Strijdsters voor vrouwenrechten in Afghanistan die steeds verder in het nauw komen |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Constant bang voor de Taliban»?1
Ja.
Deelt u de zorgen dat strijdsters voor vrouwenrechten in Afghanistan steeds verder in het nauw komen? Kunt u een toelichting geven?
Ja. De positie van vrouwen in Afghanistan is sinds de val van het Talibanregime in algemene zin verbeterd. Desondanks vormen vrouwen die strijden voor vrouwenrechten, vaak het doelwit van extremistische ideologieën die burgerrechten van en vrijheden voor vrouwen willen inperken.
Heeft de Minister-President tijdens het recente bezoek aan president Trump gesproken over de vredesonderhandelingen in Afghanistan? Kunt u een toelichting geven?
Tijdens het bezoek van de Minister-President aan president Trump zijn de vredesonderhandelingen in Afghanistan niet besproken.
Bent u bereid om de zorgen over het naleven van vrouwenrechten na terugtrekking van de troepen van de Verenigde Staten en NAVO uit Afghanistan onder de aandacht te brengen van uw Amerikaanse ambtsgenoot? Kunt u een toelichting geven?
Ja. Het kabinet benadrukt in contacten met alle internationale partners, waaronder de Verenigde Staten, dat het Afghaanse vredesproces moet leiden tot een uitkomst waarbij de mensenrechten van alle burgers, inclusief vrouwen en minderheden, worden beschermd. De Amerikaanse Special Representative for Afghanistan Reconciliation Zalmay Khalilzad benadrukt expliciet de noodzaak van betrokkenheid van onder meer vrouwen en vertegenwoordigers van het maatschappelijk midden in een inclusieve intra-Afghaanse dialoog.
Op welke wijze draagt u bij aan de verbetering van vrouwenrechten in Afghanistan? Welke mogelijkheden ziet u om dit aan te scherpen?
Gendergelijkheid is een dwarsdoorsnijdend thema in de door Nederland gefinancierde programma’s in Afghanistan, om zo breed mogelijk bij te dragen aan de verbetering van vrouwenrechten in Afghanistan. Nederland steunt bijvoorbeeld de implementatie van het Nationaal Actieplan Vrouwen, Vrede en Veiligheid van Afghanistan door capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties en lokale besluitvormers. Met een ander programma levert Nederland een bijdrage aan het verbeteren van de toegang van vrouwen tot de rechtspraak. Ook wordt expliciet aandacht besteed aan de rol van vrouwen in de Afghaanse veiligheidssector via multilaterale fondsen zoals het Afghan National Army Trust Fund (ANA TF) en het Law and Order Trust Fund Afghanistan (LOTFA), waar Nederland meerjarige bijdragen aan levert. Ook op andere manieren brengt Nederland het belang van gendergelijkheid en de verbetering van vrouwenrechten in Afghanistan regelmatig onder de aandacht. Zo faciliteert de Nederlandse ambassade in Kaboel bijeenkomsten voor vrouwenrechtenverdedigers en wordt voortdurend het belang van een inclusief vredesproces benadrukt. De ambassade onderzoekt actief de mogelijkheden om binnen bestaande budgettaire kaders nieuwe programma’s te identificeren die bijdragen aan de verbetering van vrouwenrechten in Afghanistan.
Het hoge aantal burgerslachtoffers van explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recent verschenen onderzoek «Monitoring Explosive Violence in 2018» van de Britse niet-gouvernementele organisatie (NGO) Action on Armed Violence?1
Ja.
Bent u het eens dat het zeer zorgwekkend is dat in 2018 90% van de slachtoffers van explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden burgers waren en dat burgers hiertegen moeten worden beschermd? Zo ja, bent u bereid om actie te ondernemen? Zo ja, welke stappen zult u nemen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het humanitair oorlogsrecht vereist dat bij het plannen en uitvoeren van militaire operaties alle mogelijke voorzorgsmaatregelen worden genomen om de burgerbevolking zo veel mogelijk te beschermen. In lijn met het proportionaliteitsbeginsel mag een militaire aanval geen doorgang vinden indien de te verwachten nevenschade onder burgers en burgerobjecten excessief is in verhouding tot het te verwachten militair voordeel. Fundamentele principes van het oorlogsrecht zijn ook benoemd in verscheidene wapenbeheersingsverdragen, waaronder het Clustermunitieverdrag (CCM), het Ottawaverdrag (APMBC) en het Conventionele Wapenverdrag (CCW). Nederland is partij bij al deze verdragen en streeft er naar dat alle staten hierbij partij worden. Ook spreekt Nederland landen in bilateraal verband aan op hun verplichtingen onder het oorlogsrecht wanneer zij deze niet nakomen.
De Nederlandse krijgsmacht ziet erop toe dat Nederlandse militairen bekend zijn met de bepalingen van het humanitair oorlogsrecht en deze eerbiedigen in de uitvoering van militaire operaties. Militairen worden tijdens hun opleiding daarnaast fysiek getraind op het opereren in stedelijk gebied en op het voorkomen van nevenschade in dergelijke omgevingen.
Volgens het rapport is de meerderheid van de door Action on Armed Violence vastgelegde burgerslachtoffers (10.716 burgers) omgekomen als gevolg van het gebruik van explosieve wapens door niet-statelijke actoren zoals ISIS en de Taliban. Het kabinet zet zich er (mede) daarom voor in dat dergelijke actoren niet kunnen beschikken over dergelijke wapens noch over andere militaire goederen. Deze inzet uit zich onder meer in het versterken van internationale wapenbeheersingsverdragen en -fora, waarbij het kabinet pleit voor bepalingen die het verstrekken van militaire goederen aan niet-statelijke actoren zoals terroristen ontmoedigt en verbiedt. Daarnaast ziet het strikte Nederlandse wapenexportcontrolebeleid erop toe dat uit Nederland afkomstige militaire goederen niet aan deze actoren geleverd mogen worden.
Bovengenoemde inzet t.a.v. explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden is erop gericht om het gebruik van dergelijke wapens te voorkomen. Tegelijkertijd financiert Nederland activiteiten die erop gericht zijn om explosieve oorlogsresten in stedelijke gebieden te ruimen indien blijkt dat deze wel zijn ingezet. Deze activiteiten worden uitgevoerd door partnerorganisaties in het kader van het Mine Action and Cluster Munition Programme (MACM) dat loopt van 2016–2020 en vinden plaats in zwaar getroffen gebieden zoals Libië, Jemen en Irak. Door deze activiteiten worden burgers beschermd tegen de gevaren van explosieve oorlogsresten. Nederland blijft groot voorstander van het financieren van deze meerjarige activiteiten en spoort in internationaal verband andere landen aan om dat ook te doen.
Is het u bekend dat uit vergelijkbare rapporten bleek dat ook in de afgelopen jaren (2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017) 9 op de 10 slachtoffers van explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden burgers waren? Kunt u toelichten wat er de afgelopen jaren op internationaal niveau is ondernomen om het aantal burgerslachtoffers van explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden te laten afnemen? Kunt u toelichten waarom deze inspanningen niet hebben geleid tot een afname van het aantal burgerslachtoffers van explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden?
Ja. Nederland zet zich structureel in voor de eerbiediging van het humanitair oorlogsrecht en de daarin opgenomen beginselen van proportionaliteit en voorzorg. Het gedrag van een aantal partijen – zowel statelijke als niet-statelijke actoren – toont helaas aan dat deze beginselen met wisselende standvastigheid worden nageleefd. Het kabinet acht het van belang dat beweerdelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht worden onderzocht en zo nodig vervolgd.
Bent u bekend met de herhaaldelijke oproep van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties aan lidstaten om het gebruik van explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden te vermijden? Zo ja, wat heeft Nederland gedaan om deze oproep onder de aandacht te brengen?
Ja. Nederland steunt de Ontwapeningsagenda van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties waarin de zorgen omtrent het gebruik van explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden uitgebreid worden aangekaart. Daarnaast heeft Nederland bij verschillende gelegenheden zijn zorgen uitgesproken over het gebruik van dergelijke wapens en andere actoren – zowel landen als niet-statelijke actoren – opgeroepen om het humanitair oorlogsrecht te eerbiedigen. Nederland deed dit o.a. tijdens de Eerste Commissie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de jaarlijkse bijeenkomsten van statenpartijen bij het Conventionele Wapenverdrag (CCW), het Clustermunitieverdrag (CCM) en het Ottawaverdrag (APMBC). Nederland zal deze boodschap dit jaar bij deze gelegenheden herhalen.
Zal Nederland deelnemen aan een door Oostenrijk georganiseerde conferentie over explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden op 1 en 2 oktober? Zo ja, wat wordt de inzet van Nederland tijdens deze conferentie? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Ja. Nederland zal daar, conform de bestaande inzet zoals omschreven in de beantwoording van vragen twee, drie en vier, het grote aantal burgerslachtoffers als gevolg van het gebruik van explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden aan de kaak stellen en andere landen oproepen om te allen tijde te handelen in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht. Daarnaast zal Nederland andere landen oproepen om zich in te zetten voor het beschermen van burgers tegen explosieve oorlogsresten, bijvoorbeeld met behulp van ruimingsprogramma’s zoals gefinancierd door het Nederlandse Mine Action and Cluster Munition Programme.
Het bericht dat de staatssecretaris meer openheid wil bij Defensie. |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Staatssecretaris Barbara Visser wil meer openheid bij Defensie: «We moeten fouten toegeven»»?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom u nu pas het belang van meer openheid inziet? Betekent dit dat de beloften tot meer openheid tot op heden loze beloften waren? Zo nee, waarom niet?
De openheid die Defensie toepast, bijvoorbeeld door het zo goed en zo veel mogelijk communiceren over voorvallen, is een essentiële voorwaarde om te kunnen leren van fouten. Dit helpt ons om veiliger te werken en om het vertrouwen in onze organisatie te verhogen. In een organisatie met 60.000 mensen is het niet uit te sluiten dat er fouten worden gemaakt, maar door ervan te leren wil Defensie de kans op dezelfde fouten in de toekomst minimaliseren.
Bent u nu wel bereid om vraag 4 van mijn schriftelijke vragen (2019Z12432) volledig te beantwoorden, zodat burgers en militairen eindelijk duidelijkheid krijgen over onder andere de wantoestanden binnen Defensie en de geldverspilling aan Europese Defensiesamenwerking? Zo nee, waarom niet?
De genoemde vragen in die vraag zijn eerder beantwoord. Ik zie geen reden om de antwoorden aan te passen.
Is de volgende stap in uw bewustwordingsproces dat u de krijgsmacht gaat inzetten voor grensbewaking, defensieslachtoffers ruimhartig gaat schadeloosstellen, de rotte appels gaat bestraffen en gaat stoppen met de afkoop van Turkse dienstplicht en diversiteitsgedram? Zo nee, waarom niet?
Over deze onderwerpen zijn in eerdere brieven reeds vragen beantwoord (zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3546 en Kamerstukken 35 210 X, nr. 5, 34 919, nr. 7, 35 200 X, nr. 7, 35 000 X, nr. 142, 35 200 X, nr. 6). Ik zie geen reden om de antwoorden aan te passen.
Kunt u bovenstaande vragen apart beantwoorden, ook indien samenhang bestaat tussen de vragen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Vervangende onderzeeboten |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het hoofd van de Engelse Royal Navy alarm slaat om meer te investeren in onderzeeboottechnologie?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Nederlandse werkgelegenheid en de veiligheid van defensiepersoneel zwaarwegende factoren zijn bij de aanschaf van vervangende onderzeeboten? Zo nee, waarom niet?
