De omvorming van onze krijgsmacht tot een vreemdelingenlegioen |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor het personeelstekort bij defensie: «Buitenlanders aannemen»»?1
Ja.
In hoeverre klopt de berichtgeving dat de Coalitie voor Veiligheid ervoor pleit dat het wervings- en selectiebeleid van Defensie zich beter kan richten op landen buiten de EU die al wel met Nederland verbonden zijn?
In de brief van 16 oktober 2019 van de Coalitie voor Veiligheid (CvV), gericht aan de leden van vaste kamercommissies voor Justitie en Veiligheid en Defensie, roept de CvV inderdaad op om de krijgsmacht open te stellen voor burgers van buiten de Europese Unie die Nederlands of Zuid-Afrikaans spreken. Dit zou moeten bestaan naast het plan van D66 om de krijgsmacht open te stellen voor burgers uit de Europese Unie.
De CvV doet deze oproep omdat zij verwachten dat de binnenlandse arbeidsmarkt in de nabije toekomst niet kan voorzien in voldoende personeel voor de nationale veiligheidssector.
Deelt u de mening dat deze landen niet de normen en waarden vertegenwoordigen die onze krijgsmacht vertegenwoordigt? Zo nee, waarom niet?
Op 22 februari jl. (Kamerstuk 29 282, nr. 362) schreven de Minister en ik u al dat het aannemen van mensen met een niet-Nederlands paspoort nu niet aan de orde is. Verder gaven wij in deze brief aan dat het openstellen van de krijgsmacht voor niet-Nederlanders een politiek besluit is. Tijdens het notaoverleg over de initiatiefnota van het lid Belhaj over een Europese krijgsmacht op 23 september jl. is door de Minister toegezegd dat wij een onderzoek gaan uitvoeren naar de haalbaarheid en wenselijkheid van het openstellen van de Nederlandse krijgsmacht voor EU-burgers. Dit hebben wij ook weer aangegeven in de schriftelijke beantwoording van de vragen die hierover zijn gesteld tijdens de begrotingsbehandeling 5 november jl. (onze referentie BS2019020527). Bij het beantwoorden van de vraag over de wenselijkheid de Nederlandse krijgsmacht open te stellen voor EU-burgers nemen we ook de bestaande normen en waarden van de Nederlandse krijgsmacht mee. Wij houden u op de hoogte van de bevindingen.
Bent u bekend met het feit dat niet alle militaire vakbonden lid zijn van de Coalitie voor Veiligheid? Deelt u de mening dat de oproep van de Coalitie voor Veiligheid om onze krijgsmacht om te vormen tot een vreemdelingenlegioen hierdoor gezag mist? Zo nee, waarom niet?
De CvV bestaat uit dertien vakbonden en beroepsorganisaties uit de sector veiligheid.2 Een aantal van deze organisaties is verbonden aan Defensie. Het klopt dat niet alle aan Defensie verbonden vakbonden betrokken zijn bij de CvV. De CvV heeft als doel een sterk front te vormen en de politiek te bewegen meer te investeren in veiligheid.3 U kunt hiermee zelf een waardering aan dit advies geven.
De CvV uit haar zorgen over het personeelstekort in de veiligheidssector. Als Defensie werken we daarom samen met andere ministeries en partners in de veiligheidssector aan het aantrekkelijk maken en houden van werken in deze zeer relevante en mooie sector. Ik neem kennis van adviezen zoals die van de CvV die hiervoor oplossingsrichtingen aandragen.
Ik zal de suggestie van de CvV om Defensie voor burgers van buiten de EU open te stellen niet overnemen. In Nederland zijn er namelijk nog veel mogelijkheden onbenut. Zo willen we nadrukkelijker gaan inzetten op het interesseren van vrouwen om bij de krijgsmacht te komen werken. Ook het (gedeeltelijk) loslaten van de aannameleeftijd of het werken naar een open personeelsmodel in plaats van een gesloten model bereidt het potentieel van mensen die bij de krijgsmacht kunnen werken uit. Dit onderzoeken we dan ook. Daarnaast is het noodzakelijk het personeelsbeleid te moderniseren. Zo werken we nu aan een nieuw HR-model. Ook bouwen we verder aan de adaptieve krijgsmacht waarmee we een flexibele schil van personeel en materieel inrichten. Ik geloof dat hierin de echte oplossing voor het personeelstekort ligt. We hebben deze oplossingsrichtingen ook aangegeven tijdens het wetgevingsoverleg personeel op 30 oktober jl. en de begrotingsbehandeling op 7 november.
Bent u bereid de oproep van de Coalitie voor Veiligheid om onze krijgsmacht om te vormen tot een vreemdelingenlegioen in de burn pit te gooien? Zo nee, waarom niet?
Het advies is aan u als leden van de vaste kamercommissies Justitie en Veiligheid en Defensie gericht. Het is aan u wat u met dit advies wilt doen.
Zoals we hierboven aangaven, neem ik kennis van de suggesties van de CvV. Ook gaven we aan dat de oplossing volgens ons te vinden is in het onbenutte potentieel in Nederland.
Kunt u bovenstaande vragen apart beantwoorden, ook indien samenhang bestaat tussen de vragen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het bericht ‘Zeker drie EU-lidstaten gaan Syriëgangers uit eigen lang terughalen’? |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zeker drie EU-lidstaten gaan Syriëgangers uit eigen land terughalen»?1
Ja.
Klopt het dat België, Duitsland en Frankrijk gaan proberen IS-gevangenen uit hun eigen land terug te halen uit Syrië tijdens de vijf dagen durende wapenstilstand? Zijn er andere Europese landen die datzelfde overwegen? Op welke wijze neemt u deel aan Europese overleggen hierover?
Nee. Deze berichtgeving bleek onjuist.
Nederland voert hoogambtelijk, alsook politiek, nauw overleg met Schengen-partner over het terugkeerdersvraagstuk.
Is bij u bekend op welke wijze ze dit aanpakken?
Zie antwoord op vraag 2.
Welke overwegingen lagen hieraan ten grondslag?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid samen te werken met deze bondgenoten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Hebt u contact met de VS om te voorkomen dat IS-gangers onder de radar naar Europa en Nederland komen? Staat het Amerikaanse aanbod voor assistentie nog steeds?
De mogelijkheid dat Nederlandse uitreizigers onopgemerkt terug willen keren naar Nederland is niet nieuw. Om dit de voorkomen heeft Nederland, in samenwerking met andere Europese landen en andere internationale partners, maatregelen genomen. Alle uitreizigers zijn opgenomen in het Schengen-informatiesysteem en tegen hen is een Europees Arrestatiebevel uitgevaardigd. De paspoorten van uitreizigers zijn gesignaleerd en ongeldig verklaard. Hierdoor is het niet mogelijk om eigenstandig op een legale manier naar het Schengengebied terug te keren. Ook kunnen uitreizigers onderwerp zijn van inlichtingenonderzoek. Deze onderzoeken kunnen informatie opleveren over de terugkeer van een persoon. Wanneer Nederlandse uitreizigers zich melden op een diplomatieke post in de regio, kan consulaire bijstand verleend worden in afstemming met partners in de veiligheidsketen, met als inzet de gecontroleerde terugkeer naar Nederland ter fine van strafvervolging. Daartoe worden zij onder begeleiding van de Koninklijke Marechaussee teruggebracht naar Nederland.
Kent u het bericht «Irak wil geen Europese Syriëgangers berechten?»2
Ja.
Klopt dit bericht en wat betekent dit voor het perspectief van berechting in de regio?
Irak heeft eerder aangegeven bereid te zijn tot het berechten in Irak van foreign terrorist fighters (FTFs) die vastzitten in detentiekampen in Noordoost-Syrië onder bepaalde voorwaarden. Nederland is dan ook, in nauwe samenwerking met enkele andere Europese partners, hierover gesprekken gestart met Irak. Ook berechting in Irak komt immers tegemoet aan het belang dat Nederland hecht aan berechting in de regio daar waar de misdrijven zijn begaan en de slachtoffers en de bewijzen zich bevinden. Echter, dergelijke berechting kan volgens Nederland en zijn Europese partners alleen plaatsvinden indien de doodstraf niet wordt opgelegd en een eerlijke procesgang wordt gegarandeerd. Deze boodschap is ook aan Irak gecommuniceerd.
De Minister van Buitenlandse Zaken van Irak, Al Hakim, gaf tijdens zijn bezoek aan Nederland op 28 en 29 oktober jl. aan dat dat zijn land alleen ISIS-strijders wil berechten die misdrijven in Irak of tegen Iraakse belangen hebben gepleegd. Daar heeft het Kabinet begrip voor, want Irak draagt reeds een zware last met de aanwezigheid van veel voormalige strijders van ISIS.
Nederland blijft hierover dan ook, samen met onze Europese partners, in gesprek met Irak. Los van de uitkomst daarvan zal Nederland indachtig bovengenoemde voorwaarden in bilateraal en multilateraal verband dialoog en samenwerking blijven opzoeken om berechting van buitenlandse strijders in de regio te realiseren. Niet alleen van Nederlandse uitreizigers, maar ook van foreign terrorist fightersuit andere landen.
Bent u bereid deze vragen voor het einde van de wapenstilstand tussen Turkije en Syrië te beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het rapport ‘Briefing on the Situation of Religious Persecution of Christians and Muslims in India’ van Jubilee Campaign |
|
Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het Jubilee Campaign-rapport «Briefing on the Situation of Religious Persecution of Christians and Muslims in India»?1
Ja.
Deelt u de zorg omtrent de ernstige schendingen van de rechten van christenen in India, in de vorm van onder meer discriminerende wetgeving, arbitraire detenties, en geweldplegingen?
Ja, het kabinet deelt de zorgen over de ernstige ontwikkelingen m.b.t vrijheid van religie en levensovertuiging in India. Dit geldt voor christenen en voor moslims en ook voor niet- en anders gelovigen.
Welke acties onderneemt de Indiase regering om deze mensenrechtenschendingen in de toekomst te voorkomen en de godsdienstvrijheid te waarborgen?
In India is de vrijheid van religie en levensovertuiging verankerd in de Grondwet. Indiërs als individu of Indiase NGO’s hebben, als er sprake is van algemeen belang, de mogelijkheid om een petitie in te dienen bij het Hooggerechtshof om vermeende schendingen op het vlak van vrijheid van religie en levensovertuiging door het Hof te laten toetsen.
Voorts stelt de Indiase overheid school- en studiebeurzen ter beschikking voor personen uit niet bevoorrechte gezinnen die tot een religieuze minderheid behoren.
Het kabinet maakt zich echter grote zorgen over de recente ontwikkelingen. Deze zorgen worden in diplomatieke contacten aan India overgebracht.
Bent u bereid bij de Indiase regering aan te dringen op snelle en effectieve implementatie van de in het rapport genoemde negen aanbevelingen?
Het kabinet benadrukt in gesprekken met India het belang van respect voor mensenrechten voor iedereen. Mensenrechten kwamen ook aan de orde tijdens het Staatbezoek aan India en tijdens het bezoek van de Indiase Minister van Buitenlandse Zaken aan Nederland heb ik op 10 november jl. eveneens het belang van mensenrechten benadrukt. Ook in EU- en multilateraal verband delen wij onze zorgen over de vrijheid van religie en levensovertuiging met India.
Wilt u zich ervoor inzetten ook in India uitvoering geven aan de motie-Van der Staaij (Kamerstuk 35 000 V, nr. 36) over het bevorderen en ondersteunen van specifiek op de ontmoeting met jongeren gerichte activiteiten ter ondersteuning van de klassieke vrijheidsrechten?
Ja. Via het Mensenrechtenfonds ondersteunt Nederland projecten in India op dit terrein. Tijdens het recente Staatsbezoek is bijvoorbeeld een van deze projecten bezocht. Het Koninklijk Paar bezocht een overheidsschool waar jongens en meisjes worden betrokken bij het bewustwordingsproces voor het belang van gelijke rechten, kansen, vrijheden en verantwoordelijkheden voor iedereen.
