De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Abortus op sociale indicatie bij 22 of 23 weken zwangerschap |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er een landelijke «pilot» gaande is vanuit de commissie Gynaecoloog en Maatschappij van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) om via de reguliere geboortezorg in ziekenhuizen abortussen op sociale indicatie te gaan uitvoeren bij 22 of 23 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven welke ziekenhuizen zich al hebben aangemeld voor deze pilot?
Kunt u bevestigen dat het de bedoeling van de NVOG is om dergelijke abortussen (naar verwachting enkele honderden per jaar) via regionale spreiding in meerdere Nederlandse ziekenhuizen uit te gaan voeren?
Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke ontwikkeling is?
Erkent u dat dit gaat over een verruiming van de abortuspraktijk?
Erkent u dat dit type abortussen omstreden en beladen zijn?
Deelt u de mening dat over een dergelijke fundamentele wijziging van de abortuspraktijk eerst een politiek debat moet worden gevoerd, waarbij alle aspecten, zowel ethisch als juridisch, uitgebreid aan bod komen?
Bent u bereid om deze ontwikkeling tegen te houden totdat de Kamer zich hierover fundamenteel heeft kunnen uitspreken?
Sinds wanneer bent u op de hoogte van dit initiatief? Waarom heeft u de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd?
Kunt u ook de toolkit en het praktische protocol die zijn gemaakt door de betreffende werkgroep vanuit de NVOG met de Kamer delen?
Bent u bekend met de brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uit 2021 aan de NVOG en het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) over abortus op sociale indicatie in week 22 en 23? Kunt u deze brief met de Kamer delen?
Indien u bekend was met deze brief, waarom heeft u de Kamer hierover nooit geïnformeerd? Indien u niet bekend was met deze brief, hoe is het mogelijk dat de Kamer niet actief betrokken wordt bij een dergelijke ingrijpende wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u aangeven of deze nieuwe werkwijze ook een formele status heeft? Zijn de richtlijnen van de NVOG en het NGvA hierop aangepast? Zo nee, hoe kan het dat deze fundamentele wijziging van de abortuspraktijk doorgevoerd kan worden zonder dat dit in overeenstemming is met geldende richtlijnen? Zo ja, waarom zijn deze aangepaste richtlijnen niet openbaar gemaakt?
Kunt u uitleggen waarom ziekenhuizen tot op heden zich bewust hebben beperkt tot abortussen op grond van medische indicatie (prenatale diagnostiek) en geen tweede trimester abortussen op grond van «sociale indicatie» uitvoeren?
Hoe verhoudt deze wijziging van de abortuspraktijk zich tot interne protocollen van ziekenhuizen over medicamenteuze zwangerschapsafbreking gedurende het tweede trimester, waarin duidelijk staat dat zij zich beperken tot abortus op grond van medische indicatie?
Moet elk ziekenhuis verplicht gaan meewerken aan abortussen op sociale indicatie in week 22 en 23?
Wat is het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen over deze ontwikkelingen?
Kunt u bevestigen dat het feit dat abortusklinieken en ziekenhuizen er tot op heden bewust voor kiezen om geen abortussen in week 22 en week 23 uit te voeren in de twee evaluaties van de Wet afbreking zwangerschap nooit als urgent probleem naar voren is gekomen? Wat zegt dit en waarom zou dit nu wel moeten worden geproblematiseerd?
Erkent u de waarde van het ongeboren leven zoals dat tot uitdrukking wordt gebracht in het Wetbroek van Strafrecht? Ziet u ook de waarde in van een wettelijke grens ter bescherming van het leven van het ongeboren kind?
Erkent u dat de wettelijke grens zoals bepaald in het Wetboek van Strafrecht niet automatisch betekent dat de overheid of zorgverleners verplicht zijn om datgene wat binnen de grenzen van de wet ligt in alle gevallen mogelijk te maken?
Deelt u de mening dat het juist verstandig is om de grenzen van het strafrecht in dezen niet op te zoeken (zoals tot op heden ook het geval was)?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen maanden in diverse ziekenhuizen al abortussen op sociale indicatie vanaf week 22 hebben plaatsgevonden?
Bent u ervan op de hoogte dat medewerking aan dit type abortussen door zorgverleners als beladen en controversieel wordt ervaren?
Kunt u bevestigen dat zorgverleners op grond van de Wet afbreking zwangerschap nooit gedwongen mogen worden om medewerking te verlenen aan een abortus?
Kunt u bevestigen dat gynaecologen en verpleegkundigen in ziekenhuizen die dit type abortussen willen gaan uitvoeren nooit verplicht of onder druk gezet kunnen worden om hieraan mee te werken?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de beroepsvereniging van verzorgenden en verpleegkundigen (V&VN) over deze ontwikkelingen is? Hoe wordt V&VN hierbij betrokken?
Kunt u aangeven hoe binnen de pilot zorgverleners worden voorbereid op de consequenties van deze wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u uitleggen hoe een abortus bij 22 of 23 weken zwangerschap in zijn werk gaat?
Klopt het dat hierbij in principe geen gebruik wordt gemaakt van feticide, maar dat de bevalling opgewekt wordt waarna het kindje op een natuurlijke manier geboren wordt?
Bent u op de hoogte van het feit dat een baby bij een medicamenteuze zwangerschapsafbreking in het tweede trimester volgens gynaecologen «niet zelden» levend ter wereld komt?1 Kunt u uitleggen hoe het kindje vervolgens komt te overlijden?
Kunt u aangeven hoe vaak het precies voorkomt dat in dergelijke gevallen een kindje levend ter wereld komt? Wat is hierover bekend in medisch-wetenschappelijke literatuur? Kunt u hierbij specifiek ingaan op medicamenteuze abortussen vanaf 22 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven waarom in Nederland de abortuspraktijk vanaf 22 weken nu wordt uitgebreid, terwijl in andere landen zoals Zweden en Duitsland al levensreddend wordt opgetreden bij een vroeggeboorte van 22 weken?
Erkent u dat er dus alle reden is om ook in Nederland een discussie te starten over het verlagen van zowel de behandel- als de abortusgrens naar 22 weken? En zo nee, kunt u dit beargumenteren?
Kunt u aangeven welke complicaties er kunnen optreden bij een abortus in week 22 of week 23? Hoe groot is het risico op die complicaties?
Wat is er bekend over de pijnbeleving bij kinderen die bij 22 of 23 weken worden geaborteerd, zowel voor de geboorte als na de geboorte (als kindjes levend ter wereld komen)?
Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd» van Investico en Trouw van 14 juli 2026?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat ruim 200 kinderen geen vaste voogd hebben, terwijl het gezag van hun ouders door de rechter is beëindigd en de overheid daarmee verantwoordelijk is voor hun bescherming?
Als de overheid ingrijpt in het gezag van ouders en de kinderrechter een maatregel voor kinderbescherming oplegt, dan moeten het kind en de ouders kunnen rekenen op een snelle inzet van een jeugdbeschermer. Zoals ik u de afgelopen periode helaas al vaker heb moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel.3 Dat vind ik uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit.
De GI’s hanteren een gezamenlijk handelingsperspectief als kinderen en gezinnen noodgedwongen op de wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer komen te staan. Dit perspectief is een door de GI’s gezamenlijk opgestelde minimale werkwijze voor wachtlijstbeheer in geval van personele onderbezetting. Spoedmaatregelen, zoals een voorlopige ondertoezichtstelling (OTS), worden altijd direct opgepakt. Ook zaken waarbij sprake is van directe kind-onveiligheid worden direct opgepakt.
Als bij een GI sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers dan wordt op basis van risicotaxatie bepaald welke kinderen direct geholpen moeten worden en welke kinderen noodgedwongen moeten wachten. Dat kunnen zowel kinderen met een OTS-maatregel als een met een voogdij maatregel zijn.
Bij voogdij kan sprake zijn van een meer stabiele opvoedsituatie (door bijvoorbeeld een langdurige plaatsing in pleeggezin of een gezinshuis) dan bij een OTS. In dat geval kan de afweging gemaakt worden dat een voogdijkind op de wachtlijst wordt geplaatst omdat bij een OTS-kind meer risico’s spelen.
Ook wordt afgestemd met het betrokken professioneel netwerk over hoe de veiligheid wordt gemonitord en hoe vorm wordt gegeven aan de evaluatie van de kindveiligheid en voortgang op de hulpverleningsdoelen. Vaak is al een professioneel netwerk betrokken omdat de hulp in vrijwillig kader is gestart of omdat de hulp al eerder door een jeugdbeschermer is gestart – maar het kind nu op de interne wachtlijst staat omdat er nog géén opvolger is gevonden voor de jeugdbeschermer die de organisatie verlaten heeft. De veiligheid van het kind wordt periodiek gemonitord door het wachtlijstteam van de GI. Op basis van deze monitoring wordt direct een jeugdbeschermer ingezet als dat nodig is.
De inspecties hebben in september 2025 kritische rapporten geschreven over de problemen bij de gecertificeerde instellingen (GI’s).4 Daarbij constateren de inspecties dat de belangrijkste oorzaken gelegen zijn in arbeidsmarktproblemen en ontbrekende of ontoegankelijke passende hulp. Dit zijn factoren waar de GI’s zelf weinig directe invloed op hebben. In reactie op deze rapporten hebben we in de brief van 2 december 2025 aangegeven als Rijk hier het voortouw in te nemen om samen met gemeenten en GI’s gezamenlijk afspraken te maken om in het hier en nu mede op basis van de aanbevelingen van de inspecties te zorgen voor betere bescherming en tijdige hulp voor kinderen en hun ouders.5 De GI’s werken in dat kader aan het verbeteren van de interne werkprocessen op basis van «good practices» uit de sector en met het verbeteren van de «betekenisvolle contacten» tussen jeugdbeschermer en met name het kind. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat juist deze kwetsbare kinderen geen vaste voogd hebben die hen persoonlijk kent, hun veiligheid bewaakt en namens hen belangrijke beslissingen neemt? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het bij alle kinderen onwenselijk dat ze moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer, ook voor voogdijkinderen. Gegeven de situatie dat sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers is het echter voorstelbaar dat op basis van een risicotaxatie gekozen wordt om het kind met de grootste risico’s eerst te helpen.
Hoeveel kinderen hebben momenteel geen vaste voogd? Kunt u dit uitsplitsen per gecertificeerde instelling, aangeven hoe lang zij gemiddeld en maximaal zonder vaste voogd zitten en in welke vorm van opvang zij verblijven?
De specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Wie draagt gedurende deze periode de eindverantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze kinderen en voor besluiten over onder meer medische behandelingen, onderwijs, jeugdhulp, contact met ouders en familieleden en officiële documenten? Hoe wordt daarbij gewaarborgd dat deze besluiten worden genomen door iemand die het kind daadwerkelijk kent?
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt dit via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. Dit gaat nog niet in alle gevallen goed. Ook de verhalen die zijn beschreven door Trouw en Investico geven daar voorbeelden van. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Daarnaast wordt gewerkt aan het verminderen van de wachtlijsten op basis van «good practices» en wordt gewerkt aan het verbeteren va de betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Hoe wordt gedurende de periode zonder vaste voogd geborgd dat ieder kind regelmatig persoonlijk wordt gesproken en dat voortdurend zicht bestaat op zijn of haar veiligheid en ontwikkeling?
De GI’s hebben in het handelingsperspectief opgenomen dat de veiligheid van het kind beoordeeld wordt, na aanmelding dient het eerste contact met het gezin binnen 10 dagen plaats te vinden en dient informatievoorziening plaats te vinden. Per GI is de wijze van en de frequentie van het contact uitgewerkt. De bedoeling is dat het kind ook altijd gesproken wordt en afhankelijk van de situatie ook apart. Ook worden met het professionele en sociale netwerk rondom het kind afspraken gemaakt om de GI te informeren als daartoe aanleiding is.
Hoeveel belangrijke beslissingen zijn het afgelopen jaar vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was en welke gevolgen heeft dit gehad voor de betrokken kinderen?
Er wordt niet geregistreerd welke belangrijke beslissingen het afgelopen jaar zijn vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was.
Zijn bij u, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd of de Inspectie Justitie en Veiligheid incidenten, calamiteiten of onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld? Zo ja, hoeveel en wat was de aard daarvan?
Bij de inspecties zijn calamiteiten, incidenten en onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld. Gegevens over het aantal en de aard van de incidenten, calamiteiten of onveilige situaties door het ontbreken van een voogd hebben de inspecties niet, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd. Wel hebben de inspecties in diverse publicaties aandacht gevraagd voor de problematiek van het niet (tijdig) hebben van een vaste jeugdbeschermer/voogd:
De inspecties maken in rapporten vaak geen onderscheid tussen voogden of jeugdbeschermers (die ook de voogd kunnen zijn). Daarom spreken ze in rapporten vaak van jeugdzorgwerkers.
Hoe verhoudt het ontbreken van een vaste voogd zich tot de wettelijke taak van gecertificeerde instellingen om uitvoering te geven aan een door de rechter opgelegde voogdijmaatregel?
De wet bepaalt dat een kind waarvoor een maatregel voor kinderbescherming is uitgesproken, dan wel waarvoor jeugdreclassering is opgelegd, binnen 5 werkdagen een (gezins)voogd of een jeugdreclasseringsmedewerker krijgt toegewezen. Zoals de inspectie ook constateert kan, mede door arbeidsmarktproblematiek, niet ieder kind in de praktijk direct van een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder worden voorzien. In die gevallen wordt gewerkt volgens het handelingsperspectief (zie het antwoord op vraag 2).
In de praktijk doen de GI’s meer dan beschreven in het handelingsperspectief en maken zij zoals hierboven beschreven afspraken met het sociale en professionele netwerk om de veiligheid zo goed mogelijk te borgen. En bij directe onveiligheid wordt meteen gehandeld. Dit neemt niet weg dat met het werken volgens het handelingsperspectief niet de gebruikelijke begeleiding van een reguliere uitvoering gerealiseerd kan worden. In die zijn krijgen kinderen en ouders niet de bescherming die zij mogen verwachten. Zie de antwoorden op vraag 2 en 5 voor een overzicht van de maatregelen die ingezet worden om de wachtlijsten te verminderen en het gebruik van het handelingsperspectief onnodig te maken. Ook in gevallen waarin het handelingsperspectief wordt ingezet, hebben de ouders uiteraard recht op gebruikelijke rechtsbescherming volgens het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling of de voogdij maatregel. Het handelingsperspectief is een oplossing voor het ontbreken van een vaste voogd, maar biedt niet hetzelfde niveau van bescherming, er is immers geen vaste voogd. Ik acht het huidige handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting onder de huidige omstandigheden en gezien de inzet op verbetermaatregelen een toereikend alternatief.
