Het artikel 'Rijksbanen verdwijnen uit de regio' |
|
Glimina Chakor (GL) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u de discrepantie tussen de kabinetsbeloften in het rapport Elke Regio Telt en de huidige prognose die een daling van 5,5 procent Rijksbanen in Groningen voorspelt, terwijl juist meer werkgelegenheid buiten de Randstad gewenst is?1
Ik benadruk allereerst dat het kabinet de aanpak rond «Elke regio telt!» doorzet. Daarover zijn afspraken gemaakt. Het kabinet investeert in structurele samenwerking met de regio; gezamenlijke programma’s zoals het «Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid» en «Elke regio telt!» worden gecontinueerd. Onderdeel hiervan is dat het kabinet de komende jaren stappen zet naar een betere spreiding van rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid over Nederland. Daar spannen alle Ministers zich voor in.
De inschatting zoals verwoord in de Kamerbrief van 25 oktober 2024 dat de rijkswerkgelegenheid in de provincie Groningen na 2025 daalt, is gebaseerd op informatie van de ministeries in het voorjaar van dit jaar. Dit was nog voordat bijvoorbeeld het Hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma van het nieuwe kabinet bekend waren. Zoals in de Kamerbrief gemeld, heb ik ervoor gekozen om de informatie in de brief op te nemen, conform de afspraak met uw Kamer en ter wille van de vergelijkbaarheid met eerdere jaarlijkse Kamerbrieven. Daarbij heb ik de kanttekening geplaatst dat de prognoses een onzekerheidsmarge kennen en naar alle waarschijnlijkheid inmiddels zijn achterhaald. In de Kamerbrief kondig ik aan te zullen onderzoeken hoe de betrouwbaarheid van de prognoses kan worden verbeterd.
De afname van de rijkswerkgelegenheid in de provincie Groningen tot 2028 is grotendeels terug te voeren op een voorziene afname van het aantal medewerkers bij de Nationaal Coördinator Groningen (NCG). De NCG is een publieke dienstverlener met een specifieke, eindige opdracht. De hiermee samenhangende werkgelegenheid is direct gekoppeld aan de voortgang van de versterkingsoperatie. De cijfers worden elke zes maanden geactualiseerd en bijgesteld. De inschatting op basis van informatie in het voorjaar was dat er vanaf 2026 bij de NCG minder werkgelegenheid zou zijn. Inmiddels is dat beeld aangepast. Er wordt nu op basis van de diepteanalyse van de NCG over de haalbaarheid van de afronding van de versterking vanuit gegaan dat in 2026 nog geen reductie plaatsvindt. Ook is duidelijk dat de versterking niet in 2028 afgerond zal zijn. Hoe dit zich voor de NCG in de toekomst ontwikkelt en wat dit betekent voor de werkgelegenheid bij de NCG zal mede afhangen van de besluitvorming over de uitvoering van maatregelen door de NCG en anderen.2
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de verwachte krimp van Rijksbanen in Groningen, in tegenstelling tot de kabinetsdoelstellingen, leidt tot verdere economische achteruitgang in de Noordelijke regio?
De prognose op basis van informatie die door de ministeries is aangeleverd, laat voor de provincie Groningen een ongewenst beeld zien. In het kabinet is bevestigd dat alle Ministers aan zet zijn om tot een betere spreiding van rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid over het land te komen. Dat doen we samen met de regio’s. Daarbij wordt ingezet op rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid die bijdragen aan de kwaliteiten en het ontwikkelprofiel van een regio.
Om de kansen hiervoor inzichtelijk te krijgen, worden momenteel gesprekken gevoerd met onder anderen Commissarissen van de Koning en burgemeesters. Op basis van de vergaarde informatie kan te zijner tijd een goede match tussen rijksdienst en regio worden gemaakt, als een casus zich voordoet voor hervestiging van een bestaande rijksdienst, als eventueel een nieuwe dienst wordt opgericht of als een bestaande dienst sterk uitbreidt.
Wat is de reden achter de hoge concentratie van nieuwe Rijksbanen in de Randstad, ondanks het beleid om werkgelegenheid eerlijker over het land te spreiden?
De cijfers in de Kamerbrief van 25 oktober 2024 laten de ontwikkelingen in 2023 zien. Uit de analyse blijkt dat de groei van rijkswerkgelegenheid vooral in de Randstad plaatsvond, voor een belangrijk deel bij ministeries in Den Haag. Met name de Ministeries van BZK, Financiën, JenV, EZK en Defensie zijn gegroeid; dit is te herleiden tot beleidsbeslissingen van het kabinet. Andere ministeries groeiden minder hard. Bij twee ministeries was er sprake van minder medewerkers in Den Haag.
Jarenlang gaf bij de Rijksoverheid vooral efficiency en kostenbesparing de doorslag, vanuit een Randstedelijk perspectief, met genoemde concentratie in de Randstad tot gevolg. Zoals ik in de Kamerbrief naar voren breng, zijn er ook andere belangen, zoals de aanwezigheid van het Rijk in de regio, nabijheid en zichtbaarheid van het Rijk voor de inwoners van de regio. Juist daarom is eerder dit jaar een nieuwe aanpak vormgegeven, die op 16 mei jl. in het commissiedebat Regio’s en grensoverschrijdende samenwerking is besproken en middels de Kamerbrief van 25 oktober 2024 door het kabinet is herbevestigd aan uw Kamer. Tegelijkertijd zal het niet zo zijn dat de spreiding er snel anders uitziet. Het toewerken naar een betere spreiding van rijksdiensten over het land is een langdurig proces.
Kunt u inzicht geven in de effectiviteit van de Rijkshubs in Assen en Groningen om de afname van Rijksbanen in het Noorden te compenseren en hoeveel nieuwe functies zijn hieraan gekoppeld?
Het Rijksontmoetingsplein Assen (voorheen spraken we over de rijkshub) is eind vorig jaar geopend en beschikt, naast vergaderruimten en andere algemene ruimten, over meer dan 110 werkplekken waar rijksmedewerkers uit de omgeving en rijksmedewerkers die juist in de omgeving moeten zijn, kunnen ontmoeten, overleggen en bureauwerkzaamheden verrichten. Het rijksontmoetingsplein fungeert ook als voorziening voor medewerkers om te kunnen werken nabij de eigen woning, zodat een reis naar de standplaats niet altijd nodig is. Daarmee stelt het rijksontmoetingsplein medewerkers in staat om het werken bij de Rijksoverheid elders in het land te combineren met het (blijven) wonen in Noord-Nederland.
In de praktijk zien we dat het Rijksontmoetingsplein Assen veelvuldig wordt gebruikt door zowel rijksmedewerkers als regionale ketenpartners van de Rijksoverheid (in het bijzonder medewerkers van de provincie en Drentse gemeenten). Dit bevordert het grenzeloos samenwerken, waarbij maatschappelijke opgaven centraal staan en we over de grenzen heen van ministeries, uitvoeringsorganisaties en bestuurslagen samenwerken met maatschappelijke organisaties.
De directe werkgelegenheid die een rijksontmoetingsplein met zich meebrengt, ligt vooral op het terrein van de bedrijfsvoering (bewaking, catering, schoonmaak en beheer). Het aantal extra banen is afhankelijk van de omvang van de voorziening en het gebruik van de voorziening zelf. Naast het effect op de lokale economie, draagt het Rijksontmoetingsplein Assen, dat op een centrale plek in de stad is gelegen direct naast het NS-station, bij aan zichtbaarheid van de Rijksoverheid in de regio.
In de komende jaren worden fasegewijs rijksontmoetingsvoorzieningen gerealiseerd in Groningen. Zie ook het antwoord bij vraag 8.
Hoe gaat u zorgen dat de regio’s buiten de Randstad, waaronder het Noorden, niet worden vergeten? Wat is uw plan als de huidige decentralisatieplannen niet de gewenste resultaten opleveren?
Het kabinet streeft naar een betere spreiding van rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid over het land. De op 8 mei jl. vastgestelde aanpak heeft als uitgangspunt dat eventuele groei van rijkswerkgelegenheid in beginsel plaatsheeft in regio’s buiten de Randstad, waaronder Noord-Nederland, en krimp in beginsel in de Randstad. Bij het maken van beleid moet het accent niet alleen liggen op de doelmatigheid van de Rijksoverheid, maar ook op de maatschappelijke impact voor inwoners, samenleving en leefomgeving in alle delen van Nederland, met oog voor de regionale verschillen en context van regio’s. Bij locatiekeuzes zal het belang van een rijksdienst voor de regio een grotere rol spelen. Het kabinet gaat in kaart brengen wat regio’s willen, wat zij kunnen bieden en wat zij – nu en in de toekomst – nodig hebben.
Iedere Minister is zelf verantwoordelijk voor de spreiding van zijn of haar organisatie. Als Minister van BZK geef ik advies over locaties voor nieuwe rijksdiensten, bij forse uitbreiding van rijkswerkgelegenheid of bij hervestiging. In het advies breng ik de mogelijkheden in kaart voor samenwerking tussen ministeries en regio’s. De nieuwe aanpak moet wel even de tijd krijgen om zich te bewijzen; vastgoedontwikkelingen en huisvestingsbewegingen kosten nou eenmaal tijd. We zullen moeten omdenken om rijkswerkgelegenheid terug naar de regio te brengen en het goede voorbeeld te geven.
Deelt u de opvatting dat door de forse bezuinigingen op het ambtelijk apparaat nog meer werkgelegenheid in de regio’s verdwijnt? Zo nee, waarom niet?
Dat kan ik op voorhand niet zeggen. Ministers werken hiervoor nu de plannen uit. Het uitgangspunt daarbij is dat bij krimp van een organisatie dit in beginsel in de Randstad gebeurt.
Ministers zijn zelf verantwoordelijk om de spreiding van hun organisatie te verbeteren. Ik zal daarbij invulling geven aan mijn coördinerende en adviserende rol. Alle afzonderlijke besluiten samen moeten leiden tot een uitkomst die recht doet aan de doelstellingen van het kabinet ten aanzien van maatschappelijke ontwikkelingen in het land en de manier waarop de taken van de Rijksoverheid zich tot de regio verhouden. Daarnaast heb ik een verantwoordelijkheid voor de efficiency van de bedrijfsvoering en huisvesting van de Rijksdienst als geheel, en zal ik in mijn adviserende rol ook hiermee rekening houden.
Kunt u aangeven of er al gesproken is over een nieuw spreidingsbeleid dat is voorgesteld door de commissarissen van de Koning, zo vragen provincies en gemeenten in het Noorden al langer om rijksdiensten, en of u positief staat tegenover een spreidingsbeleid? Zo nee, waarom niet?
In de Kamerbrief van 25 oktober 2024 is toegelicht dat het kabinet streeft naar een betere spreiding van rijksdiensten over het land. Om de kansen hiervoor inzichtelijk te krijgen, worden momenteel gesprekken gevoerd met onder anderen Commissarissen van de Koning en burgemeesters. Daar ben ik vanuit een strategische en lange termijn invalshoek mee bezig. Op basis van de informatie en profielen van provincies kan een goede match tussen rijksdienst en regio worden gemaakt, als een casus zich voordoet voor hervestiging van een bestaande rijksdienst, als eventueel een nieuwe dienst wordt opgericht of als een bestaande dienst sterk uitbreidt.
Met de commissaris van de Koning in Drenthe is het gesprek intensief, mede in verband met de ontwikkelingen rond de Defensiekazernes in haar provincie.
In aanvulling op de antwoorden bij de vragen 4 en 8 over rijksontmoetingspleinen, vinden ook andere grote investeringen in rijkskantoren in Noord-Nederland plaats, zoals in de rijkskantorencomplexen Kempkensberg in Groningen en Mandemaat in Assen.
Kunt u aangeven wanneer het rijksontmoetingsplein gerealiseerd zal worden in Groningen?
In de komende jaren worden fasegewijs rijksontmoetingsvoorzieningen gerealiseerd in de stad Groningen. In 2025 wordt op de locatie Cascadeplein, waar momenteel meerdere rijksdiensten zijn gehuisvest, een dergelijke voorziening in gebruik genomen. Daarnaast wordt een rijksontmoetingsplein gerealiseerd als onderdeel van de uitbreiding van het rijkskantoor Kempkensberg, zoals nu voorzien in 2031.
Mohammed B. die een boek heeft geschreven in de gevangenis. |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Directeur gevangenis stuurde religieus boek Mohammed B. per koerier naar Ministers en Kamerleden: «Zeer opmerkelijke gang van zaken»»1?
Ja.
Wat vindt u ervan dat de directeur van een penitentiaire inrichting een boek van een gedetineerde per koerier laat bezorgen?
Gedetineerden hebben op grond van artikel 36 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna Pbw) het recht om brieven en poststukken te verzenden en te ontvangen. Dit geldt in het bijzonder voor poststukken gericht aan, of afkomstig van, geprivilegieerde contacten zoals advocaten, bewindspersonen en Kamerleden. Poststukken aan, of van, deze personen of instanties mogen niet worden geweigerd. Om bezorging te garanderen aan de geprivilegieerde contactpersonen kunnen diverse vormen van aangetekende post worden gebruikt.
Is het gebruikelijk dat poststukken van gedetineerden per koerier worden verstuurd?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen voldoende scherp dat Mohammed B. een wereldwijde inspiratiebron is voor jihadisten?
Ik ga niet in op individuele gevallen.
Waarom is de Dienst Justitiële Inrichtingen kennelijk van mening dat gelovige geschriften van jihadisten en terroristen geen verborgen boodschappen kunnen bevatten?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) deelt de voorgehouden mening niet. DJI spant zich maximaal in om te voorkomen dat gedetineerden vanuit de gevangenis doorgaan met criminele activiteiten of radicaal gedachtengoed verspreiden Zo worden verdachten van, of veroordeelden voor een terroristisch misdrijf geconcentreerd geplaatst op een Terroristenafdeling (TA). Deze gedetineerden worden in kleine groepen (gecompartimenteerd) geplaatst met intensieve monitoring waarbij alle contacten worden gescreend, alle telefoongesprekken worden opgenomen en uitgeluisterd en bezoek alleen plaats vindt onder toezicht.2
DJI maakt daarbij gebruik van wetenschappelijke inzichten en technologische innovaties. Zo is DJI bezig met de ontwikkeling van de detentie intelligence unit (DIU) waar signalen die wijzen op voorgezet crimineel handelen vanuit detentie of het verspreiden van radicaal gedachtengoed diepgaand worden geanalyseerd en indien nodig gedeeld met relevante partijen.
Op welke wijze worden teksten van gedetineerden in een Terroristen Afdeling gecontroleerd?
Toezichtmaatregelen op een TA zijn gericht op het voorkomen van het plegen van terroristische misdrijven en van radicalisering en wervingsactiviteiten van andere gedetineerden. Met deze maatregelen is het mogelijk om gedetineerden te monitoren en waar nodig te interveniëren.
Alle contacten die de TA-gedetineerde heeft worden gescreend en gemonitord met uitzondering van geprivilegieerde contacten. Poststukken van geprivilegieerde contacten worden op de Terroristenafdeling (TA) altijd gecontroleerd op de aanwezigheid van verboden voorwerpen.
Alle ingaande en uitgaande correspondentie van een gedetineerde op een TA, behoudens geprivilegieerde contacten, worden indien nodig vertaald en onder meer gecontroleerd op het oproepen tot haat en/of tot onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden en andersgelovigen. Post kan vervolgens geweigerd worden met oog op de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting en ter bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid.
Begrijpt u dat het hoogst opmerkelijk is dat van de meest bekende terrorist van Nederland, een handgeschreven boek per koerier wordt verstuurd door de Dienst Justitiële Inrichtingen?
Ik ga niet in op individuele gevallen. In het antwoord op de vragen 2 en 3 heb ik aangegeven wat de regels zijn omtrent het versturen van poststukken.
Het (niet) openbaar maken van zakelijke belangen. |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Folkert Idsinga (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beschikt over aandelenbelangen in beursgenoteerde bedrijven en dat tijdens de kabinetsformatie de formateur en beoogd Minister-President toestemming hebben gegeven voor het besluit om deze niet openbaar te maken?1
In de bijlage bij zijn eindverslag van 1 juli jl. heeft de formateur de Kamer geïnformeerd over de gesprekken die hij voerde met de beoogde bewindslieden van het kabinet. De openbare weerslag van die gesprekken – ook ten aanzien van de regelingen die zijn getroffen ten aanzien van zakelijke en andere belangen van Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst- is weergegeven in diezelfde bijlage. Over de inhoud van de gesprekken zijn en worden overigens geen mededelingen naar buiten gedaan.
Voorde goede orde zij vermeld dat alle bewindspersonen van dit kabinet bij hun aantreden conform de vaststaande regels hun financiële en zakelijke belangen hebben gemeld en waar nodig op afstand gezet. Deze regels zijn helder en vooraf vastgesteld, juist om eventuele belangenverstrengeling te voorkomen maar ook om de privacy van individuele bewindspersonen te waarborgen. De Minister-President ondersteunt deze lijn volledig en daarmee ook de positie van de Staatssecretaris. (Zie Kamerstukken II 2002/03 28 754, nr. 1 evenals Gedragscode integriteit bewindspersonen).
Bent u van mening dat bewindspersonen hun zakelijke of financiële belangen openbaar moeten maken, zeker waar de schijn van belangenverstrengeling kan ontstaan en zoals door de Kamer is uitgesproken in de motie-Sneller?2
Zoals uiteengezet in de reactie van het kabinet op de hiervoor genoemde motie (Kamerstukken II 2020/21, 35 925 III, nr. 12) is het aan de aangezochte bewindspersoon om te wegen, gelet op de zakelijke en financiële belangen en de te treffen voorziening, of de namen van de betrokken vennootschappen openbaar gemeld kunnen worden. De formateur kan in zijn gesprek met de aangezochte bewindspersoon kennis nemen van deze weging en deze zo nodig aan de orde stellen in het gesprek.
Op welke wijze en door wie wordt beoordeeld of het mogelijk is om de namen van betrokken vennootschappen openbaar te maken, welke adviezen zijn hierbij ingewonnen en op welke wijze kan hier controle op plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer zijn zakelijke of financiële belangen een privéaangelegenheid en wanneer niet?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat enkel met het op afstand plaatsen het risico op belangenverstrengeling niet is weggenomen, aangezien bewindspersonen tijdens hun ambtsperiode nog altijd besluiten kunnen nemen die de waarde van hun aandelenportefeuille kunnen beïnvloeden?
In zijn algemeenheid kunnen kabinetsbesluiten ook gevolgen hebben voor leden van het kabinet. Maar in het geval dat het gaat om uitoefening van taken ten aanzien van een aangelegenheid waarbij een bewindspersoon persoonlijk en direct betrokken kan zijn, is hij of zij op grond van de Vervangingsregeling gehouden zich te laten vervangen door een in de regeling aangewezen andere bewindspersoon. Hiermee is het gesignaleerde risico ondervangen. Ook in die gevallen waarin het om belangen in specifieke vennootschappen gaat.
Deelt u de mening dat deze kwetsbaarheid extra optreedt, indien het om aandelen in specifieke vennootschappen gaat?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op de bevindingen van emeritus hoogleraar Huberts: «De eigen zakelijke belangen kunnen namelijk – «bewust of onbewust, bedoeld of onbedoeld» – van invloed zijn op de besluitvorming.» en «De afweging wat er wel en wat er niet openbaar moet worden zou niet bij de bewindspersoon zelf moeten liggen»?
De toenmalige Minister van BZK heeft de Kamer op 17 oktober 2023 geïnformeerd met een kabinetsreactie op deze en andere constateringen van GRECO in zijn zogenoemde Tweede nalevingsverslag. Het kabinet vermeldde daarin onder meer van mening te zijn dat voorop staat dat het de verantwoordelijkheid van de bewindspersoon zelf is om hierin initiatief te nemen. Dit sluit aan bij het volgende. De Raad van State heeft in november 2022 op verzoek van de Minister van BZK voorlichting uitgebracht over de vraag in hoeverre het binnen de constitutionele grenzen van de ministeriële verantwoordelijkheid mogelijk is om een intern- of extern toezichts- en handhavingsmogelijkheid op te nemen voor integriteitsregels voor bewindspersonen. De Raad van State stelde in de voorlichting dat een extern sanctioneringsmechanisme indruist tegen de autonomie van het parlement om op basis van de vertrouwensregel zelfstandig een oordeel te vellen over een bewindspersoon. De Kamer is in december 2022 geïnformeerd dat het kabinet de voorlichting van de Raad van State opvolgt en geen extern sanctioneringsmechanisme instelt.
