Het bericht ‘ Demonstrant aangehouden bij abortuskliniek in Amsterdam’ |
|
Diederik van Dijk (SGP), André Flach (SGP) |
|
Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in Het Parool van 6 november jl. over de aanhouding van een persoon die een eenmensprotest houdt bij de abortuskliniek in Amsterdam-Oost?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een eenmensprotest niet onder de Wet openbare manifestaties (Wom) valt en derhalve niet aan een kennisgevingsplicht is onderworpen, maar primair onder artikel 7 van de Grondwet valt? Zo nee, waarom niet?
Kenmerkend voor een demonstratie is dat hierbij een collectieve mening wordt geuit. Eenmensprotesten vallen daarom niet onder de bescherming van het demonstratierecht en de Wet openbare manifestaties (Wom), maar onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Dit betekent dat zulke protesten niet zijn onderworpen aan de kennisgevingsplicht, die de Wom voor demonstraties voorschrijft. Een gemeente kan wel in de algemene plaatselijke verordening (APV) regels stellen voor eenmensacties. Die regels mogen, net zoals bij demonstraties, niet gaan over de inhoud van de uiting.
Indien een waarnemer aanwezig is bij het eenmensprotest kan dit reden geven voor het lokaal gezag om te beoordelen of er nog langer sprake is van een eenmensprotest of van een demonstratie. Om te blijven spreken van een eenmensprotest is, zoals benoemd door de Nationale ombudsman, van belang dat er sprake is van een duidelijk onderscheid tussen de (eenmans)activist en de waarnemer. De politie gaat bij die beoordeling af op hetgeen zij waarneemt. Of de aanwezigheid van een waarnemer in een concrete situatie een collectief karakter geeft is afhankelijk van de context van deze situatie en is aan het lokaal gezag om te beoordelen.
Hoe beoordeelt u de door sommige gemeenten gehanteerde opvatting dat de aanwezigheid van een waarnemer op afstand ertoe leidt dat sprake is van een «collectieve actie», in het licht van de opvatting van de Nationale ombudsman2 en juridische vakliteratuur3 dat een eenmensprotest haar karakter niet verliest door de aanwezigheid van een waarnemer?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat gemeenten, politie en Openbaar Ministerie grote terughoudendheid moeten betrachten bij het beperken of beëindigen van vreedzame eenmensprotesten, gelet op de ruime grondrechtelijke bescherming daarvan? Zo nee, waarom niet?
De wijze waarop specifiek wordt opgetreden en de vraag of een bepaalde activiteit onder de Wom of de APV valt, is aan het lokaal gezag. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recent oordeelde geldt dat bij een abortuskliniek een bepaalde mate van orde en rust dient te heersen. Dit kan worden meegewogen in de beoordeling om op te treden4.
Is het naar uw oordeel juridisch houdbaar dat gemeenten formele waarschuwingen of beperkingen baseren op de veronderstelling dat een eenpersoonsactie onder de Wom valt? Zo ja, op welke wettelijke grondslag berust dit?
Het is in de eerste plaats aan het lokaal gezag, in het bijzonder de burgemeester, om te bepalen of een protestactie kan worden aangemerkt als een demonstratie en derhalve onder de Wom valt of niet. Het is niet aan het kabinet om in een concrete casus te oordelen of een dergelijke afweging juist is. Of iets juridisch houdbaar is, is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen.
Welke criteria worden door Politie en Openbaar Ministerie gehanteerd bij het besluit om een persoon die een vreedzaam eenmensprotest houdt aan te houden, indien er geen aanwijzingen bestaan voor strafbare feiten of verstoring van de openbare orde, bovendien in de wetenschap dat het aanmerken van een eenmensprotest als demonstratie discutabel is? Hoe wordt in dit kader de proportionaliteit en noodzakelijkheid van vrijheidsbeneming gewaarborgd?
Zoals genoemd is het in de eerste plaats aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of een bepaalde actie onder het demonstratierecht valt en of er sprake is van strafbare feiten of een verstoring van de openbare orde. De politie en het OM treden niet op als er geen aanwijzingen zijn voor strafbare feiten. De wijze waarop wordt gehandhaafd en welk strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk optreden passend is, is afhankelijk van de omstandigheden waarbij de burgemeester en het Openbaar Ministerie (hierna: OM) dit ieder op hun eigen terrein zorgvuldig afstemmen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recent oordeelde geldt in het bijzonder bij een abortuskliniek een bepaalde mate van orde en rust dient te heersen, dat kan in de beoordeling worden betrokken5. Dergelijke besluiten kunnen getoetst worden bij de rechter. De rechter toetst in haar beoordeling ook op proportionaliteit en noodzakelijkheid. Ik en de Minister van Justitie en Veiligheid treden hier niet in.
Erkent u dat de aanhouding van personen die op vreedzame wijze een eenmensprotest houden een intimiderende werking kan hebben en mogelijk een ontmoedigend effect op de uitoefening van grondrechten veroorzaakt? Hoe wordt dit effect voorkomen en op welke wijze wordt hiermee rekening gehouden in de beleidskaders voor het politieoptreden?
Iedereen in Nederland heeft het recht om te demonstreren en gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting. Hierbij geldt dat iedereen die protesteert, waaronder eenmensactivisten, zich moet houden aan de wet- en regelgeving. In de APV van een gemeente kunnen beperkingen worden verbonden aan een eenmensprotest. Het is aan het lokaal gezag om te beoordelen of een eenmensprotest vreedzaam is en aan de burgemeester en het OM of bestuursrechtelijk of strafrechtelijk optreden nodig is.
Uit de praktijk blijkt dat gemeenten dit zorgvuldig doen en zich inspannen om de vrijheid van meningsuiting en de demonstratievrijheid zoveel mogelijk te faciliteren. Wanneer een eenmensactivist zich niet houdt aan de beperkingen die uit de APV volgen of anderszins strafbare feiten pleegt, kan worden besloten de politie in te zetten om de situatie te beëindigen. Dat is in lijn met de geldende wet- en regelgeving. De geldende wet- en regelgeving bieden immers ruimschoots mogelijkheden aan burgers om van hun vrijheid van meningsuiting en demonstratievrijheid gebruik te maken binnen de regels die daarvoor gelden.
Hoe heeft u uw toezegging4 van 22 januari 2025 gestand gedaan om gemeenten te voorzien van nadere richtlijnen of een geactualiseerde handreiking inzake de omgang met eenmensprotesten, opdat duidelijk is dat dit niet onder de Wom valt, en hoe de grondrechtelijke bescherming van artikel 7 lid 3 concreet moet worden toegepast? Kunt u de door u verspreide handreiking ook met de Kamer delen?
Naar aanleiding van deze toezegging zijn de bestaande instrumentaria met betrekking tot richtlijnen voor gemeenten inzake demonstraties en eenmensprotesten geanalyseerd. De conclusie is dat er al voldoende instructies zijn. Er bestaan diverse handreikingen over het demonstratierecht, zoals de handreiking van de gemeente Amsterdam.7 Hierin wordt ook ingegaan op eenmensprotesten. Daarnaast is er door de Rijksuniversiteit van Groningen een landelijke website ontwikkeld waarop iedereen gratis en vrij toegankelijk informatie over het demonstratierecht kan inwinnen en een online adviestool kan raadplegen.8 Op deze website kan ook informatie worden gevonden over de thematiek van eenmensprotesten. Tot slot verwijzen wij naar de website van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.9 Hierop is praktische informatie over het demonstratierecht voorhanden, die toegankelijk is voor zowel adviseurs als bestuurders.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te waarborgen dat personen die een vreedzaam eenmensprotest houden in de toekomst niet onterecht worden belemmerd, bedreigd met sancties of aangehouden?
Voor zowel eenmensprotesten als demonstraties geldt dat zij niet onnodig mogen worden belemmerd wanneer zij als vreedzaam kunnen worden aangemerkt en zich begeven binnen de grenzen van de wet. In beide gevallen staat voorop dat de inhoud van de uiting, behalve wanneer dit strafbaar is gesteld, geen grond mag vormen voor beperkend overheidsoptreden. Tegelijkertijd vinden wij het belangrijk om te markeren dat eenmensprotesten en demonstraties niet in een vacuüm plaatsvinden en dat hierbij de rechten van anderen in het gedrang kunnen komen. In die gevallen is het belangrijk dat het lokaal gezag over de wettelijke ruimte beschikt om een adequate afweging te maken tussen de verschillende betrokken belangen. Bij de kabinetsreactie op het WODC-rapport «Het recht om te demonstreren in de democratische rechtstaat» zal het kabinet ingaan op de aanbevelingen met betrekking tot protestacties bij abortusklinieken. Dit doen wij tegen de achtergrond van recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip wanordelijkheden in de context van demonstreren bij abortusklinieken.
Bent u bekend met het Zembla-artikel waaruit blijkt dat de 200% verhoging van de strafeis bij geweldsdelicten tegen NS-medewerkers, en anderen met een publieke taak, nauwelijks wordt uitgevoerd in de praktijk?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het Openbaar Ministerie als uitgangspunt hanteert dat bij geweldsdelicten tegen hulpverleners een 200% hogere strafeis kan worden geëist, maar dat dit uitgangspunt in de praktijk nauwelijks terug is te zien?
Ik ben uiteraard bekend met het uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie hanteert. Met dit uitgangspunt houdt de officier van justitie rekening in de strafeis. In de antwoorden hierna zal ik verder ingaan in uitwerking hiervan in de praktijk.
Kunt u begrijpen dat medewerkers met een publieke taak – die zich iedere dag inzetten voor onze samenleving en op steun van de overheid rekenen – zich in de steek gelaten voelen doordat de 200% verhoging van de strafeis nauwelijks wordt toegepast in de praktijk?
Vooropgesteld veroordeel ik al het geweld tegen medewerkers met een publieke taak in de sterkst mogelijke woorden. Rond de jaarwisseling hebben we helaas weer vreselijke incidenten gezien. Ik kan mij goed de beleving van medewerkers met een publieke taak voorstellen dat zij – omdat zij andere verwachtingen hebben – zich soms in de steek gelaten voelen.
Het uitgangspunt van 200% betekent niet dat iedere verdachte ook een driedubbele straf opgelegd krijgt. De 200% hogere strafeis is het uitgangspunt, waarna de officier volgens de geldende richtlijnen ook moet kijken naar de context waarin het feit is gepleegd en omstandigheden rondom de dader en de effectiviteit van de te eisen straf. De officier van justitie dient dit toe te lichten in zijn requisitoir.
De strafeis is slechts één van de maatregelen om agressie en geweld een halt toe te roepen. Voor de werknemers betekent dit dat naast het opsporen en vervolgen van daders de overheid ook inzet op andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld preventieprogramma’s om agressie en geweld te voorkomen, het verstrekken aan werkgevers van handvatten voor een veilige(re) werkomgeving en door wetenschappelijk onderzoek te laten doen naar thema’s als agressie en geweld tegen hulpverleners.
Kunt u exact aangeven hoeveel zaken met geweld tegen medewerkers met een publieke taak hebben plaatsgevonden, hoeveel daarvan tot vervolging hebben geleid, in hoeveel gevallen de 200%-strafeis is geëist en in hoeveel gevallen de rechter deze strafeis heeft gevolgd?
In de beleidsreactie van mijn ambtsvoorganger aan de Kamer naar aanleiding van het onderzoek van de DSP groep naar straftoemeting bij VPT-delicten in 2024 is reeds bericht dat het overgrote deel van de geïnterviewde officieren van justitie enige mate van strafverhoging toepast, maar dat de 200% strafverhoging uit de OM-richtlijn slechts zelden wordt toegepast.2 Mijn ambtsvoorganger heeft hier met het Openbaar Ministerie het gesprek over gevoerd. Het OM heeft mij naar aanleiding van dit gesprek laten weten dat dit inmiddels opnieuw bij de officieren van justitie met het taakaccent veilige publieke taak (VPT) onder de aandacht is gebracht. Daarnaast zal het OM blijvend aandacht schenken aan de vraag of de strafvorderingsrichtlijn voldoende bekend is binnen het OM en of het genoemde strafeisverhogingspercentage als uitgangspunt wordt gebruikt. Ook wordt in het onderzoeksrapport van DSP geconcludeerd dat het bij de rechters als een strafverzwarende omstandigheid wordt aangemerkt als het slachtoffer een publieke taak uitoefende.
Uit de jaarrapportage van het Openbaar Ministerie volgt dat van alle VPT-zaken die bij het Openbaar Ministerie binnenkomen 60% aan de rechter wordt voorgelegd en dat is meer dan gemiddeld. De overige 40% wordt door het OM zelf afgedaan. Exacte cijfers over hoe vaak een 200% hogere strafeis wordt geëist en hoe vaak dit wordt opgelegd zijn niet betrouwbaar uit de managementinformatiesystemen van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie te halen.
Kunt u toelichten waarom zijn eigen instructie om de strafeis met 200% te verhogen in de praktijk nauwelijks terug te zien is in de strafeis van de officier van justitie?
De verhoging van de strafeis met 200% is een uitgangspunt waarmee de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis rekening houdt. Door het wegen van alle relevante factoren van het geval, komt de officier van justitie tot een op maat gesneden (betekenisvolle) sanctie of strafeis.
Kunt u een oordeel vellen over de toelichting die u hiervoor noemt en ziet u de bij vraag 6 genoemde redenen zelf als een afdoende verklaring voor het uitblijven van de 200%-strafeis?
Naast de 200% verhoging als uitgangspunt zullen door het Openbaar Ministerie, zoals gezegd, ook andere factoren worden meegewogen (zoals de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte).
De beoordelingsruimte van de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis is een vrijheid die voortvloeit uit de wet, die eveneens inherent is aan het vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie om een strafzaak af te doen. Het is derhalve niet aan mij om in die strafrechtelijke beoordeling te treden. Wel veroordeel ik uiteraard al het geweld tegen hulpverleners en anderen met een publieke taak.
Deelt u de opvatting dat het essentieel is om 200% verhoging van de strafeis in de praktijk veel vaker toe te passen om medewerkers met een publieke taak extra te beschermen en daders beter af te schrikken?
In uw vraagstelling gaat u ervan uit dat de verhoging van de strafeis met 200% als uitgangspunt medewerkers met een publieke taak extra beschermt. Ik wil ten eerste benadrukken dat bescherming van werknemers vooral ligt in de fase die aan strafrechtelijke interventie voorafgaat.
Desondanks kan een hogere strafeis een afschrikwekkende werking hebben mits daders hiermee bekend zijn en daar ook gevoelig voor zijn. Aangezien daders van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak niet altijd een weloverwogen beslissing voor hun daad lijken te nemen – denk aan verwarde personen – laat ik nader onderzoek doen naar het type dader en hun motieven om agressie tegen werknemers met een publieke taak beter te kunnen voorkomen.3 Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al aangaf, is ook wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk om uiteindelijk aan agressie en geweld tegen werknemers met een publiek taak het hoofd te kunnen bieden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat uw eigen instructie, om een verhoogde strafeis op te leggen bij geweldsdelicten tegen personen met een publieke taak, wordt uitgevoerd?
De verhoogde strafeis is vastgelegd in een instructie van het OM zelf. Zoals ook in het antwoord op vraag 6 toegelicht treed ik niet in de beoordelingsruimte die wettelijk aan het Openbaar Ministerie is toegekend. Wel voer ik zeer regelmatig het gesprek met het Openbaar Ministerie over dit belangrijke onderwerp. Afgelopen jaarwisseling hebben we helaas een groot aantal gevallen van geweld tegen personen met een publieke taak gezien. De jaarwisseling wordt op dit moment geëvalueerd. Ook naar aanleiding hiervan zal ik het gesprek met OM aangaan om te bespreken hoe de strafrechtelijke aanpak van daders van dit onacceptabele geweld kan worden versterkt. In dit gesprek zal ik ook de 200% strafeis wederom ter sprake brengen.
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om geweld tegen hulpverleners te voorkomen en kunt u elk van de voorgenomen maatregelen toelichten?
Met het Wetsvoorstel aanscherping taakstrafverbod, dat op dit moment bij de Raad van State ligt voor advies, leggen we wettelijk vast dat mishandeling van hulpverleners en handhavers onacceptabel is en dat een taakstraf niet op zijn plaats is. Zoals ik hiervoor in mijn antwoord op vraag 3 al aangaf, wordt door de overheid naast het strafrecht ingezet op diverse andere maatregelen om geweld tegen hulpverleners te voorkomen. Preventieve maatregelen (door de werkgever) gaan aan het strafrecht vooraf en moeten aansluiten op de gesignaleerde knelpunten. Vanuit de Nederlandse Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt de werkgever hierin ondersteund door onder andere een Werkinstructie agressie en geweld. Met toezicht en handhaving beoogt de Arbeidsinspectie naleving van de arbeidsomstandighedenwet en het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van incidenten van agressie en geweld.
De lancering van de Discriminatietoets door de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme |
|
Don Ceder (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met de lancering van de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening en bent u het met de Staatscommissie eens dat de Discriminatietoets «een concreet instrument» is waarmee overheidsorganisaties structureel discriminatierisico’s kunnen signaleren en aanpakken?
Ja.
Welke rol ziet u voor de Rijksoverheid (ministeries, uitvoeringsorganisaties) in het gebruik van deze toets? Op welke wijze wordt het gebruik van de toets gestimuleerd?
Ik pak de regie op het vervolgtraject van de discriminatietoets. Dit mede naar aanleiding van de motie van het lid van Nispen c.s.1 die het kabinet verzoekt om ervoor te zorgen dat publieke dienstverleners de discriminatietoets publieke dienstverlening zullen gebruiken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierbij de centrale regie te geven.
Mijn streven is begin 2026 met een kabinetsreactie op de discriminatietoets te komen en daarin zal ik toelichten op welke wijze ik het gebruik van de toets wil stimuleren. Ik kan daar nu nog niet nader op in gaan, omdat de gesprekken hierover nog lopen. We werken daarbij aan twee stappen: (1) de inbedding van de discriminatietoets in bestaande structuren zoals aanbevolen door de staatscommissie en (2) procesbegeleiding van organisaties.
Hoe ondersteunt de Rijksoverheid het gebruik van de Discriminatietoets? Stelt het ministerie middelen beschikbaar om publieke organisaties te ondersteunen bij het toepassen van deze toets?
Voor de komende jaren zijn er middelen gereserveerd om organisaties te ondersteunen bij het toepassen van de discriminatietoets. Het gaat om 500.000 in 2026, om 1,1 miljoen in 2027, 2028 en 2029 en in 2030 nog 500.000. De opbouw van deze reeks is vanuit de gedachte dat 2026 een aanloopjaar is, dan 3 volle jaren en daarna afbouw. In de kabinetsreactie zal ik hier nader op in gaan.
Bent u voornemens om de Discriminatietoets (op termijn) wettelijk te verankeren, zodat gebruik niet vrijblijvend blijft? Zo nee, waarom niet?
Ik heb nu geen voornemen om de discriminatietoets wettelijk te verankeren. De toets is er net en ik vind het belangrijk om eerst ervaring op te doen met het instrument. Ook de staatscommissie geeft als belangrijke randvoorwaarde draagvlak voor het doorlopen van de discriminatietoets binnen de organisatie. Door organisaties te enthousiasmeren in plaats van te verplichten, wil ik voorkomen dat het een afvinklijstje wordt in plaats van kritisch en effectief zelfonderzoek naar risico’s op discriminatie in processen en werkpraktijken.
Mogelijk kan de discriminatietoets op termijn in samenhang worden bezien met de eveneens door de staatscommissie geadviseerde gelijkheidsplicht publieke sector, maar dit vergt nader onderzoek.
Hoe gaat het ministerie monitoren of de Discriminatietoets daadwerkelijk leidt tot minder discriminatie in de praktijk?
Het is bijzonder ingewikkeld om te monitoren of er daadwerkelijk minder discriminatie is en of er in dat geval een causaal verband bestaat tussen een afname van discriminatie en de discriminatietoets. Bij de gesprekken over de implementatie van de discriminatietoets is het wel onderwerp van gesprek hoe er lessen getrokken kunnen worden uit de toepassing en de resultaten van de discriminatietoets. In de kabinetsreactie op de discriminatietoets zal ik hier nader op in gaan.
