Het bericht dat oud-minister Opstelten het ‘minder Marokkanen-proces’ zou hebben beïnvloed |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Beïnvloedde oud-Minister Opstelten het «minder Marokkanen»-proces?»?1
Ja.
Heeft u ook kennisgenomen van de e-mail die door RTL Nieuws op 31 mei aan u is gestuurd via een medewerker van uw departement en waarin staat dat «meerdere bronnen tegen RTL Nieuws gezegd hebben dat de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie, de heer Opstelten, zich destijds tegenover (de voorzitter van) het College van Procureurs-Generaal voorstander heeft getoond van het instellen van strafvervolging» en dat de toenmalige Minister «een verzoek heeft gedaan om te besluiten tot het instellen van strafvervolging» en dat «dit gegeven overigens schriftelijk is vastgelegd, onder meer in notulen van het College van Procureurs-Generaal, en meerdere personen binnen het OM en het ministerie hiervan op de hoogte zijn»?
Ja.
Waarom heeft RTL Nieuws op de door haar gestelde vragen, die zij onder andere in de vorm van een Wob-verzoek heeft gesteld welke procedure daardoor nu al bijna een half jaar duurt, louter onvolledige en ontwijkende antwoorden ontvangen? Wat is de reden dat veel vragen voor en lopende het Wob- verzoek niet direct – en concreet en volledig – zijn beantwoord?
De gehele procedure vanaf de eerste persvragen van RTL Nieuws tot aan het besluit op het Wob-verzoek van RTL Nieuws, heeft drie maanden geduurd. Voor de volledigheid schets ik hier de gang van zaken.
RTL Nieuws heeft op 31 mei 2018 gevraagd of het klopte dat het al dan niet instellen van strafvervolging destijds door de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie, de heer Opstelten, is besproken met (de voorzitter van) het College van procureurs-generaal, of het klopte dat de toenmalig Minister zijn opvatting hierover had ingekleed niet als een formele aanwijzing maar als een informeel verzoek, en wat de reactie van de voorzitter van het college hierop was. In antwoord hierop is op 6 juni 2018 geantwoord dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) een zelfstandige vervolgingsbeslissing heeft genomen op basis van eigen afwegingen, en dat de Minister hierover bij ambtsbericht van 10 september 2014 is geïnformeerd, zoals te doen gebruikelijk in gevoelige zaken.
Hierop zijn door RTL Nieuws vervolgvragen gesteld, onder meer onder verwijzing naar (vermeende) notities met opties zoals ook in vraag 18 genoemd, en een (vermeend) contact met de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zoals ook in vraag 19 genoemd. Hierop is op 15 juni 2018 geantwoord dat ook na een nieuwe grondige check geen enkele indicatie is aangetroffen dat het anders is gegaan dan zoals eerder aan RTL Nieuws gemeld, namelijk dat het OM indertijd een zelfstandige vervolgingsbeslissing heeft genomen op basis van eigen juridische afwegingen.
Er is ten behoeve van deze beantwoording onderzoek gedaan in de (digitale) systemen van het bestuursdepartement en ook is navraag gedaan bij het OM. Bij dit onderzoek zijn betrokken (oud-)medewerkers van het bestuursdepartement en het OM bevraagd.
Ook anderszins is niet gebleken van enige andere gang van zaken dan die al vanaf het begin is gemeld door het OM, namelijk dat het OM zelfstandig de beslissing tot vervolging heeft genomen op basis van eigen afwegingen.
Bij brief van 27 juni 2018 heeft RTL Nieuws vervolgens een Wob-verzoek ingediend over «de beslissing om strafvervolging in te stellen tegen de heer G. Wilders wegens diens «minder-Marokkanen» uitspraak in 2014 en de vraag of er enigerlei betrokkenheid is geweest van mijn ministerie bij dat besluit van het openbaar ministerie«. In het besluit op dit verzoek d.d. 23 augustus 2018 is vermeld dat het College van procureurs-generaal mijn ambtsvoorganger met een ambtsbericht van 10 september 2014 heeft geïnformeerd over het besluit van het OM om vervolging tegen de heer Wilders in te stellen. Het genoemde ambtsbericht is middels interne correspondentie aan mijn ambtsvoorganger aangeboden.
Volledigheidshalve maak ik ook melding van enkele andere stukken die zijn aangetroffen bij de hierboven beschreven zoekacties betreffende deze zaak die buiten de reikwijdte vielen van de door RTL Nieuws gestelde persvragen en het Wob-verzoek. Het OM heeft mij laten weten te beschikken over een korte aantekening naar aanleiding van een regulier periodiek overleg tussen de toenmalig Minister van Veiligheid en Justitie en de toenmalig voorzitter van het College van 2 april 2014 die inhoudt: «Wilders – procedure besproken – 1000 aangiften».
Voorts is aangetroffen een aantal stukken van na de vervolgingsbeslissing van het OM. Het betreft een memo van het OM van 24 september 2014 inzake de beveiliging rondom een eventuele rechtszaak. Verder een ambtsbericht van 7 oktober 2014 waarin het College van procureurs-generaal mijn ambtsvoorganger heeft geïnformeerd over vervolgstappen. Vervolgens heeft het College van procureurs-generaal mijn ambtsvoorganger bij ambtsbericht van 17 december 2014 geïnformeerd over de openbaarmaking van de vervolgingsbeslissing. Op 18 december 2014 heeft het OM hierover een persbericht uitgebracht.
Indien RTL Nieuws uw departement in een e-mail aan u vraagt of het correct is dat de toenmalig Minister zijn opvatting als een verzoek en niet als een aanwijzing heeft ingekleed en dat dat is vastgelegd in onder meer de notulen van het College van procureurs-peneraal, deelt u dan de mening dat het het navolgende antwoord van uw ministerie namens u zoals gegeven op 6 juni 2018 middels een mail van een van uw medewerkers volstrekt ontwijkend is: «Het OM heeft een zelfstandig vervolgingsbeslissing genomen op basis van eigen afwegingen. Voor de achtergronden hiervan verwijs ik naar het OM. Voor uw vraag over de notulen van het College verwijs ik u eveneens aan het OM»? Kunt u nu alsnog deze vragen klip en klaar beantwoorden in antwoord op deze kamervragen?
Nee, die mening deel ik niet. Ik zal de vragen in het vervolg van deze antwoorden zo goed mogelijk beantwoorden.
Bent u zich er van bewust dat een dergelijke onvolledige en ontwijkende beantwoording op de terechte vragen die RTL Nieuws zowel het ministerie als het OM heeft voorgelegd, de schijn wekt dat er iets te verbergen valt en de bronnen van RTL Nieuws de waarheid spreken, zeker gelet op de uitspraken die de voormalig Minister van Veiligheid en Justitie, de heer Opstelten deed op 21 maart 2014: «Dit zijn uitspraken die echt niet kunnen, walgelijk. Dit past niet in een land als Nederland. Intrekken, dat moet hij doen.»?
Het OM heeft bij herhaling aangegeven zelfstandig de beslissing tot vervolging te hebben genomen op basis van eigen afwegingen. Er is aan RTL Nieuws meermalen bericht dat bij de onder vraag 3 beschreven onderzoeken in de systemen niet is gebleken van een (formele) aanwijzing van de Minister ex artikelen 127 en 128 Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO), noch van enig verzoek tot vervolging.
Indien de informatie van RTL Nieuws over het verzoek van de voormalig Minister of het bestaan van notulen onjuist zou zijn, waarom heeft u dit in in antwoord op alle verzoeken van RTL Nieuws sinds mei van dit jaar, dan niet ontkend?
Zoals bij de vorige vraag reeds is aangegeven is RTL Nieuws meermalen bericht dat bij onderzoek in de mij ter beschikking staande documenten niet is gebleken van een (formele) aanwijzing van de Minister ex artikelen 127 en 128 Wet RO, noch van een verzoek tot vervolging. Tijdens de zoekacties zoals in het antwoord op vraag 3 beschreven, is betreffende de vervolgingsbeslissing alleen het ambtsbericht van 10 september 2014 aangetroffen waarin mijn ambtsvoorganger door het College van procureurs-generaal is geïnformeerd over de door het OM genomen beslissing.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar zou zijn indien een Minister het OM verzoekt een Kamerlid, tevens leider en fractievoorzitter van een oppositiepartij, strafrechtelijk te vervolgen of op welke wijze dan ook zou aangeven dat wenselijk te vinden?
Ingevolge de artikelen 127 en 128 Wet RO kan de Minister van Justitie en Veiligheid een aanwijzing geven. De Minister van Justitie en Veiligheid maakt zeer terughoudend gebruik van zijn wettelijke aanwijzingsbevoegdheid.
Is er vanuit het ministerie contact geweest met de voormalig Minister van Veiligheid en Justitie, de heer Opstelten, naar aanleiding van de verzoeken om informatie van RTL? Zo ja, waaruit bestond dit contact en wat is er precies besproken met de heer Opstelten? Wat was zijn reactie? Zo nee, waarom niet? Is er contact geweest met de oud voorzitter van het College van procureurs-generaal? Zo ja, waaruit bestond dat contact precies en wat is precies met hem besproken? Wat was zijn reactie?
Vanuit het departement is aan de heer Opstelten ter kennisneming de reactie van het OM doorgestuurd, die op dat moment reeds aan RTL Nieuws was verstrekt. De heer Opstelten heeft daarop de e-mail waarin hij RTL Nieuws berichtte niets toe te voegen te hebben aan de reeds door het OM gegeven reactie, ter kennisneming doorgezonden aan mijn departement. Vanuit het OM is er contact geweest met de oud-voorzitter van het College. Hij heeft aangegeven geen aanwijzing of verzoek te hebben gehad van de toenmalig Minister van Justitie en Veiligheid en dat het OM zelfstandig de beslissing tot vervolging heeft genomen.
Heeft de voormalige Minister van Veiligheid en Justitie, de heer Opstelten, of een van zijn ambtenaren, zich destijds tegenover de Voorzitter of andere leden of medewerkers van het College van procureurs-generaal of tegenover anderen werkzaam bij het OM, voorstander getoond van het instellen van strafvervolging tegen mij vanwege de uitspraken die ik heb gedaan over Marokkanen op 12/19 maart 2014, dan wel op enigerlei manier kenbaar gemaakt wat zijn standpunt daarover was, dan wel om strafvervolging heeft verzocht, nog vóór het OM – naar eigen zeggen zelfstandig en op basis van eigen afwegingen- een vervolgingsbeslissing had genomen? Zo ja, op welke manier en in welke vorm is dit gebeurd en wat is er precies gezegd?
Ik kan geen kennis dragen van wat alle ambtenaren van mijn departement communiceren met medewerkers van het OM. Zo kan bijvoorbeeld sprake zijn van medewerkers die een persoonlijke opvatting ventileren of bijvoorbeeld van een miscommunicatie. Zoals reeds meermalen is aangegeven, is niet gebleken van een (formele) aanwijzing of een verzoek van dien aard van de toenmalig Minister. Ook van een dergelijk verzoek van een ambtenaar van mijn departement is mij niet gebleken. Het OM heeft bij herhaling aangegeven zelfstandig de beslissing tot vervolging te hebben genomen op basis van eigen afwegingen.
Is het u bekend dat toen de heer Opstelten hiernaar werd gevraagd door RTL Nieuws hij voor een reactie verwees naar de reactie van het OM? Is het u voorts bekend dat de oud-voorzitter van het College van procureurs-generaal de heer Bolhaar eerst ook via zijn woordvoerder verwees maar het OM maar na aandringen van RTL Nieuws zei dat het commentaar van het OM niet leidend was en zich ineens onthield van commentaar? Hoe verklaart u dit?
Zoals reeds op vraag 8 is geantwoord, is mij bekend dat de heer Opstelten RTL Nieuws heeft gemeld niets toe te voegen te hebben aan de reactie van het OM. Het is het College bekend dat de oud-voorzitter van het College eerst via zijn woordvoerder verwees naar de reactie van het OM. Van een reactie van de oud-voorzitter zoals hierboven beschreven is het College niets bekend.
Zijn eventuele uitlatingen van de heer Opstelten, of een van zijn ambtenaren, zoals hiervoor bij vraag 9 genoemd op enigerlei manier schriftelijk vastgelegd, zoals bijvoorbeeld in (ambtelijke) notities, gespreksverslagen, agenda’s, besluitenlijsten of notulen van uw ministerie of het Collega van procureurs-generaal of elders bij het OM? Zo ja, kunt u die stukken toevoegen als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 9. Tijdens de onder vraag 3 beschreven onderzoeken zijn geen uitlatingen van deze strekking in wat voor schriftelijke vorm dan ook aangetroffen. Het OM heeft bij herhaling aangegeven zelfstandig de beslissing tot vervolging te hebben genomen op basis van eigen afwegingen.
Heeft de Minister van Justitie destijds notulen, die op basis van artikel 6, eerste lid, jo. artikel 6, zesde lid, van het Reglement van Orde College van procureurs-generaal «zo spoedig mogelijk na een vergadering een besluitenlijst, waarin de conclusies en afspraken worden opgenomen» door de secretaris worden ontworpen en het feit dat «de vastgestelde notulen, met uitzondering van onderdelen van personeelsvertrouwelijke en van (dienst)- vertrouwelijke aard, zo spoedig mogelijk ter kennis worden gebracht van de parkethoofden en van de Minister van Justitie.» ontvangen van het College van procureurs-generaal die op enigerlei te maken hebben met (overwegingen omtrent de) vervolgingsbeslissing cq. onderhavige strafzaak? Zo ja, kunt u deze stukken toevoegen als bijlage bij beantwoording van deze Kamervragen? Indien het antwoord op de laatste vraag ontkennend is, waarom niet?
Onder meer in het kader van de behandeling van het Wob-verzoek van RTL Nieuws is expliciet gezocht naar notulen met (overwegingen omtrent de) vervolgingsbeslissing dan wel de strafzaak op het departement en het OM. Deze zijn niet aangetroffen.
Heeft de Minister destijds informatie ontvangen omtrent de (overwegingen omtrent de) vervolgingsbeslissing cq. deze strafzaak van het College van procureurs-generaal die voortvloeit uit de verplichtingen van artikel 11, eerste lid, jo. derde lid Reglement van Orde College van procureurs-generaal? Zo ja, kunt u deze informatie met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Mijn ambtsvoorganger is door het College van procureurs-generaal bij ambtsbericht van 10 september 2014 over de door het OM genomen vervolgingsbeslissing geïnformeerd. In ambtsberichten informeert het College de Minister van Justitie en Veiligheid, gelet op de ministeriële verantwoordelijkheid, in alle vertrouwelijkheid over bepaalde gevoelige zaken en onderwerpen. Met de informatie die langs deze weg tot mij komt, ga ik prudent om. Voorkomen moet worden dat informatieverstrekking buiten de strafrechtketen om gevolgen heeft voor een zaak. Ik zal daarom geen afschrift doen van dit ambtsbericht.
Heeft de Minister destijds aangegeven aan het College van procureurs-generaal danwel aan het OM dat de Minister op de hoogte wenste te worden gehouden van ontwikkelingen, onderzoek en besluiten aangaande de (overwegingen omtrent de) vervolgingsbeslissing cq. deze strafzaak?
Ingevolge artikel 11 van het Reglement van Orde van het College van procureurs-generaal en artikel 129 Wet RO, informeert het College de Minister van Justitie en Veiligheid over (de voortgang van) gevoelige strafzaken. Zoals ook in de brief d.d. 21 december 2016 van mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer2, in reactie op de motie Van der Staaij-Segers d.d. 12 oktober 20163, is aangegeven, stelt mij dat in de gelegenheid om mijn politieke verantwoordelijkheid voor het handelen van het OM waar te maken. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3.
