Het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend ‘inhumane’ opeenvolgende IBS-periodes. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Rechtbank van Noord-Holland, waarbij de bewaring van een criminele en als ongewenst vreemdeling aangemerkte Marokkaanse onderdaan is opgeheven omdat meerdere opeenvolgende perioden van vreemdelingenbewaring bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, terwijl betrokkene op het punt stond te worden uitgezet en de laissez-passer al gereed lag?
Ik ben bekend ben met het arrest «Aroja» van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en verschillende uitspraken die daarnaar verwijzen van de Nederlandse rechtspraak.
Kunt u uiteenzetten op welke juridische grond in deze zaak de opeenvolgende inbewaringstellingperiodes (IBS-periodes) zijn samengeteld en tot «inhumane» bewaring zijn bestempeld, en hoe dit zich verhoudt tot de Terugkeerrichtlijn én het door de Europese Commissie opgestelde Return Handbook, waarin juist wordt benadrukt dat bij een reëel vooruitzicht op verwijdering – bijvoorbeeld wanneer een laissez-passer (LP) gereed is – de uitvoering van de terugkeer voorrang behoort te hebben op invrijheidstelling? Waarom wijkt de Nederlandse praktijk in dit geval af van deze duidelijke aanbevelingen, nota bene met betrekking tot een criminele en ongewenst verklaarde vreemdeling?
Zoals uw Kamer bekend, kan ik niet ingaan op individuele gevallen. In algemene zin kan ik aangeven dat het Hof in haar arrest nader gepreciseerd heeft hoe de maximale termijn voor vreemdelingenbewaring op basis van de Terugkeerrichtlijn, in Nederland geïmplementeerd in artikel 59 Vreemdelingenwet 2000, moet worden berekend. De uitspraak van het Hof luidt dat per direct de maximale termijn van 18 maanden (6 maanden + 12 maanden verlenging) berekend moet worden door alle periodes van vreemdelingenbewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar op te tellen. Tot nu toe ging de Nederlandse rechtspraktijk er van uit dat deze termijn per opgelegde bewaringsmaatregel steeds opnieuw inging. Dit heeft als gevolg dat vreemdelingen die in totaal 18 maanden of langer in vreemdelingenbewaring hebben gezeten op basis van één en hetzelfde terugkeerbesluit, niet langer in vreemdelingenbewaring ter fine van terugkeer gesteld kunnen worden. Dit maakt het al complexe bewaringsproces nog ingewikkelder. Het Hof onderbouwt haar oordeel door te verwijzen naar het verbod op willekeurige bewaring. Het Hof wijst lidstaten wel op mogelijkheden om in hun nationale wetgeving handelingsperspectieven te scheppen met strafrechtelijke sancties.
Hoe beoordeelt u het risico voor de openbare orde en veiligheid wanneer criminele vreemdelingen die uitzetbaar zijn, voor wie reisdocumenten gereed liggen en die bovendien als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt, toch in vrijheid worden gesteld enkel vanwege de optelling van eerdere IBS-periodes?
Vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland zijn dienen Nederland te verlaten. Het uitgangspunt is daarbij dat een vreemdeling zelfstandig vertrekt. Indien de vreemdeling niet of onvoldoende medewerking verleent aan zijn vertrek dan wordt er overgegaan tot gedwongen vertrek. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan overlastgevende en criminele vreemdelingen. Onder de Terugkeerrichtlijn kunnen vreemdelingen in bestuursrechtelijke vreemdelingenbewaring worden gesteld wanneer er een onttrekkingsrisico is of wanneer zij de terugkeerprocedure ontwijken of belemmeren. Er is thans geen op zichzelf staande grond voor terugkeerbewaring om de enkele reden dat personen een risico vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Voor vreemdelingen in het strafrecht geldt dat de (gedwongen) terugkeer zoveel als mogelijk aansluitend op het einde van de strafrechtelijke detentie wordt georganiseerd.
In gevallen waarbij de identiteit en nationaliteit van een vreemdeling vaststaat, zal doorgaans de maximale termijn van 18 maanden bewaring met het oog op uitzetting volstaan, ook als eerdere bewaringsperiodes op grond van de Terugkeerrichtlijn bij elkaar moeten worden opgeteld. Daarbij is van belang dat periodes van rechtmatig verblijf gedurende de behandeling van een asielprocedure niet vallen onder de Terugkeerrichtlijn en dus geen onderdeel uitmaken van de maximale termijn van 18 maanden. Ook bewaring in het kader van de Dublinprocedure telt niet mee. Het herhaald indienen van een toelatingsprocedure zal de vreemdeling dus maar beperkt baten.
Het Aroja-arrest heeft echter wel een negatieve impact op de bewaring van vreemdelingen die niet over geldige reisdocumenten beschikken. Voor hen zal een vervangend reisdocument moeten worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het (mogelijke) land van herkomst. Afhankelijk van het land van herkomst en de mate van medewerking van de vreemdeling, kan het geruime tijd duren voordat het onderzoek door het land van herkomst is afgerond. Bij een negatieve uitkomst is aanvullend onderzoek nodig. Dit kunnen langdurige trajecten zijn die veel tijd in beslag nemen. Met dit arrest bestaat het risico dat de maximale bewaringstermijn is volgelopen, zonder dat terugkeer geeffectueerd kon worden. Daarnaast wordt verwacht dat vreemdelingen die niet meewerken aan terugkeer zich nog heftiger zullen verzetten om uitzetting te voorkomen als de maximale termijn van 18 maanden in beeld komt. Daarom zal de vreemdelingenketen de inzet van vreemdelingenbewaring nog scherper moeten afzetten tegen de spoedige effectuering van terugkeer.
Waar terugkeer in 18 maanden niet mogelijk is gebleken, zal naar andere handelingsperspectieven moeten worden gekeken. Strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 197 Wetboek van Strafrecht is in een aanzienlijk aantal gevallen binnen deze categorie een mogelijkheid, als een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd. De aanpassing van de wetgeving met betrekking tot de ongewenst verklaring en de strafbaarstelling van illegaal verblijf, welke thans in de Eerste Kamer ter behandeling liggen, kunnen een ingang bieden om dit handelingsperspectief te versterken.
Daarnaast zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord tussen de Raad van de EU en het Europees Parlement over de Terugkeerverordening. Beide instellingen versterkten het voorstel van de Europese Commissie om de maximale terugkeerbewaring te verlengen naar 24 maanden (12+12 maanden) en bovendien geen formele limiet te stellen aan de bewaringsduur voor personen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Een meerderheid van lidstaten is daarnaast voorstander van de mogelijkheid om, na het verloop van de maximale bewaringsduur van 24 maanden, opnieuw maximaal 6 maanden terugkeerbewaring te kunnen opleggen wanneer zich een onderduikrisico voordoet en er uitzicht ontstaat op uitzetting, bijvoorbeeld omdat de terugkeersamenwerking met een derde land verbetert. Verder biedt de verordening onder meer een nieuwe en op zichzelf staande bewaringsgrond voor personen die een veiligheidsrisico vormen. Hoewel de definitieve verordening nog niet gereed is, ziet het kabinet hierin perspectief om de door het arrest toegevoegde complexiteit deels weg te nemen.
Deelt u, mede gelet op het uitgangspunt dat lidstaten onder het Unierecht primair verantwoordelijk blijven voor de bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde, en op het feit dat de Terugkeerrichtlijn expliciet voorziet in detentie van illegaal verblijvende derdelanders die een risico vormen voor de openbare orde of de uitvoering van de terugkeerprocedure, de mening dat hiermee de effectieve bescherming van de Nederlandse samenleving tegen gevaarlijke en ongewenst verklaarde recidivisten onaanvaardbaar wordt ondermijnd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat deze uitspraak in de praktijk betekent dat niet-meewerken aan terugkeer, het traineren van procedures en het strategisch indienen en weer intrekken van asielaanvragen en rechtsmiddelen door vreemdelingen en hun advocaten wordt beloond, omdat de door hen zelf veroorzaakte vertraging vervolgens wordt aangegrepen om bewaring op te heffen, zelfs wanneer het gaat om een criminele, ongewenst verklaarde vreemdeling voor wie een LP gereed ligt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke concrete maatregelen bent u bereid op korte termijn en op langere termijn te nemen om te voorkomen dat dit soort misbruik van recht nog langer loont en om te waarborgen dat ongewenst verklaarde criminelen met een groot recidiverisico zoals deze daadwerkelijk kunnen worden uitgezet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met andere gevallen waarin vreemdelingenbewaring van (criminele) derdelanders, al dan niet ongewenst verklaard, is opgeheven omdat meerdere IBS-periodes bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, ondanks dat er uitzicht bestond op uitzetting en in voorkomende gevallen sprake was van recidivegevaar? Zo ja, om hoeveel zaken gaat het in de afgelopen twaalf maanden, wat is de aard van deze zaken, en kunt u de Kamer daarover een overzicht sturen inclusief delictcategorie, ongewenststatus, en reden voor opheffing van de bewaring?
Naar aanleiding van dit arrest zijn de dossiers van alle vreemdelingen die op dat moment in bewaring verbleven (circa 430) onderzocht. In totaal zijn ongeveer 30 bewaringsmaatregelen opgeheven als een direct gevolg van deze uitspraak. Bij ongeveer 10 vreemdelingen ging dat om maatregelen waarin de maximale termijn van 18 maanden is overschreden. In ongeveer 20 gevallen is het formele vereiste, om voor ommekomst van een periode van 6 maanden een verlengingsbesluit te nemen, niet goed toegepast wat tot opheffingen heeft geleid. In die gevallen is bij opnieuw aantreffen van de vreemdeling in het toezicht opnieuw bewaring mogelijk, met een verbeterde motivering. In andere gevallen is een nieuwe bewaringsmaatregel beschouwd als verlengingsmaatregel om meer opheffingen te voorkomen.
Het arrest dateert van 5 maart 2026. Van een overzicht over de afgelopen 18 maanden in relatie tot deze uitspraak, kan dan ook geen sprake zijn.
Hoe verhoudt de in deze uitspraak gevolgde lijn zich volgens u tot de nieuwe aanstaande Europese Terugkeerverordening, die juist beoogt het terugkeerbeleid te versterken en te uniformeren, en deelt u de analyse dat met dergelijke uitspraken Nederland zichzelf klem zet als we het Europese kader zo uitleggen dat criminele, ongewenst verklaarde vreemdelingen eerder profiteren van juridische subtiliteiten dan dat de samenleving wordt beschermd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het gecombineerde antwoord op vragen 3, 4,5, en 6, biedt de Terugkeerverordening perspectief op het versterken van het terugkeerbeleid. Het kabinet zet dan ook in op de vlotte afronding van de triloogonderhandelingen.
Deelt u de opvatting dat criminele derdelanders die een gevaar vormen voor de openbare orde, die ongewenst zijn verklaard, bij wie recidivegevaar bestaat en die in principe uitzetbaar zijn, zeker wanneer de LP al gereed ligt, in bewaring moeten blijven totdat hun terugkeer daadwerkelijk is gerealiseerd, en dat het onacceptabel is dat zij door juridisch getouwtrek toch op straat belanden? Zo nee, waarom niet?
Ik wil hier graag verwijzen naar het gecombineerde antwoord op vragen 3, 4,5, en 6 en het antwoord op vraag 8.
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen het huidige Unierechtelijke kader, nationaal beleid en regelgeving zo aan te scherpen dat opeenstapeling van detentieperiodes en procedureel getraineer niet langer kan leiden tot een de facto immuniteit tegen uitzetting voor criminele, ongewenst verklaarde en recidivegevoelige vreemdelingen zonder verblijfsrecht? Bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn concrete voorstellen te doen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om in Europees verband, onder verwijzing naar deze casuïstiek, te pleiten voor verduidelijking en aanscherping van de regels rond (hernieuwde) bewaring in de nieuwe Terugkeerverordening, zodat lidstaten niet langer worden gehinderd om dergelijke criminele, overlastgevende en ongewenstverklaarde vreemdelingen vast te houden totdat hun uitzetting feitelijk is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven is het kabinet van mening dat het onderhandelingsmandaad van de Raad van de EU, dat de inzet vormt van de gesprekken in de triloog, een goed alternatief biedt om het handelingsperspectief te versterken. Zoals eerder opgemerkt zet het kabinet in op het snel bereiken van een akkoord op de Terugkeerverordening.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór 23 april 2026?
Waar mogelijk heb ik de vragen één voor één beantwoord. Waar de vragen in elkaars verlengde lagen of hetzelfde antwoord hadden heb ik de beantwoording gebundeld.
De geweldsgolf in Lelystad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Lelystad opnieuw wordt geteisterd door een reeks explosies bij woningen, waarbij zeer jonge daders worden ingezet en bewoners in grote angst leven?1
Ja.
Hoe verklaart u dat het geweld in Lelystad al langere tijd speelt en dat er ondanks eerdere arrestaties en maatregelen opnieuw een reeks aanslagen plaatsvindt? Erkent u dat dit voor bewoners het beeld oproept dat de overheid de grip op de situatie dreigt te verliezen?
Het is begrijpelijk dat deze reeks aanslagen bij een deel van de bewoners zorgt voor onrust en mogelijk het beeld oproept dat er onvoldoende grip is op de situatie. De burgemeester, in samenspraak met de lokale driehoek, is verantwoordelijk voor de lokale handhaving van de openbare orde. Op d.d. 5 maart heeft de burgemeester van Lelystad tijdens een interpellatiedebat in de gemeenteraad een uitgebreide toelichting gegeven op raadsvragen naar aanleiding van recente explosies in de stad. Tijdens deze raadsvergadering is benadrukt dat de aanpak van de explosies hoge prioriteit heeft bij politie, OM en gemeente.
Landelijk zien we dat aanslagen met explosieven een hardnekkig en complex fenomeen zijn. Daarom is eind 2024 het Offensief tegen Explosies opgericht. Binnen dit Offensief werken publieke en private partners samen om te komen tot een duurzame afname van het aantal aanslagen met explosieven. In 2025 was landelijk sprake van een lichte daling, maar het aantal is nog steeds te hoog. Samen met het Offensief tegen Explosies blijf ik mij daarom onverminderd inzetten om het aantal aanslagen op woningen, bedrijven en voertuigen terug te dringen.
Hoe kan het dat een vermeende leider van een criminele groep, die in verband wordt gebracht met meerdere geweldsincidenten, met een enkelband en gebiedsverbod tijdelijk de straat op mocht om zijn rijbewijs te halen, terwijl de stad tegelijkertijd wordt geconfronteerd met een nieuwe golf van explosies en geweld? Hoe legt u dit uit aan bewoners die zich inmiddels onveilig voelen in hun eigen wijk?
Gedetineerden kunnen, in het kader van resocialisatie, verlof krijgen en bij voorlopige hechtenis kan hiervoor schorsing worden verleend. Bij de beoordeling hiervan wordt een zorgvuldige afweging gemaakt, waarbij onder meer het recidiverisico en de veiligheid voor de samenleving worden meegewogen. Aan het verlof of de schorsing kunnen voorwaarden worden verbonden die met een enkelband kunnen worden gemonitord, zoals een gebiedsverbod. Over individuele gevallen kan ik geen uitspraken doen.
Deelt u de mening dat het ronselen en inzetten van minderjarigen voor zware criminaliteit een bijzonder laffe en verwerpelijke praktijk is en bent u met ons van mening dat hier aanzienlijk zwaardere straffen voor moeten gelden?
Ik deel de mening dat het verwerpelijk en kwalijk is dat minderjarigen worden geronseld voor het plegen van zware criminaliteit. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, lopen een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken van criminele ronselaars. Dit is zorgelijk. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Hier speelt ook de vaak hoge (tijd)druk door criminelen een rol. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken.
Het is aan de rechter om te bepalen over de strafoplegging. Het OM en de politie geven aan dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de officier van justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten.2
Afhankelijk van de omstandigheden zijn daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Welke concrete maatregelen zijn er op dit moment genomen om de betrokken criminele netwerken achter deze explosies op te rollen en welke verdere concrete maatregelen bent u van plan te gaan nemen?
Op individuele casuïstiek kan ik niet ingaan. In algemene zin kan ik melden dat vanuit diverse politieteams en afdelingen wordt gewerkt om niet alleen uitvoerders op te sporen en te vervolgen, maar ook om ronselaars (voor uitvoerders) en opdrachtgevers te identificeren en aan te pakken.
Het opsporen en vervolgen van opdrachtgevers en tussenpersonen, zoals ronselaars en brokers is één van de prioriteiten voor 2026 vanuit het Offensief tegen Explosies.
Bent u bereid om, onder andere, extra politiecapaciteit, opsporingsmiddelen en bestuurlijke maatregelen in te zetten om deze geweldsgolf zo snel mogelijk te stoppen en de veiligheid van bewoners te herstellen?
De huidige situatie is ernstig en heeft logischerwijs een aanzienlijke impact op het veiligheidsgevoel van bewoners. Het is belangrijk dat deze geweldsgolf snel stopt. In het geval van lokale veiligheidsproblematiek, zoals de problematiek in de wijk Kempenaar in Lelystad, is het aan de veiligheidsdriehoek, de burgemeester, de politie en het OM, om op basis van de beschikbare feiten passend op te treden.
Het gebruik van explosieven om te intimideren is niet enkel beperkt tot Lelystad. Aanslagen met explosieven komen verspreid over het gehele land voor. Met deze aanslagen wordt het veiligheidsgevoel in wijken ernstig aangetast. Dit vind ik onacceptabel. Eén van de punten waar het Offensief tegen Explosies zich op richt is het vergroten van de weerbaarheid van gemeenten. Hiertoe is onder andere een handelingskader ontwikkeld voor gemeenten.3 Deze kunnen gemeenten gebruiken ten behoeve van de lokale aanpak. Daarnaast zet ik met het Offensief in op het tegengaan van de brede beschikbaarheid van zwaar vuurwerk, het opsporen en vervolgen van opdrachtgevers en tussenpersonen en het voorkomen van (herhaald) daderschap.
Bent u bekend met het bericht «Pedobots gewoon te vinden op internet en dat mag volgens de wet: Anya (7) is vastgebonden en huilt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke AI-toepassingen net als kindersekspoppen bijdragen aan de normalisering van seksueel misbruik van minderjarigen, ook wanneer er geen fysiek kind bij betrokken is?
Wij zijn met zijn allen verantwoordelijk voor de bescherming van onze kinderen en moeten elke subcultuur die seksueel misbruik van kinderen normaliseert, bestrijden. Seksueel misbruik van kinderen is onacceptabel en heeft ernstige gevolgen voor de slachtoffers en hun omgeving. Elk slachtoffer van (online) seksueel kindermisbruik is er één te veel. De AI-ontwikkelingen die op dit moment gaande zijn op dit vlak, en de berichten die hierover naar buiten komen, baren mij zorgen. Dit soort ontwikkelingen zijn zeer onwenselijk.
Deelt u de mening dat gedragingen die in de fysieke wereld strafbaar zijn, ook online niet moeten worden getolereerd, ook wanneer het gaat om nabootsing door middel van AI?
Die mening deel ik. Uitgangspunt van de Wet seksuele misdrijven (hierna: WSM) is dat wat offline strafbaar is, ook online strafbaar is. Het voeren van seksgesprekken met of het aanbieden van AI-seksbots van kinderen keur ik af;iedere poging tot normalisering van seksueel misbruik van kinderen is zeer onwenselijk.
