De campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal. |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal en kunt u aangeven welke publieke middelen direct of indirect beschikbaar zijn gesteld aan deze campagne, de betrokken organisaties en de uitvoering daarvan?1
Welke concrete, meetbare doelstellingen zijn aan deze campagne verbonden, op basis van welke wetenschappelijke inzichten is gekozen voor deze aanpak en hoe wordt vastgesteld of de campagne daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de mentale gezondheid van jongeren?
Kunt u aangeven hoeveel vergelijkbare campagnes op het gebied van mentale gezondheid de afgelopen vijf jaar met publieke middelen zijn ondersteund, wat deze hebben gekost en welke aantoonbare resultaten zij hebben opgeleverd?
Hoe wordt voorkomen dat belastinggeld vooral terechtkomt bij campagnes, workshops, ambassadeurs en overlegstructuren, terwijl jongeren met psychische problemen nog steeds te maken hebben met wachtlijsten en beperkte toegang tot passende hulp?
Kunt u aangeven hoeveel jongeren momenteel wachten op geestelijke gezondheidszorg en hoe de uitgaven aan bewustwordingscampagnes zich verhouden tot investeringen in daadwerkelijke behandeling en ondersteuning?
Welke afspraken zijn gemaakt voor situaties waarin tijdens dergelijke bijeenkomsten signalen naar voren komen van ernstige psychische problemen, suïcidaliteit, huiselijk geweld of kindermishandeling en hoe wordt geborgd dat deze jongeren snel passende hulp krijgen?
Deelt u de opvatting dat het bespreekbaar maken van mentale problemen waardevol kan zijn, maar nooit een vervanging mag worden voor tijdige professionele hulpverlening? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat jongeren na signalering ook daadwerkelijk hulp ontvangen?
Het artikel 'SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) niet langer wordt betrokken bij overleggen met het Ministerie van VWS over de verdere uitwerking van de budgetbekostiging van de spoedeisende hulp, terwijl de NVSHA eerder wel actief deelnam aan deze gesprekken? Zo ja, waarom is hiervoor gekozen?
Nee, dat klopt niet.
Begrijpt u dat het voor betrokken partijen onbetrouwbaar en onzorgvuldig kan overkomen wanneer een partij die vanaf het begin intensief betrokken was bij het traject en op basis van gemaakte afspraken heeft meegewerkt aan de eerste stap van budgetbekostiging, vervolgens niet langer mag meepraten over het vervolgtraject? Hoe verhoudt dit zich tot zorgvuldig bestuur en het belang van draagvlak in de sector?
Sinds 1 januari 2026 maken de spoedeisende hulpartsen (SEH-artsen), verenigd in de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA), onderdeel uit van de Federatie Medisch Specialisten (FMS). De FMS is de gesprekspartner van het kabinet en zij vertegenwoordigen hierin de medisch specialisten zoals de SEH-artsen. De FMS is volledig betrokken bij de uitwerking van de ontwikkelroute passende acute zorg in de regio. Het kabinet vindt het desalniettemin belangrijk dat de stem van de SEH-artsen bij de ontwikkelroute goed kan worden gehoord. In reactie op de motie van mevrouw Maeijer2 zal de Minister van VWS daarom binnenkort een gesprek voeren met de NVSHA en de FMS. Ze zal partijen verzoeken samen afspraken te maken zodat alle inbreng van partijen gehoord kan worden in de gesprekken over de ontwikkelroute. Het kabinet zal de Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek en het vervolg ervan.
Deelt u de zorgen van de NVSHA dat keuzes rondom differentiatie, concentratie of afschaling van spoedzorg grote gevolgen kunnen hebben voor de bereikbaarheid, kwaliteit en continuïteit van acute zorg in de regio, met name voor regionale ziekenhuizen?
Het kabinet begrijpt dat er zorgen kunnen zijn als het aanbod van acute zorg in de regio verandert. Acute zorg moet voor iedereen in Nederland tijdig, toegankelijk en van goede kwaliteit beschikbaar zijn, nu en in de toekomst. En om dat te waarborgen moeten in de regio keuzes gemaakt worden over de inrichting van de acute zorg. Regionaal moet scherper bekeken worden welke acute zorg waar nodig is, welke functies dichtbij moeten blijven en waar concentratie of differentiatie medisch en organisatorisch verstandig kan zijn. De ontwikkelroute passende acute zorg in de regio is daarom gericht op het ondersteunen van noodzakelijke veranderingen in de regionale inrichting van de acute zorg en het bieden van kaders hiervoor.
Kunt u uitsluiten dat het huidige traject uiteindelijk zal leiden tot verdere verschraling of afbouw van SEH-zorg in de regio?
Het kabinet staat voor een passend zorglandschap. Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners toegang hebben tot passende spoedzorg in de regio. Het doel van de ontwikkelroute is dat de acute zorg ook op langere termijn, toegankelijk, kwalitatief goed en doelmatig georganiseerd is.
Op welke wijze bent u voornemens uitvoering te geven aan de aangenomen motie-Vermeer2 waarin de regering wordt verzocht om bij alle vervolgstappen richting budgetbekostiging te werken aan een passende financiële positie van SEH’s in regionale ziekenhuizen?
In lijn met de motie van het lid Vermeer, vindt het kabinet dat binnen de budgetbekostiging ruimte moet zijn voor goede acute zorg die past, een passend regionaal aanbod van acute zorg en zekerheid dat SEH-zorg beschikbaar is. Een SEH staat nooit op zichzelf en is enerzijds onderdeel van een acute zorgketen (zoals de huisartsenspoedpost en de ambulancezorg) en anderzijds onderdeel van een ziekenhuis en daarmee van het passend aanbod van ziekenhuiszorg in de regio. Regionale ziekenhuizen vervullen daarin een belangrijke rol: zij bieden inwoners herkenbare, toegankelijke en vertrouwde ziekenhuiszorg dichtbij huis, en dragen daarmee bij aan continuïteit, nabijheid en samenhang in de zorg voor de regio. Met de invoering van budgetbekostiging voor de SEH in de eerste stap per 2027, wordt een deel van de SEH-opbrengsten minder afhankelijk van productie. Dat draagt bij aan meer financiële zekerheid voor ziekenhuizen. Tegelijk is dit niet het eindstation van budgetbekostiging. In de ontwikkelroute wordt voor de bekostiging bezien hoe deze het beste aan kan sluiten bij de beschikbaarheid en de verschillende functies die een SEH vervult in het regionale aanbod van acute zorg.
In hoeverre acht u het wenselijk dat de stem van SEH-artsen zelfstandig wordt gehoord, juist omdat bredere koepel- en belangenorganisaties ook andere en bredere belangen vertegenwoordigen dan uitsluitend de acute zorg?
Het kabinet vindt de betrokkenheid van partijen, zoals de zorgprofessionals, belangrijk bij de verdere uitwerking van de ontwikkelroute. Daarom zijn en worden hierover gesprekken met partijen gevoerd. SEH-artsen werken dagelijks binnen de SEH van een ziekenhuis en kunnen goed aangeven wat keuzes betekenen voor kwaliteit, toegankelijkheid, werkbaarheid en patiëntveiligheid. Het perspectief van de SEH-artsen vindt het kabinet daarom van belang. De Minister van VWS zal daarom binnenkort een gesprek voeren met de NVSHA en de FMS en de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan.
Bent u bereid om de NVSHA alsnog volwaardig te betrekken bij het vervolgtraject rond de budgetbekostiging en de toekomst van de acute zorg, juist vanwege hun praktijkervaring en inhoudelijke expertise op het gebied van spoedzorg en de acute zorgketen?
Zie antwoord vraag 7.
Het artikel ‘Three decades of ‘Dutch Protocol’ research has not produced reliable evidence’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Three decades of «Dutch Protocol» research has not produced reliable evidence»?1
Ja.
Wat vindt u van de harde kritiek van de auteurs op de onderbouwing van het gebruik van puberteitsremmers en hormoonbehandelingen bij kinderen («Dutch Protocol»)?
Het kabinet vindt het van belang dat de wetenschappelijke discussie over de onderbouwing, effectiviteit en veiligheid van transgenderzorg voor jongeren zorgvuldig, feitelijk en met oog voor de betrokken jongeren wordt gevoerd. Het primaat voor de kwaliteit van zorg ligt bij het zorgverleners en zorgaanbiedersveld aangezien het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Het is aan veldpartijen om gezamenlijk invulling te geven aan wat goede transgenderzorg is, in dit geval in de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch.
In Nederland wordt transgenderzorg voor jongeren geleverd via academische centra en genderklinieken. Behandeling volgt pas na uitgebreide evaluatie, counseling en de zogenaamde informed consent procedure. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat er nationaal en internationaal discussie bestaat over de wetenschappelijke onderbouwing van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen bij minderjarigen. Juist daarom is de Gezondheidsraad gevraagd hierover onafhankelijk te adviseren. Daarbij wordt onder meer gekeken naar wat wetenschappelijk bekend is over de langetermijneffecten van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat decennialang onderzoek naar het Dutch Protocol geen betrouwbaar bewijs heeft opgeleverd voor verbetering van de mentale gezondheid van minderjarigen?
De beoordeling van de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs, waaronder de vraag hoe sterk het bewijs is voor effecten op mentale gezondheid, vraagt om een systematische weging van de beschikbare literatuur. De Gezondheidsraad is gevraagd om juist deze stand van wetenschap in kaart te brengen, waaronder de gevolgen van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen voor de fysieke en mentale gezondheid. Het kabinet wil niet vooruitlopen op het advies van de Gezondheidsraad.
Erkent u dat de methodologische onderbouwing van deze behandelingen uiterst kwestieus is?
Met het beschikbare evidence-based onderzoek, inclusief de beperkingen ervan, wordt in kwaliteitsstandaarden door wetenschappers, artsen/zorgprofessionals en patiënten samen bepaald hoe die zorg eruit zou moeten zien. Daarin werkt de transgenderzorg voor jongeren hetzelfde als elke andere zorg. Nederlandse genderteams hebben eerder onderschreven dat er behoefte is aan meer bewijskracht, onder meer door studies met grotere aantallen en langere follow-upduur2. Deze worden dan ook uitgevoerd in Nederland (en daarbuiten). Jongeren die in Nederland starten met een medische behandeling worden gevraagd deel te nemen aan onderzoek. Tevens worden gegevens verzameld in de biobank van het Radboudumc3 en de Nederlandse behandelcentra zijn aangesloten bij een Europees netwerk (European Reference Network) met een register (European Registries for Rare Endocrine and Bone conditions) met een specifieke module voor Gender Incongruentie4.
Waarom kiest Nederland er tot op heden voor om vast te houden aan het Dutch Protocol terwijl landen als Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hun benadering van transgenderzorg bij kinderen allang hebben herzien?
Het kabinet heeft ervoor gekozen om de Gezondheidsraad om advies te vragen. Kortheidshalve wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Wordt het genoemde artikel betrokken bij het lopende onderzoek van de Gezondheidsraad naar transgenderzorg voor jongeren? Wanneer wordt dit onderzoek afgerond?
De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan met ruime expertise in het selecteren en wegen van de beschikbare wetenschappelijke literatuur. Het kabinet heeft voor publicatie geen zicht op de literatuurselectie en weging door de Gezondheidsraad. Volgens de actuele planning van de Gezondheidsraad wordt het advies over transgenderzorg voor jongeren eind juni 2026 verwacht.
Wordt dit artikel betrokken bij de herziening van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg? Wanneer wordt de herziene kwaliteitsstandaard gepubliceerd?
Het is aan de veldpartijen om te beoordelen welke literatuur bij de herziening van de Kwaliteitsstandaard wordt betrokken. Zorginstituut Nederland (hierna: het Zorginstituut) heeft de doorontwikkeling van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch op de Meerjarenagenda geplaatst. Verschillende fasen van de doorontwikkeling lopen vertraging op voornamelijk als gevolg van de tijd die nodig was voor de evaluatie van de huidige kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch en de beschikbare tijd van werkgroepleden. In de transgenderzorg is er sprake van een kleine groep experts van wie veel wordt gevraagd. Eerder werd de opleverdatum van de herziening al verplaatst van 1 augustus 2023 naar 30 september 20255. Het Zorginstituut Nederland heeft het kabinet recent laten weten dat de datum waarop deze Kwaliteitsstandaard moet zijn aangeboden aan het Zorginstituut om te worden opgenomen in het openbaar Register is verplaatst naar 30 september 2027. Het kabinet zal de Kamer nader informeren over dit uitstel in de stand van zakenbrief, die nog voor het zomerreces verzonden zal worden.
Klopt het dat bij het wetenschappelijk onderzoek dat ten grondslag ligt aan het Dutch Protocol een mannelijke patiënt is overleden als direct gevolg van complicaties na colovaginaplastiek dat moest worden ingezet omdat er sprake was van onderontwikkeling van penis en scrotum vanwege de toegediende puberteitsremmers?
Nee, dit klopt niet. Het betrokken ziekenhuis heeft aangegeven dat deze operatie geen deel uitmaakte van een medisch-wetenschappelijk onderzoek.
Is de dood van deze patiënt nader (onafhankelijk) onderzocht?
Ja. Het betreffende ziekenhuis geeft aan dat de casus als calamiteit is gemeld bij de IGJ en tevens intern is geëvalueerd.
Is dit gemeld bij de betrokken Medisch-Ethische Toetsingscommissie (METC)?
Zoals aangeven in antwoord op vraag 8 was in deze casus geen sprake van medisch-wetenschappelijk onderzoek, maar van een reguliere behandeling. Daarmee bestond er voor het betreffende ziekenhuis geen aanleiding om de casus te melden bij de Medisch-Ethische Toetsingscommissie (METC) van de instelling.
Wat is überhaupt de gebruikelijke procedure als een patiënt tijdens deelname aan een behandeling in het kader van wetenschappelijk onderzoek komt te overlijden?
Als een patiënt tijdens deelname aan een behandeling in het kader van een klinische studie die valt onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) komt te overlijden, moet dat zonder vertraging maar niet later dan 7 dagen na kennisname worden gemeld in het Clinical Trials Information System (CTIS), een informatiesysteem van de Europese Unie. In Nederland ontvangt de CCMO deze meldingen en afhankelijk van de melding wordt deze beoordeeld door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de METC die de studie heeft toegelaten of de CCMO.
Worden in Nederland gezondheidsuitkomsten op korte en lange termijn, complicaties, spijt en detransitie systematisch bijgehouden? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft geen landelijk dekkend registratiesysteem waarin alle gezondheidsuitkomsten, complicaties, spijt en detransitie van alle behandelde jongeren structureel en langdurig worden bijgehouden. In het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie van Amsterdam UMC worden doorlopend
gegevens verzameld voor wetenschappelijk onderzoek. Zo worden trends in aanmeldingen in de gaten gehouden, korte- en langetermijneffecten in kaart gebracht en de uitkomsten van behandeling gemonitord6.
De Gezondheidsraad is gevraagd om in kaart te brengen wat wetenschappelijk bekend is over de langetermijngevolgen van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen, en spijt en detransitie. Het advies van de Gezondheidsraad wordt eind juni 2026 verwacht.
Bent u bereid om dit te initiëren?
Het is aan onderzoekers en veldpartijen om gezondheidsuitkomsten bij te houden en om invulling te geven aan medisch-wetenschappelijke onderzoeken. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Hoe wordt gewaarborgd dat kinderen en hun ouders volledig worden geïnformeerd over de onzekerheid rond de verwachte mentale gezondheidswinst evenals over bekende risico's, zoals mogelijke onvruchtbaarheid?
Voor iedere medische behandeling geldt de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Dat betekent dat de zorgverlener de patiënt, en afhankelijk van de leeftijd ook de ouders of wettelijk vertegenwoordigers, zorgvuldig moet informeren over de aard en het doel van de behandeling, de te verwachten gevolgen en risico’s, mogelijke alternatieven en de vooruitzichten. Veldpartijen geven aan dat het thema vruchtbaarheid en toekomstige gezinsplanning tegenwoordig een uitgebreid en expliciet onderdeel van de indicatiestelling is, waarbij het thema vanuit verschillende disciplines wordt besproken en wordt meegenomen in de afweging om te starten met medische interventie.
Wordt in de voorlichting aan kinderen en hun ouders expliciet vermeld dat er volgens verschillende systematische reviews geen overtuigend bewijs bestaat dat de puberteitsremmers en hormoonbehandelingen suïcidaliteit of depressie verminderen?
Conform de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch wordt pas overgegaan tot behandeling na counseling, psychologische evaluatie en informed consent. In de gesprekken tussen de jongere, ouders en behandelaren voorafgaand aan behandeling worden de voor- en nadelen besproken van de behandeling. Op grond van de WGBO geldt dat informatie over de behandeling evenwichtig en begrijpelijk moet zijn en dat relevante onzekerheden, risico’s, alternatieven en verwachte effecten moeten worden besproken.
Nu de wetenschappelijke onderbouwing voor de belangrijkste beoogde uitkomst van transgenderbehandelingen bij kinderen, namelijk verbetering van mentale gezondheid zo onzeker is en deze behandelingen kunnen leiden tot blijvende medische gevolgen zoals onvruchtbaarheid en levenslange afhankelijkheid van hormoonbehandelingen: waarom acht u het dan nog steeds gerechtvaardigd dat dergelijke behandelingen in Nederland plaatsvinden?
Somatische behandelingen bij jongeren worden, conform de kwaliteitsstandaard, alleen uitgevoerd na zorgvuldige diagnostiek, psychologische evaluatie en begeleiding, een individuele afweging van voordelen, risico’s en alternatieven en goed geïnformeerde toestemming van de jongere en, afhankelijk van de leeftijd, diens ouders. Jongeren die medische behandeling ondergaan worden gedurende het traject gemonitord om de voortgang te volgen en eventuele negatieve gevolgen tijdig te herkennen.
Welke medisch-wetenschappelijke ontwikkelingen zouden voor u aanleiding zijn om uw huidige zienswijze met betrekking tot transgenderbehandelingen bij kinderen te heroverwegen? Onder welke omstandigheden zou u concluderen dat deze behandelingen niet langer verantwoord zijn?
Het is niet aan het kabinet om een medisch-inhoudelijk oordeel te geven en of conclusies te trekken over afzonderlijke behandelprotocollen of wetenschappelijke publicaties. De overheid bemoeit zich niet met de manier waarop zorgverleners zorg verlenen, voor zover het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Het is aan veldpartijen om gezamenlijk, in professionele standaard en kwaliteitsstandaarden, invulling te geven aan de vraag wat goede transgenderzorg is.
Het bericht 'Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan' |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Dieke van Groningen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan» en «Veel meer gonorroe en syfilis in Europa, ook in Nederland meer infecties»?1, 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de sterke stijging van het aantal soa-besmettingen onder jongeren en jongvolwassenen, ook in het licht van het dalende condoomgebruik bij wisselende seksuele contacten?
Het bericht van de European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) laat zien dat het aantal gonorroe- en syfilisdiagnoses in Europa de afgelopen 10 jaar is gestegen. Ook in Nederland steeg het aantal diagnoses de afgelopen jaren, al is deze stijging minder groot dan het Europees gemiddelde.3
De stijging van het aantal soa-infecties, in Nederland en daarbuiten, is zorgelijk.
Eind juni 2026 publiceert het RIVM de Nederlandse data over 2025 en weten we hoe het aantal diagnoses zich verder ontwikkelt.
De ECDC roept mensen op condooms te gebruiken bij nieuwe of meerdere partners en raadt mensen aan te testen bij symptomen. Bij deze oproep sluit het kabinet zich aan. Op 18 juni 20254 en 28 november 20255 heeft het vorige kabinet de Kamer geïnformeerd over de maatregelen die genomen worden om de stijging van het aantal soa-infecties tegen te gaan, waaronder een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.
Deelt u de mening dat preventie essentieel is om de druk op de zorg en de maatschappelijke gevolgen van soa’s te beperken? Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Preventie en gezondheidsbevordering zijn uiteraard heel belangrijk om problemen met de seksuele gezondheid te voorkomen. Daarom is dit ook onderdeel van het kabinetsbeleid6 op dit terrein. Het kabinet investeert op verschillende manieren in het bevorderen van de seksuele gezondheid. Bijvoorbeeld door kenniscentra voor seksuele- en reproductieve gezondheid te subsidiëren. Zij zorgen voor toegankelijke informatie over seksuele gezondheid en soa’s. Het kabinet biedt via expertisecentrum Rutgers handvatten aan ouders bij de relationele en seksuele
opvoeding en helpt scholen via Gezonde School bij de relationele en seksuele vorming. GGD’en bieden aanvullende seksuele gezondheidszorg waarbinnen ook veel aandacht wordt besteed aan preventie.
Aanvullend op bovenstaand beleid heeft het kabinet nieuwe maatregelen aangekondigd.7 Dankzij het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA)8 komt er per 2027 structureel meer geld beschikbaar voor aanvullende soa-zorg via de GGD’en. Dit jaar wordt daarnaast gestart met de uitvoering van een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om het condoomgebruik te stimuleren. Ook wordt verkend of een verduidelijking van de wettelijke taak van gemeenten op het gebied van seksuele gezondheidsbevordering mogelijk is en worden de mogelijkheden om te komen tot een regionale ketenaanpak seksuele gezondheid onderzocht.
Deelt u de zorg dat jongeren steeds vaker worden blootgesteld aan online desinformatie over hormonale anticonceptie, condoomgebruik, vaccinaties en vruchtbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet vindt het zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende mate worden blootgesteld aan onjuiste of misleidende informatie over gezondheidsonderwerpen.9 Hierdoor kunnen zij onbedoeld keuzes maken die schadelijk zijn voor hun gezondheid.
In welke mate herkent u het beeld dat sociale media en influencers bijdragen aan wantrouwen tegenover bewezen veilige anticonceptiemiddelen, onder andere door het verspreiden van onbewezen claims dat hormonen «vergif» zouden zijn of dat condooms «onnatuurlijk» zijn?