Bent u bekend met het doen van een zogenaamd «verzoek» omtrent strafvervolging in plaats van het geven van een «aanwijzing» aan het College van procureurs-generaal? Zo ja, hoe vaak heeft het College van procureurs-generaal een dergelijk «verzoek» ontvangen? Kunt u met 100% zekerheid uitsluiten dat er in onderhavige zaak een dergelijk «verzoek» is gedaan aan het College? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 9. Bij de onder vraag 3 beschreven onderzoeken is daar niets van gebleken. Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 16.
Kunt u voor 100% uitsluiten dat er sprake is geweest van enig «verzoek», advies, opvatting enz die vanuit het Ministerie van V&J of BZK of enig ander departement richting College van procureurs-generaal danwel richting het OM, op wat voor manier dan ook, is kenbaar gemaakt omtrent de te nemen vervolgingsbeslissing?
Ik kan geen kennis dragen van wat alle ambtenaren van alle departementen bespreken met medewerkers van het OM. Zoals reeds meermalen is aangegeven, is niet gebleken van een (formele) aanwijzing of een verzoek van dien aard van mijn ambtsvoorganger. Van een dergelijk verzoek van een ambtenaar van een van de departementen is ook niet gebleken. Het OM heeft bij herhaling aangegeven zelfstandig de beslissing tot vervolging te hebben genomen op basis van eigen afwegingen.
Klopt het dat het College van procureurs-generaal (of leden daarvan, functionarissen) regulier overleg heeft met de Minister van Justitie of de secretaris-generaal? Zo ja, is er na de uitspraken op 12/19 maart 2014 en voor de beslissing tot het instellen van strafvervolging een dergelijk overleg geweest? Zo ja, is dat overleg op enigerlei wijze schriftelijk vastgelegd of voorbereid door middel van notities en/of agenda’s? Indien dit het geval is, kunt u de passages uit deze verslaglegging en agenda’s en notities en dergelijke die op enige manier te maken hebben met onderhavige zaak openbaar maken? Zo nee, waarom niet?
Er is regelmatig overleg tussen de Minister van Justitie en Veiligheid en de top van het OM. Dat gebeurt in het overleg zoals bedoeld in artikel 12 van het Reglement van Orde van het College van procureurs-generaal. Daar worden beleids- en beheersmatige onderwerpen besproken. Daarnaast informeert het College de Minister over gevoelige onderwerpen, ex artikel 11 Reglement van Orde. Dat gebeurt soms in persoon, maar veelal via ambtsberichten. Tussen 12/19 maart 2014 en de beslissing van het OM, om tot vervolging over te gaan – september 2014 – is er regulier overleg geweest tussen de toenmalig Minister van Veiligheid en Justitie en de toenmalig voorzitter van het College van procureurs-generaal. Van deze overleggen wordt geen verslag opgemaakt. Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven heeft het OM mij laten weten over een korte aantekening te beschikken van dit reguliere overleg. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat het Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving (DGRR) indertijd één of meerdere notities heeft opgesteld of heeft laten opstellen over (opties van) het wel of niet strafrechtelijk vervolgen van mij voor bovengenoemde uitspraken? Zo ja, kunt u die stukken toevoegen als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen? Zo nee, waarom niet?
Uit de onder vraag 3 beschreven onderzoeken is mij niet gebleken van dergelijke notities.
Klopt het dat het Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving (DGRR) indertijd contact heeft gehad met de Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving (CZW) over (opties van) het wel of niet strafrechtelijk vervolgen van mij voor bovengenoemde uitspraken? Zo ja, was de toenmalige Minister van BZK ook van dit contact op de hoogte? Zo ja, kunt u die stukken toevoegen als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen?
Bij navraag binnen beide departementen en de onder vraag 3 beschreven onderzoeken, is mij niet gebleken van dergelijke contacten.
Kunt u alle schriftelijke stukken zoals bijvoorbeeld (ambtelijke) notities, gespreksverslagen, agenda’s, besluitenlijsten en notulen waaruit blijkt dat de eventuele vervolging van mij ter sprake is gekomen dan wel anderszins aan de orde is gekomen toevoegen als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen? Zo nee, waarom niet?
Voor de aangetroffen documenten verwijs ik naar het antwoord op vraag 3. Alleen het ambtsbericht van 10 september 2014 heeft betrekking op de totstandkoming van de vervolgingsbeslissing. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 21.
Klopt het dat het OM de Minister heeft geïnformeerd over de strafzaak en over de voorgenomen vervolgingsbeslissing? Zo ja, op welke wijze en wanneer en kunt u een afschrift hiervan voegen bij de beantwoording van deze Kamervragen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat klopt. Over de vervolgingsbeslissing in deze zaak is mijn ambtsvoorganger geïnformeerd bij ambtsbericht van 10 september 2014. In ambtsberichten informeert het College mij, gelet op mijn ministeriële verantwoordelijkheid, in alle vertrouwelijkheid over bepaalde gevoelige zaken en onderwerpen. Met de informatie die langs deze weg tot mij komt, ga ik prudent om. Voorkomen moet worden dat informatieverstrekking buiten de strafrechtketen om gevolgen heeft voor een zaak. Ik zal daarom geen afschrift doen van dit ambtsbericht.
Kunt u (de relevante passages van) het ambtsbericht van het OM van 10 september 2014, waarnaar in het Besluit inzake het WOB-verzoek d.d. 23 augustus 2018 wordt verwezen, als bijlage voegen bij de beantwoording van deze Kamervragen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 21 voor de toelichting waarom ambtsberichten niet openbaar gemaakt worden.
Betreft «persoonlijke beleidsopvattingen» in het ambtsbericht ingevolge pagina 4 van het Besluit inzake het WOB-verzoek van 23 augustus 2018 alleen «persoonlijke beleidsopvattingen», standpunten, onderliggende argumenten en de weging van relevante feiten en omstandigheden bij het te nemen besluit over het instellen van strafvervolging van (functionarissen van) het college van procureurs-generaal? Kunt u deze openbaar maken? Bevat dit ambtsbericht ook (verwijzingen naar of delen van) «persoonlijke beleidsopvattingen», standpunten, onderliggende argumenten en de weging van relevante feiten en omstandigheden bij het te nemen besluit over het instellen van strafvervolging van de toenmalig Minister van V&J, danwel functionarissen van het Ministerie van V&J? Zo ja, kunt u die openbaar maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals door het OM is aangegeven, is de beslissing tot vervolging geheel zelfstandig genomen door het OM, op basis van eigen afwegingen. Het ambtsbericht waarin deze beslissing wordt gemeld, bevat die afwegingen.
Betreft «persoonlijke beleidsopvattingen» in het ambtsbericht ingevolge pagina 4 van het Besluit inzake het WOB-verzoek van 23 augustus 2018 alleen «persoonlijke beleidsopvattingen», standpunten, onderliggende argumenten en de weging van relevante feiten en omstandigheden bij het te nemen besluit over het instellen van strafvervolging van in van de (toenmalig) Minister van Veiligheid en Justitie of andere functionarissen van het Ministerie van (toen) V&J? Zo ja, kunt u die openbaar maken?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 23.
Kunt u (de relevante passages van) de ambtsberichten van het OM van 7 oktober 2014 en 17 december 2014 waarnaar in het Besluit inzake het WOB-verzoek d.d. 23 augustus 2018 wordt verwezen, als bijlage voegen bij de beantwoording van deze Kamervragen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 21.
Indien het niet mogelijk is om enig, via de hierboven gestelde vragen, document als bijlage bij de beantwoording van de Kamervragen te openbaren, is het dan mogelijk op een andere wijze (vertrouwelijke) inzage te krijgen in deze stukken? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op de vragen 17 en 21 voor een toelichting waarom ambtsberichten absoluut vertrouwelijk dienen te blijven. Dit geldt ook voor het (vertrouwelijk) inzage krijgen in het ambtsbericht.
Sinds wanneer precies was u als huidig Minister op de hoogte van deze kwestie?
Al voor mijn aantreden als Minister van Justitie en Veiligheid was ik op de hoogte van de beslissing van het OM tot vervolging over te gaan.
Wie heeft u hierover op de hoogte gesteld?
Ik was door openbare bronnen op de hoogte van de beslissing van het OM.
Wilt u al deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Kunt u de beantwoording van deze vragen vóór dinsdag 20 november 12.00 uur naar de Kamer sturen?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Trump administration wants to remove 'gender' from UN human rights documents’. |
|
Vera Bergkamp (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trump administration wants to remove «gender» from UN human rights documents»?1 2
Ja. De VS heeft tekstvoorstellen gedaan om gendertaal in VN-resoluties af te zwakken. Een recent voorbeeld hiervan is de Nederlands-Franse VN-resolutie over het tegengaan van geweld tegen vrouwen, waar de VS amendementen introduceerde die eerder overeengekomen taal over gender zou afzwakken of verwijderen. Die amendementen werden evenwel met grote meerderheid verworpen door het VN-lidmaatschap, waarna de resolutie alsnog zonder stemming kon worden aangenomen.
Tijdens de vierde wereldvrouwenconferentie in Beijing in 1995, is de focus op vrouwenrechten verbreed naar het begrip «gender» en «gendergelijkheid». Dit houdt in dat vrouwen en mannen, maar ook mensen met een andere gender of seksuele geaardheid, gelijke rechten, kansen, vrijheden en verantwoordelijkheden hebben. Sinds die tijd zijn nieuwe internationale verdragen en honderden resoluties met gendertaal in verschillende VN-fora, waaronder de Mensenrechtenraad, aangenomen en daarmee verankerd in zogeheten agreed language. Volgens de huidige VS-regering is de term gender evenwel teveel een sociaal construct dat afbreuk doet aan het binaire stelsel van man/vrouw. Het kabinet vindt deze opstelling van de VS zorgwekkend, omdat de voorgestelde afzwakkingen afbreuk doen aan de verworvenheden op het terrein van gendergelijkheid. Ook andere landen spreken zich nu in het kielzog van de VS expliciet uit tegen genderteksten. Nederland zet zich binnen internationale fora ervoor in te zorgen dat de geboekte vooruitgang niet wordt teruggedraaid en agreed language behouden blijft.
Klopt het dat Amerikaanse functionarissen in een aantal VN-comités proberen om het gebruik van de term «gender» te vervangen door «vrouw»? Wat vindt u ervan dat dit gebeurt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het ermee eens dat het wijzigen van het gebruik van de term «gender» naar «vrouw» in internationale verdragen zeer ongewenst is? Zo ja, op welke wijze bent u bereid dit bij uw Amerikaanse ambtsgenoot en/of de Amerikaanse vertegenwoordiging bij de VN, zowel bilateraal als gezamenlijk met Europese en andere gelijkgezinde partners, kenbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja, het wijzigen van het gebruik van de term gender naar «man en vrouw» in VN-documenten is ongewenst. De Nederlandse zorgen hierover zijn recentelijk bilateraal op hoogambtelijk niveau als ook via multilaterale kanalen overgebracht.
Welke gevolgen voor internationale rechtsbescherming voor transgenders en personen met een intersekse conditie heeft het vervangen van de term «gender» door «vrouw» in internationale verdragen?
Als nieuwe VN-documenten niet langer naar gender verwijzen, maar enkel naar «man en vrouw», vervalt de internationale druk op regeringen om de LHBTI’s te beschermen. Zoals in ons antwoord op vraag 1 en 2 aangegeven, zijn er inmiddels honderden resoluties die het concept gender hanteren, o.a. EU-Raadsconclusies en resoluties van de VN-Mensenrechtenraad. Dit is belangrijk voor het maatschappelijk middenveld en activisten om regeringen aan hun internationale afspraken te houden.
Welke effecten zou het wijzigen van deze term op de rechtsbescherming van transgenders en personen met een intersekse conditie in Nederland kunnen hebben?
Op dit moment loopt een parlementair proces om discriminatie op grond van genderidentiteit, -expressie en geslachtskenmerken expliciet te verbieden (initiatiefwetsvoorstel Bergkamp c.s.). Hiermee wordt de rechtsbescherming van trans- en intersekse personen geëxpliciteerd in de Nederlandse wet.
Eventuele beperkingen van deze termen in nieuwe VN-documenten zullen niet tot een beperking van de rechtsbescherming van trans- en intersekse personen in Nederland leiden, mede gezien de bestaande VN-resoluties, EU-raadsconclusies en andere internationale afspraken die gelijke rechten voor individuen benadrukken.
Wat is de huidige internationale trend wat betreft het erkennen van het begrip «gender» breder dan alleen het geslacht waar iemand mee geboren wordt? Duidt u deze positief of negatief?
Er is geen eenduidige internationale trend zichtbaar. Wereldwijd zijn er verschillende landen waar wettelijke erkenning van de rechten van trans- en intersekse personen gerealiseerd of in wording is, zoals bijvoorbeeld recente wetgeving in Uruguay die het mogelijk maakt om op basis van zelfidentificatie wettelijk van geslacht te veranderen. Tegelijk zien we in verschillende landen ook een beweging waarbij gepleit wordt voor beperking van gelijke rechten, zoals bijvoorbeeld momenteel in de Verenigde Staten.
Om gelijke rechten te bevorderen, heeft Nederland onder meer in 2016 met gelijkgezinde landen succesvol gepleit voor het mandaat van de onafhankelijk expert op gebied van seksuele oriëntatie en genderidentiteit bij de VN. In september jl. presenteerde deze expert een rapport waarin hij ingaat op de verantwoordelijkheid van staten als het gaat om de erkenning van genderidentiteit en het voorkomen van discriminatie en geweld op grond van genderidentiteit.3 Dit rapport draagt bij aan het doorlopende debat over dit thema.
Het bericht dat een docent op een reformatorische school mag worden ontslagen om een theaterstuk |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat de docent uit het bericht van de NOS ontslagen mag worden vanwege een theaterstuk dat hij heeft gemaakt en waar hij in speelt, omdat onder andere theater niet in de wereld van reformatorische scholen past?1
Allereerst wil ik opmerken dat de ontstane situatie in de eerste plaats voor de betreffende docent en zijn directe omgeving, en ook voor zijn collega’s en leerlingen, verdrietig is. Zoals ook in de berichtgeving is gemeld, is hij erin geslaagd een moeilijke, ruim 20 jaar durende periode van gokverslaving achter zich te laten. In de hoop hiermee ook iets te betekenen voor anderen die met verslaving worden geconfronteerd, heeft hij besloten van zijn levensverhaal een theatervoorstelling te maken. Ik vind dit heel bijzonder. Het is daarom spijtig dat dit heeft geleid tot een arbeidsrechtelijk geschil met zijn werkgever, het Driestar College in Gouda, waarbij hij feitelijk voor de keuze werd gesteld te stoppen met de theaterproductie of ontslagen te worden.
Tegelijkertijd realiseer ik me dat (een deel van) de achterban van de school moeite heeft met theater als kunstvorm. Scholen hebben de ruimte om eigen inhoudelijke afwegingen te maken en worden niet gedwongen onderwijs te verzorgen die indruist tegen de eigen identiteit. Het bestuur van het Driestar College stelt dat een leraar een voorbeeldfiguur is, en dat van een voorbeeldfiguur verwacht mag worden dat hij of zij geen aanstoot geeft door actief waarden uit te dragen die niet zouden passen bij de identiteit van de school of door actief in tegenspraak met die identiteit te handelen.
Op grond van artikel 7:671 BW, eerste lid onder h., zoals dit luidt sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid waarmee in 2015 het ontslagrecht is gewijzigd, kan een werkgever van een bijzondere school of instelling de arbeidsovereenkomst van een werknemer die werkzaam is bij die school of instelling opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, als de reden voor de opzegging is gelegen in «handelen of nalaten van de werknemer dat onverenigbaar is met de uit de godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag voortvloeiende identiteit van de desbetreffende school of instelling». Voorwaarde daarbij is dat voor die opzegging toestemming is verleend door een van de werkgever onafhankelijke en onpartijdige commissie. Als de betreffende commissie de werkgever toestemming geeft om een werknemer te ontslaan, dan is het ontslag dus rechtsgeldig.
