Het bericht dat het toeslagenstelsel duur, inefficiënt en schuldenveroorzakend is |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona sterk is toegenomen en dat in 2023 circa 658.000 keer toeslagen moesten worden teruggevorderd?1
Hoeveel huishoudens kampen momenteel met problematische schulden als gevolg van terugvorderingen van toeslagen en hoeveel mensen vragen toeslagen waar zij recht op hebben bewust niet aan uit angst voor terugbetalingen?
Erkent u dat het huidige toeslagenstelsel voor veel Nederlanders te ingewikkeld, onzeker en stressverhogend is en bovendien een armoedeval kan creëren doordat mensen toeslagen verliezen zodra zij meer gaan werken of verdienen?
Hoeveel geld wordt jaarlijks uitgegeven aan de uitvoering, controle, handhaving en administratieve verwerking van toeslagen en hoeveel geld gaat verloren door fraude, fouten en uitvoeringskosten?
Klopt het dat in 2024 ongeveer 21 miljard euro aan toeslagen werd uitgekeerd en dat dit bedrag in tien jaar tijd bijna is verdubbeld? Hoe verklaart u deze stijging?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat mensen door kleine inkomenswijzigingen plotseling grote bedragen moeten terugbetalen?
Hoeveel ambtenaren, uitvoeringsinstanties en externe organisaties zijn direct of indirect betrokken bij de uitvoering van het toeslagenstelsel?
Welke lessen trekt het kabinet uit de toeslagenaffaire bij de verdere hervorming van het toeslagenstelsel?
Is het kabinet bereid fundamentele alternatieven voor het huidige toeslagenstelsel te onderzoeken, waaronder een eenvoudiger systeem van inkomensondersteuning met minder voorwaarden, minder bureaucratie en minder risico op schulden?
Zijn er binnen het ministerie scenario’s of doorrekeningen gemaakt van systemen waarbij toeslagen en delen van het uitkeringsstelsel worden vervangen door een vast maandelijks bedrag of andere vormen van vereenvoudigde inkomensondersteuning? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen?
De Timmermans-taks |
|
Geert Wilders (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Timmermans-taks» tegen CO2-uitstoot gaat ons tot 70 euro per maand extra kosten: «Ingrepen van politiek nodig»»?1
Bent u ervan op hoogte dat de energierekening en autorijden voor heel veel mensen onbetaalbaar is geworden en circa 500.000 huishoudens in energiearmoede leven?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat door de aanstaande Europese CO2-heffing Emissions Trading System (ETS2) – de Timmermans-taks – gas, benzine en diesel nóg duurder zullen worden en dat huishoudens daardoor tot € 70 per maand, oftewel € 840 per jaar méér gaan betalen? Zo nee, hoe kunt u deze absurde lastenverhogende klimaattaks verdedigen?
Deelt u de conclusie dat de € 720 miljoen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, waarop Nederland ter compensatie van ETS2 beroep kan doen, neer zou komen op eenmalig € 85 per huishouden en dus niets anders is dan een doekje voor het bloeden?
Wat vindt u ervan dat de energierekening inmiddels voor meer dan de helft (58%) uit belastingen (energiebelasting en btw) en transportkosten bestaat en dat de Nederlanders, op Zweden na, het meest voor hun gas van heel Europa betalen? Wat vindt u ervan dat de Nederlandse benzineprijzen, op enkele landen na, tot de allerhoogste ter wereld behoren?
Deelt u dan ook de conclusie dat niet alleen de gestegen energieprijzen problematisch zijn, maar dat óók de belastingen op energie in Nederland veel te hoog zijn? Deelt u de mening dat deze belastingen niet steeds verder omhoog, maar juist omlaag moeten en dat er überhaupt geen nieuwe energiebelastingen, zoals ETS2, ingevoerd moeten worden?
Bent u ertoe bereid de Timmermans-taks naar de prullenbak te verwijzen en de Nederlanders te behoeden voor deze links-ideologische klimaatgekte? Zo nee, hoe reageert u dan op de oproep van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om «snel passende maatregelen te nemen om alle negatieve effecten voor kwetsbare huishoudens te beperken»? Gaat u dat doen? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
De publicatie 'De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens' van het CPB van 6 mei 2026. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van het CPB en hoe beoordeelt u in grote lijnen de conclusies van het CPB?1
Is het volgens u terecht dat vermogen in box 2 volledig in de inkomens- en vermogenspositie van DGA’s wordt meegenomen, terwijl hier uiteindelijk bij uitkering toch een keer belasting over betaald zal moeten worden?
Bent u van mening dat de vermogenspositie van DGA’s verder genuanceerd zou moeten worden omdat in het box 2 vermogen ook de oudedagsvoorziening is opgebouwd, terwijl pensioenvermogen van werknemers (opgeteld zo’n € 1.800 miljard) opgebouwd in de tweede pijler niet wordt meegenomen in de vergelijking?
Klopt het dat het wel meenemen van pensioenvermogen in de vermogensvergelijking in een eerdere analyse van het CPB de verschillen met ca. 10% verkleinde?
Wat is volgens u de verwachte invloed op aanmerkelijk belangvermogen als gevolg van maatregelen die na 2019 zijn genomen, zoals een hoger en beperkter opstaptarief in de Vpb, twee tarieven in box 2 en inperking van lenen bij de eigen vennootschap, aangezien het CPB zich baseert op de geobserveerde groei tussen 2011 en 2019?
Klopt het dat het rapport niet alleen laat zien dat de hoogste inkomens en vermogens het sterkst zijn gegroeid en relatief minder belastingdruk ervaren, maar ook dat de welvaart in bredere zin in vrijwel alle inkomens- en vermogensgroepen is toegenomen?
Klopt het dat de groeiende vermogens bij doorsnee huishoudens vooral het gevolg zijn van eigenwoningbezit en klopt het dat de verschillen tussen kopers en huurders door de stijgende woningprijzen steeds groter worden?
Klopt het dat aan de onderkant van de inkomensverdeling een grote herverdeling plaatsvindt met toeslagen en belastingkortingen, die in het rapport niet in de vergelijking wordt meegenomen?
Klopt het dat vooral de belastingdruk (na herverdeling) op de middenklasse, ten opzichte van de laagste en hoogste inkomens, relatief hoger is?
Deelt u de mening dat, hoewel er iets af te dingen is op de mate van ongelijkheid die het CPB constateert, de boodschap van het rapport vooral is dat we moeten opletten dat welvaartsgroei zich niet te veel bij een of enkele groepen concentreert omdat dit negatieve effecten kan hebben voor de samenleving?
Hoewel het CPB ook constateert dat niet te zeggen is wat een optimale mate van ongelijkheid in een samenleving is, bent u van mening dat de inkomens- en vermogensverdeling op dit moment te scheef aan het verdelen is en dat maatregelen nodig zijn om meer balans te brengen?
Bent u het met ons eens dat fiscaliteit voor ondernemers vooral gericht moet zijn op het stimuleren van investeren, innoveren en werkgeverschap, en niet enkel op het «zijn» van ondernemer?
Bent u bereid, naar het voorstel van het CPB, in kaart te brengen of en hoe actief ondernemingsvermogen en passief beleggingsvermogen in BV’s gescheiden kan worden, zodat vermogen op de juiste plaats belast kan worden?
Ten aanzien van de mogelijkheid tot arbitrage tussen box 2 en box 3, welke effecten verwacht u van het voorgenomen nieuwe box 3-stelsel en vervolgens van de verdere doorontwikkeling tot een volledige vermogenswinstbelasting?
Wat zijn volgens u de oorzaken van de door het CPB geconstateerde (relatief) lage effectieve belasting over erfenissen van 12% en over schenkingen van 6%? Hoe zou dit, met het oog op de verwachte omvangrijke vermogensoverdrachten van ouders aan kinderen, meer in de buurt kunnen worden gebracht van de beoogde progressieve tarieven in de erf- en schenkbelasting?
Deelt u de mening dat ook een inkomensonafhankelijke arbeidskorting per gewerkt uur ondoelmatige inkomensverschillen tussen groepen kan verkleinen omdat dit economisch effectiever kan uitwerken als daadwerkelijke beloning voor meer werken?
Bent u voornemens om in uw plannen voor herziening van het belastingstelsel de boodschap van het CPB mee te nemen, namelijk om verschillende soorten inkomen en vermogen gelijker te belasten en fiscale regelingen die inefficiënt en scheef verdeeld zijn aan te pakken om economische verstoring te voorkomen?
De transparantie bij de Nederlandse Loterij en de publieke verantwoordelijkheid van de Staat in relatie tot gokschade |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Loterij – exploitant van o.a. Staatsloterij, Lotto, Eurojackpot, Miljoenenspel, Krasloten, Lucky Day en Toto – geen inzicht geeft in de verhouding tussen online en fysieke winnaars bij deze spellen, terwijl deze gegevens technisch eenvoudig beschikbaar zijn?
Waarom publiceert de Nederlandse Loterij geen basisinformatie over het aantal online verkochte loten en deelnames, het aantal winnende online loten en deelnames, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor al deze kansspelen?
Bent u bereid de Nederlandse Loterij te verplichten dergelijke transparantie-indicatoren jaarlijks openbaar te maken voor alle door haar geëxploiteerde kansspelen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt het actief stimuleren van deelname aan kansspelen door een staatsbedrijf zich tot de verantwoordelijkheid van de overheid om gokschade te beperken, zeker gezien de groei van online deelname bij spellen als Lucky Day, Toto en Eurojackpot?
Erkent u dat deze dubbele rol bestuurlijk onzuiver is en vergelijkbaar met een overheid die zelf alcohol produceert, consumptie stimuleert en tegelijkertijd waarschuwt voor de schadelijke gevolgen?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat omzetdoelen van de Nederlandse Loterij zwaarder wegen dan het beperken van maatschappelijke schade, gezien de sterke commerciële promotie van o.a. Toto en Eurojackpot?
Hoeveel bedragen de maatschappelijke kosten van gokverslaving jaarlijks, en hoe verhouden deze zich tot de totale afdracht van de Nederlandse Loterij aan de Staat?
Waarom vindt er geen structurele monitoring plaats van de relatie tussen online deelname aan loterijen en kansspelen (zoals Lucky Day en Toto) en problematisch speelgedrag, terwijl de risico’s van online kansspelen breed worden erkend?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de maatschappelijke effecten van de groei van online deelname aan alle kansspelen van de Nederlandse Loterij? Zo nee, waarom niet?
Welke onafhankelijke instantie controleert of de kansverdeling tussen online en fysieke loten en deelnames identiek is bij alle spellen, en waarom worden deze auditbevindingen niet openbaar gemaakt?
Bent u bereid deze audits voortaan te publiceren, zodat burgers kunnen controleren of het systeem eerlijk functioneert?
Waarom gelden voor online loterijen en kansspelen van de Nederlandse Loterij niet dezelfde zorgplichten als voor andere online kansspelen, terwijl de drempelloze beschikbaarheid van online deelname vergelijkbare risico’s met zich meebrengt?
Onvrede onder toeslagenouders |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin wordt gesteld dat gedupeerde ouders die hun vaststellingsovereenkomst willen laten herzien eerst (grote delen van) ontvangen bedragen zouden moeten terugbetalen?1 Klopt deze weergave van de huidige praktijk, en hoe verhoudt dit zich tot het civielrechtelijke uitgangspunt dat bij dwaling niet zonder meer sprake is van volledige terugbetaling, maar van het opheffen van het zogenoemde dwalingsnadeel?
Kunt u uiteenzetten op basis van welke juridische grondslag van ouders wordt verlangd dat zij ontvangen bedragen terugbetalen voordat zij een overeenkomst kunnen laten herzien?
In hoeverre acht u het verenigbaar met het beginsel van effectieve rechtsbescherming dat ouders eerst financieel moeten terugkeren naar de uitgangssituatie voordat zij toegang krijgen tot herbeoordeling?
Klopt het dat in vaststellingsovereenkomsten een zogeheten novumclausule is opgenomen? Zo ja, hoe wordt deze clausule momenteel toegepast in situaties waarin nieuwe informatie uit de datakluis beschikbaar komt?
In hoeverre klopt het dat de datakluis documenten bevat die eerder niet betrokken zijn geweest bij beoordelingen, bezwaarprocedures of herstelroutes, en hoe wordt vastgesteld of deze documenten alsnog relevant zijn voor individuele dossiers?
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ouders na het tekenen van een overeenkomst constateren dat schadeposten ontbreken, berekeningen onjuist zijn en vergelijkbare schade verschillend is beoordeeld of later is aangepast?
Deelt u de opvatting dat in dergelijke gevallen niet gesproken kan worden van «spijt», maar van mogelijk onvolledige of onjuiste besluitvorming?
Kunt u ingaan op signalen van zowel ouders als de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) dat schade van kinderen in de praktijk niet (volledig) is meegenomen, ondanks eerdere uitlatingen dat dit onder het begrip «gezin» zou vallen?
Indien blijkt dat schade van kinderen structureel niet is meegenomen, wat betekent dit volgens u voor de rechtsgeldigheid en de volledigheid van reeds gesloten vaststellingsovereenkomsten?
Op welke wijze is bij het sluiten van deze overeenkomsten gewaarborgd dat ouders volledig en juist zijn geïnformeerd over hun rechtspositie en mogelijke alternatieven?
In hoeverre was er volgens u sprake van een gelijkwaardige onderhandelingspositie tussen de overheid en gedupeerde ouders bij het sluiten van deze overeenkomsten?
Hoeveel verzoeken tot herziening van vaststellingsovereenkomsten zijn tot op heden ingediend, en hoeveel daarvan zijn gehonoreerd?
Wordt ouders actief gewezen op de mogelijkheid van herziening op basis van nieuwe feiten of omstandigheden? Zo ja, hoe?
Deelt u de mening dat uiteindelijk de rechter bepaalt of en onder welke voorwaarden een vaststellingsovereenkomst kan worden aangetast of aangepast? Zo ja, waarom wordt richting ouders dan de indruk gewekt dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde is?
Bent u bereid om de huidige werkwijze rondom herziening van vaststellingsovereenkomsten te heroverwegen, zodat recht wordt gedaan aan nieuwe informatie en onvolledige dossiers zonder dat ouders eerst grote bedragen moeten terugbetalen?
Binnen welke termijn worden herzieningsverzoeken op grond van de novumclausule behandeld, en hoeveel ouders wachten inmiddels langer dan drie maanden op een inhoudelijke reactie?
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Tijs van den Brink (CDA), Mirjam Bikker (CU), Jan Struijs (50PLUS), Diederik van Dijk (SGP), Laurens Dassen (Volt), Sarah Dobbe (SP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
Het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Kunt u duidelijkheid scheppen in de ramingsmethodiek achter de begrote jaarlijkse btw-opbrengst van 328 miljoen euro van het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt?
Bent u bekend met het WUR-rapport doorrekening effecten van btw-verhoging op sierteeltproducten in Nederland en de Europese Unie (2023-120)?
Hoe verklaart u het verschil tussen de maximale netto btw-opbrengst van 159 miljoen euro volgens het WUR-rapport en de begrote 328 miljoen euro volgens de Voorjaarsnota?
In hoeverre zijn de financiële gevolgen van het mogelijke verlies van 2.440 voltijdbanen, waaronder extra uitgaven aan sociale zekerheid en lagere belastinginkomsten uit arbeid, volgens het WUR-rapport meegenomen in de Voorjaarsnota?
Het verlaagde btw-tarief is onder andere ingevoerd om bloemen en planten betaalbaar te maken en werkgelegenheid te stimuleren: hoe verhoudt het besluit van het kabinet zich tot deze voormalige doelstelling?
Heeft u onderzocht of deze maatregel per saldo contraproductief kan uitpakken voor de belastingopbrengst, indien de vraaguitval groter blijkt dan geraamd?
Welke meer doelmatige alternatieven heeft u overwogen alvorens te kiezen voor afschaffing van het verlaagde btw-tarief op sierteelt?
Welke lessen trekt u uit Spanje, waar een vergelijkbare btw-verhoging op sierteelt in 2012 één van de oorzaken was van een omzetdaling van ruim 25 procent en aanzienlijke bedrijfssluitingen, waarna de maatregel weer is teruggedraaid?
Bent u bereid de ramingen te actualiseren, waarbij op onderzoek gebaseerde prijselasticiteiten expliciet worden meegenomen en deze voordat verdere besluitvorming plaatsvindt aan de Kamer te sturen?
Kunt u toelichten hoe de maatregel zich verhoudt tot het doel van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte?
De Panama Papers en de Nederlandse trustsector |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in het FD van 3 april1 en 8 april2 jl. over de trustsector?
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoe beoordeelt u de wijze waarop in de media het functioneren en de maatschappelijke waarde van de Nederlandse trustsector wordt weergegeven?
Een sterke financiële sector is van groot belang voor onze open economie en voor het verdienvermogen van Nederland. Ik vind het belangrijk dat Nederland aantrekkelijk is voor internationale ondernemingen: vanwege onze sterke economische fundamenten, hoogwaardige en betrouwbare financiële infrastructuur, duidelijke en voorspelbare regels en goed toezicht. De trustsector kan daarbij een legitieme en ondersteunde functie vervullen voor internationale bedrijven die in Nederland actief willen zijn, zonder zich direct volwaardig te vestigen. Ik vind het belangrijk dat de sector goed in staat is om deze rol te vullen en haar rol als poortwachter effectief vervult.
Tegelijkertijd moeten we oog houden voor de risico’s die met trustdienstverlening gepaard gaan. In het verleden zijn er signalen geweest, waaronder de Panama Papers, voor misbruik van trustdienstverlening om geldstromen te verhullen, belasting te ontwijken, dan wel belastingfraude te plegen. Ook de Nationale Risicoanalyse (NRA) Witwassen uit 2019 en de meeste recente versie uit 2023 onderstrepen de witwasrisico’s die samenhangen met trustdienstverlening.3 Dat vraagt om een zorgvuldige balans tussen het beperken van risico’s en het behouden van een aantrekkelijk klimaat voor bonafide internationale ondernemingen.