Wat is uw reactie op de conclusie van GRECO dat aanbeveling VII uit het rapport over «Voorkoming van corruptie en bevordering van integriteit binnen centrale overheden (hoogste bestuurlijke functies) en rechtshandhavingsinstanties» nog niet is opgevolgd als het aankomt op transparantie en publieke controle op financiële belangen, waar GRECO in het bijzonder wijst op het manco dat de verantwoordelijkheid voornamelijk ligt bij de bewindspersonen zelf, van wie verwacht wordt dat zij problematische belangen achterhalen?3
Zie antwoord vraag 7.
Hoe verhoudt dit zich tot de ambitie zoals geformuleerd in het regeerprogramma om de aanbevelingen van GRECO ten aanzien van transparantie en corruptie over te nemen?
Het kabinet geeft hieraan onder meer invulling met de invoering van het Wetsvoorstel vervolgfuncties bewindspersonen en met de beschikbaarstelling van middelen hiervoor.
Op welke wijze is de vertrouwenspersoon voor bewindspersonen betrokken bij de afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit om de financiële belangen niet openbaar te maken?
Een vertrouwenspersoon is geen toezichthouder maar staat op verzoek en in vertrouwen ten dienste aan individuele bewindslieden. Bij de formatie is hij niet betrokken.
Bent u van mening dat het beter zou zijn als een derde de afweging maakt of er een dragende motivering bestaat voor het niet openbaar maken van de financiële belangen?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8.
Op welke wijze is de premier voornemens het integriteitsbeleid voor (kandidaat-)bewindspersonen verder aan te scherpen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Het artikel 'Overheid verzaakt plicht om transparant te zijn: ’U wilt die informatie zeker niet meer hè?’' |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat vanuit ministeries wordt gepoogd om informatieaanvragen te laten vervallen?1
Ministeries worden aangemoedigd om steeds meer en sneller inhoudelijk contact op te nemen met verzoekers om in gesprek te gaan over de informatiebehoefte van de verzoeker, de samenwerking en de gewenste wijze van afhandeling. Tijdens dit contact moet vanuit een dienstbaarheidsbeginsel worden gewerkt vanuit overheidsorganisaties. Bij «gedateerde verzoeken», waarbij langere tijd geen contact heeft plaatsgevonden tussen verzoeker en overheidsorganisatie, kan het voorkomen dat het bestuursorgaan bij een verzoeker nagaat of hij nog steeds behoefte heeft aan de eerdere opgevraagde informatie. Het is hierbij wel van belang dat de informatiebehoefte van de verzoeker leidend is en er niet wordt gestuurd op het laten vervallen van informatieverzoeken.
Hoeveel procent van alle verzoeken onder de Wet open overheid (Woo) wordt binnen de daarvoor gestelde termijn afgehandeld?
In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) wordt jaarlijks gerapporteerd over de afhandeling van Woo-verzoeken door ministeries.2 Hieruit blijkt dat in 2023 39,6% van de afgehandelde Woo-verzoeken binnen de wettelijke of afgesproken termijn plaatsvond. De koepels van de medeoverheden (IPO, VNG en UvW) hebben een eigen monitor waarin gerapporteerd wordt over de afhandeling van Woo-verzoeken bij medeoverheden.3
Wat is het totaal van het aan dwangsommen betaalde bedrag vanwege te laat beantwoorde Woo-verzoeken?
Het bedrag aan verbeurde dwangsommen wegens het niet tijdig afhandelen van Woo-verzoeken bij de ministeries was in 2023 € 2.085.458.4
Welke extra inzet is er gepleegd om de wachtrij aan Woo-verzoeken weg te werken?
Sinds de inwerkingtreding van de Woo is met veel energie, inzet en middelen gewerkt aan de implementatie van de wet. Bij veel overheidsorganisaties lopen er momenteel initiatieven en programma’s ter verbetering van de informatiehuishouding en de afhandelingsprocessen van Woo-verzoeken. Ook is bij (rijks)organisaties de personele capaciteit die zich specifiek bezighoudt met de afhandeling van Woo-verzoeken uitgebreid en wordt er ingezet op nieuwe software.
Helaas moeten we constateren dat, ondanks forse investeringen in personeel en middelen, het bestuursorganen bij een substantieel deel van de Woo-verzoeken niet lukt om deze binnen de wettelijke termijnen af te handelen. In de kabinetsreactie op de Woo-invoeringstoets zijn daarom nadere maatregelen aangekondigd om de uitvoering en de uitvoerbaarheid van de Woo te verbeteren. Het gaat hierbij onder andere om het optimaliseren van de afhandelingsprocessen, meer contact en samenwerking tussen bestuursorgaan en verzoeker, meer actieve openbaarmaking en een onderzoek naar de uitvoeringslast, kosten en de (benodigde) capaciteit voor de afhandeling van Woo-verzoeken.5
Welke doelstelling stelt u zich als het gaat om het wegwerken van achterstallige Woo-verzoeken?
Het kabinet wil de komende periode met de genomen maatregelen stapsgewijs toewerken naar het afhandelen van meer verzoeken binnen daarvoor gestelde termijn van 4+2 weken. Daarbij is een eerste doelstelling om op zo’n kort mogelijke termijn te voldoen aan de motie Palmen, waarin wordt opgeroepen om minimaal de helft van de jaarlijkse Woo-verzoeken aan het rijk binnen de wettelijke termijn af te handelen.6 Naar verwachting zal dit over het lopende jaar nog niet lukken, maar met de aangekondigde maatregelen in de kabinetsreactie op de Woo-invoeringstoets is de inzet om dit in 2025 te behalen.
Daarnaast blijft er een substantieel deel Woo-verzoeken die zo omvangrijk en complex zijn waardoor deze simpelweg niet binnen de afhandelingstermijnen kunnen worden beantwoord. Met name bij dergelijke verzoeken is het extra van belang in te zetten op beter contact en meer samenwerking en hierover goede afspraken te maken.7 Op deze wijze kunnen ook verzoeken waarbij het niet mogelijk is om deze binnen de voorgeschreven termijn van 4+2 weken te beantwoorden alsnog naar tevredenheid van zowel verzoeker als overheidsorganisatie worden afgehandeld. Het is daarom van belang om niet alleen naar de afhandelingspercentages te kijken.
Bent u van mening dat het niet aan een ministerie is om de relevantie van een Woo-verzoek te beoordelen?
Ja, het is niet aan een ministerie of een andere overheidsorganisatie om de relevantie van een Woo-verzoek te beoordelen.
Op welke wijze kan het feit dat een Woo-verzoek «gevoelig» ligt het proces van beantwoording vertragen?
Het feit dat een Woo-verzoek betrekking heeft op «gevoelige» informatie kan er in de praktijk voor zorgen dat er meer afstemming vereist is dan bij andere verzoeken. Dit is echter geen gegronde reden om een verzoek buiten de wettelijke termijn af te handelen.
Wat is de voortgang op het proactief openbaar maken van informatie, waarmee Woo-verzoeken kunnen worden voorkomen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 9 van het lid Palmen blijkt uit een trendanalyse dat de hoeveelheid openbaar gemaakte informatie toeneemt.8 Dit zal de komende jaren alleen maar verder stijgen, doordat de verplichte actieve openbaarmaking van de zeventien informatiecategorieën gefaseerd in zal gaan.9 Eind juni is hiervoor een indicatieve planning met uw Kamer gedeeld met het uitgangspunt om de verplichting zo snel mogelijk in te laten gaan.10 Op 1 november jl. is hiertoe de verplichting tot openbaarmaking van de eerste tranche categorieën van kracht geworden. Hierdoor moeten bestuursorganen de eerste vijf informatiecategorieën (wetten en algemeen verbindende voorschriften, overige besluiten van algemene strekking, informatie over organisatie en werkwijze, bereikbaarheidsgegevens, en vergaderstukken en -verslagen van de Staten-Generaal) actief openbaar maken en een verwijzing opnemen op de centrale vindplaats.11
Tevens gaat BZK de komende tijd aan de slag om meer invulling te geven aan de geldende inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking (artikel 3.1 van de Woo).12 Hiermee moet het voor de samenleving duidelijker worden wat op dit punt van de overheid verwacht kan worden. Voor bestuursorganen moet dit beleid helderheid geven over wat er onder de inspanningsverplichting verstaan wordt en hoe zij hiermee aan de slag kunnen. Hierbij is het van belang om in te spelen op de informatiebehoeften van de samenleving.
Welke acties zet u in werking om de informatiehuishouding op orde te brengen?
Om de informatiehuishouding te verbeteren wordt uitvoering gegeven aan het Meerjarenplan Openbaarheid en Informatiehuishouding (MJP).13 Er wordt onder andere ingezet op betere naleving en uitvoering van de (nieuwe) Archiefwet, meer uniformiteit in het selectiebeleid (keuzes in het bewaren en vernietigen van informatie) en de ontwikkeling van een rijksbrede «werkomgeving van de toekomst». Op basis van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst14 zullen specifieke kaders worden vastgesteld op het gebied van informatiehuishouding en openbaarmaking. Ook zullen de komende periode nader beleid, werkprocessen en faciliteiten worden ontwikkeld voor het archiveren van e-mail, chat- en sociale mediaberichten en concepten.
Jaarlijks voeren rijksorganisaties een volwassenheidsmeting rondom de staat van de informatiehuishouding. De resultaten van de volwassenheidsmeting zijn sinds 2023 ook voor iedereen zichtbaar op het Rijks ICT-dashboard.15
Het verbeteren van de informatiehuishouding betreft een complexe samenwerking tussen enerzijds de stelselverantwoordelijkheid van BZK en anderzijds de eigenstandige verantwoordelijkheden van rijksorganisaties. BZK trekt hierin ook op met de koepels van de medeoverheden om zoveel mogelijk te werken vanuit één overheidsgedachte. Dit moet leiden tot een versterkte interbestuurlijke samenwerking op het gebied van informatiehuishouding en openbaarheid.
Het bericht ‘Helft stichtingen ondervindt problemen met de bank: ‘Het systeem is doorgeslagen’’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het systeem van screening van klanten en transacties op verdachte praktijken is doorgeslagen voor de ongeveer 360 duizend verenigingen en stichtingen die actief zijn, zoals de directeur van Goede Doelen Nederland in het artikel uit de Volkskrant stelt op basis van de in dit artikel genoemde enquête met de uitkomst dat 52 procent van de maatschappelijke organisaties problemen met banken ondervindt en dat een op de vijf constant of regelmatig problemen ondervindt?1
Het betalingsverkeer moet voor iedereen toegankelijk zijn. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het financieel stelsel wordt misbruikt door kwaadwillenden. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) verwacht van poortwachters, waaronder banken, dat zij cliëntenonderzoek doen. Ik herken de beschreven problematiek. Ook ik krijg regelmatig signalen dat aan klanten onnodige vragen worden gesteld en zodoende veel te veel last hebben van het klantonderzoek door banken. Het is van essentieel belang dat klanten geen onnodige lasten ervaren en dat banken alleen vragen stellen en klantonderzoek doen in lijn met de risicogebaseerde aanpak. De Wwft bepaalt dat het onderzoek van poortwachters risicogebaseerd moet zijn. Dit betekent dat de intensiteit van het onderzoek in lijn moet zijn met de risico’s: zijn de risico’s op witwassen of financieren van terrorisme hoog, dan zal het onderzoek diepgaander moeten zijn dan als de risico’s laag zijn.
De risicogebaseerde aanpak van banken moet beter. De Wwft biedt die ruimte. Dit is ook vastgesteld in een rapport van De Nederlandsche Bank (DNB) in 2022, de toezichthouder op de naleving van de Wwft door banken.2Banken doen ook nu soms nog steeds meer dan de Wwft vereist en stellen in sommige gevallen ook vragen die de Wwft niet voorschrijft. De huidige aanpak leidt daardoor tot onnodige lasten. Ik vind het daarom van essentieel belang dat banken blijven inzetten op het verbeteren van hun risicogebaseerde aanpak, om onnodige problemen en uitsluiting te voorkomen. Ik begrijp dat het voor banken soms nog moeilijk is om risicogebaseerd te werk te gaan. Ik vraag hiervoor dan ook aandacht van toezichthouder de Nederlandsche Bank (DNB). DNB spreekt hierover met de banken. Begin 2025 stuur ik uw Kamer, met de Minister van Justitie en Veiligheid, de uitwerking van het regeerprogramma op het terrein van het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering. Een proportionele, risicogebaseerde uitvoering van de Wwft zal ik hierin ook nadrukkelijk meenemen.
Bent u het ermee eens dat vrijwilligers die in het algemeen belang een steentje bij willen dragen aan de gemeenschap, moeten worden gestimuleerd door te overheid in plaats van gefrustreerd?
Ja, het maatschappelijk middenveld levert een belangrijke bijdrage aan onze samenleving. Vrijwillige inzet is van belang voor een sociale basis en samenhang in onze samenleving en zorgt er ook voor dat mensen een plek hebben om te participeren en ergens bij te horen. Net als voor ieder ander die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer kan dit betekenen dat vrijwilligers of stichtingen en verenigingen aan cliëntenonderzoek door poortwachters worden onderworpen. Ook het maatschappelijk middenveld kan immers worden misbruikt voor criminele doeleinden, zoals witwassen. De poortwachtersrol is er om dit risico te verkleinen. Daarbij is het wel van belang dat de poortwachtersrol risicogebaseerd wordt uitgevoerd.
Kunt u aangeven in hoeverre deze problemen uitvloeisels zijn van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen?
De in het artikel genoemde problemen zijn geen uitvloeisel van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR). De WBTR is op 1 juli 2021 in werking getreden en voorziet in maatregelen om de kwaliteit van bestuur en intern toezicht bij verenigingen en stichtingen te verbeteren. De WBTR bevat geen bepalingen of verplichtingen over extern toezicht op verenigingen en stichtingen door bijvoorbeeld banken of DNB.
Kunt u aangeven waarom de problemen bij het openen van een rekening nog steeds in dezelfde mate spelen, ondanks de afgesproken «sectorstandaard» of waarom daarmee niet wordt gewerkt, zoals blijkt uit de praktijk waarin kleine organisaties contanten of eigen rekeningen gebruiken als oplossing voor het openen van een rekening?
DNB pleit in het eerder genoemde rapport voor een meer risicogebaseerde aanpak van de Wwft door banken. Ik sluit me daar volledig bij aan; klanten moeten geen onnodige vragen meer krijgen. Naar aanleiding van het DNB-rapport zijn banken in gesprek gegaan met verschillende sectoren. Tijdens deze gesprekken is gekeken hoe het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering beter en gerichter kan, zodat de aandacht van de banken zich richt op waar de risico’s het grootst zijn. Naar aanleiding van deze gesprekken zijn er door de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) verschillende standaarden opgesteld die banken uitgangspunten bieden voor het risicogebaseerder toepassen van de open normen uit de Wwft. De NVB heeft desgevraagd aangegeven dat er door banken momenteel gewerkt wordt aan de implementatie van de standaard voor de «not-for-profit» (NPO) sector. Sommige banken zijn hierin verder dan andere banken. De NVB heeft desgevraagd aangegeven dat het effect van de standaarden reeds ingezet moet zijn en dat de eerste banken al gevorderd zijn met implementatie, maar er moet in sommige gevallen nog veel gedaan worden. De NVB heeft desgevraagd aangegeven met de banken in te blijven zetten op verdere verbetering. De resultaten uit de enquête in het artikel moeten dan ook gezien worden als een nulmeting. Een volgende meting zal plaatsvinden wanneer de banken verder zijn met implementatie.
In het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB)3 wordt de voortgang van de standaarden besproken. Ik vind het belangrijk dat banken deze standaarden volledig implementeren. Ik blijf dat ook benadrukken in het MOB. Nu de NVB heeft aangegeven dat dit tot minder onnodige lasten bij de klant moet leiden, is het van belang dat de banken hier werk van maken. Daarnaast houdt DNB toezicht op de risicogebaseerde aanpak van banken. DNB heeft desgevraagd aangegeven ook gesprekken te voeren met individuele banken over een juiste toepassing van de risicogebaseerde aanpak. Ik ben zelf ook met DNB doorlopend in gesprek over de antiwitwasaanpak en de verbeteringen die nodig zijn bij banken. Ik blijf hier de komende tijd verder op inzetten en zal hier verder op ingaan in de uitwerking van het regeerprogramma.
Kunt u aangeven welke acties u gaat ondernemen om ervoor te zorgen dat de afgesproken standaard wel gaat worden toegepast en op welke termijn stichtingen en verenigingen hiervan voordeel gaan ondervinden?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om met banken in gesprek te gaan om de bankkosten die met name voor kleine verenigingen in de loop der jaren tot absurde hoogten zijn gestegen, te verlagen?
Ik ga in het MOB de vraag bij banken neerleggen om te kijken naar de tarieven die zij in rekening brengen bij klanten, waaronder het maatschappelijk middenveld, als gevolg van de Wwft. De tarieven die de bank rekent voor het aanhouden van een betaalrekening moeten proportioneel en uitlegbaar zijn. Dit betekent dat het tarief in verhouding moet staan tot de diensten die de bank verleent. Daarnaast moet de bank kunnen uitleggen waarom deze bepaalde kosten in rekening brengt en daar transparant over zijn.
Een bank heeft contractsvrijheid, wat betekent dat de bank zelf beslist of de bank een zakelijke relatie met een klant aangaat en welke tarieven hiervoor in rekening worden gebracht. Contractsvrijheid is echter niet onbegrensd. De vrijheid wordt bijvoorbeeld beperkt door de bijzondere zorgplicht die banken in het maatschappelijk verkeer vervullen. In het huidige tijdperk is het hebben van een betaalrekening noodzakelijk om aan het maatschappelijk verkeer te kunnen deelnemen en activiteiten te kunnen ontplooien, ook voor het maatschappelijk middenveld. Het cliëntenonderzoek kan, afhankelijk van de complexiteit van de entiteit en het witwasrisico dat deze entiteit mogelijk oplevert, veel tijd in beslag nemen. Een bank maakt hier kosten voor. Het is voorstelbaar dat deze deels doorberekend worden aan de klant, zoals dat ook het geval is bij andere kosten die de bank maakt bij het aanbieden van dienstverlening. Het is ook hierbij van belang dat banken zich bewust zijn van de rol die zij spelen in het betalingsverkeer. Het betalingsverkeer moet immers voor iedereen toegankelijk zijn.
Gerechtelijke dwalingen |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zaak van Berry de R.?1
Ja
Wat vindt u ervan dat iemand aantoonbaar onschuldig is veroordeeld en onschuldig heeft vastgezeten door toedoen van het vermeende slachtoffer?
Het is zeer te betreuren als blijkt dat iemand ten onrechte is veroordeeld voor een feit dat hij of zij niet heeft gepleegd, waarvoor de gewezen verdachte ook nog een gevangenisstraf heeft moeten ondergaan. Iedere onterechte veroordeling is er wat mij betreft een te veel. Onterechte veroordelingen hebben niet alleen zeer ingrijpende gevolgen voor de direct betrokken personen, maar zijn ook schadelijk voor het vertrouwen van burgers in de rechtsbescherming die een rechtsstaat aan zijn burgers wordt geacht te bieden.
Hoe veel rechtelijke dwalingen hebben er totaal in Nederland plaatsgevonden volgens de cijfers van de rechtspraak en het Openbaar Ministerie?
Gerechtelijke dwalingen worden niet specifiek geregistreerd in de systemen van Rechtspraak en het OM. Sinds de negentiger jaren zijn in ieder geval acht zaken bekend, te weten de Schiedammer Parkmoord, Puttense Moordzaak, Ina Post, Lucia de B., Showbizzmoord, Rosmalense Flatzaak, Pettense campingmoord en Berry de R.