Bent u het eens met het besluit van de identiteitscommissie dat de docent mag worden ontslagen vanwege het theaterstuk? Kunt u uw antwoord toelichten?
De desbetreffende identiteitscommissie heeft het voorgenomen ontslag in deze situatie goedgekeurd. Ik heb daar verder geen rol in.
Wat vindt u ervan dat een door de Vereniging voor Gereformeerd Onderwijs (VGO) ingestelde commissie is bepaald dat de vmbo-docent ontslagen mag worden vanwege het theaterstuk? Is dit besluit volgens u genomen door een commissie die daadwerkelijk onafhankelijk is? Zou dit volgens het Nederlandse arbeidsrecht een reden zijn tot ontslag? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Zie de antwoorden op vraag 1 en 2. De onafhankelijkheid van de identiteitscommissie is gewaarborgd in het reglement van de commissie. De identiteitscommissie in het bijzonder onderwijs vormt een onderdeel van het Nederlandse arbeidsrecht.
Wat vindt u ervan dat de school in kwestie een ontheffing heeft gekregen van de Onderwijsinspectie voor dans en drama op de kerndoelen die daarop betrekking hebben?
In de berichtgeving in de pers blijkt – zo leert navraag bij het bestuur – sprake te zijn geweest van een misverstand bij de daarin geciteerde bestuurder van het Driestar College. Er is geen ontheffing verleend voor dans en drama voor de kerndoelen die daarop betrekking hebben. Dat is ook niet nodig: op grond van de kerndoelen moeten alle middelbare scholen in de onderbouw aandacht besteden aan tenminste één van de drie kunstdisciplines drama, dans en film (en daarnaast aan beeldende kunst en muziek), waarbij scholen vrij zijn in de keuze zijn in de keuze voor genres van de diverse disciplines.2 De wet- en regelgeving biedt dus de ruimte om er op schoolniveau voor te kiezen om in de onderbouw van het voortgezet onderwijs al dan niet aandacht te besteden aan drama/theater. Daarvoor is geen ontheffing nodig.
Betekent dit ook dat scholen met een bepaalde overtuiging vrijstelling kunnen aanvragen voor onderdelen van het kerndoel burgerschap, als zij van mening zijn dat dit niet aansluit bij hun identiteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Tot 1 augustus 2006, toen de Regeling onderbouw voortgezet onderwijs in werking trad, kende de Wet op het voortgezet onderwijs de zogeheten substitutiebepaling. Een bevoegd gezag kon op grond daarvan bij de inrichting van het onderwijs afwijken van de kerndoelen als zij daarvoor in verband met levensbeschouwelijke overwegingen aanleiding zag. Het bevoegd gezag moest bij een dergelijke vrijstelling bepalen welk onderwijs daarvoor in de plaats kwam. Deze substitutiebepaling is geschrapt met de Regeling onderbouw VO. De huidige Wet op het voortgezet onderwijs kent een dergelijke bepaling daarom niet meer.
Sinds 1 augustus 2006 kan er daarom geen vrijstelling of ontheffing worden aangevraagd om af te wijken van de kerndoelen, en dus ook niet verleend. Dat is ook niet nodig. De kerndoelen zijn namelijk dusdanig geformuleerd dat uitwerking ervan op alle niveaus en door scholen van elke signatuur mogelijk is. Dat geldt ook voor kerndoelen die raken aan de burgerschapsopdracht van het voorgezet onderwijs. Ten aanzien van de opdracht aan de wetgever om kerndoelen voor de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs vast te stellen (WVO artikel 11b) is geëxpliciteerd dat de richtinggevende kerndoelen vertaald moeten kunnen worden in concrete onderwijsprogramma’s op verschillende niveaus en op scholen van alle signaturen.3 Het is daarom niet nodig om vrijstelling of ontheffing te verlenen. De Onderwijsinspectie heeft dan ook geen vrijstellingen op de kerndoelen verleend.
Welke vrijstellingen op kerndoelen zijn er door de Onderwijsinspectie afgegeven, aan welke scholen en voor welke termijn? Wat is de wettelijke basis van deze vrijstellingen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u met ons van mening dat onderwijs juist ook een andere kijk op de wereld kan bieden en dat daarom vrijstellingen op onderdelen van kerndoelen zeer onwenselijk zijn? Zo ja, bent u bereid deze vrijstellingen terug te draaien? Zo nee, waarom niet?
Onderwijs verbreedt inderdaad de horizon van leerlingen en brengt hen in aanraking met verschillende perspectieven op de wereld. Daarom bestrijken de kerndoelen (en andere formele curriculumdocumenten, zoals de eindtermen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs) een breed palet aan onderwerpen. Er is echter geen sprake van een vrijstelling op onderdelen van kerndoelen. Terugdraaien van zo’n vrijstelling is dan ook niet aan de orde.
Het bericht dat Nederlandse grootbanken miljarden uitleenden aan bedrijven die betrokken zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «ABN Amro, ING en Rabobank negeren mensenrechten»?1
Ja.
Klopt het dat ABN Amro, ING en Rabobank samen 10 miljard euro uitleenden aan bedrijven die betrokken zijn bij ernstige schendingen van de mensenrechten? Bent u bereid onderzoek te doen naar de financiering door banken aan bedrijven die mensenrechtenschendingen plegen?
Banken informeren doorgaans geen derde partijen over de omvang en voorwaarden waaronder zij financiering met individuele klanten overeenkomen. Het kabinet verwacht echter wel dat zij due diligence (gepaste zorgvuldigheid) toepassen bij hun besluitvormingsprocessen over financiering en dat zij besluitvorming zo inrichten dat deze in lijn is met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. De verantwoordelijkheid om dit op een juiste manier in te richten en ernstige mensenrechtenschendingen te voorkomen of te mitigeren ligt bij banken. Wanneer maatschappelijke organisaties van mening zijn dat banken hun due diligence processen bij de financiering van bedrijven niet op orde hebben kunnen zij dit in eerste instantie via het klachtenmechanisme van de desbetreffende bank kenbaar maken. Daarnaast heeft het kabinet een onafhankelijk Nationaal Contact Punt (NCP) voor de OESO-richtlijnen ingesteld voor de behandeling van klachten over de toepassing van de OESO-richtlijnen door bedrijven, waaronder banken. Als een partij een klacht heeft over de toepassing van de OESO-richtlijnen door deze banken dan kan deze partij een melding doen bij het NCP.
Welke regels gelden er met betrekking tot het financieren van bedrijven die mensenrechtenschendingen plegen? Wat moeten banken doen om te voorkomen dat zij medeverantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen?
Het kabinet verwacht dat wanneer banken financieringsafspraken met bedrijven overeenkomen ze de OESO-richtlijnen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights(UNGP’s) naleven. Hierin zijn voor bedrijven afspraken vastgelegd over het respecteren van mensenrechten en betrachten van gepaste zorgvuldigheid. Hierbij moeten bedrijven een procedure hebben om daadwerkelijke en mogelijke impact van hun activiteiten in kaart te brengen, te voorkomen en te beperken. Ook moeten zij communiceren over de wijze waarop ze met deze impacts zijn omgegaan.
Waarom wilden deze banken niet meewerken aan het onderzoek door de Eerlijke Bankwijzer? Vindt u dat de banken hun verantwoordelijkheid nemen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen?
Het wel of niet meewerken aan de onderzoeken van de Eerlijke Bankwijzer is een keuze van de banken zelf. Via eigen persberichten en een verklaring van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB)2 hebben de banken over hun beweegredenen om niet mee te werken gecommuniceerd.
De genoemde banken zijn sinds december 2016 ondertekenaar van het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) convenant voor de bancaire sector. De overheid en maatschappelijke organisaties zijn ook partij bij dit convenant. Met dit convenant hebben de banken zich gecommitteerd aan het verbeteren van hun processen voor gepaste zorgvuldigheid met betrekking tot mensenrechten conform de OESO-richtlijnen en UNGPs. Een onafhankelijke monitoringscommissie en de stuurgroep van het convenant zien toe op de naleving van de afspraken door banken. De jaarrapportage is openbaar.
Vindt u dat deze banken hun afwegingen op een juiste manier maken als het gaat om ethisch verantwoord geld verdienen?
Het is algemeen bekend dat de sectoren die volgens het bericht van de Eerlijke Bankwijzer gefinancierd zijn door deze banken voor grote uitdagingen staan op zowel klimaat- als mensenrechtengebied. Brede afwegingen die ten grondslag liggen aan de financierings- en investeringsbeslissingen in bepaalde sectoren hebben deze banken vastgelegd in publiekelijk toegankelijk duurzaamheidsbeleid. Met de ondertekening van het eerder vermelde IMVO-convenant hebben deze banken zich gecommitteerd om binnen twee jaar gepaste zorgvuldigheid op mensenrechten in hun bedrijfsprocessen geïmplementeerd te hebben. Hierbij wordt verwacht dat zij hoog-risico sectoren identificeren en een dialoog voeren met bedrijven waarvoor financiering wordt overwogen. Daarbij moeten daadwerkelijke en mogelijk toekomstige mensenrechtenschendingen waarmee de bank geassocieerd kan worden in die zakelijke relatie beoordeeld worden. Conform OESO-richtlijnen en UNGPs behoren banken hun invloed aan te wenden om bedrijven waarmee zij een financieringsrelatie hebben te bewegen tot het respecteren van mensenrechten. Als een bank geen invloed kan uitoefenen moet de bank overwegen de financieringsrelatie te beëindigen, dit is echter een laatste middel. Hierbij moet onderzocht zijn wat de negatieve gevolgen voor de mensenrechten van een dergelijke stap zouden kunnen zijn.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat banken investeren in bedrijven die zich schuldig maken aan mensenrechtenschendingen? Bent u bereid om de betrokken banken aan te spreken op deze praktijken?
De overheid is samen met de NVB, vakbonden en maatschappelijke organisaties partij bij het IMVO-convenant voor de bancaire sector. De partijen rapporteren over de naleving van de afspraken in een jaarlijkse voortgangsrapportage3, hierbij wordt ook het oordeel van de onafhankelijke monitoringscommissie meegenomen. In het convenant is afgesproken dat partijen elkaar kunnen aanspreken wanneer er onvoldoende stappen worden gezet in het behalen van de vastgestelde doelen.
Binnen het convenant werken de partijen samen om de banken te ondersteunen bij hun due diligence processen. De partijen en banken brengen onder andere in kaart welke ernstige mensenrechtenschendingen plaatsvinden in waardeketens en formuleren aanbevelingen om deze schendingen te voorkomen en aan te pakken. Er is een analyse gemaakt over risico’s in de cacaoketen en er wordt gewerkt aan een analyse van de palmolieketen en de goudketen. Daarna zal een analyse van de olie- en gasketen van start gaan. Aangezien het onderzoek van de Eerlijke Bankwijzer zich richt op bedrijven in de extractieve sector zal de overheid als partij dit onderzoek inbrengen in de voorbereiding van de laatstgenoemde waardeketenanalyse.
Welke consequenties worden hieraan verbonden binnen het convenant over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO-convenant) in de bankensector, waarbij uzelf ook partij bent?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘So werden Erdogan-Kritiker in Deutschland per App denunziert’ |
|
Enneüs Heerma (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht uit de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 25 september 2018 «So werden Erdogan-Kritiker in Deutschland per App denunziert»?1
Ja.
Kent u de berichten uit Duitsland dat deze app gebruikt wordt om personen die zich kritisch uitlaten over president Erdogan te rapporteren bij de Turkse politie?
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze app ook in Nederland voor dit doeleinde wordt gebruikt? Zo nee, heeft u signalen ontvangen dat deze app mogelijk ook in Nederland voor dit doeleinde wordt gebruikt? Deelt u de mening dat dit ontwrichtend en onwenselijk is dat zo’n app in Nederland wordt gebruikt?
Het is niet bekend hoe vaak de app in Nederland is gedownload en of de app wordt gebruikt om personen vanwege hun (vermeende) politieke uitspraken of sympathieën aan te geven. Als de app inderdaad voor dit doeleinde wordt gebruikt, dan is dit volstrekt onwenselijk. Het kabinet onderschrijft en begrijpt de zorgen over het mogelijke gebruik van deze app die er volgens berichten op sociale media binnen de Turkse-Nederlandse gemeenschap bestaan en de wijze waarop de Turkse overheid omgaat met politieke tegenstanders. Mochten er concrete aanwijzingen zijn dat de Turkse overheid actief oproept of aanmoedigt om deze app in Nederland op een dergelijke wijze te gebruiken, dan zal Nederland Turkije hierop aanspreken.
Het uitgangspunt is wel dat in Nederland van strafbare feiten aangifte wordt gedaan bij de Nederlandse politie. De handhaving van de openbare orde in Nederland behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de Nederlandse autoriteiten. De Turkse politie is vanzelfsprekend niet bevoegd haar taken op Nederlands grondgebied uit te oefenen zonder expliciete toestemming van Nederland.
Zoals eerder gemeld zijn de politie en het Openbaar Ministerie extra alert op zaken die voortvloeien uit de spanningen in de Turks-Nederlandse gemeenschap. Personen die menen het slachtoffer te zijn van bedreiging en intimidatie worden nadrukkelijk opgeroepen om melding en/of aangifte te doen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is als mensen via een app mede-burgers kunnen rapporteren bij een buitenlandse overheid, in dit geval Turkije? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden heeft u om hier tegen op te treden? Bent u bereid om in gesprek te gaan met Apple en Google om deze app in Nederlandse appwinkels te verbieden? Zo nee, waarom zou dat niet mogelijk zijn?
Het betreft hier een algemene politie-applicatie die primair bedoeld is voor gebruik in Turkije. Dergelijke applicaties worden ook door de Nederlandse en andere overheden gebruikt om contact tussen burgers en de overheid te faciliteren.
De beoordeling of een app wordt toegelaten in een appwinkel van aanbieders zoals Google en Apple is primair de verantwoordelijkheid van die aanbieders. De beoordeling van de inhoud van een app is, mede gelet op de vrijheid van meningsuiting, geen taak van de overheid. Dit ligt echter anders als strafrechtelijke grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld doordat een app aanzet tot haat of geweld dan wel discriminerende inhoud bevat.
Zijn er, in Nederland en ons omringende landen, nog andere (online) «meldpunten» bekend waar mensen medeburgers kunnen rapporteren bij een buitenlandse overheid?
De meeste Europese overheden maken gebruik van applicaties waarmee gebruikers melding kunnen maken van overtredingen of contact op kunnen nemen met de politie. Het gebruik van deze applicaties is niet geografisch beperkt.
Het bericht 'Berispte ambtenaar blijft actief in vrouwenrechten' |
|
Nevin Özütok (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Berispte ambtenaar blijft actief in vrouwenrechten»?1
Ja.
Klopt het bericht dat een ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die als coördinator werkte voor een internationaal project om vrouwenrechten te beschermen, zich schuldig heeft gemaakt aan (seksuele) intimidatie, financieel machtsmisbruik en pesten?
Er zijn klachten over ongewenste omgangsvormen ingediend tegen een ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze zijn onderzocht door een speciale klachtencommissie. Zes van de klachten zijn gegrond verklaard.
Klopt het bericht dat zes klachten tegen hem gegrond zijn verklaard? Zo ja, onder welke categorie vielen de gegronde klachten (seksuele intimidatie, financieel machtsmisbruik en pesten)?
Zie antwoord vraag 2.
Wat voor gevolgen heeft dit gehad voor de desbetreffende ambtenaar?
De ambtenaar heeft een disciplinaire maatregel opgelegd gekregen.
