Het bericht 'Rotterdamse huisartsenpost toont clip 'Boom Boom Tel Aviv' op groot scherm' |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de huisartsenpost Rotterdam Zuidplein op een groot scherm een videoclip is vertoond waarin geweld wordt verheerlijkt, zoals te zien was op beelden die op sociale media circuleerden?1
Op de gevel van een huisartsenpraktijk in Rotterdam, huisartsenpost Zuidplein, hangt een scherm. Het is goed te zien vanaf de straat. Op dat scherm verscheen in maart een videoclip. Het liedje uit de clip heeft als titel: «Boom, Boom, Tel Aviv». Een van de strofen uit het liedje luidt: «But humanity never expected good behavior from your Jews».
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Worden deze beelden door of namens deze huisartsenpost zelf aangestuurd of door een externe advertentiedienst?
Wie de beelden aanstuurde, is voor het kabinet vooralsnog onduidelijk. Er is inmiddels een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Vermoedelijk zal daaruit blijken wie de beelden aanstuurde. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Heeft deze huisartsenpost een verantwoordelijkheid om bij (potentiële) patiënten geen enkele zorg te laten ontstaan over de vraag dat ongeacht de herkomst of nationaliteit van een persoon deze kan rekenen op de best beschikbare zorg?
Huisartsen moeten zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2 De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. In de tweede kernregel is opgenomen: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet».3
Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Deelt u de opvatting dat zorgverleners, en zorginstellingen in het bijzonder, een neutrale, veilige en niet-politieke omgeving moeten bieden aan alle patiënten, ongeacht herkomst, religie of politieke opvatting?
Ja.
Hoe verhoudt het vertonen van een video waarin geweld wordt gevierd zich volgens u tot de professionele normen, zoals beschreven door de KNMG en in bredere zin in de medische beroepsethiek, waaronder het uitgangspunt dat artsen en zorginstellingen handelen op een wijze die geen schade toebrengt, vertrouwen wekt en respect voor iedere patiënt waarborgt?2
Zoals hierboven uitgelegd, moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. De gedragscode biedt artsen een leidraad voor het professionele handelen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. Zoals hierboven aangegeven, staat in de tweede kernregel: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet». Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» acht het kabinet volkomen onacceptabel. Een dergelijke videoclip kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk en kan daarmee de toegang tot zorg belemmeren.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden, waaronder de KNMG-gedragscode, maakt daar deel van uit.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse artseneed, zoals opgenomen in de universitaire opleidingen sinds 2003, artsen onder meer verplicht tot het bevorderen van vertrouwen, het voorkomen van schade en het professioneel handelen in het belang van de patiënt? Acht u het vertonen van deze video in lijn met die eed en professionele verplichtingen?
De artseneed is een morele en ethische belofte. De artseneed is niet juridisch bindend. De bovengenoemde gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen. Die maakt deel uit van de professionele standaard.
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.5 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Zijn er eerder uitingen op dit scherm geweest die vraagtekens zetten bij de genoemde normen die gelden voor leden van de medische beroepsgroepen?
Het College van burgemeester en Wethouders van Rotterdam heeft in 2023 vragen beantwoord van de gemeenteraad over antiwesterse en pro-Palestijnse posts op de LinkedIn-pagina van Huisartsenpost Zuidplein.
Bent u ervan op de hoogte dat buurtbewoners inmiddels klachten hebben ingediend over het scherm en dat het scherm inmiddels is uitgezet? Worden deze klachten betrokken bij een onderzoek of bestuurlijke beoordeling?
In hoeverre buurtbewoners hebben geklaagd en bij wie, is het kabinet niet bekend. Wel is bekend dat er een opsporingsonderzoek is opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden patiënten hebben om een formele klacht in te dienen wanneer zij zich door dergelijke politieke of gewelddadige boodschappen onveilig, ongewenst of bedreigd voelen bij het bezoeken van een huisartsenpost?
Patiënten die zich onveilig, ongewenst of bedreigd voelen, kunnen een melding doen bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Zie: Ik heb een klacht | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
Daarnaast kunnen patiënten een klacht indienen bij de zorgaanbieder zelf. De zorgaanbieder is verplicht een schriftelijke regeling op te stellen voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten.
Kunt u toezeggen om deze situatie onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Wat vindt uzelf van het vertonen van deze videoboodschap boven een huisartsenpost in relatie tot de KNMG-gedragsregels en de medische beroepsethiek, inclusief de normen over neutraliteit, veiligheid en het vermijden van schade?
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Welke voorwaarden gelden er voor met premie, c.q. belastinggeld, betaalde zorginstellingen ten aanzien van het gebruiken van publieke schermen of uitingen voor politieke, activerende of mogelijk polariserende boodschappen? Zijn deze waarborgen volgens u voldoende?
De vertoning van beelden op een scherm aan de gevel van een huisartsenpraktijk moet aan diverse normen voldoen. Het kabinet acht deze normen voldoende. De vertoning mag allereerst niet strafbaar zijn. Of er sprake is van strafbaarheid wordt uitgezocht in het reeds opgestarte opsporingsonderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast is voor het plaatsen van een scherm aan een gevel een vergunning vereist. Dat is geregeld in de Omgevingswet. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam heeft een toezichtsonderzoek opgestart.
Tot slot moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode maakt deel uit van de professionele standaard. De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Deelt u de opvatting dat het vertonen van gewelddadige en polariserende content vanaf een zorginstelling niet alleen onverenigbaar is met de rol van een huisartsenpost, maar ook onwenselijk is in de openbare ruimte?
Ja.
Welke bestuurlijke maatregelen acht u passend indien een zorginstelling (herhaaldelijk) uitingen verspreidt die angst of haat kunnen aanwakkeren in de openbare ruimte? Wordt daarbij ook de mogelijkheid betrokken van (tijdelijke) sluiting of het intrekken van vergunningen indien normen structureel worden overschreden?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in dit geval niet de bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen te treffen. Toezichtsonderzoek en de eventuele beslissing om handhavingsmaatregelen te treffen is aan de toezichthouders: de IGJ en Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door IGJ of andere toezichthouders, en over eventuele maatregelen die u naar aanleiding daarvan noodzakelijk acht?
Ja, voor zover dat binnen de geldende wettelijke kaders mogelijk is, zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door de IGJ of andere toezichthouders, evenals over eventuele maatregelen die naar aanleiding daarvan noodzakelijk worden geacht.
Thuisabortus.nl |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwe online platform thuisabortus.nl, waarmee een aantal huisartsen online abortuspillen gaat voorschrijven?
Ja.
Deelt u de mening dat dit initiatief, gelet op het feit dat het gaat om het beëindigen van menselijk leven, alle perken te buiten gaat?
Het kabinet staat pal voor goede en toegankelijke abortuszorg. Vrouwen die abortuszorg nodig hebben in Nederland verdienen zorg en hulpverlening van hoge kwaliteit, waarbij alle wettelijke vereisten worden nageleefd. In abortusklinieken en in huisartsenpraktijken worden vrouwen zorgvuldig begeleid en behandeld. Op basis van wat nu bekend is, is het de vraag of diezelfde zorgvuldigheid kan worden geboden via een website als thuisabortus.nl. De signalen over thuisabortus.nl neemt het kabinet daarom serieus. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onder de aandacht gebracht. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart.
Deelt u de grote zorgen dat een ingrijpende gebeurtenis als abortus hiermee grotendeels op afstand wordt georganiseerd? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling waarbij abortus steeds verder wordt verplaatst naar de privésfeer?
De Beleidsregel voorschrijven via internet en de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) sluiten abortuszorg op afstand niet expliciet uit.1 Het is aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere algemene wetten en regels voor goede en veilige zorg. Op basis van wat nu bekend is, roept de werkwijze van thuisabortus.nl vragen op over de naleving van deze zorgvuldigheidseisen.
Het is overigens niet nieuw dat abortus deels in de «privésfeer» plaatsvindt. Medicamenteuze zwangerschapsafbrekingen zijn al jarenlang onderdeel van de zorgvuldige abortuspraktijk in Nederland. Bij deze behandeling ondergaat een vrouw, na een consult in een abortuskliniek of bij de huisarts, de abortus grotendeels of geheel thuis.
Bent u bekend met de uitspraak van de toenmalige Minister van VWS in 2022 bij de behandeling van de initiatiefwet om de abortuspil bij de huisarts mogelijk te maken: «in de Wet afbreking zwangerschap neergelegde eisen omtrent zorgvuldigheid en kwaliteit [staan] in de weg dat de abortuspil via het internet kan worden verstrekt»?1 Hoe verhouden de activiteiten van thuisabortus.nl zich volgens u tot deze uitspraak?
Ja, het is mij bekend dat de toenmalige Minister is bevraagd over abortusmedicatie die online kon worden besteld. Uit de Handelingen van de eerste termijn van dat Kamerdebat3 blijkt dat de discussie destijds gericht was op online verkoop van abortusmedicatie zonder tussenkomst van een arts. Dit is in strijd met de eisen uit de Wafz en de Geneesmiddelenwet.
De werkwijze van thuisabortus.nl is anders. Een arts beoordeelt de aanvraag van de vrouw en kan vervolgens een recept voor de medicatie naar haar apotheek sturen. Er is hier dus wel tussenkomst van een arts, maar toch roept de werkwijze van thuisabortus.nl vragen op over de naleving van de wettelijke zorgvuldigheidseisen. Toen het initiatief bekend werd, heeft het kabinet dit daarom direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de zorgvuldigheidseisen vanuit de Wet afbreking zwangerschap? Kunt u hierbij afzonderlijk ingaan op de zorgvuldigheidseisen zoals deze in de wet (artikel 6a, derde lid Wafz) en het onderliggende besluit zijn vastgelegd?
De Wafz bevat verschillende zorgvuldigheidseisen over hulpverlening, besluitvorming, informatievoorziening en nazorg. Het is belangrijk dat deze eisen worden nageleefd, zodat vrouwen in Nederland kunnen rekenen op zorgvuldige zorg van hoge kwaliteit.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de zorgvuldigheidseisen uit de Wafz en andere relevante wet- en regelgeving. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Voldoet bijvoorbeeld het afvinklijstje op thuisabortus.nl (de «akkoordverklaring») volgens u aan deze zorgvuldigheidseisen, met name als het gaat om de vraag ten aanzien van de vrijwilligheid van de abortus?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze wordt via online voorschrijven getoetst of daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie? Is dit juridisch houdbaar?
In de Wafz worden eisen gesteld die erop zien dat elk besluit tot een zwangerschapsafbreking zorgvuldig wordt genomen en dat de afbreking alleen wordt uitgevoerd «indien de noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt.» Het is echter niet aan de arts om te toetsen óf er sprake is van een noodsituatie. De arts moet, «indien de vrouw van oordeel is dat haar noodsituatie niet op andere wijze kan worden beëindigd» zich ervan vergewissen dat de beslissing van de vrouw vrijwillig en zorgvuldig is genomen.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van deze zorgvuldigheidseisen. De IGJ heeft bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen.
Wat vindt u ervan dat thuisabortus.nl aangeeft dat niet voorkomen kan worden dat een vrouw een abortuspil besteld zonder dat zij zwanger is? Hoe wordt gecontroleerd dat de abortuspil wordt gebruikt door de persoon voor wie deze is voorgeschreven?
De werkwijze van thuisabortus.nl roept vragen op over de naleving van wettelijke zorgvuldigheidseisen. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Erkent u het risico dat abortuspillen via dergelijke platforms wordt doorgegeven aan derden of onder druk wordt gebruikt?
Zie antwoord vraag 8.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de Beleidsregel Voorschrijven via het internet? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, wat voor consequenties heeft dit volgens u?
Op grond van de Beleidsregel voorschrijven via internet mogen zorgverleners, onder bepaalde voorwaarden, medicatie voorschrijven na contact met de patiënt via internet.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van deze beleidsregel. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Hoe wordt gewaarborgd dat abortussen via online verstrekte pillen volledig en correct worden geregistreerd in de nationale abortuscijfers?
Artsen die een zwangerschapsafbreking verrichten zijn verplicht om hierover gegevens te registreren en deze te rapporteren aan de IGJ. Dat geldt ook voor artsen die een recept voorschrijven via thuisabortus.nl.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de registratieplicht. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabrotus.nl. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de Leidraad Huisartsenzorg bij een ongewenste zwangerschap? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, wat voor consequenties heeft dit volgens u?
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de beroepsrichtlijnen. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Bent u bekend met de kritiek van artsenkoepel KNMG op de werkwijze van thuisabortus.nl?2 Wat is uw reactie hierop?
Ja, de berichtgeving over de zienswijze van de KNMG is mij bekend. Het nieuwsbericht vermeldt dat de KNMG twijfelt aan de zorgvuldigheid en de juridische houdbaarheid. De KNMG vindt het onduidelijk of de werkwijze van thuisabortus.nl voldoet aan de Wafz. Zoals toegelicht in de antwoorden op bovenstaande vragen, roept de werkwijze van thuisabortus.nl ook vragen op bij het kabinet. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Wat vindt u ervan dat de huisartsen van thuisabortus.nl niet standaard een gesprek voeren met de zwangere vrouw, niet beschikbaar zijn voor nazorg bij complicaties en geen achterwacht hebben geregeld tijdens de avond-, nacht- en weekenduren?
In de Wafz staan verschillende zorgvuldigheidseisen waaraan abortusartsen en huisartsen zich dienen te houden. Deze eisen zien onder andere op zorgvuldige besluitvorming en beschikbaarheid van nazorg. Het is heel belangrijk dat deze eisen, en andere wet- en regelgeving voor goede zorg, worden nageleefd. Omdat de werkwijze van thuisabortus.nl vragen oproept over de naleving van de wettelijke zorgvuldigheidseisen, heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Wat vindt u ervan dat de huisartsen van thuisabortus.nl niet standaard om een zwangerschapsecho vragen? Bent u ermee bekend dat de abortuspil bijvoorbeeld niet gebruikt mag worden bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap? Hoe kunnen de huisartsen van thuisabortus.nl weten of er al dan niet sprake is van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap als er niet standaard een echo wordt geëist?
Bij abortuszorg door een huisarts wordt niet standaard een echo gemaakt. In de leidraad voor huisartsen staat dat een echo uitsluitend wordt aangeraden bij een vermoedelijke medische indicatie of als de zwangerschapstermijn niet betrouwbaar kan worden vastgesteld. Bij onzekerheid over de termijn of verhoogde kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap wordt een echo geadviseerd. De huisarts verwijst hiervoor door naar een andere zorgverlener. De werkwijze van thuisabortus.nl lijkt op dit punt dus niet af te wijken van abortuszorg zoals huisartsen die al leverden.
Het is niet aan mij om te beoordelen wanneer medische onderzoeken wel of niet standaard moeten worden aangeboden. Dit is bij uitstek een zorginhoudelijke afweging die zorgprofessionals moeten maken. De beroepsgroep van huisarten heeft bovengenoemde leidraad opgesteld op basis van wetenschappelijk onderzoek, kennis, ervaring en overleg met andere zorgverleners.
Kunt u aangeven hoe de activiteiten van thuisabortus.nl zich verhouden tot het strafrecht?
De strafuitsluitingsgrond in artikel 296, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht stelt dat een huisarts een medicamenteuze zwangerschapsafbreking mag verrichten volgens de Wafz. In de Wafz staan verschillende zorgvuldigheidseisen waaraan de huisarts zich dient te houden. Het is heel belangrijk dat deze eisen, en andere wet- en regelgeving voor goede zorg, worden nageleefd. Zoals in eerdere antwoorden toegelicht, heeft het kabinet daar in het geval van thuisabortus.nl vragen over.
Of strafrechtelijke vervolging in een concreet geval aan de orde is, hangt sterk af van de specifieke omstandigheden bij die zwangerschapsafbreking. In algemene zin is het strafrecht geen voor de hand liggend instrument om naleving van zorgvuldigheidseisen te handhaven. Het OM heeft zich in het verleden uitsluitend gericht op ernstige misbruiksituaties, zoals gedwongen zwangerschapsafbrekingen door een partner (niet-arts). Als een arts mogelijk handelt in strijd met de Wafz, ligt handhaving in de eerste plaats bij de IGJ. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek te gaan over de activiteiten van thuisabortus.nl? Is de IGJ voornemens om in te grijpen?
Ja, direct nadat het kabinet hoorde dat thuisabortus.nl van start zou gaan heeft het dit bij de IGJ onder de aandacht gebracht. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht dus zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Daarbij wordt gekeken of thuisabortus.nl zich houdt aan relevante wet- en regelgeving. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Bent u bereid om het online verstrekken van abortuspillen zo spoedig mogelijk juridisch onmogelijk te maken?
Volgens het huidige juridisch kader is het aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere relevante wet- en regelgeving voor goede en veilige zorg. Het is nu eerst aan de IGJ om te kijken of thuisabortus.nl zich houdt aan relevante wet- en regelgeving. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Het bericht 'Artsen lanceren onlineportaal voor bestelling van abortuspil: ‘Zelfbeschikking in optima forma’' |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Artsen lanceren onlineportaal voor bestelling van abortuspil: «Zelfbeschikking in optima forma»»?1
Ja.
Erkent u dat het verstrekken van abortuspillen via het internet zonder behandelrelatie met de vrouw is verboden op grond van de Geneesmiddelenwet? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Geneesmiddelenwet en de Beleidsregel voorschrijven via internet mag een arts, onder bepaalde voorwaarden, via internet medicatie voorschrijven. Een van deze voorwaarden is dat de arts moet beschikken over de actuele medicatiehistorie. Er hoeft echter geen sprake te zijn van een reeds bestaande behandelrelatie.
Erkent u dat, indien er wel een behandelrelatie is, de in de Wet afbreking zwangerschap neergelegde eisen omtrent zorgvuldigheid en kwaliteit eraan in de weg staan dat de abortuspil via het internet kan worden verstrekt? Zo nee, waarom niet?
De Wet afbreking zwangerschap (Wafz) sluit abortuszorg op afstand niet expliciet uit.2 Het is aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere algemene wetten en regels voor goede en veilige zorg. De werkwijze van thuisabortus.nl roept vragen op over de naleving van deze zorgvuldigheidseisen. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct onder de aandacht gebracht bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Bent u bereid er zorg voor te dragen dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) handhavend op zal treden tegen het onlineportaal voor bestelling van de abortuspil? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht dus zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel en het vervolg van de maatwerkafspraak |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke rol u voor de Expertgroep Gezondheid IJmond ziet in de verdere uitwerking van de maatwerkafspraak met Tata Steel en de opvolging van de afspraken?
Kunt u toelichten hoe u de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft meegewogen – en waarom bepaalde adviezen wel of niet zijn overgenomen – bij het opstellen van de Joint Letter of Internt (JLoI) met Tata Steel?
Bent u van plan om in lijn met de motie-Tijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond, ook voor zover deze niet in de JLoI zijn opgenomen, als harde voorwaarde mee te nemen in de onderhandelingen en uitwerking van de uiteindelijke maatwerkafspraak?
