De industrie, te weten brancheorganisaties VEMW & VNO-NCW, medeondertekenaars van de brief aan fractievoorzitters van de Tweede Kamer van 18 juli jl. |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw brief aan de Kamer betreffende «Het Windenergie Infrastructuurplan Noordzee» van 16 juli jl. (Kamerstuk 33 561, nr. 87) en met de reactie daarop van zes organisaties betrokken bij elektrificatie van de industrie van 18 juli jl.?
Ja.
Bent u van mening dat u en de zes organisaties het volledig eens zijn over het belang van windenergie op zee, aangezien u schrijft: «Windenergie op zee is essentieel om de Nederlandse opgave voor groene groei en verduurzaming te realiseren en om Nederland nu en in de toekomst energieonafhankelijkheid en weerbaarheid te bieden.», en de ondertekenaars schrijven: «In een wereld van toenemende geopolitieke spanningen en stijgende energiekosten bieden de Nederlandse Noordzee en de verduurzaming van onze industrie een unieke kans om de economie te versterken, onze strategische onafhankelijkheid te verbeteren en de energietransitie kostenefficiënt te versnellen»?
Ja, het kabinet is het eens met de ondertekenaars van de brief dat windenergie op zee van groot belang is voor Nederland, onder andere vanwege de in de brief genoemde kansen. Wel zijn de afgelopen periode de risico's die het toenmalige kabinet in 2022 bij de opschaling van de ambitie wind op zee naar 21 GW heeft aangegeven realiteit geworden. Zo ontwikkelt de vraag naar hernieuwbare elektriciteit zich minder snel dan verwacht en zijn de kosten voor wind op zee, na eerder een sterke kostendaling, gestegen. Dit zet de businesscase sterk onder druk en heeft geleid tot nieuwe scenario's voor de benodigde hoeveelheid hernieuwbare energie. De ambitie uit het Nationaal Plan Energiesysteem – 50 GW in 2050 – was gebaseerd op een maximaal uitrolscenario, dus een bovenkant van de bandbreedte. Hierbij gold ook al dat nog nader moest worden uitgewerkt hoeveel windenergie er uiteindelijk nodig en inpasbaar is. Deloitte schetste in het rapport ten behoeve van het Windenergie Infrastructuurplan Noordzee (WIN) in 2024 al hoe groot de uitdagingen in de realisatie zijn om tot 50 GW windenergie op zee te komen in 2040.1 Het kabinet heeft de marktontwikkelingen en nieuwe scenario's in het WIN vertaald naar een realistischer bandbreedte voor de ambitie wind op zee; 30–40 GW in 2040. Een ambitie waarmee in ongeveer de helft van de behoefte aan elektriciteit kan worden voorzien in 2040. In september komt het kabinet met een actieplan om de uitrol van wind op zee in deze uitdagende omstandigheden te ondersteunen.
Waarom is het volgens u niet gelukt om afspraken te maken over een betaalbare energievoorziening van de Noordzee die volgens alle partijen essentieel is, terwijl industriële partijen en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei de afgelopen jaren met elkaar in gesprek zijn geweest om te komen tot zogenaamde maatwerkafspraken, en dat tot nog toe er één finale maatwerkafspraak is gesloten en er nog geen maatwerkafspraak is gesloten met een bedrijf uit de top 20 van CO2-uitstoters in Nederland?
De essentie van de maatwerkaanpak is dat een team van de overheid intensief in gesprek is met een bedrijf over hun verduurzamingsstrategie, projectportfolio, investeringsrisico’s, gesignaleerde knelpunten en mogelijke ondersteuning door de overheid. Doordat bedrijven strategische afwegingen en business cases delen, ontstaat beter inzicht in hoe financiële en niet-financiële randvoorwaarden moeten worden vormgegeven.2 Voorts onderzoekt het team of in de businesscase van een verduurzamingsproject een onrendabele top bestaat. Indien het generieke subsidie-instrumentarium ontoereikend is, wordt beoordeeld of de onrendabele top gedekt moet worden middels financiering uit de gereserveerde middelen voor de maatwerkaanpak. Dit betekent echter niet dat het team van de maatwerkaanpak (contract)onderhandelingen aangaat met derde partijen, zoals energieleveranciers, over bijvoorbeeld energiecontracten. Voor sommige bedrijven in de maatwerkaanpak is elektrificatie van de productieprocessen mogelijk en onderdeel van de businesscase. Echter, het is niet voor elk bedrijf haalbaar om de productieprocessen vergaand te elektrificeren, bijvoorbeeld omdat de geëigende technologie zich nog in een onderontwikkeld stadium bevindt. Er is een bindende maatwerkafspraak gesloten met het Chemiebedrijf Nobian. Dit bedrijf wordt gerekend tot de zogenaamde top 20-industriële CO2-uitstoters van Nederland (zie Kamerbrief Voortgang maatwerkafspraken 27 februari 2023).3 Met behulp van de maatwerkafspraken, kan Nobian grote investeringen doen in de elektrificatie van twee Nederlandse productiesites. Daarnaast zet Nobian ook in op elektriciteitsbesparing. Onder andere hierdoor wordt in 2030 ruim 0,5 Mton CO2-uitstoot gereduceerd ten opzichte van 2020 (zie Kamerbrief Ondertekening maatwerkafspraken Nobian 19 december 2024).4
Is er tijdens de maatwerkafspraken of tijdens andere gesprekken overlegd welke prijs van wind op zee noodzakelijk is om de industrie te elektrificeren? Zo ja, welke prijs is dan nodig? En met welke financiële rendementen bij zowel de industrie als bij de windenergie op zee ontwikkelaars is dan gerekend? Waarom is het niet gelukt om tot afspraken te komen voor de uitrol van wind op zee en de elektrificering van de industrie? Zo nee, waarom is het gesprek hier niet over gegaan?
In het kader van de maatwerkaanpak, wordt met het betreffende industriële bedrijf gekeken naar mogelijkheden voor (versnelde) verduurzaming, waaronder door elektrificatie. Dit wordt niet specifiek gekoppeld aan de uitrol van wind op zee. De afgelopen jaren kon wind op zee zonder subsidie worden vergund omdat windparkontwikkelaars langetermijncontracten konden afsluiten voor de levering van hun windstroom (zogenoemde power purchase agreements, PPAs). Inmiddels zijn de kosten voor de bouw en exploitatie van een windpark op zee gestegen en tegelijkertijd is de potentie voor het afsluiten van PPAs afgenomen doordat een steeds groter deel van onze elektriciteit uit hernieuwbaar opgewekte elektriciteit bestaat. De vraag ontwikkelt zich daarbij minder snel dan werd verwacht toen de routekaart 21 GW werd opgesteld in 2022. Dit risico dat reeds in 2022 was geïdentificeerd, is daarmee realiteit geworden. De processen van de maatwerkafspraken en de vergunning van windparken op zee zijn gescheiden vanwege hun complexiteit, het niet bevoordelen van bepaalde partijen en ongelijktijdigheid van realisatie.
Dit laat onverlet dat de realisatie van windmolenparken en windenergie, bijvoorbeeld via power purchase agreements, van belang zijn voor grote industriële bedrijven. Voor de elektrificatie van de industriële productieprocessen is een grote hoeveelheid elektriciteit nodig. Windenergie is in Nederland de grootste bron van extra duurzame elektriciteit in de komende jaren, dus zonder die grote volumes duurzame elektriciteit is elektrificatie, bijvoorbeeld voor e-boilers, warmtepompen of elektrolyse voor waterstofproductie, niet haalbaar.
Is er tijdens de maatwerkafspraken of tijdens andere gesprekken overlegd welke prijs van groene waterstof nodig is om de industrie te laten overstappen op groene waterstof? Zo ja, welke prijs van groene waterstof is hiervoor noodzakelijk? Met welke financiële rendementen bij zowel de industrie als bij de windenergie ontwikkelaars als bij de producten van groene waterstof is dan gerekend? Waarom is het niet gelukt om tot afspraken te komen voor de productie van groene waterstof en het gebruikt van groene waterstof door de industrie? Zo nee, waarom is het gesprek hier niet over gegaan?
In algemene zin geeft de industrie aan dat ze de meerkosten van groene waterstof niet kunnen doorberekenen aan hun afnemers vanwege de mondiale markt waarin ze opereren. Dit hebben industriële waterstofgebruikers onder meer laten weten tijdens de consultatie van het wetsvoorstel jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie.5 De overheid gaat via productie- en vraagsubsidies dan ook het overgrote deel van de meerkosten voor de inzet van groene waterstof dragen.6
Voor de productiesubsidies is er een sterke link met wind op zee. Voor grootschalige elektrolyseprojecten is additionele hernieuwbare elektriciteit nodig afkomstig van wind op zee. Opschaling van wind op zee en elektrolysecapaciteit moeten daarmee parallel plaatsvinden. Voor de businesscase van (grootschalige) elektrolysers zijn langetermijnafnamecontracten een voorwaarde. Met overheidsbeleid wordt beoogd voldoende zekerheid te bieden voor het afsluiten van dergelijke contracten. De industrie kijkt niet alleen naar binnenlands geproduceerde groene waterstof, maar ook naar mogelijkheden van import van groene waterstof (veelal als waterstofdrager) omdat hernieuwbare energie in andere regio’s meer en goedkoper voor handen is. Ook het kabinet zet naast binnenlandse productie in op waterstofimport om aan de toekomstige verwachte vraag aan groene waterstof te kunnen voldoen. Hierin moet een goede balans worden gevonden met het oog op ons toekomstig energiesysteem. Met de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) wordt hierop nader ingegaan.
Bent u het eens dat het niet tegelijk waar kan zijn dat er niet voldoende vraag naar windenergie van de Noordzee is terwijl de industriële partijen in hun brief aangeven dat die vraag er wel is? Waarom lukt het niet om vraag en aanbod bij elkaar te brengen?
De brief vanuit de industriële partijen stelt onder punt 2: «De businesscase voor wind-op-zee is onder druk komen te staan door gestegen grondstof- en kapitaalkosten en achterblijvende vraag.» Dat de vraag op dit moment achterblijft bij eerdere verwachtingen staat in de brief dus niet ter discussie. Op basis van de verschillende scenario’s voor 2040 waar de analyse in het WIN op is gebaseerd, is de stellige verwachting wel dat deze vraag op relatief korte termijn tot stand zal komen. Alle scenariostudies, ook die met minder industrie in Nederland en meer import van energiedragers, komen immers uit op een veelvoud aan wind op zee in 2040 ten opzichte van wat op dit moment is gerealiseerd. Gegeven deze grote bijdrage aan ons toekomstige energiesysteem, blijft het kabinet inzetten op windenergie op zee. Er zijn geen alternatieven beschikbaar die tijdig voldoende energie kunnen opwekken. Daarom zet het kabinet in op beleid voor windparken op zee dat zowel ambitieus als realistisch is.
Een bepalende factor bij de mismatch tussen de bereidheid van industriële partijen om nu PPA’s af te sluiten en de verwachte hogere vraag in het volgende decennium is dat partijen aan de vraagkant investeringsbeslissingen uitstellen. Factoren die daarbij een rol spelen: netcongestie (de vraag die er is, kan zich niet naar de praktijk vertalen), relatief hoge netwerktarieven ten opzichte van de landen om ons heen, waar die tarieven vaak gesubsidieerd worden, en de verwachte daling van elektriciteitsprijzen de komende jaren.
Waarom wordt het bestrijden van klimaatverandering in geen van beide brieven genoemd als reden om wind op zee sneller te ontwikkelen en de industrie sneller te elektrificeren?
In de brief staat: «Windenergie op zee is essentieel om de Nederlandse opgave voor groene groei en verduurzaming te realiseren». Uiteraard is het tegengaan van klimaatverandering een belangrijke reden voor het willen verduurzamen van de Nederlandse energievoorziening en daarmee dus voor de ontwikkeling van wind op zee.
Kunt u elk van deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Kunt u alle correspondentie tussen de regering en de bedrijven waarmee gesprekken zijn of zijn geweest in het kader van de maatwerkafspraken toezenden aan de Kamer? Kunnen de vertegenwoordigers van Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW) en VNO-NCW aan hun leden vragen om deze correspondentie te delen met de Kamer?
De gesprekken in het kader van de maatwerkaanpak zijn vertrouwelijk, onder andere omdat de bedrijven bedrijfsvertrouwelijke informatie delen. Deze informatie is nodig voor de uitwerking en beoordeling van businesscases. In veel gevallen gaat dit ook om concurrentiegevoelige informatie. Daarnaast zijn enkele (moeder)bedrijven ook beursgenoteerd en kan dergelijke informatie koersgevoelig zijn en niet in de openbaarheid worden gedeeld.
De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de maatwerkafspraken.
De hackaanval op het Openbaar Ministerie, aan de demissionaire Minister van Justitie en Veiligheid en de demissionaire Staatssecretaris voor Digitalisering |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Digitale werkomgeving OM inderdaad gehackt, onderzoek moet uitwijzen welke informatie is gestolen»?1
Ja.
Wat werd aangetroffen in de eerste scans van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) waaruit bleek dat onbevoegden de systemen van het Openbaar Ministerie (OM) zijn binnengedrongen?
Op 17 juli jl. berichtte ik u dat het OM uit voorzorg de interne systemen had losgekoppeld van het internet. Het NCSC heeft met gerichte scans gezocht naar kwetsbare of mogelijk gecompromitteerde systemen. Een analyse van de OM-omgevingen heeft reden gegeven om aan te nemen dat er gebruik is gemaakt van deze mogelijke kwetsbaarheid. Het NCSC heeft daarop het OM geïnformeerd en geadviseerd om nader onderzoek te verrichten. Inmiddels is een eerste technisch en forensisch onderzoek uitgevoerd.2 Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald. Verder onderzoek vindt nog plaats.
Bent u op de hoogte van het soort gegevens dat mogelijk is ingezien of buitgemaakt door onbevoegden? Heeft u gericht maatregelen genomen op basis van deze informatie?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is zijn er tot op heden geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald. Er wordt nog nader onderzoek gedaan. Over het lopende strafrechtelijk onderzoek kan ik u gedurende dat onderzoek geen mededelingen doen.
Zijn er aanwijzingen dat persoonsgegevens van medewerkers, zoals e-mailadressen, inloggegevens, telefoonnummers of privéadressen, zijn buitgemaakt of ingezien door onbevoegden?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt er onderzocht welke gevolgen deze hackaanval kunnen hebben voor de digitale en fysieke veiligheid van OM-medewerkers, met name zij die betrokken zijn bij zware strafzaken ten aanzien van ondermijnende criminaliteit? Zo nee, bent u bereid dit wel te doen?
Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald. Verder onderzoek vindt nog plaats.
Zijn er aanwijzingen dat persoonsgegevens van getuigen of slachtoffers zijn buitgemaakt of ingezien door onbevoegden? Wat doet u om hun veiligheid te waarborgen?
Zie antwoord vraag 5.
Is er een (voorlopige) risicoanalyse gemaakt en worden er op basis daarvan al maatregelen genomen om kwetsbaarheden af te dekken, naast het offline halen van het OM?
Er zijn maatregelen genomen om kwetsbaarheden af te dekken. Inmiddels gaat het OM stapsgewijs weer online. Dit proces moet zorgvuldig worden ingericht, met versterkte monitoring en detectie, omdat misbruik nooit helemaal kan worden uitgesloten.3
Welke overheidsorganisaties maken nog meer gebruik van Citrix-software die dezelfde kwetsbaarheid bevat? Welke maatregelen nemen zij om mogelijke hackaanvallen te onderzoeken en zo nodig hun systemen veilig te stellen, gezien u in de brief van 23 juli j.l. schrijft dat het NCSC heeft geadviseerd dat alle organisaties die deze software gebruiken mogelijk misbruik moeten onderzoeken (Kamerstuk 26 643, nr. 1377)?
Het NCSC heeft alle organisaties die Citrix NetScaler ADC en Citrix NetScaler Getaway gebruiken opgeroepen om onderzoek te doen naar mogelijk gebruik en misbruik van de kwetsbaarheden, ook als de kwetsbaarheden reeds zijn verholpen middels de update. CIO Rijk heeft deze casuïstiek en het handelingsperspectief van het NCSC bij alle departementen middels meerdere CISO-briefings onder de aandacht gebracht, met het dringende advies dit op te volgen.
Het NCSC vervult een coördinerende rol in de informatie-uitwisseling door continu informatie samen te brengen en te delen, zodat organisaties zelf in staat zijn aanvullend onderzoek te verrichten. Binnen de juridische kaders verstrekt het NCSC informatie als duiding, handelingsperspectieven en beveiligingsadviezen via verschillende netwerken en (openbare) kanalen aan zowel publieke als private organisaties.
Ik kan alleen ingaan op de organisaties die onder mijn departement vallen en verwijs daarvoor onder meer naar de Kamerbrieven van 17 juli jl.4 en van 12 augustus jl.5
Hoe wordt actuele en relevante informatie uit het onderzoek van het OM gedeeld met andere organisaties die mogelijk ook zijn getroffen door een hackaanval? Bent u bereid deze informatie ook proactief met commerciële partijen te delen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe worden ketenpartners waar de systemen van het OM mee zijn geïntegreerd betrokken bij deze operatie? Ontvangen zij ook steun voor het onderzoeken van eigen systemen of om belemmeringen in hun werk te voorkomen?
De gehele afsluiting van het OM van het internet had impact op het OM zelf en alle samenwerkingspartners. Door alle betrokkenen is dagelijks hard gewerkt om de ontstane knelpunten en effecten zoveel mogelijk op te lossen, met als doel de impact zoveel mogelijk beperken en de mogelijke risico’s mitigeren. Over de impact op de strafrechtketen heb ik u op 12 augustus jl. geïnformeerd.6
Is het mogelijk om het herstel van de OM-systemen sneller te laten verlopen dan de verwachte wekenlange operatie? Zo ja, bent u bereid capaciteit vrij te maken om dit te versnellen?
Op basis van de onderzoeksresultaten van het technisch en forensisch onderzoek – en het naarmate het offline zijn van het OM langer duurt, steeds zwaarwegender belang van het goed functioneren van de strafrechtketen en de impact daarvan op de maatschappij – heeft het College van procureurs-generaal het besluit genomen dat het verantwoord en wenselijk is om het OM weer in fasen online te laten gaan. Over deze stapsgewijze livegang van het OM heb ik uw Kamer op 4 augustus geïnformeerd.7
Wat zijn de praktische gevolgen van het offline halen van de systemen voor OM-medewerkers en lopende strafzaken? Is de organisatie voldoende uitgerust om taken analoog of met back-up systemen volwaardig op te pakken?
Medewerkers van het OM konden alleen inloggen op kantoorlocaties, waren niet per mail bereikbaar en er was sprake van een beperkte functionaliteit van de systemen.8 In de periode dat het OM geheel offline was kon er geen enkele digitale informatie van en naar het OM worden gestuurd. Dit raakten alle ketenpartners in en rondom de strafrechtketen. Het OM en ketenpartners stelden werkprocessen vast om proces(stukken) per post, fysiek of door andere organisaties dan het OM aan te leveren. Daarnaast had het OM speciale aandacht voor het informeren van slachtoffers en hun gemachtigden. Dit toont de inventiviteit, enorme inzet en bereidheid om samen te werken in de strafrechtketen. Over de verdere impact op de organisaties in en rondom de strafrechtketen heb ik u op X augustus geïnformeerd.9
Worden verdachten, advocaten, rechters en andere betrokkenen in de keten actief geïnformeerd over de gevolgen die zij mogelijk ondervinden?
Het OM heeft Q&A’s geplaatst op de eigen website met daarin de veelgestelde vragen op een rij voor de advocatuur, inclusief een apart overzicht voor slachtofferadvocatuur en daarnaast voor slachtoffers. Ook is informatie over de telefonische bereikbaarheid van het OM opgenomen.10 Deze overzichten worden steeds bijgewerkt. Ook op de website van de Rechtspraak is een overzicht met veelgestelde vragen te vinden over de invloed die de IT-problemen bij het OM kunnen hebben op lopende strafzaken.11 Het CJIB en Slachtofferhulp Nederland (SHN) geven op hun websites aan dat de situatie bij het OM gevolgen heeft voor de eigen werkzaamheden en dat – ook met de gegeven alternatieve oplossingen – als gevolg daarvan slachtoffers in bepaalde gevallen mogelijk minder goed geïnformeerd en/of proactief ondersteund kunnen worden.12
Wanneer is er sprake van genoeg zekerheid om (delen van) het interne systeem weer online te brengen? Hoe voorkomt u dat er uit haast onvoldoende voorzorg wordt genomen, zolang niet precies bekend is wat de ernst van de hack is?
Zoals reeds aan uw Kamer gemeld, zijn er tot op heden er geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald. Op 4 augustus jl. heb ik u geïnformeerd over het stapsgewijs weer online gaan van de systemen van het OM.13 Dit proces wordt zorgvuldig ingericht met versterkte monitoring en detectie. Ik heb het OM verzocht om bij deze gefaseerde livegang in afstemming met de keten te bezien welke essentiële processen met prioriteit weer gedigitaliseerd doorgang moeten vinden.
Hoe draagt u bij aan het zo snel mogelijk inzicht krijgen van de gevolgen en het veilig online brengen van de het interne OM-netwerk? Stelt u hiervoor extra capaciteit beschikbaar?
Zie antwoord vraag 14.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze operatie? Kunt u hen nauw betrekken zodat er snel gehandeld kan worden als blijkt dat persoonsgegevens ingezien of buitgemaakt zijn?
De Autoriteit Persoonsgegevens is reeds door het OM en JIO ingelicht over de situatie. Waar nodig wordt vanzelfsprekend nauw contact onderhouden met de Autoriteit Persoonsgegevens.
Heeft u contact gehad met Citrix over de kwetsbaarheid in hun software? Kan de leverancier bijdragen aan een oplossing voor het OM?
Ja, met Citrix is regelmatig contact over de kwetsbaarheden en oplossingen hiervoor.
Kunt u, zo nodig vertrouwelijk, de Kamer informeren over de interne toelichting die is gegeven aan het OM en bekend is bij het NRC?
Ik acht het niet opportuun om in te gaan op mediaberichtgeving over interne communicatie binnen het OM. Het is aan het OM om daar al dan niet op te reageren. Voor het overige verwijs ik naar de Kamerbrieven die uw Kamer over dit onderwerp zijn toegestuurd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en spoedig beantwoorden, en indien mogelijk betrekken bij de eerstvolgende update over de situatie?
Waar relevant zijn antwoorden samengevoegd om herhaling te voorkomen.
De recente cyberaanvallen middels kwetsbaarheden in Sharepoint en Netscaler |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u een voorlopig beeld van in welke mate de kwetsbaarheden in de on-premise versie van Microsoft Sharepoint Server een effect hebben gehad op de Nederlandse overheid en samenleving?1 Kunt u in algemene zin een indicatie geven van de hoeveelheid (potentiële) slachtoffers in Nederland?
Het voorlopige beeld op dit moment is dat de kwetsbaarheden in Sharepoint slechts beperkt effect hebben gehad op de Nederlandse overheid en samenleving.
De samenwerkingsruimten bij rijksorganisaties, die zijn gebaseerd op Sharepoint, zijn destijds tijdelijk uit voorzorg door SSC-ICT geblokkeerd. Sinds vrijdag 24 juli zijn de samenwerkingsruimten weer beschikbaar voor medewerkers en externen.
Voor de medeoverheden geldt dat ze in het algemeen niet in de on-premise versie van Microsoft SharePoint Server werken omdat zij voornamelijk de cloud-variant gebruiken, waarop de kwetsbaarheid niet van toepassing is. Impact voor de medeoverheden lijkt om die reden beperkt.
Daarnaast verstrekt het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) bij dergelijke kwetsbaarheden duidingsinformatie, handelingsperspectieven en beveiligingsadviezen.
Kunt u dit ook aangeven ten aanzien van de recente kwetsbaarheden in Citrix Netscaler?2
Op de impact op de strafrechtketen naar aanleiding van de offline gang van het Openbaar Ministerie (OM) heb ik uw Kamer reeds geïnformeerd.3
Daarnaast heeft het NCSC heeft ook ten aanzien van de kwetsbaarheid in Citrix Netscaler verschillende adviezen uitgebracht. Deze adviezen zijn gedeeld met de desbetreffende doelgroepen en betroffen aanbevelingen voor het uitvoeren van patches en het draaien van scripts.
Bij enkele rijksorganisaties zijn sporen van compromittatie aangetroffen. Mitigerende maatregelen zijn getroffen en nader onderzoek wordt verricht. Tot dusver zijn er geen aanwijzingen dat andere overheidsorganisaties zijn gecompromitteerd.
Kunt u reflecteren op Microsofts attributie van de initiële cyberaanvallen waarbij gebruik is gemaakt van Sharepoint-kwetsbaarheden aan de Chinese cyber threat actors Linen Typhoon, Violet Typhoon en Storm-2603, in relatie tot de gekende Chinese digitale spionagedreiging zoals beschreven in het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) 2025 (Kamerstuk 30 821, nr. 305)?3
De digitale spionagedreiging zoals beschreven in DBSA 2025 heeft de constante aandacht van het kabinet. Cybersecurity bedrijven zoals Microsoft onderzoeken met regelmaat de toedracht en oorsprong van cyberaanvallen. Die informatie bestudeert het kabinet met aandacht. Evenwel moet een attributie door het kabinet altijd rusten op eigenstandige informatie.
In welke mate weten het Nationaal Cyber Security Center (NCSC) en de relevante doelgroepen elkaar te vinden als het gaat om het opvolgen van beveiligingsadviezen, het delen van indicators of compromise (IoC’s) en het melden van compromittaties, in casussen als Sharepoint en Netscaler? Op welk vlak zijn de grootste verbeteringen nog mogelijk?
