies wat wordt gezien als onmenselijk en ondoeltreffend. Daarnaast is het discriminatoire karakter van de wetgeving extra zorgwekkend en onacceptabel. Het kabinet heeft de zorgen over en afkeur van het wetsvoorstel meermaals kenbaar gemaakt bij de Israëlische autoriteiten, zowel publiekelijk als achter de schermen, bijvoorbeeld tijdens het gesprek van de Minister-President met de Israëlische president Herzog op 1 april jl. en het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 15 april jl. Nederland heeft zich daarnaast aangesloten bij de verklaring van de Europese Unie namens de 27 lidstaten over de wetgeving.
Deelt u de opvatting dat een wettelijke regeling die expliciet of feitelijk onderscheid maakt op basis van nationaliteit of etniciteit bij het opleggen van de doodstraf in strijd is met het non-discriminatiebeginsel? Zo nee, waarom niet?
Ja, een wettelijke regeling die onderscheid maakt op basis van nationaliteit of etniciteit bij het opleggen van de doodstraf is volgens het kabinet in strijd met het non-discriminatiebeginsel. Het kabinet wijst er hierbij op dat het Internationaal Gerechtshof in zijn advies van 19 juli 2024 inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse heeft vastgesteld dat Israël de verplichting heeft om alle wetgeving en maatregelen die discriminerend zijn jegens de Palestijnse bevolking in de bezette Palestijnse Gebieden in te trekken. Met het invoeren van deze nieuwe wetgeving gaat Israël tegen dit advies in.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van VN-experts dat toepassing van de doodstraf in de bezette Palestijnse gebieden neerkomt op een oorlogsmisdaad?2
Het kabinet neemt de waarschuwing van VN-experts serieus. De VN-experts verwijzen specifiek naar de bepaling in de Israëlische wetgeving die het opleggen en uitvoeren van de doodstraf binnen een termijn van 90 dagen mogelijk zou maken. Het Vierde Verdrag van Genève bepaalt dat opzettelijk aan beschermde personen het recht onthouden op een eerlijke en rechtmatige berechting, een ernstige inbreuk is op dat verdrag. Dergelijke ernstige inbreuken zijn aangemerkt als oorlogsmisdrijven.
Erkent u dat het opleggen van de doodstraf door een bezettende macht aan beschermde personen onder het Vierde Verdrag van Genève in beginsel verboden is? Zo nee, waarom niet?
Volgens het Vierde Verdrag van Genève mag een bezettende macht alleen de doodstraf opleggen aan beschermde personen (in dit geval de lokale Palestijnse bevolking) indien deze personen schuldig zijn bevonden aan spionage, een ernstige daad van sabotage tegen de militaire installaties van de bezettende macht, of aan opzettelijke vergrijpen die de dood van één of meer personen tot gevolg hebben gehad. Terdoodveroordeelden hebben het recht om gratie of uitstel van executie te verzoeken. Een belangrijke voorwaarde is dat de doodstraf alleen mag worden opgelegd indien bovengenoemde vergrijpen al strafbaar waren, met de doodstraf als strafbepaling, volgens de wetgeving van het bezette gebied die van kracht was voordat de bezetting begon.
Hoe verhoudt deze wet zich volgens u tot internationale standaarden rondom het recht op een eerlijk proces, met name gezien signalen dat rechters verplicht worden de doodstraf op te leggen en procedures worden versneld?
Verschillende onderdelen van de wet lijken in strijd te zijn met het recht op een eerlijk proces en, vanwege de aard van de wetgeving, daardoor met het recht op leven. Het gaat daarbij om het verplichte karakter van de doodstraf onder deze wet en het gebrek aan discretionaire ruimte voor de rechter, naast het feit dat de doodstraf onder deze wet zal worden opgelegd aan Palestijnse burgers door militaire rechtbanken in de bezette Palestijnse Gebieden. Dit is een van de vele maatregelen waarmee de Palestijnse bevolking gescheiden wordt gehouden van de kolonisten in de bezette gebieden, in strijd met het discriminatieverbod onder artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Over de praktijk van berechting van Palestijnse burgers door Israëlische militaire rechtbanken – en de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces hierbij – uiten internationale waarnemers al langer zorgen. Wanneer aan deze zelfde militaire rechtbanken de (dwingende) bevoegdheid wordt toegekend tot het opleggen van de doodstraf aan burgers, worden deze zorgen des te pregnanter. Wanneer de doodstraf wordt opgelegd als gevolg van een procedure waarin het recht op een eerlijk proces wordt geschonden, moet de opgelegde doodstraf worden beschouwd als willekeurig en in strijd met het recht op leven.
Bent u bereid expliciet te erkennen dat deze wetgeving in strijd is met het internationaal recht, zoals ook door onafhankelijke experts en VN-rapporteurs wordt gesteld?
Zie het antwoord op vraag 1, 4 en 5. De zorgen van het kabinet worden gedeeld met verschillende gelijkgezinde staten en internationale experts. Ook binnen Israël heeft de wetgeving tot veel kritiek geleid. Direct na het aannemen van de wet door de Knesset, hebben verschillende Israëlische organisaties beroep hiertegen ingesteld bij het Israëlische Hooggerechtshof. Het kabinet volgt de uitspraak van het Hooggerechtshof nauwlettend.
Welke stappen zet Nederland, nationaal en in EU-verband, om deze wetgeving aan te kaarten en aan te dringen op intrekking ervan?
Nederland voert wereldwijd een afschaffingsbeleid ten aanzien van de doodstraf. Dit afschaffingsbeleid wordt al vele jaren gezamenlijk met EU-partners verricht op grond van EU-richtlijnen en Nederland draagt ook actief bij aan het uitvoeren van dit beleid. De EU roept in het bijzonder op tot het handhaven of instellen van moratoria als een eerste stap naar afschaffing. Nu de Israëlische doodstrafwet is aangenomen roept Nederland Israël op de wet niet te implementeren en zal Nederland actief handelen langs de lijnen van het (Europese) afschaffingsbeleid. Het kabinet heeft de zorgen over en afkeur van het wetsvoorstel meermaals kenbaar gemaakt bij de Israëlische autoriteiten, zowel publiekelijk als achter de schermen, bijvoorbeeld tijdens het gesprek van de Minister-President met de Israëlische president Herzog op 1 april jl. en het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 15 april jl. Nederland heeft zich daarnaast aangesloten bij de verklaring van de Europese Unie namens de 27 lidstaten over de wetgeving
Bent u bereid om in EU-verband of nationaal hier maatregelen aan te verbinden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Hoe past het uitblijven van concrete maatregelen tegen deze wet binnen het kabinetsbeleid om straffeloosheid wereldwijd tegen te gaan, en welke vervolgstappen overweegt u om hier invulling aan te geven?
Zie antwoord vraag 8.
Wilt u deze vragen voor aanvang van de voortzetting van het Commissiedebat Humanitaire hulp van donderdag 9 april 2026 beantwoorden?
Het kabinet heeft getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording. Door de korte termijn en de juridisch complexe materie, is het niet gelukt de vragen voor de voortzetting van het Commissiedebat Humanitaire hulp te beantwoorden.
Het artikel van The Guardian 'US directs embassies to team up against foreign ‘hostility’ – and use X to ‘counter anti-American propaganda’' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van The Guardian «US directs embassies to team up against foreign «hostility» – and use X to «counter anti-American propaganda»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Amerikaanse ambassades volgens deze instructie actief lokale influencers, academici en maatschappelijke organisaties zouden moeten inzetten om narratieven te beïnvloeden?
Het staat andere landen vrij om aan vormen van (publieks-)diplomatie te doen en samen te werken met personen die in Nederland wonen of gelieerd zijn aan Nederland, uiteraard met inachtneming van onze democratische rechtsstaat.
Zijn er aanwijzingen dat Amerikaanse ambassade- en/of consulaatmedewerkers in Nederland de bovenstaande activiteiten uitvoeren? Zo ja, wat bent u voornemens hieraan te doen?
Tot op heden heeft het kabinet geen aanwijzingen hiervoor.
In algemene zin heeft het kabinet middels de Rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) verschillende mogelijkheden om bij signalen van OBI op te treden. Op dit moment zijn dergelijke signalen er niet.
Acht u het wenselijk dat diplomatieke communicatie en militaire beïnvloedingsoperaties op deze wijze met elkaar verweven raken? Zo niet, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. Vrijwel elke overheid, ook de Nederlandse, vergaart via regulier diplomatiek verkeer, publieksdiplomatie en media-aandacht steun voor bepaalde ideeën en belangen of om meningsverschillen te beslechten. Buitenlandse beïnvloeding is niet ondermijnend wanneer het op openlijke en legitieme wijze plaatsvindt en daarbij binnen de regels van de Nederlandse democratische rechtsorde blijft. De grenzen van statelijke inmenging zijn vastgelegd in de aanpak van OBI.2
Ziet u deze oproep in het kader van inmenging in de Nederlandse rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat er in dit geval sprake is van statelijke inmenging. Voor een actueel overzicht van het dreigingsbeeld, verwijs ik uw Kamer naar het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren 2025.
Wat is uw oordeel over het feit dat de Amerikaanse overheid het platform X van Elon Musk expliciet aanwijst als «innovatief instrument» voor het tegengaan van anti-Amerikaanse propaganda, mede in het licht van de € 120 miljoen boete die de EU X recent heeft opgelegd wegens misleidende praktijken onder de Digital Services Act?
X is een groot online platform, dat door diverse landen wereldwijd gebruikt wordt.
Digitale platforms worden in de EU gereguleerd door de Digitale (Dienstenverordening DSA). Het kabinet steunt de Europese Commissie in de onverminderde handhaving van deze wetgeving en heeft vertrouwen in het handelen van de Commissie als er sprake is van onrechtmatige praktijken.
Deelt u de mening dat de officiële inzet van een privéplatform – waarvan de eigenaar tevens een invloedrijke rol vervulde binnen de regering Trump – als diplomatiek communicatiemiddel ernstige vragen oproept over onafhankelijkheid en integriteit?
Het is niet aan de Nederlandse regering te oordelen over de keuzes in het gebruik van sociale mediaplatforms als regeringscommunicatiemiddel van andere landen. Zie tevens antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om als kabinet op dit platform actief te zijn, en bent u voornemens om van X af te gaan naar aanleiding van dit en andere berichten die de integriteit van het platform sterk in twijfel trekken? Zo niet, waarom niet?
Het bereiken van zoveel mogelijk mensen en hen in staat stellen kennis te nemen van overheidsinformatie, juist ook groepen die via traditionele media minder goed worden bereikt, is belangrijk voor de Rijksoverheid. De sociale media-accounts van de bewindspersonen, waaronder hun accounts op X, zijn een van de manieren waarop dit gebeurt. We onderzoeken daarbij steeds nieuwe mogelijkheden en middelen, waarmee we zo veel mogelijk mensen kunnen blijven bereiken.
De Rijksoverheid is zich bewust van de berichtgeving over negatieve ontwikkelingen op sommige sociale mediakanalen. De (on)wenselijkheid om op sociale mediakanalen aanwezig te zijn is ook geregeld onderwerp van gesprek. Ministeries en publieke dienstverleners maken hierin hun eigen afweging, waarbij verschillende factoren een rol kunnen spelen. Het belang om zoveel mogelijk burgers te bereiken en in staat te stellen kennis te nemen van de informatie van de Rijksoverheid, juist ook burgers die via traditionele media en communicatie niet altijd (meer) te bereiken zijn, is een factor die bij de meeste organisaties van de Rijksoverheid zwaar weegt bij het maken van een afweging.
