Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Lesmethoden op islamitische scholen waarin homoseksualiteit wordt afgewezen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur over de rol van de islam bij geweld en vijandigheid tegen homoseksuelen en met het opinieonderzoek van EenVandaag naar de ervaringen van lhbti’ers in Nederland?1 2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Heeft u kennisgenomen van de in de uitzending getoonde islamitische lesmaterialen waarin kinderen onder meer leren dat Allah een volk vernietigde vanwege homoseksuele relaties, dieren een lhbti-vlag in het vuur gooien en het homohuwelijk in verband wordt gebracht met de «ontwrichting van de samenleving» en «ernstige ziektes»? Zo ja, wat is uw reactie op deze lesmaterialen?
Ja, ik heb kennisgenomen van de in de uitzending getoonde lesmaterialen. Deze lesmaterialen zijn ook getoond in een uitzending van Nieuwsuur in september vorig jaar. De suggesties die in de lesmaterialen worden gedaan, keur ik volstrekt af. Deze suggesties kunnen ertoe leiden dat kinderen een afkeer krijgen van homoseksualiteit en homoseksuele personen. Dat zijn denkbeelden waar het onderwijs nooit aan mag bijdragen.
Om dat te voorkomen, geldt in Nederland de wettelijke burgerschapsopdracht die van scholen eist dat ze de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit, bevorderen en daarnaar handelen. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet erop toe dat scholen aan deze eisen voldoen.
Acht u het aanvaardbaar dat dergelijke lesmaterialen worden gebruikt op scholen die door de Nederlandse overheid worden bekostigd? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan?
Alle scholen in Nederland moeten zich houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie houdt daar toezicht op. De inspectie houdt geen toezicht op afzonderlijke lesmaterialen, maar kijkt wel naar de manieren waarop lesmaterialen worden gebruikt. Als de inspectie lesmateriaal tegenkomt dat kan leiden tot homofobie of tot andere vormen van onverdraagzaamheid, zal de inspectie constateren dat bij het gebruik ervan strijdigheid met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat kan optreden. Een onderzoek op een school die zulk lesmateriaal gebruikt, wordt dan mede gericht op het precieze gebruik.
Ook breder controleert de inspectie hoe de school kennis en respect van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bevordert. Doen scholen dit onvoldoende, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en kan de inspectie een herstelopdracht geven.
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs deze specifieke lesmaterialen heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat het gebruik hiervan binnen de geldende wettelijke kaders is toegestaan? Zo ja, op welke wettelijke bepalingen en inhoudelijke afwegingen is deze conclusie gebaseerd?
De inspectie houdt geen toezicht op lesmateriaal zelf, maar houdt toezicht op het gebruik ervan.
Naar aanleiding van de publicatie van Nieuwsuur vorig jaar heeft de inspectie gesproken met besturen, schoolleiders, leraren en leerlingen van de betrokken scholen. In de gesprekken met besturen en schoolleiders is gesproken over de bevordering van basiswaarden binnen de religieuze context van de scholen. De inspectie heeft gesprekspartners bevraagd op hun gebruik van de leermiddelen die in de publicatie van Nieuwsuur aan bod kwamen. Onder leraren en leerlingen is vervolgens getoetst of wat besturen aangaven ook is wat in de praktijk wordt ervaren. Dat is conform de gangbare werkwijze van de inspectie.
De inspectie constateert op basis hiervan dat de betreffende scholen doordachte curricula hebben waarin zowel ruimte is voor het actief bevorderen van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat als voor de eigen levensbeschouwelijke identiteit van de school. Eén school vormt een uitzondering. Deze school heeft van de inspectie een herstelopdracht gekregen omdat het burgerschapsonderwijs op de school niet voldeed aan de wettelijke eisen. De school heeft na een hersteltermijn de geconstateerde tekortkomingen nog niet hersteld. De inspectie beraadt zich op maatregelen.
Heeft de Inspectie van het Onderwijs volledig zicht op de lesmethoden, leesboekjes en aanvullende religieuze leermiddelen die op islamitische scholen worden gebruikt? Zo nee, hoe kan de Inspectie dan vaststellen of het onderwijs voldoet aan de burgerschapsopdracht en of sprake is van een sociaal veilige leeromgeving?
De inspectie houdt geen overzicht bij van alle lesmethoden die op scholen worden gebruikt, hiermee handelt zij conform de huidige wetgeving. De inspectie betrekt in haar toezicht de manier waarop lesmateriaal in de lessen wordt gebruikt om te beoordelen of de school handelt conform de wettelijke burgerschapsopdracht en de zorgplicht voor de veiligheid.
Op welke wijze controleert de Inspectie of religieuze lesmaterialen niet alleen afzonderlijk, maar ook in hun onderlinge samenhang bijdragen aan een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat?
De inspectie houdt toezicht op het gebruik van lesmaterialen, afzonderlijk of samen, en hoe dat zich verhoudt tot bijvoorbeeld de schoolcultuur. Uit de wettelijke burgerschapsopdracht volgt dat een schoolcultuur in overeenstemming moet zijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit.
Is bij u en de Inspectie bekend door welke personen, organisaties, uitgeverijen of religieuze instellingen de in de uitzending getoonde lesmethoden zijn ontwikkeld en verspreid? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke partijen hierbij betrokken zijn?
De inspectie heeft kennisgenomen van het lesmateriaal dat in de genoemde uitzending wordt getoond, maar houdt geen toezicht de specifieke herkomst van de methoden.
Is bekend hoe de ontwikkeling, productie, aanschaf en verspreiding van deze lesmaterialen zijn gefinancierd, waaronder eventuele financiering door Nederlandse overheden, schoolbesturen, religieuze organisaties of buitenlandse personen, organisaties of overheden? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Dit is niet bekend. Voor de aanschaf van lesmaterialen ontvangen scholen centrale bekostiging in de vorm van een lumpsum, waarbinnen zij zelf bestedingsvrijheid hebben. De inspectie houdt geen toezicht op de aanschaf van lesmaterialen door scholen. Evenmin controleert de inspectie de financiële stromen van afzonderlijke uitgeverijen, ontwikkelaars of lesmaterialen. Indien signalen aanhouden over dergelijk lesmateriaal, bezie ik of nader toezicht op de herkomst van lesmateriaal van waarde kan zijn en wat daar wettelijk voor nodig is. brengen.
Worden deze lesmethoden centraal ingekocht of aanbevolen door samenwerkingsverbanden, koepelorganisaties of andere organisaties binnen het islamitisch onderwijs? Zo ja, welke organisaties betreft dit en op hoeveel scholen worden deze materialen gebruikt?
Scholen bepalen zelf hoe zij de inkoop van lesmateriaal organiseren. Dit kunnen zij doen als individuele school, maar ook op bestuursniveau of binnen een koepelorganisatie. Hier zijn geen overzichten of tellingen van.
Welke wettelijke taken, bevoegdheden en mogelijkheden hebben gemeenten om toezicht te houden of in te grijpen wanneer binnen hun gemeente islamitische scholen worden opgericht of uitgebreid en er zorgen bestaan over de gebruikte lesmaterialen, de invulling van de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid van leerlingen? Acht u de huidige positie en het instrumentarium van gemeenten hierbij toereikend? Zo nee, bent u bereid gemeenten meer mogelijkheden te geven om dergelijke zorgen bij de Inspectie en het ministerie af te dwingen en opvolging daarvan te verlangen?
In de Grondwet is het onderwijs bestempeld als een verantwoordelijkheid van de regering. De inspectie houdt toezicht op het onderwijs en controleert of scholen aan de wettelijke eisen voldoen. Leven er binnen een gemeente zorgen over een school, dan kunnen zij die overbrengen aan de inspectie.
Met het oog op de stichting van scholen specifiek heeft de gemeente de mogelijkheid om bij iedere stichtingsaanvraag hun zienswijze in te brengen. De grondslag van een school is op zichzelf echter nooit een legitieme grond voor bezwaar.
De beschreven rolverdeling tussen gemeente en Rijk acht ik passend bij de grondwettelijke uitgangspunten en daarmee ook toereikend.
Hoe verhoudt het gebruik van de genoemde lesmaterialen zich volgens u tot de wettelijke burgerschapsopdracht, waaronder het bevorderen van respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en het creëren van een schoolcultuur die daarmee in overeenstemming is?
Vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht heeft een school de plicht om leerlingen kennis over en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Dat houdt ook in dat respect voor verschillen de norm is, bijvoorbeeld in seksuele gerichtheid. De genoemde lesmaterialen passen daar niet bij en leiden ertoe dat de inspectie in haar toezicht extra aandacht heeft voor de invulling van de burgerschapsopdracht en het burgerschapsonderwijs op de betreffende school.
Deelt u de opvatting dat de vrijheid van onderwijs geen vrijbrief kan zijn om kinderen met publiek geld les te geven uit materialen die homoseksuele relaties stigmatiseren of in verband brengen met ziekte, vernietiging en maatschappelijke ontwrichting?
Ja, die opvatting deel ik. Het onderwijs moet voor iedereen veilig en vrij zijn, en geen voedingsbodem voor denkbeelden die indruisen tegen de basiswaarden van onze democratische rechtsstaat. Dat geldt overigens niet alleen voor het bekostigd onderwijs, maar bijvoorbeeld voor al het onderwijs, ook particulier.
Welke mogelijkheden hebben de Inspectie en de Staatssecretaris op dit moment om in te grijpen wanneer een school dergelijke lesmethoden gebruikt, maar volgens de huidige uitleg nog niet aantoonbaar de wettelijke ondergrens overschrijdt? Acht u dit instrumentarium toereikend?
De inspectie ziet toe op de naleving van de wet en beoordeelt in dat kader of scholen voldoen aan de wettelijke eisen die de burgerschapsopdracht aan hen stelt. Zo niet, dan krijgen scholen een herstelopdracht. Zie verder het antwoord op vraag 14 voor een uitgebreidere beschrijving van het instrumentarium dat de inspectie en de Minister hebben bij het niet naleven van wettelijke eisen.
Kunt u de zogenoemde escalatieladder uiteenzetten waarnaar u in de uitzending van Goedenavond Nederland van 28 juli 2026 verwees, inclusief de verschillende interventies, de voorwaarden voor toepassing daarvan en de gemiddelde tijd die verstrijkt voordat tot een bekostigingssanctie of sluiting kan worden overgegaan?3
Wanneer de inspectie constateert dat een school in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht, of met een andere wettelijke eis, geeft de inspectie in principe eerst een herstelopdracht. Dat is de opdracht aan een school om een vastgestelde tekortkoming te herstellen binnen een bepaalde termijn, maximaal een jaar. Na de hersteltermijn doet de inspectie opnieuw een onderzoek. Is de tekortkoming dan nog niet hersteld, dan kan de inspectie een bekostigingssanctie opleggen. Bij de eerste sanctie wordt maximaal 15% van de maandelijkse bekostiging ingehouden. Daarna loopt de sanctie gefaseerd op tot een uiteindelijke inhouding van 100% van de maandelijkse bekostiging.
Het proces verloopt iets anders wanneer de inspectie constateert dat een school structureel of flagrant in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht en dat dit leidt of dreigt te leiden tot een ernstige aantasting van een of meer van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. De inspectie kan dan wanbeheer vaststellen en draagt de zaak over aan de Minister, die vervolgens een aanwijzing kan opleggen. Dat is een set maatregelen die het schoolbestuur moet nemen om het wanbeheer te beëindigen. Dat moet het schoolbestuur op korte termijn doen, vaak binnen enkele weken. Bij zeer hoge urgentie en de constatering van een redelijk vermoeden van wanbeheer door de inspectie kan de Minister ook een spoedaanwijzing opleggen en is het aan het schoolbestuur om meteen het wanbeheer te beëindigen, binnen enkele dagen.
Als een school de (spoed)aanwijzing niet naleeft en het wanbeheer niet herstelt, kan de Minister direct een bekostigingssanctie opleggen en tot 100% inhouden van de maandelijkse bekostiging. Als een school een aanwijzing specifiek gericht op burgerschap of veiligheid niet naleeft en er sprake blijft van wanbeheer, kan de Minister de bekostiging van een school geheel beëindigen (bij bijzondere scholen) of de school sluiten (bij openbare scholen). Deze bevoegdheid kan alleen in uitzonderlijke gevallen worden ingezet als ultimum remedium.
Deelt u de opvatting dat de huidige escalatieladder mogelijk onvoldoende mogelijkheden biedt om snel en effectief in te grijpen wanneer scholen structureel gebruikmaken van lesmateriaal dat homoseksuelen en homoseksuele relaties stigmatiseert?
Waar het de wettelijke burgerschapsopdracht betreft, hebben de inspectie en de Minister diverse instrumenten tot hun beschikking om in te grijpen wanneer scholen de wet niet naleven. Sinds de inwerkingtreding van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium in 2023 heeft de Minister de mogelijkheid om sneller in te grijpen. Het opleggen van een spoedaanwijziging, zoals gebeurde bij scholen die niet voornemens waren de doorstroomtoets af te nemen, is hiervan een voorbeeld. In sommige gevallen kan de Minister echter alsnog minder snel ingrijpen dan gewenst. Dit najaar wordt gestart met de evaluatie van de Wet. Via de evaluatie, die in het voorjaar van 2028 gereedkomt, zal inzicht worden verkregen in de doeltreffendheid, doelmatigheid en de effecten van deze wet in de praktijk. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering. Ik zal bezien of die aanbevelingen en de ervaringen die worden opgedaan naast de evaluatie moeten leiden tot aanpassingen van de wet om waar gewenst sneller te kunnen optreden.
Bent u bereid de escalatieladder en de onderliggende wet- en regelgeving te herzien, zodat scholen die structureel dergelijke lesmethoden gebruiken sneller een aanwijzing, bekostigingssanctie of, als ultimum remedium, sluiting tegemoet kunnen zien?
Dit najaar start een evaluatie van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium. In die evaluatie wordt ook bezien of verdere uitbreiding van het huidige instrumentarium wenselijk en noodzakelijk is. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering.
Uit onderzoek van het EenVandaag Opiniepanel blijkt dat 70 procent van de ondervraagde lhbti’ers het als een probleem ervaart om de eigen seksuele oriëntatie of genderidentiteit in het openbaar te tonen en dat zij weerstand vooral ervaren vanuit religieuze en extreemrechtse hoek, waarbij met name de islam wordt genoemd.4 Hoe beoordeelt u deze uitkomsten?
Ik vind het vreselijk dat mensen zich niet geaccepteerd voelen vanwege hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit. In Nederland moet iedereen in veiligheid en vrijheid zichzelf kunnen zijn en zich gelijkwaardig weten, ongeacht seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Dat geldt overal: op school, tijdens het sporten, op de werkvloer en online. Helaas laten verschillende onderzoeken zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. De resultaten van dit onderzoek zijn niet verrassend, maar daarom niet minder zorgwekkend. Ik vind het schrijnend dat het voor een ruime meerderheid van de lhbtiq+-gemeenschap een probleem is om hun seksuele gerichtheid in het openbaar te laten zien. De signalen dat lhbtiq+ personen weerstand ervaren uit religieuze en extreemrechts hoek, zijn bekend. Op basis van nadere onderzoeksresultaten die we in 2027 verwachten, bekijken we of aanvullend onderzoek en inzichten nodig zijn met betrekking tot de oorzaken van dalende acceptatie in relatie tot onder andere de manosfeer en religieus conservatisme.
Deelt u de zorg dat onderwijs waarin homoseksualiteit expliciet negatief of bedreigend wordt voorgesteld, kan bijdragen aan het maatschappelijke klimaat waarin lhbti’ers aangeven hun gedrag, kleding en uitingen aan te passen uit angst voor negatieve reacties?
Ja, deze zorg deel ik. Ik kan mij goed voorstellen dat als de schoolcultuur homoseksualiteit negatief voorstelt, lhbtiq+ leerlingen zich onveilig voelen en dat zij dit de rest van hun leven met zich meedragen. Dat is onacceptabel. Daarom vraagt de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen dat zij zorgdragen voor een schoolcultuur vanuitde basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin iedereen zich veilig en geaccepteerd weet. Doen ze dit niet, dan handelen ze in strijd met de wet en zal de inspectie herstel afdwingen.
Onderwijs speelt een belangrijke rol in de socialisatie van leerlingen en in het vormen van een stevige en veilige pedagogische basis, waar vanuit iedere leerling zich in vrijheid kan ontwikkelen. Het bevorderen van een positief maatschappelijk klimaat voor lhbtiq+ personen reikt echter verder dan het onderwijs. Dat is een opdracht aan ons allemaal.