Het NCSC verzamelt en analyseert, in het kader van de uitoefening van de taken in de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni), continu informatie over dreigingen en incidenten en deelt deze informatie in datzelfde kader zo veel als mogelijk met publieke en private organisaties waarvoor die informatie relevant is, of met hun schakelorganisaties. Zo worden deze organisaties in staat gesteld zelf aanvullend onderzoek te verrichten. Via nieuws- en doelgroepberichten biedt het NCSC technische hulpmiddelen, zoals scripts en Indicators of Compromise (IoC’s), die helpen bij het detecteren, herkennen en onderzoeken van incidenten. Ook verstrekt het NCSC onder meer duidingsinformatie, handelingsperspectieven en beveiligingsadviezen via een uitgebreid netwerk en (openbare) kanalen aan publieke en private partijen. Daarnaast onderhoudt het NCSC contact met verschillende incident response-partijen voor informatie-uitwisseling en het verstrekken van passende adviezen. Informatie-uitwisseling over cyberdreigingen- en incidenten vindt plaats via bestaande samenwerkingen en informatiekanalen. Daarnaast zijn initiatieven zoals het Cyberweerbaarheidsnetwerk en Cyclotron in ontwikkeling om deze uitwisseling verder te versterken.
Zal de inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet naar uw verwachting deze informatieuitwisseling versterken? Kunt u dit toelichten?
Na inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) zal de uitwisseling van informatie vanuit het NCSC in ruimere zin mogelijk worden, in elk geval omdat een Computer Security Incident Response Team (CSIRT) op grond daarvan uitdrukkelijk tot taak krijgt om informatie over dreigingen, kwetsbaarheden en incidenten niet alleen aan essentiële en belangrijke entiteiten, maar ook aan alle andere relevante partijen te verstrekken. Daarbij is de tussenkomst van schakelorganisaties niet meer vereist.
Wanneer verwacht u de Kamer te kunnen informeren over de omstandigheden, de schade en de consequenties van de compromittatie van systemen van het Openbaar Ministerie (OM) middels kwetsbaarheden in Netscaler, welke volgens de media waarschijnlijk door een Russische cyber threat actor uitgevoerd is?4
Uw Kamer is hier reeds op verschillende momenten over geïnformeerd.6, 7, 8 Wat de exacte consequenties van de compromittatie zijn, is onderwerp van lopend onderzoek.
Bent u voornemens om die betreffende cyberaanval op het OM, indien dit met voldoende betrouwbaarheid mogelijk is, publiekelijk te attribueren aan een cyber threat actor en/of een land, net zoals het kabinet reeds gedaan heeft met de attributie van de politiehack uit 2024 aan de Russische cyber threat actor LAUNDRY BEAR?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 heeft de digitale spionagedreiging de continue aandacht van dit kabinet. In lijn met de motie Erkens (36 410 X, nr. 46) is het de inzet van het kabinet om waar mogelijk cyberaanvallen en bijbehorende technische werkwijzen openbaar te maken. De wenselijkheid van het publiek attribueren aan een statelijke actor hangt af van een groot aantal factoren. De beoogde doelen en effecten van de publieke attributie, de technische afwegingen, diplomatieke gevolgen, eventuele gevolgen voor lopend onderzoek en het effect op de nationale veiligheid worden alle meegewogen bij besluitvorming over attributie. Ook worden gelijkgestemde partners, in het bijzonder EU-lidstaten en NAVO-bondgenoten, vooraf op de hoogte gesteld van een attributie.
Bovendien is het van belang het beoogde doel scherp te formuleren. Publieke attributie kan wat het kabinet betreft de volgende doelen dienen: het door middel van openbaarmaking van informatie verstoren van cyberoperaties, het beïnvloeden van het gedrag van kwaadwillende actoren, het informeren van internationale partners en bondgenoten en het informeren van overige derde landen die met een soortgelijke dreiging te maken hebben.
Bij deze besluitvorming zijn de Ministeries van Defensie, Justitie en Veiligheid (NCTV en NCSC), Buitenlandse Zaken, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), de Politie en het Openbaar Ministerie (OM) betrokken. Het uiteindelijke besluit over een attributie wordt door het kabinet, via de Raad Veiligheid en Inlichtingen, genomen.
Heeft de Nederlandse overheid een algemeen publiekelijk attributiebeleid voor cyberaanvalscampagnes?
Zie antwoord vraag 7.
Welk afwegingskader(s) hanteert de overheid voor het al dan niet publiekelijk attribueren van cyberaanvallen? Welk(e) bewindspersoon/-personen of welk(e) departement(en) is/zijn doorslaggevend in het besluit of dit publiekelijk gebeurt?
Zie antwoord vraag 7.
Zal het feit dat, zoals in het DBSA 2025 wordt gesteld, «er steeds meer landen [lijken] te zijn die in Nederland willen spioneren, met name digitaal via offensieve cyberprogramma’s» van invloed zijn op het attributiebeleid of de uitvoeringspraktijk? Acht u het waarschijnlijk dat het kabinet in de komende jaren meer cyberaanvalscampagnes aan meer landen zal attribueren?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe en in welke mate wegen diplomatieke afbreukrisico’s mee in het al dan niet publiekelijk attribueren van een cyber threat actor aan een land?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u een beeld van hoe de Cybersecurity Advisory over LAUNDRY BEAR inclusief mapping naar het MITRE ATT&CK framework over het algemeen ontvangen is bij de relevante partijen (Kamerstuk 29 628, nr. 1256)? Wordt een rapport als deze in de sector als behulpzaam beschouwd?
De Cybersecurity Advisory bevat handelingsperspectief voor publieke en private organisaties in Nederland, en wereldwijd, om hun weerbaarheid te verhogen en onderzoek mogelijk te maken naar deze cyberactor.
De relevante partijen hebben de Cybersecurity Advisory goed ontvangen. Zij zien dit rapport als behulpzaam en worden door de CSA in staat gesteld zelf onderzoek te doen.
Voorziet u dat het kabinet in de toekomst vaker adviesrapporten van deze aard en omvang met classificatie TLP:CLEAR zal verstrekken? Wat zijn hierin de afwegingen?
Het bericht dat investeren in ontwikkelingssamenwerking gunstig is voor de Nederlandse economie |
|
Daniëlle Hirsch (GL), Don Ceder (CU) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse economie heeft baat bij ontwikkelingssamenwerking»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusies uit het rapport van de Universiteit van Göttingen, waarnaar dit artikel verwijst? Deelt u de conclusies, gebaseerd op econometrische berekening, dat elke euro ontwikkelingshulp de Nederlandse export en economie flink doet groeien? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met het rapport van de Universiteit van Göttingen «Domestic effects of foreign aid» (2025) waarnaar u verwijst. Het onderzoek maakt gebruik van een econometrisch model om mogelijke verbanden te schatten tussen Nederlandse ontwikkelingshulp en de Nederlandse export van goederen en diensten. De auteurs concluderen dat er, op basis van hun model, een positief verband bestaat tussen de omvang van Nederlandse hulp en Nederlandse export en werkgelegenheid. Het kabinet onderkent dat deze studie een interessant perspectief biedt op positieve neveneffecten van ontwikkelingssamenwerking voor de Nederlandse economie.
De uitkomsten sluiten aan op de bevindingen van de IOB-studie2 «Good things come to those who make them happen, return on aid for Dutch exports» die verscheen in 2014, en andere onderzoeken3, 4, 5, 6. Wel worden de effecten in dit nieuwe rapport aanzienlijk hoger ingeschat dan in de IOB-studie. Dit verschil kan mogelijk worden verklaard doordat het gaat om een scenarioanalyse, en omdat er geen wetenschappelijke consensus bestaat over hoe dit effect te berekenen. De resultaten zijn daardoor afhankelijk van aannames, parameterkeuzes en de gehanteerde modellering van auteurs, en vormen daarmee een onderbouwde indicatie en geen eenduidig bewijs.
Uit de IOB-studie van 2014 bleek dat elke euro bilaterale hulp € 0,70–€ 0,90 extra export oplevert en dat hiermee circa 15.000 banen gemoeid zijn. In haar reactie heeft de toenmalige Minister (Kamerstuk 33 625, nr. 123, 12 september 2014) aangegeven veel waarde te hechten aan onderzoek naar de effecten van de Nederlandse ontwikkelingshulp voor de Nederlandse handel en economie. Het Centraal Planbureau (CPB) berekent het effect van ontwikkelingshulp op de Nederlandse export al jaren op basis van de uitkomsten van deze IOB-studie.
Het kabinet heeft ervoor gekozen om investeren in ontwikkelingssamenwerking nog sterker te verbinden aan Nederlandse belangen, ook op economisch terrein. Dit komt ook nadrukkelijk naar voren in de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp van 20 februari 2025.
Deelt u de conclusies, gebaseerd op econometrische berekening, dat elke sinds 2010 via ontwikkelingssamenwerking geïnvesteerde euro, bijna vier euro aan Nederlandse exportgroei opleverde? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat deze bevindingen in lijn zijn met eerdere gepubliceerde onderzoeken, waaronder door de IOB van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in 2014? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie antwoord op vraag 2.
Deelt de Minister van Buitenlandse Zaken de conclusie dat de positieve impact van ontwikkelingssamenwerking op de Nederlandse werkgelegenheid en economie steeds groter wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot uitspraken van uw voorganger – Minister Klever – dat bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking in het Nederlandse belang zouden zijn?
Het rapport Domestic Effects of Foreign Aid van de Universiteit van Göttingen concludeert niet dat de positieve impact van ontwikkelingssamenwerking op de Nederlandse werkgelegenheid en economie «steeds groter» wordt. In het onderzoek wordt een vergelijking gemaakt tussen verschillende perioden. Daarbij worden voor de periode na 2010 gemiddeld hogere effecten gevonden dan voor de periode daarvoor. Dit betreft gemiddelden over meerdere jaren, geen doorlopende stijgende trend.
De uitspraken van mijn voorganger moeten gezien worden in het licht van het regeerprogramma, waarin een substantiële afname van het budget voor ontwikkelingshulp werd aangekondigd, als onderdeel van de financiële keuzes die het kabinet heeft gemaakt.
Deelt u de zorgen, geuit door de experts in het artikel, dat de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking ten koste gaan van banen en economische ontwikkeling in Nederland?
Nee. Het nieuwe beleid is sterker dan voorheen gericht op wederzijdse economische belangen en verwachting is dat het een positief effect heeft op economische ontwikkeling in partnerlanden en Nederland.
Bent u bekend met het ODI-onderzoek naar de terugverdieneffecten van Europese ontwikkelingssamenwerking, waarin geconcludeerd wordt dat investeren in ontwikkelingssamenwerking een positieve impact heeft op Europese economieën? Hoe beoordeelt u de conclusies uit dit onderzoek?2
Ja, ik ben bekend met het onderzoek van het Overseas Development Institute (ODI) getiteld «The Economic Impact of EU Aid on EU Economies» (mei 2025). In deze studie concludeert ODI dat investeringen in Europese ontwikkelingssamenwerking niet alleen bijdragen aan armoedebestrijding en mondiale stabiliteit in partnerlanden, maar ook economische voordelen kunnen opleveren binnen de EU, onder meer via toegenomen export en werkgelegenheid.
Dit rapport betreft een scenarioanalyse, gebaseerd op simulaties met het Global Trade Analysis Project model (GTAP). GTAP is algemeen evenwichtsmodel (een Computable General Equilibrium model), en dergelijke modellen zijn sterk afhankelijk van de gekozen aannames, parameters en modelleringstechniek van de auteurs. Bovendien is deze studie niet peer-reviewed, en dus niet wetenschappelijk gevalideerd volgens de gebruikelijke academische standaarden.
De conclusies dragen bij aan het bredere inzicht in de potentiële neveneffecten van ontwikkelingssamenwerking, maar vormen op dit moment geen sluitend bewijs. Ze dienen dan ook te worden geïnterpreteerd als een beleidsmatig interessant signaal, niet als wetenschappelijk hard onderbouwde uitkomst.
Deelt u de opvatting dat bij goed bestuur vereist dat de gevolgen van relatief grote bezuinigingen voor de Nederlandse economie, werkgelegenheid, veiligheid en samenleving vooraf in kaart gebracht zouden moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het van belang om bij beleidsvoorstellen, inclusief bezuinigingen, de relevante effecten en risico’s zoveel mogelijk in beeld te brengen. Het kabinet weegt budgettaire keuzes integraal af, hierbij neem het kabinet de verwachte gevolgen van dergelijke keuzes mee in de afweging.
In de praktijk is het methodologisch lastig om vooraf alle maatschappelijke effecten volledig in kaart te brengen, zeker wanneer deze afhankelijk zijn van complexe internationale en economische factoren.
Hebben uw ministeries onderzoek laten doen om de brede maatschappelijke kosten en baten van de miljardenbezuinigingen van uw kabinet op ontwikkelingssamenwerking in kaart te laten brengen om zodoende een goed geïnformeerde afweging te kunnen maken? Zo nee, waarom niet? Zo nee, bent u voornemens dit alsnog te doen? Zo ja, welke kosten en baten voor het Nederlandse eigenbelang zijn onderzocht? Zijn ook de gevolgen buiten Nederland onderzocht? Zo ja, kunt u deze onderzoeken voor het einde van het zomerreces delen met de Kamer?
Het kabinet ziet om voornoemde reden geen toegevoegde waarde van een onderzoek naar de brede maatschappelijke kosten en baten van de recente bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking in Nederland. Wel gaat het ministerie met het CPB in gesprek over de manier waarop de effecten van ontwikkelingshulp worden meegenomen in de prognoses over de groei van de Nederlandse economie.
De OESO-DAC heeft recentelijk (d.d. 26 juni 2025) een rapport8 gepubliceerd waarin de effecten van de internationale bezuinigingen op ontwikkelingshulp in kaart worden gebracht. In de Kamerbrief9 «Effecten bezuinigingen» (welke gelijktijdig met deze beantwoording is verstuurd) wordt ingegaan op het OESO-rapport en een toelichting gegeven op de effecten van de Nederlandse bezuinigingen op de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (BHO).
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het einde van het zomerreces beantwoorden?
Dat is niet gelukt vanwege de wisseling van bewindspersonen.
De nieuwe voorwaarden van WeTransfer om data van gebruikers te gebruiken voor verkoop en het trainen van AI |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «WeTransfer haalt gebruik bestanden voor AI-training stilletjes uit voorwaarden»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u bekend met de nieuwe gebruiksvoorwaarden van WeTransfer, een dienst waar veel mensen gebruik van maken om grote hoeveelheden data te delen met elkaar?
Ja, hier ben ik mee bekend. Overigens heeft WeTransfer zelf de eerdere berichtgeving hierover weersproken2.
Is bij u bekend wat de gevolgen zijn van de nieuwe gebruiksvoorwaarden voor de consumenten-, privacy- en auteursrechten van gebruikers, die mogelijk worden geschonden als WeTransfer rechten krijgt over de data van gebruikers? Indien dit niet bekend bij u is, kunt u om een zienswijze vragen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en/of de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)?
Voor mogelijke schending van consumenten- en privacyrecht is het niet aan de regering, maar aan de gebruikers om zich tot de toezichthoudende autoriteit te wenden. Voor zover het de naleving betreft van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), nu WeTransfer B.V. haar hoofdzetel heeft in Amsterdam. Met betrekking tot de naleving van het consumentenrecht kan een melding worden gedaan bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Er is geen toezichthouder voor de naleving van het auteursrecht. Als de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van de uitzondering op het auteursrecht (neergelegd in artikel 15o van de Auteurswet) zijn geschonden (zie hierover nader het antwoord het vraag3 en de maker geen toestemming voor het gebruik van zijn werk heeft verleend, dan is sprake van een auteursrechtinbreuk. De maker kan een procedure bij de civiele rechter starten en daarin bijvoorbeeld een verbod en schadevergoeding vorderen.
Is het trainen van AI-modellen op grote hoeveelheden data van gebruikers door techbedrijven, zoals mogelijk het geval is bij WeTransfer en eerder al het geval was bij Meta,2 toegestaan binnen de Nederlandse en Europese wet- en regelgeving? Welke beperkingen kent deze praktijk?
Het trainen van AI-modellen met data van gebruikers is onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Het Europese Comité voor gegevensbescherming (EDPB), waarin de Europese toezichthouders samenwerken, heeft op 18 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen.5 Uit dat advies van de EDPB volgt dat een verwerkingsverantwoordelijke een gerechtvaardigd belang (artikel 6, eerste lid onder f AVG) kan hebben bij het gebruik van persoonsgegevens voor de ontwikkeling van een AI-model. Daarbij noemt de EDPB diverse voorwaarden voor het gebruik van deze grondslag bij het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van het ontwikkelen of inzetten van een AI-model. Een van die voorwaarden is dat uit een belangenafweging moet blijken dat het gebruik van persoonsgegevens noodzakelijk is en dat hetzelfde doel niet kan worden bereikt met, bijvoorbeeld, geanonimiseerde gegevens. In deze afweging spelen de redelijke verwachtingen van de betrokkenen een belangrijke rol. Bij het vaststellen daarvan dient onder meer rekening te worden gehouden met de context van de verwerking en de informatie die de verwerkingsverantwoordelijke aan de betrokkene aanbiedt. De verwerkingsverantwoordelijke kan daarbij op de concrete omstandigheden van het geval toegespitste maatregelen nemen om de impact van de verwerking op de belangen van de betrokkengebruikers te mitigeren. Daarbij speelt de toegang tot rechten van betrokkenen onder de AVG een rol, zoals het recht op inzage en het recht op bezwaar. De toezichthouder beoordeelt uiteindelijk of (en zo ja: welke) stappen moeten worden ondernomen tegen een vorm van verwerking.
In het geval AI-modellen worden getraind met auteursrechtelijk beschermde werken, geldt het volgende regime. De AI-verordening bepaalt dat het trainen van generatieve AI een vorm van tekst- en datamining is. Artikel 15o van de Auteurswet bepaalt dat het maken van een reproductie van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst ten behoeve van tekst- en datamining onder bepaalde voorwaarden niet als inbreuk op het auteursrecht op het werk wordt beschouwd.6 Een reproductie van een werk mag zonder toestemming van de maker van het werk worden gemaakt, mits: (1) degene die de tekst- en datamining verricht rechtmatig toegang heeft tot het werk en (2) het auteursrecht door de maker of zijn rechtverkrijgenden niet uitdrukkelijk op passende wijze is voorbehouden. De reproductie mag slechts bewaard blijven zolang dat nodig is voor tekst- en datamining en moet daarna worden verwijderd.
Tot slot heeft de Europese Commissie op 10 juli 2025 de General-Purpose AI Code of Practice (GPAI-CoP) heeft gepubliceerd7. Deze (vrijwillige) gedragscode bundelt de belangrijkste uitgangspunten voor aanbieders in drie thematische hoofdstukken. Ook transparantie en auteursrecht maken daarvan onderdeel uit.
Bent u van mening dat het beschikbaar stellen van gegevens voor doorverkoop en AI-trainingsdoeleinden ten alle tijden een goed geïnformeerde en individuele keuze voor gebruikers moet zijn?
In zijn algemeenheid merk ik op dat, zoals gezegd onder antwoord 4, de AVG ruimte biedt om – ook zonder toestemming van de betrokkene – op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken. Of deze grondslag in een concrete situatie kan worden ingeroepen, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. De beoordeling daarvan komt (zoals toegelicht bij antwoord8 niet toe aan de regering en is aan de toezichthoudende autoriteit. Zij kan daartoe handhaven, advies verstrekken, samenwerken met andere toezichthoudende autoriteiten en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels.
Artikel 15o van de Auteurswet schrijft, in het voetspoor van de EU-richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt, voor dat het auteursrecht door de maker uitdrukkelijk op passende wijze kan worden voorbehouden zoals door middel van machinaal leesbare middelen bij een online ter beschikking gesteld werk (opt-out). Uit overweging 18 van de voornoemde richtlijn blijkt dat de rechthebbenden specifiek de rechten om reproducties te maken en opvragingen te verrichten ten behoeve van tekst- en datamining op passende wijze kunnen voorbehouden. Bij content die online voor het publiek beschikbaar is gesteld, moet het voorbehouden van die rechten enkel als passend worden beschouwd indien hierbij machinaal leesbare middelen worden gebruikt, waaronder metagegevens en de voorwaarden van een website of een dienst. In andere gevallen dan online gebruik kan het passend zijn om rechten voor te behouden met behulp van andere middelen, zoals contractuele overeenkomsten of een eenzijdige verklaring.
Welke mogelijkheden heeft u om, nationaal of Europees, het afstaan van gegevens voor doorverkoop en AI-trainingsdoeleinden altijd een «opt-in» te maken? Zijn daartoe aanpassingen nodig van het consumentenrecht?
Een dergelijke «opt-in» zou veronderstellen dat de onderhavige verwerkingsvorm alleen rechtmatig is wanneer deze op toestemming van de gebruikers berust. Zoals ik in antwoorden 4 en 5 aangaf, kan onder omstandigheden ook de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» worden ingeroepen. Daarvoor weegt mee of de verwerkingsverantwoordelijke voldoende maatregelen heeft genomen om de impact van een gegevensverwerking op de belangen van betrokkenen te beperken. Het bieden van een onvoorwaardelijke «opt-out» kan volgens het eerdergenoemde advies van de EDPB worden beschouwd als een maatregel die de controle van individuen over de verwerking van hun persoonsgegevens versterkt.9 In artikel 4 van de Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt10 is ook gekozen voor een opt-out in plaats van een opt-in systeem. De AI-verordening haakt daarbij aan en bouwt daarop voort. De voornoemde richtlijn wordt volgend jaar onder het gezag van de Europese Commissie geëvalueerd.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met WeTransfer, een Nederlands bedrijf, om helderheid te krijgen over de gevolgen van de nieuwe voorwaarden en een garantie te krijgen dat data gewoon van de gebruikers blijft?
Dat zou een taak van de onafhankelijke toezichthouder zijn, indien deze dat opportuun vindt. In het stelsel van de AVG is het aan verwerkingsverantwoordelijken om verplichtingen na te leven, aan de betrokkenen om rechten uit te oefenen en is het toezicht bij onafhankelijke instanties belegd. Deze onafhankelijkheid vind ik belangrijk en ik wil dit dan ook niet doorkruisen.
Kunt de vragen afzonderlijk van elkaar en vóór 8 augustus, wanneer de nieuwe gebruiksvoorwaarden ingaan, beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoord.
De uitspraken van minister van Justitie en Veiligheid over de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , van Marum |
|
|
|
|
Zijn uw uitspraken in de uitzending van Goedenavond Nederland op maandag 14 juli jl.,1 over de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten, representatief voor het kabinetsstandpunt?
Hoewel gechargeerd, is het zo dat de Europese cloudmarkt niet goed functioneert. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Wat bedoelde u precies met de uitspraak: «We hebben geen Europese cloudbedrijven»? In welke zin zit Nederland in een «hele ongemakkelijke positie tegenover de grote techbedrijven»?
Vier grote niet-Europese bedrijven domineren op dit moment wereldwijd de markt voor openbare cloudinfrastructuur2: Amazon, Microsoft, Google Cloud Platform en het Chinese Alibaba (vooral actief op de Chinese markt). De Nederlandse markt lijkt in grote lijnen op de Europese markt, met dominante posities voor met name de Amerikaanse aanbieders Amazon en Microsoft. Daarnaast zijn er nog een aantal andere Europese partijen actief, die relatief jong en klein zijn op de markt voor clouddiensten. De ACM verwacht dat de consolidatie in de markt voor clouddiensten verder doorzet als gevolg van onder meer schaalvoordelen en netwerkeffecten.3 Het is voor kleinere spelers moeilijk om effectief met grote geïntegreerde aanbieders te concurreren. Nederlandse bedrijven en consumenten zijn als afnemers van clouddiensten grotendeels afhankelijk van grote technologiebedrijven uit de VS. De toenemende consolidatie in combinatie met overstapdrempels (er is sprake van vendor lock-in) en gebrekkige dataportabiliteit en cloudinteroperabiliteit vergroten deze afhankelijkheid.
Noopt de hele ongemakkelijke positie van Nederland tegenover de grote techbedrijven niet tot het nemen van maatregelen om op zo kort mogelijke termijn de afhankelijkheid af te bouwen?
Het onderwerp «Strategische Autonomie» heeft uitgebreid aandacht van de Rijksoverheid. Onder andere middels de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) en de in het vierde kwartaal verwachte Visie digitale autonomie en soevereiniteit overheid.
Het afbouwen van afhankelijkheden nemen wij momenteel mee in de herziening van het Rijksbreed cloudbeleid, maar ook in de overheidsbrede visie voor digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid, en in de IT-sourcingstrategie Rijk. Ook zet het kabinet zich in voor een verkenning naar een soevereine overheidscloud als alternatief voor public clouddiensten voor de (rijks)overheid, conform de motie Kathmann.4
Deze voorziening moet de kloof overbruggen voor digitale dienstverlening waarvoor het gebruik van public cloud onwenselijk is, bijvoorbeeld vanwege de gevoeligheid van gegevens of wanneer ongewenste afhankelijkheden vermeden moeten worden.
Afhankelijkheden zijn echter niet te voorkomen en zijn ook niet altijd ongewenst. Het is van belang om op case-by-case basis zorgvuldig afwegingen te maken, om te bepalen waar en op welke wijze risicovolle strategische afhankelijkheden waar nodig voorkomen kunnen worden. Dit speelt op meer gebieden dan alleen cloud.
Kunt u bondig het kabinetsstandpunt over digitale autonomie toelichten? Op welke manier is het Ministerie van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor het vergroten van de digitale autonomie?