Bent u bereid dit te bespreken met de Amerikaanse ambassadeur en de Kamer te informeren over de uitkomst van dat gesprek? Zo niet, waarom niet?
De Amerikaanse regering is goed op de hoogte van het Nederlandse standpunt ten aanzien van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, de bestrijding van desinformatie en digitale weerbaarheid en Europese wetgeving daaromtrent. Het kabinet ziet vooralsnog geen noodzaak om deze specifieke instructie op te brengen in de gesprekken met de VS omdat er geen aanwijzing is dat er sprake is van ongewenste buitenlandse inmenging.
Bent u bereid dit onderwerp te agenderen in de Raad Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet ziet geen aanleiding dit specifieke artikel te agenderen op de Raad Buitenlandse Zaken. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Spanje sluit luchtruim voor militaire vliegtuigen die deelnemen aan oorlog in Iran' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Spanje sluit luchtruim voor militaire vliegtuigen die deelnemen aan oorlog in Iran»?1
Ja.
Hoeveel militaire vluchten verbonden aan de illegale oorlog in Iran maken gebruik van het Nederlandse luchtruim?
Op basis van de Nederlandse NAVO-binnenvliegregeling, die al bijna veertig jaar van toepassing is en aanvullende diplomatieke klaringen, mogen militaire vliegtuigen van de Verenigde Staten gebruikmaken van het Nederlandse luchtruim. Hierbij geldt dat enkel moment van invliegen, uitvliegen en eventueel landen aangeven wordt. Om operationele redenen doet het kabinet geen uitspraken over individuele militaire vliegbewegingen
Hoeveel militaire en commerciële vracht verbonden aan de illegale oorlog in Iran wordt via Nederlandse havens en -luchtruim naar het Midden-Oosten verstuurd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u reflecteren op het feit dat deze militaire vracht mogelijk gebruikt kan worden voor mensenrechtenschendingen?
Het kabinet hecht groot belang aan de naleving van het internationaal recht. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Bent u voornemens om u aan te sluiten bij het besluit van Zwitserland, Spanje, Italië, en Frankrijk en het Nederlandse luchtruim en militaire bases te sluiten voor militaire en commerciële vracht dat bestemd is voor de illegale oorlog in Iran? Zo nee, waarom niet?
Zwitserland, Spanje, Italië en Frankrijk hebben ieder hun eigen beleid en nationale procedures ten aanzien van militaire en commerciële vluchten. De suggestie dat luchtruim en militaire bases van deze landen volledig gesloten zou zijn voor militaire en commerciële vracht bestemd voor het Iran-conflict doet geen recht aan deze complexe realiteit. Het kabinet is niet voornemens om het Nederlandse luchtruim of militaire bases te sluiten voor militaire of commerciële vracht.
Kunt u reflecteren op de uitspraak van Spaanse Minister Carlos Cuerpo dat «dit besluit deel uitmaakt van het eerder genomen besluit van onze regering om niet mee te doen of bij te dragen aan een oorlog die in strijd [is] met het internationaal recht»?
Nederland is niet betrokken bij het Iran-conflict. Het Nederlandse beleid is gericht op de-escalatie en een diplomatieke oplossing. Het is aan individuele landen om, binnen hun nationale en internationale verplichtingen en op basis van hun eigen beleid te besluiten over het gebruik van hun luchtruim en infrastructuur.
Kunt u deze vragen apart en voor maandag 6 april beantwoorden?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Recente berichtgeving over de invoering van de doodstraf door Israël, de aanhoudende kolonistenaanvallen op Taybeh en ontwikkelingen rond de Tent of Nations |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Knesset passes death penalty law for Palestinians convicted of deadly acts of terror»1 en andere recente berichtgeving over dit onderwerp?
Ja.
Klopt het dat de Israëlische Knesset een wet heeft aangenomen die de doodstraf (door ophanging) als standaardstraf invoert voor niet-Israëliërs die door militaire rechtbanken zijn veroordeeld voor dodelijke aanslagen? Hoe beoordeelt u het feit dat deze wet in de praktijk vooral of uitsluitend van toepassing lijkt te zijn op Palestijnen, en niet op Israëlische daders van vergelijkbare feiten?
Graag verwijst het kabinet u naar de recent verstuurde Kamerbrief over dit onderwerp.2
Deelt u de zorgen van internationale organisaties en de Europese Unie dat deze wet in strijd is met internationale mensenrechtennormen en het non-discriminatiebeginsel? Op welke wijze voldoet de wet daar volgens het kabinet niet aan?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het ontbreken van mogelijkheden tot beroep of gratie in deze wet, zoals gemeld in de berichtgeving?
Dit is strijdig met internationaal recht. Het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waarbij zowel Nederland als Israël partij zijn, schrijft voor dat eenieder die ter dood veroordeeld is het recht heeft om gratie of verzachting van het vonnis te vragen. Ten aanzien van het recht om beroep in te kunnen stellen, heeft het VN-Mensenrechtencomité verduidelijkt dat dit onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces. Een schending van het recht om beroep in te kunnen stellen tegen een veroordelend vonnis waarbij de doodstraf is opgelegd, moet er volgens het VN-Mensenrechtencomité toe leiden dat de opgelegde doodstraf wordt beschouwd als willekeurig en daarmee als een schending van het recht op leven.3
Bent u bereid deze zorgen bilateraal en in EU-verband over te brengen aan de Israëlische autoriteiten? Welke verdere stappen overweegt u verder te nemen?
Zie het antwoord op vraag 2. Nu de wet is aangenomen roept Nederland Israël op de wet niet te implementeren en zal Nederland actief handelen langs de lijnen van het (Europese) afschaffingsbeleid. Conform het afschaffingsbeleid zet het kabinet zich in tot het instellen van een moratorium als een eerste stap naar afschaffing.
Welke gevolgen verwacht u dat deze wet zal hebben voor de rechtsstaat, de spanningen in de regio en de veiligheidssituatie op de Westelijke Jordaanoever? Welke rol kan Nederland hierin spelen?
Het wetsvoorstel past binnen de bredere zorgen die het kabinet heeft over de rechtstatelijke ontwikkelingen in Israël. Hierover blijft het kabinet met de Israëlische regering in gesprek.
De exacte gevolgen zijn momenteel niet te voorspellen en zal afhangen van de wijze waarop er daadwerkelijk invulling aan de wet zal worden gegeven. Bovendien ligt er ook een zaak voor bij het Israëlisch hooggerechtshof over de wet. Israël kende altijd al de doodstraf, echter dit is een heel grote stap in de verkeerde richting. Begrijpelijkerwijs leidt tot grote bezorgdheid onder Palestijnen en tot verdere ongelijkheid tussen Israëliërs en Palestijnen. Zie verder het antwoord op vragen 2, 5 en 11.
Bent u bekend met het artikel van Cvandaag over de zorgen van een priester uit het christelijke dorp Taybeh over aanhoudende aanvallen door Israëlische kolonisten?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat in het overwegend christelijke dorp Taybeh sprake is van herhaalde aanvallen op bewoners, landbouwgrond en religieuze locaties door kolonisten en dat dit niet is opgehouden sinds de laatste keer dat de ChristenUnie hier aandacht bij het kabinet voor vroeg? Welke stappen heeft de Minister genomen sinds de eerder gestelde en beantwoorde Kamervragen?3 Wat de respons van de Israëlische autoriteiten?
Het kolonistengeweld op de Westelijke Jordaanoever is het afgelopen jaar toegenomen. Ook het dorp Taybeh is sinds de eerder gestelde Kamervragen opnieuw doelwit geweest van aanvallen. Het kabinet veroordeelt kolonistengeweld, waaronder geweld tegen christelijke gemeenschappen. Het kabinet brengt deze boodschap consequent over en benadrukt daarbij dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor de bescherming van de bevolking en voor het vervolgen van plegers van dit geweld. Zoals bekend zet Nederland zich in EU-verband in voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. De Israëlische autoriteiten hebben aan gegeven steviger te willen gaan optreden tegen gewelddadige kolonisten. Het kabinet moet echter constateren dat dit vooralsnog bij woorden is gebleven. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Kunt u aangeven in hoeverre de Israëlische autoriteiten optreden tegen daders van kolonistengeweld en in hoeverre sprake is van straffeloosheid? En heeft het ministerie een beeld in hoeveel dorpen/gebieden dit inmiddels speelt? Hoeveel kolonisten die opgepakt zijn, zijn in de afgelopen 2 jaar uiteindelijk veroordeeld?
In het advies van 19 juli 2024 over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden, oordeelt het Internationaal Gerechtshof dat Israël systematisch faalt om aanvallen van kolonisten op de lichamelijke integriteit en/of het leven van Palestijnen te voorkomen of te bestraffen. Het Hof oordeelt tevens dat Israël zelf buitensporig geweld gebruikt. Volgens het Hof is dit in strijd met Israëls verplichtingen om het recht op leven van Palestijnen onder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten te eerbiedigen.
In gevallen waar Israëlische autoriteiten wel optreden tegen het geweld, leidt dit vrijwel nooit tot een aanklacht, en daarmee een veroordeling. Uit cijfers van de Israëlische ngo Yesh Din blijkt dat in de periode van 2005–2025 3% van de onderzoeken naar kolonistengeweld tot een veroordeling leidde. Sinds 7 oktober 2023 is het aantal veroordelingen voor kolonistengeweld volgens diezelfde cijfers 0; wel heeft een aantal kolonisten tijdelijk in administratieve detentie gezeten. Het uitblijven van effectieve handhaving werkt straffeloosheid in de hand en draagt bij aan verdere escalatie. Het kabinet blijft dit benadrukken richting de Israëlische regering.
Zowel het Internationaal Strafhof als diverse onderzoeksmechanismen ingesteld door de VN(-Mensrechtenraad) doen reeds onderzoek naar de situatie. Nederland deed de afgelopen jaren een extra vrijwillige bijdrage van in totaal EUR 6 mln. aan het Internationaal Strafhof voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Hof. Het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in de Palestijnse Gebieden speelt een belangrijke rol waar het onderzoek naar mensenrechtenschendingen betreft.
Bent u bereid zich in EU-verband in te zetten voor concrete maatregelen om Palestijnse (en in ook in het bijzonder christelijke) gemeenschappen zoals Taybeh beter te beschermen tegen geweld door kolonisten?
Nederland veroordeelt kolonistengeweld en geweld tegen Palestijnse burgers. In EU-verband blijft Nederland voortrekker voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten.
Welke stappen onderneemt Nederland momenteel om de veiligheid, rechtsbescherming en leefbaarheid van gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever te ondersteunen?
Het is van belang vanuit verschillende invalshoeken hier een bijdrage aan te leveren. Ten eerste door het beëindigen van de onrechtmatige Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever. Nederland schaart zich achter de oproep om de onrechtmatige bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van Israëls legitieme veiligheidsbelangen. Het kabinet benadrukt dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor bescherming van de lokale bevolking en voor het vervolgen van daders van misdrijven. In EU-verband blijft Nederland voortrekker voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Daarnaast werkt het kabinet aan nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige nederzettingen te weren van de Nederlandse markt.