Het enkel voeren van seksgesprekken met een AI-chatbot die zich voordoet als een kind is op dit moment niet als zodanig strafbaar. Datzelfde geldt voor het vervaardigen van een AI-chatbot die zich kan voordoen als een kind.
Dat betekent overigens niet dat gebruikers van zo’n chatbot vrij spel hebben: bepaalde aspecten van het bevragen van of praten met een AI-chatbot zijn mogelijk wel strafbaar, bijvoorbeeld het uitvragen van tips voor seksueel misbruik van kinderen, ex artikel 250a Wetboek van Strafrecht en het via zo’n AI-chatbot uitvragen van/creëren van kinderporno, ex artikel 252 van het Wetboek van Strafrecht.
De strafzaak waarnaar wordt verwezen in het door u aangehaalde artikel van het Algemeen Dagblad is een voorbeeld waarin wel sprake was van een strafbare situatie. Hoewel een en ander altijd afhankelijk is van de omstandigheden van het geval overwoog de rechtbank dat sprake was van voorbereidingshandelingen van seksueel kindermisbruik. In de gesprekken die de verdachte met de AI-chatbot voerde werd niet alleen gesproken, of «gefantaseerd», over misbruik, maar werd hoofdzakelijk informatie vergaard over een methode voor het groomen van het neefje van de verdachte om de voorwaarden te scheppen waarin dat misbruik zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat het chatgesprek daarmee, in samenhang met de geschetste context, een duidelijk instructieve inslag had.2
In hoeverre biedt het huidige strafrecht voldoende mogelijkheden om op te treden tegen het ontwikkelen van dergelijke bots, het verspreiden ervan en het gebruiken van dergelijks bots met een seksueel oogmerk?
Het ontwikkelen, verspreiden en gebruiken van dergelijke bots is niet strafbaar gesteld. Bepaalde aspecten van het bevragen van/praten met een dergelijke bot zijn mogelijk wel strafbaar, bijvoorbeeld het uitvragen van tips voor seksueel misbruik van kinderen, ex artikel 250a Wetboek van Strafrecht, en het via zo’n AI-chatbot uitvragen van/creëren van kinderporno, ex artikel 252 Wetboek van strafrecht.
Bent u bereid om het Wetboek van Strafrecht aan te passen zodat ook het creëren, aanbieden of gebruiken van seksueel expliciete AI-personages die minderjarigen voorstellen strafbaar wordt gesteld?
Als beantwoord in de vragen 3 en 4 kunnen bepaalde aspecten van het gebruiken van dit soort bots strafbaar zijn, daarmee zijn er dus nu al instrumenten om dit gedrag aan te pakken. Ik heb daarom op dit moment niet het voornemen om het creëren, aanbieden of gebruiken van deze bots apart strafbaar te stellen.
Grootschalige naamfouten in strafrechtelijke vonnissen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verbijsterde Kamer eist duidelijkheid over massale naamfouten bij justitie»?1
Ja.
Klopt het dat eerder 876 naamfouten in strafrechtelijke vonnissen zijn vastgesteld, maar dat inmiddels signalen bestaan dat het mogelijk om circa 50.000 foutieve naamkoppelingen gaat? Sinds wanneer is uw ministerie bekend met deze hogere aantallen en waarom is de Kamer hierover niet eerder volledig geïnformeerd?
Ik ken de berichtgeving en de problematiek. Het in de mediaberichtgeving genoemde aantal van circa 50.000 onjuiste naamkoppelingen kan ik op basis van de nu beschikbare analyses niet bevestigen.; verschillende grootheden (identiteitsvaststelling in het strafvorderlijke proces versus onjuiste tenaamstelling in een onherroepelijk vonnis) lopen in de berichtgeving door elkaar.
In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de problematiek waar de grootste risico’s voor burgers en voor de uitvoering van straffen zitten, betreft de gevallen waarin na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, blijkt dat er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit en daardoor een mogelijk onjuiste tenaamstelling. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat het sinds 2014 tot medio mei 2025 867 zaken betrof en dit zich gemiddeld zo’n 50 keer per jaar voordoet.2
Wat wordt binnen de justitiële keten exact verstaan onder een «naamfout»? Beperkt dit zich tot administratieve verschrijvingen en typefouten of betreft het tevens gevallen waarin persoonsgegevens van onschuldige burgers ten onrechte zijn gekoppeld aan strafrechtelijke veroordelingen? Kunt u de verschillende categorieën fouten volledig en afzonderlijk kwantificeren?
Het gaat om situaties waarbij de Matching Autoriteit constateert dat de identiteit die zij op dat moment als leidend heeft bepaald, afwijkt van de tenaamstelling van het vonnis. Deze afwijkingen kunnen voortkomen uit schrijffouten, naamswijzigingen, betere identiteitsgegevens die pas later in het strafproces beschikbaar komen, identiteitsfraude of langdurige onzekerheid over de identiteit.
Hieronder is per gevalstype het percentage waarin afwijkingen voorkomen in de 867 geconstateerde zaken indicatief aangegeven:
Deze percentages kunnen wijzigen. Op grond van nadere toetsing kan blijken, dat een zaak tot een ander gevalstype behoort. Deze percentages geven daarmee een voorlopig beeld van de thans beoordeelde zaken.
Op welk moment in de strafrechtketen ontstaan deze fouten precies en waar ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen daarvan? Is sprake van een structurele systeemfout en is hiervoor eerder intern gewaarschuwd?
De problematiek kent verschillende oorzaken. Om te beginnen aan de voorkant van de keten. Daar kunnen verdachten onjuiste of onvolledige gegevens verstrekken die op dat moment niet kunnen worden geverifieerd. Ook kunnen fouten in de registraties ontstaan vanwege verschrijvingen of administratieve vergissingen. Later in het proces, zo leert de praktijk, komen er pas voor het eerst kwalitatief betere identiteitsgegevens beschikbaar (zoals vingerafdrukken). De registraties worden dan indien nodig geactualiseerd. Dat vergt nader ID-onderzoek. Een dergelijk onderzoek neemt veel tijd in beslag en duurt soms langer dan de periode van vervolging/berechting. Hierdoor kunnen fouten lange tijd in de registraties blijven staan en komt pas na het vonnis informatie beschikbaar op basis waarvan wordt geconstateerd dat de tenaamstelling onjuist is. In andere gevallen wordt bij de vervolging (uitbrengen dagvaarding) en berechting (vonnis) niet altijd gewerkt met de meest actuele tenaamstelling, en wordt de identiteit van de verdachte op die momenten niet daadwerkelijk geverifieerd. Bovendien kent de strafrechtketen op dit moment geen structureel herstelproces om deze fouten proactief te herstellen.
Het voorkomen van nieuwe fouten is één van de vier pijlers van de aanpak. Dat laat onverlet dat hier sprake is van een ketenbreed vraagstuk: de oorsprong ligt vaak vroeg in het proces, maar ook in latere fasen moeten signalen tijdig worden onderkend, geverifieerd en verwerkt. Daarom wordt samen met ketenpartners in kaart gebracht waar processen rond identiteitsvaststelling kunnen worden versterkt, zodat nieuwe gevallen worden voorkomen. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat onzekerheid rondom de identiteit van een verdachte inherent is aan het strafproces. Dat houdt verband met het kernbeginsel dat de verdachte niet verplicht is mee te werken aan de eigen veroordeling, maar ook aan de wisselende betrouwbaarheid van de op dat moment beschikbare identiteitsgegevens. Een volledig foutloze keten is niet realistisch; er zal sprake blijven van menselijke invoerfouten en situaties waarin, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van gegevens, identiteiten in de praktijk niet zijn vast te stellen.
Het belang van de strafrechtspleging vergt dat er wordt gewerkt met de beste op dat moment beschikbare gegevens. Daarom wordt ingezet op zo snel mogelijke signalering en correctie binnen de wettelijke kaders. Dit is nadrukkelijk een ketenopgave. Daarom gebeurt dit in samenwerking met onder meer het OM, de Rechtspraak, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, DJI, CJIB, Politie en KMAR. Ook de migratieketen en de burgerketen zijn betrokken.
Klopt het dat eenmaal foutief gekoppelde persoonsgegevens automatisch doorwerken in gekoppelde justitiële databanken? Zo ja, welke systemen zijn daarbij betrokken en hoe verhoudt deze automatische doorwerking zich tot het beginsel van juistheid van persoonsgegevens zoals neergelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming?
De Strafrechtketendatabank (SKDB) verwerkt identiteitsgegevens mede op basis van authentieke of gezaghebbende bronregistraties, waaronder in elk geval de Basisregistratie Personen en, voor zover relevant, de Basisvoorziening Vreemdelingen. Wijzigingen in dergelijke bronregisters kunnen doorwerken in de SKDB om identiteitsgegevens te actualiseren en ketenprocessen te ondersteunen. Of en hoe die doorwerking vervolgens effect heeft in andere ketenprocessen of registraties, hangt af van de aard van de wijziging, de betrokken systemen en de noodzakelijke beoordeling van de gevolgen daarvan.
Een beperkt aantal van de aan de SKDB gekoppelde organisaties valt onder de werking van de AVG. Voor andere organisaties geldt dat de Wet Politiegegevens (Wpg) of de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing zijn, die overigens vergelijkbare bepalingen kennen ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de te verwerken persoonsgegevens. Die stelsels kennen ieder eigen regels over de juistheid, zorgvuldigheid en – waar nodig – correctie van persoonsgegevens. De geautomatiseerde doorwerking van brongegevens ontslaat betrokken organisaties dus niet van hun verantwoordelijkheid om, binnen het voor hen geldende wettelijke kader, onjuistheden te corrigeren wanneer die blijken.
Klopt het dat het corrigeren van foutief gekoppelde persoonsgegevens in de praktijk wordt bemoeilijkt doordat wijzigingen automatisch doorwerken in andere systemen? Deelt u de mening dat systeemtechnische beperkingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen om onjuiste strafrechtelijke registraties in stand te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat systeemtechnische beperkingen nooit zouden mogen leiden tot het in stand houden van onjuiste strafrechtelijke registraties. Juist om die reden heeft de Matching Autoriteit de wettelijke taak (Wivvg) de leidende administratieve identiteit van verdachten en veroordeelden te bepalen. Deze identiteit wordt binnen de strafrechtketen gedeeld en vervolgens in alle fasen van het strafproces gebruikt. Door het centraal beheer en onderhoud van identiteitsgegevens in de strafrechtketen en het eenduidig gebruik hiervan in de keten(-systemen), kunnen de uniformiteit van gegevens, dataconsistentie en de mogelijkheid tot integraal herstel (na constatering onjuiste tenaamstelling) worden geborgd. Dat neemt niet weg dat herstel in de praktijk per systeem en per rechtsgevolg verschillende handelingen kan vergen. Juist daarom is van belang dat onjuiste registraties niet alleen technisch, maar ook juridisch en procesmatig zorgvuldig kunnen worden hersteld. Om die reden is begin dit jaar een wijziging in de systemen gerealiseerd waardoor het mogelijk is geworden om geautomatiseerd doorgevoerde wijzigingen weer terug te draaien.
Bestaat er binnen de justitiële keten onduidelijkheid over wie bevoegd is om fouten in strafrechtelijke vonnissen en de daaraan gekoppelde registraties te herstellen? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat geen eenduidige herstelbevoegdheid is vastgelegd terwijl dergelijke fouten verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de rechtspositie van burgers?
Er bestond inderdaad onzekerheid omtrent de herstelbevoegdheden. Deze onzekerheid is inmiddels in belangrijke mate verduidelijkt door het ontwikkelde Toetsings- en handelingskader dat de rechtstatelijke bevoegdheidsgrenzen expliciet maakt. Dat kader is conform toezegging in Q1 definitief vastgesteld en wordt in de komende tijd verder geoperationaliseerd in de uitvoeringspraktijk. Met dit kader wordt de werkwijze rond de registratie van onherroepelijke vonnissen in geval van twijfel over de tenaamstelling, heringericht. Dit kader is gebaseerd op een door deskundigen in- en extern gevalideerde juridische grondslag. Daarbij geldt als uitgangspunt dat correctie van registraties onder omstandigheden mogelijk is, maar dat wijziging van een onherroepelijk rechterlijk oordeel uitsluitend door de rechter zelf kan worden gedaan.
Hoeveel burgers hebben aantoonbaar nadeel ondervonden van onjuiste registraties in justitiële systemen, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag, bij werk- of veiligheidsscreening, in opsporingsonderzoeken, detentie of verblijfsrechtelijke procedures? In hoeveel gevallen hebben foutieve naamkoppelingen ertoe geleid dat veroordeelde personen niet (tijdig) zijn gedetineerd of ten onrechte op vrije voeten zijn gebleven?
In de Kamerbrief van 10 november 20253 is melding gemaakt van vier gevallen waarin foutieve tenaamstelling aan de orde was. In twee van die gevallen zijn personen bij identiteitscontrole gedetineerd geweest; nadat bleek dat zij niet de dader waren, zijn zij in vrijheid gesteld. Of er in meer zaken sprake is geweest van benadeling van burgers zal moeten blijken uit de lopende analyse van de overige zaken waarin er aanwijzingen zijn dat er sprake was van een foutieve tenaamstelling in een vonnis.
Ook is aangegeven dat in 8 gevallen waarin binnen de onderzochte groep een VOG-aanvraag aan de orde was, de nieuwe informatie niet tot een ander oordeel zou hebben geleid.
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak kon het vonnis niet worden betekend als gevolg van onvindbaarheid en staat de veroordeelde om die reden gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Hoeveel verzoeken tot correctie van onjuist verwerkte persoonsgegevens zijn sinds 2010 ingediend, hoeveel daarvan zijn toegewezen en hoeveel afgewezen, en op welke gronden zijn deze verzoeken afgewezen?
Op de door u gestelde vraag kan geen antwoord worden gegeven, omdat cijfermateriaal vanaf 2010 niet beschikbaar is. Het gevraagde, namelijk onjuist verwerkte persoonsgegevens, is daarbij een ander begrip en veel breder dan een «onjuiste tenaamstelling». Daarnaast kan een verzoek tot correctie betrekking hebben op verschillende onderdelen van de registratie van (persoons-)gegevens in de SKDB en niet uitsluitend op de correctie van de personalia van een betrokkene. Dat neemt niet weg dat ik zal bezien hoe de registratie van dergelijke signalen, verzoeken en afdoeningen vanaf nu eenduidiger kan plaatsvinden, zodat hierover in de toekomst beter kan worden gerapporteerd.
Erkent u dat het ten onrechte registreren van burgers als crimineel een ernstige aantasting kan vormen van hun rechtspositie, reputatie en grondrechten? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om alle foutieve registraties actief op te sporen, gedupeerde burgers te informeren en hen adequaat te compenseren?
Het is van groot maatschappelijk belang dat de identiteit van verdachten in het strafproces juist wordt vastgesteld, om te voorkomen dat onschuldigen nadeel ondervinden of dat daders hun straf ontlopen. Uit de rapportage van de Algemene Rekenkamer (ARK) in mei 2025 en de daarop volgende brieven aan uw Kamer5 blijkt dat het in het verleden niet altijd goed is gegaan
Om deze problematiek structureel en rechtstatelijk op te lossen, wordt momenteel een plan van aanpak uitgevoerd waarvan de hoofdlijnen eerder met uw Kamer zijn gedeeld. Kort samengevat bestaat dat uit:
Daarbij wordt niet alleen ingezet op het voorkomen van nieuwe gevallen en het beoordelen van bekende zaken, maar ook op het zo veel mogelijk in beeld brengen van gevallen waarin burgers concreet nadeel hebben ondervonden. Waar daar aanleiding toe bestaat, wordt bezien of en hoe betrokkenen actief kunnen worden benaderd en welke passende herstel- of schadetrajecten openstaan. Daarnaast kunnen burgers die menen nadeel te ondervinden van een onjuiste overheidsregistratie zich melden via onder andere het Meldpunt Fouten in Overheidsregistraties; bezien wordt hoe deze route in dit dossier zo toegankelijk mogelijk kan worden gemaakt.
Het bericht dat ruim 600 Nederlanders in het Israëlische leger hebben gediend |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Foort van Oosten (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ruim 600 Nederlanders dienden vorig jaar in Israëlische leger»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Van Baarle inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger?2
Ja.
Wat is uw reactie op de onthulling dat volgens cijfers gepubliceerd door DeclassifiedUK zeker 645 mensen met de Nederlandse nationaliteit in het Israëlische leger gediend zouden hebben? Deelt u de mening dat dienen in het misdadige Israëlische leger onacceptabel en ongewenst is?
De Nederlandse overheid houdt niet bij of Nederlanders dienst hebben genomen bij de krijgsmacht van landen waarmee Nederland niet in gewapend conflict is. Nederland is niet in gewapend conflict met Israël en houdt deswege niet bij hoeveel Nederlanders in het Israëlische dienen of hebben gediend.
Bent u bereid om, vanwege de grove mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden die Israël pleegt, een onderzoek in te lassen naar de mogelijke betrokkenheid van Nederlanders bij misdaden gepleegd door het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van gedragingen die mogelijk individueel strafbaar handelen opleveren en of het opportuun is om tot vervolging over te gaan.
Waarom heeft u, aangezien de genoemde informatie via een openbaarheidsverzoek beschikbaar zou zijn gekomen, dit niet eerder achterhaald of aan de Kamer gemeld?
Zie het antwoord op vraag 3.
Heeft u navraag gedaan bij de Israëlische autoriteiten bij de beantwoording van de eerdere vragen van het lid Van Baarle inzake dit onderwerp? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat bleek hieruit?
Ja, er is navraag gedaan bij de Israëlische krijgsmacht of er informatie beschikbaar was over Nederlanders in het Israëlische leger. De Israëlische krijgsmacht heeft destijds aangegeven geen informatie te delen over IDF militairen met een Nederlandse en/of dubbele nationaliteit.
Bent u bereid om alsnog navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten over het aantal en de inzet van Nederlanders die dienen in het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Zijn er bij het Openbaar Ministerie indicaties bekend dat mogelijk sprake is van internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger en zijn hier reeds onderzoeken naar gedaan om te bezien of strafrechtelijke vervolging opportuun is?
Wanneer signalen, aangiften of andere informatie beschikbaar komen die duiden op mogelijke individuele betrokkenheid bij internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft, worden deze altijd zorgvuldig door het Openbaar Ministerie gewogen en wordt beoordeeld of het opportuun is om vervolging in te stellen. Tot op heden heeft dit nog niet geleid tot strafrechtelijke vervolging, omdat er geen aanwijzingen zijn van individuele strafrechtelijke betrokkenheid.
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in illegaal bezet gebied onacceptabel is en in strijd met het internationaal recht? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Betrokkenheid van individuele Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in onrechtmatig bezet gebied vindt niet plaats uit hoofde van de Nederlandse staat. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij gevechtshandelingen in Gaza het grote risico met zich meebrengt dat deze Nederlanders betrokken zouden kunnen zijn geweest bij oorlogsmisdaden dan wel hier getuige van zouden kunnen zijn geweest? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen. Het is aan het Openbaar Ministerie om te oordelen over mogelijk individueel strafrechtelijk handelen waarover Nederland rechtsmacht heeft. Zie het antwoord op vraag 8 en 9.
