Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
De bestuurlijke problemen en de uitvoering van de jeugdzorg in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Lelystadse jeugdzorg wordt steeds duurder. De directeur die daar iets aan deed, moest vertrekken»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bestuurlijke en organisatorische problemen binnen de gemeente Lelystad ertoe hebben geleid dat aanvragen voor jeugdhulp zijn blijven liggen en de toegang tot jeugdhulp onder druk is komen te staan?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten een jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
Kunt u aangeven of de continuïteit en tijdigheid van de jeugdhulp in Lelystad gedurende deze periode in het geding zijn geweest? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor kinderen en gezinnen?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is eind maart vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad, omdat ook vanuit VWS zorgen waren over de situatie in Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en is ook in gesprek gegaan met de gemeente Lelystad. Daarbij heeft de NZa risico’s gesignaleerd die van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp. De NZa volgt de situatie nauwgezet en blijft met de gemeente in gesprek over de verdere opvolging hiervan. De NZa heeft VWS de afgelopen maanden regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken in Lelystad en blijft dit naar de toekomst toe ook doen.
Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijke wanneer een gemeente de uitvoering van de Jeugdwet onvoldoende op orde heeft en daardoor de toegang tot passende jeugdhulp in gevaar komt?
De Jeugdwet is gedecentraliseerd. Dit betekent dat gemeenten in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze taak en dat de gemeenteraad verantwoordelijk is om het college hierop aan te spreken.
De NZa houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg. Deze vroegsignaleringstaak is één van de nieuwe taken die de NZa heeft gekregen met het in werking treden van de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg waarbij VWS als stelselverantwoordelijke het wetsvoorstel heeft voorbereid. Indien blijkt dat er sprake is van taakverwaarlozing door een gemeente, dan kan het Rijk de gemeente hierop aanspreken via interbestuurlijk toezicht.
Is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op de hoogte van de situatie in Lelystad? Zo ja, welke rol heeft de IGJ gespeeld of gaat zij nog spelen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zijn op de hoogte van de situatie in Lelystad. Omdat het hier om de toegang gaat en niet om de kwaliteit van de zorg bij aanbieders, heeft de IGJ hier alleen een signalerende rol in richting het Ministerie van VWS.
De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Zij zijn sinds een paar maanden in gesprek met de gemeente Lelystad over de beschikbaarheid van zorg in de gemeente Lelystad.
Zijn bij u signalen bekend dat vergelijkbare organisatorische of bestuurlijke problemen ook in andere gemeenten leiden tot vertragingen, achterstanden of onjuiste besluitvorming binnen de jeugdzorg? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat het?
Als het om de beschikbaarheid van zorg gaat, dan heeft de NZa sinds 1 januari 2026 de nieuwe taak om hier zicht op te houden. De NZa heeft op dit moment geen vergelijkbare signalen van andere gemeenten.
In hoeverre beschikt u over instrumenten om in te grijpen wanneer de uitvoering van de Jeugdwet binnen een gemeente structureel tekortschiet? Bent u van mening dat deze instrumenten toereikend zijn?
Gemeenten zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de uitvoering van de Jeugdwet. De gemeenteraad is verantwoordelijk om het college van B&W hierop aan te spreken. Indien blijkt dat er desondanks sprake is van taakverwaarlozing dan heeft het Rijk het instrument interbestuurlijk toezicht. Het interbestuurlijk toezicht kent verschillende stappen die doorlopen dienen te worden. Zo vindt eerst signalering en factfinding plaats. Waarna, indien nodig, afspraken met gemeenten gemaakt kunnen worden over acties, termijnen en vervolg om de taak op grond van de Jeugdwet te kunnen borgen. In een uiterst geval kan het Rijk overgaan tot indeplaatsstelling. Tot op heden heeft het maken van afspraken over acties, termijnen en vervolg kunnen volstaan om taakverwaarlozing te beëindigen.
Welke lessen trekt u uit de gebeurtenissen in Lelystad voor de landelijke hervorming van de jeugdzorg, in het bijzonder ten aanzien van sturing, toezicht, financiële beheersing en de toegang tot passende hulp?
Met de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd is ingezet om het jeugdstelsel verder te ontwikkelen en te versterken. Met de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg heeft bijvoorbeeld de NZa nieuwe taken gekregen, waaronder de eerder genoemde vroegsignaleringstaak. Ook is voor sommige zorgvormen vastgelegd dat gemeenten verplicht regionaal moeten samenwerken in Jeugdregio’s. Dit zijn allemaal zaken die bijdragen aan een beter werkend jeugdhulpstelsel. In die beleidsontwikkeling wordt ook casuïstiek betrokken.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre bestuurlijke conflicten en organisatorische problemen binnen gemeenten ertoe leiden dat kinderen niet tijdig de jeugdhulp ontvangen waarop zij recht hebben en de Kamer hierover te informeren?
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om het gesprek te voeren met het college. Indien er bij gemeenten situaties zijn die er toe leiden dat kinderen niet tijdig jeugdhulp ontvangen, dan zal VWS hierover in gesprek gaan met de desbetreffende gemeente vanuit haar stelselverantwoordelijkheid.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat interne bestuurlijke problemen of tekortschietende gemeentelijke uitvoering ten koste gaan van de veiligheid, ontwikkeling en zorg van kwetsbare kinderen?
Geen.
Het verplaatsen van de zorgtaken van het VUmc naar het AMC. |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van de Raad van Bestuur van Amsterdam UMC om de zorgtaken van het VUmc tegen 2040 naar het AMC in Amsterdam-Zuidoost te verplaatsen?1
Ja.
Wat is de impact van het wegvallen van de zorgtaken op de huidige locatie van het VUmc op de zorgverlening in de buurt, bijvoorbeeld voor acute zorg of traumazorg?
Het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC heeft geen gevolgen voor de acute zorg op locatie VUmc, omdat de spoedeisende hulp en de traumazorg sinds 2024 al zijn geconcentreerd op locatie AMC. Voor de overige ziekenhuiszorg heeft het Amsterdam UMC aangegeven dat het als universitair medisch centrum voornamelijk hoogcomplexe, derdelijnszorg verleent aan patiënten die veelal vanuit andere ziekenhuizen worden doorverwezen. Volgens het Amsterdam UMC kunnen inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten voor een groot deel van de medisch-specialistische zorg daarnaast ook terecht bij andere ziekenhuizen in de regio. Voor patiënten die zijn aangewezen op de hoogcomplexe zorg van het Amsterdam UMC heeft het ziekenhuis aangegeven dat een concentratie van de zorg op locatie AMC naar verwachting slechts een beperkte verandering van de reistijd met zich meebrengt.
Het is aan Amsterdam UMC om de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg verder uit te werken en daarbij de gevolgen voor patiënten, waaronder de bereikbaarheid van de zorg, zorgvuldig te betrekken.
Het kabinet hecht eraan dat besluiten over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod zorgvuldig tot stand komen, waarbij alle relevante belangen in een vroeg stadium worden betrokken en gewogen. Om de regionale dialoog tussen betrokkenen bij (mogelijke of voorgenomen) wijzigingen in het aanbod van acute zorg en ziekenhuiszorg te bevorderen, is een handreiking opgesteld.2
In de handreiking staan adviezen om de betrokkenheid van alle belanghebbenden te borgen. Door alle belangen te horen en te wegen en hier vroegtijdig met elkaar over in gesprek te gaan, wordt begrip gecreëerd en worden besluiten breed gedragen in de regio. Dit bevordert een zorgvuldig besluitvormingsproces. Bij de verdere uitwerking en eventuele besluitvorming over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod dient het Amsterdam UMC uiteraard ook de daarvoor geldende wet- en regelgeving in acht te nemen. Daaronder vallen, indien van toepassing, ook de voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz over een zorgvuldige besluitvormingsprocedure bij wijzigingen in het (acute) zorgaanbod.
Wat betekent het wegvallen van de zorgtaken op de huidige locatie van het VUmc en de concentratie van ziekenzorg in Zuidoost voor de risico’s op ernstige aandoeningen of overlijden door ontijdige behandeling in gevolge van langere verplaatsingstijden (bijvoorbeeld van de ambulance), in het bijzonder bij situaties waarin de hogere afstand niet te rechtvaardigen valt door hogere kwaliteit of specialisme van een verder gelegen ziekenhuis voor bepaalde behandelingen?
Het kabinet heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC leidt tot een toename van de risico's op ernstige gezondheidsschade of overlijden als gevolg van langere aanrij- of verplaatsingstijden. Voor wat betreft vervoer per ambulance geldt dat de spoedeisende hulp van Amsterdam UMC sinds 2024 al geconcentreerd is op locatie AMC. Dat betekent dat patiënten al niet meer door de ambulance naar de VUmc locatie worden gebracht
Kunt u in het algemeen voor Nederland inzicht geven in de gevolgen van afstand tot een ziekenhuis voor de gezondheid en het sterfterisico van Nederlanders? Kunt u dat met wetenschappelijke data onderbouwen?
Het kabinet beschikt niet over deze gegevens.
Hoe neemt u de afweging over de risico’s van een gebrek aan nabijheid van zorgverlening mee in uw beleid?
Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen wanneer dat nodig is.
Voor het kabinet staat voorop dat mensen kunnen rekenen op toegankelijke en kwalitatief goede zorg. Daarbij wordt steeds een zorgvuldige afweging gemaakt tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Geografische nabijheid is een belangrijk aspect van toegankelijkheid, maar niet het enige. Ook de kwaliteit van de zorg, de beschikbaarheid van voldoende zorgprofessionals en de mogelijkheid om zorg toekomstbestendig te organiseren zijn daarbij onder andere van belang.
Hoe houdt u in uw beleid rond de nabijheid van ziekenhuizen rekening met de toenemende vergrijzing en de daarmee grotere zorgvraag?
Om de zorg ook in de toekomst toegankelijk te houden, zet het kabinet in op passende zorg: zorg die aansluit bij wat mensen nodig hebben en op de juiste plek wordt geleverd. Het kabinet onderkent dat de vergrijzing de komende jaren zal leiden tot een toenemende zorgvraag. Echter, niet iedere zorgvraag vraagt om behandeling in een ziekenhuis. Daarom zet het kabinet in op de beweging naar de voorkant, met meer aandacht voor gezondheid en preventie, een sterke eerstelijnszorg, en nauwe samenwerking met het sociaal domein.
In welke mate is de afname van het aantal ziekenhuis- en andere zorglocaties een gevolg van de beleidsmatige keuze om kostenefficiëntie te prioriteren?
Het Ministerie van VWS streeft naar een zorgstelsel dat voor iedereen betaalbaar, toegankelijk en van hoge kwaliteit is. Het kan voorkomen dat zorgaanbieders bij de inrichting van hun organisatie ook afwegingen maken over een doelmatige en efficiënte inzet van mensen, middelen en huisvesting. Er is geen sprake van een beleidsmatige keuze om kostenefficiëntie te prioriteren.
Waar ligt volgens u de juiste balans tussen (kosten)efficiëntie van de zorg en toegankelijkheid van zorgverlening door nabijheid?
Bij keuzes over de inrichting van de zorg is steeds een zorgvuldige afweging nodig tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Al deze publieke belangen zijn van belang en moeten voldoende worden geborgd. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de toenemende zorgvraag en de schaarste aan zorgprofessionals. Het is de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders om hun organisatie, ook financieel, gezond te houden en binnen de geldende wettelijke kaders zelf keuzes te maken over de inrichting van hun zorgaanbod. Zoals ook staat beschreven in de beleidsbrief VWS3 zet dit kabinet daarbij in op passende zorg en een passend zorglandschap, waarbij basiszorg zoveel mogelijk dichtbij mensen wordt georganiseerd en specialistische zorg waar nodig wordt geconcentreerd.
Welke beleidsopties heeft u om nabije zorg zowel in dichtbevolkte steden als op afgelegen plekken maximaal te garanderen? Wat zijn de voor- en nadelen van die opties?
Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen wanneer dat nodig is. Zoals ook staat beschreven in de eerder genoemde beleidsbrief gaat dit kabinet actiever sturen op een passend zorglandschap. We verscherpen en verduidelijken de landelijke kaders en minimale eisen voor zorgaanbieders. We leggen wettelijk vast dat zorgaanbieders in samenspraak met zorginkopers verplicht zijn om constructief en gedegen deel te nemen aan het opstellen en uitvoeren van regionale plannen voor een passend zorglandschap. En we zorgen dat regionale plannen over het zorglandschap daadwerkelijk richting geven aan alle zorgaanbieders in de regio. Daarmee wordt direct gestuurd op de organisatie van zorg en op de keuzes die nodig zijn om zorg toegankelijk en toekomstbestendig te houden. De uitwerking hiervan volgt in het eerste kwartaal van 2027.
Het verplaatsen van de zorgtaken van het VUmc naar het AMC. |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gaat alcohol het roken achterna? Gezondheidsraad wil dat overheid ingrijpt» van de NOS en het advies van de Gezondheidsraad dat alcoholgebruik verder moet worden ontmoedigd en «minder normaal» moet worden gemaakt?
Deelt u de mening dat er een principieel verschil bestaat tussen het informeren van burgers over gezondheidsrisico’s enerzijds en het actief sturen, ontmoedigen en denormaliseren van legaal gedrag van volwassen burgers anderzijds?
Waar ligt volgens u de grens tussen volksgezondheidsbeleid en staatsbemoeienis met de persoonlijke levenssfeer van volwassen Nederlanders?
Erkent u dat alcoholgebruik, net als bijvoorbeeld suikerconsumptie, vleesconsumptie, autorijden, wintersport, zonnen, festivals, vuurwerk, barbecueën of andere vormen van levensgenot, nooit volledig risicovrij is, maar dat dit op zichzelf nog geen vrijbrief vormt voor steeds verdergaande overheidsinmenging?
Deelt u de zorgen dat in het preventiebeleid steeds vaker een beleidscultuur ontstaat waarin niet langer uitsluitend excessen of misstanden worden bestreden, maar waarin de overheid normaal, legaal en maatschappelijk ingebed gedrag van burgers actief probeert te ontmoedigen?
Bent u van mening dat het de taak van de overheid is om alcoholgebruik als zodanig «minder normaal» te maken? Zo ja, op basis van welke democratische opdracht meent u dat de overheid het mandaat heeft om diepgewortelde sociale gebruiken en culturele tradities te denormaliseren?
Hoe verhoudt het pleidooi om alcoholgebruik te denormaliseren zich tot de eigen verantwoordelijkheid van volwassen burgers?
Acht u het wenselijk dat de overheid zich ontwikkelt tot een instantie die niet alleen waarschuwt voor gezondheidsrisico’s, maar ook actief bepaalt welke vormen van ontspanning, genot en sociaal gedrag maatschappelijk nog als normaal mogen gelden?
Kunt u garanderen dat het kabinet geen beleid zal voeren dat erop gericht is om gematigd alcoholgebruik door volwassenen maatschappelijk te stigmatiseren?
Kunt u aangeven of het kabinet voornemens is om de aanbevelingen van de Gezondheidsraad over te nemen, zoals het duurder maken van alcohol, het beperken van verkooppunten, het beperken van reclame, neutrale verpakkingen of gezondheidswaarschuwingen?
Kunt u per genoemde maatregel aangeven welke concrete beleidsopties het kabinet overweegt, welke maatregelen het kabinet uitsluit en op welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?
Erkent u dat «niet risicovrij» iets anders is dan «onaanvaardbaar», en dat vrijwel geen enkele menselijke activiteit volledig risicovrij is – aangezien de Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is voor alcoholgebruik en dat ook één glas per dag risicovol is?
Bent u bereid in toekomstige communicatie over alcoholgebruik helder onderscheid te maken tussen zwaar of problematisch alcoholgebruik enerzijds en incidenteel of gematigd alcoholgebruik door volwassenen anderzijds?
Acht u het proportioneel om maatregelen te nemen die alle volwassen Nederlanders raken, terwijl de grootste maatschappelijke problemen samenhangen met problematisch gebruik, verkeersdeelname onder invloed, geweld, verslaving of overmatig drinken?
Klopt het dat het Nationaal Preventieakkoord zich oorspronkelijk vooral richtte op problematisch alcoholgebruik? Zo ja, erkent u dat het huidige advies van de Gezondheidsraad een verschuiving betekent van het bestrijden van problematisch gebruik naar het ontmoedigen van alcoholgebruik als zodanig?
Deelt u de mening dat beleid tegen problematisch alcoholgebruik iets wezenlijk anders is dan beleid dat erop gericht is om alcoholgebruik in brede zin uit het normale maatschappelijke leven terug te dringen?