Nederland zet zich ook actief in via steun aan de Palestijnse Autoriteit en via verschillende ontwikkelingssamenwerkingsprojecten, met name op het gebied van water, rechtstaat en private sector ontwikkeling, die bijdragen aan de rechtsbescherming en leefbaarheid in de Westelijke Jordaanoever. Lokaal onderhoudt de Nederlandse vertegenwoordiging in de Palestijnse Gebieden ook contact met Palestijnse gemeenschappen. Nederland draagt bij aan projecten die het tegengaan van straffeloosheid promoten en projecten die Palestijnen, die bedreigd worden door kolonisten, steunen, onder door middel van juridische hulp en weerbaarheidstrainingen.
Klopt het dat sinds de beantwoording van eerdere Kamervragen4 de situatie rond de Tent of Nations (d.d. 14 april 2025) is verergerd? Zo ja, op welke wijze?
Ja. De nabijgelegen buitenpost is verder uitgebreid in de richting van het land van Tent of Nations. Daarnaast is er een toename van intimidaties en incursies door kolonisten.
Klopt het dat er inmiddels wegen en andere infrastructuur zijn aangelegd op het terrein van Tent of Nations? Klopt het dat deze infrastructuur door de rechter als illegaal is bestempeld en verwijderd moet worden? Waarom wordt er niet gehandhaafd en waar ligt dat aan?
Ja. De Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden, de nederzettingen aldaar en de daarmee gepaarde infrastructuur zijn onrechtmatig – dus ook de door kolonisten aangelegde infrastructuur nabij en op het land van Tent of Nations. Daar komt bovenop dat ook de Israëlische rechter meermaals heeft geoordeeld dat de aangelegde infrastructuur op het land van Tent of Nations illegaal is en moet worden verwijderd. De Israëlische autoriteiten hebben tot op heden geen actie ondernomen naar aanleiding van deze uitspraken, hetgeen het kabinet afkeurt. Het kabinet kan niet speculeren over waarom deze rechterlijke uitspraken niet nageleefd worden.
Klopt het dat zolang de uitspraak van de rechter niet wordt nageleefd en de infrastructuur wordt verwijderd, de bewegingsvrijheid van de eigenaren van de Tent of Nations de facto wordt beperkt door deze «facts on the ground»?
Ja.
Klopt het dat er wooncontainers direct naast het land van de familie Nassar zijn geplaatst? Zo ja, is het rechtmatig dat deze daar staan? Zo nee, wat is uw inzet richting de Israëlische autoriteiten om te zorgen dat deze worden verwijderd?
Zie het antwoord op vragen 11, 12 en 13. Er wordt nog altijd gewacht op een (datum voor) uitspraak in de landregistratiezaak van Tent of Nations. Nederland blijft de zaak van Tent of Nations met regelmaat onder de aandacht brengen van de Israëlische autoriteiten, en wijst hen daarbij op hun verantwoordelijkheid om de familie Nassar, hun land en hun gasten te beschermen. Dit gebeurt op politiek en ambtelijk niveau, zowel vanuit Den Haag als via de ambassade in Tel Aviv en vertegenwoordiging in Ramallah.
Hoe staat het met de lopende rechtszaak tussen de Israëlische regering en de eigenaren van de Tent of Nations? Is er zicht op een datum voor uitspraak? Kunt u hier de Israëlische autoriteiten op aanspreken dat er sprake lijkt te zijn van onnodige vertraging met «facts on the ground» tot gevolg? Welke andere stappen kan het kabinet zetten?
Zie antwoord vraag 15.
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Ja.
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Het totaal aantal Syrische asielzoekers per 1 april is 17.310.
Het totaal aantal Syrische statushouders per 1 april is 76.200.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Het gaat om 70.840 personen, per 1 april 2026.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Dit betreft 5.360 personen per 1 april 20262.
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Een asielaanvraag wordt op basis van de individuele merites van de zaak beoordeeld. In het geval van Syrië wordt daarbij gebruik gemaakt van het landgebonden asielbeleid. Landgebonden asielbeleid komt zorgvuldig tot stand op basis van actuele, feitelijke informatie over een land van herkomst. Op 22 april jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over enkele wijzigingen in het landenbeleid Syrië. Voor heel Syrië blijft de laagste gradatie van artikel 15c aangewezen. Voor druzen heb ik een risicoprofiel aangewezen, naast de al aangewezen risicoprofielen voor LHBTIQ+ en alawieten. Het algemene uitgangspunt dat in Syrië in het algemeen geen sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief, is komen te vervallen.
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Ook in bovengenoemde brief van 22 april jl. en bijbehorende nota ga ik daarop in. Daar verwijs ik dan ook naar.
De inzet van dit kabinet blijft, in lijn met de keuze van mijn voorganger, om over te gaan tot het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen zodra dat kan, waarbij ik rekening houd met de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid. Uit de EU Kwalificatierichtlijn en de vanaf 12 juni in werking tredende Kwalificatieverordening en jurisprudentie van het EU Hof van Justitie volgt dat de internationale beschermingsstatus enkel mag worden verleend aan en voortgezet bij personen die aan de voorwaarden voor internationale bescherming voldoen. Aan de herbeoordelingen van een verblijfsstatus worden echter andere juridische voorwaarden gesteld dan de voorwaarden die gelden voor de beoordeling van asielaanvragen. Uit art. 11 en art. 16 van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.37g Voorschrift Vreemdelingen, volgt dat bij veranderde omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen.
Uit het algemeen ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de positieve ontwikkelingen die reeds werden ingezet inzake de ruimte om kritiek te leveren op de overgangsregering zich door bleven zetten. In algemene zin komt een beeld naar voren uit het ambtsbericht van een mensenrechtensituatie die, met name in het controlegebied van de overgangsregering, voldoende ingrijpend verbeterd lijkt te zijn ten opzichte van de situatie ten tijde van het Assad-regime. Tegelijkertijd wijzen de geweldsuitbarstingen in de kuststreek in maart 2025 en in Suweida gedurende de verslagperiode van het ambtsbericht van januari 2026, op een gepolariseerde samenleving waar nog veel spanning heerst. Ook de recente ontwikkelingen in het noordoosten van het land wijzen op een situatie die nog niet aangemerkt kan worden als «van niet-voorbijgaande aard». Aangezien op basis van de landeninformatie niet kan worden geconcludeerd dat de veranderde omstandigheden in het land van herkomst een niet-voorbijgaand karakter hebben, is herbeoordeling conform de voorwaarden van het Unierecht thans niet aan de orde.
Bij een volgend ambtsbericht zal opnieuw worden bezien of dit wel het geval is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om in Q4 een nieuw ambtsbericht te publiceren, mits de zorgvuldigheid van het onderzoek dit tijdpad toelaat.
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Reeds direct na de val van het Assad-regime meldden zich Syriërs bij de Dienst Terugkeer en Vertrek voor ondersteuning bij terugkeer naar Syrië. De DTenV heeft deze ondersteuning ook direct geboden. In de eerste maanden ging het daarbij met name om het organiseren van de daadwerkelijke terugkeer door het boeken en financieren van vliegtickets en ondersteuning bij het verkrijgen van vervangende reisdocumenten. Naar aanleiding van de informatie in het ambtsbericht van vorig jaar konden Syriërs ook weer gebruik maken van de reguliere herintegratieondersteuning. Sinds de val van Assad zijn inmiddels meer dan 1400 personen3 vrijwillig teruggekeerd naar Syrië. Onder de personen die vrijwillig zijn teruggekeerd zitten zowel personen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun asielaanvraag, personen zonder verblijfsrecht en personen in bezit van een vergunning voor (on)bepaalde tijd. Gedwongen terugkeer heeft nog niet plaatsgevonden. Wel blijven we in gesprek met de Syrische autoriteiten over het mogelijk maken van terugkeer, zowel gedwongen als vrijwillig. Nederland heeft hier in Damascus reeds op politiek en hoogambtelijk niveau gesprekken over gevoerd met de Syrische autoriteiten. Daarnaast draagt Nederland bij aan het verbeteren van sociaaleconomische omstandigheden en de veiligheidssituatie in Syrië zodat Syriërs die terugkeren ook duurzaam kunnen re-integreren.
Tijdens het IMRF heeft Nederland samen met Syrië een bijeenkomst georganiseerd over de vraag hoe terugkeer de wederopbouw kan ondersteunen en hoe reconstructie-inspanningen op hun beurt duurzame terugkeer mogelijk maken. De komende tijd zal de dialoog met Syrië worden voortgezet om samen tot concrete mogelijkheden voor samenwerking te komen.
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Bij mijn brief d.d. 22 april 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het landenbeleid Syrië. In deze brief heb ik u laten weten dat het de inzet van het Kabinet is om tot herbeoordelen over te gaan zodra dat kan maar dat dit op dit moment nog niet aan de orde is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht opnieuw onderzoek te verrichten naar de situatie in Syrië en daarover eind dit jaar een nieuw ambtsbericht te publiceren. Aan de hand van dit ambtsbericht zal worden bezien of de situatie in Syrië dermate is ontwikkeld dat er tot herbeoordelen overgegaan kan worden.
Nederland onderschrijft het door Duitsland benoemde belang van terugkeer van Syriërs. Daarbij ziet Nederland dat het investeren in wederopbouw een positieve bijdrage kan leveren aan (vrijwillige) terugkeer. Verder onderkent Nederland, net als Duitsland, dat de terugkeer van Syriërs een gunstige invloed kan hebben op het realiseren van wederopbouw. Het kabinet zet daarom in op het vrijwillig laten terugkeren van grote aantallen Syriërs, zoals ook nader toegelicht in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl4.
Overlastgevend gedrag van asielzoekers is per definitie onaanvaardbaar. Daarom geven we in algemene zin ook prioriteit aan overlastgevers in het terugkeerproces. Nederland zet in dat verband ook in op terugkeer van vertrekplichtige Syrische vreemdelingen.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10, zet het kabinet in op het laten vertrekken van zoveel mogelijk Syriërs. Het hanteert daarbij geen streefgetallen of -percentages.
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 7 en 8 zijn er reeds mogelijkheden voor ondersteuning bij vrijwillige terugkeer naar Syrië. Deze ondersteuning staat ook open voor personen met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Samen met Buitenlandse Zaken, andere EU-lidstaten en internationale organisaties wordt gekeken hoe Syrië verder kan worden ondersteund bij de wederopbouw. Daarin zal ook nadrukkelijk de mogelijkheid van het bedrijfsleven in Nederland en de EU worden meegenomen alsmede de inzet van de Syrische diaspora.
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Amerikaanse zorgdeals met Afrikaanse landen |
|
Elles van Ark (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat de Verenigde Staten met inmiddels 27 landen in Afrika en Zuid-Amerika zorgdeals hebben gesloten, waarbij toegang tot gezondheidsdata over virusuitbraken onderdeel is van de afspraken?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de afgesloten Memoranda of Understanding (MoU) tussen de Verenigde Staten en landen in Afrika en Latijns Amerika. De Verenigde Staten blijven een belangrijke speler op het gebied van mondiale gezondheid met een bijdrage van USD 9.6 miljard voor gezondheid wereldwijd.