Dit beeld is helaas herkenbaar. De expertisecentra Fiom en Rutgers werken samen aan een project over des- en misinformatie op het terrein van de reproductieve gezondheid. Als onderdeel van dit project is onderzoek gedaan naar online informatie over hormonale anticonceptie en de mogelijke invloed daarvan op kennis, opvattingen en keuzes voor een bepaalde vorm van anticonceptie.10 Uit dit onderzoek blijkt dat online des- en misinformatie over hormonale anticonceptie op verschillende manieren kan bijdragen aan wantrouwen tegen betrouwbare anticonceptiemethoden. Zo kunnen sociale mediaplatforms via algoritmen vooral informatie tonen aan gebruikers die aansluit bij bestaande overtuigingen. Daardoor komen mensen vaker in aanraking met dezelfde soort boodschappen en worden onjuiste claims minder snel gecorrigeerd. Het onderzoek laat ook zien dat online informatie over hormonale anticonceptie vaak eenzijdig negatief is en dat er veel nadruk wordt gelegd op mogelijke bijwerkingen, terwijl voordelen minder aandacht krijgen. Ook blijken er online onjuiste claims te circuleren, zoals de bewering dat de pil tot onvruchtbaarheid zou leiden en dat zogenoemde natuurlijke methoden veiliger of gezonder zijn.
Tegelijkertijd vraagt het onderzoek om nuance. Blootstelling aan misinformatie leidt niet automatisch tot onjuiste overtuigingen. En reproductieve keuzes worden beïnvloed door een samenspel van persoonlijke, sociale en maatschappelijke factoren.
Welke concrete acties onderneemt het kabinet momenteel om desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid tegen te gaan, specifiek gericht op jongeren?
De expertisecentra Fiom, Soa Aids Nederland en Rutgers werken aan het tegengaan van onjuiste informatie over reproductieve en seksuele gezondheid. Zij voorzien zowel hun doelgroepen als de beroepsprofessionals die met deze doelgroepen werken van betrouwbare informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid. Dit doen zijn via hun verschillende websites11, folder- en informatiemateriaal en via sociale media.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 werken Fiom en Rutgers gezamenlijk aan een project dat zich richt op het tegengaan van online mis- en desinformatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg. Fase 1 van dit project omvatte een onderzoek12 naar de aard, omvang en impact van mis- en desinformatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg. Fase 2 van het project, dat op dit moment loopt, bestaat uit het ontwikkelen, testen en evalueren van een aantal interventies gericht op het tegengaan van online mis- en desinformatie. Zo wordt er samengewerkt met influencers en zorgprofessionals, wordt geëxperimenteerd met het pre- en debunken van informatie en wordt gedacht aan een speciale online campagne. De resultaten hiervan worden eind november 2026 verwacht. Fiom en Rutgers zullen de geleerde lessen vervolgens delen met andere partijen, zodat deze kennis breder kan worden benut. De voortgang van dit project wordt beschreven in de volgende Kamerbrief over seksuele gezondheid, die aan het eind van dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd.
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om jongeren beter te informeren over veilig vrijen, het belang van condoomgebruik en de risico’s van soa’s?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 werkt het kabinet op diverse manieren aan het bevorderen van de seksuele gezondheid. Bijvoorbeeld door expertisecentra voor seksuele en reproductieve gezondheid (Rutgers en Soa Aids Nederland) te subsidiëren zodat zij jongeren, en hun ouders en anderen om hen heen, kunnen informeren over beschermde seks. In de aanvullende seksuele gezondheidszorg door de GGD’en is ook aandacht voor voorlichting over vellige seks en condoomgebruik. Dankzij het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA) komt er per 2027 structureel meer geld beschikbaar voor aanvullende soa-zorg via de GGD’en. Dit jaar wordt daarnaast gestart met de uitvoering van een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om het condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.
Ziet u aanleiding om publiekscampagnes over condoomgebruik en soa-preventie te intensiveren nu het aantal besmettingen stijgt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 3 en 7 is het kabinet gestart met een meerjarige aanpak voor publiekscommunicatie ter bevordering van condoomgebruik. Sociale media worden daarbij ook ingezet. De eerste communicatieve uitingen worden dit najaar verwacht.
Welke acties onderneemt het kabinet om ervoor te zorgen dat betrouwbare medische informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid beter zichtbaar wordt op sociale media?
Expertisecentra Soa Aids Nederland en Rutgers voorzien zowel hun doelgroepen als de beroepsprofessionals die ook met deze doelgroepen werken van betrouwbare informatie over reproductieve en seksuele gezondheid. Daarnaast is er Sense. Sense.info is een platform voor seksuele gezondheid, speciaal gericht op jongeren van 12 tot 25 jaar. Soa Aids Nederland, Rutgers en Sense zijn actief en zichtbaar op sociale media. Zo besteedt Sense in korte filmpjes op TikTok aandacht aan onderwerpen zoals condoomgebruik, consent, soa’s en anticonceptie.
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om met grote online platforms in gesprek te gaan over de rol van algoritmen bij het versterken van medische desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen (algoritmen) problematische inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk om in gesprek te blijven met de internetpartijen, waaronder online platforms. Verschillende departementen treden in dialoog met verschillende soorten aanbieders in de internetsector, over onder andere polariserende algoritmen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de publiek-private samenwerking (PPS) online content moderatie, een overlegplatform tussen de overheid en de internetsector.
Bent u bereid om gezamenlijk te onderzoeken hoe online algoritmen bijdragen aan gezondheidsrisico’s door het versterken van desinformatie over anticonceptie, vaccinaties en seksuele gezondheid?
Omdat er al een goed beeld van deze gezondheidsrisico’s bestaat, acht het kabinet verder onderzoek op dit moment niet nodig. Volgens onderzoek van De Nieuwe Utrechtse School wijzen verschillende experts erop dat algoritmen een actieve rol spelen in het verspreiden en versterken van mis- en desinformatie, ook over gezondheidsonderwerpen.13 De invloed van online algoritmen op (des)informatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg is reeds onderzocht door Fiom en Rutgers in hun onderzoek «Echokamers en filterbubbels».14 Hieruit komt naar voren dat door algoritme-gedreven platforms
kunnen bijdragen aan zogenoemde filter- en informatiebubbels. Volgens de onderzoekers kan dit leiden tot online omgevingen waarin mensen vooral informatie tegenkomen die hun bestaande overtuigingen bevestigt en tegengeluiden minder zichtbaar zijn. Daarnaast versterken algoritme-gedreven platforms sensationele content, een dynamiek die zich bij alle onderwerpen op sociale media voordoet. Ook wordt benoemd dat de opkomst van generatieve AI-toepassingen, zoals ChatGPT, het risico met zich meebrengt dat misinformatie (onbedoeld) wordt gereproduceerd of versterkt wanneer deze systemen gebaseerd zijn op onjuiste of eenzijdige bronnen.
Kenniscentra benutten deze kennis bij het ontwikkelen en uitvoeren van hun activiteiten.
Welke mogelijkheden ziet u om influencers en online contentmakers die onbewezen gezondheidsclaims verspreiden beter aan te pakken of te verplichten duidelijk te waarschuwen wanneer informatie niet wetenschappelijk onderbouwd is?
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de Europese Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten (AVMSD). Het is vooraleerst belangrijk dat influencers duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving te verbeteren. Het kabinet zet daarom op Europees niveau in op betere regulering van influencers en heeft zijn standpunt hierover kenbaar gemaakt via een non-paper15 in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een non-paper over de Digital Fairness Act (DFA)16 voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Ook stelde het kabinet voor om in de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers17. Het kabinet kijkt met interesse uit naar de voorstellen van de Commissie op dit onderwerp.
Het artikel ‘Ombudsman: gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Ombudsman: «gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten» en van het onderzoek van de Nationale ombudsman over de mate waarin de overheid demonstratierecht behoorlijk beschermt en faciliteert?1, 2
Ja.
Herkent u de volgende constatering van de Nationale ombudsman: «Ook aan anti-abortusdemonstranten leggen gemeenten soms voorschriften op die niet overeenkomen met het juridisch kader»?
Ik ben bekend met het rapport van de Nationale ombudsman waarin is opgenomen dat gemeenten soms aan anti-abortusdemonstranten voorschriften opleggen die niet overeenkomen met het juridisch kader. Ik kan niet ingaan op individuele gevallen. Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de burgemeester hierin een juiste afweging heeft gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan over demonstraties bij abortusklinieken.4 Daarin heeft de rechter duidelijke handvatten gegeven aan gemeenten over hoe kan worden omgegaan met demonstraties bij abortusklinieken.
Kunt u toelichten om welke gemeenten het hier gaat en op welke wijze de door deze gemeenten opgelegde voorschriften niet in overeenstemming zijn met het juridisch kader?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat ook anti-abortusdemonstranten delen in dezelfde rechten als andere demonstranten, en dat dergelijke oneigenlijk opgelegde voorschriften daardoor zeer onwenselijk zijn?4
Een ieder heeft in Nederland het recht om te demonstreren. Daarbij mag geen onderscheid gemaakt worden in het onderwerp of thema waarover wordt gedemonstreerd. Het is aan het lokale gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren. De burgemeester kan voorafgaand aan een demonstratie voorschriften stellen en tijdens een demonstratie aanwijzingen geven over het verloop van de demonstratie, maar alleen op grond van drie criteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van een demonstratie speelt daarbij geen rol.
Bent u bereid met deze gemeenten in gesprek te treden om herhaling te voorkomen, en gemeenten in bredere zin voor te lichten om te voorkomen dat zij met hun voorschriften inbreuk maken op het demonstratierecht, juist ook van deze groep demonstranten?
Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om gemeenten hierover aan te spreken.
Ruimte voor voorlichting is er zeker; dat doen we onder meer door financiële ondersteuning van de website demonstratierecht.nl. Ook is er, ter voorbereiding van het opstellen van de kabinetsreactie op het WODC-rapport over het demonstratierecht, gesproken met de gemeenten waarin een abortuskliniek gevestigd is over dit type demonstraties. Tijdens dit overleg hebben de gemeenten onderling ervaringen uitgewisseld over de wijze waarop deze demonstraties door het lokale gezag in goede banen geleid kunnen worden. Tot slot heeft er in januari van dit jaar een kennisuitwisselingsbijeenkomst plaatsgevonden met onder andere burgemeesters en gemeenteambtenaren, waarbij dit onderwerp aan bod is gekomen.
Kunt u deze vragen binnen de gangbare termijn, maar in elk geval ruim voor het commissiedebat over het demonstratierecht, beantwoorden?
Ja.
De uitbraak van het stijgend tekort aan medische hulpmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Stijgend tekort aan medische hulpmiddelen in ziekenhuizen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Kunt u een overzicht aan de Kamer sturen van de omvang van de tekorten aan essentiële medische hulpmiddelen in Nederlandse ziekenhuizen?
Tussen 1 januari 2026 en 31 mei 2026 zijn over 563 medische hulpmiddelen tekorten gemeld bij het landelijk meldpunt tekorten, dat wordt beheerd door Zorg Inkoop Netwerk Nederland. De afgelopen 12 maanden zijn de meeste meldingen binnengekomen over de in onderstaande figuur genoemde categorieën medische hulpmiddelen.
Welke categorieën medische hulpmiddelen zijn momenteel het meest kwetsbaar voor leveringsproblemen? Voor welke hulpmiddelen dreigen er reeds tekorten op korte termijn?
Op dit moment zijn met name producten die gemaakt zijn van olie of geproduceerd worden met olie, kwetsbaar voor leveringsproblemen en prijsstijgingen door het risico op een grondstoftekort en afhankelijkheid van productie in Azië. Concreet gaat het disposable OK-jassen en afdekmateriaal, niet-latex handschoenen, infuussystemen, disposable spuiten, katheters, mond-neusmaskers en verbandmaterialen. Daarnaast zijn incontinentiemateriaal, dialyse disposbles en medische verpakkingen kwetsbaar voor prijsstijgingen.
In het algemeen geldt dat hulpmiddelen voor eenmalig gebruik (disposables) het meest kwetsbaar voor leveringsproblemen, vanwege het hoge en continue verbruik. Via de Green Deal Duurzame Zorg wordt gewerkt aan het verminderen van het gebruik van hulpmiddelen voor eenmalig gebruik.
Daarnaast zijn medische hulpmiddelen voor specifieke toepassingen en doelgroepen zoals kinderen, kwetsbaar voor tekorten. Er wordt in Europa gewerkt aan vereenvoudiging van de Europese wetgeving voor medische hulpmiddelen (MDR) om de beschikbaarheid van deze hulpmiddelen te verbeteren.
Concreet is er op dit moment één tekort met acute impact voor de continuïteit van zorg. Het gaat om een essentieel medisch hulpmiddel dat gebruikt wordt door de cardiologen, met name in de hartzorg voor katheterisatie en dotterbehandelingen van hartpatiënten. Dit tekort is ontstaan naar aanleiding van een terugroepactie door een veiligheidsissue. Vanwege het tekort is een deel van de planbare operaties uitgesteld. Tot nu toe heeft het tekort geen gevolgen gehad voor de continuïteit van de acute zorg. Het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen van het Zorg Inkoop Netwerk Nederland, de IGJ en vertegenwoordigers uit de zorg monitoren de situatie en geven adviezen over het gebruik van alternatieven om de oplopende wachtlijsten te beperken.
In hoeveel gevallen hebben tekorten aan medische hulpmiddelen de afgelopen twee jaar geleid tot uitstel van operaties, aanpassing van behandelingen of risico’s voor patiëntveiligheid?
Tussen 1 januari 2024 en 31 mei 2026 zijn over 3.986 medische hulpmiddelen tekorten gemeld bij het meldpunt. Bij 61 van deze tekorten (1,5%) was sprake van uitstel van behandelingen door een tekort aan alternatieven. Hoewel uitstel van behandelingen vervelend is voor de patiënt en extra werk oplevert voor de zorg, heeft dit vaak geen gevolgen voor de patiëntveiligheid. In 33 gevallen (0,8%) heeft het tekort tot minder comfort of een verhoogd risico voor de patiënt geleid.
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de beschikbaarheid van essentiële medische hulpmiddelen, en acht u dat toezicht voldoende effectief?
Sinds januari 2025 is een Europese meldplicht voor leveringsonderbrekingen van medische hulpmiddelen van kracht. Fabrikanten zijn verplicht om leveringsonderbrekingen van kritische hulpmiddelen te melden bij een lidstaat. In Nederland komen deze meldingen binnen bij het CIBG. Het CIBG publiceert alle meldingen die bij lidstaten binnenkomen.
Zorgaanbieders en leveranciers kunnen tekorten op vrijwillige basis melden bij het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen van het Zorg Inkoop Netwerk Nederland. Dit kunnen ook meldingen van niet-kritische hulpmiddelen zijn.
Fabrikanten zijn verplicht om incidenten met een medisch hulpmiddel en daaruit voortvloeiende veiligheidsmeldingen en terugroepacties te melden bij de IGJ.
Het kabinet subsidieert Zorg Inkoop Netwerk Nederland om inzicht te geven in de kwetsbaarheid van leveringsketens van kritische productgroepen.
Ondanks deze acties kan zich altijd een onverwachte situatie voordoen waardoor de zorg overvallen wordt door een tekort. Dat maakt het belangrijk om goed voorbereid te zijn op acute tekorten. Het kabinet werkt daarom met vertegenwoordigers uit de zorg en leveranciers aan een blauwdruk voor een crisisstructuur bij tekorten aan kritieke medische hulpmiddelen.
Welke lessen zijn volgens u getrokken uit de tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens de coronapandemie?
Tijdens de coronapandemie hebben we geleerd dat het belangrijk is om beter inzicht te hebben in (dreigende) tekorten van medische hulpmiddelen en dat de beschikbaarheid van medische hulpmiddelen kwetsbaar is. Na de pandemie is het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen ingericht bij het Zorg Inkoop Netwerk Nederland voor coördinatie bij tekorten, het ontwikkelen van een alternatievendatabase en voor meer inzicht in de kwetsbaarheden van leveringsketens. Het kabinet heeft ook een overeenkomst afgesloten met een fabrikant die voor de Nederlandse zorg productiecapaciteit voor mondmaskers (type FFP2) in stand houdt. Daarnaast is een taakgroep beschikbaarheid medische hulpmiddelen ingericht met vertegenwoordigers uit de zorg, vertegenwoordigers van leveranciers, het Zorg Inkoop Netwerk Nederland en de IGJ. Deze taakgroep adviseert het Ministerie van VWS over beleid- en wetgeving rond tekorten.
Op Europees niveau is een meldplicht leveringsonderbrekingen ingevoerd. Er zijn voor verschillende medische hulpmiddelen RescEU voorraden aangelegd waar lidstaten een beroep op kunnen doen. Nederland beheert een RescEU voorraad met medische apparatuur, zoals patiëntmonitors en echo-apparaten. Daarnaast is bij het EMA een stuurgroep (Medical Device Shortages Steering Group) ingericht voor Europese coördinatie bij een publieke gezondheidscrisis. Verder werken we in Europa aan joint action voor (meer) voorraden en het stimuleren van Europese productie.
Acht u Nederland voldoende voorbereid op grootschalige tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens een toekomstige geopolitieke crisis die de toeleveringsketen verstoort?
De afgelopen jaren heeft Nederland zich beter voorbereid op (grootschalige) tekorten, ook in samenwerking met de Europese Commissie. Er is nationaal een tijdelijke subsidie verstrekt aan Zorg Inkoop Netwerk Nederland om zicht op tekorten en de toeleveringsketen van medische hulpmiddelen te verbeteren. Het kabinet werkt verder samen met vertegenwoordigers uit de zorg en leveranciers in de taakgroep beschikbaarheid medische hulpmiddelen, aan een blauwdruk voor een crisisstructuur bij tekorten aan kritieke medische hulpmiddelen.
Daarnaast zal een deel van de middelen die beschikbaar zijn gesteld voor pandemische paraatheid worden ingezet voor het aanleggen van voorraden en productie van kritische medische hulpmiddelen.
Op welke termijn verwacht u de aangekondigde blauwdruk voor een crisisstructuur bij grootschalige tekorten gereed te hebben?
We verwachten dat de blauwdruk voor een crisisstructuur uiterlijk in het vierde kwartaal van 2026 gereed is.
Welke bijkomende acties plant u te ondernemen om Nederland weerbaarder te maken voor verstoringen in internationale productieketens van medische hulpmiddelen in de context van toenemende geopolitieke spanningen?
Een zekere afhankelijkheid van andere landen zal blijven bestaan. Nederland is nu eenmaal te klein om alle ruim 500.000 verschillende soorten medische hulpmiddelen, inclusief grondstoffen en onderdelen, te kunnen produceren. In samenwerking met andere lidstaten werkt het kabinet aan het bevorderen van productie in Europa. Het pakket pandemische paraatheid wordt onder andere ingezet voor het aanleggen van voorraden en productie van kritische medische hulpmiddelen. Ook werkt het Ministerie van EZK aan een grondstoffenstrategie om de leveringszekerheid van kritische grondstoffen te bevorderen.
Verder zet het kabinet in op het vergroten van hergebruik van medische hulpmiddelen, omdat hulpmiddelen voor eenmalig gebruik (disposables) het meest kwetsbaar zijn voor leveringsonderbrekingen. Zorg Inkoop Netwerk Nederland houdt zicht op de kwetsbaarheid van de leveringsketens en voorziet in mitigerende adviezen voor de meest kritische productgroepen medische hulpmiddelen.
Ten slotte wordt ingezet op het versterken van relaties met andere landen, zoals India, zodat we risico’s en afhankelijkheden beter kunnen spreiden.
Hoeveel financiële middelen heeft het kabinet precies vrijgemaakt voor het vergroten van de weerbaarheid van medische productieketens en strategische voorraden?
Het kabinet heeft structureel € 177 miljoen per jaar vrijgemaakt voor pandemische paraatheid. Dit is onder andere bedoeld voor het vergroten van de weerbaarheid van medische productieketens en strategische voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen.
Daarnaast investeert het kabinet dit jaar ongeveer € 1 miljoen in het in stand houden van opschaalbare productiecapaciteit voor mondmaskers (FFP2). Het Zorg Inkoop Netwerk Nederland ontvangt in 2026 € 2 miljoen voor het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen, de alternatievendatabase, het in kaart brengen van kwetsbaarheden in toeleveringsketens en marktanalyses ten behoeve van inkopers in de zorg.
Wat vindt u van het voorstel om de inkoop van medische hulpmiddelen in Nederland meer centraal te organiseren? Zal u stappen in deze richting zetten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de inkoop van medische hulpmiddelen. Het staat zorgaanbieders vrij om (vaker) gezamenlijk of centraal in te kopen. Vanwege de Wet Markt en Overheid kan de overheid niet ingrijpen in een goed functionerende markt. Alleen bij crisissituaties is centrale inkoop vanuit de overheid mogelijk, zowel nationaal als op Europees niveau.
Welk beleid van andere lidstaten om een tekort aan medische hulpmiddelen te voorkomen, kan als voorbeeld voor Nederland dienen en overweegt u in Nederlands beleid om te zetten?
Het Zorg Inkoop Netwerk Nederland heeft een inventarisatie gedaan van de aanpak van tekorten in verschillende landen, waaronder Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Japan, Oostenrijk en Spanje. De lessen die zijn geleerd bij deze inventarisatie worden meegenomen bij de ontwikkeling van een blauwdruk voor de crisisstructuur in Nederland.
Eén van de lessen is bijvoorbeeld dat het van belang is om vooraf een crisisstructuur in te richten met afspraken over rollen en verantwoordelijkheden van alle partijen bij tekorten aan medische hulpmiddelen. Daar wordt nu aan gewerkt.
Naar voorbeeld van Japan onderzoekt het kabinet op basis van verschillende scenario’s voor welke medische producten het beste strategische voorraden kunnen worden aangelegd.
In Spanje zijn leveranciers verplicht om informatie over beschikbare voorraden, productiecapaciteit en eventuele leveringsproblemen te melden bij een centraal digitaal platform. Zorginstellingen zijn verplicht om hun voorraadniveaus, verbruik en eventuele tekorten door te geven aan hetzelfde centrale digitale platform. In Nederland wordt bij de ontwikkeling van de blauwdruk voor een crisisorganisatie in kaart gebracht in hoeverre er draagvlak is voor levering van dergelijke gegevens op vrijwillige basis. Als informatievoorziening op vrijwillige basis niet werkt, overweegt het Kabinet een wettelijke informatieplicht in te voeren.