Bent u bereid om in uw reactie op het advies expliciet in te gaan op de gevolgen voor horeca, slijterijen, supermarkten, brouwerijen, wijnhandelaren, evenementen, sportverenigingen en lokale gemeenschappen?
Is onderzocht wat de economische gevolgen zijn van hogere accijnzen, verkoopbeperkingen, reclameverboden of neutrale verpakkingen voor Nederlandse ondernemers? Zo nee, bent u bereid dit eerst te laten onderzoeken voordat nieuwe maatregelen worden overwogen?
Bent u bereid om bij iedere voorgenomen maatregel niet alleen gezondheidseffecten, maar ook effecten op vrijheid, ondernemerschap, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving en sociale cultuur in kaart te brengen?
Erkent u dat prijsverhogingen via accijnzen relatief zwaar kunnen neerslaan bij mensen met lagere inkomens, terwijl het gedragseffect onzeker kan zijn?
Bent u bereid om af te zien van verdere accijnsverhogingen op alcohol zolang niet overtuigend is aangetoond dat zulke verhogingen daadwerkelijk leiden tot minder problematisch gebruik in plaats van vooral tot lastenverzwaring, grenseffecten en ontwijkgedrag?
Hoe voorkomt u dat verdere alcoholaccijnzen leiden tot meer aankopen over de grens, illegale handel of thuisproductie?
Acht u het wenselijk dat alcohol mogelijk alleen nog via slijterijen verkrijgbaar zou zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot de vrijheid van ondernemers en consumenten?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet voornemens is alcohol uit supermarkten te weren?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet neutrale verpakkingen voor alcoholische dranken wil invoeren, vergelijkbaar met tabaksproducten?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet gezondheidswaarschuwingen op alcoholverpakkingen wil invoeren die vergelijkbaar zijn met waarschuwingen op tabaksproducten?
Deelt u de mening dat alcohol cultureel, sociaal en historisch een andere plaats inneemt dan tabak, en dat het daarom onwenselijk is om alcoholbeleid simpelweg langs dezelfde lijn als tabaksbeleid te ontwikkelen?
Welke andere producten of gedragingen zouden volgens dezelfde redenering van «geen veilige ondergrens» in aanmerking komen voor denormalisering door de overheid?
Als de redenering is dat ieder gezondheidsrisico een reden kan zijn voor ontmoediging, welke principiële begrenzing hanteert het kabinet dan nog om te voorkomen dat steeds meer vormen van normaal leven onder preventiebeleid worden gebracht?
Deelt u de mening dat volksgezondheid belangrijk is, maar niet het enige hoogste doel van de staat kan zijn, omdat vrijheid, verantwoordelijkheid, traditie, gemeenschapsleven en levensvreugde óók publieke waarden zijn?
Bent u bereid om in de kabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad niet alleen een medische en preventieve afweging te maken, maar ook een principiële afweging over vrijheid, proportionaliteit en de rol van de overheid in het privéleven van burgers?
Kunt u toezeggen dat de Kamer geen maatregelenpakket ontvangt waarin alcoholbeleid via een technocratische gezondheidslogica wordt doorgevoerd zonder expliciet politiek debat over de vraag of de overheid zich überhaupt met dit soort keuzes van volwassen burgers moet bemoeien?
Bent u bereid om afstand te nemen van het uitgangspunt dat alles wat ongezond kan zijn door de overheid moet worden ontmoedigd?
Kunt u bevestigen dat volwassen Nederlanders uiteindelijk zelf verantwoordelijk blijven voor de vraag of zij bij een diner, verjaardag, bruiloft, voetbalwedstrijd, dorpsfeest, festival of vrijdagmiddagborrel een glas alcohol willen drinken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóórdat het kabinet een inhoudelijke reactie op het advies van de Gezondheidsraad aan de Kamer stuurt?
Antwoorden op vragen inzake het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op basis van welke concrete, meetbare indicatoren u de POH-GGZ dan wél als succesvol beschouwt? En op welk moment zou u wél tot herziening overgaan?1
Kunt u toelichten hoe uw constatering dat de POH-GGZ heeft bijgedragen aan «het creëren van meer behandelaanbod» en dat dit een beleidsdoel was, zich verhoudt tot uw stelling dat uit de toename van circa 500.000 gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat een nieuwe groep zorggebruikers is ontstaan? Betekent dit dat u bewust heeft ingezet op het vergroten van de zorgvraag (induced demand)? Zo ja, op basis van welk wetenschappelijk bewijs acht u dat medisch en maatschappelijk verantwoord? Zo nee, hoe verklaart u dan de sterke toename van het aantal gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz?
Waarom weegt u cross-sectioneel praktijkonderzoek zwaarder dan longitudinale populatie-data? Welk type bewijs zou volgens u doorslaggevend zijn om de uitbreiding terug te draaien?
Waarom acht u een onafhankelijke, integrale kosten-batenanalyse (inclusief alternatieve inzet van die middelen in specialistische GGZ) op dit moment «niet aan de orde»? Welke minimale bewijslast hanteert u eigenlijk voordat honderden miljoenen euro’s per jaar als verantwoord worden beschouwd?
Bestaat er volgens u eigenlijk enig empirisch scenario waarin u de grootschalige inzet van POH-GGZ wél zou terugschroeven?
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
Het niet-onafhankelijke en niet-vrijblijvende karakter van de Schijf van Vijf |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kunt u volhouden dat de Schijf van Vijf slechts vrijblijvende publieksvoorlichting is, terwijl het kabinet in haar reactie op rapportages en onderzoeken voeding en alcohol schrijft dat het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten per supermarkt jaarlijks wordt gemonitord, gepubliceerd en gebruikt als uniforme maatstaf voor de mate waarin supermarkten bijdragen aan de zogenoemde gezonde keuze?
Zoals het kabinet heeft aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Van Meetelen (2026Z07617) hecht het kabinet aan individuele keuzevrijheid. Mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan voor mensen een hulpmiddel zijn om een goed geïnformeerde keuze te maken.
Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding. De monitor verkoopaandeel Schijf van Vijf producten in de supermarkt is een middel om inzichtelijk te maken welke bijdrage supermarkten leveren om de gezonde keuze in de supermarkt makkelijker te maken. Het is aan de supermarkt hoe die hier op wil sturen, via aanbod, marketing, positionering of prijzen. De opzet van deze monitor is afgestemd met de supermarkten.
Erkent u dat een advies ophoudt vrijblijvend te zijn zodra de overheid supermarkten publiekelijk langs dezelfde meetlat legt, percentages per supermarktketen publiceert en vervolgens op basis van die meting «concrete afspraken» wil maken over vergroting van het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten? Zo nee, waar ligt voor u dan nog de grens tussen vrijblijvende informatie en beleidsmatige sturing?
Nee, dat ziet het kabinet anders. De adviezen van het Voedingscentrum zijn vrijblijvend voor de consument. Consumenten zijn vrij een eigen afweging te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon.
De inzet van het kabinet is om de gezonde keuze makkelijker te maken. Dit vraagt een verschuiving van de verhouding gezond-ongezond in zowel productaanbod als de marketing ervoor, aangezien deze nu overwegend ongezond zijn. Hiervoor is een indeling nodig voor wat kan worden gezien als een gezond en ongezond product. Het kabinet kiest ervoor de criteria van de Schijf van Vijf hiervoor te gebruiken.
Hoe kunt u spreken van onafhankelijkheid, terwijl het Voedingscentrum volledig afhankelijk is van overheidsfinanciering, zijn plannen moet laten aansluiten op beleidsdoelen van de overheid, zich richting subsidieverstrekkende ministeries moet verantwoorden en bij verlies of verlaging van subsidie direct minder invloed kan uitoefenen via scholen, zorg, wijkbijeenkomsten en andere kanalen?
Met de onafhankelijkheid van het Voedingscentrum doelt het kabinet op de (wetenschappelijk onderbouwde) inhoud van hun informatie. Het kabinet waakt ervoor dat ministeries invloed uitoefenen op inhoudelijke informatie of advisering. Financiering van de overheid maakt het mogelijk dit inhoudelijk onafhankelijke advies te ontwikkelen en in bepaalde mate te verspreiden en onder de aandacht te brengen.
Erkent u dat er sprake is van een kunstmatige scheiding wanneer het kabinet zich beroept op het «onafhankelijke» oordeel van het Voedingscentrum over welke producten wel of niet in de Schijf van Vijf vallen, terwijl dat oordeel vervolgens door hetzelfde kabinet wordt gebruikt voor monitors, beleid, afspraken met supermarkten, productverbetering en mogelijke wettelijke beperkingen op kindermarketing?
Nee, het kabinet ziet dit als een scheiding tussen enerzijds wetenschappelijk onderbouwde inhoudelijke advisering door experts en anderzijds de politieke keuze om deze indeling wel of niet te gebruiken in beleidsmaatregelen.
Hoe kunt u stellen dat de Schijf van Vijf geen normerend instrument is, terwijl producten, supermarkten, marketinguitingen en zelfs baby- en kindervoeding in kabinetsstukken worden beoordeeld aan de hand van de vraag of zij wel of niet voldoen aan de richtlijnen van de Schijf van Vijf, waarna het kabinet spreekt over zorgwekkende uitkomsten, noodzakelijke verbetering van het aanbod en verdere inzet richting bedrijfsleven en Europese regelgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid voortaan eerlijk te erkennen dat de Schijf van Vijf in de praktijk geen losstaand, onafhankelijk en vrijblijvend voedingsadvies is, maar een door de overheid gefinancierde beleidsnorm die via het Voedingscentrum, RIVM-monitors, supermarktafspraken, productverbetering, scholen, zorginstellingen en regelgevingstrajecten wordt ingezet om burgers, instellingen en bedrijven in een door de overheid gewenste richting te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hierboven is aangegeven is de Schijf van Vijf een vrijblijvend advies voor de consument. Het kabinet kiest ervoor om deze indeling wel of niet te hanteren bij beleidsmaatregelen. Vanwege eenduidigheid kiest het kabinet bij indelingen voor wat gezonde en minder gezonde producten zijn, waar mogelijk en passend voor de indeling volgens de Schijf van Vijf.
De veiligheid bij Pluryn en andere grote zorginstellingen |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners sterven, personeel loopt weg: grote zorgen over veiligheid bij zorgorganisatie Pluryn»?1
Ja
Kunt u reageren op de oorzaken die in het artikel worden geschetst van een grote zorgorganisatie waarin de afstand tussen directie en werkvloer steeds groter is en personeelstekorten en invalkrachten zorgen voor risico’s voor de veiligheid en kwaliteit van zorg?
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie heftig en verdrietig vind voor de mensen die bij Pluryn wonen, hun verwanten en de mensen die iedere dag voor hen zorgen. Het betreft kwetsbare mensen die goede en liefdevolle zorg nodig hebben. Ik heb naar aanleiding van dit artikel en gerelateerde artikelen in De Gelderlander contact gehad met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspectie) en zij hebben mij bevestigd dat dit hun volle aandacht heeft. Het is ook goed te beseffen dat Pluryn zorg biedt aan een groep mensen met een zeer complexe zorgvraag en veel gedragsproblematiek, waarbij incidenten helaas kunnen voorkomen. Net als andere aanbieders doen zij dat onder moeilijke omstandigheden. Het tekort aan goed toegerust personeel is niet uniek voor deze organisatie. De inspectie wijst erop dat bekend is dat bij grote zorgaanbieders er een afstand kan worden ervaren tussen directie en werkvloer. Ook geeft de inspectie aan dat de continuïteit en veiligheid van zorg bij personeelstekorten en bij veel wisselingen van personeel een punt van aandacht is doordat nieuwe zorgverleners en invalkrachten cliënten vaak (nog) niet goed kennen en hierdoor signalen kunnen missen of niet goed weten hoe zij moeten handelen. Door wisselingen in personeel kan ook onrust ontstaan bij cliënten doordat ze te maken krijgen met nieuwe gezichten. Dat kan voor cliënten met een (verstandelijke) beperking leiden tot onrust en escalaties.
Ik herken overigens niet de suggestie in het artikel dat schaalgrootte gelijk staat aan verwaarlozing van cliënten. Er zijn veel zorgorganisaties, groot en klein, die goede zorg voor hun cliënten bieden. Het bestuur van Pluryn herkent en erkent de incidenten en geeft aan dat zij daarin te leren heeft. Pluryn heeft mij laten weten daarin te investeren. De incidenten waaraan wordt gerefereerd in het artikel zijn of worden ook onderzocht door de juiste instanties (het Openbaar Ministerie / Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd). Ik vind het belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurt.
Hoeveel calamiteiten en incidenten hebben zich voorgedaan bij locaties van Pluryn in de afgelopen vijf jaar en wat was de aard van elk van deze incidenten? Hoe verhoudt zich dit tot incidenten bij andere zorginstellingen van soortgelijke omvang?
In totaal heeft de inspectie de afgelopen vijf jaar van Pluryn 274 meldingen ontvangen. Dit waren:
Naast bovenstaande meldingen heeft de inspectie in de afgelopen vijf jaar 218 signalen van diverse aard bij het Landelijk Meldpunt Zorg ontvangen. Over de inhoud van de meldingen en signalen kan ik geen mededelingen doen. Een vergelijking met andere zorginstellingen van soortgelijke omvang is niet te maken. Dit hangt onder andere samen met de doelgroepen die de instellingen in zorg hebben.
Wordt bijgehouden hoeveel incidenten een dodelijk gevolg hebben? Wanneer moet er precies melding worden gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
In 7 van de 45 gemelde calamiteiten is sprake van overlijden van een cliënt. Dit betekent niet dat in alle gevallen er een oorzakelijk verband is vastgesteld tussen overlijden en de kwaliteit van de geboden zorg.
Zorgaanbieders zijn conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de Jeugdwet verplicht om van een aantal zaken melding te doen bij de inspectie. Zo moeten zorgaanbieders melding maken van calamiteiten (Wkkgz en Jeugdwet), geweld in de zorgrelatie (Wkkgz en Jeugdwet), ontslag wegens disfunctioneren (Wkkgz) en van suïcide (Leidraad Meldingen Jeugd 2026 Jeugdwet).
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven signalen van (oud-)medewerkers en betrokkenen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn? Zijn dergelijke signalen eerder gedeeld met de IGJ of met uw ministerie? Zo ja, wanneer en wat was de aard van deze meldingen?
Zie mijn antwoord op vraag 2. Er zijn mij geen gevallen bekend waarin (oud)-medewerkers en betrokkenen signalen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn direct hebben gedeeld met het ministerie, maar mijn ministerie is uiteraard bekend met eerdere incidenten, waaronder het incident in Groesbeek in 2023, waarvoor ook aandacht is geweest vanuit uw Kamer.
De inspectie ontvangt diverse «andere meldingen» en signalen van cliënten, cliëntvertegenwoordigers en anderen waaronder soms van zorgverleners. Deze «andere meldingen» gaan over diverse zaken. Over de inhoud van deze meldingen en signalen kan ik verder geen mededelingen doen.
Is het voor bewoners en naasten van zorginstellingen zoals Pluryn voldoende duidelijk dat zij onveilige situaties kunnen en melden en waar dit kan? Zo ja, op welke manier wordt dat aan hen gecommuniceerd? Is de manier waarop dit kan toegankelijk voor deze specifieke doelgroep? Aan wie kunnen zij melden en op welke manier?
Pluryn heeft mij laten weten dat cliënten die nieuw in zorg komen bij Pluryn (ofwel hun verwanten en/of wettelijk vertegenwoordigers), een welkomstbrief ontvangen met een leaflet (folder) waarop belangrijke informatie over de zorg begrijpelijk en toegankelijk wordt toegelicht. Het versturen van de welkomstbrieven en leaflets gebeurt centraal, vanuit het Klantbureau van Pluryn.
Indien een cliënt wisselt van zorgverantwoordelijke eenheid (ZVE) of financieringsstroom, wordt door het Klantbureau gecontroleerd of eerder een welkomstbrief is gedeeld en of het nodig is om aanvullende informatie te delen.
In het leaflet worden twee mogelijke routes aangereikt voor het melden dan wel bespreken van situaties die niet passend of wenselijk zijn:
Ook op de website van Pluryn wordt dezelfde informatie gedeeld.
In het algemeen geldt dat bewoners (cliënten) en hun naasten onveilige situaties op meerdere plekken kunnen melden. Zij kunnen situaties intern bij de zorgaanbieder bespreekbaar maken met de betrokkenen. Ook kunnen zij een klacht indienen bij de klachtfunctionaris en bij de betrokken geschilleninstantie. Zij kunnen zich laten bijstaan door de cliëntenvertrouwenspersoon.