In dit verband verwijs ik ook naar de cijfers van het project van EUREX (The European Registry of Exonerations)2, waarbij het gaat om twaalf vastgestelde onterechte veroordelingen in Nederland in een periode van bijna vijftig jaar (van 1970 tot 2019).
Welke reflectie vindt er bij alle betrokken partijen (politie, advocatuur, Openbaar Ministerie en rechtspraak) plaats nadat een rechtelijke dwaling is geconstateerd?
De reflectie kan afhankelijk van de specifieke zaak en binnen de afzonderlijke organisaties op verschillende manieren plaatsvinden.
Bij de politie wordt de zaak na vaststelling van onterechte veroordeling neergelegd in de politie-eenheid waar de zaak heeft gedraaid. Daar wordt de zaak besproken tussen politie en OM. Eventuele leerpunten kunnen worden voorgelegd aan het landelijk overleg recherche, dit kan leiden tot aanpassing van werkprocessen en/of opleidingen.
Bij de advocatuur is het aan de desbetreffende advocaat/advocaten in de zaak zelf om te bepalen hoe zij reflecteren in dergelijke gevallen. Er zijn opleidingen en cursussen voor juridische professionals die advocaten kunnen volgen in het kader van hun permanente educatie die specifiek aandacht besteden aan gerechtelijke dwalingen.
Bij het OM kan het reflecteren variëren van reflectie door de betrokken OM-onderdelen zelf, door een speciaal daarvoor ingestelde commissie, door de Reflectiekamer Kwaliteitsontwikkeling of reflectie door de Landelijke Reflectiekamer.
Bij de Rechtspraak worden arresten in hoger beroep of cassatie in beginsel verstrekt aan het gerecht (hof en/of rechtbank) waar de zaak is behandeld en daar doorgestuurd ter kennisneming aan de rechter(s) (en gerechtsjuristen) die de zaak hebben behandeld. Ook na herziening is dat het geval. Vervolgens kunnen bespreking en reflectie verder ook plaatsvinden op een (jurisprudentie)overleg waaraan rechters en gerechtsjuristen van de betreffende rechtbank deelnemen. Zie verder hieronder het antwoord op vraag 7.
Op welke wijze bestaat binnen de rechtspraak aandacht voor het voorkomen van rechtelijke dwalingen?
Uit gerechtelijke dwalingen in het verleden heeft de Rechtspraak lessen getrokken en acties ondernomen met als doel gerechtelijke dwalingen te voorkomen. Zo is er een register van gerechtelijke deskundigen (NRGD) opgesteld zodat rechters snel de passende deskundige kunnen benoemen en de juiste informatie kunnen opvragen. Rechters en raadsheren worden bovendien extra geschoold, bijvoorbeeld op het gebied van statistiek en DNA.
Verder worden rechters en raadsheren specifiek over het onderwerp oordeelsvorming geschoold. Met cursussen van het studiecentrum rechtspleging (SSR) als «Rechterlijke oordeelsvorming» en «De menselijke factor» leren rechters en raadsheren technieken en beschouwingswijzen ter verbetering van de oordeelsvorming en ter voorkoming van tunnelvisie.
Daarnaast zijn bij alle gerechten forensisch adviseurs aangesteld die rechters, raadsheren en gerechtsjuristen ondersteunen bij forensische kwesties in complexe strafzaken. Zij helpen bij het wetenschappelijk correct interpreteren van forensisch bewijs en wijzen op risico’s voor misinterpretaties.
Welke hulp is beschikbaar als sprake is van een rechtelijke dwaling?
In deze zaak heeft het OM reeds excuses aangeboden aan de gewezen verdachte. Dat is belangrijk omdat het aanbieden van excuses een eerste stap is naar volledige rehabilitatie van de betrokkene.
De vervolgstappen in het proces van rehabilitatie kunnen, afhankelijk van het individuele geval, zijn het vergoeden van de geleden materiële en immateriële schade en het bieden van nazorg om de spoedige terugkeer van de betrokkene in de samenleving te bevorderen.
Bent u bereid om de zaak van Berry de R. volledig te laten evalueren om helder te krijgen hoe het zo ongelooflijk mis kon gaan en om voor de toekomst te leren van deze zaak? Zo ja/nee, waarom?
De zaak Berry de R. is geanalyseerd door de Reflectiekamer Kwaliteitsontwikkeling hierna: de Reflectiekamer). De Reflectiekamer is in 2019 opgericht door het College van Procureurs Generaal om te reflecteren op (kortgezegd) vormverzuimen. De Reflectiekamer wordt voorgezeten door een oud-rechter. Verder zitten er advocaten, wetenschappers, politiemensen en vertegenwoordigers van het OM in.
Het advies van de Reflectiekamer is gestuurd naar het desbetreffende OM-onderdeel, de politie-eenheid en de rechtbank die de zaak hebben behandeld, met als doel om het advies in breder verband te bespreken, bijvoorbeeld tijdens een bijeenkomst voor het hele cluster strafrecht van de rechtbank. Ook zal het advies breder binnen het OM worden gedeeld en wordt het advies betrokken bij interne cursussen en opleiding over digitale opsporing.
De tegenwerking van verduurzaming door woningbouwvereniging Delta Wonen te Zwolle |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie van bewoners van woningen van Delta Wonen te Zwolle, die tegenwerking ervaren bij hun pogingen om verduurzamingsmaatregelen door te voeren, zoals de installatie van airco’s en zonnepanelen?
Ja, ik ben bekend met deze situatie.
Klopt het dat Delta Wonen de installatie van fluisterstille airco’s niet toestaat, terwijl bewoners hierom verzoeken vanwege de hitteproblemen op de bovenste etages?
Uit contact met deltaWonen begrijp ik dat de aanvraag van fluisterstille airco’s overwogen is, maar is afgewezen vanwege het feit dat het geluid en de trillingen van de airco’s overlast voor de buren en omwonenden op andere etages veroorzaken. Dat komt doordat de constructievloeren en balkons van het woongebouw met elkaar in verbinding staan.
Bent u ervan op de hoogte dat bewoners met gezondheidsproblemen, extra te lijden hebben onder de oplopende binnentemperaturen, die in de zomer kunnen oplopen tot 30 graden Celsius, zonder de mogelijkheid van adequate verkoeling?
Het klopt dat er woningen zijn die in de zomer snel kunnen opwarmen. Met name voor mensen met een slechte gezondheid kan dit een probleem zijn. Bewoners kunnen hier in eerste instantie zelf diverse maatregelen voor treffen, zoals voorkomen dat de zon overdag instraalt door overdag de gordijnen te sluiten, schaduwdoeken ophangen en ventileren op momenten dat het buiten kouder is dan in de woning.
In situaties waarin de huurwoning zodanig opwarmt dat er sprake is van een gebrek en de bewoner dit zelf niet kan oplossen, kan de huurder de verhuurder aanspreken voor een oplossing, die zonwering kan plaatsen en aanvullende ventilatiemaatregelen kan treffen.
Mocht de verhuurder weigeren een oplossing te bieden, dan kan de huurder naar de Huurcommissie of eventueel de rechter stappen. Het kan zijn dat de verhuurder er op basis van de uitspraak van de Huurcommissie of de rechter voor kiest andere maatregelen te treffen dan de plaatsing van de installatie van airco’s en zonnepanelen. Daar heeft de verhuurder keuzevrijheid in zolang de maatregelen ervoor zorgen dat het gebrek van oververhitting wordt opgeheven.
Kunt u bevestigen dat Delta Wonen vorig jaar voorzieningen heeft aangebracht, zoals een vernieuwd plat dak en elektrische kookvoorzieningen, om verduurzaming zoals de aanleg van zonnepanelen mogelijk te maken, maar dat zij nu weigert mee te werken aan de daadwerkelijke uitvoering van deze verduurzamingsplannen?
Ik heb begrepen dat deltaWonen de woningen in 2023 heeft verduurzaamd door de gevels en het dak te isoleren, een nieuw ventilatiesysteem te plaatsen, groepenkasten te vernieuwen en een aansluiting voor zonnepanelen te maken. Hierbij heeft deltaWonen bekeken of bij de verduurzaming ook zonnepanelen geplaatst kunnen worden. In deze situatie is volgens deltaWonen het probleem dat het dakoppervlak ruimte biedt voor drie zonnepanelen per woning, waardoor de servicekosten die deltaWonen aan de bewoners doorberekent om de investering te kunnen doen, hoger uitvallen dan de besparing die de zonnepanelen opleveren op de energierekening. Daardoor pakt het plaatsen van drie zonnepanelen voor de bewoners en voor de corporatie – met de huidige stand van de techniek – niet goed uit. deltaWonen heeft aangegeven dat zij in de gaten houden of het met goedkopere of nieuwe, innovatieve zonnepanelen in de nabije toekomst wel voordelig is om drie zonnepanelen te installeren.
Deelt u de mening dat woningcorporaties een belangrijke rol hebben in de energietransitie en dat tegenwerking van verduurzamingsmaatregelen, die bewoners zelf aandragen en waar al voorzieningen voor zijn getroffen, onacceptabel is?
Ik ben het zeer met u eens dat woningcorporaties een belangrijke rol vervullen in de energietransitie van de gebouwde omgeving. Ze zorgen er met de verduurzaming van hun bezit voor dat huurders een lagere energierekening krijgen, het comfort van de woningen omhoog gaat en de CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving afneemt. In 2022 zijn er Nationale Prestatieafspraken met de corporatiesector gemaakt over de inspanningen die corporaties de komende jaren moeten leveren om de volkshuisvestelijke opgaven op het gebied van nieuwbouw, verduurzaming, leefbaarheid en betaalbaarheid te realiseren. Onderdeel van die afspraken is onder andere dat woningcorporaties alle slecht geïsoleerde huurwoningen met energielabels E, F en G uiterlijk in 2028 uitfaseren en 675.000 woningen toekomstklaar isoleren tot en met 2030. Daarnaast is afgesproken dat woningcorporaties geen huurverhoging doorvoeren aan de zittende huurders voor de isolatiemaatregelen die zij nemen. Op dit moment ben ik in gesprek met de corporaties over het verder versnellen van hun inspanning op verduurzaming voor de komende 10 jaar.
Verduurzamingsinitiatieven van bewoners kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de verduurzaming van corporatiebezit en kunnen een verdere versnelling in gang zetten. Desondanks kunnen verhuurders, en dus ook woningcorporaties, een goede reden hebben om niet met een initiatief in te stemmen. Het initiatief kan de verduurzamingsplannen van de verhuurder bijvoorbeeld doorkruisen of belemmeren, qua timing of omdat de verhuurder de verduurzaming van de woning wil combineren met groot- en planmatig onderhoud. Het integraal verduurzamen van de woning zorgt voor een grotere besparing op de energierekening en is kostenefficiënter dan een specifieke maatregel. Bovendien is één maatregel vaak onvoldoende om de woning structureel te verbeteren en voor echt lagere energielasten te zorgen. Dat neemt niet weg dat het bezwaar van de verhuurder moet opwegen tegen de redenen die de huurder(s) voor het initiatief hebben. Dat zal per situatie verschillend zijn.
Welke maatregelen gaat u nemen om te waarborgen dat woningcorporaties zoals Delta Wonen hun medewerking verlenen aan verduurzamingsinitiatieven die bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelen en het verminderen van de afhankelijkheid van aardgas?
Woningcorporaties dragen met de Nationale Prestatieafspraken bij aan het verlagen van de energierekening van huurders, het verhogen van het wooncomfort en het behalen van de klimaat- en energiedoelen. Daarnaast is een ontwerpwetsvoorstel in voorbereiding ter aanpassing van het initiatiefrecht van huurders. Dit wetsvoorstel richt zich op meer en betere mogelijkheden voor huurders om initiatieven te nemen voor verbeteringsmaatregelen. De consultatiereacties op dit wetsvoorstel worden momenteel verwerkt. Ik verwacht dit wetsvoorstel in de loop van 2025 naar uw Kamer te kunnen sturen.
Bent u bereid in overleg te treden met Delta Wonen om tot een oplossing te komen die zowel de verduurzaming als het welzijn van de bewoners ten goede komt?
Zowel de bewoners van deltaWonen als deltaWonen zelf kunnen goede redenen voor en tegen het verduurzamingsinitiatief hebben. Het is niet aan mij om in individuele situaties te beoordelen en te toetsen of het initiatief van de bewoners redelijk is. Bewoners kunnen zich, als de gesprekken met deltaWonen niet tot het gewenste resultaat leiden, tot de Huurcommissie of de rechter wenden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat ook woningcorporaties hun verantwoordelijkheid nemen en bewoners niet worden tegengewerkt in hun wens om te verduurzamen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 6 werk ik op dit moment aan een wetsvoorstel voor het verbeteren van het initiatiefrecht van huurders. Dat wetsvoorstel richt zich op meer en betere mogelijkheden voor huurders om initiatieven te nemen voor verbeteringsmaatregelen. Mijn doel is dit wetsvoorstel in de loop van 2025 aan uw Kamer te sturen. Daarnaast verwacht ik van corporaties dat zij blijven werken aan het realiseren van de doelen rond verduurzaming die zijn vastgelegd in de Nationale prestatieafspraken. Ik zie ook dat corporaties de afgelopen jaren een versnelling hebben ingezet met verduurzaming.
Het onderzoek ‘De herstelopdracht doorgelicht: Een verkenning naar de rechtmatigheid van herstelopdrachten in het funderend onderwijs’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU), Harmen Krul (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek «De herstelopdracht doorgelicht: Een verkenning naar de rechtmatigheid van herstelopdrachten in het funderend onderwijs» van professor Renée Van Schoonhoven?1
In het onderzoek stelt professor Van Schoonhoven de rechtmatigheid van herstelopdrachten ter discussie. De verkenning was voor de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) aanleiding om de praktijk van de herstelopdrachten tegen het licht te houden. De conclusie die de inspectie ons heeft gemeld is dat zij vertrouwen heeft in de rechtmatigheid van herstelopdrachten. De inspectie hanteert kwaliteitsborgingssystemen en handelt op basis van wettelijke kaders. Naar aanleiding van de verkenning gaat de inspectie wel nader bestuderen of de onderbouwing van de tekortkomingen in de rapporten nog verder kan worden verduidelijkt, en zo ja hoe.
Hoe taxeert u de conclusie van professor Van Schoonhoven dat er in de praktijk herstelopdrachten gegeven worden die geen (of te weinig) juridische basis kennen?
De inspectie heeft een kwaliteitsborgingssysteem en baseert tekortkomingen waarvoor herstelopdrachten worden opgelegd op de wettelijke deugdelijkheidseisen. De wet schrijft voor waar het onderwijs aan moet voldoen, maar daarbij geeft de wet ruimte. Dat is vaak een bewuste keuze van de wetgever, om in concrete gevallen nadere invulling te kunnen geven aan wettelijke normen en rekening te houden met bijzondere situaties. Om de wet te kunnen toepassen, heeft de inspectie op grond van artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht de taak om onderzoekskaders voor te dragen die door de Minister worden vastgesteld. Daarin staat de wijze waarop de wettelijke eisen worden geïnterpreteerd. Daardoor weten zowel scholen en besturen als de inspecteurs waar ze aan toe zijn.
Als de inspectie bij een school of bestuur een tekortkoming in naleving van wettelijke deugdelijkheidseisen constateert, vermeldt zij in het rapport welke wettelijke bepaling niet wordt nageleefd. Om aan scholen en besturen duidelijk te maken wat de wet van hen vraagt, formuleert de inspectie in de rapporten herstelopdrachten. Daarbij wordt altijd verwezen naar de wettelijke deugdelijkheidseis waarop de tekortkoming is geconstateerd.
Is het waar dat de Inspectie van het Onderwijs herstelopdrachten heeft gegeven die niet zijn gebaseerd op het niet-naleven van een deugdelijkheidseis? Zo ja, in hoeveel gevallen en op welke gronden?
De conclusie dat de inspectie herstelopdrachten heeft gegeven die niet zijn gebaseerd op het niet-naleven van een deugdelijkheidseis wordt door de inspectie niet herkend. Naar aanleiding van de verkenning hebben juristen, wetenschappelijk onderzoekers en toezichtdeskundigen van de inspectie onderzoek gedaan naar herstelopdrachten. De conclusie die de inspectie met ons heeft gedeeld is dat de inzet van de herstelopdracht wel degelijk rechtmatig is, omdat deze is gebaseerd op geconstateerde tekortkomingen op de wettelijke deugdelijkheidseisen.
Deelt u de opvatting dat persoonlijke interpretaties van (het door een bestuur of school voldoen aan) een deugdelijkheidseis van een inspecteur niet mogen leiden tot een herstelopdracht of een sanctie en hoe zorgt de Inspectie van het Onderwijs er intern voor dat zulke situaties maximaal worden vermeden?
Wij vinden het belangrijk dat inspecteurs op navolgbare en transparante wijze handelen en oordelen. De inspectie werkt daarvoor met onderzoekskaders waarin de werkwijze wordt beschreven. Daarbij mag het voor een school of bestuur niet uitmaken welke inspecteur het onderzoek doet. Daarom oordelen inspecteurs in de zogeheten risico-kwaliteitsonderzoeken nooit alleen, maar altijd in teams. Die teams wisselen geregeld van samenstelling, wat bijdraagt aan een gelijksoortige en navolgbare manier van werken.
Ook op andere manieren werkt de inspectie aan de zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van haar werkwijze. Zo maakt de inspectie gebruik van handreikingen voor een uniforme werkwijze, frequente (bij-)scholing van inspecteurs en consensusoverleggen. Indien een school als «zeer zwak» wordt beoordeeld, wordt dit rapport voor een extra kwaliteitscheck voorgelegd aan een interne toetsingscommissie.
Hoe beschouwt u deze conclusie in relatie tot de wet van de leden Bisschop, Van Meenen en Rog tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht waarin de stimulerende en de toezichthoudende taak meer onderscheiden zijn?2
De inspectie baseert haar toezichthoudende taak op wettelijke deugdelijkheidseisen. Daarnaast heeft de inspectie ook een stimulerende taak. In 2021 zijn de onderzoekskaders van de inspectie en de bijbehorende inspectierapporten herzien, om duidelijker onderscheid te maken tussen de controlerende en stimulerende taak van de inspectie. Dit is terug te zien in de rapporten, waarin de inspectie helder aangeeft wat beter moet (waarborgen van de deugdelijkheidseisen) en wat beter kan (stimuleren van kwaliteitsaspecten). Enkel die eerste categorie levert een herstelopdracht op. Bij de evaluatie van de initiatiefwet van de leden Bisschop c.s. van 8 april 2026 in mei 2022 bleek al dat het gemaakte onderscheid in lijn is met het doel van de wet.
Kunt u onderbouwen in hoeverre het de taak van de Inspectie van het Onderwijs is om het onderwijskundige beleid van scholen actief bij te sturen en daarvoor de herstelopdracht als middel in te zetten?
Scholen hebben, binnen de grenzen van de wet, de vrijheid om zelf invulling te geven aan hun onderwijskundige beleid. Wel vraagt de wet van scholen dat zij dit beleid vastleggen in het schoolplan. De inspectie kan op dit vlak een tekortkoming constateren wanneer het schoolplan niet alle onderdelen bevat die door de wet worden voorgeschreven (artikel 12 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 2.88 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 21 van de Wet op de expertisecentra). In dat geval kan de inspectie een herstelopdracht opnemen in het rapport, om aan scholen en besturen duidelijk te maken wat de wet van hen vraagt en wat er nog ontbreekt.
Op welke manier gaat de Inspectie van het Onderwijs beter en concreter onderscheid maken tussen haar oordelende en stimulerende rol?
Naast een toezichthoudende taak heeft de inspectie de wettelijke taak tot het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten (artikel 3, lid 1, sub b, onder 1 van de Wet op het onderwijstoezicht). De stimulerende taak van de inspectie ligt in het verlengde van de taak om te waarborgen dat het onderwijs voldoet aan de wettelijke vereisten.