De afgelopen jaren is er veel nationale en internationale wet- en regelgeving gekomen die relevant is voor de trustsector, zowel op fiscaal terrein als op integriteitsterrein. Daarnaast zijn meerdere onderzoeken gedaan naar de risico’s en toekomst van de trustsector, met verschillende maatregelen als gevolg.4 In 2018 is de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) ingevoerd en is de oude Wet toezicht trustkantoren ingetrokken. De invoering van de Wtt 2018 volgde mede uit signalen van DNB in de periode van 2012 en 2025 dat trustkantoren de regelgeving onvoldoende naleefden en integriteitsrisico’s onvoldoende mitigeerden. Ook maatschappelijke en politieke aandacht naar aanleiding van de Panama Papers en het onderzoek van de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies, vormden aanleiding voor verdere regulering van trustdienstverlening.5 Verder is de Wtt 2018 aangescherpt om bepaalde onwenselijke dienstverlening te verbieden. In diezelfde periode zijn er fiscale maatregelen genomen om belastingontwijking tegen te gaan. Op dit laatste ga ik in de beantwoording van vraag 20 en 21 verder in. Uit gesprekken met de Nederlandse toezichthouder op trustkantoren, De Nederlandsche Bank (DNB), volgt dat dit tot verbeteringen heeft gezorgd in de professionalisering en de integriteit van de sector. Zo is de basis van de door trustkantoren genomen risicobeheersmaatregelen vaker op orde. Tegelijkertijd ziet DNB nog ruimte voor verbetering, bijvoorbeeld omdat er verschillen zijn in diepgang en kwaliteit van cliëntenonderzoek.6
Deelt u de opvatting dat het sterk afgenomen aantal trustkantoren (circa 80%) en doelvennootschappen (circa 50%) niet uitsluitend als een morele overwinning moet worden gepresenteerd, maar ook economische consequenties heeft?
Allereerst is het belangrijk om te benoemen dat ik de genoemde cijfers niet kan plaatsen. Het aantal trustkantoren is tussen 2010 en 2026 van 309 naar 106 afgenomen wat een reductie van circa 65% betekent.7 Het aantal doelvennootschappen is in de afgelopen 5 jaar met 31% afgenomen. Sinds 2013 is het aantal doelvennootschappen aan het afnemen.8
Het is lastig om in te schatten wat de economische consequenties zijn van deze afname van het aantal kantoren. Indien er enige economische consequenties zijn van een afname binnen de trustsector ten gevolge van fiscale en integriteitswetgeving dient dit ook afgezet te worden tegen de economische consequenties van belastingontwijking en witwassen. Zo heeft de Rijksoverheid inmiddels 33 miljoen teruggevorderd naar aanleiding van de Panama Papers.9 De in vraag 2 genoemde maatregelen die zijn getroffen hebben tot positieve resultaten geleid. Zo zijn de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties structureel lager.10 Daarnaast zijn, zoals eerder benoemd, de risicobeheersmaatregelen van trustkantoren ook verbeterd. Een schoon en betrouwbare financiële sector is belangrijk voor stabiele economische groei.
Kunt u uiteenzetten welke rol de trustsector speelt in:
De aard en omvang van de Nederlandse trustsector is eerder onderzocht in het rapport Toekomst van de trustsector van juli 2022.11 Hieruit bleek dat de trustsector naar schatting 1.750 banen opbrengst en 50 miljoen aan belastinginkomsten oplevert. In het rapport geeft SEO aan dat de sector bijdraagt aan een laagdrempelig vestigingsklimaat door een springplank te bieden voor bedrijven die in Nederland willen vestigen zonder direct een volwaardige zelfstandige onderneming te kunnen of willen oprichten. De sector faciliteert daarnaast internationale investeringsstromen door trustdienstverlening te verlenen aan internationale bedrijven met operationele structuren en daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in Nederland. De trustsector vervult tevens een rol als poortwachter bij de naleving van regelgeving gericht op het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering, evenals bij de naleving van sanctieregelgeving en (inter)nationale fiscale regels.
Ontwikkelingen in Europese en nationale fiscale en integriteitsregelgeving kunnen van invloed zijn op de mate waarin door internationale bedrijven gebruik maken van dienstverlening in Nederland. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijven die zich in Europa willen vestigen en daarbij Nederland als mogelijk vestigingsland overwegen. Voor dat laatste geldt overigens dat fiscale en integriteitsregelgeving niet de enige relevante factoren zijn.
Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoeksrapport «De toekomst van de trustsector» dat de eisen ten aanzien van transparantie en integriteit juist bijdragen aan de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland voor internationale partijen die hier waarde aan hechten. In dat kader vraagt het kabinet ook aandacht voor de recente publicatie van DNB waaruit blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is. 12 Uit de publicatie van DNB blijkt verder dat het aantal trustkantoren, met name die gerelateerd waren aan laagbelaste jurisdicties, halveerde sinds 2017 van circa 200 naar iets meer dan 100 in 2025. In dat verband refereert DNB ook aan de fiscale maatregelen die tegen belastingontwijking zijn genomen. Op basis van de «Monitoringsbrief van de effecten van de aanpak van belastingontwijking» volgt dat deze maatregelen effectief zijn.
Zo geldt er sinds 1 januari 2021 in Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. In de genoemde monitoringsbrief is beschreven dat de bronbelasting zeer effectief blijft in de bestrijding van rente- en royaltystromen naar laagbelastende jurisdicties. De cijfers bevestigen namelijk een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.
In hoeverre acht u het risico aanwezig dat negatieve beeldvorming en beleidsaanscherpingen ertoe leiden dat internationaal opererende bedrijven Nederland vermijden of verlaten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het functioneren van De Nederlandsche Bank als toezichthouder op de trustsector?
De Nederlandsche Bank (DNB) houdt als zelfstandig bestuursorgaan risicogebaseerd toezicht op trustkantoren ingevolge de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan het toezicht door DNB op trustkantoren of een negatief beeld te hebben van het functioneren van DNB als toezichthouder. Ik word jaarlijks geïnformeerd door DNB met de zbo-verantwoording en neem ook kennis van het jaarlijkse rapport Integriteitstoezicht in beeld.13 Daarnaast spreekt mijn ministerie met DNB over het toezicht op trustkantoren.
Op dit moment wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de zbo-taken door DNB geëvalueerd. Ik verwijs hiervoor naar de uitkomsten van deze evaluatie en mijn reactie hierop, die naar verwachting rond de zomer worden gepubliceerd.
Herkent u signalen uit de sector dat er sprake zou zijn van een disproportioneel strikte of zelfs vijandige toezichtshouding?
Deze signalen herken ik niet.
In de rapportage Integriteitstoezicht in beeld 2026 geeft DNB aan de dialoog met de sector meer op te zoeken. Ik herken dit beeld, omdat de branchevereniging van trustkantoren Holland Questor, in de reguliere gesprekken die mijn ministerie met hen voert, heeft aangegeven dat de relatie met DNB wat hen betreft verbeterd is ten opzichte van een aantal jaren geleden. Daarnaast zijn in november 2025 de Good Practices Wtt 2018 gepubliceerd14, die in samenspraak met de sector en na openbare consultatie tot stand zijn gekomen en praktische handvatten bieden voor de naleving van de Wtt 2018.15 Ik ben daarom van mening dat het contact tussen DNB en de sector proportioneel en professioneel is.
Zoals eerder gesteld is DNB onafhankelijk in de uitvoering van haar toezichttaken. Het uitgangspunt is dat toezicht risicogebaseerd plaatsvindt, zodat effectief wordt opgetreden waar de risico’s het grootst zijn. DNB zet de beschikbare toezichtcapaciteit daar in waar de integriteitsrisico’s het grootst zijn. De intensiteit van het toezicht neemt toe naarmate het materialiseren van risico’s grotere consequenties heeft voor het vertrouwen in de sector.16
De Wtt 2018 stelt wel meer eisen aan het cliëntonderzoek door trustkantoren. Deze eisen zijn noodzakelijk om de inherente risico’s van trustdienstverlening–zoals complexiteit en ondoorzichtigheid en de daarmee samenhangende gevoeligheid voor witwassen, verhulling van eigendom en zeggenschap, en belastingontwijking of -ontduiking–adequaat te mitigeren. Die maatregelen zijn wat mij betreft nodig om ervoor te zorgen dat de trustsector integer is. De hogere risico’s aan trustdienstverlening blijken onder meer uit de NRA Witwassen 202317 en de antiwitwasverordening18 waarin bepaalde aspecten gerelateerd aan trustdiensten verbonden worden met verhoogd risico’s.
Indien deze maatregelen er niet zijn, is de kans op witwassen groter, omdat het trustkantoor onvoldoende inzicht heeft in de vaak complexere structuur. De bovengenoemde maatregelen moeten partijen die gebruik zouden willen maken van het Nederlandse stelsel om bijvoorbeeld belastingfraude te plegen ontmoedigen. Uiteraard dient er een balans te zijn tussen de lasten voor trustkantoren en de effectiviteit van de maatregelen. Ik vind het, zoals eerder aangegeven, logisch dat trustdienstverlening, met de juiste maatregelen, kan plaatsvinden in Nederland om bijvoorbeeld internationale bedrijven die hier actief willen zijn de kans hiervoor te geven.
Met de inwerkingtreding van het nieuwe antiwitwaspakket van de Europese Commissie (AML-pakket) zal het verplicht toepassen van verscherpt cliëntenonderzoeksmaatregelen verplicht blijven voor de trustkantoren. Wel komt er meer ruimte voor een risicogebaseerde toepassing. Dit leidt in de praktijk tot lastenvermindering omdat het trustkantoor meer ruimte heeft om de risicogebaseerde benadering zelf in te vullen.
Hoe waarborgt u dat toezicht effectief is zonder het legitieme functioneren van de sector onnodig te belemmeren?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is naar uw inschatting de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland?
Het is voor mij niet mogelijk om een betrouwbare inschatting te geven van de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland. In integriteitstoezicht in beeld meldt DNB dat zij 44 signalen van trustdienstverlening zonder vergunning ontving in 2025, ten opzichte van 37 in 2024.19 Dit betreffen met name signalen die betrekking hebben op het «opknippen» van trustdienstverlening. Opknippen verwijst naar situaties waarbij een dienstverlener bepaalde diensten onderbrengt bij aparte aanbieders en zo onder de verplichtingen van de Wtt 2018 uit probeert te komen. Het opknippen van trustdienstverlening is niet toegestaan en DNB kan hierop handhaven.
Wanneer DNB een signaal ontvangt over mogelijke illegale trustdienstverlening beoordeelt zij eerst of het aannemelijk is dat sprake is van een overtreding. Indien dat het geval is, spreekt DNB de betreffende partij in beginsel eerst schriftelijk aan. In een groot deel van de gevallen leidt dit ertoe dat de overtreding wordt beëindigd zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig zijn. Indien DNB constateert dat de overtreding voortduurt of dermate ernstig is wordt een formeel handhavingstraject ingezet. Dit kan leiden tot bestuurlijke maatregelen, zoals het opleggen van een boete. In een uiterst geval kan door het Openbaar Ministerie vervolging worden ingesteld.
In 2024 ging DNB over tot 1 handhavingsmaatregel tegen illegale trustdienstverlening en in 2025 2 handhavingsmaatregelen.20 Het merendeel van de overige signalen is gesloten, onder andere doordat (1) er geen sprake bleek van illegale trustdienstverlening (bij circa 50% van de meldingen was dat het geval); (2) de overtreding, zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig waren, is beëindigd; en daarnaast (3) komt het regelmatig voor dat DNB meerdere signalen krijgt die op dezelfde dienstverlener betrekking hebben (dubbele meldingen).
DNB heeft binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC) verband21 in 2026 een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.22 De uitkomsten daarvan bieden naar verwachting meer inzicht zodat signalen in de praktijk beter kunnen worden herkend en opgevolgd. Dit kan leiden tot meer handhavingstrajecten.
Erkent en herkent u signalen dat illegale trustdienstverlening toeneemt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn naar uw mening de belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling, mede in relatie tot aangescherpte regelgeving zoals de Wtt 2018?
De Wtt 2018 heeft onder andere als doel om trustdienstverlening mogelijk te maken, maar met maatregelen om eventuele risico’s te beperken. De partijen die hun vergunning inleveren zijn in sommige gevallen partijen die het waarschijnlijk eerder ook al het minder nauw namen met de wet en nu tegen de lamp aanlopen. DNB geeft daarnaast aan dat de trustkantoren die deze partijen overnemen, achterblijven in het cliëntenonderzoek. Trustkantoren dienen diepgravender cliëntenonderzoek te doen vanwege de inherente hogere risico’s, daarnaast is bepaalde dienstverlening verboden. Dit kan inderdaad extra lasten met zich meebrengen voor het trustkantoor, en de klant. Trustkantoren leveren dan hun vergunning in en gaan illegaal te werk en de klanten gaan hierin mee. Dit zijn precies de partijen die we niet in ons stelsel willen hebben.
Wordt illegale trustdienstverlening naar uw oordeel voldoende bestreden? Zo nee, waar ziet u ruimte voor verbetering?
De aanpak van illegale trustdienstverlening vraagt om een gecombineerde inzet op zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gebied. Deze inzet wordt onder andere besproken in het samenwerkingsverband FEC, waar verschillende autoriteiten binnen de financiële sector samenwerken aan onder andere projecten die specifiek zijn gericht op de aanpak van illegale trustdienstverlening.
DNB handhaaft illegale trustdienstverlening bestuursrechtelijk. DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken. Ik vind illegale trustdienstverlening en daarmee het opknippen van trustdienstverlening onwenselijk. Om die reden wordt de boetecategorie voor het opknippen van trustdienstverlening verhoogd van een boetecategorie 2 naar een boetecategorie 3.23 Dit betekent dat de afschrikwekkende werking hiervan hoger is geworden, omdat het maximale boetebedrag dat DNB kan opleggen hoger is geworden.
Overigens is het ook zo dat er risico’s zijn die gepaard gaan met domicilieverlening: het verlenen van een postadres. In de volksmond worden bedrijven die gebruik maken van domicilieverleners ook wel brievenbusfirma’s genoemd. Partijen die een postadres aanbieden met beperkte secretariële werkzaamheden vallen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en niet onder de Wtt 2018. Zij worden ook in verband gebracht met illegale trustdienstverlening, omdat zij soms een rol hebben bij het opknippen van trustdienstverlening. De risico’s omtrent domicilieverlening zijn onder andere in de Amerfoortse villa zaak tot uiting gekomen, waar sprake was van fraude met postadressen.24 Om die reden heeft Nederland zich hard gemaakt om in het nieuwe Europese AML-pakket een registratieplicht voor domicilieverleners te introduceren, zodat er beter grip is op de partijen die een postadres aanbieden. Het AML-pakket is vanaf medio 2027 van kracht en dan geldt ook die verplichting. Bestuursrechtelijk kan dan beter opgetreden worden. Overigens dienen domicilieverleners nu ingevolge de Wwft al aan cliëntenonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden.
De strafrechtelijke handhaving van illegale trustdienstverlening geschiedt door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie, in samenspraak met de toezichthouder.25 Het OM is onafhankelijk en bepaalt wanneer zij over gaat tot strafrechtelijke vervolging.
Hoeveel signalen over mogelijke illegale trustdienstverlening worden jaarlijks afgegeven en in hoeverre worden deze opgevolgd?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat overwogen is om intensiever op te treden tegen illegale dienstverlening, maar dat hiervan is afgezien vanwege kostenoverwegingen? Zo ja, wat is uw oordeel daarover?
Zie antwoord vraag 12.
Wanneer wordt de evaluatie van de Wet toezicht trustkantoren 2018 afgerond?
Mijn voornemen is om de resultaten van de evaluatie evenals mijn reactie hierop voor de zomer naar de Kamer te zenden.
Indien blijkt dat strengere regelgeving leidt tot een verschuiving naar illegale dienstverlening, bent u bereid in overleg te treden met de sector om deze onbedoelde effecten te mitigeren?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe groot acht u de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering bij illegale trustdienstverlening?
Zowel legale als illegale trustdienstverlening levert risico’s op witwassen en terrorismefinanciering op. De Wtt 2018 heeft een breder doel dan alleen het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering en adresseert ook andere integriteitsrisico’s, zoals belastingontwijking en belastingfraude. Met de Wtt 2018 worden de genoemde risico’s gemitigeerd. Dat geldt niet of in mindere mate voor illegale trustdienstverlening, waarbij partijen zich onttrekken aan de verplichtingen uit de Wtt 2018. In de meest recente NRA Witwassen26 komt naar voren dat het opknippen van trustdienstverlening een van de 18 grootste witwasdreiging is.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar risicovolle adressen (motie Van Nispen3)?
De Staatssecretaris van Financiën zal u in de volgende stand- van-zakenbrief belastingdienst informeren over de uitkomsten.
Klopt het dat er een pilot loopt in Noord-Holland en wat zijn de eerste bevindingen?
Van 1 maart 2024 tot 1 maart 2025 liep er een pilot om de meerwaarde van de samenwerking tussen De Nederlandsche Bank (DNB) en het RIEC Amsterdam-Amstelland te verkennen. De pilot zag op de bredere samenwerking, waar trustdienstverlening een onderdeel vanuit maakte. Er is op fenomeenniveau kennis uitgewisseld waardoor RIEC Amsterdam-Amstelland een beter inzicht heeft verkregen in trustdienstverlening, de werkwijze van trustdienstverleners en de interventiemogelijkheden ten aanzien van (illegale) trustdienstverleners. Hierdoor is een wederzijds leerproces tot stand gekomen, dat als zeer waardevol wordt gezien.
Hoe weegt u de rol van de trustsector in het licht van internationale ontwikkelingen zoals BEPS, ATAD en de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben.
De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.28 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruikmaken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten – en het vervolg op de BEPS-rapporten – is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen.
Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde informeel-kapitaalstructuren). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgt Nederland daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.29 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Deelt u de analyse dat door deze internationale maatregelen de mogelijkheden voor belastingontwijking via Nederland sterk zijn beperkt?
Zie antwoord vraag 20.
Hoe voorkomt u dat aanvullende nationale maatregelen het Nederlandse vestigingsklimaat verder onder druk zetten?
In mijn Visie op de financiële sector 2025 geef ik aan dat duidelijke en voorspelbare wet- en regelgeving de sleutel is voor een sterk vestigingsklimaat. Dat betekent dat wet- en regelgeving in Nederland zoveel mogelijk overeen moet komen met wet- en regelgeving in andere Europese landen. Door te zorgen voor duidelijke, voorspelbare en proportionele wet- en regelgeving, houden we Nederland aantrekkelijk voor bonafide internationaal opererende bedrijven. Waar Europese regelgeving ruimte laat voor nationale keuzes, worden deze zorgvuldig gewogen.
Nieuwe Europese wet- en regelgeving wordt zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd. Het recente anti-witwaspakket (AML-pakket) is daarvan een concreet voorbeeld en draagt bij aan de verdere harmonisatie van de anti-witwasregels binnen Europa. Daarbij heb ik ook aandacht voor de kosten van toezicht en moeten regels uitvoerbaar en betaalbaar blijven voor zowel (financiële) instellingen als burgers en bedrijven. In dat kader loopt momenteel een internationale vergelijking naar de kosten van het financieel toezicht voor kleine en mobiele ondernemingen, waarvan de resultaten naar verwachting in de tweede helft van dit jaar worden gepubliceerd.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om Nederland aantrekkelijk te houden voor internationaal opererende bedrijven, mede gezien de geopolitieke en economische ontwikkelingen?
Zie antwoord vraag 22.
Het bericht dat een Amerikaanse farmaceut miljarden aan belastingvoordeel in NL ontvangt |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amerikaanse farmaceut krijgt miljarden aan belastingvoordeel in Nederland (Trouw)»1?
Kunt u aangeven wat de tien grootste gebruikers van de innovatiebox zijn en wat de budgettaire derving is per bedrijf? Zo nee, waarom kunnen journalisten deze informatie dan wél boven tafel krijgen?
Klopt het dat ruim 90 procent van het voordeel uit de innovatiebox naar ASML, MSD & Booking gaat2? In hoeverre is deze belastingkorting doelmatig en politiek wenselijk volgens u?
Hoe legt u aan gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers uit dat zij jaarlijks een miljard extra belasting moeten betalen voor een belastingkorting aan één bedrijf dat vrijwel al haar activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst?
Wat is de economische onderbouwing achter het extra fiscaal stimuleren van zeer winstgevende uitvindingen uit het verleden? In hoeverre draagt dit daadwerkelijk bij aan extra innovatie bij uitdagers van gevestigde belangen?
Bent u bereid om de innovatiebox zo vorm te geven dat hij wél doelmatig wordt en meer gericht op kleinere bedrijven, bijvoorbeeld door nadere voorwaarden te stellen over maximaal fiscaal voordeel, door het voordeel te maximeren op daadwerkelijk gemaakte kosten voor desbetreffende innovatieve activiteiten of door een temporele beperking?
Bent u bereid om te voorkomen dat bedrijven die hun activiteiten (grotendeels) naar het buitenland verplaatsen nog langer gebruik kunnen maken van de innovatiebox? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Het Reuters-bericht 'Exclusive: Five EU finance ministers call for tax on energy companies' windfall profits' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Exclusive: Five EU finance Ministers call for tax on energy companies» windfall profits»?1
Ja.
Bent u benaderd door uw collega’s om mee te doen met deze oproep?
Ja.
Bent u voornemens zich aan te sluiten bij deze oproep? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich niet aangesloten bij deze oproep. Het is te vroeg om vast te stellen of er daadwerkelijk overwinsten in Nederland zijn gemaakt. Daarnaast wordt een eventuele hogere winst al belast met de vennootschapsbelasting en kan een extra belasting hier bovenop marktverstorend werken. Het kabinet is daarom terughoudend om bovenop de vennootschapsbelasting een extra belasting in te stellen.
Erkent u dat excessieve winsten van energiemaatschappijen als gevolg van crisis en toenemende inflatie ontwrichtend kunnen werken voor de maatschappij? Zo nee, waarom niet?
Het is niet de bedoeling dat olie- en gasbedrijven de winnaars van deze crisis worden. Vanwege de relatief beperkte stijging van de aardgasprijs ziet het kabinet op dit moment geen reden om te veronderstellen dat er sprake is van overwinst op de gasmarkt. Voor de oliemarkt geldt dat een groot deel van de toegenomen marges naar verwachting niet in Nederland neerslaan. Voor de Nederlandse raffinaderijen is het nog te vroeg om harde uitspraken te doen of er overwinsten worden gemaakt, het lijkt erop dat de theoretische marge (de zogeheten «crack spread») sinds de crisis in het Midden-Oosten is toegenomen, maar het is niet te zeggen of dit daadwerkelijk tot overwinsten leidt. Indien er hogere winsten worden gemaakt, dan wordt dit reeds belast met de vennootschapsbelasting. Het kabinet is terughoudend om hier bovenop een extra heffing in te stellen.
Bent u net als uw Europese collega’s van mening dat zij die profiteren van oorlog moeten bijdragen aan het verlichten van de lasten van de maatschappij als gevolg van diezelfde oorlog?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen apart en voor 16 april 2026 beantwoorden?
Het is niet gelukt om deze vragen voor 16 april te beantwoorden vanwege de samenhang met de brief over de acties weerbaarheid energieschok die op 20 april jl. verzonden is.
Het veronachtzamen van de zorgplicht voor gokverslaafden door het negeren van Cruks-bescherming door een staatsdeelneming |
|
Mirjam Bikker (CU), Pieter Grinwis (CU) |
|
Eelco Heinen (VVD), van Bruggen |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat het actief benaderen van personen met een Cruks-registratie door kansspelaanbieders onverenigbaar is met het doel en de strekking van de Wet op de kansspelen, namelijk het beschermen van kwetsbare spelers tegen (verdere) gokschade?
Ja, ik deel deze opvatting. Op grond van artikel 2, vierde lid van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen mogen vergunninghouders hun wervings- en reclameactiviteiten niet richten op kwetsbare personen, waaronder personen die zich hebben uitgesloten van deelname. Dit geldt ook voor uitsluiting via het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (Cruks). In praktijk is dit voor vergunninghouders echter lastig te bewerkstelligen. Op grond van artikel 33h van de Wet op de kansspelen is de raadpleegbasis van Cruks voor vergunninghouders namelijk beperkt tot het verlenen van toegang van spelers tot de speelhal, het casino of de spelinterface. Dit betekent dat het voor vergunninghouders niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven.
Dit signaal is mij bekend en ik vind het problematisch dat kwetsbare personen hierdoor reclame kunnen ontvangen. Ik werk op dit moment aan een wetswijziging voor online gokken. Onderdeel hiervan is een reclameverbod voor online gokken, in lijn met het coalitieakkoord. Een ander onderdeel hiervan betreft verbeteringen van de werking van Cruks, zodat tevens voorkomen wordt dat mensen die in Cruks staan ingeschreven geconfronteerd worden met werving- of reclameactiviteiten vanuit Holland Casino of de speelautomatenhallen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Holland Casino, een staatsdeelneming, personen met een actieve Cruks-registratie benadert met marketingmails en persoonlijke aanbiedingen, terwijl dit wettelijk verboden is?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat het publieke belang centraal staat, in dit geval het beschermen van burgers tegen kansspelgerelateerde schade. Het naleven van wet- en regelgeving door Holland Casino is daarbij een randvoorwaarde. Daarnaast verwacht de Staatssecretaris van Financiën van Holland Casino dat zij niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest van de wet handelt en zo het goede voorbeeld geeft binnen de kansspelsector.
Na het binnenkomen van uw vragen, heeft het Ministerie van Financiën zich direct door Holland Casino op de hoogte laten stellen over de situatie. Het is gebleken dat het Holland Casino in dit geval niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Deelt u de opvatting dat juist van een staatsbedrijf verwacht mag worden dat het de wet niet alleen formeel naleeft, maar ook in geest en uitvoering het goede voorbeeld geeft?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke marketing richting Cruks-ingeschrevenen het risico op terugval in gokverslaving vergroot (bijvoorbeeld via illegale aanbieders) en daarmee haaks staat op het verslavingspreventiebeleid van de overheid?
Ja. Daarom wil de wet- en regelgeving aanpassen, zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 1.
Bent u van mening dat slachtoffers die door dit soort illegale marketinguitingen terugval in hun verslaving ondervinden recht hebben op compensatie door het desbetreffende gokbedrijf (en in het geval van een staatsgokbedrijf ook door de overheid)?
Gezien het geschetste antwoord op vraag 1, zie ik geen aanleiding voor een compensatie. Het oordeel hierover is echter voorbehouden aan de rechter.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te waarborgen dat overtredingen van het marketingverbod richting Cruks-ingeschrevenen daadwerkelijk worden opgespoord en bestraft, in het bijzonder wanneer het een staatsdeelneming betreft?
Aanpassing van wet- en regelgeving is nodig om goede naleving mogelijk te maken van het verbod op het richten van werving- en reclameactiviteiten op personen die zich hebben uitgesloten van deelname aan kansspelen. Hier werk ik aan, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1. Het is aan de Kansspelautoriteit om toe te zien op de naleving van de wet- en regelgeving en in voorkomend geval te handhaven.
Bent u bereid om als aandeelhouder van Holland Casino in te grijpen indien blijkt dat Cruks-registraties structureel niet correct worden verwerkt in marketing- en klantensystemen?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat hij het van groot belang acht dat Holland Casino haar zorgplicht richting de burger serieus neemt en dat zij handelt in het publieke belang. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2 en 3 heeft het Ministerie van Financiën zich direct op de hoogte laten stellen door Holland Casino. Gelet op het antwoord op vraag 1 bestaat er momenteel geen aanleiding tot ingrijpen. Wel zie ik aanleiding voor het aanpassen van de wet- en regelgeving, zoals tevens toegelicht in het antwoord op vraag 1. In andere gevallen ziet de Kansspelautoriteit toe op de naleving van wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en het liefst binnen de gebruikelijke termijn, maar in elk geval ruim voorafgaand aan het commissiedebat over Staatsdeelnemingen (op 17 juni 2026) beantwoorden?
Voor de samenhang van de beantwoording heb ik ervoor gekozen om vragen 2 en 3 gezamenlijk te beantwoorden.
De uitspraken van de minister tijdens de behandeling van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 maart 2026 |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u de uitspraak die u deed tijdens het debat over de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin u stelde dat u het sterke vermoeden heeft dat het aandeel totale uitgaven aan de sociale zekerheid ten aanzien van het bruto binnenlands product (bbp) tot 2040 nog verder toeneemt en ook flink toeneemt?
Ja.
Kunt u deze uitspraak schriftelijke onderbouwen? Zo niet, waarom niet?
Ja. Mijn tijdens het debat uitgesproken vermoeden over de toename van de uitgaven aan de sociale zekerheid tot 2040 is gebaseerd op de verwachte ontwikkeling van de uitgaven aan AOW en WIA (samen goed voor ten minste de helft van de uitgaven aan sociale zekerheid) als aandeel van het bbp. Voor de AOW-uitgaven verwachten we een toename van € 13,5 miljard tussen 2025 en 2040 in constante prijzen (prijspeil 2025). Op basis van ramingen van het CPB betekent dat een toename van de AOW-uitgaven als aandeel van het bbp van 4,7% in 2025 naar 5,7% in 2040. Ook voor de WIA-uitgaven verwachten we een toename. Het IBO Werken aan de WIA schat een toename van het aantal mensen in de WIA met zo’n 28% in 2060 als gevolg van vergrijzing en de oplopende AOW-leeftijd (2/3 koppeling). De uitgaven aan de WIA lopen naar verwachting op met circa € 4,2 miljard tussen 2025 en 2040 in constante prijzen.
Deze toename kwalificeer ik dus inderdaad als «flink». Een verwachtte stijging van de uitgaven met ruim 17 miljard euro per jaar in constante prijzen is groot. Dit is geld dat dan niet aan andere, noodzakelijke doelen kan worden uitgegeven.
Kunt u schriftelijk onderbouwen op welk onderzoek u zich baseert wanneer u stelt dat de uitgaven aan sociale zekerheid van 12,1% van het bbp naar 12,8% van het bbp zullen stijgen zonder kabinetsingrijpen, en met kabinetsingrijpen van 12,1% naar 12,6%?
De geschatte toename van de uitgaven aan sociale zekerheid (inclusief kabinetsbeleid) als aandeel van het bbp tussen 2025 (12,1%) en 2034 (12,6%) komt uit de verantwoording van het centraal economisch plan van het CPB. In de doorrekening van het coalitieakkoord geeft het CPB aan dat het effect van het coalitieakkoord op de uitgaven sociale zekerheid € –2,5 miljard is. Dat staat gelijk aan 0,2% van het door het CPB verwachtte bbp in 2030. Als we aannemen dat in 2034 het effect van het coalitieakkoord op de uitgaven aan sociale zekerheid ook –0,2% bbp is, dan zijn de verwachte uitgaven aan sociale zekerheid in 2034 zonder coalitieakkoord 12,8% bbp.
Bent u het ermee eens dat dit niet de grote stijging is zoals u die eerder tijdens datzelfde debat schetste? En dat het hier niet over onhoudbare stijgingen gaat? Zo ja, waarom wilt u dan zo hard op de sociale zekerheid bezuinigen? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Een toename van de uitgaven aan sociale zekerheid met 0,5% bbp al in 2030 gaat om veel geld. Dat is geld dat niet aan andere, noodzakelijke, uitgaven kan worden besteed. Daarom is bijsturing wat het kabinet betreft noodzakelijk. Ook de recente Studiegroep Begrotingsruimte concludeert: zonder bijsturing is de overheidsschuld onhoudbaar. De Studiegroep adviseert dan ook om met prioriteit vergrijzingsgevoelige uitgaven en inkomsten te hervormen.
Bent u het ermee eens dat deze cijfers laten zien dat de door het kabinet voorgestelde kortingen op de WW en WIA en de verhoging van de AOW-leeftijd helemaal niet nodig zijn? Zo niet, waarom niet?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Voorgaande antwoorden laten zien dat er wel degelijk maatregelen nodig zijn. We hebben te maken met een aantal grote noodzakelijke uitgaven, onder andere naar aanleiding van de sterk veranderde geopolitieke situatie. Het is waar, zo heb ik ook in het debat over de SZW begroting aangegeven, dat je uiteindelijk altijd een andere politieke keuze kunt maken over hoe je dat betaalt. Maar we zullen ergens ruimte moeten vinden.
En het kabinet vindt het, gegeven bovengenoemde cijfers en adviezen, logisch dan ook te kijken naar de sociale zekerheid die zowel absoluut als ook als aandeel van het bbp een groot en groeiend deel van de collectieve uitgaven vormt.
Bovendien zijn er ook andere factoren die het noodzakelijk maken te kijken naar de vormgeving van de sociale zekerheid. Denk m.b.t. de WIA bijvoorbeeld aan het afschaffen van de IVA voor de uitvoerbaarheid van het stelsel. Maar ook de verhouding actief-inactief is relevant om in de overweging mee te nemen. Demografische ontwikkelingen maken dat de oplopende uitgaven aan de sociale zekerheid door een relatief steeds kleinere groep werkenden moet worden betaald. In 2060 zijn er naar verwachting 40 AOW-gerechtigden1 (nu 37) en 6 WIA-gerechtigden (nu 4,8) per 100 werkenden. En om dat voor de AOW verder in perspectief te plaatsen: in 1990 waren er 30 en in 1960 (drie jaar na de invoering van de AOW) maar 17 AOW-gerechtigden per 100 werkenden.2
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot' |
|
Inge van Dijk (CDA), Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
Eerenberg , van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het kennisgroep-standpunt van de Belastingdienst inzake gefaseerde bedrijfsoverdracht en het inbrengen van de onderneming in een BV?1
Ja.
Klopt het dat gefaseerde bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector vaak voorkomen en soms jaren kunnen duren?
Gefaseerde bedrijfsoverdrachten komen voor en kunnen meerdere jaren duren. Voor een bedrijfsoverdracht in de familiesfeer geldt onder voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Oorspronkelijk gold deze vrijstelling alleen in situaties dat de gehele onderneming in één keer werd overgedragen aan een kwalificerende overnemer of overnemers (bijvoorbeeld het kind of de kinderen van de ondernemer). De vrijstelling is in de loop van de tijd uitgebreid als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen. De vrijstelling kan vanaf eind 2000 ook worden toegepast als de gehele onderneming in fasen wordt overgedragen aan de kwalificerende overnemer of overnemers. Hiermee werd tegemoetgekomen aan de wens uit de praktijk een geleidelijke overgang van de onderneming naar de volgende generatie mogelijk te maken. De kwalificerende overnemers moeten hierbij de gehele onderneming voortzetten.
Klopt het dat de familievrijstelling in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) inhoudt dat geen overdrachtsbelasting wordt geheven bij de verkrijging van onroerende zaken als die onderdeel zijn van een onderneming, die binnen de familiekring wordt overgedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de rechtsvorm van de onderneming hierbij geen materieel verschil maakt, omdat de vrijstelling behouden blijft als na gefaseerde overdracht een subjectieve onderneming wordt ingebracht in een BV?
Volgens de wettekst van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer is de vrijstelling van toepassing als één of meer kwalificerende verkrijgers al dan niet in fasen de gehele onderneming verkrijgen en voortzetten. Het doel van de vrijstelling is om de overdracht van de onderneming tijdens het leven van de ondernemer te faciliteren zodat versnippering bij zijn overlijden wordt voorkomen. Een verkrijging krachtens erfrecht van (onroerende zaken die behoren tot) een onderneming is namelijk niet belast met overdrachtsbelasting, terwijl een andere verkrijging dat in beginsel wel is. Als kwalificerende verkrijgers zijn aangemerkt de kinderen, kleinkinderen, broers en zusters van de ondernemer, of hun echtgenoten. Een BV of een andere rechtspersoon behoort niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt.
