Het bericht ‘Zorgverzekeraars: premieopslag bij betalingsachterstand voor laagste inkomens naar 0%’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de wens van Zorgverzekeraars Nederland om de premieopslag in de wanbetalersregeling in de Zorgverzekeringswet te verlagen van 10% naar 0%? Wat is volgens u het effect van de huidige premieopslag in de wanbetalersregeling?1 Heeft de premieopslag volgens u het effect wat ermee is beoogd? Deelt u de conclusie van Zorgverzekeraars Nederland dat de huidige premieopslag een extra belasting is voor kwetsbare verzekerden?
Wat zegt het u dat zowel de uitvoerder van de wanbetalersregeling2 (het CAK) als de zorgverzekeraars het standpunt hebben dat de premieopslag verlaagd moet worden naar 0%?
Bent u bereid deze verlaging te gaan realiseren door een wetsvoorstel aanhangig te maken? Zo nee, wat houdt u tegen?
Zijn er (relevante) (advies)organen voorstander van het behouden van de premieopslag van 10%? Zo ja, welke en met welke argumentatie?
Heeft u informatie over hoeveel verzekerden in de wanbetalersregeling terechtgekomen zijn vanwege hun problematische schuldensituatie? Zo ja, wat zeggen deze cijfers u over de effectiviteit en het doel van de wanbetalersregeling met premieopslag?
Bent u bereid om met het CAK en Zorgverzekeraars Nederland in gesprek te gaan over hoe een wanbetalersregeling (waarbij verzekerden wel verzekerd blijven ondanks hun betalingsachterstand) eruit kan zien zonder premieopslag? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zou dit uitvoeringstechnisch haalbaar zijn?
Hoeveel levert de premieopslag nu aan inkomsten op, na verrekening van incasso- en deurwaarderskosten? Hoeveel van de opgelegde premieopslag wordt daadwerkelijk geïnd? Hoeveel incasso- en deurwaarderskosten worden hiervoor gemaakt?
Welke financiële gevolgen heeft het verlagen van de premieopslag naar 0% voor de Rijksbegroting?
Sluit u zich aan bij de Kamerbrede uitspraak (motie Ceder, Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) dat de premieopslag in de wanbetalersregeling moet verdwijnen? Zo nee, op welke wijze geeft u dan navolging aan de aangenomen motie? Zo ja, wanneer kan de Kamer een wetsvoorstel verwachten?
Kunt u de Kamer (alsnog) informeren over de in motie Ceder (Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) gevraagde informatie over wat er nodig is om de premieopslag uit de wanbetalersregeling te schrappen?
Misstanden bij You-Zorg Nederland en misbruik van mensen met een verstandelijke beperking |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorginstelling in Assen moet zorg deels staken. Eigenaar verdacht van verkrachting cliënt, zijn vrouw verzweeg geen diploma te hebben»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het feit dat opnieuw cliënten in een kwetsbare positie, mishandeld zijn door hun zorgaanbieder, laat zien dat het te makkelijk is om misbruik te maken van ons zorgsysteem?
Misbruik maken van mensen die afhankelijk zijn van zorg of ondersteuning is volstrekt onacceptabel. Juist mensen in een kwetsbare positie moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilige en goede zorg en ondersteuning ontvangen en dat publiek geld wordt besteed aan de zorg waarvoor het is bedoeld. Iedere situatie waarin dat vertrouwen wordt geschaad, is er één te veel. Daarom zet het kabinet in op een verdere versterking van de aanpak van zorgfraude en op maatregelen die voorkomen dat malafide aanbieders zich in de zorg kunnen vestigen of actief kunnen blijven (zie ook het antwoord op vraag 7).
Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of uw ministerie eerder signalen ontvangen over onveiligheid en gebrekkige zorg bij You-Zorg Noord? Zo ja, wanneer zijn deze signalen binnengekomen, wat was de aard van deze signalen en welke vervolgacties zijn ondernomen? Zijn er elders signalen binnengekomen? Zo ja, waar, wanneer en hoe zijn die opgepakt?
De Inspectie heeft sinds de oprichting van You-Zorg Noord signalen en meldingen ontvangen over You-Zorg Noord. De Inspectie mag volgens de wet geen uitspraken doen over de inhoud van signalen en meldingen. Sommige van die meldingen heeft de Inspectie eind 2025, na overleg met de politie en het Openbaar Ministerie, niet op de gebruikelijke wijze opgepakt. Dit deed de Inspectie om het gerechtelijk onderzoek ongehinderd doorgang te laten vinden. De andere meldingen waren voor de Inspectie aanleiding om in maart jl. een onderzoek te doen naar de kwaliteit en veiligheid van zorg binnen de organisatie als geheel. Dit onderzoek gaf aanleiding tot de aanwijzing die op 23 juni jl. is gepubliceerd. Het zorgkantoor heeft in 2025 1 melding ontvangen, waaraan opvolging is gegeven.
Hoe wordt geborgd dat alle cliënten van You-Zorg Noord zo snel mogelijk bij een andere zorgaanbieder terecht kunnen en hier ook passende zorg ontvangen?
De Inspectie heeft You-Zorg Noord zes weken de tijd gegeven voor de overdracht van cliënten. De zorgaanbieder is primair verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg en een zorgvuldige overdracht. Deze overdracht dient te gebeuren in overleg met de cliënt, de cliëntvertegenwoordiger en het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft contact met de mentoren van de betreffende cliënten om te bespreken hoe zij hen zo goed mogelijk kan ondersteunen bij het zoeken naar een nieuwe zorgaanbieder. De Inspectie verwacht dat cliënten zorgvuldig worden overgedragen waardoor de zorgaanbieder rechtmatig kan stoppen met het verlenen van zorg aan de betreffende cliënten. Als het You-Zorg Noord niet lukt om alle cliënten binnen de gestelde termijn over te dragen, zal de Inspectie op basis van de voortgangsrapportages en contextinformatie bepalen welke vervolgstappen zij dan nodig vindt. De Inspectie kan dan vervolgmaatregelen nemen zoals een nieuwe (zwaardere) aanwijzing of een last onder dwangsom of bestuursdwang.
Is er direct passende nazorg en ondersteuning geregeld voor de cliënten en de familieleden van deze cliënten?
Ik vind het van het grootst belang dat cliënten en hun familie de juiste nazorg ontvangen. Nazorg bij seksueel geweld is een verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder. De Inspectie heeft You-Zorg Noord gevraagd de cliënten en hun cliëntvertegenwoordigers op een passende manier te informeren over de aanwijzing, zodat cliënten zo snel mogelijk passende (na)zorg kunnen ontvangen. In een situatie waarin sprake is van signalen van ernstig grensoverschrijdend gedrag en mogelijke betrokkenheid van iemand met een bepalende positie binnen de organisatie, kan echter niet zonder meer worden verwacht dat de nazorg volledig door diezelfde organisatie wordt ingericht. In die gevallen is het van belang dat cliënten en hun naasten toegang hebben tot onafhankelijke ondersteuning. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 heeft het zorgkantoor contact met (de mentoren van) de betreffende cliënten om hen hierover te informeren.
Is er ooit door de Inspectie, vertrouwenspersonen of een andere onafhankelijke instantie gesproken met de cliënten van You-Zorg in het kader van een reguliere kwaliteitscontrole of specifiek ter preventie van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag?
De Inspectie heeft tijdens het bezoek in maart jl. gesproken met meerdere cliënten. Omdat er een gerechtelijk onderzoek liep naar de ex-bestuurder, heeft de Inspectie tijdens dit bezoek geen vragen gesteld over (mogelijke gedragingen van) de ex-bestuurder. Het zorgkantoor legt periodiek huisbezoeken af bij cliënten met een pgb. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de kwaliteit van de zorg en in hoeverre de budgethouder/pgb beheerder in staat is om daarop toe te zien. Dat er sprake was van ondermaatse zorg en ondersteuning of ongewenst gedrag richting cliënten van You-zorg Noord is hierbij niet naar voren gekomen.
Bent u van mening dat er momenteel voldoende waarborgen zijn om te voorkomen dat zorgverleners zonder voldoende deskundigheid of met verkeerde bedoelingen (langdurig) toegang hebben tot kwetsbare cliënten? Zo ja, kunt u dit onderbouwen aan de hand van concrete data en argumenten? Zo nee, welke concrete maatregelen gaat u op korte en lange termijn nemen om dit te verbeteren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zie ik dat kwaadwillenden de mazen van het zorgstelsel zoeken en misbruiken.
In mijn brief «Versterkte en samenhangende aanpak van zorgfraude» van 8 juni jl. (Kamerstukken II, 2025–2026, 28 828, nr. 163), heb ik beschreven hoe dit kabinet inzet op een stevig pakket maatregelen om zorgfraude en ondermijnende criminaliteit in de zorg harder aan te pakken. Dit gebeurt door malafide aanbieders nog strenger te toetsen bij de start. Nieuwe en herstartende zorgaanbieders worden strenger gecontroleerd, de inzet van de Wet Bibob wordt uitgebreid en toezicht- en opsporingsdiensten krijgen extra capaciteit om fraudeurs sneller op te sporen en aan te pakken en de samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en andere betrokken partijen wordt verder geïntensiveerd. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat publiek zorggeld verdwijnt in plaats van dat het ten goede komt aan mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben.
Met deze maatregelen wil het kabinet de weerbaarheid van het zorgstelsel vergroten, cliënten in een kwetsbare situatie beter beschermen en ervoor zorgen dat publiek geld terechtkomt waar het voor bedoeld is.
Welke concrete verbeteringen zijn er geweest na eerdere misstanden bij pgb-gefinancierde initiatieven, zoals bijvoorbeeld Aurora Borealis?
In de Kamerbrief over pgb-gefinancierde wooninitiatieven van juni 2024 (Kamerstukken II, 2023–2024, 25 657, nr. 360) en de antwoorden op de in vraag 9 bedoelde Kamervragen zijn verschillende maatregelen genoemd om de positie van bewoners van kleinschalige wooninitiatieven te verbeteren:
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de beloften die zijn gedaan in antwoord op mijn vragen uit oktober 20242 om het risico op misbruik in bij pgb-gefinancierde wooninitiatieven te verminderen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe vaak voert de IGJ momenteel risicogericht toezicht uit bij kleinschalige wooninitiatieven en zorgaanbieders waarbij de zorg grotendeels vanuit pgb’s wordt gefinancierd?
De Inspectie heeft in 2025 200 bezoeken gebracht aan aanbieders van gehandicaptenzorg. Deze aanbieders bieden vaak zorg en ondersteuning vanuit verschillende sectoren zoals gehandicaptenzorg, ggz, jeugdzorg en ouderenzorg. Hieronder vallen ook wooninitiatieven die (gedeeltelijk) vanuit een pgb worden gefinancierd. De Inspectie houdt geen gegevens bij over hoeveel toezichtstrajecten er bij vanuit pgb gefinancierde zorgaanbieders lopen.
Waarom wordt er niet voor gekozen om onze moties uit te voeren die vragen om meer inspecteurs voor specifiek deze doelgroep en gespecialiseerde vertrouwenspersonen die proactief instellingen en wooninitiatieven voor mensen met een (meervoudige) en/of psychische problematiek beperking te bezoeken?
In eerdere correspondentie met uw Kamer, waaronder de voortgangrapportages van de Toekomstagenda3 en ondersteuning voor mensen met een beperking, is gerapporteerd op de uitvoering van bovengenoemde moties Westerveld. Mijn ambtsvoorgangers vermelden de uitvoering van de moties langs meerdere lijnen waaronder de ophoging van het aantal inspecteurs dat namens de Inspectie actief is in de gehandicaptenzorg.
In de eerste voortgangsrapportage van de Toekomstagenda heeft mijn ambtsvoorganger opgemerkt dat de nadruk bij deze motie voor de ophoging van het aantal inspecteurs ligt op toezicht en controle. Uit gevoerde gesprekken met veldpartijen blijkt dat zij het werk van gespecialiseerde vertrouwenspersonen beschouwen als sluitstuk en geen signalen ontvangen van een gebrek aan vertrouwenspersonen.
Een cultuur waarin men zich bewust is van de risico’s omtrent (seksueel) grensoverschrijdend gedrag en waarbij grenzen bespreekbaar zijn is hierbij cruciaal. De afgelopen jaren heb ik samen met verschillende partijen gewerkt aan bewustwording en het bespreekbaar maken van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dit wordt onder andere gedaan door de ontwikkeling van een nieuwe richtlijn: seksualiteit en intimiteit in de langdurige zorg4. Door de toepassing van de richtlijn kunnen zorgverleners beter aansluiten bij de behoeften van cliënten. Dit helpt goede herkenning van seksuele en intieme ongewenst gedrag en daar op een goede wijze mee om te gaan. Op dit moment ben ik in gesprek met partijen over het verspreiden van kennis over grensoverschrijdend gedrag en daar zal ik mij voor blijven inzetten.
Bent u van mening dat ons zorgstelsel voldoende waarborgen bevat om mensen met een (meervoudige) beperking die vaak niet zelf kunnen melden en afhankelijk zijn van hun zorgverleners, te beschermen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze afschuwelijke situatie?
Ik ben van mening dat ons zorgstelsel in de basis een dekkend stelsel van waarborgen biedt om mensen in een kwetsbare situatie die zorg en ondersteuning nodig hebben te beschermen. Omdat veiligheid geen statisch gegeven is, maar continue aandacht vraagt, blijf ik in nauw contact met de Inspectie, zorgkantoren, brancheorganisaties en belangenbehartigers om te bezien waar regelgeving en/of uitvoering verder aangescherpt kan worden om bescherming van kwetsbare zorgvragers te kunnen garanderen.
Het bericht dat VUmc in 2040 stopt als ziekenhuis en de zorgtaken naar locatie AMC gaan |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VUmc stopt in 2040 als ziekenhuis, zorgtaken gaan naar locatie AMC»1 en van de strategische huisvestingsroute van Amsterdam UMC richting 2040?2
Ja.
Wat betekent dit voorgenomen besluit concreet voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc?
Voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc verandert er op dit moment niets3. Het gaat hier om een voorgenomen besluit van Amsterdam UMC, waarbij een richting is aangegeven voor de ontwikkeling van de organisatie tot 2040. Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat deze richting het komende jaar verder wordt uitgewerkt in een zogenoemd «masterplan». Pas nadat dit plan gereed is, zal duidelijk worden wanneer en welke zorgactiviteiten worden verplaatst van locatie VUmc naar de locatie van AMC.
Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat het de zorg uiteindelijk wil concentreren op één locatie, zodat voor patiënten duidelijker wordt waar zij voor hun zorg terechtkunnen en om de kwaliteit en continuïteit van de zorg verder te versterken.
Het is aan Amsterdam UMC om de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg verder uit te werken en daarbij de gevolgen voor patiënten, waaronder de bereikbaarheid van de zorg, zorgvuldig te betrekken.