Wilt u de speciale gezant voor godsdienstvrijheid opdracht geven zich, in bilateraal, Europees en VN-verband, nadrukkelijk in te zetten voor een interreligieuze dialoog en de bevordering van rechten van vervolgde christenen en andere religieuze minderheden in India, en wilt u de Kamer rapporteren over deze inspanningen?
Ja, de speciale gezant voor religie en levensovertuiging zal binnenkort afreizen naar India. Het Indiase Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft reeds laten weten dat hij welkom is.
Het bericht dat FMO landroof en andere misstanden financiert |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek naar de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) dat onthult dat er geld in projecten zit waar «moord, doodslag, intimidatie, milieuschade, willekeurige arrestaties en landroof» voorkomen? Wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ben bekend met het artikel van het dagblad Trouw. Elke misstand binnen projecten van FMO is er één te veel en ik betreur de incidenten die zijn voorgekomen ten zeerste. Signalen rondom deze misstanden neem ik zeer serieus en kaart ik ook aan bij FMO. De in het artikel genoemde projecten zijn bekend bij het kabinet en zijn onderdeel van de dialoog met FMO. In het geval van ernstige incidenten dringt het kabinet aan op onafhankelijk onderzoek. Ook wordt van FMO zelf verwacht dat zij haar beleid blijft evalueren en het beleid verbetert waar nodig.
Is bij u bekend welke projecten zijn onderzocht en wat bij deze projecten precies fout ging? Kan dit worden toegelicht?
De zeven projecten die zijn onderzocht, zijn bekend bij het kabinet en grotendeels ook eerder aan de orde gekomen in uw Kamer. Het betreft veelal projecten in complexe en sensitieve omgevingen. In het verleden zijn naar aanleiding van vermeende misstanden in deze projecten verschillende rapporten opgesteld door onafhankelijke onderzoekers. Hieruit is naar voren gekomen dat op onderdelen onvoldoende onderzoek is gedaan door FMO of andere financiers waarmee FMO heeft samengewerkt. Mede naar aanleiding hiervan is het beleid van FMO in de afgelopen jaren verder aangescherpt.
Klopt het dat het waarschijnlijk is dat dit soort mensenrechtenschendingen in nog veel meer projecten die FMO financiert of waar FMO aandeelhouder is, zijn voorgekomen? Kan het antwoord worden toegelicht?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat de genoemde mensenrechtenschendingen in meer projecten zijn voorgekomen. FMO past bij investeringsbeslissingen onder meer de Performance Standards van de International Finance Cooperation (IFC), de richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGPs) van de Verenigde Naties toe. De richtlijnen en standaarden zien toe op waarborging van mensenrechten bij de uitvoering van projecten. De context waarin FMO opereert is vaak complex. Daarom is het noodzakelijk dat FMO een goede contextanalyse maakt en hier zie ik ook op toe.
In de afgelopen jaren heeft FMO haar beleid en werkwijze, onder andere naar aanleiding van onafhankelijke onderzoeken naar deze projecten, verder aangescherpt. Zo is het investeringsbeleid verder verbeterd op basis van een publiek consultatieproces, onder andere op het terrein van conflictsensitiviteit. Ook heeft FMO haar dialoog met het maatschappelijk middenveld versterkt, de frequentie hiervan verhoogd en publiceert zij sinds 2017 nieuwe investeringen voorafgaand aan de daadwerkelijke contractering.
Kan de lijst met probleemprojecten die FMO momenteel extra in de gaten houdt, gedeeld worden? Op basis van welke criteria wordt vastgesteld of er extra risico’s zijn verbonden aan een project?
Voorafgaand aan elke investering voert FMO een uitgebreide due diligence uit, waarbij ook de risicocategorie van een voorgenomen investering wordt bepaald. Dit betreft onder meer risico’s op het vlak van milieu, sociale en governance aspecten, onder andere op het gebied van mensenrechten. Als dat nodig blijkt worden er met de klanten van FMO afspraken gemaakt ten aanzien van verbeteringen van deze aspecten. Klanten die niet volgens deze contractueel vastgelegde afspraken handelen worden daarop aangesproken door FMO. Indien noodzakelijk worden er verdere stappen ondernomen.
FMO houdt intensief in de gaten bij welke projecten zich mogelijk problemen voordoen. Hierbij kost het vaak tijd om alle feiten boven tafel te krijgen. Het is doorgaans niet in het belang van het lopende onderzoek om informatie hierover te delen met externe partijen. Bovendien betreft het vaak bedrijfsvertrouwelijke informatie. Deze informatie wordt wel op confidentiële basis gedeeld met mijn medewerkers tijdens het doorlopende overleg dat zij hebben met FMO. Daarnaast heeft FMO mij toegezegd in hun jaarverslag meer transparantie te geven over de risico’s van hun investeringen.
Bent u het met de FMO-topman Peter van Mierlo eens als hij stelt dat het «onrealistisch is om te denken dat er nooit iets misgaat»? Zo ja, waar ligt dan de grens voor het stopzetten van financiering voor een project?
FMO is actief in gebieden met een zeer complexe context, waar andere banken niet, of in beperkte mate, opereren. Juist in deze gebieden kan FMO een rol spelen om duurzame economische impact te genereren. Inherent verbonden aan dit mandaat is dat incidenten, zoals het niet geheel of tijdig uitvoeren van de gemaakte afspraken op het gebied van sociaal en milieutechnisch gebied, niet helemaal voorkomen kunnen worden. Dit is waar de aangehaalde uitspraak over ging, niet over het verband dat in de vraag wordt gesuggereerd. Uiteraard moeten alle investeringen onder internationaal geldende voorwaarden tot stand komen en risico’s zoveel als mogelijk gemitigeerd. De onderneming is hiervoor verantwoordelijk en ik heb van de Raad van Commissarissen begrepen dat zij hierop toeziet en alle vertrouwen heeft in de Raad van Bestuur. Het beleid ten aanzien van deze risico’s is ook een vast onderdeel van onze beleidsdialoog met FMO.
Om risico’s zoveel als mogelijk te voorkomen doet FMO een uitgebreide due diligence voorafgaand aan een mogelijke investering. Ook stelt FMO actieplannen op met haar klanten waarmee de klant contractuele verplichtingen aangaat om te werken aan deze verbeteringen. FMO ondersteunt deze verbeterprocessen en monitort de voortgang. In specifieke gevallen kan dit leiden tot het tijdelijk stopzetten van uitbetalingen of, in het uiterste geval, tot terugtrekking uit een project. Wanneer deze maatregelen worden ingezet is per project verschillend en de belangen van alle belanghebbenden worden hierbij in beschouwing genomen. Bij een exit heeft FMO beperkte mogelijkheden om invloed te blijven uitoefenen op het beleid, zeker in het geval een klant voor financiering met een andere (commerciële) partij gaat samenwerken. Daarnaast is het na een exit lastig om de beoogde ontwikkelingsimpact te realiseren.
Klopt het dat FMO meer doet dan de internationale standaarden in onderzoek naar grondrechten alvorens een project te starten? Zo ja, hoe kan het dan dat er opnieuw uit dit onderzoek blijkt dat er sprake is van landroof? Wat is er gebeurd na de eerdere onderzoeken van de onafhankelijke klachtencommissie van FMO en de International Finance Corporation waarin werd vastgesteld dat er onvoldoende onderzoek is gedaan?
FMO past bij investeringsbeslissingen de richtlijnen en standaarden toe zoals genoemd in het antwoord op vraag 3. Deze standaarden zien onder andere toe op het beschermen van landrechten. Voorafgaand aan een investering inventariseert FMO de potentiële gevolgen van een project op lokale gemeenschappen en andere betrokkenen. FMO heeft mij geïnformeerd dat een bezoek aan het mogelijke project, waar FMO in gesprek gaat met alle relevante stakeholders, hier onderdeel van is. Bovendien wordt vaak een beroep gedaan op een externe adviseur, die de situatie ter plaatse beter kent dan FMO. Deze adviseur stelt een onafhankelijk rapport op met geïdentificeerde risico’s en actiepunten voor verbetering. Deze, en andere actiepunten, worden opgenomen in een Environmental & Social Action Plan (ESAP), dat samen met de klant wordt opgesteld als onderdeel van de financieringsovereenkomst. De ESAP formaliseert de afspraken die FMO met haar klanten maakt ten aanzien van sociale- en milieuaspecten, met duidelijke tijdslijnen voor het behalen van ieder actiepunt. De voortgang wordt nauwgezet gemonitord en is een voorwaarde voor verdere uitbetaling van het volgende deel van de lening.
In het verleden is door onafhankelijke onderzoeken geconcludeerd dat er op onderdelen onvoldoende onderzoek is gedaan door de beoogde financiers van projecten waar FMO deel van uitmaakte. Mede naar aanleiding hiervan is het due diligence proces van FMO verder aangescherpt. Zo heeft FMO, in overleg met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en mijn medewerkers haar duurzaamheidsbeleid in 2017 verder verbeterd, onder andere op het gebied van landrechten. Ook heeft FMO in 2017 een disclosure policy opgesteld waarbij nieuwe investeringen vóór contractering worden gepubliceerd. Daarmee worden stakeholders in de gelegenheid gesteld reacties te geven op voorgenomen financieringen.
Klopt het dat de exitstrategie van FMO te wensen overlaat? Ziet u ruimte voor verandering naar aanleiding van dit onderzoek? Kunt u dit toelichten?
FMO streeft ernaar om de impact van de inspanningen op het gebied van milieu en sociale aspecten te verankeren in de bedrijfsvoeringen zodat dit ook na een vertrek van FMO gewaarborgd blijft. FMO heeft de verantwoordelijkheid om respect voor mensenrechten te waarborgen, ook wanneer zij zich vroegtijdig terugtrekt uit een project. In geval van vroegtijdige beëindiging van een investering is de insteek van FMO dat de direct betrokken gemeenschappen en andere belanghebbenden geen onevenredige nadelige gevolgen ondervinden. Dit is in lijn met de UNGPs en de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen die aangeven dat bedrijven bij het besluit tot terugtrekken de mogelijke nadelige gevolgen in ogenschouw moeten nemen. Hierbij merk ik op dat FMO beperkte mogelijkheden heeft om na een eventuele exit invloed te blijven uitoefenen op het beleid, zeker in het geval een klant voor financiering met een andere (commerciële) partij gaat samenwerken. Mijn medewerkers zijn in gesprek met FMO om te bespreken of de verschillende projecten aanleiding zijn om de exitstrategie van FMO aan te passen.
Deelt u de mening dat enkel een grootschalige evaluatie van alle FMO-projecten van de afgelopen tien jaar kan uitwijzen hoe vaak het misgaat en zodoende of het huidige beleid wel goed functioneert? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht grote waarde aan het regelmatig evalueren van FMO en haar beleid, het erop toezien dat alle relevante principes en standaarden worden nageleefd en te komen tot aanbevelingen voor verbeteringen. Deze evaluaties vinden in principe elke vijf jaar plaats en worden in opdracht van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking door een onafhankelijke partij uitgevoerd.
Dit voorjaar zijn de voorbereidingen gestart voor de volgende reguliere evaluatie. De evaluatie heeft betrekking op de periode 2013 – 2018 en zal naar verwachting in het tweede kwartaal van 2020 worden opgeleverd. In deze evaluatie wordt ook de naleving van IMVO-standaarden onderzocht. Naast deze evaluaties worden ook de verschillende fondsen die FMO namens de overheid beheert periodiek geëvalueerd door een onafhankelijke partij.
Kunt u uw antwoorden aan de Kamer toesturen voor het aankomende algemeen overleg Staatsdeelnemingen op 21 november 2019?
Ja.