In een beleidsbesluit is een goedkeuring opgenomen.2 Deze goedkeuring is geschreven voor de situatie van een voltooide overdracht van de onderneming van bijvoorbeeld een vader aan een zoon, waarbij de vrijstelling aldus in beginsel van toepassing is. Of de onderneming in één keer of in fasen aan de zoon is overgedragen maakt niet uit, zolang het resultaat is dat hij de gehele onderneming heeft. Wel geldt de eis dat de zoon de door hem verkregen onderneming voor wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel moet voortzetten (voortzettingsvereiste). De goedkeuring heeft hierop betrekking. Als de zoon de onderneming inbrengt in een BV waarvan hij alle aandelen houdt dan blijft de door de zoon genoten vrijstelling van toepassing. Er moet dus wel sprake zijn van een daadwerkelijke voorzetting voor wat de bedrijfsvoering betreft van de gehele onderneming, maar voor de toepassing van de vrijstelling is het dan geen probleem als deze gehele voorzetting door de BV wordt gedaan waarvan de zoon alle aandelen houdt.
Bij een tussentijdse inbreng in geval van een gefaseerde overdracht kan er nog geen sprake zijn van voortzetting van de gehele onderneming omdat de bedrijfsoverdracht nog niet is voltooid.
Kunt u toelichten waarom op grond van het kennisgroepstandpunt de vrijstelling dan wel wordt teruggenomen als tijdens de gefaseerde overdracht de rechtsvorm wordt aangepast?
Zie antwoord vraag 4.
Wat maakt het volgens u materieel uit of iemand tijdens de gefaseerde bedrijfsoverdracht zijn onderneming in een BV laat overgaan, of daarna, omdat in beide situaties op enig moment enkel de rechtsvorm verandert, terwijl de materiële onderneming die onder de bedrijfsopvolgingsregeling is overgegaan juist blijft voortbestaan binnen de familiekring?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe past dit standpunt volgens u bij de bedoeling van de familievrijstelling?
Zoals ik hierboven heb weergegeven is de bedoeling van de familievrijstelling het voorkomen van versnippering bij overlijden, door overdracht tijdens het leven mogelijk te maken. Het standpunt betreft wetstoepassing en doet geen afbreuk aan deze bedoeling.
Bent u het ermee eens dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn waarom een ondernemer zijn subjectieve onderneming wil inbrengen in een BV, bijvoorbeeld bij investeringsplannen, uitbreiding of willen beperken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid?
Voor het wel of niet inbrengen van een onderneming in een rechtspersoon kunnen meerdere redenen aanwezig zijn. Naast de genoemde bedrijfseconomische voorbeelden kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van fiscale redenen of vermogensplanning. Het al dan niet inbrengen in een rechtspersoon is een keuze van de ondernemer.
Vindt u het terecht dat dit standpunt een ondernemer dwingt gedurende vele jaren persoonlijk risico te blijven dragen, terwijl dit mogelijk niet verstandig is vanuit het ondernemersperspectief?
Het staat een belastingplichtige vrij om te kiezen voor een rechtsvorm om een onderneming in te drijven en voor de wijze waarop een bedrijfsoverdracht is ingericht. Er bestaan hierbij in de praktijk vele varianten, waarbij iedere variant zijn eigen bedrijfseconomische, juridische en fiscale kenmerken en gevolgen heeft. De belastingheffing volgt in beginsel de juridische vormgeving. Daarnaast zijn aan vrijstellingen in de wet- en regelgeving voorwaarden verbonden. Het is aan de Belastingdienst om uitvoering te geven aan de geldende wet- en regelgeving. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegd en toegepast, kan een kennisgroep van de Belastingdienst hierover een standpunt innemen. De standpunten geven uitleg aan wet- en regelgeving in een specifiek geval en zijn bindend voor de inspecteurs. Daarmee dragen ze bij aan de eenheid van beleid en uitvoering van de wet- en regelgeving door de Belastingdienst. De standpunten van kennisgroepen worden gepubliceerd op een externe website3, zodat deze kenbaar zijn voor iedereen.
Waarom heeft de kennisgroep volgens u het standpunt ingenomen dat dit toch een andere behandeling vereist, en waar zien zij de verschillen en risico’s?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn volgens u de gevolgen van dit standpunt voor de agrarische praktijk?
Zoals gesteld bij de beantwoording op vragen 4, 5 en 6 geldt een BV of een andere rechtspersoon niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt. Het standpunt geeft uitleg aan wet- en regelgeving in deze situatie. Doordat de standpunten kenbaar zijn voor iedereen, kan de agrarische praktijk hier rekening mee houden. Hierbij geldt overigens dat deze vrijstelling niet beperkt is tot alleen agrarische ondernemingen.
Kunt u over dit standpunt in gesprek met de agrarische sector?
De Belastingdienst zal dit standpunt namens mij het agenderen bij het volgende overleg in het Platform Landbouw. Het Platform Landbouw is een periodiek overleg waarin LTO Nederland met de Belastingdienst in gesprek gaat over, onder andere, mogelijke (fiscale) knelpunten. Aan dit overleg nemen ook organisaties zoals bijvoorbeeld de Samenwerkende Registeraccountants- en administratieconsulenten (SRA) en de Vereniging van Accountants en Belastingadviesbureaus (VLB) deel. Ook het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur sluit hierbij aan. Daarnaast vindt conform de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) een evaluatie plaats van vrijstellingen overdrachtsbelasting in de ondernemingssfeer en vrijstellingen van technische aard. De vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zal hier deel van uitmaken. In dit onderzoek wordt de wetgeving op doeltreffendheid en doelmatigheid getoetst. Ook worden de knelpunten uit de praktijk meegenomen en bezien of deze kunnen worden weggenomen als uit de evaluatie blijkt dat dit noodzakelijk is. Deze resultaten verwachten we in de eerste helft van 2027 te presenteren aan uw Kamer.
De verhouding tussen de vermogensaanwasbelasting en het verbod op een individuele en buitensporige last onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Erkent u dat de memorie van toelichting van de wet de verhouding tot artikel 1 EP van het EVRM uitsluitend toetst aan de vraag of het stelsel als geheel de vereiste fair balance respecteert en daarmee de afzonderlijke vraag onbeantwoord laat of de toepassing van de vermogensaanwasbelasting (VAB) in een concreet individueel geval kan leiden tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP van het EVRM en kunt u toelichten waarom het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), waarin de toets op de individuele en buitensporige last expliciet is uitgewerkt in de context van belastingheffing over inkomen uit sparen en beleggen, niet is besproken in paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting, mede gelet op het risico dat een structureel patroon van individuele buitensporige lasten, zoals de geschiedenis van het forfaitaire stelsel heeft laten zien, uiteindelijk alsnog leidt tot een oordeel op stelselniveau?
In hoofdstuk 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is uitgebreid ingegaan op de verhouding tot hoger recht en in het bijzonder in relatie tot de arresten van de Hoge Raad van 24 december 2021 en 6 juni 2024 die onder andere aanleiding gaven tot het wetsvoorstel. Het klopt dat de toets alleen is aangelegd op stelselniveau. Gelet op de omvang van het wetsvoorstel zijn destijds keuzes gemaakt tot welk detailniveau de relevante onderwerpen zijn toegelicht. In de toelichting is vermeld dat met het heffen op basis van werkelijk rendement wordt aangesloten bij het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen. Hierdoor zal vrijwel niet worden toegekomen aan een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie en is niet beperkt tot box 3-vraagstukken. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4 en 5.
Onderschrijft u de overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047, rechtsoverweging 4.3.3) dat in het algemeen mag worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen en dat de omstandigheid dat een belastingplichtige door de heffing op zijn vermogen inteert een aanwijzing kan zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last en deelt de Staatssecretaris de opvatting dat deze overweging als zodanig ook geldt onder de VAB en dat het moeten liquideren van vermogensbestanddelen of het aangaan van schulden om een aanslag over ongerealiseerde waardestijgingen te voldoen, bij gebreke van voldoende andere liquide middelen, een aanwijzing oplevert in de zin van dit arrest?
Ik onderschrijf de betreffende overweging van de Hoge Raad in die zin dat het niet beoogd is dat de verschuldigde belasting meer dan 100% bedraagt van het belastbare inkomen waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt een inkomstenbelasting in box 3 voorgesteld van 36% over het werkelijke rendement uit vermogen. Een belastingplichtige zal daarom in de regel niet hoeven in te teren op zijn vermogen omdat de heffing niet meer bedraagt dan 100% van het belastbare inkomen. Als een belastingplichtige op 1 januari 2028 een aandelenportefeuille heeft ter waarde van € 100.000 die op 31 december 2028 € 115.000 waard is, is hij hierover € 4.752 inkomstenbelasting verschuldigd (€ 15.000 -/- heffingsvrije resultaat € 1.800 = € 13.200 x 36%). Ondanks de verschuldigde belasting is het vermogen van deze belastingplichtige aan het einde van het jaar hoger ten opzichte van het begin van het jaar. Van interen is zodoende geen sprake.
Kunt u bevestigen dat de Hoge Raad in de arresten van 6 juni 2024, anders dan de memorie van toelichting stelt en ondanks de kanttekening van het RB dat de Hoge Raad de ongerealiseerde waardeveranderingen slechts heeft meegenomen binnen het plafond van het forfaitaire rendement zodat de belastingheffing over vermogensaanwas in de tegenbewijsregeling door het forfait werd afgetopt en deze plafonnering in het wetsvoorstel volledig vervalt, niet heeft geoordeeld dat een onbegrensde vermogensaanwasbelasting over ongerealiseerde waardestijgingen EVRM-bestendig is?
Het klopt dat het geschil in de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024 betrekking heeft op het forfaitaire box 3-stelsel en met name over de Wet rechtsherstel box 3. In paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is rekenschap gegeven van de context van deze arresten. Op pagina 37 van de toelichting staat onder andere vermeld:
«De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 vuistregels gegeven over de wijze waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in het kader van de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel.»
De Hoge Raad heeft zich in deze arresten over de Wet rechtsherstel box 3 – logischerwijze – niet kunnen uitspreken over het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.
Erkent u dat een belastingplichtige die wordt belast over een ongerealiseerde waardestijging van een vermogensbestanddeel zonder bijbehorende kasstroom, zoals accumulating ETF-fondsen, cryptovaluta, aandelen in een niet-dividenduitkerend groeibedrijf of een belang waarop een contractuele of wettelijke lock-up van toepassing is, de aanslag alleen kan voldoen uit andere liquide middelen zoals spaargeld dan wel door het betrokken vermogensbestanddeel geheel of gedeeltelijk te liquideren en dat bij ontbreken of ontoereikendheid van zulke andere liquide middelen geen alternatief bestaat dan het aangaan van schulden?
De belastingplichtige is verantwoordelijk om tijdig voldoende liquide middelen voorhanden te hebben om de aanslag te voldoen. Dat geldt ook voor de aanslag over de waardeontwikkeling van een bezitting zonder kasstroom. Uit onderzoek naar betalingsproblemen in box 3 is gebleken dat het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen.1 Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel, waarin het forfait voor overige bezittingen eveneens berust op de vermogensaanwassystematiek, als naar verwachting voor de vermogensaanwasbelasting onder het toekomstige box 3-stelsel. Bij de toekomstige vermogensaanwasbelasting lijken gemiddeld net zo weinig mensen in betalingsproblemen te komen als in het huidige stelsel. Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voor de meeste belastingplichtigen met betalingsproblemen een uitkomst en kunnen ze alsnog hun openstaande belastingschuld voldoen.
Als de wetgever met de wettelijke regeling binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven, dan kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. Of dit laatste aan de orde is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval. Het feit dat een belastingplichtige belasting betaalt over een ongerealiseerde waardestijging zonder dat hij deze feitelijk geniet, vormt niet een «individuele en buitensporige last»; de belastingplichtige wordt in zoverre namelijk niet anders behandeld dan de overige belastingplichtigen. Voor het aannemen van een individuele en buitensporige last moet sprake zijn van bijzondere, niet voor alle door de regeling getroffen belastingplichtigen geldende, omstandigheden die de last veroorzaken (HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2 en de daarin opgenomen eerdere arresten).
Deelt u de opvatting dat het toetsingskader van de Hoge Raad uit het arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), dat is ontwikkeld om vast te stellen of sprake is van een individuele en buitensporige last en waarbij de interingstoets, de beoordeling van de gehele financiële situatie en de bijstandsnorm als concrete maatstaf zoals geoperationaliseerd in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) centrale elementen vormen, in zoverre zinledig is geworden dat de eerste stap, te weten de vraag of de box 3-heffing het werkelijk behaalde rendement overschrijdt, als toegangsdrempel structureel nooit wordt voldaan omdat de heffing onder de VAB per definitie een percentage is van het werkelijke rendement, ook niet wanneer het rendement uitsluitend bestaat uit ongerealiseerde waardestijgingen zonder enige liquiditeit, of acht u het gehele toetsingskader daarmee overbodig geworden dan wel deelt u de opvatting dat uitsluitend de eerste stap zijn functie als toegangsdrempel heeft verloren, terwijl de overige elementen van het kader onverkort van toepassing blijven?
Het vraagstuk over de individuele en buitensporige last ontwikkelt zich in de jurisprudentie en beperkt zich niet tot box 3-vraagstukken. Ten aanzien van box 3 heeft de kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst in het in de vraag genoemde kennisgroepstandpunt2 onder andere vermeld:
Doordat de box 3-belasting over het werkelijke rendement in de regel lager zal zijn dan het werkelijk rendement, zal vrijwel niet worden toegekomen aan de vervolgstappen van het kader om te bepalen of sprake is van een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt echter af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval en het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie. Daardoor kan niet op voorhand worden gezegd dat in een box 3-situatie nooit sprake is van een individuele en buitensporige last. Het gehele toetsingskader is niet volledig overbodig geworden.
Acht u het mogelijk dat het risico op een individuele en buitensporige last onder de VAB groter is dan onder het forfaitaire stelsel en een VWB, nu de VAB jaarlijks belasting heft over ongerealiseerde waardestijgingen op het moment dat de bijbehorende liquiditeit er nog niet is en de belastinggrondslag bovendien onbegrensd meebeweegt met de werkelijke marktwaarde, zodat de belastingplichtige reeds bij de eerste waardestijging kan worden gedwongen vermogensbestanddelen te verkopen om de aanslag te voldoen?
Voor de toepassing het juridische kader van de individuele en buitensporige last zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. De vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last is niet te beantwoorden aan de hand van een vergelijking op stelselniveau. Zoals gezegd kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last als en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen.
In het forfaitaire stelsel wordt jaarlijks het rendement berekend op basis van de waarde in het economische verkeer van de bezittingen en schulden op 1 januari. De heffing beweegt mee met de ontwikkeling van de marktwaarde. In zoverre heeft de forfaitaire heffing kenmerken van een vermogensaanwasbelasting. Uit onderzoek blijkt dat deze systematiek voor het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet leidt tot betalingsproblemen. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 4. Het klopt dat de systematiek van de vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting als voordeel heeft dat doorgaans (meer) liquide middelen beschikbaar zijn bij vervreemding, zoals bij verkoop.
Kunt u toelichten hoe u het volgende scenario beoordeelt in het licht van de interingsoverweging uit HR 2 juli 2021: een belastingplichtige heeft op 1 januari 2028 een beleggingsportefeuille van 100.000 euro, die gedurende 2028 stijgt naar € 210.000 zonder dividenduitkeringen en met slechts € 400 aan rente-inkomsten, waardoor op de peildatum van 31 december 2028 een verschuldigde VAB ontstaat van 39.096 euro, terwijl de portefeuille in de loop van 2029 wanneer de aanslag wordt opgelegd en voldaan moet worden terugvalt naar de oorspronkelijke waarde van 100.000 euro, zodat de belastingplichtige een deel van de portefeuille moet verkopen en een portefeuille van slechts 60.904 euro overhoudt, terwijl zijn vermogen per saldo niet is gestegen, waarbij dit scenario aantoont dat de belastingplichtige als rechtstreeks gevolg van de VAB-heffing inteert op zijn vermogen en waarbij de Staatssecretaris in zijn antwoord ingaat op de volgende punten: ten eerste dat voorwaartse verliesverrekening het interen niet opheft omdat de in jaar 1 betaalde belasting over een inmiddels verdwenen papieren winst niet wordt teruggegeven maar slechts toekomstige winsten vermindert; ten tweede dat de betalingsregeling ertoe leidt dat de belastingplichtige schulden aangaat ter voldoening van een belastingverplichting over een vermogenstoename die op het moment van aflossing al niet meer bestaat; en ten derde dat dit scenario niet uitzonderlijk maar structureel is omdat de VAB jaarlijks belast over ongerealiseerde waardestijgingen terwijl koersdalingen in latere jaren niet leiden tot teruggaaf van eerder betaalde belasting?
In het voorbeeld realiseert de belastingplichtige in het jaar 2029 een box 3-verlies van € 110.000 (geabstraheerd van de verliesverrekeningsdrempel van € 500). Op basis van het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is dit verlies onbeperkt voorwaarts in de tijd verrekenbaar met positieve inkomsten uit box 3. In zoverre heeft de belastingplichtige een latente vordering op de Belastingdienst ter grootte van € 39.600 (€ 110.000 x 36%). Over een bedrag van € 110.000 aan toekomstig rendement is hij namelijk geen belasting verschuldigd. De mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening heeft als voordeel dat deze latente vordering op de Belastingdienst op korte termijn aan de belastingplichtige wordt uitbetaald nadat het verlies over het jaar 2029 is vastgesteld en wordt verrekend met het inkomen over 2028.