Had u op enig moment sinds 7 oktober 2023 kennis van Nederlanders die (mogelijk) dienen in het Israëlische leger en waarom is dat niet aan de Kamer gemeld? Wat is er met deze informatie gedaan?
Zie het antwoord op vraag 3 en 8.
Heeft u op enig moment sinds 7 oktober 2023 contact gehad met Israël inzake Nederlanders die mogelijk dienen in het Israëlische leger? Zo ja, waarom en wat was de strekking van dit contact?
Ja, zie het antwoord op vraag 6.
Is het nog steeds zo dat er geen Nederlandse militairen zijn die toestemming hebben gevraagd om in het Israëlische leger te dienen?
Ja.
Zijn u indicaties of voorbeelden bekend dat Israël of aan Israël gelieerde organisaties in Nederland werven voor het Israëlische leger dan wel bevorderen dat mensen actief worden voor het Israëlische leger? Zo ja, deelt u de mening dat dit volstrekt onwenselijk is en mogelijk zelfs strafbaar?
Nee.
Is het in alle gevallen zo (geweest) dat de Nederlandse overheid zelf niet bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van een land waarmee Nederland geen gewapend conflict heeft? Klopt het dus dat Nederland op dit moment op geen enkele manier bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van andere landen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat Nederland ook niet bijhoudt of er sprake is van dienen in het leger van landen die in oorlog zijn en waarbij er een risico bestaat op schendingen van het internationaal recht?
Ja.
Bent u bereid om deze vragen elk afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
De dodelijke mishandeling van een 23-jarige student door extreemlinkse militanten in Lyon |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de 23-jarige Franse student Quentin op 12 februari 2026 in Lyon zwaar is mishandeld door een groep extreemlinkse militanten en op 14 februari aan zijn verwondingen is overleden?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit incident niet beschreven kan worden als geweld tussen politieke groeperingen, gelet op het feit dat Quentin alleen was en belaagd werd door circa 25 militanten? Zo ja, deelt u de opvatting dat lynching een accuratere benaming is voor het incident?
Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is echter niet aan mij om inhoudelijke uitspraken te doen over een lopend strafrechtelijk onderzoek in Frankrijk.
Deelt u de kwalificatie van de Franse Minister van Justitie Gérald Darmanin dat Quentin «onmiskenbaar door ultra-links» is gedood?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de dodelijke aanval op Quentin past in een breder patroon gericht geweld vanuit extreemlinkse hoek?3, 4 Zo nee, waarom niet?
In de extreemlinkse beweging is antifascisme een prominent thema dat kan leiden tot acties tegen politieke tegenstanders. Over het algemeen is de geweldsbereidheid binnen de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en lijkt deze ook niet toe te nemen. In landen met een radicalere antifascistische beweging kan ook sprake zijn van geweld tegen politieke tegenstanders.
Bent u bereid het dreigingsniveau ten aanzien van links-extremistisch geweld opnieuw te laten beoordelen in het licht van het Europese patroon van dodelijk extreemlinks geweld? Zo nee, waarom niet?
De NCTV rapporteert twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en gewelddadig extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Hieraan ligt onderzoek ten grondslag naar alle vormen van terrorisme en gewelddadig extremisme, ongeacht ideologische signatuur.
In 2018 is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar links-extremistische groeperingen in Nederland.5 In dit onderzoek werd geconcludeerd dat buitenwettelijke handelingen zoals gewelds- en vermogensdelicten nadrukkelijk tot de modus operandi van sommige links-extremistische groepen behoren. Het onderzoek stelt tevens dat verhoudingsgewijs de meeste links-extremistische groeperingen zich manifesteren op de thema’s antifascisme en mensenrechten.
De meest recente dreigingsbeelden geven op dit moment geen aanleiding om opnieuw specifiek onderzoek te doen naar het radicaliseringsproces van links-extremistische groeperingen. De links-extremistische scene in Nederland bestaat voornamelijk uit anarchisten en communisten. In het DTN van december 2025 constateert de NCTV dat het georganiseerde links-extremisme in Nederland al langere tijd gefragmenteerd, klein in omvang en ideologisch divers is. Ook wordt in het DTN van december 2025 stilgestaan bij de geweldsbereid van de links-extremistische actiescene in omringende landen. In het DTN wordt beschreven dat de linkse actiescene in andere landen vaak radicaler is dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zouden zijn om geweld te gebruiken dan hier. In Nederland is de geweldsbereidheid binnen zowel de links-extremistische beweging beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen. Daarbij is het belangrijk om te constateren dat de omvang van geweldbereide links-extremisten in landen als Duitsland, Frankrijk of Italië niet in verhouding staat tot Nederland. In Duitsland gaat het bijvoorbeeld om ruim 11.000 personen. In Nederland gaat het hooguit om enkele tientallen insurrectionele of geweldsbereide anarchisten.
In de afgelopen jaren zijn personen afkomstig uit het buitenland in toenemende mate onderdeel gaan uitmaken van de Nederlandse scene. Radicalere buitenlandse activisten kunnen zich afkeren van de – in hun ogen gematigde Nederlandse protestcultuur – en op zoek gaan naar gelijkgestemden. Dit heeft echter tot op heden niet geleid tot een toegenomen geweldsbereidheid van links-extremisten in Nederland. Vanzelfsprekend houdt NCTV de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en rapporteert over ontwikkelingen in de dreiging in het eerstvolgende DTN.
Bent u bekend met het feit dat de term «Antifa» in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (december 2025) niet één keer voorkomt, terwijl Antifa-gelieerde groeperingen in meerdere Europese landen aantoonbaar betrokken zijn bij zwaar geweld tegen personen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) te verzoeken in het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland expliciet aandacht te besteden aan gewelddadige extreemlinkse groeperingen in Europa en mogelijke spillover-effecten naar Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer kan de Kamer de toegezegde brief verwachten over de uitvoering van de motie-De Vos c.s. (Kamerstuk 36 800, nr. 47) inzake het aanmerken van Antifa als terroristische organisatie, die vóór het kerstreces van 2025 zou worden toegezonden?
Uw Kamer heeft op 18 september 2025 de motie van het lid De Vos (FvD) c.s. aangenomen die verzoekt «Antifa» in Nederland als terroristische organisatie aan te merken.6 Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is niet aan mij om daar inhoudelijke uitspraken over te doen. Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Is de dodelijke aanval in Lyon voor u aanleiding om de uitvoering van bovengenoemde, door een Kamermeerderheid aangenomen, motie te versnellen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat buitenlandse extreemlinkse militanten naar Nederland reizen om hier geweld te plegen?
In zijn algemeenheid geldt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij het beoordelen van verblijfsaanvragen alert is op signalen die kunnen wijzen op een mogelijke dreiging voor de nationale veiligheid. De IND deelt zulke signalen, binnen de geldende wettelijke kaders, met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de politie.
Indien blijkt dat een vreemdeling een bedreiging voor de openbare of nationale veiligheid vormt zal de IND de mogelijkheden bezien om deze persoon te weren.
Daarnaast staan de Nederlandse politie en andere overheidspartners in voortdurend contact met buitenlandse partners. Hierbij kunnen ook signalen worden gewisseld over dat mogelijk gewelddadige extremisten over landgrenzen zullen reizen.
Bent u bekend met het feit dat een van de verdachten van de dodelijke aanval op Quentin een parlementair medewerker is van La France Insoumise-Kamerlid Raphaël Arnault, wiens partij in het Europees Parlement aangesloten is bij de Linkse Fractie – waar tevens twee Nederlandse partijen bij zijn aangesloten, te weten de Socialistische Partij en de Partij voor de Dieren?5
Ja.
Bent u tevens bekend met het feit dat Arnault zelf medeoprichter is van de wegens gewelddadig activisme ontbonden groepering La Jeune Garde?6
Ja.
Wat concludeert u hieruit over de houding ten opzichte van het gebruik van geweld binnen extreemlinkse kringen?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vragen 5, 6 en 7. De linkse actiescene is in omringende landen vaak radicaler dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zijn geweld te gebruiken dan hier.
Het artikel ‘Kans op herhaling criminelen jarenlang verkeerd berekend door reclassering’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Computer slechte voorspeller recidive» over risicotaxatie-algoritmen binnen de reclassering?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van de samenleving tegen recidive de hoogste prioriteit moet hebben bij risicotaxatie?
De bescherming van de samenleving is een kerndoel van de reclassering. Risicotaxatie is daarvoor een belangrijk middel. Risicotaxatie moet verantwoord gebeuren om effectief bij te dragen aan die veiligheid.
Kunt u concreet onderbouwen dat het gebruik van algoritmen binnen de reclassering leidt tot structurele discriminatie?
Het risicotaxatieinstrument OxRec maakt geen direct onderscheid naar ras of etniciteit. Maar volgens de Inspectie Justitie en Veiligheid kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van buurtscore en inkomen kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.2 Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.3
Is het juist dat variabelen zoals woonomgeving, inkomen en opleidingsniveau statistisch samenhangen met recidive?
Ja, dat klopt. De OxRec is ontwikkeld door onderzoekers verbonden aan de universiteit van Oxford. Bij de keuze voor het opnemen van verschillende variabelen verwijzen zij naar wetenschappelijk onderzoek, waaruit de samenhang van deze variabelen met recidive blijkt.4
Deelt u de mening dat het negeren van dergelijke factoren kan leiden tot een minder realistische risico-inschatting?
Ja, dat risico bestaat.
Bent u het ermee eens dat statistische verschillen tussen groepen niet automatisch betekenen dat sprake is van discriminatie?
Ja. Zo zijn er bijvoorbeeld statistische verschillen tussen mannen en vrouwen met betrekking tot (herhaling van) criminaliteit. Ook leeftijd en verslaving zijn bijvoorbeeld variabelen die samenhangen met recidive. Het meewegen van die verschillen kan gerechtvaardigd zijn, maar moet onderbouwd worden.
Klopt het dat algoritmen slechts ondersteunend zijn en dat de uiteindelijke beslissing bij de professional of rechter ligt? En hoe werkt dit process?
Het klopt dat de algoritmen worden gebruikt als een hulpmiddel. Volgens de reclassering zijn de algoritmen niet doorslaggevend en vervangen het professioneel oordeel niet. Ze ondersteunen en fungeren als het ware als «spiegel» bij de totstandkoming van het advies. Dit proces is volgens de reclassering ook zo in het beleid vastgelegd. Desalniettemin is het van belang om hier voortdurend alert op te blijven. Hiervoor zal de reclassering in de toekomst specifiek aandacht hebben, zodat kennis en werkprocessen op peil blijven en waar nodig worden verbeterd.
Tot slot is het niet aan mij om opiniemakers en media te recenseren die een andere indruk wekken over de werkwijze van de reclassering.
Waarom wordt in het publieke debat de indruk gewekt dat «de computer beslist», terwijl het om een hulpmiddel gaat?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre acht u het verantwoord om bewezen risicofactoren te schrappen uit angst voor vermeende discriminatie?
In het verbetertraject van de reclassering wordt onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec. Variabelen in de betreffende algoritmes worden alleen verwijderd als deze leiden tot een ongerechtvaardigd onderscheid (discriminatie). Ik kan hierop niet vooruitlopen.
Kunt u aangeven of het verwijderen van bepaalde variabelen gevolgen heeft voor de nauwkeurigheid van de voorspellingen?
Zie antwoord vraag 9.
Is onderzocht wat de impact op recidivecijfers kan zijn wanneer risicomodellen worden afgezwakt?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe weegt u het belang van publieke veiligheid tegenover zorgen over indirecte discriminatie?
Beide belangen wegen zwaar en zijn verenigbaar. Ik wil recht doen aan beide belangen. Een verantwoorde risicotaxatie beschermt de samenleving en voorkomt dat mensen op bepaalde gronden ongerechtvaardigd zwaarder worden aangepakt.
Zijn er concrete gevallen bekend waarin mensen aantoonbaar onterecht zwaarder zijn bestraft door algoritmische inschattingen?
Nee. In eerder genoemde beleidsreactie wordt dit toegelicht.5
Deelt u de zorg dat politieke correctheid zwaarder kan gaan wegen dan veiligheid?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 12.
Hoe gaat u voorkomen dat criminelen profiteren van afgezwakte risicotaxaties?
Zie antwoord vraag 14.
Worden slachtoffers en hun belangen expliciet meegewogen in deze discussie? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het slachtofferperspectief wordt in het verbetertraject van de reclassering meegenomen. Slachtofferbewust en herstelgericht werken zijn al vaste en belangrijke onderdelen van het reclasseringswerk. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het betrekken van slachtofferbelangen in een reclasseringsadvies, zoals het adviseren van veiligheidsmaatregelen (contact- en locatieverbod).
In hoeverre worden politie en reclasseringsprofessionals betrokken bij aanpassingen van deze systemen?
De maatregelen in het verbetertraject zien op aanpassingen van de algoritmes die de reclassering bij risicotaxatie hanteert. Bij dit traject worden ook reclasseringswerkers betrokken. Daarnaast betrekt de reclassering ook de wetenschap en andere deskundigen op dit terrein. De reclassering informeert de ketenpartners tijdig en betrekt hen zo nodig in het verbetertraject.
Bent u bereid transparant te maken welke variabelen worden gebruikt en waarom?
Alle variabelen van de OxRec, zoals de reclassering die heeft geïmplementeerd, staan genoemd in bijlage E van het Inspectierapport.
Kunt u garanderen dat het voorkomen van recidive leidend blijft bij eventuele herzieningen van deze systemen?
Zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 12.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de effecten op veiligheid wanneer wijzigingen in algoritmen worden doorgevoerd?
In de beleidsreactie is aangegeven dat uw Kamer naar verwachting in het najaar van dit jaar wordt geïnformeerd over de opvolging van de aanbevelingen. Dit punt zal daarin worden meegenomen.
Het gebruik van foutieve algoritmes bij de reclassering |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Risicovol algoritmegebruik» van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) waaruit blijkt dat de reclassering jarenlang een gebrekkig algoritme gebruikte om recidiverisico’s te voorspellen?1
Ja.
Hoelang worden deze foutieve algoritmes gebruikt?
De reclassering heeft de OxRec in 2018 in gebruik genomen.
Hoelang was u al op de hoogte van deze problemen bij de reclassering?
De aard en omvang van de problemen rondom de algoritmes bij de reclassering zijn bij mij in beeld gekomen door het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de Inspectie). De Inspectie heeft de reclassering en het ministerie medio 2025 bericht over de voorlopige bevindingen. Het definitieve rapport is in december 2025 opgeleverd door de Inspectie.
Waarom zijn deze foutieve algoritmes niet eerder stopgezet?
Het pauzeren van de OxRec heeft impact op de wijze waarop adviezen tot stand komen en raakt daarmee het dagelijks werk van vele reclasseringswerkers. Zo’n wijziging lijkt op zichzelf klein, maar heeft flinke impact, zeker omdat deze veel medewerkers raakt. Een goede voorbereiding van de pauzering door nieuwe werkafspraken te maken, was essentieel om de kwaliteit van de adviezen te kunnen blijven garanderen. Dit kostte tijd. Het eerder op verantwoorde wijze pauzeren van de OxRec dan 12 februari jl. werd niet mogelijk geacht.
Hoeveel plegers van ernstige geweldsmisdrijven zijn door deze foutieve algoritmen eerder op straat gekomen?
De inspectie concludeert dat de OxRec door de implementatiegebreken in circa 21 procent (bij algemene recidive) en 6 procent (bij gewelddadige recidive) van de gevallen tot een andere risicocategorie zou zijn gekomen. Dat betreur ik zeer. In het verbetertraject van de reclassering worden alle aanbevelingen van de Inspectie overgenomen. Het is helaas niet mogelijk om binnen dit traject met terugwerkende kracht vast te stellen of reclasseringswerkers door de implementatiegebreken in de OxRec tot andere adviezen zijn gekomen, laat staan of dit tot andere strafrechtelijke beslissingen zou hebben geleid. Reclasseringsadviezen zijn namelijk altijd gebaseerd op een menselijk oordeel, en dit menselijk oordeel kan niet achteraf opnieuw worden geconstrueerd.2
Hoe beoordeelt u de conclusie van de IJenV dat in circa een kwart van de gevallen het recidiverisico te hoog of te laag is ingeschat door fouten in het algoritme?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre kunt u vaststellen dat op basis van deze gebrekkige algoritmes er verkeerde beslissingen worden genomen?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u het mogelijk dat fouten als gevolg van gebrekkige algoritmes invloed hebben op de veiligheid van de samenleving of de rechtspositie van betrokkenen?
Zie antwoord vraag 5.
Gaat u onderzoek doen naar de gevolgen van het gebruik van deze algoritmes door de reclassering?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe oordeelt u over de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat door het gebruik van kenmerken als postcode en inkomen in algoritmen, er indirect sprake kan zijn van discriminatie?
Volgens de Inspectie kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van deze factoren kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.3
Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.4
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de fouten door het gebruik van gebrekkige algoritmen te herstellen en het systeem te verbeteren om herhaling te voorkomen?
Alle conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Inspectie worden in het verbetertraject door de reclassering opgepakt.
Wanneer verwacht u de Kamer informeren over de voortgang van het herstel en de verbeteringen?
Ik verwacht de Kamer in het najaar van dit jaar te kunnen informeren over de opvolging van de aanbevelingen.
De oproep van strafrechters om het tbs-systeem te ontlasten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat strafrechters het tbs-stelsel zien vastlopen?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik ken het bericht en onderken het probleem van de capaciteitsdruk binnen de tbs en de overige forensische zorg. In dit verband verwijs ik naar de voortgangsbrief forensische zorg d.d. 20 maart 2026 die tegelijk met de beantwoording van deze Kamervragen aan uw Kamer is gestuurd. Hier ga ik uitgebreid in op de aard van de problematiek en de maatregelen om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden.
Hoe beoordeelt u de oplossingsrichtingen die de twee genoemde vooraanstaande strafrechters schetsen om de bestaande overbelasting van het tbs-stelsel te helpen bestrijden, naast de voorgenomen uitbreiding van 200 extra tbs-plekken? Wat vindt u van het voorstel van deze strafrechters om het aantal plekken in lichtere forensische klinieken en in beschermd woonprojecten uit te breiden?
De forensische zorg is essentieel voor de veiligheid van de Nederlandse samenleving. In het artikel van het Algemeen Dagblad pleiten de strafrechters onder meer voor het minder snel opleggen van tbs en tbs met voorwaarden. Binnen onze constitutionele verhoudingen is het de verantwoordelijkheid van de rechter om in individuele zaken te beslissen over het opleggen van tbs (met voorwaarden).
Daarnaast pleiten de rechters voor het uitbreiden van de lichter beveiligde forensische voorzieningen en het beschermd wonen om de tbs-klinieken te ontzien. Zoals in de voortgangsbrief wordt toegelicht, onderschrijf ik het belang van het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken. Naarmate de behandeling vordert, kan de zorg van patiënten op een lager beveiligingsniveau plaatsvinden. Om te voorkomen dat tbs-gestelden langer dan noodzakelijk hoog beveiligde plekken bezet houden, is een programma opgestart door DJI samen met de tbs-klinieken en de overige forensische zorgaanbieders om voldoende en passende capaciteit voor vervolgzorg tijdens de strafrechtelijke titel te realiseren. Het programma heeft als doel om de door- en uitstroom in tbs-klinieken te optimaliseren.