Hoe beoordeelt u het feit dat een kinderrechter weliswaar een gecertificeerde instelling als voogd benoemt, maar dat er geen wettelijke waarborg bestaat dat een kind binnen een bepaalde termijn een vaste jeugdbeschermer of voogd krijgt die het kind persoonlijk kent en de voogdij feitelijk uitvoert? Acht u dit verenigbaar met de rechtsbescherming en de belangen van deze kinderen?
Zie antwoord vraag 9.
Acht u het huidige Handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting toereikend voor kinderen van wie het ouderlijk gezag is beëindigd, gelet op de eerdere constateringen van de inspecties dat hierdoor onvoldoende zicht kan bestaan op de veiligheid van kinderen?
Zie antwoord vraag 9.
Waarom is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten, terwijl de inspecties al jaren waarschuwen voor personeelstekorten, hoge werkdruk en onvoldoende continuïteit binnen de jeugdbescherming?
Mede op basis van de motie Hijink – waarin al gerefereerd wordt aan de signalen van de inspecties – informeren we uw Kamer over het totaal aantal kinderen dat op een vaste jeugdbeschermer wacht. De inspecties geven in hun rapportages aan dat sprake is van onvoldoende continuïteit in de jeugdbescherming maar maken bij de wachtlijsten geen onderscheid naar het soort maatregel. Zoals bij het antwoord vraag 2 en 3 is aangegeven wordt op basis van een risicobepaling bepaald of een kind direct geholpen moet worden dan wel dat het kind noodgedwongen op de wachtlijst komt te staan. Omdat wordt uitgegaan van risico’s voor het kind en niet van het soort maatregel is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechterlijke voogdijbeslissingen daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd en dat ieder kind tijdig een vaste voogd krijgt?
In brief van 2 december 2025 hebben we u geïnformeerd over de maatregelen die genomen worden om de wachtlijsten in de jeugdbescherming en jeugdreclassering te verminderen.10 Daarbij hebben we aangegeven dat de GI’s gaan werken aan het verbeteren van hun werkwijze op basis van «good practices» en dat ze aan de slag gaan met het verbeteren van betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het debat met uw Kamer van 30 september 2026 infomeren we u over de stand van zaken.
Naast het werken aan «good practices» werkt het Rijk aan een aanpassing van het stelsel met de Hervormingsagenda Jeugd en specifiek voor de jeugdbeschermingsketen met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Op 8 juli 2026 hebben we uw Kamer geïnformeerd over de «veranderingsstrategie» Kind- en Gezinsbescherming en de acties die in dat kader genomen worden om kinderen eerder te beschermen en daarmee te voorkomen dat een maatregel voor Kinderbescherming noodzakelijk is en daarmee de druk op de wachtlijsten te verminderen. Met deze concrete verbetermaatregelen streven we ernaar de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen bij GI’s te verbeteren en de druk van stelselproblematiek te verminderen.
Bent u bereid de gecertificeerde instellingen opdracht te geven kinderen zonder vaste voogd met voorrang een vaste voogd toe te wijzen en de Kamer te informeren over de voortgang hiervan?
Er is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor kinderen zonder vaste voogd; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Bent u bereid de Kamer binnen 6 weken te informeren over het exacte aantal kinderen zonder vaste voogd, de duur van de wachtperiode per gecertificeerde instelling en de maatregelen waarmee deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd?
Op dit moment beschik ik niet over de gegevens over het aantal voogdijkinderen dat wacht op een vaste voogd. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik de wachtlijsten kan specificeren voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Ik kan u dan in november hierover informeren ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
In de brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september zal ik u nader informeren over de stand van zaken van de in de brief van 2 december 2025 opgenomen maatregelen.11
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Zie antwoord vraag 17.
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Ja.
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
De NVWA is geïnformeerd dat in Nederland speelgoed te koop zou zijn dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is teruggeroepen omdat het asbest bevatte. Op dat moment was nog niet bekend of de in Nederland verkochte productbatches asbest bevatten, en zo ja, in welke concentratie.
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Op dit moment is er onvoldoende aanleiding om dit speelgoed door NVWA van de markt te laten halen. Meer informatie hierover staat bij het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Ja, dat klopt. NVWA kan alleen afdwingen dat producten uit de handel worden gehaald als aan bepaalde voorwaarden van bemonstering en onderzoek is voldaan. Dit betekent dat de NVWA altijd van eigen onderzoek uitgaat bij handhavende acties.
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Het kabinet deelt dat producten die mogelijk niet aan de wettelijke veiligheidseisen voldoen snel moeten worden beoordeeld waarna, indien nodig, maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd moet een toezichthouder kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding voordat handhavend kan worden opgetreden.
De NVWA beschikt op dit moment niet over onderzoeksrapporten van zichzelf of van andere toezichthouders op grond waarvan zij kan optreden. De in het krantenartikel beschreven onderzoeksresultaten zijn afkomstig van onderzoek door derden en vormen een indicatieve aanwijzing, maar zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen of een product niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Voor het bepalen van de hoeveelheid asbest in speelzand, volgt de NVWA de aanbevelingen van TNO. Uit het onderzoek van TNO blijkt dat, om handhavend op te kunnen treden naast een indicatieve bepaling volgens NEN 5896 ook vervolgonderzoek volgens VDI 3866 (Blatt2 nodig is om de exacte hoeveelheid asbest vast te stellen. Die exacte hoeveelheid is van belang om te beoordelen of deze producten wel of niet voldoen aan de wettelijke eisen. Zonder deze kennis is handhaven niet mogelijk.
Bovendien blijkt uit de gezondheidskundige risicobeoordeling van het RIVM en het advies van Buro dat het gezondheidsrisico van speelzand dat voldoet aan de wettelijke eisen verwaarloosbaar is. Alleen bij jarenlang intensief spelen met speelzand dat niet aan de wettelijke limiet voor asbest voldoet, is er mogelijk een gezondheidsrisico. Daarbij is uitgegaan van het meest ongunstige scenario van jarenlange, dagelijkse blootstelling.
In het in het AD beschreven artikel betreft het speelgoed waarbij het speelzand is ingesloten. Alleen wanneer het product beschadigd raakt en het zand (gedeeltelijk) vrijkomt, is er eenmalig contact met het zand. De blootstelling is daarmee zo beperkt dat er geen reden is tot zorg. Op basis van de huidige inzichten bestaat daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een direct gezondheidsrisico.
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Ja. De NVWA houdt steekproefsgewijs en risicogericht toezicht en treedt op als bedrijven zich niet aan de regels houden en er een vermoeden is van risico.
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Ja. 100% veiligheid is niet te garanderen. De verantwoordelijkheden binnen het stelsel zijn duidelijk belegd. Producenten, importeurs en distributeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Toezichthouders, waaronder de NVWA, houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen (zie antwoord op vraag3. Deze combinatie van productverantwoordelijkheid en toezicht vormen de basis van het Europese productveiligheidsstelsel. Bovendien worden in de nieuwe Europese speelgoedverordening, die deels al van kracht is, de verantwoordelijkheden en taken voor de marktdeelnemers nog duidelijker beschreven. Ook binnen Europa wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling ondersteund.
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
NVWA verricht steekproefsgewijs en risicogericht productonderzoek, ook naar asbest in speelzand. Waar nodig wordt er handhavend opgetreden.
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Nederland heeft actief deelgenomen aan de discussies op Europees niveau binnen de Working Group on chemicals in toys4 van de Expert Group on Toy Safety5. Tijdens vergaderingen in februari en mei 2026 zijn de onderzoeken, resultaten en gezondheidskundige risicobeoordelingen, die zijn uitgevoerd door verschillende Europese lidstaten, bediscussieerd. Hierbij werd onder andere en met grote belangstelling uitgebreid stilgestaan bij het onderzoek van TNO6 naar geschikte analysemethodes voor het bepalen van asbest in speelzand en de gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door RIVM7. Het nauwkeurig bepalen van (kleine hoeveelheden) asbest is van groot belang voor het uitvoeren van een goede risicobeoordeling. Dit alles heeft geleid tot de publicatie van de «Market surveillance notes on asbestos in toy sands»8 op de website van de Europese Commissie. Hierin is onder andere vastgelegd welke analysemethoden bij voorkeur worden gebruikt voor het bepalen van asbest in speelzand, zodat de resultaten tussen lidstaten beter vergelijkbaar zijn.
Daarnaast lopen op dit moment in verschillende landen nog onderzoeken naar de mate waarin tijdens het spelen met speelzand asbestvezels kunnen vrijkomen (zie bijvoorbeeld Asbest in Spielsand: Weitere Daten für Risikobewertung erforderlich – BfR9 en RAG_Risk Assessment_Asbestos_play sand_update June 202610). Deze gegevens worden gebruikt om met name de gezondheidskundige risicobeoordeling verder te verfijnen.
Het kabinet heeft het RIVM gevraagd te adviseren over een passende aanscherping van de grenswaarde. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zal worden bezien welke vervolgstappen Nederland in Europees verband zal voorstellen.
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Het kabinet onderschrijft dat het voorkomen dat verontreinigde producten op de markt komen de voorkeur heeft boven het achteraf moeten ingrijpen. In feite wordt het probleem nu al bij de bron aangepakt: de fabrikant (als deze binnen de EU is gevestigd) of importeur (wanneer de fabrikant buiten de EU is gevestigd) mag alleen veilige producten op de EU-makt brengen. Dit geldt van grondstof tot eindproduct en alles wat daar tussen zit. De fabrikant of importeur zijn er verantwoordelijk voor dat producten voldoen aan de geldende wettelijke eisen voordat deze op de markt worden gebracht en moeten dit desgevraagd kunnen aantonen, met bijvoorbeeld certificaten. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen en kan, wanneer marktdeelnemers niet aan de wettelijke eisen voldoen, handhavend optreden. Tegelijkertijd kunnen door internationale handelsstromen niet alle producten vooraf worden gecontroleerd. Daarom bestaat het productveiligheidsstelsel uit een combinatie van bronverantwoordelijkheid, Europese regelgeving, risicogericht markttoezicht en – indien nodig – maatregelen zoals waarschuwingen en terugroepacties. Deze instrumenten vullen elkaar aan om risico's voor consumenten zoveel mogelijk te beperken.
Ook het toezicht aan de buitengrenzen van de Europese Unie draagt hieraan bij. De Douane voert hiervoor risicogerichte controles uit op goederen uit derde landen en werkt hierbij nauw samen met de andere marktoezichthouders.
Daarnaast wordt met de nieuwe speelgoedverordening, die al deels van kracht is, vanaf 2030 een digitaal productpaspoort voor speelgoed geïntroduceerd. Hierin moet bijvoorbeeld ook een conformiteitsverklaring worden toegevoegd. Dit maakt het voor toezichthouders in de toekomst mogelijk om op grote schaal (automatisch) te controleren of producten voldoen aan de Europese regelgeving en ondersteund daarmee effectiever toezicht.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
De verantwoordelijkheid hiervoor is via wetgeving neergelegd bij producenten, importeurs en distributeurs. Zij moeten ervoor zorgen dat producten die zij op de markt brengen voldoen aan de veiligheidseisen. De NVWA houdt risicogericht toezicht op de veiligheid van speelgoed en bepaalt als onafhankelijke toezichthouder waar de grootste risico's liggen en hoe de beschikbare toezichtcapaciteit wordt ingezet. Naar aanleiding van de bevindingen over asbest in speelzand is asbest opgenomen in het reguliere toezicht. Dit betekent dat binnen het monsternameprogramma periodiek steekproeven worden uitgevoerd om speelzand op de aanwezigheid van asbest te controleren. Wanneer daar aanleiding toe bestaat, kan de NVWA handhavend optreden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op grond van de REACH-verordening op het verbod op handelingen met asbest en asbesthoudende producten. Wanneer signalen of incidenten daartoe aanleiding geven, werken de betrokken toezichthouders samen en worden passende maatregelen genomen. Daarnaast wordt voortdurend bezien of de beschikbare toezichtinstrumenten en de informatiepositie voldoende aansluiten bij nieuwe risico’s, waaronder risico’s die ontstaan door internationale handelsstromen. De Douane ondersteunt het toezicht door risicogerichte controles uit te voeren op goederen die vanuit derde landen worden ingevoerd.
Daarnaast wordt, zoals in vraag 10 aangegeven, de nieuwe Europese Speelgoedverordening gefaseerd ingevoerd. Deze introduceert onder meer een digitaal productpaspoort voor speelgoed, waardoor het voor toezichthouders eenvoudiger wordt om de conformiteit van producten te controleren en niet-conforme producten sneller te signaleren.
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Het is het kabinet bekend dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg onder druk staat, hoewel er landelijk gezien meer huisartsen dan ooit zijn. Tegelijkertijd zijn er regionale verschillen in problematiek en tekorten. Enschede is een voorbeeld van een plek waar zich een regionaal tekort aan huisartsenzorg voordoet. Zo is na het faillissement van Co-Med in 2024 de huisartsenpraktijk THOEN tijdelijk operationeel geweest. Huisartsen uit andere praktijken met ruimte in hun agenda draaiden extra diensten in deze praktijk. Het harde werk van huisartsen, zorgverzekeraar Menzis en de gemeenten heeft er in die periode voor gezorgd dat toegang tot huisartsenzorg gewaarborgd was voor mensen zonder huisarts. Omdat het niet meer haalbaar was om diensten te vullen is deze tijdelijke praktijk gestopt. De huisartsen, zorgverzekeraars en gemeenten gaan door met het vinden van oplossingen zoals het gebruik maken van digitale huisartsenzorg voor iedereen die geen vaste huisarts heeft.
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedere (Zvw-)verzekerde in Nederland toegang heeft tot een vaste huisarts in de buurt, ongeacht afkomst. Huisartsen mogen bij de inschrijving van patiënten geen ongegrond onderscheid maken tussen verschillende patiëntengroepen. Het zijn van statushouder is geen gegronde reden om met voorrang in te schrijven bij een huisarts. VWS heeft ook geen signalen ontvangen dat dit gebeurt.
Huisartsen bepalen zelf op basis van eigen capaciteit of hun praktijk open of dicht is voor nieuwe inschrijvingen. Als huisartsenpraktijken ruimte hebben voor nieuwe patiënten, geven zij soms voorrang aan patiënten die nog geen huisarts hebben boven patiënten die willen wisselen van huisarts.
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
VWS heeft geen signalen dat statushouders en nareizigers met voorrang worden ingeschreven bij huisartsenpraktijken. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft deze signalen evenmin.
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
In Nederland werkt de huisartsenzorg niet met een wachtlijst zoals gebruikelijk in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) of in de medisch specialistische zorg (MSZ). Patiënten kunnen zich inschrijven bij een huisartsenpraktijk waarbij de praktijkhouder bepaalt of er plek is om iemand aan te nemen. Als er sprake is van een patiëntenstop kan een huisarts besluiten een patiënt toch in te schrijven, bijvoorbeeld wanneer sprake is van bijzondere medische omstandigheden, gezinsuitbreiding of wanneer de continuïteit van zorg dit noodzakelijk maakt.2 Dergelijke afwegingen zijn zorginhoudelijk van aard en gelden ongeacht afkomst, nationaliteit of verblijfsstatus.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werkt nauw samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om te zorgen dat iedereen in Nederland toegang heeft tot een huisarts in de buurt. In het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) heeft het kabinet met betrokken partijen afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de huisartsenzorg te vergroten en te borgen. Daarover is het kabinet doorlopend in gesprek met deze partijen.
Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Ja.
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Jeugdzorg Nederland rapporteert2 dat er 2216 pleegouders gestopt zijn in 2025.
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Er zijn diverse redenen waarom pleegouders stoppen.
Voorop staat dat een verschil bestaat tussen bestandspleegouders en netwerkpleegouders. Een deel van de pleegkinderen kan binnen het eigen netwerk opgevangen worden, bijvoorbeeld bij een familielid. In dat geval is sprake van netwerkpleegzorg. Het andere deel van pleegkinderen woont in een bestandpleeggezin, zij kennen de pleegouders nog niet voorafgaand aan de start van de plaatsing. We weten op basis van de Factsheet Pleegzorg 2025 dat meer dan helft van pleegouders die stopt (56%) netwerkpleegouder is. Bij netwerkpleegzorg geven de pleegouders zich vaker niet automatisch opnieuw op als pleegouder, wanneer het pleegkind uitstroomt. De motivatie om netwerkpleegouder te worden, verschilt daarin van de motivatie om bestandspleegouder te worden.
In 2019 hebben het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) onderzoek gedaan naar waarom pleegouders stoppen3. Er zijn positieve redenen waarom pleegouders stoppen, bijvoorbeeld als een pleegkind zelfstandig gaat wonen of weer terug gaat naar eigen ouders. Daarnaast zijn er voor pleegouders omstandigheden die ertoe leiden dat zij het besluit nemen om te stoppen: problemen met het zorgsysteem (waaronder de samenwerking met jeugdbescherming of pleegzorgbegeleiding), de impact op het eigen gezin, de problematiek van het pleegkind en een moeizame relatie met de ouders van het pleegkind.
In het eerdergenoemd onderzoek uit 2019 kwam naar voren dat gemiddeld genomen pleegouders voor 6 jaar pleegouder blijven.4 Ik wil – in lijn met de oproep van de NVP – aanvullend onderzoek laten doen naar waarom pleegouders stoppen en wat pleegouders juist helpt om door te gaan. Ik wil dit nieuwe onderzoek dit najaar starten, hierover voer ik momenteel voorbereidend overleg met de sector. Ik verwacht de resultaten voor de zomer van 2027 en zal de Kamer over de voortgang informeren
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Jaarlijks wordt het aantal wachtenden op pleegzorg door Jeugdzorg Nederland in kaart gebracht in de Factsheet Pleegzorg. De cijfers over 2026 worden voor de zomer van 2027 gepubliceerd. Jeugdzorg Nederland rapporteert5 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Voorop staat dat en passende plek prioriteit is bij plaatsing, omdat alleen op deze manier stabiliteit en duidelijkheid aan een pleegkind wordt gegeven.
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Verschillende maatschappelijke factoren en ontwikkelingen in de pleegzorg zijn hierop van invloed, het is lastig om een directe oorzaak aan te wijzen. Maatschappelijke factoren die invloed hebben zijn bijvoorbeeld de stijgende kosten van levensonderhoud en een onzekerdere wereld, de vergrijzing en toenemende vraag naar mantelzorg waardoor er minder vrijwilligers te vinden zijn – waaronder pleegouders. Het zorgen voor een pleegkind met een zware zorgvraag kost veel tijd. Pleegouders werken tegenwoordig vaak beiden, waardoor er minder tijd is om voor een pleegkind te zorgen dan vroeger.
Daarnaast is pleegzorg erg veranderd. De afgelopen jaren wordt steeds meer ingezet op kinderen tijdelijk bij pleegouders te plaatsen en weer terug naar huis te kunnen laten gaan. Langdurige, perspectief biedende plaatsingen die vroeger gebruikelijk waren, zijn minder de basis. Wanneer een plaatsing beëindigt doordat een kind vertrekt, zien we tegenwoordig vaak dat pleegouders zich niet meer opnieuw inzetten voor een nieuw kind. Bij netwerkplaatsingen zien we dit vooral, terwijl dit type plaatsingen steeds vaker voorkomt. Zie ook mijn antwoord onder 3. Aanvullend zetten we in de pleegzorg steeds meer in op gedeeld opvoederschap, met betrokkenheid van de eigen ouders. Dit vraagt van pleegouders dus meer dan «alleen een kind opvangen». Dit is soms anders dan pleegouders hadden verwacht of gehoopt dat pleegzorg zou zijn. Al deze ontwikkelingen en factoren zijn van invloed op het aantal pleeggezinnen.
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
Ik ben voornemens de campagne te verlengen t/m 2027. Met de sector ben ik ondertussen in gesprek over welke landelijke inzet op werving benodigd is voor 2028 en verder.
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
De huidige campagne van «Jouw huis een 2e thuis» wordt positief ontvangen. De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder. Aanvullend ben ik voornemens de campagne te verlengen t/m 2027 en ben ik met de sector in gesprek over 2028 en verder, zoals ook genoemd onder vraag 7.
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Pleegzorgbegeleiders bieden begeleiding en ondersteuning aan pleegouders. Aanvullend kunnen pleegouders terecht bij de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten zij erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
In mijn antwoord op vraag 7 ben ik ingegaan op de inzet op de werving van pleegouders. Voor het behoud van pleegouders is het versterken van de reguliere belgeleiding cruciaal, zie ook mijn antwoord onder 9. Hier zet ik met de sector op in. Aanvullend zal ik zoals eerder genoemd onderzoek doen waarom pleegouders stoppen (zie antwoord 4). Over de uitvoering van motie Hamstra zal ik de Kamer voor het WGO Jeugd van dit najaar nader informeren, zoals verzocht in de motie.
De bestuurlijke problemen en de uitvoering van de jeugdzorg in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Lelystadse jeugdzorg wordt steeds duurder. De directeur die daar iets aan deed, moest vertrekken»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bestuurlijke en organisatorische problemen binnen de gemeente Lelystad ertoe hebben geleid dat aanvragen voor jeugdhulp zijn blijven liggen en de toegang tot jeugdhulp onder druk is komen te staan?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten een jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
Kunt u aangeven of de continuïteit en tijdigheid van de jeugdhulp in Lelystad gedurende deze periode in het geding zijn geweest? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor kinderen en gezinnen?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is eind maart vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad, omdat ook vanuit VWS zorgen waren over de situatie in Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en is ook in gesprek gegaan met de gemeente Lelystad. Daarbij heeft de NZa risico’s gesignaleerd die van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp. De NZa volgt de situatie nauwgezet en blijft met de gemeente in gesprek over de verdere opvolging hiervan. De NZa heeft VWS de afgelopen maanden regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken in Lelystad en blijft dit naar de toekomst toe ook doen.
Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijke wanneer een gemeente de uitvoering van de Jeugdwet onvoldoende op orde heeft en daardoor de toegang tot passende jeugdhulp in gevaar komt?
De Jeugdwet is gedecentraliseerd. Dit betekent dat gemeenten in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze taak en dat de gemeenteraad verantwoordelijk is om het college hierop aan te spreken.
De NZa houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg. Deze vroegsignaleringstaak is één van de nieuwe taken die de NZa heeft gekregen met het in werking treden van de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg waarbij VWS als stelselverantwoordelijke het wetsvoorstel heeft voorbereid. Indien blijkt dat er sprake is van taakverwaarlozing door een gemeente, dan kan het Rijk de gemeente hierop aanspreken via interbestuurlijk toezicht.
Is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op de hoogte van de situatie in Lelystad? Zo ja, welke rol heeft de IGJ gespeeld of gaat zij nog spelen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zijn op de hoogte van de situatie in Lelystad. Omdat het hier om de toegang gaat en niet om de kwaliteit van de zorg bij aanbieders, heeft de IGJ hier alleen een signalerende rol in richting het Ministerie van VWS.
De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Zij zijn sinds een paar maanden in gesprek met de gemeente Lelystad over de beschikbaarheid van zorg in de gemeente Lelystad.
Zijn bij u signalen bekend dat vergelijkbare organisatorische of bestuurlijke problemen ook in andere gemeenten leiden tot vertragingen, achterstanden of onjuiste besluitvorming binnen de jeugdzorg? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat het?
Als het om de beschikbaarheid van zorg gaat, dan heeft de NZa sinds 1 januari 2026 de nieuwe taak om hier zicht op te houden. De NZa heeft op dit moment geen vergelijkbare signalen van andere gemeenten.
In hoeverre beschikt u over instrumenten om in te grijpen wanneer de uitvoering van de Jeugdwet binnen een gemeente structureel tekortschiet? Bent u van mening dat deze instrumenten toereikend zijn?
Gemeenten zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de uitvoering van de Jeugdwet. De gemeenteraad is verantwoordelijk om het college van B&W hierop aan te spreken. Indien blijkt dat er desondanks sprake is van taakverwaarlozing dan heeft het Rijk het instrument interbestuurlijk toezicht. Het interbestuurlijk toezicht kent verschillende stappen die doorlopen dienen te worden. Zo vindt eerst signalering en factfinding plaats. Waarna, indien nodig, afspraken met gemeenten gemaakt kunnen worden over acties, termijnen en vervolg om de taak op grond van de Jeugdwet te kunnen borgen. In een uiterst geval kan het Rijk overgaan tot indeplaatsstelling. Tot op heden heeft het maken van afspraken over acties, termijnen en vervolg kunnen volstaan om taakverwaarlozing te beëindigen.
Welke lessen trekt u uit de gebeurtenissen in Lelystad voor de landelijke hervorming van de jeugdzorg, in het bijzonder ten aanzien van sturing, toezicht, financiële beheersing en de toegang tot passende hulp?
Met de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd is ingezet om het jeugdstelsel verder te ontwikkelen en te versterken. Met de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg heeft bijvoorbeeld de NZa nieuwe taken gekregen, waaronder de eerder genoemde vroegsignaleringstaak. Ook is voor sommige zorgvormen vastgelegd dat gemeenten verplicht regionaal moeten samenwerken in Jeugdregio’s. Dit zijn allemaal zaken die bijdragen aan een beter werkend jeugdhulpstelsel. In die beleidsontwikkeling wordt ook casuïstiek betrokken.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre bestuurlijke conflicten en organisatorische problemen binnen gemeenten ertoe leiden dat kinderen niet tijdig de jeugdhulp ontvangen waarop zij recht hebben en de Kamer hierover te informeren?
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om het gesprek te voeren met het college. Indien er bij gemeenten situaties zijn die er toe leiden dat kinderen niet tijdig jeugdhulp ontvangen, dan zal VWS hierover in gesprek gaan met de desbetreffende gemeente vanuit haar stelselverantwoordelijkheid.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat interne bestuurlijke problemen of tekortschietende gemeentelijke uitvoering ten koste gaan van de veiligheid, ontwikkeling en zorg van kwetsbare kinderen?
Geen.
Het verplaatsen van de zorgtaken van het VUmc naar het AMC. |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van de Raad van Bestuur van Amsterdam UMC om de zorgtaken van het VUmc tegen 2040 naar het AMC in Amsterdam-Zuidoost te verplaatsen?1
Ja.
Wat is de impact van het wegvallen van de zorgtaken op de huidige locatie van het VUmc op de zorgverlening in de buurt, bijvoorbeeld voor acute zorg of traumazorg?
Het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC heeft geen gevolgen voor de acute zorg op locatie VUmc, omdat de spoedeisende hulp en de traumazorg sinds 2024 al zijn geconcentreerd op locatie AMC. Voor de overige ziekenhuiszorg heeft het Amsterdam UMC aangegeven dat het als universitair medisch centrum voornamelijk hoogcomplexe, derdelijnszorg verleent aan patiënten die veelal vanuit andere ziekenhuizen worden doorverwezen. Volgens het Amsterdam UMC kunnen inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten voor een groot deel van de medisch-specialistische zorg daarnaast ook terecht bij andere ziekenhuizen in de regio. Voor patiënten die zijn aangewezen op de hoogcomplexe zorg van het Amsterdam UMC heeft het ziekenhuis aangegeven dat een concentratie van de zorg op locatie AMC naar verwachting slechts een beperkte verandering van de reistijd met zich meebrengt.
Het is aan Amsterdam UMC om de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg verder uit te werken en daarbij de gevolgen voor patiënten, waaronder de bereikbaarheid van de zorg, zorgvuldig te betrekken.
Het kabinet hecht eraan dat besluiten over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod zorgvuldig tot stand komen, waarbij alle relevante belangen in een vroeg stadium worden betrokken en gewogen. Om de regionale dialoog tussen betrokkenen bij (mogelijke of voorgenomen) wijzigingen in het aanbod van acute zorg en ziekenhuiszorg te bevorderen, is een handreiking opgesteld.2
In de handreiking staan adviezen om de betrokkenheid van alle belanghebbenden te borgen. Door alle belangen te horen en te wegen en hier vroegtijdig met elkaar over in gesprek te gaan, wordt begrip gecreëerd en worden besluiten breed gedragen in de regio. Dit bevordert een zorgvuldig besluitvormingsproces. Bij de verdere uitwerking en eventuele besluitvorming over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod dient het Amsterdam UMC uiteraard ook de daarvoor geldende wet- en regelgeving in acht te nemen. Daaronder vallen, indien van toepassing, ook de voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz over een zorgvuldige besluitvormingsprocedure bij wijzigingen in het (acute) zorgaanbod.
Wat betekent het wegvallen van de zorgtaken op de huidige locatie van het VUmc en de concentratie van ziekenzorg in Zuidoost voor de risico’s op ernstige aandoeningen of overlijden door ontijdige behandeling in gevolge van langere verplaatsingstijden (bijvoorbeeld van de ambulance), in het bijzonder bij situaties waarin de hogere afstand niet te rechtvaardigen valt door hogere kwaliteit of specialisme van een verder gelegen ziekenhuis voor bepaalde behandelingen?
Het kabinet heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC leidt tot een toename van de risico's op ernstige gezondheidsschade of overlijden als gevolg van langere aanrij- of verplaatsingstijden. Voor wat betreft vervoer per ambulance geldt dat de spoedeisende hulp van Amsterdam UMC sinds 2024 al geconcentreerd is op locatie AMC. Dat betekent dat patiënten al niet meer door de ambulance naar de VUmc locatie worden gebracht
Kunt u in het algemeen voor Nederland inzicht geven in de gevolgen van afstand tot een ziekenhuis voor de gezondheid en het sterfterisico van Nederlanders? Kunt u dat met wetenschappelijke data onderbouwen?
Het kabinet beschikt niet over deze gegevens.