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 6 maart 2026 en toegelicht tijdens het Commissiedebat Nationale en Internationale Fiscaliteit van 11 maart 2026 overweegt het kabinet het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan te passen, waaronder de mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening vanaf 1 januari 2029. De Belastingdienst is op dit moment in meer detail in kaart aan het brengen wat de benodigde capaciteit voor het doorvoeren van de achterwaartse verliesverrekening is en de inpasbaarheid daarvan in de ICT-portfolio. Als een maatregel niet zonder meer inpasbaar is, betekent dit dat andere projecten mogelijk in de tijd verschoven moeten worden. Voor de zomer zal ik uw Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek berichten waarbij ook wordt ingegaan op de dekking van de negatieve budgettaire gevolgen.
Het kan voorkomen dat een bezitting inmiddels in waarde is gedaald of is verkocht op het moment dat de belastingschuld over een waardestijging van het voorafgaande jaar wordt vastgesteld. Dat is inherent aan het na afloop van het belastingjaar formaliseren van de materiële belastingschuld.
In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening opgenomen. Verliesverrekening is extra belangrijk omdat als hoofdregel is gekozen voor het belasten van waardemutaties op basis van een vermogensaanwasbelasting. Daarbij is immers belasting verschuldigd over waardestijgingen, waarvan niet zeker is of deze uiteindelijk ook gerealiseerd worden. In latere belastingjaren kan de waardestijging tenietgedaan worden. Door een ruime verliesverrekening toe te staan wordt in de meeste gevallen voorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen worden belast die uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden.
Deelt u, in het verlengde van het vorige antwoord, de opvatting dat in het scenario van een voormalig ondernemer zonder pensioen die uitsluitend AOW geniet en door middel van beleggingen een financiële buffer voor de oude dag heeft gevormd, de VAB-heffing hem voor een keuze stelt, waarbij beide opties een aanwijzing opleveren voor een individuele en buitensporige last, enerzijds het aanwenden van zijn AOW-inkomen ter voldoening van de belastingschuld, waardoor hij onder de bijstandsnorm als bedoeld in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) zakt en anderzijds het liquideren van het beleggingsobject om de aanslag te voldoen hetgeen intering op het vermogen oplevert in de zin van HR 2 juli 2021, zij het op verschillende gronden en zo nee, op welke grond acht hij de door het wetsvoorstel geboden waarborgen in dit scenario toereikend?
Zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. Bij de beantwoording van de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling voor een voormalige ondernemer leidt tot een individuele en buitensporige last geldt geen ander toetsingskader dan het toetsingskader zoals reeds uitgezet door de Hoge Raad. De keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover de belastingplichtige bewijst dat deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Een individuele en buitensporige last kan zich bij een (voormalig) ondernemer alleen voordoen als hij bewijst dat bijzondere, niet voor alle (voormalige) ondernemers geldende, feiten en omstandigheden voor hem een individuele en buitensporige last teweegbrengen.
Verwacht u dat belastingplichtigen onder de VAB vaker een beroep zullen doen op de individuele buitensporige last dan onder het forfaitaire stelsel, waardoor opnieuw de rechter een corrigerende rol krijgt in box 3 en is deze verwachting meegenomen in de verschillende uitvoeringstoetsen?
Nee. De Raad van de Rechtspraak (De Raad) is in februari 2024 gevraagd om een advies te geven over het wetsvoorstel. Het kabinet is het met de Raad eens dat het stelsel in box 3 vanwege het belasten van het werkelijke rendement ingewikkelder wordt en daarom meer van belastingplichtigen vraagt. Tegelijkertijd is er al een lange tijd de maatschappelijke roep om het belasten van het werkelijke rendement van vermogen. Met dit wetsvoorstel wordt het belasten van het werkelijke rendement werkelijkheid. Onder andere uit de internetconsultatie blijkt dat door belastingplichtigen het belasten van werkelijk rendement als rechtvaardiger wordt ervaren dan het huidige forfaitaire stelsel. De verwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaardigheid kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken. Verder merk ik op dat, zoals bij het antwoord op vraag 2, 4 en 5 is toegelicht, bij de voorgestelde heffing op basis van werkelijk rendement niet wordt ingeteerd op het vermogen.
Heeft de Belastingdienst een raming gemaakt van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat jaarlijks wordt verwacht op de grond van de individuele buitensporige last onder de VAB en zo ja, kan de Staatssecretaris deze raming aan de Kamer doen toekomen en zo nee, waarom niet?
In de uitvoeringstoets is het aantal bezwaar- en beroepsprocedures gebaseerd op expertschattingen en ervaringen uit vergelijkbare processen waarbij niet specifiek rekening is gehouden met bezwaar- en beroepsprocedures op grond van een veronderstelde individuele buitensporige last waar u aan refereert.
Is in de budgettaire raming van de VAB rekening gehouden met de mogelijkheid dat rechterlijke correcties op basis van de individuele buitensporige last de belastingopbrengst structureel verlagen en zo ja, welk bedrag of percentage is daarvoor als risicobuffer aangehouden?
Nee, er is geen zogenoemde risicobuffer ingebouwd in de raming. Het kabinet acht het voorgestelde box 3-stelsel juridisch houdbaar omdat in het voordeel van belastingplichtigen wordt voortgebouwd op de kaders van de Hoge Raad uit diverse arresten.
Erkent u dat het heffingsvrije resultaat van 1.800 euro per jaar uitsluitend effectief kan worden benut in jaren waarin een belastbaar positief resultaat wordt behaald, waardoor belastingplichtigen met een stabiel rendement zoals rente-inkomsten dit heffingsvrije resultaat structureel elk jaar volledig kunnen benutten, terwijl belastingplichtigen met een volatiel rendement dit voordeel in verliesjaren in het geheel mislopen en in winstjaren het relatieve voordeel door de hogere grondslag kleiner is, met als gevolg dat hun gemiddelde effectieve belastingdruk over een langere reeks jaren hoger uitvalt dan die van belastingplichtigen met een stabiel rendement, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Ja. Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.
Erkent u dat belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek, zoals onroerend goed en aandelen in startende ondernemingen, bij realisatie mogelijk in één jaar worden geconfronteerd met een omvangrijke belastbare winst, terwijl zij in andere jaren geen of nauwelijks belastbaar resultaat hebben en het heffingsvrije resultaat onbenut laten, waardoor ook deze categorie belastingplichtigen als gevolg van de bundelingseffecten bij realisatie over langere tijd gemiddeld een hogere effectieve belastingdruk draagt dan belastingplichtigen met een stabiel rendement in de vermogensaanwassystematiek, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Ja, de wijze waarop het inkomen in de heffing wordt betrokken (vermogensaanwas- of vermogenswinst) heeft invloed op het effect van het jaarlijkse heffingsvrije resultaat. Belastingplichtigen die box 3-bezittingen hebben die volgens de systematiek van de vermogenswinst in de heffing worden betrokken genieten een liquiditeitsvoordeel omdat over de waardeaangroei pas bij realisatie belasting is verschuldigd over het totaal. De andere kant van dezelfde medaille is dat niet jaarlijks gebruik kan worden gemaakt van het heffingsvrije resultaat.
Kunt u bevestigen dat het volgende voorbeeld de uitwerking van het heffingsvrije resultaat onder de voorgestelde systematiek correct weergeeft, waarbij ter illustratie van de in de vorige vragen gesignaleerde ongelijke uitwerking drie belastingplichtigen worden vergeleken elk met een startkapitaal van 100.000 euro en een totaal rendement van 25.000 euro over vijf jaar, te weten belastingplichtige A die belegt in obligaties en daarmee een stabiel jaarlijks rendement van 5.000 euro per jaar geniet met een totale VAB van 5.760 euro (effectieve druk 23,0 procent), belastingplichtige B die belegt in aandelen of cryptovaluta en daarmee een volatiel rendement heeft van respectievelijk +15.000 euro, –5.000 euro, +15.000 euro, –5.000 euro en +5.000 euro met een totale VAB van 7.704 euro (effectieve druk 30,8 procent) en belastingplichtige C die onroerend goed of aandelen in een startende onderneming bezit die vallen onder de vermogenswinstsystematiek en zijn rendement in één jaar bij verkoop realiseert met in vier jaren geen rendement en in jaar vijf +25.000 euro met een totale VWB van 8.352 euro (effectieve druk 33,4 procent), waaruit volgt dat het verschil in effectieve belastingdruk 7,8 procentpunten bedraagt tussen A en B en 10,4 procentpunten tussen A en C bij een gelijk totaal rendement en zo nee, op welk punt wijkt de werkelijkheid af?
De berekening van voorbeeld A en C kan ik volgen. Bij de berekening van voorbeeld B is in de jaren 2 en 4 geen rekening gehouden met de verliesverrekeningsdrempel van € 500 per jaar. Bij voorbeeld B is het vermeldenswaardig dat een nog verrekenbaar verlies resteert van € 1.300. Voor het overzicht is de berekening van de in de vraag genoemde voorbeelden hieronder ingevoegd.
Deelt u de opvatting dat de VAB, als gevolg van de asymmetrische werking van het heffingsvrije resultaat dat in verliesjaren niet kan worden benut en niet overdraagbaar is, niet de beoogde fiscale neutraliteit bereikt maar een inversie introduceert in die zin dat waar het forfaitaire stelsel veilig beleggen benadeelde ten opzichte van risicovol beleggen, de VAB juist een verhoudingsgewijs zwaardere financiële last verbindt aan de keuze voor risicovol beleggen met een volatieler rendementsprofiel ten opzichte van stabiel laagrisico beleggen bij gelijk gemiddeld rendement, hetgeen betekent dat de VAB de doelstelling van de memorie van toelichting weliswaar bereikt maar tegelijkertijd een nieuwe en omgekeerde fiscale verstoring introduceert die bij de totstandkoming van het wetsvoorstel niet is onderkend?
In de Kamerbrief van 29 september 20223 zijn de stelsels van vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting uitgebreid beschreven, inclusief de voor- en nadelen. Hierbij is ook aandacht besteed aan het effect van fluctuerend inkomen op de effectieve belastingdruk over een langere periode. Dit effect is ook onderkend in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Hierover wordt in paragraaf 3.4 het volgende geschreven:
«Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.»
Kunt toelichten welke objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat in de zin van artikel 14 van het EVRM en eventuele andere toepasselijke rechtsnormen voor het verschil in effectieve belastingdruk dat uitsluitend wordt veroorzaakt door de volatiliteit van het rendement en niet door een verschil in draagkracht, zoals volgt uit de in de vorige vraag gesignaleerde inversie?
Het voorgestelde heffingsvrije resultaat heeft – net zoals het heffingsvrije vermogen in het box 3-stelsel sinds 2001 – een breder doel dan het beperken van de belastingdruk op inkomsten uit vermogen. Immers zou dan een verlaging van het belastingtarief meer voor de hand hebben gelegen. Hierover wordt in paragraaf 3.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 het volgende geschreven:
«Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Belastingplichtigen met zowel een vermogen onder de huurtoeslaggrens als een inkomen lager dan het heffingsvrije resultaat hoeven daardoor geen aangifte te doen voor box 3. De meeste belastingplichtigen met een klein vermogen, dat onder het huidige heffingvrije vermogen blijft (€ 57.684 in 2025), zullen naar alle waarschijnlijkheid daarmee ook onder het heffingsvrije resultaat blijven. Belastingplichtigen met een vermogen boven de huurtoeslaggrens moeten aangifte doen, ook als hun inkomen lager is dan het heffingsvrije resultaat (zie paragraaf 3.11). Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.»
Inkomstenbelasting wordt per jaar geheven. De situatie van de belastingplichtigen A, B en C in vraag 14 zijn niet aan elkaar gelijk in de individuele jaren. Er is daarom geen strijd met het verbod op discriminatie van artikel 14 van het EVRM. Verschillen in belastingdruk bezien over een langere periode zijn onlosmakelijk verbonden aan de belastingheffing per jaar. Deze effecten doen zich ook voor in box 1 en box 2 van de inkomstenbelasting als gevolg van de progressieve tarieven, inkomensafhankelijke heffingskortingen en diverse maximeringen van aftrekposten. Om de effecten over een langere periode bezien te mitigeren is in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een onbeperkt voorwaartse verliesverrekening geïntroduceerd.
Is bij de vormgeving van het heffingsvrije resultaat onderzocht of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat, waarbij onbenutte vrijstellingsruimte uit verliesjaren of jaren zonder belastbaar resultaat kan worden meegenomen naar toekomstige jaren, de ongelijke uitwerking voor belastingplichtigen met een volatiel rendement en belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek zou mitigeren en zo ja, wat waren de uitkomsten van dat onderzoek en waarom is niet voor een dergelijke vormgeving gekozen en zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Nee, een overdraagbaar heffingsvrij resultaat is niet onderzocht bij de totstandkoming van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Recent is de suggestie onderzocht. Hiermee is uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Hoogeveen (JA21) die is ingediend tijdens het Tweeminutendebat Fiscaliteit van 26 maart 2026 (32 140, nr. 292). De motie verzoekt de regering te onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de gesignaleerde ongelijkheid zou mitigeren en de Kamer hierover te informeren bij het Belastingplan 2027. Hieronder ga ik hierop in.
In het huidige box 3-stelsel is er een heffingvrij vermogen. Bij een stelsel op basis van werkelijk rendement past een heffingsvrij resultaat beter. Bij een heffingsvrij resultaat betalen belastingplichtigen met hetzelfde werkelijke rendement in een jaar evenveel belasting ongeacht de samenstelling van het vermogen. Bij een heffingvrij vermogen is dat niet het geval. Dit wordt in het huidige stelsel onder andere veroorzaakt door de saldering van bezittingen en schulden. Het is immers mogelijk dat iemand met een relatief laag vermogen, toch een hoog rendement behaalt. Bijvoorbeeld in het geval van een hoogrenderende aandelenportefeuille die (al dan niet gedeeltelijk) gefinancierd is met een schuld waarover een lager bedrag aan rente is verschuldigd ten opzichte van het behaalde rendement op de aandelen. Een heffingsvrij resultaat sluit beter aan bij de systematiek van een heffing over het werkelijke rendement en bij het draagkrachtbeginsel. Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.
Uit het onderzoek blijkt dat de introductie van een overdraagbaar heffingsvrij resultaat in strijd is met een van de beleidsdoelen, namelijk het beperken van het aantal belastingplichtigen dat aangifte moet doen voor box 3. Bij een overdraagbaar heffingsvrij resultaat zou in principe elke meerderjarige inwoner in Nederland jaarlijks aangifte moeten doen voor box 3 om (een deel van) het heffingsvrije resultaat te claimen om te kunnen benutten in toekomstige jaren. Daarnaast zijn er negatieve budgettaire gevolgen die volgens de begrotingsregels gedekt moeten worden. Belastingplichtigen zouden namelijk vanaf hun 18e levensjaar een persoonlijk saldo opbouwen van maximaal € 1.800 per jaar waardoor later of helemaal niet meer zal worden toegekomen aan belastingheffing in de toekomst. Daar komt nog bij dat een overdraagbaar heffingsvrij resultaat voor de Belastingdienst zal leiden tot een massaal IH-proces. De Belastingdienst zal voor belastingplichtigen ieder jaar dienen bij te houden in hoeverre gebruik is gemaakt van een heffingsvrij resultaat. De inspecteur zal de hoogte van de voorwaartse verrekening moeten beoordelen bij de vaststelling van de definitieve aanslag en in voorkomend geval moeten corrigeren. Dit is voor de Belastingdienst een bewerkelijk proces dat een ingrijpende wijziging in de ICT-systemen van de Belastingdienst vereist en daarnaast ook naar verwachting veel impact zal hebben op de uitvoering. Het kabinet is alles overziend niet voornemens om een overdraagbaar heffingsvrij resultaat te introduceren in het toekomstige box 3-stelsel.
Met dit onderzoek en antwoord beschouw ik de motie van het lid Hoogeveen (JA21) als afgedaan.
Het versnellen van energieonafhankelijkheid en een betaalbare energierekening. |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat Spanje in deze nieuwe energiecrisis een van de Europese landen is met de goedkoopste energierekeningen juist dankzij de grote toename van hernieuwbare energie?1
Ja, ik ben van deze berichtgeving op de hoogte.
Wat kan Nederland volgens u leren van de toegenomen weerbaarheid en goedkopere energierekeningen in Spanje?
Spanje is minder afhankelijk van gas voor de elektriciteitsvoorziening, waarbij gascentrales maar een klein deel van de tijd de elektriciteitsprijs bepalen. Dit leidt onder andere tot goedkopere energierekeningen dan in andere Europese landen die minder hernieuwbare energie tot hun beschikking hebben. In Nederland bepalen gascentrales steeds minder vaak, maar nog wel het grootste deel van de tijd de elektriciteitsprijs. Hoe meer wind, zon en kernenergie er is in Nederland, hoe minder in de toekomst schokken in de internationale gasmarkt leiden tot hogere elektriciteitsprijzen in Nederland.
Bent u op de hoogte van de vaststelling dat de transitie naar net zero voor het Verenigd Koninkrijk goedkoper zou uitkomen dan de kostprijs van één enkele fossiele energiecrisis?2
Ja, ik ben van deze berichtgeving op de hoogte.
Wat kan Nederland volgens u hiervan leren?
Deze berichtgeving laat onder meer zien dat afhankelijkheid van de import van fossiele energie, in tijden van crises, direct raakt aan de betaalbaarheid van energie en gevolgen heeft voor de economie. Dit geldt ook voor Nederland. Afhankelijk blijven van fossiele energie heeft niet alleen gevolgen voor het klimaat, maar ook voor onze economie door onzekerheid over energieprijzen en prijsschokken. De les die Nederland hieruit kan trekken is dat energie van eigen bodem deze risico’s en effecten op de economie aanzienlijk verkleint.
Werkt u naar aanleiding van de olie- en gascrisis aan een versnellingsplan voor hernieuwbare energie en energiebesparing?