De VS hebben aangegeven inmiddels 30 overeenkomsten te hebben gesloten. Zij verwachten dat op korte termijn de inhoud van meer overeenkomsten openbaar zal worden. Tevens verklaren zij dat het bilateraal delen van data gaat over twee zaken. Enerzijds gaat het om het delen van data t.a.v. voortgang op de overeenkomsten zelf. Bijvoorbeeld hoeveel begrotingsmiddelen landen zelf beschikbaar maken voor gezondheid in hun landen. Anderzijds gaat het om het delen van data t.a.v. ziekte-uitbraken. De VS geven aan dat persoonlijke patiëntengegevens hier niet onderdeel van zijn. Het gaat om informatie over varianten van ziekteverwekkers, die internationaal met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) worden gedeeld. Nu de VS niet langer lid zijn van de WHO, geven zij aan niet automatisch dergelijke informatie meer te ontvangen. Daardoor zouden Amerikaanse organisaties ook niet kunnen bijdragen aan het indammen van uitbraken van infectieziekten.
Het delen van data met de VS is niet exclusief; het staat landen vrij om informatie te delen met zowel de WHO als de VS. Nederland deelt gezondheidsinformatie met de WHO. Dit kabinet benadrukt de centrale coördinerende rol van de WHO op het gebied van gezondheid. Deze rol is tevens vastgelegd in internationale verdragen. Het kabinet hecht eraan dat de WHO haar taak kan blijven uitvoeren.
Hoe beoordeelt u het morele en geopolitieke risico dat kwetsbare landen, die door eerdere bezuinigingen op ontwikkelingshulp financieel in de knel zijn gekomen, feitelijk worden gedwongen om zeer vergaande voorwaarden te accepteren om essentiële hiv-, tuberculose- of ebolazorg overeind te houden?
De VS heeft decennialang gezondheidszorg in veel Afrikaanse landen gesteund, met name op het gebied van hiv-aids, tuberculose en malaria. Het staat soevereine staten vrij om bilaterale overeenkomsten te sluiten.
Een mogelijk risico van de bilaterale MoU’s is dat met name kwetsbare landen niet op korte termijn eigen of alternatieve vormen van financiering beschikbaar hebben voor essentiële basisgezondheidszorg. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd spoort het landen aan om op meer duurzame wijze eigen begrotingsmiddelen in te zetten voor gezondheid. Nederland blijft zich inspannen voor sterke systemen voor basisgezondheidszorg en voor een meer duurzame financiering van gezondheid in kwetsbare landen. Dat doen we bijvoorbeeld via de Wereldbank en Global Financing Facility (GFF), die via grants en technisch advies landen aanzet tot structurele investeringen in de gezondheid van moeders, kinderen, en kwetsbare groepen. Elke dollar geïnvesteerd in de GFF levert zeven dollar aan additionele investeringen op uit nationaal budget.
Deelt u de mening dat gezondheidsdata over nieuwe virusuitbraken geen onderhandelingsmiddel of verdienmodel mogen worden, maar in de eerste plaats ten dienste moeten staan van mondiale volksgezondheid en een snelle, eerlijke pandemiebestrijding? Zo nee, waarom niet?
Zoals afgesproken in het coalitieakkoord, blijft de Mondiale Gezondheidsstrategie leidend voor dit kabinet. Een van de prioriteiten in deze strategie is pandemische paraatheid. Gegevensuitwisseling over ziekte-uitbraken is belangrijk voor een goede pandemiebestrijding. Nederland zet daarom in op coördinatie van data-uitwisseling en een sterke mondiale gezondheidsarchitectuur in EU, WHO en VN-verband.
Fragmentatie en parallelle systemen kunnen een risico vormen voor tijdig inzicht in en een gecoördineerde aanpak van een gezondheidscrisis. Dit kabinet blijft voorstander van multilaterale kaders en meer bindende internationale afspraken, zoals onder meer vastgelegd in de Internationale Gezondheidsregeling uit 2005, zodat ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen vroegtijdig worden gesignaleerd en mogelijk voorkomen kunnen worden.
Hoe beoordeelt u het risico dat deze Amerikaanse zorgdeals de internationale samenwerking binnen de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ondermijnen, doordat landen data rechtstreeks met de VS delen in plaats van via multilaterale structuren?
Het internationale systeem van monitoring, surveillance and early warning onder de Internationale Gezondheidsregeling (IGR, 2005) heeft baat bij snelle, wereldwijde informatiedeling over nieuwe en bestaande gezondheidsbedreigingen. Wanneer bilaterale afspraken leiden tot fragmentatie of parallelle systemen kan dat afbreuk doen aan de centrale rol van het internationale systeem dat onder de WHO is opgebouwd. Daardoor kunnen risico’s ontstaan voor de volksgezondheid - en pandemische paraatheid in het bijzonder, ook voor Nederland.
Klopt het dat nog onduidelijk is of deze zorgdeals exclusief zijn, en dus kunnen betekenen dat betrokken landen gezondheidsdata niet of minder vrij met de WHO kunnen delen? Bent u bereid dit te laten uitzoeken?
Zie antwoord op vraag 1. Nederland is in contact met de Verenigde Staten om meer inzicht te krijgen in de inhoud van de MoU’s. Hieruit blijkt dat landen onder deze deals gezondheidsdata kunnen blijven delen met de WHO.
Welke gevolgen kunnen deze deals hebben voor de lopende onderhandelingen in Genève over de uitwisseling van virusinformatie in het kader van het pandemieverdrag?
Zie ook antwoord op vraag 4. Bij de nog lopende onderhandelingen over het Pandemieverdrag zet Nederland in op een verdere uitwisseling van pathogeen materiaal en digitale sequentiedata over pathogenen met pandemisch potentieel, dit via een op te zetten netwerk van bij de WHO aangesloten laboratoria en internationale databases. Dit kabinet acht een dergelijke multilaterale structuur essentieel voor snelle beschikbaarheid van betrouwbare data, effectieve bestrijding van uitbraken en de ontwikkeling van medische producten voor ziekterespons. Nederland blijft hierop inzetten met andere WHO lidstaten en benadrukt dat bilaterale gezondheidsinitiatieven de positie van de WHO als centrale internationale gezondheidsorganisatie niet moeten uithollen.
Welke inzet pleegt Nederland op dit moment, bilateraal en in EU-verband, om juist multilaterale samenwerking op het gebied van pandemische paraatheid, datadeling en eerlijke toegang tot vaccins te versterken?
De kabinetsbrede Mondiale Gezondheidsstrategie zet o.a. in op het versterken van pandemische paraatheid en het tegengaan van grensoverschrijdende gezondheidsdreigingen. Dat doet Nederland door het versterken van systemen voor basisgezondheidszorg, het steunen van organisaties die vaccinatie mogelijk maken en die datadeling over infectieziekten bevorderen. Dat doen we vooral binnen de EU en met multilaterale partners. Nederland benadrukt de centrale rol van de WHO hierin en werkt veelvuldig samen met het Global Fund ter bestrijding van tuberculose, hiv-aids en malaria, en de onder vraag 2 genoemde Global Financing Facility en de Wereldbank. Via Nederlandse bijdragen aan GAVI2 en CEPI3 krijgen o.a. kinderen toegang tot tijdige vaccinatie en worden landen geholpen om systemen voor pandemische paraatheid te versterken.
In de lopende onderhandelingen over de bijlage van het pandemieverdrag pleit Nederland actief voor eerlijke en gelijke toegang tot medische producten. Daarnaast zijn in de wijzigingen van de Internationale Gezondheidsregeling, die binnenkort aan uw Kamer ter goedkeuring worden voorgelegd, afspraken gemaakt over snellere data-analyse en het beschikbaar stellen van medische producten aan ontwikkelingslanden. Tenslotte draagt Nederland bij aan eerlijke toegang tot geneesmiddelen; bijvoorbeeld via de bijdrage aan een Team Europe initiatief op het gebied van lokale productie van gezondheidsproducten in Afrika.
Hoe kijkt u aan tegen het voorbeeld van Zambia, waar zorgsteun ook wordt gekoppeld aan mijnbouwbelangen van Amerikaanse bedrijven? Vindt u het wenselijk dat ontwikkelings- en gezondheidssteun op deze manier wordt verbonden aan strategische grondstoffenbelangen?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de signalen dat in landen als Kenia toegang tot complete patiëntensystemen wordt verlangd en dat hierover ook privacyrechtelijke bezwaren zijn gerezen? Vindt u dat internationale gezondheidssteun altijd moet voldoen aan heldere normen voor databescherming, soevereiniteit en proportionaliteit?
De VS geeft aan dat het delen van patiëntengegevens niet onderdeel is van de bilaterale overeenkomst. Het is aan soevereine staten om de privacy rechten van hun burgers te beschermen. Op grond van de Internationale Gezondheidsregeling (IGR, 2005) zijn staten overeengekomen om informatie te delen uit nationale monitoring, nationale surveillance en «early warning» t.a.v. infectieziekten. Dat is in het belang van mondiale gezondheidsveiligheid en is conform nationale wet- en regelgeving over de bescherming van persoonsgegevens.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijke Europese lijn waarin wordt uitgesproken dat mondiale gezondheidsdata, pandemische paraatheid en toegang tot vaccins niet via bilaterale machtsverhoudingen mogen worden uitgehold? Zo nee, waarom niet?
Het is staand beleid dat NL zich in EU-verband en breder uitspreekt voor een internationale gecoördineerde aanpak van pandemieën en grensoverschrijdende gezondheidsdreigingen. De Mondiale Gezondheidsstrategie is hierin leidend.
Kunt u aangeven hoe u de aangenomen motie Van Ark c.s. uit gaat voeren, waarin verzocht is in kaart te brengen op welke wijze substantiële schuldverlichting in combinatie met innovatieve oplossingen zoals «schuld in ruil voor zorg»-programma’s en publiek-private matching funds vorm zou kunnen krijgen en hoe dit zou kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid van Afrikaanse landen? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?2
Uw Kamer wordt hierover in het Verslag van de Voorjaarsvergadering van de Wereldbank geïnformeerd.
Kunt u aangeven of – en zo ja, hoe – Nederland via de EU, de WHO of andere multilaterale fondsen op andere manieren kan bijdragen aan het versterken van gezondheidssystemen in Afrikaanse landen, zodat zij minder afhankelijk worden van dit soort onevenwichtige deals?
In de huidige context is het verstandig dat Afrikaanse landen zelf meer aan het stuur zitten van hun eigen gezondheidsbeleid. Dat vereist hogere nationale budgetten voor gezondheid, meer duurzame gezondheidsfinanciering en een grotere inzet op versterking van gezondheidssystemen. Nederland draagt bij aan programma’s van o.a. de Wereldbank, WHO en UNFPA die de eigenstandige sturing van deze landen en een structurele versterking van gezondheidssystemen dichterbij brengen. Het gaat bijvoorbeeld om het inzetten van internationale steun als prikkel voor meer structurele investeringen van de landen zelf in de gezondheid van moeders, kinderen, en kwetsbare groepen. Het gaat ook om technisch advies over prioriteitstelling op basis van realtime gezondheidsdata. Private partners spelen een aanjagende rol in innovaties. Uiteindelijke doel is dat Afrikaanse landen op termijn minder afhankelijk worden van internationale steun voor gezondheid.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de manier waarop Nederland zich de komende maanden in EU-, WHO- en VN-verband zal inzetten om eerlijke datadeling, sterke gezondheidssystemen en gelijke toegang tot medische tegenmaatregelen te beschermen?
Ja, dit nemen we mee in de Kamerbrief over de voortgangsrapportage van de Nederlandse Mondiale Gezondheidsstrategie 2023–2030, die later dit jaar naar uw Kamer wordt gestuurd.