Hoe neemt u de afweging over de risico’s van een gebrek aan nabijheid van zorgverlening mee in uw beleid?
Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen wanneer dat nodig is.
Voor het kabinet staat voorop dat mensen kunnen rekenen op toegankelijke en kwalitatief goede zorg. Daarbij wordt steeds een zorgvuldige afweging gemaakt tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Geografische nabijheid is een belangrijk aspect van toegankelijkheid, maar niet het enige. Ook de kwaliteit van de zorg, de beschikbaarheid van voldoende zorgprofessionals en de mogelijkheid om zorg toekomstbestendig te organiseren zijn daarbij onder andere van belang.
Hoe houdt u in uw beleid rond de nabijheid van ziekenhuizen rekening met de toenemende vergrijzing en de daarmee grotere zorgvraag?
Om de zorg ook in de toekomst toegankelijk te houden, zet het kabinet in op passende zorg: zorg die aansluit bij wat mensen nodig hebben en op de juiste plek wordt geleverd. Het kabinet onderkent dat de vergrijzing de komende jaren zal leiden tot een toenemende zorgvraag. Echter, niet iedere zorgvraag vraagt om behandeling in een ziekenhuis. Daarom zet het kabinet in op de beweging naar de voorkant, met meer aandacht voor gezondheid en preventie, een sterke eerstelijnszorg, en nauwe samenwerking met het sociaal domein.
In welke mate is de afname van het aantal ziekenhuis- en andere zorglocaties een gevolg van de beleidsmatige keuze om kostenefficiëntie te prioriteren?
Het Ministerie van VWS streeft naar een zorgstelsel dat voor iedereen betaalbaar, toegankelijk en van hoge kwaliteit is. Het kan voorkomen dat zorgaanbieders bij de inrichting van hun organisatie ook afwegingen maken over een doelmatige en efficiënte inzet van mensen, middelen en huisvesting. Er is geen sprake van een beleidsmatige keuze om kostenefficiëntie te prioriteren.
Waar ligt volgens u de juiste balans tussen (kosten)efficiëntie van de zorg en toegankelijkheid van zorgverlening door nabijheid?
Bij keuzes over de inrichting van de zorg is steeds een zorgvuldige afweging nodig tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Al deze publieke belangen zijn van belang en moeten voldoende worden geborgd. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de toenemende zorgvraag en de schaarste aan zorgprofessionals. Het is de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders om hun organisatie, ook financieel, gezond te houden en binnen de geldende wettelijke kaders zelf keuzes te maken over de inrichting van hun zorgaanbod. Zoals ook staat beschreven in de beleidsbrief VWS3 zet dit kabinet daarbij in op passende zorg en een passend zorglandschap, waarbij basiszorg zoveel mogelijk dichtbij mensen wordt georganiseerd en specialistische zorg waar nodig wordt geconcentreerd.
Welke beleidsopties heeft u om nabije zorg zowel in dichtbevolkte steden als op afgelegen plekken maximaal te garanderen? Wat zijn de voor- en nadelen van die opties?
Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen wanneer dat nodig is. Zoals ook staat beschreven in de eerder genoemde beleidsbrief gaat dit kabinet actiever sturen op een passend zorglandschap. We verscherpen en verduidelijken de landelijke kaders en minimale eisen voor zorgaanbieders. We leggen wettelijk vast dat zorgaanbieders in samenspraak met zorginkopers verplicht zijn om constructief en gedegen deel te nemen aan het opstellen en uitvoeren van regionale plannen voor een passend zorglandschap. En we zorgen dat regionale plannen over het zorglandschap daadwerkelijk richting geven aan alle zorgaanbieders in de regio. Daarmee wordt direct gestuurd op de organisatie van zorg en op de keuzes die nodig zijn om zorg toegankelijk en toekomstbestendig te houden. De uitwerking hiervan volgt in het eerste kwartaal van 2027.
Het bericht dat de Gezondheidsraad wil dat de overheid alcoholgebruik verder ontmoedigt en denormaliseert |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gaat alcohol het roken achterna? Gezondheidsraad wil dat overheid ingrijpt» van de NOS en het advies van de Gezondheidsraad dat alcoholgebruik verder moet worden ontmoedigd en «minder normaal» moet worden gemaakt?
Ja.
Deelt u de mening dat er een principieel verschil bestaat tussen het informeren van burgers over gezondheidsrisico’s enerzijds en het actief sturen, ontmoedigen en denormaliseren van legaal gedrag van volwassen burgers anderzijds?
Het kabinet wil een gezonde leefstijl voor iedereen dichterbij brengen en de gezonde keuze makkelijker maken. Het drinken van alcohol brengt risico’s met zich mee voor het individu en ook voor de samenleving. Denk aan ziektes en ook aan verzuim, geweld, ongevallen en letsel. We betalen hier als samenleving een prijs voor. Het is daarmee niet alleen een individueel probleem. Daarom gelden er regels voor de verstrekking van alcohol via de Alcoholwet, regels voor alcoholreclames en wordt accijns geheven op alcoholhoudende drank. Daarbij is het een belangrijke taak van de overheid mensen over de risico’s van alcohol te informeren en ervoor te zorgen dat er goede zorg is voor mensen met alcoholproblematiek.
Waar ligt volgens u de grens tussen volksgezondheidsbeleid en staatsbemoeienis met de persoonlijke levenssfeer van volwassen Nederlanders?
Mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken. De overheid zorgt voor wet- en regelgeving, ondersteuning en goede voorlichting, zodat mensen een weloverwogen en geïnformeerde keuze kunnen maken.
Erkent u dat alcoholgebruik, net als bijvoorbeeld suikerconsumptie, vleesconsumptie, autorijden, wintersport, zonnen, festivals, vuurwerk, barbecueën of andere vormen van levensgenot, nooit volledig risicovrij is, maar dat dit op zichzelf nog geen vrijbrief vormt voor steeds verdergaande overheidsinmenging?
Alcoholgebruik is net als veel andere gebruiken nooit risicovrij. Alcoholgebruik heeft gevolgen voor zowel de gezondheid als de veiligheid in de samenleving. Daarom is er wet en regelgeving, ondersteuning en goede voorlichting, zodat mensen een weloverwogen en geïnformeerde keuze kunnen maken.
Deelt u de zorgen dat in het preventiebeleid steeds vaker een beleidscultuur ontstaat waarin niet langer uitsluitend excessen of misstanden worden bestreden, maar waarin de overheid normaal, legaal en maatschappelijk ingebed gedrag van burgers actief probeert te ontmoedigen?
Het gaat hier gegeven de gevolgen (verzuim, geweld, ongevallen, ziektelast) om een maatschappelijk probleem. Gelet op deze gevolgen van alcoholgebruik voor de samenleving ligt het voor de hand om alcoholgebruik te ontmoedigen. De keuze om wel of niet te drinken, is aan mensen zelf.
Bent u van mening dat het de taak van de overheid is om alcoholgebruik als zodanig «minder normaal» te maken? Zo ja, op basis van welke democratische opdracht meent u dat de overheid het mandaat heeft om diepgewortelde sociale gebruiken en culturele tradities te denormaliseren?
Het is een taak van de overheid de volksgezondheid te beschermen. Het drinken van alcohol vergroot het risico op chronische ziekten en heeft gevolgen voor de samenleving. Het kabinet vindt het daarom van belang mensen over de gevolgen van alcoholgebruik te informeren.
Hoe verhoudt het pleidooi om alcoholgebruik te denormaliseren zich tot de eigen verantwoordelijkheid van volwassen burgers?
Het geven van voorlichting over de gevolgen van alcoholgebruik is belangrijk. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van mensen zelf om wel of niet te kiezen voor alcoholhoudende drank.
Acht u het wenselijk dat de overheid zich ontwikkelt tot een instantie die niet alleen waarschuwt voor gezondheidsrisico’s, maar ook actief bepaalt welke vormen van ontspanning, genot en sociaal gedrag maatschappelijk nog als normaal mogen gelden?
Het kabinet wil een gezonde leefstijl voor iedereen dichterbij brengen. Het drinken van alcohol brengt risico’s met zich mee voor het individu en ook voor de samenleving. Dit rechtvaardigt regelgeving en beleid om alcoholgebruik te ontmoedigen en een omgeving te realiseren die de gezonde keuze makkelijker maakt. Uiteindelijk maken mensen hun eigen afweging ten aanzien van het drinken van alcohol.
Kunt u garanderen dat het kabinet geen beleid zal voeren dat erop gericht is om gematigd alcoholgebruik door volwassenen maatschappelijk te stigmatiseren?
Uiteindelijk zijn volwassen mensen vrij om hun eigen afwegingen te maken. Het stigmatiseren van matig gebruik of anderszins bepalen welke vormen van gedrag normaal zijn, is niet aan de orde.
Kunt u aangeven of het kabinet voornemens is om de aanbevelingen van de Gezondheidsraad over te nemen, zoals het duurder maken van alcohol, het beperken van verkooppunten, het beperken van reclame, neutrale verpakkingen of gezondheidswaarschuwingen?
Het kabinet is het advies van de Gezondheidsraad aan het bestuderen en komt dit najaar met een reactie.
Kunt u per genoemde maatregel aangeven welke concrete beleidsopties het kabinet overweegt, welke maatregelen het kabinet uitsluit en op welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat «niet risicovrij» iets anders is dan «onaanvaardbaar», en dat vrijwel geen enkele menselijke activiteit volledig risicovrij is – aangezien de Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is voor alcoholgebruik en dat ook één glas per dag risicovol is?
Alcoholgebruik heeft gevolgen voor zowel de volksgezondheid als de veiligheid in de samenleving. Daarom gelden er ook duidelijke regels en normen bijvoorbeeld voor alcohol in het verkeer of alcohol drinken door minderjarigen. Het kabinet maakt Nederland verkeersveiliger voor de voetganger, de fietser en de automobilist. Het dikke-ik gedrag in het verkeer pakken we aan door strenger te handhaven en in te zetten op gedragsverandering. Het kabinet voert een zerotolerancebeleid voor alcohol in het verkeer conform het coalitieakkoord [1] en hanteert als norm geen alcohol voor minderjarigen.
Bent u bereid in toekomstige communicatie over alcoholgebruik helder onderscheid te maken tussen zwaar of problematisch alcoholgebruik enerzijds en incidenteel of gematigd alcoholgebruik door volwassenen anderzijds?
De gevolgen van alcoholgebruik gelden voor iedereen; zowel voor het individu als voor de maatschappij. De Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is. Het is daarom van belang om iedereen te informeren over de gevolgen van alcoholgebruik en een gezonde keuze makkelijker te maken.
Acht u het proportioneel om maatregelen te nemen die alle volwassen Nederlanders raken, terwijl de grootste maatschappelijke problemen samenhangen met problematisch gebruik, verkeersdeelname onder invloed, geweld, verslaving of overmatig drinken?
Zie antwoord vraag 13.
Klopt het dat het Nationaal Preventieakkoord zich oorspronkelijk vooral richtte op problematisch alcoholgebruik? Zo ja, erkent u dat het huidige advies van de Gezondheidsraad een verschuiving betekent van het bestrijden van problematisch gebruik naar het ontmoedigen van alcoholgebruik als zodanig?
De inzet op alcohol maakt onderdeel uit van de preventiestrategie. Deze strategie werkt toe naar de gezondste generatie ooit en kijkt per omgeving hoe deze gezonder kan en wat daarvoor nodig is. De doelen van het Nationaal Preventieakkoord worden in deze strategie doorgezet. Voor alcohol betekent dit het terugdringen van alcoholgebruik onder jongeren en zwangeren, het terugdringen van overmatig en zwaar alcoholgebruik en het vergroten van de kennis over en de bewustwording van de schadelijkheid van alcohol en het eigen drinkgedrag. Het advies van de Gezondheidsraad ondersteunt de ambitie om toe te werken naar de gezondste generatie ooit. In het najaar wordt u geïnformeerd over de voortgang van deze strategie en volgt de reactie van het kabinet op het advies van de Gezondheidsraad.
Deelt u de mening dat beleid tegen problematisch alcoholgebruik iets wezenlijk anders is dan beleid dat erop gericht is om alcoholgebruik in brede zin uit het normale maatschappelijke leven terug te dringen?
De gevolgen van alcoholgebruik zijn er zowel voor het individu als voor de samenleving als geheel. Het kabinet werkt met de preventiestrategie toe naar de gezondste generatie ooit. Het kabinet wil ervoor zorgen dat dat de omgeving mensen in staat stelt om gezonde keuzes te maken.
Bent u bereid om in uw reactie op het advies expliciet in te gaan op de gevolgen voor horeca, slijterijen, supermarkten, brouwerijen, wijnhandelaren, evenementen, sportverenigingen en lokale gemeenschappen?
Indien het kabinet maatregelen neemt, dan is een zorgvuldige afweging van belangen en gevolgen (economisch, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving etc) onderdeel van het proces.
Is onderzocht wat de economische gevolgen zijn van hogere accijnzen, verkoopbeperkingen, reclameverboden of neutrale verpakkingen voor Nederlandse ondernemers? Zo nee, bent u bereid dit eerst te laten onderzoeken voordat nieuwe maatregelen worden overwogen?
In het kader van het Nationaal Preventie Akkoord is voor diverse maatregelen (accijnsverhoging, verkoopbeperkingen en reclameverbod) onderzocht wat de economische gevolgen zijn (o.a. Ministerie van Financiën 2024, SEO 2020, RIVM 2018). Zie verder antwoord 17.
Bent u bereid om bij iedere voorgenomen maatregel niet alleen gezondheidseffecten, maar ook effecten op vrijheid, ondernemerschap, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving en sociale cultuur in kaart te brengen?
Indien het kabinet maatregelen neemt, dan is een zorgvuldige afweging van belangen en gevolgen (economisch, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving etc) onderdeel van het proces.
Erkent u dat prijsverhogingen via accijnzen relatief zwaar kunnen neerslaan bij mensen met lagere inkomens, terwijl het gedragseffect onzeker kan zijn?
Het verhogen van de accijns op alcohol is een bewezen kosteneffectieve maatregel om alcoholgebruik te ontmoedigen, mits de accijnsverhoging zo substantieel is dat deze leidt tot een merkbare prijsverhoging en tegelijkertijd niet dermate groot is dat het leidt tot ongewenste grenseffecten.1 Een forse verhoging van de alcoholaccijns kan inderdaad effect hebben op de koopkracht en zal mensen met lagere inkomens naar verwachting meer raken, omdat zij een groter deel van hun inkomen uitgeven aan boodschappen. Mensen met een hoger inkomen drinken echter vaker alcohol dan mensen met een lager inkomen. Tegelijkertijd drinken mensen met een laag inkomen vaker overmatig of zwaar en is de te verwachten gezondheidswinst bij die groep dan ook het grootst.2 3 Het kabinet komt dit najaar met een reactie op het advies van de Gezondheidsraad.