Kunt u een toelichting geven op het proces, inclusief de tijdlijn, om te komen tot een MER en een GER, en op de rol die beide instrumenten hebben bij vergunningverlening en het al dan niet verstrekken van subsidie?
Indien de maatwerkafspraak in september wordt ondertekend, heeft u, en daarmee de Kamer, dan voldoende inzicht in de gezondheidseffecten van de afspraken, afrekenbare garanties op vermindering van schadelijke effecten, vergunningverlening en de mogelijk te verstrekken subsidie?
Wordt de GER, naast een informatief instrument, ook een sturend instrument?
Zullen, zoals geadviseerd door de Expertgroep Gezondheid IJmond, naast de MER ook de resultaten van de GER voorwaardelijk worden gemaakt voor vergunningverlening?
Hoe gaat u de kennis- en meetlacunes ten aanzien van gezondheidseffecten, bijvoorbeeld van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en ultrafijnstof, adresseren?
Hoe gaat u de noodzakelijke omvang van het meetnetwerk, nieuwe meetmethoden en de resultaten daarvan een integraal en afdwingbaar onderdeel maken van de maatwerkafspraken?
Bent u van plan om, in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond, afdwingbare gezondheidsdoelen op te nemen in de uiteindelijke maatwerkafspraak, en hoe worden deze doelen vastgesteld (bijvoorbeeld op basis van waarden voor een gemiddelde stad of WHO-richtlijnen)?
Gaat u naast emissiedoelen ook immissiedoelen opnemen in de maatwerkafspraak?
Hoe bent u voornemens op dergelijke doelen te handhaven, en welke consequenties – zoals ontbindende voorwaarden, boetes of terugvorderingen – worden verbonden aan het niet behalen van de gezondheidsdoelen?
Bent u voornemens om periodieke evaluatiemomenten (bijvoorbeeld elke twee jaar) vast te leggen, waarin wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Bent u van plan om in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond naast gezondheidsafspraken en -doelen voor nieuwe installaties ook afspraken over bestaande installaties op te nemen in de maatwerkafspraak?
Hoe gaat u de weging en toetsing van het kosteneffectiviteitsbeginsel specifiek voor investeringen in Best Beschikbare Technieken (BBT) voor ZZS, versterken en verbreden met maatschappelijke waarden zoals gezondheid?
Heeft u Tata Steel verzocht om in de MER-alternatieven op te nemen die bijvoorbeeld de gezondheidswinst of de CO2-reductie maximaliseren, zodat een betere afweging kan worden gemaakt?
Waarom hanteert Tata Steel in de MER een andere productiecapaciteit – en daarmee mogelijk een andere uitstoot – dan in de JLoI, en wat zijn daarvan de consequenties?
Hoe (juridisch) zeker zijn de vergunningen voor emissies van Tata als de gezondheid en dus het belang van omwonenden onvoldoende is meegewogen? Kunt u bij het beantwoorden van deze vraag de jurisprudentie van de RBV-zaak van omwonenden tegen Schiphol meewegen, waarbij de rechter oordeelde met verwijzing naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?
Hoe houdbaar zijn de maatwerkafspraken als deze vergunningen vereisen die niet vergunbaar zijn of door de rechter worden vernietigd? Wat zijn de gevolgen van een vernietigde vergunning voor de maatwerkafspraken en de subsidies of andere incentives?
Kunt u toelichten hoe de economische en maatschappelijke baten van Tata Steel voor Nederland zich verhouden tot de NOx-emissie en welke maatschappelijke baten gegenereerd kunnen worden door deze emissie te verminderen of anders «te besteden»?
Kunt u toelichten op welke wijze de voorgenomen maatwerkafspraak met Tata Steel leidt tot additionele CO2-reductie ten opzichte van de geldende Nederlandse en Europese klimaatdoelstellingen?
Onderschrijft u dat binnen het EU ETS productbenchmarks worden toegepast om de hoeveelheid gratis emissierechten voor individuele installaties te bepalen en niet bepalend zijn voor de hoeveelheid emissierechten binnen het EU ETS?
Onderschrijft u dat ETS-benchmarks primair gebaseerd zijn op de prestaties van bestaande installaties en daarmee een afspiegeling vormen van de huidige stand van de techniek, niet het reductiepotentieel of de beschikbare transitie- of mitigatieopties?
Kunt u toelichten welke rol ETS-benchmarks spelen in de beoordeling of de voorgenomen CO2-reductie door Tata Steel additioneel is ten opzichte van wat reeds door het EU ETS wordt afgedwongen, en heeft een aanpassing van de benchmarks – zoals aangekondigd door de Europese Commissie – hier invloed op?
Welke criteria hanteert u om te bepalen of sprake is van «versnelde» CO2-reductie in het geval van Tata Steel, en hoe verhouden deze criteria zich tot het reductietempo dat reeds volgt uit het EU ETS?
Kunt u toelichten welke rol deze criteria, en specifiek de ETS-benchmarks, spelen in de beoordeling of Tata Steel in aanmerking komt voor staatssteun?
Hoe weegt u in dit kader de Europese CO2-grensheffing (CBAM) en de versnelde afbouw van gratis rechten en de prikkel die daarmee ontstaat, ongeacht mogelijke staatssteun, om te investeren in verduurzaming?
Is er nog steeds sprake van «versnelde» CO2-reductie, en voldoende onderbouwing voor staatssteun, als Tata Steel slechts de overstap van kolen naar aardgas maakt in fase 1 – en niet overstapt op groen gas of -waterstof?
Worden er harde doelen en tijdlijnen opgenomen over CO2-reductie en investeringen in fase 2 – de tweede helft van de fabriek – of staat het Tata Steel vrij om die investeringen niet te doen of zelfs de tweede helft van de fabriek te sluiten?
Worden er met het oog op de strategische autonomie en importafhankelijkheid harde garanties opgenomen in de maatwerkafspraak dat Tata Steel ten laatste voor 2032 overstapt op hernieuwbare energie en dat nieuwe installaties niet nog vele jaren op aardgas draaien?
Hoe worden de ketenemissies van aardgas – zoals methaanlekkage en transportkosten – meegenomen in de afspraken? Zijn daar analyses van en worden ook daar doelen voor gesteld?
Kunt u bevestigen dat Tata Steel, afgaande op afspraken in de intentieverklaring, de 200 miljoen euro staatssteun kan gebruiken om, mogelijk zelfs buiten Nederland, certificaten voor groen gas te kopen en dus kan beslissen om fysiek door te draaien op aardgas?
Hoe wordt de businesscase van wind op zee meegewogen in de beslissing om te kiezen voor groen gas of groene waterstof?
Waarom wordt wat betreft groen gas of waterstof enkel gekozen voor optionele subsidiering, in plaats van, of in combinatie met afdwingbare afspraken – en wordt dit in de maatwerkafspraak aangepast?
Is er door u een vergelijking gemaakt tussen de (maatschappelijke) kosten van het huidige plannen en een scenario waarbij afspraken worden gemaakt met andere landen of producenten over de import van met hernieuwbare energie geproduceerde Hot Briquetted Iron (HBI), dat vervolgens door Tata Steel IJmuiden wordt verwerkt tot groen staal?
Hoe weegt u de maatschappelijke kosten, zoals werkgelegenheid, benodigde subsidie en investeringen met een scenario met (ten dele) HBI-import?
Hoe weegt u consequenties van de import van HBI tegenover de import van aardgas, kolen, groen gas, waterstof en ijzererts voor de Nederlandse en Europese strategische autonomie?
In hoeverre wordt de ambitie uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben meegenomen in de uitwerking van de intentieverklaring?
Worden er circulaire (tussen)doelen opgenomen in de afspraken – zowel in fase 1 als 2 – en die afrekenbaar gemaakt?
Hoe betrekt u de rest van de keten – denk aan afspraken over het oplopend gebruik van schroot, maar ook vraagcreatie voor circulair- en groen staal – bij de uitwerking van de intentieverklaring?
Ziet u het borgen van de financiële verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Tata Steel Ltd. als een belangrijk onderdeel van de maatwerkafspraak?
In hoeverre zal Tata Steel Ltd. financieel bijdragen aan de investeringen aan de kant van Tata Steel en op welke manier?
Wat zijn de financiële consequenties voor de staat als de vergunningverlening vertraging oploopt en daarmee afspraken zoals nu uitgewerkt niet meer haalbaar blijken?
Maakt u zich in de onderhandelingen hard voor een financiële garantstelling – een zogenaamde 403-verklaring – van Tata Steel Ltd voor zaken als schulden, schoonmaakkosten of een sociaal plan?
Hoe wordt het Sociaal Contract Groen Staal – bedoeld om de werknemers zekerheid te verschaffen over hun toekomst – betrokken in de uitwerking van de intentieverklaring?
Gaat u een koppeling maken tussen de ondertekening van de maatwerkafspraak en de activering van het Sociaal Contract Groen Staal?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de intentieverklaring met Tata Steel?
Het bericht dat er nog meer misstanden waren bij een vruchtbaarheidskliniek in Leiderdorp |
|
Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Oud zaad» en liegen tegen de Inspectie: meer misstanden in kliniek Leiderdorp»?1
Ja.
Klopt het dat de kliniek jarenlang bewust in strijd handelde met de richtlijn ten aanzien van het maximumaantal kinderen per donor?
Het CBO-advies uit 1992 was tot aan de verschijning van het Landelijk standpunt spermadonatie in 2018 een gezaghebbend en breed gedragen document dat destijds binnen de beroepsgroep richting gaf aan het handelen van zorgverleners; zij moesten zich ertoe verhouden. In dit CBO-advies stond het maximum van 25 donorkinderen per spermadonor beschreven. Het maximum van 25 behoorde daarmee tot de destijds gangbare en breed gedragen beroepspraktijk. Wel moet worden erkend dat het CBO-advies niet volledig eenduidig was over het aantal van 25 donorkinderen, omdat er enige ruimte overbleef voor het afwijken van het maximumaantal. Bij afwijkingen van beroepsnormen gelden wel altijd voorwaarden voor de arts. Hierbij valt te denken aan een goede en transparante onderbouwing van de afwijking (het «pas toe of leg uit»-principe), en expliciete toestemming van de patiënt – de donor en wensmoeder. De Kamer ontvangt gelijktijdig met de beantwoording van deze Kamervragen een brief waarin duidelijkheid wordt gegeven over het CBO-advies.
Sinds 2018 geldt het Landelijk standpunt spermadonatie van de Nederlandse Vereniging Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en de Vereniging voor Klinische Embryologie (KLEM), waarin niet langer werd uitgegaan van maximaal 25 kinderen, maar van maximaal 12 gezinnen per donor. Sinds 1 april 2025 is een maximum van 12 vrouwen per donor wettelijk vastgelegd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting.
Het feit dat tussen 2006 en 2017 bij Medisch Centrum Kinderwens (MCK) in Leiderdorp is afgeweken van het destijds geldende maximum van 25 kinderen per donor, is sinds de zomer van 2025 bekend. Het kabinet is van mening dat er in het verleden onwenselijke overschrijdingen van het destijds geldende maximumaantal kinderen per spermadonor hebben plaatsgevonden. De situatie bij MCK, hoe dit heeft kunnen ontstaan en hoe MCK de ouders en donoren hierover voorlichtte, is onderdeel van het lopende onderzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bij MCK.
Klopt het dat de kliniek in 2015 bewust loog tegen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over het beleid ten aanzien van massadonatie?
De afwijking bij MCK ten aanzien van het maximumaantal kinderen per spermadonor, zoals staat beschreven in het CBO-advies, is onderdeel van het onderzoek dat de IGJ op dit moment uitvoert. De IGJ doet nooit uitspraken over lopende onderzoeken. Het kabinet wacht het onderzoek af.
Klopt het dat de kliniek tot op heden nooit zelf melding heeft gemaakt bij de IGJ ten aanzien van de overschrijdingen van de richtlijnen?
De inspectie doet geen uitspraken over meldingen die bij haar worden gedaan. Zeker in dit geval is dat niet mogelijk, aangezien er sprake is van een nog lopend onderzoek. Het kabinet wacht dus eerst de afronding van het inspectieonderzoek af.
Als het antwoord op de vorige vragen bevestigend is, hoe kan dat een kliniek die jarenlang de richtlijn ten aanzien van het maximumaantal donoren aan de laars lapte, nog steeds geopend is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven welke handhavingsmogelijkheden de IGJ heeft op het moment dat een zorgaanbieder bewust informatie achterhoudt of onjuiste informatie verstrekt aan de IGJ?
Wat betreft het achterhouden van informatie geldt dat eenieder verplicht is mee te werken aan het toezicht van de IGJ. Als deze medewerking niet wordt verleend, dan bestaat de mogelijkheid om een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom op te leggen om medewerking af te dwingen.
Wat betreft het bewust verstrekken van onjuiste informatie, geldt dat indien de IGJ vaststelt dat onjuiste informatie is verstrekt, daarmee rekening kan worden gehouden bij het bepalen van de interventie. Wanneer een zorgaanbieder bewust onjuiste informatie verstrekt, kan dat het vertrouwen van de IGJ in de houding, intenties en verbeterkracht van de zorgaanbieder verminderen en, afhankelijk van de ernst en risico’s, aanleiding zijn voor een zwaardere interventie, waaronder een handhavingsmaatregel. Het bewust verstrekken van onjuiste informatie is voornamelijk van belang in het kader van het beoordelen van het vertrouwen in de intenties om kwalitatief goede zorg te verlenen en daarmee de inschatting van de kans op herhaling in de toekomst. Dit volgt uit het algemeen interventiebeleid van de IGJ.
Wat is de stand van zaken van het lopende onderzoek van de IGJ naar deze kliniek? Wordt deze nieuwe informatie bij het onderzoek betrokken?
De IGJ doet geen uitspraken over lopend onderzoek. Wel heeft de IGJ aangegeven de nieuwe informatie te bestuderen.
Vindt u het ook tijd om een grootschalig en onafhankelijk onderzoek te starten naar missstanden bij fertiliteitsklinieken in de afgelopen decennia?
Het kabinet beraadt zich momenteel op de vraag of een landelijk, historisch onderzoek naar donorconceptie in Nederland mogelijk en gewenst is, en zo ja, hoe dat vorm zou kunnen krijgen. Ondertussen werkt het kabinet verder aan verbetering van een zorgvuldige praktijk van donorconceptie. Daartoe zijn bijvoorbeeld maatregelen in voorbereiding om massadonatie als gevolg van het gebruik van buitenlandse spermadonoren beter te reguleren. Deze maatregelen zijn op 12 februari jl.2 met de Kamer gedeeld.
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie ten zeerste betreur. Omdat deze zaak nog onder de rechter is, kan ik bij de beantwoording niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke casus. Ik wil wel graag toelichten hoe het systeem in de kinderopvang werkt en op die manier antwoord geven op uw vraag.
De professionals in de kinderopvang werken elke dag hard om verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang te bieden. Er zijn veiligheidseisen om dat zoveel mogelijk te waarborgen, waaronder:
Het vierogenprincipe betekent dat er altijd een tweede volwassene moet kunnen meekijken of meeluisteren met de ander. Dit betekent overigens niet dat medewerkers altijd met zijn tweeën op de groep staan, zolang een tweede volwassene maar op ieder moment mee kan kijken of luisteren. Dit kan bijvoorbeeld door ramen bij de verschoonruimte of door gebruik te maken van camera’s. Het vierogenprincipe geldt niet in de buitenschoolse opvang en gastouderopvang.
Mede door het vierogenprincipe kan een medewerker iets zien of horen bij een collega. Daarnaast kan ook bijvoorbeeld een ouder iets aankaarten bij een medewerker of de houder van de kinderopvangorganisatie (hierna: houder). Bij een vermoeden van seksueel misbruik of mishandeling van een opgevangen kind door een medewerker of gastouder geldt vervolgens de meld-, overleg- en aangifteplicht (MOA). De MOA werkt als volgt:
Voordat iemand aan de slag kan binnen de kinderopvang2 moet diegene zich laten inschrijven in het Personenregister Kinderopvang (PRK). De persoon moet voor inschrijving beschikken over een actuele en geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Screeningsautoriteit Justis beoordeelt de VOG-aanvragen. De VOG is echter een momentopname. Om de veiligheid van kwetsbare kinderen in de kinderopvang extra te waarborgen vindt er aanvullend continue screening plaats. Continue screening heeft als doel om bij directe risico’s snel en effectief te kunnen handelen, nog voordat is besloten over te gaan tot vervolging. Na inschrijving in het PRK en koppeling met de houder start de continue screening.
Continue screening houdt in dat Justis wordt geïnformeerd door de Justitiële Informatiedienst bij een mutatie in de justitiële documentatie van een persoon uit het PRK. Justis beoordeelt of het feit een risico vormt voor de uitoefening van de functie of rol van de betreffende persoon. Als dat het geval is, stuurt Justis een signaal naar Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op zijn beurt blokkeert DUO de persoon in het PRK en informeert de toezichthouder(s) (de betreffende GGD-regio(s)). De toezichthouder informeert de houder of het gastouderbureau. De houder stelt de persoon op non-actief tot deze een nieuwe VOG kan voorleggen. Indien de VOG niet verleend wordt, volgt ontslag.
De houder kan daarnaast ook (buiten het continue screening-proces om) een medewerker op non-actief stellen en ontslaan indien daar voldoende aanleiding voor is. Hierover zijn afspraken gemaakt in de CAO kinderopvang 2025, artikel 3.6.
Met de continue screening, het vierogenprincipe en de MOA heeft de Wet kinderopvang een stevig fundament voor verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang. Er zijn echter wel situaties mogelijk waarbij een medewerker na ontslag bij een eerdere werkgever vanwege meldingen van misbruik met kinderen wel werkzaam in de kinderopvang kan blijven. Bijvoorbeeld als een melding niet geleid heeft tot een aangifte bij de politie of omdat er na aangifte onvoldoende bewijslast is gevonden. Ik vind het van belang om samen met de kinderopvangsector te blijven leren wat er beter kan en moet om veiligheidsrisico’s in de kinderopvang te minimaliseren. Daarvoor ga ik graag in gesprek met de sector om te bezien welke processen we kunnen verbeteren. Daarnaast blijft het belangrijk dat alle medewerkers elk vermoeden van mishandeling of misbruik meteen melden bij de houder.
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Ik kan de wens goed begrijpen. Ik adviseer daarom alle werkgevers, dus ook houders en uitzendbureaus, om referenties aan sollicitanten te vragen en deze ook te verifiëren. Dat betekent niet dat werkgevers het recht hebben om alle bedenkingen van vorige werkgevers te vernemen. Er zitten namelijk (privacy)grenzen aan wat een vorige werkgever mag delen over de voormalige medewerker. Ik ga in gesprek met de sector over welke informatie gedeeld kan worden over de vorige werkplek(ken) van medewerkers.
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Ik ben het ermee eens dat een VOG niet alles zegt over een persoon. Daarom zijn er in de kinderopvang meerdere veiligheidseisen, zie antwoord 1. Deze eisen zijn opgesteld mede op advies van commissie Gunning n.a.v. de zedenzaak in Amsterdam uit 2011.3
Uit de VOG blijkt dat iemands justitiële verleden geen bezwaar vormt voor een bepaalde functie of rol in de kinderopvang. Dat is momentopname. In combinatie met continue screening op strafbare feiten wordt continu gescreend of deze persoon geen risico vormt voor het uitvoeren van de functie. Dit is wezenlijke informatie voor een houder, maar een VOG zegt niet alles over een persoon. Er kunnen ook andere risico’s zijn dan uit iemands strafblad blijkt. Daarom is het bijvoorbeeld ook van belang om als houder te vragen naar referenties en deze ook te verifiëren.
De huidige veiligheidseisen vormen een stevig fundament voor de veiligheid in de kinderopvang. Helaas blijkt dat ondanks deze verstrekkende veiligheidseisen dergelijke situaties zich nog kunnen voordoen. Daarom is het belangrijk dat sector en overheid gezamenlijk bezien wat er beter kan en moet. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind veilig achterlaten. En kinderen moeten zich op een veilige en gezonde omgeving kunnen ontwikkelen. Ik ga daarom graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Het staat voor mij als een paal boven water dat we (sector en overheid) er alles aan moeten doen om de veiligheid van kinderen binnen de kinderopvang zoveel mogelijk te waarborgen. Het gaat om een kwetsbare doelgroep. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kinderen elke dag weer in veilige handen achterlaten. Daar zetten de overheid en de kinderopvangsector zich in nauwe samenwerking voor in. De kinderopvang kent niet voor niets vele voorwaarden om de veiligheid van opgevangen kinderen te beschermen. Zie de voorbeelden in antwoord 1. Ik ga en blijf graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Ik zie het als onze (overheid en sector) gezamenlijke plicht om te blijven kijken hoe veiligheidsrisico’s binnen de kinderopvang zoveel mogelijk geminimaliseerd kunnen worden. Graag ga en blijf ik dan ook in gesprek met de sector om te bezien welke lessen we kunnen leren. En welke verbetermogelijkheden we gezamenlijk zien om de praktijk te optimaliseren. Daarbij ben ik bereid om (juridisch) te verkennen welke maatregelen mogelijk aanvullend getroffen kunnen worden. Ik zal uw Kamer in het najaar infomeren over de uitkomsten van de gesprekken en verkenning.
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
De uitzending van Pointer over tabaksspeciaalzaken |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Pointer, waaruit blijkt dat verhitte tabak wordt aangeprezen als schoner alternatief voor sigaretten, dat het aantal tabaksspeciaalzaken flink groeit en dat Philip Morris hier een belangrijk aandeel in heeft?1
Het is zorgelijk dat de tabaksindustrie steeds nieuwe tabaks- en nicotineproducten aan de man probeert te brengen en die, tegen de regels in, te promoten als «gezonder» alternatief voor normaal roken. Het kabinet snapt daarnaast ook de zorgen over de groei van het aantal tabaksspeciaalzaken. Het is echter belangrijk ook op te merken dat het verkooppuntenbeleid zijn vruchten afwerpt en heeft geleid tot een grote netto-daling van het aantal verkooppunten. De verwachting is dat na het verbod op de verkoop in supermarkten en horeca-inrichtingen per 1 juli 2024 het aantal verkooppunten de komende jaren nog verder zal dalen. Eind 2023 waren er nog circa 10.000 tabaksverkooppunten waaronder 6.400 supermarkten die deze producten nu niet meer mogen verkopen. Er zijn verkooppunten (met name speciaalzaken) hiervoor teruggekomen maar veel minder dan het aantal dat is verdwenen. Voorzien is dat per 2032 rookwaren alleen nog verkocht zullen mogen worden in speciaalzaken. Het wetsvoorstel hiervoor is op 20 maart j.l. ingediend.2
Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat winkeliers verhitte tabak als «beter», «schoner» of «gezonder» alternatief voor sigaretten aanprijzen? Deelt u dat dit onacceptabel is en klopt het dat dit in strijd is met de Tabaks- en rookwarenwet?
Dit is inderdaad onacceptabel en in algemene zin zijn dergelijke uitingen in strijd met het reclameverbod in de Tabaks- en rookwarenwet. Het is aan de NVWA of de uitingen die in de uitzending zijn gedaan een overtreding inhouden van het reclameverbod.
Kunt u klip en klaar aangeven dat het gebruik van verhitte tabak, zoals bij de genoemde IQOS-apparaten, helemaal niet gezonder, schoner of beter is dan sigaretten?
Verhitte tabaksproducten zijn net als gewone sigaretten schadelijk voor de gezondheid. Dat blijkt ook uit recent onderzoek van het RIVM.3 Hoewel de langetermijneffecten nog niet volledig bekend zijn, blijkt uit dit onderzoek dat verhitte tabaksproducten op korte termijn schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarmee zijn verhitte tabaksproducten geen veilig alternatief voor roken. Het gebruik van deze producten moet dus, net zoals bij gewone sigaretten, ten zeerste worden afgeraden.
Wordt er door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gehandhaafd op dit soort illegale gezondheidsclaims? Zo ja, hoe kan het dat dit op zo’n grote schaal gebeurt?
Ja, de NVWA handhaaft de Tabaks- en rookwarenwet en treedt op tegen dit soort claims. De NVWA heeft eerder een boete van vierhonderdvijftigduizend euro opgelegd voor een vergelijkbare gezondheidsclaim over verhitte tabak die op schermen in een verkooppunt getoond werden. De rechter heeft de NVWA gelijk gegeven maar er loopt nu een hoger beroep. Als de NVWA ook in hoger beroep gelijk krijgt, kan met meer zekerheid worden optreden tegen dergelijke claims. Verder werd in de uitzending getoond dat medewerkers van de verkooppunten dit soort claims ook mondeling doen richting klanten. Dit bemoeilijkt het toezicht omdat dergelijke uitingen door de inspecteurs moeten worden waargenomen.
Wat vindt u van de rol van Philip Morris hierin, als winkelpersoneel wordt getraind over de voordelen van verhitte tabak? Is dit toegestaan en zo nee, hoe wordt hierop richting Philip Morris gehandhaafd?
Het kabinet ziet voor de volksgezondheid geen voordelen van verhitte tabak ten opzichte van tabak die wordt gerookt. Verhitte tabak brengt de rookvrije generatie niet dichterbij en het kabinet is dan ook niet blij met deze trainingen. Of de trainingen een overtreding van het reclameverbod zijn, moet worden vastgesteld door de NVWA. Een overtreding van het reclameverbod moet de NVWA bewijzen met feiten en omstandigheden. En dat is in het geval van mondelinge commerciële mededelingen erg lastig. Niet alleen vanwege de scheidslijn tussen informatie delen tussen producenten en verkoper (wat is toegestaan) en verkoopbevordering (wat niet is toegestaan), maar ook omdat het gaat om mondelinge mededelingen.
Herkent u het beeld dat er sinds 2021 minimaal 250 tabaksspeciaalzaken zijn bijgekomen? Welke cijfers heeft u over (de stijging van) het aantal tabaksspeciaalzaken en het aantal verkooppunten in totaal?
Ja, dit zijn herkenbare cijfers. In 2022 is het verbod op tabaksautomaten4 in werking getreden, gevolgd door het verbod op online verkoop5 in 2023. Eind 2023 waren er nog circa 10.000 tabaksverkooppunten, waarvan 6.400 supermarkten. Per 1 juli 2024 geldt het verbod op de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten in supermarkten en horeca-inrichtingen.6 Daarmee is het 6.400 supermarkten niet meer toegestaan deze producten te verkopen. Omdat supermarkten tot 1 juli 2024 meer dan de helft van de verkoop van tabak en vapes voor hun rekening namen, werd voorzien dat nieuwe verkooppunten zouden worden geopend om de vrijgevallen omzet op te vangen. In een door het toenmalige kabinet uitgezet onderzoek uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek (hierna: SEO)7 werd ervan uitgegaan dat circa 800 nieuwe tabaksverkooppunten zouden openen. Het aantal nieuw geopende verkooppunten na invoering van het supermarktverbod blijft hierbinnen. Uit recent onderzoek van SEO8 volgt namelijk dat er relatief weinig nieuwe tabaksspeciaalzaken en gemakszaken bij zijn gekomen sinds het supermarktverbod. SEO telde aan het einde van 2024 548 tabaksspeciaalzaken, waarvan 120 nieuw geopend zijn na 1 januari 2024. Volgens SEO compenseren de nieuw geopende zaken de daling in het aantal tabaksverkooppunten nauwelijks. Voorts volgt uit de factsheet «Monitor nieuwe verkooppunten van rookwaren oktober-november 2024» van de NVWA dat er in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2024 netto 656 nieuwe verkooppunten van rookwaren zijn geopend, waarvan ruim 40% kan worden aangemerkt als speciaalzaak. Deze cijfers wijken niet significant af van de door Pointer genoemde cijfers. Pointer stelt dat het aantal speciaalzaken van 246 in 2021 is gestegen naar 494.
Deelt u de mening dat deze stijging direct ingaat tegen de doelstelling van het rookbeleid om het aantal verkooppunten terug te dringen?
Het kabinet deelt die mening niet. Om te voorkomen dat jongeren gaan roken en om ex-rokers te beschermen heeft het toenmalige kabinet er in 2020 voor gekozen het aantal verkooppunten te verminderen en de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te beperken tot verkoopkanalen waar doorgaans geen kinderen en ex-rokers komen.9 Het kabinet zet dit beleid voort. Het verminderen van de (toen nog) brede beschikbaarheid van rookwaren beschermt jongeren en ex-rokers tegen de verleiding om te gaan roken en het doen van impulsaankopen van rokers. Er is gekozen voor een gefaseerde aanpak waarbij tabaksproducten en aanverwante producten vanaf 1 januari 2032 alleen nog in speciaalzaken verkocht mogen worden. Speciaalzaken richten zich op de volwassen roker en verkopen vrijwel alleen tabaksproducten en aanverwante producten.
Het aantal nieuw geopende tabaksverkooppunten ligt vele malen lager dan het aantal van 6.400 verkooppunten dat per 1 juli 2024 met het verbod op tabaksverkoop door supermarkten verdwenen is. Daarbij was reeds voorzien dat andere verkooppunten (met name speciaalzaken) een deel van het weggevallen aanbod zouden overnemen. Het aantal nieuw geopende verkooppunten blijft binnen de marge van het aantal dat SEO op voorhand had verwacht (namelijk 800 nieuwe verkooppunten). Dat een groter deel van de verkoop plaatsvindt in speciaalzaken draagt er bovendien aan bij dat ex-rokers, stoppers en kinderen minder vaak in aanraking komen met tabaksproducten vergeleken met de situatie waarbij sigaretten nog verkocht werden in de supermarkt.
Deelt u de mening dat snelle invoering van de registratieplicht essentieel is, om zicht te hebben op het aantal verkooppunten van tabak? Klopt het dat de vertraagde invoering hiervan leidt tot minder zicht op het aantal verkooppunten?
Het effect van het supermarktverbod en de beperking van het verkopen tot uiteindelijk alleen speciaalzaken kan nauwkeurig worden gemeten met de gegevens die met de aangekondigde registratieplicht zullen worden verkregen.
Per 1 juli 2026 zal de registratieplicht gelden voor verkooppunten van tabaksproducten en aanverwante producten.
Wat vindt u ervan dat Philip Morris de stijging van het aantal tabaksspeciaalzaken faciliteert, door inrichtingen en verbouwingen te financieren?
Het kabinet vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. De NVWA heeft dergelijke praktijken in onderzoek en het Trimbos-instituut is gevraagd inzicht te geven in het effect van reclame in speciaalzaken op het rookgedrag van klanten.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de betrokkenheid van tabaksfabrikanten bij tabaksspeciaalzaken en de Kamer hierover voor de zomer per brief te informeren?
Ja, de NVWA werkt nu aan een factsheet over deze ontwikkelingen in speciaalzaken. Het kabinet verwacht u de reactie op deze factsheet en de bevindingen van het Trimbos-instituut voor de zomer toe te sturen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het aantal tabaksspeciaalzaken niet meer, maar juist minder wordt en dat ook het totaal aantal verkooppunten verder afneemt?
Het Nederlandse verkooppuntenbeleid maakt de eisen die aan tabaksverkoop gesteld worden steeds strenger. In 2032 mogen alleen speciaalzaken rookwaren verkopen. Speciaalzaken mogen dan naast rookwaren alleen nog loten en dagbladen verkopen. Uit onderzoek van SEO10 blijkt dat met deze eisen alleen een beperkt aantal verkooppunten rendabel kan zijn. Het aantal levensvatbare speciaalzaken in Nederland in 2032 wordt geschat op circa 1.500. Het aantal nieuw geopende verkooppunten na invoering van het supermarktverbod blijft binnen de marge van het aantal dat SEO op voorhand had verwacht.
Deelt u dat invoering van een vergunningstelsel voor de verkoop van rookwaren het meest effectieve instrument is om het aantal verkooppunten terug te dringen? Zo ja, bent u bereid de invoering hiervan voor te bereiden per 2032?
De verwachting is dat het aantal verkooppunten in 2032 zal zijn gedaald naar 1.500 wat een vermindering inhoudt van 85% ten opzichte van eind 2023. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding voor verdergaande maatregelen. Wel blijft het kabinet uiteraard de effecten evalueren en monitoren.
Gedwongen uithuisplaatsingen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven bij hoeveel procent van de gedwongen uithuisplaatsingen (bijvoorbeeld afgelopen jaar) minstens één van de ouders door de strafrechter (al) veroordeeld is voor (een vorm van) kindermishandeling en indien u hiertoe niet in staat bent, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten verrichten en zo nee, waarom niet?
Zoals de Minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport tijdens de begrotingsbehandeling van 4 maart 2026 heeft toegelicht, beschikken wij niet over de gevraagde gegevens. Ook acht ik nader onderzoek hiernaar niet zinvol. Naast kindermishandeling zijn er meer situaties die een ernstige ontwikkelingsbedreiging vormen voor een kind en daarmee een grond kunnen zijn voor een gedwongen uithuisplaatsing
De uitkomsten van Europees rioolwateronderzoek naar drugsgebruik, waaruit blijkt dat Nederland hoog scoort op MDMA en ketamine |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groot rioolwateronderzoek naar drugs: Nederland bovenaan met MDMA en ketamine», waarin wordt bericht over de uitkomsten van Europees rioolwateronderzoek door het drugsagentschap EUDA?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat Nederland tot de Europese top behoort als het gaat om MDMA-gebruik en dat het ketaminegebruik in Nederlandse steden volgens dit onderzoek met ruim 40 procent is gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar?
Het kabinet vindt het zorgelijk dat Nederland volgens dit onderzoek tot de Europese top behoort als het gaat om MDMA-gebruik en dat hogere concentraties ketamine in Nederlandse steden zijn gemeten. Het Sewage Analysis Core Group (SCORE)-onderzoek laat zien dat het gebruik van MDMA in 2025 in de Nederlandse steden die deelnemen aan dit onderzoek (Amsterdam, Eindhoven en Utrecht) het hoogste is van alle deelnemende Europese steden. Tegelijkertijd signaleert het onderzoek, in vergelijking met 2024, een afname van het MDMA-gebruik in deze steden. Voor ketamine geldt dat Amsterdam en Eindhoven behoren tot de Europese steden met de hoogst gemeten restanten en dat sprake is van een toename ten opzichte van 2024.
Deze uitkomsten moeten zorgvuldig worden geïnterpreteerd. De deelnemende steden zijn niet representatief voor het drugsgebruik in Nederland als geheel, zoals onder andere blijkt uit de landelijke pilotstudie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Trimbos-instituut uit november 2025 (zie onder andere het antwoord op vraag 5).2 Daarnaast kent rioolwateronderzoek beperkingen: een toename in gemeten restanten kan niet zonder meer worden vertaald naar een toename van het aantal gebruikers, omdat ook gebruiksfrequentie, dosering en zuiverheid van invloed zijn op de uitkomsten. Daarbij is het van belang de uitkomsten in een meerjarig perspectief te bezien. Voor ketamine geldt dat er nog slechts enkele jaren aan meetgegevens beschikbaar zijn, waardoor het op dit moment niet mogelijk is om uitspraken te doen over langjarige trends.
Deelt u de zorg dat het sterk toenemende gebruik van ketamine, een middel met aanzienlijke gezondheidsrisico’s, erop kan wijzen dat dit middel in toenemende mate wordt genormaliseerd binnen het recreatieve uitgaansleven? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan voor het huidige drugsbeleid?
Het kabinet deelt de zorg om het niet medische gebruik van ketamine. Uit verschillende gegevensbronnen blijkt dat het gebruik hiervan stijgt. Drugsgebruik maakt geen onderdeel uit van een normale, gezonde leefstijl. Deze ontwikkeling bevestigt het belang van het huidige beleid gericht op het ontmoedigen van drugsgebruik het denormaliseren van drugsgebruik.
In hoeverre bevestigen deze cijfers volgens u het beeld dat drugsgebruik in Nederland niet afneemt, maar in bepaalde vormen juist structureel toeneemt? Wat betekent dit voor de inzet van het kabinet op het ontmoedigen en denormaliseren van drugsgebruik?
De cijfers uit het rioolwateronderzoek geven geen eenduidig beeld dat drugsgebruik in algemene zin structureel toeneemt. Wel laten zij zien dat er verschillen zijn per middel en per locatie, en dat bij sommige middelen sprake is van een stijgende trend. Dit bevestigt het belang van het huidige beleid gericht op het ontmoedigen en denormaliseren van drugsgebruik. Het kabinet blijft inzetten op preventie, monitoring en het tijdig signaleren van nieuwe ontwikkelingen, zodat waar nodig gericht kan worden bijgestuurd.
Hoe verhouden de uitkomsten van dit Europese rioolwateronderzoek zich tot de lopende Nederlandse pilot met rioolwatermetingen om trends in drugsgebruik inzichtelijk te maken?
De uitkomsten van het Europese rioolwateronderzoek zijn wat de metingen in grote steden en gemeenten betreft vergelijkbaar met de bevindingen uit de landelijke pilotstudie van het RIVM en Trimbos. De pilot heeft aangetoond dat dit beeld niet overeenkomt met drugsgebruik in kleinere gemeenten en steden. Hier is het gebruik van verschillende drugs over het algemeen lager. Beide onderzoeken laten de meerwaarde zien van rioolwatermetingen als aanvullend instrument om trends in drugsgebruik inzichtelijk te maken. Wel is sprake van verschillen in de onderzochte stoffen. In het SCORE-onderzoek is gekeken naar MDMA, amfetamine, cocaïne, ketamine, cannabis en methamfetamine. In de Nederlandse pilot is niet gekeken naar cannabis en ketamine, maar in plaats daarvan naar 3-CMC en 4-CMC. In de toekomst kunnen mogelijk andere stoffen in beschouwing worden genomen. Bij de besluitvorming daarover worden recente risico-ontwikkelingen en signalen over trends in gebruik betrokken. Daarbij wordt onder meer gebruik gemaakt van inzichten van het RIVM en het Trimbos-instituut.
Bent u bereid om, mede in het licht van deze Europese cijfers, rioolwateronderzoek structureel en landelijk in te zetten als aanvullend instrument om trends in drugsgebruik te monitoren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet rioolwateronderzoek inderdaad als een waardevolle aanvulling op bestaande monitoringsinstrumenten. Het kabinet informeert de Kamer voor het zomerreces over de opzet van een landelijk rioolwateronderzoek.
Welk rioolwateronderzoek naar drugsgebruik wordt er op dit moment gedaan en op wiens initiatief?
Er worden incidenteel en structureel rioolwatermetingen uitgevoerd in verschillende delen van het land. Zo voerde het Wetterskip Fryslân in opdracht van de gemeente Leeuwarden een rioolwatermeting uit waarover de Kamer op 3 december 2025 schriftelijke vragen heeft ingediend.3 Het is bekend dat meerdere gemeenten dergelijke metingen laten uitvoeren, veelal met ondersteuning van kennisinstellingen zoals KWR Water Research Institute. Deze instelling voert sinds 2011 in opdracht van gemeenten rioolwateronderzoek uit en levert jaarlijks data aan voor het Europese SCORE-onderzoek, dat in samenwerking met het Europese Drugsagentschap (EUDA) wordt uitgevoerd. In 2025 namen 128 Europese steden deel aan het SCORE-onderzoek: dit aantal neemt jaarlijks toe. Van meet af aan worden hiervoor een week lang rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) in de omgeving van Amsterdam, Eindhoven en Utrecht bemonsterd. In de afgelopen jaren hebben Zwolle, Rotterdam, Groningen, Nieuwegein en Leeuwarden vergelijkbare metingen laten uitvoeren door KWR, waarbij de resultaten met instemming van de gemeenten zijn gedeeld met het SCORE-consortium. Deze verschillende onderzoeken leveren waardevolle signalen over ontwikkelingen in drugsgebruik op deze locaties. Met de landelijke pilot van het RIVM en Trimbos is gekozen voor een opzet waarmee wordt beoogd een meer representatief beeld te verkrijgen van ontwikkelingen in drugsgebruik op nationaal niveau.
Welke lessen voor de effectiviteit van het huidige preventie- en handhavingsbeleid trekt u uit het feit dat het onderzoek laat zien dat bij middelen als MDMA en cocaïne sprake is van duidelijke weekendpieken, terwijl bij sommige steden en middelen juist sprake lijkt van meer verspreid gebruik door de week?
De waargenomen weekendpieken bij bepaalde middelen sluiten aan bij het beeld dat drugsgebruik samenhangt met het uitgaansleven. Dit soort inzichten helpt om preventie- en handhavingsactiviteiten gerichter in te zetten, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij specifieke momenten en contexten van gebruik.
Laat de volgende uitkomst volgens u zien dat er sprake is van problematisch drugsgebruik in het uitgaansleven en dat hier maatregelen voor nodig zijn? Welke schade heeft dit gebruik elk weekend voor de veiligheid, gezondheid en het milieu en zijn gebruikers daar bekend mee?
Hoewel de uitkomsten van rioolwateronderzoek in samenhang met andere bronnen moeten worden bezien, is het bekend dat drugsgebruik problematische vormen kan aannemen. Dit kan leiden tot gezondheidsrisico’s voor gebruikers, zoals acute intoxicaties en verslavingsproblematiek, maar ook tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld in het verkeer of in de vorm van gewelddadig gedrag richting hulpverleners.4 Daarnaast zorgen de productie en handel van illegale drugs voor milieuschade en houdt deze handel een criminele praktijk in stand die schade toebrengt aan de rechtstaat. Om deze risico’s te beperken zet het kabinet in op een combinatie van preventie, handhaving en bewustwording. Zo heeft in uitvoering van de motie Bikker c.s. uit februari 2024 vorig jaar een campagne gedraaid die jongeren bewust maakt van de negatieve gevolgen van drugsgebruik voor de samenleving, het milieu en de gezondheid. Het kabinet heeft eerder informatie verschaft over de voortgang van deze campagne5 en zal de Kamer voor de zomer informeren over onze plannen met betrekking tot het voortzetten van deze campagne.
Op welke wijze wordt samengewerkt met gemeenten en andere belangrijke samenwerkingspartners om de uitkomsten van dit soort onderzoeken te vertalen naar gerichte lokale maatregelen om het gebruik van drugs terug te dringen?
Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden vanuit de rijksoverheid gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals ondersteunen bij het voeren van drugspreventiebeleid. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Voor dit basispakket wordt eveneens gebruikgemaakt van door het Trimbos-instituut ontwikkelde materialen. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Daarnaast heeft het Trimbos-instituut het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, dat een gemeente helpt bij het schrijven van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid. Het Trimbos-instituut kan daarnaast een zogeheten Scanner-onderzoek uitvoeren, om gemeenten meer inzicht te geven in de lokale situatie rond middelengebruik en mogelijke handelingsperspectieven.
Naast het verschaffen van deze kennis en tools is ook regelmatig contact met verschillende gemeenten en de VNG over relevante onderwerpen.
Leiden de uitkomsten van dit onderzoek tot andere prioriteiten in preventie, opsporing en handhaving? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De uitkomsten van het onderzoek laten het belang zien van een preventiebeleid gericht op vermindering en denormalisering van het drugsgebruik. Signalen uit het onderzoek worden meegenomen om de effectiviteit van het beleid te verbeteren.
Keuzes betreffende opsporing en handhaving worden gemaakt door het bevoegd gezag. Aangezien het gebruik van middelen op zichzelf niet strafbaar is in Nederland, ligt het niet in de rede dat dit onderzoek, dat inzicht geeft in gemeten concentraties en mogelijke ontwikkelingen in gebruik, aanleiding zou zijn voor herprioritering.
Deelt u de zorg over de gezondheidsrisico’s van ketaminegebruik, zoals verslaving en problemen met geheugen en concentratie, met name onder jongeren en jongvolwassenen? Zo ja, welke maatregelen neemt het kabinet om deze risico’s te beperken?
Ja, het kabinet deelt de zorg over de gezondheidsrisico’s van ketaminegebruik. Daarom heeft het kabinet het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) gevraagd een risicobeoordeling uit te voeren en te adviseren over passende maatregelen.
De risicobeoordeling is zeer recent opgeleverd en brengt zowel de gezondheids- als de maatschappelijke risico’s in kaart. De voorgestelde beleidsopties worden momenteel gewogen. Het kabinet informeert de Kamer hierover voor het zomerreces.
Het bericht 'Leiden scherpt de regels voor jeugdhulp aan; Zorg Minder snel doorverwijzen, meer eigen verantwoordelijkheid' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Leidse plan om de regels voor jeugdhulp aan te scherpen, met als doel duidelijker af te bakenen wat wel en niet onder jeugdhulp valt, het terugdringen van onterechte doorverwijzingen terug, en de kosten beter te beheersen? Zo ja, wat is uw oordeel over deze aanpak?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Een oordeel over de conceptverordening is in de eerste plaats aan de gemeenteraad van de gemeente Leiden. Op landelijk niveau zie ik dat deze beweging in lijn is met de Hervormingsagenda Jeugd en ik zie verschillende elementen uit het concept wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet terug. Bijvoorbeeld het inrichten van een stevig lokaal team met verschillende taken waaronder informatie en advies, toeleiding en het bieden van hulp en het voorliggend maken van jeugdhulp op groepsbasis.
Hoe beoordeelt u het voornemen in Leiden om verwijzingen naar jeugdhulp scherper te laten toetsen door gemeentelijke jeugdteams en eerder te kijken naar eigen kracht, het sociale netwerk en andere vormen van ondersteuning, voordat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet? Ziet u hierin elementen die landelijk navolging verdienen?
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet komen verschillende van deze voornemens terug, zoals de toets op eigen kracht, mogelijke inzet van het sociale netwerk en inzet van voorliggende voorzieningen. Met dit wetsvoorstel worden gemeenten verplicht stevige lokale teams in te richten die breed kijken naar hulpvragen van gezinnen en jeugdigen en zelf jeugdhulp kunnen bieden. Deze teams moeten daarnaast zorgvuldig beoordelen of aanvullende jeugdhulp nodig is, dan wel of een gezin voldoende ondersteuning heeft vanuit het sociale netwerk of dat voorzieningen in de pedagogische basis passend zijn, die voorliggend zijn op aanvullende jeugdhulp.
Deelt u de zorg dat binnen de jeugdhulp fraude en misbruik veelvuldig plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat zorgverleners zaken onterecht naar jeugdhulp doorschuiven, zorgtrajecten onnodig verlengen of oneigenlijk declareren, zoals in Leiden expliciet wordt benoemd? Hoe groot acht u dit probleem landelijk?
Ik deel de zorg over fraude en misbruik binnen de jeugdhulp. Fraude en misbruik tasten de betrouwbaarheid en de betaalbaarheid van de jeugdhulp en de zorg in het algemeen aan. Dit is onaanvaardbaar en moet worden voorkomen en effectief worden aangepakt. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Geld voor de zorg hoort in de zorg.
Het is niet mogelijk om tot een goed onderbouwde omvang van fraude in de zorg te komen. De exacte landelijke omvang van fraude en misbruik binnen de jeugdhulp is niet bekend. Helaas is wel duidelijk dat het om veel geld gaat en weten we ook dat we nog veel niet in beeld hebben.
Het Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) ontving in 2025 in totaal 678 signalen van fraude in de zorg, waarvan er 81 gerelateerd zijn aan de Jeugdwet. Voor de interpretatie van deze cijfers is het belangrijk te benoemen dat zij nog geen volledig beeld geven van de fraude in de jeugdzorg. Oorzaak daarvan is onder andere dat nog niet alle gemeenten zijn aangesloten bij het IKZ en de aangesloten partners nog niet alle signalen delen met het IKZ. Tot slot wordt binnen de jeugdzorg veel gewerkt met onderaannemers, wat het zicht op wanpraktijken soms belemmert.
Welk inzicht heeft u op dit moment in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp, in het bijzonder rond declaraties, persoonsgebonden budgetten, onnodige verlenging van zorgtrajecten en onjuiste verwijzingen? Kunt u daarbij aangeven waar de grootste blinde vlekken in toezicht en handhaving zitten?
Zie het antwoord op vraag 3. Er is geen volledig inzicht in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp. Ik wil hierbij benadrukken dat de uitvoering van de jeugdzorg decentraal is georganiseerd. Dit betekent dat het toezicht op de rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdzorg ook decentraal is belegd. Hierdoor ontbreekt een landelijk totaalbeeld.
De cijfers die ik van het IKZ heb ontvangen over 2025 geven de indruk dat het onder andere gaat om zorgverwaarlozing/onvoldoende kwaliteit van zorg, spookzorg (valse declaraties), upcoding (zwaardere behandeling declareren dan uitgevoerd) en het geven van een onjuiste voorstelling van zaken.
Welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen om fraude in de jeugdhulp keihard aan te pakken, frauderende aanbieders sneller op te sporen en van de markt te weren, onterecht besteed zorggeld terug te vorderen en gemeenten beter in staat te stellen misbruik direct te signaleren en te stoppen? Acht u het daarbij noodzakelijk om gemeenten meer ruimte, beleidsvrijheid, wettelijke bevoegdheden of handhavingsinstrumenten te geven op het gebied van opsporing en handhaving? Zo ja, welke?
Mijn voorgangers, de Minister en Staatssecretarissen van VWS, hebben uw Kamer op 3 oktober 2025 geïnformeerd over de aanpak van fraude in de zorg, waaronder de jeugdhulp2. De brief omschrijft de maatregelen die reeds genomen zijn of momenteel voorbereid worden om fraude in de zorg tegen te gaan. Ik zal deze hieronder kort samenvatten, waarbij ik specifiek focus op jeugdhulp.
Gemeenten hebben, als inkoper van jeugdzorg, instrumenten om fraude tegen te gaan. Het is aan gemeenten om bij het aangaan van contracten met zorgaanbieders nadere voorwaarden op te nemen, zoals nadere (kwaliteits-)eisen aan (pgb-) zorgaanbieders en regels voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de mogelijkheid een VOG te eisen, ook voor bestuurders. Bij zorgen over de integriteit van een zorgaanbieders kunnen gemeenten een Bibob toets uitvoeren. Naast goed contractmanagement is belangrijk dat de gemeente ook het rechtmatigheidstoezicht op de Jeugdwet professioneel organiseert.
De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj), die op 1 januari 2026 inwerking is getreden stelt bovendien strengere eisen aan de bestuursstructuur en een transparante financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen door de eis van een intern toezichthouder, transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording.
Ook het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), dat momenteel in voorbereiding is, beoogt extra voorwaarden en verplichting te stellen aan de bedrijfsvoering van aanbieders. De voorwaarden en verplichting hebben betrekking op het uitkeren van winst, het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen en op van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt over een breed, integraal pakket van maatregelen gericht op het voorkomen, stoppen en bestraffen van zorgfraude. Onder andere is in het AZWA opgenomen dat het (gemeentelijk) toezicht op de jeugdhulp verstevigd en geprofessionaliseerd zal worden en dat hiertoe een stimuleringsprogramma wordt opgezet. Daarnaast is in het AZWA en de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken dat verkend wordt of voor jeugdhulpaanbieders een vergunningsplicht ingevoerd dient te worden. Ik werk samen met branche- en beroepsorganisaties, inkopers van zorg, toezichthouders en opsporingsinstanties hard aan de uitwerking van deze maatregelen. We zetten erop in dat ze zo spoedig mogelijk en zoveel mogelijk effect hebben.
In het coalitieakkoord is aanvullend daarop over zorgfraude afgesproken dat:
Een tekort aan niet-westerse donoren. |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Marlons enige kans op genezing is een niet-westerse donor, en daar is een tekort aan», waaruit blijkt dat er een tekort is aan niet-westerse donoren?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat er een tekort is aan niet-westerse donoren?
Ja. Het kabinet is van mening dat het belangrijk is om zoveel mogelijk patiënten te kunnen helpen bij het vinden van een match met een geschikte donor. Om het succes van bepaalde behandelingen met lichaamsmateriaal te vergroten moet de donor matchen met de patiënt.
Het hebben van dezelfde afkomst tussen een donor en een patiënt is zeer bepalend voor het vinden van een goede match en daarmee de overlevingskansen van de patiënt. Afkomst speelt een belangrijke rol bij succesvolle bloedtransfusie en stamcel- en orgaantransplantatie, omdat de kans op een succesvolle match tussen een donor en een patiënt groter is wanneer deze genetisch op elkaar lijken. De biologisch-medische kenmerken passen dan beter bij elkaar. Met een meer divers donorbestand wordt de kans op een match en daarmee de overlevingskansen voor patiënten vergroot.
Patiënten met een niet-westerse afkomst vinden op dit moment minder snel een match dan andere patiënten, omdat er minder donoren met een niet-westerse afkomst zijn. Het minder snel vinden van een match heeft een negatieve invloed op de gezondheid en overlevingskansen van deze patiënten. Om te zorgen dat iedereen gelijke kansen heeft op goede zorg is het dan ook belangrijk dat de donorbestanden voldoende divers zijn.
Wat wordt er op dit moment gedaan door het Ministerie van VWS om het tekort aan niet-westerse donoren te verkleinen?
Om de diversiteit in de donorbestanden te vergroten, is voor de periode 2023 tot 2027 een subsidiebedrag van € 2,1 miljoen beschikbaar gesteld aan Matchis (stamcellen), Sanquin (bloedproducten) en de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS, organen en weefsels). VWS heeft aangestuurd op samenwerking van deze partijen zodat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de onderlinge expertise en ervaringen.
Met de subsidiegelden die beschikbaar zijn gesteld, zijn onder andere de volgende activiteiten gefinancierd:
In Nederland geldt dat, om in aanmerking te komen voor vergoeding van (zorg)kosten bij orgaandonatie bij leven (nier, deel van lever) en stamceldonatie, de donor geen Nederlandse zorgverzekering hoeft te hebben. Ook hierdoor worden drempels bij het vinden van een niet-westerse donor (bijvoorbeeld een familielid in het buitenland) weggenomen. De zorgkosten van een buitenlandse donor worden vergoed onder voorwaarde dat de transplantatie plaatsvindt in Nederland of in een land dat lid is van de Europese Economische Ruimte.
Kosten kunnen ook vergoed worden wanneer de transplantatie plaatsvindt in het land waar de donor woont, mits de donor verwant is aan de patiënt. Dit kan helpen bij het vinden van een niet-westerse donor. Ook de onkosten van een donor uit het buitenland kunnen worden vergoed, bijvoorbeeld de vervoerskosten naar Nederland.
In hoeverre is er sprake van ongelijke overlevingskansen tussen patiëntengroepen?
Het vinden van een goede match is voor bepaalde patiëntengroepen lastiger doordat de donorbestanden onvoldoende divers zijn. Dit heeft invloed op de overlevingskansen van deze patiënten. Wat de exacte invloed van het gebrek aan diversiteit van de donorbestanden is op overlevingskansen van verschillende patiëntengroepen, is niet bekend.
Welke belemmeringen ervaren mensen met een migratieachtergrond bij het registreren als donor?
Over de belemmeringen die mensen met een migratieachtergrond ervaren bij het registreren als donor na overlijden is weinig bekend. Als het gaat om donatie bij leven blijkt uit recente onderzoeken2 dat bereidheid tot doneren onder Nederlanders van Marokkaanse en Surinaamse afkomst toeneemt als hun kennis en bewustwording over donatie bij leven wordt verhoogd. In het onderzoek onder Nederlanders van Marokkaanse afkomst gaf deze groep aan belang te hechten aan betrouwbare informatie, religieuze legitimiteit (hoe verhoudt een religie zich tot donatie) en voorlichting via professionals, moskeeën en rolmodellen binnen de gemeenschap. In het onderzoek onder Nederlanders van Surinaamse afkomst gaf deze groep aan belang te hechten aan duidelijke, herkenbare en breed gedeelde informatiecampagnes waarbij de nadruk ligt op de noodzaak van donatie en het belang van matching. Ook hechten zij aan betrouwbare communicatie vanuit de gemeenschap.
Welke concrete stappen worden genomen om deze drempels weg te nemen?
Met ondersteuning van VWS hebben stichting Matchis, Sanquin en de NTS de campagne «Donor van Ons» opgezet. Deze campagne heeft als doel de bewustwording bij Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond te vergroten over het belang van afkomst bij bloed-, stamcel-, orgaan- en weefseldonatie en de gevolgen van hun ondervertegenwoordiging in de donorbestanden. Deze organisaties hebben in de afgelopen jaren ook ieder afzonderlijk campagnes gevoerd die gericht waren op specifieke doelgroepen.
Hoe effectief is de huidige internationale samenwerking bij het vinden van matches? Zijn er mogelijkheden om deze databanken verder uit te breiden of beter toegankelijk te maken?
Bij het toewijzen van organen werkt Nederland samen met zeven Europese landen: België, Duitsland, Hongarije, Kroatië, Luxemburg, Oostenrijk en Slovenië. Deze landen zijn aangesloten bij Eurotransplant. Eurotransplant houdt bij de toewijzing van organen rekening met verschillende kenmerken van donor en ontvanger, zoals bloedgroep en weefseltype. Omdat er gewerkt wordt met één donor meldsysteem en één centrale wachtlijst is de kans op het vinden van een goede match groter. Een goede match zorgt ervoor dat uitkomsten van transplantaties gunstiger zijn. Bovendien heeft de patiënt bij een betere match na de transplantatie een betere kwaliteit van leven.
Voor bloeddonatie is Sanquin nauw aangesloten bij het internationale netwerk van bloedbanken. Deze internationale route is vooral beschikbaar in noodgevallen. In de zoektocht naar zeldzame bloedgroepen is het noodzakelijk om binnen Nederland in het donorbestand voldoende donors met zeldzame bloedgroepen te hebben.
Voor stamceldonatie is internationale samenwerking onmisbaar voor het vinden van voldoende matches voor patiënten in Nederland. Er wordt dan ook gebruik gemaakt van een wereldwijde donorbank met 43 miljoen potentiële donoren. De meeste stamceldonoren voor Nederlandse patiënten zijn afkomstig uit Duitsland. Er is internationaal ook ondersteuning via de World Marrow Donor Association waarvan Matchis een actief lid is. Voor bepaalde groepen patiënten in Nederland biedt de huidige internationale samenwerking onvoldoende kans op het vinden van een goede match. Dit is één van de redenen waarom er nu donorwerving in de Caribische regio wordt opgezet.
Hoe wordt de effectiviteit gemeten van de campagne «Donor van Ons» van Matchis, Sanquin en de Nederlandse Transplantatie Stichting, en in hoeverre blijkt uit die metingen dat de campagne aantoonbaar doelgroepen met een diverse (niet-westerse of gemengde) achtergrond bereikt?
De campagne Donor van Ons is een campagne die gericht is op bewustwording, niet op werving van donoren. Om een beeld te vormen van het effect van de campagne is en wordt door Matchis, Sanquin en de NTS voorafgaand aan en tijdens de campagne een nul- en één-meting uitgevoerd onder de doelgroepen. Deze online metingen richten zich op kennisvragen over doneren en het belang van afkomst bij het vinden van een donormatch.
De effectiviteit van de campagne zelf wordt gemeten door middel van bereik, unieke impressies en interactie van de social mediacampagne. Daarnaast worden de effecten van influencer-inzet, bereik via out of home reclame (metro, abri’s) en gegenereerde media-aandacht gemeten. De campagne is op dit moment nog niet afgerond. Nadat de campagne afgerond is, zal VWS deze samen met Matchis, Sanquin en de NTS evalueren.
Overweegt u aanvullende beleidsmaatregelen om de diversiteit in donorregistraties structureel te vergroten?
Na afronding van alle in de periode 2023 tot 2027 geplande activiteiten en afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie van de campagne Donor van Ons zal, op basis van de resultaten hiervan, worden bezien of eventuele aanvullende maatregelen op dit onderwerp nodig zijn.
Het bericht ‘Gegijzeld tijdens de nachtdienst’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovengenoemde uitzending?1
Ja, ik ben bekend met bovengenoemde uitzending.
Hoe oordeelt u over het bericht dat drie van de vier zorgverleners te maken krijgt met agressie op het werk?
Elk incident van agressie tegen een zorgverlener is er één te veel. Ik vind het zorgwekkend dat een aanzienlijk deel van de professionals in de sector hiermee geconfronteerd wordt. Zorgverleners moeten hun werk te allen tijde veilig kunnen doen.
Hoe oordeelt u over het bericht dat veel zorgverleners, die een incident hebben meegemaakt, zich in de steek gelaten voelen door hun werkgever?
Het signaal dat zorgverleners zich na een incident onvoldoende gesteund voelen door hun werkgever vind ik zorgelijk. Incidenten kunnen een grote fysieke en emotionele impact hebben op zorgverleners, waardoor goede opvang en nazorg van groot belang zijn.
Werkgevers hebben op basis van de Arbowet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers. Dit betekent dat zij beleid moeten voeren om arbeidsrisico’s, zoals agressie en psychosociale arbeidsbelasting, te voorkomen of te beperken. Werkgevers zijn verplicht maatregelen te nemen om deze risico’s te verminderen. De Nederlandse Arbeidsinspectie ziet erop toe dat werkgevers de Arbowet naleven.
Hoe oordeelt u over het bericht dat goede nazorg vaak uitblijft en afhankelijk lijkt van de werkgever, of zelfs de leidinggevende?
Zoals hierboven gezegd, goede opvang en nazorg zijn cruciaal. Het is zeer onwenselijk als dit uitblijft of als een werkgever hier onvoldoende aandacht voor heeft.
In de sector zie ik gelukkig goede voorbeelden van werkgevers die aandacht hebben voor de opvang en nazorg bij agressie en hier passend beleid op voeren. Voor werkgevers zijn materialen beschikbaar die hen helpen bij het opstellen van goed beleid op dit gebied. Bijvoorbeeld het Handboek Veilige zorg (te vinden op de websites van de O&O-fondsen van de ziekenhuizen, UMC’s, VVT en GGZ) of De complete agressie-aanpak (te vinden op de websites van de arbeidsmarktplatforms voor jeugdzorg en sociaal werk).
Hoe oordeelt u over het bericht dat ook financiële steun voor zorgverleners die een incident hebben meegemaakt vaak uitblijft?
Welke maatregelen worden nu genomen om trauma bij zorgverleners te voorkomen?
De maatregelen die worden genomen verschillen per werkgever. In grote lijnen begint de zorg na een incident met intercollegiale opvang en/of opvang door de leidinggevende. Een tweede stap is een nazorgteam, een bedrijfsopvangteam (BOT), opvang door bedrijfsmaatschappelijk werk of de arbo-arts. Dit kan zowel intern als extern belegd zijn. De laatste stap is de gespecialiseerde opvang. Soms kiest een slachtoffer ook voor een andere route, bijvoorbeeld voor lotgenotencontact.
Bent u bekend met de anti-PTSS-programma’s, zoals die bij de politie bestaan?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het eens met de stelling dat het absoluut nodig is dat er dergelijke uniforme afspraken worden gemaakt voor werknemers in de zorg die slachtoffer worden van een incident? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is van groot belang dat werkgevers medewerkers beschermen tegen het oplopen van PTSS op het werk. Behalve preventie van agressie zijn daarbij ook opvang en nazorg van belang. Het is daarbij ook van belang dat werkgevers oog hebben voor de risico’s voor het ontwikkelen van PTSS. Ik laat het aan de werkgevers en hun brancheorganisaties om te bepalen in hoeverre het daarvoor noodzakelijk is dat er uniforme afspraken worden gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat werknemers in de zorg extra risico lopen, omdat zij bijvoorbeeld ook meer in aanraking komen met het toenemend aantal verwarde personen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In bepaalde delen van zorg en welzijn komt (fysieke) agressie vaker voor, bijvoorbeeld voortkomend uit het ziektebeeld van patiënten. Dit kan ervoor zorgen dat medewerkers in specifieke branches risico lopen op het meemaken van agressie en het ontwikkelen van psychosociale klachten.
Zou de expertise van ARQ ingezet kunnen worden voor de zorgsector?2
Ja, dat kan. Werkgevers kunnen ARQ inschakelen voor diverse diensten. In 2023 heeft ARQ de Richtlijn psychosociale ondersteuning zorgprofessionals gepubliceerd.
Welke maatregelen gaat u nemen om de nazorg voor zorgverleners die een incident hebben meegemaakt, te verbeteren en te borgen?
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 3 hebben werkgevers op basis van de Arbowet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers.
Ik ondersteun werkgevers hierbij door:
Het tekort aan SEH-artsen en het niet volledig opvolgen van het advies van het Capaciteitsorgaan |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VWS-plannen voor SEH-artsen vallen Yara Basta rauw op haar dak»?1
Ja.
Klopt het dat het Capaciteitsorgaan in december 2025 heeft geadviseerd om het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen te verhogen van 40 naar 60 per jaar, en dit advies slechts gedeeltelijk wordt overgenomen, resulterend in circa 50 opleidingsplaatsen voor 2027?
Nee dat is onjuist. De besluitvorming over het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 zal later dit jaar plaatsvinden. Naar verwachting wordt de Tweede Kamer in het tweede kwartaal geïnformeerd door middel van de kabinetsreactie op de ramingen van het Capaciteitsorgaan voor de periode 2027–2030. Het kabinet kan niet vooruit lopen op de budgettaire besluitvorming. Dit misverstand is ontstaan omdat VWS, op verzoek van Stichting BOLS die jaarlijks advies uitbrengt over de verdeling van de opleidingsplaatsen, richtinggevende instructies heeft gegeven voor 2027. Omdat het kabinet niet vooruit kan lopen op budgettaire besluitvorming, zijn deze instructies gericht op de huidige financiële kaders. Met deze instructies kon BOLS alvast een start maken met het toewijzingsjaar 2027.
Waarom wijkt u af van het advies van het Capaciteitsorgaan, terwijl dit orgaan een bredere en meer realistische raming hanteert waarin ook zogenoemde «verborgen vacatures» zijn meegenomen?
Zie antwoord op vraag 2.
In hoeverre is het besluit om het aantal opleidingsplaatsen te beperken ingegeven door budgettaire kaders in plaats van zorginhoudelijke noodzaak?
Zie antwoord op vraag 2.
Erkent u dat het zichtbare aantal vacatures een onderschatting vormt van het werkelijke tekort, en dat beleid dat daarop wordt gebaseerd structureel te laag uitvalt?
Het ramingsmodel van het Capaciteitsorgaan omvat een breed palet aan parameters en brengt de benodigde capaciteit aan zorgprofessionals integraal in beeld. De raming is niet uitsluitend gebaseerd op zichtbare vacatures, maar op een samenstel van factoren, waaronder demografie, zorgvraag, vergrijzing, in- en uitstroom en opleidingscapaciteit. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding om te concluderen dat beleid op basis van deze ramingen structureel te laag wordt vastgesteld.
Hoe voorkomt u dat het tekort verder oploopt door gelijktijdige factoren als vergrijzing, toenemende zorgvraag en uitstroom van personeel?
Zoals in vraag 5 aangegeven houdt het Capaciteitsorgaan in haar adviezen ook rekening met factoren als vergrijzing en uitstroom. Naast de instroom via de opleidingen geldt dat de personele houdbaarheid een brede uitdaging is waar het kabinet alle partijen in zorg en welzijn voor nodig heeft. Met het sluiten van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) zijn bestuurlijke afspraken gemaakt om het dreigende personeelstekort te laten dalen met 100.000 mensen. Voor dit doel zet het kabinet, samen met het veld, tot en met 2028 de volgende stappen gericht op het vergroten van de ruimte voor professionals:
Tot slot blijft dit kabinet zorg- en welzijnswerkgevers stimuleren om het werkplezier van hun medewerkers te borgen en uitstroom van personeel terug te dringen. De primaire verantwoordelijkheid voor deze zaken ligt immers bij de werkgevers. De overheid ondersteunt hen hierbij, in het bijzonder op onderwerpen als het vergroten van professionele autonomie en zeggenschap via het Landelijk Actieplan Zeggenschap en de Landelijke Monitor Zeggenschap, het terugdringen van verzuim en verloop via het Preventieplan Zorg en Welzijn en het ondersteunen bij de aanpak van agressie met onder andere de campagne «Blijf jezelf, tel even tot 11». Ook is sinds kort met ondersteuning van VWS het nieuwe loopbaanplatform Zowi in testversie beschikbaar gekomen voor de sector. Studenten, professionals en zij-instromers kunnen hier terecht voor betrouwbare informatie en concreet advies over hun (eerste of volgende) loopbaanstap in zorg en welzijn.
Acht u het verantwoord dat SEH-afdelingen opereren op minimale bezetting zonder buffer, terwijl de werkdruk aantoonbaar toeneemt en uitvalrisico’s hoog zijn?
Ziekenhuizen doen hun best om SEH-afdelingen zo goed mogelijk te bemensen, rekening houdend met piekmomenten. Als het echt niet anders kan hanteren ze tijdelijk een presentatiestop voor mensen met een niet levensbedreigende zorgvraag. Voor dat soort situaties worden in de regio goede afspraken gemaakt, zodat de ambulancedienst weet waar de patiënt terecht kan. Deze afspraken dragen bij aan de kwaliteit van de zorg voor de patiënt en het voorkomen van overbelasting van de medewerkers.
Hoe voorkomt u dat het opleiden van extra artsen onvoldoende effect sorteert, zolang uitstroom door werkdruk en beperkte duurzame inzetbaarheid niet structureel wordt aangepakt?
De verantwoordelijkheid voor de aanpak van uitstroom en uitval van personeel ligt primair bij werkgevers in zorg en welzijn. Het kabinet stimuleert hen om hier actief mee aan de slag te gaan door het verspreiden van kennis en informatie en het delen van goede voorbeelden. Via ondersteuning van het preventieplan zorg en welzijn deelt het kabinet bijvoorbeeld de werkwijze, inzichten en handelingsperspectieven van deze data-gedreven aanpak om verzuim en verloop te verminderen en werkplezier te vergroten. Daarnaast ziet het kabinet dat op verschillende plaatsen in de sector actief ingezet wordt op zaken rond behoud en ontwikkeling van medewerkers. In Zuid-Limburg wordt bijvoorbeeld met behulp van transformatiemiddelen uit het Integraal Zorgakkoord gewerkt aan een domeinoverstijgende arbeidsmarktaanpak met concrete activiteiten op het gebied van behoud en duurzame inzetbaarheid. Dergelijke veelbelovende aanpakken deel ik actief, onder andere via het Actie Leer Netwerk of via de communicatiekanalen van VWS.
Acht u het risico reëel dat SEH-afdelingen moeten afschalen of tijdelijk sluiten door personeelstekorten? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
De personeelstekorten in de acute zorg zijn het gevolg van bredere arbeidsmarktproblematiek. Met de ondertekening van het AZWA zet het kabinet samen met de sector stappen om de tekorten terug te dringen.
Naast het beschikbaar stellen van opleidingsplekken voor medisch specialisten, gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel, worden sinds 1 januari 2025 ook modules van de verpleegkundige vervolgopleidingen bekostigd vanuit de beschikbaarheidbijdrage. Hierdoor kunnen verpleegkundigen ook delen van opleidingen in het acute cluster volgen, passend bij de werkzaamheden en de persoonlijke situatie. Dit maakt het volgen van specialistische modules laagdrempeliger en zorgt voor snellere inzetbaarheid op de afdeling.
Daarnaast staat in het AZWA dat in de regio’s afspraken worden gemaakt over de inrichting van het zorglandschap. Daaronder valt ook de beschikbaarheid en kwaliteit van de spoedeisende zorg.
Als een ziekenhuis een SEH wil afschalen of (tijdelijk) sluiten, moet het ziekenhuis een zorgvuldig besluitvormingsproces volgen, met betrokkenheid van bijvoorbeeld gemeenten en inwoners. Deze regelgeving wil het kabinet aanscherpen. De beide Kamers zullen een concept van deze aanscherpingen nog voor de zomer ontvangen.
Welke integrale strategie hanteert u voor de acute zorg, inclusief verpleegkundigen en andere zorgprofessionals, in plaats van een eenzijdige focus op opleidingsplaatsen?
Het kabinet wil investeren in een toekomstbestendig zorglandschap en zet daarbij in op passende zorg als norm. Dit vraagt om blijvende aandacht en anders kijken naar de zorg: meer sturen op zorg die bijdraagt aan gezondheid en kwaliteit van leven. Het kabinet bouwt daarom verder op de afspraken uit het Integraal Zorgakkoord (IZA), en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). Van belang is dat in de regio’s afspraken worden gemaakt over de inrichting van de acute zorg en de samenwerking tussen ziekenhuizen en binnen de keten van acute zorg. Aandachtspunten bij deze afspraken zijn de toegankelijkheid en kwaliteit van de acute zorg en de beschikbaarheid, het werven en behouden van medewerkers.
Bent u bereid alsnog het volledige advies van het Capaciteitsorgaan over te nemen en het aantal opleidingsplaatsen te verhogen naar 60 per jaar? Zo nee, welke gevolgen accepteert u voor de toegankelijkheid van de acute zorg?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat de druk op de spoedeisende hulp niet uitsluitend het gevolg is van een tekort aan personeel, maar ook samenhangt met factoren als gebrekkige doorstroming binnen ziekenhuizen, inefficiënte organisatie en suboptimale inzet van bestaande capaciteit?
Druk op de spoedeisende hulp kan verschillende oorzaken hebben. Voorbeelden daarvan zijn de hoogte van de acute zorgvraag, personeelskrapte op de spoedeisende hulp of in de rest van het ziekenhuis (wat de doorstroom vanuit de SEH belemmert) of in de wijkverpleging of verpleeghuiszorg (wat de doorstroom uit het ziekenhuis belemmert). Van belang zijn een goede personeelsplanning in het ziekenhuis en een brede triage, zodat patiënten niet onnodig op de SEH terecht komen. Verder is belangrijk dat er in de regio goede afspraken zijn in de hele keten en dat er inzicht is in actueel beschikbare capaciteit.
Welke concrete maatregelen neemt u om deze structurele knelpunten in de organisatie en doorstroming van de acute zorg aan te pakken, naast het verhogen van opleidingscapaciteit? E.g. flexibele personeelsinzet hebben voor pieken (bijv. meer ongelukken).
Over de organisatie van en de doorstroming vanuit de acute zorg kunnen het beste afspraken gemaakt worden in de regio, rekening houdend met de specifieke omstandigheden in die regio. Afspraken over de inrichting van de acute zorg die zijn opgenomen in regionale plannen vormen een belangrijk uitgangspunt voor de inkoop en financiering door zorgverzekeraars.
Het programma zorgcoördinatie is bedoeld om te zorgen dat patiënten de juiste zorg op de juiste plek door de juiste zorgverleners krijgen. Om dat te bevorderen zijn hierover in het Integraal Zorgakkoord (IZA) afspraken gemaakt. Inmiddels zijn door alle regio’s transformatieplannen ingediend en goedgekeurd en wordt volop gewerkt aan de uitvoering hiervan.
VWS-plannen voor SEH-artsen vallen Yara Basta rauw op haar dak – Zorgvisie
Het bericht dat een failliete ggz-aanbieder mogelijk wordt overgenomen door een private equity investeerder |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de failliete ggz-aanbieder Phitaal GGZ mogelijk wordt overgenomen door private equity investeerder Apax Partners SAS?1
Het is aan de curator om, in samenspraak met zorgverzekeraars, een afweging te maken over een eventuele overname. Voor mij staat daarbij voorop dat de continuïteit, kwaliteit en toegankelijkheid van zorg voor cliënten geborgd zijn. Een nieuwe eigenaar dient te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en staat onder toezicht van onder andere de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die toezicht houdt op de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Mentaal Beter, de overnemende partij die een doorstart maakt met Phitaal onder de naam Mentaal Beter Vitaalpunt, is al langer actief in de Nederlandse ggz en bekend met het wettelijk kader waaraan zij moeten voldoen.