Misstanden bij projecten mede gefinancierd door FMO |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Isabelle Diks (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De verkeerde keuzes van de Nederlandse ontwikkelingsbank»?1
Ja.
Wat is uw reactie op geconstateerde misstanden bij tenminste zeven projecten die mede door de Nederlandse Financierings-maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) gefinancierd werden of worden?
Elke misstand binnen projecten van FMO is er één te veel en ik betreur de incidenten die zijn voorgekomen ten zeerste. Signalen rondom deze misstanden nam en neem ik zeer serieus en kaart ik ook aan bij FMO. De in het artikel genoemde projecten zijn bekend bij het kabinet en zijn onderdeel van de dialoog met FMO. In het geval van ernstige incidenten dringt het kabinet aan op onafhankelijk onderzoek. Ook wordt van FMO zelf verwacht dat zij haar beleid blijft evalueren en het beleid verbetert waar nodig.
Hoe legt u uit dat FMO enerzijds stelt altijd grondig vooronderzoek te doen, terwijl dit artikel een patroon laat zien van onvolledig en onvoldoende vooronderzoek, wat ook is aangetoond door meerdere onafhankelijke commissies? Bent u bereid om concrete stappen te ondernemen om de kwaliteit van vooronderzoek daadwerkelijk te verbeteren? Zo ja, welke stappen? Zo nee, waarom niet?
Voorafgaand aan investeringen voert FMO een uitgebreide due diligence uit. In het verleden zijn er projecten geweest waarbij inderdaad op onderdelen onvoldoende vooronderzoek is gedaan door FMO of andere financiers waarmee FMO heeft samengewerkt. Deze bevindingen zijn zeer serieus genomen en, mede naar aanleiding hiervan, is het beleid van FMO in de afgelopen jaren verder uitgebreid en aangescherpt. FMO heeft mij geïnformeerd dat het investeringsbeleid verder is verbeterd op basis van een publiek consultatieproces, bijvoorbeeld op het terrein van conflictsensitiviteit. Ook heeft FMO haar dialoog met het maatschappelijk middenveld versterkt, de frequentie hiervan verhoogd en publiceert zij sinds 2017 nieuwe investeringen voorafgaand aan de contractering.
Ik blijf FMO aansporen om het beleid verder te verscherpen, waar nodig in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en andere bilaterale en multilaterale partijen. Ook wordt van FMO zelf verwacht dat zij haar beleid blijft evalueren en verbeteren waar nodig.
Hoe verklaart u dat FMO in 2015 besloot te investeren in Feronia terwijl het kadaster van Congo al in 2012 de eigendomsbewijzen die Feronia overlegde afwees? Had dit uw inziens voorkomen moeten worden middels het vooronderzoek?
Voordat FMO in een project investeert wordt er altijd een uitgebreide due diligence verricht. Landrechten maken onderdeel uit van een dergelijk onderzoek.
In het geval van Feronia had de Duitse ontwikkelingsbank DEG het voortouw bij het verrichten van dit onderzoek. DEG heeft de resultaten van het onderzoek gedeeld met de andere ontwikkelingsbanken, waaronder FMO. Op basis daarvan zijn de ontwikkelingsbanken gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat de investering in Feronia doorgang kon vinden.
FMO stelt dat bij de start de due diligence voldoende comfort bood, ook ten aanzien van landrechten, om deel te nemen aan het project. De juistheid van de genoemde land lease overeenkomsten is door de jaren heen bij herhaling bevestigd door de autoriteiten. Daar waar lokale gemeenschappen deze hebben betwist, is volgens FMO door middel van een dialoog gewerkt aan oplossingen die passen binnen de geldende wet- en regelgeving.
Is het onderzoek van de ontwikkelingsbanken naar de moord op mensenrechtenactivist Imbangola Lunea al afgerond? Kunt u bevestigen dat hij is vermoord door een werknemer van Feronia en dat hij de afgelopen maanden vaker bedreigd werd door beveiligers van Feronia?
Het onderzoek is niet uitgevoerd door de ontwikkelingsbanken zelf, maar door een derde partij en is inmiddels afgerond. FMO en het Ministerie van Buitenlandse Zaken zullen in de komende weken worden geïnformeerd over de bevindingen. Nadat er een analyse is gemaakt, wordt u nader geïnformeerd.
Wat is uw reactie op de kritiek van Global Legal Action Network, geuit in het artikel, op de klachtenprocedure van de ontwikkelingsbanken? Klopt het dat de proceduretermijnen onbekend zijn en dat de geschillencommissie niet volledig onafhankelijk is van Feronia?
FMO heeft samen met de Duitse en Franse ontwikkelingsbank een onafhankelijk klachtenmechanisme opgezet. Dit mechanisme biedt belanghebbenden, waaronder lokale gemeenschappen, de mogelijkheid een klacht in te dienen over projecten die door deze ontwikkelingsbanken worden gefinancierd. Het mechanisme wordt geleid door een panel van onafhankelijke internationale experts.
De werking van het mechanisme is transparant. Er is op de website van FMO een pagina beschikbaar met verdere informatie, over onder meer de panelleden en de lopende cases. Ook is daar een «guide for complainants or communities» beschikbaar met verdere informatie over de werking van het mechanisme, inclusief tijdslijnen.
De leden van het panel zijn volledig onafhankelijk en niet verbonden aan FMO of andere ontwikkelingsbanken. Het mandaat van het mechanisme is publiek beschikbaar. De ontwikkelingsbanken leveren alleen operationele en financiële ondersteuning.
Wanneer verwacht u een uitkomst van de geschillenprocedure over de grondkwestie?
Er is een klacht ingediend bij DEG, de Duitse ontwikkelingsbank. Deze klacht is ontvankelijk verklaard en wordt conform de geldende procedures behandeld door het onafhankelijke panel.
Ten aanzien van deze klacht is gekozen voor een mediation-proces. Dit proces is momenteel in voorbereiding. Gezien het aantal betrokken partijen en de complexiteit van de casus is het op dit moment nog niet te zeggen wanneer de procedure zal zijn afgerond.
Vindt u het acceptabel wanneer werknemers bij projecten die door FMO worden gefinancierd minder dan een leefbaar loon verdienen of hun loon te laat krijgen uitbetaald?
Voor het kabinet is het een belangrijk uitgangspunt dat FMO een leefbaar loon en een tijdige betaling hiervan nastreeft in haar projecten. FMO ondersteunt haar klanten om te komen tot het uitbetalen van het lokaal geldende leefbaar loon zoals berekend door de ILO. Indien noodzakelijk wordt er een verbetertraject richting een leefbaar loon en tijdige uitbetaling opgenomen in een actieplan, waarmee deze verbeteringen onderdeel worden van de contractuele verplichtingen van de klant richting FMO. Het gaat daarbij om de juiste mix van productiviteitsverbetering, hogere prijzen en het bepalen van de termijn waarop dit doel gerealiseerd kan worden. Daarnaast deelt FMO de ambities rondom het in kaart brengen van een leefbaar loon in de waardeketen, zoals vastgelegd in de IMVO-convenant Banken.
Deelt u de mening dat FMO niet alleen een leefbaar loon zou moeten nastreven, maar de tijdige betaling van een leefbaar loon tot een harde voorwaarde voor financiering moet maken met onmiddellijke gevolgen als blijkt dat niet aan die voorwaarde wordt voldaan? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen ten opzichte van FMO om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat de escalatieladder moet worden aangescherpt, zodat FMO eerder consequenties verbindt aan de financiering van een project als er zorgen bestaan over het naleven van mensenrechten? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen ten opzichte van FMO om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
FMO heeft een uitgebreid beleid op het gebied van mensenrechten en heeft hier in de afgelopen jaren, onder andere in samenwerking met het lokale en internationale maatschappelijke middenveld, verdere verbeteringen in aangebracht. Onderdeel van dit beleid is het ontwikkelen van actieplannen om klanten te ondersteunen en toe te werken naar de internationaal geldende standaarden. FMO ondersteunt eventuele verbeterprocessen en monitort de voortgang. Indien een klant zich niet houdt aan het actieplan, kan dit in specifieke gevallen leiden tot het tijdelijk stopzetten van uitbetalingen of, in het uiterste geval, terugtrekking. Wanneer deze maatregelen worden ingezet is per project verschillend.
Uit welk jaar stamt de laatste systematische evaluatie van FMO?
Ik hecht grote waarde aan het regelmatig evalueren van FMO en haar beleid om erop toe te zien dat alle relevante principes en standaarden worden nageleefd en om te komen tot aanbevelingen voor verbeteringen. Deze evaluaties vinden in principe elke vijf jaar plaats en worden in opdracht van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking door een onafhankelijke partij uitgevoerd. De laatste evaluatie is opgeleverd in 2014 en richt zich op de periode 2008–2012. Naast deze evaluaties worden ook de verschillende fondsen die FMO namens de overheid beheert periodiek geëvalueerd. Deze evaluaties worden ook gedeeld met uw Kamer.
Bent u bereid om zo snel mogelijk een grote systematische evaluatie van FMO te starten?
Dit voorjaar zijn de voorbereidingen gestart voor de volgende reguliere evaluatie. De evaluatie heeft betrekking op de periode 2013 – 2018 en zal naar verwachting in het tweede kwartaal van 2020 worden opgeleverd. In deze evaluatie wordt ook de naleving van IMVO-standaarden onderzocht.
Het bericht 'Italiaans begrotingstekort groeit in 2020' |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Italiaanse begrotingstekort groeit in 2020»?1
Ik ben bekend met het artikel.
Wat vindt u van de uitkomst van het begrotingsoverleg van de Italiaanse regering, te weten dat het begrotingstekort van Italië in 2020 stijgt tot 2,2,%?
Op dit moment rekent de Europese Commissie de plannen door die Eurolanden hebben opgenomen in hun ontwerpbegrotingen en verwerkt deze in de herfstraming. Op basis van deze raming zal de Commissie een oordeel vormen over de begroting in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). Ik wacht de herfstraming en de beoordeling van de Commissie af.
Wat vindt u van het feit dat de staatschuld van Italië in 2020 verder stijgt naar 132,5% (i.v.m. 131,5% in 2019)?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag twee is het in mijn ogen nu eerst aan de Europese Commissie om een oordeel te vormen over de Italiaanse begrotingspositie op basis van de ontwerpbegroting en de herfstraming. In algemene zin ben ik van mening dat lidstaten met een schuld die ver boven de 60% bbp ligt deze af dienen te bouwen in lijn met de vereisten van het SGP.
Is de Italiaanse begroting al officieel ingediend bij de Europese Commissie, zoals zij verplicht zijn voor 15 oktober? Bevestigt deze begroting deze cijfers?
Alle eurolanden zijn volgens het SGP verplicht in het najaar hun ontwerpbegroting bij de Europese Commissie in te dienen.2 Alle eurolanden hebben dat ook gedaan.3 De Italiaanse ontwerpbegroting noemt onder andere een nominaal begrotingstekort van 2,2% bbp in 2019 en 2020, en een publieke schuld van 135,7% bbp in 2019 en 135,2% bbp in 2020.4 5
Hoe verhouden deze cijfers zich tot de eerdere afspraken en het commitment van de Italiaanse regering om de overheidsbegroting op orde te brengen?
In het najaar van 2018 heeft de Italiaanse regering met de Europese Commissie afspraken gemaakt over de begroting voor 2019.6 In de zomer van dit jaar heeft de Italiaanse regering additionele maatregelen genomen om het tekort in 2019 te verlagen.7 Er zijn destijds geen gedetailleerde afspraken gemaakt over de begroting voor 2020 anders dan dat deze in lijn met het SGP dient te zijn.
Hoe verhouden zich de nieuwe begrotingsinspanningen van Italië zich met de EU-begrotingsregels in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP)? In hoeverre voldoet Italië hiermee nog aan het SGP? Klopt het dat de OESO en andere relevante instanties met een lagere geraamde groei rekent dan de Italiaanse regering? Wat zouden de relevante EMU-cijfers zijn wanneer de groeicijfers van de OESO gehanteerd worden? Indien dit niet bekend is, kunt u zelf een berekening maken?