Wordt de motie van het lid Ceder c.s. uitgevoerd op zodanige wijze dat inmiddels in alle uitvoeringstoetsen het risico op discriminatie beoordeeld wordt? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zal dit naar verwachting wel ingebed zijn in de standaard onderdelen van een uitvoeringstoets?1
Het programma Werk aan Uitvoering werkt op dit moment aan een handreiking met uniforme punten voor uitvoeringstoetsen en daarbij zullen zij ook kijken hoe de verschillende wensen daarin opgenomen kunnen worden. De (lessen uit de) discriminatietoets horen daar ook bij. De eerste versie van deze handreiking wordt in het voorjaar van 2026 opgeleverd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben de Eerste Kamer hier onlangs per brief over geïnformeerd.3 Met de Kamerbrief van Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is er invulling gegeven aan de motie van het lid Ceder c.s.
Op welke wijze wordt de motie van de leden Ceder en Azarkan uitgevoerd die verzocht om in het Integraal Afwegingskader een discriminatietoets op te nemen? Is een dergelijke discriminatietoets inmiddels standaard opgenomen in het Integraal Afwegingskader? Zo nee, op welke termijn wordt dit geïmplementeerd?2
De discriminatietoets is steviger verankerd in de herziene Handreiking constitutionele toetsing die binnenkort ook aan de beide Kamers zal worden toegezonden. Net als de vorige editie is de Handreiking opgenomen in het Beleidskompas, de opvolger van het Integraal Afwegingskader, waardoor zij een vast onderdeel vormt van de voorbereidende fase van wet- en regelgeving. Met een verscherpte aandacht voor de discriminatietoets wordt beoogd discriminerende effecten in nieuw beleid en wetgeving te voorkomen. Op deze manier wordt er invulling gegeven aan deze motie van de leden Ceder en Azarkan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden ruim voor de behandeling van de begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?
Ja.
Het bericht 'Uit huis geplaatste kinderen uit Noord-Nederland jarenlang ernstig mishandeld' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uit huis geplaatste kinderen uit Noord-Nederland jarenlang ernstig mishandeld»?1
Ja
Kunt u aangeven waar in de keten toezicht heeft gefaald en waarom dit niet eerder is gesignaleerd? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment doen de inspecties onderzoek naar de geleverde kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp aan de kinderen die verbleven in dit gezinshuis in Noord-Nederland. Zij zullen daarbij kijken naar de rol van de betrokken partijen, zoals de rol van de gecertificeerde instelling (GI) en de gezinshuisouders. Ook wordt gekeken welke eventuele signalen of meldingen er bekend waren, zowel bij de inspecties als bij andere organisaties, en op welke manier de betrokkenen hiermee zijn omgegaan. We vinden het van belang om de uitkomsten van dit onderzoek af te wachten en niet op voorhand conclusies te trekken.
Klopt het dat er al eerder twijfels bestonden over de pedagogische vaardigheden en geschiktheid van de betrokken gezinshuisouders? Zo ja, waarom is er niet onmiddellijk ingegrepen?
Het klopt dat er in het verleden zorgen waren over de opvoedvaardigheden en de verzorging door de betrokken gezinshuisouders. De betrokken GI geeft aan dat er geen eerdere signalen waren van mishandeling. Naar aanleiding van de zorgen is destijds actie ondernomen door de GI en de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder van het gezinshuis is destijds een traject gestart om de vaardigheden van de gezinshuisouder te verbeteren. Dit traject is succesvol afgerond. Hierna zijn deze kinderen in dit gezinshuis geplaatst. De vraag óf er signalen waren en zo ja, waarom deze dan zijn gemist, is onderdeel van het genoemde onderzoek van de inspecties.
Erkent u dat organisaties zoals de William Schrikker Stichting herhaaldelijk betrokken zijn bij ernstige incidenten, zoals het Vlaardingse meisje? Zo ja, waarom is er ondanks eerdere misstanden geen verscherpt toezicht of sanctiebeleid door het ministerie ingesteld en bent u daartoe alsnog bereid?
Het klopt dat de William Schrikker Schichting (WSS) betrokken was bij zowel de zaak van het meisje in het pleeggezin in Vlaardingen en ook bij deze gebeurtenis van het gezinshuis in Noord-Nederland. De WSS begeleidt meer dan een kwart van alle kinderen met een kinderbeschermingsmaatregel in Nederland.
Het instellen van verscherpt toezicht of andere maatregelen is niet aan ministeries, maar aan de inspecties. De inspecties hebben naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen vanaf januari 2025 intensief toezicht uitgevoerd bij de William Schrikker Stichting. De inspecties hebben in hun rapport over de WSS2 geconcludeerd dat er weliswaar sprake is van tekortkomingen, maar dat de oorzaken hiervan vooral buiten de invloedsfeer van de WSS liggen. De inspecties concludeerden vertrouwen te hebben in de verbeterkracht van de WSS daar waar verbetermogelijkheden binnen de eigen invloedsfeer liggen. Het instellen van verscherpt toezicht was daarom niet passend volgens de inspecties. In juni hebben zij de WSS laten weten over te stappen naar regulier toezicht.
Bent u tevens bereid, indien nodig door middel van een wetswijziging, ervoor te zorgen dat betrokken begeleiders, bestuurders en toezichthouders die hebben nagelaten deze kinderen te beschermen, ontslagen en strafrechtelijk vervolgd worden? Zo nee, waarom niet?
Nee ik ben daar niet toe bereid. Ontslag en/of strafrechtelijke vervolging is niet aan mij en de huidige wetgeving biedt hiervoor al voldoende mogelijkheden:
Waar het gaat om ontslag hebben de organisaties zelf een zelfstandige bevoegdheid. Ook kan er in het kader van tuchtrecht een klacht worden ingediend over het handelen van een geregistreerde professional. Dit zou kunnen leiden tot een schorsing/doorhaling van de beroepsregistratie, waardoor de betrokken professional geen taken in de jeugdzorg meer mag uitvoeren waar beroepsregistratie voor is vereist. Ook kunnen de inspecties, indien zij dit nodig achten op basis van hun onderzoek, een (tucht)klacht indienen of aangifte doen. Het nemen van individuele beslissingen omtrent strafvervolging is aan het Openbaar Ministerie.
Indien de organisatie een Raad van Toezicht heeft ingesteld3, dan is het aan hen om een beslissing te nemen over ontslag van bestuurders. Verder kan een belanghebbende of het openbaar ministerie de rechtbank verzoeken een bestuurder, dan wel (een lid van) de Raad van Toezicht te ontslaan wegens (voor zover hier relevant) verwaarlozing van zijn taak of andere gewichtige redenen (artikel 2:298 BW).
Gaat u op korte termijn dwingende maatregelen nemen – inclusief verplicht extern toezicht, sluiting bij signalen en zware sancties bij falen – om herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook bij vraag 4 aangegeven, is het aan de inspecties om te bepalen of en zo ja, welke vervolgacties of maatregelen passend zijn. We kunnen in de beantwoording van deze Kamervragen niet vooruitlopen op het oordeel van de inspecties. Wij zullen uw Kamer over de uitkomsten van het onderzoek informeren.
Het artikel 'Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten' |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten»?1
Ja
Bent u bekend met de bij deze zaak behorende beschikkingen van de rechtbank Noord Nederland?2, 3
Ja
Hoe kan het volgens u dat kinderen drie jaar lang ernstig fysiek zijn mishandeld, waaronder geslagen, aan de oren getrokken worden en door een hond gebeten worden, terwijl zij in dit gezinshuis geplaatst zijn door de Gecertificeerde Instelling (GI), deze GI de voogdij had en deze als gevolg hiervan ook toezicht diende te houden op het wel en wee en de veiligheid van de kinderen?
GI’s zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen en hebben daarmee een belangrijke taak in het bewaken van de veiligheid van kinderen. Dat houdt onder meer in dat zij risico’s moeten signaleren, beoordelen en (waar nodig) passende stappen moeten zetten om de veiligheid te waarborgen. Hoe deze verantwoordelijkheid in deze specifieke casus is ingevuld, kunnen we op dit moment niet beoordelen. Hiervoor zijn we in afwachting van het onderzoek dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, in samenwerking met de Inspectie Justitie en Veiligheid en mogelijk met de Inspectie van het Onderwijs, gaat doen naar de feiten en omstandigheden in deze casus.
Bent u bekend met het persbericht van de GI waarin gesteld wordt dat de jeugdbeschermers al langere tijd zorgen hadden over het pedagogisch klimaat in het gezinshuis?4
Ja
Wat zegt het u dat ondanks dat jeugdbeschermers al langere tijd zorgen hadden over het pedagogische klimaat in het gezinshuis, de kinderen er pas werden weggehaald na een specifieke melding? Hoe reflecteert u in dat licht op het functioneren en de daadkracht van de GI en de interne controlemechanismen, zeker gezien de duur, de herhaling en de ernst van de mishandelingen?
Omdat er volgens de GI sprake was van acute onveiligheid zijn de kinderen onmiddellijk overgeplaatst naar een ander gezinshuis en heeft de GI melding gedaan bij de IGJ. Er waren volgens de GI eerder geen concrete signalen van (fysieke) mishandeling opgevangen, ondanks regelmatige gesprekken met de kinderen door de jeugdbeschermers. De vraag óf er wel signalen waren en zo ja, waarom deze dan zijn gemist, wordt onderzocht.
De GI heeft aangegeven dat er eerder wel zorgen waren over de opvoedvaardigheden in het gezinshuis en de verzorging. Hier is destijds actie op ondernomen door de GI. De hoofdaannemer van het gezinshuis heeft daarop een traject gestart gericht op het verbeteren van de (pedagogische) vaardigheden van de gezinshuisouder. Pas nadat dit succesvol was afgerond, zijn deze kinderen in dit gezinshuis geplaatst.
Erkent u dat drie jaar mishandeling niet past bij het uitgangspunt dat een GI kinderen nauwlettend moet volgen en beschermen? Zo nee, hoe verklaart u dan dat dit toch is gebeurd?
Zoals ook bij vraag 3 is aangegeven, zijn we in afwachting van het onderzoek van de inspecties over de feiten en omstandigheden. Hoewel jeugdbeschermers kinderen regelmatig zien, blijft het herkennen van signalen van mishandeling bijzonder complex. Ieder contactmoment geeft slechts een beperkte inkijk in het dagelijks leven. Hierdoor blijft altijd een risico bestaan dat zorgwekkende situaties niet volledig zichtbaar zijn. Zoals ook bij vraag 5 is aangegeven, onderzoekt de GI óf er eerder wel signalen waren die zij hebben gemist. De GI zal de uitkomsten van dit intern onderzoek ook met de inspecties delen.
Hoe kan het dat nu blijkt dat er kinderen in een gezinshuis al jaren werden behandeld, terwijl de betrokken GI, die ook in de Vlaardingen-zaak betrokken was, heeft verklaard dat alle dossiers waren nagekeken en getoetst?
De GI heeft naar aanleiding van casus Vlaardingen alle dossiers getoetst op risicofactoren. Op basis hiervan is de situatie in dit gezinshuis ook opnieuw multidisciplinair besproken. Daaruit kwam naar voren dat er op dat moment geen signalen van acute onveiligheid waren.
Deelt u de analyse dat er in deze casus zowel sprake is van het verwijtbaar gedrag van de gezinshuisouders, als falen van de GI die signalen had moeten opmerken, controleren en melden?
Op dit moment kunnen we geen conclusies trekken over eventuele verwijtbaarheid of tekortkomingen van betrokken partijen. De inspecties voeren een calamiteitenonderzoek uit om de feiten en omstandigheden vast te stellen en conclusies te trekken over het handelen van de betrokken organisaties.
Hoe is het toezicht op gezinshuizen georganiseerd? Welke formele rechtspositie hebben de gezinshuisouders in het stelsel?
Bij gezinshuizen krijgen kinderen professionele jeugdhulp wanneer zij – om verschillende redenen – (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen. De gezinshuisouders bieden 24 uur per dag professionele begeleiding, structuur en zor in een huiselijke setting. De gezinshuiskinderen maken daarbij deel uit van het gezin van de gezinshuisouder(s). De gezinshuisouders zijn hiervoor opgeleid en werken als jeugdhulpverleners.
Gezinshuisouders werken nauw samen met andere professionals zoals jeugdzorgwerkers, voogden van gecertificeerde instellingen en de leerkrachten op de school van de (gezinshuis)kinderen. Meestal zijn er vanuit de betrokken zorgorganisatie ook gedragsdeskundigen betrokken waaraan de gezinshuisouders bijzonderheden over de kinderen kunnen rapporteren en die meedenken over een zorgplan en de inschakeling van jeugdhulp of b.v. traumatherapie kunnen voorstellen.
Gezinshuisouders moeten voldoen aan de norm van de verantwoorde werktoedeling. Deze norm stelt dat aanbieders van jeugdhulp en jeugdbescherming er zorg voor dragen dat de taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een SKJ-(kwaliteitsregister Jeugd) of BIG- geregistreerde professional. Een SKJ-registratie toont aan dat voldaan wordt aan de eisen van vakbekwaamheid (o.a. relevante HBO-opleiding) en dat gewerkt wordt volgens de professionele standaarden van de beroepsgroep. Belanghebbenden kunnen een klacht indienen bij het SKJ en het register kan maatregelen opleggen en publiceren.
Gezinshuizen zijn aanbieders van jeugdhulp. Daarom vallen zij onder de Jeugdwet en onder het toezicht van de IGJ en IJenV. Ook gemeenten spelen een grote rol onder andere door inkopen van kwalitatief goede jeugdhulp. Zij kopen jeugdhulp in bij gezinshuizen, rechtstreeks of via een organisatie. Gemeenten bepalen vooraf aan welke eisen de jeugdhulp moet voldoen. Zij betalen voor deze jeugdhulp. Gemeenten moeten zich er bij de inkoop en betaling van vergewissen dat de aanbieder passende en kwalitatief goede en veilige hulp biedt.
Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor de IGJ een belangrijke bron van informatie. Iedereen kan een signaal afgeven bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Daarnaast moeten zorg- en jeugdhulpaanbieders, waaronder ook gezinshuizen, bepaalde incidenten (zoals calamiteiten en geweld) verplicht bij de inspecties melden. Signalen en meldingen worden bekeken en beoordeeld. Op basis van deze signalen en meldingen voert de inspectie risicogestuurd toezicht uit.
Zijn bij inspecties, meldpunten of vertrouwenspersonen meer meldingen bekend over structurele onveiligheid, geweld, misstanden of gebrek aan kwaliteit in gezinshuizen? Hoeveel sinds 2020?
De IGJ registreert meldingen die ze ontvangen op naam van de jeugdhulpaanbieder. Meldingen specifiek over het type jeugdhulpaanbieder «gezinshuis» hebben zij niet voorhanden.
In maart 2025 heeft de inspectie een overkoepelend rapport gepubliceerd over het toezicht naar de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp in gezinshuizen5. Hiervoor analyseerde de inspectie handmatig 139 signalen en meldingen over gezinshuizen in 2023 en 2024.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Ceder c.s. over onderzoeken in hoeverre de bestaande bestuurdersaansprakelijkheid beter onder de aandacht gebracht kan worden bij slachtoffers (Kamerstuk 31 015, nr. 289)?
Iedereen die te maken heeft met jeugdzorg kan bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon van Jeugdstem terecht voor informatie, advies of ondersteuning. Jeugdstem kan advies geven over de mogelijke stappen die gezet kunnen worden, bijvoorbeeld bij het indienen van een klacht. In deze communicatie nemen zij ook de mogelijkheden voor bestuurdersaansprakelijkheid mee. Jeugdstem draagt bij aan de bekendheid van de procedure door de cliënt erop te wijzen de mogelijkheden te bespreken met een advocaat vanwege de complexe juridische aard. Gezien de complexiteit van deze trajecten, zien we op dit moment geen andere realistische mogelijkheid om dit ook nog op andere manieren verder onder de aandacht te brengen van slachtoffers.
Klopt het dat kinderen waarvan het gezag bij ouders is weggenomen, als gevolg van een besluit op basis van artikel 1:266 lid 1 BW, door de uitwerking van de maatregel en de uitvoering door de GI, vaak volledig aan het zicht onttrokken worden van de rechtbank? Klopt het en vindt u het wenselijk dat ouders vrijwel niet worden geïnformeerd of betrokken bij het toezicht op hun kind?
Bij een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling blijft de kinderrechter op vaste momenten betrokken, omdat de maatregel periodiek moet worden verlengd. Bij een voogdijmaatregel is dat inderdaad anders: deze loopt in beginsel door tot de meerderjarigheid van het kind en wordt niet periodiek door de kinderrechter getoetst.
De GI is (wettelijk) verantwoordelijk voor zicht op de veiligheid en ontwikkeling van een minderjarige onder voogdij. Daarnaast hebben ouders, ook na gezagsbeëindiging, op grond van artikel 377c BW recht op informatie over hun kind.
We herkennen dat het ontbreken van onafhankelijk toezicht op het welzijn en de positie van minderjarigen onder voogdij als een tekortkoming. Daarom wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» de Raad voor de Kinderbescherming belast met een jaarlijkse evaluatie van het welzijn en de veiligheid van deze kinderen. De RvdK spreekt daarbij met de minderjarige, de ouders, de eventuele pleegouders en degene die een vertrouwensband met de minderjarige heeft.
Erkent u dat ouders na een gezagsbeëindiging nauwelijks meer zicht hebben op hun kinderen en dat dit ertoe kan leiden dat zij als enige in staat zijn misstanden te signaleren maar juridisch niet gehoord worden? Hoe beoordeelt u dat in zowel de Vlaardingen-zaak als deze zaak de ouders de enige waren die de misstanden zagen, maar door hun rechtspositie genegeerd werden?
We erkennen dat ouders na een gezagsbeëindiging een beperkte formele positie hebben en dat dit kan betekenen dat zij minder zicht hebben op de dagelijkse situatie van hun kind. Tegelijk blijven ouders ook na gezagsbeëindiging op grond van artikel 377c BW recht houden op informatie over hun kind. In de praktijk wordt echter ervaren dat dit recht niet altijd voldoende invulling krijgt, waardoor ouders zich onvoldoende gehoord kunnen voelen wanneer zij zorgen hebben.
De gebeurtenis in Vlaardingen laat zien dat signalen over mogelijke misstanden altijd serieus moeten worden genomen, ongeacht van wie deze afkomstig zijn. Het is onwenselijk als zorgen van ouders – of van anderen die dicht bij het kind staan – niet worden opgepakt. Daarom wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» voorzien in onafhankelijk toezicht op kinderen onder voogdij door de Raad voor de Kinderbescherming. Dit toezicht omvat onder meer een periodiek gesprek met de ouders, zodat hun signalen jaarlijks worden meegenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat ook na gezagsbeëindiging signalen van ouders kunnen leiden tot onderzoek en eventuele vervolgstappen wanneer daar aanleiding toe is.
Klopt het dat door het inzetten van de gezagsbeëindigende maatregel deze kinderen ook buiten beeld komen van de rechter, waardoor een toetsing of het goed gaat met het kind in de nieuwe setting niet meer plaatsvindt? Vindt u dat wenselijk?
Zie het antwoord op vraag 12.
Wat vindt u van het feit het dat ouders, bij wie problemen zijn met het opvoeden van hun kinderen, het gezag ontnomen kan worden? Wat vindt u van het creëren van een tussenliggende maatregel waarbij de beslissingsbevoegdheid, al dan niet tijdelijk, ontnomen wordt?
Het beëindigen van het ouderlijk gezag is een zeer ingrijpende maatregel. Soms is het helaas noodzakelijk voor de veiligheid en ontwikkeling van een kind. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mag gezagsbeëindiging alleen plaatsvinden als duidelijk is dat voortzetting van het gezag schadelijk is voor het kind.
Om hierbij beter aan te sluiten, wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» het noodzakelijkheidscriterium toegevoegd: gezagsbeëindiging kan alleen als dit écht onvermijdelijk is. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel, via het wettelijk vastleggen van het perspectiefbesluit, een minder vergaande maatregel. Een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing kunnen voor onbepaalde tijd worden voortgezet wanneer dat in het belang van het kind is. Daarmee ontstaat een alternatief voor gezagsbeëindiging, waarbij ouders niet volledig hun beslissingsbevoegdheid verliezen.