Deelt u de mening dat er grote risico’s kleven aan de verdere groei van private equity binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Het is niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Uit onderzoek blijkt ook niet dat private equity-partijen structureel slechter presteren op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg. Ook niet in de ggz2. Waar het om gaat, is dat zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met publieke middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Zorgaanbieders die de zorg uitsluitend als verdienmodel zien, horen niet thuis in de zorg. Bijvoorbeeld doordat er aan het realiseren van (uitkeerbare) winst een groter belang wordt gehecht dan aan de kwaliteit of toegankelijkheid van zorg. Daarnaast heeft het kabinet eerder ook aangegeven dat de aanwezigheid van private equity partijen in de zorg ook positieve effecten kan hebben. Private equity partijen zorgen voor een alternatieve manier van financiering (anders dan bijvoorbeeld een lening van de bank) voor zorgaanbieders en kunnen daardoor bijdragen aan onder andere innovatie en het optimaliseren van bedrijfsprocessen. Het kabinet wil daarom de voordelen van alternatieve financiering in de zorg behouden, in combinatie met strengere regels om risico’s te voorkomen. Daarom zorgt het kabinet voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Deelt u de zorgen over het feit dat private equity partijen als Apax Partners primair gericht zijn op het maken van zoveel mogelijk winst? Deelt u de mening dat dit onverenigbaar is met het oplossen van de problemen waar de ggz momenteel mee te maken heeft?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag twee, vindt het kabinet dat zorgaanbieders die enkel de zorg als verdienmodel zien niet thuis horen in de zorg, en dus ook niet in de ggz. Zorgaanbieders dienen zich te houden aan de regels, verantwoord om te gaan met collectieve middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Dit geldt voor alle zorgaanbieders, ongeacht de betrokkenheid van private equity financiering. Het kabinet wil daarom de voordelen van alternatieve financiering in de zorg behouden, in combinatie met strengere regels om risico’s te voorkomen. Daarom zorgt het kabinet voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Met het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) is het mogelijk voorwaarden te verbinden aan winstuitkeringen. Dit ziet onder andere op het op orde hebben van de kwaliteit van zorg en het voldoen aan financiële ratio’s voorafgaand en na het voldoen van een winstuitkering. Op dit moment is het kabinet bezig met aanscherpingen op het wetsvoorstel, specifiek gericht op winstuitkeringen en de risico’s van private equity partijen. Daarnaast werkt het kabinet ook aan een wetsvoorstel om de zorgspecifieke fusietoets van de NZa aan te scherpen. Met dit wetsvoorstel kan de NZa fusies en overnames meer inhoudelijk toetsen.
Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag twee blijkt niet dat private equity-partijen structureel slechter presteren op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg, ook niet in de ggz3. Het aanbod van allerlei partijen is dan ook van belang: er wachten veel mensen op een behandeling in de ggz.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is vorig jaar afgesproken dat er meer behandelcapaciteit moet komen voor patiënten met een complexe zorgvraag. Dit gebeurt door binnen het bestaande kader te schuiven met menskracht en middelen, waarbij het zwaartepunt verschuift van de behandeling van lichte zorgvragen naar de behandeling van complexe zorgvragen Dit vraagt iets van de hele ggz-sector, inclusief de ggz-aanbieders die in handen zijn van private equity investeerders.
Weet u hoeveel zorggeld er de afgelopen jaren uit de zorg is geroofd door private equity partijen? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken? Zo nee, waarom bent u niet geïnteresseerd in hoeveel zorggeld weglekt naar op winst beluste investeerders, maar kiest u er wel voor om € 10,3 miljard extra op de zorg te bezuinigen, omdat de zorgkosten anders te hoog zouden worden?
Het kabinet herkent zich niet in de woorden uit deze vraag. Zoals eerder aangegeven kan de aanwezigheid van private equity partijen in de zorg onder de juiste voorwaarden ook positieve effecten hebben. Maar het kabinet vindt ook dat zorgaanbieders met enkel een financieel motief niet thuis horen in de zorg en dat uitwassen en misbruik moeten worden aangepakt.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft op 25 maart j.l. een Informatiekaart gepubliceerd over dividenduitkeringen in de zorg. Het kabinet is erg blij met het inzicht dat de NZa in deze publicatie verschaft over gerapporteerde dividenduitkeringen in de zorg. Het geeft inzicht in de dividenduitkeringen die gedaan zijn door zorgaanbieders. Hierin wordt ook ingegaan op de rol van private equity. De NZa heeft aangegeven dat het niet mogelijk is om de
dividenduitkeringen te specificeren naar private equity partijen. Het is niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Waar het om gaat, is dat zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met collectieve middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Het kabinet vindt het daarom niet nodig en bovendien onhaalbaar om hier nog aanvullend onderzoek naar te doen en wil zicht richten op het aanpakken van onwenselijk gedrag.
De inzichten uit deze informatiekaart gebruikt het kabinet dan ook bij de aanscherpingen van de Wibz. De Kamer wordt hier voor de zomer over geïnformeerd.
Zijn er nog andere mogelijkheden om de mensen die onder behandeling waren bij Phitaal GGZ een voortzetting van hun behandeling te bieden?
Het faillissement van Phitaal betekent niet dat de zorg voor cliënten stopt. Lopende behandeltrajecten kunnen op dit moment bij Phitaal worden voortgezet en zorgvuldig worden afgerond. Dit kan onder andere doordat zorgverzekeraars de zorg blijven vergoeden en hiervoor bevoorschotting hebben verstrekt. Daarnaast hebben zorgverzekeraars ook een boedelkrediet ter beschikking gesteld aan de curator. Hierdoor kan de curator blijven voldoen aan de betalingsverplichtingen die nodig zijn om de zorg te continueren.
De curator heeft, in samenspraak met zorgverzekeraars, onderzocht of Phitaal overgenomen kan worden door een andere partij of dat cliënten overgeplaatst kunnen worden naar omliggende zorgaanbieders. Belangrijke aspecten bij die overweging zijn de continuïteit van zorg, het belang van de patiënt en de belangen van schuldeisers. Zij hebben daarbij de beschikbare alternatieven beoordeeld en de keuze gemaakt voor Mentaal Beter.
Overigens staat het individuele patiënten vrij om zich in te schrijven bij een andere zorgaanbieder dan de overnemende partij.
Hoe gaat u waarborgen dat de zorg voor de cliënten van Phitaal GGZ voortgezet wordt met hun eigen zorgverlener en hoe gaat u ervoor zorgen dat de wachtlijsten niet langer worden, zonder dat zij worden overgeleverd aan private equity?
Gestreefd wordt naar continuïteit van zorg voor patiënten. Een belangrijk onderdeel van effectieve behandeling, en daarmee ook de continuïteit van zorg, in de geestelijke gezondheidszorg is de vertrouwensrelatie tussen cliënt en behandelaar. De curator heeft aangegeven ernaar te streven om zoveel mogelijk behandelaren mee te nemen naar de nieuwe organisatie. Onder het belang van de continuïteit van zorg valt ook het voorkomen van oplopende wachtlijsten.
Bij de doorstart van Phitaal naar Mentaal Beter Vitaalpunt worden zeven behandellocaties voortgezet4, net als de zorg voor alle cliënten die in deze locaties onder behandeling zijn. De specialistische behandelcapaciteit van Phitaal blijft met
de doorstart behouden op deze locaties. Voor de satelliet-locatie in Capelle aan den IJssel zijn zorgverzekeraars bezig om de huidige cliënten door te middelen naar andere zorgaanbieders. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de transfertafel in deze regio.
In algemene zin kan worden gesteld dat veel mensen nu te lang op een passende behandeling in de ggz moeten wachten, ook mensen die zorg hard nodig hebben. In het IZA en AZWA zijn afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de ggz te verbeteren. Zo zijn afspraken gemaakt over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit, het realiseren van pro-actieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor behandeling van mensen met complexe zorgvragen.
Overigens is het niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Waar het om gaat, is of zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met publieke middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.
Wat gebeurt er met het de zorgverleners van Phitaal GGZ? Welke garanties zijn er dat zij hun baan en hun arbeidsvoorwaarden kunnen behouden?
Het streven van de curator is om zoveel mogelijk behandelaren mee te nemen naar de nieuwe organisatie. Na een faillissement zijn daarvoor echter geen garanties. Het is aan de curator om afspraken te maken met zorgverleners en de overnemende partij over arbeidsvoorwaarden.
Bent u bereid om alle vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
De wijziging van automatische uitbetaling naar declaratie voor Zilveren Kruis-verzekerden met een hulphond. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat vanaf 2026 Zilveren Kruis-verzekerden met een hulphond de kwartaalvergoeding zelf via een formulier moeten declareren, in plaats van een automatische uitbetaling?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u van mening dat zorgplicht voor kwetsbare groepen boven efficiëntie en controle gaan? Zo nee, waarom niet?
Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht voor hun verzekerden. Deze zorgplicht is belangrijk en dient gewaarborgd te worden. Met de nieuwe werkwijze van declaratie lijken er echter geen grote risico’s te ontstaan voor de zorgplicht aan kwetsbare groepen. De nieuwe werkwijze is gericht op het voorkomen van mogelijke terugvordering van onrechtmatig verkregen vergoedingen. Dit verkleint het risico op terugvorderingen achteraf.
Deelt u de zorg dat deze wijziging kan leiden tot onnodige drempels voor verzekerden die recht hebben op een hulphond? Zo ja, bent u bereid om hierover het gesprek met Zilveren Kruis aan te gaan? Zo nee, waarom niet?
Deze zorg deelt het kabinet niet. De wijziging in het proces van uitbetaling levert een extra stap op voor verzekerden, wat van invloed kan zijn op de (ervaren) toegankelijkheid van de voorziening, maar de wijziging is zo eenvoudig mogelijk ingericht. Zo heeft een verzekerde direct toegang tot het declaratieformulier op de website van Zilveren Kruis, en wordt een deel van de gegevens automatisch ingevuld. Ook heeft Zilveren Kruis verschillende ondersteuningsmogelijkheden ingericht. Zo is er telefonische ondersteuning beschikbaar voor iedereen die hier behoefte aan heeft. Voor verzekerden die door een visuele beperking een hulphond nodig hebben, is het mogelijk om te bellen en het formulier door een medewerker van Zilveren Kruis in te laten vullen. Daarnaast is het ook mogelijk het formulier 1 of 2 keer per jaar in te vullen, waarbij een verzekerde met terugwerkende kracht de gebruikersvergoeding krijgt uitbetaald. Dit kan tot 3 jaar terug.
Bij het wijzigen van de werkwijze is doorlopend nauw contact geweest met de Oogvereniging. De werkwijze wordt in 2026 geëvalueerd en indien zich knelpunten voordoen, wordt de werkwijze waar nodig en mogelijk aangepast. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het testteam van de Oogvereniging. Gezien de ondersteuningsmogelijkheden en de geplande evaluatie ziet het kabinet geen reden om hierover met Zilveren Kruis in gesprek te gaan.
Deelt u de opvatting dat kwetsbare mensen niet de dupe mogen worden van extra bureaucratie en dat een zorgverzekeraar bestaande vergoedingen niet nodeloos ingewikkelder moet maken? Zo nee, waarom niet?
De wijziging is zo eenvoudig mogelijk ingericht. Terugvorderingen van vergoedingen bij kwetsbare burgers zijn ingrijpender dan het één keer per kwartaal digitaal invullen van een declaratieformulier of bellen met de verzekeraar.
Gaat u in kaart brengen of ook andere zorgverzekeraars vergelijkbare drempels opwerpen bij vergoedingen voor hulpmiddelen of voorzieningen voor kwetsbare verzekerden en kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Met de diverse ondersteuningsmaatregelen die aan de nieuwe werkwijze zijn gekoppeld, heeft Zilveren Kruis geprobeerd zoveel mogelijk drempels voor verzekerden weg te nemen, en het risico op terugvordering van onrechtmatig verkregen kosten te verkleinen. Daarnaast is de werkwijze van het declareren van werkelijk gemaakte kosten gebruikelijk binnen de Zorgverzekeringswet. Het kabinet ziet daarom op dit moment geen reden om hiernaar onderzoek te doen bij andere zorgverzekeraars.
Kunt u zorgen dat dit van tafel gaat als deze extra administratieve last leidt tot het niet of te laat uitbetalen van vergoedingen aan kwetsbare groepen en indien nodig de richtlijnen aan te scherpen over hoe verzekeraars met declaraties van hulpmiddelen zoals hulphonden moeten omgaan? Zo nee, waarom niet?
De wijziging leidt niet tot onevenredige administratieve last of het te laat uitbetalen van vergoedingen aan kwetsbare groepen verzekerden. Zoals in het antwoord op vraag 3 geschetst, heeft Zilveren Kruis verschillende mogelijkheden tot ondersteuning ingevoerd bij deze wijziging. Het is aan de verzekeraar om de service aan klanten optimaal in te richten.
Bent u bekend met het bericht dat er opnieuw asbest gevonden is in speelzand dat online te koop was?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat asbesthoudend speelzand alsnog te koop was, ook nadat verschillende producenten en verkopers aangaven dat ze de verkoop ervan hadden opgeschort?
Het is onwenselijk dat er alsnog asbesthoudend speelzand te koop was. De verantwoordelijkheid om veilige producten op de markt te brengen ligt bij de marktdeelnemers (zoals fabrikanten, importeurs en distributeurs). Uit het krantenartikel blijkt dat de betreffende marktdeelnemers die speelzand hebben aangeboden waarin asbest is aangetroffen, direct actie hebben ondernomen om het betreffende product van de markt te halen. Daarmee handelden zij conform de Europese wet- en regelgeving voor speelgoed, waarin is geregeld dat marktdeelnemers direct maatregelen treffen zodra zij informatie ontvangen dat er iets mis is met het speelgoed dat zij verkopen.
Hoe gaat u bovenstaande in de toekomst voorkomen?
In de speelgoedwetgeving is vastgelegd welke taken en verantwoordelijkheden marktdeelnemers hebben, om te voorkomen dat zij niet-conform speelgoed op de markt aanbieden.
De NVWA zal asbest in speelzand opnemen in het reguliere toezicht. Afhankelijk van het risico zal de toezichtintensiteit daar op worden aangepast. Daarbij gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Het kabinet zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de huidige wettelijke limiet.
Ziet u met licht op het bovenstaande de tot nu toe genomen acties als voldoende om te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand?
Het kabinet heeft de nodige en mogelijke maatregelen genomen om te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand.
Aan (onder andere) ouders en kinderopvangorganisaties is meteen geadviseerd om het speelzand voorlopig even niet te gebruiken totdat het RIVM haar gezondheidskundige risicobeoordeling heeft afgerond.
Kinderopvangorganisaties zijn daarop gestopt met het aanbieden van dit type speelgoed aan kinderen tijdens hun verblijf op de opvanglocatie. Nu de resultaten van de risicobeoordeling bekend zijn geworden, adviseren de brancheverenigingen in de kinderopvang hun leden om uit voorzorg het speelzand ook nu niet meer te gebruiken. Het kabinet heeft daar begrip voor.
Fabrikanten, webshops en winkeliers hebben vrijwillig, of op verzoek van de NVWA, speelzand van de markt gehaald. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico zal, zoals eerder genoemd, de NVWA asbest in speelzand opnemen in het reguliere toezicht en zal het kabinet zich inzetten voor aanscherping van de wettelijke limiet.
Ziet u ook dat terugroepacties op eigen verantwoordelijkheid van bedrijven geen garantie bieden dat potentieel gevaarlijke producten niet langer verkocht worden? Zo ja, hoe ziet u in dit licht de reactie van de voormalige Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport waarin vooral verwezen werd naar de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven?
In Europese wetgeving is de verantwoordelijkheid voor productveiligheid duidelijk geregeld: marktdeelnemers moeten kunnen aantonen dat hun producten veilig zijn en de NVWA houdt daarop streng toezicht. Wanneer sprake is van een ernstig risico kan de NVWA een publiekswaarschuwing of verplichte terugroepactie opleggen. Terugroepacties blijven een belangrijk instrument, maar toezicht blijft uiteraard noodzakelijk om de veiligheid van producten op de markt te borgen. Het is niet volledig te garanderen dat alleen conforme producten op de markt komen.
Deelt u de mening dat de resultaten van het onderzoek dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zelf laat uitvoeren te lang op zich laten wachten? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet deelt deze mening niet. Het kabinet vindt het van groot belang dat dergelijk onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd. Tegelijkertijd onderkent het kabinet dat er vanaf het begin grote behoefte was aan informatie over asbest in speelzand. Daarom heeft de NVWA op 13 maart een tussenrapportage van onderzoeksresultaten naar buiten gebracht. Hieruit bleek dat in 5 producten meer asbest was aangetroffen dan de wettelijke limiet. Deze producten zijn toen direct van de markt gehaald.
Daarnaast is ook een gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door het RIVM. Ook dit onderzoek moest zorgvuldig gebeuren en was tijdrovend. De resultaten van de beoordeling zijn inmiddels openbaar gemaakt via de website van het RIVM.
Ziet u het als een beperking dat de NVWA niet handhavend kan optreden op basis van externe resultaten van geaccrediteerde laboratoria wanneer sprake is van een risico voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is van groot belang dat de monstername (het in bewaring stellen van het product) onder toeziend oog van een inspecteur gebeurt, die de eed of belofte heeft afgelegd. Hiermee kan in juridische zin worden gegarandeerd dat er geen fraude is gepleegd ten tijden van de monstername. De NVWA heeft geaccrediteerde laboratoria benaderd om hun testuitslagen te ontvangen, om op die manier een breder beeld te krijgen van de situatie.
Deelt u de mening dat het lange wachten op onderzoeksresultaten van de NVWA en het uitblijven van aangekondigde instructies voor kinderdagopvangorganisaties kunnen leiden tot een afwachtende houding bij sommige van deze organisaties?
Het onderzoek naar en de risicobeoordeling van asbest in speelzand was erg complex. Het was noodzakelijk om dit zorgvuldig te doen. De brancheverenigingen in de kinderopvangsector hadden al proactief opgeroepen om speelzand op te bergen en voorlopig niet meer te gebruiken. Het beeld van het kabinet is dat de sector gehoor heeft gegeven aan dit signaal. Op basis van de risicobeoordeling door het RIVM en het Buro-advies kan de sector bepalen of zij speelzand willen blijven gebruiken. Zoals eerder aangegeven adviseren de brancheverenigingen hun leden om uit voorzorg het speelzand ook nu niet meer te gebruiken.
Wat vindt u van signalen dat sommige scholen het speelzand nog steeds of weer gebruiken, omdat leveranciers zelf zeggen dat het asbestvrij is?
Een leverancier is ervoor verantwoordelijk dat zijn product aan de wet- en regelgeving voldoet. Zoals aangetoond in het onderzoek van de NVWA bevat het meeste speelzand geen of hele kleine hoeveelheden asbest. Maar het kabinet heeft er begrip voor als ouders of kinderdagverblijven liever het zekere voor het onzekere nemen en voor alternatief speelgoed kiezen.