Bent u bereid de Inspectie van het Onderwijs opdracht te geven gericht onderzoek te doen naar de aard, omvang en inhoud van lesmaterialen over homoseksualiteit, relaties en het homohuwelijk binnen het islamitisch onderwijs, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
De inspectie doet verdiepend onderzoek naar de omgang van scholen met potentiële strijdigheid in basiswaarden, onder andere met het oog op seksuele diversiteit. Dit onderzoek richt zich op ervaringen van leerlingen en op dilemma’s en het handelingsrepertoire van leraren.
Kunt u vaststellen hoeveel scholen deze lesmethoden gebruiken of in het verleden hebben gebruikt, gedurende welke periode dit is gebeurd en hoeveel leerlingen naar schatting reeds met deze materialen in aanraking zijn gekomen?
Nee, de inspectie houdt geen overzicht of tellingen van lesmethoden bij.
Deelt u de opvatting dat leerlingen die onderwijs hebben ontvangen waarin homoseksuele relaties worden voorgesteld als ziekmakend, maatschappelijk ontwrichtend of aanleiding voor goddelijke bestraffing, mogelijk onvoldoende onderwijs hebben gekregen in overeenstemming met de wettelijke burgerschapsopdracht?
Ja, die opvatting deel ik. Dergelijk onderwijs kan leiden tot een schoolcultuur die niet in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich onvoldoende veilig weten. Een school die onvoldoende doet aan een schoolcultuur vanuit de basiswaarden, handelt in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht.
Bent u bereid maatregelen te treffen om eventuele schade bij deze leerlingen te herstellen, bijvoorbeeld door de betrokken scholen te verplichten aanvullend burgerschapsonderwijs aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit en de grondrechten van lhbti’ers?
Scholen moeten zorgdragen voor een schoolcultuur vanuit de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en gericht op de veiligheid van leerlingen. Doen ze dat niet, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en geeft de inspectie daarvoor een herstelopdracht. Blijft herstel uit, ondanks de herstelopdracht, dan kan de inspectie een financiële sanctie opleggen om de school op die manier te dwingen de tekortkomingen te herstellen en de wet na te leven.
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht, zijn alle scholen verplicht om onderwijs aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit en de universele rechten van de mens.
Zo ja, hoe wordt gecontroleerd dat dit aanvullende onderwijs daadwerkelijk wordt aangeboden en inhoudelijk voldoet aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat? Zo nee, waarom acht u herstelmaatregelen niet noodzakelijk?
Als de inspectie een herstelopdracht geeft, wordt vervolgens opnieuw onderzoek gedaan op de school naar de voortgang en mate van herstel. De inspectie onderzoekt of de school inmiddels wél voldoet aan de wettelijke eisen.
Bent u tevens bereid om, in afwachting van dat onderzoek, met de betrokken schoolbesturen in gesprek te gaan over het onmiddellijk uitfaseren van lesmaterialen waarin homoseksuele relaties in verband worden gebracht met ziekte, goddelijke bestraffing of maatschappelijke ontwrichting?
Het verbieden van lesmateriaal als zodanig past niet bij artikel 23 van de Grondwet, waarin staat dat de keuze voor leermiddelen vrij is.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN' |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het onacceptabel is dat dergelijk tuig het stadhuis bestormt, aanwezigen aanvalt en de orde in de raadzaal verstoort? En dat dergelijk gedrag de democratische rechtsstaat ondermijnt, zeker als er geen nadere actie op wordt ondernomen?
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het Openbaar Ministerie om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering bestraft dient te worden.
Hoe is het mogelijk dat een jaar nadat onder andere Extinction Rebellion het Utrechtse stadhuis heeft bestormd en doordrong tot in de raadzaal, het OM nog steeds de zaak niet heeft opgepakt, naar aanleiding van een aangifte van een raadslid?
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed het gemeenteraadslid aangifte van het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord. In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen. De communicatie hierover richting mevrouw is niet goed geweest en daardoor is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aan geboden.
De keuze om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak. Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden. Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting, is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie over de voortgang bekend zal worden.
Hoe is het mogelijk dat de politie aangeeft de zaak, waarbij meerdere verdachten in beeld zijn, te hebben verstuurd en het OM aangeeft de aangifte nooit heeft ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om deze zaak tot de bodem uit te zoeken en daar nader over te berichten?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt is dit inmiddels gebeurd.
De afwezigheid van Omar Elshal tijdens zijn rechtszitting in Egypte. |
|
Sarah Dobbe (SP), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onverwachte wending bij zaak ASML’er Omar (33): hij was tot ieders verrassing niet in de rechtbank aanwezig»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Teunissen en Van Baarle over de detentie van de Nederlandse ASML-medewerker Omar Elshal?2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke diplomatieke inspanningen de Nederlandse regering sinds de beantwoording van deze Kamervragen heeft verricht om de rechtspositie, consulaire toegang en het welzijn van de heer Elshal te bevorderen?
Wereldwijd zet het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich ten volle in voor consulaire bijstand aan en toegang tot Nederlandse gedetineerden die dat willen. Dit geldt nadrukkelijk ook voor de door u opgebrachte gedetineerde Nederlander in Egypte. De Nederlandse overheid kan niet treden in de rechtsgang van een ander land, dat zou andersom ook onwenselijk zijn. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft zich inzetten om consulaire bijstand te verlenen aan de gedetineerde en brengt deze casus op in gesprekken op verschillende niveaus.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Was de Nederlandse ambassade voorafgaand aan de rechtszitting ervan op de hoogte dat de heer Elshal niet naar de rechtbank zou worden overgebracht? Zo ja, wanneer is de ambassade hiervan op de hoogte gesteld en door wie?
Nee.
Heeft de Nederlandse regering inmiddels bij de Egyptische autoriteiten opheldering gevraagd over de reden waarom de heer Elshal niet bij zijn eigen rechtszitting aanwezig was? Zo ja, wat is daarop geantwoord? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Klopt het dat de Nederlandse vertegenwoordiging aanwezig was bij de betreffende rechtszitting met het voornemen om de heer Elshal na afloop consulaire bijstand te verlenen? Welke gevolgen heeft zijn afwezigheid gehad voor de mogelijkheid om consulaire toegang te verkrijgen?
De Nederlandse vertegenwoordiging was aanwezig, maar kreeg geen toegang tot de zitting.
Klopt het dat pas nadat bekend was geworden dat medewerkers van de Nederlandse ambassade bij de rechtszitting aanwezig zouden zijn, bleek dat de heer Elshal niet was voorgeleid? Deelt u de opvatting dat deze gang van zaken ernstige vragen oproept en dat hierover volledige opheldering dient te worden verkregen? Welke concrete stappen onderneemt u om deze opheldering van de Egyptische autoriteiten te verkrijgen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Welke concrete stappen onderneemt de regering momenteel om alsnog spoedig consulaire toegang tot de heer Elshal te verkrijgen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft zich onverminderd inzetten, ook op politiek niveau, om de lokale autoriteiten te bewegen, in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving, te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Is het kabinet bereid de diplomatieke druk op de Egyptische autoriteiten te intensiveren teneinde onverwijld consulaire toegang en een eerlijke rechtsgang voor de heer Elshal te bewerkstelligen? Zo ja, op welke wijze zal de regering deze diplomatieke druk intensiveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Is de Minister bereid om de voortgang van nieuwe Nederlandse samenwerkingsprojecten met Egypte afhankelijk te maken van aantoonbare verbeteringen in de behandeling van de heer Elshal en de naleving van internationale consulaire verplichtingen? Zo ja, op welke wijze zal de Minister hier uitvoering aan geven? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderzoekt bij individuele consulaire zaken steeds welke diplomatieke en beleidsmatige manieren in een specifieke zaak het meest effect hebben, bijvoorbeeld om consulaire toegang te krijgen. Over de aard en inhoud van de concrete handelingen en interventies kan echter geen inzicht worden gegeven, om de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de consulaire belangenbehartiging niet te schaden.
Is de Minister bereid deze zaak actief onder de aandacht te brengen van de Europese Unie en de EU-delegatie in Egypte, met het verzoek de kwestie van de detentie van de heer Elshal en de toegang tot consulaire bijstand nadrukkelijk aan de orde te stellen in de contacten met de Egyptische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Zoals gesteld onder antwoord 10, beoordeelt het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij individuele consulaire zaken continu welke manieren om consulaire toegang te krijgen in een specifieke zaak het meest effectief zijn. Daarbij worden politieke en diplomatieke relaties in EU-verband ook in de afweging opgenomen.
Is de Minister bereid de Egyptische ambassadeur in Nederland te ontbieden om opheldering te verlangen over de afwezigheid van de heer Elshal tijdens zijn rechtszitting en om aan te dringen op onmiddellijke consulaire toegang? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook toegelicht in antwoord 13 en 14, heb ik in dit geval ervoor gekozen de zaak van de heer Elshal direct op te brengen en bespreken bij mijn Egyptische ambtgenoot.
Heeft de Minister deze zaak inmiddels persoonlijk besproken met zijn Egyptische ambtgenoot? Zo ja, wanneer en wat was de uitkomst van dat gesprek?
Bij een recente ontmoeting met mijn Egyptische ambtgenoot heb ik zaak van de heer Elshal nadrukkelijk onder de aandacht gebracht en besproken. Over de inhoud van het gesprek doe ik om de bij antwoord 3 genoemde redenen geen uitspraken.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal zich onverminderd blijven inzetten om de lokale autoriteiten te bewegen, in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving, te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Indien de Minister dit nog niet persoonlijk met zijn Egyptische ambtgenoot heeft besproken, is hij bereid dit op de kortst mogelijke termijn alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Deelt u de opvatting dat het onverklaard uitblijven van de heer Elshal bij zijn eigen rechtszitting, terwijl de Nederlandse vertegenwoordiging aanwezig was om de zitting bij te wonen en consulaire bijstand te verlenen, een zeer zorgwekkende ontwikkeling is die aanleiding geeft tot intensivering van de Nederlandse diplomatieke inzet? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat de rechter tijdens de betreffende rechtszitting heeft verklaard dat de heer Omar Elshal de enige van in totaal 71 verdachten in deze strafzaak was die niet naar de rechtbank was overgebracht? Zo ja, op welke informatie baseert de regering zich om de juistheid van deze mededeling te beoordelen? Welke mogelijkheden heeft de regering om de juistheid hiervan zelfstandig of via diplomatieke kanalen te verifiëren? Deelt u de opvatting dat, indien deze mededeling juist is, dit de zorgen over de behandeling van de heer Elshal verder vergroot? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke concrete maatregelen zal de regering nemen om te waarborgen dat een dergelijke situatie zich bij toekomstige rechtszittingen niet opnieuw voordoet en dat medewerkers van de Nederlandse ambassade daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld de rechtszittingen van de heer Elshal bij te wonen en hem aansluitend consulaire bijstand te verlenen? Is de regering bereid hierover vooraf duidelijke afspraken te maken met de Egyptische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid mengt zich niet in de rechtsgang van de staat van detentie, dat zouden we andersom in de Nederlandse rechtsgang ook onwenselijk achten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken dringt er wel bij de lokale autoriteiten op aan om, in lijn met internationale wet- en regelgeving, een eerlijke rechtsgang te waarborgen en consulaire toegang te verlenen.
Is de Minister bereid de Kamer onverwijld te informeren zodra duidelijkheid bestaat over de reden waarom de heer Elshal niet bij zijn rechtszitting aanwezig was en over de uitkomsten van de diplomatieke contacten die hierover met de Egyptische autoriteiten zijn gevoerd?
Zie het antwoord op vraag 3.
Het bericht ‘Eigenaar dreigt met eerdere sluiting overgebleven zorgvilla's: 'Schokkend'’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Eigenaar dreigt met eerdere sluiting overgebleven zorgvilla's: «Schokkend»»?1
Ik begrijp de grote zorgen en emoties die leven bij ouders, kinderen en medewerkers. De situatie is voor alle betrokkenen zeer ingrijpend. Het is echter niet aan mij om kwalificaties te geven over het handelen van private partijen of over stellingen die onderdeel uitmaken van een lopende gerechtelijke procedure. Vanuit het Ministerie van VWS was niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Bovendien lopen de lezingen van partijen over het verloop van de zitting uiteen. Ik kan de gang van zaken tijdens de zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Ongeacht de exacte lezing van de gebeurtenissen vind ik wel dat de zorg voor deze kwetsbare kinderen nooit een instrument mag zijn in een zakelijk of juridisch geschil, en ik verwacht dat alle betrokken partijen zich dat terdege realiseren.
Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor de kinderen die nog zorg ontvangen bij Villa ExpertCare (VEC). Daarover ben ik voortdurend in gesprek met de betrokken partijen, waaronder VEC, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de onafhankelijk intermediair die is aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te ondersteunen.
Wat vindt u van de uitgesproken dreiging tijdens de zitting om locaties te sluiten al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 was er vanuit het Ministerie van VWS niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Ik kan de gang van zaken tijdens die zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Bovendien geeft het (tijdelijk) bestuur van Villa ExpertCare hierover een andere lezing dan uit de berichtgeving naar voren komt. Het is niet aan mij om in een lopende gerechtelijke procedure te beoordelen welke lezing juist is.
In hoeverre bedreigt dit de onafhankelijkheid van de rechtspraak?
Het is aan de rechter om onafhankelijk en onpartijdig uitspraak te doen. Het is niet aan mij om vooruit te lopen op de beoordeling door de rechter of om mij uit te spreken over de mogelijke invloed van uitlatingen van partijen op een lopende gerechtelijke procedure.
Ik ga ervan uit dat alle betrokken partijen de onafhankelijkheid van de rechtspraak respecteren en de uitspraak van de rechter zullen afwachten en respecteren.
Erkent u dat dit een voorbeeld is van slecht bestuur waar de continuïteit van zorg van kinderen, en respect voor de rechtspraak, overduidelijk niet voorop staat? Welke gevolgen verbindt u daaraan?
Ik begrijp de zorgen die aan deze vraag ten grondslag liggen. Tegelijkertijd is het niet aan mij om op basis van berichtgeving en stellingen die onderdeel zijn van een lopende gerechtelijke procedure een oordeel te geven over het bestuur van een private zorgaanbieder.
Wel geldt voor mij onverkort dat de belangen van de kinderen en de continuïteit, kwaliteit en veiligheid van hun zorg voorop moeten staan. VEC is als zorgaanbieder verantwoordelijk voor de continuïteit van de zorg. Ik spreek VEC en alle andere betrokken partijen hierop aan en blijf de ontwikkelingen nauwlettend volgen.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg bij VEC en beschikt over verschillende wettelijke handhavingsinstrumenten wanneer de kwaliteit of veiligheid daartoe aanleiding geeft. De beoordeling of en wanneer deze instrumenten moeten worden ingezet, is aan de IGJ. De recente bevindingen van de IGJ die betrekking hebben op de locaties Waalre en Rijswijk zijn daarbij onderdeel van haar toezicht.
Herinnert u zich de uitspraak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in hun rapport van 20 mei jl. dat zij «beperkt vertrouwen [heeft] in de verbeterkracht van de organisatie en het urgentiebesef van de bestuurder»?2 Deelt u de analyse dat deze verbeterkracht nog steeds nergens te vinden is bij het huidige bestuur?
Ja, ik ben bekend met het rapport en de daarin opgenomen bevindingen van de IGJ. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg bij VEC en heeft daarbij ook aandacht voor de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor goede zorg.
Het is niet aan mij om een zelfstandig oordeel te geven over de verbeterkracht van het bestuur van VEC. De IGJ heeft als toezichthouder een eigenstandige verantwoordelijkheid om de kwaliteit en veiligheid van de zorg te beoordelen en, waar nodig, handhavend op te treden. De IGJ heeft in juni een aanwijzing opgelegd aan VEC (locaties Waalre en Vleuten) nadat uit het toezicht bleek dat er risico’s waren voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Recent heeft de IGJ opnieuw een rapport uitgebracht met daarin ontwikkelingen uit het toezicht voor de locaties Wezep en Rijswijk. Ik blijf in nauw contact met de IGJ over ontwikkelingen uit het toezicht.
Is de dreiging van sluiting van de overige locaties voordat voor alle kinderen een passende plek is gevonden aanleiding om bestuursdwang toe te passen, ofwel door de IGJ, ofwel door uzelf op basis van artikel 29 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het bestuur (tijdelijk) over te nemen om de continuïteit van zorg te garanderen? Zo nee, waarom niet, en wanneer is die aanleiding er wel?
Berichtgeving over een mogelijke eerdere sluiting is op zichzelf geen grond om het bestuur van een private zorgaanbieder over te nemen. De wettelijke mogelijkheden voor ingrijpen in het bestuur van een zorgaanbieder zijn aan specifieke voorwaarden gebonden. Artikel 29 biedt de mogelijkheid voor de IGJ om een last onder bestuursdwang op te leggen indien een eerder door haar opgelegde aanwijzing of bevel niet wordt nageleefd. Dat is nu niet aan de orde. De IGJ houdt doorlopend toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg bij VEC. Hierbij ziet zij er onder andere op toe dat de overdracht van cliënten zorgvuldig plaatsvindt.