Bent u bekend met het plan France 20302 waarmee Frankrijk in deze tijden van geopolitieke spanningen en verstoorde toeleveringsketens de productie van essentiële medicijnen naar Frankrijk terughaalt? In welke mate zou een dergelijk plan volgens u ook voor Nederland interessant zijn? Zo nee, waarom niet? Acht u het nuttig een dergelijk plan naar medische hulpmiddelen uit te breiden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben daarmee bekend. In Nederland hebben we een eerste stap gezet door een overeenkomst te sluiten met fabrikant voor het in stand houden van opschaalbare productiecapaciteit van mondmaskers (type FFP2). Het kabinet overweegt om met middelen uit het pakket pandemische paraatheid overeenkomsten te sluiten voor de productie van nog een aantal van de meest kritische hulpmiddelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Er was wat meer tijd nodig om de vragen te beantwoorden omdat afstemming met betrokken partijen ten behoeve van de beantwoording meer tijd heeft gevergd.
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Etkin Armut (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Het is cruciaal dat kinderen veilig zijn en scholen hebben hier een belangrijke rol in, met name in signalering. Het is dus een positieve ontwikkeling dat scholen steeds vaker Veilig Thuis benaderen: meer kinderen krijgen daardoor de ondersteuning en bescherming die ze nodig hebben. Tegelijkertijd brengt de forse toename van adviesvragen en meldingen een aanzienlijke druk op de capaciteit van Veilig Thuis met zich mee. Kindermishandeling is een hardnekkig probleem en een goede verbinding tussen school en Veilig Thuis is belangrijk om passende ondersteuning en bescherming te bieden.
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Ja, het aantal meldingen uit het onderwijs is de afgelopen jaren met ruim 1.600 gestegen. Cijfers van het CBS geven het volgende beeld:
2022
4.630
2023
5.420
2024
5.690
2025
6.290
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Ja, ik deel die mening. Leerkrachten en ander onderwijspersoneel hebben een belangrijke signalerende rol. Zij zien hun leerlingen vrijwel dagelijks en kunnen signalen in de klas opvangen van kindermishandeling en kunnen hiermee het verschil maken voor een leerling. Het is goed om te zien dat scholen hierbij ook vaker de weg naar Veilig Thuis weten te vinden, zij kunnen de leerkrachten ook steunen in de verantwoordelijkheid die zij voelen om goed met de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling om te gaan.
Alle scholen in Nederland hebben de plicht om de meldcode Veilig Thuis te gebruiken, deze schooleigen te maken en toe te passen bij vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld. Voor het onderwijs is hierbij ook een afwegingskader gemaakt, dat scholen helpt bij het goed gebruiken van de meldcode2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Het is belangrijk dat professionals bij Veilig Thuis en die in het onderwijs elkaars werk kennen en oog hebben voor ieders perspectief. Zo kan het voor scholen bij vermoedens lastig zijn om te melden, omdat zij altijd te maken hebben met een vertrouwensrelatie met de ouders en het kind zelf. Bij twijfel over hoe te handelen kunnen scholen al bij stap 2 in de meldcode contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is belangrijk dat scholen dit bij twijfel ook doen.
Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de inspectierapporten over de casus Vlaardingen, is het afgelopen jaar en dit jaar geïnvesteerd in scholing voor professionals in het onderwijs (bijvoorbeeld intern begeleiders, aandachtsfunctionarissen en leraren), specifiek gericht op de rol van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze trainingen worden verzorgd door de landelijke vereniging van aandachtsfunctionarissen (LVAK) en zijn vormgegeven samen met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.
Het kabinet werkt daarnaast aan een versteviging van de adviesfunctie in de meldcode, daarbij wordt de mogelijkheid van een adviesplicht afgewogen.
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Bij vrijwel alle Veilig Thuis-organisaties bestaan wachtlijsten. Dit uit zich vooral in het niet halen van de wettelijke termijn van tien weken voor de dienst «onderzoek en vervolg» en het niet tijdig afronden van de veiligheidsbeoordeling binnen vijf dagen.
Een eenduidig landelijk beeld van de wachtlijsten is niet te geven: Mede vanwege de manier van aanbesteden door gemeenten en de afspraken die zijn gemaakt over de bijbehorende verantwoording van Veilig Thuis aan de gemeenten, bestaan er verschillen in hoe het al dan niet behalen van de termijn wordt geregistreerd. De noodzaak om hier gezamenlijk verbetering in aan te brengen wordt door alle betrokken partijen diep gevoeld. Daarom werk ik samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG hard aan een meer uniforme manier van werken en registreren binnen Veilig Thuis.
De IGJ houdt toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van Veilig Thuis.
Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld. Ik breng daarnaast samen met het LNVT, VNG, J&V en de IGJ in kaart welke aanpassingen in wettelijke taken en grondslagen van Veilig Thuis nodig zijn om gezinnen en huishoudens sneller de juiste zorg en ondersteuning te bieden.
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Alle meldingen die bij Veilig Thuis binnenkomen, worden binnen 24 uur inhoudelijk beoordeeld op urgentie. Deze beoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide professionals, die kijken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen daarbij direct prioriteit.
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Sinds de situatie van het Vlaardings pleeggezin heeft Veilig Thuis intensief voorlichting gegeven over het zelf melden van mishandeling van kinderen («disclosure»). Deze voorlichting richt zich onder meer op wat professionals in zo'n situatie kunnen en moeten doen.
Disclosure valt altijd onder de noemer «acuut en/of structureel onveilige situatie». Binnen de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt daarom als professionele norm dat er een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis en dat een top tot teen-onderzoek volgt.
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
De wachtlijsten bij Veilig Thuis kennen meerdere oorzaken. Waar mogelijk werkt Veilig Thuis actief aan het wegnemen daarvan.
Om achterstanden terug te dringen en meldingen sneller op te pakken, worden extra maatregelen ingezet. Voorbeelden zijn gezamenlijke overwerksessies en doorbraakteams die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.
Om personeelsverloop en -tekorten aan te pakken worden landelijk en regionaal wervingscampagnes gevoerd en informatiebijeenkomsten en speeddates georganiseerd voor geïnteresseerde kandidaten. Daarnaast wordt actief samengewerkt met hogescholen om studenten kennis te laten maken met het werk van Veilig Thuis. Ook wordt geïnvesteerd in zijinstromers en young professionals, die via begeleiding, opleiding en een zorgvuldig inwerkprogramma geleidelijk worden voorbereid op deze complexe werkzaamheden.
Verder is geïnvesteerd in het digitale ondersteuningsaanbod, zodat eerder en efficiënter advies en ondersteuning kan worden geboden. De gedachte is dat vroegtijdig oppakken van signalen erger kan voorkomen met minder intensieve interventies, wat uiteindelijk het aantal meldingen doet afnemen. Daarnaast worden werkprocessen continu doorontwikkeld en worden in de regio's samenwerkingsafspraken gemaakt om specifieke knelpunten lokaal aan te pakken.
Tot slot richt het Toekomstscenario zich op het verbeteren van de aanpak in brede zin. Het doel is om meer situaties van onveiligheid binnen gezinnen op te pakken via sterke lokale wijkteams, met veiligheidsexpertise dichtbij. Dit moet leiden tot snellere en passende hulp, waardoor situaties minder snel escaleren en meldingen minder vaak nodig zijn.
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Veilig Thuis is de enige partij binnen het vrijwillig kader met een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van informatie met partijen in zowel het vrijwillige als het gedwongen kader. Bij een melding wordt standaard een check op bekendheid uitgevoerd bij een aantal vaste partijen, zoals de politie, de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Afhankelijk van de melding kan Veilig Thuis ook bij andere partijen informatie opvragen, zoals bij school, huisarts of het lokaal team.
Hiervoor is Veilig Thuis wel afhankelijk van informatie over wie er bij de situatie betrokken zijn. Als betrokken organisaties die informatie niet verstrekken, bijvoorbeeld omdat zij het beroepsgeheim laten prevaleren boven het delen van informatie, heeft Veilig Thuis onvoldoende basis om te kunnen handelen.
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
Er bestaan inderdaad grote regionale verschillen in wachttijden bij Veilig Thuis. De afhandeling van meldingen is in de basis echter gelijk: alle 25 Veilig Thuis-organisaties werken met hetzelfde handelingsprotocol. Verschillen in regionale samenwerking, bijvoorbeeld wachtlijsten bij ketenpartners, kunnen desondanks van invloed zijn op de wachttijden.
Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG wordt nadrukkelijk verkend hoe de werkwijze verder geüniformeerd kan worden. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke aanscherping van de wettelijke vereisten en naar wat de minimale basis voor elke gemeente zou moeten zijn.
Het bericht 'Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen», waarin wordt gemeld dat in Rotterdam inmiddels 15.160 jongeren tot 23 jaar met jeugdzorg te maken hadden, dat dit neerkomt op ongeveer één op de elf jongeren, en dat dit afwijkt van de landelijke dalende trend?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u voor de jaren 2020 tot en met 2025, uitgesplitst naar gemeente, jeugdregio en provincie, aangeven hoeveel jongeren jeugdzorg ontvingen, zowel absoluut als als percentage van het aantal jongeren tot 23 jaar?
De door u opgevraagde informatie is dusdanig uitgebreid dat deze niet goed weer te geven is in tabellen in deze schriftelijke beantwoording. Daarom zijn hieronder verschillende verwijzingen opgenomen, die u direct naar deze cijfers op de website van het CBS toeleiden:
Vanwege doorgevoerde verbeteringen in de verwerking van gegevens over jeugdzorg tussen 2020 en 2021, wordt data over de jeugdzorg door het CBS gepresenteerd in twee afzonderlijke periodes: periode 2015 – 2020 en periode 2021 tot heden. Hierdoor zijn de uitkomsten over jeugdhulp over de jaren 2021 en later niet goed te vergelijken met de uitkomsten over de jaren 2015 t/m 2020. Meer informatie is te vinden in de Methodewijzigingen Beleidsinformatie jeugd.5 Indien data over de jeugdzorg 2020 toch gewenst is, dan is deze online beschikbaar.6
Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, gezinsgerichte opvang, gesloten jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering?
De door u gewenste selecties bevat te veel data (bij de uitsplitsing naar gemeente) om online (via de website van het CBS) te kunnen weergeven in tabellen. Wel kunnen deze als CSV-bestand gedownload worden via de open data API van het Dataportaal.7 Voer daar de gewenste selectie in en download de CSV. Een andere optie is om de data in delen online te filteren. De verwijzingen daarvoor zijn hieronder opgenomen.
Data jongeren met jeugdzorg 2021 – 2025 in delen:
Data naar jeugdregio en provincie:
Kunt u aangeven in welke gemeenten het jeugdzorggebruik het sterkst boven of onder het landelijke gemiddelde ligt, en welke verklarende factoren daarvoor volgens u het meest aannemelijk zijn?
Hieronder treft u een landkaart met de weergave van het jeugdzorggebruik per gemeente (jongeren tot 23 jaar). De kleuren van de gemeenten geven een indicatie van of het jeugdzorggebruik ver boven of onder het landelijke gemiddelde ligt. Er bestaat een interactieve landkaart online om van iedere gemeente afzonderlijk de percentages te zien.13 Het CBS doet verder geen duiding van de cijfers. Per gemeente zullen de onderliggende redenen verschillen, zeker waar het gaat om gemeenten die sterk boven of onder het landelijk gemiddelde liggen. Vanuit VWS wordt wel nog onderzoek uitgezet naar aanvullend inzicht in de uitgavenontwikkeling van de jeugdzorg en de onderliggende factoren. Dit zal in algemene zin ook meer inzicht moeten geven in de ontwikkelingen in jeugdhulpgebruik.
Kunt u voor de afgelopen vijf jaar aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten is gestart als crisis, welk deel herhaald beroep betreft en welk deel betrekking heeft op jongeren die daarnaast ook jeugdbescherming of jeugdreclassering ontvangen?
Op basis van de beschikbare informatie van het CBS, geeft onderstaande tabel inzicht in «gestart met crisis» en «herhaald beroep».14
Totaal jeugdhulptrajecten
Totaal begonnen trajecten
Herhaald beroep
Gestart met crisis
2021
652.970
304.760
79.630
26,1
11.715
3,8
2022
667.420
309.615
80.230
25,9
10.610
3,4
2023
702.100
326.450
83.235
25,5
10.935
3,3
2024
709.935
323.860
84.275
26
10.200
3,1
20251
673.075
288.685
77.350
26,8
9.665
3,3
% t.o.v. totaal aantal begonnen trajecten
Betreft voorlopige cijfers.
Voorts vraagt u naar de uitsplitsing hierin naar jeugdbescherming en jeugdreclassering. Hieronder is in een tweetal tabellen de beschikbare informatie over het aantal jeugdigen met jeugdbescherming en/of jeugdreclassering weergegeven. Een verdere uitsplitsing naar jeugdbescherming of jeugdreclassering (bijvoorbeeld naar de wijze van de start van het traject) is echter niet mogelijk. Dit komt omdat de betreffende data niet op deze wijze aan elkaar is gekoppeld. Verder is er data beschikbaar over herhaald beroep van jeugdreclasseringsmaatregelen en van ondertoezichtstellingen in de jeugdbescherming.15, 16
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jeugdbescherming
Wel of geen JR
41.235
38.765
35.720
33.940
32.825
Wel JR
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Geen JR
40.195
37.705
34.700
32.855
31.675
Alleen voogdij
Wel of geen JR
10.305
9.990
9.480
8.995
8.380
Wel JR
135
145
165
180
170
Geen JR
10.170
9.840
9.315
8.815
8.210
Alleen OTS
Wel of geen JR
29.925
27.970
25.605
24.450
24.005
Wel JR
895
905
845
895
970
Geen JR
29.030
27.065
24.760
23.555
23.040
Zowel voogdij als OTS
Wel of geen JR
1.005
810
640
495
440
Wel JR
10
10
10
10
10
Geen JR
995
800
625
485
430
CBS StatLine Jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5E3A.
Betreft voorlopige cijfers.
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Wel JR
Wel/geen jeugdbescherming
7.975
7.475
7.665
8.290
8.660
Wel JR
Wel jeugdbescherming
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Wel JR
Alleen voogdij
135
145
165
180
170
Wel JR
Alleen OTS
895
905
845
895
970
Wel JR
Zowel voogdij als
OTS
10
10
10
10
10
Wel JR
Geen jeugdbescherming
6.935
6.410
6.645
7.205
7.515
CBS jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5F80.
Betreft voorlopige cijfers.
Kunt u de jeugdzorgcijfers uitsplitsen naar leeftijdscategorie, geslacht, type huishouden, inkomenskwintiel van het huishouden en onderwijssoort?
Voor de gewenste data adviseren wij om de nieuwste CBS rapporten te raadplegen over jeugdhulp,17 jeugdbescherming,18 en jeugdreclassering.19 In de rapporten staan (interactieve) staafdiagrammen met bijbehorende tabellen (incl. cijfers van voorgaande jaren) overzichtelijk gepresenteerd tezamen met een begeleidend schrijven.
Kunt u, voor zover beschikbaar en met inachtneming van statistische geheimhouding, de jeugdzorgcijfers tevens uitsplitsen naar geboorteland van de jongere, geboorteland van de ouders en herkomstland conform CBS-definities?
Hieronder treft u de voorlopige cijfers jeugdzorg naar herkomst 2025. Betreffende data is alleen terug te vinden in CBS rapporten over jeugdzorg,19 jeugdbescherming,20 en jeugdreclassering,21 en zijn niet beschikbaar in online StatLine tabellen.
Jeugdzorg naar herkomst
Jongeren jeugdhulp zonder verblijf
Jongeren jeugdhulp met verblijf
Jongeren met jeugdbescherming
Jongeren met jeugdreclassering
10,4
0,9
1
0,3
Nederland
10,7
0,9
0,9
0,2
Europa (exclusief Nederland)
10
1
1,1
0,4
Turkije
6,9
0,4
0,6
0,5
Marokko
7,1
0,5
0,7
0,9
Suriname
10,3
1,7
2
1,1
Nederlands-Caribisch gebied
13,9
2,8
2,8
1,9
Indonesië
8,5
0,8
0,7
0,4
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
9,5
0,9
1,1
0,7
6,1
0,7
1
0,5
Europa (exclusief Nederland)
5,5
0,6
1
0,2
Turkije
6
0,4
0,6
0,2
Marokko
9,5
1
1,6
1,4
Suriname
8,6
1,5
1,5
0,9
Nederlands-Caribisch gebied
10,3
1,9
2,5
1,2
Indonesië
4
0,4
0,5
0,1
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
6,3
0,7
0,9
0,7
Kunt u daarbij nadrukkelijk onderscheid maken tussen jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering, omdat deze vormen inhoudelijk en beleidsmatig sterk verschillen?
De informatie die hierover beschikbaar is, is opgenomen in het antwoord bij vraag 7.
Welke van deze achtergrondkenmerken hangen volgens bestaande CBS-analyses het sterkst samen met jeugdzorggebruik, en welke beleidsconclusies verbindt u daaraan?
Een soortgelijke analyse als waar u naar vraagt is in 2023 door het CBS uitgevoerd over het jaar 2021.20 Dit onderzoek had naast herkomst ook betrekking op andere demografische achtergrondkenmerken. Voor de daaropvolgende jaren zijn dergelijke analyses niet gedaan.
Het onderzoek laat de samenhang zien tussen jeugdhulpgebruik en verschillende factoren. Dit betekent overigens niet dat ook geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een causaal verband. De samenhang voor jeugdhulp zonder verblijf is het sterkst met de factoren GGZ gebruik in huishouden, speciaal onderwijs en leeftijd. Voor jeugdhulp met verblijf is dit speciaal onderwijs, samenstelling van het huishouden en gebruik van Wmo en/of WLZ in het gezin. Voor Jeugdbescherming is dit ouders wonen op hetzelfde adres/samenstelling van het huishouden, speciaal onderwijs en gebruik van Wmo en/of WLZ. Voor Jeugdreclassering is dit verdachte in huishouden, HALT, geslacht en speciaal onderwijs/hoogst gevolgde opleiding.
Kortom, in algemene zin blijk uit dit onderzoek dat jongeren met jeugdzorg vaker dan jongeren zonder jeugdzorg te maken hebben met problemen op andere gebieden. Daarmee sluiten de uitkomsten van het onderzoek aan op de beleidsinzet om een integrale en brede blik te hanteren wanneer er problemen bij jeugdigen voordoen en/of een beroep gedaan wordt op jeugdzorg. Onder andere met het met een brede blik kijken naar en betrekken van het gezin bij hulpvragen (waaronder een verklarende analyse), de inzet op stevige lokale teams en de inzet op passende zorg en ondersteuning.
Kunt u aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten wordt gestart via de gemeentelijke toegang, welk deel via huisarts, jeugdarts of medisch specialist, welk deel via gecertificeerde instellingen en welk deel via rechterlijke of justitiële route?
Hieronder worden de meest actuele cijfers hierover weergegeven.21
Huisarts
35
36
38,7
39,5
Gemeentelijke toegang
32,7
32,3
30,9
30,6
Geen verwijzer
16,8
17,5
16,2
15,6
Gecertificeerde instelling
5,7
5,6
5,7
5,8
Medisch specialist
5,5
4,6
4,4
4,5
Jeugdarts
3,7
3,7
3,7
3,5
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,3
0,3
0,3
0,3
Onbekend
0,2
0,1
0,1
0,1
Gemeentelijke toegang
43,3
44,9
44,4
43,5
Gecertificeerde instelling
38,1
36,3
35
36,1
Huisarts
6,6
6,4
6
5,6
Medisch specialist
6
5,4
6,5
6,4
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,9
1,2
0,9
0,8
Jeugdarts
0,4
0,4
0,4
0,4
Geen verwijzer
0
0
0
0
Onbekend
4,6
5,3
7
7,1
Betreft voorlopige cijfers.
Klopt het dat gemeenten bij de medische verwijsroute wel financieel verantwoordelijk zijn, maar beperkt kunnen sturen op de feitelijke toekenning van hulp? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor kostenbeheersing en voor het terugdringen van onnodige of lichte jeugdhulp?
De Jeugdwet kent meerdere verwijzers naar jeugdhulp. Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten (hierna: medisch verwijzers) kunnen bepalen dat een jeugdige aanspraak kan maken op jeugdhulp. De gemeente moet vervolgens een beschikking afgeven op basis van wat de jeugdhulpaanbieder inschat dat nodig is. De jeugdhulpaanbieder moet zich bij deze inschatting houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die de gemeente in de verordening heeft gesteld.
Het kunnen bieden van passende jeugdhulp met een brede blik en het kunnen sturen op de inzet van mensen en middelen in de context van schaarste is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van huisartsen en gemeenten. In het najaar van 2025 zijn hierover bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de Landelijke Huisartsen Verenging (LHV), Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN), de VNG en VWS.22 Deze worden verankerd en uitgewerkt in de leidraad.23 In deze bestuurlijke afspraak is de samenwerking tussen gemeenten, huisartsen en jeugdartsen, zoals beoogd in de Hervormingsagenda jeugd, nader uitgewerkt.
Welke hulpvormen heeft u concreet op het oog, gezien in de toelichting op het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet wordt gesteld dat preventie en basishulp voorliggend moeten worden op aanvullende jeugdhulp, dat jeugdhulp waar mogelijk groepsgewijs moet worden ingezet en dat bepaalde hulpvormen bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) buiten de Jeugdwet kunnen worden geplaatst?