Wat vindt u van het gegeven dat sommige leveranciers hiervoor buitenlandse laboratoria gebruiken die niet in Nederland geaccrediteerd zijn en die bovendien geen elektronenmicroscopie gebruiken, maar lichtmicroscopie waarmee asbest niet altijd aangetoond kan worden?
Het is van belang dat de juiste methoden op een goede manier wordt uitgevoerd. Voor de bepaling van gehaltes aan asbest in speelzand is een methode nodig met een voldoende lage detectiegrens. Lichtmicroscopie heeft een detectiegrens gelijk aan de wettelijke limiet van 0,1% asbest. Elektronenmicroscopie kan asbest in speelzand tot veel lagere concentraties vaststellen. De combinatie van NEN 5896 en VDI 3866-5 is daarbij de meest geschikte aanpak om een indicatie te geven
van het asbestgehalte in speelzand volgens de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)2. Laboratoria hoeven niet in Nederland geaccrediteerd te zijn om een dergelijke methode goed uit te voeren.
Kunt u bevestigen dat de resultaten afkomstig van laboratoria die niet in Nederland geaccrediteerd zijn in Nederland niet rechtsgeldig zijn?
Nee, als een onderzoek is uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium met de juiste methoden, dan is dat conform wet- en regelgeving acceptabel.
Laat de NVWA naast onderzoek naar asbest in het speelzand zelf ook onderzoek doen naar mogelijk vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderdagverblijven en scholen waar dit speelzand gebruikt is, zoals ook in Australië en Nieuw-Zeeland gedaan is?
Nee, er is geen sprake van geweest dat de NVWA zelf onderzoek zou gaan doen naar mogelijk vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderopvangcentra en scholen.
De lucht in een klaslokaal wordt continu ververst door mechanische ventilatie. Op basisscholen en kinderopvangcentra houdt het schoonmaakprotocol in dat alle oppervlakken dagelijks nat worden gereinigd, waardoor elke keer veel van de neergeslagen vezels worden verwijderd. Aangezien de bron van de verontreiniging is weggenomen en de klaslokalen meerdere malen nat zijn gereinigd, is professionele sanering van de klaslokalen niet nodig.
Deelt u de mening dat zolang dit probleem niet aan de bron aangepakt wordt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen?
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat van de 106 speelzandmonsters er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die ver onder de grenswaarde van 0,1% blijft. Daarnaast heeft het RIVM aangetoond dat het gezondheidsrisico van spelen met verschillende soorten speelzand, waarin minder dan 0,1% asbest is aangetroffen, verwaarloosbaar is.
Desondanks zal het kabinet zich binnen Europa inzetten voor een lagere wettelijke eis voor het asbestgehalte in speelzand. Het kabinet heeft hierover advies gevraagd aan het RIVM.
Deelt u de mening dat de NVWA voldoende capaciteit moet hebben om zelf slagvaardig op te kunnen treden rondom productveiligheid in plaats van de verantwoordelijkheid vrijwel geheel bij de markt te leggen en dat daar een passende bekostiging bij hoort? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Producenten en handelaren zijn zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via onder andere de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om zijn toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS jaarlijks 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Welke vormen van bekostiging voor de NVWA worden onderzocht, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd en op welke manier wordt daarmee voldoende slagkracht voor de NVWA gewaarborgd?
Naar aanleiding van de agentschapsdoorlichting van de NVWA door PricewaterhouseCoopers uit 2024, kijken de departementen met de NVWA naar andere vormen van bekostiging om het risicogericht toezicht door de NVWA beter te waarborgen. Hierover is de Kamer ook geïnformeerd (Kamerstuk 33 835, nr. 257).
Bij deze analyse wordt gekeken welke knelpunten en belemmeringen worden ervaren door de NVWA en welke oplossingen mogelijk zijn, waaronder verschillende bekostigingsvormen. Het is geen doel op zich om tot een andere bekostigingswijze te komen.
De Kamer zal uiterlijk einde van dit jaar worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
Het bericht ‘De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?»1
Ja, het kabinet is bekend met het bericht. Jolie heeft mij een aangrijpende brief gestuurd over haar situatie. Die brief raakt mij zeer.
Kunt u uitgebreid toelichten waarom het medicijn Enhertu (trastuzumab deruxtecan) niet wordt vergoed voor borstkankerpatiënten met HER2-low?
Enhertu is een geneesmiddel dat voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker (en andere soorten kanker) is geregistreerd. Door de hoge prijs in combinatie met de hoge verwachte uitgaven is het middel voor alle toekomstige indicaties in de sluis geplaatst. Dat gebeurt als pakketopname van een nieuw geneesmiddel of een nieuwe indicatie vanuit maatschappelijk perspectief risicovol is. Geneesmiddelen en indicaties die in de sluis staan worden pas vergoed vanuit het basispakket als ze voldoen aan de pakketcriteria. Daarvoor kijkt het Zorginstituut of het geneesmiddel effectief is. Een geneesmiddel is effectief als het even goed of beter werkt dan de huidige standaardbehandeling. Ook beoordeelt het Zorginstituut de kosteneffectiviteit, dat zegt of de extra kosten van een geneesmiddel voor een specifieke indicatie, in dit geval Enhertu bij HER2-low borstkanker, in verhouding staan tot de extra effectiviteit.
Enhertu is voor de behandeling van HER2-low borstkanker nog niet opgenomen in het basispakket. Het Zorginstituut heeft geoordeeld dat Enhertu bij HER2-low borstkanker effectief is, maar dat de extra effecten niet opwegen tegen de extra kosten van HER2-low borstkanker (het middel is voor deze indicatie dus niet kosteneffectief). Daarom adviseert het Zorginstituut dit geneesmiddel pas in het basispakket op te nemen nadat de leverancier een aanzienlijke korting heeft gegeven.2
Helaas heeft de prijsonderhandeling voor Enhertu bij HER2-low borstkanker niet tot een positief resultaat geleid. Het valt mij zwaar dat Enhertu niet kan worden opgenomen in het basispakket voor deze indicatie. Dit is teleurstellend voor patiënten, hun naasten en behandelaren die hun hoop hebben gevestigd op dit geneesmiddel.
Enhertu is voor een andere indicatie inmiddels wel vergoed. Dat is voor patiënten met HER2-positieve borstkanker. Deze indicatie stond ook in de sluis en is vervolgens door het Zorginstituut beoordeeld.
Het Zorginstituut adviseert een lagere korting voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker om de extra effecten in balans te brengen met de extra kosten dan bij HER2-low borstkanker.3 Na een onderhandeling wordt Enhertu sinds 11 april 2024 vergoed vanuit het basispakket bij HER2-positieve borstkanker.
Deelt u de mening dat er sprake is van ongelijke behandeling indien een medicijn voor de ene groep borstkankerpatiënten wel vergoed wordt, maar niet voor een andere groep borstkankerpatiënten die evenredig baat heeft bij dit middel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze mening niet. Enhertu is voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker geregistreerd. Het Zorginstituut heeft op basis van de ingediende dossiers van de leverancier twee aparte beoordelingen gegeven, één voor Enhertu bij HER2-postieve borstkanker en een bij HER2-low borstkanker. In het kort komt het erop neer dat de extra effecten en extra kosten voor deze twee groepen borstkankerpatiënten niet gelijk zijn. Dat betekent dat er minder korting nodig is voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker dan bij HER2-low borstkanker.
Klopt het dat het gaat om een groep van 1.500 vrouwen in Nederland?
Er zijn jaarlijks ongeveer 1500 vrouwen met HER2-low borstkanker, maar niet alle patiënten komen in aanmerking voor behandeling met Enhertu. Volgens het pakketadvies van het Zorginstituut komen er jaarlijks ongeveer 585 patiënten met HER2-low borstkanker in aanmerking komen voor behandeling met Enhertu.
Klopt het dat het medicijn in 26 andere Europese landen wel beschikbaar is voor deze groep?
Het kabinet kan niet verifiëren in welke landen Enhertu voor de behandeling van vrouwen met HER2-low borstkanker wordt vergoed. Daar komt bij dat vergoeding van een geneesmiddel niet in elk land hetzelfde betekent als in Nederland, namelijk dat elke patiënt die in aanmerking komt voor de behandeling deze ook daadwerkelijk krijgt.
Hoe legt u aan deze 1.500 vrouwen uit dat u het middel, wat hun leven kan verlengen en kwaliteit van leven kan verbeteren, niet vergoedt?
Het lot van deze patiënten raakt mij zeer. De afweging of Enhertu voor deze patiënten wordt opgenomen in het basispakket van de zorgverzekering, is zorgvuldig gemaakt. Namens het kabinet volg ik daarbij het beleid van mijn voorgangers. Het kabinet begrijpt dat dat zeer teleurstellend is voor Jolie, andere patiënten en hun families.
Daarbij wijst het kabinet op het volgende. Gegeven dat er beperkte financiële middelen zijn, moeten er keuzes worden gemaakt in de zorg. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren. Elke euro kan maar één keer worden uitgegeven. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst behaald worden. Het kabinet houdt rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers – ook als dat betekent dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel. Het kabinet zou willen dat we dergelijke keuzes niet zouden hoeven maken, want het zou patiënten zoals Jolie natuurlijk heel graag een ander bericht geven, maar helaas is dat – en hier moet het kabinet toch ook wijzen op de hoge prijzen van dit soort geneesmiddelen – een luxe die ons niet gegeven is.
Betekent uw reactie op de brief van Jolie Jacobs dat de situatie van patiënten met HER2-low borstkanker «nadrukkelijk uw aandacht heeft» dat u zich niet alleen laat informeren, maar dat u alles zult doen wat in uw mogelijkheden ligt om dit middel zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor deze groep patiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u exact aangeven welke stappen u gaat ondernemen en wat het tijdspad is?
De situatie van patiënten met HER2-low borstkanker heeft nadrukkelijk mijn aandacht. Zo verzoek ik, namens het kabinet, de leverancier of hij nu wel bereid is om een maatschappelijk aanvaardbare prijs overeen te komen. Het kabinet wil patiënten nadrukkelijk geen valse hoop geven, soms lukt het niet om tot overeenstemming te komen met leveranciers.
Bent u bereidt om, zo snel als mogelijk, het besluit van uw voorganger te herzien en om dit medicijn alsnog toe te laten tot het basispakket en daarmee beschikbaar te maken voor de borstkankerpatiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet?
Als de leverancier bereid is om alsnog tot aanvaardbare prijsafspraken te komen, ben ik, namens het kabinet, bereid om Enhertu op te nemen in het basispakket. Het kabinet roept de leverancier op om, in het belang van alle patiënten met HER2-low borstkanker, zijn standpunt te heroverwegen. Ook staat voor de leverancier de mogelijkheid open om nieuwe data aan te leveren bij het Zorginstituut en een herbeoordeling te vragen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
De situatie bij Fivoor |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van de eerdere Kamervragen over de situatie in de gemeente Zeist over de situatie van Fivoor in Den Dolder en de Kamerbrief van 16 april 2025 over de toekomst van de klinieken in Den Dolder?1, 2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke gesprekken er zijn gevoerd sinds april 2025 om ervoor te zorgen dat concrete vertrekplannen van Fivoor uit Den Dolder worden gerealiseerd? Kunt u de laatste stand van zaken geven?
In 2025 zijn vier Regionale Regietafels georganiseerd om de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor te begeleiden. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht. Hiermee onderstrepen we de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de regio om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden. Het voorzitterschap ligt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De tafel wordt voorgezeten door de verantwoordelijk Staatssecretaris of een vertegenwoordiger van het ministerie. Ik zet die inzet voort.
Er wordt gewerkt langs twee sporen:
Er zijn drie locaties in beeld voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op het lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties deel ik daarom nu niet.
Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) is op dit moment niet actief betrokken bij de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor. In het voorjaar van 2025 heeft het RVB meerdere specifieke locaties onderzocht. Zoals mijn voorganger in de brief aan de Tweede Kamer van 16 april 2025 heeft toegelicht, betrof dit vastgoed dat in gebruik is bij het Ministerie van Defensie.3 Dat vastgoed is primair bestemd voor de opgaven van Defensie. Gezien de huidige geopolitieke situatie en de noodzaak de Nederlandse defensiecapaciteit uit te breiden, heeft Defensie laten weten om die reden geen terreinen te verkopen. Daarom loopt er momenteel geen traject via het RVB. Mochten er in de toekomst locaties in beeld komen waar de RVB kan bemiddelen, dan is de afspraak dat zij direct worden aangehaakt.
Welke locatie of locaties zijn op dit moment in beeld om Fivoor te huisvesten en in hoeverre is het Rijksvastgoedbedrijf gecommiteerd aan de inzet om verhuizing van Fivoor mede mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen zijn er in de tussentijd getroffen om de veiligheid in Den Dolder te waarborgen?
JenV ondersteunt gemeente Zeist bij de maatregelen die zij treft om de veiligheid te borgen tot 1 januari 2027, met de optie dit te verlengen als Fivoor langer blijft en de maatregelen effectief blijken. Maatregelen die door de gemeente worden genomen zijn:
Doel van de inzet is om het veiligheidsgevoel te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorgangers om ook zelf in gesprek te gaan en te blijven met de omwonenden? Zo ja of nee, waarom?
Ja, zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, continueer ik de inzet van mijn voorganger. Ik ga op een passend moment graag in gesprek met de omwonenden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóór het commissiedebat over tbs op 25 maart 2026?
Ja.
Schimmelwoningen |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schimmel, scheuren en schaamte: huurders jarenlang in ongezonde woningen»?1
Ja, ik ben bekend met dit nieuwsbericht.
Zou u de omvang van het aantal meldingen van vocht- en schimmelproblematiek in huurwoningen in kaart willen brengen, in samenwerking met corporaties en gemeenten?
Ik onderschrijf het belang van een landelijk beeld van de omvang van vocht- en schimmelproblematiek in woningen. In dat kader wordt bij het driejaarlijkse WoON-onderzoek uitvraag gedaan naar vocht- en schimmelproblematiek. Huishoudens worden voor dit onderzoek gevraagd naar onderhoudskwaliteit van de woning en naar vocht- en schimmelproblematiek in de woning. Er worden geen vragen gesteld over de mate van de problematiek.
In 2024 gaf 20 procent van de huishoudens aan last te hebben van vocht en schimmel in de woning, vergeleken met 15 procent in 2021. Voor corporatiehuurders nam de vocht- en schimmelproblematiek volgens WoON2024 toe van 24% in 2021 naar 29% in 2024. In de private huur was er in deze periode een toename van 23% naar 31%.
Tegelijkertijd worden het aantal meldingen bij corporaties en gemeenten niet centraal geregistreerd. Ik heb met de VNG, Aedes en de Woonbond afgesproken dat zij bij hun achterban aandacht blijven vragen voor meldingsbereidheid van huurders, hierbij hoort ook het in kaart brengen van de meldingen op lokaal niveau. De oorzaken en de aard van de meldingen lopen zeer uiteen, landelijke conclusies trekken uit deze cijfers is moeilijk. In de lokale prestatieafspraken kunnen afspraken gemaakt worden over het in kaart brengen van de meldingen, lokale partijen (gemeente, huurdersorganisaties en verhuurders) hebben de problematiek, de oorzaken en een passende lokale aanpak het beste in beeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Beckerman (Kamerstuk 28 847, nr. 1325), waarin de regering wordt verzocht met spoed met een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen en dit uiterlijk in het najaar van 2025 aan de Kamer te presenteren?
Welke concrete stappen zijn sinds de aanneming van deze motie gezet om tot een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen?
Welke organisaties – zoals woningcorporaties, gemeenten, huurdersorganisaties en gezondheidsinstanties – zijn tot nu toe betrokken bij de uitwerking van dit actieplan?
Wanneer verwacht u het actieplan tegen schimmelwoningen daadwerkelijk aan de Kamer te kunnen presenteren?
Zou u inzicht willen geven in de manier waarop het Rijk momenteel regie neemt op de aanpak van schimmelproblematiek in woningen?
Welke concrete doelstellingen en resultaten wilt u met dit actieplan bereiken, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal woningen waarin schimmelproblematiek structureel wordt aangepakt?
Hoe reflecteert u op signalen dat huurders zich in dergelijke situaties soms niet serieus genomen voelen door verhuurders en instanties?
Ik herken het signaal dat huurders zich niet altijd serieus voelen genomen door verhuurders als het gaat om vocht- en schimmelmeldingen. Door middel van de aanpak zoals genoemd in de beantwoording van vraag 3 t/m 8 is de verwachting dat het vertrouwen van huurders zal toenemen. De afspraak met woningcorporaties is dat zij zich proactief zullen opstellen bij de aanpak vocht- en schimmel, ik roep Aedes, VNG en de Woonbond op om meer aandacht te besteden aan meldingsbereidheid en bij ernstige problematiek kan een onafhankelijk vocht- en schimmelexpert worden ingezet.
Hoe verhoudt de aanpak van schimmelproblematiek zich tot het Nationaal Isolatieprogramma, en op welke wijze wordt geborgd dat isolatiemaatregelen altijd gepaard gaan met adequate ventilatievoorzieningen?
Verduurzaming leidt vaak tot een beter te verwarmen woning en meer wooncomfort. Tegelijk moet ervoor worden gewaakt dat er geen vocht- en schimmelproblemen ontstaan, zoals wanneer er in een verduurzamingsplan onvoldoende aandacht is voor ventilatievoorzieningen of wanneer er nieuwe koudebruggen ontstaan. Daarom besteedt VRO in campagnes speciale aandacht aan ventileren in combinatie met isoleren en wordt in voorlichting bijvoorbeeld via verbeterjehuis.nl aandacht besteed aan een juiste manier van isoleren waarbij bouwfysische problemen worden voorkomen.
Hoe gaat u borgen dat de aanpak van schimmelwoningen daadwerkelijk prioriteit krijgt bij woningcorporaties en gemeenten?
Hoe wordt er op toegezien of corporaties en gemeenten lokaal afspraken maken over de aanpak van vocht- en schimmelproblematiek, zoals afgesproken in de Nationale Prestatieafspraken?
Hoe wordt geborgd dat dergelijke afspraken daadwerkelijk zorgen voor voldoende voortgang op het gebied van schimmelaanpak?
Hoe gaat u bevorderen dat woningcorporaties beschikken over voldoende expertise om schimmelproblematiek snel en effectief aan te pakken, bijvoorbeeld door inzet van specialistische kennis of onafhankelijke experts?
De inzet van vocht- en schimmelexperts vloeit voort uit de Nationale Prestatieafspraken tussen het Rijk, Aedes en de VNG. Voor de periode 2027 tot en met 2029 stelt het Rijk hiervoor jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar. Deze experts worden ingezet wanneer huurder en verhuurder (woningcorporatie) er samen niet uitkomen, nadat de corporatie al onderzoek heeft gedaan. De expert brengt vervolgens een onafhankelijk rapport uit met conclusies en aanbevelingen. Deze aanpak is gebaseerd op de succesvolle werkwijze van de gemeente Den Haag.