De Italiaanse regering voorspelt een economische groei van 0,6% in 2020 terwijl de Europese Commissie in haar zomerraming8 uit gaat van 0,7%, het IMF in zijn World Economic Outlook van oktober dit jaar9 van 0,5% bbp en de OECD in haar Economic Outlook in september van 0,4%10. Er is dus geen sprake van een significant verschil tussen de verwachtte economische groei van de Italiaanse regering en die van internationale instellingen.
Hoe realistisch is de bewering van de Italiaanse regering dat er 0,4% BBP binnen te halen is door onder andere Italianen meer elektronisch te laten betalen?
De Europese Commissie beoordeelt bij het opstellen van de raming wat zij verwacht dat de impact is van bepaalde beleidsmaatregelen op macro-economische indicatoren. Hierin kan het afwijken van de verwachtingen van de lidstaat in kwestie. Zoals aangegeven in mijn antwoorden op vraag twee en drie wacht ik daarom graag de herfstraming en de beoordeling van de Commissie af.
Welke instantie in Italië is aangewezen als de Onafhankelijke Begrotingsautoriteit? Welke cijfers hanteert deze instantie? Kan een lijst van de onafhankelijke begrotingsautoriteiten in de eurozonelanden gegeven worden?
In Italië is het «Ufficio parlamentare di bilancio (UPB)» aangewezen als onafhankelijke begrotingsautoriteit. Het UPB heeft de macro-economische aannames die zijn opgenomen in de Italiaanse ontwerpbegroting onderschreven.11 Het onderschrijven van dergelijke aannames in de ontwerpbegroting door de onafhankelijke begrotingsautoriteit is verplicht.12 Onderstaand is een lijst opgenomen van onafhankelijke begrotingsautoriteiten in de Europese Unie13:
Oostenrijk
Fiskalrat
Oostenrijk
Institut für Höhere Studien
Bulgarije
Фискален съвет на България
België
Hoge Raad van Financiën/Conseil Supérieur des Finances
België
Instituut voor de Nationale Rekeningen/Institut des Comptes Nationaux
Cyprus
Δημοσιονομικό Συμβούλιο
Duitsland
Unabhängiger Beirat des Stabilitätsrates
Denemarken
Det Økonomiske Råd
Estland
Riigikontroll
Griekenland
ΕΛΛΗΝΙΚΟ ΔΗΜΟΣΙΟΝΟΜΙΚΟ ΣΥΜΒΟΥΛΙΟ
Spanje
Autoridad Independiente de Responsabilidad Fiscal
Finland
Valtiontalouden tarkastusvirasto
Frankrijk
Haut Conseil de Finances Publiques
Kroatië
Commission on Fiscal Policy
Hongarije
Költségvetési tanács
Ierland
Irish Fiscal Advisory Council
Italië
Ufficio parlamentare di bilancio
Litouwen
Lietuvos Respublikos valstybės kontrolė
Luxemburg
Conseil National des Finances Publiques
Luxemburg
National Institute of statistics and economic studies of the Grand Duchy of Luxembourg
Letland
Fiskālās disciplīnas padome
Malta
Malta Fiscal Advisory Council
Nederland
Centraal Planbureau
Nederland
Raad van State
Polen
Najwyzsza Izba Kontroli
Portugal
Conselho das Financas Publicas
Roemenië
Consiliul Fiscal
Zweden
Finanspolitiska rådet
Slovenië
Urad RS za makroekonomske analize in razvoj
Slovenië
Fiskalni svet
Slowakije
Rada pre rozpočtovú zodpovednosť
Verenigd Koninkrijk
Office of Budget Responsibility
Wat is uw opvatting over deze, hernieuwde, verslechtering van de begrotingsdiscipline van de Italiaanse regering?
In algemene zin is het kabinet van mening dat gezonde overheidsfinanciën cruciaal zijn voor de stabiliteit binnen de Eurozone en een noodzakelijke voorwaarde voor het realiseren van duurzame economische groei. Dat geldt ook voor Italië.
Deelt u de mening dat de Europese Commissie Italië tot de orde moet roepen? Welke mogelijkheden heeft de Europese Commissie om op basis van de huidige begrotingscijfers (na 15 oktober) maatregelen te nemen?
De Europese Commissie heeft op 22 oktober een brief gestuurd aan de Italiaanse regering waarin het om verduidelijking vraagt omtrent de afwijking van de geplande structurele begrotingsinspanning ten opzichte van de vereiste structurele begrotingsinspanning.14 De Italiaanse regering heeft op 23 oktober gereageerd waarin zij aangeeft dat er geen sprake is van een significante afwijking van de begrotingsvereisten in 2020.15 De Europese Commissie zal nu een opinie vormen over de ontwerpbegroting van Italië. Deze opinie van de Commissie wacht ik af.
Herinnert u zich uw beantwoording van schriftelijke vragen, waarin u aangaf dat u zich in Europees verband blijft inzetten voor een strikte naleving en consequente handhaving van het SGP? Is uw inzet onveranderd gebleven? Welke mogelijkheden ziet u om wederom strikte naleving en consequente handhaving te bedingen? En welke stappen gaat u hiertoe zetten?2
Volgens het kabinet vergt een sterke Economische en Monetaire Unie (EMU) gezonde en veerkrachtige nationale economieën, met houdbare overheidsfinanciën. Om de houdbaarheid van overheidsfinanciën te bevorderen met het oog op stabiliteit en economische groei, zijn de lidstaten begrotingsregels overeengekomen, die zijn vastgelegd in het SGP.
Naar verwachting komt de Europese Commissie in het begin van volgend jaar met haar vijfjaarlijkse evaluatie van de secundaire wetgeving van het SGP. Deze evaluatie kan leiden tot voorstellen van de Commissie tot aanpassing van het SGP. Of deze voorstellen er inderdaad zullen komen, is nog niet bekend. Indien een dergelijk voorstel door de Commissie wordt gepresenteerd, zal de Kamer hier op de gebruikelijke wijze over worden geïnformeerd. Over de inzet van het kabinet bij discussies over het SGP naar aanleiding van de evaluatie van de Commissie heb ik de Kamer in september dit jaar uitgebreider geïnformeerd.17
Het kabinet blijft zich inzetten voor een strikte naleving en consequente handhaving van de Europese begrotingsregels, en zal het belang van prudent begrotingsbeleid blijven uitdragen.
Het uitvoeren van de motie Van Helvert c.s. inzake het bijeen roepen van de NAVO-raad |
|
Martijn van Helvert (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de overweging in de motie-Van Helvert c.s. inzake het bijeenroepen van de NAVO-raad, waarin staat dat een, door de ontstane chaos, massale vrijlating van ISIS-strijders in Noord-Syrië een bedreiging is voor de Europese landen?1
Ja, daarvan heb ik kennisgenomen.
Bent u op de hoogte van het feit dat de Verenigde Staten ervoor zorgen dat ISIS-gevangenen naar Irak vervoerd worden?
Zover mij bekend hebben de Verenigde Staten inderdaad een beperkt aantal ISIS-strijders overgebracht van Syrië naar beveiligde locaties elders.
Wat doet u om ervoor te zorgen dat de Nederlandse ISIS-strijders niet ontsnappen?
De beveiliging van de opvang- en detentiekampen in Noordoost Syrië is in handen van de Syrian Democratic Forces (SDF). Het is niet aan Nederland, maar aan de SDF om zeker te stellen dat beveiliging van de kampen op orde is. Mede in dat licht maak ik mij zorgen over de Turkse invasie, omdat dit ten koste gaat van de bezettingsgraad van het aantal SDF-bewakers en daarmee van de beveiliging van de kampen. De berichten over ontsnappingen van ISIS-aanhangers op zondag 13 oktober uit het kamp Ain Issa vormen daarvan een bevestiging en verontrusten zeer. Ik zal Turkije dan ook blijven oproepen, ook in de RBZ en in de NAVO, zijn verantwoordelijkheid te nemen en zorg te dragen voor adequate beveiliging van de detentiekampen en om alles in het werk te stellen om de ontsnapte misdadigers weer achter de tralies te krijgen. Dat is niet alleen in Europees, maar ook in Turks belang.
In hoeverre is het vrijkomen van grote aantallen ISIS-strijders een bedreiging voor de veiligheid van NAVO-lidstaten in Europa?
Ondanks de berichten dat er afgelopen zondag een groot aantal ISIS-aanhangers uit het kamp Ain Issa heeft kunnen ontsnappen lijkt er op dit moment nog geen reële dreiging voor de NAVO-lidstaten in Europa te zijn. Echter, er is sprake van een uiterst fluïde, volatiele veiligheidssituatie en de ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Het is dan ook in ons aller belang, ook dat van Turkije, dat de beveiliging van de detentiekampen door Turkije snel wordt gegarandeerd om toekomstige ontsnappingen te voorkomen.
Wanneer gaat u onder Artikel 4 van het NAVO-verdrag (de lidstaten zullen bijeenkomen wanneer, naar de mening van één van hen, de territoriale integriteit, politieke onafhankelijkheid of de veiligheid van één van de lidstaten wordt bedreigd) de NAVO-raad bijeenroepen, omdat ISIS-terroristen en -genocidaires uit Nederland (en andere Schengenlanden) een bedreiging vormen voor de veiligheid hier?
De Turkse militaire interventie en de instabiliteit die dit met zich meebrengt zijn een continu punt van aandacht en worden door het kabinet in verschillende internationale fora geadresseerd. Inroeping van artikel 4 van het NAVO-verdrag is pas opportuun indien de territoriale integriteit, politieke onafhankelijkheid of de veiligheid van een van de NAVO-lidstaten direct wordt bedreigd. Een reële zorg betreft de beveiliging van de detentiekampen in Noordoost Syrië; de ontsnapping van een groot aantal ISIS-aanhangers uit het kamp Ain Issa op zondag 13 oktober is daar een verontrustend voorbeeld van. Ik zal dit vraagstuk dan ook aan de orde stellen in de RBZ van 14 oktober. En ik zal hiervoor aandacht vragen in de Noord-Atlantische Raad die op 15 oktober bijeenkomt. Ook heeft Nederland, net als Frankrijk, verzocht om een spoedbijeenkomst van de anti-ISIS coalitie.
In hoeverre bent u van plan om onmiddellijk en nog voordat de ISIS-strijders vrijkomen en naar Europa reizen samen met de NAVO actie te ondernemen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat daarom geen dag te verliezen is met het bijeenroepen van de NAVO-raad?
De Noord Atlantische Raad komt op 15 oktober bijeen. Nederland zal de Turkse inval in Noordoost Syrië aan de orde stellen. Nederland zal het Turkse optreden in Noordoost Syrië daarbij veroordelen en Turkije oproepen de inval te staken. Nederland zal ook aandacht vragen voor de humanitaire gevolgen van deze inval en de negatieve gevolgen van het Turkse optreden voor de regionale stabiliteit. Ook zal Nederland aandacht vragen voor de zorgen over de beveiliging van de detentiekampen in Noordoost Syrië en daarbij verwijzen naar de uitbraak afgelopen zondag van grote aantallen ISIS-aanhangers uit het kamp Ain Issa.
Zo nodig zal Nederland dit ook in aankomende (ministeriële) NAVO-bijeenkomsten blijven aankaarten.
Ik wil deze vraagstukken ook aan de orde stellen in de anti-ISIS coalitie, juist omdat in dat gremium ook de landen in de regio participeren en het vraagstuk van ISIS-strijders daar hoger op de agenda staat dan in de NAVO. Daarom heb ik, net als Frankrijk, op 11 oktober verzocht om een spoedbijeenkomst op ministerieel niveau van de anti-ISIS coalitie.