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet worden bij de betreffende categorieën voorbeelden genoemd. Het gaat bijvoorbeeld bij de versterking van de sociaal pedagogische basis om voorzieningen die alledaagse opvoed- en opgroeivragen in de leefomgeving opvangen zodat jeugdhulp niet nodig is. Concreet gaat het hierbij om: jongerenwerk, laagdrempelige inloop- en ontmoetingsplekken en informele steunstructuren zoals Buurtgezinnen. Bij basishulp worden genoemd: opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding van jeugdigen met lichte gedragsproblemen en laagdrempelige langdurige begeleiding bij gezinnen met een kind met een chronische beperking. Bij jeugdhulp op groepsbasis gaat het om hulpvormen waarbij het bijvoorbeeld gaat om het besef niet de enige te zijn met een bepaald probleem, onderlinge steun en erkenning, en de mogelijkheid om sociale vaardigheden in een veilige omgeving met leeftijdsgenoten te oefenen. Voor de amvb waarbij vormen van jeugdhulp wordt uitgesloten gaat het bijvoorbeeld om ernstige enkelvoudige dyslexie die niet is vastgesteld volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling, huiswerk-, studie- en stagebegeleiding, weerbaarheidstraining zonder ontwikkelings- of gedragsprobleem, outdoor- of survivalactiviteiten zonder behandel- of begeleidingscomponent, Braingame Brian en HiRO.
Welke vormen van jeugdhulp worden volgens u op dit moment te vaak ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kan worden georganiseerd?
Bij hulpvragen van jeugdigen rondom het opvoeden en opgroeien is niet één op één aan te geven welke hulp en/of ondersteuning passend is aangezien problematiek altijd afspeelt in een bepaalde context. De context bepaalt welke hulp effectief is bij bepaalde hulpvragen. Zo kan het dus zijn dat eenzelfde hulpvraag, zoals «mijn kind vertoont druk gedrag», verschillende oplossingen nodig heeft in verschillende situaties. Dit maakt het dus ook niet mogelijk om aan te geven welke vormen van jeugdhulp te vaak worden ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via het onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kunnen worden georganiseerd. Wel zien we al langer een stijging in de relatief lichtere vormen van ambulante hulp en ondersteuning zoals begeleiding, basis-ggz behandeling en relatief lichte vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning.
Kunt u vóór de behandeling van de nieuwe regels over de reikwijdte van de Jeugdwet een landelijke benchmark aan de Kamer te sturen met per gemeente het feitelijke jeugdzorggebruik, de modelschatting op basis van achtergrondkenmerken, de afwijking daarvan en een beleidsmatige duiding van opvallende uitschieters?
Het CBS publiceert twee keer per jaar cijfers over jeugdzorg, waarbij o.a. uitsplitsingen worden gemaakt naar gemeente en zorgvorm (zie ook het antwoord op vraag 2 en 3). Daarnaast heeft het CBS in 2025 modelschattingen per gemeente gepubliceerd o.b.v. relevante achtergrondkenmerken voor jeugdzorg. Deze vindt u hier: Modelschattingen jeugdzorggebruik per gemeente, 2023 | CBS.24 Deze cijfers zullen ook betrokken worden in de centrale monitor van het jeugdstelsel, waarvan het CBS nu de data-infrastructuur bouwt. Een eerste versie van deze monitor wordt in het najaar gepubliceerd.
Bent u bereid daarbij expliciet inzichtelijk te maken waar sprake lijkt te zijn van overgebruik van lichte jeugdhulp, waar sprake lijkt te zijn van onderbereik van kwetsbare jongeren, en waar sprake is van relatief veel zware jeugdzorg? En kunt u dit beleidsmatig duiden?
Ik beschik niet over cijfers over lichte jeugdhulp, zware jeugdzorg of kwetsbare jongeren. CBS houdt namelijk andere categorieën van zorgvormen bij, zie vraag 3.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het debat over de nieuwe regels voor de reikwijdte van de Jeugdwet?
Ja.
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ieder kind heeft recht om op een veilige plek op te groeien. Bij signalen van onveiligheid, moet snel duidelijk worden wat een passend vervolg is. Daarom moet het stelsel beter en eenvoudiger, en wachttijden tot het minimum worden beperkt.
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Ja, uit de cijfers van Veilig Thuis blijkt dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen de afgelopen jaren is gestegen. Ongeveer de helft hiervan heeft betrekking op kindermishandeling. Dit percentage is door de jaren heen stabiel gebleven, al is het aantal adviesvragen en meldingen met betrekking tot kindermishandeling in absolute aantallen gestegen. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nader overzicht.
Dat hoeft echter niet direct te betekenen dat kindermishandeling vaker voorkomt; het kan ook zijn dat onveilige situaties vaker worden gesignaleerd en dat vaker contact wordt opgenomen met Veilig Thuis. Het is positief dat Veilig Thuis wordt benaderd om situaties waarin kinderen zich mogelijk in onveiligheid bevinden waar nodig nader te onderzoeken.
In de beleidsinformatie die periodiek door Veilig Thuis met het CBS wordt gedeeld, wordt geen onderscheid gemaakt tussen «ernstige» en «niet-ernstige» mishandeling. Ik beschouw iedere situatie van mishandeling ook als één te veel en als schadelijk.
Voor seksueel misbruik bij kinderen is het beeld gemengd. Het aantal adviesvragen steeg van 3.635 in 2022 naar 4.515 in 2025, terwijl het aantal meldingen in diezelfde periode licht terugliep, van 1.985 naar 1.830.
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Veilig Thuis levert twee keer per jaar cijfers aan het CBS. Daaruit is op jaarbasis het volgende overzicht van het aantal meldingen kindermishandeling op te maken:
Jaar
Aantal meldingen kindermishandeling
2019
55.590
2020
62.795
2021
61.495
2022
62.460
2023
65.750
2024
67.030
2025
68.150
Er wordt landelijk niet bijgehouden wanneer de wettelijke termijnen worden overschreden. Vanuit de decentrale inrichting van de regionale Veilig Thuis-organisaties is het deels afhankelijk van de wijze van aanbesteding hoe de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties hierover verantwoording afleggen aan de gemeenten. Landelijk houdt de IGJ daarnaast toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele organisaties, waaronder ook de naleving van de termijnen.
Een exact percentage van het aantal gevallen waarin de wettelijke termijn voor het uitvoeren van de veiligheidsbeoordeling niet wordt gehaald, is daardoor niet goed te geven. Wel is bekend dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40 en 60 procent van de veiligheidsbeoordelingen niet tijdig werd afgerond en dat dit al jaren een structureel knelpunt is bij Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde, en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden. Op het overschrijden van deze wettelijke termijnen ga ik in de beantwoording van vraag 7 nader in. Voor de volledigheid wil ik hierbij benadrukken dat na ontvangst van een melding altijd binnen 24 uur een eerste triage wordt uitgevoerd, en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
Voor het overschrijden van de wettelijke termijnen zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Een tekort aan personeel speelt daarbij zeker een rol, maar ook de beperkte capaciteit bij samenwerkingspartners van Veilig Thuis en de toegenomen complexiteit van de casuïstiek. Al deze factoren samen verklaren waarom de termijnen niet altijd worden gehaald.
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal afgeronde diensten onderzoek door Veilig Thuis.
Jaar
Aantal afgeronde diensten onderzoek totaal (alle vormen van huiselijk geweld inclusief kindermishandeling)
Aantal afgeronde diensten onderzoek specifiek bij een vermoeden van kindermishandeling
2019
6.100
2.440
2020
7.305
3.735
2021
7.615
4.025
2022
7.585
4.145
2023
7.530
4.335
2024
7.720
4.610
2025
7.435
4.405
Totaal
51.290
27.695
Ook voor de termijn van 10 weken voor het afronden van een onderzoek geldt dat naleving niet centraal wordt geregistreerd, waardoor helaas niet exact bekend is hoe vaak de termijn van tien weken wordt overschreden. Ik vind het belangrijk dat er meer uniformiteit en daarmee ook een beter landelijk overzicht komt, en werk daarom samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis hard aan het meer gelijk maken van werkprocessen en data.
In de tabel hieronder het gevraagde overzicht van het aantal keer dat Veilig Thuis de Raad voor de Kinderbescherming heeft ingeschakeld:
Jaar
Aantal afgeronde casussen met overdracht naar de Raad voor de Kinderbescherming
2019
355
2020
520
2021
620
2022
565
2023
595
2024
630
2025
490
Totaal
3.775
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Zoals hierboven toegelicht, is er wel inzicht in cijfers over het aantal meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis, maar niet in concrete gegevens over wachttijden en wachtlijsten. Daardoor kan er geen antwoord worden geven op de vraag wat de gemiddelde wachttijd voor gezinnen is na een melding. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat dit beeld er in de toekomst wel komt. Daarom werk ik met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis aan uniformiteit in de registratie van deze gegevens.
Evenmin is bekend hoeveel kinderen zich op dit moment in een onveilige situatie bevinden. Ook de cijfers van Veilig Thuis bieden hier geen uitsluitsel: zij geven uitsluitend een beeld van het aantal huishoudens waarover jaarlijks een melding wordt gedaan, niet van de totale omvang van kinderen in onveiligheid.
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Het is duidelijk dat Veilig Thuis onder grote druk staat en dat dit helaas leidt tot het overschrijden van de wettelijke termijnen. Ondanks de vele initiatieven die de afgelopen jaren zijn ondernomen, is het niet gelukt de wachtlijsten weg te werken. Dit is zorgelijk.
Hierbij is het goed om te vermelden dat, zoals ook in dit NOS-artikel staat, los van een eventuele wachtlijst bij een melding altijd direct een triage wordt uitgevoerd en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Daarbij is het belangrijk te blijven beseffen dat dit niet alleen een probleem is van Veilig Thuis zelf, maar van de keten als geheel. Met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming wordt gewerkt aan een stelselwijziging die ook de structurele knelpunten in de keten moet aanpakken: een stelsel dat eenvoudiger moet worden, met minder overdrachten van gezinnen en huishoudens.
Tegelijkertijd blijven we zoeken naar manieren om de wachtlijsten ook op kortere termijn terug te dringen. Daarvoor is het van belang een beter landelijk beeld te krijgen van de omvang en oorzaken van de problematiek. Uniformiteit tussen de 25 Veilig Thuis-organisaties is daarbij een cruciale voorwaarde, net als verdere verbetering van de werkprocessen waar dat mogelijk is. Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG, het Ministerie van JenV en de IGJ onderzoeken we hoe we de wettelijke basis en bijpassende kwaliteitseisen kunnen aanscherpen om tot meer uniformiteit te komen.
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Het beoordelen van signalen en het inschatten van veiligheidsrisico's behoren tot de kerntaken van Veilig Thuis. Zoals ook in het antwoord op vraag 7 is benoemd, worden ondanks de bestaande wachtlijsten alle meldingen binnen 24 uur op urgentie beoordeeld door daartoe opgeleide professionals. Op basis van de inhoud van de melding wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarin sprake is van acute of ernstige onveiligheid en situaties waarin een andere vorm van vervolg, ondersteuning of monitoring meer passend is. Hierbij moet Veilig Thuis afgaan op de informatie die zij krijgt. Samenwerking van Veilig Thuis met overige ketenpartners is dan cruciaal om het beeld van mogelijke onveiligheid scherper te krijgen en gezamenlijk tot een passend vervolg van ondersteuning, hulp en/of bescherming te komen. Deze gezamenlijke opgave vraagt ook om bredere oplossingen binnen het stelsel, waaronder een betere samenwerking tussen lokale teams en veiligheidspartners, zoals uitgewerkt in het Toekomstscenario.
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Ouders die wachten op een vervolgactie van Veilig Thuis kunnen altijd contact opnemen als zij het gevoel hebben dat de situatie niet langer kan wachten of dat er iets is veranderd. Zoals eerder aangegeven beoordeelt Veilig Thuis elke nieuwe melding opnieuw op acute onveiligheid.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming vereist een zorgvuldig proces in afstemming met betrokken organisaties en gemeenten. Bij ernstige gevallen vind ik het van belang dat Veilig Thuis of een andere betrokken organisatie de Raad voor de Kinderbescherming zo spoedig mogelijk inschakelt. Dit vraagt ook om een goede gezamenlijke analyse om de aard en ernst van een situatie goed te kunnen inschatten, iets wat vanuit het Toekomstscenario verder wordt versterkt.
Waar dat mogelijk en verantwoord is, streven we tegelijkertijd naar passende oplossingen binnen het vrijwillige kader. In die gevallen is het vooral belangrijk dat het gezin vanuit de juiste expertise bij de professionals tijdig de ondersteuning krijgt die het nodig heeft.
Overigens is het aandeel van Veilig Thuis-meldingen in de totale instroom bij de Raad voor de Kinderbescherming al jarenlang ongeveer 17 procent.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan het Kinderrechtenverdrag. Dat betekent dat wij als kabinet een positieve verplichting hebben om kinderen in staat te stellen zich optimaal en veilig te ontwikkelen. Dat vraagt van alle betrokkenen voortdurende inzet en aandacht. De situatie van het zwaar mishandelde meisje dat verbleef in een pleeggezin in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat het niet altijd en overal lukt om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Een van de kernbepalingen uit het Kinderrechtenverdrag is dat kinderen het recht hebben om hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan.2 Daarom zijn sinds het debat van 4 maart 2025 meerdere verbeterpunten gerealiseerd binnen de pleegzorg, jeugdbescherming en Veilig Thuis om de stem van kinderen te versterken.
Allereerst wordt binnen de Richtlijn Pleegzorg de focus meer gelegd op formele en informele vertrouwenspersonen, in aanvulling op het betekenisvol 1-op-1 contact tussen de professional en het pleegkind. Eveneens heb ik, in lijn met de motie Westerveld3, opdracht gegeven aan Jeugdstem om samen met ervaringsdeskundige jongeren uit de pleegzorg, de NVP en de Alliantie Informele Steun een informatiepakket te maken voor pleegkinderen zodat zij weten dat zij recht hebben op de hulp van vertrouwenspersonen en informele steunfiguren. Dit informatiepakket bestaat onder andere uit het «Ken-je-rechten-boekje» specifiek voor pleegkinderen, informatievideo’s en podcastafleveringen. Jeugdstem zal ook informatie beschikbaar maken voor pleegzorgbegeleiders, zodat deze ook over de juiste informatie beschikken. Jeugdstem verwacht in september het informatiepakket voor pleegkinderen gereed te hebben.
Daarnaast heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 2025 de positie van het kind versterkt, onder andere door het verbeteren van het kindgesprek, het inzetten van een ervaringsdeskundigen en het aanscherpen van de handreiking «Praten met kinderen over seksueel misbruik».
De Gecertificeerde Instellingen hebben naar aanleiding van het inspectierapport van 25 september 2025 een plan van aanpak opgesteld waarin onder andere gewerkt wordt aan de gezamenlijke uitgangspunten voor betekenisvolle face-to-face contacten. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de werkwijze die in het kader van het Toekomstscenario is ontwikkeld. Voorts is de afgelopen jaren met het landelijk tarief de workload van de jeugdbeschermer verlaagd met bijna 30%. Dit geeft meer ruimte voor betekenisvol contact van de jeugdbeschermer met het kind en het gezin. Specifiek voor de William Schrikker Stichting geldt dat naar aanleiding van de ernstige mishandeling in Vlaardingen maatregelen zijn genomen om het zicht op veiligheid van het kind te verbeteren, bijvoorbeeld door ieder kwartaal een toets uit te voeren op de actualiteit van kind-alleen-gesprekken.
Vanuit Veilig Thuis is er al een protocol voor het handelen bij disclosure, dat is wanneer een kind zelf aangeeft mishandeld te worden. Disclosure valt in alle gevallen onder vermoedens van acuut en/of ernstig structureel huiselijk geweld. Bij een melding bij Veilig Thuis waar sprake is van disclosure moet altijd een vertrouwensarts worden betrokken en moet een «top tot teen»-onderzoek plaatsvinden.
De vreselijke gebeurtenis in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat bij een deel van de professionals nog te weinig bekend was over disclosure en de afgesproken handelingsperspectieven. Daarom heeft Veilig Thuis vooral geïnvesteerd in het creëren van bewustwording rondom disclosure, zowel door rechtstreekse voorlichting aan professionals als door veel aandacht hierover op het nieuwe digitaal platform (o.a. met AI-chatbots). Ook is er brede aandacht voor de adviesfunctie voor professionals en heeft verbetering plaatsgevonden van meldings-en informatiesystemen. Daarnaast vindt voorlichting plaats op scholen over de radarfunctie van Veilig Thuis en via digitale kanalen. Tot slot verbetert Veilig Thuis zelf ook de gespreksvoering met kinderen door de medewerkers te trainen in systematische gespreksvoering met kinderen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling (NICHD-methode).
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Op het handelen van Veilig Thuis wordt onafhankelijk toezicht gehouden door de IGJ. Dit toezicht is zowel risicogestuurd als thematisch van aard. Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld.
De IGJ toetst of Veilig Thuis voldoet aan de geldende normen en verplichtingen op vier terreinen: veiligheid, de mate waarin gezinnen en huishoudens centraal worden gesteld, de deskundigheid van professionals en goed bestuur. Hiervoor heeft zij in januari 2025 ook een geactualiseerd toetsingskader opgesteld.
Daarnaast geldt voor Veilig Thuis een meldplicht bij de IGJ wanneer zich calamiteiten of incidenten voordoen in zaken waarbij zij betrokken is. De IGJ beoordeelt vervolgens onafhankelijk of nader onderzoek nodig is.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen, het toezicht van de IGJ en het debat van 4 maart 2025 zijn pleegzorgorganisaties en gecertificeerde instellingen gezamenlijk aan de slag gegaan met het verbeteren van de samenwerking. De Ministeries van JenV en VWS hebben Jeugdzorg Nederland, als koepel voor pleegzorg en jeugdbescherming, de opdracht gegeven om de Handreiking samenwerkingsafspraken Jeugdbescherming-Pleegzorgaanbieder uit 2016 te actualiseren. Vanuit Jeugdzorg Nederland zijn hiervoor projectleiders aangetrokken. In dit traject zijn onder andere de volgende onderwerpen meegenomen: versnellen van verklarend analyseren, gegevensuitwisseling tussen professionals, samenwerkingsafspraken met gezinshuizen en optimaal betekenisvol contact met het kind. De planning voor het vaststellen van deze hernieuwde samenwerkingsafspraken is najaar 2026. Aanvullend op deze samenwerkingsafspraken zijn er geen wetsvoorstellen in voorbereiding.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
In regio’s zijn stappen gezet om de verbinding tussen school en onderwijs te versterken. Onder meer door het aanstellen van vaste contactpersonen voor onderwijspartners. Deze contactpersonen zijn goed bereikbaar en gemakkelijk te vinden voor scholen, beantwoorden vragen vanuit het onderwijs en vertalen signalen en verbeterpunten intern door binnen Veilig Thuis. Overigens is in het Handelingsprotocol van Veilig Thuis opgenomen dat scholen vanuit Veilig Thuis altijd de informatie krijgen die noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Ook krijgt de school altijd een terugkoppeling.
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Een goede screening van pleegouders is belangrijk. Hiervoor moet een zorgvuldige procedure doorlopen worden, bestaande uit voorbereiding en beoordeling van de geschiktheid van pleegouders door de pleegzorgaanbieders, aangevuld met een justitiële screening door de Raad voor de Kinderbescherming.
De IGJ heeft in het thematisch toezicht naar de pleegzorg onder meer gekeken naar de screening en heeft op dit gebied geen aanbevelingen gedaan.
Desalniettemin hebben pleegzorgaanbieders het Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening vervroegd geëvalueerd. Binnen deze evaluatie wordt kritisch gekeken naar het opvragen van referenten, informatie-uitwisseling tussen pleegzorgaanbieders onderling en screening en voorbereiding van netwerkpleegouders. Het nieuwe Kwaliteitskader is eind vorige maand bestuurlijk vastgesteld.
Ten aanzien van de justitiële screening (Verklaring van Geen Bezwaar) die de Raad voor de Kinderbescherming op verzoek van de pleegzorgaanbieder uitvoert, past de RvdK sinds de herziening van zijn handreiking in februari 2025 consequent het vier-ogen-principe toe bij besluitvorming over (her-)screeningen van pleeggezinnen. Ter versterking van de zorgvuldigheid raadpleegt de RvdK op vaste momenten in het justitiële (her-)screeningstraject de Gecertificeerde Instelling en de pleegzorgaanbieder op het moment dat er zorgen zijn. Indien het onderzoek daar aanleiding toe geeft kunnen er meer informanten worden geraadpleegd.
Naast een goede screening is vooral goede ondersteuning en begeleiding van pleegouders belangrijk, zodat eventuele zorgen over de opvoedsituatie tijdig in beeld komen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders gebeurt primair door de pleegzorgwerkers en begeleiding vanuit de aanbieders. De komende periode geven de pleegzorgaanbieders uitvoering aan hun verbeteragenda, waar het versterken van de begeleiding van pleegouders een kernonderdeel van is.
Verder is het van belang dat pleegouders ergens terecht kunnen met vragen en klachten, als zij er niet uitkomen met de pleegzorgbegeleiding. Hiervoor geef ik subsidie aan de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en Jeugdstem. Zij kunnen pleegouders ondersteunen. Aanvullend heb ik maatregelen genomen voor het beter ondersteunen van pleeggezinnen zoals het financieel mogelijk maken van kinderopvang voor pleegkinderen en het uitbreiden van de bijzondere kostenvergoeding in het vrijwillig kader.
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Het LECK heeft als primaire taak artsen te adviseren bij vermoedens van kindermishandeling. Dit advies is gebaseerd op medische informatie en fotomateriaal en richt zich op de vraag of geconstateerd letsel past bij de beschreven toedracht, of dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke kindermishandeling. Voor een zorgvuldige beoordeling is het daarbij van belang dat het LECK beschikt over kwalitatief goede informatie.
Via de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn er verschillende routes waarlangs deze expertise kan worden ingezet. Zo kan Veilig Thuis medische professionals adviseren eerst een consult bij het LECK aan te vragen voordat een melding wordt gedaan. Daarnaast kunnen Veilig Thuis en vertrouwensartsen bij een vermoeden van lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik advies of onderzoek laten uitvoeren door een forensisch arts.