Defensie neemt de veiligheid en gezondheid van haar medewerkers serieus. Bij de verwerving van materieel moet Defensie voldoen aan wet- en regelgeving, inclusief vereisten op het gebied van gezondheid en veiligheid. Daartoe stelt Defensie eisen aan al het materieel, of dit nu in Nederland wordt aangeschaft of in het buitenland.
Bij de aanschaf van materieel is het uitgangspunt dat we het beste product voor de beste prijs willen verwerven, met een zo groot mogelijke betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven. In de Defensie Industrie Strategie (DIS), die de Kamer in november 2018 heeft ontvangen (Kamerstuk 31 125, nr. 92), is uiteengezet welke kennis, technologie en industriële capaciteiten Nederland in huis moet hebben voor de borging van het nationale veiligheidsbelang.
Deelt u de mening dat de Nederlandse werkgelegenheid en de veiligheid van defensiepersoneel de afgelopen decennia ernstig zijn verwaarloosd door de aanschaf van onveilig buitenlands materiaal? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals bekend zijn de Nederlandse defensie-uitgaven na het einde van de Koude Oorlog afgenomen. Dit heeft logischerwijs ook gevolgen gehad voor de Nederlandse defensie-industrie. Als gevolg van de veranderingen in de veiligheidssituatie nemen de defensie-uitgaven sinds enkele jaren weer toe. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om de vervangende onderzeeboten door Saab-Damen te laten leveren, vanwege het belang van de Nederlandse werkgelegenheid en het feit dat de Nederlandse en Zweedse maritieme industrie internationaal worden geprezen vanwege hun betrouwbaarheid en effectiviteit? Zo nee, waarom niet?
De behoefte aan vervanging van de Walrus-klasse onderzeeboten is beschreven in de A-brief van 17 juni 2016. Deze brief is met de Kamer besproken tijdens het algemeen overleg van 4 juli 2017 (Kamerstukken 34 225, nrs. 13 en 22). Ten behoeve van de onderzeebootvervanging heeft Defensie informatie ontvangen van vier geselecteerde buitenlandse werven, waaronder het Zweedse Saab Kockums dat voor de bouw van onderzeeboten een partnerschap is aangegaan met Damen. Zoals gemeld in de brief van 24 april jl. (Kamerstuk 34 225, nr. 23) zal de Kamer in de B-brief worden geïnformeerd over besluiten voor het vervolg van dit vervangingsproject, waaronder de verwervingsstrategie.
Kunt u bovenstaande vragen apart beantwoorden, ook indien samenhang bestaat tussen de vragen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het ontslag van de directeur van het Braziliaanse instituut dat versnelde ontbossing van Amazone aantoonde |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Braziliaanse president Bolsonaro de directeur van het National Space Research Institute (INPE), dat de versnelde ontbossing van het Amazonewoud aantoonde, daadwerkelijk ontslagen heeft?1 2 Wat vindt u ervan dat de Braziliaanse regering zich op deze wijze gericht heeft tegen de wetenschappelijke boodschapper van slecht nieuws?
President Bolsonaro lijkt, blijkens persberichten, druk te hebben uitgeoefend op de directeur van de overheidsorganisatie INPE die o.a. ontbossingscijfers bijhoudt. De verantwoordelijke Minister van wetenschap, technologie, innovatie en communicatie, Marcos Pontes, heeft Ricardo Galvão ontslagen als directeur van INPE. Voor zover dit ontslag verband zou houden met de publicatie van de ontbossingscijfers, zou dit een zorgwekkende ontwikkeling zijn, temeer omdat de Braziliaanse regering nog geen antwoord heeft gevonden op de toenemende illegale ontbossing.
Vindt u dit acceptabel gedrag van een handelspartner? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo ja, waarom?
Zoals in antwoord 1 aangegeven, zou het zorgwekkend zijn indien het ontslag van dhr. Galvão gemotiveerd zou zijn door de publicatie van onwelgevallige ontbossingscijfers. Het Kabinet blijft het bredere thema ontbossing aankaarten bij de Braziliaanse autoriteiten.
Bent u bereid uw steun uit te spreken voor de werknemers van het INPE die de straat op zijn gegaan om tegen het ontslag van hun directeur te protesteren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb begrip voor de reactie van de werknemers. Nederland spreekt Brazilië reeds consequent aan op het belang de Amazone te beschermen en zal dit blijven doen. Ik zie daarom geen aanleiding steun uit te spreken voor deze specifieke demonstratie.
Bent u bereid er bij de Europese Commissie op aan te dringen dat de EU zich aan de zijde van de werknemers van het INPE schaart? Zo nee, waarom niet? Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden zonder naar eerdere antwoorden te verwijzen?
Ook de EU spreekt Brazilië consequent aan op het belang de Amazone te beschermen. Het kabinet ziet er daarom geen aanleiding toe bij de Europese Commissie aan te dringen zich achter de INPE-werknemers te scharen.
De gevolgen van een harde Brexit voor de Nederlandse werkgelegenheid |
|
William Moorlag (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht waarin op basis van een rapport van de Universiteit van Leuven wordt gemeld dat een harde Brexit gepaard zal gaan met het verlies van 73.000 arbeidsplaatsen in Nederland?1
Ja.
Welke maatregelen heeft u tot nu toe genomen om negatieve gevolgen van een harde Brexit voor de Nederlandse werkgelegenheid op te vangen?
Zoals eerder met de Kamer gedeeld2, zullen de gevolgen van een no deal Brexit voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid aanzienlijk zijn. Elke vorm van Brexit is nadelig voor Nederland en dat geldt bovenal voor een no deal Brexit. Het kabinet is gelet hierop al in een zeer vroeg stadium begonnen met het treffen van voorbereidingen op verschillende Brexit-scenario’s, waaronder een no deal-scenario. Het kabinet heeft zich binnen de EU27 consequent ingezet en uitgesproken voor noodzakelijke Europese contingency-maatregelen, en heeft op nationaal niveau verschillende maatregelen genomen om de meest ingrijpende negatieve effecten van een eventuele no deal te mitigeren.3
Het kabinet heeft zich aanhoudend ingezet om belanghebbenden op te roepen zich zo goed mogelijk voor te bereiden op de verschillende Brexit-scenario’s. Er zijn diverse middelen ontwikkeld en ingezet, zoals het Brexitloket, de Brexit Impact Scan en de Brexit Vouchers, om bedrijven en instellingen te ondersteunen in hun voorbereidingen. Het UWV biedt informatie aan die specifiek op werknemers is gericht.4 De middelen voor ondernemers en de reguliere communicatiekanalen, zoals Brexitloket.nl (ondernemers) en rijksoverheid.nl/brexit (burgers), zijn ook richting de potentiële no deal datum van 31 oktober beschikbaar en worden waar nodig geactualiseerd. Het is echter ook van belang dat bedrijven, instellingen en burgers zich bewust blijven van de eigen verantwoordelijkheden om zich tijdig en zo goed mogelijk voor te bereiden; niet alle oplossingen kunnen van de overheid komen.
Overigens heeft Brexit niet uitsluitend negatieve gevolgen op de werkgelegenheid in Nederland. Zo is als gevolg van de verwachte Brexit het Europees Geneesmiddelen Agentschap (EMA) naar Amsterdam verhuisd. De vestiging van het EMA zorgt voor een belangrijke economische impuls door de 900 werknemers die daar werken en in Nederland wonen en leven. Ook de duizenden bezoeken aan het EMA van experts uit alle Europese windstreken dragen daaraan bij.5 Het EMA biedt daarnaast unieke kansen om de Life Science en Health-sector in Nederland op korte, middellange en langere termijn te versterken. Het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid en onderzoek zal een positief gevolg voor de werkgelegenheid hebben.
Biedt het genoemde onderzoek u nieuwe inzichten met betrekking tot de gevolgen van een harde Brexit voor de Nederlandse werkgelegenheid? Zo ja, welke inzichten zijn dat? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek van de Katholieke Universiteit (KU) Leuven gaat in op de economische effecten op korte termijn, waaronder werkgelegenheidseffecten, van Brexit in de EU27 en het Verenigd Koninkrijk (VK) op sectorniveau. Het onderzoek hanteert een definitie voor no deal6 Brexit waarbij wordt teruggevallen op WTO-tarieven en maakt een kwantitatieve schatting van de hoogte van non-tarifaire handelsbarrières. Volgens het onderzoek zouden 73.200 Nederlandse banen verloren gaan bij een Brexit waarbij wordt teruggevallen op WTO-tarieven in de handel met het VK.
Voor het kabinet zijn de cijfers van het CPB (2016) en het CBS (2019, zie ook Kamerstuk 23 987, nr. 358) leidend in de analyse van werkgelegenheidseffecten van Brexit. Het CPB berekende eerder dat een Brexit waarbij wordt teruggevallen op WTO-tarieven kan leiden tot een werkgelegenheidsdaling in Nederland van ongeveer 40.000 werkenden (0,5%) op de lange termijn in 2030. Daarnaast blijkt uit de recente handelscijfers van het CBS (Kamerstuk 23 987, nr. 358) dat 234.000 banen in 2017afhankelijk waren van de handel met het VK.
Waar het CPB een werkgelegenheidsschatting doet op de lange termijn, kan het onderzoek van de KU Leuven een aanvullend inzicht bieden in de mogelijke negatieve effecten van Brexit op de werkgelegenheid op de korte termijn. Er is echter een aantal belangrijke kanttekeningen te maken bij het onderzoek. De eerste is dat het onderzoek geen rekening houdt met de diversificatie van handelsstromen, voor en na een no deal Brexit. Zo kunnen bedrijven zich voorbereiden op een no deal Brexit door bijvoorbeeld hun handelsstromen te verplaatsen naar andere landen. Ook kunnen bedrijven na een no deal Brexit besluiten om hun handelsstromen alsnog te verplaatsen. Ten tweede baseert de studie zich op data uit 2014, zodat de economische effecten, inclusief het werkgelegenheidsverlies, minder actueel zijn. Tot slot neemt het onderzoek niet alle mogelijke effecten van een no deal Brexit mee, omdat deze moeilijk te meten zijn. Een voorbeeld van zo een effect is verminderde markttoegang van Nederlandse bedrijven tot de Britse markt, doordat zij aan andere regels moeten voldoen. Om deze redenen moet het verlies aan werkgelegenheid, zoals becijferd in het onderzoek van de KU Leuven, als schatting omgeven door onzekerheid worden gelezen.
Deelt u de opvatting dat het gewenst is dat Nederland extra voorbereidende maatregelen treft om de gevolgen van Brexit voor onze economie en werkgelegenheid te verzachten, nu het Verenigd Koninkrijk zo nadrukkelijk koerst op een harde Brexit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen staan u dan voor ogen?
Deelt u de opvatting dat aanvullend beleid en maatregelen nodig zijn om gedwongen ontslagen en het omvallen van bedrijven te voorkomen, in het bijzonder de bedrijven die in belangrijke mate afhankelijk zijn van hun afzetmarkt in het Verenigd Koninkrijk, zoals transportbedrijven, de glastuinbouw en visverwerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welk beleid en welke maatregelen?
Bent u bereid om met sociale partners in overleg te treden over het treffen van aanvullende sociale voorzieningen om faillissementen en gedwongen ontslagen zo veel mogelijk te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het instrument deeltijd-WW in te zetten voor werknemers en bedrijven die getroffen worden door de Brexit om de schokken van de Brexit op te vangen en zo veel mogelijk werkgelegenheid te behouden? Zo nee, waarom niet?