Mijn inzet is er op dit moment primair op gericht om te voorkomen dat de zorgcontinuïteit voor de betrokken kinderen in gevaar komt. Voor de resterende locaties Wezep en Rijswijk heeft VEC aangegeven dat deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande openblijven. Ik zie er nauwlettend op toe dat deze toezegging wordt nagekomen en dat voor ieder kind tijdig passende zorg beschikbaar blijft.
Is de uitgesproken dreiging door Villa ExpertCare om locaties al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt aanleiding om bestuursdwang toe te passen, ofwel door de IGJ, ofwel door ofwel door uzelf op basis van artikel 29 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het bestuur (tijdelijk) over te nemen om de continuïteit van zorg te garanderen? Zo nee, waarom niet, en wanneer is die aanleiding er wel?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6. In het geval het gerechtshof besluit het verzoek van de cliëntenraad te honoreren, beïnvloedt dat de rol van de IGJ zoals hierboven uitgelegd niet.
Wat gaat u anders doen dan voorheen om te voorkomen dat de overige twee locaties gaan sluiten, aangezien uw inzet tot nu toe niet heeft kunnen voorkomen dat er twee locaties zijn gesloten?
VEC heeft besloten de zorgverlening op haar locaties te beëindigen. Het is niet aan de overheid om een private zorgaanbieder te dwingen zorg te blijven aanbieden. Mijn inzet is daarom, samen met de andere betrokken partijen, steeds gericht geweest op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor ieder kind.
Sinds mijn eerdere berichtgeving is de inzet verder geïntensiveerd. Zo is een onafhankelijk intermediair aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te versnellen en de zorgvuldigheid daarvan te versterken. Ook blijf ik in nauw contact met de betrokken zorgverzekeraars, zorgkantoren, de IGJ en de NZa om de ontwikkelingen te volgen en waar nodig partijen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.
Voor de twee resterende locaties heeft VEC aangegeven deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande open te houden. Mijn inzet blijft erop gericht dat deze toezegging wordt nagekomen en dat de continuïteit van zorg voor ieder kind wordt geborgd.
Gezien de urgentie en dreigende sluiting, bent u bereid om deze vragen met spoed te beantwoorden?
De IGJ heeft mij laten weten dat er op dit moment geen sprake is van een acute situatie of dreigende sluiting van de resterende locaties, omdat de kwaliteit en veiligheid van de zorg op de locaties Wezep en Rijswijk op dit moment voldoende zijn geborgd. Wel heeft de IGJ voor locatie Wezep om een verbeterplan gevraagd, wat onder meer ziet op het beter borgen van voldoende personele inzet, het tijdig informeren en betrekken van cliëntvertegenwoordigers en betrokken professionals bij de planning, roosters en het vinden van een passend zorgalternatief, en het structureel uitvoeren en vastleggen van teamoverleggen. De IGJ heeft daarbij aangegeven dat dit geen reden is tot ingrijpen en dat zij de voortgang van de verbetermaatregelen nauwlettend volgt. Daarnaast heeft VEC aangegeven deze locaties in ieder geval tot en met 31 december aanstaande open te houden. Om die reden worden deze Kamervragen beantwoord binnen de gebruikelijke termijnen.
Handhaving monogamie |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijzonder huwelijk: Natasja (51) trouwt niet alleen met Erik (51), maar óók met Berlinda (55)»?1
Zijn u meer situaties bekend van een schijnhuwelijk met meer dan twee personen waarbij een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) een rol vervult?
Ziet u het belang om het huwelijk als een uniek verbond van twee personen te beschermen, mede gezien de problemen die bij polygamie bestaan en die de overheid door middel van beleid probeert te bestrijden?
Wat vindt u, gelet op de wettelijke norm van monogamie en de strafbepaling inzake bigamie, van situaties waarin bewust de schijn wordt gecreëerd dat sprake is van een huwelijk met meer dan twee personen?
In hoeverre wordt in de informatievoorziening richting de babs en bij hun beëdiging aandacht besteed aan de wettelijke norm van monogamie en de betekenis ervan voor de verantwoordelijkheid van de babs?
Vindt u het te verenigen met de verantwoordelijkheid van de babs in het naleven van de wettelijke normen dat hij bewust meewerkt aan situaties waarin de schijn van bigamie wordt gewekt, bijvoorbeeld door in de ceremonie een plaats te geven aan het gebruik van aktes en getuigen? Zo ja, waarom? Zo nee, in hoeverre wordt het handelen van de babs meegewogen bij een nieuwe beëdiging?
In hoeverre is bij de beëdiging van een babs voor een enkele dag bekend op welke situatie de beëdiging betrekking heeft? Vindt u ook dat een beëdiging voor situaties van schijnhuwelijken, waaronder bigame schijnhuwelijken, niet aan de orde kan zijn?
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor de rechtspraak om meer duidelijkheid te creëren over de rol van de babs in het bewaken van de wettelijke positie van het monogame huwelijk?
Het bericht dat er cruciale informatie over de jacht op Wolf Bram pas maanden later boven tafel kwam |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jacht op wolf Bram verliep in diepste geheim en cruciale info komt pas maanden later boven tafel?»1
Ja.
Wat doet u precies om faunabeheerders en specifiek zij die belast zijn met het oplossen van een maatschappelijk probleem zoals overlast gevende wolven te beschermen, nu uit nieuwe documenten blijkt dat jagers veel last hadden van pro-wolfactivisten?
Ik betreur het zeer als uitvoerders van een vergunning hinder ondervinden bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. Iedereen moet veilig zijn werkzaamheden kunnen uitvoeren. Het beleid rond overlastgevende wolven ligt echter primair bij provincies en gemeenten. Zij dragen er zorg voor dat de uitvoering goed wordt geregeld en het is aan eenieder om zich correct te gedragen tegenover anderen.
Ik ga tijdens het Nationaal Wolvenberaad met provincies en burgemeesters in gesprek waarbij ik ook zal bespreken welke ondersteuning ik kan bieden bij het uitvoeren van het beleid rond probleemwolven.
Hoe bestaat het dat activisten een wildcamera kapotmaken en er een fysieke confrontatie plaatsvindt met een faunabeheerder en deze activisten niet worden vervolgd? Wat is ervoor nodig om dit alsnog voor elkaar te krijgen?
Zowel de eigenaar van een camera als een faunabeheerder kan in zo’n geval aangifte doen. Zo’n aangifte wordt dan in behandeling genomen door het Openbaar Ministerie (OM). Dit kan ook achteraf. Het OM is niet bekend met aangiftes over het kapotmaken van wildcamera’s of van fysieke confrontaties.
Kunt u aangeven hoe vaak faunabeheerders de afgelopen vijf jaar bedreigd zijn en of dit tot vervolging heeft geleid? Indien nee, waarom niet? Heeft u de mensen in beeld die dit doen? Indien nee, waarom niet?
Het OM beschikt niet over gegevens over hoe vaak faunabeheerders worden bedreigd, omdat daarvan geen aangifte is gedaan. Daarnaast worden beschikbare registraties niet uitgesplitst naar de hoedanigheid van betrokkenen, zoals faunabeheerders. Om die redenen zijn hierover geen specifieke cijfers beschikbaar.
Kunt u een lijst met alle vernielingen en vermissingen van spullen, veroorzaakt door activisten om het werk van faunabeheerders te belemmeren, in de afgelopen vijf jaar met de Kamer delen? Indien nee, waarom niet?
Het OM beschikt niet over gegevens over hoe vaak eigendommen van faunabeheerders worden vernield of weggenomen indien daarvan geen aangifte wordt gedaan. Daarnaast worden beschikbare registraties niet uitgesplitst naar de hoedanigheid van betrokkenen, zoals faunabeheerders of activisten. Om die redenen zijn hierover geen specifieke cijfers beschikbaar.
Deelt u de mening dat wolf Bram vanwege het bijten van vier mensen en het doodbijten van twee honden een groot maatschappelijk probleem bleek en dat wat dat betreft de faunabeheerders vanuit de provincie als bevoegd gezag volledige ondersteuning verdienen? Zo ja, hoe kan het kabinet hier een bijdrage aan leveren?
Ja, er was sprake van een probleemwolf. In mijn amvb heb ik de definities van probleemwolven vastgelegd, zodat er duidelijkheid ontstaat over situaties zoals die zich in de provincie Utrecht hebben voorgedaan. Met de amvb lever ik een bijdrage aan het oplossen van dit maatschappelijk probleem.
Deelt u de mening dat de uitvoering van deze taak onder grote maatschappelijke druk is uitgevoerd, er grote zorgen waren over de verdere escalatie van het gedrag van deze wolf en mogelijke fatale gevolgen voor mensen? Bent u bereid om provincies hier meer in te ondersteunen en erop toe te zien dat de uitvoerende faunabeheerders vanuit alle overheidsdiensten volledige ondersteuning en medewerking krijgen?
Ja, die mening deel ik. Ik heb dan ook waardering voor zowel de zorgvuldigheid die de provincie heeft getoond bij het tot stand komen van de afschotvergunning als voor de uitvoering hiervan. Met de amvb beoog ik de provincies te ondersteunen in de uitvoering van hun beleid rond probleemwolven. Ik heb aan de provincies mijn ondersteuning toegezegd daar waar zij in de praktijk wellicht tegen juridische procedures als gevolg van de amvb aanlopen. Verder, wanneer mensen zich bijvoorbeeld niet aan toegangsregels van gebieden houden, kunnen uitvoerders die hier hinder van ondervinden dit melden bij een terreinbeherende organisatie die vervolgens kan optreden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het debat over de Wolf in Nederland van 1 september 2026 beantwoorden?
Ja.
De afhandeling van geweld en belediging van politieagenten |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen van politieagenten dat zaken betreffende geweld tegen politieagenten en belediging van politieagenten in de praktijk regelmatig worden geseponeerd of slechts beperkt strafrechtelijk worden afgedaan?
Nee, deze signalen ken ik in zijn algemeenheid niet. Het Openbaar Ministerie (OM) neemt deze zaken juist zeer ernstig op. Deze worden met prioriteit behandeld en het sepotpercentage is in deze zaken lager dan gemiddeld. In 2025 werd volgens het jaarbericht van het OM 31 procent van de totale uitstroom onvoorwaardelijk geseponeerd1, terwijl in Veilig Publieke Taak-zaken in 2025 slechts 14 procent onvoorwaardelijk werd geseponeerd2 en in Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA)-zaken slechts 17,8 procent. Laatstgenoemde percentage blijkt uit de tabel in het antwoord op vraag 2. Een onvoorwaardelijke sepot betekent dat het OM onvoorwaardelijk afziet van vervolging. Bij een voorwaardelijk sepot zijn er voorwaarden verbonden aan het sepot, bijvoorbeeld verplichte begeleiding door Reclassering Nederland. Dit betekent niet dat er geen sepots voorkomen, bijvoorbeeld als het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt of als een andere afdoening prevaleert om een duurzame afdoening te verkrijgen.
Hoeveel aangiften en processen-verbaal wegens geweld en belediging tegen politieagenten zijn in de afgelopen vijf jaar door het Openbaar Ministerie (OM) afgedaan met een sepot of een voorwaardelijk sepot? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
Het OM spant zich samen met de politie in voor mensen met een veilige publieke taak (VPT). In verband hiermee worden ook de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak geactualiseerd. Dit zijn opsporings- en vervolgingsafspraken van de politie en het OM. Deze afspraken zien op de strafrechtelijke aanpak van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak. De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende evaluaties te betrekken3. Naar verwachting ontvangt uw Kamer in het derde kwartaal van 2026 de herziene versie van de ELA.
Om de vervolging van VPT-zaken voor de samenleving inzichtelijk te maken publiceert het OM ieder jaar in april een memo overzicht en duiding VPT. In onderstaande tabel staat het totaal aantal ter vervolging ingestroomde VPT-zaken over de jaren 2021 t/m 2025. Onder het totaal aantal ingestroomde VPT-zaken staan de aantallen die onder de door het OM met de maatschappelijke kwalificatie Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA) ter vervolging zijn ingestroomd en daaronder zijn de aantallen voorwaardelijke – en onvoorwaardelijk sepots opgenomen.
9.823
9.911
9.113
9.110
9.811
– Vw sepot
322
407
366
358
383
– Ov sepot
793
902
842
767
810
% GTPA geseponeerd
17,1%
18,9%
19,8%
18,5%
17,8%
Wat zijn de meest voorkomende sepotgronden in zaken waarin politieagenten slachtoffer zijn van geweld of belediging? Kunt u hiervan een overzicht geven?
De meest voorkomende sepotgrond bij een onvoorwaardelijke sepot is «onvoldoende bewijs». Bij een voorwaardelijke sepot is dat «ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert». In dat geval prevaleert bijvoorbeeld bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk ingrijpen.
Hoeveel zaken wegens geweld en/of belediging van politieagenten hebben in de afgelopen vijf jaar geleid tot een strafbeschikking, transactie of veroordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
De cijfers die ik van het OM heb ontvangen, zijn niet uitgesplitst naar geweld en/of belediging. Over de afdoening van GTPA-zaken kan ik de onderstaande cijfers verstrekken. Hierin staat weergeven hoeveel zaken zijn afgedaan met een transactie/ OM-strafbeschikking en hoeveel zaken aan de rechter zijn voorgelegd. Het totaal aantal zaken dat is geseponeerd treft u in de tabel bij het antwoord op vraag 2.
1.143
1.403
1.273
1.304
1.669
4.132
4.045
3.897
3.922
3.650
Herkent u de signalen uit de politiepraktijk dat ernstige beledigingen van agenten, waaronder bedreigende en intimiderende uitlatingen tijdens de uitoefening van hun functie, met regelmaat worden geseponeerd? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling? Zo nee, waarop baseert u dat?
Deze signalen herken ik in zijn algemeenheid niet. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. Daarbij hecht ik eraan het volgende op te merken. Intimiderende en bedreigende uitlatingen kunnen een grote impact hebben op agenten en zijn moreel verwerpelijk. Vanuit strafrechtelijk perspectief geldt echter dat intimiderende en bedreigende uitlatingen niet altijd een strafbaar feit opleveren. Waar het wel een (mogelijk) strafbaar feit oplevert, pakt het OM deze zaken met prioriteit op.
Van het OM heb ik, zoals hiervoor weergegeven, jaarcijfers ontvangen van het totaal aantal GTPA-zaken die ter vervolging zijn ingestroomd. Daarbij is tevens het aantal voorwaardelijke en onvoorwaardelijke sepots gegeven. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 1, 3 en 4.
Deelt u de opvatting dat een consequente bestraffing van geweld en ernstige belediging van politieagenten essentieel is voor het gezag van de politie, de veiligheid van onze dienders en de norm dat agressie tegen hulpverleners onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Geweld en agressie tegen mensen met een publieke taak is onacceptabel en dit geldt zeer zeker ook voor politiemedewerkers. Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen alle functionarissen met een publieke taak is essentieel.
De politie heeft als werkgever een belangrijke rol in de ondersteuning van politiemedewerkers die tijdens het uitvoeren van hun werk te maken krijgen met geweld en agressie. Zo is er binnen de politie een Integrale Aanpak Geweld Tegen Politieambtenaren. Deze aanpak is gericht op de bescherming van politiemedewerkers door opleiding, registratie en vroegsignalering. De leidinggevenden vervullen een ondersteunende rol in de zorg en aandacht voor de mentale weerbaarheid van hun medewerkers. Ook wordt er in debriefings aandacht besteed aan het delen van nare ervaringen tijdens de dienst. Indien dit het geval is worden de betreffende politiemedewerkers 3 á 4 weken later uitgenodigd voor een groepsgesprek samen met een psycholoog. Ook is het Team Collegiale Ondersteuning ingericht voor ondersteuning voor en door collega’s na ingrijpende en schokkende gebeurtenissen in het werk.
Verder benoemt het OM in het requisitoir de bijzondere positie van het slachtoffer en motiveert de strafeis met inachtneming van de toepasselijke aanwijzingen van het College, als ook een afwijking daarvan. In beginsel wordt door het OM in VPT-zaken een aanmerkelijk hogere sanctie opgelegd of straf geëist. Voor mij is op basis van de geleverde informatie niet aannemelijk dat geweld en agressie van politiemedewerkers niet consequent wordt vervolgd en bestraft.
Ik informeer u op korte termijn over de herziening van de ELA bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak tussen de politie en het OM. Met deze herziening wordt beoogd om de politie en het OM nog beter in staat te stellen om VPT-delicten met meer prioriteit en kwaliteit af te handelen.