Bent u bereid om af te zien van verdere accijnsverhogingen op alcohol zolang niet overtuigend is aangetoond dat zulke verhogingen daadwerkelijk leiden tot minder problematisch gebruik in plaats van vooral tot lastenverzwaring, grenseffecten en ontwijkgedrag?
Zoals hierboven aangegeven is het verhogen van de accijns op alcohol een bewezen kosteneffectieve maatregel om alcoholgebruik te ontmoedigen. In Nederland is het overmatig en zwaar drinken tussen 2014 en 2025 significant gedaald. De meest recente accijnsverhoging van 8,4% uit januari 2024 heeft in zeer beperkte mate tot extra grenseffecten geleid.4 De voorlaatste accijnsverhoging is van 2014. Het kabinet komt dit najaar met een reactie op het advies van de Gezondheidsraad.
Hoe voorkomt u dat verdere alcoholaccijnzen leiden tot meer aankopen over de grens, illegale handel of thuisproductie?
De meest recente accijnsverhoging van 8,4% uit januari 2024 heeft in zeer beperkte mate tot extra grenseffecten geleid.5 Zie verder antwoord 20 en 21.
Acht u het wenselijk dat alcohol mogelijk alleen nog via slijterijen verkrijgbaar zou zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot de vrijheid van ondernemers en consumenten?
Het kabinet is het advies van de Gezondheidsraad aan het bestuderen en komt dit najaar met een reactie.
Kunt u uitsluiten dat het kabinet voornemens is alcohol uit supermarkten te weren?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u uitsluiten dat het kabinet neutrale verpakkingen voor alcoholische dranken wil invoeren, vergelijkbaar met tabaksproducten?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u uitsluiten dat het kabinet gezondheidswaarschuwingen op alcoholverpakkingen wil invoeren die vergelijkbaar zijn met waarschuwingen op tabaksproducten?
Zie antwoord vraag 23.
Deelt u de mening dat alcohol cultureel, sociaal en historisch een andere plaats inneemt dan tabak, en dat het daarom onwenselijk is om alcoholbeleid simpelweg langs dezelfde lijn als tabaksbeleid te ontwikkelen?
Voor zowel tabak als voor alcohol geldt dat er geen veilige ondergrens is en dat gebruik ervan het risico verhoogt op diverse ziekten en aandoeningen. Voor je gezondheid is het dus beter om niet te roken en niet te drinken. Dat het drinken van alcohol voor veel mensen ook een sociale waarde heeft, doet hieraan niets af. Het is de taak van de overheid om mensen goed te informeren en om ongezonde keuzes te ontmoedigen door regels te stellen aan de verstrekking van alcohol, aan reclame voor alcohol en door het instellen van accijns op alcoholhoudende drank. Mensen maken uiteindelijk zelf hun eigen keuzes als het gaat om roken, drinken of voeding. Goede betrouwbare informatie leidt tot een weloverwogen keuze.
Welke andere producten of gedragingen zouden volgens dezelfde redenering van «geen veilige ondergrens» in aanmerking komen voor denormalisering door de overheid?
Voor zowel tabak, alcohol en natuurlijk drugs geldt dat al deze middelen verslavend en risicovol zijn en dat gebruik ervan vanuit het perspectief van de volksgezondheid ontmoedigd wordt. Het kabinet wil een gezonde leefstijl voor iedereen dichterbij brengen. Mensen worden geholpen met een gezonde leefstijl, door ondersteunende programma’s en goede voorlichting. Daarnaast is het ook nodig om ongezonde keuzes te ontmoedigen door duidelijke normen te stellen via afspraken en regelgeving die ook gehandhaafd wordt. Daarbij is het belangrijk om al op jonge leeftijd te beginnen – jong geleerd is immers oud gedaan. Daarom zien we toe op de leeftijdsgrens van 18 voor verkoop van alcohol en versterken we de norm van NIX18.
Als de redenering is dat ieder gezondheidsrisico een reden kan zijn voor ontmoediging, welke principiële begrenzing hanteert het kabinet dan nog om te voorkomen dat steeds meer vormen van normaal leven onder preventiebeleid worden gebracht?
Een samenleving die gezond, fit en veerkrachtig is, dat is waar dit kabinet voor staat. Met de preventiestrategie is de scope van het preventiebeleid vanuit het perspectief van de volksgezondheid afgebakend tot 11 thema’s: bewegen, overgewicht, voeding, roken, drugsgebruik, problematisch alcoholgebruik, vaccinaties, schermgebruik en sociale media, seksuele gezondheid, gehoorschade en zongebruik.
Deelt u de mening dat volksgezondheid belangrijk is, maar niet het enige hoogste doel van de staat kan zijn, omdat vrijheid, verantwoordelijkheid, traditie, gemeenschapsleven en levensvreugde óók publieke waarden zijn?
Het kabinet beoogt de volksgezondheid te beschermen en hecht in de aanpak aan een gezonde balans tussen ondersteunen, voorlichten en normstellen én individuele vrijheid en verantwoordelijkheid.
Bent u bereid om in de kabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad niet alleen een medische en preventieve afweging te maken, maar ook een principiële afweging over vrijheid, proportionaliteit en de rol van de overheid in het privéleven van burgers?
Zoals eerder aangegeven, bestudeert het kabinet op dit moment het advies en komt het kabinet dit najaar met een reactie. Het is een taak van de overheid de volksgezondheid te beschermen, waarbij mensen uiteindelijk zelf een keuze maken om wel of niet te drinken.
Kunt u toezeggen dat de Kamer geen maatregelenpakket ontvangt waarin alcoholbeleid via een technocratische gezondheidslogica wordt doorgevoerd zonder expliciet politiek debat over de vraag of de overheid zich überhaupt met dit soort keuzes van volwassen burgers moet bemoeien?
Het kabinet komt dit najaar met een reactie op het advies van de Gezondheidsraad. Zie ook antwoord 31.
Bent u bereid om afstand te nemen van het uitgangspunt dat alles wat ongezond kan zijn door de overheid moet worden ontmoedigd?
Als een product zoals alcohol, een duidelijk risico betekent voor de zowel gezondheid als voor de maatschappij, dan is het een taak van de overheid om de volksgezondheid te beschermen en mensen te informeren over de risico’s van dit product.
Kunt u bevestigen dat volwassen Nederlanders uiteindelijk zelf verantwoordelijk blijven voor de vraag of zij bij een diner, verjaardag, bruiloft, voetbalwedstrijd, dorpsfeest, festival of vrijdagmiddagborrel een glas alcohol willen drinken?
Individuele keuzevrijheid en individuele verantwoordelijkheid zijn een groot goed: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken in hun keuze om wel of niet te drinken. Een onafhankelijk goed onderbouwd advies, zoals dat van de Gezondheidsraad, vergroot deze keuzevrijheid en verantwoordelijkheid van mensen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóórdat het kabinet een inhoudelijke reactie op het advies van de Gezondheidsraad aan de Kamer stuurt?
Ja, waar mogelijk zijn de vragen afzonderlijk beantwoord.
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
Antwoorden op vragen inzake het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op basis van welke concrete, meetbare indicatoren u de POH-GGZ dan wél als succesvol beschouwt? En op welk moment zou u wél tot herziening overgaan?1
Kunt u toelichten hoe uw constatering dat de POH-GGZ heeft bijgedragen aan «het creëren van meer behandelaanbod» en dat dit een beleidsdoel was, zich verhoudt tot uw stelling dat uit de toename van circa 500.000 gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat een nieuwe groep zorggebruikers is ontstaan? Betekent dit dat u bewust heeft ingezet op het vergroten van de zorgvraag (induced demand)? Zo ja, op basis van welk wetenschappelijk bewijs acht u dat medisch en maatschappelijk verantwoord? Zo nee, hoe verklaart u dan de sterke toename van het aantal gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz?
Waarom weegt u cross-sectioneel praktijkonderzoek zwaarder dan longitudinale populatie-data? Welk type bewijs zou volgens u doorslaggevend zijn om de uitbreiding terug te draaien?
Waarom acht u een onafhankelijke, integrale kosten-batenanalyse (inclusief alternatieve inzet van die middelen in specialistische GGZ) op dit moment «niet aan de orde»? Welke minimale bewijslast hanteert u eigenlijk voordat honderden miljoenen euro’s per jaar als verantwoord worden beschouwd?
Bestaat er volgens u eigenlijk enig empirisch scenario waarin u de grootschalige inzet van POH-GGZ wél zou terugschroeven?
Het niet-onafhankelijke en niet-vrijblijvende karakter van de Schijf van Vijf |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kunt u volhouden dat de Schijf van Vijf slechts vrijblijvende publieksvoorlichting is, terwijl het kabinet in haar reactie op rapportages en onderzoeken voeding en alcohol schrijft dat het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten per supermarkt jaarlijks wordt gemonitord, gepubliceerd en gebruikt als uniforme maatstaf voor de mate waarin supermarkten bijdragen aan de zogenoemde gezonde keuze?
Zoals het kabinet heeft aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Van Meetelen (2026Z07617) hecht het kabinet aan individuele keuzevrijheid. Mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan voor mensen een hulpmiddel zijn om een goed geïnformeerde keuze te maken.
Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding. De monitor verkoopaandeel Schijf van Vijf producten in de supermarkt is een middel om inzichtelijk te maken welke bijdrage supermarkten leveren om de gezonde keuze in de supermarkt makkelijker te maken. Het is aan de supermarkt hoe die hier op wil sturen, via aanbod, marketing, positionering of prijzen. De opzet van deze monitor is afgestemd met de supermarkten.
Erkent u dat een advies ophoudt vrijblijvend te zijn zodra de overheid supermarkten publiekelijk langs dezelfde meetlat legt, percentages per supermarktketen publiceert en vervolgens op basis van die meting «concrete afspraken» wil maken over vergroting van het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten? Zo nee, waar ligt voor u dan nog de grens tussen vrijblijvende informatie en beleidsmatige sturing?
Nee, dat ziet het kabinet anders. De adviezen van het Voedingscentrum zijn vrijblijvend voor de consument. Consumenten zijn vrij een eigen afweging te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon.
De inzet van het kabinet is om de gezonde keuze makkelijker te maken. Dit vraagt een verschuiving van de verhouding gezond-ongezond in zowel productaanbod als de marketing ervoor, aangezien deze nu overwegend ongezond zijn. Hiervoor is een indeling nodig voor wat kan worden gezien als een gezond en ongezond product. Het kabinet kiest ervoor de criteria van de Schijf van Vijf hiervoor te gebruiken.
Hoe kunt u spreken van onafhankelijkheid, terwijl het Voedingscentrum volledig afhankelijk is van overheidsfinanciering, zijn plannen moet laten aansluiten op beleidsdoelen van de overheid, zich richting subsidieverstrekkende ministeries moet verantwoorden en bij verlies of verlaging van subsidie direct minder invloed kan uitoefenen via scholen, zorg, wijkbijeenkomsten en andere kanalen?
Met de onafhankelijkheid van het Voedingscentrum doelt het kabinet op de (wetenschappelijk onderbouwde) inhoud van hun informatie. Het kabinet waakt ervoor dat ministeries invloed uitoefenen op inhoudelijke informatie of advisering. Financiering van de overheid maakt het mogelijk dit inhoudelijk onafhankelijke advies te ontwikkelen en in bepaalde mate te verspreiden en onder de aandacht te brengen.
Erkent u dat er sprake is van een kunstmatige scheiding wanneer het kabinet zich beroept op het «onafhankelijke» oordeel van het Voedingscentrum over welke producten wel of niet in de Schijf van Vijf vallen, terwijl dat oordeel vervolgens door hetzelfde kabinet wordt gebruikt voor monitors, beleid, afspraken met supermarkten, productverbetering en mogelijke wettelijke beperkingen op kindermarketing?
Nee, het kabinet ziet dit als een scheiding tussen enerzijds wetenschappelijk onderbouwde inhoudelijke advisering door experts en anderzijds de politieke keuze om deze indeling wel of niet te gebruiken in beleidsmaatregelen.
Hoe kunt u stellen dat de Schijf van Vijf geen normerend instrument is, terwijl producten, supermarkten, marketinguitingen en zelfs baby- en kindervoeding in kabinetsstukken worden beoordeeld aan de hand van de vraag of zij wel of niet voldoen aan de richtlijnen van de Schijf van Vijf, waarna het kabinet spreekt over zorgwekkende uitkomsten, noodzakelijke verbetering van het aanbod en verdere inzet richting bedrijfsleven en Europese regelgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid voortaan eerlijk te erkennen dat de Schijf van Vijf in de praktijk geen losstaand, onafhankelijk en vrijblijvend voedingsadvies is, maar een door de overheid gefinancierde beleidsnorm die via het Voedingscentrum, RIVM-monitors, supermarktafspraken, productverbetering, scholen, zorginstellingen en regelgevingstrajecten wordt ingezet om burgers, instellingen en bedrijven in een door de overheid gewenste richting te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hierboven is aangegeven is de Schijf van Vijf een vrijblijvend advies voor de consument. Het kabinet kiest ervoor om deze indeling wel of niet te hanteren bij beleidsmaatregelen. Vanwege eenduidigheid kiest het kabinet bij indelingen voor wat gezonde en minder gezonde producten zijn, waar mogelijk en passend voor de indeling volgens de Schijf van Vijf.
De veiligheid bij Pluryn en andere grote zorginstellingen |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners sterven, personeel loopt weg: grote zorgen over veiligheid bij zorgorganisatie Pluryn»?1
Ja
Kunt u reageren op de oorzaken die in het artikel worden geschetst van een grote zorgorganisatie waarin de afstand tussen directie en werkvloer steeds groter is en personeelstekorten en invalkrachten zorgen voor risico’s voor de veiligheid en kwaliteit van zorg?
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie heftig en verdrietig vind voor de mensen die bij Pluryn wonen, hun verwanten en de mensen die iedere dag voor hen zorgen. Het betreft kwetsbare mensen die goede en liefdevolle zorg nodig hebben. Ik heb naar aanleiding van dit artikel en gerelateerde artikelen in De Gelderlander contact gehad met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspectie) en zij hebben mij bevestigd dat dit hun volle aandacht heeft. Het is ook goed te beseffen dat Pluryn zorg biedt aan een groep mensen met een zeer complexe zorgvraag en veel gedragsproblematiek, waarbij incidenten helaas kunnen voorkomen. Net als andere aanbieders doen zij dat onder moeilijke omstandigheden. Het tekort aan goed toegerust personeel is niet uniek voor deze organisatie. De inspectie wijst erop dat bekend is dat bij grote zorgaanbieders er een afstand kan worden ervaren tussen directie en werkvloer. Ook geeft de inspectie aan dat de continuïteit en veiligheid van zorg bij personeelstekorten en bij veel wisselingen van personeel een punt van aandacht is doordat nieuwe zorgverleners en invalkrachten cliënten vaak (nog) niet goed kennen en hierdoor signalen kunnen missen of niet goed weten hoe zij moeten handelen. Door wisselingen in personeel kan ook onrust ontstaan bij cliënten doordat ze te maken krijgen met nieuwe gezichten. Dat kan voor cliënten met een (verstandelijke) beperking leiden tot onrust en escalaties.