Ziet u mogelijkheden om het beleid van de regering van het Verenigd Koninkrijk te beïnvloeden, zodat haar beleid meer dan nu wordt gestoeld op rationele afwegingen en het belang van welvaart en werkgelegenheid van de mensen in de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk? Zo ja, welke mogelijkheden? Zo nee, waarom niet?
Hoe de regering van het VK haar beleid vormt is een binnenlandse aangelegenheid en het kabinet kan en zal zich daar niet in mengen. De Nederlandse overheid heeft wel op verschillende niveaus en bij verschillende gelegenheden gewezen op de verwachte grote economische impact van Brexit, waarbij ook benoemd is dat bij een no deal deze impact het grootst zal zijn. Zoals u welbekend betreurt maar respecteert het kabinet het besluit van het VK om de Europese Unie te verlaten, onder meer vanwege de negatieve economische gevolgen daarvan.
Onvoldoende draagvlak voor het verduurzamen van goud |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het wil niet vlotten met eerlijk goud in Nederland»1?
Ja
Herkent u de constatering van Stichting Max Havelaar dat er onvoldoende draagvlak bestaat onder de Nederlandse industrie en goudverwerkende bedrijven om gebruik te maken van het keurmerk fairtradegoud?
Ik heb vernomen dat de Stichting Max Havelaar in juni 2019 in een statement aan de partijen bij het goudconvenant het argument van onvoldoende draagvlak heeft gebruikt als reden om te stoppen met fairtrade goud in Nederland. Ik heb tevens vernomen dat er vanuit de sector teleurstelling is geuit dat het fairtrade goud niet meer zal worden geleverd.
Heeft u eerder contact gehad met de sector en Stichting Max Havelaar over genoemd uitblijvend draagvlak? Zo ja, wat kwam er uit deze contacten? Zo nee, waarom niet?
De Stichting Max Havelaar heeft in een eerder stadium geen contact met mij opgenomen over het ontbreken van draagvlak voor fairtrade goud in Nederland. Datzelfde geldt voor de sector zelf.
Welke rol speelden c.q. spelen de partijen binnen het goudconvenant bij het werken aan draagvlak voor het keurmerk? Kunt u daarbij ook expliciet ingaan op de rol die de overheid daarbij innam c.q. inneemt?
In het convenant zijn geen afspraken gemaakt over werken aan draagvlak voor of het gebruik van het fairtrade keurmerk in het bijzonder. In plaats daarvan zijn afspraken gemaakt over het toewerken naar een verantwoorde goudketen door middel van het toepassen van gepaste zorgvuldigheid (due diligence) op basis van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Als onderdeel van een verantwoorde bedrijfsvoering kan een bedrijf ervoor kiezen om fairtrade in te kopen. Een bedrijf kan echter ook zonder gebruik te maken van een fairtrade keurmerk gepaste zorgvuldigheid uitvoeren en het inkopen van producten met een duurzaamheidskeurmerk ontslaat bedrijven niet van de verantwoordelijkheid om gepaste zorgvuldigheid toe te passen.
De keuze van Stichting Max Havelaar verandert op zichzelf niets aan de inzet van de partijen om de doelstellingen van dit convenant te behalen. De Nederlandse overheid heeft de verantwoordelijkheid bedrijven te stimuleren internationaal maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Dit doet de overheid in de goudsector middels het convenant, via het European Partnership for Responsible Minerals, en met partners als Solidaridad en de Internationale Arbeidsorganisatie.
Verandert de keuze van Stichting Max Havelaar iets aan de inzet van partijen binnen genoemd convenant?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is in uw ogen het belang van betreffend keurmerk, en wat zijn de te verwachten consequenties van het verdwijnen van dit keurmerk voor de verduurzaming van goud en de rol die Nederland daarin speelt?
Het keurmerk fairtrade goud geeft de garantie dat het goud uit gecertificeerde, kleinschalige mijnen komt. Mijnwerkers in deze mijnen krijgen een premium prijs voor hun goud en worden gehouden aan strenge standaarden voor werkomstandigheden, veiligheid, gebruik van chemicaliën, arbeidsrechten en milieubescherming. Fairtrade goud inkopen is een van de manieren waarop een bedrijf verantwoorde goudproductie kan stimuleren. Een initiatief als fairtrade maakt dit mogelijk en dat juich ik toe.
Met het verdwijnen van dit keurmerk op de Nederlandse markt stopt een van de manieren waarop Nederlandse bedrijven kunnen bijdragen aan de vraag naar verantwoord geproduceerd goud. Dat betreur ik ten zeerste. Ook zonder dit keurmerk behoren en kunnen bedrijven in de goudsector evenwel gepaste zorgvuldigheid toepassen om verantwoorde productie van goud te stimuleren, zoals bedrijven bij het convenant doen. Ook wordt per 1 januari 2021 door de EU Conflictmineralenverordening het toepassen van gepaste zorgvuldigheid verplicht gesteld voor importeurs die goud op de Europese markt brengen.
Bent u bereid om u uit te spreken over de terughoudendheid van de Nederlandse goud(verwerkende)sector? Zo ja, bent u bereid dit zowel bilateraal als publiekelijk te doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd was fairtrade goud inkopen een van de manieren waarop bedrijven kunnen bijdragen aan een verantwoorde goudketen. Ondanks de constatering van Stichting Max Havelaar dat er te weinig draagvlak bestaat voor een keurmerk onder de Nederlandse industrie en goudverwerkende bedrijven, geeft de sector aan het verdwijnen van deze optie van de Nederlandse markt te betreuren. Daarom zal ik de stuurgroep van het goudconvenant vragen hierover in gesprek te gaan met Stichting Max Havelaar.
Het bericht ‘Opvangkampen op Samos een hel: dit niet eerder gezien’ |
|
Maarten Groothuizen (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Opvangkampen op Samos een hel: «dit niet eerder gezien»»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er 2000 migranten in het vluchtelingenkamp op Samos verblijven, terwijl daar maar plek is voor 650 migranten en dat er daarnaast ook nog eens 2500 migranten in geïmproviseerde tentenkampen naast het officiële kamp verblijven? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Op dit moment zijn er ruim 4.000 vluchtelingen en migranten op het Griekse eiland Samos. Omdat de officiële capaciteit van de hotspot 650 personen is, is een deel van de vluchtelingen en migranten genoodzaakt in tenten in en rondom het kamp te verblijven. Zoals bekend deelt het kabinet de zorgen van uw Kamer over de situatie op de Griekse eilanden, met inbegrip van die op Samos.
Het kabinet onderstreept eens temeer de dringende noodzaak om de asielprocedures en de terugkeer te verbeteren. Dat is de sleutel tot structurele verbeteringen. Nederland dringt daar voortdurend op aan, op ambtelijk en politiek niveau, bilateraal en in EU-verband.
Griekenland dient daar zelf verantwoordelijkheid voor te nemen. In dat licht verwelkomt het kabinet de prioriteiten van de nieuwe Griekse regering op het terrein van migratie, waaronder het verbeteren van de opvang, het versnellen van asielprocedures, het versterken van grensbewaking en het opschalen van terugkeer. Het opzetten van een nieuwe hotspot op Samos – wat al door de vorige regering in gang was gezet – behoort ook tot die prioriteiten.
Nederland ondersteunt de Griekse autoriteiten bij het doorvoeren van structurele verbeteringen, bijvoorbeeld door het delen van kennis, expertise en ervaring. Minister-President Rutte heeft dit ook in zijn recente gesprek met zijn Griekse counterpart op 3 september jl. nogmaals benadrukt. Over de voortgang van deze steun wordt uw Kamer separaat geïnformeerd.
Kunt u bevestigen dat er geen elektriciteit, stromend water of WC’s aanwezig zijn in de kampen? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Op Samos is in 2016 met Europese financiële steun een riool en watertoevoernetwerk gebouwd in de hotspot. Er zijn elektriciteit, stromend water en wc’s aanwezig, maar deze voorzieningen zijn niet toereikend voor de huidige bezetting. In het geïmproviseerde tentenkamp ontbreken deze voorzieningen helaas geheel.
Hoe staat het met de medische voorzieningen op Samos? In hoeverre is er voldoende medische hulp beschikbaar?
Klopt het dat mensen die nu aankomen in de opvangkampen op Samos, pas in 2021 of zelfs in 2022 hun eerste asielintake kunnen krijgen? Zo nee, wat zijn dan de huidige wachttijden? Zo ja, deelt u de menig dat dit veel te lang is, alleen maar bijdraagt aan de al bestaande gevoelens van onzekerheid en uitzichtloosheid en dat deze wachttijden zo snel als mogelijk moeten worden teruggebracht? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid hierover het gesprek met uw Europese collega’s aan te gaan en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Zie ook het antwoord op vraag 1
De wachttijden op Samos zijn in vergelijking tot die in andere lidstaten lang. Asielzoekers met bepaalde nationaliteiten moeten inderdaad wachten tot 2021 voor hun eerste interview. Dat is een onwenselijke situatie die het gevoel van uitzichtloosheid en onzekerheid onder asielzoekers kan versterken.
Zoals hierboven gemeld, verwelkomt het kabinet het voornemen van de nieuwe Griekse regering om prioriteit te geven aan het versnellen van asielprocedures. Op verzoek van de Griekse autoriteiten heeft Nederland informatie gedeeld over het Nederlandse juridische kader en de wijze waarop procedures zijn ingericht. In aanvulling daarop hebben de afgelopen maanden diverse bezoeken en gesprekken plaatsgevonden tussen Nederlandse en Griekse experts van de asiel-, opvang- en terugkeerdiensten.
Nederland brengt bilateraal en in EU-overleggen zeer geregeld de situatie op de Griekse eilanden onder de aandacht. Waar opportuun gebeurt dit ook in contacten met VN-organisaties. Nederland blijft dit doen, maar het is nu vooral zaak dat de nieuwe Griekse regering de aangekondigde maatregelen uitvoert. In lijn met het kabinetsbeleid staat Nederland klaar om Griekenland daarin, zonodig, additioneel te ondersteunen om te zorgen dat structurele verbeteringen worden doorgevoerd. Zoals hierboven gesteld, richt zich dit op de inzet van experts.
Hoe verklaart u de slechte omstandigheden in de vluchtelingenkampen op de Griekse eilanden, gelet op de ruime financiële middelen die de Europese Unie ter beschikking stelt? Wat doet de Europese Commissie teneinde de situatie op Samos te verbeteren?
Om de situatie in Griekenland te verbeteren hebben de Europese Unie en haar lidstaten, financiële middelen en capaciteit beschikbaar gesteld. Sinds 2015 is circa 2,1 miljard euro beschikbaar gesteld vanuit de Europese Commissie.2 Ook Nederland heeft in de periode 2015–2016 financiële steun geboden.
Een deel van deze middelen wordt onvoldoende benut. Nederland levert daarom al enige tijd een fondsenexpert aan de Griekse autoriteiten om deze bij de uitputting van middelen te ondersteunen. Ook de Europese Commissie probeert waar mogelijk de gerichte besteding van deze middelen te bevorderen. Zo wordt het nieuw te bouwen kamp op Samos gefinancierd met EU gelden. Voorts dringt de Commissie doorlopend bij de Griekse autoriteiten aan op het verbeteren van de werkprocessen tussen de verschillende Griekse organisaties die werkzaam zijn in de centra, waaronder op Samos. Daarvoor stelt de Commissie aanzienlijke financiële middelen ter beschikking, als ook operationele ondersteuning. Het is aan de Griekse autoriteiten om middelen en andere vormen van assistentie te benutten en nu de juiste stappen te zetten. De nieuwe Griekse regering heeft reeds aangekondigd hier serieus werk van te willen maken.