Het aantal adviezen van het LECK is de afgelopen jaren toegenomen, en ook de financiering is in die periode substantieel gegroeid. Ik vind het belangrijk dat de expertise van het LECK behouden blijft en toegankelijk is voor de professionals die daarop zijn aangewezen. In lijn met de aangenomen motie Krul-Westerveld ben ik daarom met het LECK en andere betrokken partijen in gesprek over hoe deze expertise duurzaam kan worden geborgd. Daarnaast verken ik hoe de samenwerking en afstemming tussen gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis, forensische expertiseorganisaties en het LECK in breder verband verder versterkt kunnen worden.
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Ik herken de ernst van de problemen binnen het stelsel. Met de betrokken partners voer ik overleg over de aanpak daarvan, vooralsnog binnen het bestaande financiële kader en met de extra POK-middelen die regio's hebben ontvangen: € 18 miljoen in 2026 en € 17 miljoen in 2027. Over de veranderstrategie van het Toekomstscenario zal ik uw Kamer in juli informeren.
steeds).
Het bericht ‘Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd»?1
Ja, daar is het kabinet bekend mee.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat duizenden hartpatiënten in Nederland jarenlang hebben rondgelopen met een ICD-draad die mogelijk sneller stukgaat dan zou moeten, terwijl zij daar niet actief over zijn geïnformeerd?
Het kabinet begrijpt de zorgen die zijn ontstaan naar aanleiding van de berichtgeving over de Linox-draden. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat medische hulpmiddelen veilig zijn en dat signalen over mogelijke risico’s zorgvuldig worden opgevolgd.
Tegelijkertijd is het van belang de feiten zorgvuldig te wegen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat cardiologen vanaf ongeveer 2013/2014 signalen van mogelijke problemen met deze specifieke lead serieus hebben genomen. Zij hebben deze signalen gemeld bij de fabrikant en de toezichthouder en hebben ervoor gekozen patiënten met deze leads extra te monitoren. Daarbij werden patiënten bij wie daadwerkelijk slijtage of andere problemen werden vastgesteld, geïnformeerd en behandeld.
Het klopt dat niet alle patiënten met een Linox-draad destijds actief zijn benaderd. Volgens de betrokken cardiologen was daarvoor gekozen, omdat er geen officiële veiligheidswaarschuwing of terugroepactie van de fabrikant of toezichthouders was afgegeven en een algemene waarschuwing tot onnodige onrust en mogelijk risicovolle medische ingrepen zou kunnen leiden.
Het kabinet vindt het belangrijk dat patiënten tijdig en volledig worden geïnformeerd over relevante risico’s die hun gezondheid kunnen raken. Tegelijkertijd moeten zorgverleners steeds een zorgvuldige afweging maken tussen het informeren van patiënten, de beschikbare wetenschappelijke kennis op dat moment en de mogelijke gevolgen van aanvullende medische interventies. Het kabinet zal bij de beroepsgroep benadrukken dat dit een afweging is die regelmatig opnieuw moet worden bezien.
Klopt het dat tussen 2006 en 2019 bij minstens 4.600 Nederlandse patiënten een Linox-draad van fabrikant Biotronik is geïmplanteerd en dat naar schatting nog zeker duizend mensen in Nederland met zo’n draad rondlopen?
Uit contact met de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (hierna: NVVC) heeft de IGJ opgemaakt dat de genoemde cijfers inderdaad vergelijkbaar zijn.
Klopt het dat cardiologen in binnen- en buitenland al jarenlang signalen zagen dat deze ICD-draden sneller kapotgingen dan andere draden? Zo ja, sinds wanneer waren de fabrikant, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie en betrokken ziekenhuizen hiervan op de hoogte?
In 2014 zijn de Linox-draden besproken in een overleg tussen de IGJ, NVVC, de Netherlands Cardiovascular Data Registry (NCDR) en de Nederlandse Hart Ritme Associatie (NHRA)). De meldingen over de Linox-draden laten geen opmerkelijke verschillen zien met meldingen over andere leads. Daarnaast zijn er geen tegengestelde signalen ontvangen vanuit andere Europese en mondiale toezichthouders. De IGJ had daarom geen reden om aan te nemen dat de Linox-draden minder presteren dan vergelijkbare leads en zag geen aanleiding tot een vervolgactie.
Naar aanleiding van de vragen van Investico en Nieuwsuur heeft de IGJ onlangs opnieuw gesproken met de NVVC en NHRA over de zorgen die cardiologen hebben over deze leads en de wijze waarop de fabrikant omgaat met meldingen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de IGJ vragen uitstaan bij de fabrikant over zijn systeem van post market surveillance. Daarnaast gaat de IGJ de prestaties van de leads bespreken met de betrokken autoriteit in Duitsland, waar de fabrikant is gevestigd.
Kunt u verklaren waarom patiënten niet actief zijn gewaarschuwd, terwijl het gaat om een implantaat in hun lichaam dat bij defecten onterechte, zeer ingrijpende shocks kan geven? Klopt het dat de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie patiënten niet informeerde omdat zij het vertrouwen in hun apparaat niet wilde aantasten, en hoe beoordeelt u die afweging?
Hierbij wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat bij de IGJ in Nederland ten minste 59 meldingen zijn binnengekomen van onterechte shocks door deze draden, waarvan de meest recente melding uit 2026 komt? Hoeveel meldingen van defecten, complicaties en andere problemen met deze draden zijn in totaal bekend?
Nederlandse ziekenhuizen plaatsen jaarlijks ongeveer tienduizend ICD-draden. De IGJ ontving sinds 2009 in totaal 425 meldingen over Linox-draden. Bij 83 van deze meldingen ging het om onterechte shocks. De IGJ ziet hierin geen verschillen met de meldingen over andere leads.
Welke concrete stappen worden momenteel gezet om patiënten die nog met deze Linox-draden rondlopen persoonlijk te informeren over de mogelijke risico’s en over wat dit voor hen betekent? Kunt u garanderen dat geen enkele patiënt tussen wal en schip valt?
Patiënten worden benaderd wanneer daar aanleiding toe is vanuit de normale ziekenhuiscontrole of thuismonitoring. Verder heeft de NVVC informatie beschikbaar gesteld aan cardiologen, verpleegkundigen, pacemakertechnici, de Hartstichting en patiëntenorganisatie STIN, zodat patiënten en hun omgeving kunnen worden voorgelicht.2 Patiënt die vragen hebben, worden verwezen naar hun eigen cardioloog of behandelcentrum.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor het toezicht op fabrikanten van medische hulpmiddelen en voor de manier waarop patiënten worden geïnformeerd bij signalen over mogelijk falende implantaten?
Deze casus bevestigt het belang van aandacht voor de informatiepositie van patiënten in de regelmatige onderlinge informatie-uitwisseling tussen de inspectie en beroepsgroep. Deze informatie-uitwisseling is onderdeel van het toezicht op de post-market fase, omdat dit ten goede komt aan de monitoring van de kwaliteit van medische hulpmiddelen en daarmee aan de zorgvuldige en veilige zorg voor patiënten.
Het zorggat voor mensen met een hersenschudding en PCS-klachten |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ik liep een hersenschudding op en belandde in een «zorggat» – en ik ben niet de enige»?1
Ja.
Herkent u de situatie welke geschetst wordt in het artikel, waarbij het bestaande protocol voor hersenschuddingen onvoldoende passend was bij de casus en de patiënt tussen wal en schap valt?
In Nederland zijn beroepsgroepen verantwoordelijk voor de inhoud van de zorg. Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) ontwikkelt voor huisartsen de professionele standaarden en richtlijnen. Huisartsen gebruiken deze standaarden en richtlijnen ter ondersteuning van het medisch beleid in de huisartsenpraktijk. Het kabinet velt geen oordeel over deze inhoud.
Het NHG geeft aan dat huisartsen zich voor de zorg voor patiënten met een hersenschudding baseren op de NHG-Standaard Hoofdtrauma. Deze standaard beschrijft dat het merendeel van deze patiënten binnen enkele weken herstelt en dat afwachtend beleid met goede voorlichting en adviezen doorgaans passend is. Tegelijkertijd wordt erkend dat een deel van de patiënten langer aanhoudende klachten kan ontwikkelen. Dit kan gaan om lichamelijke, psychische (zoals angst- en stemmingsklachten) en/of cognitieve klachten (zoals overprikkelingsverschijnselen en concentratiestoornissen), vaak een combinatie. De standaard besteedt hier expliciet aandacht aan. De behandeling bestaat uit gerichte voorlichting en advies en op indicatie wordt de patiënt doorverwezen. Het NHG geeft aan dat onderzoek naar specifieke interventies onvoldoende duidelijkheid geeft over het effect op herstel. De standaard biedt ruimte om de zorg op te schalen wanneer het herstel niet volgens verwachting verloopt.
Hoeveel mensen in Nederland, uitgesplitst per geslacht hebben te maken met klachten van post-commotioneel syndroom (hierna: PCS)? Indien dit niet bekend is, zou u hiervan een schatting kunnen maken en bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Het Ministerie van VWS beschikt niet over deze gegevens. PCS wordt niet als afzonderlijke diagnose geregistreerd in bestaande registraties, waardoor de omvang van deze patiëntengroep niet precies kan worden vastgesteld. In een prospectief cohortonderzoek2 verricht op Nederlandse SEH’s bleek dat 28% van de niet-opgenomen patiënten met een hoofdtrauma binnen drie maanden de huisarts bezocht vanwege klachten gerelateerd aan het doorgemaakte hoofdtrauma (onder andere vermoeidheid, duizeligheid, hoofdpijn, concentratieproblemen, prikkelbaarheid). Aangezien de incidentie van hoofdtrauma in de eerste lijn veel hoger en de ernst vaak milder is, is de verwachting volgens de onderzoekers dat de incidentie van aanhoudende posttraumatische klachten bij patiënten in de eerste lijn (veel) lager ligt. Bijna alle patiënten zullen, zonder restverschijnselen, genezen. Een klein deel houdt langdurig klachten. Er is op dit moment geen aanleiding om dit nader te onderzoeken.
Zijn er verschillen bekend in effectiviteit van behandelmethoden van PCS op basis van geslacht? Zo ja, om welke verschillen gaat dit? Zo nee, bent u bereid om dit in het kader van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid mee te nemen?
Specifiek onderzoek naar sekseverschillen in de effectiviteit van behandelmethoden bij PCS ontbreekt vooralsnog. In het Kennisprogramma Gender en Gezondheid3 is eerder onderzoek gedaan naar man-vrouwverschillen bij traumatisch hersenletsel in bredere zin. Hieruit bleek dat vrouwen over het algemeen slechtere uitkomsten rapporteerden zes maanden na het letsel, met name ernstiger symptomen na een hersenschudding en op het gebied van mentale gezondheid. In de behandelmethoden zelf werden geen sekseverschillen gevonden, maar wel in het zorgtraject.
In de NHG-Standaard Hoofdtrauma is geen onderscheid gemaakt in effectiviteit van behandelingen naar geslacht, omdat de wetenschappelijke onderbouwing hiervoor ontbreekt. Het is aan de beroepsgroepen om hier meer onderzoek naar te doen.
Hoeveel mensen in Nederland zijn (deels) arbeidsongeschikt wegens PCS? Indien dit niet bekend is, bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Het UWV geeft aan dat er circa 1600 WIA-uitkeringen geregistreerd zijn met als hoofddiagnose aandoeningen die gerelateerd zijn aan een hersenschudding. Niet bekend is welk deel daarvan PCS betreft omdat dit niet wordt geregistreerd. Het kabinet ziet geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
Hoeveel zorgaanbieders in Nederland bieden op dit momenteel specifiek gespecialiseerde hulp aan voor PCS-klachten?
Het kabinet heeft geen overzicht van hoeveel zorgaanbieders specifieke expertise hebben op het gebied van aanhoudende klachten na een hoofdtrauma.
Herkent u het beeld dat patiënten met een hersenschudding vaak geen intake krijgen bij een revalidatiecentrum, omdat hun klachten als «te licht» worden beschouwd? Zo ja, hoeveel procent van de patiënten met een hersenschudding wordt geweigerd door een revalidatiecentrum? Zo nee, kunt u aangeven waarom u dit beeld niet herkent?
Eventuele afwijzingen voor een intake worden niet geregistreerd. Daarmee is het onbekend of patiënten met een hersenschudding vaak geen intake krijgen bij een revalidatiecentrum omdat hun klachten als «te licht» worden beschouwd. Het kabinet vertrouwt op de deskundigheid van zorgprofessionals om te bepalen wat passende zorg is, in overeenstemming met geldende medische richtlijnen.
Herkent u het beeld dat bij PCS-klachten er nog onvoldoende een integrale aanpak wordt toegepast? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen om een integrale aanpak te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet herkent het beeld niet. De NHG-standaard besteedt hier aandacht aan. De NHG-Standaard Hoofdtrauma beschrijft dat in de acute fase het accent ligt op voorlichting, uitleg van het te verwachten beloop en het alert blijven op complicaties. Bij aanhoudende klachten adviseert de standaard een meer integrale, klachtgerichte aanpak, waarbij wordt gekeken welke klachten (lichamelijk, cognitief of psychisch) op de voorgrond staan.
Op welke concrete wijze wordt er momenteel ingezet op bewustwording van PCS en risicofactoren bij huisartsen?
De NHG-Standaard Hoofdtrauma ondersteunt huisartsen bij de herkenning en begeleiding van patiënten met (aanhoudende) klachten na hoofdtrauma. De implementatie wordt versterkt door scholings- en ondersteuningsmaterialen, zoals de e-learning Hoofdtrauma.
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Sarath Hamstra (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Ja, ik ben bekend met het rapport De Staat van Gezinnen 2026.
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
De aanbevelingen uit het rapport zien de drie ministeries als een waardevolle bijdrage aan het gesprek over de positie en ondersteuning van gezinnen. Een aantal van de aanbevelingen sluit aan bij het beleid dat momenteel wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Dit wordt hieronder verder uitgewerkt.
Ouders zijn de basis voor een goede ontwikkeling van kinderen. Daarom is het van groot belang om ouders te ondersteunen en te investeren in hun welzijn en in een sterke, ondersteunende opvoedomgeving. Dat is niet alleen van waarde voor ouders zelf, maar legt ook het fundament voor een gezonde en kansrijke volgende generatie. Daarom is binnen de Hervormingsagenda Jeugd expliciet aandacht voor het versterken van ouders en hun opvoedomgeving. In dat kader zijn verschillende acties in gang gezet, waaronder:
Het platform versterkt de pedagogische basis rondom gezinnen, stimuleert onderlinge steun tussen ouders en draagt bij aan een preventieve aanpak waarin ouders zich gehoord voelen en tijdig ondersteuning kunnen vinden.
Ook vanuit de Versterkingsagenda Mentale gezondheid en GGZ is binnen de leefomgeving «mentaal gezonde gezinnen» aandacht voor het welbevinden van ouders. Recent heeft het Ministerie van VWS – in samenwerking met Kansrijke Start – aan de GGD West Brabant de opdracht gegeven om het thema Welbevinden van Ouders verder op de agenda te zetten binnen het brede veld van ouders, professionals en bestuurders, én toe te werken naar concrete implementatie binnen bestaande programma's en praktijken. De Gesprekstool Welbevinden van Ouders gaat volgens het concept van een ouderwetse kettingbrief op «tour» in de netwerken van ouders, professionals en bestuurders door het delen van ervaringen, inzichten en persoonlijke reflecties. Ook wordt via «thema-dating» verkend hoe het thema welbevinden van ouders binnen bestaande opvoedinterventies, programma’s en werkwijzen (nog beter) geïmplementeerd kan worden. Denk aan: centering pregnancy/parenting, stevig ouderschap, Home-Start en Triple P. De resultaten hiervan worden eind dit jaar met de Kamer gedeeld.
Binnen de structurele aanpak Kansrijke Start staat het versterken van ouders en gezinnen centraal. In de bijbehorende actieagenda heeft het inhoudelijke thema «Sterke Ouders, Kansrijke Kinderen» de komende jaren extra prioriteit. Hierbij is aandacht voor zowel de fysieke als mentale gezondheid van ouders, als ook de sociale omstandigheden waarin gezinnen opgroeien. Binnen dit thema zet ik in op het versterken van de sociale en pedagogische basis in de eerste 1.000 dagen, het voorbereiden op en ondersteunen bij (toekomstig) ouderschap, betrouwbare voorlichting en informatie in de eerste 1.000 dagen. In het coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken om structureel te investeren in Kansrijke Start. Het kabinet maakt voor deze aanpak extra geld vrij en werkt momenteel uit hoe de inzet – zoals beschreven in het coalitieakkoord – op Kansrijke start eruit komt te zien.
Ten aanzien van de aanbeveling in het rapport over een gezinsvisie merk ik op dat in het kader van de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie het afgelopen jaar is gewerkt aan een visie op (de ondersteuning van) deze gezinnen die vaak te kampen hebben met problematiek op verschillende leefdomeinen. Denk bijvoorbeeld aan armoede of schulden, (jeugd)zorg en huisvestingsproblematiek. Deze gezinnen hebben tijdige hulp en ondersteuning nodig op meerdere aandachtsgebieden, en daarom gaat er extra aandacht van het Kabinet uit naar deze groep gezinnen. De Kamer is hierover inmiddels geïnformeerd2. Deze visie biedt een gezamenlijk kader voor de wijze waarop het kabinet vanuit verschillende beleidsterreinen naar gezinnen in een kwetsbare positie kijkt en hen wil ondersteunen.
Zoals blijkt uit bovenstaande aanpakken, onderschrijft het kabinet het belang van een samenhangende benadering van gezinnen. Daarom zet het kabinet hierop in.
Het kabinet ziet geen noodzaak om naast deze inzet ook nog een afzonderlijke integrale gezinsvisie op te stellen. De opgave ligt vooral in het verder versterken en het dichter bij elkaar brengen van beleid, aanpakken en ondersteuning in de praktijk, zodat gezinnen hiervan daadwerkelijk de meerwaarde ervaren.
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Ja. Wij zullen uw Kamer een inhoudelijke beleidsreactie op het rapport toezenden. Daarin zullen wij ingaan op de aanbevelingen uit het rapport en aangeven hoe deze zich verhouden tot het kabinetsbeleid.
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het beeld dat ouders het systeem als versnipperd ervaren. Dit blijkt ook uit het onderzoek van Significant dat in maart door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan uw Kamer is aangeboden3. Ouders geven aan dat informatie over ondersteuningsmogelijkheden soms moeilijk te vinden is of ontoegankelijk is. Vaak moeten zij voor verschillende hulpvragen op verschillende plaatsen om hulp vragen. Op die plaatsen worden vervolgens ook weer verschillende procedures gehanteerd. Dit maakt het voor ouders ingewikkeld en dit veroorzaakt stress en angst. Daarnaast hoor ik regelmatig dat ouders door eerdere ervaringen terughoudend zijn om hulp te vragen en soms ook wantrouwen voelen richting instanties. Dit heeft onder andere te maken met de manier waarop zij in het verleden bejegend zijn. Dit leidt er gezamenlijk toe dat zij er soms voor kiezen om geen beroep op professionele ondersteuning te doen.
Met de Hervormingsagenda Jeugd en het wetsvoorstel Reikwijdte zet het kabinet in op de versterking van lokale teams, zodat gemeenten integrale en samenhangende hulp en ondersteuning kunnen bieden. Daarnaast werken de Ministeries van BZK, JenV, OCW, SZW en VWS gezamenlijk aan het versterken van de ondersteuning voor gezinnen in een kwetsbare positie, als onderdeel van de Sociale Agenda Nederland die dit jaar wordt ontwikkeld. Deze agenda moet bijdragen aan structurele verbetering en toekomstbestendigheid van het brede sociaal domein zowel op de korte, middellange als de lange termijn. Voor gezinnen in een kwetsbare positie wordt gewerkt aan het versterken van de lokale samenwerking rond gezinnen door meer preventief en integraal te werken. Hierin wordt ook gekeken op welke manier drempels kunnen worden verlaagd, zodat gezinnen tijdig om hulp vragen.
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Vanuit de verschillende ministeries wordt herkend dat veel ouders uitdagingen ervaren bij het combineren van werk en privé en dat dit kan leiden tot een verhoogd stressniveau. Tegelijkertijd is de ervaren werk-privébalans afhankelijk van verschillende factoren, zoals de gezinssituatie, de werksituatie en de beschikbaarheid van ondersteuning. Het kabinet zet zich daarom in om gezinnen beter te ondersteunen. Zo wordt gewerkt aan een toegankelijke en betaalbare kinderopvang door een fundamentele stelselherziening zodat werkende ouders niet meer te maken krijgen met grote terugvorderingen. Passende verlofregelingen ondersteunen ouders en de ondersteuning aan gezinnen met kinderen wordt versterkt. Zoals aangekondigd zullen wij in de beleidsreactie nader ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een samenhangende benadering van gezinsbeleid, waarbij het perspectief van gezinnen centraal staat. Daarom werkt het kabinet onder meer via de interdepartementale aanpak aan meer samenhang in het beleid dat gezinnen in een kwetsbare positie raakt en aan de ontwikkeling van de Sociale Agenda Nederland.
Daarnaast zet het kabinet stappen om regelingen voor gezinnen eenvoudiger te maken en beter op elkaar te laten aansluiten. Zo is in het coalitieakkoord opgenomen dat de kinderbijslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd. Hiermee wordt beoogd de inkomensondersteuning voor gezinnen met kinderen zekerder en eenvoudiger te maken. De betrokken ministeries zien deze inzet als een passende invulling van de wens om gezinsbeleid meer in samenhang te bezien.
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Gezinsbeleid raakt verschillende beleidsterreinen en is daarmee een gedeelde verantwoordelijkheid van meerdere bewindspersonen. Juist daarom werken de betrokken ministeries in het kader van de Sociale Agenda Nederland onder andere aan een meer samenhangende benadering van beleid rond gezinnen in een kwetsbare positie. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om hiervoor één coördinerend Minister aan te wijzen.
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
De ministeries zijn reeds in gesprek met de initiatiefnemers van het rapport en waarderen hun betrokkenheid en inzichten. Het gesprek over de bevindingen en aanbevelingen uit De Staat van Gezinnen 2026 wordt gecontinueerd. Zoals benoemd wordt er ook samengewerkt met de partijen in de eerdergenoemde acties van deze brief.
Het bericht dat meldingen van kindermishandeling te traag worden afgehandeld door Veilig Thuis |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Niemand weet hoe vaak het misgaat» over de trage afhandeling van meldingen van kindermishandeling door Veilig Thuis en wat is uw reactie op de zorgen van jeugdrechtadvocaten dat ernstige zaken te lang blijven liggen?1
Ja ik ben bekend met dit artikel.
Klopt het dat meldingen van ernstige kindermishandeling regelmatig langer openstaan dan de wettelijke termijn van tien weken en hoeveel meldingen staan momenteel langer open dan wettelijk toegestaan?
Allereerst is het belangrijk om te noemen dat Veilig Thuis bij elke melding die binnenkomt altijd direct een triage uitvoert op basis van de beschikbare informatie, of een VT nu wachtlijsten heeft of niet. Als uit de triage komt dat er sprake is van directe ernstige onveiligheid wordt er altijd meteen gehandeld.
Na die triage heeft Veilig Thuis 5 werkdagen voor de uitgebreide veiligheidsbeoordeling. Hiervoor gaat Veilig Thuis contact leggen met de betrokkenen (zowel het gezin als betrokken instanties). Als uit de Veiligheidsbeoordeling komt dat er vervolg onderzoek nodig is, heeft Veilig Thuis 10 weken om de dienst »Onderzoek en Vervolg» uit te voeren en af te ronden.
Het klopt dat vrijwel alle Veilig Thuis organisaties te maken hebben met wachtlijsten. Dit betekent dat de Veiligheidsbeoordeling niet binnen 5 dagen is afgerond en/of dat de dienst Onderzoek en Vervolg niet tijdig is gestart en/of afgerond.
De betekenis van het niet halen van de wettelijke termijn kan heel erg verschillen. Dit is niet zo uit de cijfers te halen. Zo kan het zijn dat zaken langer moeten wachten totdat er een medewerker beschikbaar is om het onderzoek uit te voeren. Ook kan het zijn dat het onderzoek wel is afgerond, maar dat de geadviseerde vervolghulp niet direct beschikbaar is, waardoor de melding nog niet wordt afgesloten en overgedragen. Of het kan zijn dat een casus zo complex is, dat het om verschillende redenen niet lukt binnen 10 weken het onderzoek af te ronden. In de laatste 2 gevallen wordt er ondanks dat de termijnen niet worden gehaald, wel zicht gehouden op onveiligheid en kan er ook al inzet zijn gericht op het opheffen van onveiligheid.
Hoeveel meldingen van vermoedens van ernstige kindermishandeling of huiselijk geweld zijn de afgelopen vijf jaar niet tijdig opgepakt en hoeveel kinderen zijn in diezelfde periode ernstig mishandeld of overleden terwijl er al signalen bekend waren bij hulpinstanties?
Er wordt niet landelijk bijgehouden hoeveel meldingen niet tijdig zijn opgepakt. Het verschilt per Veilig Thuis organisatie hoe wordt geregistreerd op het halen van termijnen, dit is afhankelijk van de manier van aanbesteden door de gemeenten en de afspraken over de verantwoording van de desbetreffende Veilig Thuis aan die gemeente. En zoals bij de vorige vraag al aangegeven, is er ook een groot verschil tussen wat het niet tijdig oppakken van een melding betekent.
Veilig Thuis probeert zo veel mogelijk zicht op de veiligheid te houden, ook als een melding nog niet is opgepakt vanwege wachtlijsten. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd monitort de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele Veilig Thuis organisaties, waaronder de termijnen. De IGJ spreekt hier de individuele VT’s op aan en publiceert over landelijke trends wanneer zij dat op basis van de bevindingen wenselijk en/of noodzakelijk vindt.
Wat we wel weten is dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40–60% van de gevallen een veiligheidsbeoordeling niet tijdig is afgerond. Ook weten we dat gedurende de periode 2019–2025 het tijdig afronden van onderzoeken een structureel knelpunt is geweest binnen Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden.
Bij de incidenten met dodelijke afloop of van ernstige mishandeling die we in beeld hebben is altijd gecontroleerd of wachtlijsten een rol hebben gespeeld. Bij de bij ons bekende casussen was er geen sprake van invloed vanuit wachtlijstproblematiek. Daarbij is het goed om nogmaals te benadrukken dat bij elke melding bij Veilig Thuis er wel direct een risico inschatting wordt gemaakt. Indien daaruit komt dat er sprake is van vermoedens van acute of ernstige onveiligheid, Veilig Thuis direct handelt.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen mogelijk maandenlang in een onveilige thuissituatie blijven terwijl instanties al meldingen en signalen hebben ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het is absoluut onwenselijk dat meldingen van onveilige situaties van kinderen, maar ook van volwassenen, niet direct worden opgepakt,. De cijfers bij antwoord 3 laten een structureel probleem zien dat niemand wil. Daarom probeer ik ook echt, samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG en ook bijvoorbeeld de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, alles te doen wat we kunnen om de wachtlijsten op te heffen en in de toekomst te voorkomen.
Hoe verklaart u dat ernstige zaken volgens deskundigen «ondersneeuwen» door de grote hoeveelheid meldingen en is er volgens u sprake van personeelstekorten, bureaucratie, falende coördinatie of onvoldoende deskundigheid binnen Veilig Thuis?
Er is een verscheidenheid aan oorzaken waarom de keten vastloopt en de werklast voor Veilig Thuis veelal groter is dan Veilig Thuis aankan. Een al jaren toenemend aantal meldingen is hier een belangrijke oorzaak, maar ook personeelstekorten, wachtlijsten bij hulpverlening en inefficiënte werkprocessen spelen zeker een rol.
Hoeveel fte is er de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis bijgekomen, hoeveel vacatures staan momenteel open en acht u de huidige capaciteit voldoende om kinderen tijdig te beschermen?
De 25 Veilig Thuis organisaties zijn onafhankelijk van elkaar georganiseerde organisaties. Er is daardoor geen landelijk overzicht van de ontwikkeling van het aantal fte of het aantal openstaande vacatures bij de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties. Werving, instroom en uitstroom van medewerkers worden regionaal georganiseerd en geregistreerd. Landelijk herkennen wij wel dat er sprake is van een krappe arbeidsmarkt.
De vraag of de huidige capaciteit voldoende is om kinderen tijdig te beschermen laat zich niet beantwoorden aan de hand van het aantal medewerkers of vacatures. Veilig Thuis-organisaties beoordelen meldingen op basis van urgentie van veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute onveiligheid worden met voorrang opgepakt. Capaciteitsvraagstukken mogen nooit ten koste gaan van de veiligheid van kinderen en gezinnen. Juist daarom richten Veilig Thuis-organisaties hun beschikbare capaciteit primair op situaties waarin de veiligheidsrisico's het grootst zijn. Tegelijkertijd vraagt de toenemende druk aandacht voor capaciteit, financiering, samenwerking en de beschikbaarheid van passende vervolghulp. De uitdaging zit daarbij niet alleen in de beschikbaarheid van Veilig Thuis-professionals, maar ook in de beschikbaarheid van passende ondersteuning en hulp in de vervolgstappen na een veiligheidsbeoordeling.
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de afgelopen vijf jaar ingegrepen, waarschuwingen afgegeven of onderzoeken ingesteld naar Veilig Thuis-organisaties wegens tekortschietende uitvoering?
De Inspectie heeft de laatste vijf jaar meerdere onderzoeken ingesteld naar het functioneren van Veilig Thuis. Een opsomming van een aantal relevante publicaties uit de afgelopen is hieronder te vinden.
De IGJ vraagt bij geconstateerde tekortkomingen vrijwel altijd een verbeterplan op en controleert, bijvoorbeeld door een nieuw inspectiebezoek af te leggen, of de verbetermaatregelen zijn doorgevoerd en tot de gewenste resultaten hebben geleid. De IGJ ziet dat de wachtlijsten de afgelopen jaren niet zijn opgelost of verminderd. De IGJ heeft in 20241 alle Veilig Thuis-organisaties de opdracht gegeven zorg te dragen dat er altijd zicht op de veiligheid is van de kinderen en gezinnen die moeten wachten op Veilig Thuis als zij dit binnen hun organisatie (nog) niet hebben geregeld en monitort deze plannen. Ook bespreekt de IGJ haar zorgen met de Veilig Thuis-organisaties, gemeenten, het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, Jeugdzorg Nederland, VWS, JenV en de VNG. Hierbij maakt de IGJ ook bespreekbaar waar ze ruimte ziet voor verbeteringen bij de specifieke Veilig Thuis organisaties en waar het vooral gaat om knelpunten in de hele keten.
Hoe wordt momenteel gecontroleerd of meldingen daadwerkelijk leiden tot snelle en adequate actie om kinderen direct in veiligheid te brengen en klopt het dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over meldingen en de voortgang van onderzoeken?
Zoals in het antwoord op 7 is opgenomen, constateert de IGJ in het toezicht bij Veilig Thuis dat de wachtlijsten de afgelopen jaren niet zijn opgelost of verminderd. De inspectie kan geen algemene uitspraak doen dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over de meldingen en de voortgang van onderzoeken. Als een melding of onderzoek op een wachtlijst komt dan kan het zijn dat ouders of betrokkenen een periode niets horen van Veilig Thuis. De IGJ vraagt in het rapport uit 2024 aandacht voor de gevolgen van het lange wachten voor gezinnen, kinderen, huishoudens en melders. De IGJ heeft in 20242 alle Veilig Thuis-organisaties de opdracht gegeven zorg te dragen dat er altijd zicht op de veiligheid is van de kinderen en gezinnen die moeten wachten op Veilig Thuis als zij dit binnen hun organisatie (nog) niet hebben geregeld.
Ook bespreekt de inspectie haar zorgen met de Veilig Thuis-organisaties, gemeenten, het LNVT, JZNL, VWS, JenV en de VNG.
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis, jeugdzorg, gemeenten, politie en andere instanties? Zo nee, waarom niet?
Het is nodig om goed beeld te hebben van structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis en andere organisaties. En daarbij is vooral dat laatste heel belangrijk: de problemen bij Veilig Thuis staan niet op zichzelf. Veilig Thuis is een onderdeel van een keten waar het aan alle kanten piept en kraakt.
We zijn daar op verschillende manieren al mee bezig, waarbij het vooral belangrijk is om de inzichten ook te kunnen vertalen naar verbeteringen en de trajecten goed op elkaar aan te laten sluiten.
In het hier en nu zijn we samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG en het Ministerie van Justitie en Veiligheid continu aan het kijken welke knelpunten door de Veilig Thuis organisaties, ketenpartners en vooral de professionals, omstanders en betrokkenen zelf worden ervaren en wat daar in het hier en nu in verbeterd kan worden. Bijvoorbeeld in de aanpak van wachtlijsten wordt ingezet op in op het verbeteren van de werkprocessen zoals bijvoorbeeld het werken met doorbraakteams die alleen bezig zijn met het oppakken van nieuwe meldingen. Ook zet Veilig Thuis in op digitalisering en het gebruik van AI waar dat kan, het uitbreiden van de chatfunctie naar 24 uur per dag en 7 dagen per week, het verbeteren van samenwerkingsafspraken met de netwerkorganisaties en het werven van nieuwe medewerkers. Daarnaast probeert Veilig Thuis signalen eerder op te vangen door meer aanwezig te zijn op vindplekken (zoals scholen, huisartsenpraktijken, buurtcentra) zodat professionals direct ondersteund kunnen worden. Ook is de afgelopen jaren gezorgd voor versterking van de advies- en ondersteuningsfunctie om vroegtijdig hulp te kunnen bieden. We zien dit ook terug in de cijfers: er is de afgelopen jaren een sterke stijging van het aantal adviesvragen bij Veilig Thuis.
Welke concrete maatregelen, extra middelen, bevoegdheden of wetswijzigingen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat ernstige meldingen direct prioriteit krijgen en te voorkomen dat kinderen opnieuw slachtoffer worden van langdurige mishandeling door falend toezicht?
Het uitsluiten van mensen met psychiatrische aandoeningen bij levens- en uitvaartverzekeringen |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat mensen met psychische problemen bij een aantal levens- en uitvaartverzekeringen worden geweigerd omdat zij een «hoger gezondheidsrisico dan gemiddeld» hebben? Bent u ervan op de hoogte dat veel verzekeraars een uitsluitingsclausule hebben bij overlijden door suïcide?
Het is belangrijk dat ook mensen met psychische aandoeningen toegang hebben tot verzekeringen. Zij hebben in beginsel de mogelijkheid om een levens-en uitvaartverzekering af te sluiten en hebben daarmee toegang tot het verzekeringsstelsel. Wel kan het voorkomen dat verzekeraars aanvragen afwijzen wanneer het risico op eerder overlijden aanzienlijk hoger is dan dat van leeftijdsgenoten zonder de (psychische) diagnose, klachten of aandoeningen. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 2.
Overlijden door zelfdoding is ook bij verzekeraars gedekt, mits het overlijden plaatsvindt na een vooraf vastgestelde periode na afsluiting van de verzekering. Deze periode, meestal één jaar tot twee jaar, is veelal opgenomen in de polisvoorwaarden van het betreffende verzekeringsproduct. Gedurende deze periode bestaat nog geen recht op uitkering als de verzekerde overlijdt als gevolg van suïcide. De bepaling is onder meer bedoeld om te voorkomen dat zelfdoding, in combinatie met een verzekeringsuitkering, als oplossing voor financiële problemen wordt gezien.
Zijn dergelijke uitsluitingsclausules toegestaan? Is het verzekeringen toegestaan om het gezondheidsrisico van mensen te beoordelen en op basis daarvan te besluiten of zij zich kunnen verzekeren? Zo ja, wat zijn de criteria of besluiten verzekeraars dit zelf? Is het ook toegestaan als het gaat om lichamelijke gezondheidsproblemen of leeftijd?
Bij vrijwillig af te sluiten verzekeringen mag een verzekeraar een inschatting maken van het risico dat de klant vroegtijdig overlijdt. Op basis van het (gezondheids)risicoprofiel van de klant beoordeelt de medisch adviseur van de verzekeraar de aanvraag. Dit proces, de medische acceptatie, is nodig omdat de verzekeraar een risico overneemt van de klant: als die overlijdt, keert de verzekeraar een bedrag uit. Om de hoogte van de premie te kunnen bepalen, moet de medisch adviseur een inschatting maken van het risico. Daarbij is het van belang dat het inschatten van risico’s op een deskundige en objectieve manier gebeurt. Verzekeraars moeten zich houden aan wetgeving en gedragscodes zoals de Wet op de Medische Keuringen (WMK), het Protocol Verzekeringskeuringen en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: Wgbh/cz).
Wanneer sprake is van een verhoogd risico ten opzichte van leeftijdsgenoten zonder de diagnose of klachten, kan de verzekeraar verschillende maatregelen nemen. Zo kan de verzekeraar bijvoorbeeld een hogere premie in rekening brengen of besluiten het verzoek tot verzekering af te wijzen. Binnen de kaders van de wet, zoals het verbod op discriminatie, beschikken verzekeraars over een ruime mate van contractsvrijheid; zij mogen zelf bepalen welke voorwaarden, premies, en acceptatiecriteria zij hanteren.
Is dit ook toegestaan als de psychische problemen beginnen na de eerste polisjaren?
Bij het afsluiten van een levensverzekering maakt de verzekeraar een inschatting van het risico op basis van de op dat moment beschikbare informatie over de gezondheid en leefstijl van de verzekerde, vaak via een gezondheidsverklaring. Mede op basis hiervan worden de polisvoorwaarden en de hoogte van de premie vastgesteld. Veranderingen in de gezondheidstoestand nadat een verzekering door de verzekeraar is geaccepteerd, zoals het ontstaan van psychische problemen, hebben geen invloed op reeds lopende verzekeringen. De verzekerde is bovendien niet verplicht om dergelijke wijzigingen in de gezondheidstoestand aan de verzekeraar te melden.
Deelt u de mening dat deze uitsluiting een vorm van indirecte discriminatie is op grond van handicap of chronische ziekte, zoals bedoeld in de Wet gelijke behandeling en haaks staat op het VN-verdrag Handicap?
Zowel op grond van de Wgbh/cz als het VN-Verdrag Handicap is discriminatie tegen mensen met een beperking niet toegestaan. Het aanbieden van levens- en uitvaartverzekeringen valt onder de reikwijdte van de Wgbh/cz. De Wgbh/cz verbiedt indirect onderscheid tenzij dit objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. Als een verzekeraar iemand weigert vanwege een psychische aandoening moet hij kunnen uitleggen waarom dit objectief gerechtvaardigd is. Indien een persoon van mening is dat er sprake is van (indirecte) discriminatie door een verzekeraar, dan kan hierover een klacht worden ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens.
Kunt u toelichten of verzekeraars voldoende onderbouwing leveren voor dit onderscheid, en hoe wordt getoetst of het onderscheid proportioneel en gerechtvaardigd is?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, zijn verzekeraars in beginsel vrij om hun eigen acceptatiebeleid te voeren en te bepalen welke criteria zij hanteren om een verzekeringsaanvraag af te wikkelen, mits zij niet in strijd handelen met wettelijke bepalingen. Het is daarbij belangrijk dat verzekeraars hun overwegingen kunnen uitleggen aan de aanvrager van de verzekering. Consumenten kunnen een klacht indienen bij het College voor de Rechten van de Mens of de rechter als zij menen dat ze onterecht zijn afgewezen.
Bent u bereid om met de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en het College voor de Rechten van de Mens in gesprek te gaan over deze uitsluitingspraktijken?
Ik vind de toegankelijkheid en betaalbaarheid van financiële producten, zoals levens- en uitvaartverzekeringen, van groot belang. Daarnaast vind ik het belangrijk dat verzekeraars zich bewust zijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid als het gaat om deze toegankelijkheid. Hierover spreken de betrokken ministeries doorlopend met onder meer met het Verbond van Verzekeraars en andere belanghebbenden. Omdat mensen met psychische aandoeningen binnen de hierboven genoemde kaders wel mogelijkheden hebben om een levens-en uitvaartverzekering af te sluiten, zie ik op dit moment onvoldoende aanleiding om aanvullende regels te stellen. Uiteraard blijf ik alert op signalen uit de samenleving hierover, en mocht zich relevante ontwikkelingen voordoen, dan zal ik alsnog het gesprek hierover met hen aangaan.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met verzekeraars en andere instanties om gelijke toegang tot financiële producten te garanderen voor mensen met een psychische kwetsbaarheid?
Zie antwoord vraag 6.
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Ja.
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Op grond van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. De onderstaande inhoudelijke antwoorden zijn tot stand gekomen in afstemming met de gemeente Purmerend, de politie en het Openbaar Ministerie.
Door de gemeente is aangegeven dat voorafgaand aan en gedurende de kermis signalen zijn gedeeld – en besproken – tussen gemeente, politie, jongerenwerk en veiligheidspartners. Zoals gebruikelijk bij grote evenementen. Daarbij zijn ook signalen uit andere gemeenten meegenomen. Deze signalen waren echter niet concreet als het gaat om aantallen, samenstelling, exacte aankomstlocaties of voorgenomen gedragingen van specifieke personen of groepen. Er was zodoende geen concrete informatie die aanleiding gaf om gericht tegen specifieke personen of groepen op te treden.
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven is de inzet van maatregelen ter handhaving van de openbare orde een lokale aangelegenheid.
Gemeente en politie geven in casu aan dat van aangekondigde ongeregeldheden geen sprake is geweest. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 waren de signalen niet concreet. Wel zijn voorafgaand aan de kermis, zoals gewoonlijk, de inzet en aandachtpunten met alle betrokken (veiligheids)partners afgestemd. Er is, zoals bij elke editie, een dagelijkse multidisciplinaire veiligheidsbriefing ingepland, er vond live cameratoezicht plaats vanuit de commandopost, bus- en treinstations zijn gemonitord en er zijn waar nodig bestuurlijke maatregelen getroffen, waaronder het opleggen van verblijfsontzeggingen met een bijbehorend handelingskader. Verder is gedurende de avond actief gemonitord en ingezet op voorkoming van groepsvorming en mogelijke ordeverstoringen.
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Ondanks de omvangrijke voorbereiding en intensieve inzet van alle betrokken partners kunnen incidenten in de openbare ruimte niet altijd volledig worden voorkomen. Gedurende de avond zijn groepen jongeren fysiek actief gemonitord door politie, handhaving, jongerenwerk en beveiliging. Toen sprake was van ordeverstoringen heeft de politie opgeschaald en is opgetreden om verdere escalatie te voorkomen en reguliere bezoekers zoveel mogelijk te scheiden van de ongeregeldheden. Daarbij is uiteindelijk besloten de kermis een half uur eerder te sluiten om de openbare orde te herstellen en verdere risico’s voor bezoekers te beperken.
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Er zijn geen aanhoudingen verricht en het onderzoek is inmiddels gesloten.
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Purmerend geeft aan dat het zich realiseert dat het eerder sluiten van de kermis maatregel een grote impact heeft gehad op bezoekers en ondernemers en betreurt dat ten zeerste. Er zijn geen aanwijzingen dat kermisexploitanten betrokken zijn geweest bij de ongeregeldheden. Het overgrote deel van de bezoekers heeft de kermis op een normale en positieve manier bezocht. De beslissing om de kermis eerder te sluiten is echter genomen op advies van de politie en diende uitsluitend het belang van de openbare orde en veiligheid. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar het voorkomen van geweld en herhaling van escalaties en het beschermen van bezoekers, ondernemers, hulpdiensten en medewerkers. Door de kermis eerder te sluiten kon de openbare orde op het kermisterrein weer worden hersteld, kon de politie zijn inzet richten op de ordeverstoorders en werd herhaling op de zaterdag uitgesloten. De maatregel is nadrukkelijk niet gericht tegen bezoekers of exploitanten, maar bedoeld om escalatie en veiligheidsrisico’s te voorkomen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
De burgemeester heeft, na samenspraak in de lokale driehoek, het besluit genomen om de kermis de dag na het incident in zijn gemeente om 21:00 uur te sluiten. Dit besluit heeft hij genomen op basis van voorliggende informatie en afweging van risico’s.