De Verenigde Staten is en blijft een belangrijke bondgenoot, niet op de laatste plaats voor onze welvaart en veiligheid. Nederland zet zich er daarom voor in dat we als EU blijven samenwerken en optrekken met de VS, maar tegelijkertijd zelf verantwoordelijkheid nemen en ook eensgezind met de EU optrekken waar het onze kernbelangen betreft. Het kabinet is het wel met u eens dat een te grote afhankelijkheid van één of enkele marktpartijen ongewenst is. In de afweging welke data we in eigen beheer dan wel in de public cloud verwerken, moeten strategische afhankelijkheden én marktconcentraties worden meegewogen.
Voor een overzicht van de verdere Nederlandse inzet op Europees niveau omtrent cloudsoevereiniteit verwijzen wij u graag door naar het recent gepubliceerde non-paper «Versterken van cloudsoevereiniteit van overheden».5
JenV is, net als andere departementen, medeverantwoordelijk voor de digitale autonomie en specifiek voor de digitale autonomie binnen het eigen verantwoordelijkheidsdomein.
Wat is het kabinetsstandpunt over een Europese digitale taks voor Amerikaanse techbedrijven? Hoort dit wat u betreft tot de mogelijkheden voor een Europese reactie op de aangekondigde Amerikaanse importheffingen? Acht u dit in het belang van Nederland?
Op 21 augustus jl. hebben de EU en de VS een gemeenschappelijke verklaring met handelsafspraken gepubliceerd.6 In navolging daarvan heeft de EU de inwerkingtreding van de op 24 juli jl. vastgestelde rebalancerende maatregelen jegens de VS tot februari 2026 opgeschort.7 Voorlopig is van een Europese tegenmaatregel naar aanleiding van de verhoogde Amerikaanse importheffingen dus geen sprake. Tegelijkertijd valt het niet uit te sluiten dat de Europese rebalancerende maatregelen jegens de VS in de toekomst alsnog in werking treden of dat toekomstige ontwikkelingen aanleiding geven tot voorstellen voor nieuwe vormen van rebalancerende maatregelen. Het kabinet zal voorstellen daartoe te zijner tijd op hun eigen merites beoordelen.
Kunt u toezeggen dat ook het Ministerie van Justitie en Veiligheid zich zal inspannen voor het vergroten van de digitale autonomie van Nederland, onder andere door zelf meer Europese alternatieve digitale diensten af te nemen, in lijn met alle aangenomen Kamermoties?2
Het Ministerie van JenV zet, onder coördinatie van het Ministerie van BZK in op het herziening van het Rijksbreed cloudbeleid, de overheidsbrede visie voor digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid en de IT-sourcingstrategie Rijk. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Er heeft departementale afstemming plaatsgevonden en zowel het Ministerie van Justitie en Veiligheid als het Ministerie van Binnenlandse zaken is akkoord met de beantwoording van deze vragen.
Motie-Dijk over een voorstel om de ACM het mandaat en de middelen te geven om de prijzen van boodschappen te reguleren |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van motie-Dijk, die verzoekt om de Autoriteit Consument & Markt (ACM) het mandaat en de middelen te geven om prijzen van boodschappen te controleren, reguleren en waar nodig te blokkeren?1 Welke stappen zijn tot dusver ondernomen?
De Europese Commissie heeft in mei 2025 haar horizontale interne-marktstrategie (HIMS) gepubliceerd. De motie-Dijk2 is afgedaan met de kabinetsappreciatie3 hiervan. In de HIMS kondigt de Commissie namelijk aan met instrumenten te komen om territoriale leveringsbeperkingen (TLB) aan te pakken. Deze TLB doen zich ook voor in ons land. Dit zijn beperkingen die producenten opleggen aan retailers, waardoor zij niet kunnen inkopen in een lidstaat naar keuze. Bijvoorbeeld in de lidstaat met de laagste inkoopprijs. Dit kan zorgen voor hogere (consumenten)prijzen.
Dit onderwerp is mede dankzij sterke inzet van het kabinet in Brussel op de agenda gekomen. De komende tijd blijft het kabinet zich ook ervoor inzetten de Commissie met een ambitieuze invulling komt van haar streven. Idealiter komt de Commissie met wetgeving.
Los van territoriale leveringsbeperkingen, gaat het kabinet de boodschappenprijzen niet reguleren, of de ACM hiervoor een bevoegdheid geven. Een dergelijke maatregel vertoont kenmerken van een planeconomie en dat kan grote nadelige effecten hebben. Denk aan het ontstaan van tekorten aan artikelen. Of juist hogere prijzen voor boodschappen als aanbieders maximumprijzen gaan gebruiken als richtprijzen.
Klopt het dat de prijzen van boodschappen in omliggende landen hoger zijn?
Nee, dat is niet het geval. Het prijsniveau van voedingsmiddelen (excl. alcohol en tabak) in Nederland lag in 2023 onder het gemiddelde van zowel de Eurozone als de EU. Officiële Europese prijsindexcijfers laten zien dat Nederlandse consumenten gemiddeld goedkoper boodschappen doen dan consumenten in andere EU landen.4
Het is belangrijk om op te merken dat het bij dezestatistieken gaat om gemiddelden. Uiteraard verschillen specifieke producten tussen lidstaten in prijs. Zo kan een identiek product in Nederland duurder of goedkoper zijn dan in een andere lidstaat. Welke verklaring daarvoor geldt is afhankelijk van het desbetreffende product, van vraag en aanbod in de markt, maar ook van onderliggende nationale kosten. Gemiddeld genomen is de Nederlandse consument echter goedkoper uit bij de dagelijkse boodschappen dan de gemiddelde EU consument.
Welke concrete bevoegdheden heeft de ACM momenteel om in te grijpen bij buitensporige prijsstijgingen in de supermarktsector?
Als buitensporige prijsstijgingen in de supermarktsector het gevolg zijn van kartelafspraken tussen partijen of het misbruik van een economische machtspositie, dan kan de ACM ingrijpen. Deze bevoegdheden zijn geregeld in de Mededingingswet. Deze bevoegdheden heeft de Europese Commissie ook. Afhankelijk van de schaal waarop bepaalde praktijken plaatsvinden, wordt onder het mededingingsrecht per geval bekeken door welke toezichthouder ingrijpen het meest opportuun is.
Daarnaast kennen we in Nederland de Prijzenwet en de Prijzennoodwet. Deze maken het mogelijk voor de Minister van Economische zaken om voor een breed scala aan producten maximumprijzen vast te stellen. Echter, de drempel om deze wetten toe te passen is dusdanig hoog dat er in niet-crisissituaties geen gebruik van gemaakt kan worden.
Voor de eerstgenoemde wet moet er sprake zijn van een versnellende inflatie die wordt veroorzaakt door een noodsituatie van de nationale economie. De voorwaarden voor toepassing van de Prijzennoodwet is ook erg hoog. Zo moet sprake zijn van buitengewone omstandigheden zoals oorlog(sgevaar), watersnood of andere rampen.
Deelt u de mening dat de huidige rol van de ACM ontoereikend is om consumenten te beschermen tegen excessieve prijsopdrijving?
Nee. Uit de beantwoording van vraag 3 blijkt dat de ACM meerdere instrumenten heeft om in te grijpen.
Als excessieve prijzen voor identieke goederen veroorzaakt worden door TLB, dan hoort de Europese Commissie aan zet te zijn. Deze beperkingen doen zich namelijk voor in grensoverschrijdende situaties. Het Europees mededingingsrecht is niet altijd in staat om TLB aan te pakken. Bijvoorbeeld voor situaties waarin een fabrikant geen dominante machtspositie heeft. Daarom zet het kabinet, zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 1, in op (interne markt) wetgeving die dit «gat» dicht.
Ziet u aanwijzingen voor misbruik van marktmacht en gebrek aan concurrentie in de Nederlandse supermarktsector?
In Nederland beoordeelt de ACM of er sprake is van misbruik van marktmacht en of er gebrekkige concurrentie is in de Nederlandse supermarktsector. De ACM geeft aan dat het op dit moment niet mogelijk is om precies te zeggen of en in welke mate er sprake is van het voorgenoemde. Daar heeft zij immers nog geen onderzoek naar gedaan.
Wel staat vast dat er signalen zijn van territoriale leveringsbeperkingen door producenten. Dat kan een vorm van misbruik van een economische machtspositie zijn, maar ook een kartelafspraak. Ook heeft de ACM eerder signalen ontvangen dat producenten mogelijk grote prijsstijgingen doorvoeren richting retailers. Als de prijsstijgingen excessief zijn, dan kan dit een vorm van misbruik van een economische machtspositie opleveren. De Nederlandse supermarktensector is tot slot geconcentreerd en bevat marktpartijen die vergelijkbare bedrijfsmodellen hebben. In theorie is stilzwijgende collusie daardoor wel denkbaar.
De ACM beoordeelt ook fusies en overnames van supermarkten. De mate van concurrentie tussen supermarkten op lokaal niveau wordt dan geanalyseerd. Zo moest Albert Heijn een aantal supermarkten afstoten van de ACM om de overnames van Jan Linders te kunnen finaliseren.
Bent u bereid om, vooruitlopend op een wetswijziging, alvast met de ACM in gesprek te gaan over gerichte onderzoeken naar prijsopbouw en winstdeel van boodschappen?
Er hebben gesprekken met de ACM plaatsgevonden over gerichte onderzoeken naar de hoge levensmiddelenprijzen. De ACM verkent momenteel haar mogelijkheden om onderzoek te doen naar prijsopbouw en winstdeel van boodschappen. De ACM maakt als onafhankelijke toezichthouder op basis van deskundigheid zelf een beslissing over het opstarten van een onderzoek.
Welke juridische of beleidsmatige mogelijkheden ziet u bij het toekennen van bevoegdheden aan de ACM om boodschappenprijzen te reguleren of blokkeren?
In principe staat het de overheid vrij om een wet op te stellen voor het reguleren van boodschappenprijzen. Deze wet kan verder worden geconcretiseerd met specifieke prijzen in beleidsregels. Belangrijke voorwaarde daarbij is wel dat rekening gehouden moet worden met het Europees recht. Zo’n wet mag namelijk niet leiden tot een schending van het vrij verkeer van goederen. Bij een wet die marktprijzen reguleert is er in ieder geval sprake van een beperking van dat vrije verkeer, die nadere juridische onderbouwing vergt onder het Europees recht.
Er zijn dus mogelijkheden voor het toekennen van bevoegdheden aan de ACM om in te grijpen. Omdat Europese prijsindexcijfers laten zien dat Nederlandse consumenten gemiddeld goedkoper boodschappen doen dan consumenten in andere landen, ziet het kabinet hier geen noodzaak voor. En als die noodzaak er wel zou zijn, dan is reguleren van prijzen niet bij uitstek dé ideale oplossing. Zie ook het antwoord op vraag n waarin is toegelicht dat prijsregulering kenmerken heeft van een planeconomie en grote nadelige effecten kan hebben.
Kunt u uiteenzetten welke partijen in de voedselketen het meeste bijdragen aan de prijsstijging van boodschappen, en wat u daaraan denkt te doen?
Nee. Een mogelijk onderzoek van de ACM zou hier meer licht op kunnen schijnen. Zoals aangegeven bij vraag 6 verkent de ACM momenteel haar mogelijkheden om onderzoek te doen.
Op basis van reeds bestaande onderzoeken5, lijkt de winstgevendheid van Nederlandse supermarkten niet te zijn toegenomen in de afgelopen jaren. Er lijkt eerder sprake van een dalende trend.
Wanneer komt u met een voorstel, conform de motie, waarmee de ACM structureel meer bevoegdheden krijgt ten aanzien van toezicht en regulering van boodschappenprijzen?
In de beantwoording van vraag 1 is toegelicht dat het kabinet niet voornemens is om de ACM bevoegdheden te geven om de prijzen van boodschappen te reguleren.
Het bericht dat Online-supermarkten bijval krijgen van ACM |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de het artikel in het FD-artikel «Online-supermarkten krijgen bijval van ACM in discussie rond cao»1?
Ja.
Kunt u aangeven wat de aanleiding is dat de Autoriteit Consument & Markt onderzoek heeft gedaan naar vrije concurrentieverhoudingen bij de toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) die algemeen verbindend verklaard is?
Als onafhankelijk toezichthouder bepaalt de ACM op basis van de voor haar geldende wet- en regelgeving zelf of zij een onderzoek start naar de concurrentie in markten. De ACM heeft in dat kader een eigen verkenning gedaan naar supermarktprijzen. Een van de partijen waar zij mee hebben gesproken is Picnic.
In haar brief vraagt ACM om aandacht voor het concurrentiespeelveld tussen traditionele supermarktketens en e-commerce supermarkten. De supermarktsector zou sterk geconcentreerd zijn, terwijl concurrentie tussen supermarkten juist zou zorgen voor lagere prijzen voor de consument en verbetering van de kwaliteit van producten en diensten.
Bent u bekend met het feit dat collectieve arbeidsvoorwaarden, waarvan de werkingssfeer onderdeel is van cao’s, expliciet zijn uitgezonderd van artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet, zoals vastgelegd in artikel 16 van de Mededingingswet en zoals de ACM zelf schrijft op de eigen website?
Ja. Ik ben bekend met de cao-exceptie die is vastgelegd in artikel 16 van de Mededingingswet. Kort gezegd houdt dit in dat afspraken binnen collectieve arbeidsovereenkomsten in principe niet onder het kartelverbod vallen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden heeft de cao-exceptie ook aangehaald in de uitspraak van 24 juni 2025 in de civiele procedure tussen VEN/ Picnic/ Flink en het Vakcentrum/ CNV/ FNV. Daarin komt het Gerechtshof tot het oordeel dat de cao voor het Levensmiddelenbedrijf (LMB) onder de vrijstelling van artikel 16 Mededingingswet valt.2
Hoe oordeelt u in dit licht van de uitzondering op de Mededingingswet over de aan u gezonden brief van de ACM en het feit dat de ACM überhaupt overgegaan is tot een onderzoek?
De ACM bepaalt als onafhankelijk toezichthouder zelf hoe zij haar wettelijke taak uitvoert. De ACM kan binnen de voor haar geldende wet- en regelgeving onderzoeken starten en ook aandacht vragen voor bepaalde ontwikkelingen.
Als Minister van SZW ben ik verantwoordelijk voor het algemeen verbindend verklaren van cao-bepalingen en het behandelen van aan mij gerichte dispensatieverzoeken. Ik maak een eigen afweging, waarbij ik mij houd aan de toepasselijke wet- en regelgeving. De ACM onderkent deze bevoegdheid ook in haar brief.
Wat is uw oordeel over het feit dat de ACM zich uitspreekt over een zaak waarin al door de rechter is geoordeeld is?
De rechter heeft een uitspraak gedaan over de interpretatie van de werkingssfeer van de cao LMB. Hierbij is geoordeeld dat e-commerce-bedrijven zoals Picnic, Flink en Hofweb onder de werkingssfeer vallen van die cao. Dit oordeel ziet op een vorige cao en heeft voor nu invloed op het toepassen van een eerder avv-besluit.3
De ACM geeft in haar brief een aantal zaken mee die in ogenschouw genomen kunnen worden bij de afweging in de huidige avv-procedure en het huidige dispensatieverzoek waarvoor ik bevoegd ben.
Kunt u aangeven of en hoe u het verzoek om dispensatie in behandeling zal nemen gezien de uitspraak van de rechter?
De rechter heeft geoordeeld dat de e-commerce supermarkten onder de werkingssfeer van de cao LMB vallen. Er werd geoordeeld dat zij bezig zijn met de exploitatie van een (virtuele) supermarkt. Dit is relevant voor de avv-procedure. Dispensatie kan namelijk alleen verleend worden als het desbetreffende bedrijf onder de cao valt waar wordt verzocht om dispensatie.
Daarbij is er bij een dispensatieprocedure bij mij sprake van een ander vraagstuk en andere bevoegdheid dan bij de civiele rechter. In een Kamerbrief van vorig jaar is hier ook uitleg over gegeven door mijn voorganger.4 Op grond van de wet AVV en het Toetsingskader AVV moet een dispensatieverzoeker bij mij aan kunnen tonen dat er specifieke bedrijfskenmerken zijn die op essentiële punten verschillen. Deze moeten dusdanig zwaarwegend zijn dat redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat de cao die avv’d wordt, wordt nageleefd door de desbetreffende dispensatieverzoeker.
Bij het dispensatieverzoek dat momenteel bij mij in behandeling is, volg ik de voorgeschreven wettelijke procedures. Het is belangrijk dat dit proces zorgvuldig wordt doorlopen en ik kan niet op de uitkomst vooruitlopen.
Kunt u aangeven of het onderzoek en de brief van de ACM in lijn is met de bedoeling van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (AVV) en artikel 16 van de Mededingingswet om concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen?
De cao-exceptie biedt de ruimte aan werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties om cao’s af te sluiten. Daarbij zijn de Wet AVV en het Toetsingskader AVV bedoeld om concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen en de uitkomsten van het cao-overleg te ondersteunen. Zoals de ACM in haar brief ook aangeeft, is het aan mij als Minister van SZW om een eigen afweging te maken over het algemeen verbindend verklaren van de cao-bepalingen en het dispensatieverzoek.
Acht u het wenselijk dat in het kader van innovatie bedrijven concurreren op arbeidsvoorwaarden?
Laat ik vooropstellen dat in het avv-beleid een belangrijk uitgangspunt is dat cao-partijen zelf verantwoordelijk zijn voor de afbakening van de werkingssfeer van de cao en dat dispensatie zoveel mogelijk door cao-partijen zelf wordt geregeld.
Verder vind ik ruimte voor innovatie en maatwerk belangrijk. Veel cao’s bieden die ruimte ook, bijvoorbeeld door te kiezen voor minimum cao-bepalingen of het opnemen van een hardheidsclausule of decentralisatiebepaling. Het avv-instrument heeft ook als doel om concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen en een gelijk speelveld te creëren. Tegelijkertijd bestaat de legitieme vraag of sprake is van andere specifieke bedrijfskenmerken.
Momenteel voert mijn ministerie een verkenning uit naar mogelijk onderhoud van het cao- en avv-stelsel. In mijn Kamerbrief van 19 november 2024 heb ik vier sporen uitgezet, waaronder het avv- en dispensatiebeleid. Ik verwacht uw Kamer na de zomer nader te informeren over de huidige stand van zaken.
De artikelen ‘Picnic en Flink vallen onder supermarkt-cao, zegt rechter’ van RTL nieuws en ‘Online-supermarkten krijgen bijval van ACM in discussie rond cao’ van het Financieel Dagblad |
|
Claire Martens-America (VVD), Bart Bikkers (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Picnic en Flink vallen onder supermarkt-cao»1 van RTL Nieuws van 24 juni 2025 en «Online-supermarkten krijgen bijval van ACM in discussie rond cao»2 van het Financieel Dagblad van 10 juli 2025?
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer belangrijk is dat we innovatie in Nederland aanjagen, mede om bij te blijven bij de economieën van China en de Verenigde Staten? Kunt u het antwoord toelichten?
Ja. Het kabinet vindt het belangrijk dat Nederland een innovatieve economie blijft, waar zowel gevestigde als nieuwe innovatieve bedrijven de ruimte krijgen om te groeien. Een sterke innovatieve economie zorgt ervoor dat we productiever zijn en er meer waarde in Nederland wordt gecreëerd. Deze economische groei zorgt er mede voor dat we onze welvaartsstaat kunnen betalen en dat we minder afhankelijk zijn van het buitenland voor innovatieve producten, diensten en technologieën. Voor het zomerreces heeft het kabinet het 3% R&D-actieplan aan uw Kamer gestuurd en na het zomerreces ontvangt uw Kamer een brief over onder andere het startup- en scale-upbeleid.
Hoe reflecteert u op de waarschuwing van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en welke rol ziet u hier voor zichzelf? Bent u het ermee eens dat regelgeving die jaren geleden is gemaakt niet altijd passend is voor bedrijven in nieuwe sectoren met nieuwe technologieën of bedrijfsmodellen? Zo ja, welke regelgeving inventariseert u als niet passend?
Ik heb kennisgenomen van de brief van de ACM. Het staat de ACM als onafhankelijk toezichthouder vrij om eigen onderzoeken te starten, en om aandacht te vragen over onderwerpen die zij belangrijk vindt in het kader van haar wettelijke taak. De ACM bepaalt zelf hoe zij haar taak uitvoert. In haar brief vraagt de ACM aandacht voor het effect op het concurrentiespeelveld bij het toepassen van de cao voor het Levensmiddelenbedrijf.
Ik ben als Minister van SZW verantwoordelijk voor het oordeel over algemeenverbindendverklaring van cao-bepalingen en het al dan niet verlenen van dispensatie. Ik maak daarin een eigen afweging en houd mij daarbij aan de voor mij geldende wettelijke kaders. De ACM onderkent deze bevoegdheid ook in haar brief.
Het wettelijk kader van het Nederlandse cao en avv-stelsel gaat al bijna honderd jaar mee. Een teken dat het stelsel flexibel is en de mogelijkheid biedt om mee te bewegen met veranderingen in de tijd. Juist omdat binnen het kader de sociale partners de vrijheid genieten om het collectief overleg naar eigen inzicht vorm te geven en de meest passende afspraken te maken voor een onderneming of sector. Dit uit zich in het draagvlak voor het stelsel, dat nog altijd groot is. De meerderheid van de werknemers en werkgevers zijn positief over de cao, hun arbeidsvoorwaarden, de vakbond en de werkgeversvereniging.3
Tegelijkertijd is het belangrijk om oog te hebben voor nieuwe ontwikkelingen, zoals de opkomst van andere vormen van werk of het ontstaan van nieuwe sectoren. Ik vind het belangrijk dat ook nieuwe (innovatieve) toetreders zich gerepresenteerd voelen bij de cao, en dat het gesprek over mogelijkheden tot maatwerk goed gevoerd kan worden.
Momenteel voert mijn ministerie een verkenning uit naar mogelijk onderhoud van het cao en avv-stelsel. In mijn Kamerbrief van 19 november 2024 heb ik vier sporen uitgezet, te weten: de organisatiegraad van werknemers- en werkgeversorganisaties; de onafhankelijkheid van vakbonden; de cao-dekkingsgraad en ook het avv- en dispensatiebeleid.4 Ik werk deze vier sporen uit in aparte beleidstrajecten en verwacht uw Kamer na de zomer nader te informeren over de stand van zaken.
Bent u het ermee eens dat het juist een taak van de politiek is om bestaande regelgeving opnieuw te evalueren als blijkt dat deze niet meer passend is op de continu veranderende en innoverende wereld? Zo ja, wat heeft u van de Kamer nodig om regelgeving zo actueel mogelijk te houden?
Ik vind evaluatie van bestaande wet- en regelgeving zeer belangrijk. Wet- en regelgeving moet passend zijn en blijven voor zowel gevestigde bedrijven als nieuwe bedrijven. Dit is inderdaad een taak van de politiek. Momenteel voert mijn ministerie een verkenning uit naar mogelijk onderhoud van het cao- en avv-stelsel. Zie ook mijn antwoord op vraag 3. Het kabinet voert daarover ook graag het gesprek met uw Kamer om signalen te horen en inbreng mee te nemen.
Bij welke sectoren speelt naar uw weten nog meer het vraagstuk van van niet-passende collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s), naast innovatieve bedrijven die actief zijn in de supermarktbranche?
Het is aan sociale partners om vorm te geven aan de werkingssfeer van een cao en in overleg te treden met nieuwkomers op de markt. Soms ontstaat er onduidelijkheid of verschil van inzicht over de werkingssfeer. In beginsel is het aan betrokken sociale partners om gezamenlijk tot een oplossing te komen.
Tot slot kunnen partijen de rechter om een oordeel vragen over de toepasselijkheid van de cao.
Over niet-passende collectieve arbeidsvoorwaarden kan ik geen oordeel vellen. In het licht van de avv-procedure kunnen bedrijven die het niet eens zijn met de werkingssfeer, bedenkingen indienen en/of een dispensatieverzoek indienen.
Klopt het dat bedrijven tot 2006 dispensatie kregen als zij een eigen cao hadden, en dat dit sinds 2006 eerst wordt getoetst aan een kader door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alvorens dispensatie kan worden verleend? Zo ja, wat zijn de criteria in dit toetsingskader en waarom is dit in 2006 veranderd?
Voor 2006 was sprake van een ander dispensatiecriterium. In de periode van 1999 tot en met 2006 werd een aanvraag tot dispensatie vrijwel automatisch verleend, op voorwaarde van het hebben van een eigen rechtsgeldige cao en indien sprake was van onafhankelijke partijen. De dispensatieroute werd echter gebruikt als middel om eenvoudig onder de algemeen verbindend verklaarde cao uit te komen. Het doel van avv, concurrentie op arbeidsvoorwaarden voorkomen, werd ondermijnd. Het beleid is daarom gewijzigd. Het uitgangspunt van de wijziging is het nadrukkelijker bepalen dat avv de regel is en dispensatie de uitzondering.
De huidige criteria voor dispensatieverlening staan in paragraaf 7 van het Toetsingskader AVV. Kort gezegd moet voldaan worden aan het volgende:
Bent u bereid criteria op te stellen zodat ondernemers weten waar zij aan toe zijn en lange juridische conflicten kunnen worden voorkomen?
In het Toetsingskader AVV zijn al criteria opgenomen. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 6.
Daarnaast is hierin ook bepaald dat het op de weg van de dispensatieverzoeker ligt om aan te geven en te onderbouwen welke zwaarwegende argumenten maken dat naleving van de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen redelijkerwijze niet van hem kan worden gevergd. De nadere invulling is dan ook afhankelijk van de concrete casus.
Verder worden de partijen die om avv hebben verzocht, in de gelegenheid gesteld om te reageren op het dispensatieverzoek. Vervolgens krijgt de dispensatieverzoeker de gelegenheid om daarop te reageren. Daarna ga ik over tot besluitvorming. Tegen een dispensatiebesluit staat bezwaar en (hoger) beroep bij de bestuursrechter open.
Uiteraard heeft het de voorkeur dat partijen er onderling uitkomen met elkaar en dat lange juridische conflicten voorkomen worden. Helaas lukt dat niet altijd en wenden partijen zich tot de Minister van SZW.
Wordt er momenteel gesproken in het kabinet over verandering van het cao-stelsel teneinde deze meer mee te laten gaan met de tijd? Zo ja, wat is de actuele stand van zaken? Zo nee, bent u bereid dit bij de demissionaire kabinetsleden en de ministeries onder de aandacht te brengen?
Zie mijn antwoord op vraag 3 en de Kamerbrief van 19 november jl. Ik verwacht u na de zomer nader te informeren over de verschillende trajecten die ik momenteel uitwerk.
Bent u bereid in het demissionaire kabinet te pleiten voor dispensatie aan e-commerce voor de supermarkt-cao wanneer zij reeds zijn aangesloten bij een cao zoals mogelijk vanuit artikel 7 van dit toetsingskader3? Zo nee, waarom niet?
Voor het algemeen verbindend verklaren van cao’s bestaat een duidelijk proces, waar ik als Minister van SZW verantwoordelijk voor ben. Momenteel is het dispensatieverzoek bij mij in behandeling. Daarbij houd ik mij aan de voorgeschreven wet- en regelgeving. Het is belangrijk dat dit proces zorgvuldig wordt doorlopen. Ik kan over de lopende procedure geen uitspraken doen.
Is het wenselijk om de ruimte voor innovatie en ondernemerschap mee te wegen in besluitvorming over avv- en van cao’s?
Bij een avv-verzoek bestaat de mogelijkheid tot het indienen van bedenkingen en een verzoek tot dispensatie bij de Minister van SZW. Daarbij kan er zoals eerder gezegd dispensatie worden verleend als sprake is van zwaarwegende argumenten, waardoor toepassing van de cao redelijkerwijze niet kan worden gevraagd. Van zwaarwegende argumenten is met name sprake als de specifieke bedrijfskenmerken op essentiële punten verschillen ten opzichte van de andere ondernemingen die onder de werkingssfeer van de avv’de cao vallen. Ook kunnen er andere argumenten zijn die tot dispensatie kunnen leiden, zolang deze argumenten maar zwaarwegend zijn.
Wel erken ik het belang van ruimte voor innovatie, ondernemerschap en ruimte voor maatwerk. In de praktijk geven cao-partijen hier invulling aan, bijvoorbeeld door te kiezen voor minimum cao-bepalingen om ten voordele van de werknemer af te kunnen wijken, of het opnemen van een hardheidsclausule zodat er coulant kan worden omgegaan met specifieke situaties of het opnemen van een decentralisatiebepaling, zodat er op een ander niveau afspraken kunnen worden gemaakt.
De MER Tata Steel en misleidende communicatie over uitstootcijfers |
|
Ines Kostić (PvdD), Joris Thijssen (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Mpanzu Bamenga (D66), Natascha Wingelaar (NSC), Ilana Rooderkerk (D66), Wytske de Pater-Postma (CDA), Marieke Koekkoek (D66), Geert Gabriëls (GL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Tata Steel op 30 juni 2025 het milieueffectrapport (MER) voor het project HeraCless-Groen Staal heeft ingediend bij de provincie Noord-Holland, en dat de MER openbaar is gemaakt op de website van Tata Steel?1
Ja. Het milieueffectrapport (MER) is conform toezegging ook met uw Kamer gedeeld via het de aanbiedingsbrief bij het Schriftelijk overleg van 8 juli jl. (Kamerstuk 28 089, nr. 339). Inmiddels heeft het bedrijf aangegeven wegens een aantal correcties een gereviseerde MER in te zullen dienen bij het bevoegd gezag6.
Bent u bekend met het feit dat volgens het onlangs gepubliceerde MER van Tata Steel de immissie van fijnstof, NOx en dioxines niet daalt, maar zelfs stijgt? Zo ja, hoe beoordeelt u deze uitkomst in het licht van het feit dat het RIVM concludeert dat fijnstof en NOx de grootste boosdoeners zijn voor de gezondheid van omwonenden?
Normaal gesproken wordt een MER pas openbaar wanneer deze door het bevoegd gezag als bijlage ter inzage wordt gelegd bij een ontwerpbesluit in het kader van vergunningverlening. Tata Steel heeft er, mede op verzoek van de omgeving en de Tweede Kamer, voor gekozen het ingediende MER te publiceren zodat eenieder dit stuk nu al kan inzien. Tegelijkertijd moet nog wel gewoon het reguliere proces van advies en verificatie rondom het MER door het bevoegd gezag en de door haar gemandateerde omgevingsdienst plaatsvinden.7 Er zijn door de Rijksoverheid nog geen stellingen in te nemen, omdat het bevoegd gezag de MER nog moet interpreteren en beoordelen. Ik wil hiervoor het reguliere proces afwachten en kan dus niet in alle gevallen ingaan op de door u gestelde vragen.
Vindt u het acceptabel dat de immissie van fijnstof, NOx en dioxines niet daalt, maar zelfs stijgt? Zo ja, waarom en op welke gezondheidsexperts baseert u zich dan?
Zie beantwoording vraag 2. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Wat vindt u ervan dat uit het MER blijkt dat ziekmakende stoffen, zoals ultrafijnstof, benzeen, zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s), nauwelijks worden teruggedrongen en dat veel technieken die Tata noemt om emissies te beperken worden afgedaan als «nog in onderzoek», «niet verplicht» of «niet gebruikelijk»? Welke harde reductiedoelen en toetsbare resultaatsverplichtingen zijn er voor deze stoffen dan?
Zie beantwoording vraag 2. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Bent u het ermee eens dat dit te veel onzekerheid met zich meebrengt en dat omwonenden – die jarenlang moesten vechten tegen een Tata Steel en een overheid, die lang wegkeken en de ziekmakende effecten van Tata ontkenden – garanties moeten krijgen over de exacte reducties van emissies van zulke ziekmakende stoffen (in absolute cijfers)?
Ik begrijp de zorgen van omwonenden over de onzekerheid die deze fase met zich meebrengt. Het verduurzamingsproject van Tata Steel kent verschillende fases, waarvan het MER één van de eerste stappen is binnen het formele proces van besluitvorming over een projectbesluit en bijbehorende vergunningen. Het is aan het bedrijf om de vergunningen voor hun activiteiten aan te vragen en een MER op te stellen. Het bevoegd gezag zal naar aanleiding van het MER, de daarbij behorende adviezen, en de nog in te dienen vergunningaanvragen de activiteit beoordelen.
Het doel van het MER is om de effecten van het project op het milieu in beeld te brengen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de impact van het project op verschillende (lucht)emissies van het bedrijf in kaart moet worden gebracht. Concrete bindende normen of eisen staan niet in het MER, maar worden op een andere manier geregeld. Algemene regels en de vergunningen zullen de Groen Staal-activiteiten van Tata Steel reguleren, waaronder de (lucht)emissies.8 Voordat de vergunning definitief is, zal de ontwerpvergunning openbaar worden gemaakt. Dan bestaat de mogelijkheid voor belanghebbenden om hierop zienswijzen in te dienen.
Bent u het ermee eens dat alle relevante mitigerende maatregelen (oftewel maatregelen die de schadelijke effecten beperken) in het MER moeten worden opgenomen, dus ook de overkappingen en maatregelen die in het buitenland al worden toegepast bij staalfabrieken? Zo nee, waarom niet? Hoe worden dan maatregelen die niet in het MER worden doorgerekend, maar wel worden toegepast via bijvoorbeeld maatwerkafspraken, onderworpen aan een verplichte toets op de effectiviteit en milieugevolgen?
Dit MER is opgesteld voor de vergunningverlening van het project Heracless-Groen Staal zoals dat in maart 2023 is aangekondigd met de notitie voornemen en in november 2023 is aangepast met de gewijzigde notitie voornemen.9 Het MER wordt, zoals ieder ander MER, door het bevoegd gezag getoetst aan de eisen die de wet aan een MER stelt.
Een MER is een middel om in kaart te brengen welke mitigerende maatregelen nodig zijn om negatieve milieueffecten (die een direct gevolg zijn van het project) te beperken. De genoemde overkappingen zijn geen onderdeel van het project en ook geen onderdeel van mitigerende maatregelen voor dit project. Daarom zijn deze niet opgenomen in het MER.
Het ingediende MER heeft een beperktere scope dan de eventuele maatwerkafspraak. Aanvullende (milieu)maatregelen die voortkomen uit de maatwerkafspraken en geen onderdeel zijn van de vergunningenprocedure voor het project Heracless-Groen Staal dat in maart 2023 is gestart, zullen te zijner tijd een eigen vergunningenspoor doorlopen en getoetst worden. Dit is eerder zo gecommuniceerd door het bevoegd gezag met de gewijzigde notitie voornemen in november 202310.
Zijn cruciale technieken voor de overkapping van de schrootverwerking, het slaktransport en de aanvoer en opslag van grondstoffen voor de «direct reduced iron» (DRI) meegenomen in het MER? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om uit te spreken dat het nodig is om dit alsnog op te laten nemen in het MER?
De overkappingen en bronmaatregelen bij nieuwe schrootverwerking en bronmaatregelen bij slaktransport maken deels onderdeel uit van het ontwerp van de nieuwe DRP-EAF installaties en zijn dus opgenomen in het MER.11 Eventuele aanvullende milieumaatregelen die voort kunnen komen uit de maatwerkafspraken zijn zoals ook in vraag 6 toegelicht geen onderdeel van het MER.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat Tata met het MER feitelijk een soort vorm van salderen in de tijd toepast: verslechtering van de leefomgeving in de komende jaren wordt goedgepraat met beloften over latere verbetering, maar zonder juridische garanties dat die verbetering er ook daadwerkelijk komt? Zo nee, welke juridische garanties zijn er dan concreet voor reductie van ziekmakende stoffen?
Zie beantwoording vraag 2 en 5. Een MER is een middel om in kaart te brengen welke mitigerende maatregelen nodig zijn om negatieve milieueffecten (die een direct gevolg zijn van het project) te beperken. De beoordeling van het MER (of dit in voldoende mate lukt in lijn met huidige wet- en regelgeving), ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Welke concrete, juridisch bindende normen per stofsoort met resultaatverplichtingen op korte termijn – ook voor de bouw- en transitiefase – worden gehanteerd om gezondheidswinst te garanderen?
Zie de beantwoording van vraag 2 en vraag 5. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Erkent u dat in de bouw- en transitiefase, waarin oude vervuilende installaties (zoals kooksgasfabriek 2 en de hoogovens) nog jaren blijven draaien naast nieuwe bronnen als «electric arc furnace» (EAF) en DRI, de uitstoot en hinder toenemen? Kunt u ook aangeven welke maatschappelijke kosten en effecten op de gezondheid dit met zich mee zal brengen? Kunt u een oproep doen om ook de bouw- en transitiefase te laten meenemen in het MER?
Het klopt dat oude en nieuwe installaties enige tijd gelijktijdig actief zullen zijn. Het bevoegd gezag heeft eerder, in reactie op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het MER, geadviseerd aan Tata Steel om in het MER expliciet in te gaan op de milieueffecten tijdens de bouw- en transitiefase. Deze zijn dus ook onderdeel van het door Tata Steel ingediende MER. Het bevoegd gezag zal hier dan ook op letten in haar beoordeling van het MER. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Wat is de planning, nu recent een coördinator is aangesteld om een gezondheidseffectrapportage (GER) te (laten) maken, het MER er is en de systematiek van de GER ook is ontwikkeld, om te komen tot een GER en worden omwonenden daar ook bij betrokken?
Zoals toegelicht in de beantwoording van de vragen uit het Schriftelijk Overleg van 8 juli jl12., zullen bij de uitvoering van de Gezondheidseffectrapportage Tata Steel Nederland (hierna: GER-TSN), naast andere betrokkenen, omwonenden worden geconsulteerd.
De GER-TSN wordt gebaseerd op informatie uit het MER en op data voor de milieu en gezondheidsmaatregelen van de eventuele maatwerkafspraak die buiten de scope van het MER vallen. De werkgroep GER-TSN is op basis van de huidige beschikbare versie van de MER gestart met de voorbereidende werkzaamheden van de GER-TSN. Echter moet het oordeel van het bevoegd gezag en het advies van de Commissie mer over het MER worden afgewacht om naar een definitieve GER toe te werken.
Doordat de GER voor het eerst wordt uitgevoerd en de uitvoering afhankelijk is van het proces van de MER, is de exacte duur van de verdere uitvoering niet geheel te voorspellen, maar alle betrokken partijen zijn zich bewust van de wens van de Kamer tot snelheid en zetten zich daarvoor in.
Wanneer verwacht u dat er adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond voor de omwonenden in IJmond op basis van de GER kunnen liggen? Bent u bereid te wachten met het maken van een maatwerkafspraak met Tata, totdat deze adviezen er zijn, zoals een meerderheid van de Kamer u heeft verzocht? Zo nee, waarom niet?
De gezondheid van omwonenden van Tata Steel zal een prominente plek krijgen in de eventuele maatwerkafspraak met TSN, zoals ook al eerder is aangegeven. In de Voortgangsbrief Milieuproblematiek Tata Steel van 10 april jl. bent u uitgebreid geïnformeerd over de GER -TSN. Tussentijdse inzichten die worden opgedaan bij de uitvoering van de GER-TSN zullen zoveel mogelijk worden betrokken bij de onderhandelingen over de maatwerkafspraak met TSN. In de Kamerbrief Voortgang maatwerkafspraken Tata Steel van 20 februari jl. is toegelicht dat de beoogde volgende stap in het maatwerktraject met Tata Steel een concept-JLoI is. De Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI) zal over de concept-JLoI een advies uitbrengen. Gelet op de bijzondere aandacht voor gezondheidsrisico’s in de maatwerkafspraak met Tata Steel zal de Expertgroep Gezondheid IJmond hierbij worden betrokken. De Expertgroep is immers ingesteld om te adviseren op milieu en leefomgevingsaspecten bij de verduurzaming van Tata Steel en de consequenties daarvan voor de gezondheid van inwoners in de IJmond.13
Door de samenwerking tussen de AMVI en de Expertgroep Gezondheid IJmond bij het adviseren over de concept-JLoI Tata Steel, zal hun advies onder andere zien op gezondheid, de geformuleerde doelstellingen en de haalbaarheid en de doelmatigheid hiervan. Dit geïntegreerde advies zal samen met de definitieve JLOI openbaar worden gemaakt. De JLoI wordt daarna verder uitgewerkt naar een definitieve, bindende maatwerkafspraak.
Als u niet gaat wachten op deze adviezen, hoe weten de omwonenden wat de gezondheidswinst precies zal zijn en hoe gaat u dan de door u in het vooruitzicht gestelde gezondheidswinst voor omwonenden waarmaken? En als u niet bereid bent te wachten op de adviezen van de expertgroep, beseft u dan dat u een meerderheid van de Kamer negeert, terwijl u veel belastinggeld wilt uitgeven aan een Indiaas bedrijf? Waarom doet u dat dan toch?
Het advies van de AMVI en Expertgroep zal samen met de JLoI openbaar worden gemaakt. De JLoI wordt daarna verder uitgewerkt naar een definitieve, bindende maatwerkafspraak (zie ook beantwoording vraag 12). Het advies van de AMVI en Expertgroep worden daarbij ook meegenomen.
Met de maatwerkafspraak wil de Staat groene, schone en circulaire staalproductie in de IJmond helpen realiseren. De aanvullende milieu en gezondheidsmaatregelen die onderdeel zijn van de maatwerkafspraak zijn bovenwettelijk en deze milieu en gezondheidswinst is niet te behalen middels het reguliere VTH-stelsel.
In de brief van 10 april 2025 is uitgebreid ingegaan op de borging van gezondheid in de maatwerkafspraken. Hierin is dus voorzien.
Uiteraard is het uiteindelijk aan TSN om de milieu-impact van hun activiteiten te verminderen.
Bent u bekend met het feit dat volgens het technisch rapport Detailstudie Stikstofdepositie behorend bij het MER van Tata Steel2 (tabel 10.3) er zowel in de aanlegfase, de transitiefase, de operationele fase met aardgas als in de operationele fase met waterstof, sprake is van een toename van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat? Welke gevolgen heeft dit, ook in het licht van de Greenpeace-uitspraak?
Voor het antwoord op uw vraag over de Greenpeace-uitspraak verwijs ik u naar de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen. Verder geldt dat de beoordeling van het MER bij het bevoegd gezag ligt, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Klopt het dat dit betekent dat met de aanleg niet kan worden begonnen, totdat de stikstofdepositie op Natura 2000 daalt? Wanneer verwacht u dat dit het geval zal zijn? Zo nee, op welke juridische adviezen baseert u zich daan? Kunt u deze juridische adviezen meesturen?
Dit is aan bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Het proces van vergunningverlening moet nog doorlopen worden.
Bent u bekend met het feit dat volgens het technisch rapport Detailstudie Externe Veiligheid – QRA Heracless, behorend bij het MER van Tata Steel3, is aangegeven dat het gifwolkaandachtsgebied van Tata Steel, zowel in de bestaande als nieuwe situatie, zich uitstrekt over diverse gemeentes? Wat gaat u met die informatie doen en welke maatregelen gaat u treffen op korte termijn?
Zie de beantwoording van vraag 2. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Klopt het dat in het MER geen absolute emissiecijfers zijn opgenomen voor de belangrijkste schadelijke stoffen, zoals fijnstof, stikstofoxiden en dioxines, maar slechts informatie over toe- of afname ten opzichte van het huidige niveau en acht u een MER zonder absolute emissiegegevens voldoende om de milieueffecten goed te beoordelen? Als dit klopt, hoe rijmt u dit dan met a) het advies van Commissie m.e.r dat er absolute emissiecijfers moeten zijn en b) de expertsessie GER waaruit bleek dat zonder goede cijfers over emissie, depositie en immissie geen GER mogelijk is? Heeft u de Expertgroep Gezondheid hiernaar laten kijken en wat adviseert de Expertgroep precies over de bruikbaarheid van het huidige MER?
Het klopt niet dat in het MER geen absolute emissiecijfers zijn opgenomen. Deze cijfers zijn terug te vinden in de detailstudie luchtkwaliteit.16 De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Voor de beoordeling van het MER vraagt het bevoegd gezag advies aan de Commissie mer.
De Commissie mer geeft, als onafhankelijke organisatie, deskundig advies over de inhoud van milieueffectrapporten.17 De Expertgroep Gezondheid IJmond heeft geen rol in de beoordeling van het MER.
Kent u de door Tata Steel eerder gecommuniceerde en beloofde reductiecijfers?4 Welke absolute uitstootcijfers horen bij de daarin genoemde percentages?
Ja die reductiecijfers ken ik, TSN heeft emissiereductiedoelen voor de emissies van TSN en de energiecentrales van Vattenfall gepresenteerd in de Groen Staal Brief.19Deze brief is begin 2024 ook met de Tweede Kamer gedeeld als bijlage van de kamerbrief van 9 januari 202420.
Het is aan het bedrijf om absolute uitstootcijfers te koppelen aan de eerder gecommuniceerde reductiecijfers. Tata Steel stelt naar aanleiding van deze vraag een memo op over de absolute uitstootcijfers. Deze memo zal door het bedrijf bij de publicatie van de gereviseerde MER worden gepubliceerd.
Hoe verklaart u het grote verschil tussen deze eerder door Tata Steel gecommuniceerde reductiecijfers voor NOx en fijnstof uit puntbronnen5, en de daadwerkelijke cijfers in het MER?
Het door Tata Steel ingediende MER bevat niet het volledige verduurzamingsplan zoals de scope beschreven in de brief van 10 januari 2024. Het MER bevat namelijk niet de bovenwettelijke milieu en gezondheidsmaatregelen die onderdeel zijn van de maatwerkonderhandelingen. Hierdoor zijn de verduurzamingsplannen en bijbehorende ingeschatte reductiecijfers zoals die door Tata Steel zijn ingediend in 2024 in het kader van de maatwerkafspraken in scope en waarde niet gelijk aan de milieueffecten zoals die door Tata Steel zijn onderzocht in het MER voor de vergunningverlening van het project Heracless-Groen Staal.
Het ingediende MER ligt op dit moment ter beoordeling van het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Hoeveel emissiereductie voor NOx en fijnstof uit puntbronnen is gerealiseerd (in absolute uitstootcijfers) en zal naar verwachting nog worden gerealiseerd met Roadmap Plus, volgens de meest recente cijfers van de omgevingsdienst?
Het is geen taak van de omgevingsdienst om te rapporteren over de effectiviteit van individuele emissiereducerende maatregelen die door Tata Steel worden genomen. De uitstootcijfers van het bedrijf zijn beschikbaar via het openbaar milieujaarverslag (e-MJV) van het bedrijf. Deze gegevens worden gecontroleerd door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Tata Steel publiceert zelf het verslag; ook via emissieregistratie.nl worden de gegevens toegankelijk gemaakt.
Acht u het aannemelijk (en op basis waarvan) dat Tata Steel niet wist dat deze cijfers niet klopten, gezien in het verleden Tata ook cijfers heeft gedeeld die misleidend waren of niet klopten (zie o.a. de uitspraak van Reclame Code Commissie, bevestigd door de omgevingsdienst) en welke consequenties verbindt u hieraan?
Zie ook het antwoord op vraag 19. Ik kan verder niet voor het bedrijf spreken.
Welke stappen onderneemt u om gegarandeerd te voorkomen dat bedrijven als Tata Steel misleidende informatie verspreiden over hun uitstoot en de verwachte effecten van verduurzamingsmaatregelen?
Bedrijven dienen jaarlijks hun emissiegegevens in bij het e-MJV. De gegevens in het e-MJV worden gecontroleerd door het bevoegd gezag. Ook het MER wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Daarbij laat zij zich laten adviseren door de Commissie mer. Er zijn daarnaast verschillende algemene organisaties die de toezicht houden op misleidende communicatie, zoals de Reclame Code Commissie.
Hoe wilt u, gelet op het feit dat Tata door de omgevingsdienst wordt gekwalificeerd als «calculerend en opportunistisch», een stap boven «crimineel», met dit bedrijf afspraken maken die worden nagekomen, waarbij u rekening houdt met de analyse van de Algemene Rekenkamer dat toezicht en handhaving tekortschieten? Welke waarborgen zitten er in de maatwerkafspraken, of welke waarborgen gaat u toevoegen, om ervoor te zorgen dat nauwkeurige onafhankelijke metingen, toezicht en handhaving op orde zijn?
De expertise van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) wordt benut bij de totstandkoming van eventuele maatwerkafspraken. Hiermee wordt geborgd dat de afspraken, voor zover relevant, ook uitvoerbaar zijn vanuit vergunningverlening-, toezicht- en handhavingsperspectief.
De maatwerkafspraken zullen bindend en afdwingbaar zijn. Dat betekent dat deze goed en onafhankelijk moeten kunnen worden gemeten en gecontroleerd. De invulling hiervan is afhankelijk van de vormgeving van de precieze afspraken. Op dit moment wordt over de beoogde afspraken en de borging daarvan onderhandeld. Vanwege de mogelijke koersgevoeligheid van de informatie kan ik daar op dit moment niet verder op ingaan.
Vindt u het ook onverstandig om afspraken te maken met bestuurders naar wie het Openbaar Ministerie (OM) strafrechtelijk onderzoek doet en met een bedrijf waar meerdere rechtszaken tegen lopen? Zo nee, waarom vindt u dit dan wel een verstandige keuze en hoe neemt u daar het risico voor de belastingbetaler in mee?
Vooropgesteld staat dat het bedrijf moet voldoen aan de geldige wet- en regelgeving, net als ieder ander bedrijf. Het Openbaar Ministerie is zelfstandig verantwoordelijk en bevoegd tot het doen van onderzoek naar vermeende strafrechtelijke overtredingen en het eventueel instellen van vervolging. De maatwerkafspraak ziet per definitie op bovenwettelijke milieumaatregelen. Dit zijn maatregelen die verder gaan dan wat via bestaande of voorgenomen wetgeving afgedwongen kan worden. Er wordt geen overheidssteun verleend aan maatregelen die met handhaving van bestaande regels kunnen worden afgedwongen. De maatwerkafspraken zullen bindend en afdwingbaar zijn.
De ontwikkelingen van dit strafrechtelijk onderzoek worden uiteraard gevolgd.
Ik wil echter niet nu al vooruitlopen op een mogelijke uitkomst van dit strafrechtelijk onderzoek. Uitstel of afstel van een maatwerkafspraak leidt er enkel toe dat de klimaatwinst, de verbetering van de leefomgeving en de daaruit volgende gezondheidswinst voor omwonenden niet of pas veel later optreedt. De snelste weg om deze doelen te kunnen behalen is via de maatwerkafspraak. Om die reden is er geen sprake van een risico maar heeft de belastingbetaler baat bij voorzetting van de gesprekken met Tata Steel om tot een maatwerkafspraak te komen.
Hoe bent u van plan om te gaan met een eventuele vervolging door het OM en wellicht veroordeling van Tata Steel-bestuurders?
Het Openbaar Ministerie handelt zelfstandig en gaat dus zelf over het doen van strafrechtelijk onderzoek en het eventuele besluit tot vervolging. Het past daarom ook niet in mijn rol als bewindspersoon om vooruit te lopen op een eventuele vervolging door het Openbaar Ministerie en de gevolgen daarvan.
Kunt u bevestigen dat de maatwerkafspraken alleen doorgang vinden als er harde, afdwingbare, concrete prestatieafspraken komen, volledig in lijn met alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond over het minimaliseren van gezondheidsschade en emissies van o.a. kankerverwekkende stoffen zoals PAK's (met concrete reductiedoelen), zoals door de Kamer geëist?
Het kabinet verwacht met de maatwerkafspraak voor 2030 een forse stap te zetten qua gezondheidswinst. Conform motie Olger-van Dijk is het doel om alleen overheidssteun aan Tata Steel te verlenen als er harde afdwingbare prestatieafspraken zijn gemaakt over het minimaliseren van gezondheidsschade en emissies. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de vragen van het Schriftelijk Overleg22, vinden op dit moment onderhandelingen plaats over de maatwerkafspraak met TSN in een vertrouwelijke setting. Gelet op de mogelijke koersgevoeligheid van (de uitkomsten van) deze onderhandelingen, wordt informatie over deze onderhandelingen op dit moment alleen vertrouwelijk met de Tweede Kamer gedeeld.
Zoals ook in eerdere correspondentie met de Tweede Kamer is aangegeven zal de motie Thijssen waar u impliciet in het tweede deel van uw vraag naar verwijst deels opgevolgd worden. De motie verzoekt de regering om het overnemen van de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond als harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen en zodanig de gezondheid van de bevolking van de IJmond een volwaardige plaats te geven in de maatwerkafspraken. Zoals eerder aangegeven worden de adviezen van de Expertgroep zoveel mogelijk meegenomen in de onderhandelingen over de maatwerkafspraak. Het is echter niet mogelijk alle adviezen van de Expertgroep met behulp van de (beoogde) maatwerkafspraak met Tata Steel op te volgen. Het uitvoeren van alle adviezen behoeft meer maatregelen (dan alleen deze maatwerkafspraak), meer middelen en meer tijd. Zie ook de kabinetsreactie op het tweede advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond.23
Hoe gaat u, gelet op het feit dat de totale uitstoot – en daarmee de depositie – van NOₓ als gevolg van de cijfers in het MER minder hard zal dalen dan eerder door het PBL werd geraamd, zodat nog méér moet worden gedaan om aan het bevel van de rechtbank in de zaak van Greenpeace te voldoen, hiervoor concreet zorgdragen?
Voor het antwoord op uw vraag over de Greenpeace uitspraak verwijs ik u naar de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen. Verder geldt dat de beoordeling van het MER bij het bevoegd gezag ligt, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden. Ik wil hier daarom niet op vooruitlopen.
Kunt u bevestigen dat de verwachte CO₂-reductie van het Groen Staal-project maximaal 5 megaton per jaar bedraagt, maar dat de werkelijke uitstoot van Tata Steel de afgelopen jaren dusdanig lager lag dan eerder verondersteld, dat de feitelijke reductie dichter bij de 3,5 megaton ligt? Wat wordt de jaarlijkse CO₂-emissie, nadat HeraCless-Groen Staal is uitgevoerd en de hoogoven is gesloten?
In de Expression of Principles is afgesproken dat TSN de jaarlijkse CO2-uitstoot met 35–40% reduceert. Hierbij loopt de reductie op tot maximaal 5 megaton per jaar, gerekend ten opzichte van de bestaande maximale productievermogens van de fabrieken waarbij de uitstoot maximaal 12,6 megaton per jaar is. De uitstoot van maximaal 12,6 megaton per jaar vindt alleen plaats als de fabrieken op volle capaciteit draaien.
Een reductie van maximaal 40% betekent dat de fabrieken nog maximaal 7,6 megaton per jaar mogen uitstoten na de transitie. Deze maximale uitstoot kan in de praktijk lager uitvallen. In jaren waarin om operationele of economische redenen op een lagere productie wordt gedraaid, is de CO2-uitstoot lager. Wanneer na 2030 op lagere doorzet wordt geproduceerd zal dat dus ook betekenen dat de fabrieken van TSN minder dan 7,6 megaton per jaar uitstoten.
Wat is de verwachte chemische samenstelling van de EAF-slakken die vrijkomen bij het elektrisch smelten van staal, en hoe verhoudt deze zich tot de samenstelling van de huidige hoogovenslakken in termen van milieu en gezondheidsrisico’s (graag met bronvermelding)?
Dit heeft Tata Steel onderzocht in het MER, dat momenteel wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft Tata Steel eerder, in reactie op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau, geadviseerd om in het MER expliciet in te gaan op:
Ook het advies van de Commissie mer op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau, dat het bevoegd gezag heeft overgenomen richting Tata Steel, schenkt veel aandacht aan de verwerking van staalslakken die ontstaan ten gevolge van het project Heracless-Groen Staal en is onderdeel van de beoordeling van het MER door het bevoegd gezag. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Bent u bekend met het feit dat in het technisch rapport Detailstudie secundaire stromen en afval, behorend bij het MER van Tata Steel6, is aangegeven dat Tata Steel momenteel nog de mogelijkheden onderzoekt voor de nuttige toepassing van EAF-slakken, wat volgens Tata Steel vanwege het zinkgehalte niet intern gerecupereerd kan worden, maar extern verwerkt en gestort moet worden? Hoe beoordeelt u dit?
De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Waarop is het vertrouwen gebaseerd dat de EAF-slakken toegepast kunnen gaan worden als secundaire bouwstof, gelet op de huidige maatschappelijke zorgen, de aangenomen motie-Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428) om in ieder geval tijdelijk te stoppen met het gebruik van staalslakken en de gebrekkige borging van milieuveiligheid bij bestaande toepassingen van staalslakken?
Met de huidige maatregelen die door de Rijksoverheid25en Provincie Noord-Holland zijn genomen om verdere milieurisico's ten gevolge van onjuiste toepassing van staalslakken te voorkomen, zijn er nog steeds mogelijkheden om staalslakken, indien veilig, toe te passen.
De verantwoordelijkheid voor de beoordeling of een materiaal een bijproduct is of een afvalstof ligt bij de houder van het materiaal. Deze beoordeling vindt van geval tot geval plaats op basis van de bijproductvoorwaarden uit de Wet milieubeheer, die overgenomen zijn uit de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen26.
Bedrijven moeten hun beoordeling altijd onderbouwen aan de hand van de geldende wet- en regelgeving onder toezicht van bevoegde autoriteiten. In Nederland is het bevoegd gezag voor het toezicht hierop gedecentraliseerd en bij de omgevingsdiensten belegd. Het is dus niet aan het ministerie om een beoordeling te maken van de beoordeling van toekomstige EAF-slakken.
TSN gaat bij de productie van EAF-slakken meer schroot gebruiken en volgt een ander proces. Daardoor zal de samenstelling niet gelijk zijn aan die van de huidige staalslakken. TSN kijkt hoe het verwerkingsproces van staalslakken verbeterd kan worden en het bedrijf zoekt naar nieuwe toepassingen voor de slakken, zodat het als reststof hergebruikt kan worden.
Deelt u de opvatting dat een nog niet bestaande of getoetste verwerkingsmethode geen geldige basis mag vormen voor een positief oordeel over de milieueffecten in een MER? Zo nee, op welke experts baseert u zich dan en is hierover advies gegeven door Expertgroep Gezondheid IJmond?
De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Bent u in het licht van bovenstaande constateringen – toename van schadelijke immissie, het ontbreken van emissiegegevens, onduidelijkheid over staalslakken, mogelijk overschatte CO₂-winst, juridische risico’s en misleidende communicatie – bereid om de onderhandelingen over de maatwerkafspraken te heroverwegen of ten minste aanvullende eisen te stellen, voordat verdere financiële steun aan Tata Steel wordt verstrekt met belastinggeld van Nederlandse burgers?
De onderhandelingen met het bedrijf over de maatwerkafspraken worden voortgezet. Zoals in vraag 24 is beschreven, leidt uitstel of afstel van een maatwerkafspraak er enkel toe dat de klimaatwinst, de verbetering van de leefomgeving en de daaruit volgende gezondheidswinst voor omwonenden niet of pas veel later optreedt. De snelste weg om deze doelen te kunnen behalen is via een maatwerkafspraak. Om die reden is er geen sprake van een risico maar heeft de belastingbetaler baat bij voorzetting van de gesprekken met Tata Steel om tot een maatwerkafspraak te komen.
De afspraken zijn bindend en moeten dus ook worden gehandhaafd. Daarvoor zal adequate monitoring worden ingericht en moet een handhavingsmechanisme worden ontwikkeld. Hierbij kan gedacht worden aan het (gedeeltelijk) terugvorderen of inhouden van de subsidie, als niet voldaan wordt aan de eisen.
Dit soort zaken worden uitwerkt in het kader van de maatwerkonderhandelingen. Gelet op de mogelijke koersgevoeligheid van (de uitkomsten van) deze onderhandelingen, wordt informatie over deze onderhandelingen op dit moment alleen vertrouwelijk met de Kamer gedeeld.
Bent u bekend met het persbericht van Tata Steel Nederland van 9 april jl. waarin wordt aangekondigd dat een op de vijf werknemers zijn of haar baan zal verliezen om het bedrijf toekomstbestendig te maken en dus ook om de groenstaalplannen mogelijk te maken? Wat vindt u van dit persbericht?
Ja, ik ben bekend met dit persbericht. In juli hebben de Minister van Klimaat en Groene Groei, de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het bedrijf bezocht. Aansluitend aan dit werkbezoek is ook gesproken met een vertegenwoordiging van werknemers over onder andere hun zorgen over de reorganisatie. Ik leef mee met de werknemers, die vaak al decennialang voor het bedrijf werken, en begrijp hun zorgen.
Tata Steel geeft aan dat de reorganisatie nodig is om de winstgevendheid van het bedrijf te herstellen en om de transitie naar schoon en groen staal te kunnen maken. Voor Tata Steel Nederland, het Indiase moederbedrijf Tata Steel Limited én de Nederlandse overheid is het van belang dat het bedrijf een schone en duurzame toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft. Het is aan het bedrijf om haar eigen bedrijfsvoering vorm te geven richting deze duurzame toekomst.
Vindt u het acceptabel dat dit bedrijf mogelijk miljarden aan subsidie gaat ontvangen en ondertussen een op de vijf werknemers ontslaat? Zo ja, waarom is dit voor u acceptabel? Zo nee, welke voorwaarden omtrent werkgelegenheid en inspraak bent u voornemens af te spreken bij de maatwerkafspraken?
Zoals ook bij vraag 34 aangegeven is het aan het bedrijf om haar eigen bedrijfsvoering vorm te geven richting een duurzame toekomst. Het is in het belang van zowel de Nederlandse overheid als het bedrijf dat het bedrijf een schone en duurzame toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft.
Het doel van de maatwerkafspraak is schone, groene en economisch levensvatbare staalproductie in de IJmond. Een belangrijke voorwaarde om via een maatwerkafspraak steun te kunnen verlenen is wel dat een bedrijf financieel gezond is. Er mag geen staatsteun worden gegeven om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De Nederlandse staat en ook de Europese Commissie toetst streng op deze voorwaarde. Daarmee wordt geborgd dat eventuele staatssteun daadwerkelijk gebruikt wordt voor verduurzaming en schonere productie en niet voor het overeind houden van een verlieslatend bedrijf.
TSN en de vakbonden hebben eerder al een overeenkomst gesloten in de vorm van het Sociaal Contract Groen Staal. Deze overeenkomst is van toepassing op werknemers van TSN wiens functie door de transitie op termijn wordt uitgefaseerd. Het doel is om werknemers van de fabrieken die op termijn zullen sluiten te behouden door het bieden van baangaranties en begeleiding richting nieuwe functies.
Onderschrijft u dat een belangrijke voorwaarde voor steun vanuit de overheid naast harde garanties voor gezondheid van omwonenden, commitment vanuit de directie voor goede, gezonde en groene werkgelegenheid zou moeten zijn?
Ja, dat onderschrijf ik. Allereerst is goed werkgeverschap in Nederland wettelijk geregeld27 en dus moet ook TSN zich hieraan houden. Steun vanuit de overheid ziet alleen op bovenwettelijke maatregelen die verder gaan dan waar wettelijk al aan voldaan moet worden.
Het is daarnaast primair aan werkgever en vakbonden om verdere afspraken te maken over goed werkgeverschap. Dit gaat bijvoorbeeld over het creëren van goede en gezonde werkomstandigheden. Voor medewerkers van TSN zijn er aanvullende collectieve regelingen ingesteld, zoals de cao en afspraken tussen werkgever en de ondernemingsraden.
Zou het, ondanks de recente uitwisselingen tussen het bedrijf, de medewerkers en vakbonden, die de plannen lijken te hebben afgezwakt, volgens u mogelijk zijn dat volgend jaar (of ergens de komende jaren) alsnog een op de vijf medewerkers ontslagen wordt? Vindt u dit acceptabel?
Ik vind het belangrijk dat het bedrijf een schone en duurzame toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft. Dat is een prioriteit voor zowel de Nederlandse staat als voor het bedrijf zelf. Het is aan het bedrijf om hier invulling aan te geven.
Bent u bereid om als voorwaarde te bedingen dat de medewerkers betrokken worden en een finale stem krijgen bij het eventueel herstructureren van het bedrijf? Bent u bereid om als voorwaarde te stellen dat kerntaken van het bedrijf niet uitbesteed gaan worden?
Het is de verantwoordelijkheid van het bedrijf zelf om hier invulling aan te geven. Het is de rol van de vakbonden en de ondernemingsraad om de medewerkers te vertegenwoordigen en de betrokkenheid te organiseren. Hierin ligt geen rol voor de Nederlandse staat.
Gaat u er met de maatwerkafspraken ook voor zorgen dat omwonenden en werknemers meer zeggenschap krijgen in het bedrijf? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier gaat u hiervoor zorgen?
Het is aan het bedrijf zelf om hier invulling aan te geven. Dit geldt ook voor het organiseren van inspraak van werknemers, eventueel via de werknemersvertegenwoordiging. De Wet op de Ondernemingsraden bevat voorschriften over het betrekken van de ondernemingsraden. Zowel vakbonden als de ondernemingsraad kunnen vanuit hun eigen rol de belangen van werknemers behartigen. Op dit specifieke punt ligt dus geen rol voor de Nederlandse staat.
Op grond het Verdrag van Aarhus en de Omgevingswet, moeten omwonenden mogelijkheden tot inspraak krijgen bij besluitvorming over milieuaangelegenheden. Dit is aan de betrokken overheidsinstantie.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en vóór het CD Verduurzaming Industrie dat begin september staat ingepland?
Het versturen van de beantwoording is helaas niet gelukt voor het CD Verduurzaming Industrie.
Erfrecht, levensverzekeringen en femicide |
|
Bente Becker (VVD), Hanneke van der Werf (D66), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het Algemeen Dagblad van 5 juli 2025, getiteld: Als man zijn vrouw doodt en daar rijker van blijkt te worden: «Misdaad mag niet lonen»?1
Ja.
Klopt het dat iemand die volledig ontoerekeningsvatbaar is verklaard na het doden van zijn of haar partner, volgens artikel 4:3 Burgerlijk Wetboek (BW) niet van rechtswege onwaardig is om te erven, omdat er dan geen sprake is van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling?
Dat klopt. Op grond van artikel 4:3, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is iemand van rechtswege onwaardig om te erven van degene die hij om het leven heeft gebracht. De wet vereist hiervoor een onherroepelijke (strafrechtelijke) veroordeling. Daarvan is ook sprake als een straf in combinatie met terbeschikkingstelling (tbs) is opgelegd.2 Als uitsluitend tbs is opgelegd, is hiervan geen sprake.
De rechter kan alleen tot een strafrechtelijke veroordeling komen als het feit naar zijn oordeel aan de dader kan worden toegerekend. Als het misdrijf de dader vanwege een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis tijdens het begaan van het feit in het geheel niet kan worden toegerekend, kan de strafrechter wel een tbs-maatregel opleggen. De regeling van onwaardigheid in het erfrecht sluit hierbij aan; als de dader enig (strafrechtelijk) verwijt kan worden gemaakt waarop een strafrechtelijke veroordeling volgt, kan hij niet erven. Als de dader geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt vanwege een ziekelijke stoornis, is diegene niet van rechtswege onwaardig om te erven.
Gelet op de concrete feiten en omstandigheden in een individuele zaak kan het maatschappelijk gezien niettemin onaanvaardbaar zijn dat er aanspraak kan worden gemaakt op de nalatenschap van het slachtoffer. In dat geval kan de rechter op vordering van de nabestaanden bepalen dat de dader op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2, tweede lid, BW) geen aanspraak heeft op de nalatenschap. Ik verwijs in dit verband naar recente jurisprudentie van de Hoge Raad.3
Klopt het dat nabestaanden in deze gevallen alleen via een civiele procedure, waarin zij zich moeten beroepen op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW), kunnen proberen de dader alsnog als onwaardig erfgenaam te laten verklaren?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het voor nabestaanden onacceptabel is dat zij, in een kwetsbare en traumatische situatie, zelf juridische procedures en hoge kosten moeten aangaan om de dader van femicide uit te sluiten van de erfenis, terwijl de huidige wetgeving standaard uitgaat van erfrechtelijke waardigheid, tenzij zij daartegen optreden?
Het overlijden van een naaste is altijd een droevige gebeurtenis. Als een naaste dan ook nog door een misdrijf om het leven komt, is dit zeer schokkend en extra verdrietig. Als een dader vervolgens ook nog aanspraak maakt op de nalatenschap, komen andere erfgenamen en nabestaanden in een bijzonder tragische situatie terecht. Als sprake is van femicide of meer algemeen van partnermoord en de partner hiervoor strafrechtelijk is veroordeeld, kan hij op grond van de wet geen aanspraak maken op de nalatenschap van het slachtoffer.
In het artikel naar aanleiding waarvan deze vragen zijn gesteld, gaat het om een zaak waarin uitsluitend tbs is opgelegd, respectievelijk een zaak waarin de partner kort na de moord zelfmoord heeft gepleegd. In die gevallen volgt niet van rechtswege onwaardigheid (zie hiervoor de beantwoording van de vragen 2 en 3).
Voorop staat dat ik onderschrijf dat het zeer onrechtvaardig voelt dat iemand van wie bewezen is verklaard dat hij4 zijn echtgenote/partner om het leven heeft gebracht en daarvoor uitsluitend de tbs-maatregel heeft opgelegd gekregen, nog aanspraak zou kunnen maken op haar erfenis. Evenzeer is goed voorstelbaar dat het als onrechtvaardig wordt ervaren dat nabestaanden van de dader aanspraak kunnen maken op de erfenis in het geval de dader zich, voor (het einde van) het strafproces om het leven brengt, waardoor ook niet kan worden voldaan aan het wettelijke vereiste van een strafrechtelijke veroordeling. Vanuit die gedachte kan logischerwijs de vraag opkomen of het uitgangspunt van het erfrecht moet worden omgekeerd, zodat iemand die betrokken is bij moord op een (ex-)partner of familielid, ook als hij volledig ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard, in beginsel moet worden uitgesloten van het recht om te erven, tenzij de rechter anders oordeelt.
De wens om de wet in die zin te wijzigen is vanuit het perspectief van nabestaanden zeer begrijpelijk. Daarom is eerder al aan deskundigen en betrokken organisaties uit de rechtspraktijk de vraag voorgelegd of het wenselijk is om artikel 4:3 BW zo aan te passen dat – kort gezegd – geen financieel voordeel gehaald mag worden uit een misdrijf, ongeacht of daarop een strafrechtelijke veroordeling is gevolgd. De algemene lijn van de reacties van deze deskundigen en betrokken organisaties was dat op juridisch vlak nut en noodzaak van een dergelijke wetswijziging worden betwijfeld. De reden daarvoor is dat waar de regeling van onwaardigheid in het erfrecht niet tot een rechtvaardig resultaat leidt, de corrigerende werking van de redelijkheid en billijkheid kan worden ingeroepen. Dit betekent dat het nu al mogelijk is om in gevallen als hierboven beschreven, de onwaardigheid tot erven in te roepen.
Ook een wetswijziging kan niet voorkomen dat nabestaanden in een gerechtelijke procedure worden verwikkeld, al dan niet op eigen initiatief. Een wettelijke regeling waarbij bijvoorbeeld tbs in beginsel leidt tot onwaardigheid, kan namelijk niet verhinderen dat een van de betrokken partijen het uiteindelijke oordeel of in dat geval sprake is van onwaardigheid tot erven aan een rechter voorlegt. De weg naar de rechter kan immers op voorhand nooit worden uitgesloten. Hierdoor kan het voorkomen dat de onwaardige erfgenaam aan wie tbs is opgelegd, de rechter vraagt in zijn geval te beoordelen of hij vanwege zijn bijzondere omstandigheden toch aanspraak kan maken op de nalatenschap. Daarbij zal ook altijd behoefte blijven bestaan aan het vangnet van de redelijkheid en billijkheid. De diversiteit van gevallen waarin tbs kan worden opgelegd en de verscheidenheid aan psychische stoornissen en omstandigheden die daarbij kunnen spelen, leiden ertoe dat het stellen van een absolute regel niet goed mogelijk is. Een regel die in alle voorkomende gevallen automatisch leidt tot een rechtvaardige uitkomst is niet mogelijk. In het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad is er mijns inziens geen noodzaak om voor de onwaardigheid tot erven na oplegging van tbs tot wetswijziging over te gaan. De Hoge Raad heeft immers uitdrukkelijk bepaald dat een rechter in voorkomende gevallen ook met het bestaande wettelijk kader tot het oordeel kan komen dat de dader die enkel tbs krijgt opgelegd geen aanspraak kan maken op de nalatenschap van het slachtoffer. Het EHRM deed hetzelfde voor het geval er sprake is van zelfdoding van de dader voordat tot een veroordeling heeft kunnen komen.5
Een wetswijziging acht ik daarom niet opportuun, zoals ook mijn ambtsvoorganger eerder dit jaar aan uw Kamer heeft laten weten.6 Ik realiseer mij dat dit niet tegemoet komt aan het immense verdriet en de wensen van nabestaanden die een dierbare hebben verloren door femicide. En tegelijkertijd kan een wetswijziging niet leiden tot het gewenste resultaat.
Hoe vaak is het de afgelopen tien jaar voorgekomen dat een persoon die betrokken was bij femicide aanspraak heeft gemaakt op een erfenis of een levensverzekering, ook in gevallen waarin geen strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden? Indien daar geen gegevens over beschikbaar zijn, bent u dan bereid om te onderzoeken in hoeveel gevallen dit zich heeft voorgedaan?
Er zijn geen centraal verzamelde data beschikbaar over het aantal gevallen waarin personen betrokken bij doding van een (ex-)partner of familielid aanspraak hebben gemaakt op een erfenis en/of levensverzekering. Individuele verzekeraars hebben bij het Verbond van Verzekeraars desgevraagd aangegeven dat het waarschijnlijk om zeer uitzonderlijke situaties gaat, naar schatting van het Verbond gaat het per maatschappij om één keer in de vijf jaar.
Bij levensverzekeringen gaat het om contractuele aanspraken waarbij, zonder een strafrechtelijke veroordeling of concrete aanwijzingen van negatieve betrokkenheid, wordt uitgekeerd aan de in de polis genoemde begunstigde. De verzekeraar is dan verplicht uitvoering te geven aan de verzekeringsovereenkomst.
Als voorafgaand aan de uitkering signalen bij de verzekeraar bekend zijn dat de begunstigde in negatieve zin betrokken is bij het overlijden van de verzekerde, zal dit gevolgen hebben voor de afhandeling van de verzekeringsclaim, in overeenstemming met de toepasselijke polisvoorwaarden. Verzekeraars zullen altijd onderzoeken of een claim moet worden toegekend of niet.
Klopt het dat ook levensverzekeringen, bijvoorbeeld gekoppeld aan een gezamenlijke hypotheek, doorgaans zonder aanvullende toetsing worden uitgekeerd aan de langstlevende partner of diens erfgenamen, zelfs als die partner betrokken is bij femicide?
Nee, levensverzekeraars keren uit aan de begunstigde zoals vermeld in de polis, maar gaan daarbij niet over tot automatische uitkering zonder toetsing. Voorafgaand aan een uitkering voert de verzekeraar een beoordeling uit van de claim aan de hand van de polis. Er moet worden vastgesteld of aan de voorwaarden is voldaan om tot uitkering over te gaan.
Daarbij gaat de verzekeraar uit van eigen onderzoek, hij heeft immers geen toegang tot opsporings- of justitiegegevens. Zonder aanwijzingen van een mogelijk misdrijf of negatieve betrokkenheid van de begunstigde, is er voor de verzekeraar geen grondslag om de uitkering op te schorten. Het is bovendien onwenselijk om het uitkeren van levensverzekeringen lichtvaardig op te schorten. Een levensverzekering biedt in veel gevallen essentiële bestaanszekerheid aan nabestaanden, bijvoorbeeld voor het kunnen blijven wonen in de gezamenlijke woning of het opvangen van inkomensverlies.
Opschorting van de uitkering kan juist in deze kwetsbare periode grote financiële en emotionele onzekerheid veroorzaken. Het is daarom van belang dat verzekeraars zorgvuldig en proportioneel omgaan met deze bevoegdheid uit de verzekeringsovereenkomst waardoor opschorting alleen plaatsvindt wanneer er sprake is van duidelijke, onderbouwde vermoedens van negatieve betrokkenheid van de begunstigde bij het overlijden van de verzekerde.
Deelt u de mening dat dit indruist tegen het rechtsgevoel en het beginsel dat misdaad niet mag lonen?
Het beginsel dat misdaad niet mag lonen is verankerd in het Nederlandse recht en ook opgenomen in de uitgangspunten van de verzekeringssector. Eén van de kernprincipes bij levensverzekeringen is het verbod op voordeel uit eigen misdrijf. Dit beginsel wordt standaard opgenomen in de polisvoorwaarden. Als bij de afhandeling van de claim komt vast te staan dat de begunstigde verantwoordelijk is voor het overlijden van de verzekerde, dan is uitkering aan deze begunstigde over het algemeen contractueel uitgesloten.
