De stagnatie van de Nederlandse economie volgens het IMF |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inzake de Nederlandse economie van 13 mei 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat de economische groei van Nederland stagneert richting één procent en dat sprake is van grote onzekerheid omtrent de economische vooruitzichten?
Het IMF schrijft in het rapport dat het conflict in het Midden-Oosten aanzienlijke onzekerheid creëert rondom het toekomstige ontwikkeling van de economie. Dit geldt voor de Nederlandse economie en de wereldeconomie in den brede. Toonaangevende instituten als CPB, DNB, de grootbanken en de OESO onderschrijven deze conclusies, en zo ook het kabinet.2
De energieschok die het gevolg is van het Midden-Oosten conflict zet bovendien druk op de (wereld)economie. Volgens de ramingen van het CPB komt de bbp-groei van de Nederlandse economie in 2026 uit tussen de 0,3% en 1,0%, afhankelijk van het verdere verloop van het conflict. Deze bandbreedte is in lijn met de raming van het IMF uit het rapport.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen structurele economische groei en conjuncturele schommelingen. De verwachte vertraging van de bbp-groei in 2026 is het gevolg van een naar verwachting tijdelijke energieschok, die los staat van de structurele economische groei. In het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 raamde het CPB een bbp-groei van 1,4% voor 2026. Dit is lager dan in 2025 (1,8%) maar hoger dan in 2024 (1,1%) en 2023 (-0,6%).
Erkent het kabinet dat Nederland in toenemende mate kampt met structurele problemen die investeringen, economische groei en concurrentievermogen onder druk zetten?
Het coalitieakkoord3 onderschrijft dat er uitdagingen bestaan rondom het verdienvermogen van Nederland, conform het rapport-Wennink. Denk hierbij aan krapte op de arbeidsmarkt, netcongestie en bedrijfsfinanciering. Het is belangrijk dat bedrijven meer kunnen en willen investeren in de economie van de toekomst. Het kabinet heeft als ambitie dat Nederland het best investeringsklimaat van Europa heeft. U kunt meer lezen over de aanpak van het kabinet onder de vragen 12, 20, 26, 31, 34, en 35.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat netcongestie, een direct gevolg van de energietransitie, een «binding constraint» (lees: bindende beperking) vormt voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
De problematiek rondom netcongestie belemmert noodzakelijke investeringen voor de energietransitie. Nieuwe bedrijven of bedrijven die willen verduurzamen moeten in sommige regio’s lang wachten op een aansluiting op het elektriciteitsnet. Het kabinet zet met het Landelijk Actieprogramma Netcongestie in op een versnelde aanpak om de problematiek terug te dringen, aan de hand van vier trajecten: 1) sneller uitbreiden van het elektriciteitsnet door o.a. versnellen van vergunningen en betere regionale samenwerking, 2) betere benutting van het elektriciteitsnet door grootverbruikers door o.a. in te zetten op flexcontracten en afspraken met grote stroomverbruikers, 3) betere benutting door kleinverbruikers door het stimuleren van gebruik buiten piekuren en slimmer laden van elektrische auto’s, en 4) slimmer inzicht in beschikbare netcapaciteit door het ontwikkelen van landelijke dataproducten op beter zicht te krijgen op ruimte in het net.
Hoeveel economische schade wordt naar schatting jaarlijks veroorzaakt door netcongestie met als gevolg uitgestelde aansluitingen en vertraagde investeringen?
BCG heeft in haar rapport «Klink uit de kabel» berekeningen gemaakt van de economische schade door netcongestie. Op basis van onderzoek van Ecorys (in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en data van Netbeheer Nederland heeft BCG berekend dat het oplossen van netcongestie op het laag- en middenspanningsnet zo’n 10 tot 40 miljard euro per jaar op kan leveren, verdeeld over economie, duurzaamheid en infrastructuur. Dit is gebaseerd op de bruto kostprijs, die geen rekening houdt met substitutie of adaptatie. Die bedragen kunnen nog verder oplopen als netcongestie in de komende jaren blijft toenemen en bedrijven daardoor minder investeren. Het kabinet vindt het daarom ook belangrijk om zoveel als mogelijk belemmeringen weg te nemen.
Is het antwoord op vraag 6 aanleiding voor het kabinet om haar klimaatambities terug te schroeven en de energietransitie voorlopig te staken?