Ik herken overigens niet de suggestie in het artikel dat schaalgrootte gelijk staat aan verwaarlozing van cliënten. Er zijn veel zorgorganisaties, groot en klein, die goede zorg voor hun cliënten bieden. Het bestuur van Pluryn herkent en erkent de incidenten en geeft aan dat zij daarin te leren heeft. Pluryn heeft mij laten weten daarin te investeren. De incidenten waaraan wordt gerefereerd in het artikel zijn of worden ook onderzocht door de juiste instanties (het Openbaar Ministerie / Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd). Ik vind het belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurt.
Hoeveel calamiteiten en incidenten hebben zich voorgedaan bij locaties van Pluryn in de afgelopen vijf jaar en wat was de aard van elk van deze incidenten? Hoe verhoudt zich dit tot incidenten bij andere zorginstellingen van soortgelijke omvang?
In totaal heeft de inspectie de afgelopen vijf jaar van Pluryn 274 meldingen ontvangen. Dit waren:
Naast bovenstaande meldingen heeft de inspectie in de afgelopen vijf jaar 218 signalen van diverse aard bij het Landelijk Meldpunt Zorg ontvangen. Over de inhoud van de meldingen en signalen kan ik geen mededelingen doen. Een vergelijking met andere zorginstellingen van soortgelijke omvang is niet te maken. Dit hangt onder andere samen met de doelgroepen die de instellingen in zorg hebben.
Wordt bijgehouden hoeveel incidenten een dodelijk gevolg hebben? Wanneer moet er precies melding worden gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
In 7 van de 45 gemelde calamiteiten is sprake van overlijden van een cliënt. Dit betekent niet dat in alle gevallen er een oorzakelijk verband is vastgesteld tussen overlijden en de kwaliteit van de geboden zorg.
Zorgaanbieders zijn conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de Jeugdwet verplicht om van een aantal zaken melding te doen bij de inspectie. Zo moeten zorgaanbieders melding maken van calamiteiten (Wkkgz en Jeugdwet), geweld in de zorgrelatie (Wkkgz en Jeugdwet), ontslag wegens disfunctioneren (Wkkgz) en van suïcide (Leidraad Meldingen Jeugd 2026 Jeugdwet).
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven signalen van (oud-)medewerkers en betrokkenen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn? Zijn dergelijke signalen eerder gedeeld met de IGJ of met uw ministerie? Zo ja, wanneer en wat was de aard van deze meldingen?
Zie mijn antwoord op vraag 2. Er zijn mij geen gevallen bekend waarin (oud)-medewerkers en betrokkenen signalen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn direct hebben gedeeld met het ministerie, maar mijn ministerie is uiteraard bekend met eerdere incidenten, waaronder het incident in Groesbeek in 2023, waarvoor ook aandacht is geweest vanuit uw Kamer.
De inspectie ontvangt diverse «andere meldingen» en signalen van cliënten, cliëntvertegenwoordigers en anderen waaronder soms van zorgverleners. Deze «andere meldingen» gaan over diverse zaken. Over de inhoud van deze meldingen en signalen kan ik verder geen mededelingen doen.
Is het voor bewoners en naasten van zorginstellingen zoals Pluryn voldoende duidelijk dat zij onveilige situaties kunnen en melden en waar dit kan? Zo ja, op welke manier wordt dat aan hen gecommuniceerd? Is de manier waarop dit kan toegankelijk voor deze specifieke doelgroep? Aan wie kunnen zij melden en op welke manier?
Pluryn heeft mij laten weten dat cliënten die nieuw in zorg komen bij Pluryn (ofwel hun verwanten en/of wettelijk vertegenwoordigers), een welkomstbrief ontvangen met een leaflet (folder) waarop belangrijke informatie over de zorg begrijpelijk en toegankelijk wordt toegelicht. Het versturen van de welkomstbrieven en leaflets gebeurt centraal, vanuit het Klantbureau van Pluryn.
Indien een cliënt wisselt van zorgverantwoordelijke eenheid (ZVE) of financieringsstroom, wordt door het Klantbureau gecontroleerd of eerder een welkomstbrief is gedeeld en of het nodig is om aanvullende informatie te delen.
In het leaflet worden twee mogelijke routes aangereikt voor het melden dan wel bespreken van situaties die niet passend of wenselijk zijn:
Ook op de website van Pluryn wordt dezelfde informatie gedeeld.
In het algemeen geldt dat bewoners (cliënten) en hun naasten onveilige situaties op meerdere plekken kunnen melden. Zij kunnen situaties intern bij de zorgaanbieder bespreekbaar maken met de betrokkenen. Ook kunnen zij een klacht indienen bij de klachtfunctionaris en bij de betrokken geschilleninstantie. Zij kunnen zich laten bijstaan door de cliëntenvertrouwenspersoon.
Zorgaanbieders moeten conform de Wkkgz een regeling treffen die ervoor zorgt dat er sprake is van een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van klachten. Conform de Jeugdwet moeten zorgaanbieders een directe toegang tot een klachtencommissie hebben. De zorgaanbieder dient dit op een passende wijze onder de aandacht van cliënten en hun vertegenwoordigers te brengen (Wkkgz en Jeugdwet). Ook kunnen bewoners en hun naasten signalen melden bij de inspectie. Zij kunnen hiervoor contact opnemen met het Landelijk Meldpunt Zorg waar zij laagdrempelig situaties kunnen melden.
In de meest recente rapporten over de jeugdzorg vanuit Pluryn is de norm rond klachtenregeling groen gescoord. Voor jeugdigen die vallen onder de Jeugdwet betekent dit dat zij worden geïnformeerd over de klachtenprocedure en het is duidelijk dat er een directe lijn is ingericht richting klachtencommissie. De jeugdigen die vallen onder de Jeugdwet kennen de vertrouwenspersoon van Jeugdstem en geven aan eventuele klachten met begeleiders en managers te bespreken.
Hoe is dit geregeld voor medewerkers? Waar kunnen zij onveilige situaties melden en hoe wordt hier opvolging aan gegeven?
Pluryn heeft mij laten weten dat er voor medewerkers externe vertrouwenspersonen zijn waar zij terecht kunnen. Maar het kan ook zijn dat men na een ingrijpende gebeurtenis behoefte heeft aan een vertrouwelijk gesprek. Dan kunnen medewerkers terecht bij collega’s van het Bedrijfsopvang Team (BOT). Momenteel richt Pluryn een interne vertrouwensstructuur in, om het melden van onveilige situaties voor collega’s nog laagdrempeliger en toegankelijker te organiseren. De vertrouwenspersoon draagt in eerste instantie zorg dat de melder ondersteund wordt om de eigen ervaring in de lijn te delen. Indien dit niet lukt of niet mogelijk is, kan de vertrouwenspersoon escaleren naar de raad van bestuur – in afstemming met de melder. Jaarlijks wordt door de vertrouwenspersoon een jaarverslag opgesteld met o.a. een analyse van signalen en opvallende zaken. De raad van bestuur en de directeur HR reflecteren gezamenlijk op dit jaarverslag.
Ten algemene geldt daarnaast dat medewerkers onveilige situaties bij de inspectie kunnen melden. Dit kan digitaal via de website van de inspectie. Deze meldingen worden meegenomen in het toezicht op de betreffende zorgaanbieder.
In hoeverre zijn (oud-)cliënten en naasten betrokken bij de evaluaties van de kwaliteit en veiligheid van zorg, zowel bij Pluryn als in algemene zin bij zorginstellingen?
Voor Pluryn geldt dat jaarlijks een tevredenheidsonderzoek wordt uitgevoerd onder cliënten, ouders en verzorgers. Bij volwassen cliënten wordt een (Ben ik Tevreden) BIT-vragenlijst afgenomen en bij jongeren een (Cliënttevredenheidsonderzoek) CTO-vragenlijst. Afgeleid van deze vragenlijsten, ontvangen ouders en verzorgers ook minimaal jaarlijks een tevredenheidsonderzoek-vragenlijst.
Het thema veiligheid komt terug in het leefklimaat-onderzoek, dat in de jeugdzorg wordt afgenomen. Pluryn is voornemens om het thema veiligheid ook op te nemen in de vragenlijst voor volwassenen.
De centrale cliëntenraad van Pluryn bestaat uit een goede afspiegeling van cliënten en verwanten, inclusief een jongerenafvaardiging. Elke zorgverantwoordelijke eenheid beschikt ook over een lokale cliënten- of jongerenraad en er vinden structurele overlegmomenten plaats met de directies. De cliënten- en jongerenraden geven gevraagd en ongevraagd advies over de zorg en over (voorgenomen) besluiten die het leven van cliënten en jongeren bij Pluryn raken.
Daarnaast levert Pluryn jaarlijks een Kwaliteitsbeeld op, waarin Pluryn beschrijft hoe zij werkt aan de kwaliteit van zorg, de dienstverlening en de verbeterdoelen voor de komende periode. Ook een reflectie vanuit de vertegenwoordiging van cliënten en naasten (centrale cliëntenraad) is onderdeel van het Kwaliteitsbeeld.
Ten algemene geldt dat de Wmcz 2018 de medezeggenschap van cliënten bij zorgaanbieders en jeugdhulpaanbieders regelt. In deze wet staan de regels over het moeten hebben van cliëntenraden en over het bieden van inspraak door aanbieders. Het doel van deze wet is om cliënten medezeggenschap te geven bij besluiten die hen kunnen raken, zoals bij besluiten over de kwaliteit en de veiligheid van zorg. Ook naasten van cliënten kunnen deelnemen in de cliëntenraden.
De Jeugdwet vraagt zorgaanbieders verplichte meldingen calamiteit of geweld te melden. Deze worden volgens de Leidraad Meldingen Jeugd 2026 behandeld, vaak door de zorgaanbieder de calamiteit of geweld te laten onderzoeken.
In geval van calamiteiten vraagt de inspectie conform de Wkkgz de zorgaanbieder onderzoek te doen volgens de richtlijn calamiteitenrapportage. Deze richtlijn beschrijft wat de inspectie van een zorginstelling verwacht van de calamiteitenrapportage. Ook in geval van een melding geweld in de zorgrelatie verzoekt de inspectie de zorgaanbieder om onderzoek te doen. In dat geval volgens de richtlijn rapportage geweld in de zorgrelatie. Onderdeel van deze richtlijnen is het betrekken van de cliënt en/of zijn naasten om ook hun inbreng in het onderzoek mee te nemen.
De inspectie hoort regelmatig dat zorgaanbieders cliënten en hun naasten actief betrekken bij evaluaties van kwaliteit en veiligheid van de zorg. Daarnaast zijn belangrijke manieren waarop cliënten en hun naasten betrokken kunnen worden de cliënttevredenheidsonderzoeken en de evaluatiegesprekken van de voortgang van de zorg voor de individuele cliënten evenals de zorgplanbesprekingen.
Kunt u schetsen welke verantwoordelijkheden er liggen bij gemeenten en welke bij het Rijk als het gaat om toezicht over de veiligheid?
De inspectie houdt onafhankelijk toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg, jeugdhulp en medische producten. De inspectie controleert of zorgaanbieders voldoen aan wet- en regelgeving. Zorgaanbieders zijn zelf primair verantwoordelijk voor veilige zorg, de inspectie ziet erop toe dat zij deze verantwoordelijkheid waarmaken.
De verantwoordelijkheden van de inspectie in het toezicht omvatten de volgende kerntaken:
Voor het toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp heeft de Jeugdwet twee rijksinspecties aangewezen, te weten de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
De gemeente houdt toezicht op de zorgaanbieders vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Daarnaast hebben de gemeenten een toezichthoudende taak waar het gaat om onregelmatigheid voor de Jeugdwet en de Wmo. Voor de inkoop van hulpverlening van uit de Jeugdwet zijn gemeenten de aangewezen partij. Gemeenten kunnen diverse veiligheids- en kwaliteitseisen toevoegen in hun inkoopeisen.
Welke lessen zijn volgens u niet voldoende geleerd uit eerdere onderzoeken naar incidenten en misstanden binnen de jeugdzorg en gehandicaptenzorg, waarbij eveneens sprake was van personeelstekorten, hoog verloop en onvoldoende continuïteit van zorg?
De gestelde vraag suggereert een directe koppeling tussen de situatie waarin er sprake is organisatorische omstandigheden als personeelstekorten, hoog verloop, onvoldoende continuïteit van zorg en het plaatsvinden van de incidenten die in het artikel in het AD aan de orde komen. Dat deze factoren eraan kunnen bijdragen dan er incidenten plaatsvinden, deel ik met u, maar ik ben van mening dat een dergelijk oorzakelijk verband niet veralgemeniseerd kan worden.
Los daarvan zie ik wel een aantal zaken waarvan ik vind dat ze beter kunnen in de gehandicaptenzorg, en met name in de zorg voor de mensen met complexe problematiek en een intensieve zorgvraag. Ik denk dan aan het voorkomen van onnodig geëscaleerde zorgvragen, het voorkomen van overplaatsing en uitstoting van cliënten, het investeren in deskundig personeel, vaste medewerkers en vaste begeleiders op een groep, het organiseren van domeinoverstijgend aanbod voor mensen met multiproblematiek en het vergroten van de bereidheid bij zorgorganisaties om regionaal samen te werken en van elkaar te leren. Voor een overzicht van mijn inzet hierop, en die van mijn ambtsvoorgangers, verwijs ik u graag naar eerdere brieven van 3 juni 20252 en 8 april 20263 aan uw Kamer.
Kunt u uitsluiten dat financiële druk, aanbestedingsprikkels of bezuinigingen hebben bijgedragen aan de ontstane situatie? Zo ja, waarop baseert u dat?
Zorgaanbieders hebben de verantwoordelijkheid om kwalitatief goede en veilige zorg te leveren. Dat staat uiteraard voorop en dat deel ik met u. In de contractstandaarden voor de jeugdzorg zijn bepalingen opgenomen over de veiligheid van de zorg. Die worden meegenomen in de inkoopgesprekken van gemeenten met zorgaanbieders. Zorgkantoren doen dat ook in hun inkoopgesprekken met zorgaanbieders.
De inspectie houdt toezicht op de veiligheid van de zorg. Uit de inspectie rapporten over de incidenten bij Pluryn in de afgelopen jaren volgt niet dat financiële overwegingen de oorzaak zijn van de situaties waarin zich deze incidenten hebben voorgedaan. Daarmee is niet uit te sluiten dat financiële druk en organisatorische omstandigheden als een personeelstekort bijdragen aan dergelijke situaties. Een toereikende financiering is een randvoorwaarde voor zorgaanbieders om in staat te zijn om, met voldoende zorgverleners, passende zorg en ondersteuning voor hun cliënten te organiseren.