In hoeverre ziet u een mogelijkheid NGO’s die actief zijn op de Griekse eilanden te ondersteunen teneinde de situatie in de opvangkampen te verbeteren, zoals bepleit in de aangenomen motie van het lid Voordewind?2
Zoals meermaals met uw Kamer gewisseld, gaat het niet om een gebrek aan financiële middelen en stelt het kabinet derhalve geen extra middelen beschikbaar om ngo’s financieel te ondersteunen op de Griekse eilanden (zie ook het antwoord op vraag 6). Vanuit Europese middelen worden ook activiteiten van ngo’s gefinancierd. Een aantal voorbeelden daarvan is ook terug te vinden in de factsheets van de Europese Commissie.4
Het kabinet erkent dat hulporganisaties, waaronder ngo’s, een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van opvangomstandigheden. De Nederlandse ambassade bevordert dan ook de samenwerking van ngo’s met de Griekse autoriteiten. Dit neemt echter niet weg dat de Griekse autoriteiten zelf de verantwoordelijkheid hebben om basisvoorzieningen op orde te hebben en te zorgen voor humane opvang van asielzoekers. Uit verklaringen van de nieuwe Griekse regering blijkt ook dat dit als een van de prioriteiten is gesteld. Het kabinet staat klaar om de Griekse regering daarbij te ondersteunen.
Het door de Chinese autoriteiten oppakken van activist(en) die zich onder meer inzetten voor hiv-/aidspatiënten |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Isabelle Diks (GL), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Police From China's Hunan Detain Three NGO Workers For Subversion»?1
Ja.
Bent u bereid zich, al dan niet in internationaal verband en in samenwerking met het Joint United Nations Programme on HIV/AIDS (UNAIDS), in te spannen om de aard van de aanklacht tegen Cheng Yuan boven tafel te krijgen en na te gaan of hier sprake is van een eerlijk proces?
De Nederlandse ambassade in Peking volgt de ontwikkelingen nauwgezet en bespreekt de zaak lokaal in EU-verband. De bilaterale mensenrechtendialoog met China, zowel die van de EU als die van Nederland, biedt een platform om zorgen over de arrestaties van Cheng Yuan, Liu Yongze en Xiao Wu over te brengen aan de Chinese autoriteiten.
Kunt u inzicht geven in hoe de aanklacht op grond waarvan Cheng Yuan is opgepakt, zich verhoudt tot het werk van de non-profit organisatie (hierna, ngo) Changsha Funeng waarvoor hij werkzaam is?
Volgens berichtgeving van Radio Free Asia zijn drie medewerkers van de ngo Changsha Funeng opgepakt. Het gaat om Cheng Yuan, Liu Yongze en Xiao Wu. Zij zouden worden verdacht van ondermijning van de staatsmacht, een aanklacht die de afgelopen jaren vaker door de Chinese autoriteiten is gebruikt tegen activisten die misstanden aan de kaak probeerden te stellen. Yang Zhanqing, de medeoprichter van Changsha Funeng, geeft aan dat het kantoor in Changsha de werkzaamheden heeft moeten staken.
Wat zijn de acute consequenties voor het werk van genoemde ngo? Klopt het dat collega’s van Cheng Yuan het werk onder druk van de Chinese overheid ook neer hebben moeten leggen? Zijn zij eveneens opgepakt en zo ja, hoe luiden de aanklachten tegen hen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt deze casus zich in uw ogen tot het huidige Chinese voorzitterschap van de Programme Coordination Board van UNAIDS?
De huidige Chinese voorzitter van de UNAIDS Programme Coordination Board vervult het voorzitterschap op correcte wijze. Ngo’s zijn onderdeel van de UNAIDS Programma Coordination Board vanwege hun belangrijke bijdrage aan de HIV/AIDS respons. Helaas staan ngo’s in veel landen, waaronder China, ernstig onder druk. Het kabinet blijft met gelijkgezinde VN-donoren aandacht vragen voor het belang van een inclusief maatschappelijk middenveld en de waarde van de bijdrage van ngo’s aan beleidsvorming. Ook zal het kabinet erop blijven toezien dat de invloed van ngo’s in VN-organisaties als UNAIDS geborgd blijft. Zorgen over individuele gevallen, zoals de arrestatie van Cheng Yuan, Liu Yongze en Xiao Wu, worden via de bilaterale mensenrechtendialoog overgebracht of in vergaderingen van de VN-Mensenrechtenraad aan de orde gesteld.
Deelt u de mening dat het niet ophelderen van de redenen waarom Cheng Yuan en zijn collega’s worden gedwarsboomd door de Chinese overheid, de geloofwaardigheid van China in hierboven genoemde voorzittersrol ondermijnt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘All-points alert out for “most dangerous Portuguese terrorist of them all’ |
|
Machiel de Graaf (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Welke rol speelt de Nederlandse regering en welke rol spelen Nederlandse diplomaten aangaande Angela Barreto, die de Nederlandse nationaliteit bezit?
Nederland verleent geen steun aan Nederlandse uitreizigers om Syrië te verlaten. Indien personen zich bij een diplomatieke vertegenwoordiging in de regio melden, kan er consulaire bijstand worden verleend. Verder gaat het kabinet niet in op individuele zaken.
Deelt u de mening dat Angela Barreto door haar keuze voor het IS-kalifaat haar rechten, ooit nog in Nederland te komen, heeft verspeeld?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee doet het kabinet over individuele zaken geen uitspraken. Wel geldt in het algemeen dat een Nederlandse staatsburger niet de toegang tot Nederland geweigerd kan worden.
In de regel geldt dat op grond van artikel 14 lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van een persoon indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door de Minister van Justitie en Veiligheid is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Daarvoor moet onder meer vaststaan dat de betrokkene de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en zich buiten het Koninkrijk bevindt. De intrekking mag niet tot staatloosheid leiden.
Bent u bereid alles in het werk te stellen deze gevaarlijke terroriste voor altijd buiten Nederland te houden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid druk uit te oefenen op de Portugese regering, Angela Barreto nooit toe te laten tot Portugal en daarmee de Schengenzone, om zo de kans te verkleinen dat zij ooit naar Nederland komt? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft geen jurisdictie over beslissingen van andere (Schengen-) landen inzake het staatsburgerschap en de daarbij behorende rechten.
Het corruptieschandaal bij de UNRWA |
|
Danai van Weerdenburg (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ethics report accuses UNRWA leadership of abuse of power», waarin de laatste schokkende feiten rond United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) worden toegelicht?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de inhoud van het interne rapport van de ethische VN-commissie van UNRWA over ernstige integriteitsschendingen door (de top van) UNRWA, waaronder machtsmisbruik, corruptie, cliëntelisme en het onderdrukken van afwijkende meningen binnen de organisatie?
Ik wacht het oordeel van de onafhankelijke inspectie van de Verenigde Naties in New York af (United Nations Office of Internal Oversight Services- OIOS). Daaruit zal moeten blijken in hoeverre de bevindingen uit het interne rapport van de ethische commissie van UNRWA kloppen. Nederland heeft meermaals bij OIOS en bij het kantoor van de Secretaris-Generaal van de VN aangedrongen op een zorgvuldig onderzoek en op spoedige publicatie.
Hoe beoordeelt u de vermeende financiële problemen bij UNRWA, nu blijkt dat de top van UNRWA geld heeft gebruikt voor «excessieve reizen»?
Ik wacht het oordeel van OIOS af of er sprake is van excessieve reizen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te doen toekomen omtrent hoeveel Nederlands belastinggeld met de frauduleuze activiteiten van UNWRA is verspild? Bent u bereid eventuele Nederlandse bijdragen per direct te stoppen en reeds overgemaakte gelden terug te vorderen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van fraude, malversatie of onregelmatigheden in uitvoering van de kerntaken van UNRWA.
Herinnert u zich dat de Amerikaanse president Trump vorig jaar besloot om zijn steun voor UNRWA stop te zetten, dat U toen versneld geld overmaakte naar UNRWA en daar later zes miljoen euro extra bij deed? Bent u op de hoogte dat inmiddels ook Zwitserland de betalingen aan UNRWA heeft stopgezet? Ziet u nu, in het licht van de laatste berichten, eindelijk in dat de handelwijze van president Trump de enige juiste was en bent u bereid die te volgen? Zo nee waarom niet?
Nederland wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek van OIOS en heeft besloten de bijdrage aan UNRWA vooralsnog aan te houden totdat de VN opheldering geeft over de beschuldigingen en adequaat optreedt. Andere EU-lidstaten vragen dezelfde openheid en optreden van de VN. De meesten hebben reeds hun reguliere bijdrage overgemaakt. Verder lijken zij vooralsnog niet het Nederlandse voorbeeld te volgen om de bijdrage aan te houden, in het belang van stabiliteit in de regio. Zwitserland en België hebben besloten een additionele bijdrage voor UNRWA aan te houden, maar hebben de reguliere bijdrage reeds betaald.
Zoals eerder met uw Kamer gecommuniceerd, betreurt het kabinet de destijds eenzijdig genomen beslissing van de Verenigde Staten om de bijdrage aan UNRWA stop te zetten. De organisatie is van essentieel belang voor opvang in de regio door het verlenen van basisvoorzieningen aan ruim 5 miljoen Palestijnse vluchtelingen. Korten op het budget van UNRWA zou kunnen leiden tot verdere spanningen en instabiliteit in de regio. Het is van essentieel belang dat deze hulpverlening kan worden voortgezet, ook met steun van Nederland. Dit geldt ook voor Jordanië en Libanon, die beiden grote hoeveelheden Palestijnse vluchtelingen opvangen, ook uit Syrië. Het kabinet verwijst verder naar de antwoorden op Kamervragen met kenmerk 2018Z01121 d.d. 1 februari 2018 over dit onderwerp.
De jaarlijkse algemene vrijwillige bijdrage aan UNRWA die in de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is opgenomen bedraagt 13 miljoen euro. Dit was ook het geval voor 2018 en is in de begrotingsbehandeling besproken. Zoals gebruikelijk beoordeelt het kabinet aan het einde van het jaar binnen de bestaande afspraken over humanitaire hulp welke aanvullende Nederlandse bijdragen op basis van het humanitair imperatief wenselijk zijn.
Bij de beantwoording van de feitelijke vragen inzake HGIS-nota 2019 (BZDOC-1235421577-13) heb ik u bijgaand overzicht verstuurd van de bestedingen aan UNRWA de afgelopen 10 jaar.
21.148.283
20.108.287
21.021.394
19.142.857
15.598.089
17.502.000
19.000.000
18.503.585
19.000.000
19.000.000
Afgelopen week heeft de Secretaris-Generaal van de VN nogmaals benadrukt hoe belangrijk het werk van UNRWA is voor Palestijnse vluchtelingen. Hij riep lidstaten en partners op gecommitteerd te blijven aan de organisatie, zodat deze het belangrijke werk en de dienstverlening aan vluchtelingen kan voorzetten. Gezien het humanitaire belang van UNRWA-activiteiten is het kabinet voornemens deze jaarlijkse bijdrage ook de komende jaren voort te zetten. Het kabinet zal uw Kamer daarover op de gebruikelijke wijze informeren.
Bent u het eens dat UNRWA geen toekomstperspectief biedt, maar in plaats daarvan generaties van Palestijnse Arabieren afhankelijk maakt en houdt van donaties die – naar nu eens te meer blijkt – niet zelden in de zakken van corrupte UNRWA-medewerkers en partnerorganisaties verdwijnen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid alle financiële steun van Nederland aan UNRWA onmiddellijk en definitief stop te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De zorgelijke situatie van Aramese christenen in zuidoost Turkije |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de brief van de Aramese Beweging voor Mensenrechten over de alarmerende situatie van Aramese christenen in zuidoost Turkije?1
Ja.