Zorgaanbieders moeten conform de Wkkgz een regeling treffen die ervoor zorgt dat er sprake is van een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van klachten. Conform de Jeugdwet moeten zorgaanbieders een directe toegang tot een klachtencommissie hebben. De zorgaanbieder dient dit op een passende wijze onder de aandacht van cliënten en hun vertegenwoordigers te brengen (Wkkgz en Jeugdwet). Ook kunnen bewoners en hun naasten signalen melden bij de inspectie. Zij kunnen hiervoor contact opnemen met het Landelijk Meldpunt Zorg waar zij laagdrempelig situaties kunnen melden.
In de meest recente rapporten over de jeugdzorg vanuit Pluryn is de norm rond klachtenregeling groen gescoord. Voor jeugdigen die vallen onder de Jeugdwet betekent dit dat zij worden geïnformeerd over de klachtenprocedure en het is duidelijk dat er een directe lijn is ingericht richting klachtencommissie. De jeugdigen die vallen onder de Jeugdwet kennen de vertrouwenspersoon van Jeugdstem en geven aan eventuele klachten met begeleiders en managers te bespreken.
Hoe is dit geregeld voor medewerkers? Waar kunnen zij onveilige situaties melden en hoe wordt hier opvolging aan gegeven?
Pluryn heeft mij laten weten dat er voor medewerkers externe vertrouwenspersonen zijn waar zij terecht kunnen. Maar het kan ook zijn dat men na een ingrijpende gebeurtenis behoefte heeft aan een vertrouwelijk gesprek. Dan kunnen medewerkers terecht bij collega’s van het Bedrijfsopvang Team (BOT). Momenteel richt Pluryn een interne vertrouwensstructuur in, om het melden van onveilige situaties voor collega’s nog laagdrempeliger en toegankelijker te organiseren. De vertrouwenspersoon draagt in eerste instantie zorg dat de melder ondersteund wordt om de eigen ervaring in de lijn te delen. Indien dit niet lukt of niet mogelijk is, kan de vertrouwenspersoon escaleren naar de raad van bestuur – in afstemming met de melder. Jaarlijks wordt door de vertrouwenspersoon een jaarverslag opgesteld met o.a. een analyse van signalen en opvallende zaken. De raad van bestuur en de directeur HR reflecteren gezamenlijk op dit jaarverslag.
Ten algemene geldt daarnaast dat medewerkers onveilige situaties bij de inspectie kunnen melden. Dit kan digitaal via de website van de inspectie. Deze meldingen worden meegenomen in het toezicht op de betreffende zorgaanbieder.
In hoeverre zijn (oud-)cliënten en naasten betrokken bij de evaluaties van de kwaliteit en veiligheid van zorg, zowel bij Pluryn als in algemene zin bij zorginstellingen?
Voor Pluryn geldt dat jaarlijks een tevredenheidsonderzoek wordt uitgevoerd onder cliënten, ouders en verzorgers. Bij volwassen cliënten wordt een (Ben ik Tevreden) BIT-vragenlijst afgenomen en bij jongeren een (Cliënttevredenheidsonderzoek) CTO-vragenlijst. Afgeleid van deze vragenlijsten, ontvangen ouders en verzorgers ook minimaal jaarlijks een tevredenheidsonderzoek-vragenlijst.
Het thema veiligheid komt terug in het leefklimaat-onderzoek, dat in de jeugdzorg wordt afgenomen. Pluryn is voornemens om het thema veiligheid ook op te nemen in de vragenlijst voor volwassenen.
De centrale cliëntenraad van Pluryn bestaat uit een goede afspiegeling van cliënten en verwanten, inclusief een jongerenafvaardiging. Elke zorgverantwoordelijke eenheid beschikt ook over een lokale cliënten- of jongerenraad en er vinden structurele overlegmomenten plaats met de directies. De cliënten- en jongerenraden geven gevraagd en ongevraagd advies over de zorg en over (voorgenomen) besluiten die het leven van cliënten en jongeren bij Pluryn raken.
Daarnaast levert Pluryn jaarlijks een Kwaliteitsbeeld op, waarin Pluryn beschrijft hoe zij werkt aan de kwaliteit van zorg, de dienstverlening en de verbeterdoelen voor de komende periode. Ook een reflectie vanuit de vertegenwoordiging van cliënten en naasten (centrale cliëntenraad) is onderdeel van het Kwaliteitsbeeld.
Ten algemene geldt dat de Wmcz 2018 de medezeggenschap van cliënten bij zorgaanbieders en jeugdhulpaanbieders regelt. In deze wet staan de regels over het moeten hebben van cliëntenraden en over het bieden van inspraak door aanbieders. Het doel van deze wet is om cliënten medezeggenschap te geven bij besluiten die hen kunnen raken, zoals bij besluiten over de kwaliteit en de veiligheid van zorg. Ook naasten van cliënten kunnen deelnemen in de cliëntenraden.
De Jeugdwet vraagt zorgaanbieders verplichte meldingen calamiteit of geweld te melden. Deze worden volgens de Leidraad Meldingen Jeugd 2026 behandeld, vaak door de zorgaanbieder de calamiteit of geweld te laten onderzoeken.
In geval van calamiteiten vraagt de inspectie conform de Wkkgz de zorgaanbieder onderzoek te doen volgens de richtlijn calamiteitenrapportage. Deze richtlijn beschrijft wat de inspectie van een zorginstelling verwacht van de calamiteitenrapportage. Ook in geval van een melding geweld in de zorgrelatie verzoekt de inspectie de zorgaanbieder om onderzoek te doen. In dat geval volgens de richtlijn rapportage geweld in de zorgrelatie. Onderdeel van deze richtlijnen is het betrekken van de cliënt en/of zijn naasten om ook hun inbreng in het onderzoek mee te nemen.
De inspectie hoort regelmatig dat zorgaanbieders cliënten en hun naasten actief betrekken bij evaluaties van kwaliteit en veiligheid van de zorg. Daarnaast zijn belangrijke manieren waarop cliënten en hun naasten betrokken kunnen worden de cliënttevredenheidsonderzoeken en de evaluatiegesprekken van de voortgang van de zorg voor de individuele cliënten evenals de zorgplanbesprekingen.
Kunt u schetsen welke verantwoordelijkheden er liggen bij gemeenten en welke bij het Rijk als het gaat om toezicht over de veiligheid?
De inspectie houdt onafhankelijk toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg, jeugdhulp en medische producten. De inspectie controleert of zorgaanbieders voldoen aan wet- en regelgeving. Zorgaanbieders zijn zelf primair verantwoordelijk voor veilige zorg, de inspectie ziet erop toe dat zij deze verantwoordelijkheid waarmaken.
De verantwoordelijkheden van de inspectie in het toezicht omvatten de volgende kerntaken:
Voor het toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp heeft de Jeugdwet twee rijksinspecties aangewezen, te weten de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
De gemeente houdt toezicht op de zorgaanbieders vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Daarnaast hebben de gemeenten een toezichthoudende taak waar het gaat om onregelmatigheid voor de Jeugdwet en de Wmo. Voor de inkoop van hulpverlening van uit de Jeugdwet zijn gemeenten de aangewezen partij. Gemeenten kunnen diverse veiligheids- en kwaliteitseisen toevoegen in hun inkoopeisen.
Welke lessen zijn volgens u niet voldoende geleerd uit eerdere onderzoeken naar incidenten en misstanden binnen de jeugdzorg en gehandicaptenzorg, waarbij eveneens sprake was van personeelstekorten, hoog verloop en onvoldoende continuïteit van zorg?
De gestelde vraag suggereert een directe koppeling tussen de situatie waarin er sprake is organisatorische omstandigheden als personeelstekorten, hoog verloop, onvoldoende continuïteit van zorg en het plaatsvinden van de incidenten die in het artikel in het AD aan de orde komen. Dat deze factoren eraan kunnen bijdragen dan er incidenten plaatsvinden, deel ik met u, maar ik ben van mening dat een dergelijk oorzakelijk verband niet veralgemeniseerd kan worden.
Los daarvan zie ik wel een aantal zaken waarvan ik vind dat ze beter kunnen in de gehandicaptenzorg, en met name in de zorg voor de mensen met complexe problematiek en een intensieve zorgvraag. Ik denk dan aan het voorkomen van onnodig geëscaleerde zorgvragen, het voorkomen van overplaatsing en uitstoting van cliënten, het investeren in deskundig personeel, vaste medewerkers en vaste begeleiders op een groep, het organiseren van domeinoverstijgend aanbod voor mensen met multiproblematiek en het vergroten van de bereidheid bij zorgorganisaties om regionaal samen te werken en van elkaar te leren. Voor een overzicht van mijn inzet hierop, en die van mijn ambtsvoorgangers, verwijs ik u graag naar eerdere brieven van 3 juni 20252 en 8 april 20263 aan uw Kamer.
Kunt u uitsluiten dat financiële druk, aanbestedingsprikkels of bezuinigingen hebben bijgedragen aan de ontstane situatie? Zo ja, waarop baseert u dat?
Zorgaanbieders hebben de verantwoordelijkheid om kwalitatief goede en veilige zorg te leveren. Dat staat uiteraard voorop en dat deel ik met u. In de contractstandaarden voor de jeugdzorg zijn bepalingen opgenomen over de veiligheid van de zorg. Die worden meegenomen in de inkoopgesprekken van gemeenten met zorgaanbieders. Zorgkantoren doen dat ook in hun inkoopgesprekken met zorgaanbieders.
De inspectie houdt toezicht op de veiligheid van de zorg. Uit de inspectie rapporten over de incidenten bij Pluryn in de afgelopen jaren volgt niet dat financiële overwegingen de oorzaak zijn van de situaties waarin zich deze incidenten hebben voorgedaan. Daarmee is niet uit te sluiten dat financiële druk en organisatorische omstandigheden als een personeelstekort bijdragen aan dergelijke situaties. Een toereikende financiering is een randvoorwaarde voor zorgaanbieders om in staat te zijn om, met voldoende zorgverleners, passende zorg en ondersteuning voor hun cliënten te organiseren.
Op 1 juli 2026 heb ik uw Kamer daarom geïnformeerd over de groeiruimte die ik de komende jaren beschikbaar stel voor de Wlz-gehandicaptenzorg. Ik wil tempo maken om te komen tot bestuurlijke afspraken in de gehandicaptenzorg, omdat naast een financieel perspectief vooral het gebrek aan personeel begint te knellen en om noodzakelijke veranderingen vraagt. Er liggen grote opgaven in de sector, waaronder het zeker stellen van de kwaliteit van leven voor mensen met een beperking en hun naasten en het verkrijgen en behouden van deskundig personeel, met trots om in de sector te werken. Ik doe dat samen met cliëntenorganisaties, zorgprofessionals, zorgaanbieders, zorgkantoren en gemeenten. Ieder vanuit eigen rol en verantwoordelijkheid. Gezamenlijk zetten we ons in voor een gehandicaptenzorg die toekomstbestendig is en op lange termijn toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit blijft.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat cliënten de dupe worden van personeelstekorten en bezuinigingen binnen residentiële zorginstellingen? Deelt u de mening dat veiligheid van jongeren en cliënten altijd zwaarder moet wegen dan productieafspraken, financiële doelstellingen of organisatorische belangen? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Ja.
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Hieronder verstaat het kabinet een slagvaardige, wendbare en opschaalbare gezondheidszorg die berekend is op (langdurige) crisis, conflict en ontwrichting.
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Ja.
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de zorg?
Er zijn verschillende soorten dreigingen denkbaar die een risico kunnen vormen voor de continuïteit van de zorg. Denk bijvoorbeeld aan pandemieën, cyberaanvallen, verstoring van leveringsketens of de effecten van gewapend conflict2, die vaak in meer of mindere mate samenhangend kunnen voorkomen. Om deze veelvoud van dreigingen het hoofd te kunnen bieden, is de weerbare zorg-aanpak van het kabinet all-hazard.
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moeten zorgaanbieders goede zorg leveren. Daar hoort ook bij dat de organisatie zodanig is ingericht dat continuïteit en veiligheid van zorg zijn gewaarborgd, óók tijdens calamiteiten en grootschalige incidenten.
De zorgaanbieders moeten zelf in beeld hebben in welke mate zij voorbereid zijn op (onder andere) langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, en/of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet; en het is aan hen om hiervoor zo nodig maatregelen te treffen in de eigen organisatie. Bijvoorbeeld het ontwikkelen van draaiboeken voor noodscenario’s of het oefenen daarmee.
Voor enkele van de genoemde tekorten geldt specifieke wet- en regelgeving of worden aanvullende maatregelen genomen door het kabinet. Zo geldt voor de uitval van telecom en internet dat zorgaanbieders wettelijk verplicht zijn om aantoonbaar te voldoen aan NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg.3 Bij uitval van internet of telecom moeten zorgverleners kunnen terugvallen op vooraf opgestelde noodprocedures, zoals het werken met papieren dossiers en het communiceren met externe partijen als telefonie is weggevallen.
Voor tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen geldt dat leveranciers wettelijk verplicht zijn een melding te doen van een leveringsonderbreking. Ook laat het kabinet een extra voorraad aanleggen van kritieke geneesmiddelen. Aanvullend onderzoekt het kabinet voor verschillende soorten crises welke medische producten nodig zijn, en hoe deze het beste opgeslagen en verdeeld kunnen worden. Voor hulpmiddelen kan met de alternatievendatabase van het Zorginkoop Netwerk Nederland snel gezocht worden naar een vervangend hulpmiddel. De mogelijkheden tot het aanleggen van een voorraad voor medische hulpmiddelen worden op dit moment geïnventariseerd.
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Het risico van cyberaanvallen op zorgaanbieders en actoren in de zorgketen neemt al jaren toe.4 Daarom is het van belang dat de zorg hierop voorbereid is. Zorgaanbieders zijn hiervoor in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Informatiebeveiliging en het bepalen van de risico’s moet een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. De NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, verplicht zorginstellingen passende maatregelen te nemen om de vastgestelde risico’s te beheersen. In de Kamerbrief Informatieveiligheid in de zorg5 is beschreven dat zorgaanbieders en samenwerkingsverbanden ervoor moeten zorgen dat ze de juiste eisen stellen aan hun leveranciers. Op grond van de binnenkort in werking tredende Cyberbeveiligingswet (Cbw) moeten organisaties in verschillende sectoren waaronder de sector zorg, cyberincidenten melden en bij grootschalige cyberincidenten ondersteuning krijgen. De Cbw is erop gericht om cyberincidenten en de gevolgen hiervan te monitoren, te beperken en te voorkomen.
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
De productie en distributie van geneesmiddelen bestaat uit veel verschillende stappen. Dat maakt het moeilijk om voor alle geneesmiddelen inzichtelijk te hebben hoe de productie- en leveringsketen er precies uitziet en waar afhankelijkheden zitten. In het algemeen geldt dat veel grond- en hulpstoffen van geneesmiddelen uit een beperkt aantal landen komen, zoals China en India. Het kabinet is zich daarvan bewust en zet mede daarom ook in op meer productie in Europa en Nederland, bijvoorbeeld door de Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act). Daarmee streeft het kabinet ernaar dat Nederland en de Europese Unie (EU) minder afhankelijk zijn van derde landen voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen. Recent is een voorlopig politiek akkoord bereikt.6 Maar het kabinet realiseert zich ook dat een bepaalde afhankelijkheid nu eenmaal blijft bestaan. Daarom investeert het kabinet ook in de samenwerking met grote producerende landen, zoals India.
Onderzoek uit 2025 van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), apothekersorganisatie KNMP en Universiteit Utrecht laat zien dat medicijnen met de tien meest gebruikte werkzame stoffen in Nederland grotendeels binnen Europa worden geproduceerd.7 Ook laat het onderzoek zien dat Nederland voor sommige van de onderzochte medicijnen met dezelfde werkzame stof sterk afhankelijk is van één fabrikant.
Voor medische hulpmiddelen geldt dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor de inkoop van de hulpmiddelen. Er is op dit moment geen overzicht van afhankelijkheden van bepaalde landen, entiteiten of organisaties op dit gebied. In gesprekken die het kabinet voert met het veld wordt opgeroepen om divers in te kopen om de afhankelijkheid van één leverancier of land te verminderen. Zo wordt ook bij een tijdelijke leveringsonderbreking de zorgcontinuïteit gewaarborgd.