Bent u bereid samen met het OM te onderzoeken of de huidige afdoeningspraktijk in zaken van geweld en belediging van politieagenten in overeenstemming is met het uitgangspunt dat agressie en geweld tegen publieke functionarissen een hoge opsporings- en vervolgingsprioriteit hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de overheid haar eigen politieagenten in de steek laat wanneer geweld en ernstige belediging van politieagenten niet consequent worden vervolgd en bestraft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De aanpak van nepreviews |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
In 2021 zijn nepreviews verboden bij wet, in 2024 werd echter geconcludeerd dat de problemen met nepbeoordelingen niet afnemen maar toenemen, herkent u dit beeld?1
Ik ben bekend met de publicatie van BEUC uit december 2025. BEUC geeft daarin aan dat consumenten nog steeds worden blootgesteld aan nepbeoordelingen en dat de huidige regelgeving nog onvoldoende effectief is om deze praktijken tegen te gaan.
Consumenten gebruiken online reviews bij het vergelijken van producten en diensten en wegen deze informatie mee bij hun aankoopbeslissing. De betrouwbaarheid van reviews is daarbij van belang. Nepbeoordelingen kunnen consumenten daarom misleiden en ertoe leiden dat zij een andere aankoopbeslissing nemen dan zij zouden hebben gedaan wanneer zij over betrouwbare informatie hadden beschikt.
Ik herken het beeld dat de aanpak van nepbeoordelingen in de praktijk complex is. Het is mij niet bekend dat deze problemen zouden zijn toegenomen. De opkomst van AI kan ervoor zorgen dat nepreviews makkelijker opgesteld kunnen worden. Tegelijkertijd biedt AI ook mogelijkheden om dergelijke content sneller op te sporen.
Erkent u dat consumenten misleid worden en de verkeerde keuzes maken doordat de aanpak van nepreviews nog niet afdoende werkt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat lidstaten nu voldoende mogelijkheden hebben om nepreviews aan te kunnen pakken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en welke extra maatregelen zijn volgens u nodig?
Het (laten) plaatsen van valse beoordelingen of aanbevelingen is sinds mei 2022 in Nederland expliciet verboden voor handelaren.2 Ook is het voor handelaren verboden om te beweren dat beoordelingen van producten zijn ingediend door consumenten die het product daadwerkelijk hebben gebruikt of aangekocht, zonder dat de handelaar redelijke en proportionele stappen heeft genomen om dit na te gaan. Dit geldt ook voor review-websites. Ik ben daarom van mening dat er voldoende wettelijke mogelijkheden zijn om handelaren aan te kunnen pakken die gebruik maken van nepbeoordelingen.
De Autoriteit Consument & Markt (ACM), die belast is met de handhaving van onderhavige wetgeving, concludeert dat het nog zeer lastig is om op te treden tegen het aanbieden en verkopen van nepinteracties en -recensies, erkent u dit en steunt u hun wens voor uitbreiding van de Digital Fairness Act?
De ACM heeft in 2024 handhavingsacties ondernomen rondom nepbeoordelingen.3 In dit kader heeft de ACM onder meer 14 verkopers verzocht te stoppen met het aanbieden en plaatsen van nepreviews. De helft van de aangesproken partijen heeft dit ook daadwerkelijk gedaan. De ACM beoordeelde dit als een geschikte eerste stap met impact.4
Optreden tegen partijen die nepbeoordelingen verkopen is voor de ACM gecompliceerd, onder meer omdat deze partijen regelmatig vanuit een ander land (ook buiten de EU) opereren. Ook moet de ACM aannemelijk maken dat de nepbeoordelingen daadwerkelijk geplaatst zijn (door de verkoper van nepbeoordelingen of door de handelaar die de nepbeoordelingen heeft gekocht).
De ACM verzoekt in haar inzet rondom de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA) om ook het verkopen van nepbeoordelingen zelf te verbieden.5 Ik heb begrip voor deze wens van de ACM, omdat de ACM daarmee effectiever zou kunnen optreden. Het aanbieden van nepbeoordelingen is namelijk makkelijker te bewijzen dan het (laten) plaatsen van deze nepbeoordelingen. Een complicerende factor hierbij is echter dat de verkoop van nepbeoordelingen een transactie tussen twee bedrijven is en daardoor lastig binnen de reikwijdte van het consumentenrecht past. Het consumentenrecht ziet namelijk op de relatie tussen de handelaar en de consument en in principe niet op een transactie tussen een handelaar en toeleverancier. Een mogelijk alternatief zou kunnen zijn om het opstellen van nepbeoordelingen op verzoek van een handelaar als oneerlijke handelspraktijk aan te merken.
Steunt u het voorstel van de ACM om het aanbieden en verkopen van neprecensies of -interacties te verbieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke stappen wilt u zetten om de Europese Commissie te overtuigen van een verbod op de verkoop van neprecensies en -interacties?
De inzet van de Nederlandse regering6 en van de ACM7 rondom de DFA is separaat in een eerdere fase van het proces aan de Europese Commissie (hierna: EC) kenbaar gemaakt. Door de ACM is haar voorstel rondom de verkoop van nepbeoordelingen hierin meegenomen. Het wetgevend voorstel van de EC voor de DFA wordt in het vierde kwartaal van dit jaar verwacht. Het wetgevingsproces bevindt zich reeds in een vergevorderd stadium waarbij zeer beperkt ruimte is voor de Commissie om nog aanvullende beleidsvoorstellen mee te nemen. Het kabinet zal de verdere inzet rondom de DFA bepalen nadat het wetgevend voorstel van de EC is gepubliceerd en daartoe een BNC-fiche opstellen.
Hoe beoordeelt u het voorstel van de ACM om externe leveranciers of tussenpersonen aansprakelijk te stellen voor de oneerlijke beïnvloedingstechnieken die zij ontwikkelen of helpen ontwikkelen en faciliteren?
Het voorstel van de ACM voor de aansprakelijkheid van derde partijen is breder van aard dan de problematiek rondom nepbeoordelingen. Het zou hierbij bijvoorbeeld kunnen gaan om verkopers van designs en templates voor websites waar mogelijk verboden handelspraktijken in worden gebruikt. Volgens de ACM maakt een groot deel van Nederlandse online webwinkels gebruik van dergelijke derde partijen, waardoor het de effectiviteit van handhaving ten goede kan komen om ook deze leveranciers rechtstreeks aan te kunnen spreken.
Het is goed de mogelijkheid van een wettelijke aansprakelijkheid van externe leveranciers in ogenschouw te nemen en in Europees verband de voor- en nadelen daarvan te beoordelen, als ook te kijken naar andere oplossingen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen plaatsvinden in het kader van de aankomende onderhandelingen over de DFA. Dit zou dan moeten gebeuren tegen de achtergrond dat consumenten onder het huidige consumenten- en contractenrecht een hoog niveau van bescherming hebben.
Het consumentenrecht kent al regels inzake oneerlijke handelspraktijken, zoals misleidende handelspraktijken (bijv. artikel 6:193 g BW). Als er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, dan kan de consument de overeenkomst vernietigen. Daarnaast kunnen consumenten voor producten die zij online hebben gekocht gebruik maken van het herroepingsrecht en het product binnen 14 dagen retourneren. Ook hebben consumenten in Nederland recht op een goed product zolang zij dat redelijkerwijs mogen verwachten. Als het product bij normaal gebruik toch snel kapotgaat, dan moet de verkoper dit probleem verhelpen (bijvoorbeeld door het product te repareren, vervangen of het geld terug te geven). Als het product stuk gaat binnen een jaar, dan wordt aangenomen dat het product ondeugdelijk was op het moment van de aankoop. Het is dan aan de verkoper om het tegendeel te bewijzen. Na een jaar is het aan de consument om te bewijzen dat hij het product normaal heeft gebruikt en niet door zijn toedoen kapotgegaan is. Schade die door een product wordt veroorzaakt, dient de verkoper op grond van wanprestatie te vergoeden (artikel 7:24 lid 1 BW).
Hierbij merk ik nog op dat een consument op grond van het huidige recht ook een derde (iemand met wie hij geen contractuele relatie heeft) kan aanspreken op grond van onrechtmatige daad. Dit lijkt in het geval van bijvoorbeeld nepreviews wel een moeizame weg voor de in de vraag genoemde externe leveranciers. Niet alleen zal het voor een consument moeilijk zijn om te achterhalen wie de nepreviews heeft verstrekt aan de verkoper, als dit al mogelijk is. Ook zal de consument aan dienen te tonen dat hij schade heeft als gevolg van de nepreviews (schade en causaal verband). Bij de aankoop van een product zijn immers meer aspecten van belang dan de nepreviews, waaronder de prijs, de kwaliteit en de door de verkoper verstrekte informatie.
Deelt u onze mening dat schade die aangebracht wordt aan consumenten vergoed moet kunnen worden?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u voorstander van een uitbreiding van het consumentenrecht met een wettelijke aansprakelijkheid voor externe leveranciers?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u voorts onze mening dat consumenten meer mogelijkheden moeten krijgen om gepersonaliseerde content van grote bedrijven te weigeren?
Ik vind dat consumenten effectieve controle moeten hebben over het gebruik van (persoons)gegevens en hun voorkeuren voor gepersonaliseerde data. Voor consumenten kan het soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer en hoe zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Dit kan onder andere het gevolg zijn van een gebrek aan transparantie over hoe de personalisatie van content precies tot stand komt, of van misleidende patronen, ingewikkelde formulieren of toestemmingsmoeheid. Hierdoor bestaat het risico dat consumenten hun ware voorkeuren niet (kunnen) uiten. Het kabinet zet zich daarom in voor de verbetering van deze situatie, onder meer binnen het kader van de DFA en ePrivacyrichtlijn.8
Gepersonaliseerde content staat nu standaard ingeschakeld, deelt u de mening van de ACM dat dit moet worden omgedraaid en dat algemene content de standaardinstelling moet zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De ACM schetst in haar document9 een drietal beleidsopties die niet logischerwijs allemaal gelijktijdig zouden moeten worden ingevoerd. Één daarvan is dat algemene, niet-gepersonaliseerde content de standaardinstelling zou moeten zijn.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 ben ik van mening dat consumenten effectieve controle moeten hebben over hun personalisatievoorkeuren. Ik sta daarom in de basis positief tegenover een «opt-in» of «opt-out» systeem zoals geschetst door de ACM en dit is ook een richting die door de EC verkend lijkt te worden in het kader van de DFA. Of een dergelijk systeem een effectieve en proportionele maatregel zou zijn, moet daarom ook blijken uit de impact assessment van de EC voor de DFA. Hierbij vind ik het van belang dat de maatregel ook realistisch uitvoerbaar moet zijn voor kleinere handelaren en dat de maatregel de effectieve controle van consumenten daadwerkelijk vergroot. Ik wacht de voorstellen van de EC en de resultaten van de impact assessment daarom met interesse af.
De AMC wil ook dat er meer transparantie en consistentie wordt geëist van handelaren over hoe ze gepersonaliseerde content aanbieden, deelt u deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u zich inzetten voor verbetering van de EU-wetgeving over consumentenbescherming en privacy zodat dit kan worden afgedwongen?
Ja, deze mening deel ik. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 10 kan het voor consumenten soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Conform mijn inzet voor de aankomende DFA ben ik in dit kader ook van mening dat algemene voorwaarden makkelijker te begrijpen moeten zijn, bijvoorbeeld via standaardisatie.10 Dit kan consumenten helpen betere keuzes te maken voordat ze zich aanmelden voor digitale diensten.
Daarnaast zet het kabinet zich op het gebied van privacy in om het voor burgers makkelijker te maken om hun rechten uit te oefenen. Dit doet zij in de lopende onderhandelingen over de Omnibus Digitaal.
Tot slot stelt de ACM voor om consumenten een «één-klik» optie te geven om gepersonaliseerde reclame te weigeren, wilt u zich hiervoor inzetten?
De «één-klik» optie is een van de andere opties die door de ACM geschetst is om meer grip te krijgen op gepersonaliseerde content. Ik ben van mening dat consumenten controle moeten hebben over hun (persoonlijke) data en personalisatie voorkeuren, en dat er keuzevrijheid moet zijn voor de consument. Dat wil zeggen: de consument moet zelf kunnen bepalen of hij gepersonaliseerde content of niet-gepersonaliseerde/standaard content wil zien. Zoals weergegeven in het BNC-fiche over de Omnibus Digitaal, welke op 12 december 2025 met uw Kamer is gedeeld, staat het kabinet positief tegenover oplossingen om het voor burgers makkelijker te maken hun rechten uit te oefenen. Het steunen van deze voorstellen in Europees verband is daarom reeds onderdeel van de kabinetsinzet. Voor een «opt-out» voor de gepersonaliseerde content zou het vooral van belang zijn dat deze effectief is en op een makkelijke manier toegankelijk. Daarnaast moet het ook voor kleinere handelaren realistisch zijn om een dergelijke opt-out te realiseren.
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Ja. Zo heeft de Amerikaanse regering op 18 augustus jl. een ambtsdrager en een medewerker van het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst geplaatst.
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
De opgelegde Amerikaanse sancties hebben gevolgen voor gesanctioneerde individuele ambtsdragers en hun gezinsleden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om gevolgen op het gebied van bancaire dienstverlening, verzekeringen en digitale dienstverlening.
Als verdragspartij en gastland van het Hof heeft Nederland een aantal bijzondere verplichtingen om het functioneren van het Hof te faciliteren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.
Nederland zet zich in om deze gevolgen van maatregelen en sancties zoveel mogelijk te voorkomen en te mitigeren. Zo is er doorlopend overleg met het Hof en gesanctioneerde functionarissen over de impact van sancties en over mitigerende maatregelen. Op basis van deze gesprekken is er, samen met betrokken ministeries, contact met relevante dienstverleners om zogenoemde overcompliance te voorkomen en alternatieve oplossingen uit te werken waar dat nodig is.
Daarnaast bekijkt Nederland ook naar aanleiding van deze laatste ontwikkeling samen met het Hof en gelijkgezinde partners welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig. Nederland zal zich aan de gastlandverplichtingen blijven houden, ook als dat door aanvullende maatregelen of sancties meer inzet vergt.
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Het is van groot belang dat ambtsdragers en medewerkers van het Internationaal Strafhof hun werk onafhankelijk en ongestoord kunnen doen. Reisbeperkingen, visumproblemen en intimidatiepogingen kunnen dat bemoeilijken. Het is zaak dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren.
Zoals eerder gesteld, staat Nederland in nauw contact met het Hof over veiligheidszorgen en praktische gevolgen van Amerikaanse sancties. Waar passend kan Nederland, in overleg met het Hof, diplomatieke ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door problemen bij derde landen aan te kaarten in bilateraal of in EU-verband, of in de context van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Vanwege veiligheidsoverwegingen doet het kabinet publiekelijk nooit uitspraken over veiligheidsmaatregelen. Wel kan ik u verzekeren dat ten aanzien van intimidatie en inmengingsactiviteiten de betrokken gezagen in nauw contact staan met de Nederlandse veiligheids – en opsporingsdiensten en waar nodig passende maatregelen treffen.
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Zie antwoord op vraag 2.
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
De positie van de VS over het Internationaal Strafhof is niet nieuw, wel is de toon zorgelijk, evenals de directe druk op alle verdragspartijen. We voeren hierover al geruime tijd gesprekken met de VS en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken gaan onverminderd door, ook rechtstreeks met de regering-Trump, waarbij onder meer onze zorgen over de campagne tegen het Internationaal Strafhof worden overgebracht en de daarbij gehanteerde kwalificaties worden ontkracht.
Nederland heeft daarnaast publiekelijk verklaard dat het als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers staat en acties die het Hof ondermijnen ten zeerste afkeurt. Nederland geeft daarbij aan dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder (politieke) inmenging moeten kunnen uitvoeren. Deze boodschap heeft Nederland ook uitgedragen richting Europese lidstaten, Europese instellingen en Verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
De inzet van de VS ten aanzien van het Internationaal Strafhof is recent door de VS uiteengezet in o.a. een persverklaring uitgebracht door het VS State Department. Deze boodschap heeft de VS inmiddels herhaald in bilaterale contacten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Nederland staat pal achter het Hof en zijn medewerkers en zal zich, samen met gelijkgezinde partners, onverminderd blijven inzetten om het Hof te beschermen en ondersteunen waar nodig. Het Internationaal Strafhof is de belichaming van het idee dat de vervolging van de meest ernstige misdrijven een gedeelde verantwoordelijkheid is van de internationale gemeenschap, zodat deze misdrijven niet onbestraft blijven.
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Het kabinet anticipeert op verschillende scenario’s, waaronder mogelijke sancties tegen het Hof als organisatie, of bredere beperkingen op dienstverlening door Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen aan het Hof.