Wat is uw reactie op de in de brief genoemde brandstichting op drie plaatsen waar Aramese christenen wonen?
De ambassade in Ankara onderhoudt nauw contact met de Aramese gemeenschap en NGO’s die zich bezighouden met de rechten van minderheden in Turkije. Ook over deze branden is al contact geweest tussen een vertegenwoordiger van de ambassade in Ankara enerzijds en de Aramese gemeenschap en de lokale Turkse autoriteiten anderzijds. Bovendien is dit onderwerp door de ambassadeur op hoog niveau onder de aandacht gebracht van het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Uit contacten met de Turkse overheid en de Aramese gemeenschap blijkt dat sprake is van verschillende branden die kort na elkaar plaatsvonden en voor zover mogelijk door de Turkse brandweer zijn geblust. Bij de Turkse autoriteiten is aangifte gedaan van brandstichting.
Is uw indruk dat de Turkse autoriteiten minderheden in het land onvoldoende in bescherming nemen? Zo nee, waarom niet?
Het is nu aan de Turkse autoriteiten om de genoemde branden te onderzoeken. In het algemeen blijven de rechten en positie van christelijke minderheden in Turkije een zorgpunt. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een prioriteit van het Nederlandse buitenlandse mensenrechtenbeleid, waarvoor Nederland zich zowel bilateraal als via de diverse multilaterale fora blijft inzetten. Nederland zal Turkije als lidstaat van de Raad van Europa en kandidaat-lidstaat van de Europese Unie dan ook blijven aanspreken op de internationaalrechtelijke verplichtingen die het land is aangegaan ten aanzien van de bescherming van deze minderheden, zoals ook verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Een positieve ontwikkeling in dit verband is de legging van de eerste steen van de eerste nieuw te bouwen Syrisch-Orthodoxe kerk in Turkije in de periode van de Republiek, op 3 augustus jl. door president Erdogan en de Syrisch-Orthodoxe aartsbisschop van Istanbul.
Bent u bereid in uw contacten met Turkije onderzoek te bepleiten naar deze brandstichtingen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassadeur heeft deze specifieke situatie reeds op hoog niveau besproken met het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hierbij zijn ook de Nederlandse zorgen duidelijk voor het voetlicht gebracht.
De inzet van Defensie in het ruimtevaartdomein |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de podcast «De aanstaande ruimteoorlog» van BNR De Wereld?1
Defensie is bekend met genoemde uitzending en onderkent het strategisch belang van de ruimte.
Welke rol ziet de NAVO voor zichzelf weggelegd als het de ruimte betreft, in het bijzonder tegen de achtergrond van de eerdere berichten over het mogelijk aanmerken van het ruimtedomein als militair domein?2
De NAVO-ministers van Defensie hebben op 27 juni jl. het overkoepelende NAVO-ruimtebeleid goedgekeurd, met een aantal beleidsuitgangspunten. Het beleid onderschrijft het belang van ruimtecapaciteiten en van onderzoek naar de effecten die ontwikkelingen in de ruimte kunnen hebben op de veiligheid van het bondgenootschappelijk verdragsgebied en hoe daarop voorbereid te zijn. Het ruimtebeleid beschrijft een aantal rollen die de NAVO in de ruimte kan spelen, waaronder de ondersteuning van NAVO-operaties, missies en andere activiteiten door ruimtecapaciteiten van individuele NAVO-landen. In december praten de NAVO-staatshoofden en regeringsleiders tijdens hun bijeenkomst in Londen verder over ruimte gerelateerde thema’s, waaronder de implicaties van een eventuele erkenning van de ruimte als een operationeel NAVO-domein (naast land, lucht, zee en cyber).
Hebt u kennisgenomen van de uitspraken van de Franse president over de militarisering van de ruimte?3 Deelt u zijn analyse dat het ruimtedomein ook een militair domein is en dat een sterkere Europese, dan wel westerse, inspanning nodig is?
Er bestaat brede overeenstemming, zoals de goedkeuring van het overkoepelende ruimtebeleid van de NAVO onderstreept, over het toegenomen militair belang van het ruimtedomein. Eind dit jaar wordt in NAVO-verband, zoals hierboven uiteengezet, tijdens de NAVO-top gesproken over de eventuele erkenning van de ruimte als operationeel NAVO-domein. De uitspraken van president Macron staan dus niet op zichzelf.
Defensie onderkent het militair belang van de ruimte en ruimtecapaciteiten. In dat kader wordt geïnvesteerd in kennisopbouw bij NLR en TNO en technologieontwikkeling met voornoemde instituten en bedrijven. Daarmee is ca. 6 mln. per jaar gemoeid, alsmede middelen van de begroting van EZK. Voorbeelden in dezen zijn Space Situational Awareness (TNO) en Cube Sats (NLR). Verder is in het kader van het thema veiligheid van het missie gedreven innovatiebeleid van EZK in overleg met kennisinstellingen en industrie een missie «space» geformuleerd. Deze missie wordt onder leiding van topsector High Tech Systemen & Materialen (HTSM) nader uitgewerkt in het kader van de Kennis- en Innovatie Agenda (KIA) Veiligheid. De Defensie Industrie Strategie (DIS) verdient eveneens vermelding. Daarin worden «space» en satellieten als aandachtsgebied genoemd. Mede tegen deze achtergrond is Defensie als vakdepartement betrokken geweest bij de opstelling van de recent naar de Kamer verstuurde Nota Ruimtevaart van EZK. Ten slotte werkt Defensie in het kader van de herijking van de Defensienota aan een defensie space strategie.
Hoe belangrijk vindt u het dat binnen de NAVO niet alleen de VS, maar ook de Europese NAVO-landen in staat zijn om geloofwaardig af te schrikken in de ruimte?
Nederland heeft hierover nog geen standpunt ingenomen; het gaat om een complex onderwerp. Nederland heeft wel ingestemd met het NAVO-ruimtebeleid. Daarin wordt de ruimte gezien als integraal onderdeel van de afschrikkings- en verdedigingsstrategie van het Bondgenootschap: «space is essential to a coherent Alliance deterrence & defence posture».
Hoeveel investeert u in 2019 in (militaire) ruimtecapaciteiten? Welke andere ministeries en kennisinstellingen worden hierbij betrokken, en hoe worden zij betrokken? Welk onderzoek verrichten bijvoorbeeld het NLR en TNO in opdracht van het ministerie?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u op dit moment de Nederlandse «space situational awareness» van potentiële dreigingen?
Defensie beschikt niet over ruimtecapaciteiten ten behoeve van «space situational awareness», maar is zich bewust van potentiële dreigingen in de ruimte. Deze dreiging is reëel en actueel. Recent voorbeeld in dezen is een Russische satelliet die te dicht in de buurt kwam van twee satellieten die onder toezicht staan van het Agentschap Telecom.
Deelt u de zorgen van luitenant-kolonel Bolder over de (relatief beperkte) Nederlandse betrokkenheid bij samenwerkingsprojecten rondom het ruimtevaartdomein en het achterlopen van Nederland op het gebied van informatie via satellieten?4
Nee, die zorg delen we niet. Nederland en Noorwegen werken nauw samen bij de opbouw van defensie-specifieke kennis over het gebruik van satellieten en de lancering daarvan. Daarbij wordt een beroep gedaan op Nederlandse en Noorse kennisinstellingen (NLR, TNO en Forsvarets forskningsinstitutt (FFI)). Deze samenwerking is internationaal gezien bijzonder omdat zij berust op de uitgangspunten continuïteit en complementariteit. Vooralsnog voorziet de samenwerking in de daaraan gekoppelde kennisbehoefte van Defensie. Samenwerking met andere landen wordt niet uitgesloten, als ontwikkelingen daartoe nopen.
Klopt het dat Nederland ten aanzien van het ruimtedomein veel met Noorwegen optrekt en samenwerkt?5 Zo ja, hoe ziet deze samenwerking eruit? Wat maakt deze samenwerking zo bijzonder? Ziet u noodzaak om met meer landen bilateraal of multilateraal samen te werken teneinde meer in het ruimtedomein te bereiken?
Zie antwoord vraag 7.
Is er een Nederlandse ruimtestrategie die specifiek over het militaire domein of de defensie-inspanningen gaat? Zo nee, is het gezien het belang van het ruimtedomein en teneinde te voorkomen dat we in het ruimtedomein afhankelijk blijven van andere landen niet logisch om een strategie aan de Nederlandse inzet ten grondslag te hebben liggen?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft uw ministerie een beeld van de investeringen in militaire ruimtevaart door landen als China, Rusland en India? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken welke (militaire) investeringen deze landen doen in de ruimtevaart? Kunt u deze inspanningen vergelijken met die van de VS en de EU?
China en Rusland investeren aanzienlijk in hun militaire en dual use ruimtevaartprogramma’s. Beide krijgsmachten investeren in nieuwe satellieten en in onderzoek en ontwikkeling van gerelateerde technologieën. De focus ligt op satellieten voor inlichtingenvergaring, observaties, verkenningen, ballistic missile early warning, navigatie en communicatie. De Chinese en Russische krijgsmachten maken naast de militaire satellieten ook gebruik van dual use satellieten voor bijvoorbeeld communicatie, inlichtingenvergaring en observatie. China en de Russische Federatie, en op kleinere schaal India, ontwikkelen offensive counterspace capaciteiten zoals antisatellietwapens om satellieten te kunnen verstoren, te neutraliseren of te vernietigen.
Rusland, China en de Verenigde Staten hebben de grootste militaire satellietprogramma’s van de wereld. Vooral het aantal Chinese (militaire) satellieten is de afgelopen jaren gegroeid. De schaal van de (militaire) programma’s in India is aanzienlijk kleiner. Naast investeringen in satellieten, richten China en de Rusland zich ook lanceervoertuigen om zwaardere (militaire) ruimtevaartuigen en satellieten in een omloopbaan om de aarde te kunnen brengen. China ontwikkelt daarnaast ook lanceervoertuigen om flexibeler satellieten te kunnen lanceren. China en Rusland anticiperen verder op westerse ontwikkelingen op het terrein van lange afstand wapens en sensoren in de ruimte. Beide landen ontwikkelen wapens om deze capaciteiten tijdelijk of permanent uit te kunnen schakelen.
De inspanningen van landen zijn niet eenvoudig te vergelijken. Er is sprake van een diffuse scheiding tussen civiel en militair, met projecten met een «dual use» karakter verspreid over verschillende budgetten. Recente OESO-cijfers wijzen evenwel uit dat de Verenigde Staten civiel en militair de meeste investeringen doen in het ruimtedomein, op grote afstand gevolgd door China, Rusland, Frankrijk, Japan, en Duitsland. De Verenigde Staten en de EU laten zich niet natuurlijk rechtstreeks vergelijken. De EU-lidstaten hebben hun «space»-activiteiten deels ondergebracht in het civiele European Space Agency (ESA), dat wetenschap en industrie stimuleert en omvangrijke programma’s als COPERNICUS en GALILEO onder zijn hoede heeft. Dat laat het bovengenoemde totaalbeeld ongewijzigd, met als kanttekening dat de EU-lidstaten met ESA beschikken over een substantieel, gezamenlijk «space» instrument.
Klopt het dat Defensie in 2030 over een «operationeel inzetbare ruimtecapaciteit» wil kunnen beschikken?6 Kunt u toelichten of deze doelstelling nog haalbaar is?