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
De continuïteit en beschikbaarheid van (civiele) zorg is cruciaal voor de continuïteit van de samenleving èn de militaire slagkracht. Om de continuïteit van zorg te waarborgen in tijden van crisis en conflict moet de civiele zorg klappen kunnen opvangen en in het ergste geval extreme aantallen patiënten kunnen accommoderen. De opgave voor de zorg is dan ook om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. Daarbij is het in de eerste plaats aan zorgverleners om te bepalen welke zorg doorgang moet krijgen, ook tijdens crisis.
Tijdens een crisis zorgen zorgaanbieders samen voor de toegankelijkheid en kwaliteit van (acute) zorg binnen het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ). De Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) neemt deel aan het ROAZ voor de verbinding met het veiligheidsdomein. De gezondheidszorg is daarnaast een van de sectoren die onderdeel uitmaakt van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) – die op 15 augustus 2026 in werking is getreden – en ook in de zorg moet bijdragen aan het beschermen en weerbaarder maken van de levering van essentiële diensten.
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Wie bij een nationale zorgcrisis de regie heeft, hangt allereerst af van de aanleiding van een crisis en wat onder een nationale zorgcrisis precies wordt verstaan. In het algemeen geldt dat bij situaties met een landelijk, spoedeisend karakter waarbij de nationale veiligheid in het geding is, of waarbij sprake is van een grote uitwerking op de maatschappij, de nationale crisisstructuur geactiveerd zal worden. Hierin kunnen de verscheidene vakministers deelnemen op hun eigen beleidsterrein, waaronder de Minister van VWS.8 Hoe regie georganiseerd is, kan gegeven de aanleiding en omvang van een dreiging verschillen. Zo geldt bijvoorbeeld dat in de Wet publieke gezondheid (Wpg) is opgenomen dat de Minister van VWS bij een uitbraak van een A-infectieziekte met landelijke impact (of een dreiging daarvan) leiding geeft aan de bestrijding. In de meeste denkbare crisissituaties in de zorg zal er veelal sprake zijn van een samenspel van verschillende partijen die elk hun eigen taken en bevoegdheden hebben. Zo kan elke partij in het systeem de rol op zich nemen die daar belegd is. In dit kader heeft het kabinet in de beleidsbrief van 24 april 2026 kenbaar gemaakt in te zetten op sterkere regie en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in de zorg bij extreme omstandigheden.9
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie van onze militairen?
Een mobilisatie betreft het in staat van paraatheid brengen van de krijgsmacht. De gevolgen van mobilisatie voor de capaciteit van de civiele zorg zijn zeer beperkt. Tijdens een mobilisatie, waarbij nog geen sprake is van een gevechtssituatie, is er geen instroom van gewonden in het civiele zorgsysteem. En andersom geldt ook dat de zorgcapaciteit geen beperking vormt voor de mobilisatie van militairen. Wel kan het zijn dat reservisten die werkzaam zijn in de civiele zorg worden opgeroepen en dat capaciteit die Defensie in vredestijd aan het civiele zorgdomein levert – bijvoorbeeld chirurgische teams in relatieziekenhuizen – niet meer beschikbaar is.
Uiteraard kan daadwerkelijke inzet van militairen ervoor zorgen dat Defensie in die situatie noodgedwongen een grotere ondersteuning vanuit de civiele zorgsector nodig heeft. Het hangt af van mate waarin de krijgsmacht wordt ingezet wat de gevolgen zijn voor de civiele zorg. Indien er sprake is van een plotselinge toename van militaire patiënten als gevolg van een conflict kan dit extra druk leggen op het civiele gezondheidszorgsysteem.
De Ministeries van Defensie en VWS werken op dit moment aan een gezamenlijke werkagenda, waarover de Tweede Kamer in september nader wordt geïnformeerd. Hierbij is naast de ondersteuning van de krijgsmacht door de civiele zorg, het uitgangspunt dat de zorg voor niet-militairen in Nederland door moet blijven gaan tijdens crisis en conflict.
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s van VWS en Defensie?
De inzet van het kabinet is om Nederland maatschappelijk weerbaar te maken met een parate en schaalbare krijgsmacht. In de Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen van 6 december 2024 wordt het scenario geschetst dat als uitgangspunt dient voor de uitwerking van de weerbaarheidsopgave. In dit scenario moet Nederland onder andere voldoen aan bondgenootschappelijke verplichtingen en is er mogelijk sprake van een significante migratie- en/of gewondenstroom.10 Het uitwerken van afspraken tussen de Ministeries van VWS en Defensie is ook onderdeel van de eerdergenoemde werkagenda die in september met de Kamer wordt gedeeld. Verder is het oefenen van scenario’s met de militair geneeskundige keten en de aansluiting van de reguliere zorg daarop, van essentieel belang. Zo sluit het Ministerie van VWS sinds 2024 aan bij de oefening Casualty Move van de NAVO, waar geoefend wordt met brede militaire medische inzet in een artikel 5-scenario. Ook waren de Minister van VWS en de Minister van Defensie op 8 juni 2026 in Duitsland gezamenlijk aanwezig bij de Fighter Lion-oefening van de Koninklijke Landmacht. Hier werd onder meer geoefend met het functioneren van de (militaire) zorgketen.
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote ramp?
De inzet van het kabinet is dat het Nederlandse zorgsysteem in staat is om schokken op te kunnen vangen, ook bij een grote toestroom van gewonden. Op dit moment wordt in beeld gebracht wat aanvullend nodig is voor opgeschaalde noodzorg, om daarmee grote aantallen patiënten op te kunnen vangen. Hierbij wordt ook gekeken naar het specifieke scenario van grote aantallen gewonden als gevolg van een militair conflict.
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Het kabinet versterkt de weerbaarheid van de zorg op drie gebieden: (1.) zelf- en samenredzaamheid, (2.) basisnoodzorg en (3.) opschaalbare noodzorg.
Allereerst versterkt het kabinet de zelf- en samenredzaamheid van de bevolking, zoals ook is opgenomen in het coalitieakkoord. Dit betreft het vermogen van de bevolking om zichzelf (met behulp van anderen) gezond en veilig te houden in tijden van nood, waardoor onder meer het beroep op gespecialiseerde zorg wordt uitgesteld of overbodig wordt zodat de zorg zo lang mogelijk beschikbaar blijft. Als onderdeel daarvan wordt momenteel in kaart gebracht11 of aanvullend op lopende initiatieven additionele inzet nodig is, specifiek voor de kwetsbare groepen in de samenleving.
In de Beleidsbrief volksgezondheid, welzijn en sport is de versterking van de basisnoodzorg beschreven. Dit betreft bijvoorbeeld de infectieziektebestrijding door het RIVM en de GGD-en, de landelijke en regionale coördinatie van patiëntenspreiding en het aanleggen van voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen. Op 27 maart 2026 is de Kamer geïnformeerd12 over € 177 miljoen die structureel beschikbaar is gesteld op de VWS-begroting om deze versterkingen van de publieke en curatieve gezondheidszorg én pandemische paraatheid voort te zetten. Deze versterkingen waren ingezet naar aanleiding van de lessen uit de COVID-19 pandemie en dragen in bredere zin bij aan het op orde brengen van de basisnoodzorg in Nederland.
In 2026/2027 werkt het Ministerie van VWS uit welke stappen gezet dienen te worden voor de versterking van de opschaalbare noodzorg. Ondanks de inzet op een aantal versterkingen blijft onvermijdelijk dat in tijden van crisis en conflict scherpe keuzes moeten worden gemaakt die impact hebben op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg. Onderdeel hiervan is, zoals in het antwoord op vraag 9 is aangegeven, de inzet om sterkere regie- en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in geval van een crisis.
De Kamer wordt dit najaar door de Minister van VWS nader geïnformeerd over de stand van zaken van de bredere inzet op weerbare zorg.
Het bericht 'Ondanks AZWA-afspraak worden ‘te zware’ ggz-cliënten nog steeds geweigerd' |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondanks AZWA-afspraak worden «te zware» ggz-cliënten nog steeds geweigerd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat juist de mensen die zo hard goede zorg nodig hebben, deze vaak niet krijgen doordat zij worden geweigerd op grond van exclusiecriteria?
Ja, mensen toegang tot passende zorg weigeren vanwege «zware» of complexe problematiek vindt het kabinet zeer onwenselijk. Juist deze mensen hebben vaak de grootste zorgbehoefte. In de praktijk betekent een afwijzing bovendien regelmatig dat patiënten weer onderaan een andere wachtlijst terechtkomen, met verdere vertraging van passende zorg als gevolg.
Daarom is in het AZWA afgesproken dat dergelijke exclusiecriteria in principe worden geschrapt. Alleen wanneer een weigering zorginhoudelijk noodzakelijk is, blijft deze mogelijk.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat, ondanks de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, er nog steeds mensen geweigerd worden door ggz-aanbieders op basis van exclusiecriteria?
Het kabinet vindt het onwenselijk wanneer cliënten ten onrechte worden afgewezen op basis van exclusiecriteria. Soms zijn exclusiecriteria overigens wel gerechtvaardigd, bijvoorbeeld wanneer een aanbieder de kwaliteit of veiligheid van de zorg niet kan waarborgen, de benodigde expertise ontbreekt of een andere aanbieder aantoonbaar beter passende zorg kan leveren.
Erkent u dat de gevolgen voor betrokkenen enorm groot kunnen zijn, met onder meer de mogelijkheid tot verergering van klachten en verlies van vertrouwen in de zorg en in de overheid?
Ja. Wanneer mensen met een complexe zorgvraag worden afgewezen op basis van onterechte exclusiecriteria, kan dat grote gevolgen hebben. Zij lopen het risico dat passende zorg wordt uitgesteld, klachten verergeren en het vertrouwen in de zorg afneemt. Juist daarom is in het AZWA met betrokken partijen afgesproken dat zorgaanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dit strikt noodzakelijk is voor zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Enkel voor een aantal «laag volume, hoog complexe zorgvragen» kunnen exclusiecriteria gelden, op basis waarvan vanuit een regio kan worden doorverwezen naar een landelijke voorziening. Tegelijkertijd blijft het van belang dat zorgaanbieders, verwijzers en zorgverzekeraars gezamenlijk hun verantwoordelijkheid nemen om te voorkomen dat cliënten tussen wal en schip raken.
Kunt u uiteenzetten hoeveel meldingen er in 2026 binnen zijn gekomen over mensen die geweigerd zijn voor een ggz-behandeling op grond van exclusiecriteria zoals suïcidaliteit, autisme, hoge complexiteit of andere omstandigheden?
Nee, er is namelijk geen (landelijke) partij die dit registreert.
Bent u bekend met de aangenomen motie Synhaeve2 waarin verzocht wordt om binnen drie maanden na het afsluiten van de nieuwe contracten de Kamer te informeren of er inderdaad geen exclusiecriteria meer gebruikt worden? Kunt u toelichten hoe u, naast de uitvoering van deze motie, verder gaat toezien op naleving van de AZWA-afspraak dat ggz-aanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria?
Ja. Ik ben bekend met de motie-Synhaeve.3
De motie sluit aan bij de afspraken die in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn gemaakt over het terugdringen van exclusiecriteria. Afgesproken in het AZWA is dat ggz-aanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dit strikt noodzakelijk is in zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Hiermee wordt beoogd het verwijzen door huisartsen te vereenvoudigen, patiënten sneller passende zorg te bieden en te voorkomen dat patiënten van aanbieder naar aanbieder worden doorverwezen.
Conform de AZWA afspraken gaan zorgverzekeraars vanaf 2027 actief sturen op het terugdringen van de exclusie criteria door deze te verwerken in hun inkoopbeleid. Het uitgangspunt is dat in iedere regio voldoende kwalitatief goed aanbod wordt gecontracteerd. Samenwerking in de regio tussen grote geïntegreerde instellingen en kleinschalige aanbieders is daarbij van belang. Onderdeel van de afspraken is ook dat zorgverzekeraars inzetten op proactieve zorgbemiddeling, zodat mensen die niet direct bij een aanbieder terecht kunnen actief worden geholpen bij het vinden van passende zorg.
Het kabinet vindt het belangrijk dat deze afspraken eerst de kans krijgen hun effect te laten zien. Daarom ligt de nadruk de komende periode op de uitvoering en monitoring van de gemaakte afspraken. De uitvoering van de motie biedt daarbij een moment om te beoordelen in hoeverre de afspraken in de praktijk effect sorteren. Eind van dit jaar kan er een eerste beeld geschetst worden en in het voorjaar van 2027, als alle informatie voor handen is, valt er een totaalbeeld te geven. Op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om vooruitlopend daarop nieuwe maatregelen of extra toezichtinstrumenten aan te kondigen.
Waar kunnen cliënten zich melden wanneer ze worden afgewezen op basis van exclusiecriteria? Welke actie wordt hier vervolgens op ondernomen?
Wanneer een cliënt wordt afgewezen op basis van exclusiecriteria, bestaat er geen centraal meldpunt. In eerste instantie kan de patiënt in gesprek gaan met de zorgaanbieder om de reden van de afwijzing te bespreken. Van de aanbieder mag worden verwacht dat deze meedenkt over een passend alternatief en zorgt voor een goede overdracht.
Daarnaast kan de patiënt contact opnemen met de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar kan vanuit zijn zorgplicht bemiddelen naar een andere passende aanbieder en nagaan waar wel passende zorg beschikbaar is. Ook kan de verwijzer, zoals de huisarts of behandelaar, een rol spelen door opnieuw te verwijzen of contact op te nemen met een andere instelling.
In sommige regio's bestaan daarnaast regionale overlegtafels of escalatieroutes voor complexe casuïstiek (regionale doorzettingsmacht), maar deze zijn niet landelijk georganiseerd. Wanneer een patiënt vindt dat een afwijzing onzorgvuldig is verlopen, kan een klacht worden ingediend bij de klachtenfunctionaris of geschillencommissie van de aanbieder. Tot slot kunnen signalen over structurele problemen met de toegankelijkheid van zorg of de naleving van de zorgplicht worden gemeld bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die deze signalen kan betrekken bij haar toezicht.
Wie is volgens u verantwoordelijk wanneer een cliënt met een complexe zorgvraag door een ggz-aanbieder wordt afgewezen op grond van exclusiecriteria en vervolgens zonder warme overdracht of passende behandelplek terugvalt op de huisarts?
In ons zorgstelsel ligt deze verantwoordelijkheid bij meerdere partijen.
De ggz-aanbieder is verantwoordelijk voor een goed onderbouwde afwijzing van zorg. De aanbieder moet motiveren waarom passende zorg niet geboden kan worden en meedenken over een passend alternatief en een zorgvuldige (warme) overdracht.
De zorgverzekeraar heeft een zorgplicht. Als een verzekerde niet tijdig passende zorg krijgt, moet de zorgverzekeraar bemiddelen en ervoor zorgen dat de cliënt ergens terechtkan. De zorgverzekeraar kan aanbieders aanspreken en zorg inkopen waar nodig.
De verwijzer (vaak de huisarts) blijft vaak de coördinerende rol vervullen totdat passende specialistische zorg is gevonden.
Welke actie gaat u ondernemen op basis van dit nieuws?
De afspraken die binnen het AZWA zijn gemaakt voor het inkoopjaar 2027 moeten eerst de kans krijgen om effect te sorteren. Het kabinet wil daarom eerst deze effecten bezien.
Het bericht ‘Zorgverzekeraars: premieopslag bij betalingsachterstand voor laagste inkomens naar 0%’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de wens van Zorgverzekeraars Nederland om de premieopslag in de wanbetalersregeling in de Zorgverzekeringswet te verlagen van 10% naar 0%? Wat is volgens u het effect van de huidige premieopslag in de wanbetalersregeling?1 Heeft de premieopslag volgens u het effect wat ermee is beoogd? Deelt u de conclusie van Zorgverzekeraars Nederland dat de huidige premieopslag een extra belasting is voor kwetsbare verzekerden?
Wat zegt het u dat zowel de uitvoerder van de wanbetalersregeling2 (het CAK) als de zorgverzekeraars het standpunt hebben dat de premieopslag verlaagd moet worden naar 0%?
Bent u bereid deze verlaging te gaan realiseren door een wetsvoorstel aanhangig te maken? Zo nee, wat houdt u tegen?
Zijn er (relevante) (advies)organen voorstander van het behouden van de premieopslag van 10%? Zo ja, welke en met welke argumentatie?
Heeft u informatie over hoeveel verzekerden in de wanbetalersregeling terechtgekomen zijn vanwege hun problematische schuldensituatie? Zo ja, wat zeggen deze cijfers u over de effectiviteit en het doel van de wanbetalersregeling met premieopslag?