Kunt u aangeven welke voorzieningen beschikbaar zijn voor forensische zorg, om hoeveel plekken het daarbij gaat, welke problemen bij de toeleiding naar de afzonderlijke zorgvormen bestaan, hoe het concreet met de doorstroom van tbs-gestelden naar alternatieve zorgvormen is gesteld en hoe de afzonderlijke zorgaanbieders met elkaar samenwerken om onder de huidige bestaande omstandigheden een maximaal aantal patiënten de gepaste (beveiligde) zorg en begeleiding te bieden?
Er zijn verschillende type voorzieningen beschikbaar variërend van hoog beveiligde klinische zorg in de vorm van Forensisch Psychiatrische Centra (tbs-klinieken) en Forensische psychiatrische klinieken, maar ook lager beveiligde klinische plaatsen zoals Forensische Psychiatrische Afdelingen en gesloten afdelingen in de reguliere ggz. Daarnaast zijn forensische beschermd wonen plaatsen beschikbaar en allerlei vormen van ambulante begeleiding, behandeling en dagbesteding. In 2025 zijn gemiddeld 1.684 tbs plekken, 926 klinische bedden en 2.029 forensisch wonen bedden gerealiseerd. De druk op hoogbeveiligde klinische zorg is het grootst met plaatsingsproblematiek als gevolg. Daarom zet ik in op uitbreiding van capaciteit. In de voortgangsbrief forensische zorg die ik zojuist aan de Tweede Kamer heb verstuurd, ga ik hier dieper op in. In de bijlage bij de voortgangsbrief is de Staat van de Forensische zorg toegevoegd, met meer cijfermatige overzichten.
De komende jaren wordt ingezet op uitbreiding met nog eens 200 plekken voor de tbs. De realisatie daarvan is mede afhankelijk van verschillende factoren waaronder bouwvergunningen en de beschikbaarheid van voldoende personeel.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en toegelicht in de voortgangsbrief wordt ook gezamenlijk ingezet op het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken naar lagere beveiligingsniveaus en op het bevorderen van het draagvlak van gemeentes. In beginsel ligt de focus op doelgroepen met chronische problematiek die in verschillende mate toezicht en/of zorg nodig hebben op verschillende beveiligingsniveaus (met name laag of niet-beveiligd. Hiermee kunnen op termijn 50 plaatsen op het hoogst beveiligde niveau worden vrijgespeeld.
Kunt u uitsluiten dat de huidige capaciteitsdruk leidt tot onveilige situaties voor personeel en samenleving? En in hoeverre leidt de passantenproblematiek tot schadevergoedingen wegens onrechtmatige detentie?
Het bevorderen van een veilig werk- en behandelklimaat heeft voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid, haar uitvoeringsorganisaties en de zorgaanbieders de hoogste prioriteit. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat incidenten nooit volledig kunnen worden uitgesloten. Daarom proberen wij gezamenlijk van ieder incident te leren en er alles aan te doen om incidenten te voorkomen.
Zoals in de voortgangsbrief toegelicht, heeft een tbs-passant recht op een schadevergoeding wanneer de passantentermijn langer duurt dan vier maanden.2 In totaal is in 2025 is € 545.580,– aan passantenvergoedingen uitgekeerd.
Welke maatregelen zijn nodig om het vastgelopen stelsel vlot te trekken door te voorzien in een adequaat aantal tbs-plekken, om de doorstroom naar alternatieve zorgvormen te optimaliseren en om de samenwerking tussen betrokken organisaties en overheden (onder andere het Openbaar Ministerie, de advocatuur, de Rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Geestelijke Gezondheidszorg, zorginstellingen, decentrale overheden en begeleidende organisaties) te optimaliseren? Bent u bereid om hiervoor de noodzakelijke stappen te zetten, zoals bijvoorbeeld het instellen van een taskforce? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de verdere besluitvorming hierover?
Voor het overzicht van de gezamenlijke inzet om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden, verwijs ik u naar de eerder genoemde voortgangsbrief forensische zorg.
Het artikel 'Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen meeste raadsleden door' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen de meeste raadsleden door»?1
Ja, van dit artikel heb ik kennis genomen.
Hoe oordeelt u over het bericht dat de agressie, bedreiging en intimidatie die gemeenteraadsraadsleden ervaren sinds vier jaar meer dan verdubbeld is?
Als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sta ik achter onze raadsleden. Het is onacceptabel dat onze volksvertegenwoordigers bedreigd en geïntimideerd worden. De berichten over de toename van agressie, bedreiging en intimidatie richting de gemeenteraadsleden zijn zorgelijk. Daarom zet ik mij door middel van het programma Weerbaar Bestuur in om de gemeenteraadsleden beter te beschermen en te ondersteunen na een incident.
Hoe oordeelt u over het bericht dat een derde van de raadsleden in de afgelopen bestuursperiode te maken heeft gehad met agressie, bedreiging of (verbaal) geweld, ruim twee keer zoveel als in 2022 en ruim zes keer zoveel als in 2015?
Agressie, bedreiging en intimidatie aan het adres van raadsleden zijn onaanvaardbaar. De berichten over de toename van incidenten zijn mij bekend en ik vind deze zeer verontrustend. Samen met het Netwerk Weerbaar Bestuur werkt mijn ministerie sinds 2018 aan het vergroten van de veiligheid van politieke ambtsdragers, onder wie raadsleden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat dertig procent van de bedreigde raadsleden aangeeft dat haar functioneren hierdoor wordt beïnvloed?
Het is ontoelaatbaar dat bedreigingen het functioneren van raadsleden beïnvloeden. Bedreigingen zijn niet normaal en horen niet bij het ambt. Raadsleden moeten hun werk zonder dreiging of druk van buitenaf kunnen uitvoeren. Als zij niet vrij hun werk kunnen doen, schaadt dit de democratie. Agressie, bedreiging en intimidatie moeten niet genormaliseerd worden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat vrouwelijke raadsleden meer bedreigd worden dan mannelijke raadsleden?
Online agressie treft vrouwelijke ambtsdragers in hogere mate dan hun mannelijke collega’s. Deze agressie is vaker op de persoon gericht en wordt als ernstiger ervaren. Dit is zorgwekkend. Daarom heeft mijn ministerie in samenwerking met het Netwerk Weerbaar Bestuur een steunpakket online agressie en intimidatie ontwikkeld, gericht op het ondersteunen van (vrouwelijke) politieke ambtsdragers die slachtoffer worden van online agressie. Dit steunpakket bevat praktische tips voor de preventie van, reactie op en nazorg na online agressie en intimidatie. Het steunpakket is te vinden op de website van het Netwerk Weerbaar Bestuur: https://www.weerbaarbestuur.nl/producten-en-diensten/steunpakket-preventie.
Wat gebeurt er om de raadsleden beter te beschermen en weerbaar te maken tegen dit soort praktijken?
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur van het Ministerie van BZK zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Wat kunt u verbeteren in de aanpak van agressie en bedreiging tegen raadsleden?
Er is al veel hulp beschikbaar voor decentrale volksvertegenwoordigers wanneer zij met agressie, intimidatie of bedreiging te maken krijgen. Toch kunnen wij hen op sommige vlakken beter ondersteunen. Dit geldt allereerst voor steun bij online agressie en bedreigingen. Daarom wil ik middelen vrijmaken voor een onderzoek naar online agressie en alternatieve sanctiemogelijkheden. Hierdoor kunnen we daders beter aanpakken. Ook het aangifteproces kan worden versimpeld. Daarom werken mijn ambtsgenoot van JenV en ik aan een modelaangifte waardoor het doen van aangifte door of namens politieke ambtsdragers makkelijker wordt. Over de opvolging van aangifte door Politie en OM blijf ik met mijn ambtsgenoot van JenV in gesprek. Tot slot moeten raadsleden, Statenleden en algemeen besturen van waterschappen veilig kunnen vergaderen. Daarom heb ik uw Kamer op 16 februari jl. geïnformeerd dat ik voornemens ben hier aanvullende middelen voor vrij te maken (Kamerstukken II 2025–2026 36 800 VII, nr. 66).
Bent u bereid hierin waar nodig samen te werken met de Ministerie van Justitie en Veiligheid, bijvoorbeeld door aanscherping van het programma «Bewaken en beveiligen»?
Naast de eerder benoemde preventieve en weerbaarheidsverhogende maatregelen kunnen er verschillende veiligheidsmaatregelen getroffen worden. Binnen het taakveld bewaken en beveiligen kunnen op gezag van OM, burgemeester of NCTV veiligheidsmaatregelen ingezet worden. Ik werk daarom nauw samen met de Minister van Justitie en Veiligheid met als doel om al onze volksvertegenwoordigers veilig hun werk te kunnen laten doen.
Vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten, personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen gerechtvaardigd is?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen, zoals een helm, bestaan. Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet het gebruik van helmen in haar toezicht, zowel helmen met als zonder slot, voornamelijk in de gehandicaptenzorg. Als deze hulpmiddelen worden gebruikt is dat meestal bij mensen die zelf verwondend gedrag vertonen of bij mensen met epilepsie. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en de Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG) geven desgevraagd aan dat gebruik gemaakt wordt van zogenoemde epilepsiehelmen (valhelmen), om te voorkomen dat cliënten bijvoorbeeld ernstig letsel oplopen bij (onverwachte) valpartijen tijdens een epileptische aanval. Ook de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Nederlandse GGZ geven aan dat, in uitzonderlijke gevallen, op basis van de juiste wet- en regelgeving het gebruik van een (val)helm zou kunnen worden toegepast. In alle gevallen geldt dat de toepassing van een dergelijk hulpmiddel, zoals een helm, met voldoende waarborgen is omkleed.
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Ja, het gebruik van hulpmiddelen kan toegestaan zijn, maar alleen conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Als niet wordt voldaan aan die wet- en regelgeving is het gebruik ervan niet toegestaan.
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders verplicht om zorg van goede kwaliteit te bieden. Daaronder wordt mede verstaan het verlenen van zorg die in ieder geval veilig is. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden toegepast onder toepassing van de criteria en procedures van de wet. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) regelt de rechten van mensen die te maken hebben met verplichte zorg vanwege een psychische stoornis. De Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) regelt de rechten bij onvrijwillige zorg of onvrijwillige opname van mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een psychogeriatrische aandoening (zoals dementie). Er moet sprake zijn van ernstig nadeel, bijvoorbeeld een aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel.
Ook mogen er geen minder ingrijpende alternatieven (proportionaliteit) of vrijwillige alternatieven zijn waardoor geen of minder dwang kan worden toegepast (subsidiariteit), en moet de veiligheid geborgd zijn.
Op grond van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen is gebruik van een valhelm (of een schuimhelm) bij een tbs-gestelde of een gedetineerde alleen toegestaan als dat noodzakelijk is ter afwending van een ernstig gevaar voor de eigen gezondheid of voor de veiligheid van anderen. Voor de toepassing en voor het middel zelf (de helm) zijn eisen uitgewerkt in lagere regelgeving.2 In de lagere regelgeving over de toepassing mechanische middelen wordt benoemd dat dergelijke mechanische middelen alleen kunnen worden toegepast wanneer dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is en dat respect voor de menselijke waardigheid niet uit het oog mag worden verloren. Voorafgaand aan de toepassing van mechanische middelen dient te worden bezien of kan worden voorkomen dat de verpleegde of gedetineerde wordt belemmerd in de zelfstandige uitvoering van lichaamsfuncties, zoals eten en drinken.
Als de cliënt, betrokkene, verpleegde of gedetineerde zich verzet tegen het dragen van een helm, bijvoorbeeld omdat hij in zijn bewegen wordt beperkt of het niet prettig vindt, betreft dit het verlenen van gedwongen zorg. Deze zorgvorm kan, afhankelijk van het geval, worden geduid als een beperking van de bewegingsvrijheid of de vrijheid om het eigen leven in te richten. De wettelijk verplichte procedures voor gedwongen zorg op grond van bovengenoemde wetten moeten dan eerst worden doorlopen. In het geval van de Wvggz moet een zorgmachtiging bij de rechter worden aangevraagd en in het geval van de Wzd moet het verplichte stappenplan worden gevolgd. Personen die forensische zorg ontvangen in een Wvggz- of Wzd-accommodatie vallen onder het regime waaronder zij zijn opgenomen.
Het toezicht op de toepassing van mechanische middelen onder de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt onder meer uitgeoefend door de Commissie van Toezicht, een bij wet ingesteld onafhankelijk orgaan dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen vanwege de afhankelijke positie van justitiabelen.3 Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit van zorg in justitiële inrichtingen en ziet de Inspectie Justitie en Veiligheid toe op veilige en verantwoorde sanctietoepassing. In de praktijk trekken deze inspecties regelmatig gezamenlijk op. De IGJ houdt bovendien toezicht op de naleving van de Wvggz en de Wzd en ziet daarbij ook toe op de veiligheid van de cliënten en betrokkenen.
Vilans heeft voor de Wzd sinds 2020 programma’s ontwikkeld die bijdragen aan meer bewustwording en kennisvergroting ten aanzien van gedwongen zorg4. Voor de Wvggz hebben verschillende scholingen en symposia over gedwongen zorg plaatsgevonden en is de Coalitie Voorkomen Verplichte Zorg actief, ondersteund door Akwa GGZ en de Nederlandse GGZ.
Bovendien wordt gewerkt aan multidisciplinaire richtlijnen voor de Wvggz en Wzd, waar ook de patiënten- en cliëntenvertegenwoordiging bij wordt betrokken. Het veld ontplooit diverse activiteiten die zien op kennisvergroting en voorlichting. Vanzelfsprekend maakt de Wvggz onderdeel uit van de opleiding tot psychiater, zowel in het verplichte onderwijs als in diverse cursussen. Daarnaast zijn verschillende scholingen en e-learnings beschikbaar en worden regelmatig symposia georganiseerd.
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
De bovengenoemde wetgeving gaat over beslissingen per individu: de inzet van een hulpmiddel is dan ook per betrokkene of cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. De hulpmiddelenwijzer5 kan behulpzaam zijn voor zorgverleners. De hulpmiddelen kunnen zowel in een instelling als in een ambulante setting worden ingezet.
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag Handicap?
Omdat gedwongen zorg een inbreuk maakt op grondrechten van de betrokkenen en cliënten zijn de internationale en Europese verdragen op het gebied van mensenrechten van groot belang.
In het kader van gedwongen zorgverlening zijn de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 17 van het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het VN-Verdrag Handicap het meest relevant. Zo bevat artikel 5 van het EVRM een regeling over vrijheidsontneming en heeft eenieder op grond van artikel 8 van het EVRM en artikel 17 IVBPR het recht op respect voor zijn privéleven. Een beperking van grondrechten moet gelegitimeerd zijn door een wet in formele zin en voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De Wvggz, de Wzd, de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen voldoen aan de grondwettelijke en verdragsrechtelijke eisen.
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
De Wvggz en de Wzd kunnen ook van toepassing zijn bij jeugdigen. Op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) kunnen in uitzonderlijke gevallen, met voldoende waarborgen omkleed, mechanische middelen zoals een valhelm of schuimhelm worden toegepast wanneer deze vrijheidsbeperking noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige.
In de gesloten jeugdhulp mag op grond van de Jeugdwet de bewegingsvrijheid van jeugdigen worden beperkt. Echter, alleen de in de Jeugdwet genoemde maatregelen mogen daarbij worden toegepast. Het gebruik van hulpmiddelen zoals deze specifieke helm is niet toegestaan.
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen praten?
Gedwongen zorg grijpt diep in op de persoonlijke integriteit van mensen die ermee te maken krijgen. Besluiten tot inzet hiervan worden niet lichtvaardig genomen. Gezien de kwetsbare situatie van mensen die hiermee te maken krijgen, zijn controlemechanismen van groot belang om hier zicht op te houden. De Wvggz en de Wzd zijn erop gericht om te bewerkstelligen dat gedwongen zorg alleen als uiterste middel wordt ingezet. De rechtsbescherming in beide wetten is met name vormgegeven door strikte procedures over de besluitvorming, evaluatie en beëindiging van gedwongen zorg zoals beschreven bij antwoord 2, de bijstand van een advocaat en een vertrouwenspersoon en door de mogelijkheid om over de toepassing van gedwongen zorg een klacht in te dienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. Daarnaast ziet de IGJ toe op de naleving van deze wetten.
Voorafgaand aan het nemen van een beslissing over de toepassing van mechanische middelen wordt de verpleegde of de gedetineerde in beginsel in de gelegenheid gesteld om in voor hem begrijpelijke taal te worden gehoord.6 Indien wordt besloten tijdens de separatie mechanische middelen in te zetten, worden de Commissie van Toezicht en de dienstdoende arts binnen de kliniek of inrichting daarvan onverwijld in kennis gesteld. Daarnaast kan de justitiabele op grond van de wet tegen de beslissing in beklag gaan, al dan niet vergezeld van een verzoek tot schorsing, bij de beklagcommissie. Ook staat beroep open bij de Afdeling rechtspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.7
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende hulpmiddelen toe te passen?
Ja, personeelstekort mag geen reden zijn om vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Gedwongen zorg kan alleen als uiterst middel en nooit zonder zorgvuldige besluitvormingsprocedure toegepast worden bij een betrokkene of cliënt. Integendeel, dergelijke maatregelen vragen soms juist extra capaciteit vanwege de vaak intensievere zorg voor de betreffende persoon en voortdurende beoordeling of de maatregel al dan niet moet worden voortgezet.
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
De inzet van hulpmiddelen in de zorg wordt door zorgverleners conform de geldende wet- en regelgeving en richtlijn(en) gedaan. Richtlijnen zijn gebaseerd op de stand der wetenschap en praktijk en worden in multidisciplinair verband gemaakt. Specifieke onderzoeken naar de inzet van de helm met slot zijn de ministeries van VWS en J&V niet bekend.
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid over is?
Dergelijke onderzoeken zijn bij de ministeries van VWS en J&V niet bekend. Er is geen aanleiding om met onmiddellijke ingang de productie en het gebruik van hulpmiddelen te verbieden. Er zijn situaties waarin gedrag dat voortkomt uit een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening kan leiden tot ernstig nadeel voor een persoon zelf of anderen. Dan is het nodig om een handelingsperspectief te hebben. Ernstig nadeel betekent kort gezegd dat er een aanzienlijk risico bestaat dat iemand zichzelf of anderen schade toebrengt. Gedwongen zorg kan worden overwogen als iemands gedrag leidt tot ernstig nadeel en als dat gedrag een gevolg is van een psychiatrische of psychogeriatrische stoornis of een verstandelijke beperking. Die gedwongen zorg, zoals het gebruik van een helm, kan uitsluitend als uiterste middel worden verleend als het gebruik ervan noodzakelijk, geschikt en proportioneel is, en er geen vrijwillige alternatieven zijn en dan zo kort en minst ingrijpend mogelijk.
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Indien het om een medisch hulpmiddel gaat, dan moet dit voldoen aan de Medical Device Regulation (MDR) om op de Europese markt te worden toegelaten. De MDR stelt eisen aan de veiligheid, prestaties en klinische onderbouwing van medische hulpmiddelen. Hierin wordt gewerkt met een risico gebaseerd systeem: hoe hoger het risico voor de patiënt, hoe strenger de eisen. Hulpmiddelen worden ingedeeld in risicoklassen (klasse I, IIa, IIb en III). Het is aan een fabrikant om te bepalen of zijn product een medisch hulpmiddel is. Als dat het geval is, worden de hulpmiddelen (uitgezonderd risicoklasse I) getoetst door een certificerende instantie in Europa: een «notified body». Bij een positieve beoordeling kan de CE-markering worden aangebracht, waarmee het hulpmiddel rechtmatig op de Europese markt kan worden gebracht. De IGJ is in Nederland toezichthouder op deze wet- en regelgeving.
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
Zoals aangegeven in vraag 11 mogen medische hulpmiddelen op de markt worden gebracht als zij voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Gesteld kan worden dat de tekst op de betreffende website zorgvuldiger kan. Zoals voorgaand in de antwoorden is aangegeven kan gedwongen zorg en de inzet van hulpmiddelen niet zomaar plaatsvinden, daar gelden zorgvuldige besluitvormingsprocedures voor om zodoende de rechtspositie van betrokkenen en cliënten te waarborgen.
Het bericht 'Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: ’Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vier op de tien jongeren zien strafbare of gewelddadige pornobeelden: «Soms kunnen ze het niet van hun netvlies krijgen»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schokkend en zeer zorgelijk is dat 1 op de 6 jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden heeft gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld?
Ja, het is zeer zorgelijk dat jonge mannen tussen de 18 en 25 jaar ooit pornografische beelden hebben gezien waarin seksueel misbruik van minderjarigen wordt afgebeeld. Dit wijst op een ernstige maatschappelijke problematiek.
Wat is uw reactie op de constatering dat die beelden doorgaans ongewild via advertenties op pornowebsites verschijnen of via doorkliklinks op sociale media te zien zijn?
Het is verwerpelijk dat dit soort beelden rondgaan. Dit soort beelden is schokkend en laat diepe en blijvende sporen na in het leven van slachtoffers. Ik kan mij ook voorstellen dat kijkers die hiermee worden geconfronteerd hier last van kunnen hebben. Dat beelden van seksueel misbruik van minderjarigen op deze wijze onder de aandacht worden gebracht, vergroot het bereik en daarmee de impact op slachtoffers aanzienlijk. Dit kan leiden tot hernieuwde confrontatie en extra leed bij betrokkenen. Zoals ik al eerder heb aangegeven is de verspreiding van dergelijk beeldmateriaal onaanvaardbaar. Online platforms en advertentieaanbieders dragen een eigen verantwoordelijkheid om misbruik van hun diensten te voorkomen en snel en effectief op te treden wanneer dergelijke content wordt aangetroffen. Van hen wordt verwacht dat zij doeltreffende maatregelen nemen om de verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te stoppen, content snel te verwijderen en herplaatsing te voorkomen.
Daarnaast richt ik mij op samenwerking met opsporingsdiensten en toezichthouders, en heeft het kabinet aandacht voor preventie en bewustwording. Het ongevraagd en zonder toestemming verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik is strafbaar, en waar mogelijk wordt daartegen opgetreden.
Is dit naar uw oordeel in strijd met de zorgplicht die op grond van nationale en Europese wetgeving op deze platforms rust?
Mogelijk wordt gedoeld op de zorgvuldigheidsverplichtingen die gelden voor online platforms op grond van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA). Op grond van de DSA zijn online platforms onder meer verplicht om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat minderjarigen worden beschermd tegen inhoud voor volwassenen.
Het is aan de toezichthouder om te beoordelen of aan deze verplichtingen wordt voldaan. Vanaf 4 februari 2025 zijn in Nederland de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) de bevoegde toezichthouders voor de naleving van in Nederland gevestigde aanbieders.
Op de zogenaamde «zeer grote online platforms» rust verder de verplichting om eventuele systeemrisico’s bestaande uit, onder meer, negatieve effecten op het mentale en fysieke welzijn van gebruikers, te beoordelen en te beperken. De Europese Commissie houdt toezicht op naleving van de DSA op de zeer grote platforms en zoekmachines. In dat kader is relevant dat de Europese Commissie onderzoeken is gestart naar Pornhub, XNXX en XVideos om te beoordelen of zij voldoen aan hun verplichtingen uit de DSA.
Bent u van mening dat jongeren die ongewild te maken krijgen met dergelijke beelden weten waar zij terecht kunnen voor hulp en acht u de huidige informatievoorziening hierover voldoende?
Wanneer jongeren (ongewild) te maken krijgen met beeldmateriaal van online seksueel (kinder)misbruik kunnen zij zowel melding als aangifte doen bij de politie. De politie vraagt daarbij of er bezwaar is tegen het doorgeven van de gegevens aan Slachtofferhulp Nederland. Als er geen bezwaar is, worden de gegevens automatisch doorgestuurd en worden slachtoffers actief benaderd door Slachtofferhulp Nederland. Zo kunnen slachtoffers snel en kosteloos emotionele steun, juridisch advies en/of praktische hulp ontvangen.
Daarnaast staat er op de websites van Slachtofferwijzer en het Netwerk Mediawijsheid toegankelijke informatie over veilig en slim gebruik van digitale media, slachtofferschap en hulporganisaties. Hier wordt onder andere verwezen naar de kosteloze en anonieme hulplijnen van het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG), waar iedereen met een vervelende seksuele ervaring terecht kan, en van Offlimits, die slachtoffers ondersteunt bij het doen van een melding van illegale content en het doen van aangifte. Door het laagdrempelig aanbieden van informatie weten zowel slachtoffers als professionals en ouders waar ze terecht kunnen.
Voor wat betreft de bekendheid met hulpverleningsinstanties kan in zijn algemeenheid worden gezegd dat er een stijging te zien is in het aantal meldingen van en hulpvragen over (online) seksueel (kinder)misbruik. Dit blijkt uit zowel cijfers van Slachtofferhulp Nederland als uit de Monitor seksueel geweld tegen kinderen 2020–2024 van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen kinderen. De Nationaal Rapporteur rapporteert o.a. over cijfers van de politie, het CSG en Offlimits. Volgens de Nationaal Rapporteur lijkt de toegenomen maatschappelijke aandacht onder andere bij te dragen aan de bekendheid van hulporganisaties.2
Deelt u de zorg dat blootstelling aan dergelijk beeldmateriaal kan leiden tot psychologische impact of vervormde beeldvorming over seksualiteit en relaties bij jongeren?
Ik deel de zorg dat blootstelling aan strafbare of gewelddadige pornobeelden grote gevolgen kan hebben voor de geestelijke gezondheid van jongeren. Dit kan leiden tot desensibilisatie waarbij jongeren minder gevoelig worden voor geweld en onethisch gedrag. Daarnaast kan het hun zelfbeeld verstoren en onrealistische verwachtingen geven over seksualiteit en relaties. Bovendien kan de normalisering van geweld ertoe leiden dat jongeren dit gedrag gaan accepteren als normaal. Het is cruciaal dat we als samenleving jongeren beschermen tegen de schadelijke gevolgen van dit soort beelden en hen voorzien van de tools die ze nodig hebben om gezonde relaties te vormen.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren toegang krijgen tot strafbare of gewelddadige pornografie via online platforms?
Er zijn verschillende verplichtingen en maatregelen die een rol spelen in het tegengaan van toegang van jongeren tot illegale online content. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft daar recent richtsnoeren over gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november jl. over geïnformeerd.3 Uit de richtsnoeren blijkt onder meer dat de risico’s van pornoplatforms zodanig zijn dat zij de leeftijd van bezoekers moeten verifiëren. In dit kader wordt ook gewezen op de onderzoeken van de Europese Commissie naar Pornhub, XNXX en Xvideos.4 Aangewezen zeer grote online platforms dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s (overigens ook de kansen) van een digitale dienst in kaart te brengen. Daarnaast is Offlimits een organisatie waar online illegale content kan worden gemeld. Op basis van de DSA is Offlimits door de ACM aangewezen als trusted flagger. Dit houdt in dat zij verwijderverzoeken van illegale content kan indienen bij online platforms. Het platform dient vervolgens onverwijld en prioritair dit verwijderverzoek te behandelen, en indien sprake is van illegale content dient het platform deze te verwijderen.
Indien een platform haar verplichtingen onder de DSA niet naleeft, biedt de DSA mogelijkheden tot handhaving waarbij in het geval van zeer grote platforms de Europese Commissie kan ingrijpen. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet.
Tenslotte schrijft de Richtlijn audiovisuele mediadiensten (hierna: AVMSD) maatregelen voor op het gebied van de bescherming van minderjarigen. Voor content met pornografie of nodeloos geweld moeten de zwaarste maatregelen worden getroffen. Lidstaten zorgen ervoor dat de videoplatforms die onder hun jurisdictie vallen passende maatregelen treffen ter bescherming van minderjarigen. De AVMSD is uitgewerkt in de Mediawet 2008. Videoplatformdiensten (platformdiensten die video’s aanbieden bestemd voor algemeen publiek) die in Nederland zijn gevestigd dienen een gedragscode te hanteren. Voor in Nederland gevestigde aanbieders van mediadiensten, zoals omroepen of video-uploaders, zijn de regels van het Kijkwijzer-systeem van NICAM5 van toepassing.
Welke concrete stappen gaat u, naast het bestaande beleid, nemen richting grote sociale mediaplatforms die hun verantwoordelijkheid niet nemen, om ervoor te zorgen dat dergelijke beelden niet blijven circuleren?
Op de naleving van de DSA door sociale mediaplatforms wordt toezicht gehouden door de ACM. De Europese Commissie houdt primair toezicht op aangewezen zeer grote online platforms- en zoekmachines. Als de Europese Commissie concludeert dat een zeer groot platform de DSA niet naleeft, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete. Zo heeft de Europese Commissie bijvoorbeeld in december 2025 een boete opgelegd aan X. Ik blijf vanzelfsprekend mijn steun uitspreken voor effectieve handhaving van de DSA door de Europese Commissie.
Tevens zet Nederland zich in voor aanvullende EU-wetgeving tegen de verspreiding van online seksueel kindermisbruik in de onderhandelingen van de verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik (de CSAM-verordening). De voorgenomen EU-Verordening bevat ten opzichte van de bestaande Nederlandse wetgeving en als lex specialis van de DSA, aanvullende en specifiekere verplichtingen met het oog op het tegengaan van de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Aanbieders van hostingdiensten en interpersoonlijke communicatiediensten moeten op grond van de voorgestelde verordening een risicobeoordeling uitvoeren om vast te stellen in welke mate hun diensten kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik of voor grooming doeleinden.
Verder moeten zij mitigerende maatregelen treffen om die risico’s te verkleinen en meldingen doen van geconstateerd materiaal aan het nieuw op te richten Europees Centrum voor de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, dat gaat fungeren als een kennis- en coördinatiepunt. Uiteindelijk moeten deze bedrijven het desbetreffende materiaal verwijderen of ontoegankelijk maken.
In hoeverre kunnen pornoplatforms en sociale-mediabedrijven strafrechtelijk of bestuursrechtelijk aansprakelijk worden gesteld wanneer zij onvoldoende optreden tegen strafbare content die op hun platform wordt verspreid en acht u dit instrumentarium voldoende toereikend?
Waar het gaat om kinderpornografisch materiaal is op 1 juli 2024 de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal in werking getreden. Deze wet geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) de bevoegdheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken.
Aanbieders van hostingdiensten die geen opvolging geven aan een verwijderingsbevel van de ATKM, kunnen strafrechtelijk vervolgd worden. De ATKM onderhoudt mede om die reden nauw contact met het Openbaar Ministerie.
Als pornoplatforms of sociale media weten dat er via hun diensten strafbare content wordt verspreid en daar niet tegen optreden dan kunnen ze zelf aansprakelijk worden gesteld voor die strafbare content. Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
De officier van justitie kan in geval van een verdenking van een misdrijf zoals omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), waaronder het aanbieden of verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, met een machtiging van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
De DSA verplicht onder meer online platforms om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Kennis van illegale content kan bijvoorbeeld ontstaan door een melding van illegale content. Online platforms moeten op grond van de DSA bovendien maatregelen nemen om minderjarigen te beschermen. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen door zeer grote online platforms en zoekmachines. Aangezien de DSA nog relatief nieuwe wetgeving betreft, is het raadzaam om deze de benodigde tijd te geven om zich volledig te ontwikkelen.
De AVMSD kent regels voor videoplatformdiensten, die in Nederland zijn uitgewerkt in de Mediawet 2008 voor in Nederland gevestigde videoplatformdiensten. Zij moeten een gedragscode opstellen en naleven, waaronder ook wordt ingegaan op de bescherming van minderjarigen. Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de totstandkoming, inhoud en toepassing van deze gedragscode van de videoplatformdiensten onder Nederlandse jurisdictie.
Volgens de MAVISE-database van het Europees Audiovisueel Observatorium staan er geen pornografische videoplatforms onder Nederlandse jurisdictie.6
Bent u bereid om te onderzoeken of aan platforms een actieve en afdwingbare zorgplicht opgelegd kan worden om strafbare pornografische content te detecteren en te verwijderen, in plaats van alleen te reageren op meldingen?
Een afdwingbare zorgplicht om dergelijke content te detecteren en verwijderen betekent in de praktijk dat een online platform alle content op het platform zal gaan scannen en desnoods (uit voorzorg) verwijderen. Zo’n algemene monitoringsverplichting is op grond van artikel 8 DSA niet toegestaan. Het verbod beoogt de vrijheid van meningsuiting online te beschermen. Indien platforms aansprakelijk kunnen worden gesteld of kunnen worden vervolgd dan zullen ze uit voorzorg waarschijnlijk meer informatie verwijderen dan noodzakelijk.
Heeft u inzicht in de gemiddelde doorlooptijd van verwijderverzoeken aan de sociale mediaplatforms van strafbare en gewelddadige beelden en zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren?
De ATKM en Offlimits hebben ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid beide tot doel de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te bestrijden. Offlimits richt haar verwijderverzoeken voornamelijk tot aanbieders van hostingdiensten. De ATKM richt haar verwijderbevelen tot aanbieders van hosting- of communicatiediensten.
In Nederland is, via de Gedragscode Notice-and-Take-Down, de afspraak gemaakt met de hostingsector dat meldingen door Offlimits van online seksueel kindermisbruik binnen 24 uur behandeld moeten worden. Vrijwel alle hostingpartijen werken goed mee. Hoewel zij de 24-uurs norm wellicht niet altijd halen (zeker wanneer het kleine bedrijven zijn), wordt er adequaat gereageerd op verwijderverzoeken van Offlimits en wordt strafbaar materiaal offline gehaald. Wanneer er sprake is van een hoster die structureel niet of te laat reageert, kan de ATKM bestuursrechtelijk optreden tegen deze weigerende partijen.
Op 7 april 2025 is de ATKM gestart met het uitvaardigen van verwijderbevelen ten aanzien van materiaal van seksueel kindermisbruik. Op grond van artikel 6, lid 4, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet de ATKM in elk bevel een termijn opnemen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt ten hoogste twaalf uur.
Artikel 15 van de DSA verplicht daarnaast aanbieders van online diensten om jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Deze rapporten moeten onder meer inzicht geven in de mediane tijd die nodig is om actie te ondernemen in geval van bevelen vanuit autoriteiten of meldingen van trusted flaggers.
Op welke manier worden kwetsbare vrouwen beschermd tegen uitbuiting, illegale prostitutie en andere seksuele misdrijven binnen de porno-industrie en acht u deze bescherming in de praktijk voldoende?
Als dergelijke misstanden zich voordoen, beschouw ik dat als onacceptabel. Het is belangrijk dat slachtoffers zich melden bij de politie wanneer zij misstanden waarnemen of zelf slachtoffer worden. In zulke gevallen kan de overheid op basis van deze meldingen effectief optreden. Elk signaal van mensenhandel wordt door de opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie opgepakt, overeenkomstig de aanwijzing van het OM over mensenhandel. Daarnaast is mensenhandel voor de periode 2023–2026 een van de belangrijke thema's in de Veiligheidsagenda, waaruit landelijke beleidsdoelstellingen voor de politietaken zijn afgeleid. Het heeft op deze manier hoge prioriteit. Verder is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven in werking getreden, wat de strafrechtelijke bescherming van de slachtoffers van seksuele misdrijven versterkt.
Tenslotte is bescherming en hulp van porno-acteurs onderdeel van lopend WODC-onderzoek (zie vraag 15), waarbij onder andere in kaart wordt gebracht of en zo ja, op welke wijze de pornosector (en betrokken organisaties) de veiligheid van de acteurs waarborgen en garanderen.
Welke rol speelt de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal bij de aanpak van deze problematiek?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar mijn antwoorden op vragen 9 en 11.
Bent u bekend met de schriftelijke vragen over misstanden in de porno-industrie en de motie-Krul over het starten van een WODC-onderzoek naar misstanden in de porno-industrie?2, 3
Ik ben hiermee bekend.
Wat is de stand van zaken van dit WODC-onderzoek en wanneer wordt het onderzoek afgerond?
Tijdens het commissiedebat mensenhandel en prostitutie van 11 september 2024 heb ik toegezegd om het WODC te vragen een onderzoek uit te voeren naar de Nederlandse porno-industrie. Op dit moment voert het Verwey-Jonker Instituut – in opdracht van het WODC en op aanvraag van het Ministerie van Justitie en Veiligheid – onderzoek uit. Dit onderzoek beoogt inzicht te krijgen in de Nederlandse pornosector en mogelijke misstanden. Er wordt onderzoek gedaan naar het bestaan van mogelijke misstanden in brede zin, waarbij de focus niet enkel ligt op strafbare feiten.
De onderzoekers zijn reeds gestart met het onderzoek en de eerste bijeenkomsten van de begeleidingscommissie hebben plaatsgevonden. De volgende bijeenkomst van de begeleidingscommissie staat gepland in het voorjaar van 2026. Het onderzoek zal naar verwachting een jaar in beslag nemen en einde 2026 afgerond zijn. Bij ontwikkelingen ten aanzien van dit tijdspad zal de Kamer, waar nodig, op de hoogte worden gehouden.
Deelt u de mening dat er wel degelijk aanleiding is om te vermoeden dat misstanden plaatsvinden in de Nederlandse porno-industrie, terwijl u dit eerder niet aannemelijk achtte op basis van een korte en beperkte verkenning?
In 2023 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning gedaan naar misstanden binnen de Nederlandse pornosector. De aanleiding hiervan was een rapport van de Franse Senaat over misstanden in de Franse pornosector en de vraag of in Nederland soortgelijke misstanden bekend zijn. Met misstanden werd in het kader van de uitgevoerde verkenning bedoeld, het bestaan van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. De vraag naar misstanden is toentertijd breed uitgezet bij de politie, het Openbaar Ministerie, de Nederlandse Arbeidsinspectie, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (Comensha), de zestien regionale centra voor seksueel geweld (CSG’s), Fier, SOA Aids Nederland en andere partijen binnen de Sekswerk Alliantie Destigmatisering. Na raadpleging van de politie, het openbaar ministerie en de Arbeidsinspectie is destijds niet gebleken van enige signalen van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. Dat bij producties binnen de porno-industrie (toentertijd) geen misstanden bij de bevraagde instanties bekend waren, betekent niet dat deze er niet zijn. Wel dat deze destijds niet bekend waren bij organisaties die over een goede informatiepositie beschikken over seksuele misdrijven, ook ten aanzien van specifieke sectoren, en mensenhandel.