Klopt het bericht dat de desbetreffende ambtenaar is overgeplaatst naar een andere afdeling, in een gelijkwaardige functie, waar hij nog steeds werkt op het gebied van vrouwenrechten? Zo ja, bent u voornemens de desbetreffende ambtenaar te laten werken in die functie?
Nadat klachten waren binnengekomen is de betrokken ambtenaar onmiddellijk overgeplaatst. In het functieprofiel van de huidige functie staan vrouwenrechten niet benoemd. In verband met de privacy van betrokkene kan ik geen verdere uitspraken doen over de precieze invulling van deze functie.
Vindt u dat de desbetreffende ambtenaar hiermee is gestraft voor zijn gedrag?
Ja, er is een disciplinaire maatregel opgelegd.
Kunt u zich voorstellen dat het voor slachtoffers van wie de klachten gegrond zijn verklaard, onbegrijpelijk is dat hij op het gebied van vrouwenrechten en in een gelijkwaardige functie kan blijven werken?
Na oplegging van de disciplinaire maatregel, moet de betrokken ambtenaar verder werkzaam kunnen zijn binnen de verschillende beleidsterreinen van het ministerie.
In het profiel van de huidige functie van de betrokken ambtenaar staan vrouwenrechten niet benoemd, al blijven vrouwenrechten natuurlijk wel intrinsiek onderdeel van het Nederlandse buitenlandse beleid.
Bij de uitvoering van de functie van de betrokken ambtenaar hoort ook contact met externe partijen, waaronder ngo’s, aangezien dit een onlosmakelijk onderdeel van het werken bij dit ministerie is.
Het spreekt voor zich dat contact tussen de ambtenaar en betrokken ngo-medewerkers vermeden zal worden.
Vindt u het verstandig dat de desbetreffende medewerker nog steeds een rol heeft waarbij hij contact heeft met niet-gouvernementele organisaties (ngo's)?
Zie antwoord vraag 7.
Denkt u dat iemand die zich schuldig heeft gemaakt aan (seksuele) intimidatie jegens vrouwen, de beste persoon is om de Nederlandse inzet op het gebied van vrouwenrechten te vertegenwoordigen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat als het klopt dat klachten op het gebied van seksuele intimidatie, financieel machtsmisbruik en pesten gegrond zijn verklaard, het niet houdbaar is dat deze ambtenaar op een dergelijke positie blijft werken?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid maatregelen te nemen om te zorgen dat ambtenaren die zich schuldig hebben gemaakt aan seksuele intimidatie en financieel machtsmisbruik, niet kunnen werken op een plek waar zij vrouwenrechten moeten versterken respectievelijk gaan over subsidies van de Nederlandse overheid?
Elke casus moet individueel worden beoordeeld. Disciplinaire maatregelen worden gebaseerd op een zorgvuldige weging van de feiten en omstandigheden.
Hoe is de klachtenprocedure binnen de ministerie vormgegeven?
De behandeling van klachten van ongewenste omgangsvormen vindt plaats door een klachtencommissie, samengesteld uit ambtenaren van het ministerie, eventueel aangevuld met externe experts. De commissie hoort partijen en getuigen en concludeert op basis daarvan of, en zo ja, in welke mate klachten gegrond zijn. Daarna beslist het ministerie over een eventuele disciplinaire maatregel. Indien klagers niet tevreden zijn met de gevolgde procedure kunnen zij zich wenden tot de Nationale ombudsman.
Is er bij het ministerie, dan wel de rijksoverheid, een onafhankelijke vertrouwenspersoon die bij grensoverschrijdend gedrag advies en bijstand kan bieden? Zo ja, in hoeverre is de vertrouwenspersoon zelf beschermd om zaken onafhankelijk te kunnen op te pakken en te onderzoeken?
Net als de meeste andere werkgevers in de sector Rijk, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken naast een Centrale Coördinator Integriteit een aantal vertrouwenspersonen, zowel op het departement als op de vertegenwoordigingen in het buitenland. Tevens heeft het ministerie een externe vertrouwenspersoon. Medewerkers kunnen zich voor advies tot deze vertrouwenspersonen wenden bijvoorbeeld als zij ongewenst gedrag in hun werkomgeving ervaren. De vertrouwenspersonen kunnen gevraagd en ongevraagd de ambtelijke leiding adviseren over zaken die het welbevinden van medewerkers betreffen. Ik heb geen reden om aan te nemen dat zij niet veilig en onafhankelijk kunnen opereren.
Tot welke aanscherpingen inzake klachten over grensoverschrijdend gedrag gaat het ministerie over, zodat de sociale veiligheid van vrouwen en mannen op de werkvloer gewaarborgd is?
Ik neem maatregelen om het melden laagdrempeliger te maken, zowel voor mijn eigen ambtenaren als voor externe partijen. Zo komt er een meldpunt waar externen grensoverschrijdend gedrag door BZ-ambtenaren kunnen melden. Tot slot maak ik nog meer werk van nazorg voor melders en gaan we na hoe we transparantie over meldingen kunnen vergroten. We maken de werkomgeving samen veiliger door het gesprek op de werkvloer te blijven voeren over zaken als integriteit, diversiteit en inclusiviteit.
Seksueel overschrijdend gedrag bij het ministerie van Buitenlandse Zaken |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Berispte ambtenaar blijft actief in vrouwenrechten»?1
Ja.
Kunt u toelichten welk afwegingskader heeft geleid tot de disciplinaire maatregelen zoals die genomen zijn?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Gedragscode Integriteit BZ, waarin regels met betrekking tot integriteit en omgangsvormen beschreven staan. De zaak is onderzocht door een speciale klachtencommissie. Zes klachten zijn gegrond verklaard. Op basis van de vastgestelde feiten, omstandigheden en context heeft de betrokken ambtenaar een disciplinaire maatregel opgelegd gekregen.
Hoe verklaart u het dat de betrokken organisaties aangeven te hebben geaarzeld bij hun rapportages? Kunt u toelichten hoe dit is meegewogen bij het bepalen van de berisping?
Het is zelden eenvoudig melding te maken van ongewenste omgangsvormen en zeker in het licht dat het om externen gaat, begrijp ik het als betrokken organisaties aangeven aarzelingen te hebben gehad. Bij het bepalen van de disciplinaire maatregelen zijn alle feiten en omstandigheden meegewogen.
Deelt u de mening dat het voor slachtoffers en de maatschappij van belang is om te weten welke disciplinaire maatregelen het Ministerie van Buitenlandse Zaken verbindt aan grensoverschrijdend gedrag? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om de transparantie hieromtrent te bevorderen?
Ik begrijp heel goed dat het voor het rechtsgevoel van betrokkenen van belang is meer inzicht te hebben in de opgelegde sanctie. Daarom laat ik onderzoeken hoe de transparantie over de opvolging van grensoverschrijdend gedrag in de toekomst kan worden vergroot.
Op welke termijn verwacht u dat het Rijksbrede meldpunt voor externe organisaties actief is? Op welke wijze draagt dit meldpunt bij aan meer transparantie?
De inzet van BZ is om zo snel mogelijk een meldpunt voor externe organisaties operationeel te hebben. Voorts zijn de vormgeving en de mogelijkheden voor interdepartementale samenwerking op dit vlak momenteel onderwerp van overleg tussen de departementen. Een dergelijk meldpunt heeft als doel de drempel te verlagen voor externen om melding te maken van grensoverschrijdend gedrag van een ambtenaar. Transparantie wordt versterkt door effectieve communicatie over het meldpunt en de bijbehorende procedures en garanties voor melders.
Het uitzonderen van Nederlanders in het buitenland bij het kiezen van de Eerste Kamer |
|
Monica den Boer (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het feit dat in het buitenland woonachtige Nederlanders op dit moment geen invloed hebben op de samenstelling van de Eerste Kamer? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is?
In het regeerakkoord staat dat het stemproces wordt aangepast zodat Nederlanders op Bonaire, St. Eustatius, Saba en in het buitenland eenvoudiger hun kiesrecht, ook in relatie tot de verkiezing van de Eerste Kamer, kunnen uitoefenen. In mijn brief van 15 oktober 2018 heb ik uw Kamer meegedeeld dat ik in de komende maanden de opties in kaart ga brengen om Nederlanders die in het buitenland wonen invloed te geven op de samenstelling van de Eerste Kamer. Ik zal daarbij gebruik maken van eerder, in het kader van de regeling voor de openbare lichamen, gemaakte analyses en adviezen. Mijn planning is erop gericht om in het voorjaar van 2019 de Kamer de opties voor te leggen, inclusief de mogelijke (juridische) consequenties daarvan.
Bent u het eens dat actief kiesrecht één van de belangrijkste rechten is die verbonden is aan het staatsburgerschap? Bent u het aldus eens dat elke Nederlander via verkiezingen invloed zou moeten hebben op de samenstelling van de landelijke wetgever, dat wil zeggen de Tweede én de Eerste Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat de oorzaak van het feit dat Nederlanders in het buitenland geen invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer, namelijk het getrapte systeem via provinciale staten (Nederlanders in het buitenland wonen immers niet in een provincie), een gegronde reden is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met de volgende zin uit het Regeerakkoord: «het stemproces wordt aangepast zodat Nederlanders op Bonaire, St. Eustatius, Saba en in het buitenland eenvoudiger hun kiesrecht, ook in relatie tot de verkiezing van de Eerste Kamer, kunnen uitoefenen»?
Zie antwoord vraag 1.
Is het wetgevende traject voor een eigen Kiescollege van de BES-eilanden inmiddels afgerond?
Ja. Bij wet van 1 november 2017 (Stb. 2017, 426) is de Grondwet gewijzigd en bij Wet van 14 februari 2018 (Stb. 2018, 58), die op 1 augustus jl. in werking is getreden (Stb. 2018, 235), zijn de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Kieswet gewijzigd, waardoor de kiezers die woonachtig zijn in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 20 maart 2019 voor het eerst kunnen stemmen voor de leden van een kiescollege voor de Eerste Kamer.
Bent u bereid om gevolg te geven aan de eerder genoemde zin in het Regeerakkoord, en u in te zetten voor het optuigen van een «Kiescollege Buitenland» voor het verkiezen van de Eerste Kamer voor Nederlanders in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
De uitvoering van de motie inzake Magnitsky-sancties |
|
Joël Voordewind (CU), Martin van Rooijen (CDA), Lilianne Ploumen (PvdA), Kees van der Staaij (SGP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Tunahan Kuzu (DENK), Bram van Ojik (GL), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw brief van 5 juli 2018 herinneren, waarin u stelde dat u voornemens was tijdens een volgende Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) een concreet voorstel te doen aan uw Europese collega’s inzake een EU-mensenrechtensanctieregime?1
Ja.
Heeft u dit voorstel tijdens een van de afgelopen RBZ's gedaan? Zo ja, welk voorstel heeft u gedaan? Kunt u dit voorstel aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het Gymnich overleg van 30-31 augustus jl. heb ik voorgesteld om in EU kader te gaan werken aan een «EU global human rights sanctions regime» en heb ik dit idee nader toegelicht (ref ook Kamerstuk 21 501-02, nr. 1902 van 5 september jl. en Kamerstuk 32 735, nr. 205 van 5 juli jl.). Een thematisch sanctieregime tegen mensenrechtenschenders zou een waardevolle aanvulling kunnen zijn op het bestaande Europese externe mensenrechteninstrumentarium en de geografische sanctieregimes. Met een dergelijk sanctieregime kan wereldwijd worden ingezet op het instellen van persoonsgerichte sancties tegen mensenrechtenschenders, zoals bijvoorbeeld bevriezing van tegoeden en reisbeperkingen, met als doel hun gedrag te veranderen. Daarnaast kan er een preventief effect van uitgaan richting andere (potentiële) mensenrechtenschenders.
Wat was de reactie ten tijde van de RBZ op het betreffende voorstel?
Van verschillende EU-lidstaten is inmiddels een positieve reactie op dit Nederlandse initiatief ontvangen. Ook hebben enkele lidstaten aanvullende vragen gesteld ten behoeve van hun positiebepaling. Vooralsnog zijn geen uitgesproken negatieve reacties ontvangen.
Welke landen waren positief over het voorstel?
Zie antwoord vraag 3.
Welke landen stonden neutraal tegenover het voorstel?
Zie antwoord vraag 3.
Welke landen waren negatief over het voorstel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid dit najaar, uiterlijk tijdens de RBZ in oktober, het voorstel formeel in te dienen?
Het voorstel om in EU-verband een mensenrechtensanctieregime op te zetten, kan niet als vanzelfsprekend rekenen op steun van alle lidstaten. Een dergelijk voorstel kan alleen worden aangenomen als alle lidstaten instemmen. Door het voorstel formeel te agenderen voordat er voldoende steun voor is, ontstaat het risico dat het voorstel weggestemd wordt. Daarom wordt veel diplomatiek noodzakelijk voorwerk verricht in Den Haag, in Brussel en in Europese hoofdsteden, en breng ik het idee op zowel in bilaterale gesprekken als in EU-verband.
Kunt u zich uw stelling herinneren dat het kabinet grote vraagtekens plaatst bij de doeltreffendheid van het invoeren van een dergelijk sanctieregime op nationaal niveau? Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot het feit dat door Canada, de Baltische Staten en Groot-Brittannië – zoals u in uw brief beschrijft – wel dergelijke wetgeving op nationaal niveau is ingevoerd? Waarom acht u een dergelijk sanctieregime op nationaal niveau derhalve niet doeltreffend?
De genoemde sanctieregimes betreffen onder meer reisbeperkingen, al dan niet in samenhang met een bevriezing van tegoeden. In de context van de EU zou een dergelijk sanctieregime op Nederlands niveau weinig effectief zijn omdat het niet doeltreffend te handhaven is. In Schengen is afgesproken dat er geen grenscontroles plaatsvinden tussen de landen die bij Schengen zijn aangesloten. Iemand die op een Nederlandse sanctielijst staat, kan dan nog steeds vrij reizen binnen het Schengengebied en bij afwezigheid van grenscontroles zal het lastig blijken om de feitelijke toegang tot Nederland te voorkomen. Hetzelfde geldt voor een nationale bevriezing van tegoeden. Niets belet de betrokkene om zijn tegoeden in een EU-buurland aan te houden en vandaaruit zijn financiële transacties te doen. Daardoor heeft een nationaal sanctieregime slechts zeer beperkte impact en acht het kabinet het vooralsnog verstandig de inspanningen te blijven richten op een Europees regime. Tot slot dient opgemerkt te worden dat het VK op dit moment slechts de wettelijke basis heeft gecreëerd om een puur nationaal mensenrechtensanctieregime op te zetten maar nog geen daadwerkelijk mensenrechtensanctieregime heeft opgezet.
Bent u het eens dat de door de Kamer aangenomen motie-Omtzigt c.s.2 uitgevoerd dient te worden, te weten dat het kabinet Magnitsky-wetgeving op nationaal niveau voorbereidt indien het niet lukt om tot Europese consensus op dit punt te komen? Zo ja, bent u bereid deze motie uit te voeren en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Om een effectief sanctieregime tegen mensenrechtenschenders op te zetten is de EU-route nog altijd de beste optie en daar zal ik mij de komende tijd voor blijven inzetten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken organiseert in november een hoogambtelijke bijeenkomst voor EU-lidstaten en enkele gelijkgezinde landen om het concept van een mensenrechtensanctieregime verder te ontwikkelen en de steun hiervoor binnen de EU verder uit te bouwen. Na deze bijeenkomst zal ik uw Kamer nader informeren over de voortgang op dit onderwerp.
Het bericht ‘Facebook bant foto van twee mannen’ |
|
Lenny Geluk-Poortvliet (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Facebook bant foto van twee mannen»?1
Ja.
Klopt het dat een foto van een video-installatie, die te zien was tijdens de expositie «Kwetsbaar Verlangen» in Dordrecht, is geweigerd op Facebook?
Dit klopt. Facebook heeft te kennen gegeven dat dit om een fout ging. Ondertussen is het bericht weer teruggeplaatst.