Bent u bereid om met het CAK en Zorgverzekeraars Nederland in gesprek te gaan over hoe een wanbetalersregeling (waarbij verzekerden wel verzekerd blijven ondanks hun betalingsachterstand) eruit kan zien zonder premieopslag? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zou dit uitvoeringstechnisch haalbaar zijn?
Hoeveel levert de premieopslag nu aan inkomsten op, na verrekening van incasso- en deurwaarderskosten? Hoeveel van de opgelegde premieopslag wordt daadwerkelijk geïnd? Hoeveel incasso- en deurwaarderskosten worden hiervoor gemaakt?
Welke financiële gevolgen heeft het verlagen van de premieopslag naar 0% voor de Rijksbegroting?
Sluit u zich aan bij de Kamerbrede uitspraak (motie Ceder, Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) dat de premieopslag in de wanbetalersregeling moet verdwijnen? Zo nee, op welke wijze geeft u dan navolging aan de aangenomen motie? Zo ja, wanneer kan de Kamer een wetsvoorstel verwachten?
Kunt u de Kamer (alsnog) informeren over de in motie Ceder (Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) gevraagde informatie over wat er nodig is om de premieopslag uit de wanbetalersregeling te schrappen?
Het bericht dat VUmc in 2040 stopt als ziekenhuis en de zorgtaken naar locatie AMC gaan |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VUmc stopt in 2040 als ziekenhuis, zorgtaken gaan naar locatie AMC»1 en van de strategische huisvestingsroute van Amsterdam UMC richting 2040?2
Ja.
Wat betekent dit voorgenomen besluit concreet voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc?
Voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc verandert er op dit moment niets3. Het gaat hier om een voorgenomen besluit van Amsterdam UMC, waarbij een richting is aangegeven voor de ontwikkeling van de organisatie tot 2040. Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat deze richting het komende jaar verder wordt uitgewerkt in een zogenoemd «masterplan». Pas nadat dit plan gereed is, zal duidelijk worden wanneer en welke zorgactiviteiten worden verplaatst van locatie VUmc naar de locatie van AMC.
Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat het de zorg uiteindelijk wil concentreren op één locatie, zodat voor patiënten duidelijker wordt waar zij voor hun zorg terechtkunnen en om de kwaliteit en continuïteit van de zorg verder te versterken.
Het is aan Amsterdam UMC om de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg verder uit te werken en daarbij de gevolgen voor patiënten, waaronder de bereikbaarheid van de zorg, zorgvuldig te betrekken.
Het kabinet hecht eraan dat besluiten over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod zorgvuldig tot stand komen, waarbij alle relevante belangen in een vroeg stadium worden betrokken en gewogen. Om de regionale dialoog tussen betrokkenen bij (mogelijke of voorgenomen) wijzigingen in het aanbod van acute zorg en ziekenhuiszorg te bevorderen, heeft het kabinet een handreiking opgesteld4.
In de handreiking staan adviezen om de betrokkenheid van alle belanghebbenden te borgen. Door alle belangen te horen en te wegen en hier vroegtijdig met elkaar over in gesprek te gaan, wordt begrip gecreëerd en worden besluiten breed gedragen in de regio. Dit bevordert een zorgvuldig besluitvormingsproces. Bij de verdere uitwerking en eventuele besluitvorming over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod dient het Amsterdam UMC uiteraard ook de daarvoor geldende wet- en regelgeving in acht te nemen. Daaronder vallen, indien van toepassing, ook de voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz over een zorgvuldige besluitvormingsprocedure bij wijzigingen in het (acute) zorgaanbod.
Begrijpt u dat patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking zich zorgen kunnen maken als een ziekenhuislocatie in hun buurt op termijn verdwijnt?
Uiteraard kan het zo zijn dat de berichtgeving over het voorgenomen besluit vragen oproept bij patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking. Tegelijkertijd is op dit moment nog geen sprake van een uitgewerkt plan voor de verplaatsing van zorgactiviteiten. Zoals aangegeven werkt Amsterdam UMC het voorgenomen besluit het komende jaar verder uit. Daarna zal duidelijk worden wanneer en welke zorgactiviteiten worden verplaatst. Voor het kabinet staat voorop dat patiënten ook tijdens eventuele veranderingen moeten kunnen blijven rekenen op toegankelijke, kwalitatief goede en continu beschikbare zorg. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor een zorgvuldige uitvoering van dergelijke veranderingen en voor de continuïteit van zorg gedurende het hele proces.
Wat betekent het verdwijnen van de ziekenhuisfunctie op locatie VUmc voor de bereikbaarheid van ziekenhuiszorg voor inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten?
Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat het als universitair medisch centrum (umc) voornamelijk hoogcomplexe derdelijnszorg verleent aan patiënten die veelal vanuit andere ziekenhuizen (de tweedelijn) worden doorverwezen. Deze patiënten komen niet alleen uit de regio Noord-Holland en Flevoland, maar uit het hele land. Het Amsterdam UMC heeft daarnaast toegelicht dat inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten voor veel medisch-specialistische zorg ook terechtkunnen bij andere ziekenhuizen in de regio. Voor patiënten die zijn aangewezen op de hoogcomplexe zorg van het Amsterdam UMC wordt aangegeven dat een eventuele concentratie van de zorg op locatie AMC naar verwachting slechts een beperkte verandering van de reistijd met zich mee zal brengen. Ook is de spoedeisende hulp van Amsterdam UMC sinds 2024 al geconcentreerd op locatie AMC. Dus voor de acute zorg verandert er niets ten opzichte van de situatie zoals die sinds 2024 was.
Is onderzocht hoeveel langer patiënten straks onderweg zijn naar het ziekenhuis, zowel met de auto, het openbaar vervoer als de ambulance?
Nee, dit is (nog) niet onderzocht.
Voor wat betreft vervoer per ambulance geldt dat de spoedeisende hulp van Amsterdam UMC sinds 2024 al geconcentreerd is op locatie AMC. Dat betekent dat patiënten al niet meer door de ambulance naar de VUmc locatie worden gebracht.
Kunt u uitsluiten dat deze concentratie van ziekenhuiszorg leidt tot langere reistijden, langere wachttijden of minder toegankelijke zorg voor patiënten?
Het kabinet kan daar op dit moment geen uitspraken over doen. De inrichting van het zorgaanbod en de organisatie van de zorgverlening zijn in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder, in dit geval dus het Amsterdam UMC. Het is aan Amsterdam UMC om de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg verder uit te werken en daarbij de gevolgen voor patiënten, waaronder de bereikbaarheid van de zorg, zorgvuldig te betrekken. Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat voor een beperkte groep patiënten de reistijd naar verwachting met maximaal 30 minuten zal toenemen, terwijl voor een andere groep patiënten de reistijd juist zal afnemen. Daarnaast heeft het ziekenhuis laten weten dat het niet verwacht dat de voorgenomen concentratie zal leiden tot langere wachttijden of een verminderde toegankelijkheid van de zorg. Volgens het Amsterdam UMC biedt het samenbrengen van de patiëntenzorg op één locatie de mogelijkheid om de beschikbare capaciteit, waaronder schaars personeel, efficiënter in te zetten en daarmee op termijn de toegankelijkheid van de zorg te verbeteren.
Klopt het dat financiële redenen, zoals te veel vierkante meters en hoge huisvestingskosten, een belangrijke rol spelen bij dit voorgenomen besluit?
Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat naast het verder verbeteren van de kwaliteit en continuïteit van zorg ook de omvang van de vastgoedportefeuille, de daarmee samenhangende huisvestings- en exploitatiekosten en duurzaamheidsdoelstellingen belangrijke redenen zijn voor het voorgenomen besluit. Volgens het ziekenhuis maakt de huidige situatie met twee ziekenhuislocaties het bovendien complexer om hoogcomplexe zorg te organiseren, onder meer vanwege de schaarste aan gespecialiseerd personeel, de inzet van expertise en voorzieningen op twee locaties en de toenemende zorgvraag van patiënten met complexe aandoeningen. Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat het door de patiëntenzorg op één locatie te concentreren de beschikbare middelen en capaciteit doelmatiger kan inzetten, zodat meer middelen beschikbaar blijven voor de zorgverlening.
Hoe voorkomt u dat betaalbaarheid, vastgoed en efficiency zwaarder gaan wegen dan goede en bereikbare zorg voor patiënten?
Het is niet aan het kabinet om te treden in de bedrijfsvoering of strategische keuzes van individuele zorgaanbieders. Bij keuzes over de inrichting van de zorg is steeds een zorgvuldige afweging nodig tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Deze aspecten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en moeten alle drie voldoende worden geborgd.
Hoe kijkt u terug op het eerdere verdwijnen van de spoedeisende hulp en de huisartsenpost op locatie VUmc, juist omdat toen al zorgen bestonden over werkdruk en toegankelijkheid van zorg?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zorgaanbieders voortdurend nadenken over een toekomstbestendige organisatie van hun zorgaanbod, mede gezien de toenemende zorgvraag en de schaarste aan zorgpersoneel. Daarbij is het van belang dat keuzes zorgvuldig worden gemaakt en dat kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor patiënten steeds geborgd blijven. Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat deze overwegingen, waaronder de werkdruk en de duurzame inzetbaarheid van schaarse zorgprofessionals, een belangrijke rol hebben gespeeld bij de het eerdere besluit om de acute zorg te concentreren.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing dat het door dit besluit moeilijker kan worden om de geneeskundeopleiding van de Vrije Universiteit in stand te houden?
Het kabinet heeft begrepen dat het uitgangspunt is dat de geneeskundeopleidingen aan beide medische faculteiten van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) blijven bestaan.
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit volgens u voor de opleidingscapaciteit van artsen en medisch specialisten in Amsterdam?
Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat het voorgenomen besluit geen impact heeft op de opleidingscapaciteit.
Deelt u de zorg dat het verminderen van ziekenhuiscapaciteit onverstandig kan zijn met het oog op de vergrijzing, waarbij de zorgvraag juist verder zal toenemen?
Het Amsterdam UMC heeft in dit verband aangegeven dat met de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg op locatie AMC weliswaar sprake is van minder vierkante meters, maar niet feitelijk van een afname van de ziekenhuiscapaciteit. Volgens het ziekenhuis blijft de personele inzet behouden en biedt concentratie juist mogelijkheden om personeel efficiënter in te zetten en meer middelen beschikbaar te houden voor de zorgverlening, in plaats van voor vastgoed en huisvesting.
Deelt u de zorg dat met het verdwijnen van ziekenhuiscapaciteit ook de beschikbare capaciteit voor rampen, calamiteiten, infectie-uitbraken of oorlogssituaties verder afneemt?
UMC's hebben vanuit hun wettelijke taken binnen de acute zorg en traumazorg een belangrijke verantwoordelijkheid in de voorbereiding op en de inzet tijdens rampen, calamiteiten en grootschalige infectie-uitbraken. Het kabinet ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC leidt tot een afname van de hiervoor beschikbare capaciteit.
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit voor het zorgpersoneel op beide locaties, en hoe wordt voorkomen dat medewerkers door onzekerheid over hun werkplek of toekomst afhaken?
Het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC is een richting voor de komende 15 jaar, dus tot 2040. Op korte termijn verandert er niets voor patiënten, medewerkers van Amsterdam UMC of studenten.
Het is aan het Amsterdam UMC als werkgever om invulling te geven aan de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de medewerkers en hen daarbij zorgvuldig te betrekken. Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat de voorgenomen concentratie van de patiëntenzorg op één locatie uiteindelijk moet bijdragen aan een doelmatigere inzet van zorgprofessionals en middelen. Het ziekenhuis heeft daarbij aangegeven zich ervan bewust te zijn dat het voorgenomen besluit onzekerheid kan meebrengen voor medewerkers, mede omdat een deel van hen de afgelopen jaren al een verhuizing heeft meegemaakt. Volgens het Amsterdam UMC verandert er op korte termijn niets voor de inzet van zorgprofessionals en zijn hun kennis en inzet de komende jaren onverminderd nodig. Daarnaast heeft het ziekenhuis aangegeven zorgprofessionals te betrekken bij de uitwerking van de plannen en medewerkers gedurende het proces tijdig te informeren en ruimte te bieden om mee te denken over de verdere invulling van de plannen.
Heeft de cliëntenraad Amsterdam UMC al advies uitgebracht over dit voorgenomen besluit en zo ja, kunt u dit advies met de Kamer delen? Zo nee, waarom is de cliëntenraad nog niet om advies gevraagd?
Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat het voorgenomen besluit gelijktijdig is voorgelegd aan de medezeggenschapsorganen van het ziekenhuis. Het gaat hierbij naast de ondernemingsraden ook om de verpleegkundige adviesraad (VAR), het stafconvent, de studentenraden en de cliëntenraad. Volgens het Amsterdam UMC heeft de cliëntenraad het voorgenomen besluit op 19 juni jl. ontvangen met het verzoek hierover advies uit te brengen. De raad van bestuur van het Amsterdam UMC verwacht na de zomer een definitief besluit te nemen, waarbij de adviezen van de medezeggenschapsorganen worden betrokken.
Het is aan Amsterdam UMC om te bepalen hoe wordt omgegaan met de adviezen van de medezeggenschapsorganen en of deze openbaar worden gemaakt. Het kabinet beschikt niet over dit document.
Bent u bereid de Kamer voor het definitieve besluit te informeren over de gevolgen voor patiënten, bereikbaarheid, acute zorg, wachttijden, personeel, opleidingscapaciteit, rampenopvang en de toegankelijkheid van ziekenhuiszorg in de regio? Zo nee, waarom niet?
Bij de verdere uitwerking en eventuele besluitvorming over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod dient het Amsterdam UMC de daarvoor geldende wet- en regelgeving in acht te nemen. Daaronder vallen, indien van toepassing, ook de voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz over een zorgvuldige besluitvormingsprocedure bij wijzigingen in het (acute) zorgaanbod, waaronder het tijdig betrekken en informeren van relevante stakeholders en andere betrokkenen. Daarnaast werd hierboven al verwezen naar de handreiking die het kabinet heeft opgesteld over het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden. De verdere uitwerking door het Amsterdam UMC vindt plaats in het eerder genoemde «masterplan» dat naar verwachting eind 2027 gereed zal zijn. Volgens het Amsterdam UMC worden onder meer de gevolgen voor patiënten, medewerkers, opleiden en onderzoek, de zorgcapaciteit en de borging van de kwaliteit van zorg nog nader uitgewerkt. Ook zullen onderdelen van de planvorming opnieuw ter advisering worden voorgelegd aan de medezeggenschapsorganen.
Klopt het dat het eerder genoemde plan voor een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie voor Amsterdam UMC, waarover in 2025 werd bericht, niet langer aan de orde is? Zo nee, welke onderdelen van dat plan spelen nog wel een rol bij de huidige strategische huisvestingsroute?3
Het kabinet beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat sprake is geweest van een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie van het Amsterdam UMC. Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat de berichtgeving waarnaar wordt verwezen betrekking had op een idee dat destijds door een aantal (oud-)medewerkers is geopperd en niet op een formeel plan van het ziekenhuis.
Het opheffen van het gespecialiseerde IGJ-team voor de aanpak van zorgfraude |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Team dat zorgfraude onderzoekt opgeheven bij Inspectie, terwijl regulier toezicht signalen niet oppakt: «Inspecteurs worden misleid door malafide zorgaanbieders»»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het speciale team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) wordt opgeheven?
Ik ben op de hoogte en heb hierover op 26 juni contact gehad met de IGJ.
Wat is volgens u de verklaring voor het opheffen van dit team?
De IGJ heeft aangegeven dat het programma IBZ vanaf de start in 2022 tijdelijk is ingericht om kennis, expertise en werkwijzen op te bouwen rond integere bedrijfsvoering, zorgfraude en zorgverwaarlozing. Het was vanaf het begin de bedoeling om deze kennis en werkwijzen vervolgens structureel te borgen in de organisatie. Er is volgens de IGJ dan ook geen sprake van afbouw of van een inhoudelijke koerswijziging, maar van een andere organisatorische inbedding.
De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en bepaalt zelf hoe zij haar organisatie inricht. Het past mij daarom niet om in die organisatorische keuzes te treden. De IGJ heeft benadrukt dat zorgfraude een prioriteit blijft en dat de opgebouwde kennis en expertise behouden blijven.
Hebben overwegingen rond de veiligheid van de zorg invloed gehad op dit besluit? Zo ja, op welke manier?