In de zomer van 2024 publiceerde de Volkskrant een artikel over een Nederlandse man die vrouwen vanuit Oost-Europa naar Nederland lokte om modellenwerk te doen, maar hen vervolgens dwong om mee te werken aan pornofilms. Naar aanleiding van dit artikel ontstonden (wederom) zorgen. In hoeverre sprake is van misstanden en zo ja, wat voor misstanden dit zijn, zal moeten blijken uit het onderzoek van het WODC.
Zijn er inmiddels signalen bij u, hulpverleningsinstanties of de Arbeidsinspectie bekend van mogelijke misstanden in de porno-industrie, zoals mogelijke mensenhandel of seksuele uitbuiting? En zo ja, hoe worden deze opgevolgd?
Het kabinet blijft alert op signalen van mensenhandel en seksuele uitbuiting, ongeacht de sector waarin deze zich voordoen. Signalen worden opgepakt door de daartoe bevoegde instanties en waar sprake is van strafbare feiten wordt opgetreden. Tevens wordt ingezet op vroegsignalering, samenwerking tussen ketenpartners en adequate ondersteuning van mogelijke slachtoffers.
Op de vraag of bij hulpverleningsinstanties signalen bekend zijn heeft het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (Comensha) aangegeven dat uit hun cijfers geen blijk is van deze signalen en dat dit is bevestigd nadat zij dit hadden uitgevraagd bij het Strategisch Overleg Mensenhandel (hierna: SOM). De Arbeidsinspectie heeft geen rol in de aanpak van (mensenhandel gerelateerd aan) seksuele uitbuiting. Een interne uitvraag op de zoektermen «porno» of «porno-industrie» op de bij de Arbeidsinspectie binnengekomen meldingen heeft geen hits opgeleverd. Wel heeft de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie in juni vorig jaar, op verzoek van Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: AVIM), collegiaal meegedacht over een melding die zag op activiteiten binnen in de porno-industrie. In dat kader zijn relevante gegevens gedeeld met AVIM, waarna AVIM de verdere behandeling van de zaak op zich heeft genomen. De melding was afkomstig uit het buitenland en in overleg met het OM is besloten om een rechtshulpverzoek op te stellen, om meer informatie over de melding te kunnen verzamelen. De politie is nog in afwachting van de behandeling van dit rechtshulpverzoek. Het onderzoek naar deze melding loopt dus nog.
Het bericht ‘Rechters geven op Schiphol betrapte drugskoeriers lagere straf door scheefgroei’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechters geven op Schiphol betrapte drugskoeriers lagere straf door scheefgroei» en het persbericht hierover van de Rechtbank Noord-Holland?1, 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling van de Rechtbank Noord-Holland dat de disbalans tussen opgelegde straffen aan drugskoeriers enerzijds en grote drugscriminelen die zich bezighouden met (de organisatie van) grootschalige drugshandel anderzijds de laatste jaren verder is vergroot door de introductie van procesafspraken?3
Het is aan de rechter om (gevangenis-)straffen op te leggen, ook bij zaken waarin sprake is van procesafspraken. De introductie van procesafspraken kan inderdaad in sommige gevallen bijdragen aan vermindering van de straf voor verdachten, maar dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de zaak. Het OM maakt per individueel geval een afweging die recht moet doen aan de omstandigheden van het geval. Procesafspraken worden door het OM gemaakt op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij acht wordt geslagen op de ernst van het begane strafbare feit, de daarop gestelde maximumstraf en de straf die de rechter op zal leggen. Het maken van procesafspraken door het OM kan een middel zijn om een strafzaak efficiënter af te ronden, met name in gevallen waar er andere belangrijke overwegingen spelen. Het is uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten.
Hoe vaak zijn er tot nu toe procesafspraken gemaakt met verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van grootschalige drugshandel en in hoeveel van deze grote drugszaken wil het Openbaar Ministerie in 2025 en 2026 nog procesafspraken maken?
Er vindt door het OM geen centrale registratie plaats van het aantal zaken waarin procesafspraken worden gemaakt. In algemene zin geldt dat het OM beoordeelt welke zaken geschikt zijn voor procesafspraken, afhankelijk van factoren zoals de ernst van de misdrijven en de impact op de georganiseerde misdaad.
Hoeveel drugszaken zijn er op dit moment in de voorraad te plannen strafzaken waarop de nieuwe uitgangspunten van de Rechtbank Noord-Holland van toepassing zijn en, als dit niet uit de managementsystemen van de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt u dan in contact treden met de Rechtspraak om dit aantal bij benadering te achterhalen?
Het valt niet te zeggen op hoeveel strafzaken de nieuwe uitgangspunten van de Rechtbank Noord-Holland van toepassing zijn. Uit contact met de rechtspraak blijkt dat een dergelijke zoekslag niet in de systemen van de rechtspraak of de Rechtbank Noord-Holland kan worden gemaakt. Het kan dus ook niet bij benadering worden gezegd op hoeveel strafzaken de nieuwe uitgangspunten van toepassing zijn.
Hoeveel procesafspraken zijn er tot nu toe in totaal tot stand gekomen sinds de inwerkingtreding van de OM-aanwijzing in 2023 en in hoeveel zaken streeft het OM naar het maken van procesafspraken in 2025 en 2026?
Er vindt, zoals vermeld in het antwoord op vraag 3, geen centrale registratie plaats van het aantal procesafspraken dat het OM maakt. In algemene zin geldt dat het OM niet vooraf streeft naar het maken van procesafspraken in een bepaald aantal zaken. Het maken van procesafspraken door het OM kan een middel zijn om een strafzaak efficiënter af te ronden, met name in gevallen waar er andere belangrijke overwegingen spelen. Daarmee kan een bijdrage aan de belangen van slachtoffers, verdachten en de maatschappij worden geleverd. Een efficiënte en tijdige afronding van een anders mogelijk omvangrijke strafzaak zorgt immers relatief snel voor duidelijkheid voor eenieder en leidt ertoe dat voortvarender andere zaken kunnen worden opgepakt c.q. behandeld.
Hoe beoordeelt u het feit dat er dankzij procesafspraken een nog grotere kloof is ontstaan tussen opgelegde straffen in drugszaken in Nederland en opgelegde straffen in drugszaken in ons omringende landen zoals België, Duitsland en Frankrijk?
De straffen in Nederland zijn het resultaat van een zorgvuldig afgewogen oordeel dat kijkt naar de omstandigheden van de zaak en de rol van de verdachte. Procesafspraken kunnen leiden tot lichtere straffen, maar daar staat tegenover dat de verantwoorde inzet van procesafspraken kan bijdragen aan een efficiënte rechtsgang. Ook in ons omringende landen, zoals Duitsland, bestaan mogelijkheden om procesafspraken te maken. In elk geval blijft het streven van het OM een effectieve en evenwichtige afhandeling van strafzaken, waarbij de ernst van de misdaad en de impact op de samenleving altijd centraal staan.
Begrijpt u dat criminele netwerken hierdoor een sterkere prikkel krijgen om uithalers en andere drugskoeriers juist naar Nederland te sturen, omdat de opgelegde straffen in Nederland in verreweg de meeste gevallen veel lager zijn dan in België, Duitsland en Frankrijk?
In Nederland is de afgelopen jaren de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit fors is uitgebreid en versterkt. Met de brede aanpak, waarover uw Kamer periodiek wordt geïnformeerd, zet het kabinet vol in op Nederland zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor criminele netwerken om zich hier te vestigen of hun criminele activiteiten voort te zetten. Naast het verhogen van wettelijke strafmaxima op verschillende delicten, zet ik in op het verhogen van de pakkans, het opwerpen van barrières en het voorkomen van gelegenheid. Deze maatregelen zijn effectief en schrikken veelal meer af dan de hoogte vaneen opgelegde straf. Dat is ook terug te zien in de cijfers. Afgelopen jaren zijn flink wat barrières opgeworpen, waaronder de vertrouwensketen in de Rotterdamse haven waardoor pincodefraude bij het ophalen van containers onmogelijk is gemaakt, intensievere controle en de nieuwe strafbaarstelling van art. 138aa van het Wetboek van Strafrecht. Het resultaat van die barrières is onder meer dat het aantal uithalers in de Rotterdamse haven aanzienlijk is gedaald, van 415 in 2021 naar 266 in 2024.
Bent u bereid om mede naar aanleiding van deze berichten in gesprek te gaan met het Openbaar Ministerie om te bevorderen dat geen verdere procesafspraken worden gemaakt in grootschalige drugszaken tot na de behandeling van de eerste aanvullingswet van het Wetboek van Strafvordering in de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding om hierover in gesprek te gaan met het OM. De huidige praktijk wordt genormeerd via door de Hoge Raad gegeven kaders (ECLI:NL:HR:2022:1252) en de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken van het College van Procureurs-Generaal. Binnen die grenzen kunnen procesafspraken worden gemaakt.
Zoals eerder aangegeven, worden procesafspraken door het OM gemaakt op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij acht wordt geslagen op de ernst van het begane strafbare feit, de daarop gestelde maximumstraf en de straf die de rechter op zal leggen. Het is uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten. Als rechters van mening zijn dat er hierbij sprake is van scheefgroei, dan is het goed als hierover binnen de rechtspraak discussie plaatsvindt. Ik vind het van belang om een specifiek wettelijk kader voor procesafspraken in te voeren. Deze regeling is opgenomen in de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Het wetsvoorstel zal spoedig bij uw Kamer worden ingediend. Deze wettelijke regeling geeft de wetgever de mogelijkheid om principiële vragen die samenhangen met procesafspraken van een antwoord te voorzien, waaronder de vraag wat de maximale strafvermindering is die een verdachte via procesafspraken mag krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk en zo volledig mogelijk beantwoord. Er is gepoogd om de gevraagde termijn te behalen, maar dit is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Broers vermoorde Ryan voor de rechter, eergerelateerd geweld lijkt toe te nemen’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Zijn er cijfers, gespecificeerd naar achtergrond, rondom eerwraak? Zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, bent u bereid om dit in de toekomst wél bij te houden teneinde hier scherp beleid op te kunnen voeren?1
Ja, het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) publiceert jaarlijks cijfers, ook over de achtergrond van betrokkenen, in zijn jaarverslag.2
Onderzoekt u de correlatie tussen de komst van (met name) islamitische migranten uit diverse landen uit het Midden-Oosten en Afrika van de afgelopen tien/vijftien jaar en de ontwikkeling van eerwraak van de afgelopen tien/vijftien jaar? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken?
Nee, dat wordt niet onderzocht. Uit het onderzoeksrapport «De rol van religie bij het afbakenen, verklaren en aanpakken van eergerelateerd geweld» van J.H.L.J. Janssen blijkt dat eer en geweld met verschillende thema’s in verband kan worden gebracht zoals cultuur, familie, genderverhoudingen, mensenrechten, migratie, integratie en religie, en dat alle thema’s nuttige informatie opleveren omtrent het ontstaan en de aanpak van zaken die draaien om eer. Het bij elkaar brengen van al die thema’s is niet eenvoudig, maar wel noodzakelijk. De context van eergerelateerd geweld is namelijk complex. Bij het uitlichten van enkel één van die thema’s, zoals religie, schuilt het gevaar dat het eerprobleem eenzijdig in beeld wordt gebracht en sterk wordt vereenvoudigd. Dat moet worden voorkomen, omdat dat een constructieve aanpak van eergerelateerd geweld in de weg staat.
Aangezien het hoofd van het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) stelt dat verandering in gesloten gemeenschappen van binnenuit moet komen en dat we moeten «meegeven hoe we met elkaar omgaan»: in hoeverre denkt u dat het in het belang van de goedwillende Nederlandse samenleving is dat we mensen in ons land verwelkomen die bepaalde cultureel gedreven gedragingen hebben, zoals eerwraak, die zó ontzettend haaks staan op onze verworvenheden die gebaseerd zijn op de moderniteit en de verlichting?
De beoordeling van het recht op een verblijfstatus is niet gekoppeld aan het bestaan van culturele waarden binnen bepaalde gemeenschappen in het land van herkomst. Wel kan een verblijfsvergunning worden geweigerd wanneer de aanvrager een gevaar vormt voor de openbare orde.
Dit kabinet streeft naar het versterken van het recht op zelfbeschikking binnen alle gesloten gemeenschappen. Deze inzet is gericht op mentaliteitsverandering richting acceptatie van gendergelijkheid en het respecteren van individuele vrijheid, onder andere door de inzet van voortrekkers uit die gemeenschappen zelf. Dit is een effectieve methode die ook bijdraagt aan het voorkomen van schadelijke praktijken waaronder eergerelateerd geweld. Naast deze brede preventieve aanpak zetten onder ander het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich in voor het verbeteren van de signalering van schadelijke praktijken door onder andere scholing van professionals in het zorg- en sociale domein.
Wat is de stand van zaken van de aangenomen motie Eerdmans, waarin het kabinet wordt verzocht in geval van eerwraak altijd de verblijfsvergunning in te trekken?2 Wanneer kunnen we concreet beleid hierop verwachten?
Voor de beantwoording van deze vragen verwijs ik u naar de brief van 9 december 20254 betreffende diverse onderwerpen op het gebied van migratie waarin uw Kamer is geïnformeerd over de afdoening van deze motie.
In hoeverre is bij de inburgering inmiddels ingebed dat er expliciet aandacht wordt besteed aan eergerelateerd geweld, conform de motie Eerdmans?3 Hoe ziet deze expliciete aandacht tijdens de inburgering er in de praktijk uit?
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland vrij is om zichzelf te zijn. Vrij is in het maken van eigen keuzes met respect voor de keuzes van een ander. Er is in het inburgeringsprogramma dan ook breed aandacht voor het zelfbeschikkingsrecht als onderdeel van de kennisoverdracht over het vrijheidsrecht. Het zelfbeschikkingsrecht, het recht van het individu op eigen keuzes en zelfstandigheid, en het belang en de betekenis van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw komen in de inburgering terug in de onderdelen Voorbereiding op de inburgering, Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) en het participatieverklaringstraject (PVT). KNM en PVT zijn verplichte onderdelen in het inburgeringstraject voor iedere inburgeringsplichtige.
In het azc leren asielstatushouders via de Voorbereiding op de inburgering over zelfbeschikking. In de module Democratie en rechtstaat van het programma wordt ingegaan op vrouwen- en LHBTIQI+ rechten.
In de zogenaamde eindtermen (dat wat inburgeraars moeten kennen en weten) van het inburgeringsexamen KNM is het zelfbeschikkingsrecht expliciet opgenomen. De eindtermen zijn recent aangepast. Bij de eindtermen over de integriteit van het lichaam zijn expliciete voorbeelden van schadelijke praktijken zoals huiselijk geweld, besnijdenis van meisjes en eerwraak toegevoegd. Hierbij wordt benadrukt dat alle ongewenste intimiteit en geweld strafbaar is. De nieuwe eindtermen zijn op 1 juli 2025 in werking getreden. Inburgeraars worden in de B1 en onderwijsroute op deze kennis getoetst.
In het verplichte onderdeel PVT is er aandacht voor de kernwaarden van vrijheid waaronder het zelfbeschikkingsrecht, gelijkwaardigheid, solidariteit en participatie. Aan het eind van het traject moeten alle inburgeringsplichtigen de Participatieverklaring ondertekenen. Hiermee verklaren ze kennis genomen te hebben van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving, deze te respecteren, de universele mensenrechten te eerbiedigen en daarmee niet in strijd te handelen.
In de verzamelbrief inburgering van 16 oktober jl. heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie aangekondigd in te zetten op het verbeteren van de kennis over signalering van onveiligheid in de gemeentelijke inburgeringspraktijk.Voorlichting over de bestaande meldcodes voor huiselijk geweld en kindermishandeling en ongewenste (schadelijke) praktijken is op dit moment niet standaard aanwezig voor medewerkers die de werken met inburgeraars. Via de Actieagenda Integratie zet de Staatssecretaris in op het versterken van kennis over ongewenste praktijken en de meldcode in het sociaal domein met name gericht op wijkteams. Pharos ontwikkelt in het meerjarenplan Versterken preventie een regionale ketenaanpak schadelijke praktijken. Aan Pharos is gevraagd om ook inburgeringsconsulenten aan te haken in de keten.
Hoe verklaart u het dat in een 303 pagina’s tellend rapport «Kwalitatief onderzoek tweede fase Wet inburgering 2021»4 over inburgering en integratie het woord «eerwraak» slechts een keer voorkomt, terwijl er door de Kamer meermaals moties aangenomen zijn over het belang hiervan bij de inburgering en omdat de praktijk inmiddels heeft bewezen hoe ingrijpend de gevolgen van eerwraak kunnen zijn?
Het «Kwalitatief onderzoek tweede fase Wet inburgering 2021» betrof een breed onderzoek over de werking van de wet en is gebaseerd op casestudies bij zeven gemeenten. Het doel van dit onderzoek was potentiële verbeteringen in wet- en regelgeving en de uitvoering daarvan in beeld te brengen en lessen voor gemeenten op te doen voor de uitvoering van de Wi2021. Het onderzoek gaat over de fase vanaf de aanmelding van de inburgeraars bij een taalschool en omvat de invulling van de drie leerroutes, de Module Arbeidsmarkt Participatie (MAP) en het participatieverklaringstraject (PVT). Ondanks dat het onderwerp eerwraak nauwelijks terugkomt in het rapport, wil dat niet zeggen dat er geen aandacht voor is. Iedere inburgeringsplichtige volgt KNM, waar eerwraak als onderwerp behandeld wordt en de kennis van de inburgeraar hierover wordt getoetst.
In ditzelfde rapport lezen we dat eerwraak enkel wordt genoemd in de context van de Z-route; hoeveel inburgeraars krijgen op dit moment jaarlijks voorlichtingen over eerwraak?
Zie het antwoord op vraag 5.
In hoeverre toetsen we hoe inburgeraars aankijken tegen de Nederlandse normen en waarden als het gaat om de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw en het gebruiken/toestaan van geweld?
Zie het antwoord op vraag 5.
Gelden deze voorlichtingen over eerwraak enkel voor de Z-route of breder? Indien breder, hoe zijn de verhoudingen tussen de diverse trajecten en de desbetreffende voorlichting?
Zie het antwoord op vraag 5.
Houdt men bij het beleid rondom voorlichting over eerwraak bij inburgeraars ook specifieke rekening met de correlatie tussen culturen met een verhoogd risico op eerwraak? Zo ja, hoe ziet dit in de praktijk eruit? Zo nee, waarom niet?
Nee, iedere inburgeringsplichtige volgt KNM, waar eerwraak als onderwerp behandeld wordt en ondertekent de Participatieverklaring waarmee zij verklaren kennis genomen te hebben van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving.
Het bericht 'Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang»?1
Ja.
Bent u bekend met de Italiaanse wet waarin femicide officieel wordt erkend als misdrijf en wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf?
Ja.