De getroffen voorbereidingen en het doorlopende werk dat het Hof hier met ondersteuning van gastland Nederland en andere verdragspartijen en dienstverleners op verricht kan vanwege de vertrouwelijkheid niet in detail worden toegelicht. Op alle in de vraag genoemde terreinen is en wordt op verschillende niveaus gewerkt aan mitigerende maatregelen en alternatieven.
Zoals gezegd doet Nederland dit niet alleen, het kabinet zet zich er doorlopend voor in om ook in EU-verband en met de andere 124 verdragspartijen dergelijke maatregelen voor te bereiden. Ook omdat dienstverlening aan het Hof ook buiten Nederland plaatsvindt.
Concreet heeft Nederland zich bijvoorbeeld al ingezet voor de mogelijkheid tot inzet en de verhoging van het Contingency Fund bij het Internationaal Strafhof en EU-maatregelen voor bescherming (incl. de voorbereiding van snelle activering van het Blocking Statute in EU-verband wanneer de Commissie daartoe een voorstel doet). Ook was Nederland aanjager en organisator van expertbijeenkomsten met EU-lidstaten, Verdragspartijen en dienstverleners over mitigatie om tot praktische oplossingen te komen om het hof te ondersteunen en mitigatiemaatregelen af te stemmen.
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Zoals reeds aan de Kamer is gemeld, dringt Nederland steevast aan op een gezamenlijke aanpak in de EU om het Hof te beschermen en in algemene zin stappen te zetten op het terrein van EU-weerbaarheid en autonomie. In dat kader pleit Nederland actief voor het treffen van alle benodigde voorbereidingen voor toepassing van het Blocking Statute.
Indien de VS overgaat tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof significant belemmeren zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig – waaronder toepassing van het Blocking Statute.
Het is aan de Europese Commissie om een voorstel te doen voor aan- en toepassing van het Blocking Statute. Dergelijke actie vraagt echter om een zorgvuldige afweging. Alle aspecten moeten daarbij worden meegewogen zoals timing, effectiviteit, diplomatieke inzet en belangen van het bedrijfsleven.
Wat is er gedaan sinds het in oktober 2024 aannemen van de motie van de leden Van der Werf en Becker over expertise op het terrein van femicide landelijk samenbrengen ter ondersteuning van een laagdrempelige 24/7-hulplijn?
Hoe staat het met de toezegging uit de voortgangsbrief van december 2025 dat u de meerwaarde van een onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning via het Europese nummer 116 verder zou willen verkennen? Waarom is hierover niets terug te vinden in de meest recente voortgangsbrief van 3 juli 2026? Kunt u aangeven welke concrete stappen sinds december 2025 zijn gezet?
Kunt u toezeggen dat u niet gaat wachten op de verdere ontwikkeling van Veilig Thuis en een eventuele landelijke chatfunctie van Veilig Thuis voordat u aan de slag gaat met de verdere ontwikkeling van een laagdrempelig landelijk meldpunt, zoals nummer 116 voor onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties?
Deelt u de mening dat een chatfunctie van Veilig Thuis niet de lading dekt van de verzoeken van de Kamer om een laagdrempelige landelijke hulplijn te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Beschikt u over landelijke cijfers waaruit blijkt hoeveel slachtoffers die zich in een (acuut) onveilige situatie bevinden zelf contact opnemen met Veilig Thuis? Wordt daarnaast geregistreerd hoeveel van deze slachtoffers voor het eerst over het geweld vertellen en om hulp vragen («first disclosure»)? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze gegevens structureel te laten monitoren?
Bent u bekend met de voortgangsbrief van december 2025 met daarin een reactie op de petitie van Valente over 116? Op welke wijze zijn de voorstellen uit deze petitie en de daaropvolgende gesprekken met Valente betrokken bij de verdere uitwerking van uw beleid sinds december 2025?
Welke concrete voorwaarden moeten volgens u worden vervuld voordat het besluit tot de verdere ontwikkeling van 116 als onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning wordt uitgevoerd, en kunt u de Kamer hierover uiterlijk op Prinsjesdag 2026 informeren?
Bent u bereid om alles op alles te zetten om voor de begrotingsbehandeling in 2026 een laagdrempelige 24/7 hulplijn die ook telefonisch bereikbaar is, bij voorkeur via het nummer 116, operationeel te hebben? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer inzicht geven in de praktische en financiële consequenties van het realiseren van een hulplijn met daarachter een samenwerkingsverband van bestaande organisaties? Indien u niet van mening bent dat dit haalbaar is, kunt u dit onderbouwen met een overzicht van de belangrijkste knelpunten en de daarbij horende kosten?
De aangifte van seksueel geweld door Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla aangifte hebben gedaan van seksueel geweld door Israëlische militairen?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja, ik heb kennis genomen van de berichtgeving over de aangekondigde aangifte. Als er aangifte wordt gedaan, is het aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Heeft het kabinet inmiddels contact gehad met de Nederlandse opvarenden of hun advocaat naar aanleiding van deze aangifte? Zo ja, welke ondersteuning is daarbij aangeboden?
Zoals bekend, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Nederlandse deelnemers aan de Global Sumud Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan rondom de onderscheppingen van de Flotilla door de Israëlische autoriteiten in april en mei jongstleden. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
In Frankrijk en Italië lopen inmiddels strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla. Ziet het kabinet aanleiding vergelijkbare stappen in Nederland te zetten?2 Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord 1 is aangegeven, is het – als er aangifte wordt gedaan – aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Is het kabinet bereid zich ervoor in te spannen dat de Nederlandse aangiften worden betrokken bij internationale strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van de opvarenden? Zo nee, waarom niet?
Indien er een strafrechtelijk onderzoek en eventueel (vervolgens) vervolging wordt ingesteld is het aan het Openbaar Ministerie om al dan niet internationale afstemming te zoeken.
Welke medische, psychologische en juridische ondersteuning wordt aan de Nederlandse slachtoffers aangeboden sinds ze weer terug zijn in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid te inventariseren of daar alsnog behoefte aan is?
Zowel Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN) als het Centrum voor Seksueel Geweld (hierna: CSG) gaan, in verband met de privacy van betrokkenen, niet in op individuele zaken. In zijn algemeenheid kan ik melden dat herstel van autonomie van slachtoffers voorop staat, waarbij zij zelf regie hebben over de gewenste hulp, en dus ook over of, hoe en aan wie zij over hun ervaringen vertellen.
SHN is altijd beschikbaar voor alle slachtoffers indien daar behoefte aan is. Met slachtoffers die in Nederland aangifte doen van seksueel geweld wordt, indien zij toestemming verlenen om de gegevens met SHN te delen, binnen drie dagen contact opgenomen door SHN. In dit eerste contact worden de impact en behoefte geïnventariseerd, en wordt uitleg gegeven over welke psychosociale en juridische ondersteuning geboden kan worden. De ondersteuning is altijd maatwerk, in aansluiting op de noden en behoeften van het slachtoffer. Als opvarenden van de Flotilla seksueel geweld hebben meegemaakt en twijfelen over of zij hulp nodig hebben, nodigt het CSG hen uit om contact op te nemen. Het is aan henzelf om te beslissen wat zij wel of niet willen delen. Dit kan telefonisch, per chat of in Amsterdam en Rotterdam op inloop.
Bent u bereid zich er bij de Israëlische autoriteiten voor in te zetten dat volledige medewerking wordt verleend aan onderzoeken naar de aangiften van seksueel geweld en andere ernstige misdrijven tegen de opvarenden?
Zoals bekend heeft het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President richting de Israëlische autoriteiten tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden gesteund.3
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Overeenkomstig uw verzoek zijn de vragen afzonderlijk beantwoord.
Strafvermindering voor ernstige misdadigers vanwege te lange strafprocedures |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van RTL Nieuws van 3 juli 2026: «Rechtssysteem loopt vast, moordenaars en verkrachters krijgen lagere straffen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat in honderden zaken rond zware misdrijven, waaronder moord, doodslag en verkrachting, strafvermindering is toegepast omdat de strafprocedure te lang duurde?
Ik acht het van groot belang dat daders een passende straf krijgen. Voorop staat dat verdachten, daders en slachtoffers tijdig hun recht dienen te krijgen en niet te lang moeten wachten op de uitkomst van een strafproces. Het verkorten van de doorlooptijden is dan ook een van de prioriteiten van de strafrechtketen. Tegelijkertijd is het belangrijk dat elke zaak de tijd en aandacht krijgt die deze verdient, zowel tijdens het opsporingsonderzoek als tijdens de behandeling op zitting. Slachtoffers en verdachten hebben recht op een zorgvuldig en rechtvaardig proces. Onderdeel daarvan is dat binnen een redelijke termijn een uitspraak van de rechter volgt. Om te voorkomen dat een verdachte onnodig lang in onzekerheid verkeert over een eventuele bestraffing, vloeit uit art. 6 EVRM voort dat een verdachte recht heeft op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.2 In die gevallen waarin een overschrijding van de redelijke termijn niet vermeden kan worden, kunnen daar consequenties aan worden verbonden. Er kan ook worden volstaan met het vaststellen van die overschrijding. De Hoge Raad heeft de uitgangspunten voor de toepassing van strafvermindering als gevolg van termijnoverschrijdingen uiteengezet3.
Het is echter in alle opzichten onwenselijk als de duur van het proces een rechtvaardige strafoplegging in de weg staat, terwijl daar geen inhoudelijke zaak gerelateerde grondslag voor is. Juist voor slachtoffers en nabestaanden kan het veel impact hebben als het strafproces erg lang op zich laat wachten als gevolg van een overvolle strafrechtketen. Zeker als de lange duur van het strafproces dan ook nog invloed heeft op de hoogte van de straf. Strafvermindering voor verdachten die lang moeten wachten op het strafproces moet dan ook worden voorkomen.
Ik wil daarbij wel benadrukken dat de Rechtspraak aangeeft dat de genoemde aantallen niet door hen kunnen worden bevestigd. Op basis van de binnen de Rechtspraak bekende data kan deze conclusie niet zonder meer worden getrokken. Om een gefundeerde conclusie te kunnen geven zou uitgebreid jurisprudentieonderzoek nodig zijn.
Wat is volgens u de impact hiervan op de rechtsstaat?
Een goed functionerende strafrechtketen is belangrijk voor het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat en het strafrecht. Ik begrijp goed dat het voor slachtoffers en nabestaanden wrang is als in een strafzaak een overschrijding van de redelijke termijn wordt geconstateerd en verdachten als gevolg daarvan strafvermindering krijgen. Ik acht het onwenselijk als betrokkenen te lang moeten wachten op hun recht en dat langere doorlooptijden mogelijk zouden kunnen leiden tot een andere uitkomst van het strafproces. Ik merk daarbij wel op dat indien er strafvermindering wordt toegepast dit niet direct betekent dat de veroordeelde geen gepaste straf krijgt.
Ik acht het in algemene zin van groot belang om de doorlooptijden in de strafrechtketen te verkorten. Het verbeteren van de doorlooptijden heeft prioriteit de komende jaren. Mijn ministerie werkt samen met de ketenorganisaties hard aan de aanpak van de problematiek van lange doorlooptijden. Mede naar aanleiding van de aangehaalde bevindingen van de Algemene Rekenkamer is er een deltaplan in voorbereiding waarin tal van maatregelen zullen worden genomen om de prestaties in de strafrechtketen, waaronder de doorlooptijden, te verbeteren. Uw Kamer is hierover in de voortgangsbrief strafrechtketen van 22 juni jl. geïnformeerd. Het streven is dat het deltaplan in het eerste kwartaal van 2027 gereed is.
Hoe beoordeelt u dat volgens RTL Nieuws in 2008 in 8 procent van de gepubliceerde vonnissen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, terwijl dit in de eerste helft van 2026 is opgelopen tot 25 procent?
RTL Nieuws baseert zich op gepubliceerde rechterlijke uitspraken. Omdat de Rechtspraak sinds 2021 fors meer uitspraken publiceert dan in de jaren daarvoor is er in 2026 een veel grotere en andere verzameling uitspraken beschikbaar dan in 2008. Dit maakt de percentages uit 2008 en 2026 moeilijk vergelijkbaar. Op basis van de stijging in het aantal gepubliceerde uitspraken kan dan ook niet worden gezegd dat schendingen van de redelijke termijn daadwerkelijk vaker voorkomen dan in 2008. Evenmin volgt uit deze cijfers dat in alle gevallen strafvermindering is toegepast; overschrijding van de redelijke termijn leidt daar niet automatisch toe. Om dit eventueel vast te kunnen stellen, zou nader onderzoek nodig zijn.
Tegelijkertijd deel ik als gezegd de zorgen over de lange duur van strafzaken en de constatering dat in de gepubliceerde uitspraken sprake is van een dergelijk percentage waarbij sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De doorlooptijden in de strafrechtketen hebben mijn volle aandacht. Om tot kortere doorlooptijden te komen zijn daartoe in de strafrechtketen streefnormen vastgesteld ten aanzien van 3 geprioriteerde zaakstromen, namelijk ten aanzien van zeden, jeugd en veelvoorkomende criminaliteit (VVC). Met het bovengenoemde deltaplan zal gewerkt worden aan de verdere realisatie van deze streefnormen. Op termijn dient dit ook bij te dragen aan het verminderen van het aantal strafzaken waarbij de redelijke termijn in het geding is.
Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen vijf jaar strafvermindering is toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn, en om wat voor soort misdrijven dit gaat?
De Rechtspraak en het Openbaar Ministerie houden geen registratie bij van overschrijdingen van de redelijke termijn en de gevolgen die daaraan in een specifieke strafzaak zijn verbonden. Precieze gegevens over het aantal strafzaken waarin een overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld kunnen pas na zeer tijdrovend onderzoek worden verkregen. Hiervoor zouden alle strafzaken bij alle gerechten afzonderlijk moeten worden geanalyseerd.
Hoe beoordeelt u de gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden in zaken waarin de dader strafvermindering opgelegd krijgt?
Zie antwoord op vraag 2.
Wordt strafvermindering als gevolg van te lange doorlooptijden expliciet meegenomen in het deltaplan voor de strafrechtketen?
Het deltaplan voor de strafrechtketen richt zich in algemene zin op het verbeteren van de prestaties van de strafrechtketen, waaronder de doorlooptijden. Het verbeteren van de doorlooptijden moet er uiteindelijk toe leiden dat meer zaken binnen een redelijk termijn worden afgedaan. Overigens wordt in het nieuwe Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid voor de rechter geïntroduceerd om ook aan de benadeelde partij een schadevergoeding toe te kennen wanneer de redelijke termijn is overschreden.
Zo ja, bent u bereid om maatregelen hiertegen niet pas in het deltaplan van volgend jaar op te nemen, maar nog vóór het einde van dit jaar met concrete voorstellen te komen?
In december 2025 zijn al verschillende maatregelen aangekondigd om te werken aan het verkorten van de doorlooptijden in de strafrechtketen. Deze maatregelen worden voortgezet.
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de ontwikkeling van doorlooptijden van rechtszaken en het aantal zaken waarin strafvermindering wordt toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
Uw Kamer wordt twee keer per jaar geïnformeerd over de ontwikkeling van de doorlooptijden in de strafrechtketen middels de factsheet strafrechtketenmonitor. Specifiek ten aanzien van zaken waarin strafvermindering wordt toegepast acht ik dit onhaalbaar. Deze informatie wordt op dit moment niet geregistreerd. Het verwerken van dergelijke informatie is intensief en technisch complex voor de Rechtspraak.
Het bericht ‘OM over racistische uitingen naar Oranjespelers: ‘Discriminatiezaken hebben prioriteit’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) naar aanleiding van de racistische uitingen richting spelers van het Nederlands elftal heeft aangegeven dat discriminatiezaken prioriteit hebben?1
Ja ik ben bekend met dit bericht.
Hoe verhoudt de prioritering van het OM zich tot de bevindingen van de Algemene Rekenkamer dat jaarlijks duizenden ernstige misdrijven, waaronder High Impact Crimes, niet of niet tijdig worden opgepakt wegens capaciteitsgebrek?
Zoals ik in mijn reactie op het conceptrapport van de Algemene Rekenkamer (hierna: AR) over prioritering in de opsporing heb toegelicht is de prioritering in de opsporing gelaagd, afhankelijk van meerdere factoren en bedoeld om doelen van rechtsstatelijke en maatschappelijke aard te dienen. Het maken van keuzes in de opsporing kent bij uitstek een veelheid aan dimensies, ook vanwege de aard van ons politiebestel. Naast landelijke criminaliteitsbeelden en fenomeenanalyses, spelen bijvoorbeeld ook regionale en lokale context een belangrijke rol. Prioritering in de opsporing is dan ook een doorlopend gesprek dat constante bijsturing vereist op nieuwe fenomenen.