De IGJ geeft aan dat veiligheid en kwaliteit van zorg leidend zijn en blijven voor het toezicht van de IGJ. De IGJ treedt op wanneer fraude, ondermijnende criminaliteit in de zorg of niet-integere bedrijfsvoering leidt tot ernstige en concrete risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van zorg.
De organisatorische wijziging rond IBZ is door de IGJ toegelicht als een stap om de opgebouwde kennis en werkwijzen structureel te borgen binnen het toezicht. De gedachte daarbij is dat signalen van zorgfraude, misleiding, niet-integere bedrijfsvoering en zorgverwaarlozing breder in de organisatie kunnen worden herkend, gewogen en opgepakt.
Deelt u de zorg dat de aanpak van zorgfraude in de praktijk nog altijd tekortschiet en dat juist daarom specialistische expertise binnen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) noodzakelijk blijft?
Ja, ik deel de zorgen van de Kamer dat de aanpak van zorgfraude verstevigd moet worden. In mijn brief van 8 juni heb ik de Kamer geïnformeerd over een breed pakket aan maatregelen tegen zorgfraude. Bij de aanpak van zorgfraude zijn naast de IGJ vele partners betrokken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheden, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit en de recherche zorgfraude van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Zorgfraude is een prioriteit van alle betrokken partners, ook van de IGJ. De IGJ treedt op wanneer fraude, ondermijnende criminaliteit of niet-integere bedrijfsvoering leidt tot ernstige en concrete risico's voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Ik vind het belangrijk dat de IGJ hierbij multidisciplinair samenwerkt en dat de specialistische expertise behouden blijft. De IGJ heeft mij laten weten dat de binnen IBZ opgebouwde expertise behouden blijft en structureel wordt geborgd.
Acht u het uitlegbaar dat juist dit gespecialiseerde team voor de aanpak van zorgfraude wordt opgeheven, terwijl u in juni nog een plan presenteerde waarin wordt ingezet op multidisciplinaire teams om zorgfraude beter te bestrijden? Kunt u hier een toelichting op geven?
De IGJ heeft mij laten weten dat er geen sprake is van afbouw of van een inhoudelijke koerswijziging, maar van een andere organisatorische inbedding en zal nauw blijven samenwerken met de betrokken partners. Dit is in lijn met de brief van 8 juni die gaat over een versterkte en samenhangende aanpak van zorgfraude door alle betrokken ketenpartners, ieder vanuit de eigen wettelijke taak. Daarbij is juist multidisciplinaire samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten, gemeenten, zorgverzekeraars, zorgkantoren en andere partners noodzakelijk.
Was u op de hoogte van de interne spanningen binnen de IGJ over de aanpak van zorgfraude en het verschil van inzicht tussen het reguliere toezicht en het gespecialiseerde IBZ-team?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving hierover. De berichtgeving heeft mij wel verrast. Naar aanleiding van de uitzending, de motie, en de vragen die deze heeft opgeroepen, heb ik op 26 juni met de IGJ gesproken over de organisatorische wijzigingen rond IBZ en over de borging van kennis en expertise.
Het is niet aan mij om interne verhoudingen of professionele verschillen van inzicht binnen de IGJ te beoordelen. De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en maakt eigen professionele en organisatorische afwegingen. Voor mij is van belang dat zorgfraude, ondermijnende criminaliteit in de zorg en zorgverwaarlozing serieus worden opgepakt waar deze raken aan kwaliteit en veiligheid van zorg, en dat de daarvoor opgebouwde kennis en inzet behouden blijft. De IGJ heeft benadrukt dat zorgfraude een prioriteit blijft en dat de opgebouwde kennis en expertise behouden blijven.
Is er volgens u een verband tussen deze spanningen binnen de IGJ en het opheffen van het IBZ-team?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat er binnen de IGJ zorgen zijn geuit over verlies van expertise over de aanpak van zorgfraude door het verdwijnen van dit gespecialiseerde team?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe bent u van plan deze kennis over zorgfraude te borgen binnen de IGJ? Kunt u dat toelichten?
De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder. De IGJ is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar organisatie en de wijze waarop zij haar toezicht uitvoert. De IGJ heeft mij laten weten dat zij de binnen IBZ opgebouwde kennis, expertise en werkwijzen structureel borgt in het toezicht.
Concreet gaat het volgens de IGJ om het borgen van expertise, taken, capaciteit, werkprocessen, multidisciplinaire casusbeoordeling, de externe liaisonfunctie en de samenwerking en informatie-uitwisseling met ketenpartners. De gedachte is dat deze kennis niet geïsoleerd blijft in een tijdelijk programma, maar breder beschikbaar wordt binnen het toezicht, zodat de samenhang in de werkzaamheden kan worden gerealiseerd.
Ik heb er vertrouwen in dat de IGJ de kennis, expertise en taken die binnen het programma IBZ zijn opgebouwd, zorgvuldig borgt in het toezicht. In mijn gesprekken met de IGJ zal ik de voortgang hiervan volgen.
Wat bent u concreet van plan met de in uw plan aangekondigde multidisciplinaire teams voor de aanpak van zorgfraude?
In de brief van 8 juni heeft het kabinet uiteengezet dat zorgfraude alleen effectief kan worden aangepakt door samenwerking tussen alle betrokken partijen. Malafide aanbieders maken gebruik van versnippering tussen domeinen, organisaties en bevoegdheden. Daarom zet het kabinet in op vernieuwende vormen van multidisciplinaire samenwerking, waarbij toezichthouders en opsporingsinstanties waar mogelijk gezamenlijk optrekken.
De ervaringen met het Multidisciplinair Operationeel Plan laten zien dat deze werkwijze kan bijdragen aan sneller en effectiever optreden bij complexe fraudesignalen. Het kabinet wil deze vorm van samenwerking structureler inzetten en verder versterken. Daarnaast wordt gewerkt aan betere gegevensdeling, meer fysieke controles bij nieuwe en herstartende aanbieders, aanscherping van toetredingseisen en extra capaciteit voor toezicht, opsporing en handhaving.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn en voor de opheffing van het IBZ-team te informeren over hoe de specialistische kennis wordt geborgd?
De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en bepaalt zelf hoe zij haar organisatie inricht. Het is daarom niet aan mij om voorafgaand aan een interne organisatorische wijziging afzonderlijk aan uw Kamer te rapporteren over de precieze inrichting daarvan.
De IGJ heeft toegelicht dat de tijdelijke programmafase van IBZ wordt afgerond en dat de opgebouwde kennis, expertise, taken, werkprocessen, multidisciplinaire casusbeoordeling en samenwerking met ketenpartners structureel worden ondergebracht in het toezicht.
Misstanden bij You-Zorg Nederland en misbruik van mensen met een verstandelijke beperking |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorginstelling in Assen moet zorg deels staken. Eigenaar verdacht van verkrachting cliënt, zijn vrouw verzweeg geen diploma te hebben»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het feit dat opnieuw cliënten in een kwetsbare positie, mishandeld zijn door hun zorgaanbieder, laat zien dat het te makkelijk is om misbruik te maken van ons zorgsysteem?
Misbruik maken van mensen die afhankelijk zijn van zorg of ondersteuning is volstrekt onacceptabel. Juist mensen in een kwetsbare positie moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilige en goede zorg en ondersteuning ontvangen en dat publiek geld wordt besteed aan de zorg waarvoor het is bedoeld. Iedere situatie waarin dat vertrouwen wordt geschaad, is er één te veel. Daarom zet het kabinet in op een verdere versterking van de aanpak van zorgfraude en op maatregelen die voorkomen dat malafide aanbieders zich in de zorg kunnen vestigen of actief kunnen blijven (zie ook het antwoord op vraag 7).
Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of uw ministerie eerder signalen ontvangen over onveiligheid en gebrekkige zorg bij You-Zorg Noord? Zo ja, wanneer zijn deze signalen binnengekomen, wat was de aard van deze signalen en welke vervolgacties zijn ondernomen? Zijn er elders signalen binnengekomen? Zo ja, waar, wanneer en hoe zijn die opgepakt?
De Inspectie heeft sinds de oprichting van You-Zorg Noord signalen en meldingen ontvangen over You-Zorg Noord. De Inspectie mag volgens de wet geen uitspraken doen over de inhoud van signalen en meldingen. Sommige van die meldingen heeft de Inspectie eind 2025, na overleg met de politie en het Openbaar Ministerie, niet op de gebruikelijke wijze opgepakt. Dit deed de Inspectie om het gerechtelijk onderzoek ongehinderd doorgang te laten vinden. De andere meldingen waren voor de Inspectie aanleiding om in maart jl. een onderzoek te doen naar de kwaliteit en veiligheid van zorg binnen de organisatie als geheel. Dit onderzoek gaf aanleiding tot de aanwijzing die op 23 juni jl. is gepubliceerd. Het zorgkantoor heeft in 2025 1 melding ontvangen, waaraan opvolging is gegeven.
Hoe wordt geborgd dat alle cliënten van You-Zorg Noord zo snel mogelijk bij een andere zorgaanbieder terecht kunnen en hier ook passende zorg ontvangen?
De Inspectie heeft You-Zorg Noord zes weken de tijd gegeven voor de overdracht van cliënten. De zorgaanbieder is primair verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg en een zorgvuldige overdracht. Deze overdracht dient te gebeuren in overleg met de cliënt, de cliëntvertegenwoordiger en het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft contact met de mentoren van de betreffende cliënten om te bespreken hoe zij hen zo goed mogelijk kan ondersteunen bij het zoeken naar een nieuwe zorgaanbieder. De Inspectie verwacht dat cliënten zorgvuldig worden overgedragen waardoor de zorgaanbieder rechtmatig kan stoppen met het verlenen van zorg aan de betreffende cliënten. Als het You-Zorg Noord niet lukt om alle cliënten binnen de gestelde termijn over te dragen, zal de Inspectie op basis van de voortgangsrapportages en contextinformatie bepalen welke vervolgstappen zij dan nodig vindt. De Inspectie kan dan vervolgmaatregelen nemen zoals een nieuwe (zwaardere) aanwijzing of een last onder dwangsom of bestuursdwang.
Is er direct passende nazorg en ondersteuning geregeld voor de cliënten en de familieleden van deze cliënten?
Ik vind het van het grootst belang dat cliënten en hun familie de juiste nazorg ontvangen. Nazorg bij seksueel geweld is een verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder. De Inspectie heeft You-Zorg Noord gevraagd de cliënten en hun cliëntvertegenwoordigers op een passende manier te informeren over de aanwijzing, zodat cliënten zo snel mogelijk passende (na)zorg kunnen ontvangen. In een situatie waarin sprake is van signalen van ernstig grensoverschrijdend gedrag en mogelijke betrokkenheid van iemand met een bepalende positie binnen de organisatie, kan echter niet zonder meer worden verwacht dat de nazorg volledig door diezelfde organisatie wordt ingericht. In die gevallen is het van belang dat cliënten en hun naasten toegang hebben tot onafhankelijke ondersteuning. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 heeft het zorgkantoor contact met (de mentoren van) de betreffende cliënten om hen hierover te informeren.
Is er ooit door de Inspectie, vertrouwenspersonen of een andere onafhankelijke instantie gesproken met de cliënten van You-Zorg in het kader van een reguliere kwaliteitscontrole of specifiek ter preventie van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag?
De Inspectie heeft tijdens het bezoek in maart jl. gesproken met meerdere cliënten. Omdat er een gerechtelijk onderzoek liep naar de ex-bestuurder, heeft de Inspectie tijdens dit bezoek geen vragen gesteld over (mogelijke gedragingen van) de ex-bestuurder. Het zorgkantoor legt periodiek huisbezoeken af bij cliënten met een pgb. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de kwaliteit van de zorg en in hoeverre de budgethouder/pgb beheerder in staat is om daarop toe te zien. Dat er sprake was van ondermaatse zorg en ondersteuning of ongewenst gedrag richting cliënten van You-zorg Noord is hierbij niet naar voren gekomen.
Bent u van mening dat er momenteel voldoende waarborgen zijn om te voorkomen dat zorgverleners zonder voldoende deskundigheid of met verkeerde bedoelingen (langdurig) toegang hebben tot kwetsbare cliënten? Zo ja, kunt u dit onderbouwen aan de hand van concrete data en argumenten? Zo nee, welke concrete maatregelen gaat u op korte en lange termijn nemen om dit te verbeteren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zie ik dat kwaadwillenden de mazen van het zorgstelsel zoeken en misbruiken.
In mijn brief «Versterkte en samenhangende aanpak van zorgfraude» van 8 juni jl. (Kamerstukken II, 2025–2026, 28 828, nr. 163), heb ik beschreven hoe dit kabinet inzet op een stevig pakket maatregelen om zorgfraude en ondermijnende criminaliteit in de zorg harder aan te pakken. Dit gebeurt door malafide aanbieders nog strenger te toetsen bij de start. Nieuwe en herstartende zorgaanbieders worden strenger gecontroleerd, de inzet van de Wet Bibob wordt uitgebreid en toezicht- en opsporingsdiensten krijgen extra capaciteit om fraudeurs sneller op te sporen en aan te pakken en de samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en andere betrokken partijen wordt verder geïntensiveerd. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat publiek zorggeld verdwijnt in plaats van dat het ten goede komt aan mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben.
Met deze maatregelen wil het kabinet de weerbaarheid van het zorgstelsel vergroten, cliënten in een kwetsbare situatie beter beschermen en ervoor zorgen dat publiek geld terechtkomt waar het voor bedoeld is.
Welke concrete verbeteringen zijn er geweest na eerdere misstanden bij pgb-gefinancierde initiatieven, zoals bijvoorbeeld Aurora Borealis?
In de Kamerbrief over pgb-gefinancierde wooninitiatieven van juni 2024 (Kamerstukken II, 2023–2024, 25 657, nr. 360) en de antwoorden op de in vraag 9 bedoelde Kamervragen zijn verschillende maatregelen genoemd om de positie van bewoners van kleinschalige wooninitiatieven te verbeteren:
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de beloften die zijn gedaan in antwoord op mijn vragen uit oktober 20242 om het risico op misbruik in bij pgb-gefinancierde wooninitiatieven te verminderen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe vaak voert de IGJ momenteel risicogericht toezicht uit bij kleinschalige wooninitiatieven en zorgaanbieders waarbij de zorg grotendeels vanuit pgb’s wordt gefinancierd?
De Inspectie heeft in 2025 200 bezoeken gebracht aan aanbieders van gehandicaptenzorg. Deze aanbieders bieden vaak zorg en ondersteuning vanuit verschillende sectoren zoals gehandicaptenzorg, ggz, jeugdzorg en ouderenzorg. Hieronder vallen ook wooninitiatieven die (gedeeltelijk) vanuit een pgb worden gefinancierd. De Inspectie houdt geen gegevens bij over hoeveel toezichtstrajecten er bij vanuit pgb gefinancierde zorgaanbieders lopen.
Waarom wordt er niet voor gekozen om onze moties uit te voeren die vragen om meer inspecteurs voor specifiek deze doelgroep en gespecialiseerde vertrouwenspersonen die proactief instellingen en wooninitiatieven voor mensen met een (meervoudige) en/of psychische problematiek beperking te bezoeken?
In eerdere correspondentie met uw Kamer, waaronder de voortgangrapportages van de Toekomstagenda3 en ondersteuning voor mensen met een beperking, is gerapporteerd op de uitvoering van bovengenoemde moties Westerveld. Mijn ambtsvoorgangers vermelden de uitvoering van de moties langs meerdere lijnen waaronder de ophoging van het aantal inspecteurs dat namens de Inspectie actief is in de gehandicaptenzorg.
In de eerste voortgangsrapportage van de Toekomstagenda heeft mijn ambtsvoorganger opgemerkt dat de nadruk bij deze motie voor de ophoging van het aantal inspecteurs ligt op toezicht en controle. Uit gevoerde gesprekken met veldpartijen blijkt dat zij het werk van gespecialiseerde vertrouwenspersonen beschouwen als sluitstuk en geen signalen ontvangen van een gebrek aan vertrouwenspersonen.
Een cultuur waarin men zich bewust is van de risico’s omtrent (seksueel) grensoverschrijdend gedrag en waarbij grenzen bespreekbaar zijn is hierbij cruciaal. De afgelopen jaren heb ik samen met verschillende partijen gewerkt aan bewustwording en het bespreekbaar maken van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dit wordt onder andere gedaan door de ontwikkeling van een nieuwe richtlijn: seksualiteit en intimiteit in de langdurige zorg4. Door de toepassing van de richtlijn kunnen zorgverleners beter aansluiten bij de behoeften van cliënten. Dit helpt goede herkenning van seksuele en intieme ongewenst gedrag en daar op een goede wijze mee om te gaan. Op dit moment ben ik in gesprek met partijen over het verspreiden van kennis over grensoverschrijdend gedrag en daar zal ik mij voor blijven inzetten.