Zie vraag 8.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Het antwoord op vraag 6 is aanleiding om deze economische baten te realiseren door maximaal in te zetten op het aanpakken van de netcongestieproblematiek en zo de belemmeren in de energietransitie weg te nemen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat stikstofgerelateerde beperkingen een belangrijke belemmering vormen voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
Het kabinet deelt met het IMF dat de stikstofproblematiek de ontwikkeling van onze economie belemmert. Mede daarom werkt het in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof nu aan een brede en samenhangende aanpak van deze problematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Erkent het kabinet dat het huidige stikstofbeleid ertoe leidt dat woningbouw, infrastructuurprojecten, uitbreiding van industrie en economische ontwikkeling ernstig worden vertraagd?
De stikstofproblematiek leidt ertoe dat vergunningsverlening grotendeels tot stilstand is gekomen. Dit is een van de oorzaken waardoor projecten in hun ontwikkeling worden belemmerd. SEO (2025) concludeerde dat stikstofbeperkingen leiden tot uitstel en afstel van investeringen en berekende een bruto effect van stikstofbeperkingen op de omzet van bedrijven van gemiddeld 4,2 miljard per jaar. Dit onderstreept de urgentie om te komen tot een aanpak waarmee de natuur wordt hersteld en Nederland weer van het slot komt. In de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet aan een brede en samenhangende aanpak voor de stikstofproblematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 10 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om deze schadelijke ontwikkelingen een halt toe te roepen?
Het kabinet werkt in de Taskforce Landbouw Natuur en Stikstof aan een aanpak van de stikstofproblematiek. De doelstelling hiervan is om de natuur te herstellen en stikstofemissies te verminderen waardoor op termijn er weer stap voor stap ruimte komt voor vergunningsverlening. De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze aanpak.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat het woningtekort ambitieuze hervormingen vereist?
Het kabinet deelt met het IMF dat het woningtekort vraagt om een ambitieuze aanpak. Mede daarom werk het kabinet al een tijd middels de Taskforce Versnellen Woningbouw aan een Actieplan Versnelling Woningbouw, met daarin de koers richting de realisatie van 100.000 woningen per jaar en de vertaling naar een operationeel plan. In september stuurt het kabinet uw Kamer het Actieplan Versnelling Woningbouw.
Welke rol speelt de bevolkingsgroei als gevolg van immigratie volgens het kabinet bij de voortdurende druk op woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen?
Migratie speelt, naast andere ontwikkelingen zoals kleinere huishoudens, toenemende mobiliteit en de klimaattransitie, een rol bij de druk op de woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen. Tegelijkertijd stelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat een gematigde bevolkingsgroei door migratie, gegeven de negatieve natuurlijke bevolkingsgroei als gevolg van geboortes en sterftes, van belang is in verband met de stagnerende beroepsbevolking en toenemende vergrijzing. Het kabinet zet zich in voor meer woningbouw én meer grip op alle vormen van migratie.
Kan het kabinet uiteenzetten hoeveel extra woningen volgens de huidige prognoses nodig zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei als gevolg van immigratie nu en in de komende tien jaar?
Het onderzoek Primos-prognose 2025 van ABF Research stelt dat van de verwachte toevoegingen aan de woningvoorraad voor de periode 2025–2039 ongeveer 45% nodig is voor de accommodatie van de bevolkingsgroei, dat voor 95% wordt gedreven door het migratiesaldo. Dat komt neer op 42,75% van de bouwopgave voor deze periode.
Daarbij geldt dat een dergelijke demografische toerekening slechts een beperkt beeld geeft van de werkelijke woningbehoefte. De behoefte aan woningen hangt niet alleen samen met de omvang van de bevolkingsgroei, maar ook met factoren als huishoudensvorming, inkomen, verblijfsduur en woonvoorkeuren. Daarnaast geldt dat de vraag naar woningen van migranten afhankelijk is van persoonlijke kenmerken, zoals o.a. verblijfsduur, en daarom niet één-op-één vergelijkbaar is met die van Nederlands ingezetenen. Laagbetaalde arbeidsmigranten delen bijvoorbeeld vaker woningen.
Deelt het kabinet de analyse dat immigratie, een belangrijke oorzaak van het woningtekort, de Nederlandse economie afremt?
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Het Centraal Planbureau (CPB)4 geeft aan dat de economische effecten van migratie afhangen van individuele kenmerken zoals arbeidsparticipatie, opleidingsniveau en (complementaire) vaardigheden. Deze kenmerken verschillen per migratiemotief en per migrant, en zijn ook niet altijd zichtbaar.