De situatie in het Midden-Oosten |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Israëlische kabinet om het zuiden van Libanon te bezetten en het standpunt van de Israëlische Minister van Financiën Smotrich dat Israël Libanees grondgebied ten zuiden van de Litani-rivier moet annexeren?1
Ja.
Veroordeelt u de bezetting en mogelijke annexatie van Libanees grondgebied? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet erkent de veiligheidszorgen van Israël ten aanzien van Hezbollah, dat al decennialang een dreiging voor Israël vormt en aanhoudend aanvallen op Israël uitvoert.
Tegelijkertijd onderstreept het kabinet dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. De uitoefening van het recht op zelfverdediging door Israël tegen de aanvallen van Hezbollah dient binnen de grenzen van noodzakelijkheid en proportionaliteit te blijven. Bij de proportionaliteit plaats het kabinet vragen.
Annexatie is in strijd met internationaal recht. Het kabinet veroordeelt oproepen van Israëlische bewindspersonen tot annexatie van Libanees grondgebied. Het kabinet acht uitspraken van Israëlische bewindspersonen inzake bezetting van Zuid-Libanon daarnaast zorgwekkend. De soevereiniteit en de territoriale integriteit van Libanon zijn hierbij van essentieel belang, naast de leidende principes van noodzakelijkheid en proportionaliteit onder het internationaal recht.
Het kabinet heeft steeds opgeroepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren in Libanon en onderstreept het belang van een diplomatieke oplossing voor het conflict tussen Israël en Hezbollah. Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon, als gevolg van de directe onderhandelingen tussen deze landen onder leiding van de Verenigde Staten. Het kabinet roept, via de EU en in bilaterale contacten, alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de onderhandelingen voort te zetten om te komen tot een duurzame vrede.
Heeft u alleen begrip voor de veiligheidszorgen van Israël m.b.t. Libanon of heeft u ook begrip voor de Israëlische aanvallen op Libanon? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u begrip voor de Israëlische vernietiging van zeven waterinstallaties in Libanon deze maand, voor 64 Israëlische aanvallen op Libanese gezondheidsdiensten, en voor de verwoesting van drie rivierovergangen waardoor de bewegingsvrijheid van burgers en humanitair personeel ernstig is ingeperkt?2 Zo ja, waarom?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3, moet militair optreden binnen de kaders van het internationaal recht plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, moet worden gerespecteerd. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Zijn deze aanvallen op burgerdoelen volgens u verboden onder het oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht vereist dat burgers en burgerobjecten worden ontzien en beschermd. Ook biedt het humanitair oorlogsrecht speciale bescherming voor humanitaire hulpverleners en voor objecten die onmisbaar zijn voor de overleving van de burgerbevolking. Die bescherming is niet absoluut. Wanneer hulpverleners handelingen uitvoeren die schadelijk zijn voor de vijand, of wanneer objecten worden gebruikt voor militaire doeleinden, kunnen zij hun bescherming verliezen. In die gevallen dienen alsnog de regels over voorzorgsmaatregelen en proportionaliteit te worden toegepast. Het kabinet beschikt over onvoldoende informatie om over deze specifieke gevallen te kunnen oordelen.
Bent u bereid deze aanvallen te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Op 14 april jl. heeft Nederland een door Frankrijk geïnitieerde verklaring medeondertekend over de situatie in Libanon. Hierin veroordeelt het kabinet in de sterkst mogelijke bewoordingen de grootschalige Israëlische aanvallen in Libanon van 8 april jl. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 3.
Deelt u de observatie dat Israël een gebrek aan water inzet als oorlogswapen? Zo nee, waarom niet?
Het is verboden om opzettelijk gebruik te maken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering, door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving. Het gebruik van uithongering als methode van oorlogsvoering is een ernstig internationaal misdrijf. Het is belangrijk dat dit wordt onderzocht en dat bewijsmateriaal van vermeende schendingen wordt verzameld, op basis waarvan een rechter kan bepalen of hier sprake van is.
Bent u bekend met de uitspraak van Minister Smotrich dat de zuidelijke wijken van Beiroet binnenkort op Khan Younis zullen lijken? Veroordeelt u deze uitspraak?
Ja, dit zijn verwerpelijke uitspraken.
Bent u bekend met het bevel van de Israëlische Minister van Defensie om Libanese huizen in het grensgebied te vernietigen «volgens het voorbeeld Beit Hanoun en Rafah»? Is dit volgens u een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de uitspraken van Israëlische bewindspersonen waarin parallellen worden getrokken tussen militair optreden in Gaza en Libanon. Voor het kabinet staat voorop dat burgerobjecten te allen tijde bescherming onder het humanitair oorlogsrecht genieten. Het aanvallen of vernielen van gebouwen die normaal bestemd zijn voor bewoning door burgers mag alleen onder strikte voorwaarden. Als niet aan die voorwaarden is voldaan, kan sprake zijn van een schending van het humanitair oorlogsrecht en mogelijk een oorlogsmisdrijf.
Erkent u, op basis van deze uitspraken en het bewijs dat ruimschoots voorhanden is, het risico dat Israël op dit moment in Libanon een blauwdruk van de militaire vernietigingscampagne in Gaza uitrolt?
Zie antwoord vraag 9.
Pleit u net als de Speciaal Coördinator voor Libanon Hennis-Plasschaert voor een staakt-het-vuren? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vraag 2 en 3.
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan de motie-Klaver (Kamerstuk 23 432, nr. 645) om de Libanese regering te ondersteunen bij de implementatie van resolutie 1701 van de VN-Veiligheidsraad?
Het kabinet heeft extra steun beschikbaar gesteld voor de Lebanese Armed Forces (LAF) ter ondersteuning van het herstel van het geweldsmonopolie door middel van de ontwapening van Hezbollah.3 Daarnaast heeft Nederland op 8 april jl. een verklaring ondertekend waarin wordt opgeroepen tot een einde aan de vijandelijkheden. Nederland roept in politieke contacten met Israël op tot de-escalatie en bij de Libanese regering tot extra inzet op de ontwapening van Hezbollah.
Bent u bekend met het bericht «Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: «De wereld kijkt andere kant op»» van de NOS, d.d. 23 maart 2026?3
Ja.
Deelt u de analyse dat Israël nog steeds veel te weinig humanitaire hulp binnenlaat? Zo nee, waarom niet?
Ja. Er komt nog altijd te weinig humanitaire hulp Gaza binnen en de humanitaire situatie is onverminderd zorgelijk, mede door de belemmeringen die internationale ngo’s en andere hulporganisaties ondervinden. Ook de herregistratieplicht bemoeilijkt hun inzet aanzienlijk.
Het kabinet roept Israël op de herregistratieplicht terug te draaien en dringt aan bij Israël om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang te verschaffen. Zo heeft de Minister-President in het gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moeten openstellen voor humanitaire hulp. Daarnaast heeft Nederland tijdens de Europese Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. benadrukt dat de gevolgen van het Israëlische handelen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, waaronder de humanitaire situatie in Gaza, aanleiding kunnen geven om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Hoeveel kinderen zijn er sinds de aanvang van het staakt-het-vuren gedood door de Israëlische krijgsmacht in Gaza?
Volgens de meest recente cijfers van het Gazaanse Ministerie van Gezondheid en Save the Children zijn er tussen 10 oktober 2025 en 3 april jl. meer dan 700 Palestijnen, onder wie ten minste 180 kinderen, omgekomen door Israëlische aanvallen.
Hoe heeft u in uw eerste maand als Minister van Buitenlandse Zaken de druk bij Israël opgevoerd om de aanvallen op Gaza te staken en meer humanitaire hulp toe te laten?
Het kabinet weegt voortdurend welke combinatie van diplomatieke druk en dialoog het meest effectief is om invloed uit te oefenen op het beleid van Israël. Het kabinet acht het van groot belang dat het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas standhoudt en dat verdere stappen worden gezet om het vredesplan te implementeren. Deze boodschap wordt consequent en op alle niveaus overgebracht aan de Israëlische autoriteiten, recentelijk door de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken. Zie verder het antwoord op vraag 14.
Op welke manier gaat u de druk op de Israëlische autoriteiten verder opvoeren?
Zie antwoord vraag 16.
Bent u bekend met het artikel «No Israel prosecutions for killing Palestinian civilians in occupied West Bank since start of decade» van The Guardian, d.d. 25 maart 2026?4
Ja.
Deelt u de mening dat deze straffeloosheid onacceptabel is? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om deze straffeloosheid te bestrijden?
Het kabinet ziet momenteel te weinig onderzoek naar, en berechting van, internationale misdrijven door Israël zelf. Nederland spreekt Israël hier consistent op aan. Als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf internationale misdrijven te onderzoeken en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn te vervolgen en te berechten komt de internationale gemeenschap in beeld. In het geval van Israël en de bezette Palestijnse Gebieden bestaan reeds door de VN-Mensenrechtenraad gecreëerde mandaten die onderzoek doen naar vermeende schendingen.
Nederland zet zich in voor activiteiten die het afleggen van rekenschap in brede zin (en in de toekomst) mogelijk maken, bevorderen en ondersteunen. Zo heeft Nederland de afgelopen jaren in totaal een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van het Hof. Het kantoor van de VN Hoge Vertegenwoordiger voor Mensenrechten (Office of the High Commissioner for Human Rights, OHCHR) ontvangt in 2026 iets meer dan 2,1 miljoen euro ter ondersteuning van de onderzoekswerkzaamheden van het VN-landenkantoor in de bezette Palestijnse Gebieden.
Hoe past deze straffeloosheid volgens u in het oordeel van het Internationaal Gerechtshof dat er sprake is van apartheid dan wel rassendiscriminatie in de bezette Palestijnse Gebieden?
Zie het antwoord op vraag 19. In zijn advies van 19 juli 2024 over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden, oordeelt het Internationaal Gerechtshof onder meer dat Israël systematisch tekortschiet om aanvallen van kolonisten op de lichamelijke integriteit en/of het leven van Palestijnen te voorkomen of te bestraffen. Het Hof oordeelt tevens dat de Israëlische staat buitensporig geweld gebruikt. Volgens het Hof is dit in strijd met Israëls verplichtingen om het recht op leven van Palestijnen onder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten te eerbiedigen. Het Hof koppelt deze schending niet rechtstreeks aan artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Wel oordeelt het Hof op basis van een analyse van Israëlische wetgeving en maatregelen, waaronder het verblijfsvergunningsbeleid in Oost-Jeruzalem en het beperken van de bewegingsvrijheid van Palestijnen, dat Israël deze verplichting schendt.
Vindt u dat het Israëlische rechtssysteem functioneert zoals het in een democratische rechtsstaat zou moeten? Zo ja, kunt u toelichten waarom u dat vindt?
Israël wordt van oudsher gekenmerkt als een democratische rechtsstaat met een sterk rechtssysteem. Deze staan echter onder druk, onder meer door (voorgenomen) juridische hervormingen die de rechterlijke macht verzwakken. Het kabinet onderstreept het belang van het respecteren van de fundamenten van de democratische rechtsstaat, waaronder een onafhankelijke rechterlijke macht. Het kabinet is daarbij van mening dat het in het belang van Israël zelf is om de fundamenten van de Israëlische rechtsstaat te eerbiedigen.