Bent u van mening dat ons zorgstelsel voldoende waarborgen bevat om mensen met een (meervoudige) beperking die vaak niet zelf kunnen melden en afhankelijk zijn van hun zorgverleners, te beschermen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze afschuwelijke situatie?
Ik ben van mening dat ons zorgstelsel in de basis een dekkend stelsel van waarborgen biedt om mensen in een kwetsbare situatie die zorg en ondersteuning nodig hebben te beschermen. Omdat veiligheid geen statisch gegeven is, maar continue aandacht vraagt, blijf ik in nauw contact met de Inspectie, zorgkantoren, brancheorganisaties en belangenbehartigers om te bezien waar regelgeving en/of uitvoering verder aangescherpt kan worden om bescherming van kwetsbare zorgvragers te kunnen garanderen.
Het bericht 'Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen van Nederlandse deskundigen over het verband tussen huiselijk geweld en suïcide?
Uit een eerste onderzoek van de Universiteit Leiden en Forensische Artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR) blijkt uit bijna 550 schouwverslagen van vrouwen die zijn overleden door suïcide, dat een significant deel van deze vrouwen ook zijn blootgesteld aan geweld. Deze eerste resultaten baren mij zorgen en zijn voor mij aanleiding om een driejarig vervolgonderzoek door de Universiteit Leiden mede te financieren, samen met de gemeenten Amsterdam en mogelijk ook Rotterdam. Ook ga ik in gesprek met de politie om te bezien hoe eventuele signalen van huiselijk geweld nu al – vooruitlopend op de uitkomsten van dit vervolgonderzoek – beter kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken.
Ieder jaar overlijden in Nederland ongeveer 1.800 mensen door suïcide, van wie ongeveer 1.200 mannen en 600 vrouwen.2 We weten ook dat huiselijk geweld en kindermishandeling in Nederland een groot probleem vormen. Naar schatting worden ongeveer 1,3 miljoen mensen van 16 jaar en ouder slachtoffer van huiselijk geweld.3 En dit huiselijk geweld kan leiden tot moord of doodslag, waarvan meestal vrouwen het slachtoffer zijn.4 Wat we nog niet goed weten is wat het verband is tussen suïcide, moord/doodslag en huiselijk geweld. Dit is tot nu toe nauwelijks systematisch onderzocht. We weten wel op basis van gesprekken met nabestaanden dat er slachtoffers zijn van huiselijk geweld die suïcide hebben gepleegd, om te ontsnappen aan hun uitzichtloze geweldssituatie of onder bedreiging door de geweldspleger. Ook zijn er zaken waarin de pleger van moord of doodslag het doet vóórkomen dat het slachtoffer suïcide heeft gepleegd. Maar hoe vaak dit alles in Nederland voorkomt is vooralsnog niet bekend. Hierdoor blijft dit verband tussen huiselijk geweld en (ogenschijnlijke) suïcide ook grotendeels onzichtbaar voor hulpverleners, forensisch artsen en de politie.
Met de financiering van het vervolgonderzoek kan het bestaande onderzoek worden opgeschaald naar landelijk niveau en kunnen de eerdere onderzoeksresultaten worden verrijkt met aanvullende data, waaronder die van de politie. Op basis van het vervolgonderzoek moet een scherper beeld komen van de mate waarin huiselijk geweld een rol speelt bij suïcides. Daarnaast kan dit onderzoek de basis vormen voor nieuwe richtlijnen, zodat hulpverleners, politie, forensisch artsen en pathologen signalen van suïcide als gevolg van huiselijk geweld beter kunnen herkennen. Zo kunnen zij beter inschatten of nader onderzoek nodig is in zaken waarin ogenschijnlijk sprake is van suïcide. Op basis daarvan kan onderbouwd antwoord gegeven worden op de vraag of het in deze zaken daadwerkelijk om suïcide gaat of dat er mogelijk ook anderen betrokken zijn bij het overlijden van het slachtoffer en een strafrechtelijk onderzoek nodig is.
Deze beoogde praktijkverbetering is ook relevant in het licht van het Wetsvoorstel inzake de Wet bestemming van lichamen van overledenen (Wblo). Dit wetsvoorstel verduidelijkt onder andere de bevoegdheden van politie en geeft de forensisch arts meer bevoegdheden om na overlijden onderzoek te doen.
Herkent u het beeld dat huiselijk geweld, psychische mishandeling, stalking en dwingende controle belangrijke risicofactoren zijn voor suïcidaliteit onder vrouwen? Zo ja, op welke manier wordt hiermee rekening gehouden in beleid en praktijk?
Ja, op basis van het voornoemde eerste onderzoek van de Universiteit Leiden en FARR en op basis van gesprekken met nabestaanden herken ik dat beeld. En ook in internationale wetenschappelijke literatuur wordt dit beeld bevestigd.5 De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is erop gericht om dit geweld te voorkomen, en als het plaatsvindt, om dit geweld te stoppen en verdere escalatie en dodelijk geweld (waaronder suïcide) te voorkomen. Daarbij is specifieke aandacht voor vormen van geweld die vaak minder zichtbaar zijn, zoals psychische mishandeling en dwingende controle. Het kabinet werkt aan verschillende maatregelen om de aanpak van deze vormen van geweld te versterken. Zo is op 29 juni 2026 een wetsvoorstel in internetconsultatie gebracht waarmee psychische mishandeling en dwingende controle strafbaar worden gesteld. Dit wetsvoorstel beoogt bij te dragen aan een betere herkenning en aanpak van deze vormen van geweld en biedt, naast de bestaande mogelijkheden, een aanvullend strafrechtelijk instrument om slachtoffers beter te beschermen en plegers van geweld aan te pakken. Samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en met gemeenten en betrokken organisaties en experts werk ik aan het versterken van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik verwijs u onder meer naar de recente brief over de voortgang van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.6
Zijn er cijfers bekend waaruit blijkt in hoeveel gevallen van suïcide sprake was van (een voorgeschiedenis van) huiselijk geweld? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe dit beter in beeld kan worden gebracht?
Nee, dit zal worden onderzocht door de Universiteit Leiden, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid te bezien of de registratie van huiselijk geweld, suïcidepogingen en suïcides beter op elkaar kan worden aangesloten, zodat patronen eerder kunnen worden herkend en gerichter beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Bij suïcidepogingen komt de politie meestal niet ter plaatse; eventueel komen er wel hulpverleners bij. Met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal ik bespreken of en hoe hulpverleners die in deze gevallen betrokken worden een eventueel verband tussen huiselijk geweld en de suïcidepoging zouden kunnen herkennen en wat mogelijk is op het gebied van registratie. Bij overlijdens vermoedelijk als gevolg van suïcide doen een forensisch arts en nagenoeg altijd de politie onderzoek. Zoals vermeld in antwoord op vraag 2 zal ik met de politie bespreken hoe eventuele signalen van huiselijk geweld beter kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken; ook registratie komt hierbij aan de orde.
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden voor politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen wanneer er aanwijzingen zijn dat huiselijk geweld, psychische mishandeling of dwingende controle hebben bijgedragen aan een suïcide?
Na een ogenschijnlijke suïcide doen een forensisch arts en nagenoeg altijd de politie onderzoek. Bij dit onderzoek kijkt de politie ook naar de context, mede op basis van wat er over de overledene bekend is in de politiesystemen. De forensisch arts kan contact opnemen met betrokken zorgverleners om navraag te doen over het medisch dossier. Uit dit onderzoek kunnen signalen naar voren komen die aanleiding geven tot het doen van strafrechtelijk onderzoek.
Het bovengenoemde vervolgonderzoek beoogt beter zicht te krijgen op de genoemde aanwijzingen. Vooruitlopend daarop zal ik met de politie in overleg treden hoe signalen van huiselijk geweld beter en eerder kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken.
Bent u bekend met het fenomeen «staged suicide», waarbij een overlijden ten onrechte als suïcide wordt aangemerkt terwijl sprake kan zijn van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre komt dit volgens u voor in Nederland?
Ja, ik ben bekend met het fenomeen staged suicide en dit komt voor in Nederland. Ik verwacht met bovengenoemd vervolgonderzoek van de Universiteit Leiden een scherper beeld hiervan te kunnen krijgen.
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van staged suicide in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie het antwoord op vraag 2.
In hoeverre kan het aangekondigde wetsvoorstel over de strafbaarstelling van psychisch geweld bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling mogelijk leidt tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide?
Met het wetsvoorstel met betrekking tot de verruiming van de strafbaarheid van psychisch geweld, in combinatie met beleidsmaatregelen zoals publiekscampagnes, deskundigheidsbevordering en verbetering van veiligheids- en risicotaxatie en dossiervorming, verwacht ik dat dwingende controle, psychische mishandeling en stalking beter strafrechtelijk kunnen worden aangepakt. Dit moet de betrokken organisaties extra handvatten bieden om deze vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling te stoppen, zodat slachtoffers in veiligheid kunnen leven en zodat plegers hun schadelijke gedrag stoppen. Zodoende zou dit wetsvoorstel kunnen bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling kan leiden tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide.
Op welke wijze wordt binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke risicogroep?
In de vierde Landelijke Agenda Suïcidepreventie die op 24 maart jl. door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met uw Kamer is gedeeld7 is niet specifiek aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als risicogroep. Wel is er een aantal projecten binnen deze agenda waar vaker mensen te vinden zullen zijn die verhoogd risico lopen op overlijden door suïcide, zo mogelijk ook in verband met huiselijk geweld. Dat zijn: Sumona (het programma «suïcidepreventie, monitoring en nazorg» voor mensen die een poging tot suïcide hebben ondernomen), Ter Plekke (een programma voor first responders) en Regio’s (project waarin samenwerkingspartners worden geholpen om regionale vangnetten te creëren voor specifieke groepen).
113 Zelfmoordpreventie zal als onderdeel van het in antwoord op vraag 2 genoemde onderzoek van de Universiteit Leiden een onderzoek uitvoeren met de werktitel «Verborgen fataal geweld: mechanismen onderliggend aan de link tussen huiselijk geweld en suïcide». De planning is dat dit onderzoek in het voorjaar van 2027 gereed is. De bevindingen zullen op dat moment ook met behulp van een factsheet worden gepubliceerd en beschikbaar worden voor hulpverleners.
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Bent u op de hoogte van de situatie in Utrecht en Zuid-Limburg waarbij hoogzwangere vrouwen hun eerder toegezegde kraamzorg alsnog verliezen?1
Ja, het kabinet is op de hoogte van de situatie.
Kunt u zich voorstellen welke onzekerheid dit teweeg brengt bij zwangere vrouwen?
Ja, het brengt voor aanstaande ouders onzekerheid teweeg om te horen dat eerder toegezegde kraamzorg toch niet beschikbaar is. Het kabinet vindt dergelijke situaties zeer onwenselijk en vindt het van belang dat elke kraamvrouw die dat wil in ieder geval het minimum van 24 uur ontvangt.
Hoe kan het gebeuren dat vrouwen zo kort voor de bevalling te horen krijgen dat reeds toegezegde kraamhulp toch niet beschikbaar is?
Uit navraag bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het betreffende kraamzorg samenwerkingsverband (KSV) komt naar voren dat de capaciteitsproblemen bij De Kraamvogel in Utrecht zijn ontstaan in de periode tussen de aanmelding van deze zwangeren en het moment dat de organisatie de zorg heeft teruggegeven. Op dat moment bleek dat De Kraamvogel niet alle zorg kon leveren zoals eerder toegezegd aan de zwangeren. Zij hebben dit vervolgens laat met de ketenpartners besproken. Partijen in de regio zijn direct aan de slag gegaan om alternatieve kraamzorg voor deze zwangeren te realiseren. Dat is ook gelukt door middel van centraal wachtlijstbeheer, actieve bemiddeling binnen en buiten de regio, inzet van zelfstandige kraamverzorgenden, de inzet van het door het KSV georganiseerde kraamhotel in het St. Antonius en aanvullende digitale zorg.
Bent u het ermee eens dat een dergelijke gang van zaken onaanvaardbaar is en vanaf nu voorkomen moet worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het zeer onwenselijk dat eerder toegezegde zorg op een dergelijke korte termijn niet geleverd wordt. Na het ontstaan van de problematiek hebben zorgverzekeraars, het KSV, kraamzorgorganisaties, verloskundigen en ziekenhuizen direct geschakeld om zo snel mogelijk alternatieve kraamzorg voor de getroffen zwangeren te organiseren. Dit is ook gelukt, waarvoor complimenten. Dit laat zien hoe belangrijk integrale samenwerking is om capaciteitsproblemen het hoofd te bieden en tijdig maatregelen te treffen wanneer dit nodig is.
De branche heeft een normenkader opgesteld dat kraamzorgaanbieders en KSV’s helpt om beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten en ervoor te zorgen dat iedere cliënt tenminste de minimaal noodzakelijke kraamzorg ontvangt. De schaarste aan personeel vraagt om betere samenwerking en regionale afstemming op KSV-niveau. Binnen het transformatieplan van de sector wordt daarom gewerkt aan het versterken van de positie van KSV’s. Hierdoor wordt de regionale samenwerking tussen kraamzorgorganisaties verbeterd. Het helpt onder andere bij het regionaal in kaart brengen van vraag en aanbod en om het aanbod eerlijk te verdelen. Op 7 juli heeft met Bo geboortezorg een gesprek plaatsgevonden onder andere over de ondersteuning van de implementatie van dit basiskader. De komende tijd zal het kabinet verkennen op welke wijze deze implementatie ondersteund kan worden.
Welke verantwoordelijkheid hebben kraamzorgorganisaties wanneer zij eerder toegezegde zorg niet meer kunnen leveren?
De toegankelijkheid, kwaliteit en continuïteit van zorg is de verantwoordelijkheid van kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars. De NZa en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zien hierop toe. Wanneer een zorgorganisatie eerdere toezeggingen niet kan nakomen, bijvoorbeeld als gevolg van personeelskrapte, is het belangrijk dat een cliënt snel alsnog terecht kan bij een andere aanbieder. Om dit mogelijk te maken verwacht de IGJ van aanbieders dat zij actief op regionaal niveau samenwerken om de capaciteit in een regio beter te verdelen en pieken op te vangen.
Ook de zorgverzekeraar heeft vanuit diens zorgplicht een verantwoordelijkheid om regionale samenwerking te bevorderen. Daarnaast verwacht de NZa dat een kraamzorgaanbieder zo spoedig mogelijk meldt bij de zorgverzekeraar, dat zij toegezegde zorg niet kan nakomen. Dergelijke afspraken zijn doorgaans ook contractueel vastgelegd tussen zorgaanbieder en -verzekeraar. Het is vervolgens aan de zorgverzekeraar om, indien nodig, te zorgen dat zwangeren bemiddeld worden naar andere kraamzorgaanbieders. Als verzekerden niet de zorg hebben gekregen waar zij recht op hebben, dan spreekt de NZa de zorgverzekeraar daarop aan.
Hoe wordt voorkomen dat door deze gang van zaken de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor moeder en kind in gevaar komen?
In de specifieke situatie in Utrecht zijn de partijen in de regio direct aan de slag gegaan om alternatieve kraamzorg voor deze zwangeren te realiseren. Dat is, zoals eerder aangegeven, ook gelukt.
Op landelijk niveau hebben Bo geboortezorg en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) afspraken gemaakt over krapteregio’s, zoals Zuid-Limburg, om ervoor te zorgen dat alle cliënten in ieder geval worden voorzien van het minimum aantal uur. Als in regio’s met (verwachte) krapte extra regionale inzet en/of interventies nodig zijn, dan kunnen deze worden ingezet en bekostigd. Dit gebeurt aan de hand van een regioplan dat regionale partijen in overleg met preferente zorgverzekeraar(s) opstellen.
Kunt u in het bijzonder toelichten wat er wordt gedaan om te voorkomen dat juist kwetsbare vrouwen en gezinnen de komende zomer geen toegang hebben tot kraamzorg?