Bent u bereid te onderzoeken of de rechtspositie van ouders na gezagsbeëindiging moet worden herzien, zodat hun signalen over mishandeling van hun eigen kinderen in situaties van pleegzorg, gezinshuizen of instellingen niet langer structureel kunnen worden genegeerd, mede gezien het risico dat kinderen van de radar verdwijnen binnen deze vormen van jeugdzorg?
We herkennen de zorg dat signalen over het welzijn van minderjarigen onder voogdij serieus moeten worden genomen. Het ontbreken van onafhankelijk toezicht op deze groep is inderdaad een tekortkoming in de huidige praktijk. Daarom wordt in het wetsvoorstel onafhankelijk toezicht op minderjarigen onder voogdij wettelijk geborgd, zodat problemen in bijvoorbeeld een pleeggezin of gezinshuis niet buiten beeld kunnen blijven en kinderen niet van de radar verdwijnen. Met de ouder(s) wordt door de RvdK – in het kader van de evaluatie – een gesprek gevoerd. In dit gesprek kunnen zij hun mening en ideeën over het welzijn en de veiligheid van de minderjarige kenbaar maken. Als er gegronde zorgen uit dit gesprek blijken dan kan de RvdK, als GI en RvdK een verschil van visie hebben en hier onderling niet uitkomen, het visieverschil voorleggen aan de kinderrechter
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de rapporten «Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel» van de Inspectie Gezonheidszorg en Jeugd en «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» van de Inspectie Justitie en Veiligheid?
Ja.
Het bericht dat het Openbaar Ministerie weer procesafspraken maakt met een grote crimineel (Faissal Taghi) |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Zoon Ridouan Taghi maakt procesafspraken met OM in strafzaak»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat met de zoon van de beruchtste crimineel van Nederland procesafspraken worden gemaakt?
Op lopende individuele zaken kan ik als Minister niet ingaan. Het is een eigenstandig besluit van het Openbaar Ministerie (OM) om al dan niet procesafspraken te maken.
Hoe kan het dat procesafspraken worden gemaakt met iemand die zijn vader uit de Extra Beveiligde Inrichting wilde bevrijden en iemand die dus mede heeft veroorzaakt dat medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting moesten onderduiken?
Op lopende individuele zaken kan in niet ingaan, maar het is in algemene zin niet ongebruikelijk dat het OM in strafzaken procesafspraken maakt, ook met personen die zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ernstige misdrijven, mits de voorwaarden daarvoor gerechtvaardigd zijn en de belangen door het OM op de juiste wijze zijn afgewogen. Het OM maakt per individueel geval een afweging die recht moet doen aan de omstandigheden van het geval. Er wordt hierbij natuurlijk ook rekening gehouden met de veiligheid van derden. Het is uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten.
Hoe kunt u volhouden dat «criminele kopstukken moeten worden aangepakt» (zie uw eerdere antwoorden van 6 februari 2025) indien het Openbaar Ministerie grote criminelen met procesafspraken laat wegkomen met een lichtere straf?
Criminele kopstukken met grote impact op de samenleving moeten streng en ook effectief worden aangepakt. Het maken van procesafspraken door het OM kan een middel zijn om een strafzaak efficiënter af te ronden, met name in gevallen waar er andere belangrijke overwegingen spelen. Procesafspraken worden door het OM gemaakt op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij acht wordt geslagen op de ernst van het begane strafbare feit, de daarop gestelde maximumstraf en de straf die de rechter op zal leggen. Dit betekent niet dat de ernst van de strafbare feiten wordt miskend. Na het maken van procesafspraken is doorgaans minder zittingstijd nodig en kan de zaak veelal in één instantie worden afgedaan. Hierdoor blijft ook meer capaciteit beschikbaar om andere (ernstige) strafzaken op te pakken. Zoals in mijn antwoord op de vorige vraag is aangegeven, is het uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten.
In de literatuur2 en de jurisprudentie3 wordt aanvaard dat de strafkorting die aan verdachten geboden kan worden in ruil voor het maken van procesafspraken, een bandbreedte kent van maximaal een derde ten opzichte van de straf die in een zaak eigenlijk zou kunnen/moeten worden opgelegd. Hoewel dit geen harde regel is en dit dus niet met zoveel woorden in de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken van het College van Procureurs-Generaal staat opgenomen, pleegt deze regel in beginsel te worden gevolgd door rechters. De rechter kan echter ook een hogere straf opleggen dan in de procesafspraken is voorgesteld.4
In hoeverre zijn dit soort vergaande afspraken zonder wettelijke grondslag en dus een uitdrukkelijke uitspraak van de wetgever, nog wenselijk?
Over de wenselijkheid van het maken van procesafspraken verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2, 3 en 4. Er bestaat op dit moment geen specifieke wettelijke regeling voor het maken van procesafspraken. De huidige praktijk wordt genormeerd via door de Hoge Raad gegeven kaders (ECLI:NL:HR:2022:1252) en de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken van het College van Procureurs-Generaal. Binnen die grenzen kunnen procesafspraken worden gemaakt. Ik vind het van belang om een specifiek wettelijk kader voor procesafspraken in te voeren. Deze regeling is opgenomen in de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Op dit moment wordt het advies van de Raad van State over dit wetsvoorstel verwerkt, waarna het wetsvoorstel bij uw Kamer wordt ingediend.
Hoe beoordeelt u de transparantie en openbaarheid van rechtspraak nu juist bij grote criminelen in toenemende mate procesafspraken worden gemaakt?
In uiteenlopende typen strafzaken vindt het OM het op basis van een zorgvuldige belangenafweging wenselijk om procesafspraken te maken. Het maken van procesafspraken doet geen afbreuk aan de transparantie en openbaarheid van het strafproces, die gelden als essentiële pijlers van het rechtssysteem. Procesafspraken worden schriftelijk aan de rechter voorgelegd en tijdens een openbare behandeling besproken. De rechter beoordeelt zelfstandig of hij al dan niet overeenkomstig de gemaakte procesafspraken zal beslissen en legt daarover in zijn vonnis verantwoording af. Op die wijze is gewaarborgd dat procesafspraken niet op gespannen voet staan met de genoemde beginselen.
Waarom heeft het (demissionaire) kabinet geen mening over de omvang en reikwijdte van procesafspraken met grote criminelen?
Ik hecht grote waarde aan effectieve strafrechtelijke handhaving en proportionele bestraffing, alsook aan een voortvarend verloop van het strafproces en een efficiënte inzet van capaciteit. Zoals hiervoor ook aangegeven kunnen procesafspraken daarbij behulpzaam zijn. De vraag of en in welke mate procesafspraken in praktijk moeten worden ingezet, is een afweging die aan het OM en de rechtspraak is. In het antwoord op vraag 5 heb ik aangegeven dat een wetsvoorstel in procedure is, waarin een specifieke regeling van procesafspraken is opgenomen. Deze wettelijke regeling geeft de wetgever de mogelijkheid om principiële vragen die samenhangen met procesafspraken van een antwoord te voorzien, waaronder de vraag of de mogelijkheid om procesafspraken te maken bij bepaalde strafbare feiten moet worden uitgesloten.
Waarom prevaleren doorlooptijdtijden, werklast en capaciteitsinzet boven het eisen van de maximale straf voor internationale drugscriminelen die met hun handel een spiraal van geweld in stand houden?
Zowel het streven naar proportionele bestraffing als een efficiënt strafproces zijn voor het OM van groot belang. Daarbij worden de ernst van de misdrijven en de impact op de samenleving altijd meegewogen. Het OM maakt procesafspraken om tot een voortvarende afdoening van strafzaken te komen en kijkt daarbij altijd nadrukkelijk naar de gevolgen van de misdrijven voor de maatschappij. De capaciteit die door de inzet van procesafspraken wordt bespaard worden ingezet om andere strafzaken op te pakken, die anders mogelijk zouden zijn blijven liggen.
Zoals hiervoor bij vragen 3 en 4 is aangegeven blijft het uiteindelijk aan de rechter om te bepalen wat een passende straf is.
Waarom mogen procesafspraken worden gemaakt met criminelen waarbij het risico op voortgezet crimineel handelen uit detentie onaanvaardbaar hoog is?
Het kabinet hecht groot belang aan het voorkomen van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. De afwegingen die het OM maakt bij het maken van procesafspraken zijn complex en betreffen niet alleen de strafmaat, maar ook andere belangen zoals bijvoorbeeld het voorkomen van langdurige rechtszaken met risico’s van strafvermindering bij het wijzen van het vonnis. Bij het maken van procesafspraken is het toepasselijke detentieregime nadrukkelijk geen onderwerp van onderhandeling. Zo is dat ook opgenomen in de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken van het Openbaar Ministerie. Als er voorafgaand aan het maken van procesafspraken signalen zijn van mogelijk voortgezet crimineel handelen in detentie, worden deze signalen door het OM uiteraard betrokken bij de beslissing over het al dan niet maken van procesafspraken.
Hoe beoordeelt u het maken van procesafspraken met grote criminelen in het licht van de overweging van de Hoge Raad dat geen algemene regels gegeven kunnen worden over de toelaatbaarheid van procesafspraken en dat een algemene regeling door de wetgever gemaakt dient te worden?
Ik erken de wenselijkheid van duidelijke kaders voor het maken van procesafspraken. Er is – zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 5 – een wetsvoorstel in voorbereiding waarin een specifieke regeling van procesafspraken is opgenomen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Het kabinet heeft de vragen afzonderlijk en zo volledig mogelijk beantwoord. Er is gepoogd om de gevraagde termijn te behalen, maar dit is helaas niet gelukt.
Het slopen van de privacybescherming in de nieuwe Europese Omnibus-wetgeving |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD), Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU Commission internal draft would wreck core principles of the GDPR» en de brandbrief van 127 organisaties over de Digitale Omnibus?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bovenstaande bericht en de brandbrief? Kunt u ingaan op de inhoudelijke bezwaren en zorgen die hierin worden geuit?
Wij hebben kennisgenomen van de bezwaren en zorgen en nemen deze opmerkingen serieus. De bezwaren en zorgen waren evenwel gericht op een nog niet gepubliceerde versie van de zevende omnibus verordening. Alhoewel het kabinet bij de gepubliceerde voorstellen veel aanpassingen binnen de Omnibus AI en Omnibus Digitaal kan steunen omdat deze in lijn zijn met de Nederlandse inzet, heeft het kabinet vooral bij een aantal fundamentele wijzigingen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) serieuze zorgen, omdat deze wijzigingen het niveau van gegevensbescherming wezenlijk verminderen, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk. Via een versnelde Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-route is uw Kamer op 12 december met een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet op de Omnibus Digitaal. In het antwoord op vraag 3 wordt hierop nader ingegaan.
Wat is uw zienswijze op de Digitale Omnibus, die ook aanpassingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de voorgestelde e-Privacyverordening bevat?
In navolging van een vierde Omnibuspakket, waarin ook sprake was van een aantal gerichte vereenvoudigingen voor de AVG heeft de Europese Commissie (EC) op 19 november 2025 het zevende Omnibuspakket (ook wel het «Digitale Pakket») gepubliceerd. Zoals aangegeven in het BNC-fiche, verwelkomt het kabinet dat de Commissie met de omnibussen erop inzet digitale wetgeving te vereenvoudigen en stroomlijnen. Dit past binnen de bredere doelstelling van het kabinet om de regeldruk terug te dringen. Het kabinet ziet dat het pakket mogelijk ook kansen biedt voor de ontlasting van de uitvoeringsorganisaties en de vereenvoudiging van de uitvoering van beleid. Het kabinet zet erop in dat deze omnibussen zich focussen op versimpeling, verduidelijking en stroomlijning van wetgeving en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG geven wel aanleiding tot zorgen, omdat deze kunnen leiden tot een wezenlijke vermindering van het niveau van gegevensbescherming, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk.
Zal de Digitale Omnibus de privacybescherming van burgers verzwakken? Kunt u antwoorden met een heldere ja of nee, en dit vervolgens onderbouwen?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. Het ontbreken van een impact assessment maakt het moeilijk om deze vraag met een helder ja of nee te beantwoorden. Het kabinet zal opheldering vragen bij de Commissie en de gevolgen voor regeldruk, uitvoerbaarheid en bescherming van grondrechten verder in kaart brengen, voordat het tot een definitief oordeel komt op deze onderdelen. Het kabinet hecht er dan ook aan dat er in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming en grondrechten gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt daarnaast dat het nog te verschijnen advies van de Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) moet worden betrokken bij de bespreking van dit voorstel.
Deel u de mening dat «simplificatie» van wetgeving nooit mag leiden tot deregulering en een feitelijke verzwakking van de privacybescherming?
Met betrekking tot de Omnibus Digitaal en Omnibus AI zet het kabinet erop in dat de omnibussen digitale wetgeving versimpelen, verduidelijken en stroomlijnen en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
Het kabinet steunt het doel van simplificatie van digitale wetgeving en zal zich hier proactief voor inzetten in het kader van de omnibus, maar in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming hecht het kabinet er als gezegd aan dat er gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken.
Deelt u de opvatting dat het beschermen van privacy een kernwaarde is van de Europese Unie, een uitvloeisel is van een gezamenlijk wereldbeeld én de lessen getrokken uit de Tweede Wereldoorlog, en dat dit onder geen enkele voorwaarde geweld mag worden aangedaan?
Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (het «recht op privacy»), daaronder begrepen het recht op gegevensbescherming, is een grondrecht dat onder meer is neergelegd in artikel 10 Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, is het recht op gegevensbescherming in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een op zichzelf staand grondrecht, expliciet ontkoppeld van het recht op privacy. In artikel 7 Handvest Grondrechten EU staat het recht op eerbiediging van het privéleven, in artikel 8 het recht op bescherming van persoonsgegevens. De Unierechtelijke uitwerking is gedaan in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding (overweging 4 AVG). Zo kan het recht bij wet worden ingeperkt, mits voldaan is aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit en de inperkingen voldoende voorspelbaar en voorzienbaar zijn voor de betrokkenen. Dat onder geen enkele voorwaarde inbreuk mag worden gemaakt op dit grondrecht, onderschrijven wij derhalve niet.
Op welke manieren en op welke momenten heeft Nederland haar zienswijze over de Digitale Omnibus gedeeld met de Europese Commissie? Kunt u deze contactmomenten uiteenzetten?
Het versimpelen van (onderdelen van de) digitale wetgeving is onderwerp geweest van diverse Raadsbesprekingen waar de Europese Commissie aan deelnam en besprekingen in EU-verband. Potentiële wijzigingen aan de AVG waren daarbij niet altijd onderwerp van gesprek. Versimpeling van de AI-verordening is besproken tijdens meetings van de AI-Board en versimpeling van de Dataverordening, Datagovernanceverordening en de Free Flow of Dataverordening is onderwerp geweest van de Raadswerkgroep Telecom. Het kabinet heeft het non-paper regeldruk en digitale wetgeving onder de aandacht gebracht bij de informele Telecomraad van 9 en 10 oktober en in hoogambtelijke besprekingen met de Commissie.
Kunt u alle relevante documenten, die betrokken zijn bij het bepalen van de Nederlandse inzet delen met de Kamer? Heeft u ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij betrokken?
Het kabinet heeft u via een versnelde BNC-route geïnformeerd over de inzet ten aanzien van de Omnibuswetgeving. Vanwege de snelle doorlooptijd van het omnibusvoorstel en brede betrokkenheid van meerdere departementen is er geen overzicht van alle input die is ontvangen en betrokken. Het kabinet krijgt soms van stakeholders, zoals belangenorganisaties, proactief input toegestuurd. Daarnaast neemt het kabinet ook input in beschouwing die hem via de media bereikt, zoals de brandbrief waar u in vraag 1 naar verwijst. Het kabinet betrekt ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij.
Acht u het verantwoord en acceptabel dat AI-bedrijven, waaronder Amerikaanse techgiganten als Google en Meta, meer mogelijkheden krijgen om gegevens van Europese burgers te gebruiken om AI-modellen te trainen?
In het voorstel van de Commissie wordt een artikel 88c aan de AVG toegevoegd, waarin het expliciet de grondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6 lid 1 onder f) wordt aangewezen als de grondslag voor – kort gezegd – het ontwikkelen en toepassen van AI-modellen. Om de gevolgen van deze voorgestelde wijziging goed te overzien, is meer duidelijkheid daarover nodig en Nederland heeft op dat punt vragen gesteld aan de Commissie. De mogelijkheid om persoonsgegevens te gebruiken voor het trainen van AI-modellen bestaat overigens ook nu al. De EDPB, waarin de Europese toezichthouders samenwerken, heeft hierover op 18 december 2024 een advies aangenomen.2 Uit dat advies volgt dat de AVG ruimte biedt om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6, eerste lid, onder f AVG) persoonsgegevens voor dit doel te verwerken. Of van deze grondslag gebruik kan worden gemaakt, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Zo moet worden vastgesteld dat de beoogde verwerking noodzakelijk is ter behartiging van het gerechtvaardigde belang én dat de belangen of fundamentele rechten en vrijheden van betrokkenen die door de verwerking van persoonsgegevens worden geraakt, niet zwaarder wegen dan het gerechtvaardigde belang dat met de verwerking wordt gediend. Ook moet elke verwerkingsverantwoordelijke aantoonbaar maatregelen nemen om de impact van de verwerking op de belangen van betrokkenen te verkleinen. Daarbij speelt de toegang tot rechten van betrokkenen onder de AVG een rol, zoals het recht op inzage en het recht op bezwaar. De toezichthouder beoordeelt uiteindelijk of een dergelijke vorm van verwerking rechtmatig is. Of deze mogelijkheden verder moeten worden verruimd, vergt nadere beoordeling. Dit zou alleen aan de orde kunnen zijn als de gevolgen voor fundamentele rechten voldoende gewaarborgd zijn.
Deelt u de mening dat bescherming van gevoelige gegevens, zoals politieke voorkeur, seksuele oriëntatie, en gezondheidsdata, geen geweld mag worden aangedaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 hanteert het kabinet in het kader van de omnibus het uitgangspunt dat de omnibus moet focussen op verduidelijking, versimpeling en het vergroten van consistentie van digitale wetgeving. De inzet is dat daarbij de doelen van de wetgeving niet worden afgezwakt. Onder de AVG is de verwerking van deze bijzondere categorieën van persoonsgegevens verboden, vanwege de impact die dit kan hebben. Verwerking kan alleen plaatsvinden, als er een wettelijke uitzonderingsgrond bestaat. Met het voorstel worden twee nieuwe uitzonderingsgronden opgenomen in de AVG. Deze worden op dit moment nog beoordeeld. Uw Kamer is hierover geïnformeerd met het BNC-fiche.
Welk signaal geeft het verzwakken van de AVG en de e-Privacyverordening af aan het Nederlandse en Europese midden- en kleinbedrijf dat volop inzet op het ontwikkelen van verantwoorde en privacyvriendelijke AI conform deze regelgeving?
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG en de e-Privacyverordening zijn nog onderwerp van onderhandeling. Deze wetten zijn dus nog niet gewijzigd. Het kabinet heeft het streven om de regeldruk terug te dringen. Regeldruk zet een rem op de productiviteitsgroei van bedrijven en dus ook op het concurrentievermogen van onze economie. Dit kan op den duur ook de financiering van publieke taken onder druk zetten. Het kabinet zet zich daarom constructief in voor het versimpelen van digitale wetgeving, waarbij één van de uitgangspunten is dat de bescherming van grondrechten gewaarborgd blijft. Dit betekent dat het kabinet kritisch beziet of de voorstellen het doel van verlaagde regeldruk daadwerkelijk dienen en welke gevolgen dit heeft voor het niveau van gegevensbescherming. Het kabinet hecht waarde aan duidelijkheid en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven. Bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, hecht het kabinet aan een impact assessment zodat het kabinet kan beoordelen of voorgestelde wijzigingen noodzakelijk, proportioneel en subsidiair zijn en de gevolgen voorspelbaar en voorzienbaar.
Deelt u de mening dat het verduidelijken van wet- en regelgeving voor het midden- en kleinbedrijf niet ten koste hoeft te gaan van privacybescherming? Is dit ook uw uitgangspunt?
Ja. Het is al langere tijd een doel van het kabinet om regeldruk terug te dringen en daartoe zijn ook al oplossingsrichtingen in kaart gebracht. Hierbij kan worden gedacht aan praktische hulpmiddelen, zoals sjablonen en praktische richtsnoeren van de toezichthouder, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), om naleving van de wet- en regelgeving voor kleinere organisaties te vereenvoudigen. Ook kunnen lijsten van verwerkingsactiviteiten met een laag risico die door toezichthoudende autoriteiten worden verstrekt, meer duidelijkheid verschaffen en kan de ontwikkeling en het gebruik van gedragscodes en certificering worden gestimuleerd. Ten aanzien van het gebruik van gedragscodes en certificering, overweeg ik om hier nader onderzoek naar te laten doen. Het uitgangspunt van het kabinet bij de Omnibus Digitaal is dat bij het versimpelen van de wetgeving de doelen, inclusief de bescherming van grondrechten, van de wetgeving niet worden afgezwakt.
Bent u bereid om in gesprek te treden met onafhankelijke experts, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en burgerrechtenorganisaties op het gebied van privacy, om de Digitale Omnibus te beoordelen en in kaart te brengen of deze in de praktijk zal leiden tot een verzwakking van de privacybescherming?
Het is vanzelfsprekend dat het kabinet goede contacten onderhoudt met het veld, met inbegrip van burgerrechtenorganisaties, maar ook met partijen zoals VNO-NCW. Ten aanzien van de omnibus betrekken wij in elk geval de informatie van deze organisaties die zij publiceren bij de zelfstandige oordeelsvorming, en is er contact met de AP. Waar het om gegevensbescherming gaat kijken wij uit naar het gezamenlijke advies van de EDPB/EDPS.
Bent u bereid om een voorbehoud te maken op het steunen van de Digitale Omnibus, zolang niet is uitgesloten dat deze de privacybescherming verzwakt?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. In beginsel steunt Nederland voorstellen om digitale wetgeving te vereenvoudigen en de regeldruk ervan te verlagen. Daarbij is het wel belangrijk dat de doelen, met inbegrip van het niveau van gegevensbescherming, van de wetgeving overeind blijven en er gelegenheid is om de voorstellen, en de gevolgen daarvan voor onder andere de bescherming van grondrechten, gedegen te analyseren, de impact ervan te kunnen doorgronden, en goed inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt het in het algemeen van belang dat bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, een impact assessment wordt gedaan. Ook is het van belang om bij wijzigingen die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, het advies van Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) te betrekken bij de verdere analyse en bespreking, om te voorkomen dat de bescherming van grondrechten, waaronder gegevensbescherming, wordt verlaagd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden, en toezeggen om geen definitief standpunt in te nemen over de Digitale Omnibus zolang de Kamer zich hierover niet heeft uitgesproken?
De vragen zijn zo snel als mogelijk en separaat beantwoord. Het kabinet bestudeert momenteel het gepubliceerde voorstel van de EC en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal.
Het bericht ‘Verbijstering om plan voor ’melk en dadels’ op Amsterdamse stembureaus tijdens ramadan: ’Waanzin’’ |
|
Annelotte Lammers (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in de Telegraaf beschreven voorstel van de DENK-fractie in Amsterdam bij de gemeenteraadsverkiezingen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit plan en het feit dat burgemeester Halsema hierin meegaat en open zegt te staan voor «creatieve oplossingen»?1
Ja, ik ben hiermee bekend. Een Amsterdams raadslid heeft gesuggereerd om dadels en melk beschikbaar te stellen op stembureaus in Amsterdam bij de gemeenteraadsverkiezingen op 18 maart 2026, vanwege de ramadan.
Gemeenten organiseren de verkiezingen en zorgen onder andere voor voldoende stembureauleden. Gemeenten zijn gewezen op het tijdstip van de verkiezingen en de ramadan, en dat dit gevolgen kan hebben voor de werving en de inzetbaarheid van vrijwilligers. Het staat gemeenten vrij om creatieve oplossingen te verzinnen voor mogelijke bezettingsproblemen, binnen de kaders van de Kieswet.
Kiezers hebben van 7.30 uur tot 21.00 uur om hun stem uit te brengen en dit kan in ieder stemlokaal binnen de eigen gemeente. Er zijn gedurende de dag voldoende mogelijkheden om de stem uit te brengen. Gemeenten hoeven hierin geen aanvullende voorzieningen te treffen.
Bent u het ermee eens dat dit absurde voorstel niet strookt met de neutraliteit die in acht moet worden genomen rond de verkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is het aan gemeenten om, binnen de kaders van de Kieswet, invulling te geven aan de organisatie van de verkiezingen.
Bent u het ermee eens dat stembureaus niet bedoeld zijn voor het faciliteren van islamitische feestjes?
Stembureaus zorgen er voor dat kiezers op een goede wijze hun stem kunnen uitbrengen bij verkiezingen. Het is aan kiezers zelf om te bepalen wanneer ze hun stem uitbrengen in relatie tot hun andere mogelijke activiteiten die dag. Gemeenten hoeven hierin geen aanvullende voorzieningen te treffen.
Bent u bereid om een einde te maken aan deze plannen of soortgelijke «creatieve oplossingen»? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 organiseren gemeenten de verkiezingen en zorgen onder andere voor voldoende stembureauleden. Het staat gemeenten vrij om creatieve oplossingen te verzinnen voor mogelijke bezettingsproblemen, binnen de kaders van de Kieswet.
Ouderenmishandeling |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van Max Meldpunt «Ouderenmishandeling veel te weinig gemeld» en wat is daarop uw reactie?1
Ik ben bekend met de aflevering en ik vind het zorgwekkend dat ouderenmishandeling vaak niet wordt gesignaleerd of gemeld.
Hoe kijkt u tegen het feit aan dat de gangbare schatting van mishandeling bij 1 op de 20 ouderen waarschijnlijk veel te laag is door ondersignalering en dat dit slechts het topje van de ijsberg is?
Ik herken het signaal in de uitzending dat er vermoedelijk sprake is van ondersignalering van ouderenmishandeling. Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling: het aantal meldingen ouderenmishandeling is al enkele jaren stabiel rond de 2.000 á 2.500 per jaar. Het aantal meldingen dat Veilig Thuis ontvangt is veel lager dan het aantal ouderen dat, zo blijkt uit het prevalentie onderzoek van regioplan uit 2018, te maken krijgt met ouderenmishandeling.
Mogelijke verklaringen voor deze onderregistratie zijn dat ouderenmishandeling lange tijd ongezien of verborgen kan blijven. Dit kan bijvoorbeeld komen door gevoelens van schaamte of taboe bij ouderen. Daarnaast kan het door de vaak geleidelijke ontwikkeling en dunne grens tussen intensieve zorg en grensoverschrijdend gedrag lastig zijn om signalen te herkennen, zowel voor ouderen zelf als voor het (in)formele netwerk. Ook de afhankelijkheidsrelatie tussen de oudere en de persoon die de onveiligheid veroorzaakt kan een rol spelen.
Via diverse activiteiten wordt geprobeerd bewustwording te vergroten. Een voorbeeld is de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» uit 2024, waarin oudermishandeling één van de drie centrale thema’s was. Het doel van de campagne was om omstanders van kindermishandeling, partnergeweld en ouderenmishandeling aan te moedigen om bij vermoedens het gesprek aan te gaan.
Kunt u een reële schatting geven van hoe groot het probleem van ouderenmishandeling daadwerkelijk is? Zo nee, wilt u dit dan in kaart brengen?
Vanuit de Universiteit Maastricht wordt momenteel onderzoek uitgevoerd naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten van dit onderzoek worden medio 2026 verwacht. Daarmee komen nieuwe, actuele cijfers beschikbaar over de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Hoe gaat u bijdragen aan het bespreekbaar maken van ouderenmishandeling, zodat het taboe wordt doorbroken?
Om ouderenmishandeling bespreekbaar te maken worden verschillende middelen ingezet. Veilig Thuis biedt (telefonisch) advies gericht op het doorbreken van het taboe en het bespreekbaar maken van ouderenmishandeling. Daarnaast is Veilig Thuis ook bereikbaar via een chatfunctie waarbij een medewerker advies geeft en hulp biedt. De chatfunctie zou mogelijk de toegankelijkheid tot het bespreken van zorgen vergroten door de anonimiteit en lage drempel tot contact. Ook biedt Veilig Thuis een AI-tool door middel waarvan gerichte informatie en aandachtspunten worden geboden over het voeren van gesprekken met ouderen over zorgelijke situaties en onveiligheid.
Aanvullend wordt deze maand door het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) een signalenpagina over ouderenmishandeling gelanceerd. Deze pagina biedt informatie over het herkennen van signalen, handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning en advisering.
Met bovenstaande middelen wordt niet alleen bijgedragen aan bewustwording, maar ook aan het doorbreken van taboes rondom ouderenmishandeling en het tegengaan van handelingsverlegenheid bij het (in)formele netwerk.
Hoe denkt u te kunnen voorkomen dat de dubbele vergrijzing en dus een toenemend aantal ouderen dat afhankelijk wordt van zorg niet tot nog meer ouderenmishandeling leidt?
Ik ben mij bewust van de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen die kunnen leiden tot meer en/of onzichtbare situaties van ouderenmishandeling. Er zijn verschillende acties en initiatieven om de bewustwording ten aanzien van ouderenmishandeling te vergroten en om ouderenmishandeling te voorkomen. Zo vond in 2024 de publiekscampagne «Geweld in Huiselijke Kring» plaats, waarin ouderenmishandeling specifiek werd uitgelicht. Andere voorbeelden zijn de signalenpagina ouderenmishandeling en de activiteiten van het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), die het herkennen van signalen en de samenwerking tussen professionals ondersteunen. Daarnaast wordt binnen beroepsgroepen, zoals bij huisartsen, sterk ingezet op scholing en het verbeteren van signalering.
Aanvullend op bovenstaande wordt specifiek ingezet op bewustwording rondom financieel misbruik. Het onderzoek van Regioplan (2018) liet zien dat ouderen financieel misbruik vaker rapporteerden dan andere vormen van ouderenmishandeling. Om die reden zijn er initiatieven ontwikkeld die gericht zijn op het voorkomen van financieel misbruik, zoals de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden». Op het gebied van financieel veilig ouder worden zijn er informatieboxen van VWS, die kosteloos kunnen worden aangevraagd en steeds vaker worden besteld. VWS neemt ook deel aan de Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden, waarin onder andere Veilig Thuis, ouderenbonden, diverse grootbanken, de VNG en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan preventie en aanpak van financieel misbruik.
Met een verbeterd inzicht in de prevalentie, dat wordt verwacht op basis van het onderzoek van de Universiteit Maastricht, kan op basis van inzicht bij burgers, uitvoeringsorganisaties en gemeenten meer urgentie worden gecreëerd over de omvang van het probleem.
Hoe kijkt u tegen de veronderstelde relatie aan tussen het beleid om ouderen langer thuis te laten wonen en het toenemende aantal slachtoffers van ouderenmishandeling?
Ik ben niet bekend met onderzoek dat samenhang tussen beleid om ouderen langer thuis te laten wonen en het toenemend aantal slachtoffers van ouderenmishandeling heeft onderzocht. Ik kan mij voorstellen dat dit beleid in sommige situaties kan samenlopen met risicofactoren voor ouderenmishandeling.
Welke rol ziet u voor de huisarts weggelegd in de vroeg signalering van ouderenmishandeling?
De huisarts speelt een actieve rol in de vroegsignalering van ouderenmishandeling, omdat de huisarts vaak langdurig en regelmatig in contact staat met ouderen. Tijdens consulten kan de huisarts signalen opvangen die mogelijk wijzen op onveiligheid binnen een afhankelijke situatie. Huisartsen zijn verplicht te werken volgens de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Dat betekent dat zij de meldcode moeten kennen en handelen volgens de vijf stappen. Iedere beroepsgroep die onder de meldcode valt, waaronder huisartsen, heeft een eigen afwegingskader ontwikkeld. Het afwegingskader, gebaseerd op het landelijke basismodel dat in 2019 is vernieuwd, ondersteunt professionals bij het bepalen wanneer het noodzakelijk is om Veilig Thuis te consulteren of een melding te doen.
Daarnaast worden huisartsen op verschillende manieren ondersteund bij deze taak. In november 2023 is door de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) de vernieuwde meldcode gepubliceerd, waarin ook praktische tools zijn opgenomen, zoals verwijzingen naar scholing. Via de LHV Academie wordt de e-learning Werken met de meldcode aangeboden, die huisartsen helpt bij het toepassen van de meldcode in de praktijk. Ook heeft de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) een podcast beschikbaar gesteld die specifiek ingaat op het herkennen en tegengaan van ouderenmishandeling. Verder is op de website van de LHV een themapagina ingericht waar informatie over ouderenmishandeling overzichtelijk is gebundeld, en heeft de LHV meegeschreven aan de vernieuwde Handreiking Kwetsbare Ouderen (februari 2025), waarin ouderenmishandeling eveneens aan bod komt.
Bent u bereid te kijken naar een uitbreiding van het mantelzorgverlof, gezien het feit dat overbelasting bij mantelzorgers kan leiden tot ontsporing van zorg en wordt genoemd als een van de oorzaken is van mishandeling van ouderen?
Ik vind het belangrijk dat mensen de ruimte hebben om werk en mantelzorgtaken te combineren. Het is daarnaast ook belangrijk om te voorkomen dat werkende mantelzorgers overbelast raken. Het mantelzorgverlof, en eventuele uitbreiding hiervan, kan bijdragen aan het voorkomen van overbelasting. Dit geldt ook voor andere vormen van mantelzorgondersteuning. Mijn ambtsvoorganger heeft, samen met de toenmalig bewindspersonen van VWS, OCW en FIN, de SER in oktober 2023 om advies gevraagd over de toekomstige combinatie van werk en mantelzorg. In de adviesaanvraag wordt onder meer gevraagd welke toekomstscenario’s en concrete domeinoverstijgende oplossingsrichtingen of ingrepen in het stelsel, zoals het zorgstelsel, het verlofstelsel of het belastingstelsel, mogelijk zijn. Het advies, dat begin 2026 wordt verwacht, is een belangrijke basis voor verdere beleidsvorming en gedegen keuzes voor de toekomst. Het is aan mijn ambtsopvolger om hier uitvoering aan te geven.
Hoe kijkt u tegen het idee van Kees Blankman aan om meer slagkracht te geven aan Veilig Thuis en er de taak te beleggen van primaire verzoeker van maatregelen bij de rechter voor ouderen in de knel?
Hoogleraar Blankman lijkt te verwijzen naar de doorzettingsmacht in situaties waarin sprake is van mogelijke wilsonbekwaamheid. Ik ben het ermee eens dat dit een belangrijk aandachtspunt is en dat het van belang is om gezamenlijk te bepalen hoe dit zorgvuldig kan worden vastgesteld. Ik deel de opvatting echter niet dat Veilig Thuis meer bevoegdheden als primaire verzoeker bij de rechter zou moeten krijgen. Veilig Thuis richt zich primair op meldingen, advies en ondersteuning, niet op juridische interventies. Veilig Thuis kán bij uitzonderlijke gevallen een verzoek doen bij de officier van justitie voor mentorschap of onder curatelestelling. Verder is er tussen Veilig Thuis, het Openbaar Ministerie en de Politie een stevig netwerk op thema ouderenmishandeling en op casus-niveau afstemming. De aanpak richt zich op preventie en vroegsignalering van ouderenmishandeling zodat schrijnende situaties tijdig worden gesignaleerd en aangepakt.
Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten |
|
Sarath Hamstra (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre gaat u de regels voor de «Buy now pay later»-bedrijven aanscherpen in het kader van consumentenbescherming?1
Klopt het dat hierbij geen rekening gehouden wordt met de praktijk van het doorverkopen van openstaande facturen en het nieuwe risico dat vervolgens ontstaat in het kader van consumentenbescherming?
Waarom is hier niet integraal voor oplossingen gekozen, maar enkel voor het stukje dat de betaaldiensten direct raakt?
Herkent u de strategie van bedrijven als Alektum, namelijk zo veel mogelijk niet-betalende klanten opzadelen met juridische procedures nadat hun facturen vermeerderd zijn met rente en incassokosten? Oftewel: hoe meer bulk het bedrijf verstuurt, hoe groter de kans dat er wel iemand betaalt?
Bent u bekend met de grote hoeveelheid zaken die Alektum aanhangig heeft gemaakt enerzijds versus de uitspraken die een aaneenschakeling tonen van fouten, slordigheden en zelfs misbruik van procesrecht en het feit dat Alektum opvallend vaak juridische procedures verliest anderzijds?
Alektum is lid van de Nederlandse Vereniging van gecertificeerde incasso-ondernemingen (NVI) en draagt ook dat kwaliteitskeurmerk. Wat gaat de NVI doen met deze signalen en wanneer is «de maat vol» en wordt een keurmerk ingetrokken zodat een keurmerk ook waarde blijft houden?
Wie controleert of de NVI kritisch genoeg is richting haar deelnemers?
Hoe kijkt u naar het verbieden van het gebruikmaken door betaaldiensten van incassobedrijven die dit keurmerk niet hebben?
Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de werkwijze van incassobedrijven, zoals Alektum (aan wie BNPL-bedrijf (Buy Now Pay Later) Klarna vorderingen heeft overgedragen), die duizenden rechtszaken aanhangig maken, vaak zonder deugdelijke onderbouwing, niet verschijnen bij de rechtbank en schuldenaren confronteren met torenhoge rente- en incassokosten?1
Hoe beoordeelt u deze handelwijze in het licht van de beginselen van een behoorlijke procesorde en de bescherming van schuldenaren? In hoeverre is hier volgens u sprake van (structureel) misbruik van procesrecht?
Kunt u toelichten welke maatregelen momenteel bestaan om te voorkomen dat incassobureaus op dergelijke wijze misbruik maken van het rechtssysteem?
Op welke wijze heeft u de aangenomen motie Ceder c.s. (Kamerstuk 35 915, nr. 27) afgedaan? Acht u de genomen maatregelen afdoende om het doorverkopen van schulden als verdienmodel te hebben bestreden? Zo nee, welke maatregelen bent u voornemens te nemen en/of te laten onderzoeken?
Bent u bekend met de algemene consumentenvoorwaarden van Klarna, waarin staat dat de vordering van de (web)winkel op de consument wordt overgedragen aan Klarna Bank AB? Deelt u dat een dergelijke overdracht van een vordering valt onder de reikwijdte van artikel 2, sub b, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?2
Bent u van mening dat de activiteiten van Klarna onder de Wet kwaliteit incassodienstverlening vallen? Zo ja, voldoet het bedrijf, naar uw oordeel, aan de verplichtingen die de wet stelt? Is het juist dat Klarna niet geregistreerd staat in het register van incassodienstverleners?
Bent u bekend met het feit dat Klarna, in het kader van haar BNPL-activiteiten, aan consumenten betalingsherinneringen en aanmaningen verstuurt wanneer facturen onbetaald blijven? Deelt u de opvatting dat het versturen van herinneringen en aanmaningen moet worden aangemerkt als het verrichten van «buitengerechtelijke incassowerkzaamheden» in de zin van artikel 1 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Is het correct dat de reikwijdte van de wet gebaseerd is op de feitelijke uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden richting natuurlijke personen, ongeacht door wie deze worden uitgevoerd? Zijn er organisaties uitgezonderd van de reikwijdte van deze wet?
Klopt het, zoals in het artikel gepubliceerd door Follow the Money staat, dat u in gesprek bent met het bedrijf Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Wat is de reden voor dit overleg? Is het gebruikelijk en wenselijk dat er overleg plaatsvindt tussen u en een bedrijf over naleving van de wet? Wat is hierin de rol van de Inspectie Justitie en Veiligheid? Is de Inspectie (al dan niet op handhavende wijze) betrokken bij dit overleg?
Kunt u aangeven waarom met Klarna wordt «overlegd» terwijl in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid staat dat «incassodienstverleners die niet zijn geregistreerd hun werkzaamheden met onmiddellijke ingang [moeten] staken en gestaakt houden»?3
Klopt het dat het overtreden van de registratieplicht in het incassoregister wordt aangemerkt als een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (WED)? Kunnen burgers in dit geval zelf aangifte doen van een vermoedelijke overtreding van deze registratieplicht door een incassodienstverlener?
Op welke wijze wordt er gehandhaafd op de Wet kwaliteit incassodienstverlening? Kunt u cijfers delen van de hoeveelheid boetes et cetera die zijn opgelegd?
Heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid volgens u voldoende instrumenten en capaciteit om adequaat te kunnen handhaven om een afschrikwekkende werking te hebben waardoor bedrijven zich genoodzaakt voelen om te voldoen aan de wet?
Wat vindt u van de suggestie die gedaan wordt in het artikel om de wetgeving aan te scherpen ten aanzien van de wijze waarop zogeheten BNPL-bedrijven mogen samenwerken met incassobureaus? Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende regelgeving of toezicht nodig is om consumenten beter te beschermen tegen agressieve incassopraktijken in deze sector?
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam1, waarin advocaat de kinderrechter tijdens de zitting een geluidsfragment heeft voorgelegd waarop een pleegmoeder zich op schokkende en vernederende wijze uitlaat tegen een kind die aan haar zorg was toevertrouwd?
Wat doet het met u als stelselverantwoordelijke bewindspersoon dat een kinderrechter de kwalificatie gebruikt dat de uitlatingen van de pleegmoeder «alle grenzen van fatsoen overschreden» en dat «dit niet is hoe de opvang van een kwetsbaar kind mag gaan»? Welke gevolgen zou een dergelijke constatering volgens u moeten hebben binnen de pleegzorgketen en de positie van een pleegzorgouder die zich zo opstelt naar een kind?
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat kinderen of ouders zich genoodzaakt voelen opnames te maken om gehoord te worden door jeugdbeschermers, raadsonderzoekers of de rechter? En dat het in deze zaak een geluidsfragment van het kind zelf was dat leidde tot erkenning van de misstanden, terwijl eerdere signalen van het kind kennelijk niet serieus zijn genomen? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat ook advocaten soms vastlopen als zij zorgen hebben over de situatie binnen een kinderbeschermingsmaatregel en dat ook zij niet gehoord of serieus genomen worden door de gecertificeerde instelling (GI) of de Raad voor de Kinderbescherming omdat zij gezien worden als een verlengstuk van ouders en/of kinderen? Deelt u de mening dat dit geen recht doet aan de neutrale positie die advocaten innemen en de gedragsregels waar advocaten zich aan dienen te houden? Waar kunnen advocaten zich volgens u melden als zich zo’n situatie zich voordoet?
Bent u ervan op de hoogte dat kinderen, ouders of pleegouders in sommige gevallen worden berispt of gesanctioneerd als zij dergelijke opnames maken en willen inbrengen in de procedure om zo gehoord te worden? Vindt u dit in lijn met artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK) dat bepaalt dat kinderen het recht hebben hun mening vrijelijk te uiten en dat daaraan passend belang moet worden gehecht?
Hoe beoordeelt u het verschil tussen rechtbanken waar kinderen wel of niet de mogelijkheid krijgen om via geluidsfragmenten hun stem te laten horen? Vindt u dat wenselijk? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Bent u ervan op de hoogte dat sommige rechtbanken, waaronder de Rechtbank Den Haag2, 3, dergelijke geluidsfragmenten niet accepteren als onderdeel van het dossier omdat zij als onrechtmatig worden beschouwd? En bent u ervan op de hoogte dat en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden4 het niet per definitie als onrechtmatig beschouwd maar dat er wel terughoudendheid betracht moet worden? Deelt u de mening dat dergelijke geluidsfragmenten niet als onrechtmatig beschouwd moeten worden en dat die terughoudendheid niet wenselijk is nu blijkt dat het vaak misgaat en dat juist de geluidsopnames kunnen bijdragen aan het gehoor geven aan de stem en de ervaringen van het kind, zoals vastgelegd in artikel 12 van het IVRK?
Deelt u de mening dat dit verschil in interpretaties in de rechtspraak als een vorm van rechtsongelijkheid kan worden ervaren? En bent u het eens met dit standpunt van de rechtbank Den Haag dat hiervan het gevolg is dat de stem van het kind niet of onvoldoende gehoord wordt of dat de ervaringen van kinderen buiten beeld blijven?
Bent u bereid met de Raad voor de Rechtspraak te verkennen of er een uniform toetsingskader kan komen voor de omgang met geluidsopnamen in civiele jeugdrechtzaken, zodat kinderen in gelijke omstandigheden ook gelijke rechtsbescherming genieten?
In hoeverre beschikken jeugdbeschermingsinstellingen en pleegzorgaanbieders over duidelijke protocollen over hoe om te gaan met geluids- of beeldmateriaal dat door kinderen wordt ingebracht als bewijsmiddel van onveiligheid of mishandeling? Wat bent u van plan te doen als hierin vermeld wordt dat dergelijke opnames niet als bewijs mogen dienen, ook wanneer zij aantoonbare misstanden laten zien?
Klopt het dat er geen landelijke richtlijn of toezichtkader bestaat dat regelt hoe dergelijke opnames moeten worden gewogen in (familie)rechtszaken of interne klachtenprocedures? Zo ja, bent u bereid zo’n richtlijn op te laten stellen?
Bent u ermee bekend dat veel kinderen en ouders geen klachten durven in te dienen tegen pleegouders of jeugdbeschermers als er sprake is van dergelijk grensoverschrijdend gedrag omdat zij zich door het gedrag zelf al niet veilig voelen en daarnaast bang zijn voor repercussies zoals het afzeggen van omgang of het verlengen van een maatregel? Welke mogelijkheden hebben kinderen of ouders momenteel om anders dan bij de eigen pleegzorgorganisatie veilig melding te doen van grensoverschrijdend gedrag binnen pleegzorg, buiten de instelling of GI om?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken hoeveel meldingen er de afgelopen vijf jaar zijn gedaan van onveiligheid of emotioneel geweld binnen pleegzorg en in hoeveel van die gevallen de stem van het kind doorslaggevend is geweest?
Herkent u het bredere signaal dat kinderen en ouders binnen de jeugdbescherming zich vaak niet gehoord of geloofd voelen, ook wanneer zij herhaaldelijk melding maken van misstanden? Wat zegt dit volgens u over de rechtspositie van gezinnen in het jeugdbeschermingsstelsel?
Acht u het wenselijk dat kinderen of jongeren procesrechtelijke bijstand krijgen bij het inbrengen van eigen bewijs of geluidsopnames, zodat zij dit op rechtmatige wijze kunnen doen zonder afhankelijk te zijn van toestemming van hun jeugdbeschermer of pleegzorgaanbieder?
Ziet u aanleiding om, samen met de Raad voor de Rechtspraak en de Inspecties, een landelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de omgang met kind signalen en geluidsopnamen in jeugdbeschermingszaken, met bijzondere aandacht voor de uiteenlopende rechtspraak in Den Haag en Rotterdam?
Hoe waarborgt u dat in toekomstige jeugdbeschermingsprocedures de stem van het kind niet afhankelijk is van een opname, maar vanzelfsprekend wordt gehoord, serieus genomen en gewogen?
De Veiligheid van procespartijen en rechtsgelijkheid bij jeugdbeschermingsprocedures |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Judith Tielen (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10004)1, waarin de meervoudige kamer expliciet stelt dat de rechtbank geen taak of wettelijke bevoegdheid heeft om tijdens of na een zitting de veiligheid van procespartijen te waarborgen?
Komt het standpunt van de meervoudige kamer overeen met formeel beleid van de gerechten of de raad voor de rechtspraak?
Deelt u de mening dat deze uitspraak feitelijk betekent dat procespartijen – waaronder ouders, kinderen, advocaten, medewerkers van de gecertificeerde instelling (GI), de Raad voor de Kinderbescherming en zelfs rechters – tijdens de zitting en na afloop van de zitting zonder enige bescherming het gerechtsgebouw verlaten, ook als er sprake is van expliciete bedreigingen?
Acht u het wenselijk dat een rechterlijke instantie die op de hoogte is van een concrete bedreiging, zeker als die in de zitting wordt uitgesproken, zich beperkt tot de constatering dat er «geen wettelijke bevoegdheid» bestaat om maatregelen te treffen?
Worden deze bedreigingen ook geregistreerd waardoor het zichtbaar is hoe vaak dit voor komt? Is er bijvoorbeeld bekend hoe vaak rechters of griffiers bedreigt worden? Of andere procesdeelnemers? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, overweegt u om dit vast te laten leggen waardoor er niet alleen een preventieve werking van uit gaat, maar ook dat er onderzoek kan worden gedaan naar de herkomst en omstandigheden waar dit vandaan komt?
Wordt er ook geregistreerd wat de bedreigingen zijn, waar ze vandaan komen zodat niet alleen inzichtelijk is hoe vaak het voorkomt maar ook wat de achtergronden en of er mogelijk een patroon of recidive is van bepaalde ouders?
Hoe wordt in de praktijk bepaald of een dergelijke dreiging wordt beschouwd als een strafrechtelijke of veiligheidskwestie en wie neemt daartoe het initiatief – de rechtbank, de griffier, de Raad, de GI of de politie?
Bestaat er een protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie? Zo ja, kunt u de kamer dit protocol toezenden?
Indien het antwoord op vraag 8 nee is, kunt u aangeven welk protocol er wél geldt, wie dit handhaaft en hoe vaak dit wordt toegepast?
Hoe wordt de veiligheid van de betrokken rechters, advocaten en hulpverleners gewaarborgd bij vertrek uit de zittingszaal of het gerechtsgebouw, zeker wanneer er sprake is van een emotioneel beladen jeugdzorgzaak waar dergelijk bedreigingen zijn geuit?
Hoe vaak komt het voor dat rechters bedreigd worden in zittingen of daarbuiten via bijvoorbeeld mail of sociale media? Hoe gaat de rechtspraak ermee om als rechters bedreigd worden? Hoe wordt dan de veiligheid van de rechters gewaarborgd? Welke maatregelen neemt de rechtbank dan in het belang van de veiligheid van de rechters? Waar kunnen rechters terecht als zij bedreigd worden en hoe verhoudt zich dat weer ten aanzien van de geheimhoudingsplicht die rechters hebben in het kader van de beslotenheid van jeugd- en familierechtszaken?
Wordt er in dergelijke situaties overleg gevoerd tussen rechtbanken en lokale politie of het Openbaar Ministerie om acute dreiging te beoordelen en maatregelen te treffen? Zo ja, hoe vaak gebeurt dat en hoe is die samenwerking geborgd?
Acht u het wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van procespartijen in dit soort zaken niet bij één instantie is belegd, waardoor iedereen op elkaar wacht en feitelijk niemand handelt?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige taakafbakening tussen rechtbank, GI, Raad en politie leidt tot rechtsongelijkheid en veiligheidsrisico’s voor partijen die deelnemen aan jeugdbeschermingsprocedures?
Hoe beoordeelt u het risico dat slachtoffers van bedreiging (zoals de moeder in deze zaak, maar ook de advocaat van moeder en de bijzonder curator) zich niet vrij voelen om hun standpunt te uiten en dat dit de kern van een eerlijk proces ondermijnt (artikel 6 EVRM)? Deelt u de mening dat hiermee ook de belangen van de minderjarige in het geding komen? En daarmee het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind niet kan worden nageleefd?
Kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot de zorgplicht van de overheid om veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, waaronder kinderbeschermingszaken?
Bent u bereid in overleg met de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse orde van advocaten, de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en alle andere belanghebbenden om te komen tot een goede borgingsafspraken en indien nodig landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen?
Kunt u garanderen dat los van het eventuele beleid concrete stappen worden gezet om de veiligheid van rechters en andere professionals binnen de rechtsgebouwen, wanneer er concrete aanwijzingen zijn voor hun onveiligheid, worden beschermd?
Zo ja, op welke termijn verwacht u dit te kunnen realiseren en bent u bereid de Kamer hierover voor het einde van het eerste kwartaal van 2026 te informeren?
De pilot ‘gratis advocaat’ bij uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Proef met betere rechtsbijstand in jeugdzorg werkt averechts: vertrouwde advocaat uit beeld» van 9 juni 2023 in het Algemeen Dagblad? Zo nee, kunt u dit lezen?1
Kunt u de Kamer nogmaals kort uitleggen wat het beoogde doel is van de pilot kosteloze rechtsbijstand voor ouders bij (spoed)uithuisplaatsingen en gezagsbeëindigingen en hoe de «verbeterde rechtsbescherming» daarin concreet wordt gemeten?
Kunt u leggen hoe de pilot moet worden uitgevoerd/toegepast?
Klopt het dat rechtbanken in het kader van de pilot zelf een advocaat aanwijzen voor ouders «die zo snel mogelijk contact opneemt»? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het recht op vrije advocaatkeuze?
Hoe is geborgd dat de pilot niet leidt tot verdringing van reeds betrokken of door ouders gekozen advocaten? Welke instructies zijn hierover aan de rechtbanken verstrekt? Kunt u deze instructies delen met de Kamer?
Herkent u de signalen dat ouders zich overvallen voelen door een aangewezen advocaat en ervaren dat hun voorkeursadvocaat buitenspel komt te staan? Wat is daarop uw reactie?
Welke waarborgen bestaan er dat – zodra een ouder een voorkeursadvocaat meldt – de rechtbank die keuze honoreert, ook binnen de pilot?
Kan het zijn dat de uitvoering van de pilot, zoals wordt gemeld, in de verschillende arrondissementen anders of verschillend geïnterpreteerd of uitgevoerd worden? Zo ja, kunt u per arrondissement de werkwijze schetsen en verschillen duiden? Kunt u de Kamer hier een overzichtstabel van toesturen?
Deelt u de mening dat als de arrondissementen de pilot inderdaad verschillend toepassen dat dit impact op heeft op rechtsgelijkheid?
Deelt u de mening dat ouders zelf capabel genoeg zijn om een keuze te maken voor een advocaat? En deelt u de mening dat ouders eerst zelf akkoord moeten geven voordat de advocaat definitief gekoppeld wordt?
Hoe wordt in alle communicatie aan ouders zichtbaar en begrijpelijk gemaakt dat zij zelf een advocaat mogen kiezen en hoe zij dat praktisch regelen binnen de pilot? Kunt u de Kamer inzicht geven in hoe dit nu gecommuniceerd aan ouders?
Hoe waarborgt u dat bij spoed (art. 800 Rv) de aanwijzing/toegang tot eigen advocaat niet illusoir wordt? Welke termijnvereisten en praktische voorzieningen (bijvoorbeeld de piketregeling jeugdrecht) gelden hiervoor?
Deelt u de mening dat het een goed voorstel is om ouders eerst zelf de tijd te geven een voorkeursadvocaat te kiezen en als dat als er bijvoorbeeld 10 dagen voor de zitting nog geen advocaat is, de rechtbank alsnog een advocaat aanwijst?
Bent u bekend met het feit dat als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen, de aangewezen advocaat vaak al in bezit is van het dossier en vervolgens overnamepunten vraagt voor overname van het dossier? Wat is uw mening hierover en vindt u dit wenselijk? Deelt u de mening dat hierdoor de kosten onnodig verhoogd worden?
Bent u bekend met het feit dat de rechtbanken de dossiers al versturen aan de toegewezen advocaten nog voordat ouders akkoord gaan met de gekoppelde advocaat? Wat is hiervoor de juridische grondslag volgens u? En hoe verhoudt dit zich tot bijvoorbeeld met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)? Vindt u het überhaupt wenselijk dat rechtbanken dossiers vol vertrouwelijk informatie delen met een advocaat zonder dat ouders daar toestemming voor hebben verleend? En deelt u de mening dat als een dossier verzonden wordt aan een advocaat zonder toestemming van de ouders er sprake is van een datalek en dat hiervan melding gemaakt moet worden bij de AVG?
Acht u het proportioneel en noodzakelijk om zonder uitdrukkelijke toestemming dossiers aan een niet-gekozen advocaat te verstrekken, gelet op het minimale-gegevens-principe en het vertrouwensbeginsel? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
Herkent u de signalen dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) voor zitting met betrekking tot een verzoek voor een kinderbeschermingsmaatregel de dossiers of (delen van) informatie deelt met een gecertificeerde instelling (GI)? Past dit binnen de AVG/het wettelijk kader? Kunt u dit duiden met een verwijzing naar de juridische grondslagen?
Hoe borgen u en de RvdK dat in verzoeken die met de GI gedeeld worden geen gevoelige persoonsgegevens bevatten (art. 9 AVG) en dat betreft niet alleen over NAW-gegevens en BSN-nummers, maar ook persoonskenmerken die toezien op gedragingen of informatie uit het verleden waarvan niet vaststaat of die relevant is om te delen? Hoe borgt u dat kwaliteitskaders en werkprocessen van RvdK conform de AVG zijn en niet feitelijk (prejudiciële) dossierdeling normaliseren? Wat vindt u van het feit dat de kwaliteitskaders van de RvdK al voorzien in het feit dat zij op voorhand al informatie naar de GI sturen, terwijl de GI nog geen belanghebbende is en dus geen recht heeft op de gegevens maar wel al die kennis heeft? En is het geen risico dat als er geen ondertoezichtstelling wordt uitgesproken er toch persoonlijke en vertrouwelijke informatie die onder de AVG valt al gedeeld is met andere procespartijen? Bent u van mening dat hier dan sprake is van een datalek? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om – indien nodig – het kwaliteitskader van de RvdK te (laten) herzien wanneer bepalingen/werkpraktijken de AVG of het procesrecht doorkruisen? Zo ja, op welke termijn denkt u dit te gaan doen?
Kunt u een landelijke uitvoeringsinstructie publiceren met heldere normen over vrije advocaatkeuze, toestemming voor dossierdeling en communicatie aan ouders – en toezien op naleving door rechtbanken en ketenpartners? Tegen welke datum?
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met o.a. jeugdrechtadvocaten Mieke Krol en Richard Korver, die herhaaldelijk publiekelijk op knelpunten hebben gewezen (vrije keuze, dossierdeling, procedurele waarborgen)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u de Tweede Kamer informeren over de uitkomst van dat gesprek en welke procesaanpassingen u daaruit laat volgen?
Indien blijkt dat dossiers onrechtmatig zijn gedeeld, bent u dan bereid ouders te informeren, incidenten te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en – waar passend – herstelmaatregelen (inclusief vernietiging/herstel van procespositie) te treffen?
Bent u bekend met het feit dat ook minderjarige kinderen vaak volledige procesdossiers ontvangen vanuit de rechtbank? Vindt u het wenselijk dat het kind het gehele procesdossier krijgt en zo bijvoorbeeld de gehele strijd tussen ouders kan lezen? En indien u van mening dat kinderen het volledige dossier moeten ontvangen, zou het dan niet wenselijker zijn dit in een meer kindvriendelijke vorm te doen?
Seksueel misbruik in de Gehandicaptenzorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het item van Pointer van 1 november jl. over een veroordeelde zedendelinquent die toch zijn beroep als verpleegkundige kon blijven uitoefenen?1 Wat is uw reactie op deze uitzending?
Ja, ik ben bekend met dit item. Ik leef mee met het slachtoffer en haar naasten, daarnaast vind ik het van groot belang dat dit aan de orde wordt gesteld.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat iemand die tijdens zijn opleiding tot verpleegkundige een persoon met een beperking seksueel heeft misbruikt, waarna door de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) is geconstateerd dat er sprake is van een situatie die voor de veiligheid van patiënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen, toch het beroep kan blijven uitoefenen?
Ja, deze mening deel ik.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat er wettelijke mogelijkheden bestaan voor personen die zedendelicten hebben gepleegd, in het bijzonder zedendelicten waarbij personen in een kwetsbare positie zijn betrokken, om vervolgens aan de slag te gaan in sectoren zoals de gehandicaptenzorg, waarbij zij verantwoordelijk zijn voor de zorg van vaak kwetsbare mensen?
Ik begrijp dat dit tot zorgen leidt. Ik vind het ook ongewenst dat personen die zedendelicten hebben gepleegd, in het bijzonder wanneer er personen in een kwetsbare positie bij zijn betrokken, aan de slag gaan in sectoren zoals de gehandicaptensector.
Hoe reflecteert u op het feit dat het tuchtcollege geen mogelijkheden heeft voor het opleggen van een beroepsverbod indien het zedendelict heeft plaatsgevonden voor de BIG-registratie?
Laat ik in zijn algemeenheid vooropstellen dat patiënten erop moeten kunnen vertrouwen dat zij kwalitatief goede zorg krijgen volgens de stand van de wetenschap en de praktijk.