Bent u bereid om, indien dit nog steeds niet gebeurd is, de NAVO-raad per direct bijeen te roepen voor een bijeenkomst nog vandaag?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u in uw beantwoording van deze vragen, aangezien er in uw Kamerbrief van 10 oktober 2019 geen enkel gewag van wordt gemaakt, ook meenemen op welke wijze u in de NAVO-raad gaat bespreken hoe de bedreiging van vrijgekomen ISIS-strijders wordt ingeperkt en tegengehouden samen met de NAVO-lidstaten?2
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen voor maandag 14 oktober 2019 beantwoorden?
Ja.
Een nog hogere bijdrage van Nederland aan de Europese meerjarenbegroting |
|
Vicky Maeijer (PVV), Geert Wilders (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zak geld voor vergroening»?1
Ja.
Deelt u de opvatting van uw kandidaat-Eurocommissaris voor Nederland, de heer Timmermans, «dat rijke EU-landen als Nederland nóg meer moeten bijdragen aan de EU-begroting in ruil voor Oost-Europese betrokkenheid bij een ambitieuze klimaatagenda»? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de aan de Kamer meegedeelde kabinetsinzet om een stijging van de afdracht te vermijden? Zo nee, kunt u de heer Timmermans op niet mis te verstane wijze mededelen dat hij zijn onzalige klimaatideeën maar uit eigen zak moet betalen en niet in de schoenen moet schuiven van de Nederlandse belastingbetalers?
Het kabinet maakt zich sterk voor een ambitieuze Europese klimaatinzet en steunt het plan voor een European Green Deal die de nieuwe Europese Commissie in de eerste 100 dagen van haar termijn wil aannemen. Als onderdeel hiervan heeft beoogd Commissievoorzitter Von der Leyen een Just Transition Fund aangekondigd om de sociaal economische gevolgen van energietransitie te adresseren. Het kabinet ziet het belang van een eerlijke transitie en is van mening dat financiering voor dit fonds gevonden moet worden binnen de kaders van de Nederlandse inzet voor het Meerjarig Financieel Kader 2021–27 (MFK). Zodra het Commissievoorstel voor het fonds is gepubliceerd zal het kabinet uw Kamer nader informeren.
Is de Minister het eens met de mening dat de uitspraak van de Nederlandse kandidaat-Eurocommissaris en vicevoorzitter van de Europese Commissie de Nederlandse onderhandelingspositie schaadt?
Nee. De heer Timmermans sprak tijdens de hoorzitting in het Europees parlement in zijn hoedanigheid als (kandidaat-) Eurocommissaris en vertolkte de beoogde agenda van de nieuwe Europese Commissie. Eurocommissarissen zijn volkomen onafhankelijk van de posities van hun lidstaat van herkomst. Eventuele Commissievoorstellen zal het kabinet bezien binnen de kaders van de Nederlandse inzet voor het MFK.
Ziet de Minister beoogd Nederlands Eurocommissaris Timmermans op de portefeuille klimaat als «onze eigen Greta Thunberg», zoals Europarlementariërs hem noemden tijdens de hoorzitting in het Europees parlement?
Nee.
Bent u het eens met de mening dat het laatste waar Nederlanders behoefte aan hebben de benoeming is van een klimaatactivist namens Nederland als vicevoorzitter van de Europese Commissie?
Het kabinet heeft er veel vertrouwen in dat de heer Timmermans de functie van vicevoorzitter van de Europese Commissie effectief zal vervullen de komende jaren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Nederlandse afdracht aan de Europese Unie fors omlaag gaat?
Het kabinet spant zich in voor een gemoderniseerde en financieel houdbare EU-begroting, waarbij de lasten eerlijk zijn verdeeld. De Nederlandse inzet is om een stijging van de afdrachten als gevolg van Brexit te voorkomen. Daarvoor zijn substantiële besparingen nodig ten opzichte van het Commissievoorstel. Om tot een rechtvaardige verdeling van de lasten te komen kan een correctie op de afdrachten eveneens een noodzakelijk instrument zijn.
De nog volstrekt onhoudbare en verslechtende situatie op vluchtelingenkampen op Lesbos |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Overal rottend vuil en huilende kinderen in Kamp Moria, terwijl de bootjes blijven komen» en herinnert u zich de nog steeds niet beantwoorde vragen van het lid Kuiken over dit onderwerp (ingezonden 11 september 2019)?1
Ja.
Deelt u de mening dat het beeld dat ook weer in dit bericht geschetst wordt voor de zoveelste keer aangeeft dat de situatie in het vluchtelingenkamp op Lesbos volkomen onhoudbaar en inhumaan is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt uw zorgen over de opvangomstandigheden op de Griekse eilanden. Deze zijn de afgelopen maanden verder verslechterd. Vanwege de toegenomen instroom en een gebrek aan terugkeer zijn de hotspots voller dan ooit. Deze verslechterende situatie heb ik tijdens mijn werkbezoek aan Griekenland op 30-31 oktober jl. zelf kunnen aanschouwen, inclusief de situatie rond het kamp Moria op Lesbos.
Deelt u de mening dat de veiligheids- en gezondheidssituatie ter plekke inmiddels zodanig verslechterd is dat er van een humanitaire ramp gesproken moet worden? Zo ja, welke hulp dient er op korte termijn geboden te worden en wat gaat Nederland daarin betekenen? Zo nee, waarom niet?
De veiligheids- en gezondheidssituatie in en rond Moria is onmiskenbaar slecht. Het kabinet acht het dan ook van groot belang dat de Griekse autoriteiten snel zorgen voor humane opvang, die ook bestand is tegen het aankomende winterse weer. Nederland biedt daarin ondersteuning, bijvoorbeeld via de inzet van een Nederlandse expert om de hiervoor beschikbare EU fondsen ook daadwerkelijk te benutten. Daarnaast heeft de Nederlandse regering onlangs gehoor gegeven aan het verzoek van de nieuwe Griekse regering om met het oog op de aankomende winter 30.000 dekens ten behoeve van de vluchtelingen en migranten op de Griekse eilanden beschikbaar te stellen.
De enige duurzame oplossing voor de huidige overbevolking op de eilanden is dat Griekenland sneller vaststelt wie mag blijven en wie veilig terug kan naar Turkije of het land van herkomst. Het is van belang dat deze laatste groep vervolgens daadwerkelijk wordt teruggestuurd. Op 1 november jl. heeft de Griekse regering hier een stap in gezet door de nieuwe asielwet goed te keuren, die een versnelling van de asielprocedure en grootschalige terugkeer mogelijk maakt.
Nederland ondersteunt de Griekse autoriteiten in het doorvoeren van structurele verbeteringen, onder andere via kennisdeling en de inzet van experts. Naast de reguliere inzet via EASO en Frontex, zijn Nederlandse experts van de IND, COA, en DT&V regelmatig in Griekenland om steun te bieden bij structurele verbeteringen op het terrein van opvang, asiel en terugkeer. Over de Nederlandse inzet in Griekenland is uw Kamer op 14 november reeds per brief geïnformeerd.2
Het bezoek van premier Rutte aan Indonesië |
|
Martijn van Helvert (CDA), Joël Voordewind (CU), Lilianne Ploumen (PvdA), Sadet Karabulut (SP), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Welke onderwerpen staan er tijdens het gesprek van de Minister-President met de Indonesische president Joko Widodo op de agenda? Kunt u een toelichting geven?
Minister-President Rutte sprak met de Indonesische president Joko Widodo over de brede samenwerking op het gebied van politiek, economie en cultuur. Op politiek vlak werd er onder meer gesproken over samenwerking op het gebied van strijd tegen terrorisme, mensenrechten en veiligheid en rechtsorde. Op economisch vlak spraken Minister-President Rutte en president Widodo onder andere over circulaire economie, waste management en maritieme samenwerking. Tot slot werd de goede samenwerking op het gebied van cultuur en (beroeps-) onderwijs onderstreept.
Zal tijdens het gesprek met president Joko Widodo ook de situatie in Papua aan de orde worden gesteld? Zo ja, wat zal de inzet zijn?
Minister-President Rutte en president Widodo hebben gesproken over de situatie in Papua, met inbegrip van de mensenrechtensituatie. De inzet van dit gesprek was te benadrukken dat dialoog en terughoudendheid belangrijk zijn om tot een duurzame oplossing te komen, en dat de proportionaliteit van (politie-) geweld en de mogelijkheid tot transparant onderzoek achteraf van belang zijn.
Zal de Minister-President ingaan op het harde ingrijpen van het Indonesische leger tegen de Papua’s? Zo ja, wat zal hierover de inzet zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Zal de Minister-President tijdens zijn gesprek met de president aandringen op en spoedig bezoek van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten aan Papua, zoals door de Indonesische Minister van Buitenlandse Zaken, Marsudi, aan de Minister van Buitenlandse Zaken is toegezegd?
Nederland heeft zowel richting de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten als richting Indonesische autoriteiten aangegeven dat het goed zou zijn als de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten Papua spoedig bezoekt. Op 25 september jl. sprak ik met mijn Indonesische collega Retno Marsudi over de situatie in Papua, waarbij ik het belang van een bezoek van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten aan Papua heb benadrukt. Minister Marsudi bevestigde dat de Hoge Commissaris is uitgenodigd.
Beide partijen zijn voornemens een bezoek te realiseren. Het is nu aan de VN Hoge Commissaris en de Indonesische autoriteiten om afspraken te maken over de verdere uitvoering van de uitgesproken intenties.
Kunt u deze vragen voor aanvang van het bezoek aan Indonesië op 7 oktober 2019 beantwoorden?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
De burnpits doofpot |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie wist het, de Kamer niet: onderzoek naar burnpits lag jarenlang op de plank»?1
Ja.
Herinnert u zich nog de vraag over het openbaar maken van alle gezondheidsgevaren? Kunt u aangeven waarom u destijds niet op de proppen kwam met dit rapport? Zo nee, waarom niet?
Jaarlijks starten we als Defensie tien tot twintig nieuwe R&D-programma’s op velerlei gebieden. Deze programma’s duren circa vier jaar. Het genoemde rapport maakte onderdeel uit van het TNO kennisopbouwprogramma V936 «Militaire Toxicologie». Dit programma liep van 2009 tot en met 2012. Het doel van dit R&D-programma was om via toegepast wetenschappelijk onderzoek, kennis op te bouwen op het gebied van militaire toxicologie. De kennis uit dergelijke R&D-programma’s gebruikt Defensie onder meer voor de aanschaf van materieel en het opzetten van opleidingen. Om de hiervoor gebruikte technologieën te testen en te valideren zijn er in een laboratoriumopstelling beproevingen uitgevoerd waarbij de meetapparatuur en de meetmethoden zijn getest bij een gesimuleerde burnpit. De opzet van het TNO-onderzoek zorgde er bovendien voor dat er geen conclusies konden worden getrokken over de gezondheidsrisico’s omdat de gemeten waarden niet representatief waren voor de situatie onder operationele omstandigheden. Gezien de opzet en de doelstelling van het TNO-onderzoek was er geen aanleiding om de Kamer te informeren over de resultaten. Achteraf gezien was het waarschijnlijk beter geweest het rapport openbaar te maken.
Bent u bereid om – met een dringend appel op uw inlichtingenplicht ex artikel 68 van de Grondwet – een limitatief overzicht te geven van alle gemelde en bekendstaande gezondheidsproblemen en gezondheidsrisico’s bij militairen? Kunt u daarbij ook aangeven waaruit deze problemen en risico’s bestaan, welke oorzaken hieraan (mogelijk) ten grondslag lagen en welke stappen zijn genomen? Zo nee, waarom niet?
De inzet van militairen brengt bijzondere risico’s met zich mee. Tijdens inzet worden militairen onder meer blootgesteld aan extreme temperaturen en opereren zij in gebieden waar de luchtkwaliteit en de infrastructuur niet vergelijkbaar is met de westerse standaarden. Aan de voorkant van missies wordt daarom in principe een zogeheten «site survey» uitgevoerd. Hierbij worden de specifieke lokale en infrastructurele omstandigheden in kaart gebracht. Waar mogelijk worden risico’s vermeden dan wel beperkt. Het is niet mogelijk om een limitatief overzicht te geven van alle gemelde en bekendstaande gezondheidsproblemen en gezondheidsrisico’s bij militairen omdat veel van deze informatie valt onder het medisch geheim. Door middel van de door mij eerder aangekondigde op te zetten gezondheidsmonitoring wil ik voor de toekomst meer zicht krijgen op de gezondheidsrisico’s die militairen lopen.
Deelt u de mening dat het onder de pet houden van onderzoeksresultaten, in combinatie met de overige defensiepuinhopen (o.a. chroom-6, PX10, burnpits, hitteletsels en vreselijke gewelds- en misbruikincidenten), niet alleen in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap, maar ook een ambtsmisdrijf oplevert? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven in de Defensienota wil Defensie transparant en betrouwbaar zijn in wat we doen en wat we bereiken. In gevallen waar er een directe relatie bestaat tussen het werken bij Defensie en gezondheidsklachten, zal Defensie haar verantwoordelijkheid als werkgever dragen.
Bent u bereid de verantwoordelijken van de burnpits (waaronder ook de voormalige Minister van Defensie) te bestraffen en de schade op hen te verhalen? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt zich dit tot uw snelle actiebereidheid op het gebied van diversiteit, milieu en Europese defensiesamenwerking?
Er is nog onvoldoende duidelijkheid over de mogelijke relatie tussen gezondheidsklachten en de uitstoot van burnpits. Ook is in de literatuur het beeld van de relatie tussen gezondheidsklachten en luchtkwaliteit in uitzendgebieden helaas niet eensluidend.
Bent u bereid de slachtoffers van de burnpits een laagdrempelige en ruimhartige schaderegeling te geven door te bezuinigen op diversiteitsgedram, JSF-toestellen en een peperduur tweede regeringstoestel ter waarde van 100 miljoen euro? Zo nee, waarom niet?
In mijn Kamerbrief d.d. 18 april jl. (Kenmerk 35 000-X-133) heb ik de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een brede literatuurbeschouwing en de analyse van het relatief kleine aantal binnengekomen meldingen (0.3% van het totale bestand uitgezonden Nederlandse militairen). In de Kamerbrief heb ik aangegeven dat er nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over de mogelijke relatie tussen gezondheidsklachten en de uitstoot van burnpits. Ook is in de literatuur het beeld van de relatie tussen gezondheidsklachten en luchtkwaliteit in uitzendgebieden helaas niet eensluidend. Mocht er in de toekomst meer duidelijkheid ontstaan over deze relatie, dan zal Defensie haar verantwoordelijkheid als werkgever dragen.
Kunt u deze vragen tijdig en afzonderlijk van elkaar beantwoorden, ook indien samenhang bestaat tussen de vragen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Nederlanders die meevechten in de burgeroorlog in Oekraïne |
|
Bram van Ojik (GL), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zeker acht Nederlanders vechten mee in burgeroorlog Oekraïne, aan beide kanten van het front»1?
Ja.
Was het u bekend dat deze acht Nederlanders betrokken zijn (geweest) in de burgeroorlog in Oekraïne, aan beide kanten van het front? Zo ja, sinds wanneer is deze informatie bij u bekend?
Het artikel waaraan u refereert is gebaseerd op een onderzoeksrapport van het Amerikaanse onderzoeksbureau The Soufan Center. Het rapport bevat een tabel met Foreign Fighters in Oekraïne in de periode 2014–2019. Daar staat ook Nederland in vermeld, maar dat wordt verder niet onderbouwd in het rapport.
Het kabinet herkent dat er betrokkenheid is van Nederlanders bij de strijd in Oekraïne. Cijfers over Nederlanders die deel zouden nemen of deel zouden hebben genomen aan de strijd in Oekraïne, kunnen echter niet worden bevestigd.
Bent u op de hoogte van de identiteit van de personen die meevechten in de burgeroorlog in Oekraïne? Zo ja, sinds wanneer bent u op de hoogte van hun deelname aan het conflict? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord vraag 2.
Worden desbetreffende personen gemonitord? Wordt in de gaten gehouden wanneer zij terugreizen naar Nederland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord vraag 2.
Zijn er al Nederlanders, die actief betrokken zijn geweest bij de strijd in Oekraïne, naar Nederland teruggekeerd? Zo ja, wanneer?
Zie het antwoord vraag 2.
Welke maatregelen worden genomen tegen Nederlanders die actief betrokken zijn geweest in de strijd in Oekraïne? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord vraag 2. Over het algemeen geldt dat, wanneer er sprake is van radicalisering en extremistische uitingen, de integrale aanpak extremisme en terrorisme wordt ingezet, ongeacht de ideologische achtergrond. Basis hiervan is de lokale, persoonsgerichte aanpak, met een mix van repressieve en preventieve interventies.
Hebt u reden om aan te nemen of is het u bekend dat er meer Nederlanders betrokken zijn geweest bij de strijd in Oost-Oekraïne?
Hier zijn geen nadere gegevens over bekend.
Hoe oordeelt u over het oordeel van het Amerikaanse onderzoeksbureau The Soufan Center dat «White supremacists wereldwijde netwerken aan het vormen zijn»2? Herkent u dit risico en neemt u maatregelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit soort rapporten zijn waardevol om een beeld te krijgen over mondiale ontwikkelingen ten aanzien van rechts-extremisme. Ook het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland vermeldt het ontstaan van een internationale parallelle online-wereld met een eigen beeldtaal en radicaliserend discours. Alhoewel dezelfde voedingsbodem aanwezig is en het discours online opruiend en agressief is, wordt in Nederland in het algemeen niet overgegaan tot geweld. Zo nodig worden maatregelen genomen uit integrale aanpak van terrorisme en extremisme.
Het Brexit-ultimatum van de Franse president Macron en de Finse minister-president Rinne |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat uit antwoorden op eerder gestelde Kamervragen duidelijk wordt dat de gestelde deadline aan het Verenigd Koninkrijk door de Franse president Emmanuel Macron en de Finse Minister-President Antti Rinne geen standpunt van de Europese Raad was? Kunt u beantwoorden wat u van het ultimatum vond?1 2
Het kabinet herkent zich niet in de mediaberichtgeving op 18 september over een «ultimatum» en het vermeende doorbreken van de eenheid van de EU27. Na afloop van het gesprek tussen de Franse Minister-President Macron en de Finse minster-president Rinne heeft de Franse regering geen officieel standpunt uitgedragen waarin een deadline aan het Verenigd Koninkrijk werd gesteld. Er is noch door de Europese Raad in Artikel 50 samenstelling (ER Artikel 50), noch door de Europese Commissie een EU-standpunt over een deadline ingenomen, anders dan die van 31 oktober 2019 zoals vastgelegd in het verlengingsbesluit van de ER Artikel 50 van afgelopen april. Niettemin hebben het kabinet, de andere lidstaten en de Europese Commissie steeds de Britse regering opgeroepen om gezien het korte tijdpad tot de ER Artikel 50 voorzien op 17 of 18 oktober spoedig met concrete en realistische voorstellen te komen voor de Ierse grens die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord.
Vindt u het bevorderlijk voor een ordentelijke Brexit als regeringsleiders de eenheid van de EU27 doorbreken en eigenstandig ultimatums gaan stellen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer bent u geïnformeerd over het te stellen ultimatum door president Macron en Minister-President Rinne?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat het vermijden van antwoorden op vragen juist het ongemak met deze situatie laat zien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze vragen voor 15 oktober beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Jaar na dood Khashoggi: zaken doen met de kroonprins kan weer’ |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joost Sneller (D66), Joël Voordewind (CU), Bram van Ojik (GL), Lilianne Ploumen (PvdA), Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jaar na dood Khashoggi: zaken doen met de kroonprins kan weer»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de recente uitspraken van de Saudische kroonprins, waarin hij aangeeft wel verantwoordelijk te zijn, maar zelf geen opdracht heeft gegeven tot de moord op Jamal Khashoggi?
Net als veel andere internationale partners acht het kabinet de Saoedische uitleg over de omstandigheden en toedracht van de moord op journalist Jamal Khashoggi nog ontoereikend en incompleet. De uitspraken van de autoriteiten over de moord zijn meerdere keren veranderd en veel vragen zijn door hen tot op heden onbeantwoord gebleven. Het kabinet, evenals veel gelijkgestemde landen, heeft benadrukt dat er een grote verantwoordelijkheid op de Saoedische autoriteiten rust om grondig, geloofwaardig en transparant onderzoek te doen en om betrokkenen bij de moord op Jamal Khashoggi te vervolgen. Het kabinet zal hier in bilateraal en multilateraal verband op blijven aandringen. Ik heb dit ook aangekaart in mijn gesprek met mijn Saoedische ambtsgenoot Minister Al-Assaf en marge van de Algemene Vergadering van de VN op 26 september jl.
Acht u het geloofwaardig dat een besluit tot het vermoorden van een journalist in een consulaat in het buitenland door een door de regering gecontroleerd doodseskader heeft kunnen plaatsvinden zonder het medeweten of de goedkeuring van de eindverantwoordelijke, in dit geval de kroonprins?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u het vermoeden dat deze uitspraken eerder het karakter hebben van een charmeoffensief dan een (schuld)bekentenis, en deelt u de opvatting dat de zoektocht naar de waarheid onverminderd door moet gaan?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat er naar uw oordeel, precies een jaar na de moord op Jamal Khashoggi, nog voldoende druk op Saudi-Arabië om openheid van zaken te geven?
Nederland blijft samen met gelijkgestemde landen aandacht vragen voor deze zaak. Daarbij moet geconstateerd worden dat de Saoedische autoriteiten, ondanks deze druk vanuit de internationale gemeenschap, tot op heden geen volledige openheid hebben gegeven.
Welke acties heeft u het afgelopen jaar genomen om Saudi-Arabië ertoe te bewegen volledige openheid van zaken te geven?
Nederland heeft zich, samen met de EU en andere gelijkgezinde landen, meerdere malen sterk uitgesproken over de moord op Khashoggi. De gemeenschappelijke verklaringen in de Mensenrechtenraadsessies van 7 maart jl. en van 23 september jl., die mede namens Nederland werden uitgesproken, roepen op de verantwoordelijken te straffen. Ook tijdens de interactieve dialoog met Speciaal Rapporteur Callamard op 26 juni jl. hebben Nederland en de EU de moord op Khashoggi opnieuw sterk veroordeeld en Saoedi-Arabië opgeroepen alle medewerking te verlenen aan onderzoeken naar de moord en alle beschikbare informatie vrij te geven. Daarnaast heeft Nederland zich het afgelopen jaar in EU-verband ingezet voor aandacht voor de zaak van Khashoggi. In de item 4-verklaring van de EU bij de Mensenrechtenraadsessies in maart en september dit jaar werd mede daarom aandacht gevraagd voor deze zaak. Op 2 oktober jl. heeft de EU, ook namens Nederland, een verklaring uitgedaan ter nagedachtenis aan Khashoggi, waarin opnieuw wordt opgeroepen tot een geloofwaardig en transparant strafrechtelijk onderzoek en eerlijke berechting van de daders.
Bent u het eens dat er geen handelsmissie naar Saudi-Arabië plaats kan vinden, zolang er geen volledige verantwoordelijkheid is afgelegd voor de moord op Khashoggi?
Nederland acht het van groot belang dat de daders van de moord op Khashoggi worden berecht in een eerlijk en transparant proces. Tegelijkertijd is het van belang de dialoog met Saoedi-Arabië voort te zetten over zaken als maatschappelijk verantwoord ondernemen, energie, stabiliteit in de regio, ongewenste buitenlandse financiering, alsook handel en wederzijdse investeringen. Daarbij geldt dat economische bezoeken ook de mogelijkheid scheppen om over onderwerpen te spreken waarover Nederland en Saoedi-Arabië met elkaar van mening verschillen, zoals de mensenrechtensituatie. Er zijn vooralsnog geen door de overheid geleide handelsmissies gepland. Toekomstige economische bezoeken zullen op basis van de dan actuele situatie worden afgewogen.
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor het bevriezen van de tegoeden en het opleggen van een inreisverbod voor de leden van het doodseskader dat de moord op Khashoggi heeft uitgevoerd?
Zoals gesteld in eerdere antwoorden op schriftelijke vragen (op 16 juli 2019, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3514 en op 16 juli 2019, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3513) is voor het instellen van sancties internationaal brede politieke overeenstemming nodig. Dit is voor Saoedi-Arabië op dit moment niet het geval. Zoals u weet zet Nederland zich zeer actief in voor een EU mensenrechtensanctieregime. Met een dergelijk sanctieregime kan wereldwijd worden ingezet op het instellen van persoonsgerichte sancties tegen mensenrechtenschenders, zoals bijvoorbeeld bevriezing van tegoeden en reisbeperkingen. Met het creëren van het juiste instrumentarium valt op termijn veel te winnen en dit heeft daarom op dit moment onze prioriteit.
Bent u voornemens deel te nemen aan de eerstvolgende G-20 top? Zo ja, bent u dan bereid daar te pleiten voor volledige openheid van zaken over deze moord?
De G20 is voor Nederland een invloedrijk forum waar politieke, maatschappelijke en economische vraagstukken worden besproken die een gezamenlijke internationale aanpak vragen. Afspraken die in G20-verband worden gemaakt kunnen een brede impact hebben. Aanwezigheid bij dit forum biedt Nederland de kans op cruciale onderwerpen invloed uit te oefenen. Voor een open en internationaal georiënteerde economie als Nederland is het belangrijk aan tafel te zitten. Zoals ik ook stelde tijdens het AO RBZ van 8 oktober: aangezien Nederland geen permanent G20-lid is, is Nederlandse deelname afhankelijk van of Nederland – net als tijdens de afgelopen drie jaar onder het Duitse, Argentijnse en Japanse voorzitterschap – wordt uitgenodigd om als gast deel te nemen.
Het bericht dat een onderzoek over burnpits jarenlang op de plank heeft gelegen |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie wist het, de Kamer niet: onderzoek naar burnpits lag jarenlang op de plank»1?
Ja.
Waarom heeft u het rapport «Evaluation of ernvironmental and toxicity monitoring methods during improvised burn pits» van TNO (2012) niet veel eerder in zijn volledigheid naar de Kamer gestuurd?
Jaarlijks starten we als Defensie tien tot twintig nieuwe Research & Development (R&D)-programma’s op velerlei gebieden. Deze programma’s duren circa vier jaar. Het genoemde rapport maakte onderdeel uit van het TNO kennisopbouw-programma V936 «Militaire Toxicologie». Dit programma liep van 2009 tot en met 2012. Het doel van dit R&D-programma was om via toegepast en verkennend wetenschappelijk onderzoek, kennis op te bouwen op het gebied van militaire toxicologie. Het testen van nieuwe technieken voor monstername en analysemethoden was één van de aandachtspunten. De kennis uit dergelijke R&D-programma’s gebruikt Defensie onder meer voor de aanschaf van materieel en het opzetten van opleidingen. Om de hiervoor gebruikte technologieën te testen zijn onder gecontroleerde condities in een afgesloten ruimte beproevingen uitgevoerd waarbij de meetapparatuur en de meetmethoden zijn getest bij een gesimuleerde burnpit. De condities waaronder is gemeten, zijn niet representatief voor de blootstelling tijdens missies waardoor geen conclusies getrokken kunnen worden over de mogelijke gezondheidsrisico’s tijdens missies. Gezien de opzet en de doelstelling van het TNO-onderzoek, het testen van monstername en analyse methodes, was er geen aanleiding om de Kamer te informeren over de resultaten. Achteraf gezien was het waarschijnlijk beter geweest het rapport openbaar te maken.
Waarom stelt uw ministerie in reactie op vragen van EenVandaag dat het TNO-onderzoek niet was bedoeld om de gezondheidseffecten voor militairen te meten, maar het vinden van de beste meetmethode voor schadelijke stoffen van burn pits? Dit doet toch niet af aan de conclusies uit het rapport, en is daarmee toch geen reden dit rapport niet in zijn volledigheid naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het in vraag 2 genoemde onderzoek alsnog in zijn volledigheid naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Ja. In de bijlage treft u het rapport aan dat inmiddels openbaar is gemaakt.2
Bent u bereid andere relevante rapporten, waarin conclusies worden getrokken over de zogenaamde combinatie-toxiciteit van stoffen in burn pits, van Nederlandse dan wel buitenlandse onderzoeksinstituten aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Met mijn Kamerbrief (Kenmerk 35 000-x-133) d.d. 18 april jl. heb ik u geïnformeerd over de literatuurbeschouwing die het Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG) heeft uitgevoerd naar 46 publicaties en rapporten burnpits, de uitstoot van burnpits en de eventueel daaraan gerelateerde klachten. Veel van de publicaties en rapporten die zijn opgenomen in de literatuurlijst zijn open bronnen. Een aantal (internationale) publicaties en rapporten dat is gebruikt voor de literatuurbeschouwing worden echter beschermd door auteursrechten. Tot slot is gebruik gemaakt van een rapport van het Belgische Ministerie van de Defensie. Hiervoor is inmiddels een verzoek ingediend bij het Belgische Ministerie van Defensie om dit rapport vertrouwelijk te mogen delen met de Kamer.
Op welke termijn verwacht u dat het door u aangekondigde validatie-onderzoek van de literatuurstudie van het Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG) wordt afgerond? Deelt u de mening dat dit op zo kort mogelijke termijn moet gebeuren, gelet op het belang van duidelijkheid voor de betrokken militairen?
Defensie heeft de Kamer toegezegd om de uitgevoerde literatuurbeschouwing te laten valideren door een externe partij. Defensie is na het publiceren van het rapport van het CEAG in contact getreden met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM heeft na overleg met Defensie aangegeven de validatie niet te kunnen uitvoeren. Dit heeft ons gedwongen om nieuwe gerenommeerde instellingen aan te schrijven. Op dit moment is het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht als enige partij over en zijn we bezig met de aanbestedingsprocedure.
Zal in het door u aangekondigde validatie-onderzoek expliciet worden gekeken naar combinatie-toxiciteit? Zo nee, waarom niet?
Het validatieonderzoek heeft tot doel de uitkomsten van de literatuurbeschouwing en de meldingen van het meldpunt Burnpits van het CEAG van 8 april 2019 en de daarin opgenomen literatuurstudies in het geheel te toetsen. Er is niet gevraagd specifiek te kijken naar (mogelijke) deelaspecten van de beschreven studies.
Een door de Europese Unie gefinancierd Turks rapport over islamofobie |
|
Vicky Maeijer (PVV), Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recent gepubliceerde rapport «European Islamophobia Report 2018»?1
Ja.
Klopt het dat de opsteller van het rapport (de Turkse denktank SETA) nauwe banden onderhoudt met de regerende AK-partij van president Erdogan?2
De Turkse denktank SETA is formeel een onafhankelijke denktank. Uit publicaties en de werkwijze van SETA kan wel worden geconcludeerd dat deze organisatie qua gedachtegoed dicht staat bij de AK-partij.
Bent u bekend met het feit dat deze dubieuze Turks-islamitische denktank eerder een rapport heeft uitgebracht waarmee kritische journalisten werden gecriminaliseerd?3
Ja.
Klopt het dat de Europese Unie dit propagandavehikel van president Erdogan en zijn AK-partij financiert, zoals onder meer op de kaft van het rapport staat?
SETA ontving samen met het Leopard Weiss Institute for the Study of Contemporary Muslim Life and Thought vanuit het EU-Turkey Civil Society Dialogue (CSD) programma financiering voor het rapport genoemd in vraag 1.
Vanuit het CSD-programma worden in totaal 40 projecten gesteund die door Europese en Turkse non-gouvernementele organisaties worden uitgevoerd. In dit specifieke geval is 90% van het totaalbudget van € 126,951.81 voor deze publicatie van SETA door CSD gefinancierd. Het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken beheert het CSD-programma. De EU stelt strikte richtlijnen op voor de selectie van projecten, maar is niet betrokken bij de uiteindelijke selectie. Dat gebeurt door het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zoals vermeld op de tweede pagina van de onderhavige publicatie, is de EU niet verantwoordelijk voor de inhoud van rapportages en onderschrijft de EU deze niet noodzakelijkerwijs.
Het CSD-programma wordt gefinancierd in het kader van de pretoetredingssteun aan Turkije.
Zo ja, hoeveel EU-subsidie heeft deze «denktank» gekregen, uit welk potje komt het geld en met welk doel is het naar Ankara overgemaakt?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het rapport – waarin de PVV en FvD als extreemrechts worden bestempeld en islampartijen als DENK en NIDA worden geprezen – pure moslimpropaganda is, bedoeld om de slachtofferstatus van moslims op te poetsen?
Ik kan mij voorstellen dat lezers het rapport als eenzijdig beschouwen. Ik kan mij echter niet vinden in de woordkeuze in uw vraag. In het algemeen kan gesteld worden dat het kabinet staat voor een samenleving waarin iedereen zichzelf kan zijn, vorm kan geven aan zijn of haar leven en kan geloven wat hij of zij wil. Kennis die bijdraagt aan het beter kunnen aanpakken en voorkomen van discriminatie is hiervoor van belang.
Wilt u ervoor zorgen dat Brussel de absurde financiering van de Turkse denktank SETA per direct stopzet? Zo nee, waarom niet?
SETA ontving financiering uit het CSD-programma voor een specifieke publicatie. Deze publicatie is inmiddels verschenen. Daarnaast geldt dat Nederland in Europees kader reeds geruime tijd de opschorting bepleit van preaccessiesteun aan Turkije, conform de motie Roemer/Segers (Kamerstuk 32 823, nr. 158) en de motie Van der Graaf (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2058). Hier is echter onvoldoende draagvlak voor.
Onderzeeboten van Nederlandse makelij |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vakbonden en werkgeversorganisatie VNO-NCW pleiten voor onderzeeboten van Nederlandse makelij?1
Ja.
Bent u bereid om onmiddellijk te stoppen met het bureaucratisch aanbestedingsproces en te kiezen voor de onderzeeboten van Saab-Damen om hiermee de Nederlandse industrie op 1 te zetten? Zo nee, waarom niet?
Het project «Vervanging onderzeebootcapaciteit» verloopt volgens de afspraken tussen Defensie en de Kamer over het Defensie Materieel Proces (DMP). Zoals vermeld in het Defensieprojectenoverzicht van 17 september jl. zal de Kamer later dit jaar de B-brief ontvangen van dit project. Ik kan daar niet op vooruitlopen.
Legale en veilige abortus in Europa |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat ruim 15 miljoen vrouwen in Europa geen toegang hebben tot legale en veilige abortus? En is het u bekend dat in sommige landen in Europa vrouwen vervolgd worden voor het ondergaan van een abortus?
Het is het kabinet bekend met het feit dat niet in alle landen in Europa vrouwen toegang hebben tot legale en veilige abortus. Het aantal van 15 miljoen vrouwen is mij niet bekend. Het Center for Reproductive Rights liet desgevraagd weten dit cijfer niet te kunnen traceren.