Kwetsbare gezinnen krijgen binnen de geboortezorg extra aandacht. Of sprake is van kwetsbaarheid wordt in de eerste plaats beoordeeld door zorgverleners en kraamzorgaanbieders tijdens de intake en zorgverlening. In situaties van schaarste werken kraamzorgaanbieders, het KSV en zorgverzekeraars samen om beschikbare capaciteit zo in te zetten dat passende zorg beschikbaar blijft. In Utrecht biedt het gezamenlijk opgerichte kraamhotel een belangrijke oplossing voor kwetsbare gezinnen. Daar kunnen gezinnen direct na de bevalling verblijven en kraamzorg ontvangen. Hierdoor ontstaat tijd om aanvullende zorg thuis te organiseren. Het hotel wordt bovendien veel gebruikt door gezinnen die extra begeleiding of observatie nodig hebben.
De IGJ ziet in haar toezicht dat het capaciteitsprobleem kraamzorggezinnen in een kwetsbare situatie in verhouding harder treft. Zwangeren in een kwetsbare situatie melden zich bijvoorbeeld vaker laat bij een kraamzorgaanbieder en komen dan op de wachtlijst, terwijl juist zij de kraamzorg vaak hard nodig hebben. Zij zijn soms minder goed in staat om de weg naar de zorg te vinden. De IGJ vraagt in haar publicatie van maart 20262, kraamzorgaanbieders, beleidsmakers en inkopers om bij het verdelen van de beschikbare capaciteit goed te letten op zwangeren die zich in een kwetsbare positie bevinden.
Voor de langere termijn werkt de sector aan een aantal grote landelijke transities die moeten leiden naar meer passende zorg, zoals de implementatie van de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM) en digitale zorg. Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van de verdeling van schaarse capaciteit via een capaciteitsdashboard, partuspools, en ontwikkeling van een KSV-kader en het versterken van de instroom en behoud van zorgprofessionals.
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars hun zorgplicht in deze situatie hebben ingevuld?
Uit navraag bij zowel de NZa als ZN komt het volgende beeld naar voren. Zodra zorgverzekeraars op de hoogte werden gesteld van de situatie in Utrecht, hebben zij contact onderhouden met De Kraamvogel en met de coördinator binnen het KSV. Met de coördinator is afgestemd hoe de zwangeren die niet langer terecht kunnen bij De Kraamvogel bemiddeld kunnen worden, zodat zij alsnog kraamzorg kunnen ontvangen. Deze zwangeren ontvangen thuis zorg van andere kraamzorgaanbieders of in het kraamhotel van het KSV in het St. Antonius ziekenhuis.
Kunt u garanderen dat vrouwen die op deze manier noodgedwongen in een kraamhotel terecht komen niet met extra kosten (voor bijvoorbeeld vervoer of verblijf) te maken krijgen? Als dit onverhoopt wel het geval is, worden deze gezinnen hiervoor gecompenseerd door de zorgaanbieder of de verzekeraar?
Het uitgangspunt is dat de inzet van deze voorzieningen niet mag leiden tot drempels om noodzakelijke kraamzorg te ontvangen. Zorgverzekeraars vergoeden de zorg en het verblijf van de kraamvrouw in het kraamhotel, behoudens de kosten die men ook zou hebben bij reguliere kraamzorg thuis. Voor eventuele overige kosten zoals parkeerkosten, maaltijden of kosten voor verblijf van de partner, bestaan geen landelijke afspraken over vergoeding of compensatie. In enkele regio's zijn hierover aanvullende afspraken gemaakt.
De gebruikelijke wettelijke eigen bijdrage voor kraamzorg blijft van toepassing. In een kraamhotel worden meer uren geleverd, daardoor valt deze bijdrage hoger uit. Veel verzekerden krijgen deze eigen bijdrage geheel of gedeeltelijk vergoed vanuit hun aanvullende verzekering. In Utrecht neemt de gemeente voor de kwetsbare groep een deel van de kosten op zich. Eventuele individuele vragen of knelpunten kunnen met de eigen zorgverzekeraar worden besproken.
Welke ondersteuning krijgen gezinnen die geen gebruik kunnen of willen maken van een kraamhotel?
Het uitgangspunt is dat gezinnen minimaal 24 uur passende kraamzorg ontvangen. Het KSV heeft laten weten dat gezinnen die geen gebruik willen maken van het kraamhotel op de centrale wachtlijst blijven staan. Middels bemiddeling wordt actief gezocht naar beschikbare capaciteit bij kraamzorgorganisaties en zelfstandige kraamverzorgenden binnen en buiten de regio. Daarnaast kan digitale ondersteuning worden ingezet.
Zijn bij u signalen bekend dat dit ook in andere regio’s speelt?
Arbeidsmarktkrapte in de kraamzorg is een landelijk vraagstuk en de problemen hieromtrent spelen in meerdere regio’s. Door Bo geboortezorg wordt een overzicht3 bijgehouden welke KSV regio’s te maken hebben met code rood. ZN geeft aan dat de situatie zoals die in Utrecht uitzonderlijk is. Zij zijn bekend met één andere situatie, waarbij cliënten uiteindelijk tijdig door een andere aanbieder zijn overgenomen.
Bij de IGJ zijn naar aanleiding van berichtgeving vanuit de Kraamvogel enkele signalen ontvangen. Dit betroffen signalen met betrekking tot het niet kunnen leveren van de kraamzorg en het plaatsen van de kraamvrouwen op de wachtlijst van de betreffende regio’s. Er zijn dit jaar geen meldingen van calamiteiten, zoals bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), binnengekomen over de regio Utrecht met betrekking tot kraamzorg. Er zijn ook geen andere signalen bekend bij de IGJ dat zwangeren worden uitgeschreven en het verzoek krijgen om zich aan te melden voor de regionale wachtlijst. Ook bij de NZa zijn geen andere signalen bekend.
Kunt u toelichten welke (regionale) afspraken er zijn gemaakt om te garanderen dat elke vrouw de kraamzorg krijgt waar zij gewoon recht op heeft?
Op landelijk niveau hebben Bo geboortezorg en ZN afspraken gemaakt over krapteregio’s om ervoor te zorgen dat alle cliënten worden voorzien van in ieder geval het minimum aantal uur. Als in regio’s met (verwachte) krapte extra regionale inzet en/of interventies nodig zijn dan kunnen deze worden ingezet en bekostigd aan de hand van een regioplan dat regionale partijen in overleg met preferente zorgverzekeraars opstellen. Interventies die regionaal worden ingezet zijn actieve wachtlijstbemiddeling, het (tijdelijk) opzetten van een kraamhotel, het opzetten van een centrale partuspool en extra regionaal opleiden.
Bieden deze afspraken naar uw overtuiging voldoende zekerheid voor vrouwen?
Het kabinet is ervan overtuigd dat met de gemaakte afspraken de beschikbare capaciteit zo efficiënt mogelijk wordt ingezet en ieder die dat wil voorzien wordt van de noodzakelijke kraamzorg thuis of bijvoorbeeld in een kraamhotel. De wijze waarop de verschillende partijen in Utrecht hun rol gepakt hebben om alle zwangeren alsnog te voorzien van kraamzorg is daar een goed voorbeeld van. Het kabinet is van mening dat goede samenwerking daarbij onontbeerlijk is.
Hoe wordt de regionale ongelijkheid aangepakt nu sommige delen van Nederland blijkbaar met méér tekorten kampen dan andere?
Regionale verschillen in beschikbaarheid van personeel vragen om regionale oplossingen. Regio’s met (verwachte) krapte bepalen in afstemming met de zorgverzekeraars welke interventies nodig zijn om de toegankelijkheid te kunnen borgen.
De NZa stimuleert verzekeraars om, samen met regionale partijen, ook te zoeken naar oplossingen buiten de eigen regio. De NZa ziet er op toe dat de verdeling van de schaarse capaciteit proactief wordt aangestuurd door verzekeraars. Daarnaast is het toezicht van de NZa erop gericht dat zorgverzekeraars samen met veldpartijen tot een toekomstgerichte aanpak komen. Dat is gerealiseerd met de visie en versnellingsagenda van ZN en Bo Geboortezorg. De daadwerkelijke effectuering van deze plannen heeft tijd nodig.
Bent u bereid om op korte termijn extra financiële middelen beschikbaar te stellen voor verbetering van arbeidsvoorwaarden in de kraamzorg, waaronder salaris en wachttijden?
Wat betreft kostendekkende tarieven, salaris en wachtdienstvergoeding in de kraamzorg zijn de rollen en verantwoordelijkheden helder. De NZa stelt kostendekkende maximumtarieven vast op basis van regulier kostprijsonderzoek. In de kraamzorg zijn er maximumtarieven, met ruimte voor aanvullende afspraken via max-max tarieven (10%) en de Toeslag integrale geboortezorg binnen de kraamzorg (10%). Recent heeft de NZa weer kostprijsonderzoek uitgevoerd. De daaruit volgende nieuwe tarieven zijn per 1 januari 2026 ingegaan.
Het Ministerie van VWS stelt daarnaast ieder jaar extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar, via de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova), zodat werkgevers binnen de zorg marktconforme cao’s kunnen afsluiten. Het is aan sociale partners om passende afspraken te maken, bijvoorbeeld over de vergoeding en inrichting van wachtdiensten in de cao.
Kunt u inmiddels verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moeten worden aangemerkt en dienovereenkomstig beloond moeten worden?2
Op 2 juni jl.5 is de Kamer geïnformeerd over het arbeidsmarktbeleid en opleidingen van de zorgsector. De motie van mevrouw Vliegenthart (PRO)6 die de regering verzoekt te verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moet worden aangemerkt, is in die brief afgedaan.
Het uitgangspunt bij een oproepdienst is dat arbeidstijd begint op het moment van een oproep. Tot en na die tijd, en bij het uitblijven van een oproep, is er sprake van rusttijd. Een belangrijke nuance hierbij is dat oproepdiensten werknemers niet te veel mogen beperken in het vrij invullen van hun tijd, zo blijkt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Rijksoverheid.nl bevat informatie over consignatie (oproepdienst)7. Op Rijksoverheid.nl ontbrak de nuance vanuit de EU-jurisprudentie. Daarom is dit aangepast. Dat verduidelijkt het onderscheid tussen arbeidstijd en rusttijd bij oproepdiensten.
Waarom ontbreekt er nog steeds een serieuze aanpak van de crisis in de kraamzorg, gezien het feit dat kraamverzorgenden en de Tweede Kamer hier kéér op kéér toe hebben opgeroepen? Kunt u inzichtelijk maken wat u hebt gedaan met alle eerdere aanbevelingen om de noodsituatie in de kraamzorg snel aan te pakken, van begin tot eind, van opleiding tot vergoedingen voor reizen en wachten?
Het kabinet erkent dat de capaciteitsproblematiek in de kraamzorg weerbarstig is, maar benadrukt ook dat de transitie tijd en gezamenlijke inzet vraagt. De sleutel is passende kraamzorg. De brancheorganisatie Bo geboortezorg en ZN zetten zich al enige tijd in om de problemen op de korte, middellange en lange termijn het hoofd te bieden om de beschikbare capaciteit zo passend mogelijk te verdelen. Hiervoor hebben zij in het verleden convenanten afgesloten en een visie en versnellingsagenda opgesteld. Dit heeft verder vorm gekregen in het transformatieplan toekomstbestendige kraamzorg waar ook transformatiemiddelen voor zijn toegekend. Dit plan richt zich onder meer op het behouden en opleiden van personeel en passende kraamzorg. De kabinetsinzet voor de kraamzorg is eerder met de Kamer gedeeld8 waarin het kabinet specifiek aandacht heeft voor versnelling op passende kraamzorg, instroom en behoud van kraamverzorgenden en twee vervolgonderzoeken. De komende periode staan meerdere gesprekken gepland met de sector om hier blijvend aandacht voor te vragen en de ondersteuning vanuit het kabinet nader te concretiseren.
Voor de korte termijn trekken zorgverzekeraars gezamenlijk met Bo geboortezorg op om knelpunten in de toegankelijkheid van kraamzorg vroegtijdig te signaleren en waar nodig maatregelen te treffen in de regio’s waar dit speelt. Daarbij wordt samengewerkt met kraamzorgaanbieders, VSV’s en andere betrokken partijen om de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk in te zetten.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de moties Dijk/Dobbe3, Bikker c.s.4, Dobbe/Van Dijk5, Van Dijk c.s.6, Coenradie7 en Van Meetelen/Van Dijk8? Ziet u in dat uw aanpak tot nu toe niet voldoet aan de oproepen van de Tweede Kamer?
Zoals eerder aangegeven zijn acties in gang gezet om de transitie in de kraamzorg vorm te geven. Deze acties vragen tijd en gezamenlijke inzet. Voor de uitvoering van de moties hebben al gesprekken plaatsgevonden met onder andere de brancheorganisatie, ZN en opleidingspartijen. Na de zomer zal ook een gesprek met de initiatiefnemers van het Manifest plaatsvinden. Begin 2027 wordt de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Ja.
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Het kabinet heeft hiervan kennisgenomen door het bericht van Hackedemia.nl.
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat persoonsgegevens op een veilige en rechtmatige manier worden verwerkt. Mensen die contact zoeken met 113 zitten in een bijzonder kwetsbare positie en moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Om dergelijke medische gegevens te beschermen is de NEN 7510 norm (informatiebeveiliging in de zorg) verplicht gesteld voor alle zorgaanbieders. Stichting 113 Zelfmoordpreventie werkt in overeenstemming met deze norm.
Het onderzoek uit het artikel van Hackemedia heeft uitgewezen dat Stichting 113 niet op de voorgeschreven manier gegevens verwerkte. Uit de update van hetzelfde artikel blijkt dat Stichting 113 Zelfmoordpreventie op een manier heeft gereageerd die door de onderzoekers als adequaat wordt aangeduid, en de onderzoekers bedanken Stichting 113 Zelfmoordpreventie voor de voortvarendheid in oppakken van de bevindingen van de onderzoekers.
Daarnaast heeft Stichting 113 laten weten dat de bevindingen van Hackedemia uitsluitend toezagen op de wijze waarop technische gegevens, waaronder cookiegegevens, werden verwerkt bij het bezoek aan de website van Stichting 113. Deze gegevens kunnen inderdaad worden aangemerkt als persoonsgegevens. De bevindingen hadden echter geen betrekking op de inhoudelijke behandeling van hulpvragen of op de vertrouwelijkheid van contacten tussen hulpzoekers en Stichting 113. Er zijn geen aanwijzingen dat chatgesprekken, telefonische contacten of andere vormen van hulpverlening zijn gecompromitteerd of voor onbevoegden toegankelijk zijn geweest. Dergelijke inhoudelijke hulpverleningsgegevens worden niet gedeeld met derden.
Voor zover Hackedemia de verwerking van persoonsgegevens door Stichting 113 heeft onderzocht, beperkte dat onderzoek zich tot gegevensverwerkingen die plaatsvinden in het kader van het gebruik van de website en niet tot de kern van de hulpverlening door Stichting 113. De bevindingen van Hackedemia zijn volgens Stichting 113 desondanks uiterst serieus genomen.
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Het gebruik van dergelijke techniek is onderworpen aan regels die hoofdzakelijk in de telecommunicatiewet zijn opgenomen. Het toezicht op de naleving van deze regels is belegd bij onafhankelijke toezichthouders. Een overzicht waar en in welke mate dit probleem verder voorkomt is niet bekend bij het kabinet. Het kabinet onderschrijft echter het belang ervan om deze problematiek onder de aandacht te brengen bij de relevante toezichthouders en zal dan ook de bevindingen van de onderzoeker bij hen onder de aandacht brengen.
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Met haar reactie op het trackingonderzoek van Hackedemia heeft Stichting 113 Zelfmoordpreventie op dat punt onmiskenbaar een stap gezet om het vertrouwen te bevorderen.
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Met de stelling is het kabinet het eens. Wat betreft de controlelijst stelt het kabinet vast dat deze is toegesneden op een concreet onderzoek. Het kabinet onderschrijft uiteraard het belang dat wettelijke kaders worden nageleefd. Op welke manier dat wordt geborgd, is in de eerste plaats aan verwerkingsverantwoordelijken zelf. De beoordeling daarvan is aan de onafhankelijke toezichthouders.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
Het is aan de zorgorganisaties zelf om te voldoen aan de geldende wet -en regelgeving. Toezicht op de naleving en de handhaving van deze geldende normen liggen bij de Autoriteit Persoonsgegevens en Autoriteit Consument en Markt.
Om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen is de NEN 7510 norm verplicht gesteld in de wet. Daarmee zijn er – bovenop de regels die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Telecommunicatiewet stellen – al regels om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen.