Het bericht ‘Cliëntenraad vreest sluiting laatste zorgvilla’s Expertcare’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cliëntenraad vreest sluiting laatste zorgvilla’s Expertcare»1
Ja.
Klopt het dat multinational B. Braun heeft gedreigd de resterende locaties al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving waarnaar u verwijst. Vanuit het Ministerie van VWS was niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Ik kan de gang van zaken tijdens die zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Bovendien geeft het (tijdelijk) bestuur van Villa ExpertCare (VEC) hierover een andere lezing dan uit de berichtgeving naar voren komt. Het is niet aan mij om in een lopende gerechtelijke procedure te beoordelen welke lezing juist is.
Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor de kinderen die nog zorg ontvangen bij Villa ExpertCare. Daarover ben ik voortdurend in gesprek met de betrokken partijen, waaronder VEC, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de onafhankelijk intermediair die is aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te ondersteunen.
Deelt u de mening dat B. Braun hier een nieuwe ondergrens heeft bereikt door de rechtbank, de ouders en de kinderen te chanteren met dreigende sluiting van de laatste zorgvilla’s Expertcare met als doel de rechtsgang te frustreren? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de grote zorgen en emoties die leven bij ouders, kinderen en medewerkers. De situatie is voor alle betrokkenen zeer ingrijpend. Het is echter niet aan mij om kwalificaties te geven over het handelen van private partijen of over stellingen die onderdeel uitmaken van een lopende gerechtelijke procedure. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 was het ministerie niet bij de zitting aanwezig en lopen de lezingen van partijen over het verloop daarvan uiteen; ook dat maakt een oordeel op dit moment niet aan mij. Ongeacht de exacte lezing van de gebeurtenissen vind ik wel dat de zorg voor deze kwetsbare kinderen nooit een instrument mag zijn in een zakelijk of juridisch geschil, en ik verwacht dat alle betrokken partijen zich dat terdege realiseren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de deuren van de twee zorglocaties geopend blijven totdat er een passende zorgplek is gevonden voor alle overgebleven kinderen?
Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd, staat voor mij voorop dat voor ieder kind passende vervolgzorg beschikbaar moet zijn voordat de zorg wordt beëindigd. Om de zorgbemiddeling te versnellen en de zorgvuldigheid van het proces te versterken, heb ik een onafhankelijk intermediair aangesteld. Daarnaast werken zorgverzekeraars en zorgkantoren vanuit hun wettelijke zorgplicht aan passende vervolgzorg voor iedere individuele cliënt. Voor alle cliënten zijn bovendien cliëntspecifieke noodscenario's uitgewerkt voor het geval de continuïteit van zorg onverwacht onder druk komt te staan.
Voor de twee resterende locaties, Wezep en Rijswijk, heeft VEC aangeven dat deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande openblijven. Mijn inzet blijft erop gericht dat deze toezegging wordt nagekomen en dat de continuïteit van zorg voor ieder kind wordt geborgd.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en op een zorgvuldige overdracht van cliënten. Op 11 augustus heeft de IGJ twee toezichtsrapporten uitgebracht over de locaties Wezep en Rijswijk. Voor locatie Wezep heeft de IGJ verbetermaatregelen opgelegd. De IGJ blijft de uitvoering van deze verbetermaatregelen en de ontwikkelingen op beide locaties nauwlettend volgen.
Bent u van plan wetgeving voor te bereiden om te voorkomen dat een onderneming na ernstig falen nog zorg mag aanbieden, bijvoorbeeld een tijdelijk of permanent verbod om als zorgaanbieder op te treden na ernstige overtredingen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze verwachten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment ben ik niet voornemens wetgeving voor te bereiden die voorziet in een algemeen tijdelijk of permanent verbod voor een onderneming om als zorgaanbieder op te treden. Wel heb ik eerder aangekondigd dat ik deze casus op een later moment, nadat er voor de kinderen van VEC een oplossing is gevonden, grondig zal evalueren. Bij die evaluatie zal ik ook de toereikendheid van het bestaande wettelijke instrumentarium betrekken, om te bezien of dit voldoende mogelijkheden biedt om in vergelijkbare situaties tijdig en effectief in te grijpen.
Het bericht dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) moet krimpen van 950 naar 650 arbeidsplaatsen |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «IGJ moet krimpen van 950 naar 650 arbeidsplaatsen»1 en «Zwaarbelaste toezichthouder op de zorg moet ook nog eens inkrimpen»2?
Ja.
Wanneer en op welke wijze is de Kamer specifiek geïnformeerd over deze ingrijpende krimpopgave bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De Tweede Kamer is eerder geïnformeerd over de financiële taakstellingen waarmee de Rijksoverheid en daarmee ook de IGJ te maken hebben3. Bij de IGJ gaat het onder meer om kortingen en taakstellingen vanaf 2022 en om het aflopen van incidenteel toegekende budgetten, zoals de WAU-middelen. In het Jaarbeeld IGJ 2025 is aangegeven dat de IGJ als gevolg hiervan haar formatie heeft moeten verlagen. Ook is aangegeven dat deze bezuinigingen de komende jaren effect zullen hebben en dat de IGJ hiervoor een meerjarig plan opstelt.
De omvang van de reductie en de wijze waarop de IGJ deze de komende jaren wil realiseren, zijn onderdeel van de verdere uitwerking door de IGJ. De IGJ is verantwoordelijk voor de inrichting van haar organisatie binnen de geldende financiële en wettelijke kaders.
Klopt het, zoals in het artikel van Zorgvisie wordt bericht, dat het Ministerie van VWS vanaf het begin bij deze opgave is betrokken? Kunt u toelichten op welke momenten en op welk niveau dit is gebeurd, en wat de inzet van u daarbij is geweest?
Het Ministerie van VWS is vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de IGJ betrokken bij de financiële en organisatorische kaders waarbinnen de IGJ haar taken uitvoert. Daarbij geldt dat de IGJ als toezichthouder onafhankelijk is in de uitvoering van haar toezicht.
De huidige personele opgave is het gevolg van de financiële kaders en de daaruit voortvloeiende taakstellingen waarmee de IGJ te maken heeft. De precieze vertaling daarvan naar de organisatie en de personele formatie is de verantwoordelijkheid van de IGJ.
De IGJ en VWS zijn hierover met elkaar in gesprek. Voor het kabinet staat daarbij voorop dat de IGJ haar wettelijke taken als onafhankelijk toezichthouder effectief en risicogericht moet kunnen blijven uitvoeren, opdat zij haar rol bij het borgen en verbeteren van de kwaliteit en veiligheid van de zorg kan blijven vervullen. De beschikbare capaciteit en de prioriteiten binnen het toezicht moeten daarom met elkaar in balans zijn.
De IGJ werkt aan een verdere ontwikkeling van haar toezicht, onder meer door meer datagedreven te werken en keuzes te maken in de wijze waarop toezicht wordt uitgevoerd.
Op welke manier is de arbeidsbesparing die het bestuur van de IGJ denkt te behalen onderbouwd? Kunt u inzichtelijk maken hoe groot de besparing is per zorgsector en per deeltaak van de IGJ?
De veranderopgave van de IGJ vloeit zowel voort uit de ontwikkelingen in de zorg als uit de verwachte afname van het beschikbare budget. Om met minder mensen effectief toezicht te kunnen blijven houden, zal de IGJ haar toezicht nog meer risicogericht, gedifferentieerd en sector overstijgend vormgeven.
De IGJ zet daarbij onder meer in op het versterken van haar informatiepositie, proactief en risicogericht toezicht, een regionale oriëntatie, sectoroverstijgend werken, de inzet van multidisciplinaire teams en een bredere inzet van specialistische kennis. Ook wil de IGJ individuele signalen selectiever opvolgen en specifieke toezichtafspraken maken met aanbieders die aantoonbaar professioneel sturen op kwaliteit en veiligheid. Daarnaast werkt de IGJ aan een versterking van de inzet van data en risicoanalyses, zodat de beschikbare toezicht capaciteit gerichter kan worden ingezet.
De precieze personele gevolgen van deze veranderingen en de verdeling daarvan over de verschillende taken zijn nog niet definitief vastgesteld. Daarom kan op dit moment geen onderbouwde uitsplitsing van de arbeidsbesparing per zorgsector of deeltaak worden gegeven.
Kan de IGJ met deze verminderde capaciteit alle taken blijven uitvoeren die zij momenteel uitvoert, mede gelet op het jaarlijks stijgende aantal meldingen, de al twee jaar geldende vacaturestop en de oplopende werkdruk?
De IGJ maakt ieder jaar keuzes binnen de grote diversiteit aan taken. De veranderingen in de zorg en het feit dat het financiële kader van de IGJ de komende zes jaar krimpt, vragen om een andere inrichting van het toezicht en om scherpe inhoudelijke keuzes. Deze plannen worden momenteel uitgewerkt. Het Ministerie van VWS is vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de IGJ betrokken bij de financiële en organisatorische kaders waarbinnen de IGJ haar taken uitvoert.
Deelt u de verwachting van de inspecteur-generaal dat datagericht en risicogericht werken de krimp grotendeels kan opvangen? Waarop is die verwachting gebaseerd, mede in het licht van de kanttekening van hoogleraar gezondheidsrecht Legemaate dat voor veel inspectietaken mensen nodig blijven zoals tuchtzaken en het bezoeken van instellingen?
Het kabinet steunt de inzet van de IGJ om door meer data- en risicogericht te werken de beschikbare toezicht capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten.
Tegelijkertijd blijven professionele beoordeling, specialistische kennis en toezicht op locatie voor verschillende toezichtstaken noodzakelijk. Datagedreven werken is daarom vooral een middel om de beschikbare capaciteit gerichter in te zetten en geen volledige vervanging van menselijk toezicht.
Hoe rijmt deze krimpopgave met de inzet van het kabinet, op basis van het coalitieakkoord, op de aanpak van zorgfraude, mede gezien het bericht dat onlangs al een fraudeteam van de IGJ is opgeheven?
De krimpopgave en de aanpak van zorgfraude staan los van elkaar. Het is daarom niet juist om uit de krimpopgave te concluderen dat het kabinet minder prioriteit geeft aan de aanpak van zorgfraude. De aanpak van zorgfraude is juist een expliciete prioriteit van het kabinet, onder meer naar aanleiding van het coalitieakkoord en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Ook de beëindiging van het tijdelijke programma Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) van de IGJ staat hier los van. De IGJ beschouwt zorgfraude als een prioriteit en heeft aangegeven dat de binnen het programma opgebouwde kennis, ervaring en werkwijzen worden geborgd in de lijnorganisatie. De IGJ blijft toezicht houden op zorgfraude en blijft samenwerken met andere partijen binnen de fraudeketen.
Op welke manier kan worden gegarandeerd dat de reductie in personeel de aanpak van misstanden in de jeugdzorg niet in het gedrang brengt?
De kwaliteit en veiligheid van jeugdhulp en de bescherming van kinderen en jongeren zijn belangrijke prioriteiten van het kabinet. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp. De IGJ zal in haar toezicht aandacht blijven besteden aan de misstanden in de jeugdzorg. De wijze waarop de IGJ dit doet, wordt jaarlijks bepaald.
Kunt u garanderen dat deze ingrijpende krimpopgave bij de IGJ niet ten koste gaat van de uitvoering van de motie van het lid Synhaeve c.s. (Kamerstuk 31 839, nr. 1155) waarin jeugdhulpaanbieders en hun medewerkers altijd vooraf gescreend worden in plaats van de huidige situatie waarin de IGJ reactief handelt?
Het kabinet onderzoekt momenteel hoe deze motie kan worden uitgevoerd.
Is u bekend dat de IGJ voor oktober een meerjarenbeleidsplan en begin 2027 een reorganisatieplan prsenteert? Bent u bereid de Kamer over beide plannen te informeren voordat onomkeerbare stappen worden gezet?
Ja, het kabinet is bekend met de voorgenomen planning van de IGJ. De IGJ is onafhankelijk en maakt binnen de geldende wettelijke en financiële kaders haar eigen afwegingen over de inrichting en uitvoering van het toezicht. Tegelijkertijd draagt de Minister van VWS ministeriële verantwoordelijkheid voor de IGJ. Daarom vindt regelmatig inhoudelijk overleg plaats tussen het Ministerie van VWS en de IGJ, onder meer over de prioritering en de te maken keuzes.
De IGJ werkt momenteel aan een nieuw Meerjarenbeleidsplan en het Jaarplan 2027. Zoals ook bij het huidige meerjarenbeleidsplan en jaarplan is gebeurd, zal het kabinet deze plannen na vaststelling aan de Kamer sturen.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat «Goed bestuur en toezicht in de zorg (+IGJ en Zorgfraude)» en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig»1
Ja.
Deelt u de mening van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie dat het door u overgenomen advies van het Capaciteitsorgaan om het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 met elf te verhogen lang niet genoeg is om de tekorten op te vangen en geen oplossing vormt op de korte termijn? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS onderkent het belang van het opleiden van voldoende medisch specialisten om te kunnen voorzien in de toekomstige zorgvraag. Tegelijkertijd streven we naar het voorkomen van tekorten of overschotten op de langere termijn. Daartoe zijn de instroomadviezen van het Capaciteitsorgaan over de benodigde instroom in (medische) vervolgopleidingen leidend.
Het Ministerie van VWS volgt de raming van het Capaciteitsorgaan voor de medisch-specialistische vervolgopleidingen, waarin wordt aangegeven dat het aantal opleidingsplaatsen voor neurologen moet toenemen. In lijn met deze raming wordt het aantal opleidingsplaatsen voor neurologie in 2027 met elf verhoogd. Het Capaciteitsorgaan maakt bij het opstellen van de raming gebruik van de input van beroepsgroepen, opleidingsinstellingen, zorgverzekeraars en werkgevers die vertegenwoordigd zijn in de zogenoemde «kamers». De kamers en werkgroepen komen tot een inhoudelijk oordeel over de benodigde instroom in de opleidingen. Daarbij wordt rekening gehouden met ontwikkelingen, zoals de vergrijzing van de beroepsgroep, veranderingen in de deeltijdfactor en verschuivingen in de zorgvraag (bijvoorbeeld als gevolg van vergrijzing of nieuwe behandelmethoden). Het Capaciteitsorgaan richt zich op structurele ontwikkelingen op de lange termijn, waarbij varkenscycli worden voorkomen ten behoeve van een stabiele opleidingsinfrastructuur. Varkenscycli kunnen ontstaan wanneer er teveel wordt gestuurd op ontwikkelingen op de korte termijn. De Capaciteitsplannen zijn gericht op een stabiele opleidingsinfrastructuur voor de lange termijn. We gaan daarom uit van de raming van het Capaciteitsorgaan.