De inspectie maakt op meerdere manieren onderscheid tussen de toezichthoudende en stimulerende taak, bijvoorbeeld in de onderzoekskaders en in de rapportindeling. In rapporten wordt duidelijk aangegeven wat beter moet en dus onder de toezichthoudende taak valt. Daarnaast geeft de inspectie aan wat er al goed gaat en wat nog beter kan, als onderdeel van de stimulerende taak.
In juni 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop scholen vanuit het toezicht gestimuleerd kunnen worden om te werken aan kwaliteitsverbetering.3 Daarin is onder andere aangegeven dat bij de professionalisering van inspecteurs extra aandacht zal worden besteed aan de stimulerende aspecten van het toezicht.
Op welke manier gaat de Inspectie van het Onderwijs ervoor zorgen dat elke geconstateerde tekortkoming en dus gegeven herstelopdracht goed is onderbouwd?
De inspectie maakt gebruik van vooraf vastgestelde kwaliteitsnormen en beoordelingswijzen. Dit zorgt ervoor dat tekortkomingen niet willekeurig worden vastgesteld, maar worden beoordeeld op basis van heldere bepalingen. Elke tekortkoming wordt beschreven in een inspectierapport, waarin de context, bevindingen en het oordeel van de inspectie worden vastgelegd. Dit rapport bevat concrete argumenten die de tekortkoming(en) onderbouwen. Op basis van de constateringen worden waar sprake is van tekortkomingen herstelopdrachten geformuleerd.
Wel heeft de inspectie laten weten dat zij uit de discussie over de toepassing van de herstelopdrachten opmaakt dat zij naar scholen en besturen soms een duidelijker onderbouwing kan geven van de tekortkoming en de herstelopdracht die daar bij hoort. Daarmee gaat de inspectie aan de slag. De verkenning onderstreept ook het belang van een onderzoekskader dat zorgvuldig tot stand komt, helder beschreven is en zo duidelijk mogelijk maakt wat de wet van scholen en besturen vraagt. Dit neemt de inspectie mee in de herziening van de onderzoekskaders die op dit moment in voorbereiding is.
Bent u het ermee eens dat scholen een ruime eigen pedagogische en didactische ruimte toekomt bij alle vakgebieden, dus ook bij burgerschap? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat deze ruimte nu en in de toekomst gehandhaafd blijft? Zo nee, waarom niet?
Scholen hebben inderdaad veel ruimte om een eigen pedagogische en didactische invulling te geven aan het onderwijs dat zij verzorgen. Ten aanzien van burgerschap geldt dat scholen een wettelijke opdracht hebben om op doelgerichte, samenhangende en herkenbare wijze actief burgerschap en sociale cohesie te bevorderen. Scholen hebben daarbij veel ruimte om zelf te bepalen hoe zij hier invulling aan geven, zo lang wordt voldaan aan de eisen uit de wet. De inspectie beoordeelt of scholen aan die wettelijke eisen voldoen.
Hoe wilt u voorkomen dat de Inspectie van het Onderwijs herstelopdrachten inzet als verkapt stimuleringsmiddel?
Herstelopdrachten zien alleen op de wettelijke deugdelijkheidseisen en op de uitwerking die de onderzoekskaders daaraan geven. Daarmee geeft de inspectie uitvoering aan de toezichthoudende taak. Herstelopdrachten zijn dus noodzakelijke interventies en geen instrument om scholen aan te moedigen bovenwettelijke verbeteringen te implementeren. De inspectie maakt in haar rapporten ook duidelijk welke uitspraken worden gedaan in het kader van het nalevingstoezicht en welke uitspraken worden gedaan in het kader van stimulerend toezicht. We zien ook dat besturen daar gebruik van maken om verdere verbeteringen door te voeren, omdat zij het belangrijk vinden om de kwaliteit van het onderwijs verder te verbeteren en de adviezen van de inspectie graag ter harte nemen. Niet omdat zij hiertoe wettelijk verplicht zijn, maar omdat zij dit in het belang van de leerling achten.
Gaat de Inspectie van het Onderwijs naar aanleiding van het onderzoek van professor Van Schoonhoven herstelopdrachten intrekken? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Nee, de inspectie geeft aan op basis van de verkenning door professor Van Schoonhoven geen aanleiding te zien herstelopdrachten in te trekken.
Wat doet u om schoolbesturen te wijzen op hun rechten als de Inspectie van het Onderwijs in gebreke blijft en/of onzorgvuldig te werk gaat?
De inspectie neemt verschillende maatregelen om schoolbesturen te wijzen op hun rechten. Zo worden besturen actief geïnformeerd over de hoor- en wederhoorprocedure en het recht op bezwaar en beroep bij het oordeel «zeer zwak». Rapporten met een ander oordeel kunnen aan de civiele rechter worden voorgelegd.
Daarnaast wordt door de inspectie gedurende een onderzoek ruimte geboden voor feedback en eventuele bezwaren tegen de werkwijze van de inspectie. Dit geeft scholen en besturen de kans om hun zorgen te uiten en hierover met de inspectie in gesprek te gaan. Tevens informeert de inspectie scholen en besturen over de mogelijkheid om een klacht in te dienen als zij vinden dat de inspectie onzorgvuldig heeft gehandeld. De inspectie zal dan samen met het bestuur op zoek gaan naar een mogelijke oplossing. Wanneer het niet lukt om tot een gezamenlijke oplossing te komen, wordt de klacht voorgelegd aan een onafhankelijke klachtadviescommissie. Deze klachtenprocedures zijn beschreven op de website van de inspectie en worden indien gewenst toegelicht tijdens inspectiebezoeken.
Wat doet u om schoolbesturen te stimuleren gebruik te maken van de mogelijkheid een bestuursreactie te geven op de bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs?
De inspectie sluit kwaliteitsonderzoeken af met een rapport van bevindingen. In zo’n rapport kan een beleidsreactie van het bestuur worden opgenomen, maar daarnaast kan het bestuur ook een zienswijze als bijlage laten opnemen. De inspectie informeert scholen en besturen via verschillende kanalen over deze mogelijkheden en nodigt het bestuur ook actief uit tot het insturen van een beleidsreactie, die wordt opgenomen als slothoofdstuk van het rapport. Scholen maken in veel gevallen ook al gebruik van deze mogelijkheden.
Bent u ermee bekend dat organisaties in het ringenoverleg soms aangeven dat zij de uitleg van de Inspectie van het Onderwijs niet in overeenstemming vinden met de wet? Vindt u ook dat, om te voorkomen dat individuele scholen last krijgen van een norm die kennelijk betwist wordt, in dit soort situaties nadere bespreking met externen wenselijk is en dat ook het parlement hiervan expliciet op de hoogte gesteld zou moeten worden?
Het Ringenoverleg is een waardevol overleg dat de inspectie met het onderwijsveld voert. Hierin worden onder andere de onderzoekskaders besproken en wordt ook stilgestaan bij de uitleg die wordt gegeven aan wettelijke bepalingen. Waar nodig spreekt de inspectie met individuele organisaties door om specifieke onderwerpen verder uit te diepen en worden wetenschappers geraadpleegd bij de totstandkoming van voorstellen voor de onderzoekskaders, om zo de uitleg van normen extra ter discussie te stellen als daarover meningsverschillen bestaan. De (woordelijke) verslagen van de ringenoverleggen zijn openbaar en worden altijd met de Tweede Kamer gedeeld.4
Het bericht 'Scheepsbouwer Damen knapt schepen op die Russisch gas vervoeren' |
|
Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66) |
|
Dirk Beljaarts (minister economische zaken en klimaat) (PvdV), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over het onderhoud dat Damen zou plegen aan schepen die specifiek ontworpen zijn voor de export van Russisch vloeibaar gas? Kunt u deze berichtgeving bevestigen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van Nederlandse scheepsbouwbedrijven bij het onderhoud van de Russische LNG-vloot, in het licht van de huidige sanctiemaatregelen tegen Rusland? Hoe beoordeelt u de legaliteit van het onderhouden en leveren van reserveonderdelen aan schepen die voor de exploitatie van de Russische energiesector worden gebruikt?
De betrokkenheid van Nederlandse scheepsbouwbedrijven bij het onderhoud van LNG-schepen wordt nauwgezet beoordeeld in de context van de huidige sancties. Door wie de LNG-schepen worden gebruikt, is aan de reder die het schip verhuurt. De EU-sancties zijn opgezet om economische steun aan de Russische energiesector, die een belangrijk onderdeel van de Russische oorlogseconomie vormt, sterk te beperken.
Het kabinet kan niet ingaan op individuele gevallen, maar in zijn algemeenheid geldt dat het leveren van onderdelen en/of uitvoeren van onderhoud (technische bijstand) aan schepen van Russische personen en entiteiten of schepen die in Rusland gebruikt worden verboden is, zowel direct als indirect. Er zijn zeer beperkte ontheffingsmogelijkheden, bijvoorbeeld in het kader van maritieme veiligheid. Onderhoud aan schepen die niet toebehoren aan Russische personen en entiteiten of gebruikt worden in Rusland is in principe toegestaan, tenzij deze vaartuigen gebruikt worden om de door de EU ingestelde sancties te omzeilen. Al met al hangt de mogelijkheid tot het verlenen van onderhoud af van de feiten en omstandigheden van het geval. Indien er signalen zijn dat er sancties worden overtreden, wordt er altijd onderzoek gedaan en waar nodig handhavend opgetreden.
Deelt u de zorg dat de instandhouding van de Russische LNG-vloot, door Nederlandse scheepsbouwers, bijdraagt aan de voortzetting van de Russische oorlogseconomie en daarmee indirect de agressieoorlog in Oekraïne ondersteunt?
Het kabinet deelt de zorg over de voorzetting van de oorlogseconomie en heeft zich de afgelopen jaren hard ingezet om de Russische oorlogsmachine tegen Oekraïne zoveel mogelijk te belemmeren. Daarom spant het kabinet zich op Europees niveau in voor maatregelen die het Russische verdienvermogen op mondiale LNG-markten ondermijnen, conform de motie Klaver, Dassen & Paternotte waarin wordt opgeroepen om in Europees verband te pleiten voor beperkende maatregelen wat betreft import uit Rusland in het nucleair domein en van LNG (36 476, nr. 3). Op dit moment geldt onder andere een investeringsverbod in de Russische LNG-sector, sancties tegen betrokken bedrijven en schepen, een verbod op overslag van Russisch LNG naar landen buiten de EU en verbod op levering van verschillende scheepsonderdelen. Waar huidige sanctiemaatregelen ontoereikend blijken spant het kabinet zich in deze in het volgende sanctiepakket uit te breiden waarbij alle opties op tafel liggen. Daarnaast wijst het kabinet bedrijven voortdurend op de risico’s van zakendoen met Russische partijen.
Welke concrete stappen worden er momenteel ondernomen om te waarborgen dat Nederlandse bedrijven, actief in de maritieme sector, zich houden aan de sancties tegen Rusland en niet bijdragen aan activiteiten die de Russische oorlogsmachine ondersteunen?
Bedrijven zijn in principe zelf verantwoordelijk om zich aan sanctiemaatregelen te houden. Om dit te bevorderen kunnen bedrijven informatie over sancties krijgen via bijvoorbeeld het sanctieloket of via door BZ georganiseerde exportcontroleseminars. Daarnaast controleren handhavingsinstanties zoals de Douane op uitvoer en wordt er analyse gedaan op exportgegevens om omzeilingspatronen in kaart te brengen. De resultaten hiervan worden actief gedeeld met betrokken bedrijven en ook verwerkt in de risicogerichte handhavingsaanpak. Verder is er toezicht op financiële instellingen om te waarborgen dat hun systemen zijn ingericht op het tegengaan van betalingen die onder sancties niet zijn toegestaan. We werken bovendien samen met internationale partners om eventuele tekortkomingen in de sanctiehandhaving snel aan te pakken. Zoals aangegeven, indien er signalen zijn dat Nederlandse bedrijven sancties overtreden wordt hier altijd onderzoek naar gedaan en waar nodig handhavend opgetreden.
Bent u het ermee eens dat er op geen enkele manier mag worden bijgedragen aan de Russische handel in vloeibaar gas en dat het daarom zeer problematisch is dat Nederland en Europese partners in toenemende mate vloeibaar gas uit Rusland importeren?
Nederland heeft zich de afgelopen jaren hard ingezet voor de afbouw van Russisch gas, inclusief LNG. Tegelijkertijd is het zo dat er geen verbod is op de import van gas, inclusief LNG, uit de Russische Federatie en dat er partijen zijn die zijn gebonden aan contracten met partijen uit de Russische Federatie. Als gevolg daarvan hebben zij afname- en/of betalingsverplichtingen die zij moeten nakomen. Het gecontracteerde gas uit de Russische Federatie moet immers worden betaald, ook als het niet wordt afgenomen. Indien zij het LNG niet zouden afnemen komt daar bij dat zij additioneel elders gas moeten inkopen om hun leveringsverplichtingen na te komen. Ook dit heeft financiële gevolgen.
Daarom zullen we in Europees verband langs een duidelijk gezamenlijk pad de import van Russisch gas en LNG moeten afbouwen. De Europese Commissie is hier aan zet om duidelijkheid te verschaffen zodat we de juiste effectieve maatregelen EU breed kunnen toepassen (zie het antwoord op vraag 6). Het kabinet dringt hier voortdurend op aan.
Kunt u een update geven over de voortgang van het voornemen van het kabinet om in Europees verband in te zetten op de afbouw van de import van vloeibaar gas uit Rusland?
Voor deze update wordt verwezen naar de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 25 oktober 2024 waarin verslag wordt gedaan van de Energieraad die op 15 oktober 2024 plaatsvond (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1094). Tijdens deze Energieraad heeft Nederland lidstaten opgeroepen om dezelfde maatregelen te treffen die in Nederland reeds zijn genomen om Russisch LNG te weren bij nieuwe LNG-infrastructuur en heeft Nederland de Commissie opgeroepen om vooral met concrete maatregelen te komen die lidstaten ondersteunen bij het tegengaan van de invoer van Russisch gas onder bestaande langetermijncontracten, mits geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de leveringszekerheid. Daarnaast heeft Nederland, ondersteund door andere lidstaten, de Commissie nogmaals opgeroepen om met een routekaart te komen voor de verdere afbouw naar nul. De Commissie heeft toegezegd dat de nieuwe Commissie hiermee aan de slag gaat. Een aantal andere lidstaten heeft de Commissie gevraagd om meer transparantie en inzicht omtrent de import.
Bent u bereid te pleiten voor de opname van concrete maatregelen ten behoeve van de afbouw van de import van Russisch vloeibaar gas in het door de Europese Unie (EU) aan te kondigen vijftiende sanctiepakket? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet pleit in Europees verband voortdurend voor het verzwaren van de sancties tegen Rusland en zal dit ook doen tijdens de onderhandelingen over het volgende sanctiepakket, waarvan het ambitieniveau wat het kabinet betreft zo hoog mogelijk moet liggen. Het ondermijnen van het Russische verdienvermogen op mondiale LNG-markten vormt hierbij één van de prioriteiten van het kabinet.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor het tweeminutendebat sancties, beantwoorden?
Helaas is dat niet gelukt.
De beantwoording van schriftelijke vragen over het intrekken van vergunningen bij onderbezetting van stallen |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de Raad van State waarin het besluit van een gemeente om geen ongebruikte vergunningruimte van een proefboerderij in te trekken vernietigd is?1
Ja, ik heb kennisgenomen van de aangehaalde uitspraak. Deze uitspraak is, net als de uitspraak die het lid Flach eerder aanhaalde, op 22 mei 2024 gedaan. In beide gevallen oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat er, in afwijking van hetgeen de rechtbank stelt, wel aanleiding kan zijn om de vergunning in te trekken. Aan de besluitvorming moet een belangenafweging vooraf gaan. In een van de uitspraken2 oordeelt de Afdeling dat het college van burgemeester en wethouders het besluit tot afwijzing van het verzoek om de vergunning in te trekken, deugdelijk heeft onderbouwd. De belangenafweging heeft dus plaatsgevonden en de Afdeling acht die ook overtuigend. In de andere uitspraak3, over het proefbedrijf De Raamloop, heeft het college van burgemeester en wethouders een vergelijkbaar besluit echter niet goed onderbouwd. Het college moet een nieuw besluit nemen op het verzoek tot intrekking.
Deelt u de zorg dat veehouders, nu de motiveringsplicht voor het niet intrekken van ongebruikte vergunningruimte aangescherpt lijkt te zijn, afhankelijk worden van de medewerking van het bevoegd gezag inzake het al dan niet intrekken van ongebruikte vergunningruimte (die mogelijk in de toekomst weer nodig is), terwijl zij behoefte hebben aan rechtszekerheid?
Ik vind dat een veehouders zekerheid aan hun vergunningen moeten kunnen ontlenen. De motiveringsplicht voor het intrekken van ongebruikte vergunningsruimte is echter niet aangescherpt. Uit beide uitspraken blijkt dat een goede motivering belangrijk is als het bevoegd gezag een omgevingsvergunning niet wil intrekken. Uit de een van de twee uitspraken blijkt dat de motivering van het bevoegde gezag voldoende was om de vergunning niet te hoeven wijzigen. En die goede motivering in de praktijk dus mogelijk is.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat veehouders door deze risico’s mogelijk terughoudender worden met inzet op een lagere stalbezetting in het kader van bijvoorbeeld het Beter Leven keurmerk of als tijdelijke maatregel in verband met de mestcrisis, terwijl deze lagere stalbezetting bijdraagt aan beleidsdoelen?
Ja.
Bent u alsnog bereid in gesprek te gaan met gemeenten om te zorgen voor voldoende rechtszekerheid voor veehouders en te bezien of aanpassing van regelgeving nodig is?
Ik ben zeker bereid om met gemeenten in gesprek te gaan over risico’s die verdere doorontwikkeling van de veehouderij en daarmee het behalen van beleidsdoelen belemmeren. Zoals ik al aangaf in de beantwoording van eerdere vragen van het lid Flach over dit onderwerp heb ik er vertrouwen in dat het bevoegd gezag een goed gemotiveerde en gedegen belangenafweging zal maken4. Uit beide uitspraken blijkt dat een goede motivering belangrijk is als het bevoegd gezag een omgevingsvergunning niet wil intrekken. Daarom ga ik, eventueel samen met mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) en mijn collega van Openbaar Vervoer en Milieu (OVM), in gesprek over vergunningen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en met de Omgevingsdienst NL om te bezien wat er nodig is om in de praktijk de gewenste rechtszekerheid daarvan te borgen. Daarbij ga ik er gezien de aangehaalde uitspraken van uit dat dit binnen het bestaande juridische kader mogelijk moet zijn.
Het artikel ‘Overheid verzaakt plicht om transparant te zijn: ’U wilt die informatie zeker niet meer hè’ in de Telegraaf |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Overheid verzaakt plicht om transparant te zijn: «U wilt die informatie zeker niet meer hè»»?1
Ja.
Strookt de conclusie van het artikel – dat ministeries in veel gevallen niet voldoen aan de wettelijke termijnen die gelden bij verzoeken onder de Wet open overheid (Woo) – met uw eigen bevindingen?
Ja. Sinds 2022 wordt in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) jaarlijks inzicht gegeven in de afhandeling van Woo-verzoeken bij ministeries. De gegevens uit de JBR over 20222 en 20233 bevestigen het beeld dat de wettelijk voorgeschreven termijnen in veel gevallen door ministeries op dit moment niet worden gehaald. Het aantal afgehandelde Woo-verzoeken binnen de wettelijke of afgesproken termijn bedroeg in 2023 bij de ministeries 39,6%, een lichte stijging ten opzichte van het jaar ervoor.
Welke ministeries hebben problemen om aan de wettelijke termijnen voor Woo-verzoeken te voldoen?
Uit de gegevens in de JBR blijkt dat alle ministeries problemen hebben met het halen van de wettelijke termijnen voor Woo-verzoeken en dit zich dus niet beperkt tot bepaalde ministeries.4
Wat zijn de oorzaken hiervoor per ministerie en bent u met deze ministeries in gesprek om dit te verbeteren?