Deelt u de oproep van de voormalige Israëlische premier Olmert dat het Internationaal Strafhof tegen het geweld tegen Palestijnse burgers op de Westelijke Jordaanoever zou moeten ingrijpen? Zo ja, bent u bereid het Internationaal Strafhof daartoe een financiële bijdrage te leveren? Zo nee, waarom niet?
Het Internationaal Strafhof heeft op dit moment een lopend onderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden. In het kader van dit onderzoek zijn door het Hof ook arrestatiebevelen uitgevaardigd. Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en bemoeit zich niet inhoudelijk met de onderzoeken die door het Hof worden uitgevoerd. Zoals eerder gesteld heeft Nederland de afgelopen jaren in totaal een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van het Hof.
Bent u bekend met het bericht «Slovenia decides not to join ICJ case against Israel as political scandals deepen» van Euronews, d.d. 20 maart 2026?5
Ja.
Heeft Israël ook druk uitgeoefend op Nederland om geen interventie te plegen in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof? Zo ja, kunt u nader toelichten hoe?
Israël heeft zijn positie over een eventuele interventie destijds kenbaar gemaakt.
Klopt het dat ook Nederlandse autoriteiten Israëlische software in gebruik heeft, zoals Pegasus? Zo ja, deelt u de mening dat dit een afhankelijkheidsrelatie creëert waarmee Israël ons kan chanteren?
Het kabinet werkt via de Taskforce Strategische Afhankelijkheden aan het mitigeren van de risico’s van strategische afhankelijkheden. Hierbij worden alle afhankelijkheden die Nederland van landen buiten de EU heeft meegewogen. De Kamer is middels de Kamerbrief (Kamerstuk 30 821, nr. 244) over de voortgang van de kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden geïnformeerd. Wegens nationale veiligheidsoverwegingen wordt er niet openbaar gecommuniceerd over de strategische afhankelijkheden die het kabinet als risicovol aanmerkt. Over de wijze waarop de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruik maken van hun wettelijk toegekende bijzondere bevoegdheden kan in het openbaar geen mededeling worden gedaan.
Welke stappen onderneemt u om ongewenste afhankelijkheden van Israël af te bouwen?
Zie antwoord vraag 25.
Hoe luidt uw reactie op de berichten «PA drafts constitution, omits Jewish ties to Jerusalem, calls for Sharia legal system»1 en «PA paid half a billion shekels to terrorists in pay-for-slay scheme, sources reveal -exclusive»2?
Het kabinet heeft de berichten voor kennisgeving aangenomen.
Wat is de etymologische geschiedenis van de benaming «Jeruzalem»?
Er zijn verschillende theorieën over de etymologische geschiedenis van de benaming van Jeruzalem.
Klopt het met uw informatie dat de Joodse banden met Jeruzalem in de ontwerp-Grondwet, zoals opgesteld door de Palestijnse Autoriteit (PA), worden weggelaten en bijvoorbeeld enkel het beschermen van islamitische en christelijke heiligdommen wordt benoemd? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat er in de conceptgrondwet geen referentie wordt gemaakt naar de bescherming van Joodse heilige plekken in Jerusalem, maar wel naar Islamitische en Christelijke heiligdommen. Het kabinet is van mening dat vrije, veilige en niet-discriminerende toegang tot heilige plaatsen van alle religies – waaronder de Joodse heiligdommen in Jeruzalem – een essentieel onderdeel is van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Het kabinet zal de ontwikkelingen omtrent de Grondwet nauwkeurig blijven volgen. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Meent u dat in een toekomstige situatie de Joodse banden met Jeruzalem nooit mogen worden ontkend en bent u bereid dit standpunt randvoorwaardelijk uit te dragen voor de toekomst?
Jeruzalem heeft historisch gezien en vandaag de dag een speciale status in het jodendom, de islam, en het christendom. Het respecteren van verschillende religieuze plaatsen in Jeruzalem is ook vastgelegd in de al lang bestaande Status Quo-overeenkomst. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een fundamenteel mensenrecht en een prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Nederland draagt dit uit en zet zich in om dit recht te beschermen, ook in Israël en de Palestijnse Gebieden. Deze conceptgrondwet is wat het kabinet betreft geen bewijs van ontkenning van de geschiedenis van Jeruzalem door de Palestijnse Autoriteit (PA). Zie ook het antwoord op vraag 3.
Welke historische banden heeft het Joodse volk en het judaïsme wetenschappelijk-historisch gezien volgens dit kabinet ten aanzien van de vroege geschiedenis van Jerusalem en aanwezigheid door de eeuwen heen tot op heden? Hoe verhoudt dit zich tot de uitingen van de PA? Is er sprake van bewuste geschiedvervalsing volgens dit kabinet door de PA en zo ja, op welke onderdelen? Bent u bereid de PA hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt invulling gegeven aan de gewijzigde motie-Ceder/Stoffer over het standpunt dat Joden welkom en veilig moeten zijn in Jeruzalem innemen en uitdragen (Kamerstuk 26 150, nr. 239)?
Nederland geeft uitvoering aan deze motie. Het standpunt van het kabinet is dat iedereen het recht heeft om zijn of haar religieuze of levensbeschouwelijke keuze te maken, en dit in vrijheid en veiligheid te doen. Dat geldt wereldwijd, en daarmee ook in Jeruzalem.
Klopt het dat de ontwerp-Grondwet shariawetgeving implementeert? Zo ja, hoe beoordeelt het kabinet dit? Erkent het kabinet dat dergelijke wetgeving op zeer gespannen voet staat met internationale mensenrechtenverdragen zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Wat betekent dit voor de omgang van dit kabinet met de PA?
De conceptgrondwet voorziet geen directe implementatie van de sharia. Wel wordt in de conceptgrondwet aangegeven dat bepaalde principes van de sharia als inspiratiebronnen gelden voor wetgeving. Dit is gebruikelijk in islamitische landen en heeft geen invloed op de betrekkingen die het kabinet onderhoudt met de PA.
Bent u bekend met de uitspraken van uw ambtsvoorganger over dat «de systematiek van betalingen aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood [is] herzien» en dat de «de betalingen onder het vorige systeem (...) zijn gestopt»?3
Daar ben ik mee bekend.
Klopt het met uw informatie dat de ontwerp-Grondwet de voorzetting van het «pay-for-slay-programma» lijkt te formaliseren? Zo nee, hoe interpreteert u het grondwetsartikel zoals genoemd in het artikel van 13 februari jl.?
Er staat dat «rechten van gevangenen zullen worden bewaard». Er wordt in de conceptgrondwet niet gerefereerd aan het sociale zekerheidssysteem waar betalingen aan achterblijvende families van gevangenen onderdeel van zijn op basis van financiële behoeften. Zie ook het antwoord op vraag 10 en 11.
Heeft u signalen ontvangen dat de PA het «pay-for-slay-programma» in 2025 heeft voortgezet, zoals uiteengezet in het artikel van 25 februari jl.? Wat vindt u daarvan?
De Palestijnse president Abbas ondertekende op 11 februari 2025 een decreet waarin dit systeem werd vervangen door een nieuw sociaal systeem. Het decreet stelt dat deze families in aanmerking komen voor uitkeringen op basis van hun financiële behoeften, net zoals andere Palestijnen die steun behoeven. De hervorming op dit vlak is doorgevoerd en wordt gehandhaafd. President Abbas ontsloeg op 10 november 2025 zijn Minister van Financiën, die volgens berichtgeving goedkeuring had gegeven voor een beperkt aantal betalingen volgens het oude systeem. Daaropvolgend publiceerde president Abbas een verklaring waarin hij de hervormingen t.a.v. het sociale zekerheidssysteem nogmaals bevestigde en waarin hij benadrukte dat alle betalingen volgens dit hervormde systeem zullen plaatsvinden. Het kabinet heeft geen recente signalen ontvangen dat de PA het eerdere systeem van uitkeringen voortzet. Het hervormde systeem wordt momenteel in opdracht van de Palestijnse Autoriteit door een onafhankelijk auditbureau beoordeeld. Daarnaast wordt een onafhankelijke audit uitgevoerd in opdracht van de EU.
Kunt u met zekerheid stellen dat het «pay-for-slay-programma» echt is gestopt? Zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Zie antwoord vraag 10.
Mocht u niet met zekerheid kunnen stellen dat het «pay-for-slay-programma» daadwerkelijk is gestopt, kunt u toezeggen om, in lijn met de aangenomen motie-Ceder (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2948), enkel in te stemmen met EU-steun aan de PA als het geld dat de PA uitgeeft aan de uitkeringen wordt afgetrokken van het bedrag aan steun? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend zijn de uitbetalingen in het kader van het meerjarensteunprogramma van de EU aan de Palestijnse Autoriteit afhankelijk van de voortgang op de implementatie van de hervormingen van het sociale systeem, waaronder op het gebied van betalingen van de Palestijnse Autoriteit aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood. Het kabinet dringt er bij de Commissie op aan dat deze afspraken nauwgezet worden gemonitord.
Kunt u toezeggen om de Kamer proactief te informeren als u signalen krijgt dat de PA bedragen uitkeert in het kader van «pay-to-slay» en uit een te zetten welke stappen u gaat ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet informeert de Kamer geregeld over de voortgang van de hervormingen van de PA en zal dit blijven doen.
De voorgenomen sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba, Zuid-Soedan |
|
Chris Stoffer (SGP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de Dutch Relief Alliance (DRA) van 2 maart 2026 over de voorgenomen sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba?
Kunt u inhoudelijk reageren op de zorgen en argumenten die in deze brief worden genoemd, in het bijzonder ten aanzien van humanitaire toegang, diplomatieke aanwezigheid en veiligheid van hulpverleners?
Deelt u de analyse dat Zuid-Soedan structureel te maken heeft met samenlopende crises – waaronder gewapend conflict, klimaatgerelateerde overstromingen, regionale instabiliteit en grootschalige vluchtelingenstromen uit Soedan – en dat juist in een dergelijke context fysieke diplomatieke aanwezigheid essentieel is voor effectieve hulp en vroegtijdige signalering? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete, zwaarwegende argumenten liggen ten grondslag aan het voornemen om de ambassade in Juba te sluiten, en hoe zijn deze argumenten afgewogen tegen de uitzonderlijk kwetsbare situatie in Zuid-Soedan, waar naar schatting circa 10 miljoen mensen humanitaire hulp nodig hebben?
Welke alternatieven voor volledige sluiting zijn onderzocht, zoals behoud van een afgeslankte post of versterkte regionale ondersteuning, en waarom zijn deze opties wel of niet haalbaar geacht?
Kunt u toelichten hoe de voorgenomen sluiting zich verhoudt tot de investering van 35 miljoen euro voor het wereldwijde Nederlandse ambassadenetwerk vanaf 2027, terwijl de jaarlijkse kosten van de ambassade in Juba circa 4 miljoen euro bedragen? Acht u deze bezuiniging proportioneel in het licht van de Nederlandse belangen in Zuid-Soedan en de uitgesproken ambities in het coalitieakkoord over het vergroten van perspectief van de meest kwetsbare doelgroepen in fragiele regio’s?
Bent u bereid om, mede gezien het lopende adviestraject van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) over het Nederlandse postennetwerk, definitieve besluiten over sluiting van de ambassade in Juba aan te houden totdat dit advies is verschenen? Zo nee, waarom niet, en op welke gronden acht u vooruitlopen op dit advies gerechtvaardigd?