Over drie jaar wordt een nieuwe raming verwacht. Vanwege de duur van de opleiding kan een verhoging van het aantal opleidingsplaatsen echter niet direct bijdragen aan het oplossen van knelpunten op de korte termijn. Voor het aanpakken van de knelpunten op de korte termijn is het daarom ook van belang om de bestaande capaciteit zo goed mogelijk te benutten en te behouden. Voor de maatregelen die hierop zijn gericht, verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Bent u van plan het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 en/of de jaren erna verder te verhogen? Zo ja, naar hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS weegt de ramingen van het Capaciteitsorgaan in een driejaarlijkse cyclus. Tegelijkertijd is er in het coalitieakkoord vanaf het jaar 2029 een structurele korting ingeboekt voor de vervolgopleidingen medisch-specialisten ter hoogte van € 110 miljoen. Het streven is om begin 2027 een beeld te hebben hoe deze bezuiniging het beste vorm kan krijgen en wat dit betekent voor het aantal opleidingsplekken die beschikbaar zijn gesteld voor medisch specialisten in 2028 en 2029.
Welke maatregelen gaat u nemen om tot oplossingen op de korte termijn te komen?
Voor oplossingen op de korte- en middellange termijn wordt, naast het verhogen van de opleidingscapaciteit, ingezet op het zo goed mogelijk benutten en behouden van de bestaande capaciteit door anders te werken. Het kabinet werkt hier samen met de sector aan via de zorgakkoorden. Zo kan onder meer gedacht worden aan het verminderen van de administratieve lasten, regionale samenwerking en de inzet van digitale ondersteuning en slimme zorglogistiek. De vertaling naar specifieke maatregelen op regionaal en lokaal niveau vraagt om inzet van alle betrokken partijen, waaronder zorgaanbieders en (vertegenwoordigers van) de beroepsgroep.
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Ja, het kabinet is daarmee bekend. Het kabinet heeft uiteraard begrip voor het ongeduld van zowel patiënten als behandelaars, en vindt ook dat doorlooptijden van vergoedingsprocedures niet langer dan nodig zouden moeten zijn. Tegelijk zijn de kosten van dit middel per behandeling € 131.847,06, en is het macrokostenbeslag € 15,7 miljoen in jaar 3 na introductie. Dergelijke uitgaven en kosten moeten wel verantwoord zijn, en dus in verhouding staan tot de gezondheidswinst die een behandeling met dit geneesmiddel oplevert. Het kabinet heeft geen reden om te twijfelen aan de reden van Zorginstituut Nederland, dat de Minister van VWS onafhankelijk adviseert over de pakketwaardigheid van sluisgeneesmiddelen, om extra informatie te vragen voor een goed oordeel over de kosteneffectiviteit.
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Daratumumab heeft voor de indicatie AL-amyloïdose op 21 juni 2021 een Europese marktregistratie verkregen. Verreweg de meeste tijd tussen de marktregistratie en een positief pakketadvies is de tijd die de leverancier heeft genomen voor indiening van het eerste vergoedingsdossier bij het Zorginstituut: ongeveer drie jaar. Daarnaast heeft de beoordeling langer geduurd dan gebruikelijk. De reden hiervan is dat er twee beoordelingen nodig zijn gebleken. Het tijdsverloop van de eerste beoordeling is als volgt.
Datum ontvangst dossier
4 juni 2024
Datum compleet dossier
22 juli 2024
Datum start consultatie
18 oktober 2024
Datum reactie leverancier consultatie
6 november 2024
Datum advies
16 januari 2025
Dat betekent dat de eerste beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 178 dagen heeft geduurd. Om dit in perspectief te plaatsen: het streven is om een beoordeling van intramurale geneesmiddelen binnen 120 dagen afgerond te hebben.2 Het Zorginstituut wijst er daarbij op dat de leverancier in dit geval tijdens de beoordeling tijd heeft aangevraagd voor het aanleveren van extra informatie (een zogeheten klokstop). Deze klokstop betrof 29 dagen, waarmee de netto beoordelingstijd uitkomt op 178–29=149 dagen.
Het Zorginstituut heeft in het advies van 16 januari 2025 geconcludeerd dat daratumumab in combinatie met cyclofosfamide bortezomib en dexamethason (Dara-CyBorD) voor de behandeling van AL-amyloïdose voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. De aangeleverde informatie door de leverancier gaf echter onvoldoende inzicht of de prijs van Dara-CyBorD kosteneffectief was. Daarom luidde het advies van het Zorginstituut om Dara-CyBorD niet op te nemen in het basispakket van de zorgverzekering.
Uiteindelijk heeft de leverancier een aanvraag voor een herbeoordeling gedaan. De herbeoordeling betrof enkel het farmaco-economisch dossier. Het tijdsverloop hiervan was als volgt.
Datum ontvangst dossier
18 september 2025
Datum compleet dossier
10 november 2025
Datum start consultatie
18 december 2025 (gerekend vanaf 1 januari i.v.m. Kerstvakantie)
Datum reactie leverancier consultatie
27 maart 2026
Datum advies
5 augustus 2026
Dat betekent dat de tweede beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 283 dagen heeft geduurd. In dit geval bedroeg de klokstop 85 dagen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Het Zorginstituut heeft in januari 2025 geconcludeerd dat Dara-CyBorD voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk en dus effectief is. Maar dat wil nog niet zeggen dat het geneesmiddel ook kosteneffectief is. Daartoe is informatie nodig over de verhouding tussen de gezondheidswinst en de kosten van het middel. In het eerste dossier was deze informatie onvoldoende. De herbeoordeling betrof enkel de beoordeling van de kosteneffectiviteit, dat het middel effectief is stond immers al vast. Het kabinet begrijpt nogmaals het ongeduld, en wijst er in dat verband op dat de leverancier de tijd tussen registratie en vergoeding had kunnen verkorten door eerder een dossier in te dienen en al bij de eerste beoordeling een model aan te leveren dat meer in lijn was met de studieresultaten.
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Het kabinet merkt ten eerste op dat Dara-CyBorD het leven van patiënten weliswaar kan verlengen, maar geen genezing brengt. Ten tijde van de eerste beoordeling was er nog geen klinisch relevant effect op de overleving aangetoond. De laatste publicatie over de effectiviteit van DaraCyBorD laat zien dat na 5 jaar ongeveer 10% minder patiënten overleden zijn ten opzichte van de vergelijkende behandeling.
Desalniettemin begrijpt het kabinet dat de vraag gesteld kan worden in hoeverre gezondheidsverlies als gevolg van vertraagde toegang wordt meegewogen en zo ja, of dat dan moet opwegen tegen de gezondheidswinst die een snelle vergoeding van een geneesmiddel zou opleveren. Deze afweging wordt niet gemaakt. Wel is het zo dat het betalen van een niet-kosteneffectieve prijs, dat wil zeggen een prijs waarvoor we – op het geheel bezien – onvoldoende gezondheidswinst terugkrijgen, ook schade zou toebrengen, aan patiënten elders of in de toekomst. Omdat met dat geld, dat we nu eenmaal maar één keer kunnen uitgeven, elders meer gezondheid had kunnen worden gewonnen. Het kabinet wijst in dit verband op de studie die het onderzoeksbureau Equalis in 2023 in opdracht van het Zorginstituut heeft gedaan naar de sluis. Equalis stelt dat de sluis tot een netto gezondheidswinst leidt, ondanks het gezondheidsverlies als gevolg van een latere toelating.3 Tot slot hecht het kabinet eraan om te benadrukken dat de inzet van zowel de beoordelaars bij het Zorginstituut als de onderhandelaars bij het Ministerie van VWS erop gericht is om patiënten zo snel als mogelijk toegang te geven tot effectieve geneesmiddelen.
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Het kabinet vindt uiteraard dat patiënten zo snel mogelijk toegang moeten krijgen tot een effectief middel, zoals in dit geval door het Zorginstituut is vastgesteld. Het kabinet zie ook dat ontwikkelingen zoals enerzijds steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, en anderzijds steeds meer onzekerheid over de (kosten)effectiviteit door beperktere data een uitdaging betekent voor het pakketbeheer. Dat is de reden dat het kabinet werkt aan een Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG), waarover het kabinet uw Kamer regelmatig informeert.
Binnen dit stelsel is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. De kern van TSG is een betere risicobeheersing en een betere voorspelbaarheid over de te volgen procedure.
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Zoals bij vraag 2 bericht, heeft de Minister van VWS op 5 augustus 2026 het advies van het Zorginstituut ontvangen4. Het Zorginstituut adviseert dat een prijsonderhandeling nodig is voor pakkettoelating. Het kabinet hoopt nu zo snel mogelijk met de leverancier tot een prijsafspraak te komen zodat de behandeling kan instromen in het basispakket. Daar is alle tijd en inzet nu op gericht.
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten gemiddeld duurder zijn om te realiseren dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer toegankelijkheidseisen.
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
De doelstelling van 290.000 ouderenwoningen bestaat uit nultredenwoningen, zorggeschikte en geclusterde woningen. Uit de Kamerbrief verstuurd op 6 juli blijkt dat er plannen zijn voor ongeveer 215.000 van de 290.000 woningen.1 De planvorming en bouw van nultredenwoningen ligt ruim op koers. Het klopt dat bij geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen de planvorming en realisatie achterblijft. Met de in bovenstaande Kamerbrief aangekondigde € 420 mln. die binnen de Realisatiestimulans beschikbaar is voor zorggeschikte en geclusterde woningen zet het kabinet vol in op schaalvergroting en versnelling van de bouw van geclusterde en zorggeschikte woningen.
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Nee, het klopt niet dat dit uitsluitend voor ouderenhuisvesting beschikbaar is. Voor de periode 2026 tot en met 2030 staat er € 758 mln. op de begrotingen van VWS en BZK voor het doen van betalingen voor zorggeschikte en geclusterde woningen. Voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) is in totaal € 294,6 mln. beschikbaar op ouderenhuisvesting. Hiervan is € 115,8 mln. al verplicht aan toegekende aanvragen. Voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) staat er nog € 43,8 mln. op de begroting van BZK voor ouderenhuisvesting, waarvan € 4 mln. al verplicht is aan toegekende aanvragen. Binnen de post opslagen onder de Realisatiestimulans is € 420 mln. beschikbaar voor zorggeschikte en geclusterde woningen voor ouderen en aandachtsgroepen.
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Het klopt dat er in de jaren 2026 t/m 2028 € 294,6 mln. op de begroting van VWS staat om goedgekeurde aanvragen te kunnen betalen. Per 1 juni 2026 is voor € 115,6 mln. aan aanvragen toegekend voor 7.866 zorggeschikte woningen. Dat is gemiddeld € 14.690 per zorggeschikte woning. Op basis van het gemiddelde bedrag per woning wordt met het budget van € 294,6 mln. bijgedragen aan de bouw van ongeveer 20.050 zorggeschikte woningen in de sociale huur.
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Niet alle 290.000 ouderenwoningen hebben financiële ondersteuning nodig3. De planvorming en realisatie van nultredenwoningen ligt op koers. Vanuit de SZGW wordt alleen financiële ondersteuning geboden bij zorggeschikte woningen met een sociale huurprijs, omdat meerkosten in dit segment niet of nauwelijks in de huurprijs kunnen worden terugverdiend. Dit gaat om 50% van de 41.000 zorggeschikte woningen. Voor de 94.000 geclusterde woningen in het betaalbare segment (ca. 75%) verwachten we dat ondersteuning gewenst is om tot realisatie van ontmoetingsruimten te komen. Zie verder antwoord 16.
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Het klopt dat er in totaal nog € 43,8 mln. voor de SOO op de begroting van BZK staat in de jaren 2027 en 2029. Dit betekent echter niet dat er in die jaren loketten open zijn. Tot 18 december 2026 staat de vierde tranche van de SOO open met een subsidieplafond van € 39,8 mln. Uitbetaling van 90% van het subsidiebedrag vindt in 2027 plaats. Uitbetaling van de resterende 10% vindt over de daaropvolgende jaren (uiterlijk 7 jaar) plaats op basis van oplevering. Met de resterende € 4 mln. wordt de resterende 10% van toegekende aanvragen uit eerdere tranches betaald.
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Hoeveel ontmoetingsruimten er maximaal kunnen worden gerealiseerd, is afhankelijk van de subsidiebedragen die worden aangevraagd. Dit is weer afhankelijk van de bouwkosten van de ontmoetingsruimte (met een maximum van € 2.500 per m2) en van het aantal woningen in de geclusterde woonvorm (tot een maximum van € 100.000 bij 5 t/m 20 woningen, € 150.000 euro bij 21 t/m 50 woningen en € 175.000 euro bij meer dan 50 woningen per aanvraag). In de eerste drie tranches (2022 t/m 2025) zijn hiermee aanvragen toegekend voor 531 ontmoetingsruimten bij naar schatting 29.000 geclusterde woningen voor ca. 73 miljoen euro5. Een deel van deze aanvragen (41) is later ingetrokken.
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Er is reeds subsidie toegekend aan aanvragen voor 531 ontmoetingsruimten bij naar schatting 29.000 geclusterde woningen. Op basis van de eerdere tranches, schat ik in dat met de beschikbare bedragen in 2026 aanvragen te kunnen toekennen voor ca. 290 ontmoetingsruimten in ca. 16.000 geclusterde woningen. Binnen de extra € 420 miljoen die beschikbaar is gesteld verwacht ik alle resterende ontmoetingsruimten in geclusterde woningen te kunnen financieren binnen de doelstelling voor 290.000 ouderenwoningen.
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Met de SOO wordt bijgedragen aan de bouwkosten van een ontmoetingsruimte. Een voorwaarde hierbij is dat de aanvrager voorziet in activiteiten en een exploitatieplan voor minimaal 5 jaar. De bewoners mogen daarbij ook zelf in de exploitatie van de ruimte voorzien. Vanuit de SOO zijn geen middelen beschikbaar voor de structurele personele bezetting of begeleiding van ontmoetingsruimten. Ook onder het vorige kabinet waren hiervoor geen middelen beschikbaar. Wel was binnen de envelop ouderenzorg een deel van de middelen voorzien voor het stimuleren van gemeenschapsvorming in woonvormen voor ouderen. De nadere invulling en uitwerking daarvan waren onder het vorige kabinet nog niet afgerond. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderzoekt of financiële ondersteuning geboden kan worden aan gemeenschapsvorming.