Op 1 juli 2026 heb ik uw Kamer daarom geïnformeerd over de groeiruimte die ik de komende jaren beschikbaar stel voor de Wlz-gehandicaptenzorg. Ik wil tempo maken om te komen tot bestuurlijke afspraken in de gehandicaptenzorg, omdat naast een financieel perspectief vooral het gebrek aan personeel begint te knellen en om noodzakelijke veranderingen vraagt. Er liggen grote opgaven in de sector, waaronder het zeker stellen van de kwaliteit van leven voor mensen met een beperking en hun naasten en het verkrijgen en behouden van deskundig personeel, met trots om in de sector te werken. Ik doe dat samen met cliëntenorganisaties, zorgprofessionals, zorgaanbieders, zorgkantoren en gemeenten. Ieder vanuit eigen rol en verantwoordelijkheid. Gezamenlijk zetten we ons in voor een gehandicaptenzorg die toekomstbestendig is en op lange termijn toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit blijft.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat cliënten de dupe worden van personeelstekorten en bezuinigingen binnen residentiële zorginstellingen? Deelt u de mening dat veiligheid van jongeren en cliënten altijd zwaarder moet wegen dan productieafspraken, financiële doelstellingen of organisatorische belangen? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Ja.
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Door het dalende aantal pleegouders wachten veel kinderen op een passende plek in een pleeggezin. Wat deze wachttijd tot gevolg heeft, hangt af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. In het licht van het pleegoudertekort wil ik benoemen dat het van belang is om pleegkinderen alleen in een pleeggezin te plaatsen wanneer er voldoende vertrouwen bestaat dat een plaatsing succesvol zal zijn. Alleen zo bieden we pleegkinderen veiligheid, stabiliteit en zekerheid. Jeugdzorg Nederland zegt hierover het volgende2: «Het is meestal dat de match met een pleeggezin op zich laat wachten doordat de vraag niet direct of 1-op-1 aansluit bij het profiel van de beschikbare pleeggezinnen. Het grote tekort aan pleeggezinnen, en daarmee keuzemogelijkheden voor een juiste match is daarbij de voornaamste reden. Er wordt de laatste jaren ook meer ingezet op kindgericht werven, hierbij wordt in het eigen bredere netwerk van het kind gezocht naar een gezin dat iets kan en wil betekenen, dit vergt echter ook meer tijdsinvestering en kan er ook voor zorgen dat een kind langer op een geschikte plek in een pleeggezin moet wachten en er dus meer kinderen op de wachtlijst staan.»
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Jeugdzorg Nederland rapporteert3 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Wat het wachten op een pleeggezin tot gevolg heeft, hangt af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. Er kan daarbij andere hulp worden ingezet.
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Pleegzorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de werving van nieuwe pleegouders, zij zetten zich met man en macht in om voldoende pleegouders te werven. Ik ondersteun hen door de landelijke campagne «Jouw huis een 2e thuis» te financieren, welke ik voornemens ben te verlengen t/m 2027. Deze campagne slaat goed aan. De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet, de naleving van wetgeving en bewaakt de kwaliteit en de veiligheid van de jeugdhulp. Een onderzoek naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen behoort niet tot de rol van de IGJ.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ga opnieuw onderzoek laten doen naar de redenen waarom pleegouders stoppen en wat juist kan helpen om door te gaan, in opvolging van het onderzoek uit 2019 van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP).4 Samen met de sector bespreek ik hoe ik dit onderzoek het best kan vormgeven. Ik verwacht dat het onderzoek dit najaar van start kan gaan, ik zal de Kamer over de voortgang informeren.
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
Nee, dit wordt niet landelijk geregistreerd. Individuele pleegzorgaanbieders houden deze gegevens ook niet altijd bij, en als ze deze gegevens bijhouden doen zij dit elk op een eigen wijze.
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Ik herken het signaal dat het helaas niet altijd lukt om ondersteuning op het juiste moment of in de juiste vorm te bieden aan pleegouders. Het versterken van de begeleiding door pleegzorgwerkers staat hoog op de agenda van de pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, dat pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Eerdergenoemd onderzoek naar de redenen om te stoppen met pleegzorg zal ook aanknopingspunten geven om gerichter de begeleiding van pleegouders te verbeteren. Aanvullend worden pleegouders bijgestaan door de NVP en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Ook kunnen pleegouders in een Mockingbird constellatie onderlinge steun organiseren, dit wordt door steeds meer pleegzorgaanbieders aangeboden.
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Zoals in mijn antwoord onder 2 aangegeven, hangt de impact van het wachten op een pleeggezin af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. Er kan daarbij andere hulp worden ingezet. Mijn inzet om voldoende pleeggezinnen te werven heb ik toegelicht in mijn antwoord onder 4.
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Op basis van de trends die zichtbaar zijn moeten we constateren dat de huidige aanpak niet voldoende is om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen. Het tekort is tweeledig: er zijn te weinig nieuwe pleegouders en te veel bestaande pleegouders stoppen. Daarom is extra inzet benodigd in de werving van nieuwe pleegouders (zie mijn antwoord onder 4) en op het behoud van bestaande pleegouders (zie mijn antwoord onder 8). Het uitgangspunt om eerst te zoeken naar mogelijkheden voor pleegzorg binnen het netwerk is leidend. Vaak wordt dit gedaan door zogenaamd kindgericht werven, waarbij in overleg met het kind en zijn ouder(s) in hun directe en indirecte netwerk wordt gezocht naar een passend pleeggezin. Bij die gesprekken worden ook andere voor hen belangrijke mensen in de omgeving betrokken. Het realiseren van netwerkplaatsingen blijft complex. Netwerkpleegzorg vraagt intensieve begeleiding en voldoende draagkracht binnen het netwerk. Bovendien geven netwerkpleegouders zich vaker niet automatisch opnieuw op als pleegouder, wanneer het pleegkind uitstroomt. De motivatie om netwerkpleegouder te worden, verschilt daarin van de motivatie om bestandspleegouder te worden.
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Ja, maar ik weet dat dit in de praktijk erg ingewikkeld is om altijd te kunnen waarborgen. Ieder geval is anders. Soms is sprake van ontwikkelingsbedreiging voor het kind, maar is er geen acute onveiligheid. Soms is er acuut gevaar en moet het kind per direct op een veilige plek geplaatst worden. In beide situaties kan een kind op de wachtlijst staan voor pleegzorg. Het is aan de betrokken professionals om hier goede afweging en prioritering in te maken, waarbij ook de mogelijkheid is om een jeugdige (tijdelijk) in een andere zorgvorm te plaatsen.
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Met bovenstaande beantwoording voldoe ik aan uw verzoek.
Het bericht 'Ondanks AZWA-afspraak worden ‘te zware’ ggz-cliënten nog steeds geweigerd' |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondanks AZWA-afspraak worden «te zware» ggz-cliënten nog steeds geweigerd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat juist de mensen die zo hard goede zorg nodig hebben, deze vaak niet krijgen doordat zij worden geweigerd op grond van exclusiecriteria?
Ja, mensen toegang tot passende zorg weigeren vanwege «zware» of complexe problematiek vindt het kabinet zeer onwenselijk. Juist deze mensen hebben vaak de grootste zorgbehoefte. In de praktijk betekent een afwijzing bovendien regelmatig dat patiënten weer onderaan een andere wachtlijst terechtkomen, met verdere vertraging van passende zorg als gevolg.
Daarom is in het AZWA afgesproken dat dergelijke exclusiecriteria in principe worden geschrapt. Alleen wanneer een weigering zorginhoudelijk noodzakelijk is, blijft deze mogelijk.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat, ondanks de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, er nog steeds mensen geweigerd worden door ggz-aanbieders op basis van exclusiecriteria?
Het kabinet vindt het onwenselijk wanneer cliënten ten onrechte worden afgewezen op basis van exclusiecriteria. Soms zijn exclusiecriteria overigens wel gerechtvaardigd, bijvoorbeeld wanneer een aanbieder de kwaliteit of veiligheid van de zorg niet kan waarborgen, de benodigde expertise ontbreekt of een andere aanbieder aantoonbaar beter passende zorg kan leveren.
Erkent u dat de gevolgen voor betrokkenen enorm groot kunnen zijn, met onder meer de mogelijkheid tot verergering van klachten en verlies van vertrouwen in de zorg en in de overheid?
Ja. Wanneer mensen met een complexe zorgvraag worden afgewezen op basis van onterechte exclusiecriteria, kan dat grote gevolgen hebben. Zij lopen het risico dat passende zorg wordt uitgesteld, klachten verergeren en het vertrouwen in de zorg afneemt. Juist daarom is in het AZWA met betrokken partijen afgesproken dat zorgaanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dit strikt noodzakelijk is voor zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Enkel voor een aantal «laag volume, hoog complexe zorgvragen» kunnen exclusiecriteria gelden, op basis waarvan vanuit een regio kan worden doorverwezen naar een landelijke voorziening. Tegelijkertijd blijft het van belang dat zorgaanbieders, verwijzers en zorgverzekeraars gezamenlijk hun verantwoordelijkheid nemen om te voorkomen dat cliënten tussen wal en schip raken.
Kunt u uiteenzetten hoeveel meldingen er in 2026 binnen zijn gekomen over mensen die geweigerd zijn voor een ggz-behandeling op grond van exclusiecriteria zoals suïcidaliteit, autisme, hoge complexiteit of andere omstandigheden?
Nee, er is namelijk geen (landelijke) partij die dit registreert.
Bent u bekend met de aangenomen motie Synhaeve2 waarin verzocht wordt om binnen drie maanden na het afsluiten van de nieuwe contracten de Kamer te informeren of er inderdaad geen exclusiecriteria meer gebruikt worden? Kunt u toelichten hoe u, naast de uitvoering van deze motie, verder gaat toezien op naleving van de AZWA-afspraak dat ggz-aanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria?
Ja. Ik ben bekend met de motie-Synhaeve.3
De motie sluit aan bij de afspraken die in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn gemaakt over het terugdringen van exclusiecriteria. Afgesproken in het AZWA is dat ggz-aanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dit strikt noodzakelijk is in zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Hiermee wordt beoogd het verwijzen door huisartsen te vereenvoudigen, patiënten sneller passende zorg te bieden en te voorkomen dat patiënten van aanbieder naar aanbieder worden doorverwezen.
Conform de AZWA afspraken gaan zorgverzekeraars vanaf 2027 actief sturen op het terugdringen van de exclusie criteria door deze te verwerken in hun inkoopbeleid. Het uitgangspunt is dat in iedere regio voldoende kwalitatief goed aanbod wordt gecontracteerd. Samenwerking in de regio tussen grote geïntegreerde instellingen en kleinschalige aanbieders is daarbij van belang. Onderdeel van de afspraken is ook dat zorgverzekeraars inzetten op proactieve zorgbemiddeling, zodat mensen die niet direct bij een aanbieder terecht kunnen actief worden geholpen bij het vinden van passende zorg.
Het kabinet vindt het belangrijk dat deze afspraken eerst de kans krijgen hun effect te laten zien. Daarom ligt de nadruk de komende periode op de uitvoering en monitoring van de gemaakte afspraken. De uitvoering van de motie biedt daarbij een moment om te beoordelen in hoeverre de afspraken in de praktijk effect sorteren. Eind van dit jaar kan er een eerste beeld geschetst worden en in het voorjaar van 2027, als alle informatie voor handen is, valt er een totaalbeeld te geven. Op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om vooruitlopend daarop nieuwe maatregelen of extra toezichtinstrumenten aan te kondigen.
Waar kunnen cliënten zich melden wanneer ze worden afgewezen op basis van exclusiecriteria? Welke actie wordt hier vervolgens op ondernomen?
Wanneer een cliënt wordt afgewezen op basis van exclusiecriteria, bestaat er geen centraal meldpunt. In eerste instantie kan de patiënt in gesprek gaan met de zorgaanbieder om de reden van de afwijzing te bespreken. Van de aanbieder mag worden verwacht dat deze meedenkt over een passend alternatief en zorgt voor een goede overdracht.
Daarnaast kan de patiënt contact opnemen met de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar kan vanuit zijn zorgplicht bemiddelen naar een andere passende aanbieder en nagaan waar wel passende zorg beschikbaar is. Ook kan de verwijzer, zoals de huisarts of behandelaar, een rol spelen door opnieuw te verwijzen of contact op te nemen met een andere instelling.
In sommige regio's bestaan daarnaast regionale overlegtafels of escalatieroutes voor complexe casuïstiek (regionale doorzettingsmacht), maar deze zijn niet landelijk georganiseerd. Wanneer een patiënt vindt dat een afwijzing onzorgvuldig is verlopen, kan een klacht worden ingediend bij de klachtenfunctionaris of geschillencommissie van de aanbieder. Tot slot kunnen signalen over structurele problemen met de toegankelijkheid van zorg of de naleving van de zorgplicht worden gemeld bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die deze signalen kan betrekken bij haar toezicht.
Wie is volgens u verantwoordelijk wanneer een cliënt met een complexe zorgvraag door een ggz-aanbieder wordt afgewezen op grond van exclusiecriteria en vervolgens zonder warme overdracht of passende behandelplek terugvalt op de huisarts?
In ons zorgstelsel ligt deze verantwoordelijkheid bij meerdere partijen.
De ggz-aanbieder is verantwoordelijk voor een goed onderbouwde afwijzing van zorg. De aanbieder moet motiveren waarom passende zorg niet geboden kan worden en meedenken over een passend alternatief en een zorgvuldige (warme) overdracht.
De zorgverzekeraar heeft een zorgplicht. Als een verzekerde niet tijdig passende zorg krijgt, moet de zorgverzekeraar bemiddelen en ervoor zorgen dat de cliënt ergens terechtkan. De zorgverzekeraar kan aanbieders aanspreken en zorg inkopen waar nodig.
De verwijzer (vaak de huisarts) blijft vaak de coördinerende rol vervullen totdat passende specialistische zorg is gevonden.
Welke actie gaat u ondernemen op basis van dit nieuws?
De afspraken die binnen het AZWA zijn gemaakt voor het inkoopjaar 2027 moeten eerst de kans krijgen om effect te sorteren. Het kabinet wil daarom eerst deze effecten bezien.
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Ja.
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Hieronder verstaat het kabinet een slagvaardige, wendbare en opschaalbare gezondheidszorg die berekend is op (langdurige) crisis, conflict en ontwrichting.
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Ja.
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de zorg?
Er zijn verschillende soorten dreigingen denkbaar die een risico kunnen vormen voor de continuïteit van de zorg. Denk bijvoorbeeld aan pandemieën, cyberaanvallen, verstoring van leveringsketens of de effecten van gewapend conflict2, die vaak in meer of mindere mate samenhangend kunnen voorkomen. Om deze veelvoud van dreigingen het hoofd te kunnen bieden, is de weerbare zorg-aanpak van het kabinet all-hazard.