Het kabinet hecht eraan dat besluiten over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod zorgvuldig tot stand komen, waarbij alle relevante belangen in een vroeg stadium worden betrokken en gewogen. Om de regionale dialoog tussen betrokkenen bij (mogelijke of voorgenomen) wijzigingen in het aanbod van acute zorg en ziekenhuiszorg te bevorderen, heeft het kabinet een handreiking opgesteld4.
In de handreiking staan adviezen om de betrokkenheid van alle belanghebbenden te borgen. Door alle belangen te horen en te wegen en hier vroegtijdig met elkaar over in gesprek te gaan, wordt begrip gecreëerd en worden besluiten breed gedragen in de regio. Dit bevordert een zorgvuldig besluitvormingsproces. Bij de verdere uitwerking en eventuele besluitvorming over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod dient het Amsterdam UMC uiteraard ook de daarvoor geldende wet- en regelgeving in acht te nemen. Daaronder vallen, indien van toepassing, ook de voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz over een zorgvuldige besluitvormingsprocedure bij wijzigingen in het (acute) zorgaanbod.
Begrijpt u dat patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking zich zorgen kunnen maken als een ziekenhuislocatie in hun buurt op termijn verdwijnt?
Uiteraard kan het zo zijn dat de berichtgeving over het voorgenomen besluit vragen oproept bij patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking. Tegelijkertijd is op dit moment nog geen sprake van een uitgewerkt plan voor de verplaatsing van zorgactiviteiten. Zoals aangegeven werkt Amsterdam UMC het voorgenomen besluit het komende jaar verder uit. Daarna zal duidelijk worden wanneer en welke zorgactiviteiten worden verplaatst. Voor het kabinet staat voorop dat patiënten ook tijdens eventuele veranderingen moeten kunnen blijven rekenen op toegankelijke, kwalitatief goede en continu beschikbare zorg. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor een zorgvuldige uitvoering van dergelijke veranderingen en voor de continuïteit van zorg gedurende het hele proces.
Wat betekent het verdwijnen van de ziekenhuisfunctie op locatie VUmc voor de bereikbaarheid van ziekenhuiszorg voor inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten?
Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat het als universitair medisch centrum (umc) voornamelijk hoogcomplexe derdelijnszorg verleent aan patiënten die veelal vanuit andere ziekenhuizen (de tweedelijn) worden doorverwezen. Deze patiënten komen niet alleen uit de regio Noord-Holland en Flevoland, maar uit het hele land. Het Amsterdam UMC heeft daarnaast toegelicht dat inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten voor veel medisch-specialistische zorg ook terechtkunnen bij andere ziekenhuizen in de regio. Voor patiënten die zijn aangewezen op de hoogcomplexe zorg van het Amsterdam UMC wordt aangegeven dat een eventuele concentratie van de zorg op locatie AMC naar verwachting slechts een beperkte verandering van de reistijd met zich mee zal brengen. Ook is de spoedeisende hulp van Amsterdam UMC sinds 2024 al geconcentreerd op locatie AMC. Dus voor de acute zorg verandert er niets ten opzichte van de situatie zoals die sinds 2024 was.
Is onderzocht hoeveel langer patiënten straks onderweg zijn naar het ziekenhuis, zowel met de auto, het openbaar vervoer als de ambulance?
Nee, dit is (nog) niet onderzocht.
Voor wat betreft vervoer per ambulance geldt dat de spoedeisende hulp van Amsterdam UMC sinds 2024 al geconcentreerd is op locatie AMC. Dat betekent dat patiënten al niet meer door de ambulance naar de VUmc locatie worden gebracht.
Kunt u uitsluiten dat deze concentratie van ziekenhuiszorg leidt tot langere reistijden, langere wachttijden of minder toegankelijke zorg voor patiënten?
Het kabinet kan daar op dit moment geen uitspraken over doen. De inrichting van het zorgaanbod en de organisatie van de zorgverlening zijn in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder, in dit geval dus het Amsterdam UMC. Het is aan Amsterdam UMC om de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg verder uit te werken en daarbij de gevolgen voor patiënten, waaronder de bereikbaarheid van de zorg, zorgvuldig te betrekken. Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat voor een beperkte groep patiënten de reistijd naar verwachting met maximaal 30 minuten zal toenemen, terwijl voor een andere groep patiënten de reistijd juist zal afnemen. Daarnaast heeft het ziekenhuis laten weten dat het niet verwacht dat de voorgenomen concentratie zal leiden tot langere wachttijden of een verminderde toegankelijkheid van de zorg. Volgens het Amsterdam UMC biedt het samenbrengen van de patiëntenzorg op één locatie de mogelijkheid om de beschikbare capaciteit, waaronder schaars personeel, efficiënter in te zetten en daarmee op termijn de toegankelijkheid van de zorg te verbeteren.
Klopt het dat financiële redenen, zoals te veel vierkante meters en hoge huisvestingskosten, een belangrijke rol spelen bij dit voorgenomen besluit?
Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat naast het verder verbeteren van de kwaliteit en continuïteit van zorg ook de omvang van de vastgoedportefeuille, de daarmee samenhangende huisvestings- en exploitatiekosten en duurzaamheidsdoelstellingen belangrijke redenen zijn voor het voorgenomen besluit. Volgens het ziekenhuis maakt de huidige situatie met twee ziekenhuislocaties het bovendien complexer om hoogcomplexe zorg te organiseren, onder meer vanwege de schaarste aan gespecialiseerd personeel, de inzet van expertise en voorzieningen op twee locaties en de toenemende zorgvraag van patiënten met complexe aandoeningen. Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat het door de patiëntenzorg op één locatie te concentreren de beschikbare middelen en capaciteit doelmatiger kan inzetten, zodat meer middelen beschikbaar blijven voor de zorgverlening.
Hoe voorkomt u dat betaalbaarheid, vastgoed en efficiency zwaarder gaan wegen dan goede en bereikbare zorg voor patiënten?
Het is niet aan het kabinet om te treden in de bedrijfsvoering of strategische keuzes van individuele zorgaanbieders. Bij keuzes over de inrichting van de zorg is steeds een zorgvuldige afweging nodig tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Deze aspecten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en moeten alle drie voldoende worden geborgd.
Hoe kijkt u terug op het eerdere verdwijnen van de spoedeisende hulp en de huisartsenpost op locatie VUmc, juist omdat toen al zorgen bestonden over werkdruk en toegankelijkheid van zorg?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zorgaanbieders voortdurend nadenken over een toekomstbestendige organisatie van hun zorgaanbod, mede gezien de toenemende zorgvraag en de schaarste aan zorgpersoneel. Daarbij is het van belang dat keuzes zorgvuldig worden gemaakt en dat kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor patiënten steeds geborgd blijven. Het Amsterdam UMC heeft aangegeven dat deze overwegingen, waaronder de werkdruk en de duurzame inzetbaarheid van schaarse zorgprofessionals, een belangrijke rol hebben gespeeld bij de het eerdere besluit om de acute zorg te concentreren.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing dat het door dit besluit moeilijker kan worden om de geneeskundeopleiding van de Vrije Universiteit in stand te houden?
Het kabinet heeft begrepen dat het uitgangspunt is dat de geneeskundeopleidingen aan beide medische faculteiten van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) blijven bestaan.
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit volgens u voor de opleidingscapaciteit van artsen en medisch specialisten in Amsterdam?
Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat het voorgenomen besluit geen impact heeft op de opleidingscapaciteit.
Deelt u de zorg dat het verminderen van ziekenhuiscapaciteit onverstandig kan zijn met het oog op de vergrijzing, waarbij de zorgvraag juist verder zal toenemen?
Het Amsterdam UMC heeft in dit verband aangegeven dat met de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg op locatie AMC weliswaar sprake is van minder vierkante meters, maar niet feitelijk van een afname van de ziekenhuiscapaciteit. Volgens het ziekenhuis blijft de personele inzet behouden en biedt concentratie juist mogelijkheden om personeel efficiënter in te zetten en meer middelen beschikbaar te houden voor de zorgverlening, in plaats van voor vastgoed en huisvesting.
Deelt u de zorg dat met het verdwijnen van ziekenhuiscapaciteit ook de beschikbare capaciteit voor rampen, calamiteiten, infectie-uitbraken of oorlogssituaties verder afneemt?
UMC's hebben vanuit hun wettelijke taken binnen de acute zorg en traumazorg een belangrijke verantwoordelijkheid in de voorbereiding op en de inzet tijdens rampen, calamiteiten en grootschalige infectie-uitbraken. Het kabinet ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC leidt tot een afname van de hiervoor beschikbare capaciteit.
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit voor het zorgpersoneel op beide locaties, en hoe wordt voorkomen dat medewerkers door onzekerheid over hun werkplek of toekomst afhaken?
Het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC is een richting voor de komende 15 jaar, dus tot 2040. Op korte termijn verandert er niets voor patiënten, medewerkers van Amsterdam UMC of studenten.
Het is aan het Amsterdam UMC als werkgever om invulling te geven aan de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de medewerkers en hen daarbij zorgvuldig te betrekken. Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat de voorgenomen concentratie van de patiëntenzorg op één locatie uiteindelijk moet bijdragen aan een doelmatigere inzet van zorgprofessionals en middelen. Het ziekenhuis heeft daarbij aangegeven zich ervan bewust te zijn dat het voorgenomen besluit onzekerheid kan meebrengen voor medewerkers, mede omdat een deel van hen de afgelopen jaren al een verhuizing heeft meegemaakt. Volgens het Amsterdam UMC verandert er op korte termijn niets voor de inzet van zorgprofessionals en zijn hun kennis en inzet de komende jaren onverminderd nodig. Daarnaast heeft het ziekenhuis aangegeven zorgprofessionals te betrekken bij de uitwerking van de plannen en medewerkers gedurende het proces tijdig te informeren en ruimte te bieden om mee te denken over de verdere invulling van de plannen.
Heeft de cliëntenraad Amsterdam UMC al advies uitgebracht over dit voorgenomen besluit en zo ja, kunt u dit advies met de Kamer delen? Zo nee, waarom is de cliëntenraad nog niet om advies gevraagd?
Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat het voorgenomen besluit gelijktijdig is voorgelegd aan de medezeggenschapsorganen van het ziekenhuis. Het gaat hierbij naast de ondernemingsraden ook om de verpleegkundige adviesraad (VAR), het stafconvent, de studentenraden en de cliëntenraad. Volgens het Amsterdam UMC heeft de cliëntenraad het voorgenomen besluit op 19 juni jl. ontvangen met het verzoek hierover advies uit te brengen. De raad van bestuur van het Amsterdam UMC verwacht na de zomer een definitief besluit te nemen, waarbij de adviezen van de medezeggenschapsorganen worden betrokken.
Het is aan Amsterdam UMC om te bepalen hoe wordt omgegaan met de adviezen van de medezeggenschapsorganen en of deze openbaar worden gemaakt. Het kabinet beschikt niet over dit document.
Bent u bereid de Kamer voor het definitieve besluit te informeren over de gevolgen voor patiënten, bereikbaarheid, acute zorg, wachttijden, personeel, opleidingscapaciteit, rampenopvang en de toegankelijkheid van ziekenhuiszorg in de regio? Zo nee, waarom niet?
Bij de verdere uitwerking en eventuele besluitvorming over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod dient het Amsterdam UMC de daarvoor geldende wet- en regelgeving in acht te nemen. Daaronder vallen, indien van toepassing, ook de voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz over een zorgvuldige besluitvormingsprocedure bij wijzigingen in het (acute) zorgaanbod, waaronder het tijdig betrekken en informeren van relevante stakeholders en andere betrokkenen. Daarnaast werd hierboven al verwezen naar de handreiking die het kabinet heeft opgesteld over het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden. De verdere uitwerking door het Amsterdam UMC vindt plaats in het eerder genoemde «masterplan» dat naar verwachting eind 2027 gereed zal zijn. Volgens het Amsterdam UMC worden onder meer de gevolgen voor patiënten, medewerkers, opleiden en onderzoek, de zorgcapaciteit en de borging van de kwaliteit van zorg nog nader uitgewerkt. Ook zullen onderdelen van de planvorming opnieuw ter advisering worden voorgelegd aan de medezeggenschapsorganen.
Klopt het dat het eerder genoemde plan voor een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie voor Amsterdam UMC, waarover in 2025 werd bericht, niet langer aan de orde is? Zo nee, welke onderdelen van dat plan spelen nog wel een rol bij de huidige strategische huisvestingsroute?3
Het kabinet beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat sprake is geweest van een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie van het Amsterdam UMC. Het Amsterdam UMC heeft laten weten dat de berichtgeving waarnaar wordt verwezen betrekking had op een idee dat destijds door een aantal (oud-)medewerkers is geopperd en niet op een formeel plan van het ziekenhuis.
Het opheffen van het gespecialiseerde IGJ-team voor de aanpak van zorgfraude |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Team dat zorgfraude onderzoekt opgeheven bij Inspectie, terwijl regulier toezicht signalen niet oppakt: «Inspecteurs worden misleid door malafide zorgaanbieders»»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het speciale team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) wordt opgeheven?
Ik ben op de hoogte en heb hierover op 26 juni contact gehad met de IGJ.
Wat is volgens u de verklaring voor het opheffen van dit team?
De IGJ heeft aangegeven dat het programma IBZ vanaf de start in 2022 tijdelijk is ingericht om kennis, expertise en werkwijzen op te bouwen rond integere bedrijfsvoering, zorgfraude en zorgverwaarlozing. Het was vanaf het begin de bedoeling om deze kennis en werkwijzen vervolgens structureel te borgen in de organisatie. Er is volgens de IGJ dan ook geen sprake van afbouw of van een inhoudelijke koerswijziging, maar van een andere organisatorische inbedding.
De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en bepaalt zelf hoe zij haar organisatie inricht. Het past mij daarom niet om in die organisatorische keuzes te treden. De IGJ heeft benadrukt dat zorgfraude een prioriteit blijft en dat de opgebouwde kennis en expertise behouden blijven.
Hebben overwegingen rond de veiligheid van de zorg invloed gehad op dit besluit? Zo ja, op welke manier?
De IGJ geeft aan dat veiligheid en kwaliteit van zorg leidend zijn en blijven voor het toezicht van de IGJ. De IGJ treedt op wanneer fraude, ondermijnende criminaliteit in de zorg of niet-integere bedrijfsvoering leidt tot ernstige en concrete risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van zorg.
De organisatorische wijziging rond IBZ is door de IGJ toegelicht als een stap om de opgebouwde kennis en werkwijzen structureel te borgen binnen het toezicht. De gedachte daarbij is dat signalen van zorgfraude, misleiding, niet-integere bedrijfsvoering en zorgverwaarlozing breder in de organisatie kunnen worden herkend, gewogen en opgepakt.
Deelt u de zorg dat de aanpak van zorgfraude in de praktijk nog altijd tekortschiet en dat juist daarom specialistische expertise binnen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) noodzakelijk blijft?
Ja, ik deel de zorgen van de Kamer dat de aanpak van zorgfraude verstevigd moet worden. In mijn brief van 8 juni heb ik de Kamer geïnformeerd over een breed pakket aan maatregelen tegen zorgfraude. Bij de aanpak van zorgfraude zijn naast de IGJ vele partners betrokken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheden, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit en de recherche zorgfraude van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Zorgfraude is een prioriteit van alle betrokken partners, ook van de IGJ. De IGJ treedt op wanneer fraude, ondermijnende criminaliteit of niet-integere bedrijfsvoering leidt tot ernstige en concrete risico's voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Ik vind het belangrijk dat de IGJ hierbij multidisciplinair samenwerkt en dat de specialistische expertise behouden blijft. De IGJ heeft mij laten weten dat de binnen IBZ opgebouwde expertise behouden blijft en structureel wordt geborgd.
Acht u het uitlegbaar dat juist dit gespecialiseerde team voor de aanpak van zorgfraude wordt opgeheven, terwijl u in juni nog een plan presenteerde waarin wordt ingezet op multidisciplinaire teams om zorgfraude beter te bestrijden? Kunt u hier een toelichting op geven?
De IGJ heeft mij laten weten dat er geen sprake is van afbouw of van een inhoudelijke koerswijziging, maar van een andere organisatorische inbedding en zal nauw blijven samenwerken met de betrokken partners. Dit is in lijn met de brief van 8 juni die gaat over een versterkte en samenhangende aanpak van zorgfraude door alle betrokken ketenpartners, ieder vanuit de eigen wettelijke taak. Daarbij is juist multidisciplinaire samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten, gemeenten, zorgverzekeraars, zorgkantoren en andere partners noodzakelijk.
Was u op de hoogte van de interne spanningen binnen de IGJ over de aanpak van zorgfraude en het verschil van inzicht tussen het reguliere toezicht en het gespecialiseerde IBZ-team?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving hierover. De berichtgeving heeft mij wel verrast. Naar aanleiding van de uitzending, de motie, en de vragen die deze heeft opgeroepen, heb ik op 26 juni met de IGJ gesproken over de organisatorische wijzigingen rond IBZ en over de borging van kennis en expertise.
Het is niet aan mij om interne verhoudingen of professionele verschillen van inzicht binnen de IGJ te beoordelen. De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en maakt eigen professionele en organisatorische afwegingen. Voor mij is van belang dat zorgfraude, ondermijnende criminaliteit in de zorg en zorgverwaarlozing serieus worden opgepakt waar deze raken aan kwaliteit en veiligheid van zorg, en dat de daarvoor opgebouwde kennis en inzet behouden blijft. De IGJ heeft benadrukt dat zorgfraude een prioriteit blijft en dat de opgebouwde kennis en expertise behouden blijven.
Is er volgens u een verband tussen deze spanningen binnen de IGJ en het opheffen van het IBZ-team?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat er binnen de IGJ zorgen zijn geuit over verlies van expertise over de aanpak van zorgfraude door het verdwijnen van dit gespecialiseerde team?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe bent u van plan deze kennis over zorgfraude te borgen binnen de IGJ? Kunt u dat toelichten?
De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder. De IGJ is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar organisatie en de wijze waarop zij haar toezicht uitvoert. De IGJ heeft mij laten weten dat zij de binnen IBZ opgebouwde kennis, expertise en werkwijzen structureel borgt in het toezicht.
Concreet gaat het volgens de IGJ om het borgen van expertise, taken, capaciteit, werkprocessen, multidisciplinaire casusbeoordeling, de externe liaisonfunctie en de samenwerking en informatie-uitwisseling met ketenpartners. De gedachte is dat deze kennis niet geïsoleerd blijft in een tijdelijk programma, maar breder beschikbaar wordt binnen het toezicht, zodat de samenhang in de werkzaamheden kan worden gerealiseerd.
Ik heb er vertrouwen in dat de IGJ de kennis, expertise en taken die binnen het programma IBZ zijn opgebouwd, zorgvuldig borgt in het toezicht. In mijn gesprekken met de IGJ zal ik de voortgang hiervan volgen.
Wat bent u concreet van plan met de in uw plan aangekondigde multidisciplinaire teams voor de aanpak van zorgfraude?
In de brief van 8 juni heeft het kabinet uiteengezet dat zorgfraude alleen effectief kan worden aangepakt door samenwerking tussen alle betrokken partijen. Malafide aanbieders maken gebruik van versnippering tussen domeinen, organisaties en bevoegdheden. Daarom zet het kabinet in op vernieuwende vormen van multidisciplinaire samenwerking, waarbij toezichthouders en opsporingsinstanties waar mogelijk gezamenlijk optrekken.
De ervaringen met het Multidisciplinair Operationeel Plan laten zien dat deze werkwijze kan bijdragen aan sneller en effectiever optreden bij complexe fraudesignalen. Het kabinet wil deze vorm van samenwerking structureler inzetten en verder versterken. Daarnaast wordt gewerkt aan betere gegevensdeling, meer fysieke controles bij nieuwe en herstartende aanbieders, aanscherping van toetredingseisen en extra capaciteit voor toezicht, opsporing en handhaving.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn en voor de opheffing van het IBZ-team te informeren over hoe de specialistische kennis wordt geborgd?
De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en bepaalt zelf hoe zij haar organisatie inricht. Het is daarom niet aan mij om voorafgaand aan een interne organisatorische wijziging afzonderlijk aan uw Kamer te rapporteren over de precieze inrichting daarvan.
De IGJ heeft toegelicht dat de tijdelijke programmafase van IBZ wordt afgerond en dat de opgebouwde kennis, expertise, taken, werkprocessen, multidisciplinaire casusbeoordeling en samenwerking met ketenpartners structureel worden ondergebracht in het toezicht.
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Het bericht 'Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld»?1
Wat is uw reactie op de bevindingen van Nederlandse deskundigen over het verband tussen huiselijk geweld en suïcide?
Herkent u het beeld dat huiselijk geweld, psychische mishandeling, stalking en dwingende controle belangrijke risicofactoren zijn voor suïcidaliteit onder vrouwen? Zo ja, op welke manier wordt hiermee rekening gehouden in beleid en praktijk?
Zijn er cijfers bekend waaruit blijkt in hoeveel gevallen van suïcide sprake was van (een voorgeschiedenis van) huiselijk geweld? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe dit beter in beeld kan worden gebracht?
Bent u bereid te bezien of de registratie van huiselijk geweld, suïcidepogingen en suïcides beter op elkaar kan worden aangesloten, zodat patronen eerder kunnen worden herkend en gerichter beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden voor politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen wanneer er aanwijzingen zijn dat huiselijk geweld, psychische mishandeling of dwingende controle hebben bijgedragen aan een suïcide?
Bent u bekend met het fenomeen «staged suicide», waarbij een overlijden ten onrechte als suïcide wordt aangemerkt terwijl sprake kan zijn van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre komt dit volgens u voor in Nederland?
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van staged suicide in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kan het aangekondigde wetsvoorstel over de strafbaarstelling van psychisch geweld bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling mogelijk leidt tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide?
Op welke wijze wordt binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke risicogroep?
Bent u op de hoogte van de situatie in Utrecht en Zuid-Limburg waarbij hoogzwangere vrouwen hun eerder toegezegde kraamzorg alsnog verliezen?1
Ja, het kabinet is op de hoogte van de situatie.
Kunt u zich voorstellen welke onzekerheid dit teweeg brengt bij zwangere vrouwen?
Ja, het brengt voor aanstaande ouders onzekerheid teweeg om te horen dat eerder toegezegde kraamzorg toch niet beschikbaar is. Het kabinet vindt dergelijke situaties zeer onwenselijk en vindt het van belang dat elke kraamvrouw die dat wil in ieder geval het minimum van 24 uur ontvangt.
Hoe kan het gebeuren dat vrouwen zo kort voor de bevalling te horen krijgen dat reeds toegezegde kraamhulp toch niet beschikbaar is?
Uit navraag bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het betreffende kraamzorg samenwerkingsverband (KSV) komt naar voren dat de capaciteitsproblemen bij De Kraamvogel in Utrecht zijn ontstaan in de periode tussen de aanmelding van deze zwangeren en het moment dat de organisatie de zorg heeft teruggegeven. Op dat moment bleek dat De Kraamvogel niet alle zorg kon leveren zoals eerder toegezegd aan de zwangeren. Zij hebben dit vervolgens laat met de ketenpartners besproken. Partijen in de regio zijn direct aan de slag gegaan om alternatieve kraamzorg voor deze zwangeren te realiseren. Dat is ook gelukt door middel van centraal wachtlijstbeheer, actieve bemiddeling binnen en buiten de regio, inzet van zelfstandige kraamverzorgenden, de inzet van het door het KSV georganiseerde kraamhotel in het St. Antonius en aanvullende digitale zorg.
Bent u het ermee eens dat een dergelijke gang van zaken onaanvaardbaar is en vanaf nu voorkomen moet worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het zeer onwenselijk dat eerder toegezegde zorg op een dergelijke korte termijn niet geleverd wordt. Na het ontstaan van de problematiek hebben zorgverzekeraars, het KSV, kraamzorgorganisaties, verloskundigen en ziekenhuizen direct geschakeld om zo snel mogelijk alternatieve kraamzorg voor de getroffen zwangeren te organiseren. Dit is ook gelukt, waarvoor complimenten. Dit laat zien hoe belangrijk integrale samenwerking is om capaciteitsproblemen het hoofd te bieden en tijdig maatregelen te treffen wanneer dit nodig is.
De branche heeft een normenkader opgesteld dat kraamzorgaanbieders en KSV’s helpt om beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten en ervoor te zorgen dat iedere cliënt tenminste de minimaal noodzakelijke kraamzorg ontvangt. De schaarste aan personeel vraagt om betere samenwerking en regionale afstemming op KSV-niveau. Binnen het transformatieplan van de sector wordt daarom gewerkt aan het versterken van de positie van KSV’s. Hierdoor wordt de regionale samenwerking tussen kraamzorgorganisaties verbeterd. Het helpt onder andere bij het regionaal in kaart brengen van vraag en aanbod en om het aanbod eerlijk te verdelen. Op 7 juli heeft met Bo geboortezorg een gesprek plaatsgevonden onder andere over de ondersteuning van de implementatie van dit basiskader. De komende tijd zal het kabinet verkennen op welke wijze deze implementatie ondersteund kan worden.
Welke verantwoordelijkheid hebben kraamzorgorganisaties wanneer zij eerder toegezegde zorg niet meer kunnen leveren?
De toegankelijkheid, kwaliteit en continuïteit van zorg is de verantwoordelijkheid van kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars. De NZa en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zien hierop toe. Wanneer een zorgorganisatie eerdere toezeggingen niet kan nakomen, bijvoorbeeld als gevolg van personeelskrapte, is het belangrijk dat een cliënt snel alsnog terecht kan bij een andere aanbieder. Om dit mogelijk te maken verwacht de IGJ van aanbieders dat zij actief op regionaal niveau samenwerken om de capaciteit in een regio beter te verdelen en pieken op te vangen.
Ook de zorgverzekeraar heeft vanuit diens zorgplicht een verantwoordelijkheid om regionale samenwerking te bevorderen. Daarnaast verwacht de NZa dat een kraamzorgaanbieder zo spoedig mogelijk meldt bij de zorgverzekeraar, dat zij toegezegde zorg niet kan nakomen. Dergelijke afspraken zijn doorgaans ook contractueel vastgelegd tussen zorgaanbieder en -verzekeraar. Het is vervolgens aan de zorgverzekeraar om, indien nodig, te zorgen dat zwangeren bemiddeld worden naar andere kraamzorgaanbieders. Als verzekerden niet de zorg hebben gekregen waar zij recht op hebben, dan spreekt de NZa de zorgverzekeraar daarop aan.
Hoe wordt voorkomen dat door deze gang van zaken de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor moeder en kind in gevaar komen?
In de specifieke situatie in Utrecht zijn de partijen in de regio direct aan de slag gegaan om alternatieve kraamzorg voor deze zwangeren te realiseren. Dat is, zoals eerder aangegeven, ook gelukt.
Op landelijk niveau hebben Bo geboortezorg en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) afspraken gemaakt over krapteregio’s, zoals Zuid-Limburg, om ervoor te zorgen dat alle cliënten in ieder geval worden voorzien van het minimum aantal uur. Als in regio’s met (verwachte) krapte extra regionale inzet en/of interventies nodig zijn, dan kunnen deze worden ingezet en bekostigd. Dit gebeurt aan de hand van een regioplan dat regionale partijen in overleg met preferente zorgverzekeraar(s) opstellen.
Kunt u in het bijzonder toelichten wat er wordt gedaan om te voorkomen dat juist kwetsbare vrouwen en gezinnen de komende zomer geen toegang hebben tot kraamzorg?
Kwetsbare gezinnen krijgen binnen de geboortezorg extra aandacht. Of sprake is van kwetsbaarheid wordt in de eerste plaats beoordeeld door zorgverleners en kraamzorgaanbieders tijdens de intake en zorgverlening. In situaties van schaarste werken kraamzorgaanbieders, het KSV en zorgverzekeraars samen om beschikbare capaciteit zo in te zetten dat passende zorg beschikbaar blijft. In Utrecht biedt het gezamenlijk opgerichte kraamhotel een belangrijke oplossing voor kwetsbare gezinnen. Daar kunnen gezinnen direct na de bevalling verblijven en kraamzorg ontvangen. Hierdoor ontstaat tijd om aanvullende zorg thuis te organiseren. Het hotel wordt bovendien veel gebruikt door gezinnen die extra begeleiding of observatie nodig hebben.
De IGJ ziet in haar toezicht dat het capaciteitsprobleem kraamzorggezinnen in een kwetsbare situatie in verhouding harder treft. Zwangeren in een kwetsbare situatie melden zich bijvoorbeeld vaker laat bij een kraamzorgaanbieder en komen dan op de wachtlijst, terwijl juist zij de kraamzorg vaak hard nodig hebben. Zij zijn soms minder goed in staat om de weg naar de zorg te vinden. De IGJ vraagt in haar publicatie van maart 20262, kraamzorgaanbieders, beleidsmakers en inkopers om bij het verdelen van de beschikbare capaciteit goed te letten op zwangeren die zich in een kwetsbare positie bevinden.
Voor de langere termijn werkt de sector aan een aantal grote landelijke transities die moeten leiden naar meer passende zorg, zoals de implementatie van de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM) en digitale zorg. Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van de verdeling van schaarse capaciteit via een capaciteitsdashboard, partuspools, en ontwikkeling van een KSV-kader en het versterken van de instroom en behoud van zorgprofessionals.
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars hun zorgplicht in deze situatie hebben ingevuld?
Uit navraag bij zowel de NZa als ZN komt het volgende beeld naar voren. Zodra zorgverzekeraars op de hoogte werden gesteld van de situatie in Utrecht, hebben zij contact onderhouden met De Kraamvogel en met de coördinator binnen het KSV. Met de coördinator is afgestemd hoe de zwangeren die niet langer terecht kunnen bij De Kraamvogel bemiddeld kunnen worden, zodat zij alsnog kraamzorg kunnen ontvangen. Deze zwangeren ontvangen thuis zorg van andere kraamzorgaanbieders of in het kraamhotel van het KSV in het St. Antonius ziekenhuis.
Kunt u garanderen dat vrouwen die op deze manier noodgedwongen in een kraamhotel terecht komen niet met extra kosten (voor bijvoorbeeld vervoer of verblijf) te maken krijgen? Als dit onverhoopt wel het geval is, worden deze gezinnen hiervoor gecompenseerd door de zorgaanbieder of de verzekeraar?
Het uitgangspunt is dat de inzet van deze voorzieningen niet mag leiden tot drempels om noodzakelijke kraamzorg te ontvangen. Zorgverzekeraars vergoeden de zorg en het verblijf van de kraamvrouw in het kraamhotel, behoudens de kosten die men ook zou hebben bij reguliere kraamzorg thuis. Voor eventuele overige kosten zoals parkeerkosten, maaltijden of kosten voor verblijf van de partner, bestaan geen landelijke afspraken over vergoeding of compensatie. In enkele regio's zijn hierover aanvullende afspraken gemaakt.
De gebruikelijke wettelijke eigen bijdrage voor kraamzorg blijft van toepassing. In een kraamhotel worden meer uren geleverd, daardoor valt deze bijdrage hoger uit. Veel verzekerden krijgen deze eigen bijdrage geheel of gedeeltelijk vergoed vanuit hun aanvullende verzekering. In Utrecht neemt de gemeente voor de kwetsbare groep een deel van de kosten op zich. Eventuele individuele vragen of knelpunten kunnen met de eigen zorgverzekeraar worden besproken.
Welke ondersteuning krijgen gezinnen die geen gebruik kunnen of willen maken van een kraamhotel?
Het uitgangspunt is dat gezinnen minimaal 24 uur passende kraamzorg ontvangen. Het KSV heeft laten weten dat gezinnen die geen gebruik willen maken van het kraamhotel op de centrale wachtlijst blijven staan. Middels bemiddeling wordt actief gezocht naar beschikbare capaciteit bij kraamzorgorganisaties en zelfstandige kraamverzorgenden binnen en buiten de regio. Daarnaast kan digitale ondersteuning worden ingezet.
Zijn bij u signalen bekend dat dit ook in andere regio’s speelt?
Arbeidsmarktkrapte in de kraamzorg is een landelijk vraagstuk en de problemen hieromtrent spelen in meerdere regio’s. Door Bo geboortezorg wordt een overzicht3 bijgehouden welke KSV regio’s te maken hebben met code rood. ZN geeft aan dat de situatie zoals die in Utrecht uitzonderlijk is. Zij zijn bekend met één andere situatie, waarbij cliënten uiteindelijk tijdig door een andere aanbieder zijn overgenomen.
Bij de IGJ zijn naar aanleiding van berichtgeving vanuit de Kraamvogel enkele signalen ontvangen. Dit betroffen signalen met betrekking tot het niet kunnen leveren van de kraamzorg en het plaatsen van de kraamvrouwen op de wachtlijst van de betreffende regio’s. Er zijn dit jaar geen meldingen van calamiteiten, zoals bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), binnengekomen over de regio Utrecht met betrekking tot kraamzorg. Er zijn ook geen andere signalen bekend bij de IGJ dat zwangeren worden uitgeschreven en het verzoek krijgen om zich aan te melden voor de regionale wachtlijst. Ook bij de NZa zijn geen andere signalen bekend.
Kunt u toelichten welke (regionale) afspraken er zijn gemaakt om te garanderen dat elke vrouw de kraamzorg krijgt waar zij gewoon recht op heeft?
Op landelijk niveau hebben Bo geboortezorg en ZN afspraken gemaakt over krapteregio’s om ervoor te zorgen dat alle cliënten worden voorzien van in ieder geval het minimum aantal uur. Als in regio’s met (verwachte) krapte extra regionale inzet en/of interventies nodig zijn dan kunnen deze worden ingezet en bekostigd aan de hand van een regioplan dat regionale partijen in overleg met preferente zorgverzekeraars opstellen. Interventies die regionaal worden ingezet zijn actieve wachtlijstbemiddeling, het (tijdelijk) opzetten van een kraamhotel, het opzetten van een centrale partuspool en extra regionaal opleiden.
Bieden deze afspraken naar uw overtuiging voldoende zekerheid voor vrouwen?
Het kabinet is ervan overtuigd dat met de gemaakte afspraken de beschikbare capaciteit zo efficiënt mogelijk wordt ingezet en ieder die dat wil voorzien wordt van de noodzakelijke kraamzorg thuis of bijvoorbeeld in een kraamhotel. De wijze waarop de verschillende partijen in Utrecht hun rol gepakt hebben om alle zwangeren alsnog te voorzien van kraamzorg is daar een goed voorbeeld van. Het kabinet is van mening dat goede samenwerking daarbij onontbeerlijk is.
Hoe wordt de regionale ongelijkheid aangepakt nu sommige delen van Nederland blijkbaar met méér tekorten kampen dan andere?
Regionale verschillen in beschikbaarheid van personeel vragen om regionale oplossingen. Regio’s met (verwachte) krapte bepalen in afstemming met de zorgverzekeraars welke interventies nodig zijn om de toegankelijkheid te kunnen borgen.
De NZa stimuleert verzekeraars om, samen met regionale partijen, ook te zoeken naar oplossingen buiten de eigen regio. De NZa ziet er op toe dat de verdeling van de schaarse capaciteit proactief wordt aangestuurd door verzekeraars. Daarnaast is het toezicht van de NZa erop gericht dat zorgverzekeraars samen met veldpartijen tot een toekomstgerichte aanpak komen. Dat is gerealiseerd met de visie en versnellingsagenda van ZN en Bo Geboortezorg. De daadwerkelijke effectuering van deze plannen heeft tijd nodig.
Bent u bereid om op korte termijn extra financiële middelen beschikbaar te stellen voor verbetering van arbeidsvoorwaarden in de kraamzorg, waaronder salaris en wachttijden?
Wat betreft kostendekkende tarieven, salaris en wachtdienstvergoeding in de kraamzorg zijn de rollen en verantwoordelijkheden helder. De NZa stelt kostendekkende maximumtarieven vast op basis van regulier kostprijsonderzoek. In de kraamzorg zijn er maximumtarieven, met ruimte voor aanvullende afspraken via max-max tarieven (10%) en de Toeslag integrale geboortezorg binnen de kraamzorg (10%). Recent heeft de NZa weer kostprijsonderzoek uitgevoerd. De daaruit volgende nieuwe tarieven zijn per 1 januari 2026 ingegaan.
Het Ministerie van VWS stelt daarnaast ieder jaar extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar, via de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova), zodat werkgevers binnen de zorg marktconforme cao’s kunnen afsluiten. Het is aan sociale partners om passende afspraken te maken, bijvoorbeeld over de vergoeding en inrichting van wachtdiensten in de cao.
Kunt u inmiddels verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moeten worden aangemerkt en dienovereenkomstig beloond moeten worden?2
Op 2 juni jl.5 is de Kamer geïnformeerd over het arbeidsmarktbeleid en opleidingen van de zorgsector. De motie van mevrouw Vliegenthart (PRO)6 die de regering verzoekt te verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moet worden aangemerkt, is in die brief afgedaan.
Het uitgangspunt bij een oproepdienst is dat arbeidstijd begint op het moment van een oproep. Tot en na die tijd, en bij het uitblijven van een oproep, is er sprake van rusttijd. Een belangrijke nuance hierbij is dat oproepdiensten werknemers niet te veel mogen beperken in het vrij invullen van hun tijd, zo blijkt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Rijksoverheid.nl bevat informatie over consignatie (oproepdienst)7. Op Rijksoverheid.nl ontbrak de nuance vanuit de EU-jurisprudentie. Daarom is dit aangepast. Dat verduidelijkt het onderscheid tussen arbeidstijd en rusttijd bij oproepdiensten.
Waarom ontbreekt er nog steeds een serieuze aanpak van de crisis in de kraamzorg, gezien het feit dat kraamverzorgenden en de Tweede Kamer hier kéér op kéér toe hebben opgeroepen? Kunt u inzichtelijk maken wat u hebt gedaan met alle eerdere aanbevelingen om de noodsituatie in de kraamzorg snel aan te pakken, van begin tot eind, van opleiding tot vergoedingen voor reizen en wachten?
Het kabinet erkent dat de capaciteitsproblematiek in de kraamzorg weerbarstig is, maar benadrukt ook dat de transitie tijd en gezamenlijke inzet vraagt. De sleutel is passende kraamzorg. De brancheorganisatie Bo geboortezorg en ZN zetten zich al enige tijd in om de problemen op de korte, middellange en lange termijn het hoofd te bieden om de beschikbare capaciteit zo passend mogelijk te verdelen. Hiervoor hebben zij in het verleden convenanten afgesloten en een visie en versnellingsagenda opgesteld. Dit heeft verder vorm gekregen in het transformatieplan toekomstbestendige kraamzorg waar ook transformatiemiddelen voor zijn toegekend. Dit plan richt zich onder meer op het behouden en opleiden van personeel en passende kraamzorg. De kabinetsinzet voor de kraamzorg is eerder met de Kamer gedeeld8 waarin het kabinet specifiek aandacht heeft voor versnelling op passende kraamzorg, instroom en behoud van kraamverzorgenden en twee vervolgonderzoeken. De komende periode staan meerdere gesprekken gepland met de sector om hier blijvend aandacht voor te vragen en de ondersteuning vanuit het kabinet nader te concretiseren.
Voor de korte termijn trekken zorgverzekeraars gezamenlijk met Bo geboortezorg op om knelpunten in de toegankelijkheid van kraamzorg vroegtijdig te signaleren en waar nodig maatregelen te treffen in de regio’s waar dit speelt. Daarbij wordt samengewerkt met kraamzorgaanbieders, VSV’s en andere betrokken partijen om de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk in te zetten.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de moties Dijk/Dobbe3, Bikker c.s.4, Dobbe/Van Dijk5, Van Dijk c.s.6, Coenradie7 en Van Meetelen/Van Dijk8? Ziet u in dat uw aanpak tot nu toe niet voldoet aan de oproepen van de Tweede Kamer?
Zoals eerder aangegeven zijn acties in gang gezet om de transitie in de kraamzorg vorm te geven. Deze acties vragen tijd en gezamenlijke inzet. Voor de uitvoering van de moties hebben al gesprekken plaatsgevonden met onder andere de brancheorganisatie, ZN en opleidingspartijen. Na de zomer zal ook een gesprek met de initiatiefnemers van het Manifest plaatsvinden. Begin 2027 wordt de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.
Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Ja.
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Het kabinet heeft hiervan kennisgenomen door het bericht van Hackedemia.nl.
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat persoonsgegevens op een veilige en rechtmatige manier worden verwerkt. Mensen die contact zoeken met 113 zitten in een bijzonder kwetsbare positie en moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Om dergelijke medische gegevens te beschermen is de NEN 7510 norm (informatiebeveiliging in de zorg) verplicht gesteld voor alle zorgaanbieders. Stichting 113 Zelfmoordpreventie werkt in overeenstemming met deze norm.
Het onderzoek uit het artikel van Hackemedia heeft uitgewezen dat Stichting 113 niet op de voorgeschreven manier gegevens verwerkte. Uit de update van hetzelfde artikel blijkt dat Stichting 113 Zelfmoordpreventie op een manier heeft gereageerd die door de onderzoekers als adequaat wordt aangeduid, en de onderzoekers bedanken Stichting 113 Zelfmoordpreventie voor de voortvarendheid in oppakken van de bevindingen van de onderzoekers.
Daarnaast heeft Stichting 113 laten weten dat de bevindingen van Hackedemia uitsluitend toezagen op de wijze waarop technische gegevens, waaronder cookiegegevens, werden verwerkt bij het bezoek aan de website van Stichting 113. Deze gegevens kunnen inderdaad worden aangemerkt als persoonsgegevens. De bevindingen hadden echter geen betrekking op de inhoudelijke behandeling van hulpvragen of op de vertrouwelijkheid van contacten tussen hulpzoekers en Stichting 113. Er zijn geen aanwijzingen dat chatgesprekken, telefonische contacten of andere vormen van hulpverlening zijn gecompromitteerd of voor onbevoegden toegankelijk zijn geweest. Dergelijke inhoudelijke hulpverleningsgegevens worden niet gedeeld met derden.
Voor zover Hackedemia de verwerking van persoonsgegevens door Stichting 113 heeft onderzocht, beperkte dat onderzoek zich tot gegevensverwerkingen die plaatsvinden in het kader van het gebruik van de website en niet tot de kern van de hulpverlening door Stichting 113. De bevindingen van Hackedemia zijn volgens Stichting 113 desondanks uiterst serieus genomen.
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Het gebruik van dergelijke techniek is onderworpen aan regels die hoofdzakelijk in de telecommunicatiewet zijn opgenomen. Het toezicht op de naleving van deze regels is belegd bij onafhankelijke toezichthouders. Een overzicht waar en in welke mate dit probleem verder voorkomt is niet bekend bij het kabinet. Het kabinet onderschrijft echter het belang ervan om deze problematiek onder de aandacht te brengen bij de relevante toezichthouders en zal dan ook de bevindingen van de onderzoeker bij hen onder de aandacht brengen.
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Met haar reactie op het trackingonderzoek van Hackedemia heeft Stichting 113 Zelfmoordpreventie op dat punt onmiskenbaar een stap gezet om het vertrouwen te bevorderen.
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Met de stelling is het kabinet het eens. Wat betreft de controlelijst stelt het kabinet vast dat deze is toegesneden op een concreet onderzoek. Het kabinet onderschrijft uiteraard het belang dat wettelijke kaders worden nageleefd. Op welke manier dat wordt geborgd, is in de eerste plaats aan verwerkingsverantwoordelijken zelf. De beoordeling daarvan is aan de onafhankelijke toezichthouders.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
Het is aan de zorgorganisaties zelf om te voldoen aan de geldende wet -en regelgeving. Toezicht op de naleving en de handhaving van deze geldende normen liggen bij de Autoriteit Persoonsgegevens en Autoriteit Consument en Markt.
Om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen is de NEN 7510 norm verplicht gesteld in de wet. Daarmee zijn er – bovenop de regels die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Telecommunicatiewet stellen – al regels om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen.
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht.
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid. Het wettelijk kader bevat generieke eisen voor alle deelnemende telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie.
Hieronder vallen een volledig reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief adviezen om de risico’s van het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De Inspectie Justitie & Veiligheid, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de deelnemende experimentgemeenten houden toezicht op de naleving van de eisen door de telers en de coffeeshops.
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Nee, het aantrekken van nieuwe gebruikers behoort uitdrukkelijk niet tot de doelstellingen van het experiment. Het wietexperiment heeft tot doel te onderzoeken of een gereguleerde en op kwaliteit gecontroleerde productie en distributie van cannabis mogelijk is en welke effecten dit heeft op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Het wietexperiment is ook gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid.
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 3 toegelicht.
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Normalisering van cannabisgebruik vindt het kabinet onwenselijk. Het Nederlandse drugsbeleid is daarom gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Het gebruik van drugs is namelijk nooit zonder risico’s. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf.
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 2 en 3 toegelicht.
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Het onderzoek waaraan u refereert bevestigt de ernstige zorgen over de werkwijze van de tabaks- en nicotine-industrie ten aanzien van jeugdigen. Het kabinet neemt die zorgen serieus. Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Aan het gebruik van cannabis zijn altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en, zoals in het wettelijk kader is vastgelegd, ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten worden de vervolgstappen bepaald.
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Het wietexperiment creëert uitsluitend een gereguleerde toevoer van cannabis naar de reeds bestaande coffeeshops. Het doel van het kabinet is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden. Om die reden zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren. Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Het Nederlandse drugsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Het kabinet wil vanwege deze risico’s niet dat door dit experiment meer mensen cannabis gaan gebruiken, maar beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden inzichtelijk gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium6 en kunnen bijdragen aan het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Ook zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment onderdeel zijn van dit gesprek. Het kabinet is van mening dat de mogelijke invloed van de tabaksindustrie op de cannabismarkt hier onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen expliciete bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Nee. In het coalitieakkoord is afgesproken om het wietexperiment voort te zetten. Het kabinet beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden in kaart gebracht door het onafhankelijk onderzoeksconsortium. Het is belangrijk om van deze uitkomsten te leren; deze zullen het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid immers verder brengen.
De aanpak van complexe omgangsproblemen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven zaken waarin kinderen tegen hun uitdrukkelijke wens langdurig worden gescheiden van een ouder op basis van aannames over ouderverstoting? Hoe wordt toezicht gehouden op de (mogelijke) schade en effectiviteit van de maatregel?
In hoeverre sluiten de in het artikel beschreven maatregelen aan bij de uitgangspunten van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, met name de punten omtrent het beperken van schade aan kinderen en het voorkomen van escalatie centraal staan? Welke lessen uit het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin zijn inmiddels verwerkt in de werkwijze van de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak?
Welke mogelijkheden hebben kinderen zelf om bezwaar te maken tegen beslissingen die hun woonplaats of contact met ouders ingrijpend veranderen? Vindt u de bestaande mogelijkheden voldoende toegankelijk en effectief?
Hoe verhoudt de aanpak zoals beschreven in dit artikel zich tot artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag, waarin het recht van kinderen om gehoord te worden in procedures die hen raken vastgelegd staat? Hoe wordt geborgd dat kinderen daadwerkelijk worden gehoord en dat hun verklaringen niet op voorhand terzijde worden geschoven vanuit de veronderstelling dat zij gemanipuleerd zouden zijn?
Welke lessen trekt u bij de aanpak van complexe omgangsproblemen uit de ervaringen van organisaties zoals Villa Pinedo, die de belangen en ervaringen van kinderen van gescheiden ouders centraal stellen?
Hoe reflecteert u op de internationale ontwikkelingen op het gebied van complexe omgangsproblemen, zoals bijvoorbeeld de keuze van het hooggerechtshof in Italië om het gebruik van de theorie omtrent ouderverstoring als onwettelijk te bestempelen en de keuze van Spanje om een verbod in te stellen op het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtzaken? Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de Nederlandse praktijk?
Hoe reflecteert u op het feit dat een omstreden en wetenschappelijk betwiste theorie over ouderverstoting ten grondslag ligt aan methoden en interventies die diep ingrijpen in het gezinsleven en kinder- en mensenrechten? Welke eisen stelt u aan de wetenschappelijke onderbouwing van dergelijke interventies?
Wat is momenteel de stand van zaken van de uitvoering van elk van de aanbevelingen uit het Adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting? Kunt u per aanbeveling aangeven welke acties zijn ondernemen en of ze volledig, gedeeltelijk of nog niet zijn uitgevoerd? Wat zijn de concrete opbrengsten van de implementatie van elk van de aanbevelingen?
Zijn het aantal gevallen van contactverlies teruggedrongen sinds de start van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, zoals uw ambtsvoorganger aangaf te verwachten?2 Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe verklaart u dit?
Wat is momenteel de stand van zaken van de implementatie van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin? Kunt u per onderdeel aangeven welke maatregelen ingevoerd zijn en welke concrete opbrengsten deze programma’s hebben (gehad) voor kinderen en ouders?
De continuïteit van huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u net als de indiener signalen ontvangen dat de continuïteit van de huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden onder druk staat doordat er geen structurele vergoeding bestaat voor de beschikbaarheid tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW)?
VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en ben ervan op de hoogte dat er uitdagingen zijn bij het organiseren van de huisartsenzorg tijdens avond-, nacht- en weekenduren op de (Friese) Waddeneilanden. Het is bekend dat praktijkhouders zelf aangeven dat de vergoeding voor (bereikbaarheid tijdens) ANW-diensten hier een van de oorzaken van is.
Het is de inzet van het kabinet dat de continuïteit en kwaliteit van huisartsenzorg overal in Nederland, en dus ook op de (Friese) Waddeneilanden, gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de preferente zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de situatie op de Friese Waddeneilanden wezenlijk verschilt van die op het vasteland, omdat patiënten niet eenvoudig kunnen uitwijken naar een huisartsenpost, spoedeisende hulp of andere vormen van vervolgzorg? Zo nee, waarom niet?
Ja, zowel partijen uit de regio als de NZa en LHV geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de Kamerleden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Bent u ermee bekend dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden naast reguliere huisartsenzorg vaak ook taken verrichten op het gebied van spoedzorg, radiologie, traumatologie, apotheekzorg en op sommige eilanden zelfs verloskunde?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden tijdens ANW-diensten uitsluitend worden vergoed voor daadwerkelijk geleverde consulten en verrichtingen, terwijl zij gedurende die gehele periode beschikbaar en inzetbaar moeten zijn voor spoedzorg?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland en dat hiervoor ook een andere wijze van bekostigen geldt. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Deelt u de zorg dat het ontbreken van een vergoeding voor beschikbaarheid en bereikbaarheid het voeren van een huisartsenpraktijk op de Friese Waddeneilanden minder aantrekkelijk maakt en daarmee een risico vormt voor de continuïteit van zorg voor zowel inwoners als bezoekers van de eilanden? Zo nee, waarom niet?
Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor wel van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat verzekeraars passende en doelmatige financiering kunnen organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en de preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Acht u het op de langere termijn houdbaar dat een zeer beperkte groep huisartsen verantwoordelijk is voor een groot aantal ANW-diensten per jaar, terwijl de werkdruk hoog is en het door de gebrekkige financiering van deze diensten steeds moeilijker wordt om waarnemers en huisartsen in dienstverband te vinden en te behouden?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5, zet het kabinet in op continuïteit van huisartsenzorg in elke regio en is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de Nederlandse Zorgautoriteit en zorgverzekeraars, te komen tot een structurele oplossing waarbij de bijzondere omstandigheden van de Friese Waddeneilanden worden meegewogen en ook de beschikbaarheid van huisartsenzorg tijdens ANW-diensten passend wordt bekostigd?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 en 6, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. De bekostigingssystematiek biedt preferente zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Bent u bereid hierover op korte termijn in gesprek te gaan met de betrokken huisartsenpraktijken, de Nederlandse Zorgautoriteit en de zorgverzekeraar, en de Kamer te informeren over de uitkomsten daarvan? Zo nee, waarom niet?
Het is, zoals in het antwoord op vraag 5, 6 en 7 aangegeven, aan partijen zelf om vanuit hun rollen en verantwoordelijkheden de hen toegereikte instrumenten in te zetten om de continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden te borgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat Eerstelijnszorg?
Ja.
De huisartsenzorg op de Waddeneilanden |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitdagingen en problemen rondom de organisatie van de huisartsenzorg op de Waddeneilanden?
Ja, VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en wij zijn op de hoogte van deze uitdagingen.
Deelt u de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg ook op de Waddeneilanden gewaarborgd moet blijven worden, ook op de lange termijn?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg niet alleen op de (Friese) Waddeneilanden, maar overal in Nederland gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de geïsoleerde ligging en de variabele bevolkingsopbouw van de (Friese) Waddeneilanden ervoor zorgt dat huisartsenzorg daar wezenlijk verschilt van huisartsenzorg op het vasteland? En dat dit zich onder andere uit in het leveren van meer en andere zorg dan huisartsen op het vasteland (onder andere verloskunde, passantenzorg, SEH, apotheekzorg en verplaatste tweedelijnszorg zoals traumatologie) en het dragen van meer verantwoordelijkheid?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de leden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Waddeneilanden tot wel 6.136 ANW-uren per jaar draaien, tegenover circa 200 uur op het vasteland, maar daar naar rato minder voor vergoed krijgen?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. Daardoor blijft de individuele praktijkhouder verantwoordelijk voor de continuïteit van spoedzorg voor de ingeschreven patiënten, ook tijdens ANW-uren. Deze verantwoordelijkheid geldt dus voor het aantal uren dat in deze vraag genoemd is.
Die verantwoordelijkheid kan in de praktijk een aanzienlijk beroep doen op de betreffende huisartsen. Tegelijkertijd betekent dit niet noodzakelijk dat de praktijkhouder al deze uren zelf beschikbaar of bereikbaar moet zijn, omdat de zorg ook kan worden georganiseerd met waarnemers of collega-huisartsen. Ook verschilt de aard en omvang van de zorgvraag van die op een gemiddelde huisartsenpost op het vasteland.
Het klopt ook dat de vergoeding verschilt voor ANW-uren binnen en buiten een HDS. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de (Friese) Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de tarieven voor ANW-diensten op het vasteland in 2023 heeft verhoogd, maar voor huisartsen op de Wadden die zelf de ANW-diensten moeten doen dit niet is gebeurd? En dat een huisartsenpost zijn tarieven mag aanpassen aan stijgende kosten, maar dat dat niet mag voor huisartsen op de Wadden omdat die buiten de huisartsenpost (HAP) werken?
Sinds 1 januari 2023 is het maximum uurtarief voor de spoedeisende huisartsenzorg in de ANW-uren door de NZa is aangepast. Deze tariefsverhoging en -differentiatie per 1 januari 2023 vloeit voort uit afspraken die het kabinet met huisartsenpartijen heeft gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en zijn gekoppeld aan aansluiting bij een huisartsenpost. Het betreft de tarieven die de NZa vaststelt voor ANW-zorg binnen een HDS. Doel was om huisartsen de ruimte te geven om binnen een HDS de diensten onderling beter te verdelen tussen praktijkhouders en waarnemend huisartsen en daarmee de werkdruk te verlagen.
Huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden zijn niet aangesloten bij een HDS en vallen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 buiten de reikwijdte van de betreffende tarieven. De ANW-zorg voor deze huisartsen wordt gereguleerd via prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS. Daarnaast biedt de bekostiging ruimte om maatwerkafspraken te maken tussen zorgverzekeraars en huisartsenpraktijken, bijvoorbeeld als de continuïteit van huisartsenzorg nu of in de toekomst in de knel dreigt te komen.
Bent u bekend met het «Actieplan werkdruk in de ANW» van de LHV, VPH, InEen en NHG en het feit dat dit actieplan aansluiting bij een huisartsenpost expliciet niet verplicht stelt wanneer de dienststructuur lokaal wordt geregeld, en dat huisartsen op de Wadden hier dus aan voldoen?
Ja, het kabinet is bekend met het ANW-actieplan. Het plan beoogt een eerlijkere verdeling van diensten onder alle huisartsen en richt zich daarbij primair op ANW-zorg die via HDS’en is georganiseerd.
Hoe legt u uit dat de NZa de aangepaste ANW-tarieven toch niet uitkeert aan huisartsen op de Wadden, terwijl zij precies doen wat het actieplan toestaat?
De gedifferentieerde ANW-prestaties en tarieven gelden alleen voor huisartsen die aangesloten zijn bij de HDS-structuur. Huisartsenpraktijken op de Wadden kunnen hier dus geen gebruik van maken, omdat de ANW-zorg in hun situatie wordt bekostigd via prestaties en tarieven voor ANW-zorg buiten een HDS. Wel is er – zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 – de mogelijkheid voor huisartsen om met de preferente zorgverzekeraar tot passende maatwerkafspraken te komen.
De preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat er in dit geval ook maatwerkafspraken zijn gemaakt. Ik heb van betrokken partijen begrepen dat dit nog niet naar tevredenheid is van de betreffende huisartsen.
Bent u bereid de NZa te vragen de aangepaste ANW-tarieven alsnog toe te passen op huisartsen die de diensten lokaal regelen, zoals op de Waddeneilanden?
De aangepaste ANW-tarieven hebben alleen betrekking op ANW zorg die via HDS’en wordt georganiseerd. Dat gaat het kabinet niet aanpassen. Deze systematiek past niet bij huisartsenpraktijken die zelf de ANW-zorg organiseren. Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat de preferente verzekeraar passende en doelmatige financiering kan organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is dit kabinet bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Deelt u de zorgen van eilandbewoners en -artsen dat aansluiting bij Dokterswacht Friesland kan leiden tot meer onnodige doorverwijzingen naar duurdere zorg op het vasteland, met hogere kosten en extra belasting voor patiënten tot gevolg?
Ik heb inderdaad begrepen dat verschillende partijen aansluiting bij Dokterswacht Friesland geen passende oplossing vinden. Een van de zorgen van partijen is dat dit leidt tot een minder efficiënte organisatie van zorg, onder meer vanwege de extra reisbewegingen die artsen en patiënten in dat geval moeten maken. Het is niet aan het kabinet om hier een oordeel te vellen over de weging van voor- en nadelen van aansluiting bij Dokterswacht Friesland. Het kabinet verwacht van huisartsen, de regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars dat zij met elkaar blijven zoeken naar een oplossing die passend en toekomstbestendig is. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Hoe beoordeelt u het feit dat geen van de drie onderzochte oplossingsrichtingen, aansluiting bij Dokterswacht Friesland, een eigen huisartsenpost en aanpassing van de ANW-vergoeding, tot een passende oplossing heeft geleid? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Het kabinet zet met afspraken uit het AZWA en het regeerakkoord in op toegankelijke huisartsenzorg voor iedere inwoner, ook op de (Friese) Waddeneilanden. Daarbij past dat partijen in deze bijzondere regio samen zoeken naar oplossingen voor dit vraagstuk. Het is positief dat partijen verschillende opties hebben verkend, maar jammer dat deze verkenning tot op heden nog niet heeft geleid tot een richting die voor alle betrokkenen acceptabel is. Het kabinet verwacht van partijen dat zij elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid met elkaar blijven werken aan continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Wadden.
Het bericht 'Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: ’Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd' |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: «Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd»»?1
Ja
Herkent u het beeld dat de uitgaven aan medische kosten voor asielzoekers exponentieel groeit?
De bekostiging van de medische zorg voor asielzoekers en vergunninghouders in de opvang verloopt via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Ik herken dat de kosten voor de medische zorg voor asielzoekers over de afgelopen jaren zijn gestegen. Deze stijging is in belangrijke mate verklaarbaar door de stijging van het aantal personen dat door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wordt opgevangen en de stijging van de kosten voor medische zorg in zijn algemeenheid. Het kabinet zet in om het beperken van de asielinstroom. Daarmee gaan uiteindelijk ook de totale kosten voor de medische voor asielzoekers omlaag.
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is uitgegeven binnen de verschillende zorgposten voor asielzoekers? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot 2024?
De totale zorgkosten voor respectievelijk de jaren 2025 en 2024 bedragen, conform de jaarrekening van het COA, € 358 miljoen en € 294 miljoen. Dit is inclusief de kosten voor tbc-onderzoek en de publieke gezondheidszorg. De gemiddelde zorgkosten per asielzoeker komen daarmee uit op respectievelijk € 4.775 voor 2025 en € 4.275 voor 2024. De totale medische kosten zijn gebaseerd op de daadwerkelijk gedeclareerde kosten onder de ziektekostenregeling2. Voor 2025 geldt dat ten tijde van het opmaken van de jaarrekening door het COA ongeveer 75 procent (€ 172.718.552) van de kosten was gedeclareerd. Voor de nog niet gedeclareerde maar te verwachten kosten is een voorziening opgenomen. Ten aanzien van de exacte zorgkosten voor 2025 en daarmee de gemiddelde kosten per asielzoeker geldt derhalve nog een mate van onzekerheid.
Buitenland
36.859
62.979
Farmacie – apotheken
14.013.865
13.234.412
Farmacie – ziekenhuizen
3.867.765
5.992.205
Geestelijke gezondheidszorg
38.073.259
28.847.203
Huisarts (passant)
1.999.111
1.843.291
Hulpmiddelen
3.132.946
2.585.163
Kraamzorg
1.627.759
1.618.532
M&I verrichtingen1
93.145
Maatschappelijk Werk
127.545
232.854
Medisch specialistische zorg
57.928.727
70.093.771
Mondzorg
23.019.534
18.476.208
Overig2
922.538
768.987
Paramedisch
2.402.591
1.756.086
Verloskunde
1.671.846
2.040.338
Verslavingszorg
1.168.270
Vervoer
10.052.328
12.016.514
Wijkverpleging
6.147.770
4.720.258
WLZ
3.913.687
4.583.515
WMO
1.486.729
10.275.159
Zorg Zintuiglijk Gehandicapten
1.125.422
980.558
Tbc-onderzoek
2.495.000
2.375.000
Publieke gezondheidszorg
30.945.000
23.692.000
Overige zorgkosten
94.204.598
88.171.820
Bezetting
74.982
68.868
Dit zijn aanvullende vergoedingen voor de huisarts die buiten het abonnementstarief van de huisarts vallen, bijvoorbeeld kleine ingrepen.
Onder deze post vallen kleinere posten voor o.a. zwangerschapsafbreking, hepatitis vaccinaties, TBC test, tbc-behandeling en consulten van GGD-instellingen en vergoeding van moeder-en-kind huis/ blijf-van-mijn-lijf huis.
Hoe apprecieert u de stelling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) dat deze informatie niet gedeeld kan worden vanwege de AVG? Waarom zou het niet mogelijk zijn om deze informatie te delen op een manier waarop de bescherming van persoonsgegevens geborgd blijft?
Daar waar mogelijk heeft het COA de informatie over de kosten voor de medische zorg gedeeld en is deze openbaar in het jaarverslag van het COA. Voor de uitvoering van de medische zorg aan asielzoekers moeten, op basis van aanbestedingen, contractafspraken gemaakt met de verschillende contractpartners. Een deel van deze gegevens kan en mag op basis van de gemaakte afspraken niet worden gedeeld omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de kosten voor de huisartsenzorg door GZA, GGD-GHOR, tolkdiensten, uitvoeringskosten voor de tbc-screening. In het overzicht zijn deze opgenomen als overige zorgkosten.
Deelt u het beeld dat de stijging aan kosten minstens voor een deel door fraude wordt veroorzaakt? Zo ja, hoe denkt u dat dit veroorzaakt wordt? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen signalen dat er sprake is van misbruik of fraude met de RMA. Vanzelfsprekend moeten voorzieningen worden gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn. Het is dan ook belangrijk dat er voldoende toezicht hierop is zodat fraude of misbruik kan worden tegengegaan. Binnen het COA is ook ten aanzien van de uitgaven aan de medische zorg aan asielzoekers deze controle ingericht. Mochten er vermoedens zijn dat er sprake is van misbruik dan wordt hier door het COA, samen met de uitvoeringspartners ook op ingegrepen en maatregelen getroffen.
In welke mate schat u dat de toename aan uitgaven hieraan veroorzaakt wordt doordat meer zorg geleverd wordt en in welke mate denkt u dat deze toename veroorzaakt wordt door fraude?
De stijging van de zorgkosten wordt verklaard door de toename van het aantal bewoners van het COA en de toename van de kosten in de zorg in zijn algemeenheid door onder andere gestegen personeelskosten of invoering van een diagnose-behandelcombinatie in de publieke zorg en niet door fraude.
In welke mate komt de stijging aan uitgaven aan zorg voor onverzekerden door asielzoekers?
Voor de medische zorg die door het COA wordt vergoed komen enkel personen in aanmerking die staan ingeschreven bij het COA. Hier wordt ook op gecontroleerd. Zorgkosten die worden gemaakt door personen die niet (meer) staan ingeschreven bij het COA worden niet door het COA vergoed. De kosten voor de medische zorg aan asielzoekers komen ten laste van de begroting Ministerie van JenV.
Neemt u als expliciet doel mee bij de nieuwe regeling om de kosten van deze zorg op hetzelfde of lager niveau te krijgen dan voor andere zorg? Zo ja, hoe bent u dat van plan? Zo nee, waarom niet?
De medische zorg voor asielzoekers volgt het basispakket van de Zorgverzekeringswet. Er wordt ook gebruik gemaakt van dezelfde zorginstellingen als die er zijn voor andere inwoners van Nederland. Hierbij worden dezelfde tarieven gehanteerd die in de reguliere zorg gelden. Aanpassingen daarin die gericht zijn op het verlagen van de kosten voor medische zorg worden ook gevolgd.
Hoe verhoudt de eigen bijdrage die statushouders met een maandsalaris van € 2.000,– kwijt zijn aan huisvesting, maaltijden, kleding en zorg zich tot de vaste lasten die de gemiddelde Nederlander met zo’n salaris per maand heeft?
De eigen bijdrage in de opvang kan niet één-op-één worden vergeleken met de vaste lasten van een zelfstandig wonende persoon met een vergelijkbaar inkomen.
Bij een netto maandinkomen van € 2.000 betaalt een alleenstaande bewoner van de opvang een eigen bijdrage van € 563,49 per maand. Een zelfstandig wonende persoon met een vergelijkbaar inkomen heeft doorgaans recht op toeslagen, zoals huurtoeslag en/of zorgtoeslag, waardoor de netto woon- en zorglasten lager uitvallen dan de bruto lasten. Hoewel de totale netto uitgaven aan wonen, voeding en zorg doorgaans hoger liggen dan de eigen bijdrage in de opvang, is een directe vergelijking slechts beperkt mogelijk. De eigen bijdrage betreft een inkomensafhankelijke bijdrage aan een collectieve, tijdelijke opvangvoorziening. Deze opvangvoorziening gaat gepaard met een strenger rechten- en plichtenpakket, beperkte keuzevrijheid ten aanzien van de woonlocatie, de inrichting van het dagelijks leven en de afname van voorzieningen. De lasten waar een zelfstandig wonende persoon mee te maken heeft gaan daarentegen gepaard met rechten en zekerheden die de opvang naar haar aard niet biedt: huurbescherming, een eigen woonruimte, meer zeggenschap over de woon- en leefsituatie, de mogelijkheid een duurzaam zelfstandig huishouden op te bouwen en – in geval van een koopwoning – vermogensopbouw. Hierdoor laat de vergelijking zich ook niet reduceren tot een eenvoudige beoordeling in termen van «gunstiger» of «ongunstiger»
Deelt u de mening dat statushouders met dit salaris die verblijven op COA-locaties niet gunstiger af mogen zijn qua vaste lasten dan de gemiddelde Nederlander met hetzelfde salaris?
Zie antwoord vraag 9.
Gaan kansrijke asielzoekers die als gevolg van de implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact binnen drie maanden na het indienen van hun aanvraag in Nederland mogen werken ook een eigen bijdrage betalen? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de bestaande Regeling eigen bijdrage asielzoekers (Reba) moeten asielzoekers die werken reeds een eigen bijdrage betalen voor de asielopvang. Deze eigen bijdrage staat los van het moment waarop asielzoekers mogen gaan werken maar hangt af van het feit of de asielzoeker vermogen of inkomen heeft. De implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact staat hier los van. Wel zal doordat asielzoekers eerder kunnen werken ook eerder bijgedragen kunnen worden aan de kosten voor de opvang.
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Joost Sneller (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asielzoeker is dure zorgklant; Kosten zijn in vijf jaar tijd ruimschoots verdubbeld: «waarschijnlijk inhaalslag te maken»»?1
Ja
Klopt het dat de medische kosten voor asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024? Zo nee, wat zijn de juiste cijfers?
Het klopt dat de kosten voor de medische zorg aan asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024. In het bedrag voor 2024 zijn de kosten voor tbc-screening en de publieke gezondheidszorg nog niet meegenomen. Voor 2024 komt het totaal bedrag daarmee uit op € 294 miljoen. Tegelijkertijd is de bezetting bij het COA gestegen van 27.302 in 2020 naar 68.868 in 2024. De gemiddelde zorgkosten per asielzoeker komen in 2020 daarmee uit op € 3.850 en voor 2024 op € 4.275. De stijging van de kosten voor de medische zorg is in belangrijke mate te verklaren door de stijging van het aantal asielzoekers. Daarnaast zijn ook de kosten voor de medische zorg in Nederland in zijn algemeenheid gestegen. Dat heeft ook effect op de kosten voor de medische zorg voor asielzoekers omdat daarvoor wordt gerekend met dezelfde tarieven en gebruik wordt gemaakt van dezelfde instellingen.
Hoe legt u aan Nederlanders die een beroep moeten doen op zorg uit dat zij te maken krijgen met een enorme stapeling van zorgkosten door de bezuinigingen van dit kabinet terwijl asielzoekers geen eigen risico en geen eigen bijdrage hoeven te betalen? Bent u bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren zodat er geen zorgkosten meer gemaakt worden voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Asielzoekers die inkomen uit werk of vermogen hebben, betalen een eigen bijdrage voor de kosten van de opvang. Hierin is ook een bijdrage voor de kosten van de zorg opgenomen. Zoals al vaker aangegeven is er geen juridische ruimte voor een asielstop. Het kabinet zet in om het beperken van de asielinstroom. Daarmee gaan uiteindelijk ook de totale kosten voor de medische voor asielzoekers omlaag.
Wat wordt er voor asielzoekers nu aan zorg vergoed zonder dat zij eraan hoeven mee te betalen?
De kosten die vergoed worden aan asielzoekers staan beschreven in de ziektekostenregeling asielzoekers (Regeling Medische zorg Asielzoekers: RMA). De vergoeding is vergelijkbaar met de basiszorg onder de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast hebben volwassen asielzoekers beperkte toegang tot de mondzorg (alleen bestrijding van ernstige pijn en kauwklachten). Voor de minderjarigen geldt de vergoeding van mondzorg gelijk aan de Zvw-basiszorg.
De eerste twee maanden na aankomst in de opvang hebben volwassen asielzoekers recht op de medisch noodzakelijke zorg. Welke zorg noodzakelijk is wordt bepaald door de huisarts.
Daarnaast komen asielzoekers in aanmerking voor publieke gezondheidszorg, waaronder de verplichte tbc-screening voor asielzoekers uit hoog risicolanden, het Rijksvaccinatieprogramma en de bestrijding van de infectieziekten.
In de onderstaande tabel is de uitgave binnen de ziektekostenregeling gespecificeerd. De declaratie en betaling van de zorgkosten vinden niet in zijn geheel in het zelfde jaar plaats als wanneer de behandeling heeft plaatsgevonden. De opgenomen bedragen in onderstaand overzicht betreffen kosten die betaald zijn tot en met november 2025.
Buitenland
13.119
26.176
13.322
76.362
62.979
Farmacie – apotheken
2.130.268
6.060.115
8.297.496
10.756.781
13.234.412
Farmacie – ziekenhuizen
7.205.739
2.064.482
1.726.541
2.894.452
5.992.205
Geestelijke gezondheidszorg
14.409.791
14.957.262
11.397.963
23.050.552
28.847.203
Huisarts (passant)
654.365
744.468
754.180
1.440.200
1.843.291
Hulpmiddelen
1.065.781
1.197.312
1.566.155
2.380.786
2.585.163
Jeugdhulp
92.952
0
0
0
0
Kraamzorg
921.901
711.574
860.892
1.071.433
1.618.532
M&I verrichtingen1
60.676
73.613
70.062
76.999
93.145
Maatschappelijk Werk
193.781
180.045
150.995
158.332
232.854
Medisch specialistische zorg
29.746.589
26.143.373
35.243.267
46.833.177
70.093.771
Mondzorg
6.365.733
8.324.994
9.491.862
14.163.041
18.476.208
Overig2
564.949
122.523
164.140
534.496
768.987
Paramedisch
652.712
713.922
859.254
1.448.913
1.756.086
Verloskunde
1.403.295
1.110.346
1.536.234
1.856.410
2.040.338
Vervoer
3.737.973
4.088.331
4.561.059
7.054.812
12.016.514
Wijkverpleging
1.752.814
1.858.921
1.971.289
3.025.306
4.720.258
WLZ
1.749.884
3.131.790
3.400.798
5.410.990
4.583.515
WMO
1.604.174
827.288
859.062
4.551.130
10.275.159
Zorg Zintuiglijk Gehandicapten
179.132
337.123
333.679
667.125
980.558
Bezetting
27.302
29.400
43.420
55.600
68.868
Dit zijn aanvullende vergoedingen voor de huisarts die buiten het abonnementstarief van de huisarts vallen, bijvoorbeeld kleine ingrepen.
Onder deze post vallen kleinere posten voor o.a. zwangerschapsafbreking, hepatitis vaccinaties, TBC test, tbc-behandeling en consulten van GGD-instellingen en vergoeding van moeder-en-kind huis/ blijf-van-mijn-lijf huis.
In de post huisartsen (passanten) in bovenstaande tabel zijn niet de kosten opgenomen voor de huisartsenzorg via GZA. De kosten voor huisartsenzorg door GZA, als ook voor GGD-GHOR, uitvoeringskosten van de tbc-screening en de inzet van tolken voor de zorg zijn herleidbaar naar de uitvoerende partij en bevatten daarmee concurrentiegevoelige gegevens. Deze kosten kunnen daarmee niet separaat openbaar worden gemaakt. Ook de kosten voor de tbc-screening en de publieke gezondheidszorg zijn in bovenstaande tabel niet opgenomen.
De totale bedrag voor medische kosten de jaren 2020 tot en met 2024 bedragen:
2020: € 105.109.000
2021: € 122.697.000
2022: € 169.796.000
2023: € 239.017.000
2024: € 294.460.000
Kunt u de zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders uitsplitsen naar huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, tandheelkundige zorg, geneesmiddelen en tolkdiensten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom weigert het COA inzicht te geven in de verschillende onderdelen van deze zorguitgaven?
Voor het organiseren van de medische zorg voor asielzoekers is het COA verplicht de verschillende onderdelen (curatieve zorg, publieke gezondheidszorg, jeugdgezondheidszorg) aan te besteden. Vanwege contractuele afspraken kan en mag het COA niet alle gegevens delen, omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten. Het COA geeft inzicht in de uitgaven binnen de ziektekostenregeling, zie het antwoord op vraag 5. De financiële jaarverslagen zijn openbaar.
Klopt het dat de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker circa € 3.900 per jaar bedragen? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders in dezelfde leeftijdscategorie?
Als de kosten voor de tbc-screening en publieke gezondheidszorg niet worden meegerekend dan komen de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker voor 2024 inderdaad neer op ongeveer € 3.900 per persoon. Inclusief de kosten voor de tbc-screening en publieke gezondheidszorg komen de kosten op ongeveer € 4.275 per persoon.
De vergelijking met de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders is lastig te maken vanwege verschillen in berekeningen, definities en de samenstelling van de populatie (zoals leeftijdsopbouw). Een enigszins vergelijkbaar zorgpakket komt uit op circa € 5.4002 aan zorgkosten per Nederlander3.
Hoeveel is in 2024 en 2025 uitgegeven aan tolkdiensten binnen de zorg voor asielzoekers en statushouders?
De kosten van tolken die door de zorgverleners zijn ingezet zijn niet openbaar, omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten.
Hoeveel asielzoekers en statushouders maakten in 2024 gebruik van geestelijke gezondheidszorg en wat waren hiervan de totale kosten?
Voor de totale GGZ-kosten zie het antwoord bij vraag 4 en 5. Het COA heeft geen inzage in de aantallen van asielzoekers die GGZ-zorg ontvangen.
Welke gevolgen hebben de stijgende zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders voor de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg?
In 2024 verbleven ongeveer 70.000 personen in de asielopvang en bedroegen de totale kosten circa € 300 miljoen. Ten opzichte van 18 miljoen inwoners en € 120 miljard aan zorgkosten in Nederland is het zorggebruik onder asielzoekers beperkt (circa 0,25% van de zorgkosten). De invloed van het zorggebruik door asielzoekers en de stijging van de zorgkosten hebben derhalve een gering effect op de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg.
Het bericht 'Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen» en met de onderliggende analyse van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen naar 51 geneesmiddelen en indicaties die op 20 maart 2026 in de sluis zaten?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat van deze 51 middelen in Nederland geen enkel middel beschikbaar is voor patiënten, terwijl daarvan in Duitsland 48 middelen wél beschikbaar zijn? Hoe verklaart u dat Nederland hier slechter scoort dan veel andere Europese landen?
In Duitsland werkt de vergoedingsprocedure anders dan in Nederland. In Nederland wordt een duur geneesmiddel eerst beoordeeld en daarna wel of niet toegelaten tot het basispakket. In Duitsland wordt een geneesmiddel eerst toegelaten en wordt pas daarna de beoordeling en prijsonderhandeling gestart. In de beantwoording van vraag 10 ga ik hier nader op in.
De Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) maakt in haar analyse niet duidelijk of het om alle of om bepaalde indicaties van een geneesmiddel zou gaan. Een geneesmiddel kan bijvoorbeeld al onderdeel zijn van het basispakket voor een bepaalde aandoening, terwijl het voor een nieuwe indicatie nog in de geneesmiddelensluis verblijft. Zonder inzicht in de betreffende indicaties kan daardoor ten onrechte de indruk ontstaan dat een geneesmiddel helemaal niet beschikbaar is voor Nederlandse patiënten.
Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) heeft naar de desbetreffende geneesmiddelen gekeken en voor de meest aannemelijke indicatie bekeken waarom het geneesmiddel voor die indicatie niet is opgenomen in het basispakket.
Daaruit blijkt dat:
In totaal lopen of liepen er prijsonderhandelingen voor 12 geneesmiddelen, de 7 en 5 geneesmiddelen zoals genoemd bij de laatste twee bullets hierboven. Voor 6 middelen lopen deze nog. Voor de 6 andere middelen heeft dit niet geleid tot een overeenkomst tussen overheid en leverancier, waarbij voor 4 van deze middelen geldt dat er gelijkwaardige behandelalternatieven beschikbaar zijn. Wanneer er geen overeenkomst bereikt wordt tussen overheid en leverancier blijft een geneesmiddel in de sluis. Bij dergelijke gevallen informeert het kabinet de Kamer hierover.3
Cijfers over de doorlooptijden tussen marktautorisatie en vergoeding in een lidstaat, zoals de WAIT-monitor van de Europese branchevertegenwoordiger EFPIA, zijn ook om andere redenen vaak vertekenend. Zo kan er tussen een vergoedingsbeslissing op nationaal niveau en daadwerkelijke toepassing in de klinische praktijk nog tijd zitten, waardoor de WAIT-monitor als vergelijkend instrument beperkt van waarde is.
Het kabinet deelt niet de conclusie dat Nederland slecht(er) scoort. Zoals de hierboven genoemde cijfers duidelijk maken, is het beleid er niet op gericht om zoveel mogelijk geneesmiddelen te vergoeden, maar om zoveel mogelijk gezondheidswinst te realiseren voor de gehele bevolking met de collectieve financiële middelen. Het absolute aantal geneesmiddelen, of indicaties, dat in Nederland wordt vergoed, zegt dus niet zoveel.
Wat vindt u ervan dat juist sommige middelen tegen beenmergkanker die in nauwe samenwerking met Nederlandse ziekenhuizen zijn ontwikkeld, in Nederland nog niet verkrijgbaar zijn, terwijl ze wél voor Duitse patiënten beschikbaar zijn?
Het kabinet moedigt innovatie van nieuwe geneesmiddelen aan en dat hierbij wordt samengewerkt met Nederlandse ziekenhuizen is een mooie ontwikkeling. Maar dat samen is gewerkt met Nederlandse ziekenhuizen maakt niet dat een dergelijk geneesmiddel daardoor ook automatisch tegen elke prijs en totale uitgaven vergoed moet worden. In Nederland gelden de pakketcriteria en het Zorginstituut toetst bij sluisgeneesmiddelen of extramurale geneesmiddelen of een geneesmiddel in het basispakket opgenomen zou moeten worden. De pakketcriteria zijn effectiviteit, kosteneffectiviteit, noodzakelijkheid en uitvoerbaarheid.
Hoe legt u aan Nederlandse patiënten en hun gezinnen uit dat exact dezelfde effectieve geneesmiddelen in andere Europese landen al wel beschikbaar zijn en hier niet?
Het kabinet begrijpt de frustratie van patiënten en hun gezinnen wanneer een geneesmiddel in Nederland niet wordt vergoed en in bepaalde andere Europese landen wel. Met name wanneer de geneesmiddelen aangetoonde meerwaarde hebben ten opzichte van de standaardbehandeling, maar vanwege de prijs niet worden vergoed, is dat lastig om uit te leggen aan hen die mogelijk baat bij de behandeling zouden hebben.
In Nederland hebben we een zorgbudget dat niet onbeperkt is en niet zomaar kan worden verhoogd. Dit maakt dat er keuzes gemaakt worden. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren met beschikbare collectieve middelen. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst worden behaald. Op deze manier houdt het kabinet rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers.
Dat een geneesmiddel een handelsvergunning heeft gekregen en aangeboden mag worden op de markt, maakt niet dat deze automatisch aan de pakketcriteria voldoet. Het Zorginstituut bekijkt of het geneesmiddel effectief is en daarmee voldoet aan de SWP, wat inhoudt of het geneesmiddel een therapeutische meerwaarde of gelijke waarde heeft ten opzichte van de standaardbehandeling in Nederland. Het uitgangspunt is namelijk dat niet moet worden betaald voor een geneesmiddel dat bijvoorbeeld ernstigere bijwerkingen heeft dan de standaardbehandeling en daardoor per saldo niet meer gezondheidswinst oplevert. Wanneer een geneesmiddel aantoonbare meerwaarde heeft ten opzichte van de standaardbehandeling, is het kabinet bereid om hier veel voor te betalen. Dit moet echter wel in verhouding staan met de gezondheidswinst. Het Zorginstituut adviseert hierover. Het kabinet doet in de prijsonderhandelingen haar uiterste best om met de desbetreffende leverancier een prijs overeen te komen die daar recht aan doet, maar dit lukt niet altijd. Dit betekent in sommige gevallen helaas dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel.
Deelt u de opvatting dat Nederlandse patiënten recht hebben op tijdige toegang tot effectieve behandelingen, zeker als die in vrijwel alle andere onderzochte Europese landen al worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse patiënten hebben recht op de toegang tot behandelingen die toegelaten zijn in het basispakket en daardoor worden vergoed. Wanneer geneesmiddelen aangetoond effectief zijn (voldoen aan SWP) kunnen deze vergoed worden, maar wel enkel als ook aan de andere pakketcriteria wordt voldaan, waar ook een prijs bij hoort die in verhouding staat met de gezondheidswinst die het geneesmiddel oplevert (criterium kosteneffectiviteit).
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat Nederlandse patiënten voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen moeten uitwijken naar het buitenland omdat het Nederlandse zorgsysteem er niet voor hen is? Zo nee, kunt u toelichten waarom u dat solidair vindt?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat Nederlandse patiënten zich genoodzaakt voelen om voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen uit te wijken naar het buitenland, maar is van mening dat dit niet afdoet aan de solidariteit van het huidige stelsel en het pakketbeheer. Ik verwijs voor een toelichting naar de antwoorden op vraag 3 en 4.
Het kabinet vindt het niet uit te leggen aan alle huidige en toekomstige patiënten, die ook premiebetalers zijn, om een duur middel met een beperkte of zeer onzekere kosteneffectiviteit zonder meer te vergoeden en ook niet om uitzonderingen te maken die de juridische houdbaarheid van het hele stelsel aantasten. Dan riskeren we juist die solidariteit.
Erkent u dat lange wachttijden, juist waar het gaat om middelen tegen kanker en andere ernstige of zeldzame aandoeningen, door bureaucratische beleidsprocessen voor deze patiënten niet alleen een papieren probleem zijn, maar direct raken aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen?
Doorlooptijden zijn een onvermijdbaar gevolg van het Nederlandse systeem waarbij er eerst zekerheid moet zijn over effectiviteit en maatschappelijk aanvaardbare prijs, voordat een duur geneesmiddel wordt vergoed. Deze uitgangspunten zijn geen papieren of bureaucratische werkelijkheid, want een besluit om bijvoorbeeld een middel te vergoeden dat niet voldoet aan effectiviteit of een prijs te accepteren die ver af staat van wat een kosteneffectieve prijs zou zijn, zal uiteindelijk andere patiënten en premiebetalers schaden. Gesteld voor een dilemma als deze, is het de verantwoordelijkheid van het kabinet om besluiten te nemen in het belang van alle patiënten en burgers. Het kabinet erkent tegelijkertijd dat lange wachttijden een probleem kunnen zijn dat raakt aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen voor individuele patiënten. Zij zet zich daarom hard in om onnodige wachttijden voor deze patiënten te verminderen.
Ook binnen het traject «Toekomstbestendig stelsel geneesmiddelen» (TSG) is hier aandacht voor. Hierin is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. Verder doet het kabinet haar uiterste best om in prijsonderhandelingen met de leverancier zo snel mogelijk tot een aanvaardbare prijs te komen.
Er zijn echter ook gevallen waarin de wachttijd langer is vanwege het uitblijven van het indienen van een dossier bij het Zorginstituut door de leverancier. Dan kan het Zorginstituut het geneesmiddel niet beoordelen en kan het tot die tijd niet vergoed worden. De wachttijd blijft ondertussen oplopen. Voor dergelijke geneesmiddelen is de leverancier aan zet om zo spoedig mogelijk een dossier in te dienen.
Erkent u dat de beperkte beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen en de lange toegangstijden voor Nederlandse patiënten wijzen op een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen, nu in 2025 bleek dat patiënten in 2025 gemiddeld 493 dagen wachtten op toegang na EMA-goedkeuring, dat slechts 54 procent van de nieuwe Europees toegelaten geneesmiddelen hier beschikbaar is, en dat het beeld voor oncologie (525 dagen, 41 procent) en zeldzame ziekten (561 dagen) nog ongunstiger is? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet is niet van mening dat er sprake is van een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen in Nederland.
Zie hiervoor een toelichting bij het antwoord op vraag 2.
Dat wachttijden de toegang tot geneesmiddelen vertragen vindt het kabinet wel onwenselijk. Zoals genoemd in de beantwoording van vraag 7, zet het kabinet zich hiervoor in, ook binnen het TSG-traject.
Daarnaast hebben in veel gevallen de leveranciers ook invloed op de wachttijden.
Hoe verhoudt deze achterblijvende toegang zich tot het feit dat de netto-uitgaven aan geneesmiddelen met 4,2 procent van de totale zorguitgaven en als aandeel van de ziekenhuis zorg(8,8 procent) onder controle zijn? Is het huidige beleid nog in balans, als kostenbeheersing in de praktijk zwaarder lijkt te wegen dan tijdige toegang tot patiënten? Zo ja, waarom?
Het kabinet erkent dat de uitgaven aan dure geneesmiddelen op dit moment niet problematisch zijn. Het wijst daarbij wel op het volgende. Ten eerste is deze situatie het gevolg van het beleid dat mede is gericht op kostenbeheersing.4 Dat beleid is overigens niet veranderd. Wat wel veranderd is zijn de steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, én het grote aantal innovatieve middelen dat in ontwikkeling is.5 Zonder voortzetting van het huidige beleid, zou dat een groot budgettair risico betekenen en kunnen leiden tot het verdringen van andere zorg die op het geheel genomen meer gezondheidswinst oplevert.
Bent u bereid te onderzoeken hoe beoordeling en prijsonderhandeling sneller en meer parallel kunnen verlopen, zoals dat ook in andere landen wel gebeurt?
De prijsonderhandeling gelijktijdig laten verlopen met de beoordeling door het Zorginstituut is niet mogelijk. Er is dan nog geen advies op grond waarvan de prijsonderhandeling kan worden gestart.
Het kabinet acht de optie om een geneesmiddel eerst toe te laten en pas daarna de beoordeling en prijsonderhandeling te starten, zoals in Duitsland, niet wenselijk om de volgende redenen:
Bent u bereid om bij het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG) het belang van snelle toegang tot patiënten leidend te maken en daarbij ook concrete termijn vast te leggen? Hoe voorkomt u dat nieuwe regels en extra toetsen en procedures juist tot nog meer vertraging leiden?
In het TSG wordt erop ingezet om processen waar mogelijk te versnellen en te stroomlijnen, zodat patiënten zo snel als dat mogelijk is toegang krijgen. Ook wordt in het TSG op structurele basis afgestemd met zorgpartijen en de farmaceutische industrie, en wordt in een informatiemanagementsysteem transparant waar het geneesmiddel zich in het proces van pakkettoelating bevindt. Het uitgangspunt van het TSG is zoals gezegd «snel als het kan en uitgebreid als het moet». Dat betekent dat geneesmiddelen met beperkte pakketrisico’s snel kunnen instromen en geneesmiddelen met risico’s uitgebreider beoordeeld worden. Net als nu worden in het TSG de risico’s gewogen voor opname in het basispakket.
Een inschatting van het effect op de doorlooptijden neemt het Zorginstituut mee in de impactanalyse.
Bent u bereid om voor de verdere besluitvorming over TSG een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van het nieuwe stelsel voor patiëntentoegang, innovatie, investeringen en de internationale positie van Nederland, voordat het stelsel wordt vastgesteld?
Het Zorginstituut adviseert het kabinet als onafhankelijk pakketbeheerder over de uitvoering van het TSG. Een impactanalyse maakt hier onderdeel van uit. Daarin brengt het Zorginstituut bijvoorbeeld in kaart hoe geneesmiddelen op dit moment door het systeem lopen en hoe dit in het TSG zal verlopen. Alle relevante partijen zijn betrokken en worden geconsulteerd in de uitwerking. Partijen kunnen op basis van de impactanalyse bijvoorbeeld de gevolgen voor investeringen die zij doen afleiden. Op basis van de uitvoeringstoets en de impactanalyse maakt het kabinet een zorgvuldige afweging voor de besluitvorming over de invoering van het TSG.
Regelingen voor jonge mantelzorgers |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het signaal dat veel jonge mantelzorgers, zoals de 16-jarige Fynn die voor zijn ongeneeslijk zieke vader zorgt, ernstig belast raken?1
Ja, ik ben bekend met het signaal dat jonge mantelzorgers ernstig belast kunnen raken. Niet alleen door de zorgtaken die deze jongeren hebben, maar ook doordat ze zich zorgen maken over het gezinslid voor wie zij zorgen of omdat zij een zorgtekort in het gezin ervaren.
Bent u bekend met het gegeven dat inmiddels meer dan een kwart van alle jongeren mantelzorg verleent en dat het aantal jongeren dat hiermee ernstig belast is de afgelopen tien jaar is verdubbeld?
Ja, ik ben bekend met de recent verschenen publicatie van het SCP2 waaruit naar voren komt dat het aandeel jongeren (18–34-jarigen) dat ernstige belasting ervaart bij hun mantelzorgtaken tussen 2014 en 2024 toegenomen is van ongeveer 6% tot circa 12% van het totaal aantal mantelzorgers in deze leeftijdscategorie. Eerder onderzoek van het SCP3 liet daarnaast zien dat ongeveer een kwart van de 16–24-jarigen voor een naaste met gezondheidsproblemen zorgt.
Zijn er prognoses beschikbaar over de verdere groei van het aantal jongeren dat mantelzorg verleent en kunt u die delen?
Er zijn mij geen prognoses bekend specifiek gericht op het aantal jongeren dat mantelzorg verleent. Wel zijn er prognoses beschikbaar over de verhouding tussen het potentiële aantal mantelzorgvragers en het potentiële aantal mantelzorggevers in de tijd. Zo is in de deelstudie «Demografische en andere uitdagingen voor de Wmo 2015» van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 20154 een prognose over deze verhouding opgenomen en met uw Kamer gedeeld.
Bent u het er mee eens dat jongeren die mantelzorg verlenen te maken krijgen met specifieke uitdagingen en zorgen in het onderwijs, terwijl volwassenen vaak als maatstaf genomen worden bij beleid en beeldvorming rondom mantelzorg?
In de beeldvorming rondom mantelzorg zijn jonge mantelzorgers, en de specifieke uitdagingen waarmee zij bijvoorbeeld in het onderwijs te maken hebben, niet voor iedereen even zichtbaar. Juist daarom is in de Mantelzorgagenda 2023–20265 specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers om zo meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren.
Bent u het eens dat de huidige aandacht voor jonge mantelzorgers binnen onderwijsinstellingen vaak versnipperd is en afhangt van de individuele welwillendheid van een school of docent?
Ik herken dat het krijgen van ondersteuning of maatwerk af kan hangen van wie je als student in het vervolgonderwijs daarvoor treft. Onlangs heeft het Ministerie van OCW onderzoek laten uitvoeren naar hoe onderwijsinstellingen in het hbo en wo maatwerk verlenen aan studenten met een ondersteuningsvraag.6 Daarbij is ook gekeken naar mantelzorgers. Hoewel veel instellingen hier beleid op hebben geformuleerd en deze studenten tegemoet komen, blijkt uit het onderzoek ook dat er grote verschillen zijn in deze ondersteuning. Het onderzoeksbureau constateert dat deze lijken voort te komen uit de manier waarop instellingen organisatorisch zijn ingericht, en/of historisch gegroeid en/of cultureel bepaald. In de beleidsreactie op het onderzoek heeft de Minister van OCW aangekondigd dat ze grondig gaat kijken naar hoe het systeem nu is ingericht en samen met onderwijsinstellingen gaat bezien hoe deze verschillen verkleind kunnen worden.7 Hierbij zal afgewogen moeten worden hoe maatwerk en meer uniformiteit zich tot elkaar verhouden, wat instellingen zelf hieraan kunnen doen en welke wettelijke kaders hierbij passend zijn.
Voor het middelbaar beroepsonderwijs heeft de Minister van OCW via de Verbeteragenda passend onderwijs mbo (2020–2025) gewerkt aan het verbeteren van de ondersteuning en begeleiding van studenten met een ondersteuningsbehoefte. De komende periode zet de Minister van OCW zich in om de informatievoorziening over de op de onderwijsinstelling aangeboden ondersteuning te verbeteren. Zowel studenten als onderwijsmedewerkers moeten de ondersteuningsmogelijkheden kennen en de weg ernaar weten te vinden. Ook ga ik een aantal ongewenste verschillen in de (financiële) ondersteuning tussen instellingen verkleinen.
Zijn er regelingen om leerlingen en studenten in bijzondere omstandigheden te ondersteunen waarin mantelzorg ook expliciet als ondersteuningsgrond genoemd wordt?
Het mbo-studentenfonds en het Studentenondersteuningsfonds in het hbo en wo bieden financiële ondersteuning aan studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen8. Onder bijzondere omstandigheden worden onder andere bijzondere familieomstandigheden verstaan, waar mantelzorg ook onder kan vallen. Instellingen bepalen zelf de reikwijdte hiervan. Ook kunnen instellingen maatwerkvoorzieningen treffen: aanpassingen die een student met ondersteuningsvraag nodig heeft om succesvol de opleiding te kunnen afronden, zoals flexibilisering van het onderwijs. Tevens geldt dat bij het afgeven van een bindend studieadvies instellingen in het vervolgonderwijs verplicht zijn om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student.
Bent u bereid mantelzorg explicieter op te nemen in ondersteuningsregelingen zodat het voor onderwijsinstellingen duidelijk is wat zij voor deze groep jongeren kunnen doen?
In zowel het mbo als in het hbo en wo kan mantelzorg worden aangemerkt als een bijzondere familieomstandigheid, waarvoor instellingen maatwerkvoorzieningen dan wel financiële voorzieningen kunnen treffen. Over het algemeen zijn onderwijsinstellingen daar goed mee bekend. Wel ziet de Minister van OCW ruimte voor verbetering daar waar het gaat om de verschillen tussen instellingen in het verlenen van maatwerk en financiële ondersteuning voor verschillende groepen studenten, waaronder mantelzorgers. Zoals toegelicht in antwoord 5 wordt aankomende tijd daarom samen met onderwijsinstellingen verkend hoe de verschillen tussen instellingen in het hbo en wo in het voorzien in maatwerk verkleind kunnen worden en welke wettelijke kaders hierbij passend bij zijn.9 Dit heeft ook betrekking op studenten die mantelzorg verlenen in het onderwijs.
Bent u bereid in gesprek te gaan met jongeren die mantelzorg verlenen om te kijken waar zij in het onderwijs tegenaan lopen en hoe zij het best ondersteund kunnen worden?
Ja, ik vind het zeker belangrijk dat mijn ministerie met deze jongeren (en organisaties die zich hard voor hen maken) spreekt om te kijken waar beleid nog verder verbeterd kan worden. Ik heb onlangs een afspraak ingepland met MantelzorgNL om met studenten met mantelzorgtaken in gesprek te gaan. Naar aanleiding van de motie-Krul10 is eerder ook gesproken met MantelzorgNL over de ondersteuning van studenten met mantelzorgtaken in het onderwijs.11Ook worden ervaringen en signalen van studenten met mantelzorgtaken opgehaald en betrokken bij beleid door partijen gefinancierd door het Ministerie van OCW, zoals het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO).
Hoe gaat u ervoor zorgen dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van de manieren waarop ze leerlingen en studenten die mantelzorg verlenen nu al kunnen ondersteunen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 7 bestaan er reeds (financiële) ondersteuningsmogelijkheden voor instellingen en zijn die ook bekend bij hen. In de praktijk bestaat dé mantelzorger echter niet en zit daar ook juist de uitdaging voor instellingen om per individueel geval gepast maatwerk te bieden. Met financiering van het Ministerie van OCW heeft ECIO, in samenwerking met Strategische Alliantie Jonge Mantelzorger en MantelzorgNL, een model ontwikkeld om instellingen én mantelzorgers te informeren over ondersteuningsmogelijkheden voor mantelzorgers. Dit model biedt een raamwerk voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen en studerende mantelzorgers, om als leidraad te dienen voor het bieden van de nodige ondersteuning. Ook het programma studentenwelzijn (STIJN) voorziet instellingen in het mbo, hbo en wo van praktische tools voor onderwijsprofessionals die behulpzaam zijn kunnen zijn bij de ondersteuning van studerende mantelzorgers.
Welke maatregelen kunt u verder nemen om ervoor te zorgen dat jonge mantelzorgers gelijke kansen houden op het succesvol afronden van onderwijs?
Naast de reeds bestaande ondersteuningsmogelijkheden voor studenten beschrijf ik in mijn antwoord op vraag 5 de stappen die ik aanvullend nog neem.
Bent u het ermee eens dat bezuinigingen op de zorg niet mogen leiden tot een nog hogere druk op (jonge) mantelzorgers? Zo ja, wat gaat u doen om dat te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben het met u eens dat we moeten voorkomen dat bezuinigingen in de zorg leiden tot overbelasting van jonge mantelzorgers. In de Mantelzorgagenda 2023–2026 is specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers en zijn verschillende maatregelen opgenomen om jonge mantelzorgers beter te ondersteunen. Om meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren, is in de communicatiecampagne «Zien dat zij er voor iemand Zijn», speciale aandacht voor deze doelgroep. Daarnaast faciliteren we de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg en Stichting JMZ Pro voor het uitvoeren van een programma dat zich richt op meer bekendheid en betere ondersteuning van jonge mantelzorgers, bijvoorbeeld met het project Jonge Mantelzorgvriendelijke School. Met het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg12 zet ik daarnaast in op het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers om zo overbelasting tegen te gaan.
Het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen |
|
Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen?1, 2
Bent u het ermee eens dat deze enorme gezondheidsachterstanden onacceptabel zijn?
Wat gaat u doen om de hoge babysterfte en de andere gemeten achterstanden in Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)-wijken tegen te gaan?
Erkent u dat de crisis in de kraamzorg en het daardoor veroorzaakte tekort in de kraamzorg extra risicovol zijn in deze wijken? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is om de acute verloskundeafdeling in Heerlen te sluiten, terwijl baby’s die in Heerlen-Noord geboren worden zo’n 25 procent vaker een te laag geboortegewicht hebben en dus kwetsbaarder zijn?
Bent u bekend met het artikel «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: «Dit is niet uit te leggen»»?1
Deelt u de mening dat het belangrijk is zorginnovaties met overheidsbeleid te ondersteunen zodat de kwaliteit van zorg hoog blijft, wachtlijsten worden teruggedrongen en economische groei wordt aangewakkerd?
Ziet u mogelijkheden om doorlooptijden van regelgeving voor medische innovaties, zoals vergunningen, te verkorten? Zo ja, op welke manier?
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Martens-America over het verbeteren van deal terms voor intellectueel eigendom (Kamerstuk 32 637, nr. 744), welke verzoekt om deal terms te verbeteren, bijvoorbeeld door medische universiteiten bij deal terms aan te laten sluiten? Gaat u de deadline halen om uiterlijk einde van dit jaar over verbeteringen aan de Kamer te rapporteren?
Bent u bereid een meer coördinerende rol op zich te nemen voor investeringen in innovaties vanuit de markt in de zorg, zodat bijvoorbeeld zorgverzekeraars worden verleid samen te investeren in innovaties en verzekeraars hier niet van afzien uit angst dat andere verzekeraars op hun innovaties «meeliften», zoals in het aangehaalde artikel beschreven?
Ziet u een rol weggelegd voor de nieuwe Nationale Investeringsinstelling met betrekking tot het stimuleren van medische innovaties en zo ja, welke?