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Dit is bij de start van de eerste tranche van deze regeling (2022) niet onderzocht. Het doel van deze regeling is om meer ontmoetingsruimten in geclusterde woonvormen voor ouderen te realiseren, en richt zich op de investeringskosten van het vastgoed. In sommige gevallen kan inzet op begeleiding of beheer van de ontmoetingsruimte gewenst zijn, en kan dit leiden tot structurele uitgaven. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderzoekt of financiële ondersteuning geboden kan worden aan gemeenschapsvorming.
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Voor de Realisatiestimulans is in totaal ca. € 2,5 mld. euro beschikbaar gesteld in 2026 t/m 2030. Daarbinnen is een opslag van € 420 mln. beschikbaar in de jaren 2028, 2029 en 2030 voor geclusterde en zorggeschikte woningen.
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Ja, dat klopt. Binnen de Realisatiestimulans is een opslag van € 420 mln. opgenomen voor zorggeschikte en geclusterde woningen. Deze middelen zijn beschikbaar voor de realisatie van deze woningtypes, die inzetbaar zijn voor zowel ouderen als aandachtsgroepen en niet specifiek bestemd per doelgroep. Het gaat om de aandachtsgroepen die vermeld staan in het besluit Versterking regie volkshuisvesting.
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Nee, dit klopt niet. De vaste bijdrage van € 7.000 uit de Realisatiestimulans geldt voor iedere betaalbare woning waarvan de bouw is gestart. Het gaat daarbij om andere activiteiten waaraan een bijdrage wordt verleend om woningen betaalbaar te houden. Met de € 420 mln. voor zorggeschikte en geclusterde woningen is een extra bijdrage voorzien om tegemoet te komen in de specifieke meerkosten van deze woningen, zoals de ontmoetingsruimte en het rolstoelgeschikt maken van de woning. Dit budget staat onder een post opslagen onder de budgetpost Realisatiestimulans. De bijdrage van € 420 mln. is aanvullend ten opzichte van de reeds beschikbare middelen uit de SZGW en de SOO.
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
De opslag van € 420 mln. binnen de Realisatiestimulans voor zorggeschikte en geclusterde woningen staat op de begroting van BZK tot en met 2030. Ik werk momenteel uit via welke regelingen deze middelen worden besteed. Op de bestemming van de genoemde 7 miljard heb ik u reeds antwoord gegeven bij beantwoording van uw vragen van 9 juni 2026.
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Zoals ik in mijn antwoorden op de vragen van lid Keijzer van 9 juni 2026 al heb aangegeven dient het bedrag van € 7 miljard voor woningbouw nog verdeeld te worden.
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Mijn verwachting is dat de doelstelling voor geclusterde en zorggeschikte woningen haalbaar is met de extra stimulans van € 420 mln. Ik werk momenteel uit via welke regelingen de beschikbare middelen worden ingezet en welke bedragen daarbij horen. Dit kan leiden tot bijstellingen in de berekeningen. Ik kan daarom nu geen exacte raming geven. Bij de uitwerking van de regelingen voor geclusterde en zorggeschikte woningen zal ik inzicht geven in hoeveel geclusterde en zorggeschikte woningen met de beschikbare middelen kunnen worden gerealiseerd. Daarbij zal ik uw Kamer een inschatting geven van de verdeling tussen ouderen en aandachtsgroepen. Ik verwacht uw Kamer te informeren over de regelingen in het najaar.
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Zie het antwoord op vraag 16.
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Dat is niet juist. Dit kabinet zet de komende jaren juist € 420 miljoen extra in om de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen verder te stimuleren.
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Ik zie de noodzaak om voldoende financiële ondersteuning te bieden om 290.000 ouderenwoningen te realiseren. Zie verder de antwoorden op vragen 16 en 21.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
In de bijlage wordt een overzicht gegeven van de middelen die beschikbaar zijn voor budgetposten SZGW, SOO en onder de Realisatiestimulans. Daarnaast had het kabinet Schoof oorspronkelijk € 600 mln. gereserveerd voor de verbetering van de kwaliteit van de ouderenzorg (envelop ouderenzorg), waaronder de moderne verzorgingshuizen. Hiervan resteerde ten tijde van het vorige kabinet nog € 470 mln. (zie vraag 22). Deze middelen zijn naar de algemene middelen gegaan en als zodanig betrokken bij het uitwerken van het huidige coalitieakkoord. Over de middelen voor de kwaliteit van de ouderenzorg – inclusief huisvesting voor ouderen – van het vorige kabinet heeft geen besluitvorming plaatsgevonden. De middelen onder de Realisatiestimulans zijn wel direct bestemd voor huisvesting. Daarmee zijn nu meer middelen beschikbaar in het kader van de huisvesting.
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen 9, 10 en 12 van uw vragen van 9 juni 2026. De middelen die onder het vorige kabinet waren gereserveerd voor de kwaliteit van de ouderenzorg konden ook worden ingezet voor de moderne verzorgingshuizen. Uit het onderzoek van PWC bleek dat bij de terugkeer van moderne verzorgingshuizen vooral kosten zouden ontstaan met betrekking tot het bijbehorende zorg- en welzijnsconcept, door een aanzienlijke toename van de zorginzet. Het huidige kabinet betrekt de doelgroep van de moderne verzorgingshuizen bij het actualiseren van de woningbouwopgave en onderzoekt of de ondersteuning van gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende afspraken bij het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). Voor de bouw van geclusterde en zorggeschikte woningen zijn middelen beschikbaar via de SOO, de SZGW en onder de post opslagen bij de Realisatiestimulans.
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
In de beantwoording van de feitelijke Kamervragen over de Miljoenennota 2026 (vraag 47) is gedetailleerd beschreven op welke wijze de middelen uit de envelop ouderenzorg zijn aangewend. Een deel van de middelen uit de envelop ouderenzorg uit het coalitieakkoord Rutte IV is tijdelijk ingezet voor de afspraken in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg. Het vorige kabinet heeft € 150 mln. ingezet voor dekking van problematiek op de Rijksbegroting. De resterende middelen zijn vervolgens in het coalitieakkoord «Aan de slag» komen te vervallen. In de bijlage is de vrijgevallen reeks voor ouderenzorg weergegeven.
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Ik verwacht geen vertraging op de realisatie van de bouwopgave door het stopzetten van het plan van de moderne verzorgingshuizen. Er lagen immers al woondealafspraken over de 290.000 ouderenwoningen. Er heeft een verkenning plaatsgevonden door PwC over mogelijke terugkeer van de verzorgingstehuizen. Er zijn geen verdere afspraken gemaakt over de inzet van de envelop ouderenzorg. Er zijn dus ook geen wijzigingen aangebracht in de bouwprogrammering. De woonbehoefte van de doelgroep voor moderne verzorgingshuizen wordt meegenomen in het actualisatieproces van de bouwopgave in de woondeals. Door de beschikbaarheid van onder meer de realisatiestimulans acht ik het nog steeds realistisch om vast te houden aan doelstelling van 290.000 ouderenwoningen.
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd» van Investico en Trouw van 14 juli 2026?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat ruim 200 kinderen geen vaste voogd hebben, terwijl het gezag van hun ouders door de rechter is beëindigd en de overheid daarmee verantwoordelijk is voor hun bescherming?
Als de overheid ingrijpt in het gezag van ouders en de kinderrechter een maatregel voor kinderbescherming oplegt, dan moeten het kind en de ouders kunnen rekenen op een snelle inzet van een jeugdbeschermer. Zoals ik u de afgelopen periode helaas al vaker heb moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel.3 Dat vind ik uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit.
De GI’s hanteren een gezamenlijk handelingsperspectief als kinderen en gezinnen noodgedwongen op de wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer komen te staan. Dit perspectief is een door de GI’s gezamenlijk opgestelde minimale werkwijze voor wachtlijstbeheer in geval van personele onderbezetting. Spoedmaatregelen, zoals een voorlopige ondertoezichtstelling (OTS), worden altijd direct opgepakt. Ook zaken waarbij sprake is van directe kind-onveiligheid worden direct opgepakt.
Als bij een GI sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers dan wordt op basis van risicotaxatie bepaald welke kinderen direct geholpen moeten worden en welke kinderen noodgedwongen moeten wachten. Dat kunnen zowel kinderen met een OTS-maatregel als een met een voogdij maatregel zijn.
Bij voogdij kan sprake zijn van een meer stabiele opvoedsituatie (door bijvoorbeeld een langdurige plaatsing in pleeggezin of een gezinshuis) dan bij een OTS. In dat geval kan de afweging gemaakt worden dat een voogdijkind op de wachtlijst wordt geplaatst omdat bij een OTS-kind meer risico’s spelen.
Ook wordt afgestemd met het betrokken professioneel netwerk over hoe de veiligheid wordt gemonitord en hoe vorm wordt gegeven aan de evaluatie van de kindveiligheid en voortgang op de hulpverleningsdoelen. Vaak is al een professioneel netwerk betrokken omdat de hulp in vrijwillig kader is gestart of omdat de hulp al eerder door een jeugdbeschermer is gestart – maar het kind nu op de interne wachtlijst staat omdat er nog géén opvolger is gevonden voor de jeugdbeschermer die de organisatie verlaten heeft. De veiligheid van het kind wordt periodiek gemonitord door het wachtlijstteam van de GI. Op basis van deze monitoring wordt direct een jeugdbeschermer ingezet als dat nodig is.
De inspecties hebben in september 2025 kritische rapporten geschreven over de problemen bij de gecertificeerde instellingen (GI’s).4 Daarbij constateren de inspecties dat de belangrijkste oorzaken gelegen zijn in arbeidsmarktproblemen en ontbrekende of ontoegankelijke passende hulp. Dit zijn factoren waar de GI’s zelf weinig directe invloed op hebben. In reactie op deze rapporten hebben we in de brief van 2 december 2025 aangegeven als Rijk hier het voortouw in te nemen om samen met gemeenten en GI’s gezamenlijk afspraken te maken om in het hier en nu mede op basis van de aanbevelingen van de inspecties te zorgen voor betere bescherming en tijdige hulp voor kinderen en hun ouders.5 De GI’s werken in dat kader aan het verbeteren van de interne werkprocessen op basis van «good practices» uit de sector en met het verbeteren van de «betekenisvolle contacten» tussen jeugdbeschermer en met name het kind. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat juist deze kwetsbare kinderen geen vaste voogd hebben die hen persoonlijk kent, hun veiligheid bewaakt en namens hen belangrijke beslissingen neemt? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het bij alle kinderen onwenselijk dat ze moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer, ook voor voogdijkinderen. Gegeven de situatie dat sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers is het echter voorstelbaar dat op basis van een risicotaxatie gekozen wordt om het kind met de grootste risico’s eerst te helpen.
Hoeveel kinderen hebben momenteel geen vaste voogd? Kunt u dit uitsplitsen per gecertificeerde instelling, aangeven hoe lang zij gemiddeld en maximaal zonder vaste voogd zitten en in welke vorm van opvang zij verblijven?
De specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Wie draagt gedurende deze periode de eindverantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze kinderen en voor besluiten over onder meer medische behandelingen, onderwijs, jeugdhulp, contact met ouders en familieleden en officiële documenten? Hoe wordt daarbij gewaarborgd dat deze besluiten worden genomen door iemand die het kind daadwerkelijk kent?
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt dit via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. Dit gaat nog niet in alle gevallen goed. Ook de verhalen die zijn beschreven door Trouw en Investico geven daar voorbeelden van. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Daarnaast wordt gewerkt aan het verminderen van de wachtlijsten op basis van «good practices» en wordt gewerkt aan het verbeteren va de betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Hoe wordt gedurende de periode zonder vaste voogd geborgd dat ieder kind regelmatig persoonlijk wordt gesproken en dat voortdurend zicht bestaat op zijn of haar veiligheid en ontwikkeling?
De GI’s hebben in het handelingsperspectief opgenomen dat de veiligheid van het kind beoordeeld wordt, na aanmelding dient het eerste contact met het gezin binnen 10 dagen plaats te vinden en dient informatievoorziening plaats te vinden. Per GI is de wijze van en de frequentie van het contact uitgewerkt. De bedoeling is dat het kind ook altijd gesproken wordt en afhankelijk van de situatie ook apart. Ook worden met het professionele en sociale netwerk rondom het kind afspraken gemaakt om de GI te informeren als daartoe aanleiding is.
Hoeveel belangrijke beslissingen zijn het afgelopen jaar vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was en welke gevolgen heeft dit gehad voor de betrokken kinderen?
Er wordt niet geregistreerd welke belangrijke beslissingen het afgelopen jaar zijn vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was.
Zijn bij u, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd of de Inspectie Justitie en Veiligheid incidenten, calamiteiten of onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld? Zo ja, hoeveel en wat was de aard daarvan?
Bij de inspecties zijn calamiteiten, incidenten en onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld. Gegevens over het aantal en de aard van de incidenten, calamiteiten of onveilige situaties door het ontbreken van een voogd hebben de inspecties niet, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd. Wel hebben de inspecties in diverse publicaties aandacht gevraagd voor de problematiek van het niet (tijdig) hebben van een vaste jeugdbeschermer/voogd:
De inspecties maken in rapporten vaak geen onderscheid tussen voogden of jeugdbeschermers (die ook de voogd kunnen zijn). Daarom spreken ze in rapporten vaak van jeugdzorgwerkers.
Hoe verhoudt het ontbreken van een vaste voogd zich tot de wettelijke taak van gecertificeerde instellingen om uitvoering te geven aan een door de rechter opgelegde voogdijmaatregel?
De wet bepaalt dat een kind waarvoor een maatregel voor kinderbescherming is uitgesproken, dan wel waarvoor jeugdreclassering is opgelegd, binnen 5 werkdagen een (gezins)voogd of een jeugdreclasseringsmedewerker krijgt toegewezen. Zoals de inspectie ook constateert kan, mede door arbeidsmarktproblematiek, niet ieder kind in de praktijk direct van een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder worden voorzien. In die gevallen wordt gewerkt volgens het handelingsperspectief (zie het antwoord op vraag 2).