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moeten zorgaanbieders goede zorg leveren. Daar hoort ook bij dat de organisatie zodanig is ingericht dat continuïteit en veiligheid van zorg zijn gewaarborgd, óók tijdens calamiteiten en grootschalige incidenten.
De zorgaanbieders moeten zelf in beeld hebben in welke mate zij voorbereid zijn op (onder andere) langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, en/of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet; en het is aan hen om hiervoor zo nodig maatregelen te treffen in de eigen organisatie. Bijvoorbeeld het ontwikkelen van draaiboeken voor noodscenario’s of het oefenen daarmee.
Voor enkele van de genoemde tekorten geldt specifieke wet- en regelgeving of worden aanvullende maatregelen genomen door het kabinet. Zo geldt voor de uitval van telecom en internet dat zorgaanbieders wettelijk verplicht zijn om aantoonbaar te voldoen aan NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg.3 Bij uitval van internet of telecom moeten zorgverleners kunnen terugvallen op vooraf opgestelde noodprocedures, zoals het werken met papieren dossiers en het communiceren met externe partijen als telefonie is weggevallen.
Voor tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen geldt dat leveranciers wettelijk verplicht zijn een melding te doen van een leveringsonderbreking. Ook laat het kabinet een extra voorraad aanleggen van kritieke geneesmiddelen. Aanvullend onderzoekt het kabinet voor verschillende soorten crises welke medische producten nodig zijn, en hoe deze het beste opgeslagen en verdeeld kunnen worden. Voor hulpmiddelen kan met de alternatievendatabase van het Zorginkoop Netwerk Nederland snel gezocht worden naar een vervangend hulpmiddel. De mogelijkheden tot het aanleggen van een voorraad voor medische hulpmiddelen worden op dit moment geïnventariseerd.
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Het risico van cyberaanvallen op zorgaanbieders en actoren in de zorgketen neemt al jaren toe.4 Daarom is het van belang dat de zorg hierop voorbereid is. Zorgaanbieders zijn hiervoor in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Informatiebeveiliging en het bepalen van de risico’s moet een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. De NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, verplicht zorginstellingen passende maatregelen te nemen om de vastgestelde risico’s te beheersen. In de Kamerbrief Informatieveiligheid in de zorg5 is beschreven dat zorgaanbieders en samenwerkingsverbanden ervoor moeten zorgen dat ze de juiste eisen stellen aan hun leveranciers. Op grond van de binnenkort in werking tredende Cyberbeveiligingswet (Cbw) moeten organisaties in verschillende sectoren waaronder de sector zorg, cyberincidenten melden en bij grootschalige cyberincidenten ondersteuning krijgen. De Cbw is erop gericht om cyberincidenten en de gevolgen hiervan te monitoren, te beperken en te voorkomen.
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
De productie en distributie van geneesmiddelen bestaat uit veel verschillende stappen. Dat maakt het moeilijk om voor alle geneesmiddelen inzichtelijk te hebben hoe de productie- en leveringsketen er precies uitziet en waar afhankelijkheden zitten. In het algemeen geldt dat veel grond- en hulpstoffen van geneesmiddelen uit een beperkt aantal landen komen, zoals China en India. Het kabinet is zich daarvan bewust en zet mede daarom ook in op meer productie in Europa en Nederland, bijvoorbeeld door de Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act). Daarmee streeft het kabinet ernaar dat Nederland en de Europese Unie (EU) minder afhankelijk zijn van derde landen voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen. Recent is een voorlopig politiek akkoord bereikt.6 Maar het kabinet realiseert zich ook dat een bepaalde afhankelijkheid nu eenmaal blijft bestaan. Daarom investeert het kabinet ook in de samenwerking met grote producerende landen, zoals India.
Onderzoek uit 2025 van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), apothekersorganisatie KNMP en Universiteit Utrecht laat zien dat medicijnen met de tien meest gebruikte werkzame stoffen in Nederland grotendeels binnen Europa worden geproduceerd.7 Ook laat het onderzoek zien dat Nederland voor sommige van de onderzochte medicijnen met dezelfde werkzame stof sterk afhankelijk is van één fabrikant.
Voor medische hulpmiddelen geldt dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor de inkoop van de hulpmiddelen. Er is op dit moment geen overzicht van afhankelijkheden van bepaalde landen, entiteiten of organisaties op dit gebied. In gesprekken die het kabinet voert met het veld wordt opgeroepen om divers in te kopen om de afhankelijkheid van één leverancier of land te verminderen. Zo wordt ook bij een tijdelijke leveringsonderbreking de zorgcontinuïteit gewaarborgd.
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
De continuïteit en beschikbaarheid van (civiele) zorg is cruciaal voor de continuïteit van de samenleving èn de militaire slagkracht. Om de continuïteit van zorg te waarborgen in tijden van crisis en conflict moet de civiele zorg klappen kunnen opvangen en in het ergste geval extreme aantallen patiënten kunnen accommoderen. De opgave voor de zorg is dan ook om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. Daarbij is het in de eerste plaats aan zorgverleners om te bepalen welke zorg doorgang moet krijgen, ook tijdens crisis.
Tijdens een crisis zorgen zorgaanbieders samen voor de toegankelijkheid en kwaliteit van (acute) zorg binnen het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ). De Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) neemt deel aan het ROAZ voor de verbinding met het veiligheidsdomein. De gezondheidszorg is daarnaast een van de sectoren die onderdeel uitmaakt van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) – die op 15 augustus 2026 in werking is getreden – en ook in de zorg moet bijdragen aan het beschermen en weerbaarder maken van de levering van essentiële diensten.
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Wie bij een nationale zorgcrisis de regie heeft, hangt allereerst af van de aanleiding van een crisis en wat onder een nationale zorgcrisis precies wordt verstaan. In het algemeen geldt dat bij situaties met een landelijk, spoedeisend karakter waarbij de nationale veiligheid in het geding is, of waarbij sprake is van een grote uitwerking op de maatschappij, de nationale crisisstructuur geactiveerd zal worden. Hierin kunnen de verscheidene vakministers deelnemen op hun eigen beleidsterrein, waaronder de Minister van VWS.8 Hoe regie georganiseerd is, kan gegeven de aanleiding en omvang van een dreiging verschillen. Zo geldt bijvoorbeeld dat in de Wet publieke gezondheid (Wpg) is opgenomen dat de Minister van VWS bij een uitbraak van een A-infectieziekte met landelijke impact (of een dreiging daarvan) leiding geeft aan de bestrijding. In de meeste denkbare crisissituaties in de zorg zal er veelal sprake zijn van een samenspel van verschillende partijen die elk hun eigen taken en bevoegdheden hebben. Zo kan elke partij in het systeem de rol op zich nemen die daar belegd is. In dit kader heeft het kabinet in de beleidsbrief van 24 april 2026 kenbaar gemaakt in te zetten op sterkere regie en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in de zorg bij extreme omstandigheden.9
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie van onze militairen?
Een mobilisatie betreft het in staat van paraatheid brengen van de krijgsmacht. De gevolgen van mobilisatie voor de capaciteit van de civiele zorg zijn zeer beperkt. Tijdens een mobilisatie, waarbij nog geen sprake is van een gevechtssituatie, is er geen instroom van gewonden in het civiele zorgsysteem. En andersom geldt ook dat de zorgcapaciteit geen beperking vormt voor de mobilisatie van militairen. Wel kan het zijn dat reservisten die werkzaam zijn in de civiele zorg worden opgeroepen en dat capaciteit die Defensie in vredestijd aan het civiele zorgdomein levert – bijvoorbeeld chirurgische teams in relatieziekenhuizen – niet meer beschikbaar is.
Uiteraard kan daadwerkelijke inzet van militairen ervoor zorgen dat Defensie in die situatie noodgedwongen een grotere ondersteuning vanuit de civiele zorgsector nodig heeft. Het hangt af van mate waarin de krijgsmacht wordt ingezet wat de gevolgen zijn voor de civiele zorg. Indien er sprake is van een plotselinge toename van militaire patiënten als gevolg van een conflict kan dit extra druk leggen op het civiele gezondheidszorgsysteem.
De Ministeries van Defensie en VWS werken op dit moment aan een gezamenlijke werkagenda, waarover de Tweede Kamer in september nader wordt geïnformeerd. Hierbij is naast de ondersteuning van de krijgsmacht door de civiele zorg, het uitgangspunt dat de zorg voor niet-militairen in Nederland door moet blijven gaan tijdens crisis en conflict.
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s van VWS en Defensie?
De inzet van het kabinet is om Nederland maatschappelijk weerbaar te maken met een parate en schaalbare krijgsmacht. In de Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen van 6 december 2024 wordt het scenario geschetst dat als uitgangspunt dient voor de uitwerking van de weerbaarheidsopgave. In dit scenario moet Nederland onder andere voldoen aan bondgenootschappelijke verplichtingen en is er mogelijk sprake van een significante migratie- en/of gewondenstroom.10 Het uitwerken van afspraken tussen de Ministeries van VWS en Defensie is ook onderdeel van de eerdergenoemde werkagenda die in september met de Kamer wordt gedeeld. Verder is het oefenen van scenario’s met de militair geneeskundige keten en de aansluiting van de reguliere zorg daarop, van essentieel belang. Zo sluit het Ministerie van VWS sinds 2024 aan bij de oefening Casualty Move van de NAVO, waar geoefend wordt met brede militaire medische inzet in een artikel 5-scenario. Ook waren de Minister van VWS en de Minister van Defensie op 8 juni 2026 in Duitsland gezamenlijk aanwezig bij de Fighter Lion-oefening van de Koninklijke Landmacht. Hier werd onder meer geoefend met het functioneren van de (militaire) zorgketen.
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote ramp?
De inzet van het kabinet is dat het Nederlandse zorgsysteem in staat is om schokken op te kunnen vangen, ook bij een grote toestroom van gewonden. Op dit moment wordt in beeld gebracht wat aanvullend nodig is voor opgeschaalde noodzorg, om daarmee grote aantallen patiënten op te kunnen vangen. Hierbij wordt ook gekeken naar het specifieke scenario van grote aantallen gewonden als gevolg van een militair conflict.
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Het kabinet versterkt de weerbaarheid van de zorg op drie gebieden: (1.) zelf- en samenredzaamheid, (2.) basisnoodzorg en (3.) opschaalbare noodzorg.
Allereerst versterkt het kabinet de zelf- en samenredzaamheid van de bevolking, zoals ook is opgenomen in het coalitieakkoord. Dit betreft het vermogen van de bevolking om zichzelf (met behulp van anderen) gezond en veilig te houden in tijden van nood, waardoor onder meer het beroep op gespecialiseerde zorg wordt uitgesteld of overbodig wordt zodat de zorg zo lang mogelijk beschikbaar blijft. Als onderdeel daarvan wordt momenteel in kaart gebracht11 of aanvullend op lopende initiatieven additionele inzet nodig is, specifiek voor de kwetsbare groepen in de samenleving.
In de Beleidsbrief volksgezondheid, welzijn en sport is de versterking van de basisnoodzorg beschreven. Dit betreft bijvoorbeeld de infectieziektebestrijding door het RIVM en de GGD-en, de landelijke en regionale coördinatie van patiëntenspreiding en het aanleggen van voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen. Op 27 maart 2026 is de Kamer geïnformeerd12 over € 177 miljoen die structureel beschikbaar is gesteld op de VWS-begroting om deze versterkingen van de publieke en curatieve gezondheidszorg én pandemische paraatheid voort te zetten. Deze versterkingen waren ingezet naar aanleiding van de lessen uit de COVID-19 pandemie en dragen in bredere zin bij aan het op orde brengen van de basisnoodzorg in Nederland.
In 2026/2027 werkt het Ministerie van VWS uit welke stappen gezet dienen te worden voor de versterking van de opschaalbare noodzorg. Ondanks de inzet op een aantal versterkingen blijft onvermijdelijk dat in tijden van crisis en conflict scherpe keuzes moeten worden gemaakt die impact hebben op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg. Onderdeel hiervan is, zoals in het antwoord op vraag 9 is aangegeven, de inzet om sterkere regie- en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in geval van een crisis.
De Kamer wordt dit najaar door de Minister van VWS nader geïnformeerd over de stand van zaken van de bredere inzet op weerbare zorg.
Het bericht ‘Zorgverzekeraars: premieopslag bij betalingsachterstand voor laagste inkomens naar 0%’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de wens van Zorgverzekeraars Nederland om de premieopslag in de wanbetalersregeling in de Zorgverzekeringswet te verlagen van 10% naar 0%? Wat is volgens u het effect van de huidige premieopslag in de wanbetalersregeling?1 Heeft de premieopslag volgens u het effect wat ermee is beoogd? Deelt u de conclusie van Zorgverzekeraars Nederland dat de huidige premieopslag een extra belasting is voor kwetsbare verzekerden?
Wat zegt het u dat zowel de uitvoerder van de wanbetalersregeling2 (het CAK) als de zorgverzekeraars het standpunt hebben dat de premieopslag verlaagd moet worden naar 0%?
Bent u bereid deze verlaging te gaan realiseren door een wetsvoorstel aanhangig te maken? Zo nee, wat houdt u tegen?
Zijn er (relevante) (advies)organen voorstander van het behouden van de premieopslag van 10%? Zo ja, welke en met welke argumentatie?
Heeft u informatie over hoeveel verzekerden in de wanbetalersregeling terechtgekomen zijn vanwege hun problematische schuldensituatie? Zo ja, wat zeggen deze cijfers u over de effectiviteit en het doel van de wanbetalersregeling met premieopslag?
Bent u bereid om met het CAK en Zorgverzekeraars Nederland in gesprek te gaan over hoe een wanbetalersregeling (waarbij verzekerden wel verzekerd blijven ondanks hun betalingsachterstand) eruit kan zien zonder premieopslag? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zou dit uitvoeringstechnisch haalbaar zijn?
Hoeveel levert de premieopslag nu aan inkomsten op, na verrekening van incasso- en deurwaarderskosten? Hoeveel van de opgelegde premieopslag wordt daadwerkelijk geïnd? Hoeveel incasso- en deurwaarderskosten worden hiervoor gemaakt?
Welke financiële gevolgen heeft het verlagen van de premieopslag naar 0% voor de Rijksbegroting?
Sluit u zich aan bij de Kamerbrede uitspraak (motie Ceder, Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) dat de premieopslag in de wanbetalersregeling moet verdwijnen? Zo nee, op welke wijze geeft u dan navolging aan de aangenomen motie? Zo ja, wanneer kan de Kamer een wetsvoorstel verwachten?
Kunt u de Kamer (alsnog) informeren over de in motie Ceder (Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) gevraagde informatie over wat er nodig is om de premieopslag uit de wanbetalersregeling te schrappen?