Deelt u de mening dat het pijnlijk is dat dit zich voordoet met een expositie die juist was georganiseerd als reactie op het recente geweld tegen homo’s in Dordrecht?
Het is jammer dat dit is gebeurd. De vrijheid van kunst is een grote verworvenheid. Kunst heeft ruimte nodig om te kunnen reflecteren op de samenleving en haar burgers. Die vrijheid moet er ook op het internet zijn. Echter, zoals hierboven aangegeven betreft het een fout van Facebook. In de gebruiksrichtlijnen van Facebook wordt aangegeven dat Facebook foto's van schilderijen, beelden of andere kunst die naakte figuren afbeelden toestaat.
Deelt u de mening dat de toenemende maatschappelijke betekenis van sociale media een toenemende maatschappelijke verantwoordelijkheid meebrengt voor de aanbieders, ook ten aanzien van de grondwettelijk gegarandeerde vrijheid van meningsuiting?
De vrijheid van meningsuiting geldt tussen de overheid en burgers. Desalniettemin, hebben bedrijven zoals Facebook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daarom is het goed dat er maatschappelijke dialoog is over dit onderwerp.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Facebook over de vrijheid van meningsuiting in relatie tot het bedrijfsbeleid?
Aangezien het verwijderen van de foto een fout betreft, zie ik geen aanleiding om op dit moment met Facebook het gesprek aan te gaan.
Het rapport 'Opgesloten en uitgezet' van Amnesty International |
|
Antje Diertens (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Opgesloten en uitgezet» van Amnesty International?
Ja
Hoeveel Venezolanen zijn er op dit moment op Curaçao en hoeveel zijn er op Aruba en Bonaire?
Zoals gesteld in het antwoord op de Kamervragen van het lid Bosman (VVD) d.d. 22 mei 20181, hebben de autoriteiten van Aruba gemeld dat er in 2017 bijna 3000 mensen met de Venezolaanse nationaliteit, niet zijnde een dubbele nationaliteit, waren ingeschreven in het bevolkingsregister. In het bevolkingsregister van Curaçao stonden 3832 personen met de Venezolaanse nationaliteit ingeschreven. Op Bonaire is de afdeling Burgerzaken van het Openbaar Lichaam Bonaire verantwoordelijk voor de «Basisadministratie persoonsgegevens». Uit hun gegevens blijkt dat er 751 personen met de Venezolaanse nationaliteit stonden ingeschreven op Bonaire. Concrete gegevens over het aantal illegale Venezolanen op deze eilanden zijn mij niet bekend.
Hoeveel mensen op Curaçao zijn door de VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR geregistreerd? Hoeveel daarvan hebben de Venezolaanse nationaliteit?
UNHCR heeft laten weten dat het aantal door UNHCR op Curaçao geregistreerde personen met de Venezolaanse nationaliteit, inclusief het aantal personen met de Venezolaanse nationaliteit die het voornemen hebben geuit om asiel aan te vragen, neerkomt op een totaal van 679 personen sinds 2014 (stand op 31 december 2017).2 Het gaat daarbij – zo laat UNHCR weten – niet alleen om Venezolanen die officieel zijn geregistreerd in het registratiesysteem van UNHCR, maar ook om personen die het Refugee Status Determination formulier bij de UNHCR hebben ingediend en om personen die anderszins de wens kenbaar hebben gemaakt om asiel aan te vragen, maar die zich nog niet hebben geregistreerd bij UNHCR. De autoriteiten van Curaçao geven aan dat zij – op basis van een lijst die zij hebben ontvangen van UNHCR – uitgaan van 312 personen, waarvan 180 Venezolaan zijn. Het gaat hierbij echter alleen om personen die UNHCR heeft geregistreerd op Curaçao tijdens bezoeken in het laatste kwartaal van 2017.
Hoeveel mensen zijn sinds 2015 vanaf Curaçao hergevestigd door de UNHCR? Hoeveel mensen wachten op hervestiging?
UNHCR geeft aan dat tussen 2015–2018, 11 personen (5 zaken) daadwerkelijk hervestigd zijn vanaf Curaçao. Daarnaast zijn tussen 2015–2017 nog eens 34 personen (19 zaken) voorgedragen voor hervestiging bij derde landen. Bijna al deze voordrachten zijn gedaan in 2016/2017. Op dit moment hebben hervestigingslanden 5 zaken geaccepteerd voor hervestiging. De betreffende personen zullen mogelijk nog dit jaar vertrekken naar het ontvangende land. UNHCR stelt dat er nog diverse zaken in afwachting zijn van verdere afhandeling door de International Organization for Migration (IOM) en/of ontvangende landen.
Klopt het dat de autoriteiten op Curaçao in juli 2017 hebben besloten het registratieproces en de procedure over te nemen van UNHCR?
Zoals beschreven in de Kamerbrief3 van 4 september 2017, als ook gesteld in antwoord op vragen van het lid Bosman (VVD)4 van 22 mei 2018, is de Toelatingsorganisatie van Curaçao sinds juli 2017 verantwoordelijk voor de registratie en doorgeleiding van asielaanvragen richting de UNHCR, een taak die voorheen belegd was bij het Rode Kruis. De asielprocedure zelf, inclusief de rol van UNHCR, is verder ongewijzigd.
Waarom hebben de autoriteiten deze procedure niet gepubliceerd? Hoe beoordeelt u dat?
De autoriteiten van Curaçao hebben aangegeven dat de procedure is gepubliceerd. De procedure staat beschreven op de website van de overheid van Curaçao.5 Daarnaast hebben zij op 21 juni 2018 in een openbare informatiesessie de maatschappij geïnformeerd over de procedure.
Voldoet de procedure die is vastgelegd in het besluit van juli 2017 aan de relevante internationale verdragen? Zo nee, op welke punten niet? Zo ja, kunt u dat toelichten?
De toets op artikel 3 EVRM is een absolute verplichting. Dit betekent dat de autoriteiten van Curaçao altijd de toets op artikel 3 EVRM moeten verrichten als een migrant een verzoek om bescherming indient. In dit verband maakt het niet uit dat de migrant illegaal of legaal Curaçao is ingereisd of al enige tijd (illegaal) verblijft op Curaçao. De bestaande artikel 3 EVRM procedure van Curaçao moet mogelijk worden aangepast, omdat op basis van informatie van de Curaçaose autoriteiten een persoon die al enige tijd (illegaal) in Curaçao verblijft volgens de huidige artikel 3 EVRM procedure geen beroep lijkt te kunnen doen op deze procedure. Hierover worden momenteel, onder andere door JenV, gesprekken gevoerd met Curaçao.
Zijn de autoriteiten op Curaçao, naar uw oordeel, in staat deze procedure correct uit te voeren?
Ja. De Toelatingsorganisatie in Curaçao beoordeelt onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie van Curaçao de aanvraag en bepaalt of betrokkene in aanmerking komt voor bescherming op grond van een artikel 3 EVRM procedure.
Hoe beoordeelt u de samenwerking tussen Curaçao en de UNHCR? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u?
Hoe beoordeelt u het gegeven dat in de praktijk mensen niet worden geïnformeerd over hun rechtspositie en rechtsmiddelen? Wat kunt u doen teneinde dat te verbeteren?
De rechtszekerheid is een verantwoordelijkheid van het land Curaçao. Het kabinet acht het van belang dat in het kader van goed en deugdelijk bestuur de landen in het Koninkrijk de nodige procedures hebben ingericht zodat zij aan deze normen voldoen.
Klopt het dat een delegatie van de Immigratie en Naturalisatie Dienst, Curaçao heeft bezocht? Wat waren de bevindingen en wat gaat u daarmee doen?
Begin juni 2018 hebben diverse Nederlandse diensten en departementen, waaronder de IND, een werkbezoek gebracht aan Curaçao, gericht op de doorontwikkeling van het Curaçaose migratiebeleid en de processen voor de afhandeling van grotere aantallen migranten. Op verzoek van de Minister van Justitie van Curaçao hebben experts van de IND en het Ministerie van Justitie en Veiligheid in augustus tevens een meerdaags vervolgbezoek gebracht aan Curaçao. Dit bezoek richtte zich op het optimaliseren van de artikel 3 EVRM aanvraagprocedure van Curaçao. Tijdens dit werkbezoek zijn het juridisch kader en de toetsingscriteria inzake artikel 3 EVRM toegelicht en is door Curaçao toegezegd dat zij op basis van deze informatie zullen bezien of bepaalde elementen van de procedure aangepast moeten worden.
Op welke manier ondersteunt Nederland, Curaçao bij het beoordelen van asielverzoeken?
Zie antwoord vraag 11.
Welke rol ziet u voor Nederland, gelet op artikel 46 van het Statuut?
Artikel 46 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden heeft betrekking op het kiesrecht in de landen. Nederland heeft daarbij geen rol.
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de asielprocedure in Curaçao en in hoeverre deze in lijn is met lokale en internationale regelgeving? Zo nee, waarom niet?
De staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk staan mij niet toe om eenzijdig onderzoek te laten verrichten naar zaken die betrekking hebben op een autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de regering van Curaçao zelf. Wel biedt Nederland reeds op verzoek van de Minister van Justitie van Curaçao ondersteuning bij het verder optimaliseren van de door Curaçao gehanteerde artikel 3 EVRM procedure.
Hoe beoordeelt u de omstandigheden in de SDKK-gevangenis waar Venezolanen in detentie zitten? Zijn deze omstandigheden in overeenstemming met de lokale en de internationale regelgeving?
De sanctietoepassing valt onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao. Verder verwijs ik u kortheidshalve naar het inspectierapport uit 2017 van de Raad voor de Rechtshandhaving met betrekking tot de Penitentiaire inrichting Curaçao.
Welke stappen kunt u nemen teneinde de detentie-omstandigheden onafhankelijk te laten onderzoeken? Bent u daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Zie de beantwoording bij vraag 14.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat kinderen worden gescheiden van hun moeder voorafgaande aan uitzetting? Is dit in overeenstemming met de lokale en de internationale regelgeving? Welke stappen kunt u nemen teneinde dit te verbeteren?
Allereerst wijs ik er op dat migratiebeleid een landsaangelegenheid is. Op basis van de internationale regelgeving is het mogelijk dat kinderen gescheiden worden opgevangen van hun ouders voorafgaande aan uitzetting. De afweging voor het nemen van deze maatregel zal altijd op basis van een individuele beoordeling moeten worden gemaakt.
Hoe beoordeelt u de berichten over ongeoorloofde psychische druk en fysiek geweld? Worden deze incidenten onafhankelijk onderzocht? Zo nee, waarom niet? Welke stappen kunt u zetten teneinde een dergelijk onafhankelijk onderzoek te bewerkstelligen?
Zie de beantwoording bij vraag 14.
Opinie 7/2018 van de Europese databeschermingsautoriteit (EDPS) over het voorstel om vingerafdrukken op ID-kaarten op te nemen |
|
Kees Verhoeven (D66), Monica den Boer (D66) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met Opinie 7/2018 van de Europese databeschermingsautoriteit (EDPS) over het EU-voorstel (2018/0104) over de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten door middel van het opnemen van vingerafdrukken?1
Ja.
Deelt u de mening dat gezichtsafbeeldingen en vingerafdrukken beschouwd moeten worden als gevoelige persoonsgegevens en daarom speciale bescherming verdienen?
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie van de EDPS dat het betreffende EU-voorstel niet voldoende rechtvaardigt waarom twee soorten biometrische data (gezichtsafbeelding en vingerafdrukken) op ID-kaarten opgeslagen moeten worden, terwijl het gestelde doel ook met minder indringende middelen bereikt kan worden?
Ik zie daarin steun voor het Nederlandse standpunt in de onderhandelingen om de proportionaliteit van dit onderdeel van het voorstel ter discussie te blijven stellen.
Bent u het met het oordeel van de EDPS eens dat het voorstel een vergaande impact zal hebben op honderden miljoenen Europeanen omdat zij aan de verplichte vingerafdrukeisen zullen worden onderworpen, terwijl veel landen deze vingerafdrukken niet kunnen uitlezen? Zo nee, waarom niet?
De EDPS neemt hetzelfde standpunt in als dat Nederland in de afgelopen periode heeft ingenomen met betrekking tot het opnemen van de vingerafdrukken op identiteitskaarten. Belangrijkste reden is het tot op heden beperkte gebruik van vingerafdrukken in paspoorten bij grenscontroles en de afwezigheid van grenscontroles binnen het Schengengebied vanwege het vrije verkeer van personen en goederen. Net als de EDPS heb ik de proportionaliteit van het opnemen van de vingerafdrukken in relatie tot het beperkte gebruik onder de aandacht gebracht en blijf ik daarvoor aandacht vragen.
Deelt u de mening dat de noodzakelijkheid en proportionaliteit van het verwerken van biometrische data zoals vingerafdrukken in deze context opnieuw tegen het licht zou moeten worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
Ja, bij de komende Raadswerkgroep op 14 september zal ik onder verwijzing naar het rapport van het EDPS dit onderwerp opnieuw aan de orde stellen.
Wat is uw reactie op het voorstel van de EDPS dat vanwege het feit dat het beoogde doel van het voorstel niet de noodzaak rechtvaardigt voor de opslag van twee soorten biometrische data, het een alternatief is om alleen de opslag van de gezichtsafbeelding te handhaven en niet de vingerafdrukken?
Tijdens de onderhandelingen in de Raadswerkgroep, en later dit jaar in de Raad van de Europese Unie, zal Nederland blijven wijzen op de proportionaliteit van deze maatregel. Daarbij zal Nederland dan ook verwijzen naar de opinie van de EDPS op dit onderwerp.
Hoe kijkt u aan tegen het opnemen van een specifieke bepaling in de verordening dat lidstaten verplicht zijn de biometrische data die verwerkt zijn direct te verwijderen na het opslaan op de identiteitskaart en dat deze gegevens daarna in geen enkel geval voor andere doeleinden gebruikt mogen worden?
De verordening kent nu al een bepaling met daarin doelbinding voor het gebruik van de biometrische gegevens. Daarbij zijn de landen gebonden aan de grenzen van de verordening en hun nationale wetgeving. Voor het gebruik van de data acht ik die bepalingen met doelbinding voldoende.
De EDPS benadrukt verder dat voorkomen moet worden dat de lidstaten zelf vingerafdrukdatabases gaan ontwikkelen op basis van deze verordening. In de aankomende Raadswerkgroep zal ik specifieke aandacht vragen voor deze observatie van de EDPS.
Kunt u de antwoorden op deze vragen voorafgaand aan het plenaire debat naar aanleiding van het verslag van het algemeen overleg (VAO) Biometrie aan de Kamer doen toekomen?
Ja.
Het bericht dat Maleisische vrouwen stokslagen krijgen omdat zij op vrouwen vallen |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Maleisische vrouwen krijgen stokslagen voor «poging tot lesbische seks»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat twee Maleisische vrouwen, ondanks eerdere internationale druk, alsnog stokslagen hebben gekregen omdat zij van elkaar houden?
Het kabinet heeft met zorg en afschuw kennisgenomen van deze strafmaatregel, die is opgelegd door de shariarechtbank van de Maleisische deelstaat Terengganu. Het kabinet beschouwt het geven van stokslagen als een wrede, inhumane en vernederende straf. Dat deze straf wordt opgelegd vanwege een bepaalde seksuele geaardheid veroordeelt het kabinet scherp. Daarom verwelkomt het kabinet de verklaring van de Maleisische premier Mahathir van 5 september jl., waarin de regering van Maleisië afstand neemt van de uitgevoerde strafmaatregel.