Op dit moment vindt binnen het kabinet een inventarisatie plaats van maatregelen om de gevolgen van de huidige situatie in het Midden-Oosten tegen te gaan. Daar worden de voorstellen van de NVDE (zie ook de antwoorden op vragen 9 t/m 12) in meegenomen.
Hernieuwbare energie van eigen bodem en energiebesparing zijn essentieel voor een weerbaar energiesysteem met minder strategische afhankelijkheden. Het kabinet zet daarom, zoals ook in voorgaand antwoord beschreven, in op het opschalen van schone energie. Daarnaast is het belangrijk dat we het voor onze industrie, die internationaal moet concurreren, aantrekkelijk maken om ook de overstap te maken naar elektrificatie. In het coalitieakkoord heeft het kabinet een versnelling ingezet door gericht middelen uit te trekken voor zowel wind op zee als ondersteuning voor de elektrificatie van de industrie.
Specifiek voor hernieuwbare energie op land heeft het kabinet daarnaast onderzoek laten doen naar doorgroei, waarde en potentie van hernieuwbare energie op land na 2030. Dit onderzoek wordt binnenkort met de Kamer gedeeld. In de actualisatie van het NPE zal ik nader ingaan op de ambitie voor de verdere groei van hernieuwbaar op land. Hierover ga ik uiteraard ook met medeoverheden in gesprek om te bezien hoe we deze doorgroei mogelijk kunnen maken.
Hoe zult u bijvoorbeeld uitwerking geven aan de aangenomen motie Van Oosterhout c.s. om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen (Kamerstuk 36 800 XXIII, nr. 26)?
In navolging van de motie van het lid Van Oosterhout c.s., die aanspoort tot versnelde uitrol van wind op zee, voert het kabinet deze uit door nog dit jaar een extra subsidietenderronde van 1 GW voor windenergie op zee open te stellen, bovenop de reeds geplande 1 GW. Hierover heb ik de Kamer inmiddels geïnformeerd. De motie draagt hiermee bij aan de opschaling van hernieuwbare energie, waarbij het coalitieakkoord inzet op 40GW windenergie op zee.
Welke mogelijkheden ziet u bovenop het coalitieakkoord om toch nog versneld te vergroenen om zo weerbaarder te worden, de energierekeningen van mensen en bedrijven te doen dalen en te vermijden dat de onvermijdelijk volgende olie- of gascrisis Nederland nóg meer geld gaat kosten?
Hernieuwbare energie van eigen bodem realiseren heeft hoge prioriteit voor het kabinet. Het coalitieakkoord stelt een aantal ambitieuze doelstellingen om versneld te vergroenen en weerbaarder te worden. Dit is een flinke opgave en vraagt volledige inspanning van het kabinet om tijdig te realiseren, want er zijn ook maakbaarheidsuitdagingen zoals netcongestie, die om maximale creativiteit en samenwerking vragen.
Specifiek kiest het kabinet ervoor om wind op zee te stimuleren via contracts for difference en is budget gereserveerd om de SDE++ regeling de komende 6 jaar open te stellen, waardoor initiatiefnemers worden ondersteund om te verduurzamen. Dit betreft zowel de productie van hernieuwbare energie alsook elektrificatie en CO2-reductie. Hiermee draagt het kabinet bij aan de vraagontwikkeling van elektriciteit. Daarnaast voert het kabinet, zoals ook benoemd in het antwoord op vraag 6, de motie om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen uit. Dit doet het kabinet door nog dit jaar een extra subsidietenderronde van 1 GW voor windenergie op zee open te stellen, bovenop de reeds geplande 1 GW.3
Welke investeringen in verduurzaming zouden er vervroegd kunnen worden in de tijd om sneller te kunnen genieten van die voordelen van meer weerbaarheid en goedkopere energierekeningen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?3
Ja, ik ben op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE).
Welke elementen uit dit plan kunnen volgens u versneld uitgevoerd worden?
Ik verwelkom alle ideeën van partijen uit de praktijk die bijdragen aan energiebesparing en het versnellen van de transitie naar meer energie van eigen bodem. In dat kader is er regelmatig contact tussen de NVDE en mijn ministerie.
Het spoedplan bevat interessante aanknopingspunten. Op andere punten roept het plan vragen op. Beide zal ik binnenkort met de NVDE bespreken en betrek ik bij de actualisering van het NPE.
Om te beginnen roept het spoedplan op om onverminderd in te zetten op het oplossen van netcongestie en het verkorten van doorlooptijden van projecten. Beide zijn prioriteit voor dit kabinet. Daarnaast noemt het plan een aantal maatregelen voor de verduurzaming van woningen. Ook daar wil het kabinet verder op doorpakken, door het verplicht uitfaseren van energielabels E, F en G bij huurwoningen en het normeren van slimme (hybride) warmtepompen waar dit de beste oplossing is. Met een Nationaal Isolatie Offensief wil het kabinet de ingezette lokale isolatieaanpakken versnellen en versterken. Ook heeft het kabinet dit voorjaar extra middelen (77 miljoen) uitgetrokken voor warmtenetten.
De lopende publiekscampagne «zet ook de knop om» wordt voortgezet. Daarnaast loopt momenteel het Interdepartementaal Beleidsonderzoek energietransitie van de woningvoorraad. Dit zal rond de zomer een rapport opleveren, met daarin wat nodig is om de woningvoorraad tijdig aardgasvrij te maken.
Verder gaat het spoedplan van de NVDE in op het voortvarend uitrollen van hernieuwbare energie en het versnellen van elektrificatie van fossiele energievraag. Hier zet het kabinet vol op in.
Ook onderschrijft het kabinet het belang van opschaling van groen gas, onder andere via het programma groen gas.
In lijn met het coalitieakkoord gaat het kabinet door met de bestaande maatwerkafspraken en richten nieuwe maatwerkafspraken zich op clusters of gebieden. Hiermee kan verdere reductie in gasverbruik behaald worden.
Tot slot maken thermische isolatie en het beter inregelen van installaties onderdeel uit van de energiebesparingsplicht.
Sommige maatregelen zijn echter niet voldoende gespecificeerd om concreet aan te geven of ze wenselijk zijn en welke blokkades er potentieel nog zijn. Of ze zijn lastig uitvoerbaar, zoals de energiebesparingsplicht als voorwaarde voor de subsidies. Zoals aangegeven zal ik in gesprek gaan met de NVDE om hierover nader van gedachten te wisselen.
Welke delen kunnen volgens u niet versneld uitgevoerd worden en waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Indien bepaalde blokkades de uitvoering van die delen in de weg staan, wat zou er nodig zijn om die blokkades op te heffen?
Zie antwoord vraag 10.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het commissiedebat Hernieuwbare energie van 1 april a.s.?
De vragen zijn beantwoord voor het commissiedebat Hernieuwbare energie, dat is verplaatst naar 15 april 2026.
Het bericht 'Pijnlijke conclusie: peperdure maatregelen tegen witwassen niet effectief en oneerlijk' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van RTL en het achterliggende rapport van de Algemene Rekenkamer «Gevolgen Groot, opbrengsten onbekend»?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Deelt u de hoofdconclusie van de Algemene Rekenkamer dat de huidige anti-witwasaanpak onvoldoende effectief en efficiënt is?
De Algemene Rekenkamer (AR) richtte zich in haar onderzoek op de periode 2020–2024. Ik ben het met de AR eens dat de antiwitwasaanpak in die jaren in de praktijk beter kon. Na afloop van die onderzoeksperiode heb ik samen met de Minister van Justitie en Veiligheid onze nieuwe antiwitwasaanpak met de Tweede Kamer gedeeld.2 Deze nieuwe antiwitwasaanpak adresseert veel van de conclusies van de AR. In deze nieuwe antiwitwasaanpak benoemen wij twee hoofddoelen: 1) verlagen van lasten voor bonafide burgers en bedrijven; en 2) barrières verhogen voor criminelen. Door deze doelen centraal te stellen zetten we in op een antiwitwasaanpak die zowel effectief is als efficiënt.
Kun u een inschatting maken van de jaarlijkse kosten die banken maken als gevolg van de personele inzet ter bestrijding van witwassen en hoe deze kosten doorberekend worden aan klanten?
Ik kan geen inschatting maken van de jaarlijkse kosten die banken maken als gevolg van de personele inzet, of de gevolgen van de hogere compliancekosten voor de concurrentiepositie van Nederlandse banken ten opzichte van banken in andere landen.
Banken bepalen zelf hun eigen inzet op het antiwitwasdossier. Er is sinds de publicatie van «Herstel naar balans» door De Nederlandsche Bank (DNB) nadrukkelijk ingezet op een verbeterde risicogebaseerde toepassing van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zowel door de toezichthouder als door banken.3 Dit betekent dat de inzet hoger moet zijn als de risico’s hoger zijn. Als de risico’s lager zijn moeten de maatregelen beperkt worden. De Wwft geeft hier ook de ruimte voor. Ook in de nieuwe antiwitwasaanpak is dit een belangrijke pijler aangezien is gebleken dat banken in de praktijk de risicogebaseerde aanpak nog steeds onvoldoende toepassen. Banken stellen hierdoor nog steeds soms onnodige vragen aan bepaalde klanten, en sommige burgers ervaren zelfs discriminatie. Een verbetering van de risicogebaseerde aanpak zorgt ervoor dat banken minder onnodige vragen stellen, en minder maatregelen nemen wanneer de risico’s lager zijn. Dit kan er toe leiden dat banken minder kosten maken. De uitvoering van de risicogebaseerde benadering ligt primair bij de banken, zij dienen ervoor te zorgen dat de maatregelen die zij nemen proportioneel zijn aan het geconstateerde risico. DNB houdt toezicht op deze risicogebaseerde benadering.
Daarnaast hebben veel banken de afgelopen jaren grootschalige hersteltrajecten moeten uitvoeren, omdat zij de basis van de antiwitwasaanpak niet op orde hadden.4 Deze hersteltrajecten waren nodig om onder andere een goede basis te leggen voor de risicogebaseerde aanpak.
De problematiek rondom discriminatie bij banken speelt breder dan enkel de toepassing van de Wwft. Het is onacceptabel dat burgers discriminatie ervaren in de interactie met banken. De afgelopen jaren hebben we zelf ook onderzoeken gedaan naar (ervaren) discriminatie. De Minister van Financiën heeft naar aanleiding van deze onderzoeken diverse acties opgesteld om (ervaren) discriminatie aan te pakken. Dat geldt ook voor de banken zelf en voor DNB. Hierover is de Tweede Kamer in mei 20245, december 20246 en september 20257 geïnformeerd.
In hoeverre acht u de genoemde kosten proportioneel in verhouding tot de effectiviteit van het beoogde doel van witwasbestrijding, mede gelet op neveneffecten zoals het risico op discriminatie, de toegenomen regeldruk voor bedrijven en verenigingen en het mogelijke afhaken van vrijwilligers waardoor maatschappelijk initiatief onder druk kan komen te staan?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen waarom in het rapport wel de effecten van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) op (oud-)politici (Politically Exposed Persons, PEP’s) zijn onderzocht, maar bijvoorbeeld niet is gekeken naar de effecten op maatschappelijke organisaties zoals (sport)verenigingen, terwijl deze laatste groep ook signalen van administratieve lasten en belemmeringen meldt?2
De AR bepaalt zelf hoe zij hun onderzoek vormgeven. In het rapport benoemt de AR dat zij drie groepen hebben geselecteerd om te onderzoeken hoe verschillend de ervaren controles door banken zijn. Ze hebben niet enkel groepen geselecteerd op signalen van lasten. Daarnaast is het zo dat er voor PEP’s specifieke onderzoeksverplichtingen zijn voor poortwachters.9
Bent u bereid deze effecten op maatschappelijke organisaties alsnog te laten onderzoeken om zo een volledig beeld te krijgen van de neveneffecten?
In 2023 heeft SIRA in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een onderzoek gedaan naar regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen.10 Daar is vervolgens ook een kabinetsreactie op gestuurd in 2024, mede namens mij.11 In het onderzoek is genoemd dat de Wwft-verplichtingen maatschappelijke organisaties voornamelijk tijd kosten.
Het Ministerie van Financiën is ook regelmatig in gesprek met een brede groep aan organisaties om de impact van de antiwitwascontroles te bespreken, onder andere in hetMaatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) de-risking. In het MOB de-risking zitten vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), DNB, betaalinstellingen, goede doelen en ondernemers- en consumentenverenigingen samen om de voortgang op de aanpak van de-risking te bespreken en aan te pakken. Zo heeft de NVB standaarden opgesteld om banken te helpen in hun klantonderzoek. In haar proportionaliteitsverkenning onderstreept DNB de positieve vooruitgang die er op dit gebied heeft plaatsgevonden.12 Daarnaast spreekt het Ministerie van Financiën ook regelmatig met onder andere banken en maatschappelijke organisaties, waarbij de neveneffecten van de Wwft regelmatig onderwerp van gesprek zijn.
SIRA noemde enkele mogelijkheden tot verbetering, waaronder inzetten op de risicogebaseerde benadering. Daar ben ik nu mee bezig, maar dit staat en valt met de inzet vanuit banken zelf. Zij staan primair aan de lat om hier werk van te maken. Ik zie geen reden voor aanvullend onderzoek.
Vindt u de huidige personele inzet bij De Nederlandsche Bank (DNB) en de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) proportioneel ten opzichte van de zeer grote personele inzet bij banken voor het verzamelen en melden van ongebruikelijke transacties, mede gelet op signalen dat de opvolging van deze meldingen niet altijd inzichtelijk is?
De personele inzet bij DNB kan wat mij betreft niet vergeleken worden met de inzet bij banken aangezien deze twee organisaties totaal verschillende rollen hebben op basis van de wet in de antiwitwasketen. Banken vullen een centrale rol in ons financiële stelsel en dienen risicogebaseerd onderzoek te doen naar klanten en hun transacties te monitoren.
DNB controleert of financiële ondernemingen, waaronder banken, voldoen aan hun wettelijke verplichtingen. De taken die hierbij komen kijken zijn anders dan die van banken, en dus is het logisch dat de personele inzet van een andere orde is. Ik ben van mening dat de huidige inzet van DNB daarom proportioneel is.
De personele inzet bij FIU-Nederland laat zich moeilijk vergelijken met de inzet bij banken aangezien deze twee organisaties verschillende rollen en verantwoordelijkheden hebben op basis van de wet in de antiwitwasketen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het analyseren van alle ongebruikelijke transacties geen doel op zich is. De FIU-Nederland analyseert meldingen risicogebaseerd, waarbij het zich richt op de grootste risico’s en op de prioriteiten van de ketenpartners. Dit past binnen de risicogebaseerde aanpak van witwassen.
De FIU-Nederland ziet in de aanbevelingen in het rapport tevens een aansporing van de huidige inzet op het verbeteren van de datakwaliteit. Het verbeteren van de datakwaliteit maakt vervolgens een meer data-gedreven benadering, zoals aanbevolen door de AR, verder mogelijk. De data gedreven benadering maakt het vervolgens mogelijk om beter inzicht te krijgen en geven in de meest risicovolle meldingen en de opvolging hierop.
Hoe beoordeelt u de signalen dat de huidige werkwijze van de FIU ertoe leidt dat niet alle ongebruikelijke transacties worden opgepakt, dat de aanpak onvoldoende risico- en datagedreven is en dat er weinig wordt gedaan aan kwaliteitsverbetering en structurele terugkoppeling richting banken en bent u bereid hier concrete stappen op te zetten?
De focus van de FIU-Nederland ligt op het verder versterken van de risicogebaseerde aanpak, waarbij de grootste witwasrisico’s prioriteit krijgen. In de praktijk betekent dit dat de FIU-Nederland meldingen risicogebaseerd analyseert en zich richt op de belangrijkste risico’s en de prioriteiten van ketenpartners. Het oppakken van alle ongebruikelijke transacties is daarbij geen doel op zich.
Bovendien neemt de FIU-Nederland de conclusies en aanbevelingen ter harte om meer risico- en datagedreven te werken. De FIU-Nederland zet daarom ten eerste in op het verbeteren van de datakwaliteit. Het verbeteren van de datakwaliteit maakt vervolgens een meer data-gedreven benadering verder mogelijk. De versterkte datapositie zal de FIU-Nederland ook de mogelijkheid geven om risico’s, trends en fenomenen beter te identificeren en te duiden. Daarnaast zal de FIU-Nederland verkennen in hoeverre IT-oplossingen kunnen ondersteunen in een meer data-gedreven benadering. De afgelopen jaren zijn al een aantal belangrijke stappen gezet ten behoeve van het objectief prioriteren van belangrijke meldingen.
De FIU-Nederland onderstreept het belang dat de AR geeft aan kwalitatief goede meldingen door meldingsplichtige instellingen. Binnen de huidige wettelijke mogelijkheden werkt de FIU-Nederland momenteel al concreet aan het verbeteren van de kwaliteit van de meldingen, bijvoorbeeld door middel van een aanstaande update van de meldformulieren. Gedurende het jaar publiceert de FIU-Nederland bovendien op diens website over witwasmethoden, zoals bijvoorbeeld het «cash compensatie model», zodat poortwachters en andere partijen die inzichten kunnen benutten in hun werk. Het nieuwe Europese antiwitwaspakket biedt de FIU-Nederland vanaf juli 2027 meer mogelijkheden om informatie te verstrekken aan toezichthouders en feedback te geven aan poortwachters. Dit zal een verdere impuls geven aan het verbeteren van de kwaliteit van de meldingen. De FIU-Nederland bereidt zich momenteel voor op de implementatie van deze wetgeving.
Klopt het dat DNB een strengere toezichtfilosofie hanteert dan toezichthouders in andere landen en dat Nederland de Europese anti-witwasregels strikter toepast, waardoor de administratieve lasten voor Nederlandse financiële instellingen hoger uitvallen?