Voor arbeidsmigratie concludeert het IBO Arbeidsmigratie5 op basis van het CPB-onderzoek6 aan dat de huidige samenstelling een licht positief effect heeft op de economie. Op de lange termijn is dit effect minder duidelijk omdat arbeidsmigranten en de economie zich over tijd kunnen aanpassen.
Indien het antwoord op vraag 16 ontkennend luidt, waarom niet?
Ik verwijs graag naar het antwoord op vraag 16.
Deelt het kabinet de analyse van het IMF dat de huidige coalitieplannen de lasten op arbeid verhogen, arbeidsparticipatie verminderen en loonkosten verhogen?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de analyse van het IMF. Door de maatregelen uit het coalitieakkoord stijgen de lasten op arbeid, vooral vanwege de bijdrage die van burgers en bedrijven wordt gevraagd voor extra defensie-uitgaven. Dit zorgt ervoor dat de begroting op orde blijft.
Indien het antwoord op vraag 18 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 18 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om hier verandering in te brengen?
Het kabinet neemt maatregelen om de economie structureel te versterken, zoals het oprichten van een nationale investeringsinstelling en investeringen in het onderwijs. Dergelijke maatregelen leiden op termijn tot hogere productiviteit en meer werkgelegenheid, en hebben een positief effect op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal zoals gebruikelijk de effecten van beleidsmaatregelen in de gaten houden. Het kabinet blijft zich inzetten voor een goedwerkende arbeidsmarkt.
Ook zet het kabinet zich in voor de positie van werknemers en het wegnemen van belemmeringen die mensen kunnen ervaren om (meer uren) te gaan werken (zie ook het antwoord op vraag 22).
Waarom kiest het kabinet ervoor arbeid zwaarder te belasten (via onder meer de vrijheidsbijdrage) terwijl het IMF juist waarschuwt dat hogere lasten op arbeid leiden tot minder gewerkte uren en lagere arbeidsparticipatie?
Het kabinet heeft bij de uitwerking van het akkoord keuzes moeten maken ten aanzien van de verdeling van de lasten, rekening houdend met maatschappelijke opgaven zoals defensie. De vrijheidsbijdrage is onderdeel van deze bredere afweging. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, waarbij één van de uitgangspunten is dat werken moet lonen.
Hoe verhoudt dit zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat werken moet lonen?
Het kabinet blijft het uitgangspunt hanteren dat werken moet lonen. Dit betekent dat het beleid erop is gericht dat werkenden een positieve financiële prikkel ondervinden om (meer) te werken. Zo onderzoekt het kabinet maatregelen om meer uren werken lonender te maken.
Naast de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, blijft het kabinet zich inzetten om belemmeringen weg te nemen die mensen ervaren om (meer uren) te gaan werken en het stelsel te vereenvoudigen. Zo wordt in het Nationaal Groeifonds programma Meer Uren Werk! samen met de Universiteit van Utrecht onderzocht hoe belemmeringen om te kiezen voor meer uren werken kunnen worden weggenomen. Verder zal het kabinet zoals opgeschreven in het coalitieakkoord specifieke maatregelen onderzoeken: de voltijdsbonus, het meerurenvoordeel en de arbeidskorting per uur.
Naast bovenstaande zet het kabinet de herziening van de arbeidsmarktinfrastructuur door, waarmee er in iedere arbeidsmarktregio één Werkcentrum beschikbaar komt met alle informatie rond werk en scholing voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers. Ook lanceert het kabinet het actieprogramma «NL Werkt». Dit programma is een brede aanpak gericht op het aan het werk helpen van mensen die nu nog langs de kant staan, en op het gezond en duurzaam aan het werk houden van werkenden. In het najaar informeert de Minister van Werk en Participatie uw Kamer over de contouren van dit actieprogramma. Aanvullend hierop zal de Minister van Werk en Participatie voor de zomer een nieuwe, brede aanpak over werk voor nieuwkomers met de Kamer delen.
Bent u bekend met de recente uitspraak van hoogleraar arbeids- en macro-economie Pieter Gautier2 dat ongeveer een kwart van het bruto binnenlands product naar toeslagen gaat en dat dit het belastingstelsel onnodig complex maakt?
Ja.
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, hoe beoordeelt het kabinet deze realiteit?