In Andorra, Malta en San Marino is abortus onder alle omstandigheden verboden. In Liechtenstein is abortus alleen mogelijk ingeval het leven of de gezondheid van de vrouw in gevaar is of ingeval van verkrachting. In Monaco en Polen is abortus alleen mogelijk ingeval van gevaar voor het leven of de gezondheid van de vrouw, ingeval van verkrachting of wanneer de foetus ernstige afwijkingen vertoont.
In Andorra, San Marino, Malta en Liechtenstein kunnen vrouwen strafrechtelijk vervolgd worden. In Noord-Ierland zijn in de afgelopen jaren vrouwen vervolgd voor het gebruik van medicamenteuze abortus (abortuspillen) maar recent verviel de strafbaarheid van abortus in Noord-Ierland.
Deelt u de mening dat elke vrouw ter wereld toegang moet hebben tot legale en veilige abortus? Zo ja, hoe vindt u het in dat licht dat ruim 15 miljoen vrouwen op het Europese continent dit recht wordt ontzegd?
Zowel binnen als buiten de Europese Unie zet Nederland zich in voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten zoals gedefinieerd in het Actieprogramma van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling (1994), het Platform voor Actie van de 4e Wereldvrouwenconferentie (1995) en het rapport van de Guttmacher-Lacet Commission on Sexual and Reproductive Health and Rights (SRHR) Accelerate Progress: sexual and reproductive health and rights for all (2018). Nederland bepleit toegang tot veilige en legale abortus als onderdeel van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten.
Het kabinet staat voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor alle vrouwen. Het kabinet constateert dat in een aantal Europese landen liberalisering van abortuswetgeving inmiddels een feit is (waaronder Cyprus, Ierland en recent Noord-Ierland) en dat is een positieve ontwikkeling. Het aantal van 15 miljoen vrouwen is het kabinet zoals aangegeven niet bekend.
Bent u bereid om hierover met uw ambtsgenoten uit Malta, Polen, Andorra, San Marino en Liechtenstein in gesprek te gaan? Zo ja, wilt u er bij hen op aandringen abortus niet langer strafbaar te stellen en voor elke vrouw toegankelijk te maken?
Nederland bepleit toegang tot veilige en legale abortus als onderdeel van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. In reguliere contacten met ambtsgenoten bespreekt het kabinet waar nodig en opportuun zorgen over vrouwenrechten en dat zat het kabinet blijven doen. Zorgvuldige inschatting is daarbij belangrijk ter voorkoming van onbedoelde contraproductiviteit. Het kabinet verwijst in dit kader ook naar de beantwoording door de Minister van VWS mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op de vragen van het Kamerlid Ploumen (PvdA) over «de financiële ondersteuning van Europese anti-abortus clubs door Amerikaanse miljardairs» (2019Z15969) die de Tweede Kamer op 20 september 2019 zijn toegegaan.
Deelt u de mening dat toegang tot legale en veilige abortus een belangrijk recht is voor vrouwen? Zo ja, bent u het dan ook eens dat toegang tot legale en veilige abortus te belangrijk is om enkel aan lidstaten over te laten? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Gaat u er in Europees verband toe oproepen om overal binnen de Europese Unie abortus legaal en toegankelijk te maken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om ook Ursula von der Leyen, de eerste vrouwelijke voorzitter van de Europese Commissie, op te roepen legale en veilige abortus op te nemen in haar Agenda voor de Toekomst? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
Vrouwenrechten en versterking van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten zijn een belangrijke prioriteit van het kabinetsbeleid. Het kabinet draagt het belang hiervan ook uit in Europees kader en zal bepleiten hieraan prioriteit te geven bij de Europese Commissie.
Berechting van IS-strijders in Irak |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Is Iraaks recht wel compatibel» en «Nederland wil berechting IS’ers in Irak»?1
Ja.
Klopt het dat u met verschillende landen heeft gesproken over een juridische constructie waarmee IS-strijders in Irak berecht kunnen worden? Op welke rechtsgrond zou deze berechting plaatsvinden?
Zoals onder meer aangegeven in de reactie op het advies van de Extern Volkenrechtelijk Adviseur (Kamerstuk 27925 nr. 658), heeft het kabinet voorkeur voor vervolging en berechting van ISIS-strijders in internationaal verband. Ook hecht het kabinet er grote waarde aan dat goed wordt gekeken naar mogelijkheden van nationale berechting, in Nederland maar bijvoorbeeld ook in landen in de regio. Naar aanleiding van uitspraken van Irak dat het land hiertoe bereid is, zijn enkele Europese landen met Irak in gesprek om te bezien of vervolging en berechting van buitenlandse strijders (foreign terrorist fighters) onder bepaalde voorwaarden mogelijk is in Irak. Gerechtigheid voor de slachtoffers van de gruwelijke misdrijven van ISIS en het tegengaan van straffeloosheid vormen daarbij het uitgangspunt voor eventuele samenwerking, waarbij de geldende rode lijnen van de betrokken Europese landen leidend zijn. De te gebruiken rechtsgrond(en) zouden kunnen komen uit internationaal recht, Iraaks recht, of een combinatie daarvan.
Wat zijn de uitkomsten van dit overleg geweest?
De besprekingen hebben vooralsnog een verkennend karakter. Belangrijkste uitkomst tot dusver is de wederzijdse bereidheid om de mogelijkheden voor berechting van uitreizigers door Irak nader te verkennen. Daarbij zijn de rode lijnen aangegeven over het niet toepassen van de doodstraf, berechting in overeenstemming met internationale standaarden zoals het recht op een eerlijk proces, en consulaire bijstand. Ook Irak heeft zijn rode lijnen gemarkeerd, onder meer ten aanzien van nationale wetgeving over de doodstraf. Zoals eerder aangegeven in de reactie op het advies van de Extern Volkenrechtelijk Adviseur is het berechtingsvraagstuk zeer complex en zullen snelle oplossingen niet worden gevonden.
Klopt het dat u voor deze berechting 1,6 miljoen euro beschikbaar stelt? Vanuit welke begroting wordt dit gefinancierd?
Nederland stelt 1,6 miljoen euro beschikbaar aan Interpol ten behoeve van het versterken van het gebruik van biometrische informatie in Irak. Het identificeren en registreren van FTF en andere terrorismeverdachten met behulp van biometrische informatie en de koppeling met de internationale Interpol-systemen verhoogt de kans op vervolging en berechting. Ook verhoogt het de pakkans mochten strijders grenzen oversteken. Dit project is eerder met succes toegepast in bijvoorbeeld Niger en Mali. Het betreft dus een capaciteitsopbouwtraject van Interpol ten behoeve van het Iraakse juridische systeem, en is geen financiering van berechting. Het project wordt gefinancierd uit de gelden die beschikbaar zijn voor terrorismebestrijding in de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Klopt het dat de Iraakse wet de begrippen genocide en misdaden tegen de menselijkheid niet kent? Op basis van welke strafbaarstelling(en) worden IS-strijders in Irak op dit moment dan berecht?
Het Iraakse strafrecht kent geen strafbaarstelling van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. IS-strijders worden op dit moment berecht op basis van de Iraakse antiterrorisme-wetgeving, waarbij deelname aan een terroristische organisatie ten laste kan worden gelegd.
Klopt het dat verdachten volgens de Iraakse wet niet veroordeeld kunnen worden voor genocide en misdaden tegen menselijkheid?
Ja.
Het Brexit-ultimatum van de Franse president en de Finse minister-president |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het Brexit-ultimatum dat de Franse president Macron en de Finse Minister-President Rinne op 18 september 2019 hebben gesteld aan de Britse premier?1
Het kabinet heeft kennis genomen van mediaberichten over uitspraken van de Finse Minister-President Rinne en de Franse president Macron waarin zij hun zorgen zouden hebben geuit over het uitblijven van concrete Britse voorstellen. De afgelopen periode hebben Europese leiders er steeds op gewezen dat er voldoende tijd nodig is om eventuele voorstellen te bestuderen vóór de Europese Raad in Artikel 50 samenstelling (ER Artikel op 17 of 18 oktober a.s. teneinde tijdig vóór 31 oktober een akkoord te kunnen bereiken. Het kabinet deelt deze zorgen over het krappe tijdpad in aanloop naar de ER Artikel 50. De Europese Unie en Nederland staan open voor oplossingen van de Britse regering voor de Ierse grens die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord. Het is aan het VK om realistische en concrete voorstellen te presenteren om de huidige impasse te doorbreken. Gezien het feit dat de ER Artikel 50 op 17 of 18 oktober bijeenkomt en de onderhandelingstermijn van Artikel 50 VEU op 31 oktober 2019 verloopt, is het van groot belang dat het VK dit tijdig en zo snel mogelijk doet.
Is deze deadline van 30 september 2019 afgestemd met de Europese Raad van regeringsleiders? Zo nee, namens wie is dit ultimatum dan precies gesteld? Zo ja, wanneer heeft de Europese Raad dit standpunt bepaald?
Er is noch door de ER Artikel 50, noch door de Europese Commissie een EU-standpunt over een deadline ingenomen, anders dan die van 31 oktober zoals vastgelegd in het verlengingsbesluit van de ER Artikel 50 van afgelopen april. Een andere deadline kan niet het gevolg zijn van mogelijke uitspraken van individuele Europese leiders. Tegelijkertijd is het gezien de beperkt beschikbare tijd tot 31 oktober 2019 van groot belang dat het VK tijdig en zo snel mogelijk concrete en realistische voorstellen presenteert die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord.
Hoe verhoudt dit ultimatum zich tot de Nederlandse inzet dat een no deal-Brexit voorkomen moet worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 1. De inzet van het kabinet blijft onverminderd gericht op een ordelijk vertrek van het VK uit de EU met een terugtrekkingsakkoord. Het terugtrekkingsakkoord is de beste – en thans enige – manier om een ordelijk vertrek van het VK uit de EU te realiseren. Ook Nederland dringt er bij het VK op aan om zo snel mogelijk concrete en realistische voorstellen te presenteren die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord.
Vindt u het, ten aanzien van een ordentelijke Brexit, een strategische zet van deze landen om met dit ultimatum de druk op te voeren op het Verenigd Koninkrijk?
Zie het antwoord op vraag 1.
Erkent u dat het lijkt alsof regeringsleiders de eenheid van de EU27 doorbreken door dit ultimatum aan te kondigen in plaats van de Brexitonderhandelaar, de heer Michel Barnier?
De ER Artikel 50 heeft consistent zijn volledige steun uitgesproken voor de heer Barnier en zijn team. De eenheid van de EU27 duurt onverminderd voort. Zie het antwoord op vraag 1.
Vindt u het gestelde ultimatum van president Macron net zo «inflammatory» (opruiend) als de wijze waarop hij op de informele Europese Top in Salzburg, 20 september 2018 het Chequers-voorstel van Theresa May naar de prullenbak verwees?2 3
Zie het antwoord op vraag 1 en 5. De EU27 heeft steeds de noodzaak onderstreept van concrete en realistische voorstellen teneinde voor 31 oktober a.s. nog een akkoord te kunnen bereiken. Gezien de beperkt beschikbare tijd tot 31 oktober 2019 is het van groot belang dat het VK tijdig en zo snel mogelijk concrete en realistische voorstellen presenteert die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord.
Deelt u de mening dat het zonde is – als na jaren inzet en onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk om de Brexit ordentelijk te laten verlopen – dit toch eindigt in een no deal-Brexit? Zo ja, wat kunt u doen om dit te voorkomen? Zo neen, kunt u uw antwoord toelichten?
Een no deal Brexit zal nooit de keuze van de EU en Nederland zijn en de inzet van het kabinet blijft dan ook onverminderd gericht op een ordelijk vertrek van het VK uit de EU met een terugtrekkingsakkoord. Het is aan het VK om realistische en concrete voorstellen die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord te presenteren om de huidige impasse te doorbreken. De EU27 zal zulke voorstellen, als ze komen, in serieuze overweging nemen.
Kunt u deze vragen voor 30 september te beantwoorden?
Ja.