Het uitgangspunt blijft dat verhuurders verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van hun woningen, inclusief het oplossen van vocht- en schimmelproblemen. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om de inzet van onafhankelijke experts te stimuleren en de urgentie van deze problematiek te benadrukken. Daarom kies ik voor een gerichte en uitvoerbare aanpak die aansluit bij bestaande lokale initiatieven en verantwoordelijkheden.
In deze aanpak dragen verhuurders 75% van de kosten voor een vocht- en schimmelonderzoek, terwijl het Rijk via een subsidie aan gemeenten de overige 25% voor zijn rekening neemt. De uitvoering vindt plaats op het niveau van woningmarktregio’s, waarbij centrumgemeenten een coördinerende rol hebben. Dit sluit aan bij bestaande samenwerkingsstructuren en maakt regionaal maatwerk mogelijk.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat huurders goed geïnformeerd worden over hun rechten en mogelijkheden om schimmelproblematiek aan te kaarten, bijvoorbeeld via de Huurcommissie?
Wanneer bewoners van mening zijn dat de verhuurder te lang wacht met het aanpakken van vocht- en schimmelproblemen, beschikken zij over verschillende mogelijkheden om onderhoud af te dwingen. Huurders kunnen terecht bij de Huurcommissie, die in zulke gevallen een tijdelijke huurverlaging kan opleggen zolang gebreken niet zijn verholpen. Daarnaast kunnen alle huurders een procedure starten bij de kantonrechter om herstel af te dwingen. Bij ernstige klachten over de bouwtechnische staat van de woning kunnen huurders zich bovendien wenden tot het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht. Ik ga met de Woonbond en de Huurcommissie in gesprek of er meer duidelijkheid moet komen over de mogelijkheden die huurders hebben om vocht- en schimmelproblematiek aan te kaarten.
Hoe gaat u bevorderen dat huurders snel geholpen worden wanneer zij schimmelproblematiek melden bij hun verhuurder?
Zie hiervoor de beantwoording op vraag 3 t/m 8. Door middel van de afspraken uit de NPA verwacht ik een grote verbetering te zien bij woningcorporaties wat betreft en proactief oppakken van vocht- en schimmelproblematiek.
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1, 2
Ja
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over inkomsten, huisvesting en beperkte toegang tot voorzieningen en zorg. Het is ongelofelijk naar dat deze vrouwen soms, als gevolg van de lastige omstandigheden waarin zij zich bevinden, constateren dat het niet gaat lukken om hun kind op te voeden. De aangrijpende situatie van Jagoda staat helaas niet op zichzelf. Ieder jaar is er een beperkt aantal arbeidsmigranten dat zich bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of Fiom meldt voor een begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie. De zorgen om deze groep onbedoeld zwangere arbeidsmigranten zijn binnen de Rijksoverheid bekend, onder andere doordat Fiom deze bij het Ministerie van J&V en het Ministerie van VWS onder de aandacht heeft gebracht.
Het kabinet voelt mee en begrijpt dat de situatie van zwangere arbeidsmigranten veel oproept bij de groep afstandsmoeders én afgestanen uit het verleden. Het kabinet snapt ook dat er overeenkomsten worden gezien tussen de situatie van toen en nu. Uit het rapport «Schade door schande» van commissie De Winter blijkt overduidelijk dat moeders, en soms ook vaders, in de jaren 1956–1984 in veel gevallen geen of nauwelijks zelfbeschikking hadden en kregen. Inmiddels is de keuzevrijheid van zwangeren gelukkig verbeterd ten opzichte van de periode die in het rapport wordt beschreven. Er is toegang tot onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie.3 Ook is er hulp en zorg nadat de keuze is gemaakt, ongeacht de uitkomst. Deze ondersteuning wordt ook geboden aan arbeidsmigranten. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor iedereen maximaal is. Ook voor vrouwen die onder moeilijke omstandigheden hun afwegingen moeten maken, zoals vrouwen die in Nederland als arbeidsmigrant zijn gekomen en werken in risicovolle banen met een laagbetaald loon. Voor deze groep vrouwen is extra aandacht nodig. Het kabinet zet zich hier voor in. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar (Engels, Pools, Roemeens en Hongaars), kunnen tolken worden ingeschakeld in de hulpverlening en ontwikkelde Fiom een routekaart speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht.
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure, een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang zet?
Organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van vrouwen (of stellen) met een voornemen tot het doen van afstand ter adoptie hebben hun samenwerkingsafspraken vastgelegd in het «Protocol afstand ter adoptie».4
Het klopt dat de vrouw, en indien van toepassing en relevant ook de partner, in het kader van de procedure afstand ter adoptie wordt gevraagd om een document te ondertekenen. De ondertekening is vrijwillig en niet verplicht.
Wanneer een vrouw (of stel) afstand ter adoptie overweegt, dan doet de RvdK onderzoek. De vrouw houdt daarbij altijd de regie over de procedure. In het onderzoek van de RvdK wordt de moeder onder andere gevraagd of zij informatie over- en begeleiding bij haar voornemen om afstand te doen heeft (gehad) van bijvoorbeeld Fiom. Ook wordt met de moeder nogmaals bekeken welke (on)mogelijkheden er zijn met betrekking tot haar zwangerschap en geboorte van haar kind. Er worden alternatieven voor afstand ter adoptie besproken zoals opgroeien bij de vader/verwekker of bij een familielid.
Tijdens het onderzoek wordt besproken wat de mogelijkheden zijn, mocht de moeder de in gang gezette afstandsprocedure willen stoppen. Als de moeder bij haar voornemen blijft om afstand te doen, dan biedt de RvdK haar aan een document te lezen en ondertekenen waarin de moeder uit dat zij de afstandsprocedure wil voortzetten en eventueel haar keuze zelf kan toelichten. Dit gebeurt op een belangrijk moment in de procedure, namelijk ongeveer drie maanden na de geboorte en op het moment dat het kind van het tijdelijke pleeggezin naar de aspirant adoptieouders gaat. Het document wordt samen met de raadsonderzoeker of hulpverlener zorgvuldig doorgenomen en eventuele vragen over de procedure kunnen gesteld worden. Hiermee krijgt de moeder (of krijgen de ouders) een stem in het dossier, naast de andere stukken die door de betrokken partijen worden opgesteld. Doordat de moeder zelf ondertekent, is dit een extra waarborg waarmee een belangrijk keuzemoment in de procedure wordt gemarkeerd. In het document staat ook dat moeder totdat de adoptie is uitgesproken terug kan komen op haar keuze voor adoptie en wordt haar bijvoorbeeld gevraagd of ze haar keuze voor afstand ter adoptie heeft gedaan uit vrije wil zonder het ervaren van bedreiging of dwang.
Aangezien een moeder soms niet in de rechtbank aanwezig kan of wil zijn indien de rechter besluit over de adoptie, geeft een dergelijk document de moeder een uitdrukkelijkere stem. De rechter beslist vervolgens op basis van het gehele dossier over de adoptie. Dit maakt ook dat een ondertekend document niet noodzakelijk is in de procedure, maar wel waarde kan toevoegen.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (CBAA) is inmiddels met alle betrokken partners het afstandsprotocol geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat partijen willen afzien van het gebruik van de term «afstandsverklaring». Partijen realiseren zich dat dit onbedoeld een lading heeft gekregen die op geen enkele manier past bij de wijze waarop een ondertekend document op dit moment nog wordt gebruikt. Hiervoor in de plaats wordt op dit moment gewerkt met een «Verzoek tot voortzetten afstandsprocedure» waarin de stem van de moeder een uitdrukkelijkere plek krijgt in het dossier en zij aan de instanties met het zetten van een handtekening het (symbolische) verzoek doet om de procedure voort te zetten. Echter, deze Kamervragen en de reacties op het artikel «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af» maken dat de protocolpartners alternatieven voor het met een handtekening markeren van een belangrijke moment in de procedure zullen onderzoeken.
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind? Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document binnen de huidige adoptieprocedure?
Het document is onderdeel van het protocol afstand ter adoptie waarin de samenwerkingsafspraken van meerdere betrokken partijen zijn vastgelegd. Het document is geen onderdeel van de begeleiding door Fiom, maar van het onderzoek door de RvdK. Het heeft geen juridische betekenis en wordt al geruime tijd niet als zodanig gepresenteerd. Het wordt voorgelegd aan alle vrouwen en/of stellen die drie maanden na de geboorte van hun kind de procedure tot afstand ter adoptie wensen voort te zetten. Vrouwen kunnen, zo staat ook in het document zelf, op ieder moment tijdens de procedure terugkomen op hun besluit tot afstand ter adoptie.
De RvdK registreert het aantal getekende documenten in de afgelopen 5 jaar niet. Wel publiceert Fiom jaarlijks cijfers over binnenlandse afstand en adoptie in de Landelijke Registratie Afstand Ter Adoptie (LATAR). Sinds de jaren negentig is het aantal vrouwen dat in Nederland besluit tot afstand ter adoptie gestabiliseerd tot gemiddeld 20 per jaar. Onderstaande tabel geeft per jaar de data van de afgelopen vijf jaar weer5:
Voornemen afstand ter adoptie
Zelf voor het kind zorgen
(Netwerk) pleegplaatsing
Afstand ter adoptie
Anders / onbekend1
2020
77
46
7
19
5
2021
54
31
5
14
4
2022
69
39
4
21
5
2023
51
19
10
21
1
2024
56
27
11
16
2
Anders/onbekend: o.a. de vrouw heeft het contact met de instelling verbroken, de vrouw heeft ervoor gekozen de zwangerschap af te breken of het kind is na de geboorte overleden.
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt van afstandsverklaringen?
In algemene zin is voor een document, zoals de zogenaamde afstandsverklaring, geen wettelijke basis vereist. Het is wel heel relevant welke betekenis en waarde hieraan in de begeleiding wordt gegeven, zodat de schijn van een juridische betekenis of bindende, onomkeerbare status nooit kan en zal ontstaan.
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
De bij de afstandsprocedure betrokken organisaties bespreken gedurende de hele begeleiding tijdens de zwangerschap en na de geboorte met ouders de mogelijkheden om op een besluit terug te komen tot aan het moment dat de adoptie wordt uitgesproken. Teugkomen op een (voorgenomen) besluit kan namelijk tot aan het moment dat de adoptie door de rechter wordt uitgesproken. Dit is niet eerder dan wanneer het kind één jaar in het aspirant-adoptiegezin gewoond heeft, het kind is dan minimaal 1 jaar en 3 maanden. Deze mogelijkheid om op het besluit terug te komen, staat ook expliciet in het te ondertekenen document genoemd.
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Zowel de RvdK als de instantie die de ouder(s) begeleidt bespreekt met de ouder(s) de procedure en de keuze die zij willen maken zorgvuldig door. Wanneer de RvdK tijdens het onderzoek spreekt met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, wordt gebruik gemaakt van een erkende (eventueel telefonisch aanwezige) tolk. Vóór het document voorgelegd wordt aan de ouder(s) wordt het document toegelicht en besproken. Daarnaast wordt gevraagd of de ouder(s) gebruik willen maken van een vertaling van het document. Bij de behandeling ter zitting worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor hun wensen. De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol ten aanzien van de verzoeken die worden ingediend bij afstand ter adoptie. Bovendien is er sinds een aantal jaar de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van een advocaat bij gezagsbeëindiging.
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden, maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de berichten over arbeidsmigranten die in heel lastige omstandigheden een keuze moeten maken over hun zwangerschap veel oproepen bij belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestanen. Het is ook begrijpelijk en belangrijk dat zij, vanuit hun eigen ervaringen in het verleden, aandacht vragen voor de situatie van deze groep vrouwen en hun kinderen. Het kabinet neemt de signalen, die overigens via onder andere Fiom reeds bekend waren, serieus en gaat hiermee aan de slag.
Sinds de periode 1956–1984 zijn er grote aanpassingen gedaan in de begeleiding van onbedoeld en/of ongewenst zwangere vrouwen, juist omdat de situatie in het verleden zich niet mag herhalen. Er is toegang tot informatie en onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie en nazorg na de keuze indien gewenst. Zowel de RvdK als Fiom hebben hier in ieder individuele gesprekken oog voor. Juist doordat er geleerd is van het verleden, wordt de begeleiding door deze partijen en het bespreken van alternatieven voor adoptie nu met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Ook voor de vrouwen die als arbeidsmigrant in Nederland wonen en werken. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar, kunnen tolken worden ingeschakeld bij keuzehulptrajecten en is een routekaart ontwikkeld speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht. Fiom organiseerde onlangs een kennissessie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap voor de hulpverleners en contactpersonen voor arbeidsmigranten bij Stichting Barka.
Het gebruik van de afstandsverklaringen komt als belangrijk aandachtspunt naar voren in het rapport van CBAA. De verklaringen kenden nooit juridische waarde of grondslag maar werden in sommige gevallen wel als dusdanig aan moeders gepresenteerd. Daarmee werkten de verklaringen voor ouders als drukmiddel; zij dachten immers vaak: «ik heb zelf getekend en kan nu niet meer terug». Dit had niet zo mogen gaan en leidt zeer terecht tot veel boosheid en verdriet bij moeders die een kind moesten afstaan en bij afgestanen. Het document dat op dit moment wordt voorgelegd aan de moeder om haar een stem te geven in het dossier verschilt sterk van de afstandsverklaring zoals die werd gehanteerd in de periode die de CBAA heeft onderzocht.
Op uitnodiging van het Ministerie van JenV en VWS zijn er in de tweede helft van vorig jaar en begin van dit jaar diverse reflectiebijeenkomsten georganiseerd waarin op de eigen rol en verantwoordelijk ten aanzien van afstand en adoptie in het verleden is stilgestaan. Ook Fiom en de RvdK namen hieraan deel. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief met daarin een uitgebreide terugkoppeling van dit traject, alsmede de herstelmaatregelen voor moeders, vaders en afgestanen. In deze brief zullen ook de door de RvdK en Fiom geleerde lessen terugkomen, waarbij ook de werkwijze ten aanzien van de verklaringen de aandacht krijgt.
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
In het Protocol afstand ter adoptie zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken organisaties beschreven. De organisatie die de ouder(s) ondersteunt (zoals Fiom) begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing, biedt informatie over de keuzeopties, benoemt de belangen van het kind en de verwekker, bespreekt de impact van de keuze die in het nu gemaakt wordt, begeleidt bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de RvdK. De RvdK is verantwoordelijk voor het goede verloop van de (juridische) procedures in het kader van (voorlopige) voogdijmaatregelen en voor het bewaken van de bijbehorende termijnen. Tevens is de RvdK verantwoordelijk voor het voordragen van geschikte aspirant adoptieouders. Dit doet de RvdK in zorgvuldig overleg met de ouders. In het protocol heeft de RvdK de taak om het document aan de ouder(s) toe te lichten en hen te vragen of zij dit wensen te ondertekenen (of niet). Als de ouder(s) dit wille(n) kan de begeleider van Fiom hier ter ondersteuning bij aanwezig zijn.
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke betrekkingen?
Vanzelfsprekend vormt het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, en zo mogelijk ook de vader, een belangrijke waarde in de begeleiding van moeders of stellen die overwegen om afstand te doen van hun kind. Het belang van het kind wordt hier nadrukkelijk in meegenomen. Ook is er in de begeleiding van Fiom en de RvdK aandacht voor externe factoren die de autonomie van de ouder(s) beïnvloeden en voor de impact van de beslissing van nu op de toekomst. Ondanks zorgvuldige begeleiding en het bespreekbaar maken van alternatieven kan de moeder of kunnen de ouders zelf tot het besluit komen om afstand te doen van hun kind. Het uitgangspunt daarbij is het zelfbeschikkingsrecht.
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke betrekkingen?
En vrouw heeft in Nederland vier keuzeopties6 bij twijfels over een (onbedoelde en/of ongewenste) zwangerschap. Afstand ter adoptie is in Nederland één van de keuzes die in vrijheid gemaakt kan en mag worden. Dit is nooit een lichtzinnige beslissing en vrouwen/stellen worden desgewenst intensief begeleid bij het komen tot een keuze en het verder leven hiermee. In de begeleiding die door Fiom wordt geboden komen alle keuzeopties aan bod en worden alternatieven uitgebreid onderzocht. Dat neemt niet weg dat er inderdaad vrouwen zijn die, vanwege de omstandigheden waarin zij leven, moeten concluderen dat het doen van afstand voor hen de enige mogelijke keuze is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Er bestaan helaas geen snelle en makkelijke oplossingen voor de complexe omstandigheden van deze groep vrouwen en stellen. Maar het kabinet moet en wil hier wel heel goed naar kijken. De ministeries van JenV, SZW en VWS zijn daarom al met elkaar en met betrokken veldpartijen in contact om te verkennen wat nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten op de behoeften van zwangere arbeidsmigranten.
Het Ministerie van SZW werkt aan een breed pakket aan maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren, waaronder op het gebied van huisvesting en huurbescherming.
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Elk kind in Nederland dient onder gezag te staan. Het gezag ligt bij de biologische ouders of bij één van de biologische ouders. Als het gezag niet door de biologische ouder(s) uitgeoefend wordt, omdat de ouder(s) afstand wil(len) doen dan is het de taak van de Raad voor de Kinderbescherming om in het gezag over de minderjarige te voorzien en/of, indien noodzakelijk, een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken.
De RvdK doet in de procedure waarbij een vrouw afstand ter adoptie overweegt onderzoek. Tijdens het raadsonderzoek spreekt de RvdK met de ouder(s). Als er een vermoeden bestaat dat de ouder(s) niet vrijwillig de keuze voor afstand maakt/maken, dan wordt dat besproken met ouder(s) en wordt dit opgenomen in het raadsrapport. De alternatieven voor afstand ter adoptie worden in die gevallen opnieuw met de ouder(s) doorgenomen. Zo worden de mogelijkheden besproken om zelf voor het kind te zorgen en de mogelijkheden tot ondersteuning daarbij. Soms kan (langdurige) pleegzorg een alternatieve oplossing bieden.
Als de ouder(s) bij het voornemen tot afstand blijft/blijven verzoekt de RvdK aan de rechter om definitief in het gezag te voorzien. Bij de behandeling van dit verzoek ter zitting wordt/worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor de wensen van de ouder(s). De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol in de procedures die betrekking hebben op afstand ter adoptie.
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan, expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk, inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Huisvesting, werk en inkomen zijn zonder meer belangrijke onderwerpen in de begeleiding aan alle vrouwen en stellen die afstand ter adoptie overwegen. Als de vrouw dit wil, wordt samengewerkt met het andere zorg- of hulpverleners om oplossingen te vinden voor problemen met huisvesting of inkomsten. Voor een deel van de arbeidsmigranten die zich voor begeleiding bij afstand ter adoptie aanmeldt, betekent deze hulp ook dat zij er uiteindelijk voor kiezen om zelf voor het kind te gaan zorgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen- en familierecht op 16 april 2026?
Ja.