Het gebrek aan psychische hulp voor kinderen in de vrouwenopvang |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nauwelijks psychische hulp voor kinderen in vrouwenopvang, scholen springen bij»?1
Erkent u dat deze kinderen vaak zeer getraumatiseerd zijn, en wanneer zij niet de juiste zorg krijgen, deze trauma's doorwerken in alle levensterreinen van deze kinderen en dat zij hier hun hele toekomst last van kunnen houden?
Kunt u reflecteren op welke concrete verbeteringen de afgelopen jaren daadwerkelijk gerealiseerd zijn voor kinderen in de vrouwenopvang in termen van bescherming, toegang tot passende ondersteuning en zorg, en continuïteit in hun ontwikkeling, als gevolg van het rapport van burgemeester Lenferink, vanuit zijn aanjagersrol op dit traject?2
Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag in hoeverre de kwaliteitsverbeteringen die beoogd zijn met deze instrumenten, waaronder de inzet van een aanjager en het werken met normenkaders, in praktijk daadwerkelijk afdwingbaar zijn, zowel richting gemeenten als richting opvangorganisaties?
Hoe beoordeelt u de huidige juridische positie van kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, en acht u deze positie voldoende beschermd om te waarborgen dat kinderen daadwerkelijk als zelfstandige dragers van rechten worden behandeld en aanspraak kunnen maken op zorg?
Erkent u dat veel van deze kinderen professionele zorg nodig hebben, die niet geboden kan worden door het onderwijs, en hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderen deze zorg ook daadwerkelijk krijgen?
Kunt u uiteenzetten onder welke wettelijke regelingen en financieringsstromen de kindgerichte zorg wordt betaald die plaatsvindt binnen de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, waarbij gedacht kan worden aan ondersteuning bij onderwijs en pedagogische begeleiding, en kloppen de signalen dat hier geen structureel, herkenbaar budget per kind voor beschikbaar is?
Zou u kunnen toelichten door wie specialistische zorg buiten de opvang voor deze kinderen, zoals jeugd-GGZ en overige jeugdhulp, wordt gefinancierd?
Erkent u dat het naar elkaar wijzen van gemeenten in de praktijk kan leiden tot vertraging of uitstel van noodzakelijke zorg?
Zijn er signalen bekend dat kinderen en/of vrouwen in de vrouwenopvang psychische zorg mijden, met het gevaar dat hun ouders of partner via de zorgverzekering kan achterhalen waar zij geplaatst zijn, zoals eerder al aangekaart is op gebied van medische zorg via motie Synhaeve c.s.?3
Het bericht ‘Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit»?1
Hoe kijkt u aan tegen het advies van uw voorganger dat jongeren die slachtoffer zijn van geweld in de jeugdzorg daarvan aangifte moeten doen? Hoe zou dit moeten werken in gevallen waarbij bij de jongere niet bekend is wie de zorgverleners zijn die zich daar schuldig aan hebben gemaakt?
In hoeverre zou een zorginstelling zelf aangifte kunnen of moeten doen in een situatie die hierom vraagt? In hoeverre kan een zorginstelling deze verantwoordelijkheid van een cliënt overnemen?
Als een zorginstelling een cliënt niet gelooft en geen actie onderneemt, wie zou een cliënt dan bij kunnen staan om ze in dit proces te begeleiden?
Deelt u de mening dat een vermindering van de externe inhuur van medewerkers essentieel is voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdzorg? Zo ja, welke concrete doelen en tijdlijn hanteert u daarvoor en welke stappen zet u om dit te bereikten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om een maximumpercentage invalkrachten in te voeren per zorgbedrijf?
Welke acties onderneemt u om er in ieder geval voor te zorgen dat het achteraf duidelijk is welke (extern ingehuurde) zorgverleners bij de zorg voor welke jongeren betrokken zijn geweest? Welke verantwoordelijkheid hebben de betrokken zorgaanbieders hierbij?
In hoeverre wordt er nadat een calamiteit (zoals gebruik van geweld en/of vrijheidsbeperkende maatregelen) aan het licht komt gecontroleerd of zorgverleners de juiste papieren hadden en of zij nog werkzaam zijn in de zorg?
Hoe reageert u op de signalen dat er bij D3 ook na het beëindigen van het verscherpte toezicht nog vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet als straf?
De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?
Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?
Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?
Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?
Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?
Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?
Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?
Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?
Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?
Een verdienmodel voor het slecht huisvesten van kwetsbare jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een Amsterdamse zorgondernemer verdient aan het beroerd huisvesten van de kwetsbaarste jongeren»?1
Hoeveel jongeren worden momenteel begeleid door Accuraat?
Hoeveel locaties heeft Accuraat en waar zitten deze locaties? Met hoeveel gemeenten werken zij samen? Hoe kan het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onvoldoende toezicht heeft op het aantal locaties van Accuraat, zoals blijkt uit het feit dat zij in hun rapport van 2025 constateren dat aan het begin van het toezicht ervan uit werd gegaan dat Accuraat drie locaties had, waarna later bleek dat er nog een vierde locatie was maar tegenover Follow the Money werd er gesproken over maar liefst dertig locaties?2
Kan aangegeven worden hoeveel geld er vanuit de Rijksoverheid en gemeenten wordt besteed aan begeleid wonen, uitgesplitst per: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), langdurige zorg, jeugdzorg en justitie? Hoeveel is er specifiek gegeven aan Accuraat, uitgesplitst per «potje»? Welke geldstromen kent Accuraat, naast de eerder genoemde publieksgelden?
Klopt het dat er voor 2025 geen jaarverslag beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen (KvK-nummer: 65968158)? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen?
Klopt het dat er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen? Zo ja, hoezo is er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar?3
Klopt het dat in de WNT-verantwoording van 2023 slechts één toezichthouder genoteerd staat en dat deze toezichthouder (aangetrouwde) familie is van de genoteerde directeur? Zo nee, hoe zit het dan wel en hoezo wijkt dat af van de verantwoording?
Is het wettelijk toegestaan dat er slechts één toezichthouder is bij een instelling van dergelijke omvang en is het wettelijk toegestaan dat de toezichthouder een familieband heeft met de directeur? Zo nee, hoe kan het dat dit wel het geval is bij Stichting Accuraat? Zo ja, deelt u de mening dat dat de schijn van mogelijke belangenverstrengeling wekt?