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Er zal helaas zeker sprake zijn van economische schade voor de betrokken ondernemers. Een beslissing tot eventuele compensatie hiervoor is aan het lokale bestuur in overleg met de kermisbranche.
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
De burgemeester kan op basis van relevante feiten en omstandigheden besluiten tot het opleggen van gebiedsverboden. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Wanneer tijdens een politieonderzoek feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de politie de mogelijk invloed van georganiseerde groepen via sociale media betrekken.
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Hier heb ik geen overzicht van.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Naar aanleiding van een toezegging tijdens het Kamerdebat Toerisme en Recreatie van 11 mei 2022 heeft de Minister van Economische Zaken in samenwerking met de kermissector en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een handreiking voor de kermissector ontwikkeld. Deze is in oktober 2023 gepubliceerd. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt’. |
|
André Poortman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt»?1
Ja, dit bericht is bekend.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat er zware pijnstillers uit de reguliere farmaceutische keten worden verhandeld op de zwarte markt?
Ja, het is inderdaad zorgwekkend en onaanvaardbaar dat er zware pijnstillers uit de reguliere keten worden verhandeld op de zwarte markt. Het gebruik van deze middelen is niet zonder risico, en deze mogen nooit zonder begeleiding van een arts en apotheker worden gebruikt.
Hoe duidt u de constatering van Zembla dat er diverse kwetsbaarheden en lekken in de keten van geneesmiddelendistributie en afvalinzameling zijn zoals corrupte medewerkers binnen Nederlandse apotheken?
De uitzending laat zien dat de geneesmiddelendistributie- en afvalketen op sommige punten kwetsbaar is voor intern weglekken van medicijnen en misbruik. Dit zijn ernstige signalen. Het gesloten houden van de keten draait niet alleen om formele regels, maar vraagt ook om zorgvuldige naleving, betrouwbare medewerkers en goed toezicht op voorraad, retour- en afvalstromen. Het is nodig dat zorgaanbieders zich hier bewust van zijn.
Hoe duidt u het in het bericht beschreven voorval waarin er door het HagaZiekenhuis in eerste instantie geen aangifte werd gedaan van diefstal van medicatie door een medewerker en er eveneens geen melding werd gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?
Het is een kwalijke zaak als er medicatie gestolen wordt. Het kabinet vindt het belangrijk dat zorginstellingen in zo’n situatie de juiste stappen zetten om dit in de toekomst te voorkomen.
Het HagaZiekenhuis heeft laten weten dat de medewerker direct is vrijgesteld van werk nadat de situatie bekend werd. Daarnaast zijn de interne procedures aangescherpt. Toen in februari 2026 bleek dat de zaak groter was dan aanvankelijk gedacht, heeft het ziekenhuis alsnog melding en aangifte gedaan en de arbeidsovereenkomst met de medewerker beëindigd. Het HagaZiekenhuis geeft aan dat die latere acties voortkwamen uit maatschappelijke verantwoordelijkheid en transparantie.
Om toekomstige risico’s te minimaliseren, heeft het ziekenhuis externe expertise ingeschakeld om de procedures en omgang met opiaten door te lichten. De medewerker heeft aan de onderzoeker toegelicht hoe hij de procedures kon omzeilen, zodat het ziekenhuis hiervan kan leren. Dit laat zien dat het HagaZiekenhuis het voorval serieus neemt en dat men ook de nodige stappen aan het zetten is. Tegelijkertijd maakt dit incident duidelijk dat zorginstellingen actuele protocollen moeten hebben voor medicatie gerelateerde incidenten, niet alleen gericht op zorg, maar ook op dit soort situaties. En die moeten ze duidelijk en tijdig volgen, zodat ziekenhuizen adequaat handelen bij problemen met medicatie.
Bent u bereid met de sector in gesprek te gaan om te bezien of de huidige richtlijnen rondom het melden van diefstal en het doen van aangifte toereikend zijn en of deze voldoende worden nageleefd?
Het Ministerie van VWS is al in gesprek met KNMP over de rol van de apothekers bij het weglekken van medicijnen uit de legale keten. Dit onderwerp komt bijvoorbeeld ook op de agenda in het overleg met ziekenhuisapothekers en andere relevante partijen.
Hoe weegt u het verzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om de bevoegdheid om met een «fictieve identiteit» proefaankopen te doen en bent u bereid te onderzoeken of deze en andere instrumenten en maatregelen getroffen kunnen worden om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, al dan niet in samenwerking met het Openbaar Ministerie, instaat te stellen tegen deze problematiek op te treden?
Het kabinet erkent het belang van een effectief optreden tegen deze problematiek. Het kabinet is bezig met de aanpak van illegale online handel, waaronder het weglekken van legale middelen, met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Openbaar Ministerie (OM), politie en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Een van de elementen binnen die aanpak is een verkenning of aanpassingen in bevoegdheden en/of wet- en regelgeving nodig zijn om het handelingsperspectief te vergroten. Het kabinet is dus inderdaad van plan dit te onderzoeken. Het OM heeft overigens geen rol in het toezicht.
Bent u van mening dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar illegale handel in legale medicatie? Zo nee, waarom niet?
Er is op dit moment geen nieuw onderzoek nodig. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) doet al onderzoek naar hoe legale geneesmiddelen in het illegale circuit terechtkomen. De verwachting is dat het rapport in het eerste kwartaal van 2027 wordt opgeleverd. Het kabinet wil hier niet op vooruitlopen. Ook de IGJ onderzoekt kwetsbaarheden in de legale keten. Het kabinet werkt, zoals bij vraag 6 genoemd aan een brede en effectieve aanpak van illegale (online) handel, samen met de partners de IGJ, het OM, de politie en de NVWA.
Welke maatregelen kunt u nemen om te achterhalen waar legale opiaten vandaan komen die uiteindelijk op de zwarte markt illegaal worden verhandeld?
Wij kunnen niet vooruitlopen op de lopende onderzoeken die in het antwoord op vraag 7 staan. Om te achterhalen waar deze opiaten vandaan komen, moeten we eerst weten hoe ze de illegale markt bereiken en waar de zwakke plekken in de legale keten zitten. We wachten daarom met grote belangstelling de uitkomsten af, zodat we op basis daarvan eventuele aanvullende maatregelen kunnen nemen.
Wat is uw mening over de rol die onlineplatforms zoals Telegram spelen in de illegale handel van medicijnen en wat kunt u, naast het aanspreken van deze platforms, verder doen om dit tegen te gaan?
In de Digital Services Act (DSA) zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten, zoals hostingdiensten en online platforms, geregeld. Via deze diensten kunnen gebruikers online teksten, afbeeldingen, video’s of andere content doorgeven, opslaan of openbaar maken. Besloten groepen vallen echter buiten de reikwijdte van de DSA. De DSA is een EU-verordening met maximumharmonisatie. Binnen het toepassingsgebied bestaat geen ruimte voor lidstaten om aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden. Op nationaal niveau kunnen daarom geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Het kabinet zet in op een effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 wordt de DSA geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. Dat biedt de gelegenheid om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten wenselijk en nodig zijn. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen. Het Ministerie van JenV zal hieraan een actieve bijdrage leveren.
In hoeverre is het strafbaar om legale medicijnen illegaal te verhandelen via online platforms en welke handvaten zijn er om deze handel aan te pakken?
De Geneesmiddelenwet stelt strenge eisen aan het online te koop aanbieden, verkopen of leveren van geneesmiddelen. Handelen in strijd met deze eisen is strafbaar. UR-geneesmiddelen, geneesmiddelen die «Uitsluitend op Recept» verkrijgbaar zijn, mogen alleen worden aangeboden, verkocht of geleverd door een apotheker of huisarts met vergunning, en uitsluitend op basis van een geldig recept. Legale aanbieders zoals apotheken die geneesmiddelen online verkopen, moeten hun website registreren bij het agentschap CIBG. De website moet voldoen aan de Europese eisen voor eerlijke en transparante online handel. Daarnaast moet de website het officiële Europese logo tonen voor online verkoop van geneesmiddelen. Alleen legale aanbieders die op https://www.aanbiedersmedicijnen.nl/ zijn vermeld met de categorie «UR» mogen online UR-geneesmiddelen verkopen.
De IGJ houdt toezicht op de Geneesmiddelenwet en kan bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door het opleggen van een bestuurlijke boete of het laten verwijderen van illegale advertenties en andere online content. Daarnaast werkt de IGJ samen met de douane, hostingbedrijven en (verkoop)platforms om illegale handel, betaling en verzending van geneesmiddelen te blokkeren. Bij ernstige overtredingen kan het Strafrecht worden ingezet.
Heeft u zicht op de omvang van de online handel in designerdrugs?
Hoe groot deze vorm van handel is, is lastig te zeggen. Ten eerste is er bij georganiseerde criminaliteit sprake van een «dark number» en is het dus sowieso lastig om een schatting van de totale omvang van de markt te maken. Daarnaast registreren OM en politie niet of een drugsdelict zich geheel in de fysieke wereld of (deels) online heeft afgespeeld. Aangezien dit geen verschil maakt in de strafbaarheid van de handelingen, is dit niet noodzakelijk voor de taakuitvoering.
Er worden op dit moment tussen de 100–200 websites gehost in Nederland die NPS verkopen. De omvang is dus aanzienlijk, de opsporings- en handhavingsdiensten werken hard om dit aantal naar beneden te krijgen. Om de handel in designerdrugs aan te pakken, is in juli 2025 lijst IA toegevoegd aan de Opiumwet. Er staan momenteel drie stofgroepen op lijst IA. Begin juli wordt een vierde stofgroep toegevoegd, de nitazenen. Er blijft echter een aanbod van middelen en stofgroepen dat niet onder lijst I, II of IA bij de Opiumwet valt. Het gaat bijvoorbeeld om middelen die zijn afgeleid van tripmiddelen (psychedelica), varianten van benzodiazepines (kalmeringsmiddelen) of van geneesmiddelen met een verdovende en pijnstillende werking, zoals afgeleiden van ketamine of van de pijnstiller tramadol.
Acht u de huidige wetgeving rondom de aanpak van designerdrugs toereikend genoeg om juist ook de online handel ervan tegen te gaan? Welke knelpunten zijn hierbij nog aan de orde?
De huidige wetgeving biedt een basis voor de aanpak van online handel in designerdrugs, maar kent uitdagingen die effectieve bestrijding moeilijk maken. Politie, justitie en toezichthouders beschikken over een breed juridisch instrumentarium als het gaat om het tegengaan van illegale content op online platforms en opsporing van offline drugshandel. Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van designerdrugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen.
Wel ziet het kabinet ernstige belemmeringen bij de handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten. De belangrijkste knelpunten liggen in het gebruik van versleutelde platforms en interpersoonlijke berichtendiensten, de complexe logistiek van post- en pakketzendingen en de schaarste aan capaciteit bij opsporingsdiensten en toezichthouders. Criminelen maken gebruik van methoden zoals valse afzendergegevens, mislabeling en complexe verzendroutes via andere EU-lidstaten. Daarnaast ontbreekt er een algemene wettelijke verplichting voor post- en pakketbedrijven om verdachte zendingen preventief te controleren of te melden, terwijl samenwerking veelal plaatsvindt binnen concrete onderzoeken en op basis van bestaande bevoegdheden.
Wetgeving alleen is niet voldoende, daarom zet het kabinet ook in op het intensiveren van samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en private partijen. Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheden voor aanvullende wet- en regelgeving om de handhavingsmogelijkheden te versterken.
Het kabinet heeft de Kamer per brief nader geïnformeerd over de huidige aanpak, de uitdagingen en de stappen die worden gezet om de handhaving van online handel in (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs te versterken.2
De nationale organisatie van HCID-zorg, quarantainebeleid en infectiepreventie naar aanleiding van de hantavirusuitbraak op de MV Hondius |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Dit weten we nu over de hantavirus-uitbraak»1, «Medewerkers Radboudumc in quarantaine vanwege fouten rond hantavirus»2, «Honderden in quarantaine op cruiseschip Ambition door uitbraak norovirus»3 en «Opnieuw norovirus op cruiseschip: een dode, 1.700 mensen in quarantaine»4?
Ja.
Hoeveel personen – passagiers, bemanning, ziekenhuispersoneel en contacten – bevinden zich momenteel op Nederlands grondgebied in (thuis)quarantaine naar aanleiding van de uitbraak op de MV Hondius, en hoe wordt feitelijk gecontroleerd dat deze quarantaine ook wordt nageleefd?
De Nederlandse passagiers en Nederlandse bemanningsleden zonder klachten zijn veilig en professioneel naar hun thuisadres vervoerd en in thuisquarantaine gegaan. De passagiers met andere nationaliteiten, die niet direct naar huis kunnen gaan, zijn in quarantaine gegaan op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, tenzij het thuisland bereid is om gedurende de quarantaineperiode zorg te dragen voor veilig vervoer van hun inwoner(s) naar eigen land. De quarantaineperiode duurt zes weken.
De mensen die thuis in quarantaine zijn, worden begeleid door de GGD van hun woonplaats. Er zijn duidelijke instructies, zoals twee keer per dag temperatuur opmeten en er is dagelijks telefonisch contact. Zo zorgt de GGD ervoor dat zij eventuele symptomen opmerken, zodat snel goede zorg gegeven kan worden.
Momenteel zitten in totaal 85 personen in thuisquarantaine of in een daarvoor ingerichte quarantainelocatie.5
Kunt u bevestigen dat het Radboudumc sinds mei 2022 als enige ziekenhuis in Nederland beschikt over een high-level isolation unit (HLIU) en dat desondanks na internationale afstemming bewust is besloten de hantaviruspatiënt níét in deze HLIU op te nemen, maar op een reguliere verpleegafdeling?
Dit klopt niet. Er zijn meerdere ziekenhuizen met een high-level isolation unit (HLIU). Er is inderdaad besloten, na afstemming met nationale en internationale experts, dat de zorg voor deze patiënt niet in de HLIU geleverd hoeft te worden, maar dat dit ook mogelijk is in een speciale isolatiekamer op de intensive care of verpleegafdeling. Daarbij gaat het om een speciale isolatiekamer, waar de luchtverversing en de afzuiging van de lucht goed geregeld is en er extra beschermende maatregelen gelden voor de medewerkers (FFP2 mondmasker, schort met lange mouwen, handschoenen en bril).
Hoe beoordeelt u het feit dat twee dagen ná deze vakinhoudelijke afweging twaalf medewerkers van het Radboudumc zes weken in quarantaine moesten omdat bloed en urine niet volgens de juiste internationale voorschriften zijn verwerkt, en dat het ziekenhuis stelt dat «het meest actuele internationale voorschrift nog niet beschikbaar was» voor de medewerkers?
Het betrokken ziekenhuis zal eerst zelf zorgvuldig vaststellen wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht.
Bent u bekend met de infectiologische, microbiologische, IC- en Euregio-capaciteiten van het Maastricht UMC+, alsmede met het feit dat Maastricht in 2014 werd genoemd met ebola-bedcapaciteit, en kunt u toelichten waarom Maastricht UMC+ thans niet formeel is aangewezen als VHK/HCID-behandelcentrum voor Zuid-Nederland, mede gezien de geografische spreiding van de huidige aangewezen centra?
Het Platform Preparatie A-ziekten van het RIVM heeft geïnventariseerd bij de UMC’s welke opvang en behandelcapaciteit zij hebben. Vijf van de zeven UMC’s hebben aangegeven dat in principe te kunnen. Maastricht UMC+ heeft aangegeven hierin alleen in een vroeg stadium van het ziektebeeld een rol te kunnen spelen.
Wie is er, in het Nederlandse stelsel, eindverantwoordelijk voor het tijdig beschikbaar stellen van de meest actuele internationale infectiepreventie- en controleprotocollen (IPC-protocollen) aan behandelende ziekenhuizen vóórdat een patiënt met een hoogrisico-infectieziekte wordt opgenomen – het RIVM, de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), of het ziekenhuis zelf? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment sluitend?
De Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM bepaalt welke vorm van isolatie en infectiepreventie bij de betreffende ziekte noodzakelijk is. De ziekenhuizen vertalen dit, vanuit de beroepsverenigingen van inhoudsdeskundigen, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie, zelf naar protocollen voor op de werkvloer. Zij maken hierbij ook gebruik van de landelijke richtlijnen voor ziekenhuizen van het Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie. De IGJ is de toezichthoudende instantie. Deze verantwoordelijkheidsverdeling werkt goed.
Hoeveel patiënten met een high consequence infectious disease (HCID) heeft de Nederlandse zorg in de afgelopen vijf jaar opgenomen, in welke ziekenhuizen, en in hoeveel van deze gevallen is daadwerkelijk gebruikgemaakt van een HLIU? Bent u bereid dit overzicht aan de Kamer te doen toekomen?
Afgelopen vijf jaar zijn acht personen met een verdenking van virale hemorragische koorts (VHK)6 opgenomen in de Nederlandse zorg. Zeven personen zijn in één van de voor VHK aangewezen ziekenhuizen opgenomen in hun HLIU: vijf keer Radboud MC, één keer LUMC en één keer UMCU.
Bent u ermee bekend dat in het Verenigd Koninkrijk Andesvirus formeel is geclassificeerd als «airborne HCID»5, dat behandeling uitsluitend plaatsvindt in een beperkt aantal aangewezen Airborne HCID Treatment Centres6 en dat dwingende, gestandaardiseerde IPC- en PPE-protocollen gelden zodra deze classificatie van toepassing is?
Ja. Het Verenigd Koninkrijk classificeert het andesvirus als een airborne high consequence infectious disease (HCID). Wel geeft het Verenigd Koninkrijk aan dat onduidelijk is hoe de overdracht van mens op mens plaatsvindt. Volgens het Verenigd Koninkrijk lijkt het erop dat nauw contact met een besmet persoon noodzakelijk is, en dat airborne overdracht daarbij in overweging genomen dient te worden. Verder is het kabinet bekend met de bijbehorende protocollen. Ook in Nederland wordt Andesvirusinfectie als HCID geclassificeerd en zijn er bijbehorende richtlijnen en protocollen, die op enkele onderdelen afwijken van de richtlijnen en protocollen in het Verenigd Koninkrijk. De Nederlandse protocollen zijn volledig in lijn met (en zelfs nog wat strikter dan) de WHO-aanbevelingen voor isolatie van personen met Andesvirusinfectie.
Erkent u dat het Britse model – een formele HCID-classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra – risico’s structureel uitsluit die het Nederlandse model, waarin per geval een afweging wordt gemaakt, toelaat? Erkent u dat juist deze week is gebleken dat het Nederlandse «case-by-case»-model in dit geval heeft gefaald?
Ook een model waarin sprake is van formele classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra, sluit het risico op menselijke fouten niet uit. Daarnaast zijn de verschillen tussen het Britse en het Nederlandse model marginaal.
Waarom kent Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk, geen formele nationale HCID-lijst conform ECDC-standaard, geen vooraf aangewezen behandelcentra voor HCID-categorieën en geen dwingende virus-specifieke IPC-protocollen? Welke afweging ligt hieraan ten grondslag, en wanneer is deze afweging voor het laatst herzien?
Nederland gebruikt weldegelijk een formele HCID-lijst en deze wordt als uitgangspunt genomen bij het Platform Preparatie A-ziekten.9 Daarnaast is sprake van afspraken met behandelcentra en van protocollen, die op het moment van de uitbraak met landelijke experts nogmaals tegen het licht zijn gehouden.
Bent u bereid toe te zeggen dat u vóór novermber 2026: en de Kamer hierover uiterlijk in novermber 2026 schriftelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Er is reeds sprake van een 24/7 adviesfunctie vanuit het RIVM, over richtlijnen en protocollen voor onder andere HCID’s. Op 8 mei 2026 heeft de Kamer het advies van het RIVM over het aanwijzen van het andesvirus als A2-infectieziekte ontvangen. Het RIVM adviseert hierin om op grond van artikel 34 van de Wet publieke gezondheid een ziekenhuis aan te wijzen, waar patiënten gedwongen in isolatie kunnen worden geplaatst, indien zij besmet zijn met een infectieziekte.10 Dit sluit aan bij de vraag om ziekenhuizen formeel aan te wijzen. Momenteel wordt dit door het Platform Preparatie A-ziekten, samen met de universitaire medische centra, verder uitgewerkt.
Bent u bereid, als noodzakelijke aanvulling op de in vraag 10 gevraagde HCID-structuur, een verplicht en structureel auditkader op de naleving van HCID- en IPC-protocollen in Nederlandse ziekenhuizen in te voeren, met ten minste de volgende elementen:
Nee, het kabinet is niet voornemens om op dit moment een verplicht en structureel auditkader met de genoemde elementen in te voeren.
Dat laat onverlet dat goede voorbereiding op de opvang van patiënten met een hoog-risico-infectieziekte van groot belang is. Binnen de bestaande systematiek zijn daarvoor al verschillende waarborgen aanwezig. Ziekenhuizen zijn zelf verantwoordelijk voor veilige zorg, waaronder adequate infectiepreventie, voldoende scholing en training van personeel, passende protocollen en het beschikbaar hebben van noodzakelijke voorzieningen en persoonlijke beschermingsmiddelen. Daarnaast zijn er bestaande werkwijzen gericht op kwaliteitsverbetering, waaronder toezicht door de IGJ op de naleving van professionele standaarden en richtlijnen en het lerend vermogen van de betreffende instelling.
Naar aanleiding van de casus waarnaar in deze vragen wordt verwezen, vindt het kabinet het van belang dat het betrokken ziekenhuis eerst zorgvuldig vaststelt wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De IGJ kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht. Indien de IGJ op basis van haar toezicht tot de conclusie komt dat sprake is van tekortkomingen, beschikt zij reeds over de gebruikelijke toezicht- en handhavingsinstrumenten om daarop passend te acteren. Daarbij zal ook worden betrokken of de bestaande systematiek rond voorbereiding, oefening, toezicht en borging van infectiepreventie bij HCID-opvang voldoende functioneert, of dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
De IGJ is onafhankelijk in de inrichting van haar toezicht en bepaalt zelf haar toezicht- en handhavingssystematiek. De wijze waarop de IGJ invulling geeft aan het toezicht op de naleving van infectiepreventie- en HCID-protocollen in ziekenhuizen – waaronder de frequentie en de inzet van specifieke toezichtsinstrumenten – behoort tot de verantwoordelijkheid van de inspectie zelf.