De Luchtmacht werkt aan de ontwikkeling van de Brik-II, de eerste Nederlandse militaire satelliet. Het betreft een experimentele missie, waarmee de Luchtmacht ervaring opdoet met het gehele traject van behoeftestelling en ontwikkeling tot het uiteindelijk opereren van een dergelijke capaciteit. In de komende maanden wordt gewerkt aan integratietesten van de verschillende «payloads» in de satelliet. Naar verwachting zullen de verschillende onderdelen van de satelliet in december worden samengevoegd. Het moment van lanceren wordt in sterke mate bepaald door de beschikbaarheid van een plaats aan boord van een draagraket. Als alles verloopt zoals gepland dan zal de Brik-II voorjaar 2020 worden gelanceerd. Verder beschikt Nederland over een «space» industrie met een omzet van ca. € 140 miljoen per jaar en met een sterke positie op het gebied van lasercommunicatie, kleine satellieten en radar- en sensortechnologie. Het nationale innovatiebeleid is er op gericht om deze technologieën verder te ontwikkelen. Tegen deze achtergrond heeft Defensie de door u aangehaalde doelstelling als stip op de horizon gezet in de recent naar de Kamer verzonden Nota Ruimtevaartbeleid 2019 van EZK.
Waar staat u met de oprichting en uitwerking van het Defensie Space Security Centre? Wanneer is dit centrum operationeel?
De Luchtmacht heeft in 2015 een Space Security Center (SSC) opgericht. Met dit SSC is een begin gemaakt met het opbouwen van capaciteit en expertise ten behoeve van het ruimtedomein. Daarnaast is gestart met het onderzoeken van de mogelijkheden, de afhankelijkheden en de kwetsbaarheden van gebruik van de ruimte binnen militaire operaties. Recent is besloten om het SSC om te vormen tot Defensie Space Security Centre (DSSC). Dat is gebeurd om het defensiebrede belang bij de ruimte te onderstrepen. Het DSSC is nog in oprichting en wordt gefinancierd binnen de begroting van de Luchtmacht. Er werken acht personen, inclusief een liaison officier bij het German Space Situational Awareness Center (GSSAC).
Herinnert u zich het bericht «Luchtmacht gaat de ruimte in»?7 Zo ja, kunt u zich de daarin uitgesproken ambitie herinneren om in het tweede kwartaal van 2019 de eerste Luchtmachtsatelliet de ruimte in te sturen? Wat is de laatste stand van zaken hieromtrent?
Zie antwoord vraag 11.
Een mogelijke nieuwe illegale militaire interventie door Turkije in het noorden van Syrië |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Turkey’s Threat to Push Further Into Syria» en «Turkey has «no patience left» with U.S. on Syria safe zone»?1
Ja.
Ziet u ook dat Turkije opnieuw voorbereidingen treft voor en dat het stappen zet richting een illegale militaire interventie in het noorden van Syrië? Zo nee, wat is dan uw inschatting?
Het Turkse leger heeft al enkele maanden troepen aan de Syrische grens geconcentreerd. Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat Turkije concrete voorbereidingen treft voor een offensief. Turkije is nog altijd in gesprek met de VS over het instellen van een veilige zone aan de Turks-Syrische grens. Hiertoe is inmiddels de eerste concrete stap gezet in de vorm van de oprichting van een Turks-Amerikaans Joint Operation Center in de Turkse stad Şanlıurfa.
Op voorhand valt geen uitspraak te doen over de rechtmatigheid van mogelijk optreden. Zoals bekend is het kabinet van mening dat Turkije zich moet onthouden van acties die de strijd tegen ISIS ondermijnen of de toch al complexe politieke situatie verder zouden verslechteren.
Hoe beoordeelt u de uitlatingen van de Turkse Minister van Buitenlandse Zaken dat Turkije mogelijk overgaat tot een militaire operatie ten oosten van de rivier de Eufraat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de grote zorgen hierover, omdat zo’n interventie illegaal is, het mogelijk zal leiden tot vele doden, gewonden en vluchtelingen, het afleidt van de strijd tegen Islamitische Staat en het een politieke oplossing van de oorlog in Syrië alleen maar verder uit beeld brengt? Zo nee, waarom niet? Kunt u op alle punten afzonderlijk reageren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid contact op te nemen met uw Turkse ambtsgenoot om ervoor te pleiten dat Turkije niet overgaat tot een nieuwe illegale militaire interventie in Syrië? Zo nee, waarom niet?
Het Nederlandse standpunt over de situatie in Syrië is door mij met Minister Cavusoglu besproken tijdens zijn bezoek aan Nederland op 11 april jl. De situatie in Syrië, waaronder het Turks-Syrisch grensgebied, blijft een belangrijk gespreksonderwerp in bilaterale contacten tussen Nederland en Turkije.
Bent u bereid in EU- en NAVO-verband te pleiten voor sancties tegen Turkije als het noorden van Syrië opnieuw binnen wordt gevallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven gemeld, is Turkije nog altijd in gesprek met de VS over het instellen van een veilige zone aan de Turks-Syrische grens, als onderdeel van een breder veiligheidsmechanisme in Noordoost-Syrië. Op voorhand valt geen uitspraak te doen over de rechtmatigheid van mogelijk optreden.
Uitvoering van de motie-Van der Staaij c.s. over eenzijdige resoluties bij de VN |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Sven Koopmans (VVD), Raymond de Roon (PVV), Joël Voordewind (CU), Thierry Baudet (FVD), Chris Stoffer (SGP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland voor de resolutie «Situation of and assistance to Palestinian women» gestemd heeft in de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties?
Ja.
Is er, behalve deze veroordeling van Israel, nog enig ander land veroordeeld tijdens deze sessie voor het schenden van vrouwenrechten?
Nee.
Kunt u aangeven hoeveel resoluties in de VN-Mensenrechtenraad en in de Economische en Sociale Raad Israël veroordelen (in de afgelopen vijftien jaar) en hoeveel resoluties de vijf meest bekritiseerde landen veroordelen?
Sinds de oprichting van de Mensenrechtenraad in 2006 zijn, verdeeld over 41 sessies, 66 resoluties aangenomen die zich richten op de mensenrechtensituatie in de Palestijnse en andere bezette gebieden. In de Economische en Sociale Raad zijn in de periode 2005–2019 dertig resoluties aangenomen met betrekking tot de positie van Palestijnse vrouwen en de sociaaleconomische situatie in de door Israël bezette gebieden, inclusief Oost-Jeruzalem. In deze periode zijn tachtig resoluties aangenomen over de mensenrechtensituatie in Syrië, Soedan,
Myanmar, Democratische Republiek Congo en Noord-Korea. Zorgen over de mensenrechtensituatie in Saoedi-Arabië worden frequent aan de orde gesteld in verklaringen van onder meer de Europese Unie en de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten. Maart jongstleden werd een sterk politiek signaal afgegeven met een verklaring van 36 landen, waarin de positie van vrouwen, vrouwelijke mensenrechtenactivisten in het bijzonder werd benadrukt.
Hoe vaak is bijvoorbeeld de situatie van vrouwen in Saoedi-Arabië, waar vrouwen zonder hun «male guardian» helemaal niets mogen, op de agenda geplaatst en hoe vaak is dat land veroordeeld?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u dit proportioneel?
Het kabinet vindt het onbevredigend dat Israël disproportioneel veel vaker genoemd wordt in resoluties binnen de Verenigde Naties dan sommige andere landen waar mensenrechten onder grote druk staan. Het kabinet zet zich daarom in om deze disproportionele aandacht te verminderen en voert daarbij de motie-Van der Staaij uit, zoals aangegeven in eerdere Kamerbrieven hieromtrent, bijvoorbeeld de brief van 19 september 2018 (kenmerk 23 432 nr. 471) en in de antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Voordewind, Ten Broeke en Van Helvert (Aanhangsel van de Handelingen, Vergaderjaar 2017–2018, met volgnummer 915, d.d. 19 januari 2018).
Het kabinet beoordeelt ieder voorgesteld besluit van een internationale organisatie op zijn merites. Uitgangspunten daarbij vormen het internationaal recht, het regeerakkoord, waarin wordt aangegeven dat het kabinet de goede betrekkingen met Israël en de Palestijnse Autoriteit benut voor het behoud en de verwezenlijking van de twee-statenoplossing, en het EU-beleid ten aanzien van het Midden-Oosten Vredesproces, zoals vastgesteld in Raadsconclusies. Internationaalrechtelijke uitgangspunten zijn leidend bij de beoordeling van voorgestelde resoluties en andere besluiten waarin de status van de door Israël bezette gebieden (Golan, Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem, en Gaza) centraal staat. Het uitspreken van Nederlandse zorgen over disproportionele aandacht laat onverlet dat het kabinet van mening is dat er in VN-verband ruimte moet zijn om gerechtvaardigde kritiek op het optreden van lidstaten te uiten.
Uit overwegingen zoals hierboven weergegeven, heeft Nederland zich het afgelopen jaar onthouden van stemming in de Wereldgezondheidsraad over een resolutie over de gezondheidssituatie in de door Israël bezette gebieden. Nederland was geen lid van de Mensenrechtenraad toen daar in maart jl. diverse resoluties met betrekking tot het Midden-Oostenvredesproces werden aangenomen. Nederland was afgelopen jaar ook geen lid van de Uitvoerende Raad van UNESCO, waar ook dit jaar verschillende resoluties konden worden aangenomen zonder discussie nadat Israël en de Palestijnse Autoriteit hierover afspraken gemaakt hadden.
In ECOSOC heeft Nederland voor een jaarlijks terugkerende resolutie over de rechten van Palestijnse vrouwen gestemd. Afgelopen jaren diende de Palestijnse Autoriteit deze resolutie eveneens in ter adoptie door de Commission on the Status of Women (CSW). Deze resolutie werd voorheen ieder jaar aangenomen in CSW en ECOSOC, ongeacht de positie van de EU. De EU heeft, mede op aandringen van Nederland, in onderhandelingen de Palestijnse Autoriteit ervan weten te overtuigen de resolutie niet meer in CSW te agenderen en ter stemming te brengen en de inhoud van de resolutie aan te passen. Mede door de Nederlandse inspanning is de tekst van de overgebleven resolutie meer gebalanceerd geworden en wordt de Secretaris Generaal niet langer gevraagd een apart rapport te schrijven over de situatie van Palestijnse vrouwen. Voorbeelden van de inhoudelijke verbetering zijn het feit dat de bezetting niet langer «het» grootste obstakel voor het verwezenlijken van situatie van Palestijnse vrouwen wordt genoemd, en daarnaast wordt verwezen naar de verplichtingen waaraan de Palestijnse Autoriteit zich gebonden acht – waar eerder alleen Israël werd aangesproken.
De onderhandelingsinzet van de EU, waaronder de inzet van Nederland, heeft ertoe geleid dat de resolutie alleen in ECOSOC is geagendeerd en de inhoud evenwichtiger is geworden. Zonder actieve bemoeienis zou de resolutie opnieuw in CSW en ECOSOC zijn aangenomen, zonder inhoudelijke verbeteringen. Nederland heeft, samen met het merendeel van de Europese leden van de ECOSOC, daarom voor deze resolutie gestemd.
Het terugdringen van het aantal stemmingen over resoluties en de inhoudelijke verbetering is een positieve stap, maar nog niet voldoende. Het is onverkwikkelijk dat binnen de VN het aantal resoluties over Israël aanzienlijk hoger is dan over landen als Saudi Arabië, Iran, Syrië of Venezuela. Nederland zal zich daarom actief blijven inzetten om disproportionele aandacht tegen te gaan in de VN en voor het verminderen van het aantal resoluties over Israël en de bezette gebieden. Tevens zal Nederland zich blijven inzetten voor het brengen van meer inhoudelijke balans in resoluties over het Midden-Oosten Vredesproces, zodat niet langer uitsluitend het handelen van een partij belicht wordt. In de Mensenrechtenraad zal Nederland zich inzetten voor het afbouwen van het specifieke agenda-item over Israël en de bezette gebieden. Nederland zal (concept)resoluties in internationale mensenrechtenfora op de eigen merites blijven beoordelen, rekening houdend met de daadwerkelijke mensenrechtensituatie.