In 2026 wordt naar verwachting 23 mld. uitgegeven aan toeslagen. Het percentage bbp wat wordt uitgegeven aan toeslagen is daarmee circa 2%. Toeslagen zorgen ervoor dat vitale voorzieningen voor miljoenen mensen in Nederland betaalbaar en toegankelijk worden gemaakt. Tegelijkertijd ben ik het met het lid Schenk eens dat het belasting- en toeslagenstelsel complex is. Door de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen is het ondoorzichtig en onvoorspelbaar geworden voor belastingplichtigen en ontvangers van toeslagen. Daarnaast vindt het kabinet de terugvorderingen die ontstaan problematisch. Dit heeft niet direct te maken met de hoogte van de toeslagen en belastingkortingen, maar met de inkomensafhankelijkheid en andere voorwaarden en definities. Het kabinet werkt daarom aan een stapsgewijze vereenvoudiging in het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel en meer eenvoud in de uitvoering. Dit wil het kabinet bereiken onder meer door stapsgewijs de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit te beperken.
Deelt het kabinet de analyse dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel leidt tot verstorende prikkels, hoge uitvoeringskosten en verminderde transparantie voor Nederlandse burgers en ondernemers?
Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen wat kan leiden tot terugvorderingen of nabetalingen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er een onwenselijke situaties kunnen ontstaan. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat het oplevert om meer te gaan werken.
Een van de argumenten bij de totstandkoming van het toeslagenstelsel was juist efficiëntie in de uitvoering en lagere bijbehorende kosten. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de uitvoering door Dienst Toeslagen even efficiënt lijkt als de uitvoering van andere vergelijkbare uitvoeringsinstellingen. Het toeslagenstelsel gaat uit van een hoge zelfredzaamheid, maar in de praktijk is er een groep mensen die hulp nodig heeft van maatschappelijke partners om te krijgen waar ze recht op hebben en niet geconfronteerd worden met terugvorderingen.
Welke concrete stappen gaat het kabinet zetten om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangegeven om drie sporen parallel uit te werken om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen, te beginnen met een stapsgewijze vereenvoudiging van het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel. Dit wil het kabinet bereiken door bijvoorbeeld te onderzoeken hoe begrippen en voorwaarden van inkomensondersteunende maatregelen geharmoniseerd kunnen worden, door de kinderopvangtoeslag af te schaffen en te vervangen door directe financiering van de kinderopvang en de kinderbijslag en kindgebonden budget samen te voegen in één-kindregeling. Het tweede spoor is gericht op het afronden van de modernisering van het ICT-landschap binnen de Belastingdienst en Dienst Toeslagen. Dit moet bijdragen aan het kunnen uitvoeren van een mogelijke hervorming. Tot slot komt het kabinet voor het einde van 2026 met een hervormingsagenda met concrete mijlpalen in de tijd voor verschillende onderdelen. Uitgangspunten hierbij zijn op eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid en werken moet lonen.
Hoe groot verwacht het kabinet dat de totale klimaatgerelateerde uitgaven zullen zijn richting 2030 en 2050, zeker gezien het feit dat het IMF de oplopende klimaatgerelateerde uitgaven een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën noemt?
Hoeveel Rijksmiddelen er tussen 2030 en 2050 nodig zijn, is uiteindelijk afhankelijk van de beleidsmix van normerend, beprijzend en subsidiërend beleid. In het rapport Routes naar Realisatie (Aanbiedingsbrief rapport «Routes naar realisatie» | Rijksoverheid.nl) zijn illustratieve beleidspakketten uitgewerkt, die variëren in ambitie, uitgaven en lastenontwikkeling voor de klimaat en energietransitie richting 2050. Scenario’s lopen uiteen van budgetneutraal tot € 6 miljard aan additionele jaarlijkse uitgaven.
Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds steeds hogere klimaatgerelateerde lasten en anderzijds het behoud van concurrentievermogen, industrie en economische groei?
Internationaal concurrerende bedrijven en met name de energie-intensieve industrie kennen uitdagingen. Hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen verzwakken de internationale concurrentiepositie. Het is essentieel in te blijven zetten op de groene transitie en nieuw verdienvermogen om ook op de lange termijn concurrerend te kunnen zijn, en minder afhankelijk te worden van de import van fossiele brandstoffen van buiten Europa. Het kabinet kiest voor een industriebeleid waarin concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid juist hand in hand gaan. Daarvoor is het ook belangrijk om de Europese markt effectief te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken of een ongelijk speelveld.