De Europese antiwitwasrichtlijn schrijft voor wat poortwachters moeten doen, de toezichthouder houdt hier toezicht op. De afgelopen jaren heb ik in verschillende gesprekken signalen ontvangen van verschillende poortwachters waarin zij aangaven dat Nederland, dan wel DNB strenger zou zijn op bepaalde onderdelen. Dit bleek telkens om een Europese verplichting te gaan en niet om een nationale interpretatie. Bovendien zie ik dat in andere EU-landen toezichthouders ook optreden richting poortwachters die de antiwitwasverplichtingen niet op orde hebben.
In haar toezicht benadrukt DNB dat poortwachters de verplichtingen uit de Wwft risicogebaseerd moeten uitvoeren, zoals onder meer blijkt uit haar leidraad (de Q&A en Good Practices Wwft).13 Voorts hebben DNB en het ministerie bijgedragen aan de totstandkoming van de eerder genoemde risicogebaseerde sectorstandaarden van de NVB, en heeft DNB in 2025 onderzoeken gedaan naar het tegengaan van discriminatie14 en de proportionele toepassing van de Wwft door banken.15 De FATF heeft ook in haar richtsnoeren over financiële inclusie (juni 2025) Nederland diverse malen genoemd als positief voorbeeld.16 Nederland blijft ook in Europees, waaronder in AMLA-verband, aandacht houden voor de versterking van de risicogebaseerde aanpak.
In hoeverre hebben deze hogere compliancekosten gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse banken ten opzichte van banken in andere landen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe reflecteert u op uw rol en die van uw ministerie ten aanzien van de beperkte inhoudelijke betrokkenheid bij de effectiviteit van het toezicht van DNB en bent u bereid om het gesprek over de effectiviteit en de gevolgen van de anti-witwasaanpak structureel te verankeren in de toekomstige overlegstructuur met DNB?
De uitvoering van de opgedragen taken is primair de verantwoordelijkheid van DNB zelf. DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken.
Tegelijkertijd ben ik systeemverantwoordelijk voor het functioneren van het toezichtsysteem en de toezichthouders. Hierbij moet ik kunnen beoordelen of DNB haar taken op doeltreffende en doelmatige wijze uitvoert. Ik oefen hiertoe zogenaamd «toezicht op afstand» uit op DNB. Dat doe ik conform de visie Toezicht op afstand17 en de Kaderwet zbo’s, op basis waarvan vijfjaarlijks het doeltreffend en doelmatig functioneren van DNB als zelfstandig bestuursorgaan wordt geëvalueerd.
Het is wenselijk om over de taakuitvoering van de Wwft meer inzicht te krijgen in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het integriteitstoezicht van DNB. Ik ga dan ook met DNB in gesprek over hoe dit opgepakt kan worden. Hierbij geef ik de voorkeur om dit structureel te verankeren in bestaande publicaties of kanalen.
Wanneer kunnen we de integrale kabinetsreactie ontvangen op het Algemene Rekenkamerrapport «Gevolgen Groot, opbrengsten onbekend», inclusief een verbeterplan hoe de anti-witwasaanpak concreet meer risicogestuurd ingericht kan worden om zo de efficiëntie te verhogen?
De reactie van de Minister van Justitie en Veiligheid en mijzelf is opgenomen in het rapport van de AR. In die reactie gaan wij in op de conclusie en aanbevelingen van het AR rapport. Deze is ook te vinden op de site van de AR.18
In de tweede helft van 2026 zullen wij een voortgangsbrief sturen waarin de Kamer wordt geïnformeerd over de nieuwe antiwitwasaanpak. In de voortgangsbrief zullen wij verder inzage geven in de voortgang van de risicogebaseerde benadering. Ik merk hierbij op, net als wij richting de AR in onze reactie hebben opgemerkt dat de risicogebaseerde aanpak primair bij de banken ligt: zij dienen ervoor te zorgen dat ze zich op hoge risico’s richten en minder op lage risico’s.
Kan de Minister erop toezien dat bovengenoemde vragen meegenomen worden in de aanstaande kabinetsreactie?
Zie antwoord vraag 12.
Een snelle oplossing voor het Noodfonds energie |
|
Suzanne Kröger (GL), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Essent vraagt snelle oplossing Noodfonds energie: «Er is geen vangnet voor kwetsbare huishoudens»»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Klopt het dat er op dit moment geen publieke uitvoerder is die het Publieke Energiefonds op zich wil nemen?
Ja, dat klopt. Na een intensief jaar van verkenning met diverse publieke uitvoeringsorganisaties is de eenduidige conclusie dat een publiek energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het Europese Sociaal Klimaatfonds (SKF) voor zowel huishoudens als uitvoerder zeer complex zou zijn en voor de continuïteit van de bestaande taken en dienstverlening door deze uitvoeringsorganisaties zeer risicovol zou zijn. Dit betreft onder meer het verwachte aantal aanvragen dat handmatig moet worden beoordeeld en de verantwoording over rechtmatige toekenning aan de Europese Commissie. Daarom kwalificeren de uitvoerders dit energiefonds als niet uitvoerbaar en niet verantwoord, zowel op korte (operationeel in de winter van 2026/2027) als op lange termijn. Dit geldt zowel voor alle betrokken uitvoerders individueel als voor uitvoering door een consortium van uitvoerders.
Dit neemt niet weg dat het kabinet inzet op gerichte inkomensondersteuning dit jaar. Het kabinet bereidt daarom een noodfonds energie voor buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF, zoals ook aangekondigd in het coalitieakkoord. Hiertoe worden ook varianten uitgewerkt waarin de infrastructuur van het Tijdelijke Noodfonds Energie wordt benut, zodat de bestaande uitvoerders niet worden belast. Ik zal uw Kamer de komende periode regelmatig informeren over de voortgang.
Klopt het dat het kabinet wel naar uitvoering door vier instanties zoals de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank heeft gekeken, maar die alle vier niet geschikt bleken? Zo ja, waarom bleken deze niet geschikt?
Ja dat klopt. Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven met welke andere organisaties nog meer gesproken is en waarom deze allen niet geschikt bleken als uitvoerder?
Er is gesproken met Uitvoering van Beleid (UVB, onderdeel van SZW), Dienst Toeslagen, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Daarnaast is gesproken met een aantal organisaties, voornamelijk over een ondersteunende rol. Dit betrof de Belastingdienst, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV; inclusief Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)), het Bureau Informatie Diensten Nederland (BIDN, voorheen Stichting Inlichtingenbureau) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Alle organisaties zien dezelfde uitvoeringsproblemen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Per wanneer verwacht u dat de publieke uitvoerder operationeel kan zijn en steun kan uitkeren aan huishoudens?
Het kabinet bereidt een noodfonds energie voor dat voor de komende winter operationeel moet kunnen zijn. Het is van belang dat de meest kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening de komende winter ondersteund kunnen worden. Zoals aangegeven in antwoord 2 zal dit niet het publieke energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF zijn.
Wat zijn de verwachte uitvoeringskosten van het Publieke Energiefonds op jaarbasis?
Dit is niet bekend. De uitvoeringskosten zouden volgen uit de nadere uitwerking met een uitvoerder. Maar de uitvoerders hebben de uitvoering van een publiek energiefonds binnen de randvoorwaarden gesteld door het SKF als niet uitvoerbaar en niet verantwoord gekwalificeerd. Daarom is het stadium van kostenraming niet bereikt.
Het kabinet bereidt nu een noodfonds energie voor buiten de randvoorwaarden gesteld door het SKF. Daarbij werken we ook varianten uit waarin de infrastructuur van het Tijdelijke Noodfonds Energie wordt benut. Ik zal uw Kamer de komende periode regelmatig informeren over de voortgang en uw Kamer informeren over de verwachte uitvoeringskosten wanneer hier voldoende duidelijkheid over is.
Wat zijn de uitvoeringskosten van het Tijdelijke Noodfonds Energie op jaarbasis? waarbij bij alle varianten wordt berekend wat de budgettaire gevolgen zijn bij 1) een maandelijkse bijdrage van € 80,– per huishouden voor de periode van 6 maanden, 2) een maandelijkse bijdrage van € 90,– per huishouden voor de periode van 6 maanden en 3) een maandelijkse bijdrage van € 100,– per huishouden voor de periode van 6 maanden?
In 2025 bedroegen de uitvoeringskosten € 13,15 miljoen. Voor deze uitvoeringskosten heeft TNE ongeveer 210.000 aanvragen verwerkt en aan ongeveer 120.000 huishoudens uitgekeerd. Dit is een beperkt deel van het aantal huishoudens dat op basis van de gehanteerde criteria in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming vanuit TNE. De uitvoeringskosten van TNE zouden bij volledig bereik van de doelgroep hoger zijn geweest.
Kunt u aangeven wat de actuele inkomensgrenzen zijn voor huishoudens met inkomens tot 130%, 200%, 300% en 350% van het sociaal minimum voor zowel alleenstaanden als samenwonenden? Kunt u voor elke inkomensgrens aangeven om hoeveel huishoudens het gaat?
Onderstaande tabel geeft een schatting van de budgettaire gevolgen (doelgroep x steunbedrag) per variant. De schattingen zijn voor 2026. Deze zijn berekend op basis van CBS Microdata over inkomens en energiekosten uit 2024. De inkomens zijn geïndexeerd naar 2026 o.b.v. de CEP2026. De energiekosten zijn geïndexeerd naar de gemiddelde energietarieven voor consumenten in februari 2026 o.b.v. CBS Statline. Verbeterede isolatie vanaf 2024 en gedragseffecten zijn niet meegenomen. Vanaf 2027 zijn er ook (beleidsmatige) ontwikkelingen zoals stijgende nettarieven, ETS2, en de bijmengverplichting groen gas. Deze zitten nog niet in de schattingen van 2026.
Voor de energiekosten is in onderstaande tabel uitgegaan van het scenario dat energieprijzen 28% stijgen. Dit is ten opzichte van de gemiddelde prijzen in februari 2026 en in lijn met de prijsstijging die we de afgelopen periode hebben gezien. Daarnaast wordt er rekening gehouden met het feit dat veel huishoudens nog vaste contracten hebben. Daarom wordt in de raming uitgegaan dat slechts 55% van de prijsstijging doorwerkt. Als de hoge prijzen aanhouden zijn de structurele kosten dus een stuk hoger.
De grootte van de doelgroep, de hoogte van de tegemoetkoming en daarmee budgettaire gevolgen hangen verder af van de daadwerkelijke energieprijs. Om dit te illustreren: Als er in het eerste jaar van 50% of 76% prijsstijging uitgegaan wordt (i.p.v. 28%), bestaat de doelgroep onder de criteria oorspronkelijke voorwaarden van TNE (variant 7) uit 1.132.000, en respectievelijk 1.240.000 huishoudens in het eerste jaar.
Voor de grenzen van het sociaal minimum is uitgegaan van het gewogen bruto sociaal minimum over heel 2026, inclusief vakantietoeslag. Voor alleenstaanden is dat € 1.790 per maand, voor samenwonenden is dat € 2.500 per maand.
Variant
Aantal huishoudens in variant
Budgettaire gevolgen (x € mln.), exclusief uitvoeringskosten bij:
Zes maanden € 80
Zes maanden € 90
Zes maanden € 100
1
1.200.000
580
650
720
2
890.000
430
480
530
3
1.131.000
540
610
680
4
1.163.000
560
630
700
5
1.165.000
560
630
700
6
1.442.000
690
780
860
7
973.000
470
530
580
8
980.000
470
530
590
9
981.000
470
530
590
De motie Klaver c.s.2 verzoekt om bij het uitwerken van de opties mee te nemen of en hoe middeninkomens aanspraak kunnen maken op het fonds. Bovenstaande en andere varianten betrek ik daarom bij de besluitvorming en voer daarmee deze motie uit. Over de uiteindelijke doelgroep en tegemoetkoming zal ik uw Kamer later nader informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de aanvang van de tweede termijn van de SZW-begroting op 19 maart of, indien eerder ingepland, voor het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor Nederland?
De onderstaande inkomensgrenzen zijn gebaseerd op het gewogen bruto sociaal minimum over heel 2026. Hiervoor is aangesloten bij de bruto normbedragen voor de Toeslagenwet. Deze inkomensgrenzen van TNE waren ook op deze normen gebaseerd. De inkomensgrenzen zijn op maandbasis, bruto, exclusief de inkomensondersteunende toeslagen, inclusief 8% vakantietoeslag en afgerond op tientallen euro. Het aantal huishoudens is geschat voor 2026. De schatting is gemaakt met CBS Microdata over inkomens uit 2024 die zijn geïndexeerd naar 2026. Bij deze schatting is geen rekening gehouden met het energieverbruik.
Percentage sociaal minimum
Bruto inkomensgrens, per huishoudtype
Aantal huishoudens
Alleenstaande
Samenwonenden
130%
€ 2.330
€ 3.260
1.387.000
200%
€ 3.590
€ 5.010
2.804.000
300%
€ 5.380
€ 7.760
4.579.000
350%
€ 6.270
€ 8.760
5.250.000
Het bericht dat 3,3 miljard euro aan IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid is stopgezet |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Rechter dwarsboomt IT-aanbesteding rijksoverheid van € 3 mrd» (Financieel Dagblad, 9 maart 2026)?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met de uitspraak van de rechter in Den Haag, die stelt dat twee IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid ter waarde van 3,3 miljard euro gestaakt moeten worden?2
Ja.
Wat is uw reactie op de berichtgeving en de rechterlijke uitspraak?
De Staat werkt momenteel aan verduidelijking en, waar nodig, aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden, in lijn met het vonnis.
Mede omdat de zaak onder de rechter is, wordt niet in algemene zin ingegaan op de berichtgeving. Dat is anders ten aanzien van concrete vragen die de Kamer stelt.
Kunt u toelichten welke aanpassingen u gaat doorvoeren of al heeft doorgevoerd in de aanbestedingsvoorwaarden om aan de rechterlijke uitspraak te voldoen?
Nee, op dit moment nog niet. Het onderzoek naar de mogelijkheden om de aanbestedingsvoorwaarden te verduidelijken danwel aan te passen loopt nog.
Zouden de IT-aanbestedingen, indien ze doorgang vinden, de digitale autonomie van Nederland vergroten of verkleinen? Kunt u dit onderbouwen?
Op dit moment kan niet concreet worden gezegd of de aanbestedingen de digitale autonomie van Nederland vergroten danwel verkleinen. Echter, op de Europese Aanbesteding Programmatuur 2025 (EAP-2025) aanbestedingen waren en blijven de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT) van toepassing. De ARBIT bevat ook voorwaarden die bijdragen aan digitale autonomie en soevereiniteit, zoals voorwaarden met betrekking tot exit, opzegging, ontbinding en informatieveiligheid.
Met de aanbestedingen wordt beoogd raamovereenkomsten te sluiten met daartoe geschikt bevonden resellers. Dat zijn resellers die zich aan de aanbestedingsvoorwaarden conformeren. De deelnemers doen binnen de raamovereenkomsten met de resellers nadere uitvragen voor de levering van specifieke producten. De impact op de digitale autonomie is vooral afhankelijk van de inhoud van deze nadere uitvragen.
Hoe houdt u de komende vier jaar de mogelijkheid om de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven via aanbestedingen te verkleinen conform de wens van de Tweede Kamer,3 nu u middels een raamovereenkomst de voorwaarden voor nieuwe inkoop jarenlang vastlegt?
Bij aanpassing van de aanbestedingsstrategie en -voorwaarden wordt, waar van toepassing en mogelijk, (nieuw) rijksbreed beleid geborgd, waaronder rijksbreed beleid inzake digitale autonomie en soevereiniteit.
Deelnemers moeten binnen hun inkoopvraagstukken borgen dat zij gericht besluiten nemen inzake de reductie van het risico op afhankelijkheid. Dat betekent dat zij bestaande producten vervangen door alternatieven die minder / geen risico op afhankelijkheid kennen. Voor nieuwe producten dienen zij voor hun nadere uitvragen binnen de raamovereenkomsten aanvullende eisen en voorwaarden op te nemen, passend bij de specifieke opdracht, om te borgen dat het risico op afhankelijkheid beheersbaar blijft.
Ziet u met de rechterlijke uitspraak en de noodzaak om de aanbestedingsvoorwaarden aan te passen ook de mogelijkheid om digitale autonomie zwaarder mee te wegen als criterium?
Deze vraag kan op dit moment nog niet worden beantwoord. De categorie Software Rijk onderzoekt nog of en zo ja, in welke mate de aanbestedingsvoorwaarden ten aanzien van digitale soevereiniteit en autonomie verder moeten worden aangepast.
Welke gevolgen heeft de rechterlijke uitspraak voor de twee IT-aanbestedingen ter waarde van 3,3 miljard euro? Kunt u een overzicht geven van lopende contracten waar deze uitspraak mogelijk ook gevolgen voor heeft?
Voor het antwoord op de eerste vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3. De aanbestedingen zijn gestaakt. De Staat onderzoekt de noodzaak en mogelijkheden voor aanpassing of herziening van de aanbestedingsvoorwaarden en neemt op basis van de bevindingen een besluit inzake de vervolgaanpak. Ter overbrugging zijn de bestaande raamovereenkomsten verlengd, om te voorkomen dat de inkoop van standaardprogrammatuur tussentijds stilvalt.
De uitspraak van de rechter heeft gevolgen voor alle opdrachten (nadere overeenkomsten) die worden afgesloten onder de verlengde raamovereenkomsten van het Ministerie van Defensie en van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De ministeries zijn hierover geïnformeerd.
Wat is het doel en de noodzaak van de twee IT-aanbestedingen? Welke diensten zouden precies ingekocht worden bij Microsoft en Oracle, en in welke ministeries en overheidsorganisaties zouden deze gebruikt worden?
Zoals toegelicht bij vraag 6 is het doel van de aanbestedingen om voor de inkoop van standaardprogrammatuur (zowel nieuwe, als uitbreidingen op bestaande software) een duidelijk en rechtmatig afsprakenkader te creëren. Deze aanbestedingen hebben niet specifiek betrekking op software van Microsoft of Oracle.