Hoe heeft de regering elk van de twee punten van de aangenomen motie-Van der Staaij c.s. (34 775, nr. 44), uitgevoerd in de VN-organen waarin Nederland vertegenwoordigd is, daar waar die motie de regering in 2017 opriep om Kunt u bij beide agendapunten voorbeelden geven?
Zie antwoord vraag 5.
De sloop van gebouwen door Israël in Palestina |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Israël begint aan de sloop van gebouwen bij omheining Oost-Jeruzalem»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de sloop door Israël van een aantal Palestijnse gebouwen en het wegsturen van de bewoners ervan, omdat deze te dicht bij een door Israël op Palestijns grondgebied geplaatste illegale muur zouden staan?
Het kabinet veroordeelt deze sloop en is bezorgd dat er nog meer gebouwen zullen worden gesloopt in deze buurt en op andere delen van de Westelijke Jordaanoever.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de gebouwen deels in gebied staan waar de Palestijnse autoriteiten zeggenschap over bouwactiviteiten zouden hebben?
Als bezettende mogendheid is het Israël op basis van het bezettingsrecht verboden roerende of onroerende goederen te vernielen, behoudens in de uitzonderlijke gevallen waarin militaire operaties een zodanige vernieling noodzakelijk maken. Het is aan Israël om in elk concreet geval aan te tonen dat er sprake is van een dergelijke uitzondering.
Het Internationaal Gerechtshof heeft zich in 2004 in een advies expliciet uitgelaten over de vraag of Israël zich op die «militaire noodzaak» kan beroepen bij de bouw van de afscheidingsbarrière en de daarmee gepaard gaande sloop van gebouwen destijds. Het Hof concludeerde dat in dat geval het slopen van gebouwen om redenen van militaire noodzaak niet een voldoende overtuigend argument was. Het Israëlisch Hooggerechtshof wijkt af van het betreffende advies van het Internationaal Gerechtshof.
Het kabinet roept de Israëlische autoriteiten op het internationaal recht te respecteren en is bezorgd dat door deze afweging Palestijnen hun huis verloren hebben, en ook andere huizen met sloop bedreigd worden. Zeker omdat de getroffen huizen voornamelijk in Area A en B staan, waar de Palestijnse Autoriteit, zoals overeengekomen met Israël in de Oslo-vredesakkoorden, verantwoordelijk is voor het bestuur, inclusief de planning van de openbare ruimte.
Wat vindt u van het optreden van de hoogste rechter in Israël nu een besluit is genomen in strijd met het internationaal recht?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in navolging van andere EU-landen, luid en duidelijk deze illegale daad door Israël te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich meermaals actief uitgesproken tegen de sloop. Nederlandse diplomaten zijn voorafgaand aan de sloop naar de wijk Wadi al Hummus gegaan om de situatie te beoordelen en steun te betuigen. Tevens hebben de vertegenwoordigers van Nederland en de overige EU lidstaten en de EU in Jeruzalem en Ramallah op 16 juli jl. in een verklaring Israël opgeroepen af te zien van de voorgenomen sloop. Op de dag van de sloop heeft de EU, mede namens Nederland, zich uitgesproken tegen de sloop. Nederland heeft samen met 26 andere EU lidstaten in de VN Veiligheidsraad op 23 juli jl. opnieuw de ernstige zorgen over deze gang van zaken uitgesproken.
Het kabinet verwacht van beide partijen dat zij afzien van stappen die de twee-statenoplossing moeilijker maken en zal blijven aandringen op constructieve stappen die vrede en de twee-statenoplossing dichterbij brengen. Het kabinet zet zich in voor een eensgezinde Europese aanpak en sluit geen van de instrumenten van het Europees buitenlands beleid op voorhand uit.
Ziet u aanleiding om, bij voorkeur met gelijkgestemden in de EU, te pleiten voor maatregelen tegen Israël zolang het land doorgaat met het schenden van internationaal recht, waardoor een levensvatbare Palestijnse staat steeds verder uit beeld raakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De in beslagname van een vrachtschip door zowel Groot-Brittannië als Iran |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Did John Bolton Light the Fuse of the UK-Iranian Tanker Crisis?»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de in beslagname van een Iraans vrachtschip door de Britse autoriteiten eerder deze maand? Deelt u de analyse van de auteur van het artikel dat het waarschijnlijk «an illegal interference with freedom of navigation through an international strait» was? Zo nee, waarom niet?
Het Verenigd Koninkrijk (VK) stelt dat het betreffende vrachtschip, de Grace I, zich bevond in de territoriale zee van Gibraltar, zodat er geen sprake was van extraterritoriale werking van sancties. Het VK stelt verder dat het schip Grace I op het moment van de inbeslagname geen vlag voerde. Op basis hiervan had het schip geen recht op onschuldige doorvaart en konden de autoriteiten van Gibraltar overgaan tot handhaving van de EU-sancties, aldus het VK.
Het EU-sanctieregime tegen Syrië is van toepassing op het grondgebied van de Europese Unie. Gibraltar is aangemerkt als Europees grondgebied in de zin van artikel 355 lid 3 VWEU. Dit betekent dat het EU-recht (met enkele uitzonderingen) op Gibraltar van toepassing is. EU-sancties zijn daarmee ook van toepassing op het grondgebied en, in beginsel, in de territoriale zee van Gibraltar. Eventuele maatregelen ter handhaving van EU-sancties in de territoriale zee van Gibraltar dienen in overeenstemming met de regels van het zeerecht te zijn. Nederland vindt het van belang dat het EU-sanctieregime tegen Syrië wordt gehandhaafd.
Klopt het dat de reden voor de inbeslagname voor Groot-Brittannië is gelegen in EU-sancties die tegen Syrië gelden? Kunt u toelichten of, en zo ja, hoe deze sancties gelden voor andere landen? Hebben deze EU-sancties extraterritoriale gelding?
Zie antwoord vraag 2.
Was het Iraanse schip in internationale wateren toen het in beslag werd genomen? Zo nee, waar bevond het zich dan?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zegt het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee over het in beslag nemen van vrachtschepen? Heeft Groot-Brittannië zich in dit geval aan dit verdrag gehouden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met de auteur dat de inbeslagname van een Brits vrachtschip door Iraanse autoriteiten waarschijnlijk evengoed illegaal is? Is dit Iraanse handelen in strijd met het VN-zeerechtverdrag? Zo nee, waarom niet?
Het VK stelt dat de Stena Impero, varend onder Britse vlag, zich in de territoriale zee van Oman bevond en door de Straat van Hormuz voer toen het in beslag werd genomen. Na de inbeslagname heb ik direct mijn grote zorgen uitgesproken en Iran opgeroepen het schip en haar bemanning onmiddellijk vrij te laten.
Is er een initiatief genomen, door Nederland of een ander land, voor onafhankelijk onderzoek naar deze incidenten? Zo nee, is Nederland bereid hiertoe een initiatief te nemen?
Ik zie geen aanleiding voor een onafhankelijk onderzoek. Ik heb geen reden om de lezing van het VK in twijfel te trekken.
Is er een initiatief genomen, al dan niet via de VN, voor een diplomatieke oplossing voor de geschillen tussen Groot-Brittannië en Iran? Zo nee, waarom niet? Ziet u hier mogelijk een rol voor Nederland?
Verschillende diplomatieke initiatieven zijn gaande om deze spanningen en de bredere spanningen in de Golf op te lossen. Zo heeft het VK contact met Iran om over de in beslag genomen schepen te praten. Ook de Franse president Macron heeft met zijn Iraanse ambtsgenoot gebeld en een hoge vertegenwoordiger naar Iran gestuurd. Nederland heeft Iran ook aangesproken en opgeroepen de in beslag genomen tanker en bemanning vrij te laten.
Klopt het dat, na de Verenigde Staten, nu ook Groot-Brittannië Nederland heeft benaderd om deel te nemen aan een Europese missie in de Straat van Hormuz?2 Kunt u aangeven wat het specifieke verzoek is en hoe dit zich verhoudt tot het Amerikaanse verzoek?
Zoals is aangekondigd in de kennisgevingsbrief (Kamerstuk 29 521, nr. 384 d.d. 15 juli 2019) onderzoekt het kabinet de wenselijkheid en mogelijkheid om met daarvoor geschikte middelen een bijdrage te leveren aan het waarborgen van vrije en veilige doorvaart in de Straat van Hormuz en Golf van Oman. Nederland is een van de landen waarmee het VK contact heeft gehad over het Britse voornemen voor een mogelijk Europees-geleid maritiem veiligheidsinitiatief in de Golfregio. Deze ontwikkelingen worden vanzelfsprekend in het onderzoek meegenomen. Hierover staat Nederland met het VK en andere bondgenoten in contact.
Hoe verhoudt een eventuele missie in de Straat van Hormuz, via Groot-Brittannië in EU-verband dan wel via de Verenigde Staten, zich tot het nucleaire akkoord met Iran (JCPOA)?
Het kabinet onderzoekt de wenselijkheid en de mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan de verhoging van de maritieme veiligheid in de Golfregio. Het kabinet steunt onverminderd het nucleaire akkoord, in het gezelschap van de EU, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk. Deze steun is nogmaals bevestigd in de verklaring van de Secretaris-Generaal van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) naar aanleiding van een bijeenkomst van alle deelnemers van het nucleaire akkoord op 28 juli jl.
Pakistan |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht en bijbehorende filmpje «Pakistanen lopen over Geert Wilders heen»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat grote afbeeldingen van een Nederlandse parlementariër blijkbaar op straat in Pakistan zijn afgebeeld met daarbij geschreven de tekst «dood/vermoord Geert Wilders» (vertaling) en dat voetgangers en mensen op motoren en auto’s daar al dan niet spugend overheen rijden?
Het artikel in de Telegraaf van 21 juli jl. verwijst naar een video die op YouTube is gepost op 30 augustus 2018 naar aanleiding van de eerder door u aangekondigde cartoonwedstrijd. Ik heb in augustus en september 2018 gesprekken gevoerd met mijn Pakistaanse ambtgenoot, Minister Qureshi van Buitenlandse Zaken, over de reacties van Pakistan hierop en de zorgen van het kabinet over de bedreigingen.
Is er een bijzondere reden dat u hier nog niet op heeft gereageerd of vindt u dit normaal, terecht of interesseert het u helemaal niets? Bent u nog van plan hierop richting Pakistan te reageren? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De groeiende angst onder activisten om naar Marokko te gaan |
|
Sadet Karabulut (SP), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Activisten wagen niet meer de oversteek naar Marokko voor vakantie»1 en van het bericht «Te kritisch? Dan zit een vakantie naar Marokko of Turkije er niet meer in»?2
Ja.
Wat is uw inhoudelijke reactie op de berichten?
Het wel of niet afreizen naar landen blijft een eigen afweging en verantwoordelijkheid. Het is uiteraard te betreuren als zorgen om de persoonlijke veiligheid hierin een overweging zijn. Er zijn noch bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken noch bij de ambassade signalen binnen gekomen over toegenomen onveiligheid.
Heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken signalen ontvangen over de toegenomen onveiligheid voor activisten? Hoe is daarop gereageerd?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het meldpunt «Veilig in de Rif» waar bezorgde Riffijnen zich kunnen melden voor steun en advies? Heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken zelf een meldpunt voor activisten die zich bedreigd voelen? Bent u bereid een dergelijk meldpunt open te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb kennisgenomen van het initiatief vanuit een aantal organisaties voor een meldpunt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft geen eigen meldpunt voor activisten. Het bestaande contactcenter van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is 24/7 bereikbaar voor alle Nederlanders in het buitenland. Ik zie dan ook geen reden voor een apart meldpunt.