De Aanwijzing voor de opsporing van het OM en het screenings- en selectiviteitskader geven belangrijke richting bij de prioritering. Zoals hierboven aangegeven speelt de lokale context een belangrijke rol. Keuzes in de opsporing worden onder andere gemaakt tegen de achtergrond van het criminele speelveld binnen het werkgebied van een team of het criminaliteitsbeeld van een district. Verder moet onder meer rekening worden gehouden met de per definitie schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit, de kansrijkheid en noodzaak van strafrechtelijk ingrijpen ten opzichte van andere interventies, de individuele belangen van verdachten en slachtoffers en de eventuele geschokte rechtsorde. Het OM dient een balans te vinden tussen het zorgdragen voor een reële en voldoende aanwezige strafrechtelijke handhaving en het gegeven dat niet elk individueel strafbaar feit tot een strafrechtelijke interventie kan leiden.
Dat specifiek het discriminatiebeleid is geprioriteerd bij het OM volgt uit de Aanwijzing discriminatie (2025A003). Daarin staat onder meer dat de politie in beginsel elke aangifte van discriminatie opneemt en dat er na elke aangifte een opsporingsonderzoek volgt. Discriminatie is in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen.2 De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in principe aangifte-gedreven werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kan het OM ook deze zaken geprioriteerd oppakken, naast andere prioriteiten.
Kan het OM een overzicht verstrekken van delicten en zaakstromen die momenteel als prioriteit of topprioriteit worden aangemerkt?
In aanvulling op het antwoord op vraag 2 over hoe de prioritering tot stand komt, geldt dat er verschillende bestuurlijke afspraken over de prioritering van criminaliteitsfenomenen zijn. Deze betrekt het OM bij de keuzes die het maakt in de prioritering. In het Bestuurlijk Ketenberaad hebben ketenorganisaties samen met het ministerie afgesproken dat er drie geprioriteerde zaakstromen zijn in de periode van 2022 tot en met 2027 op het gebied van doorlooptijden: jeugd, zeden en veelvoorkomende criminaliteit.
In het kader van de Veiligheidsagenda3 2023–2026 zijn er landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering van de politie vastgesteld op de volgende criminaliteitsfenomenen: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, mensenhandel en cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, waaronder online seksueel kindermisbruik. In die Veiligheidsagenda is ook aangegeven dat deze keuzes niet afdoen aan dat de inzet van de politie op andere thema’s, zoals discriminatie. Eerder heb ik u geïnformeerd over dat besprekingen in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie hebben geleid tot breed draagvlak onder het OM, de regioburgemeesters en de politie voor vaststelling van de volgende thema’s in de Veiligheidsagenda 2027–2030: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit (waaronder online seksueel kindermisbruik), relationeel geweld en geweld in afhankelijkheidsrelaties (met name geweld tegen vrouwen, waaronder femicide) en mensenhandel.4 Op dit moment wordt bij de uitwerking van deze thema’s focus aangebracht en worden concrete landelijke doelstellingen geformuleerd. Uw Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de nieuwe Veiligheidsagenda.
Naast deze bestuurlijk tussen ketenpartners vastgestelde prioriteiten zijn er binnen het strafvorderingsbeleid van het OM ook aandachtsgebieden die blijvend aandacht krijgen. Denk daarbij aan het beleid rondom Veilige Publieke Taak en de aanpak van (online) discriminatie. Bij dat type delicten krijgt de prioritering vorm door bijvoorbeeld het eisen van hogere straffen.
Deelt u de opvatting dat slachtoffers van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven vaak jarenlang de gevolgen van deze feiten ondervinden en dat de opsporing en vervolging van dergelijke feiten altijd tot de hoogste prioriteiten van politie en OM zouden moeten behoren?
Vanzelfsprekend heeft de opsporing en vervolging van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven grote aandacht van politie en OM. Dat betekent niet dat andere feiten, zoals de aanpak van ondermijning, online seksueel misbruik, etc. anders geprioriteerd dienen te worden. Het OM tracht daarbij steeds om de juiste zaken, in passende volumes en in verhouding tot het criminaliteitsbeeld te laten instromen en deze adequaat en voortvarend te vervolgen, om daarmee aan meer slachtoffers en verdachten sneller recht te doen.
Bent u bereid in overleg met het OM te bezien of High Impact Crimes expliciet als topprioriteit kunnen worden aangemerkt binnen de bestaande capaciteitsverdeling?
High Impact Crimes is een verzamelnaam voor delicten als geweldsmisdrijven, woninginbraak, overvallen en straatroof. De Aanwijzing voor de opsporing, dat beleid van het OM is, bepaalt dat het uitgangspunt in High Impact Crimes is dat in principe altijd een opsporingsonderzoek dient te worden ingesteld waarbij beslissingen door de politie altijd in afstemming met het OM dienen te worden genomen. Ik meen dat hiermee in het beleid van het OM voldoende prioriteit aan deze zaken wordt gegeven en zie geen aanleiding om hier aanvullend over met het OM in gesprek te gaan.
Hoe weegt u de inzet van schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit tussen online discriminatiezaken enerzijds en ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven anderzijds?
Zoals in vraag 2 toegelicht is discriminatie in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen. De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in beginsel aangifte-gedreven werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kunnen de politie en het OM ook deze zaken geprioriteerd oppakken.
Kunt u garanderen dat de inzet van politie- en OM-capaciteit voor het opsporen en vervolgen van de racistische uitingen richting de Oranjespelers niet ten koste gaat van de aanpak van ernstige misdrijven, zoals gewelds-, zeden- en andere High Impact Crimes? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De zorgen rondom de Data Privacy Framework tussen de EU en de VS |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof in de zaak Trump v. Slaughteren het bericht van privacywaakhond noyb hierover?1 2
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof en de inhoudelijke analyse van noyb, die stelt dat de uitspraak de onafhankelijkheid van Amerikaanse toezichthouders aantast en dit grote gevolgen kan hebben voor de Data Privacy Framework tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten?
De uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof van 29 juni 2026 in
De Commissie heeft in de context van de meest recente raadswerkgroep gegevensbescherming d.d. 6 juli jl. lidstaten geïnformeerd en aangegeven de impact van de beslissing van Hooggerechtshof te onderzoeken, en ziet dat in dit verband ook een brede evaluatie van het functioneren van de VS-rechtssysteem nodig is. Tegelijkertijd benadrukt de Commissie daarbij dat het adequaatheidsbesluit tot nader order van kracht blijft. Indien de Commissie zou besluiten over te gaan tot (gedeeltelijke) intrekking, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Heeft u vertrouwen in de houdbaarheid van de Data Privacy Framework in het licht van de uitspraak in de zaak Trump v. Slaughter?
Het is aan de Commissie om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, actuele ontwikkelingen te wegen in het licht van het adequaatheidsbesluit en de houdbaarheid daarvan. Zij is daartoe niet alleen bevoegd, maar ook bij uitstek toegerust. Ik vind het niet verstandig vooruitlopend op de bevindingen van de Commissie zelfstandig een oordeel te vormen. Als zou blijken dat structurele doorgiften onder het DPF niet langer een met het EU recht vergelijkbaar beschermingsniveau bieden, kan de Commissie bij uitvoeringshandeling het adequaatheidsbesluit (gedeeltelijk) schorsen, wijzigen of intrekken. Dit is een besluit van de Commissie dat in het op artikel 93 AVG gebaseerde comitologie comité met de lidstaten, waaronder Nederland, wordt besproken. Uw Kamer wordt daarover geïnformeerd.
Deelt u onze zorgen dat deze uitspraak gevolgen kan hebben voor de rechtmatige data-uitwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten? Wat zouden die gevolgen volgens u kunnen zijn?
Het is vanzelfsprekend van groot belang dat doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen in overeenstemming met de AVG plaatsvinden. De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming, in Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), zien daar op toe. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, beoordeelt de Commissie de implicaties van de uitspraak van het Hooggerechtshof van de VS in het kader van haar verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten. Als de Commissie het besluit (gedeeltelijk) zou intrekken of schorsen, dan zouden voor doorgiften niet langer op het DPF kunnen worden gebaseerd. Doorgiften zouden dan plaats moeten vinden op basis van andere AVG-instrumenten, zoals mogelijk model contractbepalingen (SCC), bindende bedrijfsvoorschriften (BCR)4 of, bij uitzondering, de uitzonderingen van artikel 49 AVG.
Bent u bereid de gevolgen van de uitspraak te bespreken in Europees verband met oog op mogelijke juridische stappen die de Data Privacy Framework ongeldig kunnen maken?3
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3, ligt de verantwoordelijkheid voor de beoordeling of het DPF en de vraag of het adequaatheidsbesluit al dan niet gedeeltelijk dient te worden ingetrokken primair bij de Commissie. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, volgt Nederland de ontwikkelingen op de voet.
Is Nederland voorbereid op een scenario waar de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard? Welke maatregelen kunt u nemen om hier op voor te bereiden, zoals ook uiteengezet door uw voorganger?4
Na het ongeldig verklaren van het DPF kunnen doorgiften niet langer op het DPF berusten. Welke gevolgen dit voor Nederland heeft, hangt af van de desbetreffende sector en de verwerkingen van persoonsgegevens die daarbinnen plaatsvindt. Een algemeen antwoord valt hierop dan ook niet te geven.
Zonder adequaatheidsbesluit zal elke verwerkingsverantwoordelijke een doorgifte van persoonsgegevens aan een (gecertificeerde) partij in de VS op een ander doorgifte-instrument uit de AVG moeten kunnen baseren. Hierbij kan gedacht worden aan SCC, BCR of aan de uitzonderingen zoals benoemd in artikel 49 AVG.
Verwerkingsverantwoordelijken kunnen voorzorgsmaatregelen treffen om te voorkomen dat een eventuele ongeldigverklaring van het DPF ertoe leidt dat de doorgifte van persoonsgegevens moet worden gestaakt. Een geheel of gedeeltelijke intrekking of ongeldigverklaring van het DPF hoeft niet te betekenen dat Amerikaanse clouddienstverleners niet meer gebruikt kunnen worden. Wel is het voor clouddiensten die gegevens in de VS opslaan of verwerken, of waarbij een Amerikaanse partij rechtstreeks toegang heeft tot gegevens, in ieder geval nodig om een passende oplossing te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door data te hosten in Europese datacenters van dezelfde aanbieder en/of de rechtstreekse toegang door Amerikaanse partijen te beperken of, als dat niet mogelijk is, met aanvullende technische maatregelen zoals sterke encryptie of het inrichten van autonome voorzieningen.
Voor de rijksdienst geldt op basis van het cloudbeleid dat opslag en verwerking van gegevens in principe binnen de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland plaatsvinden.7 Gebruik buiten deze landen kan alleen met een formele uitzondering, onderbouwd met een goede reden, een risicoanalyse en zo nodig aanvullende mitigerende maatregelen. Voor bestaand cloudgebruik is bovendien een exitplan verplicht dat rekening houdt met het wegvallen van een voorziening en dus verder reikt dan alleen het hiervoor beschreven scenario. Dit exitplan kan ook worden ingezet als een verwerking om andere redenen niet kan worden voortgezet. Onderdeel hiervan is dat organisaties zelf een actueel overzicht bijhouden van alle gebruikte clouddiensten.
Als de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard, welke autoriteit moet dan toezien op de (on)rechtmatige uitwisseling van data met Amerikaanse partijen? Kunt u deze autoriteit vragen om advies om dit scenario samen uit te werken?
De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming blijven bevoegd; in Nederland is dat de AP. Zij houden toezicht op verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, inclusief internationale doorgiften. Coördinatie tussen toezichthouders verloopt in EU-verband via de EDPB. De Commissie gaat over het adequaatheidsbesluit zelf, niet over individuele handhaving.
Als het DPF ongeldig zou worden verklaard, zou dat betekenen dat de bepalingen uit de AVG voor doorgifte aan derde landen waarvoor geen adequaatheidsbesluit geldt, opnieuw van toepassing worden. De AP heeft voor dergelijke situaties uitgebreide informatie op haar website staan.8 Mocht het zo ver komen, dan ben ik bereid de AP te vragen of zij een gedeelte daarvan specifiek zouden willen toespitsen op de VS. Als het adequaatheidsbesluit zou komen te vervallen, blijft te allen tijde de verwerkingsverantwoordelijke zelf verantwoordelijk voor naleving van de normen uit de AVG, ook bij doorgifte aan derde landen.
Zijn er scenario’s denkbaar waarin aanvullende maatregelen niet volstaan en data niet meer rechtmatig met Amerikaanse partijen gedeeld kan worden? Welke implicaties heeft dat?
Ja. Als aanvullende maatregelen niet volstaan, rest uitsluitend een incidentele doorgifte op basis van een toepasselijke bepaling in artikel 49 AVG (zoals expliciete geïnformeerde toestemming, noodzaak voor een overeenkomst met de betrokkene, zwaarwegend algemeen belang, rechtsvorderingen, vitale belangen of openbaar register). Deze uitzonderingsbepalingen zijn uitzonderlijk, niet bedoeld voor structurele of grootschalige stromen, en vereisen strikte proportionaliteit, transparantie en volledige documentatie. Past geen derogatie voor de specifieke doorgifte, dan is de doorgifte niet toegestaan.
Deelt u de mening dat de enige zekere maatregel om onrechtmatige data-uitwisseling met de Verenigde Staten te voorkomen is om veel minder afhankelijk te worden van Amerikaanse techbedrijven?
Nee. Minder afhankelijk worden van Amerikaanse leveranciers kan risico’s verkleinen, maar is niet de enige mogelijke maatregel. Rechtmatige doorgifte kan ook worden geborgd met doorgifte instrumenten onder de AVG, zoals SCC of BCR. Als die combinatie de risico’s niet voldoende wegneemt, is doorgifte niet toegestaan en moet deze worden beëindigd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De vijfde Ministerial Conference on Feminist Foreign Policy |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Waarom heeft Nederland, ondanks aanwezigheid bij de vijfde Ministerial Conference on Feminist Foreign Policy, in tegenstelling tot andere landen de politieke verklaring niet ondertekend?1
Dit kabinet zet zich, in lijn met de beleidsbrief buitenlandse zaken, internationaal actief in voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Het niet-ondertekenen van deze verklaring doet geen afbreuk aan deze inzet. Anders dan de Franse FFP-verklaring uit 2025, die Nederland wel heeft ondertekend, bestrijkt deze verklaring een breder terrein dan uitsluitend vrouwenrechten en gendergelijkheid. Vanwege deze brede insteek – waaronder elementen op het gebied van financiële hervormingen – heeft Nederland een zorgvuldige afweging gemaakt en besloten niet te ondertekenen. Daarnaast werden de onderhandelingen tot op het laatste moment gevoerd en was er onvoldoende tijd om de knelpunten in de tekst op betreffende beleidsterreinen tijdig en gedegen af te stemmen. Nederland stond hierin niet alleen: zo hebben onder andere Duitsland en Zweden, eveneens aanwezig bij de conferentie, de verklaring ook niet ondertekend.
Deelt u de opvatting dat de inhoud van de verklaring aansluit bij de Nederlandse inzet op gendergelijkheid en buitenlandbeleid? Zo nee, op welke punten wijkt de inhoud van de verklaring af van het Nederlandse beleid?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat de verklaring niet verplicht tot bijvoorbeeld het overnemen van terminologie maar wel een sterk internationaal signaal zou afgeven, mede gezien het feit dat Nederland eerder zelf de tweede conferentie hierover heeft georganiseerd? Kunt u hier een toelichting op geven?
Ik onderschrijf het belang van een krachtig internationaal signaal, en dit kabinet zet zich daar nadrukkelijk voor in. Dit aspect is meegenomen in de brede afweging om wel of niet te ondertekenen. Tegelijkertijd hebben de onder vraag 1 genoemde argumenten zwaarder gewogen. Dat neemt niet weg dat de inzet van dit kabinet voor vrouwenrechten en gendergelijkheid onverminderd groot blijft. Deze inzet reikt verder dan het ondertekenen van verklaringen alleen.
Deelt u de mening dat als de inhoud van de verklaring aansluit bij het beleid dat Nederland voert en de waarden die Nederland uitdraagt het goed zou zijn om alsnog aan te sluiten bij de verklaring? Waarom wel of niet? Wat zou er voor nodig zijn om dit wel te doen?
De afweging tot ondertekening van de verklaring is gemaakt op basis van een appreciatie van de tekst als geheel. Hoewel de verklaring onderdelen bevat die beleidsmatig in lijn zijn met de inzet van dit kabinet op vrouwenrechten en gendergelijkheid, is de insteek inhoudelijk veel breder. Daarmee raakt het aan andere beleidsterreinen. Nederland heeft daarom, na zorgvuldige afweging, besloten niet te ondertekenen. Tekstuele wijzigingen zijn in dit stadium niet meer mogelijk.