Op 21 juni jl. is de kabinetsreactie op de Woo-invoeringstoets aangeboden aan uw Kamer.5 In deze reactie is uitgebreid ingegaan op de huidige problematiek bij de afhandeling van Woo-verzoeken bij zowel het rijk als de medeoverheden en de onderliggende oorzaken voor de lange afhandelingstermijnen. De oorzaken zijn niet per ministerie te duiden, maar algemeen van aard.
De oorzaken voor de lange afhandelingstermijnen hebben deels hun grondslag in de uitvoering van de Woo en deels in de uitdagingen rondom de uitvoerbaarheid van de wet. Het Nederlandse openbaarheidsstelsel is, in tegenstelling tot veel andere Europese landen, nagenoeg ongelimiteerd in de soorten en aantallen op te vragen documenten. Daarnaast heeft digitalisering tot een exponentiële groei van informatie geleid. Zo worden in een dag binnen de Rijksoverheid naar schatting miljoenen e-mails verstuurd. De hoeveelheid informatie die door digitalisering op dit moment gecreëerd, ontvangen, beheerd en bewaard wordt, zorgt voor een grote uitdaging voor de archivering en voor de uitvoering van de Woo.6 Dit in combinatie met een informatiehuishouding die (nog) niet op orde is, de ICT-infrastructuur die nog niet optimaal werkt voor het zoeken en vinden van informatie, onvoldoende efficiënte procesinrichting en een krappe arbeidsmarkt waardoor het een uitdaging is om gekwalificeerd personeel te vinden en te behouden, zorgen ervoor dat overheidsorganisaties vaak onvoldoende in staat zijn om de Woo doelmatig en doeltreffend uit te voeren.
In de kabinetsreactie op de Woo-invoeringstoets is een pakket aan maatregelen aangekondigd dat zowel de uitvoering als de uitvoerbaarheid van de Woo moet verbeteren. Hiervoor wordt onder andere ingezet op meer en eerder contact met informatieverzoekers, betere en efficiëntere afhandelingsprocessen, het sneller verstrekken van de meest relevante documenten bij omvangrijke verzoeken en meer actieve openbaarmaking. Daarnaast zal komend jaar een onderzoek naar de concrete uitvoeringslasten, kosten en (benodigde) capaciteit voor de afhandeling van Woo-verzoeken starten en is besloten de wetsevaluatie van de Woo te vervroegen (start eind 2025).
Al deze maatregelen worden in nauwe samenwerking met de ministeries nader uitgewerkt en geïmplementeerd. Bij verschillende maatregelen worden ook andere partijen betrokken, zoals (de koepels van) de medeoverheden, het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI), maatschappelijke organisaties en journalisten.
Klopt het dat journalisten worden benaderd met de vraag om hun Woo-verzoek in te trekken omdat «deze niet meer actueel is»?
Het is niet ongebruikelijk dat de behoefte naar bepaalde informatie na verloop van tijd afneemt. Bij een gedateerd verzoek is het om die reden ook niet ongebruikelijk dat er contact wordt opgenomen met de verzoeker met de vraag of er nog steeds behoefte is aan de gevraagde informatie. Het contact met een verzoeker moet er niet op gericht zijn betrokkene in zijn verzoek te ontmoedigen, maar gezamenlijk vast te stellen waar verzoeker op dat moment (nog) behoefte aan heeft. Als betrokkene een verzoek wil intrekken of inmiddels een meer beperkte of andere informatiebehoefte heeft, zou het een verspilling van capaciteit en middelen zijn om op een eerder ingeslagen weg door te gaan. Dit kan bovendien ten koste gaan van de tijdige afhandeling van andere verzoeken. Een en ander neemt niet weg dat de afhandelingstermijnen van Woo-verzoeken bij ministeries versneld moeten worden, zodat Woo-verzoekers minder lang hoeven te wachten op overheidsinformatie die ze zoeken wat de actualiteitswaarde ten goede komt.
Indien dit klopt, waarom acht u deze aanpak toegestaan?
Het is van belang dat overheidsorganisaties bij de afhandeling van Woo-verzoeken de informatiebehoefte van de verzoeker centraal zetten. Als stelselverantwoordelijk Minister voor de Woo vind ik het daarom een positieve ontwikkeling dat steeds meer wordt ingezet op meer, sneller en beter contact met verzoekers. Alleen op die manier kunnen verzoeken – ook als deze te omvangrijk zijn om binnen de daarvoor gestelde termijn af te handelen – snel naar tevredenheid van beide partijen worden afgehandeld. In artikel 4.2a van de Woo is overleg tussen verzoeker en bestuursorgaan ook wettelijk verankerd.
In dit kader acht ik het toegestaan en wenselijk om over Woo-verzoeken in contact te treden met Woo-verzoekers. Daarbij is het wel van belang dat dit op een dienstverlenende, responsieve en tijdige wijze gebeurt. Het doel is om samen met de verzoeker scherp te krijgen wat precies de informatiebehoefte is en of deze voor de verzoeker nog steeds actueel is. Als een verzoeker vervolgens aangeeft dat hij de informatie nog steeds wenst te ontvangen, dan is het bestuursorgaan verplicht deze informatie zo snel mogelijk te verstrekken.
Deelt u de conclusie dat passieve openbaarmaking al jarenlang achterloopt, aangezien het grootste verschil tussen de Woo en zijn voorloper – de Wet openbaarheid bestuur (Wob) – de actieve openbaarmaking is?
In algemene zin kan ik aangeven dat zowel onder de Woo als onder zijn voorloper de Wob overheidsorganisaties moeite hebben met het tijdig afhandelen van (omvangrijke) Woo-verzoeken.7 Ondanks de inzet van vele middelen en personele capaciteit, lukt het overheidsorganisaties bij een groot deel van de verzoeken nog steeds niet om deze binnen de daartoe gestelde termijnen af te handelen. Daarnaast neemt het aantal ingediende Woo-verzoeken bij ministeries jaarlijks toe.8
Tegelijkertijd zijn er ook veel goede ontwikkelingen, die zich echter niet altijd (direct) uitdrukken in snellere afhandelingstermijnen. Zo neemt de hoeveelheid openbaar gemaakte informatie toe9 en wijst onderzoek uit dat het bewustzijn van het belang en de houding wat betreft het transparant en betrouwbaar omgaan met overheidsinformatie verbetert.10 Openbaarheid krijgt daarmee een meer centrale rol bij de vorming van beleid, de uitvoering van overheidstaken en de verantwoording daarover. Daarnaast zetten veel overheidsorganisaties stappen om de afhandelingsprocessen van Woo-verzoeken beter en efficiënter in te richten, wordt ingezet op meer en beter contact met Woo-verzoekers en worden de meest relevante documenten bij omvangrijke verzoeken sneller verstrekt.11 Op die manier kunnen verzoeken waarbij het niet mogelijk is om deze binnen de wettelijke termijn af te handelen, alsnog naar tevredenheid van zowel verzoeker als overheidsorganisatie worden afgerond.
Zijn er uitvoeringstoetsen uitgevoerd en welk beeld kwam hieruit naar voren?
Tijdens de wetsbehandeling van de Woo zijn er verschillende toetsen en analyses uitgevoerd om de kosten en uitvoerbaarheid van de Woo in kaart te brengen. Deze toetsen hadden echter (veelal) alleen betrekking op de nieuwe verplichtingen en bijbehorende kosten van de Woo ten opzichte van de Wob.12 De uitvoering en uitvoerbaarheid van openbaarmaking op verzoek is niet tot nauwelijks aan bod gekomen in de uitvoeringstoetsen. Als gevolg hiervan zijn de knelpunten rondom de afhandeling van Woo-verzoeken ook niet geconstateerd in deze uitvoeringstoetsen. Deze zijn wel (kwalitatief) aan het licht gebracht met de invoeringstoets op de Woo van vorig jaar. Kwantitatief zijn de grootste knelpunten echter nog onvoldoende in beeld. Daarom zal komend jaar een onderzoek naar de concrete uitvoeringslasten, kosten en (benodigde) capaciteit voor de afhandeling van Woo-verzoeken worden uitgevoerd. De definitieve resultaten van dit onderzoek moeten uiterlijk eind 2025 worden opgeleverd, voordat gestart wordt met de wetsevaluatie van de Woo (start eind 2025).
Op welke termijn verwacht u dat ministeries zullen voldoen aan het door het kabinet uitgesproken voornemen om informatie actiever openbaar te maken, waardoor er minder Woo-verzoeken nodig zijn om informatie openbaar te maken?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 7 blijkt uit een trendanalyse dat de hoeveelheid (actief) openbaar gemaakte informatie al toeneemt. De komende jaren wil het kabinet hier verder op inzetten. We streven ernaar dat op termijn een deel van de Woo-verzoeken niet meer nodig is, omdat informatie al actief openbaar is gemaakt. Allereerst zal daarvoor de komende jaren de verplichte actieve openbaarmaking van de zeventien informatiecategorieën gefaseerd in werking treden.13 Op 1 november jl. is de verplichting tot openbaarmaking van de eerste categorieën ingegaan. Hierdoor moeten bestuursorganen de eerste vijf informatiecategorieën (wetten en algemeen verbindende voorschriften, overige besluiten van algemene strekking, informatie over organisatie en werkwijze, bereikbaarheidsgegevens, en vergaderstukken en -verslagen van de Staten-Generaal) actief openbaar maken en een verwijzing opnemen op de centrale vindplaats.14 De komende jaren zal de verplichting om de overige informatiecategorieën actief openbaar te maken gefaseerd ingaan. Eind juni is hiervoor een indicatieve planning met uw Kamer gedeeld.15 Het uitgangspunt voor deze fasering is dat de verplichting zo snel mogelijk ingaat.
Naast het ingaan van de verplichting tot openbaarmaking van de zeventien informatiecategorieën, wil ik de komende tijd meer invulling geven aan de geldende inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking.16 Hiermee moet het voor de samenleving duidelijker worden wat op dit punt van de overheid verwacht kan worden. Voor bestuursorganen moet dit beleid helderheid geven over wat er onder de inspanningsverplichting verstaan wordt en hoe zij hiermee aan de slag kunnen. Hierbij is het van belang om in te spelen op de informatiebehoeften van de samenleving.
Welke acties onderneemt u als verantwoordelijk coördinerend Minister om deze problemen op te lossen?
De komende tijd worden vanuit mijn ministerie de maatregelen om de uitvoering en uitvoerbaarheid van de Woo te verbeteren opgepakt, zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op de Woo-invoeringstoets van 21 juni jl.17 Er wordt onder andere ingezet op efficiëntere, uniformere en responsievere afhandelingsprocessen, betere monitoring en sturing en meer actieve openbaarmaking.
Daarnaast zal vanuit mijn ministerie verder beleid en hulpmiddelen voor bestuursorganen worden ontwikkeld rondom de Woo-contactpersoon, de inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking, omvangrijke Woo-verzoeken en misbruik van de Woo. Tevens start begin volgend jaar een overheidsbreed onderzoek naar de uitvoeringslasten, kosten en (benodigde) capaciteit voor de afhandeling van Woo-verzoeken. Uiterlijk eind 2025 zal dit onderzoek worden opgeleverd, waardoor de resultaten meegenomen kunnen worden in de vervroegde wetsevaluatie. Verder zal op 1 januari 2025 een publiek toegankelijk Woo-dashboard live gaan waarmee periodiek inzicht wordt geboden in de afhandeling van Woo-verzoeken bij het Rijk. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik toezien op de (Rijksbrede) implementatie en uitvoering van deze maatregelen. Desalniettemin blijft ieder bestuursorgaan uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor een (juiste) uitvoering van de Woo.
Kunt u in een tijdlijn aangeven welke maatregelen er zijn genomen door uw ministerie om ervoor te zorgen dat de rijksoverheid voldoet aan de wettelijke verplichting onder de Woo?
Zie hiervoor de indicatieve tijdlijn van maatregelen die is gestuurd als bijlage van de Kamerbrief met de kabinetsreactie op de invoeringstoets Woo.18 Verschillende maatregelen uit de tijdlijn zullen echter meer tijd in beslag nemen dan eerder bezien.
Bent u bereid in gesprek te gaan met diverse partijen, zoals de Open State Foundation, journalisten, de ACOI en de wetenschap om problemen te achterhalen en deze op te lossen?
Ja, ik vind het belangrijk om hierbij gezamenlijk op te trekken. Vanuit mijn ministerie wordt daarom al periodiek overleg gevoerd met deze partijen en op verschillende manieren samengewerkt, zoals in het kader van het Actieplan Open Overheid (2023–2027).19 Met dit gezamenlijke actieplan zorgen we ervoor dat beleid wordt versterkt door kennis en kunde vanuit de samenleving. Bovendien wordt met dit actieplan de wetenschap en het maatschappelijk middelveld op het gebied van open overheid gestimuleerd.
Daarnaast worden er vanuit mijn ministerie periodiek gesprekken gevoerd met het ACOI en met journalistieke belangengroepen over mogelijke verbeteringen in het Nederlandse openbaarheidsbeleid. Tot slot heeft het ACOI een belangrijke adviserende taak over het beheren en de openbaarmaking van overheidsinformatie en de verbetering van de informatiehuishouding.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één en met toelichting beantwoorden?
Ja.
Snel aanvullende klimaatmaatregelen nemen |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat u van plan bent om bij de voorjaarsnota 2025 over nieuwe klimaatmaatregelen te besluiten omdat de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) laat zien dat de doelen buiten bereik zijn gekomen?
Ja. In de Klimaatnota heeft het kabinet in reactie op de KEV aangegeven dat in het voorjaar tot alternatief beleid besloten zal worden zodat de afgesproken doelen, conform het Hoofdlijnenakkoord, binnen bereik komen.
Hoe apprecieert u de uitspraak van de Raad van State dat het onzeker is of het alternatief beleid dat in het voorjaar zal worden gepresenteerd «toereikend zal zijn en op tijd zal komen om de doelstellingen voor 2030 te halen»?1
De Raad van State adviseert het kabinet om zo snel mogelijk effectieve maatregelen te nemen om de klimaatdoelen te halen. In reactie daarop erkent het kabinet dat de Klimaat- en Energieverkenning aangeeft dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaat- en energiedoelen te halen. Daarom zal het kabinet, op basis van de Klimaatwet en de begrotingscyclus, de komende maanden werken aan alternatief beleid en hier in het voorjaar over besluiten. Tegelijkertijd neemt het kabinet, mede op advies van de Raad van State, al direct acties op korte termijn op belangrijke knelpunten. Zo zijn bijvoorbeeld extra acties op netcongestie aangekondigd in de Klimaatnota en voeren we het reeds geagendeerde beleid voortvarend uit.
Klopt het dat de Raad van State in de beschouwing van de Klimaatnota adviseert om eerder dan bij voorjaarnota 2025 over nieuwe klimaatmaatregelen te besluiten omdat de tijd richting 2030 dringt?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat nergens in de Klimaatwet staat wanneer besluitvorming precies moet plaatsvinden? Deelt u de conclusie dat de Klimaatwet dus ruimte laat om eerder dan bij voorjaarsbesluitvorming, en zelfs zo snel mogelijk, aanvullende maatregelen te treffen?
Het klopt dat in de Klimaatwet nergens staat wanneer de besluitvorming moet plaatsvinden. Het kabinet volgt bij de besluitvorming de reguliere begrotingscyclus, zoals die ook de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden. Dit doet het kabinet om de benodigde besluitvorming zorgvuldig te kunnen voorbereiden en aan te kunnen sluiten op het hoofdbesluitvormingsmoment. Het gaat hier in de regel om grote maatregelen, die veelal ook financiële consequenties hebben, en een zorgvuldige afweging vragen met andere maatschappelijke doelen die het kabinet wil realiseren. Bij Voorjaarsnota is ruimte voor dit integrale financiële weegmoment. Dan wordt bijvoorbeeld ook het ontwerpMeerjarenprogramma 2026 van het Klimaatfonds met de Kamer gedeeld.
Bent u voornemens om het advies van de Raad van State op te volgen en eerder dan bij voorjaarsbesluitvorming (een deel van de) aanvullende maatregelen aan te kondigen?
Zie het antwoord bij vraag 2, 3 en 4.
Welke voorbereidingen treft u reeds en kunt u aanvullend reeds treffen om de besluitvorming over aanvullende klimaatmaatregelen zo snel mogelijk te nemen?
Ik heb de afgelopen weken gesprekken gevoerd met alle bewindspersonen die een klimaatsector onder hun hoede hebben en zal ook de komende maanden met hen in overleg blijven. Hierin staan wij stil bij de uitkomst van de KEV en de resterende opgave. In deze gesprekken vraag ik iedereen met open vizier te kijken naar alternatief beleid. Ik zelf doe dat ook voor de sectoren waarvoor ik verantwoordelijk ben. Daarnaast heb ik ook het gesprek gevoerd met het PBL over de mogelijkheden voor het aanpassen en intensiveren van het bestaande beleid en alternatief beleid die het PBL ziet. Tot slot heb ik de uitvoeringsoverleggen voor de verschillende sectoren verzocht in kaart te brengen welke oplossingen voor knelpunten en mogelijkheden voor alternatief beleid zij voor hun sector zien.
Kunt u toezeggen om een concept-maatregelenpakket uiterlijk eind januari 2025 met de Kamer te delen en door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) te laten doorrekenen, zodat u met zekerheid voldoende en breed gedragen maatregelen treft?
Het kabinet zal het reguliere begrotingsproces volgen. Op basis van het voorstel van het kabinet bij de VJN kan in de Tweede Kamer het debat over de voorgestelde maatregelen worden gevoerd.
Zoals ik ook tijdens het debat over de begroting van KGG heb aangegeven geldt voor veel maatregelen dat deze met elkaar samenhangen. Dit vraagt om een integrale doorrekening, nadat het kabinet een besluit heeft genomen over de gewenste maatregelen. Omdat de besluitvorming over deze maatregelen tijdens de voorjaarsbesluitvorming plaatsvindt kan PBL deze maatregelen pas na die tijd doorrekenen. Bij het aanbieden van het voorstel van het kabinet voor het alternatieve beleid zal zo goed mogelijk op basis van beschikbare onderzoeken inzicht geboden worden over de verwachte CO2-effecten van de individuele maatregelen. De kanttekening daarbij is dat het totale effect van het pakket minder zal zijn dan de optelsom van alle individuele maatregelen. Daarnaast ben ik, zoals eerder met de Kamer is gedeeld, voornemens de Klimaatwet aan te passen waardoor de KEV niet meer in oktober komt maar met Prinsjesdag. Hiervoor heb ik een wetswijziging in voorbereiding. Vooruitlopend hierop heb ik het PBL verzocht, zoals toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling, de KEV dit jaar al met Prinsjesdag te publiceren.
Hoe zorgt u ervoor dat de maatregelen die u uiterlijk bij voorjaarsbesluitvorming 2025 treft met zekerheid genoeg zijn om de klimaatdoelen te halen?
In de Klimaatnota heeft het kabinet in reactie op de KEV aangegeven dat in het voorjaar tot alternatief beleid besloten zal worden zodat de afgesproken doelen, conform het Hoofdlijnenakkoord, binnen bereik komen. De inzet is er op gericht om de klimaatdoelen te halen. Dit heeft het kabinet ook in het Regeerprogramma aangekondigd. Het klimaatdoel van 55% valt nu niet in bandbreedte van het PBL – het is mijn doel om 55% weer in de bandbreedte te krijgen. In algemene zin geldt dat hoe meer maatregelen worden genomen, hoe groter de zekerheid is. Maar er zal altijd bepaalde mate van onzekerheid blijven, alleen achteraf kan met zekerheid worden geconstateerd of dat gelukt is. Daarbij geldt dat de oplossing niet alleen zit in extra maatregelen; PBL geeft ook aan dat belemmeringen in de uitvoering een belangrijk aandachtspunt is. Het kabinet zal daarom met voorrang knelpunten in de uitvoering aanpakken en werken aan het op orde brengen van de randvoorwaarden.
Kunt u toezeggen om erop in te zetten dat de doelen minstens «waarschijnlijk» worden gehaald, dus met 60%-80% zekerheid volgens het PBL?
Zie het antwoord op vraag 8.