Bent u bereid contact op te nemen met uw Maleisische ambtsgenoot om de uitvoering van de straf te veroordelen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
De woordvoerder van Hoge Vertegenwoordiger van de EU Mogherini heeft – mede op Nederlands initiatief – in reactie op de strafuitvoering een verklaring uitgegeven waarin de stokslagen worden veroordeeld en Maleisië wordt opgeroepen de rechten van LHBTI’s te garanderen. Maleisië is gehouden aan internationale mensenrechtenverplichtingen, ook die ten aanzien van de bescherming van LHBTI’s.
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2 heeft de Maleisische regering bij monde van premier Mahathir op 5 september jl. afstand genomen van de uitgevoerde strafmaatregel.
De Nederlandse ambassadeur in Maleisië heeft de kwestie in gesprekken met de autoriteiten en mensenrechtenorganisaties aan de orde gesteld. Ik zal de kwestie bij mijn volgende gesprek met mijn ambtsgenoot Saifuddin Abdullah eveneens aan de orde stellen.
Hoe beoordeelt u de verslechterende mensenrechtensituatie in Maleisië en dan met name die voor lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender- en intersekse personen (LHBTI’ers)?
De positie van de LHBTI-gemeenschap in Maleisië wordt op de voet gevolgd door de Nederlandse ambassade in Kuala Lumpur. Sinds het aantreden van de nieuwe regering afgelopen mei is de discussie hierover in Maleisië meer open geworden. In het algemeen is de persvrijheid verbeterd en zijn mensenrechten hoger op de agenda gekomen. In de nieuwe regeringscoalitie zijn ook vertegenwoordigers van civil society en mensenrechtenorganisaties opgenomen. De federale regering heeft de intentie aangegeven om Maleisië tot alle negen VN-Mensenrechtenverdragen toe te laten treden. Er is ook meer ruimte voor organisaties die zich inzetten voor de rechten van de LHBTI-gemeenschap.
Daar staat tegenover dat een aantal deelstaten, waaronder Terengganu, bestuurd wordt door de conservatieve oppositie. Daar is een beweging zichtbaar richting een meer conservatieve uitleg van de islam, inclusief lijfstraffen en intolerantie jegens de LHBTI-gemeenschap. De shariarechtbanken vallen onder de verantwoordelijkheid van de deelstaten en staan niet onder controle van de federale regering van Maleisië.
Welke mogelijkheden ziet u voor Nederland, ook in EU-verband, om de verslechterende mensenrechtensituatie in Maleisië aan de orde te stellen en Malesiërs die bedreigd worden vanwege hun geaardheid te ondersteunen?
Het kabinet zal de ontwikkelingen op de voet blijven volgen en niet nalaten zorgen over de mensenrechtensituatie, inclusief de positie van LHBTI’s, bij de Maleisische autoriteiten aan de orde te stellen.
Nederland zet zich in internationale fora en in bilaterale relaties stelselmatig in voor de bescherming en bevordering van gelijke rechten van LHBTI’s. Belangrijk onderdeel daarvan, naast de bevordering van sociale acceptatie en het tegengaan van discriminatie en geweld, is de afschaffing van de strafbaarstelling van homoseksualiteit. De Nederlandse ambassade in Kuala Lumpur heeft regelmatig contact met vertegenwoordigers van de LHBTI-gemeenschap en ondersteunt hen waar mogelijk.
De hongerstaking van gedetineerde Rif-activisten in Marokko |
|
Sadet Karabulut (SP), Lilianne Ploumen (PvdA), Bram van Ojik (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat Nasser Zafzafi en andere Rif-activisten een hongerstaking zijn begonnen om daarmee te protesteren tegen onterechte detentie en slechte omstandigheden in de gevangenis? Wat is bekend over de medische toestand van de heer Zafzafi die heeft aangekondigd te zullen hongerstaken tot de dood erop volgt?1
Ja. De heer Nasser Zefzafi is op 30 augustus jl. samen met een medegevangene, de heer Mohamed Haki, een hongerstaking begonnen om gelijke rechten als de andere gevangenen op te eisen, in het bijzonder de beëindiging van zijn eenzame opsluiting. Beiden hebben hun hongerstaking op 6 september jl. beëindigd toen werd tegemoetgekomen aan het merendeel van hun eisen en zij werden overgeplaatst naar een celblok met andere Riffijnse activisten. De heer Zefzafi bevindt zich sindsdien niet langer in een isolatiecel. Volgens de advocaat van de heer Zefzafi is zijn gezondheidstoestand stabiel.
Herinnert u zich de oproep van mensenrechtenorganisatie Amnesty International, die stelt dat Zafzafi en anderen vrijgelaten dienen te worden?2 Welke resultaten heeft uw contact met de Marokkaanse autoriteiten over de detentie van Rif-activisten tot op heden opgeleverd? Is er ook contact geweest met gedetineerden?
Ja. Graag verwijs ik u voor een antwoord op de vraag naar contacten met de Marokkaanse autoriteiten naar mijn brief van 5 september jl. inzake veroordelingen in Marokko in verband met de Rif-protesten. Hierin heb ik een eerste appreciatie gegeven van de rechtsgang en de behandeling van gevangenen. Als aanvulling daarop kan ik u informeren dat de Nederlandse ambassade in Marokko regelmatig contact heeft met de advocaat van de heer Zefzafi en met advocaten van andere gedetineerden. De advocaat van de heer Zefzafi staat in direct contact met de gedetineerden en stelt dat zij in goede gezondheid verkeren en zich in normale detentieomstandigheden bevinden. De Nederlandse ambassade heeft geen contact gezocht met de gedetineerden zelf.
Heeft u inmiddels het vonnis van de heer Zafzafi en anderen bestudeerd, alsmede de omstandigheden in de gevangenissen conform uw toezeggingen tijdens het algemeen overleg over Marokko op 28 juni 2018?3
Graag verwijs ik naar mijn eerder genoemde brief van 5 september jl.4
Bent u bereid nogmaals contact op te nemen met Marokko en aan te dringen op vrijlating en betere behandeling van Zafzafi en andere politieke gevangenen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals ik heb aangegeven in eerder genoemde brief, is het nog te vroeg om een definitieve appreciatie te geven over de gehele procesgang aangezien de vonnissen nog niet openbaar zijn gemaakt en het hoger beroep nog moet dienen. Wat betreft de behandeling van de heer Zefzafi en andere politieke gevangenen, beschik ik niet over informatie die een verzoek om betere behandeling zou kunnen ondersteunen. Ook het contact met de advocaat van de heer Zefzafi geeft daar nu geen aanleiding toe.
Het bericht 'Kanada fordert Unterstützung von Maas' |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kanada fordert Unterstützung von Maas»?1
Ja.
Is er naar uw mening enige vergelijking tussen de druk die nu op Canada wordt uitgeoefend met de druk die in 2017 op Nederland is uitgeoefend door Saoedi-Arabië met betrekking tot het indienen van een resolutie bij de mensenrechtenraad in Genève voor een onafhankelijk onderzoek naar de schendingen van mensenrechten? Zo nee, waarom niet? En zo ja, welk gevolg geeft u aan de samenwerking met Canada destijds nu Canada onder druk wordt gezet?
Het huidige bilaterale geschil tussen Saoedi-Arabië en Canada is van een andere orde dan de contacten tussen Nederland en Saoedi-Arabië vorig jaar tijdens de onderhandelingen in de Mensenrechtenraad over de Jemen-resolutie. Zoals bekend resulteerden die onderhandelingen in overeenstemming over een resolutie die met consensus werd aangenomen, en waarin onder andere werd besloten tot het instellen van een Group of Eminent Experts om onderzoek te doen naar schendingen van internationaal humanitair recht in Jemen.
In het huidige geschil tussen Saoedi-Arabië en Canada heeft Saoedi-Arabië eenzijdig zware beperkingen opgelegd in de bilaterale relatie, vooral vanwege een kritische tweet in het Arabisch door de Canadese ambassade in Riyad. In die tweet werd opgeroepen tot onmiddellijke vrijlating van twee personen, die bij naam werden genoemd. Saoedi-Arabië vond dit een ongeoorloofde inmenging in de interne aangelegenheden en rechtsgang. Het kabinet is van mening dat landen op constructieve en diplomatieke wijze met elkaar moeten kunnen spreken over zaken waarover de meningen verschillen, ook zeker over mensenrechtenkwesties, en dat de reactie van Saoedi-Arabië een dergelijke dialoog niet faciliteert. Het kabinet hoopt dat diplomatieke contacten tussen de beide landen spoedig kunnen zorgen voor een oplossing van het bilaterale geschil.
Is er aan u vanuit Canada een vergelijkbaar verzoek gedaan? Zo ja, welke stappen heeft u daarop ondernomen?
Canada heeft niet een dergelijk verzoek aan Nederland gedaan. Wel is in bilaterale contacten met Canada onderstreept dat Nederland zij-aan-zij staat met Canada bij het adresseren van internationale mensenrechtenkwesties, zoals Jemen. Mede in het licht van het bilaterale geschil tussen Canada en Saoedi-Arabië heeft Nederland zich ingespannen om in Europees verband met Saoedi-Arabië te spreken over de arrestatie van de vrouwenrechtenactivisten (zie ook het antwoord op de vragen 5 tot en met 8). Nederland heeft Canada op de hoogte gehouden van die inspanningen.
Bent u inmiddels door uw Duitse ambtsgenoot benaderd over dit Canadese verzoek? Zo ja, hoe is dit contact verlopen en met welk resultaat?
Nee.
Bent u – gezien het belang dat het kabinet hecht aan mensenrechten in het Nederlandse buitenlandbeleid – bereid zelf contact op te nemen met uw Duitse ambtgenoot om de mogelijkheden te bespreken dit Europees aan te kaarten? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in de beantwoording op eerdere Kamervragen (gesteld door de leden Ploumen, Voordewind, Diks, Van der Staaij, Ten Broeke, Sjoerdsma en Mulder over de arrestatie van opnieuw twee vrouwenrechtenactivisten in Saoedi-Arabië, kenmerk 2018Z14992) is aangegeven heeft Nederland zich in de EU ingezet om tot actie te komen n.a.v. de arrestatie van de vrouwenrechtenactivisten in Saoedi-Arabië, ook na het ontstaan van het geschil tussen Saoedi-Arabië en Canada hierover. Dit heeft geresulteerd in de EU-demarche waarover in de beantwoording van de eerdere Kamervragen is gerapporteerd, waarbij de Europese zorgen aan de Saoedische regering zijn overgebracht.
Welke mogelijkheden ziet u – al dan niet vooruitlopend op een eventueel rechtstreeks verzoek van Canada aan Nederland- om de Nederlandse steun aan Canada in de wereldwijde promotie van mensenrechten en in het bijzonder tegen mensenrechtenschendingen in Saoedi-Arabië openlijk te ondersteunen? Op welke termijn denkt u dit kenbaar te kunnen maken?
Zie antwoord vraag 5.
Indien het niet mogelijk blijkt hier (op korte termijn) brede Europese steun voor te verwerven, zal Nederland dan deel uitmaken van een kopgroep van EU-landen die zich openlijk uitspreekt voor steun aan Canada? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn verwacht u dit te realiseren?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u hierover contact gehad met andere Europese collega's? Zo ja, wat is de uitkomst van deze contacten? Zo nee, op welke termijn denkt u dit te gaan doen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u het reglement en de statuten van de toekenning van de mensenrechtentulp openbaar maken, zodat duidelijk is hoe de procedure eruit ziet bij een normale prijs en hoe de procedure is die gevolgd is bij deze speciale editie?
De Mensenrechtentulp wordt sinds 2008 uitgereikt aan individuele mensenrechtenverdedigers of -organisaties die op innovatieve wijze de bescherming van de mensenrechten bevorderen. De Mensenrechtentulp is bedoeld om moedige mensenrechtenverdedigers te ondersteunen, hun waardevolle werk zichtbaar te maken en om anderen te inspireren zich ook actief uit te spreken voor mensenrechten.
De selectieprocedure wordt vastgelegd door de uitvoerende partnerorganisatie, welke middels een tender van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gecontracteerd. In 2016 en 2017 was Justice & Peace de uitvoerende partnerorganisatie voor de uitreiking van de Mensenrechtentulp.1 In 2014 en 2015 was Hivos de uitvoerende partnerorganisatie.2
De procedure voor de selectie van een winnaar in voorgaande jaren startte met de mogelijkheid voor het publiek om mensenrechtenverdedigers of -organisaties te nomineren. De binnengekomen nominaties werden eerst beoordeeld door de uitvoerende partnerorganisatie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Vervolgens werd een brede selectie voorgelegd aan een comité bestaande uit experts op het gebied van mensenrechtenverdedigers en de relevante mensenrechtenthema’s. Hieruit volgde een top-10 die werd voorgelegd aan het publiek via het internet. Via een publieksstemming werden drie publieksfavorieten gekozen. Uit die drie publieksfavorieten koos de Minister van Buitenlandse Zaken de winnaar van de Mensenrechtentulp.
Vanwege het 70-jarig bestaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het 20-jarig bestaan van de VN Verklaring over mensenrechtenverdedigers is dit jaar in plaats van de eerder gehanteerde selectieprocedure gekozen voor een eenmalige speciale editie van de Mensenrechtentulp. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft besloten deze speciale editie toe te kennen aan de uitgaande VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechtenrechten. Daarnaast heeft de Minister besloten op of rond de internationale dag voor de mensenrechten, op 10 december, enkele lokale Mensenrechtentulpen uit te reiken aan mensenrechtenverdedigers via een aantal deelnemende Nederlandse ambassades.3
Kunt u het proces beschrijven op basis waarvan de speciale prijs dit jaar wordt toegekend aan aan de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten Zeid Ra'ad Al Hussein? Kunt u specifiek ingaan op wie het besluit genomen heeft over de instelling van de speciale editie en over het toekennen van de prijs?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met de zaak van klokkenluider Anders Kompass, die ervoor zorgde dat de Franse autoriteiten op de hoogte werden gesteld van het schandelijk seksueel misbruik van jonge kinderen door onder andere Franse vredessoldaten in de Centraal Afrikaanse Republiek, zodat die Franse autoriteiten een onderzoek konden starten?1 2
Ja, het kabinet is bekend met de zaak Kompass. Het kabinet veroordeelt seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Sexual Exploitation and Abuse, hierna SEA) door VN-personeel ten stelligste en zet zich maximaal in om samen met de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (SGVN) gevallen van SEA voortvarend en effectief aan te pakken. De kabinetsreactie op het televisieprogramma Zembla van 7 februari 2018 over deze zaak kunt u terugvinden in mijn brief van 17 april 2018 met kenmerk 34 775 V, nr. 74.
Bent u ervan op de hoogte dat veel van deze misbruikte kinderen nog steeds verstoken zijn elementaire hulp?3
De documentaire van Zembla gaf aan dat de ondersteuning door UNICEF voor de slachtoffers van de soldaten van de Multidimensionale Geïntegreerde Stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in de Centraal-Afrikaanse Republiek (MINUSCA) achterbleef. De uitzending van Zembla gaf op zeer ingrijpende wijze de verschrikkelijke gevolgen van SEA voor kind-slachtoffers weer.
UNICEF heeft stappen gezet om deze afschuwelijke gevolgen te addresseren en beter hulp te verlenen aan de kwetsbare kinderen die slachtoffer van zijn geworden SEA. Zo werken UNICEF en partners aan de opschaling en monitoring van assistentie aan slachtoffers, waaronder medische hulp, psychosociale zorg, re-integratie in het schoolsysteem, ondersteuning in levensonderhoud en juridische hulpverlening. Binnen de VN-werkgroep ter adressering van SEA hebben UNICEF en de VN afdeling Vredesoperaties (Department of Peacekeeping Operations, DPKO) de opzet van het UN Victim Assistance Protocol geleid, bedoeld om de gezamenlijke VN-aanpak met betrekking tot steun aan slachtoffers van SEA te versterken. Het protocol is in 2017 getest in vier landen en zal verder uitgerold worden in 2018.