Kunt u uiteenzetten hoe het toezicht bij instellingen die soortgelijke zorg bieden precies is vormgegeven? Welke instanties zijn allemaal betrokken, welke handhavingsinstrumenten hebben zij en waar ligt de eindverantwoordelijkheid wanneer zorg niet op een adequate manier wordt geboden? Wie is verantwoordelijk voor het verantwoord omgaan met zorggeld en wanneer wordt er ingegrepen als dit niet gebeurt? Hoe wordt in het toezicht rekeninggehouden met het gegeven dat de mensen die zorg ontvangen in een kwetsbare positie zitten en niet altijd signalen kúnnen melden bij de Inspecties?
In hoeverre worden deze bewoners/cliënten proactief bezocht door onafhankelijke vertrouwenspersonen? Wanneer is dit voor het laatst gebeurd?
Hoe vaak en wanneer hebben toezichthouders aan de bel getrokken over Accuraat over bijvoorbeeld ondermaatse zorg, bedreigingen van verhuurders en overlast? Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over dergelijke signalen en welke acties zijn hier concreet uit voortgevloeid?
Hoeveel meldingen zijn er enerzijds bij de IGJ en anderzijds bij de Inspectie JenV gedaan over Accuraat? Wat was de aard van deze meldingen en hoe zijn deze meldingen opgevolgd? Op welke wijze werken de twee inspecties samen en kunnen zij meldingen delen met elkaar?
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan over ondermaatse zorg binnen de tak van begeleid wonen? Wat was de aard van deze meldingen en welke opvolging wordt gegeven aan deze meldingen?
Wat is de huidige stand van zaken en de opbrengst van de uitvoering van de maatregelen, uitgesplitst per maatregel, die zijn genomen en in gang gezet na het rapport «Er is meer aan de hand»?
Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers zijn er aan het werk bij Accuraat? Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers werken per dienst en hoe staat dat in verhouding tot de norm? Klopt het dat slechts 9 van de 26 begeleiders bij de Amsterdamse locatie een zorgopleiding hadden afgerond? Hoe reflecteert u op de structurele inzet van ondergekwalificeerd personeel in het werken met kwetsbare jongeren?
Hoe reflecteert u op de toepassing van de kwaliteitscheck jeugdhulp die is uitgevoerd voorafgaande aan het toetreden van Accuraat binnen de sector? Zijn alle wettelijke eisen uit de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) nageleefd?
Waren er voorafgaand aan het rapport van de Amsterdamse GGD uit 2022 signalen bij de gemeenten of de IGJ bekend over ondermaatse zorg en andere kwalijke toestanden bij Accuraat? Op welke wijze werd toezicht gehouden op het doorvoeren van de verbeteringen uit het rapport?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat de overheid Accuraat blijft inhuren voor de zorg voor kwetsbare jongeren, ondanks alle misstanden en het gebrek aan transparantie over financiën?
Ziet u naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door Follow the Money aanleiding om de samenwerking met Accuraat stop te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven zijn er?
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
De gedupeerde Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»»?1
Erkent u dat vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport duidelijke verwachtingen zijn gewekt bij Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) ten aanzien van de overgangsregeling naar GZ-psycholoog? Bent u van mening dat u heeft gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur richting zorgverleners die daarom met de K&J-opleiding is begonnen? Kunt u in uw beantwoording in het bijzonder ingaan op het vertrouwensbeginsel?
Bent u bereid om alsnog spoedig in overleg te treden met deze groep van ongeveer 1.000 K&J-psychologen die door het intrekken van het wetsvoorstel (financieel) gedupeerd is, om met hen tot een passende overgangsregeling te komen, zoals de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598) eerder al vroeg?
Waarom heeft u niet overwogen om de wijziging van de wet BIG te beperken tot het opnemen van de K&J-psycholoog, aangezien uit de analyse van KPMG bleek dat de kritiek op het wetsvoorstel zich vrijwel uitsluitend richtte op het samenvoegen van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut?2
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz?
Bent u het ermee eens dat het voor de overgang van 18– naar 18+ zeer wenselijk is dat K&J-psychologen via de BIG-registratie ook aan de slag kunnen als GZ-psycholoog? Erkent u dat dit bijdraagt aan betere kwaliteit van zorg?
Erkent u dat de overgangsregeling van 365 dagen die op dit moment geldt, tekortschiet voor een goede overgang? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat jongvolwassenen door het ontbreken van een goede overgangsregeling noodgedwongen opnieuw op een wachtlijst komen?
Deelt u de mening dat dit, in tegenstelling tot wat u eerder in Kamerbrieven stelde, juist een besparing kan opleveren in plaats van hogere kosten?
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen, in tegenstelling tot wat u eerder aangaf, juist leidt tot een méér flexibele arbeidsmarkt, aangezien zij vanwege ontbrekende regelgeving nu niet kunnen doorstromen naar functies waar de meeste tekorten zijn?
Erkent u vervolgens ook dat het gelijkschakelen van K&J-psychologen met GZ-psychologen kan leiden tot minder administratieve lastendruk?
Klopt het dat het mogelijk is om, zoals in de Twentse gemeenten blijkbaar het geval is, af te wijken van het Landelijk Kwaliteitsinstituut GGZ (LKS) dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn? Geldt dit dan uitsluitend voor de Jeugdwet (jeugd-ggz) of ook voor de Zorgverzekeringswet (volwassen-ggz)?
Het bericht 'Kinderen weggehaald uit gezinshuis waar vuurwapens werden gevonden. ‘Dit verdient niet de schoonheidsprijs’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kinderen maandenlang verbleven in een Fries gezinshuis waar vuurwapens, munitie en zelfs materiaal in verband met ricine zijn aangetroffen, en beseft u hoe ontluisterend dit is voor het vertrouwen in de jeugdzorg?1
Hoe kan het in vredesnaam dat kinderen die door de overheid uit hun thuissituatie zijn gehaald zogenaamd voor hun veiligheid, vervolgens terechtkomen in een gezinshuis van een potentiële terrorist en waar zulke levensgevaarlijke spullen aanwezig blijken te zijn? Welke screening heeft bijvoorbeeld ooit plaatsgevonden op dit gezinshuis, op de gezinshuisouders en op hun directe leefomgeving, en hoe kan het dat die screening kennelijk totaal onvoldoende was?