Bent u bereid om samen met het Verbond van Verzekeraars te onderzoeken of in de voorwaarden van levensverzekeringen standaardbepalingen kunnen worden opgenomen waarbij uitkering wordt opgeschort of geblokkeerd bij vermoedens van betrokkenheid van de begunstigde bij het overlijden?
Verzekeraars zijn zich bewust van deze problematiek en hebben daar in hun polisvoorwaarden in voorzien. Formulering van de contractuele voorwaarden – waaronder de regels wanneer niet wordt uitgekeerd – is in principe voorbehouden aan de verzekeraars zelf. Standaardbepalingen over het uitsluiten van uitkering bij misdrijven bestaan dus al, deze zijn alleen niet uniform vastgelegd in de branche.
In polisvoorwaarden is opgenomen dat de begunstigde geen recht heeft op uitkering indien deze betrokken is bij een misdrijf waarbij de verzekerde is overleden. Ook is opgenomen dat bij vermoedens van betrokkenheid de verzekeraar de uitkering kan opschorten, totdat meer duidelijkheid bestaat. Dergelijke voorwaarden worden in de praktijk derhalve al opgenomen en het opstellen van dergelijke voorwaarden is in principe ook voorbehouden aan de verzekeraars zelf.
Deelt u de mening dat het rechtvaardiger zou zijn als het uitgangspunt in het erfrecht wordt omgekeerd zodat iemand die betrokken is bij femicide, ook als hij volledig ontoerekeningsvatbaar is verklaard, in beginsel wordt uitgesloten van het recht om te erven, tenzij de rechter anders oordeelt, in plaats van de huidige situatie, waarin deze persoon automatisch erft en het initiatief om dat te betwisten bij de nabestaanden ligt?
Zie antwoord vraag 4.
Wilt u deze vragen voor het notaoverleg over de initiatiefnota van het lid Mutluer op 22 september 2025 beantwoorden?
Met deze beantwoording ben ik aan dit verzoek tegemoet gekomen.
De toegang van overheden tot mogelijk met PFAS-vervuilde bedrijfslocaties |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat provincies aangeven dat ze geen mogelijkheden hebben om toegang af te dwingen tot mogelijk met PFAS vervuilde bedrijfslocaties?1
Ja.
Acht u het met mij wenselijk dat overheden toegang krijgen tot bedrijfslocaties waar mogelijke PFAS-vervuiling kan zorgen voor serieuze risico’s voor vervuiling van grond- en oppervlaktewater en indirect van drinkwaterbronnen?
Van verschillende provincies en het IPO is vernomen dat het hier gaat om inventariserende onderzoeken vanuit de wens om beter zicht te krijgen op de omvang van de PFAS-vervuiling en de hoeveelheid locaties. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, is deze inventarisatie bedoeld om zicht te krijgen op de omvang van de problematiek.2 Deze eerste stap is niet gericht op het saneren van concrete locaties, maar in het bieden van inzicht en overzicht. Op basis daarvan kan een gezamenlijke aanpak vormgegeven worden. Deze onderzoeken kunnen op verschillende manieren worden vormgegeven: soms is een meting ter plekke gewenst, soms volstaat alleen een bureaustudie en soms kan een meting in de buurt van een locatie de benodigde informatie opleveren. Daarom is het in de regel ook niet noodzakelijk dat overheden toegang tot bedrijfslocaties krijgen.
Een vervolgstap kan zijn dat uitkomsten van inventariserende onderzoeken aanleiding geven nader onderzoek te doen naar mogelijke herkomst of oorzaak van verontreinigingen en in dat verband over te gaan tot toezicht op de naleving van relevante voorschriften op daarvoor in aanmerking komende locaties. Hiervoor is geen concreet vermoeden van een overtreding noodzakelijk. Dat is een invulling van een toezichthoudende taak, die wettelijk is geregeld. Als het noodzakelijk is om toegang tot een bedrijfslocatie te krijgen, is die mogelijkheid er dus. In de onderstaande antwoorden wordt dit nader toegelicht.
Deelt u de analyse van provincies dat zij geen mogelijkheden hebben om de genoemde toegang af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording is van belang met welk doel toegang tot het bedrijfsterrein nodig is. Het is inderdaad zo dat toegang niet kan worden afgedwongen als het gaat om louter inventariserende onderzoeken om een beeld te krijgen van de omvang en de aantallen locaties. Van de verschillende provincies en het IPO is overigens vernomen dat de meeste bedrijven aan deze onderzoeken vrijwillig meewerken. Uitkomst van de inventariserende onderzoeken kan zijn dat er bij concrete locaties een specifiek vervolgonderzoek nodig is.
Als er aanwijzingen zijn dat er zich hoge PFAS-concentraties op een locatie bevinden en er mogelijk maatregelen nodig zijn, is het juridisch afdwingen van toegang mogelijk. Er is dan sprake is van het houden van toezicht op de naleving van milieuvoorschriften. Dit is geregeld in titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is onder meer bepaald dat toezichthouders bevoegd zijn om plaatsen te betreden, en dat hiervoor – met uitzondering van woningen – geen toestemming van de bewoner of gebruiker nodig is. Ook is geregeld dat zo nodig toegang met behulp van de politie kan worden afgedwongen (artikel 5:15 Awb) en dat monsters kunnen worden genomen (artikel 5:18 Awb). Eenieder is gehouden aan dit toezichtsonderzoek alle medewerking te verlenen (artikel 5:20 Awb). Daarmee is voldoende geborgd dat overheden toegang hebben tot bedrijfsterreinen, als de uitoefening van hun toezichthoudende taak daarom vraagt.
Bent u van mening dat bedrijven op basis van de algemene zorgplicht in de Omgevingswet verplicht zijn mee te werken aan onderzoek naar risicovolle PFAS-vervuiling?
Zoals bij het antwoord op vragen 2 en 3 is aangegeven, is het bij inventariserende onderzoeken niet altijd nodig om toegang tot bedrijventerreinen zelf te krijgen en werken de meeste bedrijven vrijwillig mee als er wel aanleiding is om ter plekke monsters te nemen. Waar het gaat om toezicht op de naleving van de wettelijke zorgplicht (en andere van toepassing zijnde milieuvoorschriften) zijn bedrijven in het kader van toezichtsonderzoek daarentegen wel verplicht om toezichthouders toegang te verlenen. Deze verplichting vloeit niet voort uit de zorgplicht, maar uit titel 5.2 van de Awb, zie ook antwoord 3.
Een toezichtsonderzoek is gericht op informatie waaruit moet blijken of al dan niet sprake is van naleving van de voor de bedrijven geldende milieuvoorschriften. Indien wordt vastgesteld dat deze voorschriften niet zijn nageleefd, dan kan hier door het bevoegd gezag vervolgens handhavend tegen worden opgetreden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat bedrijven meewerken aan onderzoek naar mogelijke risicovolle PFAS-vervuiling op hun bedrijfslocatie?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, gaat het de provincies hier vooral om het in beeld krijgen van de opgave. Overigens is begrepen dat er veel bedrijven zijn die op dit moment wel meewerken aan deze onderzoeken. Indien overheden vanuit hun toezichthoudende rol onderzoek op bedrijfslocaties willen doen, bestaat hiervoor het juridisch instrumentarium (zie de antwoorden op vragen 3 en 4).
Op welke wijze worden bedrijven ondersteund bij het, zo nodig, saneren van risicovolle PFAS-vervuiling?
Om te bepalen of er maatregelen, zoals saneren, nodig zijn, is er altijd een locatiespecifieke afweging nodig. Om overheden en bedrijfsleven handvatten te bieden hoe de regelgeving in de praktijk ingevuld kan worden, is in maart van dit jaar een Handreiking zorgplicht onder artikel 13 van de Wet bodembescherming bij bodemverontreiniging met PFAS gepubliceerd (Kamerstukken 30 015, nr. 129).
Om PFAS-saneringstechnieken, die veelal nog in de kinderschoenen staan, verder te ontwikkelen en breder te delen, wordt op dit moment het kennis- en innovatieprogramma PFAS opgezet. Vooruitlopend daarop lopen er al verschillende initiatieven die bijdragen aan kennisontwikkeling: onder meer kennisprogramma’s bij de saneringen bij de Voltastraat in Doetinchem en de voormalige vliegbasis Soesterberg en een PFAS living lab bij de Universiteit Utrecht, die mede gefinancierd worden door bijdragen van het Ministerie van IenW.
Samen met de Stichting Bodembeheer Nederland wordt verder verkend hoe bedrijven en overheden effectief ondersteund kunnen worden bij het saneren van locaties met hoge PFAS-concentraties.
Het overleg met maatschappelijke partijen in het kader van stikstof |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Hoe is het overleg met maatschappelijke partijen in het kader van stikstof deze week verlopen?
Op donderdag 3 juli 2025 was er een Catshuissessie van de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (hierna: MCEN) met maatschappelijke partijen om de stand van zaken en inhoudelijke onderwerpen in het kader van de stikstofproblematiek met elkaar te bespreken. Aan het begin van het overleg bleek dat er verschillende verwachtingen waren over aard en precieze inhoud van het gesprek. Een aantal maatschappelijke partijen gaf daarop aan dat het op dat moment niet opportuun was om het overleg te voeren. Daarom bleef het overleg deze keer beknopt en is besloten om op een later moment in de zomer verder te praten.
Heeft bij dit overleg een maatregelenpakket op tafel gelegen? Zo ja, uit welke maatregelen bestaat dit pakket?
Neen, er heeft geen maatregelenpakket voorgelegen. Wel hebben de organisaties diverse documenten en verwijzingen (ambtelijk) ontvangen over de aanpak van de MCEN, in het bijzonder ook de stukken die de Kamer zijn toegegaan het informatieverzoek van het lid Baudet (FvD), 14 mei 2025 en de voorbereidingen op de uitvraag aan kennisinstellingen ter ondersteuning van de verdere aanpak die is toegezegd in het debat van 22 mei jl.
Deelt u de mening dat het voor een geloofwaardig stikstofpakket voor Prinsjesdag, en voor een gedegen controle van dit pakket door de Kamer, van belang is dat verscheidene maatregelopties zijn doorgerekend?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de maatregelen op de groslijst van de ministeriële commissie economie en natuurherstel (MCE&N) doorgerekend? Zo ja, kan deze doorrekening / kunnen deze doorrekeningen per ommegaande met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van adequaat onderbouwen en zorgvuldigheid van d aanpak gericht op emissiereductie en natuurherstel. Daarom is ter de voorbereiding van de besluitvorming ook een consortium van vier kennisinstellingen betrokken, te weten het PBL, RIVM, Deltares en WUR. Zij maken een analyse van de mogelijke maatregelen die zijn aangedragen in het kader van de MCEN en geven overwegingen mee voor nadere beleidsontwikkeling. De inzichten die hieruit voortkomen worden betrokken bij de verdere aanpak die is toegezegd in het debat van 22 mei jl.
Welke zwaarwegende belangen verzetten zich daartegen als de groslijst is doorgerekend maar deze doorrekening niet met de Kamer kan worden gedeeld?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 4 is een consortium van vier kennisinstellingen, te weten het PBL, RIVM, Deltares en WUR, betrokken. Dit ten behoeve van de ondersteuning van de verdere aanpak die is toegezegd in het debat van 22 mei jl.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk 4 juli 2025 beantwoorden?
Zoals gebruikelijk worden de onderliggende documenten van externe partijen die relevante analyses, feiten, risico's en toelichtingen bevatten na besluitvorming in het kabinet gedeeld met Uw Kamer en openbaar gemaakt. Dit zal gebeuren na afronding van de verdere aanpak die is toegezegd in het debat van 22 mei jl.
De uitvoering van een aantal aangenomen moties |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het aannemen van en aantal moties van het lid Idsinga, die wel aangenomen zijn, maar nog niet uitgevoerd zijn? Bent u op hoogte van de volgende moties: Kamerstukken 32 545, 218, 32 545, 219, 31 477, 109 en 28 165, 453?
Ja.
Waarom is de motie met Kamerstuknummer 32 545, 218 betreffende een verbod op koppelverkoop, nog niet uitgevoerd? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
In mijn brief aan uw Kamer van 1 oktober 20241, heb ik, als onderdeel van mijn bredere opvolging van aanbevelingen van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) ten aanzien van de Nederlandse spaarmarkt, toegezegd onderzoek te laten doen naar een dergelijke maatregel. Dit onderzoek is een belangrijke stap in een mogelijk wetgevingsproces, om te beoordelen of deze maatregel doeltreffend en doelmatig is. Dit onderzoek is verricht door PwC en onlangs opgeleverd. Het onderzoeksrapport van PwC stuur ik met de beantwoording van deze vragen mee aan uw Kamer. PwC verwacht dat het verplicht aanbieden van een zelfstandige spaarrekening niet in het belang van de consument is. Dit staat in contrast met de aanbeveling van de ACM die ertoe strekt om deze verplichting in te voeren.
Gelet op deze tegenstrijdige conclusie vind ik het van belang om de bevindingen van PwC eerst zorgvuldig te bespreken met de ACM, voordat ik een besluit neem over de verdere opvolging hiervan. Dat doe ik in samenhang met mijn eerdere toezeggingen over de opvolging van de overige aanbevelingen van de ACM ten aanzien van de spaarmarkt. Hierdoor is een integrale afweging ten aanzien van het beleid voor de spaarmarkt mogelijk. Op basis hiervan zal ik uw Kamer dit najaar informeren over de verdere opvolging van de aanbevelingen van de ACM, alsmede over de opvolging van de moties van Idsinga c.s. over de spaarmarkt2. Hiermee wil ik ervoor zorgen dat uw Kamer een volledig en consistent beeld ontvangt van de inspanningen en voorgestelde beleidslijnen ten aanzien van de spaarmarkt.
Waarom is de motie met Kamerstuknummer 32 545, 219, betreffende directe regulering van de spaarrente, nog niet uitgevoerd? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
Ik verricht momenteel een verkenning naar directe regulering van spaarrentes. Daarbij wordt gebruik gemaakt van analyses van De Nederlandsche Bank (DNB), de Europese Centrale Bank (ECB) en de Nationale Bank van België (NBB). Deze verkenning is deel van de bredere maatregelen ten aanzien van de spaarmarkt die ik met de ACM wil bespreken. Over deze verkenning, de uitkomsten hiervan en mijn uiteindelijke appreciatie informeer ik uw Kamer met de hiervoor genoemde brief.
Waarom is de motie met Kamerstuknummer 31 477, 109, betreffende achterblijvende spaarrentes die verhoogd moeten worden, het garanderen van een basisbetaalrekening en een (bijna) gratis bankrekening, nog niet uitgevoerd? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
Toegang tot een betaalrekening is onmisbaar voor consumenten en zakelijke klanten om deel te kunnen nemen aan de maatschappij. Voor consumenten bestaat er in Europese regelgeving al het recht op een basisbetaalrekening, voor zakelijke klanten bestaat dit recht nog niet. In mijn Visie op de financiële sector3 schreef ik dat ik mij inzet om de toegang tot het betalingsverkeer voor zakelijke klanten te verbeteren via twee sporen. Allereerst pleit ik in Europees verband voor een EU-breed recht op een zakelijke betaalrekening (onder andere via het recent gepubliceerde non-paper)4. Daarnaast heb ik op nationaal niveau banken en ondernemersorganisaties de opdracht gegeven dit jaar nog met voorstellen voor zelfregulering te komen. Banken en ondernemersorganisaties zijn met elkaar in gesprek om de toegang van zakelijke klanten tot een betaalrekening te verbeteren, bijvoorbeeld met de inrichting van een hulppunt voor zakelijke klanten die geen betaalrekening kunnen krijgen of behouden. Als Europese regelgeving en zelfregulering niet tot de gewenste resultaten leiden ga ik over tot maatregelen zoals een nationaal wettelijk recht op een zakelijke basisbetaalrekening. In het najaar zal ik uw Kamer hierover informeren over de stand van zaken in de voortgangsbrief over witwassen.
Om te zorgen dat consumenten een zo hoog mogelijke spaarrente ontvangen en zo laag mogelijke kosten betalen voor een bankrekening, zet ik in op goede randvoorwaarden zoals transparantie en concurrentie in de spaarmarkt. In de hiervoor genoemde brief zal ik uw Kamer informeren over de opvolging die ik geef aan de verschillende acties op dit gebied. Daarnaast hebben mijn ministerie en ik in diverse gesprekken met banken benadrukt dat passende spaarrentes belangrijk zijn, mede gelet op de zorgen in uw Kamer. Binnen het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) is aandacht gevraagd voor de kosten van betaalrekeningen.
Waarom is de motie met Kamerstuknummer 28 165, 453, betreffende het staken van de voorbereiding van de privatisering van de Volksbank, nog niet uitgevoerd? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
In mijn brief Voortgangsrapportage de Volksbank over 2024 van 8 juli 20255 ben ik ingegaan op de motie van de leden Idsinga (NSC) en Van der Lee (GroenLinks/PvdA) over het staken van de voorbereidingen van de privatisering van de Volksbank.6 In deze brief heb ik toegelicht dat in de overwegingen van de motie een relatie wordt gelegd tussen het besluit van het bestuur van ASN Bank tot de transformatie en de voorbereidingen voor een privatisering. Deze relatie die in de motie wordt verondersteld is niet juist. ASN Bank heeft aangegeven dat het transformatietraject noodzakelijk is voor het voortzetten van haar missie van een duurzame en toegankelijke bank. Dit staat volledig los van de voorbereidingen voor privatisering. In de Kamerbrief schreef ik dat noch NLFI noch ik betrokken zijn geweest bij dit operationele besluit. Op grond van maatregelen van de ACM mogen NLFI en de staat namelijk geen invloed uitoefenen op de commerciële strategie van de bank.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van deze moties? Wanneer kan de uitvoering verwacht worden? Kunt u deze moties zo spoedig mogelijk in uitvoering nemen? Zo nee, Waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven werk ik op dit moment aan een brief, waarin ik uitgebreid in zal gaan op de moties van Idsinga c.s. ten aanzien van de spaarmarkt en de toezeggingen die ik in mijn brief van 1 oktober heb gedaan. Uit het rapport dat ik u met deze beantwoording toestuur, blijkt dat PwC op basis van haar onderzoek verwacht dat het verplicht aanbieden van een zelfstandige spaarrekening niet in het belang van de consument is. Dit staat in contrast met de aanbeveling van de ACM om deze verplichting in te voeren. Gelet op deze tegenstrijdige conclusie acht ik het van belang om de bevindingen van PwC zorgvuldig te wegen en mogelijke verdere acties eerst uitgebreid en in samenhang met de opvolging van de andere aanbevelingen te bespreken met de ACM, voordat ik hierover een besluit neem en dit in de genoemde brief aan uw Kamer voorleg.
In mijn Kamerbrief Voortgangsrapportage de Volksbank over 2024 ben ik al ingegaan op de motie van de leden Idsinga en Van der Lee (GroenLinks/PvdA) over het staken van de voorbereidingen van de privatisering van de Volksbank.
Kunt u deze vragen ruim voor het einde van het zomerreces beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
De bezorgtijden van PostNL in relatie tot de Tweede Kamerverkiezingen |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het besluit om 48 uur als bezorgtermijn voor brievenpost voor PostNL te hanteren van invloed is op de uitvoering van de aanstaande Tweede Kamerverkiezingen, gelet op de rol die de postdienst speelt in het verspreiden van stempassen, vervangende stempassen en briefstemmen uit het buitenland?
Het voorstel heeft betrekking op post die onder de universele postdienst (UPD) verstuurd wordt. Overheidspost, zoals de bezorging van stempassen, valt hier niet onder. Daar worden net zoals bij andere zakelijke poststromen direct afspraken over gemaakt met PostNL.
Voor zakelijke post is PostNL al per 1 januari 2025 overgestapt naar bezorging binnen twee dagen. Voor de meeste verkiezingspost heeft dit weinig impact, omdat deze al niet de volgende dag bezorgd werd. Mensen ontvangen stempassen uiterlijk twee weken voorafgaand aan de verkiezing, bezorging op de volgende dag is daarbij niet nodig.
Bij de verzending van vervangende stempassen, kiezerspassen en schriftelijke volmachten kan een snelle bezorging wel relevant zijn. Hier gaat het antwoord op vraag 4 nader op in. Overigens staat het PostNL vrij om een commercieel 24-uurspostproduct te leveren buiten de reikwijdte van de UPD. De verwachting is dat andere bedrijven, waaronder pakketbezorgers, dat ook gaan doen. Zodoende kan er concurrentie op prijs en kwaliteit bij dit postproduct ontstaan. Hier kunnen gemeenten bij de versturing van vervangende stempassen ook van profiteren.
De briefstemmen vanuit het buitenland vallen wel onder de UPD, voor het deel dat ze binnen Nederland afleggen. PostNL en de gemeente Den Haag, die het stemmen vanuit het buitenland organiseert, staan in nauw contact over de bezorging van briefstemmen. Op de laatste dag dat briefstemmen wettelijk mogelijk is levert PostNL maatwerk om te zorgen dat de die dag ontvangen briefstemmen tijdig bij de gemeente Den Haag worden afgeleverd.
Met de gemeente Den Haag is afgesproken bij de Tweede Kamerverkiezing de te laat ontvangen briefstemmen te inventariseren, zodat dit in de evaluatie kan worden meegenomen. De maatregel die in de kamerbrief van 30 juni 2025 is aangekondigd kan pas in juli 2026 inwerkingtreden. De bezorgtermijn van bezorging binnen twee dagen voor post binnen de UPD geldt daarom nog niet voor de Tweede Kamerverkiezing op 29 oktober 2025.
Deelt u de mening dat tijdige en betrouwbare bezorging van stempassen en briefstemmen cruciaal is voor uitoefening van het stemrecht?
Ja. Het is voor het uitoefenen van het stemrecht essentieel dat mensen stempassen tijdig in handen hebben.
Beschikt u over signalen uit het verleden dat kiezers hun stemrecht niet konden uitoefenen door problemen in de postbezorging, bijvoorbeeld door een vertraagde vervangende stempas of briefstem?
Bij de Tweede Kamerverkiezing worden ongeveer 13,5 miljoen stempassen bezorgd. In veruit de meeste gevallen gaat dit goed. In het verleden zijn er gevallen geweest waarbij stempassen niet of niet tijdig zijn bezorgd. In dat geval kan een kiezer een vervangende stempas aanvragen en alsnog stemmen.
Het algemene beeld van de postbezorging bij de vorige verkiezing, de Europese Parlementsverkiezing in juni 2024, was goed. Wel heeft de Nederlandse vereniging voor Burgerzaken (NVVB) in de evaluatie van deze verkiezing aangegeven dat de tijdige bezorging van vervangende stempassen, kiezerspassen en schriftelijke volmachten op korte termijn niet altijd lukt.1 Er zijn bij het Ministerie van BZK verder geen signalen ontvangen dat kiezers niet hebben kunnen stemmen door het niet (tijdig) ontvangen van hun (vervangende) stempas.
De tijdsperiode voor de bezorging van de stempassen is relatief kort en daardoor staat de tijdige bezorging op de lange termijn onder druk. Daarom heb ik eerder aangegeven de termijnen in de Kieswet voor de bezorging van stembescheiden te onderzoeken en te betrekken bij het wetsvoorstel over de kandidaatstellingsprocedure.2
Voor de stemmen vanuit het buitenland gelden bijzondere omstandigheden, namelijk de afhankelijkheid van het moment van verzending van de kiezer, de postverzending in het land van verzending en de soms lange afstand die de briefstem moet afleggen naar Nederland. Hierdoor is het soms niet te voorkomen dat briefstemmen te laat aankomen. Kiezers in het buitenland worden geïnformeerd over de termijnen en het belang van tijdige verzending.
Acht u de termijn voor het schriftelijk aanvragen van een vervangende stempas van vijf dagen voorafgaand aan de verkiezingen, zoals vastgesteld in artikel J 8, derde lid van de Kieswet, nog toereikend, gelet op de langere bezorgtijden van PostNL? Zo nee, welke maatregelen bent u van plan te nemen?
De termijn voor het schriftelijk aanvragen van een vervangende stempas is vijf dagen om kiezers hier zo lang als mogelijk de gelegenheid voor te geven. Zo kunnen zij hun stem uitbrengen, ook als zij er op een laat moment achter komen geen stempas te hebben ontvangen of deze kwijt te zijn. Na deze termijn is het alleen nog mogelijk de vervangende stempas mondeling aan te vragen bij de gemeentebalie.
Vervangende stempassen hebben bij PostNL extra aandacht. Voor vervangende stempassen die op de wettelijk laatst mogelijke dag, de vrijdag voor de verkiezing, worden aangevraagd, geldt echter dat er dan niet heel veel tijd meer is om deze te bezorgen. Met het hierboven vermelde, door PostNL gehanteerde, bezorgkader van bezorging binnen twee (werk)dagen kan ook een op vrijdag aangevraagde vervangende stempas nog tijdig bij de kiezer zijn: op zaterdag of op dinsdag. Wanneer er echter iets niet helemaal goed verloopt in het bezorgingsproces, is er de kans dat de kiezer de stempas niet vóór de verkiezingsdag ontvangt.
Daarom heeft het Ministerie van BZK na contact met PostNL gemeenten hierop gewezen en opgeroepen voor de op het laatste moment aangevraagde passen te kijken naar alternatieve bezorgmethoden. Zo kunnen gemeenten overwegen om bodes of koeriersdiensten in te zetten. PostNL kan bij het inzetten van koeriersdiensten ondersteunen. Kiezers kunnen een vervangende stempas ook tot de dag voor de verkiezing om 12.00 uur bij de balie van de gemeente mondeling aanvragen. Zoals hierboven aangegeven zal ik de termijnen voor de bezorging van stempassen betrekken bij het wetsvoorstel over de versterking van de kandidaatstellingsprocedure.