Deelt u de mening dat het alsnog ondertekenen van de verklaring in lijn is met de aangenomen motie-Kröger (Kamerstuk 36 945 XVII, nr. 9) over het internationaal positioneren van Nederland als voorvechter van vrouwenrechten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zal, in lijn met deze motie en de ambities van de beleidsbrief buitenlandse zaken, zich internationaal positioneren als voorvechter van vrouwenrechten. Dit gebeurt via zowel diplomatieke als financiële inzet. Conform de motie zal Nederland – waar passend – gezamenlijke verklaringen steunen. Gezien de brede insteek van de betreffende verklaring blijft de inhoudelijke appreciatie echter onveranderd.
Welke rol ziet u voor Nederland in toekomstige conferenties over feministisch buitenlands beleid?
Hoewel Nederland geen feministisch buitenlands beleid meer voert, blijven we – indien uitgenodigd – actief deelnemen aan conferenties op dit terrein. Zo nam de ambassadeur Vrouwenrechten en Gendergelijkheid dit jaar deel aan het afsluitende panel van de vijfde conferentie over feministisch buitenland beleid in Madrid.
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap (WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties op sociale media?1
Ja, het kabinet heeft met afschuw kennis genomen van deze racistische uitingen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties, maar op hun huidskleur?
Het is volstrekt onacceptabel wanneer mensen, in dit geval Nederlandse sporters, worden geconfronteerd met racistische uitingen of worden beoordeeld op hun huidskleur in plaats van op hun (sportieve) prestaties. Discriminatie op grond van herkomst, afkomst of huidskleur is verboden in artikel 1 van de Grondwet en gaat in tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat. Alhoewel het recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder uitingen die kunnen kwetsen en schuren zoals kritiek, eveneens een essentieel grondrecht is en een belangrijke voorwaarde voor een open en pluriforme samenleving, is dit recht niet absoluut. Zij is geen vrijbrief maar brengt verantwoordelijkheden met zich mee en is begrensd wanneer uitingen de rechten en waardigheid van anderen aantasten. Discriminerende uitingen, zoals het bewust racistisch beledigen van mensen, zijn strafbaar. Voor deze gevallen geldt evident dat geen beroep gedaan kan worden op de bescherming die het recht op vrijheid van meningsuiting biedt.
Artikel 1 van onze Grondwet legt in de eerste plaats de wetgever, het bestuur en de rechter, de zwaarwegende juridische verplichting op om iedereen in Nederland in gelijke gevallen gelijk te behandelen. Tegelijkertijd geeft dit grondrecht ook uitdrukking aan een bredere sociaal-normatieve waarde, namelijk de fundamentele standaard dat iedereen in Nederland gelijkwaardig is.
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst of huidskleur worden afgerekend?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Gevoelens van uitsluiting en onveiligheid hebben ook invloed op mensen die zich herkennen in de spelers, omdat zij bijvoorbeeld een vergelijkbare achtergrond hebben, of van dezelfde komaf zijn. Zo raken deze opmerkingen niet alleen de spelers maar een breder publiek: het signaal dat je niet wordt beoordeeld op je inzet, kwaliteiten en prestaties, maar op waar je vandaan komt en wie je bent. Dit raakt niet alleen de sport maar ook andere maatschappelijke terreinen. Dit soort uitingen gaan in tegen de kerngedachte van fundamentele gelijkwaardigheid binnen onze samenleving.
Discriminatie en racisme zijn een diepgeworteld probleem in en van de samenleving. De gevolgen van discriminatie en racisme tasten de sociale cohesie aan, en daarmee het vertrouwen in de politiek en overheid waardoor ook de maatschappelijke betrokkenheid afneemt.2 Dit maakt dat de bestrijding van discriminatie en racisme een maatschappelijke en gezamenlijke uitdaging is die ons allen aangaat, ook diegenen die hier niet direct door geraakt worden.
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in Nederland wordt behandeld?
De opgave waar we als samenleving gezamenlijk voor staan is om gelijkwaardigheid te bevorderen en discriminatie tegen te gaan in al haar verschijningsvormen, ongeacht het maatschappelijk terrein. Persoonskenmerken zoals afkomst en huidskleur mogen nooit bepalend zijn voor de wijze waarop iemand behandeld wordt.
Met betrekking tot het bestrijden van racisme en discriminatie binnen de sport werken de Ministeries JenV, OCW, SZW en VWS met beperkt budget samen met de KNVB binnen het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI). De maatregelen binnen OVIVI zijn gericht op bewustwording, gedragsverandering, signaleren en sanctioneren. Dit programma loopt tot het eind van 2026 maar het kabinet is voornemens om maatregelen voor te zetten in 2027, in lijn met het regeerakkoord.
Als het gaat om discriminatie in de sport is het aandeel van meldingen dat gedaan wordt bij een antidiscriminatievoorziening (ADV) relatief klein ten opzichte van andere maatschappelijke terreinen.3 Blijvende en nadrukkelijke aandacht voor het herkennen van discriminatie en het melden ervan blijft noodzakelijk in de procesbegeleiding en trainingsprogramma’s voor de clubs, bij zowel amateur- als betaald voetbal organisaties (BVO’s). Om het signaleren en melden van racistische en andere discriminerende gedragingen en uitingen op en rond de voetbalvelden te versterken, worden in het Plan van aanpak 2023–2025 verschillende maatregelen genomen, waaronder het versterken van de samenwerking tussen de KNVB en ADV’s voor begeleiding van het doen van meldingen, de afhandeling daarvan en kennisdeling tussen deze organisaties en het Centrum Veilige Sport Nederland.4
Daarnaast ontwikkelt de KNVB in samenspraak met reeds betrokken departementen een normstellend kader voor het tegengaan van online discriminatie binnen het voetbal, waarin aandacht voor het doen van meldingen een onderdeel is.5
Voor een effectieve aanpak van discriminatie in Nederland is inzicht in ervaren en gemelde discriminatie essentieel. In algemene zin is bekend is dat het aantal meldingen niet representatief is voor de daadwerkelijk ervaren discriminatie.6 Deze beperkte meldingsbereidheid, zowel binnen de sport als binnen andere maatschappelijke sectoren, is onder andere te verklaren door een gebrek aan vertrouwen in de opvolging van meldingen.7
Melden heeft altijd zin. ADV’s bieden een luisterend oor, voeren hoor- en wederhoor en kunnen juridische procedures voeren voor hun melders. Om de meldingstoegankelijkheid verder te stimuleren is een toegankelijke, deskundige en herkenbare meldstructuur van groot belang. In de afgelopen jaren is ingezet op professionalisering van de 18 individuele ADV’s (die samen meer dan 95% van de Nederlandse gemeenten bestrijken als werkgebied), waaronder de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en de toegenomen aandacht voor Discriminatie.nl als landelijke vereniging. Desondanks is verdere versterking nodig om de effectiviteit, kwaliteit, uniformiteit – en daarmee de meldingstoegankelijkheid en het vertrouwen om te melden – te vergroten. Het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie beoogt deze verbeteringen te bereiken door middel van één door het Rijk gefinancierde landelijke organisatie met lokale fysieke loketten.8 Deze nieuwe landelijke organisatie zal onafhankelijk zijn in de wijze waarop zij haar taken uitvoert en krijgt daarnaast nieuwe taken gericht op preventie van discriminatie en om melders actief door te geleiden naar passende nazorg als dat gewenst is.
Om het vertrouwen in het melden van discriminatie verder te verhogen werkt het kabinet ook aan een brede publiekscommunicatie waaronder een landelijke campagne, gericht op de meldingstoegankelijkheid van alle gronden, waaronder ook afkomst en herkomst. De lancering van de campagne is beoogd voor het najaar van 2026.
Tot slot is de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie (NCDR) ingesteld met het doel om racisme en discriminatie te bestrijden. Als regeringscommissaris adviseert de NCDR het kabinet over de aanpak van discriminatie en racisme. De NCDR heeft inmiddels verschillende adviezen uitgebracht en heeft het voornemen om ook een advies over anti-zwart racisme op te stellen.9
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Ja, er is contact opgenomen met de KNVB en is er steun betuigd over de gedane aangifte. Tijdens het commissiedebat Sportbeleid op 30 juni 2026 heeft de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport haar afschuw uitgesproken over de racistische uitingen.
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden voor en na grote sportevenementen?
De wijze waarop de Nederlandse spelers zijn bejegend na het verlies tegen Marokko, is helaas geen geïsoleerd incident maar komt vaker voor.10 Uitgangspunt is dat sport moet zorgen voor verbinding, waarbij doorgaans veel positieve emoties loskomen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat discriminatie en racisme helaas niet ongebruikelijk is op verschillende niveaus en op verschillende gronden.
Specifiek binnen het voetbal komen discriminerende en racistische uitingen relatief vaak voor, zo laat ook het prevalentie onderzoek van Verian11 uit 2026 zien. Daaruit blijkt dat ongeveer 4% van alle sporters en 3% van alle sportprofessionals in het afgelopen jaar discriminatie heeft ervaren. Binnen de sport wordt het voetbal – als grootste teamsport met de meeste aantal leden van Nederland – het vaakst genoemd als context waarin dergelijke uitingen voorkomen. Het gaat vooral om verbale uitingen van medespelers, tegenstanders en publiek zo meldt het onderzoek. Dat er sprake zou zijn van een voorspelbaar patroon van racistische online haat na grote sportevenementen onderschrijft het kabinet echter niet.
Met de programma’s OVIVI en OCIVI (Onze Club Is Van Iedereen) ondersteunt het kabinet de sportsector in de strijd tegen discriminatie en racisme in het voetbal en sportbreed. Zowel op het veld, in de hal, langs de lijn en online.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft tijdens commissiedebat Sportbeleid van 30 juni 2026 medegedeeld dat er wordt binnen OVIVI gewerkt aan het ontwikkelen van een slimme technologie om daders op te sporen, om het proces tot vervolging te vergemakkelijken.
Tot slot heeft het kabinet de intentie de subsidie gericht op het bestrijden van online racisme te zullen voortzetten in 2027, zoals in reactie op vraag 5 reeds is aangegeven. Daarover lopen momenteel gesprekken met de KNVB.
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden ingericht?
Het eerder genoemde Verian onderzoek (2026) naar discriminatie in de sport maakt onderscheid naar vormen van discriminatie, maar omvat geen landelijk percentage voor online discriminatie van sporters. Op dit moment is er daardoor nog geen volledig zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters. Wel zijn er diverse onderzoeken die hieronder toegelicht zullen worden.
Binnen de aanpak OVIVI is aandacht voor online racisme richting voetballers. Hierbij wordt gebruikgemaakt van monitoring, meldingen en technologie om online haat op sociale media te signaleren. Dit is terug te zien inde Monitor OVIVI, die jaarlijks door het Mullier Instituut wordt uitgebracht. De meest recente versie van deze monitor is op 24 juni 2026 aan uw Kamer aangeboden.12
Naast de monitor van OVIVI, heeft Movisie in 2022 een overigens niet-representatief onderzoek gedaan naar online discriminatie onder mannelijke betaald voetbalspelers.13
Er is in het kader van OVIVI begin dit jaar een vragenlijst uitgezet over (online) discriminatie onder betaald voetbalspelers in Nederland. Helaas was de respons onder de mannelijke spelers te laag om over te rapporteren. De respons onder vrouwelijke speelsters was wel hoog genoeg; de resultaten worden door het Mulier Instituut verwerkt en later dit jaar gepubliceerd.
Daarnaast voeren momenteel het Verwey Jonker Instituut, de Anne Frank Stichting en de Erasmus Universiteit het onderzoek uit naar antisemitisme in het betaald voetbal (in opdracht van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding). Dat bestaat uit een bevolkingsonderzoek naar in welke mate discriminatie, racisme en antisemitisme voorkomt in stadions en in online omgevingen, gerelateerd aan voetbal. Dat rapport wordt medio 2027 verwacht. Die studie richt zich alleen op voetbal en niet op de ervaringen van (top)sporters zelf.
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of buitenlandse platforms?
Het (kunnen) identificeren van plegers van online haat is ingewikkeld. Daar waar plegers gebruik maken van anonieme (social media) accounts zijn politie en OM in veel gevallen afhankelijk van internationale rechtshulp. Dat is een kostbaar en tijdrovend proces, waarbij het Nederlandse OM voor identificerende gegevens van plegers veelal afhankelijk is van de autoriteiten van landen waar deze tech-bedrijven zijn gevestigd. Daarom wordt, daar waar dat kan, via minder ingrijpende middelen zoals Open Source Intelligence (OSINT) getracht om zekerheid te verkrijgen over de identiteit van de online pleger. In het geval dat dergelijke informatie ontoereikend is en informatie nodig is uit het buitenland, zal dit worden opgevraagd middels een rechtshulpverzoek aan de landen waar de tech-bedrijven zich bevinden.
Daar waar de verdenking zich richt op groepsbelediging ex. artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) kunnen er in beginsel weinig bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet, omdat artikel 137c WvSr geen feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (als bedoeld in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering).
Tot slot zal er een gesprek tussen de Minister van Langdurige Zorg Jeugd en Sport en de Minister van JenV plaatsvinden over de mogelijkheden online haat te bestrijden op socialemediaplatforms. De terugkoppeling daarvan wordt meegenomen in de eerder toegezegde stand-van-zakenbrief.
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
Zie antwoord vraag 10.
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze aanpak te intensiveren?
Het OM rapporteert jaarlijks over de discriminatiecijfers aan de Minister van JenV via het cijferrapport «Strafbare Discriminatie in Beeld». Dit rapport wordt jaarlijks ter kennisgeving aan de Kamer aangeboden door de Minister van JenV. In dit rapport wordt uiteengezet hoeveel specifieke discriminatiefeiten (zoals groepsbelediging) er bij het OM zijn ingestroomd en hoeveel feiten er zijn ingestroomd waarin een discriminatieaspect een rol heeft gespeeld. Per 1 juli 2025 zijn de laatstgenoemde categorie feiten opgenomen als wettelijke strafverzwaringsgrond in artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht. In 2025 betroffen het 42 specifieke discriminatiefeiten en 37 feiten waarin een discriminatieaspect een rol speelde, die online zijn gepleegd.
Het OM werkt in principe aangifte-gedreven; zo staat ook te lezen in de Aanwijzing discriminatie. Verhoging van de aangiftebereidheid leidt daarmee vrijwel automatisch tot het vaker (kunnen) afdoen van discriminatiezaken, ook online. Daarnaast wordt er binnen het OM sinds het afgelopen jaar meer samengewerkt tussen de discriminatie-aanpak en de aanpak van terrorisme en radicalisering online, om waar mogelijk ook vaker ambtshalve een discriminatieonderzoek te kunnen starten of afronden.
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram (Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. De Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA) legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan tussenhandeldiensten, waaronder online platforms zoals Meta, X en TikTok, met als doel om illegale inhoud zoals online haat en racisme aan te pakken. Zo moeten de genoemde platforms voorzien in doeltreffende kennisgevings- en actiemechanismen waar illegale inhoud kan worden gemeld. De genoemde platforms moeten verder de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit hun diensten in kaart brengen en beperken. Deze systeemrisico’s kunnen onder meer risico’s omvatten die worden veroorzaakt door schadelijke inhoud, zoals online haat en discriminatie.
Het toezicht op de naleving van deze verplichtingen uit de DSA voor Meta, X en TikTok – zogenoemde zeer grote online platforms (Very Large Online Platforms, VLOP’s) – ligt bij de Europese Commissie.
De DSA maakt het daarnaast mogelijk voor organisaties met specifieke expertise in het opsporen, identificeren en melden van illegale inhoud, om gecertificeerd te worden als «betrouwbare flagger». In Nederland worden aanvragen voor die status behandeld door de Autoriteit Consument en Markt. Betrouwbare flaggers kunnen illegale inhoud bij online platforms melden. Zulke meldingen moeten met prioriteit worden behandeld door online platformen. In dit kader is het relevant dat Meld.Online Discriminatie (MOD) is gecertificeerd als betrouwbare flagger voor meldingen van online discriminatie in Nederland.14 Naar aanleiding van de discriminerende bejegeningen van de Oranjespelers, heeft MOD meerdere berichten als illegaal beoordeeld en hierover verwijderverzoeken ingediend bij online platforms. De verwijderverzoeken zijn allen ingewilligd door de bevraagde platforms.15
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Ja, uit de berichtgeving blijkt dat de Oranjespelers op grote schaal zijn geconfronteerd met racistische uitingen. Daaruit concludeer ik dat de platformen er niet in zijn geslaagd om gebruikers van hun diensten te beschermen tegen online haat en discriminatie. Dat is verontrustend en zou niet moeten gebeuren. Het ligt voor de hand dat platforms bij voorspelbare piekmomenten extra maatregelen treffen. Uit navraag bij betrokken platforms volgt dat zij actief monitoren op racistische content. Zowel TikTok als Meta geven aan dat zij anticiperen op grote gebeurtenissen, zoals sportevenementen. Het is aan de Europese Commissie om te onderzoeken of zij met hun huidige werkwijze voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Het is onacceptabel dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen om hun sociale media af te schermen tegen haat en racisme. Geconfronteerd worden met online haat en racisme moet niet getolereerd en genormaliseerd worden, of dat gaat om de betrokken spelers, of wie dan ook. Dit incident laat zien dat de bescherming van slachtoffers onvoldoende was. Dit demonstreert de noodzaak, urgentie en belang voor het tegengaan van online discriminatie, en dat duurzamere en effectievere bescherming en ondersteuning van slachtoffers van groot belang zijn. Deze taak valt ons allemaal toe. Het kabinet trekt hier in samen op met het maatschappelijk middenveld vanuit het Plan van aanpak tegen online discriminatie.16
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet voldoende?