Deelt u de zorg dat sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba het signaal afgeeft dat Nederland zijn betrokkenheid bij een van de meest kwetsbare landen ter wereld vermindert, en dat dit ruimte kan laten voor andere internationale actoren die minder prioriteit geven aan mensenrechten en multilateralisme? Hoe weegt u de geopolitieke effecten van sluiting van de post in Juba?
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Kunt u de Kamer de beantwoording zo snel mogelijk doen toekomen, idealiter voor het commissiedebat Humanitaire Hulp van woensdag 1 april?
Het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Rob Jetten (D66), Enneüs Heerma (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Verenigde Naties (VN) slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende VN-resolutie. Het kabinet onderstreept het grote belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakten en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend door het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar principiële en juridische bezwaren tegen bestaan, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt.
Klopt het dat Nederland zich heeft onthouden van stemming? Zo ja, waarom?
Ja. het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat van landen met een koloniaal verleden en directe betrokkenheid bij (trans-Atlantische) slavenhandel, zoals Nederland, een expliciete erkenning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt deze stemonthouding in de Algemene Vergadering van de VN zich tot de officiële excuses voor het handelen van de Nederlandse staat, waarbij, in de bewoordingen van de toenmalige Minister-President Rutte, «een komma, geen punt» werd gezet? Had het niet meer in deze benadering gepast om wél in te stemmen met deze VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft dat van landen met een koloniaal verleden, zoals Nederland, een expliciete erkenning van het slavernijverleden verwacht mag worden.
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
De onthouding bij deze resolutie, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, staat niet op gespannen voet met deze lijn. Deze gezamenlijke positie laat zien dat de juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutie breder worden gedeeld. De keuze om te onthouden is ingegeven door specifieke juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutietekst, en niet door een gebrek aan erkenning van het historische onrecht.
Hoe beoordeelt u de oproep van de secretaris-generaal van de VN om te komen tot «een confrontatie met de nalatenschap van de slavernij en racisme»? Wat valt, in dit licht bezien, te verwachten aan kabinetsmaatregelen?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft al via bestaand beleid. Het is van groot belang om deze geschiedenis te blijven erkennen, te begrijpen en bespreekbaar te maken, juist vanwege de blijvende impact ervan op samenlevingen wereldwijd en in Nederland.
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Met oog voor historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Bent u bereid om deze vragen vóór het aankomende commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten te beantwoorden?
Ja.
De toezegging inzake de tenuitvoerlegging van vonnissen over in Nederland veroordeelde Pakistanen |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw gedane toezegging tijdens het debat over de regeringsverklaring van 25 februari 2026, dat u de Kamer zou informeren over of én welke stappen Nederland heeft gezet om de gerechtelijke vonnissen, waaronder die zijn opgenomen onder ECLI:NL:RBDHA:2023:13579, ECLI:NL:RBDHA:2024:14348 en ECLI:NL:RBDHA:2024:14347, waarin een aantal Pakistanen zijn veroordeeld voor ernstige misdrijven gericht tegen ondergetekende waaronder het uitvaardigen van fatwa’s door imams om mij te vermoorden, ten uitvoer te leggen én of de desbetreffende veroordeelden aan Nederland uitgeleverd te krijgen?
Wij kunnen bevestigen dat de Minister-President bij het debat over de regeringsverklaring op 25 februari jl. heeft toegezegd zich ertoe te zullen inspannen om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen.
Kunt u de Kamer op korte termijn op de hoogte stellen van alle concrete stappen de regering sinds voornoemde vonnissen heeft genomen om de onherroepelijk veroordeelde Pakistanen hun straf te laten uitzitten respectievelijk aan Nederland te laten uitleveren? Welke stappen heeft de regering inmiddels genomen om de veroordelingen effectief ten uitvoer te leggen? Welke stappen bent u nog voornemens te nemen?
Nederland heeft Pakistan eind 2024 formeel verzocht om de uitlevering van diverse in Nederland veroordeelde personen. Het is aan Pakistan om op de uitleveringsverzoeken te reageren. We kunnen uw Kamer verzekeren dat Nederland de uitleveringsverzoeken met grote regelmaat op alle geëigende niveaus nadrukkelijk onder de aandacht brengt bij de Pakistaanse autoriteiten.
Over welke inspanningen precies zijn gepleegd, doen wij gezien de vertrouwelijke aard van het diplomatieke verkeer met buitenlandse autoriteiten, geen verdere uitspraken. Dit kan de internationale strafrechtelijke samenwerking met andere landen en het land in kwestie, zowel in het algemeen als met betrekking tot deze specifieke zaken, belemmeren.
Bij brief van 2 september 2024 is geschetst welke inspanningen worden geleverd in geval van rechtshulp- en uitleveringsverzoeken.1 Daarnaast wordt ingegaan op de diplomatieke inzet van het kabinet indien landen niet meewerken aan de opsporing, vervolging of berechting van personen die verdacht worden van, of veroordeeld zijn voor, het bedreigen van politieke ambtsdragers.
Nederland zal niet schuwen om te blijven aandringen op uitvoering. Het belang dat Nederland aan deze verzoeken hecht wordt duidelijk overgebracht en er kan aan de zijde van Pakistan geen misverstand bestaan over de noodzaak van een adequate opvolging van de Nederlandse verzoeken.
Deelt u nog steeds de mening dat het onaanvaardbaar is als personen, waaronder imams, die zijn veroordeeld door een Nederlandse rechtbank vanwege het uitbrengen van een of meerdere fatwa’s waarin moslims wordt opgeroepen mij te vermoorden, hun straf niet hoeven uit te zitten omdat de Pakistaanse autoriteiten niet meewerken?
We zijn ons ervan bewust dat het lid Wilders al jarenlang wordt geconfronteerd met ernstige bedreigingen. Het kabinet keurt fatwa’s en bedreigingen nadrukkelijk af. Bedreigingen tegen politieke ambtsdragers door of vanuit andere landen die niet meewerken aan opsporing, vervolging of berechting hiervan, worden niet geaccepteerd en hierop wordt geacteerd. Dit uitgangspunt staat buiten kijf.
Het kabinet spant zich maximaal in om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen. Nederland brengt de verzoeken op alle geëigende niveaus veelvuldig en nadrukkelijk onder de aandacht van de Pakistaanse autoriteiten.
Welke politieke en diplomatieke stappen bent u bereid te nemen tegen Pakistan als dat land blijft weigeren mee te werken aan het effectueren van het vonnis van de Nederlandse rechtbank? Bent u bereid sancties te overwegen? Zo ja welke, zo neen waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
De VN-resolutie inzake de trans-Atlantische slavenhandel. |
|
Ralf Dekker (FVD), Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de VN-resolutie die de trans-Atlantische slavenhandel bestempelt als «de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid» ooit?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende resolutie.
Kunt u toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming in plaats van tegen te stemmen?
Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming. Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft, namelijk de erkenning van de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning, herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Deelt u de opvatting dat het creëren van een hiërarchie van historische wreedheden onwenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegengestemd?
Alle misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder de Holocaust en (hedendaagse) slavernij, zijn van uitzonderlijke ernst en verdienen blijvende erkenning en herdenking. Het kabinet ondersteunt het aanbrengen van een hiërarchie tussen dergelijke misdrijven niet en heeft dit standpunt ook kenbaar gemaakt in het kader van de resolutie.
Deelt u de mening dat talloze andere gruweldaden door deze resolutie impliciet worden gebagatelliseerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegen gestemd?
Het kabinet acht het onwenselijk om verschillende misdrijven tegen de menselijkheid in een rangorde te plaatsen. Daarmee is niet gezegd dat deze resolutie beoogt andere historische gruweldaden te bagatelliseren, maar wel dat het kabinet de gekozen formulering juridisch en principieel onjuist acht en zich daarom kritisch heeft opgesteld. Het kabinet heeft desondanks niet tegen de resolutie gestemd, omdat de tekst ook onderdelen bevat die het kabinet onderschrijft.
Hoe gaat u garanderen dat deze resolutie op geen enkele wijze zal leiden tot financiële verplichtingen voor Nederland?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen voor Nederland tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen. Het kabinet heeft zich bovendien expliciet uitgesproken tegen passages die zouden kunnen suggereren dat sprake is van een juridische verplichting tot het bieden van rechtsherstel, inclusief herstelbetalingen.
Erkent u dat het internationaal recht ten tijde van de slavenhandel slavernij niet verbood, en dat terugwerkende toepassing van hedendaagse normen juridisch onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft bezwaar tegen verwijzingen in de resolutie die neerkomen op retroactieve toepassing van internationaal recht. Nederland kan niet instemmen met de suggestie dat historische slavernij en slavenhandel destijds al een schending van een internationaalrechtelijke verplichting zou hebben opgeleverd zoals die nu in de resolutie wordt voorgesteld. Juist dat punt vormde een van de kernbezwaren tegen de tekst en reden om te onthouden van stemming. Dat laat onverlet dat het kabinet de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden erkent.
Deelt u het standpunt dat er geen recht op herstelbetalingen bestaat voor handelingen die destijds niet illegaal waren onder het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt het standpunt dat het internationaal recht niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast en dat geen juridische verplichtingen voortvloeien uit handelingen die destijds niet in strijd waren met internationaal recht.
Tegen die achtergrond heeft het kabinet bezwaar gemaakt tegen onderdelen van de resolutie die uitgaan van een retroactieve toepassing van internationaal recht en de suggestie wekken dat er een juridische verplichting tot het bieden van rechtsherstel, inclusief herstelbetalingen zou bestaan.
Hoe beoordeelt u de oproep in de resolutie om in gesprek te gaan over herstelbetalingen aan nazaten van slaven?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichting tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen. Na het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning is er langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, onder meer door in gesprek te gaan met betrokken gemeenschappen van nazaten van tot slaafgemaakten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland onder druk van deze resolutie in de toekomst zal overgaan tot herstelbetalingen, in welke vorm dan ook?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen voor Nederland. Het kabinet baseert zijn handelen op politieke en juridische afwegingen.
Bent u bereid de eerder gemaakte excuses voor het slavernijverleden te heroverwegen, nu blijkt dat deze worden gebruikt als hefboom voor financiële claims? Zo nee, waarom niet?
Nee. De excuses voor het slavernijverleden zijn weloverwogen aangeboden en blijven van betekenis als erkenning van het historische onrecht en de doorwerking daarvan.
Deelt u de mening dat het aanbieden van excuses door premier Rutte in 2022 en Koning Willem-Alexander in 2023 een strategische fout is gebleken, aangezien dit de deur heeft geopend voor verdergaande eisen?
Nee. De excuses waren een bewuste keuze in het kader van erkenning van het historische onrecht en de doorwerking daarvan. En het kabinet blijft zich inzetten voor erkenning, herdenken en bewustwording over de doorwerking van het slavernijverleden. Tegelijkertijd zijn die excuses geen juridische grondslag voor een verplichting tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen.
Bent u van mening dat de moderne Nederlander schuld draagt voor handelingen die eeuwen geleden plaatsvonden?
Nee. Het kabinet spreekt niet in termen van individuele schuld van huidige generaties. De excuses zien op de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat voor zijn historische rol en de doorwerking daarvan.