ETS-2 |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Folkert Idsinga (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoek: gasrekening kan in 2030 flink hoger zijn» en het bijbehorende rapport van CE Delft?1 Hoe beoordeelt u dit bericht en het bijbehorend onderzoek van CE Delft?
Ja. Het kabinet heeft kennisgenomen van het bericht. Het betreft een onderzoek naar mogelijke ontwikkelingen van de energierekening richting 2030. Het kabinet houdt de lastenontwikkeling voor huishoudens en bedrijven altijd nauwlettend in de gaten en neemt waar nodig maatregelen om de koopkracht te versterken.
Hoe kijkt u aan tegen de volgende, in het rapport van CE Delft gehanteerde uitgangspunten: een CO2-prijs binnen het EU Emissions Trading System (ETS-2) van 40 euro/ton CO2 tot 60 euro/ton CO2 in 2030, en een meerprijs op de gasprijs van respectievelijk 0,066 euro/m3 tot 0,099 euro/m3 in 2030?
De uitgangspunten van het CE Delft zijn vergelijkbaar met de uitgangspunten van het kabinet in de begroting. In de begroting wordt rekening gehouden met een ETS2-prijs van € 56 per ton CO2 in 2027, oplopend tot € 60 in 2030. Dit is gelijk aan een prijs van € 45 in 2020, gecorrigeerd voor de (verwachte) inflatie. In de ETS richtlijn zijn waarborgen opgenomen die de kans vergroten dat de prijs in de eerste jaren onder dit niveau blijft. De prijs in 2030 komt neer op circa 11 cent per m3aardgas, 13 cent per liter benzine en 15 cent per liter diesel. De impact op de gasprijs zal uiteindelijk lager uitvallen afhankelijk van de hoeveelheid bijmenging groen gas in 2030.
Kunt u aangeven hoe u de gevolgen inschat voor ETS-2 voor de komende jaren voor huishoudens en bedrijven, uitgesplitst naar de kosten voor a) verwarming en b) mobiliteit/brandstoffen?
In de memorie van toelichting bij de Wet implementatie ETS2 worden de totale financiële lasten van het ETS2 in zichtjaar 2030 geraamd in Nederland. Het betreft € 874 mln. voor de verwarming van gebouwen (woningen, kantoren, etc.), € 1.234 mln. voor brandstoffen gebruikt in de mobiliteit (wegvervoer en mobiele werktuigen) en circa € 230 mln. voor de bedrijfsprocessen van de kleine energie- en maakindustrie.
Volgens het PBL3 betekent een ETS2 prijs van € 50 voor een gemiddelde personenauto op fossiele brandstoffen circa € 85 per jaar. Voor de verwarming van een gemiddeld huishouden met gas gaat het om circa € 100 per jaar. Daarmee komen de kosten voor een gemiddeld huishouden uit op € 185 bij een ETS2 prijs van € 50. De kosten voor een gemiddeld bedrijf zijn niet voorhanden omdat dit sterk afhangt van het soort bedrijf en het type energie dat zij gebruiken.
Klopt het dat het kabinet verwacht dat de inkomsten uit ETS-2 de volgende zullen zijn: 3,6 miljard euro in 2027, 2,65 miljard euro in 2028 en 2,2 miljard euro in 2029 (zoals vermeld in het Bijlagenboek bij de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën, 17 september 2024)?
Ja.
Is de raming van de Europese Commissie dat een emissierecht in 2030 48 euro per ton kost nog steeds actueel? Klopt het dat dit neerkomt op circa 11 cent per liter benzine, circa 13 cent per liter diesel en circa 10 cent per m3 aardgas?2
De raming van de Commissie is nog actueel. Voor de uitgangspunten over de ETS2 prijs van het kabinet in de begroting zie het antwoord op vraag 2.
Welk deel van de opbrengsten uit ETS-2 worden gebruikt om het Social Climate Fund te financieren, en welk deel van de uit het Social Climate Fund beschikbare middelen zal terugvloeien naar Nederland?
Het SCF omvat € 65 miljard in totaal. Het SCF wordt gefinancierd door de veiling van 50 miljoen rechten uit het ETS1, waarna het resterende bedrag wordt opgehaald met het de veiling van rechten uit het ETS2. Welk deel van de opbrengsten uit ETS2 worden gebruikt om het SCF te financieren hangt daarmee af van de ETS1 prijs en de ETS2 prijs. Bij een ETS1 prijs van circa € 80 en een ETS2 prijs van circa € 50 vloeit ongeveer een kwart van de ETS2 opbrengsten op EU-niveau naar het SCF. Dit aandeel neemt af naarmate de ETS2 prijs stijgt, omdat de omvang van het SCF gelijk blijft en de totale opbrengsten van het ETS2 stijgen. Nederland kan circa € 720 mln. uit het SCF ontvangen, oftewel circa 1,108% van het totaal.
In hoeverre deelt u de lijn van het vorige kabinet dat er in eerste instantie zou moeten worden gekeken naar hoe de opbrengsten van ETS-2 in eigen land ingezet kunnen worden om compenserende maatregelen te treffen voor huishoudens en ondernemers die te maken krijgen met hogere kosten?
Het Nederlandse begrotingsbeleid is gebaseerd op het principe van scheiding van inkomsten en uitgaven. Dit betekent dat inkomsten in beginsel naar de algemene middelen gaan en niet vooraf geoormerkt worden voor bepaalde uitgaven. Dit gaat ook op voor de ETS opbrengsten. Nederland is op basis van de ETS-richtlijn verplicht om een bedrag equivalent aan de ETS inkomsten uit te geven aan klimaatbeleid. Nederland houdt zich aan deze verplichting en geeft ruim meer uit aan klimaatbeleid dan de ETS inkomsten, ook wanneer het ETS2 start in 2027. Door burgers en bedrijven gericht te ondersteunen met het realiseren van emissiereductie en energiebesparing worden hoge CO2-kosten uit het ETS2 vermeden.
Deelt u de mening van de BOnd Van Automobielhandelaren en Garagehouders (BOVAG) dat de opbrengst van ETS-2 ten onrechte in de schatkist verdwijnt?3 Zo nee, waarom niet?
Het Nederlandse begrotingsbeleid is gebaseerd op het principe van scheiding van inkomsten en uitgaven. Dit betekent dat inkomsten in beginsel naar de algemene middelen gaan en niet vooraf geoormerkt worden voor bepaalde uitgaven. Voor het mobiliteitsdomein heeft het kabinet in het regeerprogramma aangekondigd in het voorjaar van 2025 met een plan voor hervorming van de autobelastingen en het aanpalende mobiliteitsbeleid te komen. Hierin neemt het kabinet onder andere de benodigde maatregelen voor het halen van de klimaatdoelen en de zorgen over betaalbaarheid van automobiliteit mee.
Wanneer heeft er een politiek besluit plaatsgevonden om de kosten van ETS-2 bovenop de andere belastingen en accijnzen te plaatsen? Klopt het dat dat besluit nog niet genomen is?
De inkomsten van ETS2 waren onderdeel van het budgettaire basispad ten tijde van de doorrekeningen van het CPB van de verkiezingsprogramma’s (Keuzes in Kaart) en de formatie. In het Hoofdlijnenakkoord is vervolgens afgesproken om de lasten te verlichten. Dit gaat met name om de lasten op arbeid, maar ook de lasten op energie worden verlaagd, via bijvoorbeeld de energiebelasting. Het kabinet heeft er daarnaast voor gekozen om een aantal sectoren, zoals de binnenvaart, vrijwillig onder ETS2 te brengen. De inkomsten van de ETS2 opt-in zijn vervolgens bij Miljoenennota 2025 ingeboekt in het inkomstenkader. Een verdere verlaging van belastingen als compensatie van ETS2-lasten zou leiden tot een lastenrelevante derving onder het inkomstenkader, wat conform begrotingsregels moet worden gedekt.
Ligt het niet in de rede, aangezien de energiebelasting en de accijnzen in Nederland al relatief hoog zijn en deze ook de negatieve externe effecten van CO2-uitstoot goed weerspiegelen, om de extra kosten van ETS-2 te compenseren met een verlaging van deze belasting en accijnzen?
Het evenredig verlagen van de energiebelasting en accijnzen in Nederland zou de impact van het ETS2 op emissiereductie in Nederland tenietdoen. Zoals uit de recente KEV gebleken is, zit Nederland nog niet op een pad om het doel uit de Klimaatwet te halen. Om deze reden heeft het verlagen van de energiebelasting en accijnzen niet de voorkeur. Een verlaging van belastingen als compensatie van ETS2-lasten zou tevens leiden tot een lastenrelevante derving onder het inkomstenkader, wat conform begrotingsregels moet worden gedekt. Het kabinet houdt de lastenontwikkeling voor huishoudens en bedrijven in de gaten en neemt jaarlijks waar nodig maatregelen om de koopkracht te versterken.
Deelt u de mening dat een eerlijke lastenverdeling een belangrijk uitgangspunt zou moeten zijn voor het klimaatbeleid? Heeft u goed in beeld wat de impact op huishoudens en ondernemers zal zijn van het ETS-2? Hoe bent u van plan ervoor te zorgen voor een eerlijke lastenverdeling?
Ja. Het kabinet staat voor een rechtvaardig klimaatbeleid, met aandacht voor handelingsperspectief, solidariteit en draagkracht. Het kabinet heeft daarom oog voor de lasten die volgen uit het beleid dat het kabinet voert. De antwoorden op vraag 2 en 3 gaan in op de verwachte financiële gevolgen van het ETS2. De kosten als gevolg van het ETS2 zijn – vanaf 2027 – een onderdeel van het bredere klimaatbeleid, waarin het kabinet inzet op een gebalanceerde mix van normeren, beprijzen en subsidiëren.
In hoeverre is in de koopkrachtberekening van het Centraal Planbureau (CPB) rekening gehouden met deze extra kosten van ETS voor huishoudens? Hoe zijn deze kosten verrekend in de koopkrachtberekeningen?
De inflatieraming van het CPB op de middellange termijn (waaronder de inflatieraming voor 2027) is op basis van Europese inflatieverwachtingen. In de raming wordt dus impliciet rekening gehouden met ETS2 via de verwachtingen van marktpartijen. Het effect loopt mee in de koopkrachtcijfers via het effect op de consumentenprijzen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei?
Ja.
PBL noemt in de KEV afschaffing van de salderingsregeling |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) noemt in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) afschaffing van de salderingsregeling een van de maatregelen waardoor onder dit kabinet Nederland een flinke stap achteruit doet in het realiseren van de klimaatdoelen; heeft het PBL u hier voor verschijning van de KEV voor gewaarschuwd? Zo ja, wanneer was dat en waarom heeft u de Kamer hier niet over geïnformeerd?
In de Klimaat- en Energieverkenning worden ramingen voor broeikasgasemissies, hernieuwbare energie en energiebesparing gepresenteerd voor de jaren 2030 en 2035, en wordt in beeld gebracht wat de verwachte toekomstige effecten zijn van het klimaat- en energiebeleid in Nederland. De KEV raamt geen effecten van individuele beleidsmaatregelen, dus ook niet van de beëindiging van de salderingsregeling. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft mij niet op voorhand geïnformeerd over de impact van de beëindiging van de salderingsregeling op klimaatdoelen.
In de onlangs gepubliceerde Monitor Zon-PV van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) komt overigens naar voren dat de productie van kleinschalig opgesteld vermogen de verwachtingen bij het sluiten van het Klimaatakkoord ruimschoots overtreffen.1 Bij het sluiten van het Klimaatakkoord werd uitgegaan van een autonome groei van kleinschalig zon naar 7 TWh in 2030 en in 2023 was de jaarlijkse productie van kleinschalig opgesteld vermogen al 9,1 TWh.
Heeft u actief advies ingewonnen over de gevolgen van afschaffing van de salderingsregeling op uitrol van zon op dak en de CO2-impact daarvan? Zo ja, wat kwam hieruit?
Er is met diverse partijen contact geweest over de gevolgen van het beëindigen van de salderingsregeling per 2027. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 1 van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel.2 Verder hebben zowel Berenschot3 als CE Delft en TNO4 gedurende het uitwerken van het wetsvoorstel een onderzoek gepubliceerd naar de gevolgen van het beëindigen van de salderingsregeling. De resultaten hiervan zijn betrokken bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Wat betreft de uitrol van zon op dak zal er sprake zijn van een afnemende groei, maar zullen de investeringen in zonnepanelen naar verwachting niet stilvallen. Het blijft immers lonen om te investeren in zonnepanelen.
Het is niet mogelijk om een inschatting te geven van de CO2-impact van het beëindigen van de salderingsregeling, omdat het effect van deze maatregel samenhangt met andere beleidsmaatregelen. Om deze reden doet het PBL in de KEV ook geen uitspraken over het effect van individuele maatregelen.
Zijn er ambtelijke inschattingen gemaakt van de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling op de uitrol van zon op dak en de CO2-impact daarvan? Zo ja, wat waren die inschattingen?
De inschatting is dat de uitrol van zonnepanelen zal afnemen vergeleken met de afgelopen jaren, maar niet zal stilvallen. In enkele jaren tijd is het aantal huishoudens met zonnepanelen gegroeid van 1 miljoen naar 3 miljoen en de groei van de jaarlijkse productie van kleinschalig opgesteld vermogen naar 9,1 TWh in 2023 overtreft ruim de verwachtingen bij het sluiten van het Klimaatakkoord. Deze groei zal afvlakken, maar volgens de RVO heeft dat voornamelijk te maken met het feit dat de prikkel van de hoge elektriciteitsprijzen uit 2022 er niet meer is. De RVO verwacht dat ook na het beëindigen van de salderingsregeling zonnepanelen zullen blijven zorgen voor een besparing op de energierekening.5 Verder verwachtte het PBL al in de KEV van 2023 dat het groeitempo van het aantal huishoudens met zonnepanelen zou afnemen vanwege de sterke groei van de jaren daarvoor.6 Eerder dit jaar noemde het PBL dat het raadzaam zou zijn om gezien het huidige overaanbod van elektriciteit uit zon-pv eerst het gebruik van elektriciteit door elektrificatie te stimuleren. Daarbij acht het PBL voldoende uitbreiding van het elektriciteitsnet een randvoorwaarde voor het stimuleren van extra zon-pv.7
Het is niet mogelijk om een inschatting te geven van de CO2-impact van het beëindigen van de salderingsregeling, omdat het effect van deze maatregel samenhangt met andere beleidsmaatregelen. Om deze reden doet het PBL in de KEV ook geen uitspraken over het effect van individuele maatregelen.
Zijn er ook adviezen ingewonnen over, of inschattingen gemaakt van de kosten die worden veroorzaakt door de extra CO2-uitstoot door de afschaffing van de salderingsregeling?
Zoals aangegeven geeft het PBL aan dat het geen ramingen maakt in de KEV van de CO2-impact van individuele maatregelen, zoals het beëindigen van de salderingsregeling, omdat het effect van deze maatregel samenhangt met andere beleidsmaatregelen. De salderingsregeling is een zeer effectieve maatregel geweest om de terugverdientijd van zonnepanelen te verkorten en daarmee zon op dak te stimuleren. Volgens de KEV is de productie van zonnestroom door huishoudens gestegen van 13 PJ in 2020 naar 31 PJ in 2023. Ook de RVO benoemt dat de eerdere verwachtingen uit het Klimaatakkoord voor kleinschalige zonnepaneelinstallaties al zijn overtroffen. De RVO verwacht dat ook na het beëindigen van de salderingsregeling zonnepanelen zullen blijven zorgen voor een besparing op de energierekening. Verder verwachtte het PBL al in de KEV van 2023 dat het groeitempo van het aantal huishoudens met zonnepanelen zou afnemen vanwege de sterke groei van de jaren daarvoor.
Bent u ermee bekend dat al in februari ambtenaren de toenmalige Minister van Financiën waarschuwde dat de doelen fors onder druk stonden? Hoe verhoudt het schrappen van de salderingsregeling en van andere klimaatmaatregelen zich hiertoe?
Ik ben bekend met de interne beslisnota’s van het Ministerie van Financiën, die in het kader van actieve openbaarmaking met het Belastingplanpakket 2025 openbaar zijn gemaakt. De conclusie van de interne adviesnota komt overeen met de nieuwe analyse van het PBL. De nieuwe KEV laat namelijk zien dat de kans kleiner dan 5 procent is dat het klimaatdoel voor 2030 wordt gehaald. Hierin is meegenomen dat de salderingsregeling per 2027 wordt beëindigd. Het kabinet houdt vast aan de afgesproken klimaatdoelen en neemt daarom in het voorjaar een besluit over alternatieve maatregelen. In de Klimaatnota heeft het kabinet al de eerste acties aangekondigd gericht op de aanpak van netcongestie en de maatwerkaanpak, onder andere om knelpunten in de uitvoering aan te pakken.
Zoals toegelicht in de eerdere antwoorden zijn de verwachtingen van de productie van kleinschalige zonnepaneelinstallaties sinds het sluiten van het Klimaatakkoord overtroffen. De salderingsregeling wordt beëindigd omdat het zorgt voor overbelasting van het net en er sprake is van een steeds grotere belastingderving. Toch zal de investering in zonnepanelen door huishoudens niet stilvallen: de investering in zonnepanelen blijft immers lonen.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voor aanvang van de tweede termijn van het Belastingplan?
Ja.
De catastrofale situatie in het Zamzam vluchtelingenkamp in Soedan |
|
Sarah Dobbe |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
Bent u bekend met het bericht van Artsen zonder Grenzen (MSF): «Catastrophic situation in Zamzam camp, Sudan: every effort must be made to finally deliver food, medicines and essential supplies to blockaded and starved communities»1?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u bekend met de situatie zoals die geschetst wordt in het persbericht, waarbij melding wordt gemaakt van onder andere uitzonderlijk hoge ondervoedingscijfers die MSF beschrijft als «waarschijnlijk een van de ergste in de wereld momenteel»?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat de regering in het geval van zo een uitzonderlijk ernstige humanitaire situatie meer middelen voor noodhulp ter beschikking zou moeten stellen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet heeft extra middelen voor noodhulp ter beschikking gesteld vanwege de humanitaire situatie. Nederland heeft in april dit jaar, op het moment dat prognoses op mogelijke hongersnood in Soedan duidden, 10 miljoen euro vrijgemaakt voor extra noodhulp aan Soedan en aan Soedanese vluchtelingen in Tsjaad. Ook heeft de Dutch Relief Alliance, gefinancierd vanuit BHO-middelen, in 2024 3 miljoen euro extra vrijgemaakt voor acute hulp aan Soedan en 3 miljoen euro voor opvang van Soedanese vluchtelingen in Tsjaad. Het Central Emergency Relief Fund (CERF), waarvan Nederland een grote donor is, heeft in 2024 66 miljoen US dollar toegekend voor Soedan.
Bent u bereid tegemoet te komen aan de oproepen die Artsen zonder Grenzen in dit persbericht doet? Zo nee, waarom niet?
Nederland onderschrijft de noodzaak voor verbeterde humanitaire toegang. Nederland is in dialoog met zijn humanitaire partners, met andere donoren en met de VN om te bezien wat er mogelijk is om humanitaire toegang te verbeteren. Met dat doel heeft Nederland samen met andere donorlanden op 19 oktober een verklaring doen uitgaan waarin de strijdende partijen en de Soedanese autoriteiten worden opgeroepen ongehinderde humanitaire hulp mogelijk te maken2. Op 13 november jongstleden hebben de autoriteiten in ieder geval de toegang voor humanitaire goederen vanuit Tsjaad via de Adre-grensovergang voor drie maanden verlengd.
Komt u tegemoet aan de oproep van Artsen zonder grenzen om ook via luchtdroppingen noodhulp te leveren, in lijn met de aangenomen motie Dobbe c.s.?2 Zo nee, waarom niet?
Er wordt voortdurend gekeken naar mogelijkheden om hulp bij de noodlijdende bevolking in Soedan te krijgen. De zeer sterke voorkeur gaat daarbij uit naar hulp over land. Daarmee kunnen grotere hoeveelheden hulp geleverd worden. Luchtdroppingen zijn echt een laatste redmiddel als andere opties uitgeput zijn. In het algemeen zijn ze riskant, zeker in situaties waar gevochten blijft worden en de facto autoriteiten of strijdende partijen geen toestemming geven. Tevens zijn luchtdroppings minder effectief gezien de beperkte volumes hulpgoederen die op deze manier de bevolking kunnen bereiken. Noodhulp via luchtdroppingen wordt daarom niet overwogen.