Het tuchtrecht is van toepassing op zorgverleners die zijn ingeschreven in het BIG-register. Voor zorgverleners die niet in het BIG-register zijn ingeschreven, omdat zij daar vanwege opleiding nog niet voor in aanmerking komen of omdat zij een ander beroep uitoefenen, zijn andere waarborgen waaronder de Verklaring Omtrent het gedrag (VOG) aanwezig en is het tuchtrecht niet aangewezen.
Bent u bereid om dit gat in de huidige wet- en regelgeving te dichten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiervoor? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) is in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd dat het voornemen bestaat om bij een vergunningaanvraag op grond van de Wtza voortaan standaard een VOG te vragen aan leden van de dagelijkse of algemene leiding, al dan niet voor bepaalde risicogroepen.2 Dit voornemen wordt de komende maanden inhoudelijk verder uitgewerkt met betrokkenen. Hoewel leden van de dagelijkse of algemene leiding geen zorgverleners hoeven te zijn, is dit een grote stap in de standaardisering en verbetering van de integriteitstoetsing in de zorg. Op dit moment geldt dat alle zorgverleners die zorg verlenen op grond de Wet langdurige zorg (Wlz) binnen een instelling over een VOG moeten beschikken. De VOG-verplichting geldt bij de Wlz ook voor andere personen dan zorgverleners die beroepsmatig met de cliënten van de zorginstelling in contact kunnen komen. Daarnaast bestaat een VOG-verplichting voor zorgverleners die als solist Wlz zorg verlenen. Tenslotte geldt een VOG-verplichting ook voor zorgverleners en andere personen die beroepsmatig met cliënten van de zorginstelling in contact kunnen komen die in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg zorg verlenen.
De reden om niet voor alle zorgverleners verplicht een VOG te verlangen, is dat bij de plenaire behandeling van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) aan de orde is geweest dat een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners zou leiden tot hoge kosten en administratieve lasten. Ook zou de VOG niet de garantie bieden dat de veiligheid van de zorg op orde is. Dit alles laat onverlet dat een zorgaanbieder mede in het kader van de vergewisplicht altijd een VOG van een zorgverlener kan verlangen, ook als er geen VOG-verplichting bestaat.
Hoe reflecteert u op de oproep van meerdere zorgopleidingen om de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te verplichten in de hele zorgsector?
Zie antwoord vraag 5.
Herkent u het beeld dat iedere opleiding anders omgaat met verdenkingen en veroordelingen van studenten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om hierbij heldere richtlijnen te creëren? Wie is daar volgens u voor verantwoordelijk?
Ja, ik herken dit beeld. Wanneer een student wordt verdacht van seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen de onderwijsinstelling of binnen de stage kan de onderwijsinstelling de student schorsen of verwijderen op grond van beroepshouding of het studentenstatuut als de veiligheid in de onderwijsinstelling in het geding is.
Deze regels gelden niet automatisch in geval van verdenkingen en veroordelingen in de privésfeer, tenzij deze een bedreiging vormen voor de veiligheid op school. Het is aan de onderwijsinstelling dan wel de desbetreffende zorginstelling om te bepalen wat te doen als er dergelijke vermoedens zijn over iemand die zijn opleiding volgt. Hier kan ik geen aanvullende richtlijnen voor creëren, omdat dit buiten mijn verantwoordelijkheid valt.
De onderwijsinstelling mag een diploma verstrekken als aan alle wettelijke eisen is voldaan. De laatste stage moet hierbij in elk geval voldoende zijn. Het kan echter wel zijn voorgekomen dat een student een negatieve beoordeling heeft gekregen bij het opdoen van een eerdere praktijkervaring in een zorginstelling. Het is daarom extra belangrijk dat onderwijs- en zorginstellingen goed met elkaar communiceren over een eventueel voorval, vooral als dit zich in de privésfeer heeft afgespeeld, en wat een passende maatregel daarbij is.
Welke waarborgen bestaan er momenteel om erop toe te zien dat er tijdig wordt ingegrepen bij (vermoedens van) misbruik binnen de gehandicaptenzorg?
Er bestaan verschillende waarborgen om tijdig in te kunnen grijpen bij (vermoedens van) misbruik binnen de gehandicaptenzorg. Preventief werken zorgaanbieders aan een veilige meldcultuur. Dit vraagt doorlopend aandacht. Kernactiviteiten om die veilige meldcultuur te bewerkstelligen zijn bijvoorbeeld scholing voor (nieuwe) medewerkers gericht op het herkennen van signalen van grensoverschrijdend gedrag, bewustwording over het belang van melden en handelen conform intern beleid, voorlichting aan cliënten en naasten en zorgen voor bekendheid van vertrouwenspersonen voor cliënten en medewerkers.
Daarnaast zijn er vanuit wet- en regelgeving verschillende instrumentaria. Zorgaanbieders zijn vanuit de Wkkgz verplicht om een procedure te hebben voor het intern melden van incidenten. Daaronder valt ook het melden van seksueel grensoverschrijdend gedrag of een vermoeden daarvan. (Zie ook de brochure van de IGJ «Het mag niet, het mag nooit», 2023.) Zorgaanbieders hebben de plicht om «geweld in de zorgrelatie» te melden bij de toezichthouder. Seksueel overschrijdend gedrag is een vorm van «geweld in de zorgrelatie».
De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) heeft een handreiking «Sturen op aanpak seksueel misbruik» met praktische handvatten en aanbevelingen voor zorgorganisaties om de preventie en aanpak van seksueel misbruik te organiseren. Deze handreiking wordt momenteel herschreven. De herziene handreiking beschrijft wijzigingen in wet- en regelgeving, bevat veel achtergrondinformatie en ondersteunt organisaties bij het uitwerken van hun eigen interne beleid en procedures ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting cliënten.
Kunt u een recent overzicht geven van de meldingen die in de afgelopen jaren zijn gedaan bij de IGJ over (seksueel) misbruik binnen de verschillende zorgsectoren?
In 2024 ontving de inspectie 330 meldingen over (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag, voor het grootste deel over fysiek seksueel grensoverschrijdend gedrag (84%)3. Het aantal meldingen verschilt per zorgsector. Er waren 90 meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg4.
Wat is er sinds 2023 gedaan om de motie Westerveld uit te voeren waarin wordt gevraagd om gespecialiseerde vertrouwenspersonen vaker langs te laten gaan bij mensen met een beperking?2 Hoeveel extra personen zijn er opgeleid?
Voor mijn reactie op de uitvoering van de genoemde motie verwijs u ik naar beide voortgangsrapportages van de Toekomstagenda6. Ik heb geen zicht op het specifieke aantal extra opgeleiden personen.
Bent u bereid om eindelijk de motie Westerveld c.s.3 uit 2023 uit te voeren waarin de regering wordt verzocht om het aantal inspecteurs voor de gehandicaptenzorg uit te breiden, eventueel door een herprioritering binnen de IGJ, zodat er proactief toezicht gehouden kan worden op alle intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven?
Met de Toekomstagenda is fors (26%) extra capaciteit (6 extra inspecteurs), specifiek voor de gehandicaptenzorg, toegevoegd aan de IGJ. Daarnaast is het eerder toegezegde transparantieregister van pgb-wooninitiatieven in ontwikkeling, waarmee ik wil bereiken dat de IGJ zicht heeft op deze initiatieven.
Ernstig dierenleed bij transporten van honderdduizenden zieke en kwetsbare biggetjes naar Zuid-Europa |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Nieuwsuur gezien en de beelden die zijn gemaakt door Stichting Eyes on Animals, waarin transporten van zieke en kwetsbare biggetjes van Nederland naar Zuid-Europa zijn gevolgd – een lot dat jaarlijks honderdduizenden biggetjes moeten ondergaan alleen maar omdat het goedkoper is om de dieren daar te slachten?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze beelden?
De NVWA onderzoekt de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Wat vindt u ervan dat kwetsbare biggetjes met afwijkingen, zoals breuken, groeiproblemen, aangebeten oren of abcessen, vanwege economische belangen op jonge leeftijd op transport worden gezet naar slachthuizen in Kroatië, Italië en Spanje?
Het betreft hier biggen die door een bepaalde afwijking niet grootgebracht kunnen worden tot vleesvarken. Zolang deze biggen geschikt zijn voor het geplande transport, mogen ze naar een slachthuis vervoerd worden. Die transporten volgen vraag en aanbod. In Nederland is er weinig tot geen vraag naar dit soort biggen, die worden hier nauwelijks tot niet gegeten. Daarom gaan deze biggen naar slachthuizen in het buitenland, waar er wel vraag is naar deze dieren.
Bent u ermee bekend dat deze transporten 18 tot 24 uur duren, de zieke en kwetsbare biggetjes gedurende de hele reis in overvolle vrachtwagens verblijven en geen toegang hebben tot voedsel en geen of zeer beperkte toegang tot water?
Ik ben ermee bekend dat in de praktijk gespeende biggen, mits zwaarder dan 10 kg, 18 tot 24 uur vervoerd worden. Dergelijke lange transporten van varkens, waaronder ook biggen, zijn op basis van de EU-Transportverordening toegestaan. Alle biggen moeten geschikt zijn voor het voorgenomen transport. Na een transporttijd van 24 uur moeten ze worden uitgeladen op een controlepost waar ze eten, drinken en minimaal 24 uur rust krijgen. Daarna mogen ze opnieuw 24 uur getransporteerd worden. Deze cyclus mag volgens EU-verordening 2020/688 (diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de EU van landdieren) maximaal 20 dagen duren. Het is wettelijk verplicht dat biggen tijdens transport voortdurend toegang hebben tot water via een geschikt drinkwatersysteem. Tijdens het vervoer moeten alle biggen ten minste gelijktijdig kunnen gaan liggen en in hun natuurlijke houding kunnen staan. Varkenshouders, exploitanten van verzamelcentra en vervoerders zijn wettelijk verplicht deze regels na te leven. De NVWA houdt hier toezicht op.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de onderzoekers van Eyes on Animals hebben waargenomen dat biggetjes in de vrachtwagens wanhopig naar water zoeken, zoveel honger hebben dat ze het zaagsel eten en over elkaar heen lopen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben bekend met de inhoud van de publicaties van Eyes on Animals. Biggen horen tijdens het transport voortdurend de toegang te hebben tot water via drinkwatersystemen die voor hen toegankelijk zijn. Op de beelden is te zien dat de biggen niet goed uit het beschikbare drinksysteem lijken te kunnen drinken ondanks dat het systeem toegankelijk is voor de dieren. Het wroeten in en het eten van zaagsel is niet per definitie een indicator dat de biggen honger hebben. Dit past ook bij normaal, onderzoekend gedrag van varkens. Op sommige beelden is verder te zien dat biggen dicht op elkaar liggen. Voor een deel is dit natuurlijk gedrag van varkens. Aan de hand van de beelden kan onvoldoende vastgesteld worden of alle dieren gelijktijdig konden gaan liggen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af om te bepalen of nog extra maatregelen nodig zijn.
Bent u ermee bekend dat de voorzitter van de Productenorganisatie Varkenshouderij (POV) in reactie op de beelden liet weten «niets schokkends» te hebben gezien?
Ik heb de reactie van de voorzitter van de POV gezien.
Heeft u kennisgenomen dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) juist stelt dat op de beelden overtredingen te zien zijn, zoals dat varkens met grote abcessen in overvolle transportwagens worden getransporteerd, met het risico dat andere varkens op deze abcessen trappen of liggen, wat voor het dier zelf zeer pijnlijk is?
Ik heb kennisgenomen dat de NVWA stelt dat op de beelden biggen te zien zijn met ernstige navelbreuken die niet vervoerd hadden mogen worden. Het onderzoek naar de beelden loopt nog. De NVWA bekijkt hoe ze passend maatregelen kan nemen.
Hoe verklaart u dat de varkenssector zelf zegt niets schokkends op de beelden te zien en daarmee aangeeft dat de praktijken op deze beelden normaal zijn, terwijl de NVWA juist aangeeft dat er sprake is van overtredingen van de transportwetgeving?
Het is niet aan mij om de reactie van de sector te interpreteren.
Bent u bereid om de varkenssector te corrigeren en erop te wijzen dat er wel degelijk schokkende en onacceptabele praktijken te zien zijn op de beelden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van de sector dat zij zich aan de geldende wet- en regelgeving houdt. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Heeft u gezien dat de NVWA, vanwege gebrek aan capaciteit, de varkenssector zelf heeft gevraagd om een goede voorselectie te doen van de biggen die op transport worden gezet?
De sector is verantwoordelijk voor een zorgvuldige voorselectie van dieren voorafgaand aan deze transporten. Daarover heeft de NVWA met ondersteuning van mijn departement heldere afspraken gemaakt met verschillende brancheorganisaties, die zijn vastgelegd in het sectorprotocol transportwaardigheid. Ik verwacht dat de sector zich aan deze afspraken houdt. Waar dat niet gebeurt, grijpt de NVWA in. Bijvoorbeeld door een nieuwe voorselectie te eisen of door geen gezondheidscertificaat af te geven voor dieren die niet goed zijn voorgeselecteerd. Deze afspraken zijn niet gemaakt vanwege gebrek aan capaciteit bij de NVWA.
Vindt u dit een verstandig besluit, aangezien de sector zelf aangeeft van mening te zijn dat dit dierenleed niet schokkend is, en dit weinig vertrouwen schept dat zij zelf streng zullen toezien op dierenwelzijn?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Kunt u aangeven welke sancties of maatregelen de NVWA heeft opgelegd aan de transportbedrijven en varkenshouderijen naar aanleiding van de overtredingen die in beeld zijn gebracht door Eyes on Animals?
Het onderzoek van de NVWA loopt op dit moment nog dus kan ik niet vooruitlopen op mogelijke uitkomsten.
Hoe verklaart u dat ondanks het toezicht en de regelmatige berichtgeving over het structurele dierenleed bij diertransporten, ernstige overtredingen blijven plaatsvinden?
Zoals hierboven aangegeven, staat de huidige wet- en regelgeving lange transporten van levende dieren toe. Dit soort transporten zijn uitdagend voor de dieren die ze ondergaan. Bij het werken met levende dieren, kunnen zaken anders lopen dan van tevoren ingeschat. Ondernemers, zoals vervoerders, maar ook medewerkers bij verzamelcentra hebben daarbij de verantwoordelijkheid om – conform de regelgeving – met respect met dieren om te gaan en ervoor te zorgen dat pijn en onnodig lijden wordt voorkomen. De sector is dus aan zet om ervoor te zorgen dat dierenleed bij vervoer niet voorkomt. Tegelijkertijd houdt de NVWA risicogericht toezicht en grijpt in op het moment dat overtredingen worden vastgesteld.
Bent u bereid om de omvang van de varkenssector aan te passen op de toezichtcapaciteit van de NVWA, zodat de NVWA wel ordentelijk toezicht kan houden op het welzijn van dieren en daarmee kan voorkomen dat dit ernstige lijden blijft plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. De reden hiervoor staat in mijn antwoord op vraag 13.
Wat vindt u ervan dat Nederland actief een systeem in stand houdt waarin jonge dieren die ziek en kwetsbaar zijn honderden of zelfs duizenden kilometers worden vervoerd om te worden geslacht in andere landen omdat dit daar iets goedkoper is, met grote gevolgen voor het welzijn van de dieren zelf?
Lang transport van dieren – waaronder ook van deze biggen – is toegestaan volgens de Europese Transportverordening. Het betreft hier EU-regels waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. Wat Nederland doet, is zich bij de onderhandelingen over de herziening van de transportverordening inzetten conform het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112 nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat de Kamer de regering al jarenlang oproept om diertransporten drastisch in te perken, waaronder een verbod op transporten die langer dan zes uur duren, een forse daling van het aantal diertransporten, geen diertransporten naar landen buiten Europa, een verlaging van de maximumtemperatuur en een einde aan transporten op zee (Kamerstuk 36 755, nr. 31, Kamerstuk 28 286, nr. 1348, Kamerstuk 21 501-32, nr. 1605 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1507)?
Ja.
Klopt het dat het hoogst onzeker is dat de herziening van de Europese Transportverordening gaat voldoen aan de kaders die zijn gesteld door de Kamer, zoals verwoord in deze verschillende aangenomen moties, en dieren op transport naar verwachting ernstig zullen blijven lijden?
De onderhandelingen aangaande de herziening van de transportverordening zijn in volle gang. Het krachtenveld is echter zeer uitdagend, met een meerderheid van de lidstaten die vraagt om een versoepeling van de voorgestelde en soms zelfs de huidige regels. Ik zal dus zeer strategisch te werk moeten gaan, waarbij het inderdaad hoogst onzeker is dat de Nederlandse inzet integraal wordt overgenomen.
Bent u bereid om deze beelden persoonlijk aan de Europese Commissie en de landbouwministers van andere lidstaten te laten zien met daarbij de klemmende oproep om dergelijke transporten te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 17.
Deelt u de mening dat het de taak is van de Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn om maatregelen te treffen als blijkt dat dieren in de veehouderij structureel lijden en de huidige wetgeving en handhaving onvoldoende is om hier een einde aan te maken? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn van gehouden dieren ligt bij de houder van het dier. De wetgeving hierin is al duidelijk; dieren die je houdt, moet je met respect behandelen. Als dit niet gebeurt, is het in de eerste plaats aan de houders van dieren en de sector in zijn geheel om maatregelen te treffen om zich aan de wet te houden. Ik verwacht dit ook van de sector en spreek ze hierop aan waar nodig.
Wat gaat u zelf op de korte termijn doen om een einde te maken aan het lijden van deze biggetjes, aangezien we weten dat wachten op wetgeving vanuit de Europese Unie naar alle waarschijnlijkheid niet gaat leiden tot een fatsoenlijke bescherming van dieren en een einde aan dit structurele leed?
Zoals aangegeven op mijn antwoord op vraag 15 is lang transport van dieren toegestaan volgens de EU-Transportverordening. Het betreft hier Europese regels, waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. De Nederlandse inzet bij de herziening van de transportverordening is helder: alleen kort transport (<9 uur) voor kwetsbare dieren en slachtdieren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord.
Het bericht dat als je bij de geheime dienst solliciteert, Google dat als eerste weet |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van Follow the Money waarin onderbouwd wordt dat sollicitatiegegevens van kandidaten voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) via werkenvoornederland.nl automatisch terechtkomen bij Amerikaanse techbedrijven zoals Google, Amazon en Cloudflare?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger op eerder gestelde schriftelijke vragen over dit onderwerp, waarin juist beweerd werd dat er geen gegevens van sollicitanten bij de AIVD en MIVD gedeeld worden met Google?2
De beantwoording van de eerder gestelde Kamervragen over dit onderwerp is mij bekend.
Hoe verklaart u het verschil tussen die eerdere antwoorden en de uitkomsten van het onderzoek van Follow the Money? Deelt u de mening dat dit verschil niet afgedaan kan worden met verwijzen naar «definitiekwesties» over wanneer iemand wel of niet een sollicitant is? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat eerdere beantwoording niet toereikend is. Ik zal hier proberen om eventuele onduidelijkheden weg te nemen. In de beantwoording van de Kamervragen in februari 2025 is verschil gemaakt tussen een sollicitant en een geïnteresseerde bezoeker van werkenvoornederland.nl. Op het moment dat een geïnteresseerde de website werkenvoornederland.nl bezoekt, gebruikt BZK/Organisatie & Personeel Rijk (O&P Rijk) inderdaad Google Analytics. Overigens wordt er momenteel gewerkt aan de uitfasering van Google Analytics plaats en de overstap naar een Europees alternatief, en gebruiken we Google Analytics niet meer voor de vacaturepagina’s van de AIVD en MIVD op werkenvoornederland.nl.
Zodra een geïnteresseerde bezoeker een motivatie en persoonlijke gegevens achter laat om te solliciteren, gebeurt dit in een aparte omgeving. In deze aparte omgeving wordt Google Analytics niet gebruikt. De persoonlijke gegevens van een sollicitant komen dan ook niet bij Google Analytics terecht. Hetzelfde geldt voor het selectieproces, dat offline plaatsvindt.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat sollicitanten worden gewaarschuwd om «geen informatie over hun sollicitatie te delen», terwijl de overheid zelf informatie over de interesse in een sollicitatie bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (onbedoeld) deelt met buitenlandse partijen? Zo nee, waarom niet?