Welke juridische criteria worden gebruikt om femicide te onderscheiden van andere vormen van moord in de Italiaanse wet? Hoe verhoudt zich dit tot de bewijslast dat moet worden kunnen bewezen dat het slachtoffer is vermoord omdat zij vrouw is?
Artikel 577bis van het Italiaanse Wetboek van Strafrecht bevat een aparte strafbaarstelling van femicide. Deze bepaling stelt levenslange gevangenisstraf op het doden van een vrouw gepleegd als een daad van haat, discriminatie, onderdrukking, controle, bezit of dominantie vanwege het feit dat zij een vrouw is, omdat zij weigert een affectieve relatie aan te gaan of te behouden, of om haar individuele vrijheden te beperken. Als deze omstandigheden niet kunnen worden bewezen, dan kan de pleger worden veroordeeld voor de bestaande vormen moord of doodslag.
De wet is recent in werking getreden, en er is nog geen jurisprudentie bekend over de vraag hoe de hiervoor genoemde omstandigheden kunnen worden bewezen. De Italiaanse strafrechtspraktijk zal dat in de komende periode moeten uitwijzen.
Op basis van welke motivatie wordt aan femicide een strafverzwarend kenmerk toegevoegd in de Italiaanse wet?
In de Italiaanse wet is femicide onder de hiervoor genoemde omstandigheden als een apart misdrijf aangemerkt, omdat Italië – mede ingegeven door een aantal bekende zaken – strenger wil optreden tegen gendergerelateerd geweld. Op dit misdrijf is een levenslange gevangenisstraf gesteld, waarmee een afschrikwekkende werking wordt beoogd.2
Is de redenering in de Italiaanse wet ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Ook in Nederland is sprake van een toenemend bewustzijn over de aard en ernst van femicide en het (psychisch) geweld dat daaraan voorafgaat. Ook groeit de kennis over het fenomeen femicide gestaag. Verder is er veel steun om de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld verder te intensiveren.
Bovenstaande heeft er onder meer toe geleid dat het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (hierna: WODC) in opdracht van mijn ministerie onderzoek doet naar de juridische erkenning van femicide in de Nederlandse rechtspraktijk en de straffen die in dat verband worden opgelegd. In dat onderzoek is ook een rechtsvergelijkend deel opgenomen, waarin (onder meer) Italië wordt uitgelicht. Mede op grond van de resultaten van dit onderzoek zal nader worden bezien welke verdere maatregelen in Nederland kunnen worden genomen om femicide te voorkomen en te bestrijden. De resultaten van dit onderzoek worden binnen enkele maanden verwacht.
Hoe ziet u een Nederlandse versie van de Italiaanse wet? Welke voordelen en nadelen ziet u? Welke implicaties heeft het erkennen van femicide als apart misdrijf voor de opsporing en vervolging van de dader, de hulp en bescherming van de slachtoffers en prioritering bij het Openbaar Ministerie?
Voor een antwoord op de eerste vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 8. Wat de implicaties voor Nederland zouden zijn van het erkennen van femicide als apart misdrijf, zal nader worden verkend met behulp van de resultaten uit het eerdergenoemde WODC-onderzoek naar femicide in de Nederlandse rechtspraktijk.
Zijn de rode vlaggen van femicide zoals onder andere stalking, (poging tot) verwurging, huiselijk geweld en dwingende controle opgenomen in deze Italiaanse wet? Zo ja, op welke manier is dit gebeurd en is dit ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
In de Italiaanse strafbaarstelling van femicide staat het doel of de motivatie waarmee de dader het feit pleegt centraal. Het gaat daarbij om daden van haat, discriminatie, onderdrukking, controle, bezit of dominantie vanwege het feit dat zij een vrouw is, omdat zij weigert een affectieve relatie aan te gaan of te behouden, of om haar individuele vrijheden te beperken. Dat kunnen ook rode vlaggen voor femicide zijn, maar deze gedragingen hoeven niet te zijn voorafgegaan aan de doodslag.
Voor beantwoording van de vraag naar de toepasbaarheid van een dergelijke strafbaarstelling binnen de Nederlandse strafwet verwijs ik kortheidshalve naar het antwoord op de vragen 5, 6 en 8.
Welke elementen uit de Italiaanse wet zouden wel en niet toepasbaar zijn binnen de Nederlandse kaders?
Nederland kent op dit moment geen aparte strafbaarstelling van femicide. Wel is het gevangenisstrafmaximum dat geldt voor doodslag met de inwerkingtreding van de Wet Hümeyra per 1 juli 2023 verhoogd van 15 naar 25 jaar. Er zijn inmiddels ook voorbeelden uit de praktijk waarin rechters hogere straffen dan vijftien jaar opleggen in zaken waarin sprake is van doodslag (vgl. ECLI:NL:RBGEL:2025:9048 en ECLI:NL:RBOBR:2025:7174). Daarnaast is een wetsvoorstel in voorbereiding dat ertoe strekt psychisch geweld strafbaar te stellen. In dit wetsvoorstel wordt – zoals eerder aan Uw Kamer is gecommuniceerd – een afzonderlijke bepaling in het Wetboek van Strafrecht opgenomen die dwingende controle – een belangrijke rode vlag voor femicide – strafbaar stelt en wordt artikel 300, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling) aangepast, zodat duidelijk wordt dat ook psychische mishandeling (niet zijnde dwingende controle) onder de strafbaarstelling van mishandeling valt. Daarnaast is van belang dat in de aangenomen motie Timmermans en Mutluer (Groenlinks-PvdA) over aanvullende maatregelen tegen femicide (KS 36 658, nr. 12) is verzocht tot het invoeren van strafverzwarende omstandigheden bij partner- en familiedoding. Deze motie zal worden betrokken bij de verdere uitwerking van voornoemd wetsvoorstel. In dat verband zal ook worden gekeken naar vergelijkbare strafbaarstellingen in het buitenland, waaronder Italië.
Bent u op de hoogte of er andere landen zijn die vergelijkbare wetgeving hebben ingevoerd of voornemens zijn dit te doen? Zo ja, zou u per land kunnen aangeven welke mogelijkheden u ziet om hun wetgeving toe te passen op Nederland? Heeft u bijvoorbeeld over dit onderwerp al eens contact gehad met uw Belgische counterpart over hun «femicinide wet»? Bent u bereid deze vragen één voor één en voor het kerstreces te beantwoorden?
In, het in mijn antwoord op vraag 5, genoemde WODC-onderzoek wordt zoals gezegd ook een rechtsvergelijkend deel opgenomen waarin zeven verschillende Europese landen en hun strafrechtelijke aanpak van femicide onder de loep zijn genomen. Ik verzoek u de resultaten van dit onderzoek, die binnen enkele maanden aan uw Kamer worden aangeboden, af te wachten.
Daarnaast kan ik meegeven dat medio 2023, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Belgische feminicidewet, contact is geweest met België over het Belgische wetsvoorstel. Daaruit bleek dat de Belgische feminicidewet een algemeen wettelijk kader beoogt te bieden ter preventie en bestrijding van femicide en gendergerelateerde dodingen, evenals het geweld dat daaraan voorafgaat. In dat verband is bestaand beleid omgezet in wetgeving. De wet introduceert geen afzonderlijke strafbaarstelling van femicide of gendergerelateerde doding, maar bevat wel concrete handvatten en instrumenten ter preventie en bestrijding van femicide.
De inhoud van de Belgische wet vertoont overeenkomsten met zowel de Spaanse wetgeving tegen geweld tegen vrouwen, zoals recent in een voortgangsbrief met uw Kamer is gedeeld, als het Nederlandse beleid en wet- en regelgeving3.
De bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten |
|
Annette Raijer (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten, waarbij demonstranten het gebouw binnendrongen, afsloten en bezoekers actief de toegang belemmerden?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat universiteitsbesturen in gesprek gaan met bezetters die een academisch evenement fysiek blokkeren?
De instellingsbesturen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht als ook de veiligheid op de campus te waarborgen. Natuurlijk moet er ruimte zijn en blijven voor demonstraties op de onderwijsinstellingen. Maar wel binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling. Geweld, vernielingen, discriminatie, en haatzaaien zijn strafbare feiten en hebben geen plek bij protesten. Universiteitsbesturen gaan zelf over welke interventie zij op welk moment passend vinden, waaronder of zij in gesprek gaan met demonstranten. Het is belangrijk dat keuzes voor het borgen van veiligheid zoveel mogelijk lokaal wordt genomen door de instellingsbestuurders in nauwe samenspraak met de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan de situatie het beste worden ingeschat en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Vindt u dat de Universiteit Leiden verplicht is aangifte te doen tegen deze bezetting, aangezien universiteiten in hun eigen richtlijnen vastleggen dat bezettingen verboden zijn en strafbare feiten niet zonder gevolgen mogen blijven? Zo nee, waarom niet?
Instellingen hebben met elkaar afgesproken dat zij bij (vermoedens van) strafbare feiten altijd aangifte doen. Ik heb begrepen dat het College van Bestuur van de Universiteit Leiden aangifte heeft gedaan bij de politie van lokaalvredebreuk en de bezetters heeft gevorderd het gebouw te verlaten. De politie is uiteindelijk overgegaan tot ontruiming.2 Ik hecht eraan te benoemen dat ik als Minister niet kan treden in opvolging door het OM noch bemoeienis kan hebben met de rechtsgang.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist de Cleveringa-lezing, die is ingesteld ter herdenking van antisemitische maatregelen tegen Joodse academici, moest worden verplaatst door deze actie, en bent u bereid dit optreden expliciet als antisemitisch te kwalificeren? Zo nee, waarom niet?
Universiteiten en hogescholen zijn een plek voor debat en dialoog. Binnen de instelling moet men hier dan ook zoveel mogelijk de ruimte toe krijgen, bijvoorbeeld door een lezing te organiseren. Ik vind het onacceptabel wanneer studenten en/of medewerkers hierin worden belemmerd. Ik betreur het daarom zeer dat de geplande Cleveringa-lezing verplaatst moest worden. Tegelijkertijd zie ik dat de Universiteit Leiden adequaat heeft gehandeld, want door de lezing te verplaatsen kon deze toch doorgang vinden.
Het is niet aan mij als Minister van OCW om te beoordelen wanneer er sprake is van antisemitisme. Bij vermoedens van antisemitisme kan aangifte worden gedaan. Vervolgens is het aan het OM en, indien vervolging wordt ingesteld, aan de rechter om te bepalen of er in concrete gevallen sprake is geweest van antisemitisme.
De transparantie van besteding van budget door een aspirant-omroeporganisatie |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat in het strafproces tegen een presentator van een aspirant-omroep de betreffende omroep de juridische kosten grotendeels voor haar rekening heeft genomen, dat zou zijn afgesproken om deze kosten «weg te schrijven» in het jaarverslag en dat deze presentator een crowdfunding startte om de juridische kosten te financieren? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?1
Ik ken het bericht. Het Commissariaat voor de Media, als onafhankelijk toezichthouder, heeft mij laten weten nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van bestedingen in deze kwestie. Omdat deze zaak onderwerp van lopend onderzoek van de toezichthouder is, past het mij niet hier verdere uitspraken over te doen.
Kunt u uiteenzetten hoe in algemene zin toezicht wordt gehouden op de naleving van het uitgangspunt dat de financiering die publieke omroepen ontvangen alleen mogen worden besteed aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht?
Hoofdregel van de wet is dat alle inkomsten van een omroepvereniging bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht, tenzij daar door de wet een uitzondering op is gemaakt (artikel 2.135 Mediawet 2008). Het Commissariaat voor de Media (Commissariaat) is verantwoordelijk voor het financiële toezicht op publieke omroepen (artikel 2.171 van de Mediawet 2008). Dit toezicht richt zich onder meer op de rechtmatigheid van de besteding van de middelen die bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht. Het toezicht gebeurt onder meer aan de hand van de jaarrekeningen die de (aspirant-)omroepen met een controleverklaring van de accountant jaarlijks bij het Commissariaat moeten aanleveren. Als daar aanleiding toe bestaat, zal het Commissariaat de financiële rechtmatigheid van bestedingen nader onderzoeken.2 Wanneer (aspirant-)omroepen zich niet houden aan de wettelijke verplichtingen kan het Commissariaat handhavend optreden. Middelen die onrechtmatig besteed zijn vordert het Commissariaat terug.
Welke sancties kunnen worden opgelegd aan (aspirant-)omroepen die zich niet houden aan de geldende juridische verplichtingen?
In algemene zin geldt dat bij overtreding van geldende juridische verplichtingen door (aspirant-)omroepen het Commissariaat per casus kijkt welk handhavingsinstrument het meest effectief is om herstel te bereiken of herhaling te voorkomen. Dit kan variëren van het voeren van een normoverdragend gesprek en het opleggen van een waarschuwing, tot formele handhavingsinstrumenten zoals een last onder dwangsom of een boete. Bij onrechtmatige besteding van middelen vordert het Commissariaat deze terug. Ook kan het Commissariaat een aanwijzing geven als sprake is van wanbeheer of als een deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen of het voeren van een deugdelijke administratie onvoldoende gewaarborgd zijn. Bij deze keuze baseert de toezichthouder zich op feiten die zijn verzameld en een beoordeling van de aard en de ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.
Wie legt volgens u sancties op conform de mediawet en hoe effectief is het wetsartikel 2.33 van de mediawet volgens u? Kunt u dit toelichten?
Het Commissariaat voor de Media is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Mediawet 2008, en kan bij overtredingen sanctioneren. Dat is onder meer het geval als sprake is van onrechtmatige besteding van gelden. Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 ziet op het intrekken van een (voorlopige) erkenning. Dat is een zeer verstrekkende bevoegdheid van de Minister die alleen als ultimum remedium moet worden ingezet.
Kunt u zich het Kamerdebat herinneren over de rolduidelijkheid aangaande sanctioneren van (aspirant-)omroepen door de NPO, het Commissariaat voor de Media en het kabinet en de aangenomen motie van het lid Mohandis c.s. om de rollen en het sanctiebeleid in den brede aan te scherpen en te verduidelijken, zodat duidelijker wordt na hoeveel overtredingen de licentie in het geding komt? Zo ja, hoe verhoudt dit geval zich tot deze rolduidelijkheid?2
Ja. In de reactie op deze motie heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat dit onderwerp wordt meegenomen in het wetsvoorstel voor de hervorming van de landelijke publieke omroep. Die toezegging staat. In het onderhavige geval is er overigens geen rolonduidelijkheid. Volgens de wet is het Commissariaat belast met het toezicht op de rechtmatige besteding van publieke omroepmiddelen. Daar hebben de NPO noch het kabinet een rol.
Betrekt u de uitvoering van deze motie bij de komende wetsbehandeling conform uw toezegging tijdens het notaoverleg Media van 14 april 2025? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat, met het oog op het belang van betrouwbare en transparante journalistiek, herhaald overtreden van de uit de mediawet conform artikel 2.33 voortvloeiende verplichtingen moet worden gesanctioneerd en de omroeplicentie in het geding kan komen? Zo nee, waarom niet?
Alle omroepen, geen enkele uitgezonderd, dienen zich aan de voor hen geldende wettelijke verplichtingen te houden. Als men dat nalaat geldt het handhavingsregime zoals dat in de Mediawet is vastgelegd en zoals ik heb toegelicht in mijn antwoorden op vraag 2 tot en met 4. De mogelijkheid van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 om een (voorlopige) erkenning in te trekken, kan pas aan de orde komen als het Commissariaat minstens twee sancties in een jaar heeft opgelegd of wanneer daar een tweede negatief oordeel van de evaluatiecommissie aan ten grondslag ligt. Dat is overigens geen automatisme, er dient altijd een zorgvuldige afweging gemaakt te worden
Het bericht 'Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: ‘Niet in het belang van het kind’' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: «Niet in het belang van het kind»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat gerechtshoven in een substantieel aantal artikel 12-zaken besluiten om vervolging niet te gelasten met als reden dat het niet in het belang van het kind zou zijn?
Dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij «alle maatregelen betreffende kinderen» (zoals rechterlijke beslissingen) is een belangrijke verdragsverplichting die is vastgelegd in artikel 3 van het Verdrag van de Rechten voor het Kind. Het is echter niet aan mij om in gerechtelijke beslissingen te treden.
Hoeveel zaken van huiselijk geweld worden er per jaar geseponeerd waarbij expliciet het argument «in het belang van het kind» wordt genoemd? Worden deze gegevens al bijgehouden? Zo ja, kunt u deze gegevens delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid dit te laten monitoren?
De inhoudelijke redenen voor een sepot worden niet systematisch gedocumenteerd op het niveau van individuele zaken. Enkel dossieronderzoek, dat veel tijd en capaciteit kost, zou hier meer inzicht in kunnen geven. Ik heb het vertrouwen dat het Openbaar Ministerie in staat is om de juiste afweging te maken in deze zaken, waarbij de belangen van slachtoffers, waaronder kinderen, voorop staan.
Op welke basis waarvan wordt het «belang van het kind» gewogen in beslissingen van het Openbaar Ministerie (OM) om huiselijk geweld niet te vervolgen? Zijn dit landelijke kaders of afhankelijk van het gerechtshof? In welke mate heeft u invloed op deze kaders?
Het belang van het kind wordt gewogen op grond van de bestaande (internationale en Europese) wet- en regelgeving, de beleidsregels van het Openbaar Ministerie en de stukken uit het strafdossier, waaronder rapportages die omtrent het kind zijn opgemaakt. De beleidsregels zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in de Richtlijn voor Strafvordering Huiselijk Geweld en de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.
Landelijke richtlijnen en Aanwijzingen worden formeel vastgesteld door het College van Procureurs-Generaal. Ik heb dan ook geen directe invloed op deze kaders. Het is wel mogelijk via algemene beleidsaanwijzingen en wetgeving indirect invloed uit te oefenen op deze kaders.
Bent u bereid met het OM te bespreken een richtlijn te ontwikkelen voor zaken van huiselijk geweld waarbij kinderen zijn betrokken waarbij het uitgangspunt is dat bij een geweldsdelict niet geseponeerd wordt?
Uit de Richtlijn voor strafvordering Huiselijk Geweld volgt dat het uitgangspunt is dat bij zaken van huiselijk geweld wordt gedagvaard, vanwege de ernst van het plegen van geweld in afhankelijkheidsrelaties en de bestraffing die daarbij passend is.
Uit de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling volgt dat alleen zaken waarin sprake is van het ontbreken van letsel, dan wel (heel) licht letsel, het ontbreken van een dreiging van nieuw geweld, een eerste incident en/of een berouwvolle dader die hulp zoekt en aanvaardt, voor een OM-strafbeschikking in aanmerking komen. Verder kan aan een OM-strafbeschikking een gedragsaanwijzing worden verbonden conform artikel 257c lid 1 Sv, mits de verdachte door de officier van justitie is gehoord en zich bereid heeft verklaard zich aan de betreffende gedragsaanwijzing te houden. Delicten die met een buitengerechtelijke afdoening kunnen worden afgedaan zijn vernieling (art. 350 Sr), verbale bedreiging (art. 285 Sr) en eenvoudige mishandeling (art. 300 Sr).2 Andere delicten die vallen onder huiselijk geweld en belaging in de zin van stalking door een (ex-)partner of door iemand anders uit de huiselijke kring of privésfeer worden alleen buitengerechtelijk afgedaan bij hoge uitzondering met expliciete toestemming van de reclasseringsofficier.