Wat vindt u ervan dat Nederlanders met een Marrokaans paspoort niet meer terug durven naar Marrokko als zij zich kritisch uitlaten over het beleid van de Marrokkaanse regering?
Het zou te betreuren zijn als individuen zich niet veilig voelen om af te reizen naar Marokko vanwege zorgen over hun persoonlijke veiligheid. In het algemeen geldt dat iedereen zich in een land dient te houden aan lokale wetten, regels en gebruiken.
Op welke wijze ondersteunt u activisten die Marokko bezoeken om hun veiligheid aldaar te bevorderen? Zijn uw inspanningen afdoende, nu blijkt dat 60 procent van de activisten niet terug durft naar Marokko?
Iedereen met de Nederlandse nationaliteit kan indien nodig een beroep doen op consulaire bijstand.
Heeft u contact gehad met uw Marokkaanse ambtsgenoot over de risico’s die deze activisten ervaren? Zo ja, wanneer, en wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, op welke termijn bent u bereid alsnog in contact te treden?
Ik heb vorig jaar tijdens mijn bezoek aan Rabat bij mijn gesprekspartners aandacht gevraagd voor de veiligheid van Nederlanders die afreizen naar de Rif. Zij gaven indertijd aan dat er geen reden is voor zorgen zolang er geen sprake is van gewelddadige verstoring van de orde.
Hoe omschrijft u in het algemeen de veiligheid van Nederlanders in Marokko? Ziet u daarbij bepaalde trends, zoals toenemende onveiligheid?
Voor advies over de veiligheid van Nederlanders in Marokko verwijs ik naar het reisadvies, dat de meest actuele informatie bevat.
Vindt u dat de Nederlandse overheid zich krachtig moet uitspreken tegen tegen arrestatie van mensen met een Nederlands paspoort? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is hier geen aanleiding toe.
Wanneer bent u bereid te erkennen dat Marokko in het algemeen geen veilig land is voor activisten uit het Rif-gebied?
Het reisadvies voor steden in de Rif is geel, dit betekent dat er veiligheidsrisico’s zijn voor iedereen en dat mensen daar voorzichtig moeten zijn. Iedereen die op reis gaat wordt geadviseerd kennis te nemen van het reisadvies alvorens een persoonlijke afweging te maken over het al dan niet afreizen.
Het bericht dat Nederland acht of negen extra F35-straaljagers gaat kopen |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland gaat acht of negen extra F35-straaljagers kopen»?1
Ja.
Waarom moet de Kamer hiervan via de media kennisnemen? Kunt u aangeven hoe dit zich verhoudt met de transparantiebelofte uit de Defensienota 2018 en de informatieverplichting uit de Regeling Grote Projecten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft in de Voorjaarsnota (Kamerstuk 35 210, nr. 1) besloten om de defensie-uitgaven structureel te verhogen met € 162 miljoen extra per jaar en daarnaast ook extra geld beschikbaar te stellen voor investeringen. De politieke intentie voor deze investeringen was reeds aangekondigd in het Nationaal Plan, dat in december 2018 door de Minister-President is ingediend bij de NAVO. In dit plan staan prioritaire capaciteitendoelstellingen die aansluiten bij de capaciteitendoelstellingen van de NAVO.
Uw Kamer is met de antwoorden naar aanleiding van de wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie voor het jaar 2019 (Kamerstuk 35 210 X, nr. 5) geïnformeerd dat de beschikbare middelen worden geïnvesteerd in:
Tot slot zal een deel van de aanvullende beschikbare middelen in ons personeel worden geïnvesteerd.
Daarbij is aangegeven dat uw Kamer uiterlijk in de komende begroting nader wordt geïnformeerd over de concrete invulling van deze ambities.
Bij de daadwerkelijke invulling van de extra aantallen F-35 vliegtuigen zal uw Kamer daarover vooraf worden geïnformeerd, conform de (recent gewijzigde) uitgangspuntennotitie groot project Verwerving F-35 (kenmerk 2019Z03999/2019D09255), zoals vastgesteld in de procedurevergadering van de vaste commissie voor Defensie van 7 maart 2019. Eventuele extra toestellen vallen binnen de reikwijdte van het groot project Verwerving F-35.
In hoeverre klopt de berichtgeving dat u 8 of 9 «vliegende Titanic’s» wilt aanschaffen? Kunt u aangeven waarom Defensie onduidelijk blijft over het werkelijk aantal aan te schaffen «vliegende Titanic’s»? Kunt u ook aangeven hoeveel «vliegende Titanic’s» u werkelijk wilt aanschaffen? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op deze vraag verwijzen wij graag naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u limitatief aangeven hoeveel kosten en budgettaire gevolgen verband houden met de aanschaf van 8 «vliegende Titanic’s» versus 9 «vliegende Titanic’s»? Kunt u daarbij ook aangeven waaruit deze kosten en budgettaire gevolgen bestaan? Zo nee, waarom niet?
Bij de daadwerkelijke invulling van de extra aantallen F-35 vliegtuigen zal uw Kamer daarover vooraf worden geïnformeerd inclusief een commercieel vertrouwelijke bijlage met daarin de geraamde kosten (zie ons antwoord op vraag 2).
Bent u bekend met het bericht «Minister-President Rutte en ministers Blok en Bruins naar de Verenigde Staten voor bezoek Witte Huis en handelsmissie Boston»?2
Ja.
Kunt u aangeven of tijdens de voorbereiding en het bezoek aan het Witte Huis en de handelsmissie in Boston besprekingen zijn gevoerd of toezeggingen zijn gedaan in het kader van de «vliegende Titanic»? Kunt u daarbij ook aangeven waaruit deze besprekingen en toezeggingen bestaan en welke gevolgen deze hebben voor Defensie? Zo nee, waarom niet?
De intentie voor de aanschaf van extra F-35’s, zoals die ook met uw Kamer is gedeeld, is bekend bij onze internationale partners. In de voorbereiding op het bezoek aan de VS is gesproken over het voornemen om met een deel van de additionele middelen uit de voorjaarsbesluitvorming additionele F-35’s aan te schaffen. Dat is ook door Minister-President Rutte in het gesprek met de Amerikaanse president kenbaar gemaakt. Zoals wij in antwoord op vraag 4 meldden, zullen wij bij de daadwerkelijke aanpassing van de aantallen F-35 vliegtuigen uw Kamer daarover vooraf informeren.
Kunt u aangeven of de NAVO en/of de Amerikaanse regering, politiek en wapenlobby besprekingen hebben gevoerd met Defensie over de aanschaf van extra «vliegende Titanic's»? Kunt u daarbij ook aangeven waaruit deze besprekingen bestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de zorg dat de aanschaf van extra «vliegende Titanic's» alleen zorgt voor nog meer problemen binnen Defensie, temeer nu de «vliegende Titanic» kampt met technische problemen en ouderdomsverschijnselen en de echte vijand – namelijk de import van mohammedanen – alleen aangepakt kan worden door strenge grensbewaking? Zo nee, waarom niet?
Nederland verwerft 37 vijfde generatie F-35 jachtvliegtuigen, die in 2024 alle taken van de inmiddels verouderde F-16 vliegtuigen gaan overnemen. De verwerving van de F-35 betekent een aanzienlijke versterking van de Nederlandse krijgsmacht, zodat Defensie nog beter in staat is de grondwettelijke taken uit te voeren.
Vindt u het niet beschamend en ronduit verwerpelijk dat u in strijd handelt met uw belofte dat defensiepersoneel op de eerste plaats staat, zolang u het vrijgekomen defensiebudget wel besteedt aan de aanschaf van extra «vliegende Titanic’s», maar niet besteedt aan het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden van defensiepersoneel en veilig materiaal? Zo nee, waarom niet?
Het geld dat vrijkomt met de Voorjaarsnota wordt in verschillende zaken geïnvesteerd. Zoals wij in ons antwoord op vraag 2 aangaven, zal een deel van de beschikbare middelen in ons personeel worden geïnvesteerd. Het personeel van Defensie staat altijd op de eerste plaats en derhalve hebben wij ons sterk gemaakt voor een arbeidsvoorwaardenakkoord dat in het belang is van de mensen in onze organisatie die allen waardevol werk verrichten.
Daarnaast merken wij graag op dat Defensie bij investeringen voor het personeel altijd het beste materieel voor de beste prijs voorstaat. De verwerving van de F-35 betekent een aanzienlijke versterking van de krijgsmacht en verschaft onze militairen het beste materieel voor de uitoefening van hun taken.
Kunt u begrijpen dat de plotselinge aanschaf van extra «vliegende Titanic’s» en het niet volledig willen investeren in de geprioriteerde personeelsproblemen en materiaalproblemen het vermoeden doet ontstaan dat de Lockheed-affaire uit 1976 een vervolg krijgt en/of Defensie gedwongen wordt bij te springen in het JSF-project, nu Turkije recentelijk geschrapt is uit het JSF-project? Bent u bereid deze vermoedens weg te nemen door de Kamer en het defensiepersoneel inzage te geven in alle besluiten, voorbereidingshandelingen en correspondentie die verband houden met de aanschaf van extra «vliegende Titanic's»? Zo nee, waarom niet?
Zoals wij eerder meldden, zullen wij bij de daadwerkelijke aanpassing van de aantallen toestellen uw Kamer vooraf informeren, conform de (recent gewijzigde) uitgangspuntennotitie groot project Verwerving F-35. Daarnaast informeren wij uw Kamer met de jaarlijkse voortgangsrapportage Verwerving F-35 over de belangrijkste ontwikkelingen binnen het project ten aanzien van product, tijd, geld en risico’s. In de eerstvolgende rapportage die u uiterlijk met Prinsjesdag ontvangt, zullen wij zover bekend ook de gevolgen van de schorsing van partnerland Turkije voor het groot project Verwerving F-35 met u delen.
Bent u bereid af te zien van de aanschaf van extra «vliegende Titanic’s» en het vrijgekomen defensiebudget te investeren in een goede arbeidsvoorwaarden voor defensiepersoneel, veilig materiaal en extra grensbewaking? Zo nee, waarom niet?
Zoals wij eerder in de beantwoording van uw vragen meldden, heeft het kabinet de intentie tot investeringen en prioritaire capaciteitendoelstellingen met uw Kamer gedeeld. Tevens is uw Kamer geïnformeerd waaraan de extra middelen uit de Voorjaarsnota worden besteed.
Bent u bereid, indien bovenstaande vragen niet (volledig) kunnen worden beantwoord vanwege privacy- en geheimhoudingsredenen, deze gegevens te anonimiseren en/of toestemming te vragen aan de betrokkenen en/of de Regeling vertrouwelijke stukken van toepassing te verklaren? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt zich dit met uw inlichtingenplicht?
De wijze van rapporteren over het groot project Verwerving F-35 is opgetekend in de uitgangspuntennotitie groot project Verwerving F-35, zoals vastgesteld in de procedurevergadering van de vaste commissie voor Defensie van 7 maart 2019.
Daarin is vastgelegd dat u uiterlijk op Prinsjesdag de jaarlijkse voortgangsrapportage project Verwerving F-35 ontvangt en tevens elk voorjaar, uiterlijk tegelijkertijd met het Defensie jaarplan, de financiële verantwoording tegemoet kunt zien.
Kunt u bovenstaande vragen apart beantwoorden, ook indien samenhang bestaat tussen de vragen? Zo nee, waarom niet?
Ja.