Zie het antwoord onder vraag 14.
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Het Plan van aanpak online discriminatie omvat rijksbrede maatregelen ter bestrijding van alle vormen van online discriminatie. Het Plan van aanpak zet onder andere in op vaker en meer zichtbare consequenties voor daders, betere ondersteuning van slachtoffers en meer maatschappelijke bewustwording. Hieronder een paar voorbeelden van maatregelen uit het Plan van aanpak die zijn uitgevoerd of momenteel worden uitgevoerd.
Het kabinet investeert vanaf 2025 structureel in de expertise en personeelsbezetting van de gespecialiseerde politie-eenheid voor discriminatie, ECAD-P genaamd. Deze investeringen zijn bedoeld om politie-eenheden te helpen discriminatie beter te herkennen, te registreren en te bestrijden, zowel offline als online.
Ook steunt het kabinet dit jaar trainingen van International Network Against Cyber Hate (INACH) aan maatschappelijke organisaties en (decentrale) overheden om bewustwording over online haatspraak te stimuleren en handelingsperspectieven te bieden. De trainingen gaan onder meer over de digitale rechten die men heeft, de beschikbare online meldvoorzieningen en hoe daar gebruik van gemaakt kan worden.
Daarnaast zet het kabinet in op een goede en overzichtelijke hulpinfrastructuur voor slachtoffers van online discriminatie, waarbij wordt ingezet op intensievere samenwerking tussen hulporganisaties. Dit blijkt ook uit de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en diens samenwerkingsovereenkomst met Meld.Online Discriminatie die dit jaar is ondertekend. Zo kunnen laagdrempeligere meldmogelijkheden geboden worden aan slachtoffers van online discriminatie.
Ook start in oktober een maatschappelijke dialoog over normen en waarden rond online discriminatie. Deze dialoog vindt deels plaats op een nog te lanceren dialoogplatform www.praatmeemetdeoverheid.nl en deels tijdens fysieke bijeenkomsten onder begeleiding van experts. Daarmee zet het kabinet in op sterkere online normen en waarden, meer maatschappelijke bewustwording en het betrekken van Nederlanders bij het bedenken van passende beleidsmaatregelen.
Het artikel 'Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis' |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis?»1
Herkent u het beeld dat de komende decennia sprake zal zijn van een grote overdracht van vermogen via erfenissen?
Deelt u de analyse dat de hoge stijging van de huizenprijzen ertoe heeft geleid dat huishoudens met een koopwoning een grote vermogensgroei hebben doorgemaakt terwijl huurders hiervan nauwelijks hebben geprofiteerd?
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de toegankelijkheid van de koopwoningmarkt zal beïnvloeden?
Welke verwachtingen heeft u over de effecten van deze vermogensoverdrachten op de vermogensongelijkheid tussen huishoudens en generaties?
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de kansenongelijkheid tussen mensen met en zonder vermogende ouders zullen vergroten?
Kunt u toelichten welke onderzoeken en beleidsopties er liggen om de negatieve effecten van de toekomstige erfenissen op kansengelijkheid en vermogensongelijkheid te beperken?
Bent u bereid de verschillende beleidsopties in kaart te brengen? En kunt u hierbij ook kijken naar fiscale stimulansen om erfenissen eerder in het leven in te zetten, bijvoorbeeld bij het aflossen van studieschuld?
Hoeveel jaar moet een alleenstaande met een modaal inkomen wiens ouders een huurwoning hadden, werken om netto het bedrag te verdienen dat een alleenstaande wiens ouders een koopwoning nalaten aan erfenis ontvangt?
Bent u van mening dat werken moet lonen? Zo ja, hoe verhoudt deze opvatting zich tot de verwachting dat geërfd vermogen voor een groeiende groep Nederlanders bepalender wordt voor hun financiële positie dan inkomen uit arbeid?
Het bericht ‘Oppositiemedia Turkije geweigerd op NAVO-top in Ankara’ |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oppositiemedia Turkije geweigerd op NAVO-top in Ankara»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat onafhankelijke en oppositiegezinde Turkse journalisten voor de NAVO-top op 7 en 8 juli in Ankara geen accreditatie hebben gekregen?
Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting zijn een belangrijke waarde in en van de NAVO. Het is in dat kader belangrijk dat journalisten goed verslag kunnen doen van de NAVO-top. Het kabinet heeft dat voorafgaand aan de Top ook kenbaar gemaakt aan en in de NAVO.
Rechtsstaat is een integraal onderdeel van de bilaterale en EU-dialoog met Turkije. Ook het belang van persvrijheid komt daarbij aan bod. Dit wordt derhalve onderstreept in de contacten met de Turkse autoriteiten. Het Nederlandse postennet in Turkije monitort daarnaast rechtszaken die zijn aangespannen tegen Turkse journalisten.
Hoe reflecteert u op dit incident in het licht van de bredere binnenlandse situatie in Turkije, waar de persvrijheid onder zware druk staat, naar schatting 90 procent van de media onder overheidscontrole staat, en in de aanloop naar de top honderden preventieve arrestaties in Ankara zijn verricht?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kijkt u in algemene zin naar de persvrijheid in Turkije wetende dat Turkije op plek 163 (van in totaal 180 landen) staat van de World Press Freedom Index en er meer dan 10 journalisten in de gevangenis zitten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan het werk van journalisten en verbanden van journalisten in Turkije met Nederlandse fondsen of anderszins te ondersteunen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Met financiering vanuit het Mensenrechtenfonds en MATRA ondersteunt het Nederlandse postennetwerk in Turkije diverse projecten op het gebied van persvrijheid.
Bent u bekend met het artikel «Europeanen onderschatten hoe belangrijk Turkije is»?2
Ja.
Hoe weegt u het geopolitieke en strategische belang van Turkije binnen het NAVO-bondgenootschap af tegen het belang van een democratische rechtsstaat waarin journalisten in vrijheid hun werk moeten kunnen doen?
Zie het antwoord onder vraag 9, 10 en 11.
Hoe verklaart u dat Turkije in staat is zowel een goede relatie met westerse landen te onderhouden en tegelijkertijd directe contacten heeft met landen als Rusland en China?
Het Turkse buitenlandbeleid kenmerkt zich door betrekkingen te onderhouden met een breed scala aan actoren en multilaterale fora. In relatie tot Rusland zet het kabinet er in de contacten met Turkije op in om de druk op Rusland hoog te houden om de agressieoorlog tegen Oekraïne te stoppen.
Ziet u Turkije als onderdeel van de liberale wereldorde, nu de burgemeester van Istanbul inmiddels meer dan een jaar in een cel zit en protesten niet zijn toegestaan en demonstranten preventief worden opgepakt, zoals nu richting de NAVO-top gebeurt?
Voor Nederland en de EU is Turkije een belangrijke en strategische partner op terreinen als onder andere veiligheid, migratie en economie. De bilaterale relatie met Turkije is goed en beslaat intensieve contacten op alle niveaus. Het kabinet ondersteunt de overeengekomen en bestaande insteek van de EU om op een gefaseerde, proportionele en omkeerbare wijze samen te werken met Turkije op terreinen van wederzijds belang.
Binnen de NAVO speelt het land ook een cruciale rol. Turkije is strategisch gelegen, heeft na de VS het grootste leger binnen de alliantie, een snel groeiende defensie-industrie en is een partner in de steun aan Oekraïne. Ook daarom hecht het kabinet waarde aan de relatie met Turkije.
Rechtsstaat is en blijft daarbij een integraal onderdeel van de dialoog met het land, zowel op bilateraal als EU-niveau. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, deelt het kabinet de serieuze zorgen van de Europese Commissie over de rechtstaat in Turkije. Ik verwijs u graag naar de Kabinetsappreciatie Uitbreidingspakket 20253 voor een weergave van de kabinetsinzet in dit kader. Ook de arrestatie van de burgemeester van Istanbul en andere oppositieleden zijn onderwerp van gesprek in contacten met de Turkse autoriteiten. Daarnaast zijn diplomaten van het Nederlandse postennet in Turkije, samen met vertegenwoordigers van andere EU lidstaten, aanwezig bij rechtbankzittingen in de rechtszaken die tegen de burgemeester van Istanbul zijn aangespannen.
Hoe beoordeelt u de strategische relatie met Turkije op het gebied van veiligheid? Ziet u mogelijkheden die relatie de komende jaren te bestendigen of verstevigen en op welke manier? En hoe verhoudt een eventuele bestendiging tot de mensenrechtensituatie in Turkije?
Zie antwoord vraag 9.
Zijn er wat u betreft ook risico’s verbonden aan een nauwere relatie van Nederland of de EU met Turkije en wat zijn die risico’s?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de NAVO-top op 7 juli begint?
Dat is helaas niet gelukt.
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
Ja.
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Er is geen landelijk beeld van het aantal gemeenten waarin er actieve burgerwachten of buurtpreventieteams zijn opgericht, aangezien er niet één centrale registratie van dergelijke lokale initiatieven bestaat.
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Een maatschappij waarin intimidatie wordt gebruikt als middel om je zin te krijgen is onaanvaardbaar. In algemene zin is het lastig aan te geven wanneer intimidatie overgaat in een strafbaar feit. Hierbij spelen de feiten en omstandigheden, de context en de vereisten van strafbare feiten als bedreiging, stalking, laster en doxing een rol. Het is aan de officier van justitie om te beoordelen wanneer het mogelijk en opportuun is om over te gaan tot vervolging voor een strafbaar feit en vervolgens aan de rechter om te bepalen of al dan niet sprake is van een strafbaar feit.
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
In het registratiesysteem van de politie wordt niet systematisch vastgelegd of er een strafbaar feit is gepleegd door burgerwachten. Omdat een brede zoekslag naar mogelijke aangiften door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners van dergelijke feiten zodoende niet kan worden uitgevoerd, kan deze vraag niet worden beantwoord.
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Om ervoor te zorgen dat personen die via de asielstroom nieuw in Nederland zijn op de hoogte zijn van de Nederlandse wetten en normen, wordt hier bij aankomst bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) basisinformatie over verstrekt. Daarnaast wordt door bijvoorbeeld Vluchtelingenwerk Nederland informatie verstrekt over de asielprocedure en daarmee samenhangende rechten en plichten. Indien sprake is van geweld of intimidatie kunnen asielzoekers terecht bij het COA voor ondersteuning, hulp en begeleiding.
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Het COA voert met asielzoekers in de eerste twee weken van het verblijf op een opvanglocatie een rechten- en plichtengesprek. In dit gesprek worden de basisvoorwaarden, leefregels en gedragsnormen voor asielzoekers besproken. Daarnaast informeert het COA de asielzoeker over de Nederlandse rechtsstaat en de Grondwet. Indien een asielzoeker aangifte wil doen van een strafbaar feit, wordt deze doorverwezen naar de politie. Als er sprake is van geweld of intimidatie kunnen asielzoekers terecht bij het COA voor ondersteuning, hulp en begeleiding.
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Wij zijn bekend met de berichtgeving waarin melding wordt gemaakt van verschillende sociale mediaberichten, waaronder het bericht waar in deze vraag op wordt gedoeld. De beoordeling of in een individuele casus sprake is geweest van een strafbaar feit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de politie en het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter. Zonder op specifieke situaties in te kunnen gaan, geldt in zijn algemeenheid dat het van belang is dat men in geval van een verdachte situatie, of bij het vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd, de politie inschakelt. Het is nooit de bedoeling dat men voor eigen rechter gaat spelen.
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Als kabinet vinden we het belangrijk dat gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen om opvang te realiseren hierbij voldoende worden ondersteund. Als Minister van Asiel en Migratie ben ik daarbij altijd bereid om mee te denken met gemeenten en zal ik hierover het gesprek blijven voeren met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Daarnaast heeft de VNG een ondersteuningsteam ingericht, dat gemeenten op verzoek kan ondersteunen bij verschillende aspecten rondom een opvanglocatie.
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Vrijwilligerswerk is belangrijk en waardevol werk. Het is belangrijk dat vrijwilligers hun werk onder goede omstandigheden kunnen uitvoeren en het kan absoluut niet de bedoeling zijn dat vrijwilligers zich daarbij geïntimideerd of onveilig voelen. Het bewaken van de openbare orde is belegd bij het lokaal gezag en in gevallen waarin er sprake is van verstoring van de openbare orde is de burgemeester belast met de handhaving hiervan. Bij recente demonstraties hebben we gezien dat er veel op gemeenten af komt bij het openen en exploiteren van een asielzoekerscentrum. Als kabinet vinden we het belangrijk om kleine gemeenten hierbij te ondersteunen. De VNG heeft hierom een ondersteuningsteam opgericht, waarin kennis en expertise wordt gebundeld en dat gemeenten op verzoek ondersteunt bij verschillende aspecten rondom een opvanglocatie. Veiligheid van vrijwilligers maakt hier onderdeel van uit.
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Online platforms zijn gebonden aan de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA). Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Op grond van artikel 6 van de DSA, zijn hosting diensten – waaronder online platforms – niet aansprakelijk voor de informatie die afnemers van de dienst verstrekken, op voorwaarde dat zij geen kennis hebben van illegale activiteiten of van illegale inhoud die afnemers opslaan. Zodra zij die kennis wel krijgen, bijvoorbeeld door een melding, dan moeten zij prompt handelen om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Op grond van de DSA moeten online platforms een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud. Het begrip illegale inhoud omvat alle informatie die indruist tegen het Unierecht of het recht van een lidstaat. Of daarvan sprake is, moet per geval beoordeeld worden. Opgemerkt zij echter dat niet alle «foutieve» berichten per definitie illegaal zijn. Een bericht waarin bijvoorbeeld ten onrechte wordt gesteld dat een bewoner van een opvanglocatie betrokken is geweest bij een incident kwalificeert vanwege die feitelijke onjuistheid niet meteen als illegale inhoud. Dat kan anders zijn wanneer het bericht bijvoorbeeld iemand opzettelijk en ten onrechte beschuldigt van een strafbaar feit, of wanneer het bericht aanzet tot haat, discriminatie of geweld.
Op grond van de DSA moeten online platforms verder een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14 van de DSA). Op hen rust bovendien de verplichting om gebruikers die frequent illegale inhoud verspreiden, te schorsen. De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie, moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Deze verplichting geldt voor grote sociale mediadiensten zoals Facebook, Instagram en TikTok. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten.
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Laster is een vorm van illegale inhoud. Zoals hiervoor beschreven moeten online platforms prompt handelen om dergelijke inhoud te verwijderen zodra ze er kennis van krijgen. Artikel 8 van de DSA beperkt tegelijkertijd de ruimte om maatregelen op te leggen aan online platforms om onwettige inhoud of activiteiten op te sporen en daar preventief actie tegen te ondernemen door berichten te filteren. Artikel 8 van de DSA bepaalt dat aan dienstverleners geen verplichting wordt opgelegd tot monitoring van de door hen opgegeven of opgeslagen informatie of tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten. Dit verbod beoogt de vrijheid van meningsuiting te beschermen. Indien sociale media en andere tussenhandeldiensten verplicht worden om illegale inhoud preventief te filteren dan is er een gerede kans dat zij uit voorzorg meer informatie gaan blokkeren of anderszins tegenhouden dan noodzakelijk.
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
Op de DSA wordt in Nederland toezicht gehouden door de Autoriteit Consument & Markt als DSA-coördinator en de Autoriteit Persoonsgegevens als andere bevoegde autoriteit. Op de zeer grote online platforms en zoekmachines houdt de Europese Commissie primair toezicht. Er lopen inmiddels diverse onderzoeken tegen verschillende sociale media, en in een aantal zaken zijn al zogenaamde preliminary findings van niet-naleving gepubliceerd. Zo worden sociale media waar nodig gedwongen om verantwoordelijkheid te nemen.