In de praktijk doen de GI’s meer dan beschreven in het handelingsperspectief en maken zij zoals hierboven beschreven afspraken met het sociale en professionele netwerk om de veiligheid zo goed mogelijk te borgen. En bij directe onveiligheid wordt meteen gehandeld. Dit neemt niet weg dat met het werken volgens het handelingsperspectief niet de gebruikelijke begeleiding van een reguliere uitvoering gerealiseerd kan worden. In die zijn krijgen kinderen en ouders niet de bescherming die zij mogen verwachten. Zie de antwoorden op vraag 2 en 5 voor een overzicht van de maatregelen die ingezet worden om de wachtlijsten te verminderen en het gebruik van het handelingsperspectief onnodig te maken. Ook in gevallen waarin het handelingsperspectief wordt ingezet, hebben de ouders uiteraard recht op gebruikelijke rechtsbescherming volgens het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling of de voogdij maatregel. Het handelingsperspectief is een oplossing voor het ontbreken van een vaste voogd, maar biedt niet hetzelfde niveau van bescherming, er is immers geen vaste voogd. Ik acht het huidige handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting onder de huidige omstandigheden en gezien de inzet op verbetermaatregelen een toereikend alternatief.
Hoe beoordeelt u het feit dat een kinderrechter weliswaar een gecertificeerde instelling als voogd benoemt, maar dat er geen wettelijke waarborg bestaat dat een kind binnen een bepaalde termijn een vaste jeugdbeschermer of voogd krijgt die het kind persoonlijk kent en de voogdij feitelijk uitvoert? Acht u dit verenigbaar met de rechtsbescherming en de belangen van deze kinderen?
Zie antwoord vraag 9.
Acht u het huidige Handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting toereikend voor kinderen van wie het ouderlijk gezag is beëindigd, gelet op de eerdere constateringen van de inspecties dat hierdoor onvoldoende zicht kan bestaan op de veiligheid van kinderen?
Zie antwoord vraag 9.
Waarom is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten, terwijl de inspecties al jaren waarschuwen voor personeelstekorten, hoge werkdruk en onvoldoende continuïteit binnen de jeugdbescherming?
Mede op basis van de motie Hijink – waarin al gerefereerd wordt aan de signalen van de inspecties – informeren we uw Kamer over het totaal aantal kinderen dat op een vaste jeugdbeschermer wacht. De inspecties geven in hun rapportages aan dat sprake is van onvoldoende continuïteit in de jeugdbescherming maar maken bij de wachtlijsten geen onderscheid naar het soort maatregel. Zoals bij het antwoord vraag 2 en 3 is aangegeven wordt op basis van een risicobepaling bepaald of een kind direct geholpen moet worden dan wel dat het kind noodgedwongen op de wachtlijst komt te staan. Omdat wordt uitgegaan van risico’s voor het kind en niet van het soort maatregel is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechterlijke voogdijbeslissingen daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd en dat ieder kind tijdig een vaste voogd krijgt?
In brief van 2 december 2025 hebben we u geïnformeerd over de maatregelen die genomen worden om de wachtlijsten in de jeugdbescherming en jeugdreclassering te verminderen.10 Daarbij hebben we aangegeven dat de GI’s gaan werken aan het verbeteren van hun werkwijze op basis van «good practices» en dat ze aan de slag gaan met het verbeteren van betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het debat met uw Kamer van 30 september 2026 infomeren we u over de stand van zaken.
Naast het werken aan «good practices» werkt het Rijk aan een aanpassing van het stelsel met de Hervormingsagenda Jeugd en specifiek voor de jeugdbeschermingsketen met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Op 8 juli 2026 hebben we uw Kamer geïnformeerd over de «veranderingsstrategie» Kind- en Gezinsbescherming en de acties die in dat kader genomen worden om kinderen eerder te beschermen en daarmee te voorkomen dat een maatregel voor Kinderbescherming noodzakelijk is en daarmee de druk op de wachtlijsten te verminderen. Met deze concrete verbetermaatregelen streven we ernaar de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen bij GI’s te verbeteren en de druk van stelselproblematiek te verminderen.
Bent u bereid de gecertificeerde instellingen opdracht te geven kinderen zonder vaste voogd met voorrang een vaste voogd toe te wijzen en de Kamer te informeren over de voortgang hiervan?
Er is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor kinderen zonder vaste voogd; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Bent u bereid de Kamer binnen 6 weken te informeren over het exacte aantal kinderen zonder vaste voogd, de duur van de wachtperiode per gecertificeerde instelling en de maatregelen waarmee deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd?
Op dit moment beschik ik niet over de gegevens over het aantal voogdijkinderen dat wacht op een vaste voogd. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik de wachtlijsten kan specificeren voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Ik kan u dan in november hierover informeren ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
In de brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september zal ik u nader informeren over de stand van zaken van de in de brief van 2 december 2025 opgenomen maatregelen.11
Abortus op sociale indicatie bij 22 of 23 weken zwangerschap |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er een landelijke «pilot» gaande is vanuit de commissie Gynaecoloog en Maatschappij van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) om via de reguliere geboortezorg in ziekenhuizen abortussen op sociale indicatie te gaan uitvoeren bij 22 of 23 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven welke ziekenhuizen zich al hebben aangemeld voor deze pilot?
Kunt u bevestigen dat het de bedoeling van de NVOG is om dergelijke abortussen (naar verwachting enkele honderden per jaar) via regionale spreiding in meerdere Nederlandse ziekenhuizen uit te gaan voeren?
Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke ontwikkeling is?
Erkent u dat dit gaat over een verruiming van de abortuspraktijk?
Erkent u dat dit type abortussen omstreden en beladen zijn?
Deelt u de mening dat over een dergelijke fundamentele wijziging van de abortuspraktijk eerst een politiek debat moet worden gevoerd, waarbij alle aspecten, zowel ethisch als juridisch, uitgebreid aan bod komen?
Bent u bereid om deze ontwikkeling tegen te houden totdat de Kamer zich hierover fundamenteel heeft kunnen uitspreken?
Sinds wanneer bent u op de hoogte van dit initiatief? Waarom heeft u de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd?
Kunt u ook de toolkit en het praktische protocol die zijn gemaakt door de betreffende werkgroep vanuit de NVOG met de Kamer delen?
Bent u bekend met de brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uit 2021 aan de NVOG en het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) over abortus op sociale indicatie in week 22 en 23? Kunt u deze brief met de Kamer delen?
Indien u bekend was met deze brief, waarom heeft u de Kamer hierover nooit geïnformeerd? Indien u niet bekend was met deze brief, hoe is het mogelijk dat de Kamer niet actief betrokken wordt bij een dergelijke ingrijpende wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u aangeven of deze nieuwe werkwijze ook een formele status heeft? Zijn de richtlijnen van de NVOG en het NGvA hierop aangepast? Zo nee, hoe kan het dat deze fundamentele wijziging van de abortuspraktijk doorgevoerd kan worden zonder dat dit in overeenstemming is met geldende richtlijnen? Zo ja, waarom zijn deze aangepaste richtlijnen niet openbaar gemaakt?
Kunt u uitleggen waarom ziekenhuizen tot op heden zich bewust hebben beperkt tot abortussen op grond van medische indicatie (prenatale diagnostiek) en geen tweede trimester abortussen op grond van «sociale indicatie» uitvoeren?
Hoe verhoudt deze wijziging van de abortuspraktijk zich tot interne protocollen van ziekenhuizen over medicamenteuze zwangerschapsafbreking gedurende het tweede trimester, waarin duidelijk staat dat zij zich beperken tot abortus op grond van medische indicatie?
Moet elk ziekenhuis verplicht gaan meewerken aan abortussen op sociale indicatie in week 22 en 23?
Wat is het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen over deze ontwikkelingen?
Kunt u bevestigen dat het feit dat abortusklinieken en ziekenhuizen er tot op heden bewust voor kiezen om geen abortussen in week 22 en week 23 uit te voeren in de twee evaluaties van de Wet afbreking zwangerschap nooit als urgent probleem naar voren is gekomen? Wat zegt dit en waarom zou dit nu wel moeten worden geproblematiseerd?
Erkent u de waarde van het ongeboren leven zoals dat tot uitdrukking wordt gebracht in het Wetbroek van Strafrecht? Ziet u ook de waarde in van een wettelijke grens ter bescherming van het leven van het ongeboren kind?
Erkent u dat de wettelijke grens zoals bepaald in het Wetboek van Strafrecht niet automatisch betekent dat de overheid of zorgverleners verplicht zijn om datgene wat binnen de grenzen van de wet ligt in alle gevallen mogelijk te maken?
Deelt u de mening dat het juist verstandig is om de grenzen van het strafrecht in dezen niet op te zoeken (zoals tot op heden ook het geval was)?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen maanden in diverse ziekenhuizen al abortussen op sociale indicatie vanaf week 22 hebben plaatsgevonden?
Bent u ervan op de hoogte dat medewerking aan dit type abortussen door zorgverleners als beladen en controversieel wordt ervaren?
Kunt u bevestigen dat zorgverleners op grond van de Wet afbreking zwangerschap nooit gedwongen mogen worden om medewerking te verlenen aan een abortus?
Kunt u bevestigen dat gynaecologen en verpleegkundigen in ziekenhuizen die dit type abortussen willen gaan uitvoeren nooit verplicht of onder druk gezet kunnen worden om hieraan mee te werken?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de beroepsvereniging van verzorgenden en verpleegkundigen (V&VN) over deze ontwikkelingen is? Hoe wordt V&VN hierbij betrokken?
Kunt u aangeven hoe binnen de pilot zorgverleners worden voorbereid op de consequenties van deze wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u uitleggen hoe een abortus bij 22 of 23 weken zwangerschap in zijn werk gaat?
Klopt het dat hierbij in principe geen gebruik wordt gemaakt van feticide, maar dat de bevalling opgewekt wordt waarna het kindje op een natuurlijke manier geboren wordt?
Bent u op de hoogte van het feit dat een baby bij een medicamenteuze zwangerschapsafbreking in het tweede trimester volgens gynaecologen «niet zelden» levend ter wereld komt?1 Kunt u uitleggen hoe het kindje vervolgens komt te overlijden?
Kunt u aangeven hoe vaak het precies voorkomt dat in dergelijke gevallen een kindje levend ter wereld komt? Wat is hierover bekend in medisch-wetenschappelijke literatuur? Kunt u hierbij specifiek ingaan op medicamenteuze abortussen vanaf 22 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven waarom in Nederland de abortuspraktijk vanaf 22 weken nu wordt uitgebreid, terwijl in andere landen zoals Zweden en Duitsland al levensreddend wordt opgetreden bij een vroeggeboorte van 22 weken?
Erkent u dat er dus alle reden is om ook in Nederland een discussie te starten over het verlagen van zowel de behandel- als de abortusgrens naar 22 weken? En zo nee, kunt u dit beargumenteren?
Kunt u aangeven welke complicaties er kunnen optreden bij een abortus in week 22 of week 23? Hoe groot is het risico op die complicaties?
Wat is er bekend over de pijnbeleving bij kinderen die bij 22 of 23 weken worden geaborteerd, zowel voor de geboorte als na de geboorte (als kindjes levend ter wereld komen)?
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Zie antwoord vraag 17.
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Ja.
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
De NVWA is geïnformeerd dat in Nederland speelgoed te koop zou zijn dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is teruggeroepen omdat het asbest bevatte. Op dat moment was nog niet bekend of de in Nederland verkochte productbatches asbest bevatten, en zo ja, in welke concentratie.
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Op dit moment is er onvoldoende aanleiding om dit speelgoed door NVWA van de markt te laten halen. Meer informatie hierover staat bij het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Ja, dat klopt. NVWA kan alleen afdwingen dat producten uit de handel worden gehaald als aan bepaalde voorwaarden van bemonstering en onderzoek is voldaan. Dit betekent dat de NVWA altijd van eigen onderzoek uitgaat bij handhavende acties.
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Het kabinet deelt dat producten die mogelijk niet aan de wettelijke veiligheidseisen voldoen snel moeten worden beoordeeld waarna, indien nodig, maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd moet een toezichthouder kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding voordat handhavend kan worden opgetreden.
De NVWA beschikt op dit moment niet over onderzoeksrapporten van zichzelf of van andere toezichthouders op grond waarvan zij kan optreden. De in het krantenartikel beschreven onderzoeksresultaten zijn afkomstig van onderzoek door derden en vormen een indicatieve aanwijzing, maar zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen of een product niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Voor het bepalen van de hoeveelheid asbest in speelzand, volgt de NVWA de aanbevelingen van TNO. Uit het onderzoek van TNO blijkt dat, om handhavend op te kunnen treden naast een indicatieve bepaling volgens NEN 5896 ook vervolgonderzoek volgens VDI 3866 (Blatt2 nodig is om de exacte hoeveelheid asbest vast te stellen. Die exacte hoeveelheid is van belang om te beoordelen of deze producten wel of niet voldoen aan de wettelijke eisen. Zonder deze kennis is handhaven niet mogelijk.
Bovendien blijkt uit de gezondheidskundige risicobeoordeling van het RIVM en het advies van Buro dat het gezondheidsrisico van speelzand dat voldoet aan de wettelijke eisen verwaarloosbaar is. Alleen bij jarenlang intensief spelen met speelzand dat niet aan de wettelijke limiet voor asbest voldoet, is er mogelijk een gezondheidsrisico. Daarbij is uitgegaan van het meest ongunstige scenario van jarenlange, dagelijkse blootstelling.
In het in het AD beschreven artikel betreft het speelgoed waarbij het speelzand is ingesloten. Alleen wanneer het product beschadigd raakt en het zand (gedeeltelijk) vrijkomt, is er eenmalig contact met het zand. De blootstelling is daarmee zo beperkt dat er geen reden is tot zorg. Op basis van de huidige inzichten bestaat daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een direct gezondheidsrisico.
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Ja. De NVWA houdt steekproefsgewijs en risicogericht toezicht en treedt op als bedrijven zich niet aan de regels houden en er een vermoeden is van risico.
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Ja. 100% veiligheid is niet te garanderen. De verantwoordelijkheden binnen het stelsel zijn duidelijk belegd. Producenten, importeurs en distributeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Toezichthouders, waaronder de NVWA, houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen (zie antwoord op vraag3. Deze combinatie van productverantwoordelijkheid en toezicht vormen de basis van het Europese productveiligheidsstelsel. Bovendien worden in de nieuwe Europese speelgoedverordening, die deels al van kracht is, de verantwoordelijkheden en taken voor de marktdeelnemers nog duidelijker beschreven. Ook binnen Europa wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling ondersteund.
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
NVWA verricht steekproefsgewijs en risicogericht productonderzoek, ook naar asbest in speelzand. Waar nodig wordt er handhavend opgetreden.
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Nederland heeft actief deelgenomen aan de discussies op Europees niveau binnen de Working Group on chemicals in toys4 van de Expert Group on Toy Safety5. Tijdens vergaderingen in februari en mei 2026 zijn de onderzoeken, resultaten en gezondheidskundige risicobeoordelingen, die zijn uitgevoerd door verschillende Europese lidstaten, bediscussieerd. Hierbij werd onder andere en met grote belangstelling uitgebreid stilgestaan bij het onderzoek van TNO6 naar geschikte analysemethodes voor het bepalen van asbest in speelzand en de gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door RIVM7. Het nauwkeurig bepalen van (kleine hoeveelheden) asbest is van groot belang voor het uitvoeren van een goede risicobeoordeling. Dit alles heeft geleid tot de publicatie van de «Market surveillance notes on asbestos in toy sands»8 op de website van de Europese Commissie. Hierin is onder andere vastgelegd welke analysemethoden bij voorkeur worden gebruikt voor het bepalen van asbest in speelzand, zodat de resultaten tussen lidstaten beter vergelijkbaar zijn.
Daarnaast lopen op dit moment in verschillende landen nog onderzoeken naar de mate waarin tijdens het spelen met speelzand asbestvezels kunnen vrijkomen (zie bijvoorbeeld Asbest in Spielsand: Weitere Daten für Risikobewertung erforderlich – BfR9 en RAG_Risk Assessment_Asbestos_play sand_update June 202610). Deze gegevens worden gebruikt om met name de gezondheidskundige risicobeoordeling verder te verfijnen.
Het kabinet heeft het RIVM gevraagd te adviseren over een passende aanscherping van de grenswaarde. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zal worden bezien welke vervolgstappen Nederland in Europees verband zal voorstellen.
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Het kabinet onderschrijft dat het voorkomen dat verontreinigde producten op de markt komen de voorkeur heeft boven het achteraf moeten ingrijpen. In feite wordt het probleem nu al bij de bron aangepakt: de fabrikant (als deze binnen de EU is gevestigd) of importeur (wanneer de fabrikant buiten de EU is gevestigd) mag alleen veilige producten op de EU-makt brengen. Dit geldt van grondstof tot eindproduct en alles wat daar tussen zit. De fabrikant of importeur zijn er verantwoordelijk voor dat producten voldoen aan de geldende wettelijke eisen voordat deze op de markt worden gebracht en moeten dit desgevraagd kunnen aantonen, met bijvoorbeeld certificaten. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen en kan, wanneer marktdeelnemers niet aan de wettelijke eisen voldoen, handhavend optreden. Tegelijkertijd kunnen door internationale handelsstromen niet alle producten vooraf worden gecontroleerd. Daarom bestaat het productveiligheidsstelsel uit een combinatie van bronverantwoordelijkheid, Europese regelgeving, risicogericht markttoezicht en – indien nodig – maatregelen zoals waarschuwingen en terugroepacties. Deze instrumenten vullen elkaar aan om risico's voor consumenten zoveel mogelijk te beperken.
Ook het toezicht aan de buitengrenzen van de Europese Unie draagt hieraan bij. De Douane voert hiervoor risicogerichte controles uit op goederen uit derde landen en werkt hierbij nauw samen met de andere marktoezichthouders.
Daarnaast wordt met de nieuwe speelgoedverordening, die al deels van kracht is, vanaf 2030 een digitaal productpaspoort voor speelgoed geïntroduceerd. Hierin moet bijvoorbeeld ook een conformiteitsverklaring worden toegevoegd. Dit maakt het voor toezichthouders in de toekomst mogelijk om op grote schaal (automatisch) te controleren of producten voldoen aan de Europese regelgeving en ondersteund daarmee effectiever toezicht.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
De verantwoordelijkheid hiervoor is via wetgeving neergelegd bij producenten, importeurs en distributeurs. Zij moeten ervoor zorgen dat producten die zij op de markt brengen voldoen aan de veiligheidseisen. De NVWA houdt risicogericht toezicht op de veiligheid van speelgoed en bepaalt als onafhankelijke toezichthouder waar de grootste risico's liggen en hoe de beschikbare toezichtcapaciteit wordt ingezet. Naar aanleiding van de bevindingen over asbest in speelzand is asbest opgenomen in het reguliere toezicht. Dit betekent dat binnen het monsternameprogramma periodiek steekproeven worden uitgevoerd om speelzand op de aanwezigheid van asbest te controleren. Wanneer daar aanleiding toe bestaat, kan de NVWA handhavend optreden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op grond van de REACH-verordening op het verbod op handelingen met asbest en asbesthoudende producten. Wanneer signalen of incidenten daartoe aanleiding geven, werken de betrokken toezichthouders samen en worden passende maatregelen genomen. Daarnaast wordt voortdurend bezien of de beschikbare toezichtinstrumenten en de informatiepositie voldoende aansluiten bij nieuwe risico’s, waaronder risico’s die ontstaan door internationale handelsstromen. De Douane ondersteunt het toezicht door risicogerichte controles uit te voeren op goederen die vanuit derde landen worden ingevoerd.
Daarnaast wordt, zoals in vraag 10 aangegeven, de nieuwe Europese Speelgoedverordening gefaseerd ingevoerd. Deze introduceert onder meer een digitaal productpaspoort voor speelgoed, waardoor het voor toezichthouders eenvoudiger wordt om de conformiteit van producten te controleren en niet-conforme producten sneller te signaleren.
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Het is het kabinet bekend dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg onder druk staat, hoewel er landelijk gezien meer huisartsen dan ooit zijn. Tegelijkertijd zijn er regionale verschillen in problematiek en tekorten. Enschede is een voorbeeld van een plek waar zich een regionaal tekort aan huisartsenzorg voordoet. Zo is na het faillissement van Co-Med in 2024 de huisartsenpraktijk THOEN tijdelijk operationeel geweest. Huisartsen uit andere praktijken met ruimte in hun agenda draaiden extra diensten in deze praktijk. Het harde werk van huisartsen, zorgverzekeraar Menzis en de gemeenten heeft er in die periode voor gezorgd dat toegang tot huisartsenzorg gewaarborgd was voor mensen zonder huisarts. Omdat het niet meer haalbaar was om diensten te vullen is deze tijdelijke praktijk gestopt. De huisartsen, zorgverzekeraars en gemeenten gaan door met het vinden van oplossingen zoals het gebruik maken van digitale huisartsenzorg voor iedereen die geen vaste huisarts heeft.
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedere (Zvw-)verzekerde in Nederland toegang heeft tot een vaste huisarts in de buurt, ongeacht afkomst. Huisartsen mogen bij de inschrijving van patiënten geen ongegrond onderscheid maken tussen verschillende patiëntengroepen. Het zijn van statushouder is geen gegronde reden om met voorrang in te schrijven bij een huisarts. VWS heeft ook geen signalen ontvangen dat dit gebeurt.
Huisartsen bepalen zelf op basis van eigen capaciteit of hun praktijk open of dicht is voor nieuwe inschrijvingen. Als huisartsenpraktijken ruimte hebben voor nieuwe patiënten, geven zij soms voorrang aan patiënten die nog geen huisarts hebben boven patiënten die willen wisselen van huisarts.
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
VWS heeft geen signalen dat statushouders en nareizigers met voorrang worden ingeschreven bij huisartsenpraktijken. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft deze signalen evenmin.
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
In Nederland werkt de huisartsenzorg niet met een wachtlijst zoals gebruikelijk in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) of in de medisch specialistische zorg (MSZ). Patiënten kunnen zich inschrijven bij een huisartsenpraktijk waarbij de praktijkhouder bepaalt of er plek is om iemand aan te nemen. Als er sprake is van een patiëntenstop kan een huisarts besluiten een patiënt toch in te schrijven, bijvoorbeeld wanneer sprake is van bijzondere medische omstandigheden, gezinsuitbreiding of wanneer de continuïteit van zorg dit noodzakelijk maakt.2 Dergelijke afwegingen zijn zorginhoudelijk van aard en gelden ongeacht afkomst, nationaliteit of verblijfsstatus.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werkt nauw samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om te zorgen dat iedereen in Nederland toegang heeft tot een huisarts in de buurt. In het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) heeft het kabinet met betrokken partijen afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de huisartsenzorg te vergroten en te borgen. Daarover is het kabinet doorlopend in gesprek met deze partijen.
Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Ja.
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Jeugdzorg Nederland rapporteert2 dat er 2216 pleegouders gestopt zijn in 2025.
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Er zijn diverse redenen waarom pleegouders stoppen.
Voorop staat dat een verschil bestaat tussen bestandspleegouders en netwerkpleegouders. Een deel van de pleegkinderen kan binnen het eigen netwerk opgevangen worden, bijvoorbeeld bij een familielid. In dat geval is sprake van netwerkpleegzorg. Het andere deel van pleegkinderen woont in een bestandpleeggezin, zij kennen de pleegouders nog niet voorafgaand aan de start van de plaatsing. We weten op basis van de Factsheet Pleegzorg 2025 dat meer dan helft van pleegouders die stopt (56%) netwerkpleegouder is. Bij netwerkpleegzorg geven de pleegouders zich vaker niet automatisch opnieuw op als pleegouder, wanneer het pleegkind uitstroomt. De motivatie om netwerkpleegouder te worden, verschilt daarin van de motivatie om bestandspleegouder te worden.
In 2019 hebben het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) onderzoek gedaan naar waarom pleegouders stoppen3. Er zijn positieve redenen waarom pleegouders stoppen, bijvoorbeeld als een pleegkind zelfstandig gaat wonen of weer terug gaat naar eigen ouders. Daarnaast zijn er voor pleegouders omstandigheden die ertoe leiden dat zij het besluit nemen om te stoppen: problemen met het zorgsysteem (waaronder de samenwerking met jeugdbescherming of pleegzorgbegeleiding), de impact op het eigen gezin, de problematiek van het pleegkind en een moeizame relatie met de ouders van het pleegkind.
In het eerdergenoemd onderzoek uit 2019 kwam naar voren dat gemiddeld genomen pleegouders voor 6 jaar pleegouder blijven.4 Ik wil – in lijn met de oproep van de NVP – aanvullend onderzoek laten doen naar waarom pleegouders stoppen en wat pleegouders juist helpt om door te gaan. Ik wil dit nieuwe onderzoek dit najaar starten, hierover voer ik momenteel voorbereidend overleg met de sector. Ik verwacht de resultaten voor de zomer van 2027 en zal de Kamer over de voortgang informeren
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Jaarlijks wordt het aantal wachtenden op pleegzorg door Jeugdzorg Nederland in kaart gebracht in de Factsheet Pleegzorg. De cijfers over 2026 worden voor de zomer van 2027 gepubliceerd. Jeugdzorg Nederland rapporteert5 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Voorop staat dat en passende plek prioriteit is bij plaatsing, omdat alleen op deze manier stabiliteit en duidelijkheid aan een pleegkind wordt gegeven.
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Verschillende maatschappelijke factoren en ontwikkelingen in de pleegzorg zijn hierop van invloed, het is lastig om een directe oorzaak aan te wijzen. Maatschappelijke factoren die invloed hebben zijn bijvoorbeeld de stijgende kosten van levensonderhoud en een onzekerdere wereld, de vergrijzing en toenemende vraag naar mantelzorg waardoor er minder vrijwilligers te vinden zijn – waaronder pleegouders. Het zorgen voor een pleegkind met een zware zorgvraag kost veel tijd. Pleegouders werken tegenwoordig vaak beiden, waardoor er minder tijd is om voor een pleegkind te zorgen dan vroeger.
Daarnaast is pleegzorg erg veranderd. De afgelopen jaren wordt steeds meer ingezet op kinderen tijdelijk bij pleegouders te plaatsen en weer terug naar huis te kunnen laten gaan. Langdurige, perspectief biedende plaatsingen die vroeger gebruikelijk waren, zijn minder de basis. Wanneer een plaatsing beëindigt doordat een kind vertrekt, zien we tegenwoordig vaak dat pleegouders zich niet meer opnieuw inzetten voor een nieuw kind. Bij netwerkplaatsingen zien we dit vooral, terwijl dit type plaatsingen steeds vaker voorkomt. Zie ook mijn antwoord onder 3. Aanvullend zetten we in de pleegzorg steeds meer in op gedeeld opvoederschap, met betrokkenheid van de eigen ouders. Dit vraagt van pleegouders dus meer dan «alleen een kind opvangen». Dit is soms anders dan pleegouders hadden verwacht of gehoopt dat pleegzorg zou zijn. Al deze ontwikkelingen en factoren zijn van invloed op het aantal pleeggezinnen.
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
Ik ben voornemens de campagne te verlengen t/m 2027. Met de sector ben ik ondertussen in gesprek over welke landelijke inzet op werving benodigd is voor 2028 en verder.
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
De huidige campagne van «Jouw huis een 2e thuis» wordt positief ontvangen. De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder. Aanvullend ben ik voornemens de campagne te verlengen t/m 2027 en ben ik met de sector in gesprek over 2028 en verder, zoals ook genoemd onder vraag 7.
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Pleegzorgbegeleiders bieden begeleiding en ondersteuning aan pleegouders. Aanvullend kunnen pleegouders terecht bij de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten zij erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
In mijn antwoord op vraag 7 ben ik ingegaan op de inzet op de werving van pleegouders. Voor het behoud van pleegouders is het versterken van de reguliere belgeleiding cruciaal, zie ook mijn antwoord onder 9. Hier zet ik met de sector op in. Aanvullend zal ik zoals eerder genoemd onderzoek doen waarom pleegouders stoppen (zie antwoord 4). Over de uitvoering van motie Hamstra zal ik de Kamer voor het WGO Jeugd van dit najaar nader informeren, zoals verzocht in de motie.
De bestuurlijke problemen en de uitvoering van de jeugdzorg in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Lelystadse jeugdzorg wordt steeds duurder. De directeur die daar iets aan deed, moest vertrekken»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bestuurlijke en organisatorische problemen binnen de gemeente Lelystad ertoe hebben geleid dat aanvragen voor jeugdhulp zijn blijven liggen en de toegang tot jeugdhulp onder druk is komen te staan?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten een jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
Kunt u aangeven of de continuïteit en tijdigheid van de jeugdhulp in Lelystad gedurende deze periode in het geding zijn geweest? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor kinderen en gezinnen?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is eind maart vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad, omdat ook vanuit VWS zorgen waren over de situatie in Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en is ook in gesprek gegaan met de gemeente Lelystad. Daarbij heeft de NZa risico’s gesignaleerd die van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp. De NZa volgt de situatie nauwgezet en blijft met de gemeente in gesprek over de verdere opvolging hiervan. De NZa heeft VWS de afgelopen maanden regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken in Lelystad en blijft dit naar de toekomst toe ook doen.
Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijke wanneer een gemeente de uitvoering van de Jeugdwet onvoldoende op orde heeft en daardoor de toegang tot passende jeugdhulp in gevaar komt?
De Jeugdwet is gedecentraliseerd. Dit betekent dat gemeenten in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze taak en dat de gemeenteraad verantwoordelijk is om het college hierop aan te spreken.
De NZa houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg. Deze vroegsignaleringstaak is één van de nieuwe taken die de NZa heeft gekregen met het in werking treden van de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg waarbij VWS als stelselverantwoordelijke het wetsvoorstel heeft voorbereid. Indien blijkt dat er sprake is van taakverwaarlozing door een gemeente, dan kan het Rijk de gemeente hierop aanspreken via interbestuurlijk toezicht.
Is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op de hoogte van de situatie in Lelystad? Zo ja, welke rol heeft de IGJ gespeeld of gaat zij nog spelen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zijn op de hoogte van de situatie in Lelystad. Omdat het hier om de toegang gaat en niet om de kwaliteit van de zorg bij aanbieders, heeft de IGJ hier alleen een signalerende rol in richting het Ministerie van VWS.
De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Zij zijn sinds een paar maanden in gesprek met de gemeente Lelystad over de beschikbaarheid van zorg in de gemeente Lelystad.
Zijn bij u signalen bekend dat vergelijkbare organisatorische of bestuurlijke problemen ook in andere gemeenten leiden tot vertragingen, achterstanden of onjuiste besluitvorming binnen de jeugdzorg? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat het?
Als het om de beschikbaarheid van zorg gaat, dan heeft de NZa sinds 1 januari 2026 de nieuwe taak om hier zicht op te houden. De NZa heeft op dit moment geen vergelijkbare signalen van andere gemeenten.
In hoeverre beschikt u over instrumenten om in te grijpen wanneer de uitvoering van de Jeugdwet binnen een gemeente structureel tekortschiet? Bent u van mening dat deze instrumenten toereikend zijn?
Gemeenten zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de uitvoering van de Jeugdwet. De gemeenteraad is verantwoordelijk om het college van B&W hierop aan te spreken. Indien blijkt dat er desondanks sprake is van taakverwaarlozing dan heeft het Rijk het instrument interbestuurlijk toezicht. Het interbestuurlijk toezicht kent verschillende stappen die doorlopen dienen te worden. Zo vindt eerst signalering en factfinding plaats. Waarna, indien nodig, afspraken met gemeenten gemaakt kunnen worden over acties, termijnen en vervolg om de taak op grond van de Jeugdwet te kunnen borgen. In een uiterst geval kan het Rijk overgaan tot indeplaatsstelling. Tot op heden heeft het maken van afspraken over acties, termijnen en vervolg kunnen volstaan om taakverwaarlozing te beëindigen.
Welke lessen trekt u uit de gebeurtenissen in Lelystad voor de landelijke hervorming van de jeugdzorg, in het bijzonder ten aanzien van sturing, toezicht, financiële beheersing en de toegang tot passende hulp?
Met de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd is ingezet om het jeugdstelsel verder te ontwikkelen en te versterken. Met de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg heeft bijvoorbeeld de NZa nieuwe taken gekregen, waaronder de eerder genoemde vroegsignaleringstaak. Ook is voor sommige zorgvormen vastgelegd dat gemeenten verplicht regionaal moeten samenwerken in Jeugdregio’s. Dit zijn allemaal zaken die bijdragen aan een beter werkend jeugdhulpstelsel. In die beleidsontwikkeling wordt ook casuïstiek betrokken.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre bestuurlijke conflicten en organisatorische problemen binnen gemeenten ertoe leiden dat kinderen niet tijdig de jeugdhulp ontvangen waarop zij recht hebben en de Kamer hierover te informeren?
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om het gesprek te voeren met het college. Indien er bij gemeenten situaties zijn die er toe leiden dat kinderen niet tijdig jeugdhulp ontvangen, dan zal VWS hierover in gesprek gaan met de desbetreffende gemeente vanuit haar stelselverantwoordelijkheid.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat interne bestuurlijke problemen of tekortschietende gemeentelijke uitvoering ten koste gaan van de veiligheid, ontwikkeling en zorg van kwetsbare kinderen?
Geen.
Het bericht dat de Gezondheidsraad wil dat de overheid alcoholgebruik verder ontmoedigt en denormaliseert |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gaat alcohol het roken achterna? Gezondheidsraad wil dat overheid ingrijpt» van de NOS en het advies van de Gezondheidsraad dat alcoholgebruik verder moet worden ontmoedigd en «minder normaal» moet worden gemaakt?
Ja.
Deelt u de mening dat er een principieel verschil bestaat tussen het informeren van burgers over gezondheidsrisico’s enerzijds en het actief sturen, ontmoedigen en denormaliseren van legaal gedrag van volwassen burgers anderzijds?
Het kabinet wil een gezonde leefstijl voor iedereen dichterbij brengen en de gezonde keuze makkelijker maken. Het drinken van alcohol brengt risico’s met zich mee voor het individu en ook voor de samenleving. Denk aan ziektes en ook aan verzuim, geweld, ongevallen en letsel. We betalen hier als samenleving een prijs voor. Het is daarmee niet alleen een individueel probleem. Daarom gelden er regels voor de verstrekking van alcohol via de Alcoholwet, regels voor alcoholreclames en wordt accijns geheven op alcoholhoudende drank. Daarbij is het een belangrijke taak van de overheid mensen over de risico’s van alcohol te informeren en ervoor te zorgen dat er goede zorg is voor mensen met alcoholproblematiek.
Waar ligt volgens u de grens tussen volksgezondheidsbeleid en staatsbemoeienis met de persoonlijke levenssfeer van volwassen Nederlanders?
Mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken. De overheid zorgt voor wet- en regelgeving, ondersteuning en goede voorlichting, zodat mensen een weloverwogen en geïnformeerde keuze kunnen maken.
Erkent u dat alcoholgebruik, net als bijvoorbeeld suikerconsumptie, vleesconsumptie, autorijden, wintersport, zonnen, festivals, vuurwerk, barbecueën of andere vormen van levensgenot, nooit volledig risicovrij is, maar dat dit op zichzelf nog geen vrijbrief vormt voor steeds verdergaande overheidsinmenging?
Alcoholgebruik is net als veel andere gebruiken nooit risicovrij. Alcoholgebruik heeft gevolgen voor zowel de gezondheid als de veiligheid in de samenleving. Daarom is er wet en regelgeving, ondersteuning en goede voorlichting, zodat mensen een weloverwogen en geïnformeerde keuze kunnen maken.
Deelt u de zorgen dat in het preventiebeleid steeds vaker een beleidscultuur ontstaat waarin niet langer uitsluitend excessen of misstanden worden bestreden, maar waarin de overheid normaal, legaal en maatschappelijk ingebed gedrag van burgers actief probeert te ontmoedigen?
Het gaat hier gegeven de gevolgen (verzuim, geweld, ongevallen, ziektelast) om een maatschappelijk probleem. Gelet op deze gevolgen van alcoholgebruik voor de samenleving ligt het voor de hand om alcoholgebruik te ontmoedigen. De keuze om wel of niet te drinken, is aan mensen zelf.
Bent u van mening dat het de taak van de overheid is om alcoholgebruik als zodanig «minder normaal» te maken? Zo ja, op basis van welke democratische opdracht meent u dat de overheid het mandaat heeft om diepgewortelde sociale gebruiken en culturele tradities te denormaliseren?
Het is een taak van de overheid de volksgezondheid te beschermen. Het drinken van alcohol vergroot het risico op chronische ziekten en heeft gevolgen voor de samenleving. Het kabinet vindt het daarom van belang mensen over de gevolgen van alcoholgebruik te informeren.
Hoe verhoudt het pleidooi om alcoholgebruik te denormaliseren zich tot de eigen verantwoordelijkheid van volwassen burgers?
Het geven van voorlichting over de gevolgen van alcoholgebruik is belangrijk. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van mensen zelf om wel of niet te kiezen voor alcoholhoudende drank.
Acht u het wenselijk dat de overheid zich ontwikkelt tot een instantie die niet alleen waarschuwt voor gezondheidsrisico’s, maar ook actief bepaalt welke vormen van ontspanning, genot en sociaal gedrag maatschappelijk nog als normaal mogen gelden?
Het kabinet wil een gezonde leefstijl voor iedereen dichterbij brengen. Het drinken van alcohol brengt risico’s met zich mee voor het individu en ook voor de samenleving. Dit rechtvaardigt regelgeving en beleid om alcoholgebruik te ontmoedigen en een omgeving te realiseren die de gezonde keuze makkelijker maakt. Uiteindelijk maken mensen hun eigen afweging ten aanzien van het drinken van alcohol.
Kunt u garanderen dat het kabinet geen beleid zal voeren dat erop gericht is om gematigd alcoholgebruik door volwassenen maatschappelijk te stigmatiseren?
Uiteindelijk zijn volwassen mensen vrij om hun eigen afwegingen te maken. Het stigmatiseren van matig gebruik of anderszins bepalen welke vormen van gedrag normaal zijn, is niet aan de orde.
Kunt u aangeven of het kabinet voornemens is om de aanbevelingen van de Gezondheidsraad over te nemen, zoals het duurder maken van alcohol, het beperken van verkooppunten, het beperken van reclame, neutrale verpakkingen of gezondheidswaarschuwingen?
Het kabinet is het advies van de Gezondheidsraad aan het bestuderen en komt dit najaar met een reactie.
Kunt u per genoemde maatregel aangeven welke concrete beleidsopties het kabinet overweegt, welke maatregelen het kabinet uitsluit en op welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat «niet risicovrij» iets anders is dan «onaanvaardbaar», en dat vrijwel geen enkele menselijke activiteit volledig risicovrij is – aangezien de Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is voor alcoholgebruik en dat ook één glas per dag risicovol is?
Alcoholgebruik heeft gevolgen voor zowel de volksgezondheid als de veiligheid in de samenleving. Daarom gelden er ook duidelijke regels en normen bijvoorbeeld voor alcohol in het verkeer of alcohol drinken door minderjarigen. Het kabinet maakt Nederland verkeersveiliger voor de voetganger, de fietser en de automobilist. Het dikke-ik gedrag in het verkeer pakken we aan door strenger te handhaven en in te zetten op gedragsverandering. Het kabinet voert een zerotolerancebeleid voor alcohol in het verkeer conform het coalitieakkoord [1] en hanteert als norm geen alcohol voor minderjarigen.
Bent u bereid in toekomstige communicatie over alcoholgebruik helder onderscheid te maken tussen zwaar of problematisch alcoholgebruik enerzijds en incidenteel of gematigd alcoholgebruik door volwassenen anderzijds?
De gevolgen van alcoholgebruik gelden voor iedereen; zowel voor het individu als voor de maatschappij. De Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is. Het is daarom van belang om iedereen te informeren over de gevolgen van alcoholgebruik en een gezonde keuze makkelijker te maken.
Acht u het proportioneel om maatregelen te nemen die alle volwassen Nederlanders raken, terwijl de grootste maatschappelijke problemen samenhangen met problematisch gebruik, verkeersdeelname onder invloed, geweld, verslaving of overmatig drinken?
Zie antwoord vraag 13.
Klopt het dat het Nationaal Preventieakkoord zich oorspronkelijk vooral richtte op problematisch alcoholgebruik? Zo ja, erkent u dat het huidige advies van de Gezondheidsraad een verschuiving betekent van het bestrijden van problematisch gebruik naar het ontmoedigen van alcoholgebruik als zodanig?
De inzet op alcohol maakt onderdeel uit van de preventiestrategie. Deze strategie werkt toe naar de gezondste generatie ooit en kijkt per omgeving hoe deze gezonder kan en wat daarvoor nodig is. De doelen van het Nationaal Preventieakkoord worden in deze strategie doorgezet. Voor alcohol betekent dit het terugdringen van alcoholgebruik onder jongeren en zwangeren, het terugdringen van overmatig en zwaar alcoholgebruik en het vergroten van de kennis over en de bewustwording van de schadelijkheid van alcohol en het eigen drinkgedrag. Het advies van de Gezondheidsraad ondersteunt de ambitie om toe te werken naar de gezondste generatie ooit. In het najaar wordt u geïnformeerd over de voortgang van deze strategie en volgt de reactie van het kabinet op het advies van de Gezondheidsraad.
Deelt u de mening dat beleid tegen problematisch alcoholgebruik iets wezenlijk anders is dan beleid dat erop gericht is om alcoholgebruik in brede zin uit het normale maatschappelijke leven terug te dringen?
De gevolgen van alcoholgebruik zijn er zowel voor het individu als voor de samenleving als geheel. Het kabinet werkt met de preventiestrategie toe naar de gezondste generatie ooit. Het kabinet wil ervoor zorgen dat dat de omgeving mensen in staat stelt om gezonde keuzes te maken.
Bent u bereid om in uw reactie op het advies expliciet in te gaan op de gevolgen voor horeca, slijterijen, supermarkten, brouwerijen, wijnhandelaren, evenementen, sportverenigingen en lokale gemeenschappen?
Indien het kabinet maatregelen neemt, dan is een zorgvuldige afweging van belangen en gevolgen (economisch, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving etc) onderdeel van het proces.
Is onderzocht wat de economische gevolgen zijn van hogere accijnzen, verkoopbeperkingen, reclameverboden of neutrale verpakkingen voor Nederlandse ondernemers? Zo nee, bent u bereid dit eerst te laten onderzoeken voordat nieuwe maatregelen worden overwogen?
In het kader van het Nationaal Preventie Akkoord is voor diverse maatregelen (accijnsverhoging, verkoopbeperkingen en reclameverbod) onderzocht wat de economische gevolgen zijn (o.a. Ministerie van Financiën 2024, SEO 2020, RIVM 2018). Zie verder antwoord 17.