Het is kiezers altijd aan te raden zo vroeg mogelijk na te gaan of zij hun stempas hebben ontvangen en een eventuele vervangende stempas, kiezerspas of schriftelijke volmacht tijdig aan te vragen. Het Ministerie van BZK zal kiezers hiertoe oproepen en heeft ook gemeenten gevraagd dit te doen.
Bent u bereid om PostNL te verzoeken om voor verkiezingspost, zoals stempassen en briefstemmen, een versnelde procedure te hanteren, zoals dat al gebeurt met rouwpost en medische post? Zo nee, waarom niet?
Nee, verkiezingspost valt buiten de reikwijdte van de UPD. Dit betekent dat het aan de verzender van deze overheidspost en PostNL is om afspraken te maken over de condities en procedures voor bezorging, net zoals dat gebeurt bij alle zakelijke post. Rouwpost en medische post vallen wel binnen de reikwijdte van de UPD en hebben daarbij speciale voorwaarden, waaronder bezorging binnen één dag.
Overweegt u andere maatregelen om te voorkomen dat kiezers door vertragingen in de post hun stemrecht niet kunnen uitoefenen?
De tijdige bezorging van stempassen is van groot belang voor de uitoefening van het stemrecht bij verkiezingen. Het Ministerie van BZK voert daarom hierover regelmatig het gesprek met PostNL. Bij PostNL wordt voor verkiezingen een projectteam ingericht dat intensief contact heeft met gemeenten en drukkers van stempassen, zodat processen op elkaar aansluiten. Stempassen hebben specifieke codering, waardoor ze goed te volgen zijn in het sorteerproces. Individuele postbezorgers worden apart geïnformeerd over het belang van een goede bezorging van de verkiezingspost, wanneer de stempassen zich in hun tassen bevinden. Het verkiezingsteam van PostNL schakelt bij eventuele incidenten en calamiteiten met gemeenten om deze zo snel mogelijk op te lossen.
Bij eerdere verkiezingen hebben verreweg de meeste kiezers hun stempas tijdig ontvangen en de verwachting is dat dit ook voor de Tweede Kamerverkiezing op 29 oktober 2025 het geval zal zijn. Als er toch iets mis gaat, kunnen kiezers een vervangende stempas aanvragen. Schriftelijk kan dit uiterlijk vrijdag 24 oktober, mondeling bij de balie van de gemeente kan dit tot dinsdag 28 oktober 12.00 uur. Zoals vermeld roept het Ministerie van BZK gemeenten op voor op het laatste moment aangevraagde vervangende stempassen, kiezerspassen en schriftelijke volmachten gebruik te maken van alternatieve bezorgmethoden. Zodat ook deze tijdig bij de kiezer aankomen.
Daarnaast worden kiezers opgeroepen deze passen tijdig aan te vragen.
Voor de langere termijn worden de termijnen in de Kieswet onderzocht en betrokken bij het wetsvoorstel over de kandidaatstellingsprocedure.
Het bericht ‘Slechts 1 op de 10 mkb’ers klaar voor verplichte e-facturatie per 2026’ van MKB Servicedesk. |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de claim dat slechts één op de 10 mkb’ers voldoende is voorbereid op de aanstaande regelgeving voor verplichte e-facturatie per 2026? Klopt deze constatering volgens u?1
De genoemde datum van 2026 is niet juist. De verplichting voor e-facturatie van grensoverschrijdende handel tussen ondernemers gaat in per 1 juli 2030.
Hoe bereid u ondernemers voor op deze aanstaande regelgeving? Heeft u het idee dat dit voldoende is? Zo nee, bent u bereid hier extra aandacht aan te geven?
Recent is de Kamer geïnformeerd2 over het pakket btw-regels voor het digitale tijdperk (Vat In the Digital Age: hierna VIDA-pakket) waar verplichte e-facturatie onderdeel van uitmaakt. Zoals ook vermeld in de brief worden bij de te maken beleidskeuzes en de implementatie van de richtlijn ondernemers via (internet)consultatie betrokken. Ook is er nadrukkelijk aandacht voor de administratieve lasten van ondernemers, de impact op de bedrijfsvoering en de benodigde ondersteuning. Dit geldt voor kleine ondernemers in het bijzonder. Het kabinet zorgt ervoor dat er voldoende aandacht is voor de voorbereiding die ondernemers moeten treffen.
Wat zijn de consequenties voor ondernemers als zij per 2026 niet aan deze regelgeving voldoen?
De datum van 2026 is zoals hiervoor weergegeven onjuist. Het kabinet zorgt ervoor dat ondernemers zich tijdig kunnen voorbereiden voor de verplichtingen die voortvloeien uit het VIDA-pakket per 1 juli 2030.
Zijn er mogelijkheden tot uitstel van het ingaan van de verplichting voor een e-facturatie als kort voor de deadline een significante groep ondernemers nog geen weet heeft van deze verplichting? Zo ja, staat u hiervoor open en hoe groot zou die groep ondernemers dan ongeveer moeten zijn?
Voor nu is deze vraag nog niet relevant gezien de inwerkingtreding per 1 juli 2030.
Zijn ondernemers in andere landen wel beter voorbereid op deze regelgeving? Zo ja, hoe komt dat volgens u? Zo nee, bent u bereid dit punt te agenderen in de EU?
Het kabinet zorgt ervoor dat ondernemers in Nederland tijdig bekend zijn met de verplichtingen en de aanstaande wijzingen als gevolg van het VIDA-pakket. Het kabinet streeft ernaar om de wetgeving betreffende het deel van VIDA dat ziet op e-facturatie en digitale rapportage bij uw Kamer in te dienen met het oog op afronding van het parlementair proces minimaal twee jaar vóór de inwerkingtreding per 1 juli 2030. Dit is van belang voor een zorgvuldige voorbereiding, inclusief testfase, voor alle betrokken partijen.
Geldt deze regelgeving ook voor het grootbedrijf? Zo ja, is het grootbedrijf wel voldoende voorbereid op deze aanstaande verplichting volgens u? Waar leest u dat aan af?
Ja, het deel van het VIDA-pakket dat ziet op de e-facturatie, geldt ook voor het grootbedrijf. Het voorbereiden van de grote bedrijven gaat gelijk op met alle bedrijven zoals hiervoor toegelicht. In geval van internationaal of Europees werkende bedrijven hebben deze vaak al ervaring met e-facturatie en digitale rapportage in landen waar dit al gaande is.
Dit neemt niet weg dat implementatie van e-facturatie en de digitale rapportage ook voor grote bedrijven een uitdaging kan zijn. Voor alle ondernemers geldt het belang dat zij tijdig en duidelijk geïnformeerd worden hoe de richtlijn in de nationale wet zal worden geïmplementeerd. Zoals in de hiervoor aangehaalde Kamerbrief toegelicht is dat ook het streven van het kabinet.
Gedurende de totstandkoming van het VIDA-pakket maar ook tijdens het implementatietraject is en blijft er geregeld contact met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en is dit ook Europees voorzien in gezamenlijke seminars en in Commissiewerkgroepen.
Bent u het ermee eens dat ondernemers te allen tijde eenvoudig moeten kunnen zien aan welke regelgeving zij moeten voldoen, dat zij bij veranderingen in regelgeving tijdig op de hoogte moeten worden gebracht en dat ondernemers niet met boetes moeten worden opgezadeld als zij geen weet hebben van geldende regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet vindt tijdige en toegankelijke informatievoorziening belangrijk. Het blijft uiteindelijk wel de verantwoordelijkheid van ondernemers om kennis te nemen van de geldende wet- en regelgeving en deze juist toe te passen.
Het Groningen gasveld |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Weerbaarheid by Design»?1
Ja.
Erkent u dat de afhankelijkheid van energie uit het buitenland de afgelopen jaren is toegenomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u specifiek ingaan op de rol die de afbouw van gaswinning in Groningen heeft gespeeld in deze afhankelijkheid?
Ja, de afhankelijkheid van energie uit het buitenland is de afgelopen jaren toegenomen. Door de teruggang van de aardgaswinning op land en op zee is Nederland al sinds 2019 netto-importeur en in toenemende mate afhankelijk van import van gas. Met het wegvallen van de toestroom van Russisch gas naar Noordwest-Europa, zijn de gasstromen op de interne EU-markt fundamenteel gewijzigd en is Nederland, net als andere landen in Noordwest-Europa, afhankelijker geworden van de import van vloeibaar gas (LNG) naast import per pijpleiding uit Noorwegen, België en het VK. De gaswinning uit het Groningenveld is sinds 2015 gestaag afgebouwd en er zijn geen aanwijzingen dat die afbouw een blijvend, structureel effect op de gasprijzen heeft gehad. Er was in 2022 sprake van een substantiële prijsstijging, dit is het gevolg geweest van het handelen van Gazprom in het kader van de inval van de Russische Federatie in Oekraïne en de krapte op de EU-gasmarkt die daardoor ontstond.
Erkent u dat de toegenomen gasprijzen de afgelopen jaren onder andere zijn veroorzaakt door de afbouw van gaswinning in Groningen? Zo niet, waarom niet? Zo ja, kunt u dit aandeel kwantificeren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met een van de conclusies uit het rapport dat het onverstandig is, in het licht van internationale onzekerheid, om het Groningenveld definitief te sluiten door gasputten met beton dicht te storten?
Nee, het kabinet deelt de conclusie niet dat het onverstandig is om het Groningenveld definitief te sluiten. Tussen 2014 en het gasjaar 2023–24 is de toegestane gaswinning uit het Groningenveld stapsgewijs gedaald van 42,5 miljard m3 per jaar tot 0,0 m3 per jaar zonder dat dit tot een probleem met de leveringszekerheid heeft geleid. Verder is de wet waarmee de gaswinning uit het Groningenveld definitief is beëindigd, met een grote meerderheid door zowel de Tweede Kamer (op 12 maart 2024) als de Eerste Kamer (op 16 april 2024) aangenomen. Daarmee is sinds 19 april 2024 gaswinning uit het Groningenveld bij wet niet langer toegestaan en sindsdien heeft NAM als eigenaar en exploitant van het veld de nodige stappen gezet om de nog aanwezige productiefaciliteiten te ontmantelen.
Op het moment dat de wet in 2024 is aangenomen, was iedereen zich ervan bewust dat de geopolitieke risico’s waren toegenomen en dat we ons dus moeten inspannen om te zorgen dat er voldoende toevoer van gas is en blijft en dat we de resterende mogelijkheden voor gaswinning in Nederland goed en verantwoord moeten gebruiken. Om die reden zet het kabinet zich in voor zo veel mogelijk gediversifieerde import per pijpleiding en in de vorm van LNG, onder meer door het faciliteren van voldoende LNG-importcapaciteit die import uit diverse bronnen mogelijk maakt. Daarnaast zet het kabinet zich door middel van energiediplomatie in voor het faciliteren van contracten tussen marktpartijen en partners uit betrouwbare landen. Met het sectorakkoord Noordzee beoogt het kabinet ook het resterende potentieel voor gaswinning op de Noordzee optimaal te benutten. Ten slotte werkt het kabinet momenteel aan het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis waarmee het kabinet beoogt om het gassysteem nog robuuster te maken, waaronder (structurele) maatregelen op het gebied van gasopslag.2 Los daarvan zou het, zoals het kabinet eerder heeft aangegeven, ook een schending van het vertrouwen van de burgers in Groningen zijn als de overheid terug zou komen op haar belofte om definitief te stoppen met de gaswinning uit het Groningenveld. Gegeven het voorgaande ziet het kabinet geen aanleiding om het Groningenveld te behouden als strategische noodreserve.
Bent u bereid, mede gezien de geopolitieke ontwikkelingen van de afgelopen periode, het Groningen gasveld te behouden als strategische noodreserve?
Zie antwoord vraag 4.
De aangenomen motie voor het afschaffen van de CO2-heffing |
|
Suzanne Kröger (GL), Joris Thijssen (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen motie-Van Dijk (Kamerstuk 36 725, nr. 11) waarin de regering wordt verzocht de CO2-heffing af te schaffen?
Ja. Hier heeft het kabinet op dinsdag 1 juli j.l. ook reeds een reactie op gedeeld met de Kamer. Hierin is beschreven dat voor de korte termijn (de periode tot 2030) het kabinet voornemens is om de heffing tijdelijk op te schorten, maar dat er eerst een aantal punten nader uitgezocht moeten worden alvorens hierover een definitief besluit genomen kan worden. Tegelijkertijd start voor de lange termijn de Overlegtafel CO2-heffing. Deze wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter en krijgt de opdracht om te kijken welke alternatieve beleidsopties er zijn in de periode na 2030, en op weg naar 2040, om het doel, het verduurzamen van de industrie hier in Nederland, te realiseren. Die tafel krijgt de opdracht om op 1 november een rapport op te leveren.
Hoeveel bedrijven vallen er onder de CO2-heffing? Hoeveel stoten deze bedrijven gemiddeld uit en met hoeveel moeten zij deze uitstoot reduceren in 2030? Wat is nu de prognose met hoeveel zij hun CO2 uitstoot in 2030 zullen reduceren?
De publiek beschikbare gegevens die jaarlijks worden gepubliceerd door de Nederlandse Emissie autoriteit (NEa) laten zien dat er 274 installaties onder de heffing vielen in 2024 met een gemiddelde uitstoot van ongeveer 170 kton.1 De exacte hoeveelheid bedrijven die onder de heffing vallen wijkt lichtelijk af van het aantal installaties. Zo zijn er verschillende bedrijven met meerdere installaties, zoals Wienerberger met 17 installaties verspreid door Nederland. Aan de andere kant vallen er meerdere bedrijven onder de installatie van Chemelot.
Bedrijven moeten, op basis van de huidige vormgeving van de CO2-heffing in de wet, in 2030 ongeveer 33% minder uitstoten dan de relevante benchmark. Deze benchmark wordt gezet door de top 10% meest efficiënte installaties in Europa. Op dit moment is de gemiddelde emissie-efficiëntie van de Nederlandse industrie ongeveer 17% boven de benchmark. Dit betekent dat bedrijven in 2030 gemiddeld hun uitstootefficiëntie met ongeveer 43% moeten verbeteren om de heffing voor te blijven in 2030. Uiteraard verschilt de daadwerkelijke reductie-opgave per bedrijf doordat sommige bedrijven reeds duurzame investeringen hebben getroffen.
Sinds 1990 heeft de industrie al 33 Mton aan uitstoot verminderd. Uit het klimaatdashboard, dat ook publiekelijk beschikbaar is, blijkt dat de huidige verduurzamingsplannen van de industrie optellen tot een additionele 20 Mton in 2030.2 Het is uiteraard geen zekerheid dat deze plannen ook daadwerkelijk uitgevoerd kunnen worden. De grootste knelpunten voor bedrijven zijn financieel, hierbij worden bijvoorbeeld hoge energiekosten genoemd.3 Daarnaast zijn de plannen afhankelijk van beschikbare infrastructuur en tijdige vergunningverlening. Deze randvoorwaarden zijn nu vaak nog niet op orde. Uit de analyse van RVO, die ten gronde ligt aan het klimaatdashboard, blijkt dat van deze plannen 13 Mton «tamelijk zeker» is en 7 Mton «nog onzeker». Zelfs de zekere plannen kunnen alleen doorgaan als er bijvoorbeeld genoeg infrastructuur is, subsidies beschikbaar zijn of vergunningen worden verleend. Hiervoor staan nu veel seinen op rood: de benodigde infrastructuur is nog niet aanwezig, vergunningverlening verloopt traag onder meer vanwege stikstofproblematiek en de industrie kampt met ongunstige marktcondities door overproductie in het buitenland. Als de seinen op groen komen te staan en alle plannen doorgaan blijft er in 2030 nog 33 Mton uitstoot over.
In de tariefstudie 2024 becijfert PBL een emissiereductie van 15,1 Mton emissiereductie tussen 2021 en 2030 bij bedrijven onder die onder de CO2-heffing vallen. Deze reductie wordt voornamelijk gedreven door de beschikbare SDE++-subsidie en het EU ETS. Volgens PBL resteert er in 2030 een gat van 6 Mton tot het heffingsdoel in 2030.4
Hoeveel CO2-heffing is er in 2024 betaald? Hoeveel verwacht u dat de bedrijven onderhavig aan de CO2-heffing in 2025 zullen moeten betalen?
In 2024 is er geen CO2-heffing industrie betaald omdat voor het overgrote deel van de bedrijven onder de heffing het effectieve tarief 0 bedroeg doordat de EU ETS-prijs boven het heffingstarief lag. De bedrijven die niet onder het EU ETS vallen (afvalverbrandingsinstallaties en twee lachgasinstallaties) hadden geen belastbare emissies doordat de belastbare emissies lager waren dan de dispensatierechten van deze bedrijven.
2025 is het eerste jaar dat het heffingstarief (€ 87,90) hoger is dan de vastgestelde ETS-prijs (€ 66,76). De te betalen heffing over de niet vrijgestelde uitstoot komt in 2025 daarmee te liggen op € 21,14.5 Bedrijven betalen dit jaar (2025) alleen CO2-heffing als ze minder CO2-efficiënt produceren dan de 10% meest CO2-efficiënte bedrijven onder het Europese emissiehandelssysteem (ETS benchmark). De geraamde opbrengsten van de CO2-heffing industrie bedragen € 17 miljoen. Bij deze raming is echter uitgegaan van een ETS-prijs van € 78, waardoor de daadwerkelijk inkomsten naar verwachting hoger zullen uitvallen. De exacte inkomsten zijn in oktober bekend.
Heeft u signalen gehad van bedrijven die dreigen om te vallen door de CO2-heffing? Zo ja, hoeveel bedrijven zijn dit en wat heeft u hier mee gedaan?
Het kabinet ziet dat industrie in Nederland het zwaar heeft en dat hier verschillende factoren aan ten gronde liggen. Zo heeft de industrie te kampen met hoge en deels nog stijgende energiekosten en daarnaast met ongunstige marktcondities vanwege gesubsidieerde overproductie, bijvoorbeeld uit China. Daar komt de grote verduurzamingsopgave van de industrie bovenop. Het kabinet ziet dat hierdoor de concurrentiepositie van de industrie afneemt.
Hier komt bij dat het handelingsperspectief voor bedrijven om te verduurzamen in Nederland in veel gevallen ontoereikend is, met als mogelijk gevolg dat eventuele CO2 effecten in Nederland vooral door weglek worden gerealiseerd. En dat is nooit de bedoeling geweest. Het is bovendien niet mogelijk gebleken om een hardheidsclausule te introduceren om bedrijven die wel willen maar niet kunnen verduurzamen te ontzien.
Het kabinet wil waarborgen dat toekomstbestendige industriële bedrijven hier in Nederland kunnen blijven produceren én verduurzamen. Daar waar bedrijven toch besluiten om locaties te sluiten of productie af te schalen gebeurt dit door een samenhang van onder andere de factoren zoals hierboven beschreven en dit verschilt ook per bedrijf eveneens in welke markt dit bedrijf opereert. Sluitingen zijn daarmee meestal niet toe te wijzen aan één enkele reden. Zoals hiervoor aangegeven heeft de CO2-heffing nog geen opbrengst gegenereerd. De recente sluitingen binnen de industrie lijken daarom niet gedreven door de kosten van de CO2-heffing tot op dit moment.
Bent u het ermee eens dat de CO2-heffing is bedoeld om bedrijven investeringszekerheid te geven en dat het afschaffen ervan een straf is voor bedrijven die wel hebben geïnvesteerd in verduurzaming?
De CO2-heffing industrie is bedoeld om verduurzaming te prikkelen binnen de industrie, waarbij de heffing tevens de investeringszekerheid vergroot. De prikkelende werking wordt daarbij enkel gerealiseerd indien bedrijven ook daadwerkelijk handelingsperspectief hebben. Zoals in de beantwoording van vragen van het lid Bontenbal aangegeven, heeft het afschaffen van de CO2-heffing industrie een negatieve impact op doelbereik.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief die dinsdag 1 juli j.l. met de Kamer is gedeeld gaat het kabinet onderzoeken in welke mate er sprake is van een negatieve impact van het eventueel opschorten van de CO2-heffing industrie op bedrijven die reeds hebben geïnvesteerd in verduurzaming. Hierover wordt de Kamer zo snel mogelijk nader geïnformeerd.
Bent u het ermee eens dat de CO2-heffing een belangrijke pijler is binnen het bredere klimaatbeleid, waarbij de CO2-heffing (naast talloze subsidies voor de industrie) ervoor zorgt dat verduurzaming geen vrijblijvende keuze is en de afgesproken reductie daadwerkelijk wordt gerealiseerd?
Ja, de heffing is in de ratio van het beleid een belangrijke pijler. Zoals ook aangegeven in beantwoording op recente Kamervragen van het lid Bontenbal heeft de CO2-heffing als nationale beprijzingsprikkel een belangrijke rol binnen de beleidsmix voor de verduurzaming van de industrie. De heffing is bedoeld als stok achter de deur en ooit zo vormgegeven dat bedrijven de heffing voor konden blijven door, met behulp van subsidies, tijdig te investeren in verduurzaming.
De praktijk is echter weerbarstiger en het kabinet ziet dat de heffing niet werkt zoals initieel beoogd. De randvoorwaarde voor verduurzaming zijn niet op orde waardoor bedrijven niet in staat zijn om tijdig te verduurzamen. Hierdoor verandert de heffing die bedoeld was als verduurzamingsprikkel in een boeteheffing.
Het kabinet erkent het risico dat het wegvallen van de prijsprikkel van de CO2-heffing de resterende subsidies vrijblijvender maakt, wat ertoe kan leiden dat bedrijven zich afwachtend opstellen. Of dit effect daadwerkelijk optreedt is onzeker. Jaarlijkse RVO interviews laten zien dat het merendeel van de bedrijven CO2-reductie als zeer belangrijk ervaren voor de toekomstbestendigheid van hun bedrijf en het concurrentievermogen in Europa, waar ook het ETS stuurt op decarbonisatie in een toenemend tempo.6 Daarnaast kan onzekerheid over de toekomstige beschikbaarheid van belangrijke subsidies zoals de SDE++ een prikkel voor bedrijven zijn om gebruik te maken van de subsidies zolang er budget is.
Wat zijn de juridische gevolgen van het schrappen van de CO2-heffing? Kan het schrappen van de heffing tot rechtszaken leiden van bedrijven die investeringen hebben gedaan in verduurzaming nu benadeeld worden?
De CO2-heffing industrie is een nationaal instrument en betreft geen implementatie van Europees recht. De CO2-heffing industrie is wettelijk vastgelegd in Hoofdstuk 16b van de Wet milieubeheer en Hoofdstuk VIB van de Wet belastingen op milieugrondslag. Het opschorten van dit instrument gaat gepaard met een wetswijziging. Hierbij worden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen en worden alle relevante belangen afgewogen, waaronder de belangen van bedrijven die wel of niet hebben verduurzaamd. Mocht de CO2-heffing industrie inderdaad hebben geleid tot verduurzaming bij bedrijven, dan blijft deze verduurzaming ook relevant bij de afschaffing van dit instrument. Het EU ETS blijft immers bestaan.
Wat zijn de gevolgen van het schrappen van de CO2-heffing voor de middelen die Nederland uit Brussel zou krijgen door het Herstel- en Veerkrachtplan?
De CO2-heffing als hervorming is opgenomen in het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP).7 Het opschorten van de heffing kan hierdoor mogelijk leiden tot een korting op de middelen die Nederland ontvangt vanuit het HVP. Deze korting kan oplopen tot 600 miljoen euro per mijlpaal (dus 1,2 miljard euro in totaal). De komende weken zal in nauw overleg met de Europese Commissie in kaart worden gebracht welke opties er zijn om dit effect te mitigeren. Als een korting niet afgewend kan worden, dan moet er eerst overeenstemming zijn over de dekking. De kamer wordt hier zo snel mogelijk nader over geïnformeerd.
Hoeveel financiële middelen verwacht u mis te lopen door het schrappen van de CO2-heffing? Waar waren deze middelen voor bedoeld?
Het tijdelijk opschorten van de CO2-heffing heeft impact op de verwachte inkomsten van de CO2-heffing, aangezien bedrijven geen heffing meer zullen hoeven te betalen. De onderstaande tabel bevat de geraamde inkomsten van de CO2-heffing tot en met 2028 (exclusief afvalverbrandingsinstallaties). Deze inkomsten vloeien terug naar het Klimaatfonds, perceel Verduurzaming Industrie. Indien de CO2-heffing wordt afgeschaft, dan wordt het budget van het Klimaatfonds evenredig verlaagd.
17
61
88
125
Afvalverbrandingsinstallaties vallen ook onder de CO2-heffing industrie, maar afgelopen voorjaar is besloten om deze inkomsten niet terug te sluizen naar het Klimaatfonds en om deze in te zetten als dekking voor het niet doorgaan van de circulaire plastic heffing. Indien wordt beoogd om de CO2-heffing ook voor afvalverbrandingsinstallaties op te schorten, dan leidt dit tot een budgettaire derving in het inkomstenkader oplopend naar 340 mln. in 2029 (119 mln. struc.), die conform begrotingsregels gedekt dient te worden. Dit budgettaire effect en het dekkingsvraagstuk treedt niet op wanneer wordt besloten dat de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties blijft bestaan.
Tot slot leidt afschaffing van de CO2-heffing mogelijk tot een korting op de middelen die Nederland uit het Herstel- en Veerkrachtplan ontvangt, zie vraag 8. Dit dient conform de begrotingsregels te worden gedekt.
0
0
73
136
340
290
119
Deelt u de mening dat goed beleid een combinatie van beprijzen, subsidiëren en normeren is? Is er met het wegvallen van de CO2-heffing, een maatregel die een manier van beprijzen is die in combinatie met de maatwerkafspraken (subsidies) tot verduurzaming van de industrie moet leiden, nog wel balans in het beleid om de maatwerkafspraken door te zetten?