Het actief delen van een (lopende) sollicitatie bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in je eigen omgeving en het vermelden daarvan op sociale media brengt bepaalde risico's met zich mee. Afgezien van zeer beperkte data van geïnteresseerde bezoekers (zie beantwoording vragen 5 en 7) worden er geen persoonlijke gegevens van sollicitanten gedeeld. De kans dat digitaal gedrag op een website als werkenvoornederland.nl tot dezelfde risico's leidt is daarom kleiner.
Deelt u de zorg van experts dat dit gegevenslek de veiligheid van sollicitanten én daarmee de nationale veiligheid in gevaar kan brengen, met name wanneer deze data via Amerikaanse wetgeving opgevraagd kan worden door Amerikaanse inlichtingendiensten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het belangrijk is om zorgvuldig met dergelijke data om te gaan. Het verwerken van gegevens door Google ten behoeve van het gebruik van de analyse functionaliteit van Google Analytics is tot een minimum beperkt. De data die verwerkt worden door middel van Google Analytics, worden conform de Google Analytics 4 (GA4) voorwaarden verwerkt. Indien het noodzakelijk is persoonsgegevens te verwerken, worden deze door Google geaggregeerd, voordat deze onmiddellijk volgens de gestelde voorwaarden verwijderd worden. Er is geen indicatie dat er sprake is of was van een gegevenslek.
Op welke wijze worden gegevens van sollicitanten momenteel verwerkt bij sollicitaties voor de AIVD en MIVD? Kunt u toelichten welke gegevens worden gedeeld, met welke (buitenlandse) partijen en op basis van welke verwerkersovereenkomsten?
Iemand kan solliciteren door een online formulier in te vullen. Deze informatie wordt gebundeld door een Nederlands bedrijf, waarna de AIVD en de MIVD de informatie in hun eigen systemen zetten. De informatie wordt kort hierna verwijderd uit het oorspronkelijke systeem. De diensten doen geen uitspraken over de wijze van verwerking van de gegevens van sollicitanten op de eigen beveiligde systemen.
Klopt het dat bij het klikken op de knop «solliciteren» op werkenvoornederland.nl gegevens van de sollicitant, zoals IP-adres, browsergegevens en klikgedrag, automatisch worden doorgestuurd naar techbedrijven? Zo ja, hoe rijmt u dit met het beveiligingsniveau dat bij sollicitaties voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vereist is?
O&P-Rijk maakt voor werkenvoornederland.nl gebruik van GA4 dienstverlening van Google. Het IP-adres, de browsergegevens en het klikgedrag van een geïnteresseerde bezoeker wordt verwerkt door Google, conform de Google Analytics 4 (GA4) voorwaarden. Zoals bij vraag 5 aangegeven, betekent dit dat het verwerken van gegevens door Google tot een minimum beperkt is. De diensten maken door middel van publicatie van vacatures op werkenvoornederland.nl gebruik van het platform van BZK/O&P Rijk.
Deze website valt onder het beleid van BZK en er wordt doorlopend gekeken naar – waar nodig – verbeteringen in de processen en informatiebeveiliging.
In hoeverre is de privacy- en cybersecurityrisicoanalyse van de site werkenvoornederland.nl toegespitst op functies bij de AIVD en MIVD? Zijn hier aanvullende maatregelen genomen? Zo nee, waarom niet?
De privacy- en cybersecurityanalyses van de website werkenvoornederland.nl zijn niet toegespitst op de vacatures van de AIVD en de MIVD. BZK/O&P Rijk levert met deze website een generieke dienstverlening en volgt hier het beleid rondom websites bij BZK, het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) en de verplichte richtlijnen websites en andere online middelen van het Forum Standaardisatie.
Het solliciteren op functies bij de AIVD en de MIVD gebeurt in een aparte omgeving, wat een aanvullende (beveiligings)maatregel is.
Waarom is er niet gekozen voor een beveiligd, intern sollicitatieportaal voor functies bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, los van het generieke Rijksportaal?
Onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn continu op zoek naar experts en professionals. Een toegankelijk en makkelijk vindbaar portaal, zoals via werkenvoornederland.nl, is noodzakelijk om de juiste doelgroepen te bereiken. Dit is tevens onderdeel van de rijksbrede afspraak dat vacatures altijd worden gepubliceerd op werkenvoornederland.nl. Deze website is als het ware een etalage voor vacatures, waaronder voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Wanneer iemand solliciteert, worden gegevens verwerkt in een apart sollicitatieportaal. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om het sollicitatieproces voor functies bij de AIVD en MIVD onmiddellijk te herzien, zodat gegevens niet (meer) toegankelijk zijn voor partijen buiten de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht veel waarde aan de veiligheid van geïnteresseerden die overwegen te solliciteren bij de diensten en personen die daadwerkelijk solliciteren. Vooralsnog is er geen aanleiding om het sollicitatieproces onmiddellijk te herzien. Er wordt voortdurend bekeken hoe de processen en informatiebeveiliging verbeterd kunnen worden.
Is het wat u betreft denkbaar dat Google weet wie er de afgelopen veertien jaar bij de diensten hebben gesolliciteerd? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom dat volgens u niet denkbaar zou zijn?
Die kans is klein, omdat wat via Google Analytics (zowel in het verleden via Universal Analytics als nu via GA4) werd gemeten, zich beperkt tot geaggregeerde webstatistieken van bezoekers van werkenvoornederland.nl. Het gebruik van gegevens is tot een minimum beperkt en wordt door Google enkel in geaggregeerde vorm verwerkt.
Wat betekent dit voor reeds lopende sollicitatieprocedures? Worden sollicitanten achteraf geïnformeerd dat hun gegevens mogelijk bij derden terecht zijn gekomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 3 en 6 aangegeven, gebeurt solliciteren in een aparte omgeving. Google heeft geen zicht op deze fase van het sollicitatieproces en daarmee is de impact op lopende sollicitatieprocedures minimaal.
Hoe staat het inmiddels met het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) naar het gebruik van Google Analytics 4 en het mogelijke verbod op het gebruik hiervan?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is in 2022 een onderzoek gestart naar het gebruik van Google Analytics versie 3 (Universal Analytics). Hierover heeft de AP geen besluit gepubliceerd, omdat dit heeft geresulteerd in een berisping voor de partij die Google Analytics in gebruik had genomen. Berispingen worden, conform het openbaarmakingsbeleid van de AP, niet openbaar gemaakt. In het onderzoek ging het om doorgifte van persoonsgegevens naar de VS, wat in strijd kan zijn met de AVG. Nu geldt echter een adequaatheidsbesluit voor de VS (Data Privacy Framework). Hierdoor voldoet doorgifte naar de VS, voor zover er is voldaan aan het DPF, ook aan de eisen van de AVG die gelden voor doorgifte. Het onderzoek naar Google Analytics versie 3 is daarmee ook niet één op één door te trekken naar het gebruik van Google Analytics op dit moment.
Een totaalverbod op Google Analytics opgelegd door de AP ligt nu niet voor de hand. Het is niet aan de AP een oordeel te vellen over de diensten die door Google geleverd worden, aangezien het Europese hoofdkantoor van Google in Ierland is gevestigd. Ook vanuit cookiewetgeving (artikel 11.7a Telecommunicatiewet) is dit niet aan de AP, omdat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) de bevoegde toezichthouder is. De AP heeft in overleg met de ACM aan de Minister van Economische Zaken voorgesteld om dit toezicht bij de AP te beleggen. In het kader van toezicht op cookies en online tracking is de AP wel aan het onderzoeken in hoeverre zij wat kan zeggen over welke cookies wel en niet onder de uitzondering van de cookiebepaling kunnen vallen. Wanneer zij daar uitsluitsel over kan geven, ligt onder andere aan het verschuiven van de bevoegdheid op de cookiebepaling.
Hoe oordeelt u over de conclusie van de geraadpleegde experts in het artikel van Follow The Money, dat het gebruik van Google Analytics op werkenvoornederland.nl sowieso niet conform de AVG is, omdat er sprake kan zijn van het verzamelen van identificeerbare persoonsgegevens, maar hier geen toestemming voor gevraagd wordt?
Er worden enkel analytische cookies en geen tracking cookies geplaatst. Dit is, conform regelgeving, opgenomen in het cookie-statement van werkenvoornederland.nl (Cookies - Werken voor Nederland).
Welke maatregelen gaat u nemen om dit lek zo spoedig mogelijk te voorkomen en het vertrouwen in de veiligheid van werken bij de overheid te herstellen?
Zoals ook bij vraag 5 aangegeven, is er geen indicatie dat er sprake is of was van een gegevenslek. Voor de vacaturepagina's van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die gelezen worden door geïnteresseerden is het gebruik van Google Analytics, inmiddels uitgezet na een nieuwe afweging in het kader van dienstverlening.
Wat is uw reactie op het bericht «Geen hulp voor ex-vuurwerkramprechercheur: Kamerleden ontstemd over besluit Staatssecretaris»1?
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane (hierna: FBD), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) en ik begrijpen dat het een vervelende boodschap is dat er geen mogelijkheid bestaat om tegemoet te komen aan het verzoek om af te zien van belastingheffing, zeker gezien de in het bericht beschreven omstandigheden. Uit het bericht valt op te maken dat sprake is van een transitievergoeding (ook wel: ontslagvergoeding) die in een stamrecht is omgezet. Het lijkt de Staatssecretaris van FBD, ook gezien de context, goed om op deze plaats de fiscale behandeling te schetsen van een ontslagvergoeding die in een zogeheten stamrecht-bv (besloten vennootschap) is gestort. Als iemand een ontslagvergoeding krijgt, is deze op dat moment en voor het volledige bedrag belast. Degene die uitbetaalt, de inhoudingsplichtige, houdt loonbelasting in op de vergoeding, die vervolgens verrekenbaar is met de inkomstenbelasting over het jaar waarin de vergoeding is ontvangen. Tot 1 januari 2014 kon met gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling een ontslagvergoeding in een bv worden gestort zonder belastingheffing op dat moment. De belastingheffing vindt vervolgens plaats op het moment dat er uitkeringen door de stamrecht-bv worden gedaan. Er gelden wel voorwaarden om de belastingheffing te waarborgen. Door van een stamrecht-bv gebruik te maken, kon uitstel en matiging van belastingheffing worden bewerkstelligd. Uitstel tot het moment waarop de uitkeringen worden uitbetaald en matiging doordat niet in een keer een hoog bedrag progressief belast wordt in het jaar van ontvangst, maar de lagere periodieke uitkeringen in de jaren waarin zij ontvangen worden. Op het moment dat dit systeem wordt doorbroken moet echter alsnog worden afgerekend over het stamrecht. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat iemand om welke reden dan ook geld onttrekt aan de stamrecht-bv, bij afkoop van het stamrecht of bij opheffing van de bv voordat alle uitkeringen zijn gedaan. Zo wordt geborgd dat uiteindelijk over de gehele ontslagvergoeding wordt geheven. Er ontstaat dus bij gebruik van een stamrecht-bv geen afstel van belastingheffing.
Kunt u toelichten op welke gronden het verzoek om coulance in de zaak van de heer Paalman is afgewezen?
Is er een intern advies, rapport of toetsingsdocument opgesteld over de redelijkheid en billijkheid van het verzoek? Zo ja, kunt u dit (desnoods vertrouwelijk) met de Kamer delen?
Welke beleidsregels of richtlijnen zijn toegepast bij de beoordeling van dit specifieke verzoek?
In hoeverre is bij de oorspronkelijke regeling rekening gehouden met de status van de heer Paalman als klokkenluider of melder van misstanden binnen het politieonderzoek naar de vuurwerkramp?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Erkent u dat er een groot maatschappelijk belang is dat klokkenluiders beschermd worden en geen negatieve gevolgen ondervinden van het onthullen van een maatschappelijke misstand? Hoe kijkt u met die blik naar de zaak van de heer Paalman?
Net als de Staatssecretaris van FBD en de Minister van BZK erken ik het grote maatschappelijke belang dat gediend is bij de bescherming van klokkenluiders. Klokkenluiders spelen een essentiële rol bij het aan het licht brengen van maatschappelijke misstanden, bijvoorbeeld op het gebied van fraude en corruptie, en zij verdienen daarom bescherming.
Om klokkenluiders beter te beschermen tegen negatieve gevolgen van het doen van een melding geldt in Nederland sinds 2016 regelgeving. Destijds gold de Wet Huis voor klokkenluiders en deze is in 2023 vervangen door de Wet bescherming klokkenluiders, waarmee de positie van klokkenluiders verder is versterkt. Met deze wet is de bewijslast bij benadeling van klokkenluiders verschoven naar de werkgever.
Met betrekking tot de zaak van de heer Paalman past het mij en mijn collega-bewindspersonen, gelet op onze respectievelijke verantwoordelijkheden, niet om te oordelen over dit individuele geval.
Zijn er andere gevallen bekend waarin ambtenaren of medewerkers die misstanden aan de kaak stelden een vergelijkbare afkoopregeling troffen? Wat was in die situaties de handelwijze van het ministerie en/of de politieorganisatie?
De Minister van BZK heeft een coördinerende beleids- en kaderstellende rol als het gaat om de toepassing van de Wet bescherming klokkenluiders. Vanuit die verantwoordelijkheid kunnen vragen met betrekking tot individuele casuïstiek niet beantwoord worden.
Voor een algemeen beeld over meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders bij ministeries attendeer ik u graag op de jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) die door het Ministerie van BZK jaarlijks wordt opgesteld2. In de JBR wordt bijgehouden hoeveel meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming Klokkenluiders worden gedaan. Er zijn in de periode 2020 tot en met 2024 drie meldingen gedaan bij ministeries waarvan is aangetoond dat sprake was van een misstand in de zin van de voornoemde wet.
De politie stelt in veel verschillende situaties vaststellingsovereenkomsten op waarin afkoopsommen kunnen worden vastgelegd. (Oud-)medewerkers van de politie kunnen zich hierbij altijd juridisch laten adviseren. Er wordt niet geregistreerd wat de grondslag is voor een afkoopsom, waardoor een vergelijking niet te maken is.
Heeft destijds enige vorm van onafhankelijke toetsing of juridische begeleiding plaatsgevonden bij de totstandkoming van de regeling, gelet op de machtsverhouding tussen overheid en werknemer?
Politiemedewerkers kunnen zich altijd juridisch laten adviseren bij het treffen van dergelijke regelingen, waarbij een vaststellingsovereenkomst wordt opgesteld. Die ruimte is er. Dat kan bijvoorbeeld via de politievakbond. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Op welke wettelijke basis is de Belastingdienst gerechtigd om (een deel van) de destijds ontvangen afkoopsom terug te vorderen?
Zie het antwoord op vraag 2 t/m 4.
In welke mate is binnen die regeling rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden, zoals financiële draagkracht en gezinssituatie?
De Staatssecretaris van FBD gaat ervan uit dat hier de fiscale regeling is bedoeld waardoor belasting is verschuldigd bij het afrekenen over een stamrecht. Anders dan het bericht suggereert zij vermeld dat de Belastingdienst niets van de afkoopsom/ontslagvergoeding zelf terugvordert. Zoals in het antwoord op vraag 1 is beschreven, vindt belastingheffing plaats over de afkoopsom/ontslagvergoeding plaats op het moment van ontvangst daarvan of, bij inbreng in een stamrecht-bv, op het moment dat de uitkeringen uit het stamrecht vloeien. Net als bij andere fiscale regelgeving geldt dat bij het tot stand brengen ervan alle aspecten worden meegewogen, dus ook de gevolgen voor draagkracht en persoonlijke omstandigheden van de burgers die van de regeling gebruikmaken of erdoor worden geraakt. Zo nodig worden flankerende maatregelen getroffen. Zo is bij de beëindiging van de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 in uitgebreid overgangsrecht voorzien.
In aansluiting op de antwoorden op de vragen 2, 3, 4 en 9 geldt ook voor deze vraag dat de Staatssecretaris van FBD niet in kan gaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Bestaan binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijkheden voor kwijtschelding, aanpassing of opschorting van terugvorderingen in schrijnende of uitzonderlijke situaties zoals deze?
Ja, er bestaan mogelijkheden om een belastingschuld met een betalingsregeling te voldoen of voor kwijtschelding van een belastingschuld. Als mensen hun belastingschuld niet ineens kunnen betalen, kunnen zij een betalingsregeling bij de ontvanger aanvragen van maximaal twaalf maanden. Deze termijn kan worden verlengd als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn. Te denken is aan de situatie dat een belastingschuldige onder het bestaansminimum komt, uit huis gezet dreigt te worden of hoge medische kosten heeft. Als uit het verzoek om de betalingsregeling blijkt dat de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Of iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding, hangt af van iemands persoonlijke situatie. In zijn algemeenheid komt iemand in aanmerking voor kwijtschelding als diegene geen of onvoldoende vermogensbestanddelen heeft om de openstaande belastingschuld te voldoen en geen of onvoldoende betalingscapaciteit om de belastingschuld te voldoen. Ook moet zijn voldaan aan alle andere vereisten. De Staatssecretaris van FBD kan ook in antwoord op deze vraag niet ingaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Onder welke voorwaarden kan in individuele gevallen coulance of maatwerk worden toegepast buiten bestaande standaardregelingen?
Bij het opleggen en invorderen van aanslagen past de Belastingdienst binnen de grenzen van wet- en regelgeving zo veel mogelijk maatwerk toe, en daarbij hoort ook coulance. Waar dat niet kan, heeft de Staatssecretaris van FBD de mogelijkheid om de zogeheten hardheidsclausule toe te passen (art. 63 AWR). De hardheidsclausule kan evenwel alleen worden toegepast als sprake is van een «onbillijkheid van overwegende aard». Daarvan is sprake als het gaat om een gevolg dat de wetgever had voorkomen als hij dat bij het maken van de wet had voorzien. De wet had dan dus anders geluid. De hardheidsclausule wordt in zeer uitzonderlijke gevallen toegepast. Het gaat bij de toepassing van de hardheidsclausule uitdrukkelijk niet om gevallen waarin iemand de belastingheffing persoonlijk als onbillijk ervaart.
Bent u bereid de zaak van de heer Paalman opnieuw te bezien met oog voor redelijkheid, billijkheid en de bijzondere context waarin de regeling destijds tot stand kwam?
Bij verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule of coulance worden altijd alle feiten en omstandigheden meegewogen en dus ook de eventuele bijzondere context. Het opnieuw bezien zal – hoe vervelend ook voor betrokkene – niet kunnen leiden tot een andere toepassing van de fiscale regelgeving.
De huidige staat en de toekomst van de sociaal advocatuur |
|
Michiel van Nispen |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Hoe beoordeelt u de huidige staat van de sociaal advocatuur? Hoe ernstig is volgens u het tekort aan sociaal advocaten, die in verschillende regio’s in het land op uiteenlopende rechtsgebieden de niet rijke inwoners van ons land zouden moeten kunnen bijstaan bij juridische problemen?
Er is een dalende trend in het aanbod van sociale advocaten zichtbaar. Dat tij moet worden gekeerd om de rechtsbijstand voor eenieder toegankelijk te houden. In de Kamerbrief van 26 juni 20251 is geschetst welke maatregelen hiervoor in gang zijn gezet. Aanvullend is van belang de in- en uitstroom van sociaal advocaten te monitoren. De commissie-Van der Meer II beveelt dit ook aan in haar rapport.2 Op verzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) is het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand (hierna: het kenniscentrum) gevraagd nader onderzoek te doen naar de ontwikkeling van het aanbod van sociaal advocaten en daarbij onder meer te differentiëren naar rechtsgebied en regio. De resultaten van dit onderzoek zullen begin 2026 worden opgeleverd.
Klopt het dat er in sommige gebieden nog maar één sociaal advocaat op 25.000 mensen beschikbaar is?1
Feitelijke gegevens hierover zijn nog niet bekend bij het Kenniscentrum.
In het in het antwoord op vraag 1 genoemde onderzoek wordt momenteel het aantal ingeschreven en actieve sociaal advocaten in de verschillende regio’s in kaart gebracht met daarbij per regio de inwonersaantallen.