Wat zijn de totale geraamde kosten van de repatriëringsoperatie van de MV Hondius (evacuatievluchten, ambassade-inzet, SCOT-team, RIVM/GGD-inzet, zes weken thuisquarantaine en de Radboudumc-quarantaine inclusief vervangende inzet), en in hoeverre worden deze kosten verhaald op de rederij, de reisverzekeraars of de individuele passagiers? Bent u bereid een gespecificeerd kostenoverzicht aan de Kamer te sturen?
De totale kosten van de repatriëringsoperatie van de m/v Hondius (waaronder evacuatievluchten, inzet van ambassadepersoneel, het SCOT-team, RIVM- en GGD-inzet, quarantainevoorzieningen en de inzet in het Radboudumc inclusief vervangende capaciteit) worden momenteel nog in kaart gebracht. Een volledig en gespecificeerd kostenoverzicht is op dit moment nog niet beschikbaar.
Het uitgangspunt bij de uitvoering van de operatie was het snel en adequaat handelen in het belang van de veiligheid en gezondheid van alle betrokkenen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal van deze kosten.
Acht u het redelijk dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de kosten van repatriëring en nasleep van een commerciële cruise waarop het besmettingsrisico is opgelopen? Welke wettelijke en verzekeringstechnische instrumenten ziet u om dit principieel anders te regelen voor toekomstige uitbraken?
Bij een situatie als deze staat de bescherming van de gezondheid en veiligheid van passagiers en bemanning voorop. Dat betekent dat noodzakelijke maatregelen ongeacht de uiteindelijke kostenverdeling worden getroffen om verantwoord en snel te kunnen handelen.
De kosten van de operatie worden momenteel in kaart gebracht. Tegelijkertijd wordt bezien in hoeverre het redelijk en juridisch mogelijk is om deze kosten te verhalen op de rederij, reisverzekeraars of andere betrokken partijen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal.
Kunt u bevestigen dat op het Britse cruiseschip Ambition voor de kust van Bordeaux 1.700 opvarenden in quarantaine zijn geplaatst, dat een 92-jarige Britse passagier vermoedelijk is overleden aan het norovirus en dat ten minste vijftig passagiers ziek zijn geworden? Hoeveel Nederlanders bevinden zich aan boord, en welke ondersteuning krijgen zij op dit moment van de Nederlandse ambassade en het Snel Consulair Ondersteuningsteam (SCOT)?
De regionale gezondheidsautoriteiten van Nouvelle-Aquitaine hebben op 13 mei een persbericht gedeeld over de situatie op het Britse cruiseschip Ambition.11 Zij gaven in het persbericht aan dat het ging om het norovirus. De regionale gezondheidsautoriteiten hebben de rederij geadviseerd over passende maatregelen. Op het cruiseschip is ook een medisch team aanwezig. Er was geen noodzaak om de autoriteiten of de rederij vanuit de Nederlandse ambassade of met inzet van het Snel Consulair Ondersteuningsteam te ondersteunen. Vanuit de Ambition is er ook geen consulair hulpverzoek binnengekomen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u ermee bekend dat in dezelfde week ook op het cruiseschip Caribbean Princess een uitbraak van het norovirus is vastgesteld, waarbij meer dan honderd passagiers en tien bemanningsleden ziek zijn geworden? Hoe beoordeelt u het feit dat in een tijdsbestek van enkele weken drie grote virusuitbraken (Hondius, Ambition, Caribbean Princess) op cruiseschepen plaatsvinden, en is er naar uw oordeel sprake van een structureel falen van de hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken.
Bent u bereid om – gelet op deze opeenvolgende uitbraken – een structurele preventieve informatieplicht in te voeren waarbij Nederlandse burgers die een cruise overwegen vóór boeking actief en eenduidig worden geïnformeerd over recente uitbraken, de uitbraakgeschiedenis per rederij en route, en de gezondheidsrisico’s van langdurig verblijf op cruiseschepen, bijvoorbeeld via een centrale «cruise-risicopagina» op nederlandwereldwijd.nl?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken. Daarom acht het kabinet het invoeren van een structurele preventieve informatieplicht niet nodig.
Bent u bereid om, in samenwerking met het RIVM, de European Maritime Safety Agency (EMSA) en het ECDC, bepaalde cruiseroutes of -regio’s waar zich recent uitbraken hebben voorgedaan tijdelijk als «verhoogd risico» aan te merken, met aanvullende preventieve verplichtingen voor rederijen die deze routes bevaren (zoals verplichte screening bij inscheping, verscherpte hygiëneprotocollen en een meldplicht bij verdachte ziektegevallen)? Zo nee, waarom niet?
De cruisesector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Aanvullende preventieve verplichtingen worden daarom niet nodig geacht.
Bent u bereid een vast protocol «Snelle Repatriëring Nederlanders» vast te stellen voor infectieziekte-uitbraken op cruiseschepen, met heldere afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie, zodat Nederlanders bij toekomstige uitbraken niet langer dagen of weken hoeven te wachten op evacuatie, zoals bij de MV Hondius het geval was? Bent u bereid dit protocol vóór 1 januari 2027 aan de Kamer voor te leggen?
De evacuatie van de m/v Hondius is uitermate spoedig en zorgvuldig geregeld, in nauwe en goede samenwerking met alle nationale en internationale betrokken partijen. Daarnaast is er een vast protocol «Beleidskader consulaire repatriëringen en evacuaties», die voorziet in een spoedige afhandeling. Een aanvullend vast protocol is om die reden niet nodig.
Het artikel ‘De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel» en wat is daarop uw reactie?1
Ja.
Hoe past dit verhaal in de beweging naar passende zorg die dit kabinet propageert?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. Het streven is dat passende zorg lonend moet zijn. Daarom wordt ook bezien in hoeverre de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat het kabinet van partijen vraagt. Waar nodig worden deze aangepast.
Ziet u een afname van onnodige zorg in Bernhoven en hoe kijkt u daar tegenaan?
Op basis van de ingezette beweging en de signalen die ziekenhuis Bernhoven hierover heeft gegeven, lijkt het inderdaad het geval dat er een afname is van onnodige zorg. Wanneer er minder zorg wordt geleverd omdat deze niet noodzakelijk bijdraagt aan de gezondheid of kwaliteit van leven van patiënten, dan beschouwt het kabinet dat als een positieve ontwikkeling die aansluit bij de doelstellingen van passende zorg van dit kabinet.
Bent u van mening dat een beweging van passende zorg en minder onnodige zorg verder uitgerold moet worden, en is Bernhoven daar een voorbeeld in? Zo ja waarom en wat gaat u eraan doen om dit verder uit te rollen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De beweging naar passende zorg is een belangrijk speerpunt van dit kabinet. Het kabinet heeft recent in de Beleidsbrief VWS toelichting gegeven op een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel dat passende zorg de norm wordt wil bereiken. Dit pakket aan maatregelen gaat over zowel de zorginhoud, het zorglandschap, de rol van zorgverzekeraars als ook solidariteit, in de zin van hoeveel we als samenleving met zijn allen (mee)betalen aan de zorgkosten en toekomstbestendigheid van onze zorg.
Dit kabinet gaat voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak en bijsturen daar waar men nog niet zover is. Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Om dit mogelijk te maken kijkt het kabinet onder andere of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat het kabinet van zorgaanbieders en zorgverzekeraars vraagt.
In hoeverre zijn de financiële problemen van het ziekenhuis ontstaan door de beweging naar passende zorg?
Het kabinet kan geen uitspraken doen over de financiële situatie van ziekenhuis Bernhoven. In algemene zin geldt dat de financiële positie van een ziekenhuis samenhangt met verschillende factoren, waaronder de bedrijfsvoering, de ontwikkeling van de zorgvraag, personeelskosten en contractafspraken met zorgverzekeraars.
Tegelijkertijd laat de beweging naar passende zorg zien dat het soms nodig is om in een overgangssituatie extra ondersteuning te bieden. Daarom kijkt het kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar het nodig is, wordt dit aangepast. Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen jaren de transformatie ondersteund door aanvullende transformatiemiddelen (nagenoeg 2 miljard) in te zetten. Voor partijen moet het inzetten op passende zorg lonend zijn maar dit betekent ook dat de bedrijfsvoering hierop aangepast moet worden.
Hoe kijkt u aan tegen de prijsprikkels die de spanning tussen passende zorg en minder inkomsten door minder behandelingen veroorzaakt?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zorgaanbieders worden gestimuleerd om passende zorg te leveren. Daarom kijkt het kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat er van deze partijen wordt gevraagd. Waar nodig worden deze aangepast. Tegelijkertijd is er in het bilaterale contracteren tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraar al ruimte om afspraken te maken die passende zorg ondersteunen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zorginstellingen die de beweging naar passende zorg maken daarvoor niet «gestraft» worden?
Het uitgangspunt is dat passende zorg moet lonen. Daarom werkt het kabinet samen met partijen aan bekostiging en contractering die de beweging naar passende zorg ondersteunen. Dit is onderdeel van een samenhangend pakket aan maatregelen waarmee passende zorg altijd en overal de norm wordt.
Bent u voornemens dit verdienmodel te doorbreken zodat het collectieve belang en niet het individuele belang van een ziekenhuis centraal komt te staan?
Het kabinet zet zich in voor een zorgstelsel waarin passende zorg de norm is. Daarbij past niet dat financiële prikkels leiden tot meer of andere zorg dan nodig is. Daarom werkt het kabinet aan een samenhangend pakket aan maatregelen waarmee passende zorg altijd en overal de norm wordt.
Misstanden bij gezinshuizen. |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de misstanden in De Glind en in andere gezinshuizen, zoals gerapporteerd door Omroep Gelderland en EenVandaag?1, 2, 3
Ja.
Deelt u het beeld dat, ondanks dat gezinshuizen een hele mooie constructie zijn en in veel gevallen goed werken en erg waardevol zijn, er ook misstanden plaatsvinden in een aantal van deze gezinshuizen?
Gezinshuizen bieden de mogelijkheid om jeugdigen in een kleinschalige huiselijke setting hulp te bieden. Wanneer een jeugdige uit huis is geplaatst, brengt dit voor de jeugdige al een grote verandering met zich mee. Een gezinsgerichte plaatsing kan helpen om deze verandering minder groot te maken. Het feit dat bovendien gezinshuizen bestaan die zich specialiseren in een bepaalde problematiek, zoals bijvoorbeeld een lichte verstandelijke beperking, is van meerwaarde. Tegelijkertijd erken ik dat ook binnen gezinshuizen misstanden kunnen plaatsvinden. Daarom werk ik met de gezinshuissector en gemeenten aan een kwaliteitsverbetering van de gezinshuiszorg.
Klopt het dat de huidige kwaliteitscriteria gezinshuiszorg in feite richtlijnen zijn, volgens het principe «pas toe of leg uit», en geen bindende of afdwingbare eisen?
In de Jeugdwet worden kwaliteitseisen gesteld aan aanbieders van jeugdhulp. Elke jeugdhulpaanbieder moet hieraan voldoen, dus ook gezinshuizen. Ook is in de wet aangegeven dat gewerkt moet worden vanuit professionele standaarden. Richtlijnen vanuit het veld zijn hier onderdeel van, en daarmee een verdere invulling van de kwaliteitswaarborgen voor jeugdhulp. Wanneer er richtlijnen zijn voor bepaalde onderdelen van de jeugdhulp, worden deze meegenomen in het toetsingskader van de IGJ. Bijvoorbeeld, in het rapport van de IGJ in het kader van thematisch toezicht «Pleegkinderen uit beeld», is expliciet getoetst op de richtlijnen4. Tevens zijn de professionele standaarden (beroepscodes) de basis voor het professioneel toezicht dat is ingericht voor professionals met een SKJ registratie (tuchtrecht). Er zijn dus meerdere manieren waarop het gebruik van de professionele richtlijnen geborgd zijn in het jeugdstelsel. De huidige kwaliteitscriteria zijn daarmee indirect geborgd maar zijn niet direct afdwingbaar.
Acht u dit voldoende om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
De waarborgen voor kwaliteit zoals bij vraag 3 beschreven, kwaliteitseisen in de Jeugdwet en professioneel toezicht gebaseerd op beroepscodes, dragen bij aan veilige en kwalitatief goede gezinshuiszorg. Ik ben daarnaast met de sector in gesprek over de wijze waarop we de veiligheid van gezinshuizen verder kunnen verbeteren. De sector is aan de slag met het aanscherpen van de screening van gezinshuisouders en het steviger verankeren van de kwaliteitscriteria bij de gezinshuizen. Deze laatste worden op dit moment herzien.
Bent u bereid om de kwaliteitscriteria gezinshuiszorg daadwerkelijke kwaliteitseisen te maken in plaats van richtlijnen, en dit ook te verankeren in de wet?
Zoals ik bij vraag 3 beschreef, zijn er reeds diverse manieren waarop professionele standaarden worden geborgd. Ik heb geen voornemen om daarnaast specifiek deze kwaliteitscriteria voor gezinshuizen wettelijk te verankeren. Momenteel worden de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen herzien vanuit het netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Met de gezinshuissector onderzoek ik hoe de implementatie ervan kan worden versterkt.
Deelt u de zorgen dat financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat gezinsouders meer kinderen bij hen laten wonen dan verantwoord is, waardoor de kwaliteit van zorg onder druk komt te staan?
Gezinshuisouders gaan niet zelf over of een kind bij hen geplaatst wordt, daarover beslist een gecertificeerde instelling of een andere verwijzer zoals de gemeente/lokale team. De verwijzer dient te zorgen voor een verantwoorde plaatsing en kan daarbij alert zijn op eventuele financiële motieven van gezinshuisouders. Daarnaast moeten de gezinshuizen zich houden aan de norm verantwoorde werktoedeling zoals uitgewerkt in het Kwaliteitskader Jeugd en de waarborgen voor kwaliteit zoals beschreven bij vraag 3. Tevens kan de gemeente aanvullende kwaliteitseisen stellen bij de contractering van deze zorg.
In hoeverre is het begrip gezinshuis juridisch verankerd in de Jeugdwet?
Het begrip gezinshuis is niet verankerd in de Jeugdwet.
Bent u bereid dit expliciet in de wet op te nemen om duidelijkheid en uniformiteit te creëren?
In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat er landelijke standaarden komen voor de (hoog) specialistische jeugdzorg. In dat kader wordt gewerkt aan een gelimiteerde set van productomschrijvingen die momenteel worden uitgewerkt voor de gezinshuiszorg. Op dit moment is nog niet bekend of en hoe deze landelijk geldende productomschrijvingen worden verwerkt in wet- en regelgeving.
Bent u bekend met signalen van de Inspectie dat zij informatie over niet-functionerende gezinshuisouders niet mogen delen vanwege het ontbreken van een vergewisplicht?
Daar ben ik mee bekend.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de meld- en vergewisplicht in internetconsultatie. Hiermee worden onder andere jeugdhulpaanbieders verplicht het arbeidsverleden van nieuw aan te nemen jeugdhulpverleners – waaronder gezinshuisouders – na te gaan. En ontslag vanwege ernstig disfunctioneren te melden.
Verder werk ik aan de invoering van een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders. Deze moet ook gaan gelden voor gezinshuisouders die werken als zelfstandig ondernemer.
Deelt u de opvatting dat dit een direct risico vormt voor de veiligheid van de betrokken kinderen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) gebruikt signalen om een inschatting te maken van de mogelijke risico’s binnen de hulp. Op basis van signalen maakt de IGJ een inschatting of een onderzoek moet starten en vervolgens of maatregelen moeten worden genomen. Het doen van meldingen of het doorgeven van signalen aan de IGJ zijn dan ook belangrijk voor de mogelijkheden die de IGJ heeft om maatregelen te treffen in verband met de veiligheid van kinderen. Het wetsvoorstel over een meld- en vergewisplicht, dat ik binnenkort in consultatie breng, moet hieraan bijdragen.
Bent u bereid een wettelijke vergewisplicht voor gezinshuizen in te voeren, zodat relevante informatie over de (on)geschiktheid van zorgverleners gedeeld en geborgd kan worden?
Ja. Op korte termijn gaat het wetsvoorstel over de meld- en vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen alle jeugdhulpaanbieders verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aan te nemen jeugdhulpverleners – waaronder gezinshuisouders – na te gaan en melding te doen wanneer sprake is van ernstig disfunctioneren.
Bent u het met de indiener eens dat we op voorhand zouden moeten checken of een gezinshuisouder geschikt is, en niet pas wanneer er signalen zijn van misstanden?
Het achteraf toetsen van gezinshuisouders op geschiktheid is niet gewenst. Ik werk daarom aan een meld- en vergewisplicht.
Gezinshuisouders worden nu meestal vooraf gescreend door de aanbieders van gezinshuiszorg waarmee een contract wordt gesloten. Dit kan een zorgaanbieder zijn, maar kan ook een franchiseorganisatie of een hoofdaannemer. Jeugdhulpaanbieders zijn verplicht een verklaring omtrent gedrag op te vragen van personen die beroepsmatig of (niet incidenteel) als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders. Indien een gezinshuis een zogeheten vrijgevestigd gezinshuis is en rechtstreeks door gemeenten of regio’s wordt ingekocht, dan is de gemeente of regio verantwoordelijk om de gezinshuisouder te toetsen op geschiktheid als gezinshuisouder. Ook deze vrijgevestigde gezinshuizen dienen te beschikken over een verklaring omtrent gedrag van de gezinshuisouder zelf. De wijze van toetsen door de gemeente of regio is vormvrij en kan bijvoorbeeld ook op basis van steekproeven.
Klopt het dat zelfstandige gezinshuizen zichzelf moeten melden bij de Inspectie en dat er geen volledig landelijk overzicht bestaat van het aantal gezinshuizen, en hoe beoordeelt u deze situatie?
Ja, het klopt dat sinds de invoering van de Wtza (Wet toetreding zorgaanbieders) alle nieuwe zorg- en jeugdhulpaanbieders, dus ook zelfstandige gezinshuizen, zich moeten melden bij de IGJ.
Er bestaat geen landelijke registratie van het aantal gezinshuizen in Nederland. Wel heeft onderzoeksbureau Significant in 2025, in opdracht van VWS, onderzoek gedaan naar het aantal gezinshuizen in Nederland. Hierdoor kan voor 2025 een indicatie worden gegeven van het aantal gezinshuizen, uitgesplitst naar een aantal kenmerken van de gezinshuizen.
Zoals ook benoemd onder vraag 9 werk ik hiernaast aan een vergunningplicht voor jeugdhulporganisaties. Deze gaat ook gelden voor gezinshuizen.
Deelt u de opvatting dat verplichte registratie van gezinshuisouders, bijvoorbeeld via de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), noodzakelijk is om toezicht en uitsluiting bij misstanden mogelijk te maken?
Jeugdhulpaanbieders moeten verantwoorde hulp verlenen. Dat houdt in dat de hulp van goed niveau en veilig is, en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige. In het Kwaliteitskader Jeugd is door het veld vastgesteld wanneer een SKJ-registratie vereist is. Dit is afhankelijk van cliënt- en professional-gerelateerde indicatoren. Jeugdigen die in gezinshuizen worden geplaatst hebben veelal complexe problematiek. Voor tenminste één van de betrokken professionals is een SKJ-registratie daarom verplicht. Dat kan de gezinshuisouder zelf zijn of een andere betrokken professional. Gezinshuisouders moeten in ieder geval over pedagogische competenties en vaardigheden beschikken. In de praktijk is er vaak een SKJ-geregistreerde gedragswetenschapper betrokken bij een gezinshuis.
Om te voorkomen dat professionals die niet functioneren hun werkzaamheden elders in de jeugdhulp kunnen voortzetten ben ik voornemens om een meld- en vergewisplicht in te voeren (zie ook mijn antwoord op vraag5. Daarnaast wordt er een wetsvoorstel voorbereid om een vergunningplicht voor jeugdhulpinstellingen in te voeren.
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk is dat wanneer momenteel een gezinshuis na misstanden moet sluiten, zij een paar kilometer verderop weer een nieuw gezinshuis kunnen starten?
Ja. Met de invoering van een vergunningplicht in combinatie met de aanvullende weigering- en intrekkingsgronden vanuit het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), kan deze situatie worden voorkomen.
Hiernaast kunnen gemeenten nu ook veel doen door bij hun inkooptrajecten gebruik te maken van de wet Bibob.
Bent u bereid om te onderzoeken of landelijke eisen voor gezinshuiszorg mogelijk zijn, zodat niet alleen het toezicht en de veiligheid verbeterd kunnen worden, maar er ook minder verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan?
Momenteel ben ik in gesprek met de gemeenten, VNG en de aanbieders van gezinshuiszorg over de (kwaliteits-)eisen die gesteld worden aan gezinshuiszorg. Doel van deze gesprekken is om te bepalen welke eisen landelijk kunnen worden vastgelegd.
Welke stappen gaat u concreet zetten om richtlijnen om te zetten in bindende kwaliteitseisen, registratie van gezinshuizen en gezinshuisouders verplicht te maken, en een vergewisplicht in te voeren?
Zie mijn toelichting hierop in reactie op de vragen 5, 8, 11 en 14.
Bent u het met de indiener eens dat het van groot belang is om meer grip te krijgen op gezinshuizen, zowel in het belang van deze kinderen als in het belang van het voortbestaan van deze waardevolle manier van jeugdzorg?
Ja, het is in het belang van alle betrokkenen in de gezinshuiszorg, en in het bijzonder voor die van de kinderen die hier verblijven, om kwalitatief goede gezinshuiszorg te leveren. Ik werk dan ook samen met de sector aan een kwaliteitsverbetering van de gezinshuiszorg. Zo wordt er onder meer gewerkt aan de herziening van de kwaliteitscriteria en de standaardisatie van de producten en tarieven voor de gezinshuiszorg. Ook wordt een meld- en vergewisplicht en een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders voorbereid.