Andere maatregelen die UNICEF ondertussen heeft ingevoerd, zijn: verplichte rapportage binnen 24 uur van SEA incidenten naar de uitvoerend directeur; de uitrol van een klachtenbehandelingsmechanisme op gemeenschapsniveau; een versterkte onafhankelijke onderzoekseenheid; en verplichte training in het voorkomen van SEA.
Uitvoerend directeur van UNICEF Henrietta Fore heeft een onafhankelijke, externe evaluatie aangekondigd over de manier waarop UNICEF omgaat met SEA.
SEA is inmiddels onderdeel van de rapportages van de SGVN over MINUSCA. In het meest recente rapport van 18 juni jl. worden vijf nieuwe gevallen gemeld, die nu worden onderzocht door de landen die de betrokken troepen leverden. De missie heeft in samenwerking met UNFPA en UNICEF ook vijf slachtoffers doorverwezen voor specialistische ondersteuning.
Verder werkt MINUSCA samen met een speciale VN taskforce voor SEA en de lokale autoriteiten om de toegang tot klachtprocedure voor burgers te verbeteren en voorlichting te geven over preventie en melding. Het personeel van MINUSCA krijgt ook training voor bewustwording van het risico op SEA, hoe het te melden en hoe te reageren.
Op 26 April jl. informeerde Minister Kaag uw Kamer over het aangepaste beleid van Nederland ter bestrijding van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij hulp- en OS-organisaties (Kamerstuk 34 775 XVII, nr 61). Om nieuwe slachtoffers van SEA te voorkomen, heeft Nederland nieuwe afspraken met hulp- en ontwikkelingsorganisaties gemaakt en de procedures en subsidiekaders aangescherpt. Dit zal ook terugkomen in de periodieke gesprekken in de hulp- en ontwikkelingsorganisaties.
Namens Nederland heeft Minister Kaag, samen met like-minded partners, een gezamenlijke brief geschreven aan de SGVN om de urgentie van het voorkomen van SEA te onderstrepen.7 In reactie liet de SGVN weten dat de aanpak van dergelijk gedrag zijn volle aandacht heeft, zowel waar dit speelt binnen VN instellingen als ten aanzien van mogelijke misstanden bij hulpverlenings- en vredesoperaties.
Bent u ervan op de hoogte dat het juist de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten Zeid Ra'ad Al Hussein was die in maart 2015 om het ontslag van Anders Kompass vroeg, omdat het verschijnen van het rapport – over pedofilie door vredessoldaten – een aantal hoge medewerkers van de Verenigde Naties (VN) in verlegenheid gebracht had?4
Ja, het kabinet is op de hoogte van de zaak Kompass en verwijst ter zake naar de reactie op het televisieprogramma van Zembla (Kamerstuk 4 775 V, nr. 74). Het kabinet hecht groot belang aan zorgvuldige omgang met klokkenluiders. Daarom zet het kabinet zich in voor zowel verbetering van de bescherming van klokkenluiders binnen het VN-systeem als voor een verbeterde aanpak van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (zero tolerance beleid), en steunt de additionele maatregelen die sinds de zaak Kompass binnen het VN-systeem zijn genomen.
Bent u ervan op de hoogte dat een extern onderzoekspanel Anders Kompass volledig vrijpleitte van alle blaam?5
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ervan op de hoogte dat dat externe onderzoek hard was over de rol van de Hoge Commissaris zelf?6
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ervan op de hoogte dat de toenmalige Secretaris-Generaal van de VN, Ban Ki Moon, in juni 2015 aan ons antwoordde dat de uitkomst van dit rapport (dat in december 2015 verscheen) leidend zou zijn voor het handelen van de Verenigde Naties?7
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ervan op de hoogte dat de lastercampagne tegen Kompass tot op de dag van vandaag gewoon doorgaat (ondanks het feit dat hij zijn zaak voor het tribunaal won en het rapport hem volledig vrij pleitte), bijvoorbeeld via mails die de voorlichter van de Hoge Commissaris, Rupert Colville, aan de media stuurt?8
Via de brief van Mw. Brown ben ik op de hoogte gesteld van de aantijgingen over het handelen en negatieve woordgebruik van de woordvoerder van OHCHR, Dhr. Rupert Colville, en de klacht die Mw. Brown daarover heeft ingediend bij de OHCHR.
De SGVN heeft destijds, kort nadat de zaak over seksueel misbruik van kinderenaan het licht kwam, reeds opdracht gegeven om deze zaak inhoudelijk grondig te laten onderzoeken door een extern panel. Het onderzoeksrapport concludeerde dat de VN niet adequaat heeft gereageerd op de zaak en constateerde systematische problemen in het VN systeem. Wat betreft de rol van de Hoge Commissaris in de zaak concludeerde het onafhankelijke panel dat zijn handelen niet als machtsmisbruik kan worden gekwalificeerd.13
Op 28 februari 2017 presenteerde de SGVN een rapport over de genomen en lopende initiatieven binnen het VN systeem om seksuele uitbuiting en misbruik te voorkomen en de bescherming van slachtoffers te verbeteren. Hierin wordt ook toegelicht welke maatregelen zijn genomen om de aanbevelingen van het onafhankelijke panel op te volgen.14
Nederland zet zich maximaal in om samen met de SGVN gevallen van SEA voortvarend en effectief aan te pakken. Nederland heeft met het Verenigd Koninkrijk het initiatief genomen voor een gecoördineerde aanpak rond SEA en grensoverschrijdend gedrag in de ontwikkelings- en vredeshandhavingssector, inclusief de VN organisaties. Het doel is beter beleid voor preventie, steviger aanpak van daders en zorg en gerechtigheid voor slachtoffers. Een veilige werkomgeving met ruimte voor kritiek en klokkenluiders is een belangrijke voorwaarde om dit te bereiken.
Daarom steunt het kabinet de inspanningen van de SGVN voor verdere maatregelen om klokkenluiders te beschermen en om vergeldingsmaatregelen tegen klokkenluiders te voorkomen. De SGVN heeft dit tot prioriteit gemaakt als onderdeel van zijn bredere hervormingsagenda. In januari 2017 presenteerde de SGVN een plan waarin de bevoegdheden voor de zogeheten Ethics Office van de VN worden uitgebreid en de onafhankelijke positie binnen de organisatie steviger wordt verankerd. Ook hebben werknemers nu een mogelijkheid om in beroep te gaan tegen beslissingen van de Ethics Office.15
Het kabinet is van mening dat in alle gevallen waarin een klokkenluider misstanden aan het licht brengt, er een onafhankelijk onderzoek moet plaatsvinden waarin alle relevante aspecten worden onderzocht. De zaak van Mw. Reilly is nog aanhangig voor het UN Disciplinary Tribunal. Een goed functionerend meldingsmechanisme, inclusief klokkenluidersbescherming, is onmisbaar voor een adequate reactie op wangedrag of schending van ethische standaarden.
Zoals in de Kamerbrief over maatregelen ter bestrijding van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij hulp- en OS-organisaties, d.d. 26 april (uw referentienummer 34 775 XVII, nr. 61) is uiteengezet, zal het integriteitsbeleid, inclusief klokkenluidersregelen, voortaan onderdeel zijn van het Nederlandse beoordelingskader voor ontwikkelingsorganisaties inclusief de VN in verschillende evaluaties. Bij specifieke zaken die onder onze aandacht worden gebracht, zal Nederland, in samenspraak met andere landen, aandringen op een onafhankelijke en evenwichtige behandeling van de zaak en de rapportage hierover nauwgezet volgen.
Hoe beoordeelt u het handelen van de VN en het handelen van de Hoge Commissaris in deze misbruikzaak?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u op de hoogte van de klokkenluiderszaak van Emma Reilly, die probeerde te blokkeren dat de Chinezen een lijst met dissidenten toegespeeld kregen (een van de mensen op de lijst werd later opgepakt en overleed in detentie)?
Ja, het kabinet is bekend met de zaak Reilly.
Hoe beoordeelt u het handelen van de VN en de Hoge Commissaris in deze zaak?
De zaak van Mw. Emma Reilly ging over het delen van een lijst met namen van mensenrechtenverdedigers aan de Chinese autoriteiten door staf van de OHCHR. OHCHR heeft deze aantijgingen ten stelligste ontkend.16 De claim van Mw. Reilly over het delen van de lijst en de vermeende tegen haar gerichte represaillemaatregelen binnen OHCHR zijn behandeld door de VN Ethics Office. De Ethics Office heeft vastgesteld dat de claims ongefundeerd zijn er geen vergelding heeft plaatsgevonden door de leiding van de OHCHR tegen Mw. Reilly. Er loopt nog een procedure bij het UN Disciplinary Tribunal. Het kabinet wacht de uitkomst daarvan met belangstelling af.
Heeft u de aan u gerichte brief van Miranda Brown d.d. 27 augustus 2018 ontvangen? Kun u haar een antwoord sturen vóór het uitreiken van de mensenrechtentulp en de Kamer een afschrift van de brief doen toekomen?
Op 28 augustus is de brief van Mw. Miranda Brown d.d. 27 augustus 2018 ontvangen. Op 31 augustus 2018 heeft Mw. Brown een antwoordbrief ontvangen. Aangezien dit een reactie is op een persoonlijke brief van Mw. Brown, voelt het kabinet zich niet vrij om deze reactie openbaar te maken, tenzij zij Mw. Brown dit expliciet aan ons verzoekt.
Was u op de hoogte van de wijze waarop de Hoge Commissaris met de klokkenluider in deze ernstige misbruikzaak omgaat, toen u besloot hem een prijs toe te kennen?
Ja. De rol van de Hoge Commissaris en de manier waarop de zaak is opgepakt binnen de OHCHR en in breder VN-verband was bekend bij het nemen van de beslissing over het toekennen van de prijs.
Vindt u het gepast dat een persoon die zich zo gedragen heeft richting een klokkenluider over ernstig seksueel misbruik van kinderen de hoogste mensenrechtenprijs van Nederland krijgt?
Het besluit om de Mensenrechtentulp 2018 toe te kennen aan Zeid Ra'ad Al Hussein is gebaseerd op zijn persoonlijke betrokkenheid en zijn moedige, onafhankelijke optreden om mensenrechtenverdedigers te steunen tijdens zijn mandaat als VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van september 2014 tot en met augustus 2018. Vanwege zijn uitgesproken en kritische houding, staat Zeid Ra'ad Al Hussein symbool voor alle mensenrechtenverdedigers wereldwijd.
De reactie van Hoge Commissaris Zeid Ra'ad Al Hussein op zijn optreden in de zaak van Anders Kompass is opgenomen in de Annex bij het onderzoeksrapport van het onafhankelijke panel, «Taking Action on Sexual Exploitation and Abuse by Peacekeepers, Report of an Independent Review on Sexual Exploitation and Abuse by International Peacekeeping Forces in the Central African Republic».17
Zeid Ra’ad Al Hussein heeft zich gedurende zijn loopbaan buitengewoon verdienstelijk gemaakt voor de aanpak van SEA, ook toen hij nog geen Hoge Commissaris was. Zo was hij als speciaal adviseur van de toenmalige Secretaris-Generaal van de VN in 2005 al verantwoordelijk voor het gezaghebbende «Zeid rapport» met maatregelen tegen SEA.
In bilaterale gesprekken voorafgaande aan de uitreiking van de Mensenrechtentulp zal met Zeid Ra’ad Al Hussein worden teruggeblikt op zijn termijn als Hoge Commissaris. Daarbij zullen zijn verdiensten ter sprake komen als ook de lessons learned. Het is niet aan het kabinet om Zeid Ra’ad Al Hussein zijn excuses over deze specifieke zaak te vragen.
Uiteraard zal het kabinet lopende klokkenluiderszaken bij de VN actief blijven volgen.
Voor de hulp aan de slachtoffers van de misbruikzaak verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid publiekelijk te vragen of de Hoge Commissaris zich wil verontschuldigen voor zijn gedrag en eraan mee wil werken dat de slachtoffers van deze zaak, jonge kinderen, die voor het leven getekend zijn, noodzakelijke hulp krijgen?
Zie antwoord vraag 15.
Bent u bereid deze vragen een voor een en zeer nauwkeurig te beantwoorden vóór maandag 3 september 2018 12 uur, dus voor de geplande ceremonie?
Het kabinet zal streven naar beantwoording van uw vragen voor de uitreiking van de Mensenrechtentulp.
De arrestatie van Bobi Wine |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Boosheid over arrestatie en mishandeling van zanger-politicus Bobi Wine»?1 en «Rellen in Oeganda vanwege hernieuwde arrestatie zanger-politicus Bobi Wine – ook internationale popsterren in het geweer»2?
Ja.
Wat is uw oordeel over het oppakken van de politicus Kyagulanyi Ssentamu, ook wel bekend als Bobi Wine, en de afschuwelijke berichten van onder andere Amnesty International dat hij is gemarteld?
Op 13 augustus werden Robert Kyagulanyi (Bobi Wine), en vier andere Ugandese parlementsleden, alsmede enkele journalisten en burgers, gearresteerd in Arua in Noordwest-Uganda. Ik keur hun arrestatie, die plaatsvond zonder duidelijke gronden, en het geweld dat daarmee gepaard ging, zeer af.
Welke mogelijkheden ziet u om druk uit te oefenen op de Oegandese regering om Bobi Wine en politicus Kizza Beisgye onmiddellijk vrij te laten?
Mede op aandringen van Nederland, hebben de in Kampala vertegenwoordigde Europese lidstaten direct in een verklaring hun zorgen over de behandeling van de gearresteerde parlementariërs en journalisten naar voren gebracht en opgeroepen tot een humane behandeling en een eerlijk proces, toegang tot hun advocaten en tot medische verzorging door artsen van hun keuze.
De ambassades hebben deze boodschap eveneens overgebracht in gesprekken met onder andere de Ugandese Minister-President, de Ugandese Minister van Buitenlandse Zaken, de opperrechter van het Ugandese Hooggerechtshof, de voorzitter van de Ugandese Mensenrechten Commissie, maatschappelijke organisaties en oppositieleiders. Een afvaardiging van de EU heeft bovendien Bobi Wine (in detentie) en het eveneens gearresteerde parlementslid Francis Zaake (in het ziekenhuis) bezocht.
Bobi Wine is op 23 augustus vrijgelaten uit de militaire gevangenis in Gulu, maar onmiddellijk weer gearresteerd en op verdenking van hoogverraad voorgeleid aan een civiele rechtbank. Hij is op 27 augustus op borgtocht vrijgelaten. Omdat de aanklacht hoogverraad betreft, zal het Ugandese Hooggerechtshof deze moeten behandelen. Een datum daarvoor is nog niet bekend. Inmiddels is Bobi Wine voor medische behandeling naar de VS gereisd en parlementslid Zaake naar India.
Kizza Besigye en andere oppositieleiders werden op 23 augustus gearresteerd onder het voorwendsel van het voorkomen van onrust. Besigye werd dezelfde dag in de avond weer vrijgelaten.
Heeft u al contact opgenomen met uw Oegandese ambtsgenoot om dit aan de kaak te stellen? Zo ja, hoe is dit contact verlopen? Zo nee, wanneer gaat u dit doen?
De Nederlandse ambassadeur in Kampala heeft gezamenlijk met de andere EU-ambassadeurs contact gezocht met de Ugandese Minister van Buitenlandse Zaken en in een gezamenlijk gesprek met de Minister nogmaals hun zorgen en standpunten geuit. Zie ook het antwoord onder vraag 3.
Deelt u de zorgen over de mensenrechtensituatie in Oeganda en bent u bereid om dit in Europees verband aan de orde te stellen bij de Oegandese regering? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen over de mensenrechtensituatie in Uganda en blijf die in Europees verband aan de orde stellen bij de Ugandese regering.