Bent u bereid om bij iedere voorgenomen maatregel niet alleen gezondheidseffecten, maar ook effecten op vrijheid, ondernemerschap, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving en sociale cultuur in kaart te brengen?
Indien het kabinet maatregelen neemt, dan is een zorgvuldige afweging van belangen en gevolgen (economisch, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving etc) onderdeel van het proces.
Erkent u dat prijsverhogingen via accijnzen relatief zwaar kunnen neerslaan bij mensen met lagere inkomens, terwijl het gedragseffect onzeker kan zijn?
Het verhogen van de accijns op alcohol is een bewezen kosteneffectieve maatregel om alcoholgebruik te ontmoedigen, mits de accijnsverhoging zo substantieel is dat deze leidt tot een merkbare prijsverhoging en tegelijkertijd niet dermate groot is dat het leidt tot ongewenste grenseffecten.1 Een forse verhoging van de alcoholaccijns kan inderdaad effect hebben op de koopkracht en zal mensen met lagere inkomens naar verwachting meer raken, omdat zij een groter deel van hun inkomen uitgeven aan boodschappen. Mensen met een hoger inkomen drinken echter vaker alcohol dan mensen met een lager inkomen. Tegelijkertijd drinken mensen met een laag inkomen vaker overmatig of zwaar en is de te verwachten gezondheidswinst bij die groep dan ook het grootst.2 3 Het kabinet komt dit najaar met een reactie op het advies van de Gezondheidsraad.
Bent u bereid om af te zien van verdere accijnsverhogingen op alcohol zolang niet overtuigend is aangetoond dat zulke verhogingen daadwerkelijk leiden tot minder problematisch gebruik in plaats van vooral tot lastenverzwaring, grenseffecten en ontwijkgedrag?
Zoals hierboven aangegeven is het verhogen van de accijns op alcohol een bewezen kosteneffectieve maatregel om alcoholgebruik te ontmoedigen. In Nederland is het overmatig en zwaar drinken tussen 2014 en 2025 significant gedaald. De meest recente accijnsverhoging van 8,4% uit januari 2024 heeft in zeer beperkte mate tot extra grenseffecten geleid.4 De voorlaatste accijnsverhoging is van 2014. Het kabinet komt dit najaar met een reactie op het advies van de Gezondheidsraad.
Hoe voorkomt u dat verdere alcoholaccijnzen leiden tot meer aankopen over de grens, illegale handel of thuisproductie?
De meest recente accijnsverhoging van 8,4% uit januari 2024 heeft in zeer beperkte mate tot extra grenseffecten geleid.5 Zie verder antwoord 20 en 21.
Acht u het wenselijk dat alcohol mogelijk alleen nog via slijterijen verkrijgbaar zou zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot de vrijheid van ondernemers en consumenten?
Het kabinet is het advies van de Gezondheidsraad aan het bestuderen en komt dit najaar met een reactie.
Kunt u uitsluiten dat het kabinet voornemens is alcohol uit supermarkten te weren?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u uitsluiten dat het kabinet neutrale verpakkingen voor alcoholische dranken wil invoeren, vergelijkbaar met tabaksproducten?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u uitsluiten dat het kabinet gezondheidswaarschuwingen op alcoholverpakkingen wil invoeren die vergelijkbaar zijn met waarschuwingen op tabaksproducten?
Zie antwoord vraag 23.
Deelt u de mening dat alcohol cultureel, sociaal en historisch een andere plaats inneemt dan tabak, en dat het daarom onwenselijk is om alcoholbeleid simpelweg langs dezelfde lijn als tabaksbeleid te ontwikkelen?
Voor zowel tabak als voor alcohol geldt dat er geen veilige ondergrens is en dat gebruik ervan het risico verhoogt op diverse ziekten en aandoeningen. Voor je gezondheid is het dus beter om niet te roken en niet te drinken. Dat het drinken van alcohol voor veel mensen ook een sociale waarde heeft, doet hieraan niets af. Het is de taak van de overheid om mensen goed te informeren en om ongezonde keuzes te ontmoedigen door regels te stellen aan de verstrekking van alcohol, aan reclame voor alcohol en door het instellen van accijns op alcoholhoudende drank. Mensen maken uiteindelijk zelf hun eigen keuzes als het gaat om roken, drinken of voeding. Goede betrouwbare informatie leidt tot een weloverwogen keuze.
Welke andere producten of gedragingen zouden volgens dezelfde redenering van «geen veilige ondergrens» in aanmerking komen voor denormalisering door de overheid?
Voor zowel tabak, alcohol en natuurlijk drugs geldt dat al deze middelen verslavend en risicovol zijn en dat gebruik ervan vanuit het perspectief van de volksgezondheid ontmoedigd wordt. Het kabinet wil een gezonde leefstijl voor iedereen dichterbij brengen. Mensen worden geholpen met een gezonde leefstijl, door ondersteunende programma’s en goede voorlichting. Daarnaast is het ook nodig om ongezonde keuzes te ontmoedigen door duidelijke normen te stellen via afspraken en regelgeving die ook gehandhaafd wordt. Daarbij is het belangrijk om al op jonge leeftijd te beginnen – jong geleerd is immers oud gedaan. Daarom zien we toe op de leeftijdsgrens van 18 voor verkoop van alcohol en versterken we de norm van NIX18.
Als de redenering is dat ieder gezondheidsrisico een reden kan zijn voor ontmoediging, welke principiële begrenzing hanteert het kabinet dan nog om te voorkomen dat steeds meer vormen van normaal leven onder preventiebeleid worden gebracht?
Een samenleving die gezond, fit en veerkrachtig is, dat is waar dit kabinet voor staat. Met de preventiestrategie is de scope van het preventiebeleid vanuit het perspectief van de volksgezondheid afgebakend tot 11 thema’s: bewegen, overgewicht, voeding, roken, drugsgebruik, problematisch alcoholgebruik, vaccinaties, schermgebruik en sociale media, seksuele gezondheid, gehoorschade en zongebruik.
Deelt u de mening dat volksgezondheid belangrijk is, maar niet het enige hoogste doel van de staat kan zijn, omdat vrijheid, verantwoordelijkheid, traditie, gemeenschapsleven en levensvreugde óók publieke waarden zijn?
Het kabinet beoogt de volksgezondheid te beschermen en hecht in de aanpak aan een gezonde balans tussen ondersteunen, voorlichten en normstellen én individuele vrijheid en verantwoordelijkheid.
Bent u bereid om in de kabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad niet alleen een medische en preventieve afweging te maken, maar ook een principiële afweging over vrijheid, proportionaliteit en de rol van de overheid in het privéleven van burgers?
Zoals eerder aangegeven, bestudeert het kabinet op dit moment het advies en komt het kabinet dit najaar met een reactie. Het is een taak van de overheid de volksgezondheid te beschermen, waarbij mensen uiteindelijk zelf een keuze maken om wel of niet te drinken.
Kunt u toezeggen dat de Kamer geen maatregelenpakket ontvangt waarin alcoholbeleid via een technocratische gezondheidslogica wordt doorgevoerd zonder expliciet politiek debat over de vraag of de overheid zich überhaupt met dit soort keuzes van volwassen burgers moet bemoeien?
Het kabinet komt dit najaar met een reactie op het advies van de Gezondheidsraad. Zie ook antwoord 31.
Bent u bereid om afstand te nemen van het uitgangspunt dat alles wat ongezond kan zijn door de overheid moet worden ontmoedigd?
Als een product zoals alcohol, een duidelijk risico betekent voor de zowel gezondheid als voor de maatschappij, dan is het een taak van de overheid om de volksgezondheid te beschermen en mensen te informeren over de risico’s van dit product.
Kunt u bevestigen dat volwassen Nederlanders uiteindelijk zelf verantwoordelijk blijven voor de vraag of zij bij een diner, verjaardag, bruiloft, voetbalwedstrijd, dorpsfeest, festival of vrijdagmiddagborrel een glas alcohol willen drinken?
Individuele keuzevrijheid en individuele verantwoordelijkheid zijn een groot goed: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken in hun keuze om wel of niet te drinken. Een onafhankelijk goed onderbouwd advies, zoals dat van de Gezondheidsraad, vergroot deze keuzevrijheid en verantwoordelijkheid van mensen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóórdat het kabinet een inhoudelijke reactie op het advies van de Gezondheidsraad aan de Kamer stuurt?
Ja, waar mogelijk zijn de vragen afzonderlijk beantwoord.
Het verplaatsen van de zorgtaken van het VUmc naar het AMC. |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van de Raad van Bestuur van Amsterdam UMC om de zorgtaken van het VUmc tegen 2040 naar het AMC in Amsterdam-Zuidoost te verplaatsen?1
Ja.
Wat is de impact van het wegvallen van de zorgtaken op de huidige locatie van het VUmc op de zorgverlening in de buurt, bijvoorbeeld voor acute zorg of traumazorg?
Het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC heeft geen gevolgen voor de acute zorg op locatie VUmc, omdat de spoedeisende hulp en de traumazorg sinds 2024 al zijn geconcentreerd op locatie AMC. Voor de overige ziekenhuiszorg heeft het Amsterdam UMC aangegeven dat het als universitair medisch centrum voornamelijk hoogcomplexe, derdelijnszorg verleent aan patiënten die veelal vanuit andere ziekenhuizen worden doorverwezen. Volgens het Amsterdam UMC kunnen inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten voor een groot deel van de medisch-specialistische zorg daarnaast ook terecht bij andere ziekenhuizen in de regio. Voor patiënten die zijn aangewezen op de hoogcomplexe zorg van het Amsterdam UMC heeft het ziekenhuis aangegeven dat een concentratie van de zorg op locatie AMC naar verwachting slechts een beperkte verandering van de reistijd met zich meebrengt.
Het is aan Amsterdam UMC om de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg verder uit te werken en daarbij de gevolgen voor patiënten, waaronder de bereikbaarheid van de zorg, zorgvuldig te betrekken.
Het kabinet hecht eraan dat besluiten over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod zorgvuldig tot stand komen, waarbij alle relevante belangen in een vroeg stadium worden betrokken en gewogen. Om de regionale dialoog tussen betrokkenen bij (mogelijke of voorgenomen) wijzigingen in het aanbod van acute zorg en ziekenhuiszorg te bevorderen, is een handreiking opgesteld.2
In de handreiking staan adviezen om de betrokkenheid van alle belanghebbenden te borgen. Door alle belangen te horen en te wegen en hier vroegtijdig met elkaar over in gesprek te gaan, wordt begrip gecreëerd en worden besluiten breed gedragen in de regio. Dit bevordert een zorgvuldig besluitvormingsproces. Bij de verdere uitwerking en eventuele besluitvorming over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod dient het Amsterdam UMC uiteraard ook de daarvoor geldende wet- en regelgeving in acht te nemen. Daaronder vallen, indien van toepassing, ook de voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz over een zorgvuldige besluitvormingsprocedure bij wijzigingen in het (acute) zorgaanbod.
Wat betekent het wegvallen van de zorgtaken op de huidige locatie van het VUmc en de concentratie van ziekenzorg in Zuidoost voor de risico’s op ernstige aandoeningen of overlijden door ontijdige behandeling in gevolge van langere verplaatsingstijden (bijvoorbeeld van de ambulance), in het bijzonder bij situaties waarin de hogere afstand niet te rechtvaardigen valt door hogere kwaliteit of specialisme van een verder gelegen ziekenhuis voor bepaalde behandelingen?
Het kabinet heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC leidt tot een toename van de risico's op ernstige gezondheidsschade of overlijden als gevolg van langere aanrij- of verplaatsingstijden. Voor wat betreft vervoer per ambulance geldt dat de spoedeisende hulp van Amsterdam UMC sinds 2024 al geconcentreerd is op locatie AMC. Dat betekent dat patiënten al niet meer door de ambulance naar de VUmc locatie worden gebracht
Kunt u in het algemeen voor Nederland inzicht geven in de gevolgen van afstand tot een ziekenhuis voor de gezondheid en het sterfterisico van Nederlanders? Kunt u dat met wetenschappelijke data onderbouwen?
Het kabinet beschikt niet over deze gegevens.
Hoe neemt u de afweging over de risico’s van een gebrek aan nabijheid van zorgverlening mee in uw beleid?
Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen wanneer dat nodig is.
Voor het kabinet staat voorop dat mensen kunnen rekenen op toegankelijke en kwalitatief goede zorg. Daarbij wordt steeds een zorgvuldige afweging gemaakt tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Geografische nabijheid is een belangrijk aspect van toegankelijkheid, maar niet het enige. Ook de kwaliteit van de zorg, de beschikbaarheid van voldoende zorgprofessionals en de mogelijkheid om zorg toekomstbestendig te organiseren zijn daarbij onder andere van belang.
Hoe houdt u in uw beleid rond de nabijheid van ziekenhuizen rekening met de toenemende vergrijzing en de daarmee grotere zorgvraag?
Om de zorg ook in de toekomst toegankelijk te houden, zet het kabinet in op passende zorg: zorg die aansluit bij wat mensen nodig hebben en op de juiste plek wordt geleverd. Het kabinet onderkent dat de vergrijzing de komende jaren zal leiden tot een toenemende zorgvraag. Echter, niet iedere zorgvraag vraagt om behandeling in een ziekenhuis. Daarom zet het kabinet in op de beweging naar de voorkant, met meer aandacht voor gezondheid en preventie, een sterke eerstelijnszorg, en nauwe samenwerking met het sociaal domein.
In welke mate is de afname van het aantal ziekenhuis- en andere zorglocaties een gevolg van de beleidsmatige keuze om kostenefficiëntie te prioriteren?
Het Ministerie van VWS streeft naar een zorgstelsel dat voor iedereen betaalbaar, toegankelijk en van hoge kwaliteit is. Het kan voorkomen dat zorgaanbieders bij de inrichting van hun organisatie ook afwegingen maken over een doelmatige en efficiënte inzet van mensen, middelen en huisvesting. Er is geen sprake van een beleidsmatige keuze om kostenefficiëntie te prioriteren.
Waar ligt volgens u de juiste balans tussen (kosten)efficiëntie van de zorg en toegankelijkheid van zorgverlening door nabijheid?