Goed beleid vergt een balans tussen verschillende beleidsmaatregelen die op een doeltreffende en doelmatige wijze bijdragen aan het behalen van de gestelde beleidsdoelen. Voor de verduurzaming van de industrie heeft het kabinet gekozen voor een beleidsmix met zowel beprijzing als subsidiëring.
In het kader van de verduurzaming van de industrie is er reeds een beprijzend instrument dat emissiereductie op Europese schaal borgt: het EU ETS. Dit instrument blijft het grootste deel van de Nederlandse industrie prikkelen om te verduurzamen, waarbij er in 2040 geen emissierechten meer worden uitgegeven.
Het EU ETS is echter onvoldoende om onze nationale doelen in 2030 te borgen, doordat de prijsprikkel te laag is om tijdig de benodigde investeringen te prikkelen. In de Trajectverkenning Klimaatneutraal 2050 PBL (2024) geeft het PBL aan dat de dalende emissieplafonds van het ETS1 en het ETS2, leiden tot een oplopende prijs voor CO2-uitstoot maar dat deze prijs naar verwachting niet voldoende is om de beoogde emissiereductie naar klimaatneutraliteit te realiseren. Tegelijkertijd stelt het PBL dat een hoge CO2-prijs zonder aanvullend beleid nevenschade kan creëren zoals inkomsteneffecten of weglek.8 Een te lage prikkel vanuit het ETS is een risico voor emissiereductiepotentieel waarvoor infrastructuur moet worden aangelegd of nieuwe technologieën voor moet worden ontwikkeld. Investeringen in verduurzaming van de industrie kennen doorgaans lange investeringsritmes en doorlooptijden.
Mede daarom gaat het kabinet in gesprek met de industrie en overige stakeholders om te onderzoeken welke alternatieve borgende maatregelen denkbaar zijn.
Het kabinet gaat door met de maatwerkaanpak, ook bij een eventuele opschorting van de CO2-heffing.9 Bedrijven die mogelijkheden zien om met ambitieuze plannen te verduurzamen en daarmee bij te dragen aan de klimaatdoelen wil het kabinet met de gerichte maatwerkaanpak waar mogelijk blijven ondersteunen.
Wat verwacht u dat deze motie betekent voor de betrouwbaarheid van de Nederlandse overheid als partner bij het Klimaatakkoord, aangezien de CO2-heffing is tot stand gekomen in het Klimaatakkoord waarbij met vele partijen onderhandeld is?
Het Klimaatakkoord is in gesprek met vele partijen tot stand gekomen. Na het Klimaatakkoord is dat gesprek niet gestopt. Het kabinet is regelmatig in gesprek met partijen, zowel natuur- en milieuorganisaties als de industrie, om een juiste balans te vinden in het klimaatbeleid. Juist doordat we in een transitie zitten is het belangrijk deze gesprekken voort te zetten en soms bij te sturen. Toch kan bijsturing de betrouwbaarheid soms schaden, zeker als dit abrupt gebeurt. Juist daarom moet dit bijsturen weloverwogen en in goed overleg gebeuren. Daarom vindt het kabinet het ook belangrijk om naar aanleiding van de motie Van Dijk c.s. te onderzoeken wat de bredere consequenties zijn van het opschorten van de CO2-heffing en in gesprek met de industrie en overige stakeholders te kijken naar alternatieve borgende maatregelen.
Wat doet dit denkt u met het draagvlak voor de noodzakelijke transitie, aangezien onderzoek over draagvlak voor klimaatbeleid laat zien dat mensen klimaatbeleid steunen, mits duidelijk is dat het grote bedrijfsleven die veel CO2 uitstoot veroorzaken ook hun eerlijke deel doen?
Wanneer we kijken naar wat mensen vooral verstaan onder «rechtvaardig klimaatbeleid», dan gaat het onder andere over het principe dat de vervuiler, degene die uitstoot veroorzaakt, daar ook voor betaalt. Het opschorten van een CO2-heffing zou volgens deze beredenering kunnen leiden tot een gevoel van onrechtvaardigheid en daarmee minder draagvlak in de samenleving voor het klimaatbeleid. Tegelijkertijd betekent het opschorten van de CO2-heffing niet dat vervuilende activiteiten in de industrie niet meer belast worden of dat de verduurzaming niet doorgaat. Juist door het emissiehandelssysteem blijft de industrie betalen voor hun uitstoot. Het EU ETS is echter onvoldoende om de nationale doelen in 2030 te borgen. Mede daarom gaat het kabinet in gesprek met de industrie en overige stakeholders om te onderzoeken welke alternatieve borgende maatregelen mogelijk zijn.
Bent u bekend met het artikel «CO2-heffing past prima in Nederlands klimaatbeleid»1 in het ESB van 25 juni 2025?
Ja.
Onderschrijft u dat deeffectieve CO2-heffing tot 2030 beperkt is? Onderschrijft u dat vooral European Union Emissions Trading System (EU ETS) het CO2-tarief in 2030 bepaalt en dat er dus geen concurrentienadeel is voor Nederlandse bedrijven? Bent u het eens met de conclusie van de schrijver dat het argument dat de CO2-heffing de industrie op kosten jaagt gaat dus niet klopt?
De CO2-heffing is vormgegeven als een minimumprijs boven op het EU ETS. Dit betekent dat het effectieve tarief afneemt naarmate de EU ETS prijs toeneemt en vice versa. Het effectieve tarief loopt naar verwachting jaarlijks op doordat het tarief van de CO2-heffing sneller stijgt dan de verwachte EU ETS prijs. De daadwerkelijke effectieve heffing in 2030 is onzeker, mede doordat het EU ETS in 2026 wordt herzien.
Het kabinet is het niet eens met de conclusie dat de CO2-heffing niet leidt tot kosten voor de industrie. In het artikel wordt bijvoorbeeld niet stilgestaan bij het feit dat de voorwaarden voor verduurzaming op dit moment ontbreken waardoor bedrijven niet in staat zijn om tijdig te verduurzamen en zo de heffing voor te blijven. Bovendien laten de speelveldtoetsen van de afgelopen jaren consequent zien dat de nationale CO2-heffing het risico op weglekeffecten vergroot doordat het instrument tot additionele kosten kan leiden. Dit blijkt ook uit de geraamde inkomsten zoals gepresenteerd in het antwoord op vraag 9.
Onderschrijft u dat het zogenaamde «waterbedeffect», namelijk dat bedrijven zich door een hogere CO2-beprijzing enkel zouden verplaatsen, wordt beperkt door het marktstabiliteitsmechanisme (MSR)? Bent u het dan ook eens met de schrijver dat het argument van koolstoflekkage twijfelachtig is?
Het kabinet onderschrijft dat de marketstabiliteitsreserve (MSR) het zogenoemde «waterbedeffect» beperkt, maar niet dat daarmee geen sprake kan zijn van koolstoflekkage.
Er is sprake van een waterbedeffect wanneer het klimaateffect van nationaal klimaatbeleid (deels) teniet wordt gedaan, doordat het aanbod van emissierechten in het EU ETS constant blijft. De uitstoot die in Nederland wordt bespaard, wordt in dat geval elders in de EU uitgestoten. Zolang er een overschot aan ETS-rechten in omloop is, vermindert de MSR het aanbod aan rechten door 24% van de totale rechten in omloop in mindering te brengen van toekomstige veilingen, waardoor het waterbedeffect deels wordt gemitigeerd. Er is sprake van een overschot wanneer er meer dan 833 miljoen ETS-rechten in omloop zijn. Het aantal rechten in omloop ligt momenteel ruim boven deze grens, waardoor het waterbedeffect nu deels wordt gemitigeerd. Als het aantal rechten lang genoeg boven de grenswaarde blijft kan het zo zijn dat alle extra emissierechten die op de markt komen door additionele verduurzaming in Nederland worden vernietigd. Dit werkt als volgt: als er door extra emissiereductie in NL 100 ETS-rechten ongebruikt blijven, worden er een jaar later 24 ETS-rechten vernietigd. Weer een jaar later worden er 18 vernietigd (24% van de resterende 76), enzovoorts. Op dit moment ligt het totale aantal rechten in omloop ruim boven deze grens, waardoor het waterbedeffect deels wordt gemitigeerd. Echter, zodra het totale aantal rechten in omloop ónder de gestelde grens komt, zal het waterbedeffect volledig in werking treden.
Het waterbedeffect is echter niet de enige vorm van koolstoflekkage. Als Nederlandse bedrijven hogere kosten hebben dan bedrijven in het buitenland wegens een nationale heffing, kan dit (andere factoren buiten beschouwing gelaten) bijdragen aan het verplaatsen van activiteiten naar het buitenland. Dit effect is onafhankelijk van het waterbedeffect. Het risico op deze weglekeffecten laat het kabinet jaarlijks onderzoeken in de zogenaamde speelveldtoetsen. Uit deze onderzoeken blijkt duidelijk dat het Nederlandse klimaatbeleid het risico op weglek vergroot. Het kabinet deelt dan ook niet de mening dat het argument van koolstoflekkage twijfelachtig is.
Kunt u deze vragen ruim voor het plenaire debat over de Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van KGG en het Klimaatfonds (gepland op 2 juli 2025) beantwoorden?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het artikel ‘Ondernemingsstrafrecht zonder klassenjustitie’ |
|
Michiel van Nispen |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ondernemingsstrafrecht zonder klassenjustitie. Van megaschikkingen naar megastrafbeschikkingen»?1
Ja.
Erkent u dat het nooit de bedoeling is geweest van de wetgever om de OM-transacties op te rekken naar een afkooppraktijk van schikkingen van honderden miljoenen voor banken en andere multinationals die de wet overtreden? Begrijpt u de kritiek op deze uitruil, het betalen van een geldbedrag ter voorkoming van strafvervolging, in ruil waarvoor strafvervolging en schuldvaststelling en schuldbekentenis achterwege blijft?
Ik begrijp dat bij sommigen het beeld kan ontstaan dat dat sprake is van een afkooppraktijk voor banken en andere grote ondernemingen. Hiervan is echter geen sprake, zoals ik in de antwoorden op uw vragen zal toelichten.
Aan de officier van justitie staan verschillende afdoeningsmodaliteiten ter beschikking. Naast dagvaarden of het al dan niet voorwaardelijk seponeren zijn dat de OM-strafbeschikking (artt. 257a-257h Wetboek van Strafvordering) en de transactie (art. 74 Wetboek van Strafrecht). Het OM kiest altijd – in lijn met het opportuniteitsbeginsel – voor de meest passende afdoeningswijze. Het klopt dat bij een transactie geen sprake is van strafvervolging en schuldvaststelling en dit wordt bij de beoordeling dan ook nadrukkelijk meegenomen (zie ook het antwoord op vraag2.
De officier van justitie kan er voor kiezen de verdachte onder voorwaarden een transactie aan te bieden om strafvervolging te voorkomen. Het is van belang hierbij onderscheid te maken tussen een reguliere transactie en een hoge transactie. Het begrip «hoge transactie» is nader afgebakend en omvat alle transacties waarbij betaling van een geldsom aan de Staat met een boetecomponent van € 200.000 of meer aan de orde is en transacties met een totale transactiewaarde van € 1.000.000 of meer (zie de Aanwijzing hoge transacties, Stct. 2020, 46166). Een hoge transactie wordt alleen aangeboden in het geval3 van strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van niet meer dan zes jaar is gesteld4 wanneer zowel bewijstechnisch als beleidsmatig voldoende grond aanwezig is om tot dagvaarding te kunnen overgaan en5 de feitelijke gedragingen die grond zijn voor de transactie door de verdachte worden erkend, verdachte zijn handelen erkent en laat zien veranderingen in de bedrijfsvoering aan te willen brengen. In de regel worden hoge transacties alleen aan rechtspersonen aangeboden. Dat houdt onder meer verband met de omstandigheid dat aan een rechtspersoon meestal geen andere straf kan worden opgelegd dan een geldboete.
Bij de beslissing om een transactie aan te bieden worden door het OM elementen meegewogen zoals de proceshouding van de verdachte, of de verdachte de slachtoffers en/of eventuele nabestaanden heeft gecompenseerd, de maatregelen die verdachte neemt ter voorkoming van herhaling van strafbare gedragingen en de rol van de verdachte bij het aan het licht brengen van de strafbare feiten. Bovendien vormt recidive een contra-indicatie voor het aanbieden van een hoge transactie. Voor delicten die publieke verontrusting hebben veroorzaakt, geldt dat alleen een transactie wordt aangeboden indien daar een zeer goede reden voor is.
Voor hoge transacties kent het OM een speciale procedure met een onafhankelijke toetsingscommissie. Wanneer de officier van justitie overweegt een strafzaak af te doen door middel van het aanbieden van een hoge transactie, legt hij dit voornemen voor aan de hoofdofficier van justitie van zijn parket. Het transactievoorstel wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het College van procureurs-generaal, dat vervolgens advies vraagt aan de Toetsingscommissie hoge transacties. Na een positief advies van de Toetsingscommissie beslist het College van procureurs-generaal met inachtneming van dat advies, of het transactievoorstel aan de verdachte wordt aangeboden. Indien wordt besloten tot een hoge transactie dan maakt het OM dat in beginsel bekend door middel van een uitgebreid persbericht, waarmee het OM publieke verantwoording aflegt over de afdoening van de zaak.
In de Eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt voorgesteld de toetsing van hoge transacties door de onafhankelijke commissie te vervangen door rechterlijke toetsing.
Voor wat betreft de strafmaat wordt de verdachte niet bevoordeeld als de zaak wordt afgedaan met een transactie. De Aanwijzing hoge transacties geeft als criterium voor het aanbieden van een hoge transactie dat het delict waarvoor de transactie wordt aangeboden, indien de zaak aan de rechter zou worden voorgelegd, naar redelijkerwijs te verwachten is met een vermogensrechtelijke sanctie zal worden afgedaan. Voor het bepalen van de hoogte van het transactiebedrag noemt de Aanwijzing expliciet als aspect van belang: straffen die de rechter in soortgelijke gevallen heeft opgelegd. Het transactiebedrag komt overeen met de eis die een officier van justitie zou hebben uitgesproken als de zaak via een dagvaarding voor de rechter zou zijn gebracht. Ook is het van belang te vermelden dat in de transactieovereenkomst een ontnemingscomponent kan worden opgenomen waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. De transactie betekent dus niet dat een lichtere straf of maatregel (in vergelijking met afdoening door een rechter) wordt opgelegd en dus ook niet dat sprake is van klassenjustitie.
Vindt u ook dat deze transactiepraktijk kenmerken van klassenjustitie vertoont, mede omdat niet iedere verdachte de middelen heeft om strafvervolging af te kopen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Zoals in het antwoord bij vraag 2 is toegelicht hangt het aanbieden van een hoge transactie af van een aantal omstandigheden, zoals erkenning van de gedragingen en de toegezegde of getroffen maatregelen ter voorkoming van verdere strafbare feiten, af of een transactie wordt opgelegd. Deze omstandigheden zijn slechts beperkt afhankelijk van beschikbare middelen bij de betrokken rechtspersoon.
Wat vindt u van de constatering in het artikel dat een OM-strafbeschikking als voordeel heeft dat hier tenminste wél sprake is van schuldvaststelling, waardoor grote bedrijven en hun advocaten liever aansturen op de OM-transactie, met als gevolg dat deze afkoop van strafvervolging een privilege dreigt te worden van de 1 procent grootste ondernemingen?
Strafvervolging en schuldvaststelling blijven inderdaad bij een transactie achterwege. Bij een strafbeschikking is hiervan wel sprake. Op grond van de Aanwijzing OM-strafbeschikking (Stcrt. 2022, 9133) van het College van Procureurs-Generaal is het uitvaardigen van een strafbeschikking het uitgangspunt (bij feiten waarvoor dat wettelijk mogelijk is en als de strafzaak zich ervoor leent) en kan alleen bij wijze van uitzondering nog gebruik worden gemaakt van de transactie als afdoeningsmodaliteit (zie de inleiding op paragraaf 2 van deze Aanwijzing). Bij de keuze voor de meest passende afdoeningsmodaliteit, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, wordt het feit dat bij een transactie geen sprake is van strafvervolging en schuldvaststelling nadrukkelijk meegenomen.
Kunt u bevestigen dat uit onderzoeken blijkt dat afkoop van strafvervolging door multinationals niet bijdraagt aan ethisch gedrag en recidivepreventie?
In het artikel wordt verwezen naar onderzoeken die zich vooral richten op de Verenigde Staten en onderzoek naar banken wereldwijd. De wijze van het afdoen van strafzaken in Nederland, waaronder het aanbieden van transacties zoals ook toegelicht in de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 is hiermee niet goed vergelijkbaar. Er zijn ook verschillende voorbeelden van zaken waarbij het OM ervoor heeft gekozen om banken of grote ondernemingen een strafbeschikking op te leggen dan wel te dagvaarden:
De afdoening van deze strafzaken heeft het OM via persberichten bekend gemaakt.
Wat is uw reactie op de conclusie dat het, voor een ondernemingsstrafrecht zonder klassenjustitie, noodzakelijk is dat we afscheid nemen van de huidige (Amerikaanse) afkooppraktijken?
Zoals ik in het voorgaande heb toegelicht is er geen sprake van afkooppraktijken.
Bent u het er mee eens dat vervolgens gekozen kan worden voor de OM-strafbeschikking of zo mogelijk voor het reguliere strafrecht, en dat hiermee een einde kan worden gemaakt aan deze vorm van klassenjustitie?
Ik ben het met u eens dat indien de zaak zich hiervoor leent de strafbeschikking de voorkeur heeft boven de transactie. Dit is ook het beleid van het OM, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4.
Het bericht 'Investeerder Blackstone wordt nieuwe eigenaar van RCN Vakantieparken' |
|
Sandra Beckerman |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
Wat is uw appreciatie van het feit dat een maatschappelijk verankerde vakantieaanbieder als RCN (Recreatiecentra Nederland), met wortels in het Interkerkelijk Oriëntatie Centrum en met een expliciet sociale missie, in handen komt van een grote internationale investeerder als Blackstone?1
De overname van RCN door Blackstone is een voorbeeld van marktwerking binnen de recreatiesector op de Europese markt. De maatschappelijke missie van RCN is duidelijk verankerd, en het is aan de nieuwe eigenaar om deze koers wel of niet voort te zetten.
Op welke wijze wordt bij deze overname de continuïteit van de maatschappelijke activiteiten van RCN, zoals gratis vakanties voor minima en midweken voor ouderen, juridisch of contractueel geborgd?
Er zijn geen wettelijke vereisten om deze maatschappelijke activiteiten contractueel te borgen bij een overname. Dit is een verantwoordelijkheid van partijen onderling. Hierover kunnen Blackstone en RCN wel afspraken over maken, maar of zulke afspraken zijn gemaakt en over eventuele garanties kunnen wij geen uitspraken doen; dat ligt bij de betrokken partijen.
Deelt u de zorg dat deze overname, zoals vaker het geval is bij private equity-aandeelhouders, kan leiden tot een verschraling van het aanbod, een stijging van de prijzen en een focus op rendement ten koste van sociale doelstellingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, die zorg deel ik niet. Private-equitybedrijven koersen op financieel rendement, maar dat hoeft niet te betekenen dat daarmee maatschappelijke doelen automatisch onder druk komen te staan. Ook betekent het niet automatisch dat prijzen verhoogd worden, omdat er ook concurrentie is op deze markt en andere aanbieders bij prijsverhoging relatief aantrekkelijker worden. Bij veel parken zijn kapitaalintensieve investeringen noodzakelijk en kunnen voordelen bieden. Bedrijven als Blackstone kunnen bijdragen aan het versterken, revitaliseren en toekomstbestendig maken van parken. De Autoriteit Consument & Markt heeft de overname getoetst op mededingingsrechtelijke gronden en geconcludeerd dat eerlijke concurrentie in de markt voldoende blijft bestaan. Goed werkende concurrentie zorgt ervoor dat bedrijven scherp blijven op prijs, kwaliteit en innovatie, wat consumenten ten goede komt.
Heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM), in haar toetsing van de overname, ook gekeken naar de publieke en maatschappelijke waarden die met deze vakantieparken gepaard gaan? Zo nee, waarom niet, en zou u bereid zijn dit wel als criterium mee te nemen bij toekomstige toetsingen?
De ACM houdt toezicht op het mededingingsrecht, in dit geval fusies en overnames, op grond van de Mededingingswet en de Europese mededingingsregels. Zij kijkt bij de beoordeling van fusies en overnames naar de gevolgen van de fusie of overname voor de concurrentie tussen ondernemingen. Dat betekent dat de ACM kijkt of er na de overname nog voldoende keuze is voor consumenten en of bedrijven eerlijk met elkaar kunnen blijven concurreren. Dat heeft de ACM ook in deze zaak gedaan, zo blijkt uit de toelichting van de ACM op het goedkeuringsbesluit2.
Ik heb hierover met de ACM contact gehad. De ACM neemt publieke en maatschappelijke waarden mee als zij kan uitleggen dat die verband houden met de concurrentie. In deze zaak heeft de ACM daar wel naar gekeken, maar hebben deze geen invloed gehad op de beoordeling.
Op dit moment zie ik geen reden om dit bij toekomstige toetsingen als aanvullend criterium door de ACM mee te laten nemen als zij kijkt naar fusies en overnames en de gevolgen daarvan voor de concurrentie.
Wat betekent deze overname voor de betaalbaarheid en toegankelijkheid van het vakantieaanbod voor gezinnen met een smalle beurs in Nederland?
Op dit moment is het nog niet duidelijk welk marktsegment Blackstone met RCN wil bedienen.
Bent u bereid te onderzoeken of een maatschappelijke toets of een publieke belangenafweging wettelijk verankerd kan worden bij overnames van ondernemingen met een publieke of sociale functie, zoals vakantieparken met een maatschappelijk profiel?
Overheden, zoals gemeenten, provincies of het Rijk, zijn wettelijk verplicht om besluiten zorgvuldig voor te bereiden en daarbij de relevante feiten en belangen mee te nemen (artikel 3:2 Awb). Een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) kan daarbij in sommige gevallen een waardevol hulpmiddel zijn. Tegelijkertijd is dit instrument niet in alle situaties passend; het kan in bepaalde gevallen te zwaar of juist niet toereikend zijn. Het verplicht wettelijk verankeren van een MKBA of een maatschappelijke toets bij dit soort overnames acht ik daarom niet wenselijk.
Wel vind ik het belangrijk om te kijken in welke gevallen een MKBA of een andere vorm van maatschappelijke weging juist wél meerwaarde kan hebben. Mijn voorganger heeft tijdens het Notaoverleg Red de Camping toegezegd dit te onderzoeken. Ik kom eind van dit jaar terug op de toezegging van mijn voorganger tijdens het Notaoverleg Red de Camping.
Bent u op de hoogte van berichten dat Blackstone via fiscale constructies belasting ontwijkt in Nederland en dat dit mogelijk ook geldt voor de opbrengsten uit het beheer van RCN Vakantieparken?
Op grond van de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR kan ik niet ingaan op individuele fiscale dossiers.
Acht u het wenselijk dat een partij die structureel belasting ontwijkt en bekendstaat om agressieve investeringspraktijken, de eigenaar wordt van een vakantieaanbieder met een sociale missie?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de fiscale structuur van Blackstone met betrekking tot zijn activiteiten in Nederland, inclusief zijn nieuwe positie bij RCN Vakantieparken, en daarbij te beoordelen of sprake is van ongeoorloofde belastingontwijking?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u aanleiding om breder beleid te ontwikkelen rondom de rol van private-equitypartijen in de exploitatie van vakantieparken in Nederland, met het oog op het beschermen van maatschappelijke waarden, betaalbaarheid en publieke belangen in deze sector?
Nee.
Ziet u, naast Blackstone, ook een bredere trend waarbij private-equitypartijen zoals Kohlberg Kravis Roberts & Co. (KKR) en Waterland Private Equity Investments grootschalig vakantieparken en campingketens overnemen? Wat betekent dit volgens u voor de publieke toegankelijkheid van recreatievoorzieningen?
Inderdaad is er sprake van een bredere trend waarin private-equityfondsen zich inkopen in vakantieparken en campings. Dit heeft te maken met het winstpotentieel van parken op de Europese markt. Goed om daarbij ook te noemen is dat grote kopers vaak ook kunnen investeren op het gebied van grootschalig onderhoud en energiezuiniger maken van woningen. Iets dat bestaande eigenaren niet altijd kunnen realiseren en de toekomstbestendigheid ten goede komt.
Op welke wijze gaat u de aangenomen motie van de leden Van Nispen en Vermeer,2 over een voorstel voor een nieuwe Kampeerwet waarbij de voorstellen uit de initiatiefnota Beckerman3 als richtinggevend worden beschouwd, uitvoeren in het licht van deze ontwikkelingen?
De uitvoering van de motie Van Nispen en Vermeer heeft mijn aandacht. Voor het eind van 2025 zal ik de Kamer op hoofdlijnen informeren over de contouren van de voorgestelde Kampeerwet, de te nemen stappen en het tijdpad.
Hoe beoordeelt u de rechtspositie van mensen die een chalet bezitten op een huurkavel en die bij het faillissement van de parkexploitant geconfronteerd worden met het verlies van hun eigendom? Ziet u aanleiding om consumenten beter te beschermen tegen deze onevenwichtige situatie?
De rechtspositie van chaletbezitters op huurgrond is complex en faillissement van een exploitant kan ingrijpende gevolgen hebben. Daarbij is het van groot belang dat de huurders die verplichtingen aangaan ook op de hoogte zijn van de gevolgen voor hun eigen situatie bij een faillissement van de parkexploitant.