De noodzaak van de aanbestedingen is drieledig, namelijk:
Diensten die worden ingekocht zijn: de levering van standaardsoftware, onderhoud en support, helpdeskondersteuning, adviesdiensten, installatie en configuratie van standaardsoftware en trainingen en opleidingen.
De aanbestedingen worden uitgevoerd ten behoeve van het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De lijst met deelnemende organisaties staat onderaan de beantwoording van deze lijst met vragen en antwoorden.
Waarom vraagt u in de aanbesteding voor deze grote IT-projecten om «levering van standaardprogrammatuur van vendor Microsoft» in plaats van dat u de technische eisen uitvraagt van de software die u wil inkopen?4
Binnen de lopende raamovereenkomsten moet het voor deelnemers mogelijk zijn om, indien nodig, het aantal licenties voor het gebruik, onderhoud en/of beheer van deze programmatuur uit te kunnen breiden. Een uitvraag op basis van technische eisen kan leiden tot aanbod van een ander typen licenties, hetgeen praktisch niet wenselijk is en tot kostenverhoging kan leiden.
Wat bedoelt u met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft? Op welke toepassingen gaat dit, en waarom neemt u deze af via de tussenhandelaar?5
Met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft wordt de closed source- en open source, software bedoeld die softwareleveranciers gebruiken voor het leveren van hun software(diensten). Dat is ook van toepassing voor software(diensten) van Microsoft (Perceel6. Binnen deze aanbesteding is het leveren van open-source software(diensten) voorbehouden aan een ander Perceel, Perceel 2. Om te voorkomen dat dit voorbehoud ervoor zorgt dat de software van de softwareleverancier in Perceel 1 niet meer werkt, danwel wordt uitgesloten, omdat deze open source software bevat, is de uitzonderingsgrond toegevoegd dat ook software(diensten) met gerelateerde open source toepassingen in Perceel 1 kunnen worden aangeboden.
De Staat neemt deze oplossingen af via resellers omdat de Staat de software op deze wijze op basis van eenduidige voorwaarden (ARBIT) in kan kopen.
Hoe verhoudt het niet opnemen van technische eisen voor de af te nemen software zich tot artikel 2.75–2.77 van de Aanbestedingswet 2012, nu ook de term «of gelijkwaardig» (2.76, lid 4, subartikel b) ontbreekt?6
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (> 4.000) kunnen leveren. De concrete, technische eisen worden niet in de raamovereenkomst vastgelegd, maar pas bij elke afzonderlijke nadere offerteaanvraag van een deelnemer. Die offerteaanvraag kan:
Waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat, geldt die ook voor de betreffende nadere offerteaanvraag voor standaardprogrammatuur en bijbehorende dienstverlening. Dat kan bijvoorbeeld in de volgende situaties:
Samengevat: de technische specificaties worden per opdracht geformuleerd binnen het raamwerk, en waar de wet uitzonderingen of een lichter regime toelaat, wordt dat op die specifieke nadere offerteaanvraag toegepast.
Zijn de toepasselijke (verplichte of aanbevolen) standaarden van het Forum Standaardisatie uitgevraagd in deze aanbestedingen? Zo nee, waarom niet, en hoe verzekert u dan dat ook gegadigden naast Microsoft en Oracle aan de aanbesteding kunnen voldoen?
Ja, de standaarden van het Forum Standaardisatie zijn uitgevraagd.
Zijn de IT-aanbestedingen gericht op het inkopen van software of het vinden van softwareverkopers? Gaan deze aanbestedingen niet feitelijk over het aangaan van een licentieovereenkomst, waarbij het softwarebedrijf als rechthebbende eenzijdig de voorwaarden bepaalt?
De EAP-aanbestedingen zijn gericht op het contracteren van meerdere resellers (softwareverkopers) die binnen de raamovereenkomst in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (>4.000 softwareproducten) kunnen leveren.
De deelnemers doen binnen de (rijksinkoopvoorwaarden van de) raamovereenkomst bij de gecontracteerde resellers nadere offerteaanvragen die leiden tot het aangaan van licentieovereenkomsten. De licentieovereenkomsten worden echter gesloten onder de voorwaarden van de Rijksoverheid en niet eenzijdig onder voorwaarden van de softwareleverancier.
Zijn Microsoft en Oracle de énige techbedrijven die kunnen voldoen aan de technische en operationele eisen die u stelt in de aanbesteding? Zo ja, bent u het dan met de indieners eens dat de aanbesteding toeschrijft naar Microsoft en Oracle?
Nee, niet alleen Microsoft of Oracle kunnen aan de aanbestedingseisen voldoen.
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe een zeer breed scala aan standaardprogrammatuur (meer dan 4.000 producten) kunnen leveren. De EAP2025-aanbestedingen schrijven daarom niet toe naar Microsoft of Oracle.
Wat bedoelt de Staat met de stelling dat «80 tot 85% van de offerteaanvragen een productgerichte offerteaanvraag [betreft]»? Kan er sprake zijn van een open aanbesteding als het merendeel van offertes om één specifiek product vraagt?
Met «80–85%» wordt gedoeld op het aandeel nadere offerteaanvragen dat productgericht is en middels minicompetities binnen de raamovereenkomsten wordt uitgevraagd. Het doen van productgerichte uitvragen binnen een raamovereenkomst is wettelijk toegestaan in die gevallen waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat. Zie ook de beantwoording op vraag 12.
De aanbesteding is open want deze heeft tot doel meerdere opdrachtnemers te contracteren die in staat zijn om de gevraagde standaard programmatuur te kunnen leveren.
Hoeveel van deze 80 tot 85% van deze productgerichte offerteaanvragen worden uiteindelijk bij Microsoft en Oracle afgenomen? Kunt u dit inzichtelijk maken?
Nee, die informatie kan niet inzichtelijk worden gemaakt, omdat deze informatie niet centraal wordt geregistreerd.
Zorgen deze productgerichte offerteaanvragen ervoor dat het op voorhand vrijwel zeker is dat software van Microsoft en Oracle zal worden gekozen? Zo nee, waarom is er dan gekozen voor productgerichte offerteaanvragen? Zo ja, is het dan terecht om te stellen dat er sprake is van een vendor lock-in?
Nee, een productgerichte offerteaanvraag zorgt ervoor dat door één van de gecontracteerde resellers een specifiek product (standaardprogrammatuur) wordt uitgevraagd en geleverd. Dit kan Microsoft of Oracle betreffen, maar ook andere standaardprogrammatuur.
Voor een productgerichte uitvraag wordt gekozen, omdat er bijvoorbeeld sprake is van uitbreiding van de licenties van een oplossing die reeds in gebruik is. Zie ook de beantwoording van vraag 12.
Een productgerichte uitvraag betekent op zichzelf niet dat sprake is van een vendor lock-in.
Deelt u de analyse van de indiener dat deze mate van productgerichte offerteaanvragen een vendor lock-in van enkele grote techbedrijven in de hand speelt? Zo nee, kunt u onderbouwen dat dit niet het geval is?
Nee, de analyse wordt niet gedeeld.
In de vraag worden oorzaak en gevolg omgedraaid. Immers, het uitgangspunt is dat een deelnemer standaardprogrammatuur functioneel uitvraagt, tenzij op grond van de Aanbestedingswet 2012 voor de concrete opdracht een lichter regime of een uitzondering geldt. In dat geval kan de deelnemer een productgerichte uitvraag doen bij de gecontracteerde reseller.
Een vendor lock-in kan ontstaan ná ingebruikneming van de oplossing met de beste prijs-kwaliteitverhouding. In die situatie kan die afhankelijkheid een grond zijn om bij uitbreidingen of vernieuwing productgericht uit te (moeten) vragen.
Is software van Microsoft en Oracle de enige manier om uw dienstverlening te kunnen handhaven? Zo nee, waarom is dan gekozen voor de productgerichte offerteaanvragen?
Nee, software van Microsoft en Oracle is niet de enige manier om dienstverlening te kunnen handhaven. De vraag of een deelnemer zonder software van bijvoorbeeld Microsoft, Oracle of een andere fabrikant kan, wordt op deelnemer niveau vastgesteld.
Centraal inzicht in overwegingen die ten aanzien van besluitvorming over offerteaanvragen van individuele deelnemers ten grondslag ligt, ontbreekt; die gegevens zijn niet centraal bijgehouden en geregistreerd.
Is dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren, eerder toegepast bij IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid, zoals gesteld wordt in de berichtgeving? Zijn er lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is?
Ja, dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren is eerder toegepast bij uitgevoerde aanbestedingen voor raamovereenkomsten van de Rijksoverheid inzake de levering van standaardprogrammatuur.
Ja, er zijn lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is.
Hoe verhouden deze productgerichte offerteaanvragen bij Microsoft en Oracle zich tot de Aanbestedingswet 2012, artikel 1.10a, in het bijzonder lid 2, namelijk het verbod om opdrachten te ontwerpen «met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen»?7
In dit kader kan worden verwezen naar het antwoord op vraag 18. Overigens zien productgerichte uitvragen niet alleen toe op Microsoft en Oracle. De gronden om productgericht uit te vragen, gelden in gelijke mate voor de softwareproducten (> 4.000) van alle vendors.
Bent u bekend met (in omvang) vergelijkbare aanbestedingen van ICT die op een soortgelijke manier, door het noemen van de merknaam, een of meer Europese leveranciers bevoordelen? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom is dit bij Amerikaanse bedrijven dan wel het geval?
Nee. In dit kader kan verder worden verwezen naar de beantwoording op vraag 10.
De aanbestedingen richten zich niet specifiek op de levering van producten van Amerikaansen vendors, maar op producten (> 4.000) die de deelnemers via de gecontracteerde resellers afnemen.
Kunt u alle relevante stukken die betrokken zijn bij de (voorbereiding van) deze twee IT-aanbestedingen aan de Kamer doen toekomen, inclusief risico-analyses en voorbereidende notities?
Ja, in de bijlagen treft u de relevante aanbestedingsstukken en nota’s van inlichtingen aan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, en toezeggen dat u de IT-aanbestedingen niet doorzet totdat deze juridisch houdbaar zijn en de Kamer volledig is geïnformeerd?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Toegezegd wordt dat de aanbestedingen worden voortgezet nadat op basis van de resultaten van de in- en externe consultaties een besluit is genomen over de (mate van) aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden en de vervolgaanpak. De Kamer zal tegelijkertijd met de markt worden geïnformeerd op de wijze waarop de aanbesteding zal worden hervat.
Het terugkrijgen van belastingrente door belastingplichtigen die te veel hebben betaald in box 3 |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat bezwaarmakers alleen belastingrente kunnen terugkrijgen als zij het OWR-formulier hebben ingediend voor de definitieve aanslag werd vastgesteld?
Dit klopt. Op grond van de huidige fiscale wet- en regelgeving1 vindt geen rentevergoeding plaats in het geval dat een definitieve aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure. De hoofdregel op basis van wetgeving is dat bij rechtsherstel box 3 alleen (belasting)rente vergoed wordt als het formulier Opgaaf werkelijk rendement (formulier OWR) ingediend is voordat de definitieve aanslag is vastgesteld, aan alle overige wettelijke voorwaarden met betrekking tot belastingrentevergoeding is voldaan én dat formulier OWR leidt tot een teruggaaf van belasting.
Klopt het dat de Belastingdienst doelbewust belastingplichtigen heeft geadviseerd om geen actie te ondernemen in afwachting van een brief met nadere informatie, waardoor zij geen recht hebben op terugbetaling inclusief belastingrente?
De Belastingdienst heeft, onder andere per brief, belastingplichtigen geadviseerd om te wachten met indienen van gegevens inzake het werkelijk rendement (hierna: tegenbewijs leveren) tot de beschikbaarheid van het formulier OWR (in juli 2025) en tot het ontvangen van een attentiebrief voor een goed verloop van de hersteloperatie. Dit formulier OWR, waarvan het gebruik door een amendement van uw Kamer op de Wet tegenbewijsregeling box 3 verplicht is gesteld, is namelijk juist ontwikkeld om het rechtsherstel box 3 zo zorgvuldig en uitvoerbaar mogelijk te maken voor de Belastingdienst en de betrokken belastingplichtigen. Het vergoeden van belastingrente was geen overweging bij de communicatie hierover.
In juli 2025 was het formulier OWR klaar voor gebruik en konden belastingplichtigen het tegenbewijs leveren.2 Wegens dreigende verjaring van de aanslagtermijn is de Belastingdienst in een groot aantal gevallen genoodzaakt geweest om de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 vast te stellen, voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren. Het wettelijke gevolg van deze samenloop is dat in deze gevallen geen belastingrente wordt vergoed bij een latere belastingvermindering op grond van het ingediende formulier OWR.
Zo ja, is wat u betreft hier sprake van misleiding of een andere vorm van verwijtbaar handelen aan de kant van de Belastingdienst, aangezien dit burgers bewust in een positie heeft gemanoeuvreerd waarbij zij geen rente meer terugkrijgen naast de ambtshalve vermindering?
Er is geen sprake geweest van een bewuste misleiding of een andere bewuste handeling van de Belastingdienst om ervoor te zorgen dat een groep belastingplichtigen geen (belasting)rente zal krijgen bij hun belastingvermindering wegens het rechtsherstel box 3.
Zo ja, houdt u dan vast aan de aanpak van niet terugbetalen als het om een foutieve handelwijze van de Belastingdienst gaat waarbij belastingplichtigen financieel worden gedupeerd?
In navolging van mijn antwoord bij vraag 3, vind ik de kwalificatie foutieve handelwijze niet terecht. Zoals weergegeven bij vraag 1, geldt voor iedereen, binnen en buiten het rechtsherstel box 3, dat geen belastingrente wordt vergoed bij een vermindering van de aanslag bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure. Met alleen de belastingvermindering wordt passend en voldoende rechtsherstel geboden. Voorts zullen er veel gevallen zijn geweest waarbij ook geen belastingrente zou worden vergoed indien het tegenbewijs direct bij de aangifte geleverd had kunnen worden.
Om wel belastingrente te vergoeden aan de onderhavige groep belastingplichtigen zou de wet gewijzigd moeten worden. Een verruiming van de huidige wettelijke belastingrenteregeling acht ik echter niet wenselijk, omdat een dergelijke verruiming van de situaties waarin belastingrente verschuldigd is op juridische afbakeningsproblemen stuit. Het maken van een uitzondering op de huidige wettelijke regeling voor een grote groep belastingplichtigen, maakt de wettelijke regeling dat geen rentevergoeding plaatsvindt in het geval een eerder vastgestelde aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure juridisch (zeer) kwetsbaar. Daarnaast zou een wetswijziging tijd kosten, waardoor de uitvoering van het rechtsherstel box 3 vertraging zou oplopen. Daardoor zouden belastingplichtigen mogelijk langer moeten wachten op de beoordeling van het formulier OWR en een eventuele teruggaaf van belasting. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat conform de huidige wet geen belastingrente wordt vergoed als het formulier OWR is ontvangen na de definitieve aanslag. Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen, die nog van dekking had moeten worden voorzien.
Uw voorganger schreef in een kamerbrief van 18 december 2025 dat in een aantal gevallen, met name over belastingjaren 2021 en 2022, vanwege dreigende verjaring de definitieve aanslag in de tussenliggende periode is opgelegd. Om hoeveel gevallen gaat het?
Over het belastingjaar 2021 zijn circa 292.000 definitieve aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd en over het belastingjaar 2022 zijn circa 905.000 definitieve aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd.
Bent u het ermee eens dat het komen tot een passend antwoord op deze problematiek niet alleen een kwestie is van «wat juridisch noodzakelijk is», maar ook van wat wenselijk is vanuit de gedachte dat de overheid betrouwbaar en dienstbaar moet zijn?
Ik ben mij ervan bewust dat door de communicatie vanuit de Belastingdienst burgers mogelijk hebben gewacht met het indienen van de opgaaf werkelijk rendement tot het ontvangen van een attentiebrief. Ik ben het met u eens dat daarom ook anders naar het niet vergoeden van belastingrente bij het rechtsherstel box 3 kan worden gekeken. Echter, dit doet niet af aan de redenen, zoals vermeld bij het antwoord op vraag 4, om geen (belasting)rente te vergoeden.
In dezelfde kamerbrief van 18 december 2025 staat dat uw voorganger na een gedegen afweging tot de slotsom is gekomen dat er geen juridische noodzaak bestaat om de wettelijke regels rondom het vergoeden van belastingrente te verruimen. Kunt u dit uitgebreider toelichten? Bent u bereid een andere afweging te maken?
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat bij rechtsherstel box 3 als uitgangspunt geldt dat met alleen de belastingvermindering passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden. Vanuit juridisch oogpunt is het vergoeden van (belasting)rente bij die vermindering derhalve niet noodzakelijk. De enige uitzondering hierop is wanneer op grond van de wet wel belastingrente vergoed dient te worden. Dit is alleen het geval wanneer het formulier OWR is ingediend voordat de definitieve aanslag is vastgesteld (inclusief het voldoen aan andere eerdergenoemde voorwaarden). De weergegeven samenloop van het vaststellen van de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 wegens dreigende verjaring voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren, brengt geen juridische noodzaak met zich om de wettelijke regeling te verruimen. Ik kan mij voorstellen dat deze conclusie niet door iedere individuele belastingplichtige wordt begrepen. Echter, op grond van de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging kom ik, overeenkomstig mijn voorganger, tot de conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen.
Wat zou het budgettaire beslag zijn van het vergoeden van de rente voor niet bezwaarmakers tegen de voorlopige aanslag?
Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen. Deze budgettaire derving had nog van dekking moeten worden voorzien.
Bent u bereid om een brief naar de Kamer te sturen met uitgewerkte opties voor het terugbetalen van belastingrente aan alle belastingplichtigen die te veel belasting hebben betaald in box 3, waarbij u ingaat op thema’s als kosten en rechtsongelijkheid?
Gezien de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging en de daarop gebaseerde conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen, meen ik dat het uitwerken van opties om in meer situaties van rechtsherstel box 3 belastingrente te vergoeden niet de juiste route is.