Waarom zijn deze kinderen niet onmiddellijk weggehaald na de inval van 11 juni 2025, maar hebben zij nog maanden in deze onaanvaardbare situatie moeten verblijven? Wie nam dat besluit, op basis waarvan, en acht u dat besluit achteraf nog steeds verdedigbaar? Welke instanties waren bijvoorbeeld op welk moment op de hoogte van de inval, de aangetroffen wapens en de verdere veiligheidsrisico’s, en wie heeft vervolgens nagelaten om direct in te grijpen?
Hoeveel andere gezinshuizen, pleeggezinnen of vergelijkbare jeugdhulplocaties zijn de afgelopen vijf jaar in beeld geweest wegens wapens, geweld, extremisme, criminaliteit, terrorisme of andere acute veiligheidsrisico’s? Kunt u daarvan een volledig overzicht naar de Kamer sturen? Indien registratie ontbreekt, bent u bereid ervoor te zorgen dat een registratiesysteem landelijk wordt ingesteld, zodat de Kamer helder inzicht krijgt?
Welke directe maatregelen gaat u nu nemen om te voorkomen dat kinderen elders in Nederland op dit moment nog in een vergelijkbaar onveilige jeugdhulpsetting verblijven en bent u bereid alle gezinshuizen in Nederland versneld door te lichten op veiligheid, antecedenten, wapenbezit, criminele contacten en signalen van radicalisering of extremisme, en de Kamer vóór het zomerreces over de uitkomsten te informeren?
Kunt u zich indenken hoe de ouders van deze uithuisgeplaatste kinderen zich moeten voelen nu blijkt dat hun kinderen in een gezinshuis met vuurwapens, munitie en ricine-gerelateerd materiaal verbleven? Zo ja, begrijpt u dat dit ook bij andere ouders van uit huis geplaatste kinderen leidt tot diep wantrouwen, angst en onzekerheid over de veiligheid van hun kind? En wat gaat u concreet doen om dat wantrouwen en die onzekerheid weg te nemen?
De opleiding en BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»?1
Hoe kan de BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) bijdragen aan het tekort dat er is aan GZ-psychologen?
Hoe kan het dat u stelt dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen leidt tot hogere zorgkosten door een hogere inschaling, terwijl uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als GZ-psychologen?
Klopt het dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn voor jongeren van 18 jaar en ouder, en daardoor in de praktijk deze groep niet zelfstandig kunnen behandelen?
Erkent u dat de overgangsregeling van maximaal 365 dagen slechts een tijdelijke oplossing biedt, waarna alsnog een behandelonderbreking optreedt en cliënten opnieuw een intake en behandeling moeten starten, met onnodige belasting en inefficiëntie tot gevolg?
Hoe doelmatig acht u het dat K&J-psychologen zich kunnen omscholen tot GZ-psycholoog met publieke opleidingsmiddelen van 54.000 euro, per opleidingsplek, terwijl zij reeds een opleiding hebben gevolgd die volgens veldpartijen en de hoofdopleiders van de GZ-opleiding als gelijkwaardig wordt beschouwd?
Herkent u het signaal uit het artikel dat selectiecommissies kandidaten voor de reguliere GZ-opleiding weigeren omdat de kandidaten met een K&J-opleiding overgekwalificeerd zijn?
Heeft u overwogen om deze groep K&J-psychologen in te zetten als volwaardig GZ-psycholoog en tegelijkertijd het aantal opleidingsplaatsen tijdelijk te verlagen, hetgeen kan leiden tot een bezuiniging van minstens 54 miljoen euro in de komende 10 jaar (54.000 x +/- 1.000)? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Kunt u toelichten waarom de uitvoering van de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598), waarin wordt opgeroepen om met het veld te spreken over een oplossing voor deze groep, in de praktijk niet heeft geleid tot een gesprek over de meer dan 1.000 gedupeerde K&J-psychologen, maar zich heeft gericht op de toekomstige positionering van K&J-psychologen? Waarom zijn K&J-psychologen zelf niet uitgenodigd voor het rondetafelgesprek van 4 februari 2026, terwijl de motie juist oproept om met hen in gesprek te gaan?
Hoe verhoudt de stelling dat een BIG-registratie niet noodzakelijk is voor patiëntveiligheid zich tot het feit dat binnen de GGZ het regiebehandelaarschap bij complexere problematiek en bij jongeren van 18 jaar en ouder juist is voorbehouden aan BIG-geregistreerde professionals, precies waar de K&J-psychologen werkzaam zijn?
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel'' |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder: 2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken, getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel, met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid, en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie, naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt? Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd, indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende partijen is besproken?
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve model meer onderbouwing vraagt?
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien in een apotheek?
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
Het bericht dat een Amerikaanse farmaceut miljarden aan belastingvoordeel in NL ontvangt |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amerikaanse farmaceut krijgt miljarden aan belastingvoordeel in Nederland (Trouw)»1?
Kunt u aangeven wat de tien grootste gebruikers van de innovatiebox zijn en wat de budgettaire derving is per bedrijf? Zo nee, waarom kunnen journalisten deze informatie dan wél boven tafel krijgen?
Klopt het dat ruim 90 procent van het voordeel uit de innovatiebox naar ASML, MSD & Booking gaat2? In hoeverre is deze belastingkorting doelmatig en politiek wenselijk volgens u?
Hoe legt u aan gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers uit dat zij jaarlijks een miljard extra belasting moeten betalen voor een belastingkorting aan één bedrijf dat vrijwel al haar activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst?
Wat is de economische onderbouwing achter het extra fiscaal stimuleren van zeer winstgevende uitvindingen uit het verleden? In hoeverre draagt dit daadwerkelijk bij aan extra innovatie bij uitdagers van gevestigde belangen?
Bent u bereid om de innovatiebox zo vorm te geven dat hij wél doelmatig wordt en meer gericht op kleinere bedrijven, bijvoorbeeld door nadere voorwaarden te stellen over maximaal fiscaal voordeel, door het voordeel te maximeren op daadwerkelijk gemaakte kosten voor desbetreffende innovatieve activiteiten of door een temporele beperking?
Bent u bereid om te voorkomen dat bedrijven die hun activiteiten (grotendeels) naar het buitenland verplaatsen nog langer gebruik kunnen maken van de innovatiebox? Zo nee, waarom niet?
De mediarichtlijn van Fiom over abortus |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over taalgebruik over abortus?1
Ja.
Is het Ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom ook te gaan gebruiken?
De mediarichtlijn is volgens Fiom bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Het Ministerie van VWS is daarmee geen «doelgroep» van deze richtlijn. Dat neemt niet weg dat sommige suggesties die Fiom in de mediarichtlijn doet, ook voor het Ministerie van VWS behulpzaam kunnen zijn. Immers, stigma en (voor-)oordelen komen helaas nog altijd voor bij een onbedoelde zwangerschap. Het kabinet wil daarom in beleid, doelen en woordkeuze werken aan de-stigmatisering.2
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen qua objectiviteit en neutraliteit?
Fiom ontvangt een instellingssubsidie van het Ministerie van VWS. Hiermee ontwikkelt Fiom naar eigen inzicht kennis over, onder andere, ongewenste zwangerschap en abortus. Deze mediarichtlijn kwam mede op basis van de uitkomsten van onderzoek3 naar de berichtgeving over abortus in Nederlandse kranten tot stand. Dit past in de activiteiten die Fiom onderneemt om een breed publiek van informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en alle keuzeopties te voorzien.
Fiom tracht met de adviezen stigma over (in dit geval) abortus te verminderen en een realistischer beeld van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap uit te dragen. Daarmee sluit deze activiteit aan bij de doelen binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.
In de subsidievoorwaarden zijn geen specifieke eisen opgenomen over de wijze waarop Fiom mag communiceren. Uiteraard geldt in algemene zin wel dat het
Ministerie van VWS het belangrijk vindt dat informatie voor iedereen toegankelijk, kloppend, begrijpelijk en goed vindbaar is. Het Ministerie van VWS verwacht daarnaast dat een expertisecentrum als Fiom er voor iedereen is, welke (levensbeschouwelijke) visie op abortus iemand ook heeft.
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals het pretendeert te zijn?
De informatie en de gegeven adviezen zijn mede gebaseerd op het in antwoord op vraag drie genoemde wetenschappelijk onderzoek dat in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam werd gedaan. De missie en visie van Fiom zijn ook van invloed geweest op de richtlijn. Fiom heeft de vrijheid om ten aanzien van hun activiteiten, zoals het publiceren van dit document voor journalisten, eigen afwegingen en keuzes te maken, passend bij de missie en visie van Fiom. Dat Fiom daarbij een voorkeur toont voor bepaalde terminologie laat onverlet dat er zeer uiteenlopende (normatieve) visies op zwangerschap en abortus mogelijk zijn.
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen van de morele zwaarte van abortus?
Het doel van Fiom met deze mediarichtlijn is het bevorderen van feitelijke en niet-stigmatiserende berichtgeving over abortus. In algemene zin geldt dat taal invloed heeft op hoe mensen naar een onderwerp als abortus kijken. Dat geldt zowel voor taal die de ingreep bagatelliseert, als voor taal die de ingreep zwaarbeladen maakt. Naar de mening van het kabinet is hier dan ook geen sprake van «verdoezelen».
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Het kabinet begrijpt dat de keuze voor de term «richtlijn» de suggestie kan wekken dat er sprake is van een standaard waarvan niet afgeweken mag worden. In het document biedt Fiom praktische tips voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals, zodat zij op een respectvolle manier kunnen berichten over abortus. Journalisten zijn uiteraard niet verplicht om deze adviezen te volgen en gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over «pro-life», maar enkel over «anti-abortus»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Fiom licht in het document toe dat de term «pro-life» de suggestie kan wekken dat voorstanders van keuzevrijheid tégen het leven zouden zijn. Dat is een redenering die het kabinet kan volgen. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de kritiek en gevoeligheid ten aanzien van dit media-advies van mensen en organisaties die zichzelf als «pro-life» beschouwen. Er is ten aanzien van het onderwerp abortus sprake van verschillende waarden, die er allemaal mogen zijn.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag zes, geeft Fiom een advies bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Fiom heeft de vrijheid om daarbij eigen afwegingen en keuzes te maken en journalisten gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Erkent u dat «pro-life» een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Ja, dit erkent het kabinet. Dat laat onverlet dat Fiom hiervoor een alternatieve term kan aanbieden.
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies in het maatschappelijk debat?
De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zijn grondwettelijk vastgelegd. Het is belangrijk dat er in het maatschappelijk debat ruimte is voor verschillende levensbeschouwelijke visies. Er is, naar de mening van het kabinet, in het maatschappelijk debat in Nederland ruimschoots aandacht voor uiteenlopende meningen over abortus. Fiom heeft adviezen gegeven over mogelijk taalgebruik door mediaprofessionals die willen bijdragen aan dit debat.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen «baby», «ongeboren kind», «ongeboren leven» en «meisjes of jongetjes»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
De mediarichtlijn van Fiom verbiedt niets, maar geeft advies aan media die berichten over abortus. Fiom adviseert om in de context van berichtgeving over abortus bij voorkeur medische terminologie te gebruiken – zoals «de vrucht» of «de zwangerschap» – omdat dit aansluit bij de medische werkelijkheid en een waardeoordeel voorkomt. Het kabinet begrijpt deze toelichting van Fiom. Tegelijkertijd mogen en kunnen woorden zoals «baby», «meisje» of «jongetje» uiteraard worden gebruikt om een zwangerschap te omschrijven.
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen «baby», «meisje» of «jongetje» mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Dit is een terechte constatering. De term «ongeboren leven» staat in de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). In de wet is een balans getroffen tussen de beschermwaardigheid van ongeboren leven en keuzevrijheid van de vrouw. Het is begrijpelijk en gangbaar dat deze term wordt gebruikt. Dit geldt ook voor het Ministerie van VWS.
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term «ongeboren leven» zich tot het feit dat de term «ongeboren leven» twee keer letterlijk wordt genoemd in de Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde lid, onderdeel b)?
Fiom wijst hier op het feit dat de vrouw die voor een zwangerschapsafbreking kiest, door het gebruik van het woord «plegen» (veelal onbedoeld) als dader of misdadiger wordt aangemerkt. Dat is zeer onwenselijk, want het kan gevoelens van schaamte en verdriet voor vrouwen vergroten. Bovendien klopt het niet: een vrouw die een zwangerschapsafbreking ondergaat is niet strafbaar en ook een arts die de zwangerschapsafbreking verricht op grond van de Wafz is dat niet. Vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan en artsen die een zwangerschapsafbreking uitvoeren zijn dus geen daders of misdadigers. Daarmee is het gebruik van het woord «plegen» niet passend.
Vanzelfsprekend erkent het kabinet dat het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat een abortus in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over «abortus plegen» omdat dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Fiom stelt dat het post-abortus syndroom een niet-wetenschappelijke term is. Dit is gebaseerd op het onderzoek Abortus en Psychische gezondheid.4 In dit onderzoek wordt het volgende aangegeven: «Een bestaande […] visie is dat abortus een traumatische ervaring is, die uniek is in de zin dat het leven van een ongeboren vrucht wordt beëindigd, en hiermee ook de moederlijke hechting aan het ongeboren kind geschonden wordt en dat abortus tot een betaald type posttraumatische stressstoornis kan leiden, te weten het Post-Abortus Syndroom (PAS). Deze diagnose is echter niet erkend en ook niet opgenomen in diagnostische handboeken zoals de DSM-IV, DSM-5 of de ICD-10. In internationaal onderzoek wordt de term dan ook inmiddels niet meer gebezigd.»
Op basis van welke wetenschappelijke bronnen stelt Fiom dat het «post-abortus syndroom» niet bestaat?
Boetes aan zorgverzekeraars |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een boete uitdelen aan zorgverzekeraars die niet aan hun zorgplicht voldoen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid de NZa deze bevoegdheid te geven?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) kan geen bestuurlijke boete opleggen voor het niet naleven van de zorgplicht. Dit hangt samen met het feit dat de zorgplicht een open norm is, waardoor niet vooraf voldoende concreet is vastgelegd wanneer sprake is van een overtreding die met een boete kan worden bestraft.
Zoals toegelicht in de brief van 12 februari 2025 aan de Kamer over de motie van de Kamerleden Tielen, Jansen en Claassen inzake het handhaven van de zorgplicht1, acht ook het kabinet het huidige handhavingsinstrumentarium van de NZa wel toereikend.
De NZa beschikt over effectieve herstelgerichte instrumenten, zoals het geven van een aanwijzing en indien nodig het opleggen van een last onder dwangsom. Deze instrumenten zijn erop gericht om naleving van de zorgplicht daadwerkelijk af te dwingen en de zorg voor verzekerden te borgen. Gelet hierop ziet het kabinet geen aanleiding om de NZa de bevoegdheid te geven om een bestuurlijke boete op te leggen voor het niet naleven van de zorgplicht.
Kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bestuurders van zorginstellingen die zwaar gefaald hebben – zoals de zorgbestuurders van de William Schrikker Stichting die verantwoordelijk waren voor het Vlaardings pleegmeisje – uit hun functie (laten) zetten (ontslaan)? Zo nee, waarom niet en bent u bereid de IGJ deze bevoegdheid te geven?
De IGJ kan door middel van een aanwijzing, indien nodig gevolgd door een last onder dwangsom, in uitzonderlijke gevallen afdwingen dat het bestuur van een zorginstelling (deels) wordt vervangen. Daarnaast kan de IGJ in bij wet bepaalde gevallen een last onder bestuursdwang inzetten, bijvoorbeeld indien niet tijdig wordt voldaan aan een aanwijzing of bevel. Het (deels) vervangen van het bestuur is een ingrijpende maatregel. De IGJ zal hier alleen op aansturen als zij onvoldoende vertrouwen heeft in het bestuur om risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg weg te nemen, en zij geen mogelijkheden ziet om tot herstel te komen met dit bestuur. Het is vervolgens aan de interne toezichthouder van de instelling, de raad van toezicht, om de bestuurders te schorsen of te ontslaan en zo nodig tijdelijk bestuur aan te stellen.
Het kabinet voorziet geen invoering van een directe ontslagbevoegdheid voor de IGJ. Een dergelijke bevoegdheid zou een fundamentele wijziging betekenen van het stelsel, waarin publiek toezicht en interne governance van zorginstellingen van elkaar zijn gescheiden.
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Nee, dit klopt niet.
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen2 van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan.
De Schijf van Vijf combineert al langer gezondheid, duurzaamheid en veiligheid. De afgelopen jaren zijn er steeds meer wetenschappelijke data over duurzaamheid en veiligheidsaspecten beschikbaar gekomen. Dit maakte het mogelijk voor het Voedingscentrum om duurzaamheid en voedselveiligheid geïntegreerd mee te nemen in de aanpassingen van de meest recente Schijf van Vijf.
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Het kabinet hecht aan individuele keuzevrijheid: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding.
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Nee, de vernieuwde Schijf van Vijf is net als voorheen een goede houvast om gezond te eten. De adviezen van het Voedingscentrum voldoen aan de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en leveren alle voedingsstoffen en energie die nodig zijn voor een gezond voedingspatroon.
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan. De Wereldgezondheidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) adviseren landen gezondheid en duurzaamheid samen te bekijken in de voedingsrichtlijnen, met als duidelijke afspraak dat dit nooit ten koste mag gaan van gezondheid.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?
Mensen zijn vrij om zelf te kiezen wat zij op hun bord willen hebben. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het Voedingscentrum biedt, voor wie dit wil, praktische tips hoe je stapsgewijs meer volgens de Schijf van Vijf kan eten. Het kabinet zet zich in om de gezonde keuze makkelijker maken. Maar nogmaals, de keuze is aan mensen zelf.
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Mona Keijzer , Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Bent u op de hoogte van de hack bij ChipSoft, het bedrijf dat software voor patiëntendossiers en andere digitale systemen voor ziekenhuizen levert?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de ernst is van de hack en hoeveel ziekenhuizen, huisartsenpraktijken en eventuele andere zorgverleners zijn geraakt door de hack?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Chipsoft voert momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uit om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. ChipSoft levert software aan ongeveer 70% van de Nederlandse ziekenhuizen. Uit voorzorg zijn sinds 8 april 20:00 uur de verbindingen met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar geweest. Inmiddels is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het gefaseerd opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met de klanten die dat betrof dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd3. ChipSoft heeft geen gedetailleerde inzage gegeven in welke klanten op welke wijze getroffen zijn. In de zojuist genoemde Kamerbrief heb ik ons inzicht met u gedeeld. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
Wat zijn de gevolgen van de hack voor zorgverleners en hun patiënten, bijvoorbeeld doordat zorginstellingen hun systemen offline hebben moeten halen?
Navraag bij de betrokken zorginstellingen leert dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien. Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen digitale verwijzingen niet goed plaatsvinden.
Ziekenhuizen zijn hier echter op dit soort incidenten voorbereid en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel.
Is bepaalde zorg uitgesteld vanwege de hack en zo ja, op welke schaal?
Nee, de zorgprocessen lopen door.
Is er gevoelige data, zoals patiëntgegevens, in handen gekomen van criminelen?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Welke exacte patiëntgegevens hierbij zijn buitgemaakt is nog in onderzoek. Ik heb de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april hierover geïnformeerd.4 Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe verklaart u de verschillende aanpak van ziekenhuizen na de hack, bijvoorbeeld in het wel of niet offline halen van systemen?
Ziekenhuizen die klant zijn bij ChipSoft hebben op advies van Z-CERT, het expertisecentrum cybersecurity in de zorg, preventieve maatregelen genomen en hebben monitoring op hun lopende systemen geïntensiveerd. De keuzes die gemaakt worden, zijn door de ziekenhuizen of organisaties zelf gemaakt op basis van eigen specifieke situatie en risico inschatting.
Verschilt de impact van de hack tussen ziekenhuizen die hun gegevens lokaal, hybride of juist in een cloudomgeving opslaan? Kunt u uitleggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt?
De gegevens van de zorgaanbieders die gebruikmaken van de cloudomgeving van ChipSoft zijn gestolen. Van instellingen die de software van ChipSoft in eigen beheer uitvoeren of door derden laten beheren, zijn geen gegevens gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd.5
Er valt niet in z’n algemeenheid te zeggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt. Dit hangt af van de lokale context van de zorgaanbieder en de risicoafweging die gedaan is en de beheersmaatregelen die daarbij genomen zijn.
Welke rol speelt de overheid in de afwikkeling van de hack?
Wat betreft de afwikkeling van de hack en opsporing en/of vervolging ligt de verantwoordelijkheid bij de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Diverse toezichthouders doen onderzoek naar de hack. Vanuit onze stelselverantwoordelijkheid ondersteunen we de koepelorganisaties die in het Informatieberaad Zorg zitten met informatie over de digitale aanval en een woordvoeringslijn die zij kunnen gebruiken naar hun leden.
Ook worden bijvoorbeeld handelingsperspectieven uitgewisseld. VWS en organisaties die gesubsidieerd worden door VWS ondersteunen de getroffen zorginstellingen zoveel als mogelijk. Zo financiert de overheid Z-CERT, het expertise centrum cybersecurity in de zorg. Z-CERT, biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie. Vanuit het ministerie volgen we de ontwikkelingen zeer nauw, adviseren we koepels en zorgaanbieders en duiden we de rollen en bevoegdheden, waar nodig.
Zijn er alternatieven voorhanden bij een hack als deze, bijvoorbeeld alternatieve software waar ziekenhuizen en andere zorgverleners op kunnen terugvallen?
Ziekenhuizen hebben draaiboeken en protocollen voor als systemen niet werken om te zorgen dat het zorgproces door kan blijven gaan. Dit volgt uit de verplichte risico analyse die zij moeten doen. Zo gaan bijvoorbeeld verwijzingen van huisartsen naar Chipsoft-ziekenhuizen niet meer digitaal, maar per mail of telefonisch. Zie ook het antwoord op vraag 3. Het is aan zorgverleners zelf om deze protocollen, gegeven de specifieke situatie van de betreffende zorgverlener, in te richten. De ingebruikname van een ander elektronisch patiëntendossier of andere alternatieve software is niet iets wat in enkele dagen of weken geregeld kan worden. Dit is technisch zeer complex en kent een lange doorlooptijd. Bovendien brengt het hoge kosten en andere risico’s met zich mee.
Welke eisen gelden er voor leveranciers van cruciale zorg-ICT?
Nederlandse zorgaanbieders zijn wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat.
In de nabije toekomst zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2-richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. De European Health Data Space-verordening (EHDS) draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening6.
Is de ketenweerbaarheid op het gebied van ICT in de zorg wat u betreft op orde, onder andere in de domeinen hosting, beheer, en koppelingen? Waarom wel of niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast gaat de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, verplichten om hun leveranciersketen in kaart te brengen, en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen. De Cbw is voorzien medio 2026 in te gaan.
Deelt u de opvatting dat dit geen incident is, maar een symptoom van te grote afhankelijkheid van een paar dominante leveranciers in de zorg, waarbij een incident bij één leverancier meteen een nationale zorgvraag wordt?
Nee, ik deel die opvatting niet. Zorgaanbieders dienen afspraken te maken met zorg-ICT-leveranciers en hierbij risico’s af te wegen. Het is wel zo dat de omvang van een hack groter kan zijn wanneer een leverancier met een groot marktaandeel wordt getroffen waarbij ook nog eens patiëntgegevens zijn opgeslagen.
Deelt u de zorgen over de risico’s wanneer één dominante marktpartij de infrastructuur levert voor zorginstellingen of andere essentiële publieke voorzieningen?
Het is belangrijk dat er sprake is van een gezonde marktwerking op de zorg-ICT-markt. Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze marktconcentratie zorgt voor minder concurrentie, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook is er een definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM7 gepubliceerd. Het Ministerie van VWS maakt hieruit op dat het voor nieuwe innovatieve spelers moeilijk is voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico’s te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in onze zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan overwegingen van digitale autonomie.
In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 2026 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken, ga ik de komende tijd aan de slag om de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT te vergroten. Ook wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden. Daarnaast wordt er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel opgezet. Daar kunnen signalen over zorg-ICT worden gedeeld en kan vanuit bestaand instrumentarium bekeken worden of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is. Naast de hierboven genoemde acties zet ik in op de European Health Data Space (EHDS) om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en aan een verplicht loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden op zorg-ICT.
Zijn er maatregelen die u neemt om dergelijke marktdominantie tegen te gaan, bijvoorbeeld door afspraken te maken over het inkoop- en aanbestedingsbeleid in de zorgsector? Waarom wel of niet?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering van zorg-ICT. Wel blijkt uit het NZa rapport «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT» januari 2025 dat de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarom wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door de inzet van externe expertise om gezamenlijke inkoop van een kernapplicatie te laten slagen. Dit zorgt voor schaalvoordelen en vergroot de kans op samenwerking. Over dit soort onderwerpen heeft mijn ministerie ook regelmatig overleg met de ICT-gebruikersverenigingen van de ziekenhuizen.
Hoe zorgt u voor voldoende diversificatie tussen ICT-leveranciers bij zorginstellingen? Is het uw verantwoordelijkheid om monopolievorming in de zorg-ICT tegen te gaan?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op eerlijke concurrentie en marktwerking, zo ook op de zorg-ICT markt. In eerste instantie is zij de toezichthouder op basis van de Mededingingswet die toezicht houdt op de markt en ook concentraties (fusies/overnames) beoordeelt. Zij heeft in haar brief op 28 januari 20258 aangegeven dat de zorg-ict markt niet goed werkt omdat ICT-systemen gesloten zijn. De ACM geeft aan dat zij op dit moment onvoldoende instrumenten heeft om eerlijke concurrentie en marktwerking structureel af te dwingen en adviseert het Ministerie van VWS om openheid van digitale informatiesystemen via wetgeving te verplichten.
Ik vind het belangrijk dat de zorg-ICT-markt toegankelijk is, zodat concurrentie en innovatie worden gestimuleerd. Met de EHDS wordt ook ingezet op een zo open mogelijke markt voor onder andere EPD-leveranciers. Ik onderzoek de mogelijkheden om als randvoorwaardelijk onderdeel van de EHDS, te komen tot additionele regulerende instrumenten.
Is het wenselijk dat zorginstellingen individueel ICT-diensten inkopen en hierover onderhandelen? Welke voor- en nadelen ziet u bij een meer gezamenlijke vorm van inkoop?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering. Gezamenlijke inkoop kan schaalvoordelen opleveren, vergroot de kans op samenwerking en versterkt de positie van de zorgaanbieders. Een nadeel kan zijn dat er minder maatwerk wordt geleverd.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Bevers om bij de evaluatie van de Wet vifo te bezien of bij fusies en overnames vanuit het buitenland van digitale zorginfrastructuur vergelijkbare voorwaarden gesteld kunnen worden als bij andere cruciale sectoren, zoals de chip-, energie- en telecomsector?2
Sinds juni 2023 is de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (vifo) van kracht. De Wet vifo introduceerde een mechanisme voor investeringstoetsing in Nederland. Recent is de wet, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, geëvalueerd.
Tevens is in december 2025 de herziene Foreign Direct Investment (FDI)-screeningsverordening vastgesteld. Met de wijziging van de Verordening worden de reikwijdte en procedures van de nationale investeringstoetsingsregimes in de Europese Unie gestroomlijnd om economische veiligheidsrisico’s van investeringen op een meer coherente manier aan te pakken. Nadat de herziene FDI verordening formeel is vastgesteld, start de termijn voor omzetting van de Verordening in nationale wetgeving. In Nederland wordt deze Verordening geïmplementeerd in de Wet vifo. Ik koers aan op een verwijzing in de wet vifo naar de (terminologie van de) Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Hiermee zullen kritieke entiteiten in de zorg in het geval van vijandige investeringen, fusies of overnames kunnen worden getoetst.
Deelt u de zorgen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over gesloten datastandaarden bij ICT-aanbieders in de zorg, aangezien systemen daardoor niet goed met elkaar communiceren en zorgaanbieders minder keuze hebben in hun leveranciers, met monopolievorming tot gevolg?
Ja ik deel deze zorgen. Het niet gebruiken van open standaarden en de geslotenheid van ICT-systemen bevordert niet de door de Nationale, Visie en Strategie10 gewenste interoperabiliteit op weg naar databeschikbaarheid. Om dat te veranderen zal een mix van Europese verplichtingen en nationale keuzes nodig zijn. Met de European Health Data Space (EHDS) verordening wordt ingezet op een zo open mogelijke markt voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen. Vanuit de NVS-ambitie stuur ik op openstelling van systemen via open gestandaardiseerde koppelvlakken: publiek beschikbare koppelvlakken,
zodat data veilig, herbruikbaar en leverancier-onafhankelijk kan stromen door het hele stelsel. De specificaties van deze open koppelvlakken zijn een publieke verantwoordelijkheid. Zo nodig zal ik deze koppelvlakken ook als open source laten ontwikkelen en beschikbaar stellen aan marktpartijen.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Kathmann over een routekaart waarlangs ICT-leveranciers in de zorg de komende jaren verplicht worden gebruik te maken van open datastandaarden?3
In mijn brief «stand van zaken landelijk dekkend netwerk» die ik voor het commissiedebat digitale zorg (gepland op 21 mei) naar uw Kamer zal sturen, zal ik dieper ingaan op dit vraagstuk.
Welke structurele problemen in de zorg-ICT legt deze hack bloot? Wie is er aan zet om deze op te lossen?
Het onderzoek naar deze hack is nog in volle gang. Het is daarmee te vroeg om een verband te leggen tussen deze hack en structurele problemen in de zorg-ICT.
Welke maatregelen neemt u om de cyberveiligheid en weerbaarheid van zorginstellingen structureel te vergroten?
In het versterken van de cyberweerbaarheid van de zorg neem ik een kader stellende, toezichthoudende, stimulerende en faciliterende rol in. In de brief over informatieveiligheid in de zorg van 4 december 2025 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die mijn ministerie neemt12. Ik ondersteun zorginstellingen bij het voorkomen van incidenten door het verhogen van bewustzijn van zorgmedewerkers in het programma Informatieveilig gedrag in de zorg. Een groot deel van cyberincidenten zijn mede veroorzaakt door menselijk handelen. Daarnaast bied ik hulpmiddelen aan om te voldoen aan de NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg. Deze norm schrijft organisatorische, mensgerichte, fysieke en technologische beheersmaatregelen voor die de digitale weerbaarheid van een organisatie concreet verhogen. Dit met het doel om dreigingen te voorkomen, detecteren of erop te reageren. Tot slot helpt het expertisecentrum cybersecurity in de zorg (Z-CERT) zorginstellingen in het voorkomen van incidenten door te monitoren en eventuele dreigingsinformatie te delen. Daarnaast biedt Z-CERT ondersteuning bij het beperken van de gevolgen wanneer er onverhoopt een incident heeft plaatsgevonden.
Wat wordt de rol van de Cyberbeveiligingswet, zodra deze is aangenomen, om dergelijke hacks te voorkomen en sneller af te wikkelen? Wat gaat er concreet veranderen in een casus zoals deze?
Voor alle zorgaanbieders is de NEN 7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, nu al wettelijk verplicht. De Cyberbeveiligingswet (Cbw) gaat bredere eisen stellen aan netwerk- en informatiebeveiliging voor diverse sectoren waaronder de sector zorg. Zodra de Cbw van kracht is (voorzien medio 2026), hebben organisaties die onder de wet vallen een meldplicht. Dit houdt in dat een significante cyberincident13 binnen 24 uur wordt gemeld bij het portaal van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Het NSCS werkt nauw samen met Z-CERT, het expertisecentrum op het gebied van het cybersecurity in de zorg. Deze meldplicht zorgt ervoor dat alle significante meldingen worden gemonitord en er tijdig wordt gewaarschuwd tegen cyberdreigingen. Daarnaast stelt de Cbw een zorgplicht voor organisaties verplicht. Dit houdt in dat organisaties vallend onder Cbw maatregelen moeten nemen om hun netwerk- en informatiesystemen te beschermen tegen significante incidenten. De Cbw zal cyberincidenten niet voorkomen, maar de cyberweerbaarheid in Nederland en daarmee ook in de sector zorg wordt verhoogd doordat significante cyberincidenten worden gemonitord en vervolgens snel wordt gehandeld om de beveiliging van informatiesystemen en bedrijfscontinuïteit te waarborgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over digitale ontwikkelingen in de zorg van 21 mei 2026 beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Longevity Shift: A New Era of Physician Engagement in Longevity Medicine» (Ipsos, maart 2026), waaruit blijkt dat artsen in toenemende mate worden geconfronteerd met patiënten die vragen stellen over longeviteitsgeneeskunde, maar dat zij daarvoor onvoldoende zijn opgeleid, en dat bestaande bekostigingsstructuren preventieve en op gezondheidsoptimalisatie gerichte zorg structureel ontmoedigen?
Deelt u de analyse dat de huidige fee-for-servicebekostiging een structurele drempel opwerpt voor preventieve en longeviteitsgerichte zorg, doordat artsen niet of nauwelijks worden gecompenseerd voor tijdsintensieve consulten bij gezonde patiënten zonder gediagnosticeerde aandoening? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit knelpunt weg te nemen?
In hoeverre is longeviteitsgeneeskunde als interventioneel vakgebied geïntegreerd in de basisopleiding en nascholing van huisartsen en medisch specialisten in Nederland? Bent u bereid dit te onderzoeken (met de Minister van OCW) en of de opleidingseisen op dit punt aanvulling behoeven, mede in het licht van de toenemende vraag vanuit de samenleving naar gezondheidsoptimalisatie en verlenging van de gezonde levensduur?
Bent u bekend met het signaal uit het rapport dat artsen bij longeviteitsgeneeskunde interventies voorschrijven aan mensen die zich gezond voelen, zonder dat er sprake is van een vastgestelde aandoening, terwijl de standaard van zorg op dit terrein grotendeels ongedefinieerd blijft? Welke rol ziet u voor de overheid bij het ontwikkelen van klinische richtlijnen en evidence-based standaarden voor longeviteitsgerichte preventiezorg, zodat artsen niet zonder professioneel kader opereren?
Bent u bereid te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg binnen de Nederlandse bekostigingssystematiek een structurele plek kan krijgen, bijvoorbeeld via uitkomstbekostiging of een gerichte aanvulling op de Zorgverzekeringswet, naar voorbeeld van ouderenzorgmodellen in Denemarken en Finland.
In hoeverre acht u het wenselijk dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken van een vergoedingsstructuur, primair ontwikkelt in de cash-pay en conciergegeneeskunde en daarmee feitelijk voorbehouden blijft aan vermogenden? Welke maatregelen overweegt u om de toegankelijkheid van preventieve longeviteitszorg voor een breed publiek te waarborgen?
Bent u bereid te bezien hoe longeviteitsgerichte preventiezorg beter kan worden ingebed in bestaande beleidskaders, zoals het Nationaal Preventieakkoord, het Integraal Zorgakkoord en de Wet publieke gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad, beroepsverenigingen en relevante wetenschappelijke instituten, een Nationale Strategie Longeviteitsgeneeskunde te ontwikkelen, met concrete doelstellingen voor de integratie van longeviteitsgerichte preventiezorg in het zorgstelsel, de opleiding van zorgprofessionals, wetenschappelijk onderzoek en de toegankelijkheid van deze zorg voor alle Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken hoe de bestaande onderzoeksinfrastructuur van onder andere Maastricht University en Maastricht UMC+, waaronder The Maastricht Study met haar grootschalige biobanking en deep phenotyping en het MERLN Institute for Technology Inspired Regenerative Medicine, strategisch kan worden ingezet als nationaal expertisecentrum voor longeviteitsgeneeskunde, door koppeling van biobankdata, biomarkers van biologische veroudering en klinische toepassingen? En hoe deze kennisinfrastructuur structureel kan worden ingebed in de nationale onderzoeks- en zorgagenda?
Bent u bereid de Kamer te faciliteren met een technische briefing over longeviteitsgeneeskunde, waarbij in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad en academische centra de stand van de wetenschap, de klinische toepasbaarheid, de ethische en maatschappelijke implicaties en de mogelijke inbedding in het Nederlandse zorgstelsel integraal worden toegelicht?
De sterk achterblijvende bouw van zorgwoningen voor ouderen |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw ouderenwoningen blijft fors achter»?1
Begrijpt u de terughoudendheid van de zorgaanbieders vanwege risicovollere investeringen door de aangekondigde aanpassing van de volledig pakket thuis (vpt) vergoeding? Zo nee, waarom niet?
Wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de aanpassing van de vpt-vergoeding?
Bent u bereid gezamenlijk met de woningcorporaties en zorgaanbieders tot een oplossing te komen om een structureel tekort aan passende woonzorgplekken voor ouderen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
De vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk op de verpakking wordt vermeld?1
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking, namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct is?
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding, nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een grotendeels plantaardig product krijgen?
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde eiwittransitie?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten?
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken vanwege stijgende vleesprijzen?
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking zou moeten worden vermeld?
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen of misleidende etiketten?
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om dit te garanderen?
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?