Bij keuzes over de inrichting van de zorg is steeds een zorgvuldige afweging nodig tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Al deze publieke belangen zijn van belang en moeten voldoende worden geborgd. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de toenemende zorgvraag en de schaarste aan zorgprofessionals. Het is de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders om hun organisatie, ook financieel, gezond te houden en binnen de geldende wettelijke kaders zelf keuzes te maken over de inrichting van hun zorgaanbod. Zoals ook staat beschreven in de beleidsbrief VWS3 zet dit kabinet daarbij in op passende zorg en een passend zorglandschap, waarbij basiszorg zoveel mogelijk dichtbij mensen wordt georganiseerd en specialistische zorg waar nodig wordt geconcentreerd.
Welke beleidsopties heeft u om nabije zorg zowel in dichtbevolkte steden als op afgelegen plekken maximaal te garanderen? Wat zijn de voor- en nadelen van die opties?
Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen wanneer dat nodig is. Zoals ook staat beschreven in de eerder genoemde beleidsbrief gaat dit kabinet actiever sturen op een passend zorglandschap. We verscherpen en verduidelijken de landelijke kaders en minimale eisen voor zorgaanbieders. We leggen wettelijk vast dat zorgaanbieders in samenspraak met zorginkopers verplicht zijn om constructief en gedegen deel te nemen aan het opstellen en uitvoeren van regionale plannen voor een passend zorglandschap. En we zorgen dat regionale plannen over het zorglandschap daadwerkelijk richting geven aan alle zorgaanbieders in de regio. Daarmee wordt direct gestuurd op de organisatie van zorg en op de keuzes die nodig zijn om zorg toegankelijk en toekomstbestendig te houden. De uitwerking hiervan volgt in het eerste kwartaal van 2027.
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
André Poortman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Ja.
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Ja. De afgelopen jaren is door VWS geïnvesteerd in het stimuleren en ondersteunen van de zorgsector in het verduurzamen van de zorg. Onder meer met meerdere Green Deals, waarvan de laatste de huidige Green Deal Duurzame Zorg 3.0 (GDDZ 3.0). Bij de Voorjaarsnota van 2023 is incidenteel € 42 mln vrijgemaakt voor 2023 t/m 2026 om de verduurzamingstransitie in de zorg te bespoedigen. Dit heeft geleid tot mooie resultaten en een enorme verduurzamingsbeweging die op gang is gekomen met circa 720 ondertekenaars van de GDDZ 3.0.
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Ja, daar heb ik kennis van genomen. Samen met de betrokken collega’s ga ik op korte termijn in gesprek met de briefschrijvers, waarbij zij hun brief kunnen toelichten.
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Met het aflopen van de Green Deal Duurzame Zorg 3.0 (GDDZ 3.0) eind oktober 2026, loopt eind van het jaar ook de (tijdelijke) programmatische aanpak af. Na vele jaren geïnvesteerd te hebben in de verduurzaming van de zorgsector en de vele mooie resultaten die de sector geboekt heeft, is dit een natuurlijk moment om de verduurzamingsopgave per 2027 méér bij de sector te beleggen. Die keuze is mede ingegeven door het feit dat er door bezuinigingen beperktere capaciteit en middelen zijn, hetgeen noopt tot het maken van keuzes.
De Green Deal Partijen hebben samen uitgesproken voornemens te zijn een nieuwe Green Deal Duurzame Zorg 2027–2030 te sluiten, en werken momenteel aan de totstandkoming en alles wat nodig is om dit in private samenwerking te organiseren en bekostigen. Het kabinet juicht van harte toe dat de veldpartijen met de ingezette koers verder gaan.
VWS zal na het aflopen van de GDDZ 3.0 niet meer regisserend zijn vanuit een programmatische aanpak, maar blijft wel actief als verbindende schakel tussen de verschillende ministeries en uitvoeringsorganisaties die primair bezig zijn met duurzaamheid en klimaatbeleid. Denk bijvoorbeeld aan circulair werken en grondstoffengebruik in het licht van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, maar ook aan de verduurzaming van het zorgvastgoed en bijbehorende subsidies en Europese wet- en regelgeving. Vanuit die inhoud en context betekent dit concreet dat VWS niet regisserend zal zijn in de totstandkoming van een Zorgtafel, maar wel kan deelnemen mits de Green Deal partijen daarin de regierol nemen.
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Binnen de zorgsector is een enorme verduurzamingsbeweging op gang gekomen, met talloze initiatieven die op verschillende plaatsen vindbaar zijn. Zo is er onder de GDDZ 3.0 geïnvesteerd in een gezamenlijk platform om initiatieven voor verduurzaming te delen, te vinden op de website www.greendealduurzamezorg.nl2 Daarnaast worden ook veel initiatieven door het veld onderling met elkaar gedeeld op andere digitale platforms, zoals bijvoorbeeld het initiatievenplatform van de Groene Zorg Alliantie3 en de Groene Z.4 Het laat zien dat de zorgsector de handschoen heeft opgepakt en de afgelopen jaren haar bijdrage heeft geleverd aan de verduurzaming van de zorg en daarmee aan de verduurzamingsopgave van Nederland. Dit geeft het kabinet het vertrouwen dat we de verantwoordelijkheid van de verdere verduurzamingsopgave aan de sector kunnen overdragen.
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
Nee, dat is niet bekend. De zorg is de brede sector wat een dergelijk onderzoek complex maakt. Ik zal samen met Minister van Klimaat en Groene Groei, coördinerend bewindspersoon voor de circulaire economie, gaan kijken of er een mogelijkheid is om de circulaire potentie voor de zorgsector in kaart te kunnen brengen.
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Zoals onder 4. vermeld werkt de sector zelf aan een opvolger van de GDDZ 3.0 en zal VWS niet meer regisserend zijn vanuit een programmatische aanpak. Wel zal VWS actief blijven als verbindende schakel tussen de verschillende ministeries en uitvoeringsorganisaties die primair bezig zijn met duurzaamheid en klimaatbeleid. Denk bijvoorbeeld aan circulair werken en grondstoffengebruik in het licht van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, maar ook aan de verduurzaming van het zorgvastgoed en bijbehorende subsidies en Europese wet- en regelgeving.
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Er kan zeker nóg meer circulair en met minder verspilling van materialen en ongebruikte (genees-/hulp-)middelen in de zorg worden gewerkt. Zo is in het verleden vanuit hygiëne en partiële financiële overwegingen een transitie gemaakt van duurzame werkwijzen naar het gebruik van veel wegwerpmaterialen. Daar moet met een kritische blik naar gekeken worden of dit wel echt noodzakelijk is. Dat kan financieel ook besparingen opleveren.
Wel is het zo dat de overstap naar duurzamere producten vaak een initiële investering vergt (bijv. inkoop van de duurdere herbruikbare variant) en het wassen of steriliseren van herbruikbare producten brengt (structurele) kosten met zich mee. Het werken met een duurzamere variant (bijv. slim incontinentiemateriaal) vraagt bovendien vaak een verandering van het zorgproces. Dat behoeft ook een investering (van tijd en geld). Het is daarom altijd goed om te kijken naar de terugverdientijden.
In het huidige systeem levert besparen veel op. Het loont dan ook de moeite om door te rekenen waar die investeringen besparingen kunnen opleveren. Zorgaanbieders krijgen veelal een vergoeding per behandeling (Diagnose Behandelcombinatie of DBC) of per tijdseenheid (dagtarief) voor de door hen verleende zorg. Als ze minder producten verbruiken, wordt uit de Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg toch hetzelfde bedrag betaald. Eventuele besparingen komen dan terecht bij de zorgaanbieder. Dit kan voor zorgaanbieders ook een prikkel zijn om duurzamer te werken.
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
De Green Deal-partijen hebben samen uitgesproken voornemens te zijn een nieuwe Green Deal Duurzame Zorg 2027–2030 te sluiten, en werken momenteel hard aan de totstandkoming ervan en alles wat nodig is om dit in private samenwerking te organiseren en bekostigen. Zij bouwen daarmee voort op hetgeen de sector de afgelopen jaren reeds heeft bereikt en het feit dat er inmiddels een grote verduurzamingsbeweging binnen de sector zorg en welzijn gaande is.
Het kabinet spreekt haar waardering er voor uit dat de veldpartijen met de ingezette koers verder gaan. VWS blijft, zoals gezegd, beschikbaar als verbindende schakel en wanneer partijen aanlopen tegen Nederlandse of Europese wet- en regelgeving op zorggebied die verduurzaming van de zorg bemoeilijkt.
Antwoorden op vragen inzake het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op basis van welke concrete, meetbare indicatoren u de POH-GGZ dan wél als succesvol beschouwt? En op welk moment zou u wél tot herziening overgaan?1
Kunt u toelichten hoe uw constatering dat de POH-GGZ heeft bijgedragen aan «het creëren van meer behandelaanbod» en dat dit een beleidsdoel was, zich verhoudt tot uw stelling dat uit de toename van circa 500.000 gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat een nieuwe groep zorggebruikers is ontstaan? Betekent dit dat u bewust heeft ingezet op het vergroten van de zorgvraag (induced demand)? Zo ja, op basis van welk wetenschappelijk bewijs acht u dat medisch en maatschappelijk verantwoord? Zo nee, hoe verklaart u dan de sterke toename van het aantal gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz?
Waarom weegt u cross-sectioneel praktijkonderzoek zwaarder dan longitudinale populatie-data? Welk type bewijs zou volgens u doorslaggevend zijn om de uitbreiding terug te draaien?
Waarom acht u een onafhankelijke, integrale kosten-batenanalyse (inclusief alternatieve inzet van die middelen in specialistische GGZ) op dit moment «niet aan de orde»? Welke minimale bewijslast hanteert u eigenlijk voordat honderden miljoenen euro’s per jaar als verantwoord worden beschouwd?
Bestaat er volgens u eigenlijk enig empirisch scenario waarin u de grootschalige inzet van POH-GGZ wél zou terugschroeven?
Het niet-onafhankelijke en niet-vrijblijvende karakter van de Schijf van Vijf |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kunt u volhouden dat de Schijf van Vijf slechts vrijblijvende publieksvoorlichting is, terwijl het kabinet in haar reactie op rapportages en onderzoeken voeding en alcohol schrijft dat het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten per supermarkt jaarlijks wordt gemonitord, gepubliceerd en gebruikt als uniforme maatstaf voor de mate waarin supermarkten bijdragen aan de zogenoemde gezonde keuze?
Zoals het kabinet heeft aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Van Meetelen (2026Z07617) hecht het kabinet aan individuele keuzevrijheid. Mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan voor mensen een hulpmiddel zijn om een goed geïnformeerde keuze te maken.
Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding. De monitor verkoopaandeel Schijf van Vijf producten in de supermarkt is een middel om inzichtelijk te maken welke bijdrage supermarkten leveren om de gezonde keuze in de supermarkt makkelijker te maken. Het is aan de supermarkt hoe die hier op wil sturen, via aanbod, marketing, positionering of prijzen. De opzet van deze monitor is afgestemd met de supermarkten.
Erkent u dat een advies ophoudt vrijblijvend te zijn zodra de overheid supermarkten publiekelijk langs dezelfde meetlat legt, percentages per supermarktketen publiceert en vervolgens op basis van die meting «concrete afspraken» wil maken over vergroting van het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten? Zo nee, waar ligt voor u dan nog de grens tussen vrijblijvende informatie en beleidsmatige sturing?
Nee, dat ziet het kabinet anders. De adviezen van het Voedingscentrum zijn vrijblijvend voor de consument. Consumenten zijn vrij een eigen afweging te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon.
De inzet van het kabinet is om de gezonde keuze makkelijker te maken. Dit vraagt een verschuiving van de verhouding gezond-ongezond in zowel productaanbod als de marketing ervoor, aangezien deze nu overwegend ongezond zijn. Hiervoor is een indeling nodig voor wat kan worden gezien als een gezond en ongezond product. Het kabinet kiest ervoor de criteria van de Schijf van Vijf hiervoor te gebruiken.
Hoe kunt u spreken van onafhankelijkheid, terwijl het Voedingscentrum volledig afhankelijk is van overheidsfinanciering, zijn plannen moet laten aansluiten op beleidsdoelen van de overheid, zich richting subsidieverstrekkende ministeries moet verantwoorden en bij verlies of verlaging van subsidie direct minder invloed kan uitoefenen via scholen, zorg, wijkbijeenkomsten en andere kanalen?
Met de onafhankelijkheid van het Voedingscentrum doelt het kabinet op de (wetenschappelijk onderbouwde) inhoud van hun informatie. Het kabinet waakt ervoor dat ministeries invloed uitoefenen op inhoudelijke informatie of advisering. Financiering van de overheid maakt het mogelijk dit inhoudelijk onafhankelijke advies te ontwikkelen en in bepaalde mate te verspreiden en onder de aandacht te brengen.
Erkent u dat er sprake is van een kunstmatige scheiding wanneer het kabinet zich beroept op het «onafhankelijke» oordeel van het Voedingscentrum over welke producten wel of niet in de Schijf van Vijf vallen, terwijl dat oordeel vervolgens door hetzelfde kabinet wordt gebruikt voor monitors, beleid, afspraken met supermarkten, productverbetering en mogelijke wettelijke beperkingen op kindermarketing?
Nee, het kabinet ziet dit als een scheiding tussen enerzijds wetenschappelijk onderbouwde inhoudelijke advisering door experts en anderzijds de politieke keuze om deze indeling wel of niet te gebruiken in beleidsmaatregelen.
Hoe kunt u stellen dat de Schijf van Vijf geen normerend instrument is, terwijl producten, supermarkten, marketinguitingen en zelfs baby- en kindervoeding in kabinetsstukken worden beoordeeld aan de hand van de vraag of zij wel of niet voldoen aan de richtlijnen van de Schijf van Vijf, waarna het kabinet spreekt over zorgwekkende uitkomsten, noodzakelijke verbetering van het aanbod en verdere inzet richting bedrijfsleven en Europese regelgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid voortaan eerlijk te erkennen dat de Schijf van Vijf in de praktijk geen losstaand, onafhankelijk en vrijblijvend voedingsadvies is, maar een door de overheid gefinancierde beleidsnorm die via het Voedingscentrum, RIVM-monitors, supermarktafspraken, productverbetering, scholen, zorginstellingen en regelgevingstrajecten wordt ingezet om burgers, instellingen en bedrijven in een door de overheid gewenste richting te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hierboven is aangegeven is de Schijf van Vijf een vrijblijvend advies voor de consument. Het kabinet kiest ervoor om deze indeling wel of niet te hanteren bij beleidsmaatregelen. Vanwege eenduidigheid kiest het kabinet bij indelingen voor wat gezonde en minder gezonde producten zijn, waar mogelijk en passend voor de indeling volgens de Schijf van Vijf.