Klopt het feit ook dat ongeveer één op de drie sociaal advocaten binnen afzienbare tijd met pensioen gaat?2
Dat klopt. Uit cijfers van het Kenniscentrum van juni 20245 blijkt dat meer dan 30% van de advocaten die op dat moment stonden ingeschreven bij de RvR, binnen 12 jaren de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Het betreft advocaten die op dat moment 55 jaar of ouder waren.
Welke plannen en voorstellen van u gaan daar op korte termijn iets aan doen? Zijn uw maatregelen volgens u voldoende om de problemen op te lossen of is er meer nodig? Wie is er aan zet, wiens verantwoordelijkheid is dat?
De afgelopen jaren zijn al verschillende maatregelen genomen om de sociale advocatuur te versterken.6 Zoals vermeld in de Kamerbrief van 26 juni 2025 worden verschillende aanbevelingen van de commissie-Van der Meer II opgevolgd.7 Het gaat onder meer om de aanbevelingen ten aanzien van de puntenaantallen, toeslagen en het punttarief. De hiervoor benodigde wetswijziging treedt naar verwachting begin 2026 in werking. Ik verwijs u voor de goede orde naar die Kamerbrief.
In de eerder genoemde brief van 26 juni 2025 zijn tevens verschillende korte en lange termijn maatregelen vermeld die door mijn ministerie samen met de RvR en de NOvA in gang zijn gezet om het tekort aan sociaal advocaten aan te pakken, waaronder een visietraject voor de toekomst van de sociale advocatuur. Ik zal uw Kamer in het eerste kwartaal van 2026 over de uitkomsten van dit traject informeren.
Deelt u de mening dat in ieder geval gewerkt moet worden aan het laten toenemen van de instroom, de jonge aanwas van bevlogen juristen, en dat er op de rechtenopleidingen al meer gedaan kan worden om de bekendheid van het belang van de sociaal advocatuur te laten toenemen?
Ja. Meer aandacht voor de sociaal advocatuur in het onderwijs is van groot belang en nodig voor het vergroten van de jonge aanwas. Daarom werkt mijn ministerie al een aantal jaren samen met de RvR, NOvA en de Vereniging Sociaal Advocatuur Nederland (VSAN) om de aandacht voor de sociale advocatuur in het rechtenonderwijs te vergroten. Er is onder meer een sprekerspoule opgezet, een standaardpresentatie ontwikkeld en op 1 december 2025 is een campagne voor op universiteiten gelanceerd.
Wat is nu de stand van zaken met initiatieven in rechtenopleidingen om de aandacht voor de sociaal advocatuur te versterken? Kunt u een overzicht geven van alle initiatieven? Volstaan deze volgens u? Hoe vrijblijvend zijn deze?
Op dit moment zijn er verschillende initiatieven bij acht van de tien rechtenfaculteiten aan universiteiten. Hierbij moet gedacht worden aan gastcolleges, presentaties, moot courts, career events, banenmarkten, lunchlezingen en afstudeeropdrachten. Hetzelfde geldt voor een groot aantal HBO-rechtenopleidingen, waar naast het voornoemde in een enkel geval ook stages kunnen worden ingevuld. Het komend jaar blijven de RvR, NOvA, VSAN en mijn ministerie, zich inzetten om zo vroeg mogelijk in de rechtenstudie zo veel mogelijk studenten te laten kennismaken met de sociale advocatuur.
Vindt u ook dat eigenlijk van alle rechtenopleidingen gevraagd en verwacht mag worden in het curriculum rechtsgeleerdheid permanente aandacht aan sociale advocatuur te besteden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind het belangrijk dat in de rechtenopleidingen aandacht wordt besteed aan de sociale advocatuur. Uit onderzoek onder studenten is gebleken dat zij vaak niet bekend zijn met de sociale advocatuur.8 Mijn ministerie benadrukt dit belang ook in gesprekken met de Raad der Decanen Rechtsgeleerdheid (RDR). Het is echter niet aan mij als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om mij te mengen in de inrichting van het curriculum voor de opleiding rechtsgeleerdheid.
Hoe kijkt u naar het voorstel om via een (al dan niet verplichte) stage bij een rechtswinkel of een sociaal advocatenkantoor dit belang onder de aandacht te brengen?
Een stage bij een sociaal advocaat of werken bij een rechtswinkel is een goed middel om kennis te maken met het beroep van sociaal advocaat. Het is niet aan mij als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om een oordeel te geven of dergelijke stages verplicht moeten worden. Uit gesprekken van de RvR met onderwijsinstellingen en sociaal advocaten komt de wens naar voren voor een subsidie voor studentstages. Ook wordt nagedacht over het organiseren van kantoorbezoeken om rechtenstudenten kennis te laten maken met de sociale advocatuur.
Bent u het met hoogleraar Wibier eens, die vindt dat studenten onderwijzen over de toegang tot het recht en sociale advocatuur «misschien zelfs wel een van de kerntaken van een rechtenfaculteit» is, omdat: «iedereen ongeacht de omvang van de portemonnee recht op rechtsbijstand [heeft]. De sociale advocatuur speelt daarbij een onmisbare rol en is een van de fundamenten van onze rechtsstaat. Het is aan rechtenfaculteiten, die grotendeels met publiek geld zijn gefinancierd, om bij te dragen aan de oplossing van het probleem dat nog steeds te veel mensen het zonder behoorlijke rechtsbijstand moeten doen. Een probleem dat erger wordt wanneer er onvoldoende studenten kiezen voor de sociale advocatuur»?3 Kunt u hier een uitgebreide reactie op geven?
Ja, ik hecht er belang aan dat rechtenstudenten op universiteiten en de hoge scholen onderwezen worden over onze rechtsstaat en de toegang tot het recht, waarvan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand een belangrijk onderdeel uitmaakt. Uit onderzoek onder studenten blijkt dat zij vaak niet bekend zijn met de sociale advocatuur en een negatief beeld hebben van het vak.10 Terwijl uit gedragsonderzoek van het ministerie is gebleken dat een stabiele 30% van de studenten interesse heeft in het vak van sociaal advocaat om kwetsbare burgers te helpen. Daarom werkt mijn ministerie ook samen met de RvR, NOvA en VSAN om de aandacht voor de sociale advocatuur in het onderwijs te vergroten en vraagt mijn ministerie hier aandacht voor in gesprekken met de RDR. Zoals gezegd in het antwoord op vraag 7, ga ik echter niet over de inrichting van het curriculum.
Bij wie ligt het initiatief voor het laten toenemen van de aandacht voor de sociaal advocatuur bij rechtenopleidingen? Zijn we daarbij enkel afhankelijk van de opstelling van enkele universiteiten? Wat is uw rol hierin, wat kunt en gaat u doen om dit te benadrukken? Wat is uw ideaal (op middellange of lange termijn) hierin en hoe gaat u dat bereiken?
Zie het antwoord op vraag 5, 7 en 9.
Wat is uw oordeel over de kwaliteit van de huidige beroepsopleiding en bent u bekend met de initiatieven vanuit de advocatuur om deze te laten toenemen? Hoe beoordeelt u die?
De visitatiecommissie Beroepsopleiding Advocaten heeft in september 2025 positief geoordeeld over de beroepsopleiding.11 Het inrichten van de beroepsopleiding is een per wet vastgelegde bevoegdheid van de NOvA.12 Het is dan ook niet aan mij om een oordeel te geven over de kwaliteit van die beroepsopleiding.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de huidige sociaal advocaten behouden blijven door het vak aantrekkelijker te maken?
De opvolging van een groot deel van de aanbevelingen van de commissie-Van der Meer II vanaf begin 2026 draagt bij aan het bieden van een redelijk inkomen voor sociaal advocaten. Daarnaast is het hiervoor genoemde visietraject erop gericht het vak aantrekkelijker te maken en houden voor de toekomst. Zoals gezegd informeer ik uw Kamer over de uitkomsten van dit traject in het eerste kwartaal van 2026.
In hoeverre wordt toegewerkt naar een garantiefonds voor de advocaat-stagiair ondernemer omdat deze juist van groot belang zijn in de regio’s, waar geen kantoren zijn die de stagiairs in loondienst kunnen opleiden?
Ik wacht eerst de uitkomst van het hiervoor genoemde visietraject voor de toekomst van de sociale advocatuur af voordat ik alle aanvullende ideeën, waaronder een garantiefonds voor de advocaat-stagiair, af zal wegen.
Hoe staat u tegenover een eerdere aanbeveling van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland om de subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten en de begeleidingsvergoeding patroon uit te breiden?
Ik verwijs naar de genoemde Kamerbrief van 26 juni 2025 waarin de voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming op de door de VSAN voorgestelde maatregel is ingegaan.13 Binnen het visietraject is ook aandacht voor het belang van het goed opleiden van advocaat-stagiaires en de tijd en kosten die daarmee gepaard gaan. Over de te nemen maatregelen die voortvloeien uit het visietraject informeer ik uw Kamer zoals ik hierboven heb gemeld nog nader.
Wat is de stand van zaken met het voornemen om de voorschotregeling weer terug te laten keren?
Ik verwijs u naar de eerder genoemde brief van 26 juni 2025 waarin uw Kamer is geïnformeerd over de bevoegdheid die de RvR krijgt om in uitzonderlijke gevallen in positieve zin af te wijken van de voorschotregeling zoals neergelegd in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Deze wijziging maakt onderdeel uit van de wetswijziging voor de opvolging van verschillende aanbevelingen van de commissie-Van der Meer II, die naar verwachting begin 2026 in werking treedt. Hiermee wordt deels opvolging gegeven aan de motie van de Kamerleden Temmink en Van Nispen van 18 maart 2023 waarin zij de regering verzoeken om de voorschotregeling zoals deze ook vroeger van toepassing was bij de sociaal advocaten weer in te voeren.14
Kunt u toelichting geven op de 30 miljoen euro die in het kader van de commissie-Van der Meer II wordt vrijgemaakt in 2027: wat zien we hiervan al terug in 2026 (zoals beloofd) en hoe is dat te lezen in de begroting?
Bij de Voorjaarsnota 2025 is vanaf 2027 30 miljoen euro structureel beschikbaar gemaakt voor de sociale advocatuur. Zoals vermeld in de brief van 26 juni 2025 worden voor 2026 ook middelen beschikbaar gesteld om een deel van de aanbevelingen van commissie-Van der Meer II door te voeren.15 Het gaat onder meer om de aanbevelingen ten aanzien van de puntenaantallen, toeslagen en het punttarief. In 2026 zal gaan om een beperkter bedrag dan 30 miljoen euro. Het exacte bedrag hangt af van het moment van inwerkingtreding van de benodigde wetswijziging om de maatregelen door te voeren en het aantal toevoegingen dat in 2026 wordt gedeclareerd. De middelen voor 2026 komen uit de beschikbare reserves van de RvR en zijn daarom niet zichtbaar op de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Heeft u het idee dat de maximaal 1.200 declarabele uren een barrière kan zijn voor sociaal advocaten? Is het niet apart om deze norm te hanteren waar dit in een commercieel kantoor niet gemaximeerd is?4
Ik ben bekend met signalen waarin onvrede wordt geuit over het maximum aan toevoegingseenheden dat de RvR wordt gehanteerd. Dat dit een barrière vormt voor sociaal advocaten is mij niet bekend.
Ik vind het niet vreemd dat de RvR een maximum aan toevoegingseenheden17 hanteert. Dit maximum is een kwaliteitsinstrument. Het waarborgt de tijd en aandacht die nodig is voor goede, zorgvuldige rechtsbijstandsverlening. De vergoedingen gaan sinds 1 januari 2022 uit van een gemiddelde tijdsbesteding van inmiddels 8,5 (declarabele) uren per toevoeging.18 Voorheen waren dit zes uren. Om die reden verlaagt de RvR het maximum in 2026 naar 225 en in 2027 naar 200 eenheden. In de praktijk hanteert de RvR een ruimer maximaal aantal toevoegingseenheden. Voor 2025, 1500 declarabele uren bij een maximum van 250 toevoegingseenheden, voor 2026 1900 declarabele uren bij een maximum van 225 toevoegingseenheden en vanaf 2027 1.700 declarabele uren bij een maximum van 200 toevoegingseenheden.19 Overigens ontvangt de overgrote meerderheid van de bij de RvR ingeschreven advocaten jaarlijks minder dan 200 toevoegingseenheden.
Bent u bekend met de kritiek op de inschrijvingseisen/deskundigheidseisen/specialisatie- en opleidingseisen waar sociaal advocaten nu aan moeten voldoen om in rechtsgebieden werkzaam te mogen zijn om vergoeding te mogen ontvangen via de Raad voor rechtsbijstand? Is het, met alle goede bedoelingen uit het verleden om de kwaliteit te waarborgen, in de huidige tijd nog wel haalbaar om aan sociaal advocaten zulke vergaande eisen te stellen waardoor er steeds meer afhaken en er witte vlekken zijn ontstaan in dorpen en regio’s waar geen advocaten meer zijn of bepaalde rechtsgebieden niet meer worden gedaan?
Ja daar ben ik mee bekend. De afgelopen 15 jaar heeft de RvR de inschrijvingsvoorwaarden aangescherpt en uitgebreid. Dit onder meer naar aanleiding van de adviezen van de commissies Wolfsen (2015)20 en Van der Meer I (2017).21 Het is voor een effectieve toegang tot het recht niet alleen van belang om voldoende aantal sociaal advocaten te hebben, maar ook voldoende op een specifiek rechtsgebied deskundige sociaal advocaten. Het dalend aanbod van sociaal advocaten heeft verschillende redenen, waaronder de vergoedingen, de vergrijzing en weinig jonge aanwas en is niet een op een te wijten aan de inschrijvingsvoorwaarden van de RvR. Naar mijn mening is het waarborgen van kwaliteit van rechtsbijstand van groot belang en moet daar niet op worden ingeleverd.
Vindt u het redelijk dat advocaten van volledig zelf betalende cliënten niet aan bepaalde eisen moeten voldoen terwijl sociaal advocaten (die op toevoegingsbasis werken) voor dezelfde type zaken wél aan zware kwaliteitseisen moeten voldoen?
Sociaal advocaten staan de meest kwetsbare mensen van onze samenleving bij. Juist daarom is waarborgen van de kwaliteit binnen het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand met inschrijvingsvoorwaarden van groot belang.
Overigens moeten alle op het tableau staande advocaten voldoen aan de (kwaliteits)eisen van de NOvA. Zo moeten advocaten voldoen aan een jaarlijkse kwaliteitstoets door intervisie of peer review22 en jaarlijks ten minste twintig opleidingspunten behalen, waarvan ten minste tien punten die zien op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied.23
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de Raad voor rechtsbijstand en vertegenwoordigers uit de advocatuur om te bezien of, als onderdeel van een noodplan sociaal advocatuur, bepaalde eisen versoepeld kunnen worden om meer advocaten op meer rechtsgebieden actief te laten worden in het stelsel, of hen in ieder geval te behouden?
Ik ben voortdurend met de RvR in gesprek, waar ook dit onderwerp voorbij komt. De RvR en NOvA bekijken samen voortdurend hoe de zij de vereisten van beide organisaties zo goed mogelijk op elkaar kunnen afstemmen en waar mogelijk versoepelen. Naar mijn mening vormt dat geen onderdeel van een noodplan maar is dit van doorlopend belang.
De demonstratie van TFP Student Action Europe |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met de demonstratie van TFP Student Action Europe voor de deur bij het Leiden University College The Hague op 24 september jl.?
Ja, ik ben bekend met de demonstratie van TFP Student Action Europe. Ook ben ik bekend met de flyer die deze organisatie heeft verspreid. De bij de demonstratie verspreide flyer is inhoudelijk nagenoeg gelijk aan de flyer die op de website van deze organisatie is gepubliceerd.1
Bent u bekend met de folder die zij bij deze demonstratie hebben verspreid, waarin zij beweren dat abortus de kans op kanker verhoogd?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit nepnieuws betreft? Zo nee, waarom niet?
Ja, de flyer bevat onjuiste informatie. In de flyer staat bijvoorbeeld dat abortus onveilig is en de kans op borstkanker vergroot. Dat klopt niet. Het Nederlands Genootschap van Abortusartsen heeft aan mij bevestigd dat de informatie in de folder geenszins in overeenstemming is met de huidige medisch-wetenschappelijke consensus. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat een legale zwangerschapsafbreking een veilige procedure is.2 Ook het vermeende verband tussen abortus en borstkanker wordt niet door recente betrouwbare studies ondersteund.3
Wat vindt u van de beschrijving van «oorlog» in relatie tot het abortusrecht van vrouwen zoals die door deze organisatie wordt gebruikt?
De vergelijking van abortus met oorlog slaat nergens op en vind ik absoluut ongepast en onwenselijk. Een dergelijke woordkeuze demoniseert vrouwen die kiezen voor een abortus, evenals de professionals die in de abortuszorg werkzaam zijn.
Welke actie gaat u ondernemen tegen het verspreiden van nepnieuws door TFP Student Action Europe?
Het is zorgelijk en onwenselijk dat er onjuiste gezondheidsinformatie over abortus wordt verspreid. Ik wil de negatieve gevolgen van onjuiste informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap, abortus en anticonceptie bestrijden. Als onderdeel van de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap heb ik Fiom en Rutgers gevraagd om effectieve methodes daartoe te onderzoeken en hiermee te experimenteren. Eind 2026 leveren Fiom en Rutgers een overzicht op van geëvalueerde interventies en communicatiestrategieën. Deze interventies en strategieën kunnen vervolgens worden toegepast door Fiom, Rutgers en door andere partijen die over abortus communiceren.
Onjuiste gezondheidsinformatie is een complex probleem dat speelt bij verschillende onderwerpen. Om hier grip op te krijgen heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hier eind vorig jaar een onderzoek naar laten uitvoeren. Op 19 juni 2025 heeft mijn ambtsvoorganger dit onderzoek naar uw Kamer gestuurd.4 Ik verwijs ook naar de brief van 18 november aangaande de strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie.
Bent u het met ons eens dat het recht op abortus een belangrijk verworven recht is en abortus belangrijke zorg is voor vrouwen?
Ja, ik sta pal voor het recht op veilige en toegankelijke abortuszorg.
Bent u bereid tot het opzetten van een publiekscampagne om nepnieuws te bestrijden en betrouwbare informatie over abortus en vrouwenrechten te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van onjuiste gezondheidsinformatie en het verstrekken van betrouwbare informatie zijn belangrijke onderdelen van de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap waar ik vanaf 2026 nog nadrukkelijker op in zal zetten. Dit illustreer ik met twee voorbeelden:
Ik verwijs ook naar de brief van 18 november aangaande de strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie.
Is iets bekend over de financiering van deze organisatie?
Op de website van TFP Student Action staat dat de organisatie wordt gefinancierd door diverse donateurs die grote, middelgrote en kleine bijdragen geven. De organisatie geeft aan geen overheidsfinanciering te ontvangen.5
Hoe wilt u opvolging geven aan de aangenomen motie-Van Campen/Dobbe?1
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geeft uitvoering aan deze motie door aansluiting te zoeken bij de Rijksbrede strategie effectieve aanpak desinformatie7 en daarnaast door een aantal extra maatregelen te treffen om organisaties die opkomen voor vrouwen- en lhbtiq+- rechten te ondersteunen in het vergroten van hun weerbaarheid.
Zo wordt de handreiking Omgaan met misinformatie voor medeoverheden8 vertaald naar een handreiking die maatschappelijke organisaties in het emancipatiedomein helpt in het bijtijds en effectief reageren op des- en misinformatie. Ook ondersteunt de Staatssecretaris van OCW de ontwikkeling van een toolkit Veiligheid en weerbaarheid. Deze wordt binnenkort gepubliceerd. Om kennisuitwisseling en samenwerking te bevorderen, is een bijeenkomst georganiseerd met de emancipatieallianties over omgaan met weerstand en desinformatie. Tevens kunnen maatschappelijke organisaties gebruikmaken van de subsidieregeling gender- en lhbtiq+-gelijkheid 2022–2027. Deze regeling kan worden benut om de positie en daarbij de inzet van organisaties die zich hard maken voor de rechten van vrouwen en lhbtiq+ personen te versterken.
Daarnaast worden op dit moment de opties en mogelijkheden voor aanvullend onderzoek naar anti-emancipatoire invloeden in kaart gebracht.