Hoe gaat u opvolging geven aan de aangenomen motie Dobbe3 over zich inspannen en pleiten voor het instellen van een VN-wapenembargo voor heel Soedan?
Het kabinet heeft opvolging gegeven aan deze motie door tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 14 oktober 2024 te pleiten voor een dergelijke uitbreiding. Hier is in de Raad Buitenlandse Zaken van 16 november ook opvolging aan gegeven door Duitsland, dat opriep om het wapenembargo naar heel Soedan uit te breiden. Nederland spant zich hier ook in VN-kader in New York voor in.
Welke diplomatieke initiatieven ondersteunt Nederland momenteel om het geweld in Soedan te stoppen?
Momenteel lijken beide partijen niet genegen te onderhandelen over een staakt-het-vuren; er vinden momenteel geen actieve bemiddelingspogingen plaats. Bij de laatste onderhandelingen van afgelopen zomer die geleid werden door de ALPS groep (Aligned for Advancing Lifesaving and Peace in Sudan – onder andere de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië, Egypte, Verenigde Arabische Emiraten, Afrikaanse Unie en Zwitserland) over een staakt-het-vuren, was de Europese Unie niet actief betrokken. Wel engageert de EU-Hoorngezant intensief met beide partijen en betrokken actoren om gesprekken over een staakt-het-vuren, ook op lokaal niveau, te bevorderen.
Op welke manier draagt de regering bij aan de wederopbouw van Soedan op het moment dat de burgeroorlog daar voorbij is?
Nederland blijft actief in Soedan met ontwikkelingshulp, met aangepaste programma’s die passen bij de huidige context. Deze zijn onder andere gericht op voedselzekerheid, mensenrechten en private sector ontwikkeling. Daar waar sprake is van enige stabiliteit zijn of worden lopende programma’s weer op de langere termijn en dus op wederopbouw gericht. Daarnaast blijft Nederland, onder andere via de Europese Unie, civiele actoren in Soedan steunen bij het vormgeven van een inclusief politiek proces zodra een staakt-het-vuren is bereikt.
Hoe wordt bij de verdeling van humanitaire hulp, in Soedan en in het algemeen, rekening gehouden met gemarginaliseerde groepen zoals vrouwen en meisjes die vaak minder goed toegang hebben tot humanitaire hulp?
Coördinatie van hulp en prioriteitsstelling vinden plaats via humanitaire respons plannen die door de Verenigde Naties per jaar en per crisis worden opgesteld. Deze plannen zijn gebaseerd op degelijk onderbouwde inschattingen van de behoeften van getroffen burgers. Daarbij is er nadrukkelijk aandacht voor de positie van vrouwen en meisjes, en ook voor andere kwetsbare groepen.
Hoe zet het kabinet zich in tegen het inzetten van seksueel geweld als wapen? Is het kabinet bereid additionele middelen en capaciteit beschikbaar te maken in de bestrijding hiervan? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet in op het tegengaan en aanpakken van conflict-gerelateerd seksueel geweld, onder meer door het bieden van bescherming en hulp aan slachtoffers en overlevenden. Zo heeft onder andere Nederland succesvol gepleit voor EU-sancties tegen daders van ernstige mensenrechtenschendingen zoals conflict-gerelateerd seksueel geweld. Afgelopen september nam de Minister van Buitenlandse Zaken deel aan een bijeenkomst tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN), georganiseerd door Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland. Hier werd steun betuigd aan slachtoffers en overlevenden van conflict-gerelateerd seksueel geweld en aandacht gevraagd voor accountability en straffeloosheid. Ook financiert Nederland hulporganisaties in Soedan, die seksueel geweld onder de aandacht blijven brengen en steun bieden aan slachtoffers, ook in vluchtelingenkampen. Daarnaast ondersteunt Nederland twee organisaties op het gebied van monitoren en documenteren van mensenrechtenschendingen, waaronder seksueel geweld.
Nederland heeft zich verder ingezet voor de oprichting door de VN van de Fact Finding Mission voor Soedan, welke ook aandacht besteedt aan conflict-gerelateerd seksueel geweld door bewijs te verzamelen van misdrijven zoals verkrachting en seksuele slavernij. Nederland heeft recent een financiële bijdrage geleverd aan het VN mensenrechtenkantoor (OHCHR) in Soedan voor de registratie en documentatie van misdaden begaan tijdens het conflict. Hoewel het niet mogelijk is direct bij te dragen aan de Fact Finding Mission, ondersteunt dit OHCHR-project wel indirect het werk daarvan.
Op welke manier draagt dit kabinet bij aan onderzoek van oorlogsmisdaden, het veiligstellen van bewijs en het inzetten van vervolging van daders alsmede het tegengaan van straffeloosheid?
Het is van groot belang dat bewijzen van internationale misdrijven, waaronder oorlogsmisdrijven, in Soedan verzameld, geconsolideerd, bewaard en geanalyseerd worden. Nederland heeft zich dan ook ingezet voor de oprichting van de Fact Finding Mission voor Soedan door de VN Mensenrechtenraad in oktober 2023. Deze heeft het mandaat om mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair oorlogsrecht in Soedan te onderzoeken. Mede door actieve inzet van Nederland is in oktober 2024 het mandaat van de Fact Finding Mission met een jaar verlengd. Daarnaast doet het Internationaal Strafhof onderzoek naar de misdrijven die zijn gepleegd in Darfoer. Nederland heeft de afgelopen jaren een extra vrijwillige bijdrage aan het Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de algemene onderzoekscapaciteit van het Hof. Ook ondersteunt Nederland twee organisaties op het gebied van monitoren en documenteren van mensenrechtenschendingen.
Het bericht dat gemeenten volgend jaar minder geld krijgen voor de opvang van Oekraïners |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gemeenten krijgen volgend jaar minder geld voor opvang Oekraïners»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat er momenteel 91.280 beschikbare bedden zijn voor Oekraïense vluchtelingen met een bezettingsgraad van 99,7%?
Ja.
Klopt het dat het streven van het kabinet is om voor 1 januari 2025, 125.000 opvangplekken te creëren voor Oekraïense ontheemden? Zo ja, hoe zet het kabinet zich ervoor in dat die extra 34.000 bedden in iets meer dan twee maanden tijd gerealiseerd worden?
Gelet op het te verwachten aantal ontheemden uit Oekraïne in juli 2025, is het benodigde aantal gemeentelijke opvangplekken voor 1 juli 2025 bijgesteld tot 109.000. Dit betreft een inspanningsverplichting. Ik ben mij ervan bewust dat dit een uitdagende opgave is voor de gemeenten in Nederland, met name ook gelet op de grote opgave in de reguliere asielketen. Het Rijk zet de ondersteuning aan gemeenten bij het realiseren van gemeentelijke opvangplekken dan ook onverminderd voort. De Nationale Opvang Organisatie voor ontheemden uit Oekraïne zal alle gemeenten en samenwerkingsverbanden blijven ondersteunen met bemiddeling, advies en met financiële middelen. Het uitgangspunt hierbij is dat gemeenten geen financieel nadeel ondervinden van de opvangtaak voor ontheemden uit Oekraïne.
Kunt u, in het licht van deze opgave, toelichten waarom het kabinet het normbedrag dat gemeenten ontvangen voor de opvang van Oekraïense ontheemden met zo’n 30% wil verlagen naar 45 euro per dag?
Gemeenten krijgen sinds 2022 een vergoeding vanuit de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne (BooO). De normbedragen die gemeenten vanuit de BooO ontvangen worden jaarlijks herijkt, zodat zij aan blijven sluiten bij de werkelijke kosten die gemeenten maken. De inzichten uit het kostprijsonderzoek in 2024 hebben ertoe geleid dat de normbedragen worden verlaagd. Het nieuwe normbedrag voor de gemeentelijke opvang (GOO) bedraagt per 1 januari 2025 € 44 per plek per dag. Het nieuwe normbedrag voor de particuliere opvang (POO) bedraagt per 1 januari 2025 € 48 per geregistreerde persoon per maand. Dit bedrag is lager dan vorig jaar mede doordat de relatief dure accommodatietypen zoals hotels en schepen alsmede de kosten voor catering uit de opbouw van het normbedrag zijn gehaald.
Mochten de kosten hoger uitvallen dan het normbedrag, dan kunnen gemeenten, net als nu al mogelijk is, op basis van de uitzonderingsbepaling de werkelijke gemaakte kosten per gerealiseerde plek per dag declareren. Daarbij kunnen de gemeenten de kosten voor de voorbereiding van nieuwe bedden op aanvraag eveneens vergoed krijgen, naast het normbedrag. Dit betekent dat de bekostiging geen drempel hoeft te vormen bij het creëren van nieuwe opvangplekken.
Deelt u de mening dat het substantieel verlagen van het normbedrag voor de opvang van Oekraïense ontheemden ertoe zal bijdragen dat gemeenten geen nieuwe bedden kunnen regelen? Zo nee, waarom niet?
Nee. In de zomer van 2024 is er opnieuw een onafhankelijk kostprijsonderzoek uitgevoerd naar de samenstelling van de kosten die gemeenten maken voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne. De inzichten die uit het onderzoek naar voren komen, op basis van input van gemeenten die aan het onderzoek hebben deelgenomen, dienen als basis voor de aanpassingen in zowel het normbedrag voor de GOO als de POO per 1 januari 2025. Mochten de kosten hoger uitvallen dan het normbedrag, dan kunnen gemeenten, net als nu mogelijk is, op basis van de uitzonderingsbepaling de werkelijke gemaakte kosten per gerealiseerde plek per dag declareren. Daarbij kunnen de gemeenten de kosten voor de voorbereiding van nieuwe bedden op aanvraag eveneens vergoed krijgen, naast het normbedrag. Dit betekent dat de bekostiging geen drempel hoeft te vormen bij het creëren van nieuwe opvangplekken.
Deelt u de mening dat we (vluchtelingen uit) Oekraïne in de kou laten staan als we de opvangcapaciteit niet snel op orde krijgen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment worden er bijna 92.000 ontheemden uit Oekraïne opgevangen in gemeentelijke opvanglocaties. Ontheemden hebben recht op opvang onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en er dient te worden voorkomen dat ontheemden geen opvangplek vinden. Mocht een gemeente geen opvangplek hebben voor een ontheemde, omdat er onvoldoende opvangplekken beschikbaar zijn, dan kan deze gemeente contact opnemen met gemeenten in de regio om regionaal en daarna landelijk naar een opvangplek te zoeken. Mocht dat niet lukken, dan draagt de gemeente zorg voor crisisnoodopvang. Vanuit het Rijk wordt dit gefinancierd. Het uitgangspunt van de bekostiging is dat gemeenten geen financieel nadeel ondervinden van de opvangtaak voor ontheemden uit Oekraïne. Zoals hierboven vermeld blijft de uitzonderingsbepaling in stand. Dit houdt in dat gemeenten werkelijke kosten per gerealiseerde plek per dag kunnen declareren wanneer zij niet uitkomen met het normbedrag. Dit betekent dat de bekostiging geen drempel hoeft te vormen bij het creëren van nieuwe opvangplekken.
Klopt het dat door de hoge bezettingsgraad er nauwelijks nog ruimte is voor overplaatsing naar andere locaties/gemeenten in de regio, bijvoorbeeld als dit ten goede zou komen van de veiligheid van de bewoners?
Er is al lange tijd sprake van een hoge bezettingsgraad waardoor er weinig opvangplekken beschikbaar zijn voor ontheemden, ook in het geval van overplaatsing. Gemeenten hebben de mogelijkheid om ontheemden binnen hun eigen gemeente te verplaatsen naar een andere opvangplek/locatie indien dit nodig is of kunnen andere regio’s vragen om hulp. We zien dat regio’s in nauw contact staan met elkaar en elkaar helpen indien overplaatsing nodig is. In de praktijk wordt in dit soort gevallen gezamenlijk een oplossing gevonden.
Kunt u garanderen dat de leefbaarheid en veiligheid op opvanglocaties niet in het geding komt, als de opvang goedkoper en/of soberder wordt ingericht? Zo ja, hoe?
De verlaging van het normbedrag is op basis van het onafhankelijk kostprijsonderzoek uitgevoerd naar de samenstelling van de kosten die gemeenten gemiddeld maken voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne. De nieuwe normbedragen zijn niet gericht op het soberder inrichten van de opvang. Zoals hierboven vermeld is het lagere bedrag mede het gevolg van het feit dat de relatief dure accommodatietypen zoals hotels en schepen alsmede de kosten voor catering uit de opbouw van het normbedrag zijn gehaald. Zoals hierboven ook vermeld blijft de uitzonderingsbepaling in stand. Dit houdt in dat gemeenten werkelijke kosten per gerealiseerde plek per dag kunnen declareren wanneer zij niet uitkomen met het normbedrag.
Kunt u aangeven of de stijging van de kosten zich heeft doorgezet, zoals de gemeenten dat verwachten, blijkend uit het kostprijsonderzoek opvang ontheemden Oekraïne 2023 waarin wordt gesteld dat er sprake is van een stijging van de kosten, mede door een algemene prijsontwikkeling, en dat gemeenten verwachten dat de kosten verder zullen stijgen in 2024 en 2025? Zo ja, aan welke kostencomponenten lag dat voornamelijk en waarom kiest u dan toch voor het verlagen van het normbedrag?2
De verwachte kostenstijging heeft op de meeste kostencomponenten (8 van de 10) niet doorgezet. Bij 2 van de 10 kostencomponenten, namelijk «gas, water, licht» en «verstrekkingen dagbesteding», is echter wel een stijging te zien ten opzichte van 2023. Deze kostenstijgingen, evenals de verwachte inflatie voor 2025, zijn verwerkt in de aangepaste normbedragen die per 1 januari 2025 van kracht zijn.
Heeft u in kaart gebracht met hoeveel procent het aantal gemeenten dat hogere kosten dan het normbedrag maakt zal toenemen door de verlaging van het normbedrag met 30%, gezien volgens het kostprijsonderzoek opvang ontheemden Oekraïne 2023 circa 15% van de gemeenten hogere kosten dan het huidige normbedrag van 61 euro per dag maakt? Zo ja, klopt het beeld dat 70% van de gemeenten geen opvangplekken kan creëren voor het nieuwe normbedrag? Zo nee, wilt u dit alsnog in kaart brengen?
Nee, dit heb ik niet in kaart gebracht. Zoals hierboven vermeld blijft de uitzonderingsbepaling is stand. Dit houdt in dat gemeenten werkelijke kosten per gerealiseerde plek per dag kunnen declareren wanneer zij niet uitkomen met het normbedrag. Dit betekent dat de bekostiging geen drempel hoeft te vormen bij het creëren van nieuwe opvangplekken.
Kunt u aangeven op welke kostencomponenten gemeenten precies kunnen bezuinigen om de opvang voor Oekraïense ontheemden te kunnen blijven realiseren met een verlaging van het normbedrag met 30%?
Zoals hierboven vermeld zijn de nieuwe normbedragen niet gericht op soberdere opvang. De verlaging van het normbedrag komt mede doordat de relatief dure accommodatietypen zoals hotels en schepen alsmede de kosten voor catering, uit de opbouw van het normbedrag zijn gehaald. De uitzonderingsbepaling blijft in stand. Dit houdt in dat gemeenten werkelijke kosten per gerealiseerde plek per dag kunnen declareren wanneer zij niet uitkomen met het normbedrag.
Vindt u dat de opvang voor Oekraïners ook versoberd moet worden, aangezien u vaak heeft aangegeven dat uw doel is om de asielopvang te versoberen en over te gaan tot grote opvanglocaties? Zo ja, op welke punten? Welke onderdelen van de opvang voor ontheemden uit Oekraïne horen daar wel bij en welke onderdelen niet?
Het doel is om ook per 1 januari 2025 reële compensatie te blijven bieden aan gemeenten die kosten maken voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Mochten gemeenten niet uitkomen met het normbedrag blijft daarom de uitzonderingsbepaling in stand, waarbij gemeenten werkelijke kosten per gerealiseerde plek per dag kunnen declareren. De nieuwe normbedragen zijn niet gericht op het soberder inrichten van de opvang. Daarbij zet ik mij wel in voor het ontmoedigen van relatief dure accommodatietypen zoals hotels en schepen alsmede de kosten voor catering, door deze kostencomponenten uit de opbouw van het normbedrag te halen.
Vanaf wanneer wordt het normbedrag verlaagd en wat is het gevolg van deze bijstelling voor lopende contracten van gemeenten met aanbieders van (opvang)locaties, waarbij gemeenten op basis van het huidige normbedrag per dag een contract hebben afgesloten?
De herijkte normbedragen gelden per 1 januari 2025. Indien gemeenten als gevolg van deze bijstelling niet uitkomen kunnen zij, zoals hierboven vermeld, een beroep doen op de uitzonderingsbepaling. Daarmee hoeven gemeenten geen financieel nadeel van de opvang van ontheemden uit Oekraïne te ondervinden.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Asiel en Migratie op 5 november 2024?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk in behandeling genomen. In verband met de voorbereidingen voor de begrotingsbehandeling en dat de beantwoording afstemming heeft gevraagd met andere departementen is dit niet voor 5 november 2024 gelukt.
Antwoorden op eerdere schriftelijke vragen over studiefinanciering voor internationale studenten |
|
Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel internationale studenten een aanvullende beurs krijgen? Kunt u deze gegevens uitsplitsen over de afgelopen vijf jaar? Kunt u dit uitsplitsen naar master- en bacheloropleidingen, hbo en wo en naar het aantal studenten dat een basisbeurs ontvangt?1
Ik beschik op dit moment nog niet over alle benodigde gegevens om een compleet beeld te geven van het aantal studenten uit EER-landen en Zwitserland die de afgelopen vijf jaar een aanvullende beurs hebben ontvangen en de daarbij gevraagde uitsplitsingen. Deze gegevens zal ik, zoals eerder aan uw Kamer toegezegd, komend voorjaar met uw Kamer delen als onderdeel van de monitor over het effect van de herinvoering van de basisbeurs op het aantal EER-studenten dat in Nederland komt studeren. Deze monitor is mede opgezet naar aanleiding van de motie El Yassini en Peters2 en over de invulling van deze monitor heb ik uw Kamer reeds geïnformeerd3.
Om een goede vergelijking tussen verschillende jaren en verschillende databronnen te kunnen maken, is het van belang dat deze op dezelfde definities, periodes en peildata gebaseerd zijn. In het geval van studiefinanciering worden de uitgaven en ramingen gebaseerd op gegevens per kalenderjaar. Om bovenstaande redenen en voor een zo volledig mogelijk beeld wil ik de studiefinancieringsgegevens van de laatste maanden van 2024 ook meenemen. Daarbij zijn voor een vergelijking van het relatieve aantal EER-studenten met een aanvullende beurs in vergelijking met Nederlandse studenten inschrijvingsgegevens nodig over het aantal studenten (EER en Nederlands) in studiejaar 2024–2025. Deze gegevens zijn op dit moment nog niet bekend.
Kunt u aangeven wat de meest voorkomende nationaliteiten zijn in de groep internationale studenten die nu een aanvullende beurs ontvangen, en of specifieke lidstaten oververtegenwoordigd zijn vergeleken met het totale aantal internationale studenten?
Het is voor mij op korte termijn niet mogelijk om de gevraagde gegevens te leveren. De reden hiervoor is dat DUO de nationaliteit van een niet-Nederlandse student niet registreert in het studiefinancieringssysteem. Dit gegeven is niet noodzakelijk voor de uitvoering van de studiefinancieringswetgeving. DUO hoeft bij het toekennen van studiefinanciering aan deze student enkel vast te stellen of deze student de juiste verblijfstitel heeft. De nationaliteit is daarom binnen het studiefinancieringsstelsel niet relevant.