Het bericht dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) opnieuw privégegevens lekt |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) privégegevens van 2.400 cliënten uit Noord-Holland op straat heeft laten belanden?1
Ja.
Is de verklaring van de woordvoerder van UWV dat het hier gaat om een menselijke fout, voor u voldoende? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Het UWV heeft bij mij aangegeven dat het een menselijke fout betrof. Het gaat om het uitnodigen van een geselecteerde groep mensen voor een bijeenkomst via een uitnodiging in de werkmap van de cliënt. De werkmap is een persoonlijke pagina op werk.nl waarmee de cliënt onder meer kan communiceren met het UWV, sollicitaties kan zoeken en een CV kan maken. Bij het klaarzetten van de uitnodiging in de werkmap is het verkeerde bestand gebruikt. Niet de uitnodiging, maar het selectiebestand met de gegevens van personen die uitgenodigd moesten worden is bij 97 mensen in de werkmap geplaatst. Daarbij is het «vier ogen principe», de procedure om de handeling te laten controleren, niet toegepast. Tevens is na de selectie van de doelgroep nagelaten om het bestand op te schonen, zodat gegevens als het Burgerservicenummer (BSN), die niet nodig zijn om een uitnodiging te verzenden, ten onrechte in het selectiebestand zijn blijven staan.
Hoe kan het dat de systemen van UWV zo zijn ingericht, dat door een menselijke fout de privégegevens van 2.400 cliënten zomaar als bijlage verzonden kunnen worden?
Bepaalde onderdelen van het werkproces van het UWV blijven mensenwerk. Voor de communicatie via de werkmap is het soms noodzakelijk dat bepaalde bestanden, zoals uitnodigingen, in de werkmap beschikbaar worden gesteld. Dit is een menselijk handeling die ondersteund wordt door software die het mogelijk maakt om een bericht of bestand naar een groep mensen tegelijkertijd te versturen, een zogenaamd bulkbericht. Het bestand dat foutief beschikbaar is gesteld, betreft het bestand dat deze bulkzending mogelijk maakt.
Heeft UWV in het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en overige privacywetgeving, de zaken voldoende op orde? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ook vermeld in de Stand van Uitvoering (Kamerstuk 26 448, nr. 605) heeft het UWV op vrijwel alle onderdelen van de AVG maatregelen getroffen, zoals het inrichten van een register van verwerkingen en het opstellen van privacy verklaringen. Tevens is er veel aandacht besteed aan het vergroten van het bewustzijn onder medewerkers. Ook is er veel geïnvesteerd in het IT-landschap, bijvoorbeeld het anonimiseren van data en het autorisatiebeheer.
Het aanpassen van bestaande systemen en verwerkingen is complex. De principes van privacy by design en privacy by default zijn verankerd in de bedrijfsprocessen. Bij nieuwe systemen en processen worden deze principes dan ook toegepast. Aanpassing van bestaande systemen is soms slechts ten dele mogelijk en kent een lange doorlooptijd. Daardoor worden er de komende tijd nog veel handelingen door medewerkers van UWV verricht. Dit blijft foutgevoelig. Aandacht voor privacywetgeving is daarom een continu proces waaraan het UWV blijvend werkt.
Kunt u zich de verontwaardiging en zorgen voorstellen van de personen wier privégegevens op straat zijn komen te liggen? Wat kunt u voor hen betekenen?
Cliënten dienen er op te kunnen vertrouwen dat het UWV zorgvuldig met hun gegevens om gaat. Het UWV heeft de getroffenen wiens persoonsgegevens gedeeld zijn, middels een brief oprechte excuses aangeboden. In de brief is opgenomen dat het datalek nooit had mogen plaatsvinden en dat extra maatregelen zijn genomen om soortgelijke fouten in de toekomst te voorkomen. Tevens is aangegeven dat het ten onrechte gedeelde bestand is teruggetrokken, waardoor het niet langer in te zien is. Met de cliënten die het bestand reeds geopend hadden, is telefonisch contact opgenomen om ook lokaal opgeslagen kopieën te laten verwijderen. De verontwaardiging en zorgen van de getroffen personen zijn begrijpelijk. Cliënten kunnen contact opnemen met het UWV voor vragen of een persoonlijk gesprek. Goede nazorg is belangrijk.
Het UWV zal in het tweede kwartaal 2019 een technische maatregel invoeren die het verzenden van bepaalde bestanden, zoals xcel bestanden, onmogelijk maakt. Deze maatregel beperkt het risico op een vergelijkbaar incident aangezien dit soort bestanden dan niet in de werkmap geplaatst kunnen worden. De huidige maatregelen zijn vooral gericht op bewustwording, maar ondanks de inzet die hierop gepleegd is, is het effect van deze maatregelen vooralsnog onvoldoende gebleken. Zodoende heb ik het UWV gevraagd meer technische maatregelen te onderzoeken en te nemen die het menselijk handelen kunnen ondersteunen en het risico op datalekken kunnen verkleinen, zoals extra verificatiestappen, technische blokkades en automatische waarschuwingen. Ik ga met het UWV in overleg over deze mogelijkheden.
Een beperkende factor daarin is het feit dat veranderingen in de ICT-systemen van het UWV complex en tijdrovend zijn. Dit mag geen excuus zijn om geen verbeteringen na te streven, maar betekent wel dat de uitvoering nog enige tijd gevoelig blijft voor menselijke fouten. Daarom verwacht ik ook van het UWV dat zij de bewustwording van haar medewerkers blijft vergroten en dit incident
aangrijpt om het belang van een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens en het volgen van procedures, zoals het vier ogen principe, binnen de organisatie te benadrukken en strikter na te leven. Tot slot hanteert UWV een sanctiebeleid waarin passende maatregelen zijn opgenomen voor situaties waarin medewerkers zich bewust niet aan de procedures houden. Dit sanctiebeleid is in 2016 aangescherpt.
Kunt u zich herinneren dat op 22 september 2016 een medewerker van UWV Groningen ook een verkeerde bijlage verzond met daarin de privégegevens van ruim 11.000 cliënten?2
Ja
Kunt u zich voorts nog de brief van uw ambtsvoorganger herinneren waarin is staat: «UWV heeft derhalve acties ondernomen om dit in de toekomst te voorkomen»?3
Zie antwoord vraag 6.
Hoe kan het dat ondanks de toegezegde acties waaronder het onleesbaar maken van bestanden, het op een andere plaats opslaan van bestanden en het verbod op het versturen van bulkberichten, het toch weer fout is gegaan?
Onder verwijzing naar mijn antwoord bij vraag 3, zijn menselijke fouten helaas niet uit te sluiten.
Technische maatregelen kunnen menselijk handelen ondersteunen, maar zijn niet in elke situatie toepasbaar, hebben soms ongewenste bijwerkingen en zijn niet altijd toe te passen in de bestaande systemen van UVW. Zo was het onleesbaar maken van het bestand met persoonsgegevens hier niet toepasbaar, aangezien een deel van dat bestand nodig was om de uitnodiging in de werkmap van de doelgroep te plaatsen. Ook het opslaan van bestanden op een andere plaats reduceert het risico slechts beperkt. Wel had het bestand geschoond moeten worden van gegevens die niet nodig waren voor het uitnodigen van de doelgroep, zoals BSN. Dit had het datalek weliswaar niet voorkomen, maar er waren dan minder gegevens gedeeld. Ik heb daarom met het UWV afgesproken dat hier scherper op wordt toegezien.
Tenslotte is het verbod op bulkberichten opgeheven. Het individueel afhandelen van berichten kost veel tijd, daar elk bericht voor elke individuele cliënt beschikbaar moet worden gesteld. Bovendien neemt de kans op fouten door routinematigheid, zeker bij zeer grote aantallen, alleen maar toe. Bulkberichten zijn veilig, mits de procedures gevolgd worden.
Is het onderzoek naar de toegezegde structurele maatregelen inmiddels afgerond? Zo ja, wat was hiervan de uitkomst? Zo nee, wanneer verwacht u de uitkomst wel?
Het onderzoek is afgerond. De uitkomsten leiden tot een aantal verbetermaatregelen die zich in hoofzaak richten op het verbeteren van de awareness, zoals het opstellen van een richtlijn veilig communiceren, het aanstellen van ambassadeurs veilige communicatie en meer aandacht voor veilige omgang met gegevens in het integriteitsbeleid. Deze maatregelen zijn direct in gang gezet.
Ook heeft het onderzoek één technische maatregel opgeleverd die in het tweede kwartaal 2019 ingevoerd zal worden. Deze maatregel betreft het blokkeren van bepaalde bestanden, zodat deze niet langer aan de werkmap kunnen worden toegevoegd. Tevens wordt de werkwijze in de regiokantoren tegen het licht gehouden.
Wat gaat u doen om er per direct voor te zorgen dat UWV niet voor de derde keer in korte tijd de fout in gaat met het lekken van privégegevens van duizenden cliënten?
Zie het antwoord bij vraag 5.
Het toelatingsbeleid van Turkije |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichten dat bepaalde burgers uit lidstaten van de Europese Unie (EU) om politieke redenen niet tot Turkije worden toegelaten?1
Het kabinet is bekend met berichten over burgers uit EU-lidstaten die de toegang tot Turkije is geweigerd.
Welk beeld heeft u van de omvang hiervan de afgelopen paar jaar? Is dit (erg) toegenomen in deze periode?
Ik beschik niet over een volledig beeld van de omvang, noch over een eventuele trend. Wanneer een Nederlander aan een grens wordt tegengehouden, is dit in de eerste plaats een interne aangelegenheid waarover de Nederlandse overheid in de regel door de buitenlandse autoriteiten noch door betrokkene zelf wordt geïnformeerd. Incidenteel meldt een Nederlander die niet tot een ander land wordt toegelaten zich bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken met een hulpvraag.
Klopt het dat ook Nederlanders aan de grens zijn teruggestuurd? Om hoeveel mensen gaat dit?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u contact met andere EU-landen die hiermee te maken hebben? Zo ja, wat bespreekt u hierover?
Er is geen sprake van structureel contact met andere EU-landen over dit onderwerp.
Bent u bereid om, bij voorkeur samen met andere EU-landen, het Turkse beleid om mensen om politieke redenen toegang tot het land te weigeren te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het staat buiten kijf dat een inreisbeperking voor een individu aan wie dit wordt opgelegd, erg vervelend kan zijn. Ieder land heeft echter, met inachtneming van de internationaalrechtelijke verplichtingen, het recht om personen wel of niet toe te laten op grond van de geldende regelgeving van dat land. Een Nederlander die niet tot een ander land wordt toegelaten en direct terugkeert naar Nederland kan besluiten een klacht in te dienen bij de betreffende autoriteiten.
De herleidbare vermelding van het persoonlijke burgerservicenummer (BSN) op de voorzijde van het paspoort. |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het persoonlijke burgerservicenummer (BSN) nog steeds op paspoorten van na 2014 zichtbaar en herleidbaar is in de verzameling gegevens onderaan de kunststof kaart (houderpagina) in het paspoort?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte.
Deelt u de mening dat dit nog altijd het risico van identiteitsfraude met zich meebrengt, net zoals bij de vermelding van het BSN in het btw-identificatienummer, en dat de rijksoverheid identiteitsfraude zoveel mogelijk zou moeten voorkomen?
Identiteitsbewijzen bestaan uit een verzameling van persoonsgegevens. De gezamenlijke weergave van die persoonsgegevens draagt van zichzelf een risico op identiteitsfraude met zich mee. Dat geldt ook voor de vermelding van het BSN op het paspoort. Uit meldingen over identiteitsfraude blijkt dat het risico vooral ligt in het combineren van persoonsgegevens (zoals het BSN en naam) met persoonsgegevens uit andere bronnen (zoals bankgegevens); een BSN alleen geeft geen recht op voorzieningen. Ik deel uw mening dat de rijksoverheid zoveel mogelijk moet doen om identiteitsfraude te voorkomen, daar zijn dan ook maatregelen voor genomen.
Geeft u, door het aanbieden van tips tegen identiteitsfraude op de website van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het uitbrengen van een app waarmee digitaal het BSN op de voorzijde van het paspoort kan worden afgeschermd bij het maken van een kopie, al niet aan dat het huidige paspoort op dit punt te wensen overlaat?
Ook ik heb eerder geconstateerd dat de plaatsing van het BSN op de voorzijde van de houderpagina van het paspoort wellicht anders kan. De huidige plaatsing leidt tot extra handelingen voor de burger; die moet nu steeds het BSN doorstrepen wanneer een kopie van het paspoort moet worden ingeleverd bij een instantie die het BSN niet mag verwerken. Daarom heb ik in de afgelopen periode onderzocht welke oplossingen er zijn om het BSN op de achterzijde van de houderpagina van het paspoort automatisch uitleesbaar te maken en weg te halen uit de machine leesbare strook (MRZ) op de voorzijde van de houderpagina. Gebleken is dat het technisch mogelijk is om het BSN uit de MRZ te halen en automatisch uitleesbaar te maken op de achterzijde van het paspoort. Een dergelijke aanpassing voldoet aan internationaal geldende afspraken die per document gelden. Zie ook antwoord op vraag 4.
De plaatsing van het BSN is echter van belang voor veel instanties die het BSN mogen verwerken en daarom automatisch uitlezen. Het weghalen van het BSN uit de machine leesbare zone heeft grote implicaties voor operationele processen bij deze instanties wanneer er geen alternatief beschikbaar is. Ik ben dan ook al in gesprek met de betrokken instanties over de termijn waarop zij hun processen zodanig kunnen hebben aangepast dat zij ook het BSN geautomatiseerd kunnen uitlezen als dat op de achterzijde van de houderpagina staat vermeld.
Wat zijn de redenen dat het wel mogelijk is gebleken om op identiteitskaarten en op het rijbewijs de gegevens met daarin een herleidbaar BSN uitsluitend op de achterkant te plaatsen en bij het paspoort niet?
Om fouten bij het registreren van het BSN te voorkomen is het BSN opgenomen in de MRZ van identiteitskaarten en paspoorten; het BSN kan daardoor geautomatiseerd verwerkt worden. De plaatsing van de MRZ is gebonden aan internationale afspraken die per document anders zijn. Voor het paspoort gelden afspraken die vastgelegd zijn door de Internationale burgerluchtvaartorganisatie (ICAO). Die afspraken schrijven voor dat de MRZ op de voorzijde van de houderpagina van het paspoort staat, maar verplichten niet de opname van het BSN in de MRZ. Op een identiteitskaart staat de MRZ op de achterkant; bij het rijbewijs ontbreekt het BSN in de MRZ.
Verschillende controlerende instanties (zoals de Politie) hebben hun systemen en processen erop ingericht dat zij het BSN uit de MRZ kunnen uitlezen. Zolang er geen alternatief beschikbaar is, kan het BSN niet uit de MRZ van paspoorten. Het automatisch uitlezen verdient de voorkeur boven handmatig overnemen omdat dit snel en foutloos gebeurt. Daarom is het BSN op paspoorten nu nog steeds zichtbaar op de voorzijde van de houderpagina1.
Bent u bereid bij de eerstvolgende herziening van het paspoort, of zoveel eerder als mogelijk, alle naar een persoonlijk BSN herleidbare gegevens van de voorzijde van het paspoort te verwijderen?
Ja, ik ben voornemens het BSN uit de MRZ te halen en automatisch uitleesbaar te maken op de achterzijde van de houderpagina van paspoorten en identiteitskaarten. Hierdoor is het BSN niet meer aanwezig en kopieerbaar op de voorzijde van de houderpagina van het paspoort. Zoals ik beschreef bij vraag 3 vraagt dit om aanpassing van processen bij instanties die het BSN mogen verwerken. Met die instanties ben ik in gesprek om te bepalen wanneer zij er klaar voor zijn om het BSN op deze wijze te verwerken. Zodra ik meer weet over deze termijn informeer ik uw Kamer daarover.