Bent u bekend met het historische fenomeen van blanke slavernij in Arabische en Noord-Afrikaanse landen, waaronder de zogenaamde Barbarijse slavenhandel waarbij naar schatting meer dan een miljoen Europeanen werden geroofd en tot slaaf gemaakt, en deelt u de mening dat het eenzijdig aanwijzen van Europese landen als daders van slavernij een onvolledig en misleidend beeld schetst van de geschiedenis?
Het kabinet is bekend met het feit dat slavernij in verschillende tijden en regio’s heeft bestaan. Dat laat onverlet dat Nederland verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen rol in het trans-Atlantische slavernijverleden en de doorwerking daarvan.
Acht u het rechtvaardig dat huidige generaties Nederlandse belastingbetalers financieel aansprakelijk worden gesteld voor historische gebeurtenissen waaraan zij geen deel hadden?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen voor Nederland ook niet tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen.
Waarom richt deze resolutie zich uitsluitend op de trans-Atlantische slavenhandel en niet op de Arabische slavenhandel, die langer duurde en naar schatting evenveel of meer slachtoffers maakte?
De resolutie richt zich specifiek op de trans-Atlantische slavenhandel en de historische en hedendaagse gevolgen daarvan. Het staat een indiener van een resolutie in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, in dit geval Ghana, vrij zelf een thematische focus te kiezen. Nederland onderschrijft dat alle vormen van slavernij en slavenhandel, waar ook, ernstige misdrijven en grove schendingen van de menselijke waardigheid zijn.
Heeft Nederland bij de beraadslagingen in de Algemene Vergadering aandacht gevraagd voor slavernij die tot op de dag van vandaag voortbestaat in delen van Afrika en het Midden-Oosten?
In de beraadslagingen in de Algemene Vergadering heeft Nederland zich gericht op de inhoud van de voorliggende resolutie en de daarbij relevante juridische en beleidsmatige aspecten.
Deelt u de mening dat het hypocriet is dat landen waar moderne slavernij nog steeds voorkomt, mede-indieners zijn van een resolutie over historische slavernij, vooral gezien in die tijd deze landen actief hun eigen medemensen verkochten aan mensen van over de hele wereld?
Het kabinet herkent zich niet in deze kwalificatie. Het tegengaan van hedendaagse vormen van slavernij en mensenhandel is een mondiale opgave die alle landen aangaat, ongeacht hun historische rol. Nederland zet zich hier actief voor in, zowel bilateraal als in internationaal verband, waaronder binnen de VN.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat ook het slavernijverleden en de doorwerking daarvan worden erkend en besproken. Dat landen zich inzetten voor aandacht voor historische slavernij staat niet op gespannen voet met de noodzaak om hedendaagse vormen van slavernij krachtig te bestrijden. Beide sporen zijn complementair en vereisen blijvende inzet.
Hoe verhoudt deze resolutie zich tot het feit dat Nederland als een van de eerste landen slavernij heeft afgeschaft?
Het kabinet onderschrijft die feitelijke veronderstelling niet. Nederland schafte slavernij in de voormalige koloniën af in 1863; in Suriname gold tot 1873 een periode van staatstoezicht. Hoewel slaven officieel vrij waren, moesten zij in Suriname nog tien jaar lang verplicht onder staatstoezicht op de plantages werken.
Nederland is in Europa het eerste land dat formeel excuses aanbood voor het slavernijverleden, en heeft die excuses bovendien verbonden aan een meerjarig beleidsprogramma voor erkenning, herdenken, bewustwording en de aanpak van de doorwerking in het heden.
Acht u het gepast om ontwikkelingshulp te blijven verstrekken aan landen die tegelijkertijd herstelbetalingen van Nederland eisen?
Het kabinet beziet ontwikkelingssamenwerking en discussies over het slavernijverleden als twee afzonderlijke trajecten met elk een eigen doel en afwegingskader. Ontwikkelingssamenwerking is gericht op het bevorderen van stabiliteit, armoedebestrijding, mensenrechten en duurzame ontwikkeling, en gebeurt op basis van beleidsmatige en internationale afspraken.
Kunt u bevestigen dat slavernij een wereldwijd fenomeen was dat in vrijwel alle beschavingen heeft bestaan, en dat het selectief aanwijzen van West-Europese landen een vertekend historisch beeld geeft?
Het kabinet kan bevestigen dat slavernij historisch een wereldwijd fenomeen is geweest. Dat neemt niet weg dat Nederland een eigen verantwoordelijkheid heeft voor zijn rol in de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij en voor de doorwerking daarvan.
Deelt u de mening dat het Nederlandse volk niet gebaat is bij een voortdurende schuldcultuur over historische gebeurtenissen?
Het kabinet herkent zich niet in de term «schuldcultuur». Het beleid is gericht op erkenning van historisch onrecht, kennis en bewustwording, dialoog en het tegengaan van racisme en discriminatie.
De aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid |
|
Heera Dijk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid ooit?1
Het kabinet onderstreept het belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakt en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend met de excuses die in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning zijn aangeboden. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Tegelijkertijd heeft het kabinet zich kritisch opgesteld ten aanzien van onderdelen van de resolutie, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Kunt u, overwegende dat de Nederlandse staat in 2022 excuses heeft gemaakt voor het slavernijverleden, toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming?
Ja. Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die dagelijks last hebben van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden en geschrokken zijn van de stemonthouding?
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
Op welke manieren werkt u momenteel al aan bewustwording over en herstel van (de doorwerking van) het Nederlandse koloniale- en slavernijverleden?
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft al uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft via bestaand beleid. Dat ziet onder meer op erkenning, herdenken en het creëren van een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Bijvoorbeeld door het versterken van maatschappelijke initiatieven, aanpassingen in het onderwijs, meer onderzoek, dialoog met betrokken gemeenschappen en de aanpak van racisme en discriminatie.
Daarmee wordt niet vanaf nul begonnen, maar voortgebouwd op een programma dat al in uitvoering is en de komende periode verder wordt verdiept. Met oog voor de historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om actief te werken aan maatschappelijke bewustwording over het koloniale- en het slavernijverleden en de blijvende impact daarvan, en hoe gaat u in ieder geval de zes Caribische eilanden daarbij betrekken?
Ja.
De zes Caribische eilanden zijn daarbij vanaf het begin betrokken.
In samenwerking met Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Maarten en Sint Eustatius is gewerkt aan eilandelijke actieagenda’s, waarin toezeggingen van 19 december 2022 zijn vertaald in concrete projectplannen. Deze zijn inmiddels aangeboden en toegekend. Voorbeelden van impactvolle projecten zijn DNA onderzoek naar oorspronkelijke afkomst van de gemeenschappen op de Bovenwindse eilanden, (multifunctionele) erfgoedcentra op Aruba en Sint Eustatius, ontwikkeling van een NT3-model (een onderwijskundig concept) waarbij Nederlands als vreemde taal wordt geïmplementeerd in het primair onderwijs op Bonaire en de digitalisering en het vervolgens toegankelijk maken van koloniale archieven op onder andere Curaçao. Daarnaast is op verschillende momenten input opgehaald vanuit de gemeenschappen voor de vormgeving van de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden.
Kunt u de uitvoering van de VN-resolutie opnemen in de aangekondigde voortgangsbrief slavernijverleden die de Kamer in het eerste kwartaal zou ontvangen, en kunt u aangeven wanneer u de Kamer deze brief toezendt?
Ja. In de aangekondigde brief over de voortgang van de acties rond het slavernijverleden zal, voor zover relevant, ook worden ingegaan op de internationale context van deze resolutie en op de wijze waarop Nederland reeds invulling geeft aan de onderdelen die het onderschrijft.
De brief wordt voor het zomerreces aan uw Kamer toegezonden.
Het bericht dat de trans-Atlantische slavenhandel door de VN bestempeld is als "de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid" ooit |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het absurde bericht dat de Verenigde Naties (VN) de trans-Atlantische slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit heeft bestempeld?1
Het kabinet is bekend met de betreffende resolutie.
Vindt u het ook krankzinnig dat er kennelijk landen zijn die VN-resoluties misbruiken om misdaden tegen de menselijkheid te rangschikken om politieke redenen en geld?
Het kabinet ziet zowel het belang van blijvende aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, als het historische onrecht en de doorwerking daarvan tot op de dag van vandaag. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Heeft u de initiatiefnemer van de VN-resolutie gevraagd waarom de grootschalige islamitische slavenhandel kennelijk veel minder erg was dan de trans-Atlantische?
Het kabinet is van mening dat alle vormen van slavernij en slavenhandel, waar en door wie ook dan ook, ernstige misdrijven zijn. De resolutie richt zich specifiek op de trans-Atlantische slavenhandel en de historische en hedendaagse gevolgen daarvan. In de onderhandelingen heeft Nederland zich gericht op de inhoud van de voorliggende resolutie en de daarbij relevante juridische en beleidsmatige aspecten.
Wanneer gaat u deze waanzin, waarmee gruwelijke misdaden tegen de menselijkheid zoals de Holocaust in feite naar beneden worden getrapt, publiekelijk en ferm veroordelen?
Alle misdrijven tegen de menselijkheid zijn van uitzonderlijke ernst en verdienen blijvende erkenning en herdenking. Het kabinet ondersteunt het aanbrengen van een hiërarchie tussen dergelijke misdrijven niet en heeft dit standpunt, alsook het standpunt met betrekking tot het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en eventuele juridische implicaties daarvan, ook kenbaar gemaakt in het kader van deze resolutie.
Wat gaat u doen om te verhinderen dat het slavernijverleden als verdienmodel binnen alle organisaties en afdelingen van de VN blijft doorwoekeren als een ernstige ziekte?
Aandacht voor het slavernijverleden is een kwestie van erkenning en maatschappelijke rechtvaardigheid. Het kabinet zet zich binnen de VN in voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Waarom heeft Nederland niet gewoon glashelder TEGEN deze absurde VN-resolutie gestemd?
Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming. Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft, namelijk de erkenning van de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning, herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Deelt u de mening dat de VN zich beter bezig kan houden met bestrijding van de hedendaags bestaande slavernij waarbij in het bijzonder voor de Afrikaanse Unie een rol weggelegd kan zijn?2
Het kabinet acht de bestrijding van hedendaagse vormen van slavernij, zoals mensenhandel en uitbuiting, van groot belang. Nederland zet zich hier zowel nationaal als internationaal voor in, onder meer binnen de VN en in samenwerking met regionale organisaties zoals de Afrikaanse Unie.
Het bericht 'Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: 'De wereld kijkt andere kant op'' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de toename van geweld in Gaza in de afgelopen weken?1
Deelt u het oordeel dat juist nu extra moet worden ingezet op steun aan bestaande hulpstructuren in Gaza?
Is het kabinet nog steeds van plan de relatie met UNRWA te herstellen, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn zal hier uitvoering aan worden gegeven?
Welke financiële consequenties zijn verbonden aan deze coalitieafspraak voor de komende jaren?
Hoe bent u van plan om te gaan met de wens van de Eerste Kamer om de BNI-koppeling in de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking te herstellen?
De wens van de Eerste Kamer is goed gehoord. Het kabinet actualiseert het ODA-budget op basis van een koppeling aan het BNI, investeert in ontwikkelings-samenwerking en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm. De motie Huizinga-Heringa (Kamerstuk 36 600 XVII, M) is hiermee uitgevoerd, de moties die vragen om een koppeling aan 0,7% van het BNI niet (motie Holterhues in de Eerste Kamer, Kamerstuk 36 725, F; motie Hirsch in de Tweede Kamer, Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 51).
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.