Om uw Kamer de gevraagde informatie wel te kunnen leveren, zullen studiefinancieringsgegevens gekoppeld moeten worden aan andere gegevensbestanden bij de rijksoverheid. Met het koppelen van gegevensbestanden hoort de overheid zeer zorgvuldig om te gaan. De komende periode ga ik onderzoeken of deze koppeling tot stand kan én mag worden gebracht. De benodigde koppeling dient zorgvuldig te worden uitgewerkt met zowel oog voor de uitvoerbaarheid als de wet- en regelgeving ten aanzien van het gebruik van persoonsgegevens. In de reeds toegezegde monitor die ik dit voorjaar naar uw Kamer zal sturen4, zal ik u verder informeren over de voortgang van dit informatieverzoek.
Kunt u inzicht verschaffen in de gronden waarop deze aanvullende beurzen worden toegekend?
Zoals hiervoor toegelicht beschik ik op dit moment nog niet over alle benodigde gegevens om uitsplitsingen te maken over het aanvullende beurs gebruik van EER-studenten. Om die reden ga ik de verschillende gronden waarop EER-studenten een aanvullende beurs krijgen toegekend dit voorjaar inzichtelijk maken en opnemen als onderdeel van de monitor over het effect van de herinvoering van de basisbeurs op het aantal EER-studenten dat in Nederland komt studeren.
In algemene zin geldt dat EER-studenten aanspraak maken op studiefinanciering wanneer zij reeds vijf jaar of langer legaal verblijven in Nederland, of wanneer zij zelf, hun ouder of partner, kwalificeren als migrerend werknemer. Voor wat betreft het bepalen van het recht op een aanvullende beurs gelden dezelfde regels voor studenten met de Nederlandse nationaliteit als voor studenten uit overige EER-landen en Zwitserland.
Hoe vaak ontvangen internationale studenten een aanvullende beurs ten opzichte van Nederlandse studenten?
Zie antwoord vraag 1.
Bij hoeveel van de toegekende aanvullende beurzen voor internationale studenten wordt het inkomen van in ieder geval een van de ouders niet meegewogen en hoe verhoudt dit zich tot Nederlandse studenten?
Op 1 september 2023 is aan 50.324 studenten een aanvullende beurs toegekend waarbij voor minimaal één ouder het inkomen niet is meegewogen. Hierbij betreft het 7.210 internationale studenten waarvan 2.067 EER-studenten en 5.143 studenten die op basis van een specifieke verblijfvergunning recht hebben op studiefinanciering. Studenten die in Nederland recht hebben op studiefinanciering op basis van duurzaam verblijf5 tellen in deze aantallen niet mee bij het aantal internationale en EER-studenten. Deze groep is meegenomen bij de studenten met een Nederlandse nationaliteit.
Een belangrijke kanttekening is dat DUO bij het niet mee laten wegen van het inkomen van een of beide ouders alleen kijkt of iemand recht heeft op studiefinanciering. Of het een Nederlandse student betreft, een EER-student of een student die op basis van een verblijfsvergunning recht heeft op studiefinanciering wordt in dit proces niet geregistreerd.
In de reeds toegezegde monitor die ik dit voorjaar naar uw Kamer zal sturen6, zal ik u informeren over actuele cijfers ten aanzien van internationale studenten waarbij het inkomen van een of beide ouders niet is meegewogen bij het toekennen van een aanvullende beurs.
Hoe stelt de Dienst Uitvoering Onderwijs het inkomen van ouders van internationale studenten vast en als dit niet met zekerheid valt te achterhalen wordt er dan een inschatting gemaakt en, zo ja, hoe?
Het is afhankelijk van waar de ouders van de internationale student belastingplichtig zijn hoe het inkomen wordt vastgesteld. Als de ouders in Nederland belastingplichtig zijn, bijvoorbeeld omdat zij hier werken en hun kinderen afgeleid daarvan recht krijgen op volledige studiefinanciering, worden de inkomensgegevens opgevraagd bij de Belastingdienst. Dit gaat geheel automatisch. Ook wanneer de ouders van de student reeds een zogenoemd Wereldinkomen hebben aangevraagd bij de Belastingdienst, wordt dit door de Belastingdienst met DUO gedeeld.
Als er geen inkomen bekend is bij de Belastingdienst dan wordt het inkomen van de ouders opgevraagd bij de ouders. De student moet dan bewijsstukken aanleveren om het inkomen van de ouders vast te stellen. Op basis van bijvoorbeeld de jaaropgave en belastingaangifte benadert DUO het toetsingsinkomen van deze ouders dan zo goed mogelijk. Als er geen bewijsstukken worden aangeleverd, wordt ervanuit gegaan dat het inkomen van de ouders voldoende is om de student zelf te ondersteunen. Er wordt dan geen aanvullende beurs toegekend aan de student.
Het schrappen van de subsidie op het godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU), Harmen Krul (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Hoeveel leerlingen ontvangen dit schooljaar godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op een openbare basisschool?
Ongeveer 50.000 leerlingen ontvangen vormingsonderwijs. Daarnaast zijn scholen vanuit de wettelijke kaders verplicht om aandacht te besteden aan identiteitsvorming via onder andere het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht. Dit onderwijs moet gegeven worden aan alle leerlingen.
Hoe verhoudt uw voornemen om de subsidie op het godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te schrappen zich tot de wettelijke opdracht van artikel 192 van de Wet op het primair onderwijs om subsidie te verstrekken aan de organisatie voor vormingsonderwijs en de duidelijke kaders die daarvoor bij de wetsbehandeling geschetst zijn? Onderkent u dat het schrappen van de subsidie niet mogelijk is zonder wetswijzing?
Met het wegvallen van de bekostiging aan het Centrum voor Vormingsonderwijs (hierna: CvV), valt hun bron van financiering weg. De bekostiging is op dit moment wettelijk geborgd. Voor de beëindiging van de subsidie wordt een voorstel tot wetswijziging gedaan. De financiering is nog voorzien in 2025 en 2026. De komende tijd wordt het juridische proces rondom het stopzetten van de subsidie per 2027 in gang gezet.
Wat is uw reactie op de constatering van het Centrum voor Vormingsonderwijs dat «[m]et dit voornemen het openbaar onderwijs op achterstand [wordt] gezet ten opzichte van het bijzonder onderwijs», omdat openbare scholen nu niet meer tegemoet kunnen komen «aan de terechte vraag naar levensbeschouwelijke vorming»?1
Scholen zijn vanuit de wettelijke kaders ook verplicht aandacht te geven aan de identiteitsontwikkeling van kinderen via onder andere het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht. Scholen (zowel openbaar als bijzonder) worden dus niet op achterstand gezet, maar blijven dezelfde bekostiging houden om invulling te geven aan deze wettelijke kaders.
Vanwege de taakstelling moeten er keuzes gemaakt worden. Hierbij is ervoor gekozen het primaire proces van onderwijs (kort gezegd: het verplichte curriculum, opgenomen in de kerndoelen en de burgerschapsopdracht) te ontzien. Vormingsonderwijs is niet opgenomen in dit verplichte curriculum. Hiervoor is vastgelegd dat het aanvullend op verzoek van ouders kan worden aangeboden, ter verrijking van de identiteitsontwikkeling van kinderen.
Verwacht u dat scholen na het schrappen van de subsidie evengoed in staat zijn de leerlingen in de gelegenheid te stellen godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen? Kunt u die verwachting onderbouwen? Hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat de subsidie in verband staat met het gewenste hoge kwaliteitsniveau, wat onder andere tot uitdrukking komt in het toepassen van de bevoegdheidseisen?
Die verwachting is er niet. Openbare scholen worden niet bekostigd om godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te geven. Dat past niet bij de aard van openbaar onderwijs. Wel zijn openbare scholen verplicht om via onderwijs over kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht leerlingen voor te bereiden op deelname aan een pluriforme samenleving. Hierbij doen leerlingen kennis op van de verschillende wereldreligies. Ze leren zich ook vanuit hun eigen waarden te verhouden tot mensen met een andere (levensbeschouwelijke) overtuiging. Het vormingsonderwijs is een aanvullend aanbod, buiten het verplichte curriculum van de school. De beëindiging van de subsidie aan het CvV raakt niet het primaire proces van scholen.
De hoge kwaliteit van het huidige vormingsonderwijs komt mede door de bevoegdheidseisen aan vakleerkrachten. Eventuele vragen ten aan de kwaliteit hebben geen rol gespeeld in het voorgenomen besluit de subsidie te beëindigen. Aan deze afweging ligt vooral ten grondslag dat we het primaire proces willen ontzien en dat de versterking van burgerschapsonderwijs ook bijdraagt aan identiteitsontwikkeling.
Erkent u dat levensbeschouwelijk vormingsonderwijs meer is dan «leerlingen kennis laten opdoen van verschillende godsdiensten», maar het ook gaat over het stellen van levensvragen, het zoeken naar een persoonlijk antwoord daarop en het helpen ontwikkelen van een eigen levensbeschouwelijke identiteit en op deze manier geen opdracht vanuit burgerschap is, zoals het Centrum voor Vormingsonderwijs stelt?
Ja, identiteitsvorming van leerlingen is van wezenlijk belang. We zien dat vormingsonderwijs breder is dan alleen kennis laten opdoen van verschillende godsdiensten. Bij vormingsonderwijs is de docent niet neutraal maar geeft hij vanuit de eigen overtuiging les. Vormingsonderwijs draagt echter niet alleen bij aan identiteitsvorming. Onderwijs over bijvoorbeeld het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht draagt ook bij aan de identiteitsontwikkeling van kinderen. Dit aanbod is verplicht vanuit de wet en kerndoelen. In de aangescherpte burgerschapsopdracht van 2021 is opgenomen dat de school leerlingen kennis over en respect voor verschillen in o.a. godsdienst en levensovertuiging moet bijbrengen. De aanvullende waarde van deze subsidieregeling is daarmee afgenomen, zeker daar waar het vormingsonderwijs wordt verstrekt in carrouselvorm. Bij het carrouselmodel ontvangen leerlingen namelijk in lessenserie vormingsonderwijs over verschillende levensbeschouwingen, in plaats van dat leerlingen het hele jaar les krijgen over één specifieke levensbeschouwing. Wij denken dat scholen met het onderwijs over burgerschap en Geestelijke stromingen een groot deel van het aanbod van vormingsonderwijs zullen opvangen en dat leerlingen voldoende ruimte krijgen om te leren van en over elkaars geloof en levensovertuigingen en daarbij hun eigen identiteit verder te ontwikkelen.
Heeft u voorafgaande dit besluit gesproken met ouders die veel waarde hechten aan dit godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk onderwijs? Wat kunt u delen over deze gesprekken?
Voorafgaand aan dit besluit is niet direct gesproken met ouders van kinderen die vormingsonderwijs ontvangen. Dat is ook niet gangbaar bij dergelijke besluiten. Wel geeft het evaluatierapport enkele inzichten in de positie van ouders ten aanzien van het vormingsonderwijs in de praktijk. Uit de eerste resultaten blijkt dat het aanbod aan vormingsonderwijs op veel scholen in beperkte mate tot stand komt op verzoek van ouders, terwijl het de uitdrukkelijke bedoeling van de regeling is dat ouders de vragende partij zijn. Het evaluatierapport zal begin volgend jaar naar uw Kamer gestuurd worden.
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden voorafgaand aan de behandeling van de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?
De vragen zijn op 27 november aan uw Kamer gezonden.
De loonruimte voor apotheekmedewerkers |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
In hoeverre is de oveheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (OVA) door de zorgverzekeraars verwerkt in de tarieven voor de apotheekzorg?
Ik ga er vanuit dat zorgverzekeraars zich ook voor de apotheekzorg houden aan de afspraak uit het Integraal Zorgakkoord (IZA) om als startpunt van de onderhandeling de ova als index voor loonstijgingen te hanteren. Ook in de Handvatten Contractering en Transparantie gecontracteerde zorg van de NZa is deze afspraak als richtsnoer opgenomen. Indien zorgverzekeraars zich hier niet aan houden, dan kunnen partijen dat melden bij de NZa. Overigens betekent de IZA-afspraak niet dat zorgverzekeraars helemaal geen kortingen of opslagen mogen toepassen, nadat de ova als startpunt van de onderhandelingen is doorvertaald in de tarieven. Eventuele kortingen of opslagen die daarna worden voorgesteld, moeten wel altijd inzichtelijk worden gemaakt aan de wederpartij.
In hoeverre in de praktijk ook altijd de ova als startpunt van de onderhandelingen is doorvertaald in de tarieven, kan ik niet beoordelen. Daarvoor zou inzicht nodig zijn in alle individuele contractonderhandelingen tussen zorgverzekeraars en aanbieders binnen de apotheekzorg. Dat inzicht heb ik niet. Op basis van alleen de uitkomst van de onderhandelingen (het afgesproken tarief) kan dit ook niet beoordeeld worden. Naast indexatie kunnen er immers ook nog andere op- of afslagen worden afgesproken. Uiteindelijk worden er overeenkomsten tussen zorgverzekeraars en apotheken gesloten met instemming van beide partijen.
Is de 368 miljoen euro die geraamd is voor de groei van lonen en prijzen in de apotheekzorg nu daadwerkelijk beschikbaar voor de onderhandelingen voor de cao?1
Die € 368 miljoen betreft een macro-bijstelling op het kader ten behoeve van enerzijds het opvangen van prijsstijgingen van materiaal en anderzijds het bieden van marktconforme loonruimte binnen de apotheeksector. Het grootste deel van die € 368 miljoen euro – namelijk € 319 miljoen euro – is geraamd in verband met verwachte prijsstijgingen van materiaal (o.a. geneesmiddelen). Partijen bepalen echter uiteindelijk zelf op welke wijze deze middelen worden ingezet.
Bij wie ligt die 368 miljoen euro nu precies? Is die door de zorgverzekeraars volledig verwerkt in de tarieven en ligt dat bedrag nu bij de apotheken, of ligt die deels nog bij de zorgverzekeraars?
De € 368 miljoen euro is geen geoormerkt geld, maar maakt integraal onderdeel uit van het kader voor farmaceutische zorg. Zorgverzekeraars Nederland is – zoals ieder jaar na Prinsjesdag – geïnformeerd over de loon- en prijsbijstelling 2025 binnen de verschillende Zvw-sectoren, waaronder de farmaceutische zorg. Daarnaast hebben verschillende partijen, waaronder de Zorgverzekeraars Nederland nog een aparte brief gekregen over het totaal beschikbare budget over 2025. De ophoging van het kader voor apotheekzorg werkt door in de hoogte van de bijdrage die zorgverzekeraars ontvangen vanuit het zorgverzekeringsfonds voor 2025. Verder is het aan zorgverzekeraars om bij het vaststellen van de hoogte van de nominale zorgpremie rekening te houden met de geraamde loon- en prijsbijstelling. Zij stemmen de hoogte van hun premie immers af op de verwachte zorgkosten. Verzekeraars ontvangen dus middelen via enerzijds het zorgverzekeringsfonds en anderzijds via de nominale premie die verzekerden betalen.
Vervolgens maken verzekeraars afspraken met aanbieders over te leveren zorg en bijbehorende tarieven. Daarbij geldt – zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 – dat in het IZA is afgesproken dat als startpunt van de onderhandeling de ova als index voor loonstijgingen wordt gehanteerd en dat deze afspraak ook als richtsnoer is opgenomen in de Handvatten Contractering en Transparantie gecontracteerde zorg van de NZa. De bedoeling is dat de contractonderhandelingen uiterlijk 12 november zijn afgerond met het oog op het overstapseizoen voor verzekerden. De daadwerkelijke zorguitgaven (en inkomsten voor aanbieders) hangen vervolgens af van de gemaakte contractafspraken en de zorg die in 2025 wordt geleverd. Zoals eerder aangegeven is maar een deel van het kader farmaceutische zorg gerelateerd aan personele inzet. Het grootste deel hangt samen met materiële kosten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de zorgverzekeraars, de werkgevers en het ministerie niet steeds naar elkaar blijven wijzen voor de financiering van een fatsoenlijke loonsverhoging voor zorgverleners?
Binnen het zorgverzekeringsstelsel zijn er duidelijk taken en verantwoordelijkheden. Het Ministerie van VWS stelt jaarlijks extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar via het ophogen van de financiële kaders, om zo marktconforme loonontwikkeling binnen de zorg mogelijk te maken. Vervolgens onderhandelen verzekeraars en aanbieders over contracten, waarbij zorgverzekeraars een zorgplicht hebben om voldoende zorg in te kopen voor hun verzekerden. Ook zijn zorgverzekeraars en zorgaanbieders in eerste instantie verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van zorg. VWS is geen partij in de contractonderhandelingen tussen verzekeraars en apotheken. Het betreft vrije tarieven. Tot slot is het aan sociale partners in de zorg om afspraken te maken over de arbeidsvoorwaarden van zorgmedewerkers. VWS is geen partij aan de cao-tafel en mag zich op grond van internationale verdragen hier ook niet mee bemoeien.
Wie is er nu verantwoordelijk voor het feit dat het niet lukt om een fatsoenlijke loonstijging te regelen voor apotheekmedewerkers? Komt dat door de zorgverzekeraars, de werkgevers of door het ministerie?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om deze vragen voor 12 november a.s. te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Gedetineerde uit De Westereen mocht niet in het Fries met beppe bellen' |
|
Jan Paternotte (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Struycken , Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een gedetineerde uit De Westereen niet in het Fries met diens eigen dementerende Friese beppe mocht bellen?
Ja.
Deelt u de mening dat Friezen Fries mogen spreken?
Ja, ik deel uw mening dat Friezen Fries mogen spreken. Taal is een belangrijk onderdeel van cultuur en identiteit en iedere persoon heeft de vrijheid om de taal van zijn of haar keuze te gebruiken. In Friesland is het Fries, naast het Nederlands, ook erkend als officiële taal.1
Deelt u de mening dat een gedetineerde niet bestraft mag worden voor het spreken van de Friese taal?
Ik ga niet in op individuele gevallen. In principe staat het een gedetineerde vrij om met zijn of haar contacten een taal naar keuze te spreken. Hoewel ik erken dat vrije taalkeuze belangrijk is, kan het gebruik van andere talen dan de Nederlandse in detentie worden beperkt.
Zo kunnen bepaalde gedetineerden vanwege veiligheidsredenen, zoals bijvoorbeeld in de Extra Beveiligde Inrichting en op de Afdeling Intensief Toezicht, onder intensief toezicht staan. Dit toezicht kan bestaan uit het monitoren van telefonische contacten. Voor dit toezicht kan het noodzakelijk zijn dat als voorwaarde wordt gesteld dat de Nederlandse taal wordt gesproken. Als wordt aangetoond dat door een gedetineerde of dienst contact op geen enkele wijze in de Nederlandse taal kan worden gecommuniceerd, kan toestemming worden verleend in een andere taal te communiceren. In dat geval zal een tolk worden ingehuurd om te kunnen voorzien in het benodigde toezicht. De beroepsrechter heeft recentelijk geoordeeld dat, onder meer gelet op het benodigde toezicht en het niet beschikken over een tolk Fries, het niet onredelijk of onbillijk is om deze toestemming te weigeren in het geval een gedetineerde de Nederlandse taal ook machtig is.2
In zijn algemeenheid kan nog worden opgemerkt dat wanneer een gedetineerde zich niet houdt aan de afspraak dat in het Nederlands moet worden gecommuniceerd, het zo kan zijn dat monitoring niet mogelijk is en daarmee een veiligheidsrisico ontstaat. De directeur van een penitentiaire inrichting kan vervolgens genoodzaakt zijn maatregelen te treffen.
Hoe beoordeelt u het feit dat een anderstalige gedetineerde waarschijnlijk wel diens eigen taal had mogen spreken, maar een Friestalige gedetineerde dat niet mocht omdat de penitentiaire inrichting in Arnhem niet bereid was een tolk in te huren ten behoeve van de monitoring?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de taalrechten van Friese gedetineerden die zich bedienen van een rijkstaal niet minder mogen zijn dan de taalrechten van Nederlandse gedetineerden die zich bedienen van een rijkstaal?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze vragen zowel in het Fries als in het Nederlands te beantwoorden?
Ja. De vertaling in het Fries is bijgevoegd.