Zowel uit de Richtlijn als de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie volgt dat zaken die vallen onder huiselijk geweld in beginsel worden gedagvaard en in uitzonderlijke gevallen met een OM-strafbeschikking worden afgedaan.
Bent u bekend met het gegeven dat er geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de stelling dat het vervolgen van een ouder negatieve effecten heeft op kinderen? Zo ja, welke onderbouwing gebruikt het OM om dit argument wel te laten meewegen in de beslissing?
Het is bekend dat er geen eenduidige wetenschappelijke consensus bestaat over de negatieve effecten van vervolging van ouders op kinderen. Het Openbaar Ministerie weegt zijn beslissing tot vervolging zorgvuldig af op grond van alle dossierstukken, inclusief rapportages van deskundigen (waaronder de Raad voor de Kinderbescherming) en adviezen van (jeugd)hulpinstanties waarin de belangen van het kind zijn meegenomen. Op grond van alle informatie tezamen beslist het Openbaar Ministerie welk belang per individuele casus het zwaarst weegt.
Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de algemene plicht van het OM om strafbare feiten te vervolgen? Deelt u de mening dat het een bijzonder voorbeeld schept dat er bij zaken van huiselijk geweld wel wordt geseponeerd in het belang van het kind waarbij juist het kind in sommige gevallen ook slachtoffer is, en in gevallen van bijvoorbeeld drugssmokkel dit argument niet wordt gebruikt?
Het Openbaar Ministerie heeft de wettelijke taak om strafbare feiten te vervolgen. Hierbij spelen ook maatschappelijke belangen mee, zoals de bescherming van kwetsbare kinderen. Het seponeren van zaken van huiselijk geweld in het belang van het kind raakt aan de taak en onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De vergelijking in de vraag toont de complexiteit van het vervolgingsmonopolie en de noodzaak voor een zorgvuldige afweging die elke keer opnieuw dient plaats te vinden wanneer er kinderen betrokken zijn.
Hoe ziet u het zelfstandig gebruik van het argument «in het belang van het kind» om af te zien van vervolging? Bent u het met de deskundigen in het artikel eens dat dit vrouwen en kinderen in situaties van huiselijk geweld extra kwetsbaar kan maken?
Het Openbaar Ministerie kan op grond van het opportuniteitsbeginsel beslissen om een zaak niet te vervolgen (artikel 167 en artikel 242 Sv). Uit de beleidsregels van het Openbaar Ministerie volgt echter dat bewijsbare huiselijk geweld zaken in beginsel wel worden vervolgd. In uitzonderlijke gevallen wordt daarvan afgezien, bijvoorbeeld wanneer het gaat om een gering feit of wanneer de pleger meteen verantwoordelijkheid heeft genomen door te bekennen en vrijwillig in behandeling te gaan voor bijvoorbeeld gedragsproblemen. Wanneer het Openbaar Ministerie besluit om niet te vervolgen, kan de zaak middels een artikel 12 procedure aan het gerechtshof worden voorgelegd om op die manier een vervolging te bewerkstelligen. De omstandigheid dat de belangen van het kind in elke individuele zaak zorgvuldig en als eerste overweging worden meegewogen, ook wanneer wordt beslist om niet te vervolgen, is op zichzelf een goede praktijk. Het is daarbij uiteraard van belang dat steeds wordt bezien of een beslissing om niet te vervolgen alle rechten en belangen van het kind, waaronder ook diens recht op bescherming tegen geweld, voldoende borgt. Uit verschillende onderzoeken volgt immers dat kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld blijvend schade kunnen oplopen, en dat dit zelfs intergenerationeel kan doorwerken. Voor slachtoffers, nabestaanden en ook de maatschappij is het belangrijk dat een pleger wordt gestopt, en verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn daden. Daar horen consequenties bij, zoals een straf en/of het zoeken naar hulp om het gebruik van geweld in de toekomst te voorkomen. Elke zaak is uniek. Dit betekent dat elke keer opnieuw een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt tussen de verschillende belangen, waarbij die van het kind de eerste overweging vormen.
Hoe wordt geborgd dat slachtoffers van huiselijk geweld voldoende bescherming, rechtszekerheid en toegang tot het recht hebben wanneer het OM besluit niet te vervolgen?
Er zijn verschillende mogelijkheden om het slachtoffer te beschermen wanneer het Openbaar Ministerie besluit om een zaak niet te vervolgen. Wanneer sprake is van acute onveiligheid kan via de burgemeester een beroep worden gedaan op het tijdelijk huisverbod. Hiermee is het slachtoffer voor een periode van maximaal 28 dagen beschermd tegen de pleger, die dan het huis niet mag betreden en ook geen contact mag opnemen met het slachtoffer en de kinderen. Verder kan een melding worden gedaan bij Veilig Thuis die vervolgens een risico-inschatting kan doen en een veiligheidsplan kan opstellen. Wanneer hulpverleningsinstanties zoals Veilig Thuis concluderen dat sprake is van acute onveiligheid dan kan het slachtoffer – onder voorwaarden – in aanmerking komen voor een AWARE-knop. Dit is een draagbare noodknop waarmee de politie kan worden gealarmeerd in geval van acuut gevaar. De politie kan met behulp van die knop de locatie van het slachtoffer bepalen en snel ter plaatse komen.
Rechtszekerheid en toegang tot het recht zijn geborgd doordat een slachtoffer middels een kort geding bij de civiele rechter een contactverbod kan eisen. Tot slot kan een slachtoffer via een artikel 12-procedure bij het gerechtshof een vervolging afdwingen.
Kunt u deze vragen een voor een en voor het kerstreces beantwoorden in combinatie met de set schriftelijke vragen van het lid Becker van 17 november 2025?
De antwoorden op de set Kamervragen van 17 november 2025 zijn op 19 december 2025 verzonden. Helaas is het niet gelukt om onderhavige set Kamervragen voor het kerstreces te beantwoorden.
Bent u bekend met het Zembla-artikel waaruit blijkt dat de 200% verhoging van de strafeis bij geweldsdelicten tegen NS-medewerkers, en anderen met een publieke taak, nauwelijks wordt uitgevoerd in de praktijk?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het Openbaar Ministerie als uitgangspunt hanteert dat bij geweldsdelicten tegen hulpverleners een 200% hogere strafeis kan worden geëist, maar dat dit uitgangspunt in de praktijk nauwelijks terug is te zien?
Ik ben uiteraard bekend met het uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie hanteert. Met dit uitgangspunt houdt de officier van justitie rekening in de strafeis. In de antwoorden hierna zal ik verder ingaan in uitwerking hiervan in de praktijk.
Kunt u begrijpen dat medewerkers met een publieke taak – die zich iedere dag inzetten voor onze samenleving en op steun van de overheid rekenen – zich in de steek gelaten voelen doordat de 200% verhoging van de strafeis nauwelijks wordt toegepast in de praktijk?
Vooropgesteld veroordeel ik al het geweld tegen medewerkers met een publieke taak in de sterkst mogelijke woorden. Rond de jaarwisseling hebben we helaas weer vreselijke incidenten gezien. Ik kan mij goed de beleving van medewerkers met een publieke taak voorstellen dat zij – omdat zij andere verwachtingen hebben – zich soms in de steek gelaten voelen.
Het uitgangspunt van 200% betekent niet dat iedere verdachte ook een driedubbele straf opgelegd krijgt. De 200% hogere strafeis is het uitgangspunt, waarna de officier volgens de geldende richtlijnen ook moet kijken naar de context waarin het feit is gepleegd en omstandigheden rondom de dader en de effectiviteit van de te eisen straf. De officier van justitie dient dit toe te lichten in zijn requisitoir.
De strafeis is slechts één van de maatregelen om agressie en geweld een halt toe te roepen. Voor de werknemers betekent dit dat naast het opsporen en vervolgen van daders de overheid ook inzet op andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld preventieprogramma’s om agressie en geweld te voorkomen, het verstrekken aan werkgevers van handvatten voor een veilige(re) werkomgeving en door wetenschappelijk onderzoek te laten doen naar thema’s als agressie en geweld tegen hulpverleners.
Kunt u exact aangeven hoeveel zaken met geweld tegen medewerkers met een publieke taak hebben plaatsgevonden, hoeveel daarvan tot vervolging hebben geleid, in hoeveel gevallen de 200%-strafeis is geëist en in hoeveel gevallen de rechter deze strafeis heeft gevolgd?
In de beleidsreactie van mijn ambtsvoorganger aan de Kamer naar aanleiding van het onderzoek van de DSP groep naar straftoemeting bij VPT-delicten in 2024 is reeds bericht dat het overgrote deel van de geïnterviewde officieren van justitie enige mate van strafverhoging toepast, maar dat de 200% strafverhoging uit de OM-richtlijn slechts zelden wordt toegepast.2 Mijn ambtsvoorganger heeft hier met het Openbaar Ministerie het gesprek over gevoerd. Het OM heeft mij naar aanleiding van dit gesprek laten weten dat dit inmiddels opnieuw bij de officieren van justitie met het taakaccent veilige publieke taak (VPT) onder de aandacht is gebracht. Daarnaast zal het OM blijvend aandacht schenken aan de vraag of de strafvorderingsrichtlijn voldoende bekend is binnen het OM en of het genoemde strafeisverhogingspercentage als uitgangspunt wordt gebruikt. Ook wordt in het onderzoeksrapport van DSP geconcludeerd dat het bij de rechters als een strafverzwarende omstandigheid wordt aangemerkt als het slachtoffer een publieke taak uitoefende.
Uit de jaarrapportage van het Openbaar Ministerie volgt dat van alle VPT-zaken die bij het Openbaar Ministerie binnenkomen 60% aan de rechter wordt voorgelegd en dat is meer dan gemiddeld. De overige 40% wordt door het OM zelf afgedaan. Exacte cijfers over hoe vaak een 200% hogere strafeis wordt geëist en hoe vaak dit wordt opgelegd zijn niet betrouwbaar uit de managementinformatiesystemen van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie te halen.
Kunt u toelichten waarom zijn eigen instructie om de strafeis met 200% te verhogen in de praktijk nauwelijks terug te zien is in de strafeis van de officier van justitie?
De verhoging van de strafeis met 200% is een uitgangspunt waarmee de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis rekening houdt. Door het wegen van alle relevante factoren van het geval, komt de officier van justitie tot een op maat gesneden (betekenisvolle) sanctie of strafeis.
Kunt u een oordeel vellen over de toelichting die u hiervoor noemt en ziet u de bij vraag 6 genoemde redenen zelf als een afdoende verklaring voor het uitblijven van de 200%-strafeis?
Naast de 200% verhoging als uitgangspunt zullen door het Openbaar Ministerie, zoals gezegd, ook andere factoren worden meegewogen (zoals de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte).
De beoordelingsruimte van de officier van justitie bij het formuleren van de strafeis is een vrijheid die voortvloeit uit de wet, die eveneens inherent is aan het vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie om een strafzaak af te doen. Het is derhalve niet aan mij om in die strafrechtelijke beoordeling te treden. Wel veroordeel ik uiteraard al het geweld tegen hulpverleners en anderen met een publieke taak.
Deelt u de opvatting dat het essentieel is om 200% verhoging van de strafeis in de praktijk veel vaker toe te passen om medewerkers met een publieke taak extra te beschermen en daders beter af te schrikken?
In uw vraagstelling gaat u ervan uit dat de verhoging van de strafeis met 200% als uitgangspunt medewerkers met een publieke taak extra beschermt. Ik wil ten eerste benadrukken dat bescherming van werknemers vooral ligt in de fase die aan strafrechtelijke interventie voorafgaat.
Desondanks kan een hogere strafeis een afschrikwekkende werking hebben mits daders hiermee bekend zijn en daar ook gevoelig voor zijn. Aangezien daders van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak niet altijd een weloverwogen beslissing voor hun daad lijken te nemen – denk aan verwarde personen – laat ik nader onderzoek doen naar het type dader en hun motieven om agressie tegen werknemers met een publieke taak beter te kunnen voorkomen.3 Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al aangaf, is ook wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk om uiteindelijk aan agressie en geweld tegen werknemers met een publiek taak het hoofd te kunnen bieden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat uw eigen instructie, om een verhoogde strafeis op te leggen bij geweldsdelicten tegen personen met een publieke taak, wordt uitgevoerd?
De verhoogde strafeis is vastgelegd in een instructie van het OM zelf. Zoals ook in het antwoord op vraag 6 toegelicht treed ik niet in de beoordelingsruimte die wettelijk aan het Openbaar Ministerie is toegekend. Wel voer ik zeer regelmatig het gesprek met het Openbaar Ministerie over dit belangrijke onderwerp. Afgelopen jaarwisseling hebben we helaas een groot aantal gevallen van geweld tegen personen met een publieke taak gezien. De jaarwisseling wordt op dit moment geëvalueerd. Ook naar aanleiding hiervan zal ik het gesprek met OM aangaan om te bespreken hoe de strafrechtelijke aanpak van daders van dit onacceptabele geweld kan worden versterkt. In dit gesprek zal ik ook de 200% strafeis wederom ter sprake brengen.
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om geweld tegen hulpverleners te voorkomen en kunt u elk van de voorgenomen maatregelen toelichten?
Met het Wetsvoorstel aanscherping taakstrafverbod, dat op dit moment bij de Raad van State ligt voor advies, leggen we wettelijk vast dat mishandeling van hulpverleners en handhavers onacceptabel is en dat een taakstraf niet op zijn plaats is. Zoals ik hiervoor in mijn antwoord op vraag 3 al aangaf, wordt door de overheid naast het strafrecht ingezet op diverse andere maatregelen om geweld tegen hulpverleners te voorkomen. Preventieve maatregelen (door de werkgever) gaan aan het strafrecht vooraf en moeten aansluiten op de gesignaleerde knelpunten. Vanuit de Nederlandse Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt de werkgever hierin ondersteund door onder andere een Werkinstructie agressie en geweld. Met toezicht en handhaving beoogt de Arbeidsinspectie naleving van de arbeidsomstandighedenwet en het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van incidenten van agressie en geweld.
Het bericht 'Uit huis geplaatste kinderen uit Noord-Nederland jarenlang ernstig mishandeld' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uit huis geplaatste kinderen uit Noord-Nederland jarenlang ernstig mishandeld»?1
Ja
Kunt u aangeven waar in de keten toezicht heeft gefaald en waarom dit niet eerder is gesignaleerd? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment doen de inspecties onderzoek naar de geleverde kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp aan de kinderen die verbleven in dit gezinshuis in Noord-Nederland. Zij zullen daarbij kijken naar de rol van de betrokken partijen, zoals de rol van de gecertificeerde instelling (GI) en de gezinshuisouders. Ook wordt gekeken welke eventuele signalen of meldingen er bekend waren, zowel bij de inspecties als bij andere organisaties, en op welke manier de betrokkenen hiermee zijn omgegaan. We vinden het van belang om de uitkomsten van dit onderzoek af te wachten en niet op voorhand conclusies te trekken.
Klopt het dat er al eerder twijfels bestonden over de pedagogische vaardigheden en geschiktheid van de betrokken gezinshuisouders? Zo ja, waarom is er niet onmiddellijk ingegrepen?
Het klopt dat er in het verleden zorgen waren over de opvoedvaardigheden en de verzorging door de betrokken gezinshuisouders. De betrokken GI geeft aan dat er geen eerdere signalen waren van mishandeling. Naar aanleiding van de zorgen is destijds actie ondernomen door de GI en de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder van het gezinshuis is destijds een traject gestart om de vaardigheden van de gezinshuisouder te verbeteren. Dit traject is succesvol afgerond. Hierna zijn deze kinderen in dit gezinshuis geplaatst. De vraag óf er signalen waren en zo ja, waarom deze dan zijn gemist, is onderdeel van het genoemde onderzoek van de inspecties.
Erkent u dat organisaties zoals de William Schrikker Stichting herhaaldelijk betrokken zijn bij ernstige incidenten, zoals het Vlaardingse meisje? Zo ja, waarom is er ondanks eerdere misstanden geen verscherpt toezicht of sanctiebeleid door het ministerie ingesteld en bent u daartoe alsnog bereid?
Het klopt dat de William Schrikker Schichting (WSS) betrokken was bij zowel de zaak van het meisje in het pleeggezin in Vlaardingen en ook bij deze gebeurtenis van het gezinshuis in Noord-Nederland. De WSS begeleidt meer dan een kwart van alle kinderen met een kinderbeschermingsmaatregel in Nederland.
Het instellen van verscherpt toezicht of andere maatregelen is niet aan ministeries, maar aan de inspecties. De inspecties hebben naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen vanaf januari 2025 intensief toezicht uitgevoerd bij de William Schrikker Stichting. De inspecties hebben in hun rapport over de WSS2 geconcludeerd dat er weliswaar sprake is van tekortkomingen, maar dat de oorzaken hiervan vooral buiten de invloedsfeer van de WSS liggen. De inspecties concludeerden vertrouwen te hebben in de verbeterkracht van de WSS daar waar verbetermogelijkheden binnen de eigen invloedsfeer liggen. Het instellen van verscherpt toezicht was daarom niet passend volgens de inspecties. In juni hebben zij de WSS laten weten over te stappen naar regulier toezicht.
Bent u tevens bereid, indien nodig door middel van een wetswijziging, ervoor te zorgen dat betrokken begeleiders, bestuurders en toezichthouders die hebben nagelaten deze kinderen te beschermen, ontslagen en strafrechtelijk vervolgd worden? Zo nee, waarom niet?
Nee ik ben daar niet toe bereid. Ontslag en/of strafrechtelijke vervolging is niet aan mij en de huidige wetgeving biedt hiervoor al voldoende mogelijkheden:
Waar het gaat om ontslag hebben de organisaties zelf een zelfstandige bevoegdheid. Ook kan er in het kader van tuchtrecht een klacht worden ingediend over het handelen van een geregistreerde professional. Dit zou kunnen leiden tot een schorsing/doorhaling van de beroepsregistratie, waardoor de betrokken professional geen taken in de jeugdzorg meer mag uitvoeren waar beroepsregistratie voor is vereist. Ook kunnen de inspecties, indien zij dit nodig achten op basis van hun onderzoek, een (tucht)klacht indienen of aangifte doen. Het nemen van individuele beslissingen omtrent strafvervolging is aan het Openbaar Ministerie.
Indien de organisatie een Raad van Toezicht heeft ingesteld3, dan is het aan hen om een beslissing te nemen over ontslag van bestuurders. Verder kan een belanghebbende of het openbaar ministerie de rechtbank verzoeken een bestuurder, dan wel (een lid van) de Raad van Toezicht te ontslaan wegens (voor zover hier relevant) verwaarlozing van zijn taak of andere gewichtige redenen (artikel 2:298 BW).
Gaat u op korte termijn dwingende maatregelen nemen – inclusief verplicht extern toezicht, sluiting bij signalen en zware sancties bij falen – om herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook bij vraag 4 aangegeven, is het aan de inspecties om te bepalen of en zo ja, welke vervolgacties of maatregelen passend zijn. We kunnen in de beantwoording van deze Kamervragen niet vooruitlopen op het oordeel van de inspecties. Wij zullen uw Kamer over de uitkomsten van het onderzoek informeren.