Erkent het kabinet dat hoge energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten bijdragen aan een verslechtering van het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
Energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten dragen bij aan een verslechtering van het vestigings- en investeringsklimaat als deze hoger zijn dan in andere landen. Het kabinet zet daarom in op een gelijk speelveld met buurlanden en aansluiting bij Europees beleid. Daarbij komt dat veel klimaatgerelateerde uitgaven noodzakelijke investeringen in de toekomstige energievoorziening zijn. Door de energietransitie zorgen we ervoor dat er in de toekomst veel hernieuwbare energie van eigen bodem beschikbaar is voor bedrijven. Dit houdt Nederland ook op de lange termijn juist een aantrekkelijk vestigings- en investeringsland. Ook zorgen we voor de ontwikkeling van voor Europa strategische kennis en sectoren. Op dit moment geeft Europa jaarlijks tegen de 300 miljard uit aan de import van fossiele brandstoffen. Door meer te investeren in energie van eigen bodem, kan een deel van deze middelen ook een impuls vormen voor de Europese economie en ons tegelijkertijd weerbaarder maken tegen geopolitieke spanningen.
Indien het antwoord op vraag 29 ontkennend luidt, waarom niet?
n.v.t.
Indien het antwoord op vraag 29 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat te verbeteren?
Hoge energieprijzen zijn inderdaad één van de factoren waardoor de concurrentiepositie van energie-intensieve bedrijven in Nederland is verslechterd. Daarom blijft het kabinet inzetten op het verduurzamen van de industrie, om onze afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen.
In het coalitieakkoord neemt het kabinet een aantal maatregelen om in te zetten op een concurrerende en duurzame industrie in Nederland. Zo verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten voor de industrie om elektrificatie aantrekkelijker te maken. Daarnaast worden de bestaande maatwerkafspraken voortgezet en worden nieuwe maatwerkafspraken gericht op industrieclusters en regio’s. Tot slot wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft.
Hoe beoordeelt het kabinet signalen uit de industrie dat bedrijven en investeringen Nederland verlaten vanwege hoge energiekosten, regeldruk, onzeker beleid en toenemende klimaatverplichtingen?
Het kabinet herkent het beeld niet dat er op grote schaal sprake is van vertrek van bedrijven uit Nederland.8 Het ondernemingsklimaat is de afgelopen jaren gestabiliseerd, en bij dergelijke beslissingen is het vestigingsklimaat niet altijd de aanleiding, maar spelen vaak ook bedrijfsspecifieke redenen.
Het kabinet herkent echter wel dat bedrijven tegen hoge energiekosten en regeldruk aan lopen, en onderneemt daar daarom ook actie op. Denk bijvoorbeeld aan de Aanpak Regeldruk en aan tegemoetkoming in de indirecte kostencompensatie.
Is het kabinet van mening dat het huidige economische beleid de Nederlandse concurrentiepositie ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en China verbetert?
Het kabinetsbeleid richt zich op het versterken van het verdienvermogen, innovatie en het vestigingsklimaat, binnen een context van toenemende geopolitieke concurrentie. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat Nederland open handel wil behouden, maar afhankelijkheden wil verkleinen. Daarmee gaat het eerder om weerbaarheid en brede economische kracht dan om een directe concurrentiestrategie tegenover specifieke landen.
Indien het antwoord op vraag 33 ontkennend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren?
Zoals afgesproken in het Coalitieakkoord kiest het kabinet ervoor om de Nederlandse concurrentiepositie te versterken door het verbeteren van het verdienvermogen van de economie. De nadruk ligt op een aantrekkelijker ondernemingsklimaat, met minder regeldruk, snellere besluitvorming en meer ruimte voor bedrijven om te investeren en te groeien. Daarbij wordt expliciet ingezet op het versterken van productiviteit en het stimuleren van ondernemerschap, zodat Nederland ook op lange termijn een concurrerende en innovatieve economie blijft.
Daarnaast legt het kabinet een sterke focus op toekomstgerichte investeringen, met name in innovatie, technologie en infrastructuur. Door extra inzet op R&D, sleuteltechnologieën en het wegnemen van knelpunten zoals netcongestie en arbeidsmarktkrapte, moet Nederland aantrekkelijk blijven als vestigingsland voor hoogwaardige bedrijvigheid. Het geheel is minder gericht op directe concurrentie met specifieke landen, en meer op het versterken van de structurele economische kracht van Nederland binnen een open Europese economie.
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om verdere stagnatie van de Nederlandse economie, afnemende investeringen en verlies van concurrentievermogen tegen te gaan?
Het kabinet zet zich in voor een groeidoelstelling van 1,5%, die breed wordt gedragen in het kabinetsbeleid en verder worden uitgewerkt in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Daarin richt het kabinet zich onder andere op het aanjagen van investeringen, via de oprichting van een Nationale Investeringsinstelling en Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Ook werkt het kabinet een Talenstrategie uit, gericht op beter en gerichter opleiden, het waar nodig gericht aantrekken van internationaal talent, en het sterk verankeren van up- en reskilling op de arbeidsmarkt. Verder neemt het kabinet maatregelen voor het verbeteren van economische randvoorwaarden, zoals het versnellen van vergunningverlening voor strategische projecten, structurele investeringen in regionale innovatieclusters en het versterken van de digitale infrastructuur. Daarnaast worden regeldruk en administratieve lasten verminderd via onder andere jaarlijkse vereenvoudigingswetgeving. Ook buiten deze taskforce om richt het kabinetsbeleid zich ook op belangrijke randvoorwaarden, zoals het tegengaan van netcongestie met het Wetgevingsprogramma Stroomlijnen energieprojecten en gerichte tegemoetkomingen aan de industrie, en een aanpak voor de stikstofcrisis via de taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Om valorisatie te bevorderen worden de technology transfer offices van onderwijsinstellingen gebundeld in één nationale TTO, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitrol van best practices. In het onderwijs investeert het kabinet in basisvaardigheden. Zo wordt er geïnvesteerd in bewezen aanpakken zoals de rijke schooldag en voor- en vroegschoolse educatie via gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen. Leraren krijgen aantoonbaar meer tijd voor professionele ontwikkeling en werken met bewezen effectieve kennis om de basisvaardigheden duurzaam te verbeteren.
Deelt het kabinet de conclusie van de indiener dat uit de IMF-bevindingen blijkt dat het Nederlandse beleid omtrent klimaat (hoge kosten en investeringen), stikstof (vastlopen uitbreiding huizen en industrie), immigratie (oorzaak woningtekort) en belastingen (geen prikkel om te werken) in grote mate bijdraagt aan de stagnatie van de economie?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 36 ontkennend luidt, waarom niet?
Het IMF spreekt in het rapport niet van structurele stagnatie van de Nederlandse economie. Het IMF spreekt wel over enkele structurele economische uitdagingen, zoals netcongestie, arbeidsmarktkrapte, het woningtekort en druk op de investeringen. Het IMF schrijft dat het coalitieakkoord terecht deze uitdagingen prioriteert en spoort het kabinet aan navolging te geven de plannen uit het coalitieakkoord.
Indien het antwoord op vraag 36 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen aan het beleid omtrent klimaat, stikstof, immigratie en belastingen om de positie van Nederland te verbeteren?
Niet van toepassing.
Wat doet het kabinet in algemene zin met rapporten, adviezen en bevindingen van het IMF?
Het IMF is een internationaal gerenommeerd instituut met hoogwaardige onderzoeken. Het kabinet leest IMF-rapporten, waar ze raken aan beleid in Nederland, en weegt haar adviezen mee in de besluitvorming.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De veiligheid van WhatsApp en andere versleutelde communicatiediensten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen uit de twee Bloomberg-onderzoeken van 29 januari 20261 en 28 april 20262?
Ja.
Beschouwt u het als zorgwekkend dat de onderzoeker stelt dat Meta alle tekstberichten, foto's, audio- en video-opnames in onversleutelde vorm kan opslaan en bekijken en dat Meta sinds ten minste 2019 een «gelaagd machtigingssysteem» hanteert dat toegang verleent aan opdrachtnemers en een significant aantal buitenlandse medewerkers in India?
Ja, doorbreking van verwachte beveiliging is in algemene zin zorgwekkend. Het is wel goed om te vermelden dat berichten in WhatsApp tussen verzender en ontvanger in principe versleuteld zijn. Alleen berichten die worden verzonden naar de Meta AI middels het commando «@Meta AI» gevolgd door een vraag, zijn in te zien door Meta. De rest van de berichtenconversatie blijft volgens Meta versleuteld. WhatsApp heeft wel toegang tot zogenoemde verkeersgegevens (metagegevens).
Andere, niet zakelijk gebruikte diensten van Meta, waaronder Messenger binnen Facebook en Direct Messenger op Instagram, hebben een ander beschermingsniveau.
Beschouwt u de verklaringen van voormalige opdrachtnemers van Accenture dat zij en Meta-medewerkers «onbeperkte toegang» hadden tot versleutelde WhatsApp-berichten als zorgwekkend?
Zie antwoord op vraag 2.
Indien het antwoord op ten minste een van bovenstaande twee vragen bevestigend luidt, welke consequenties verbindt u hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Het beleid en de bestaande gedragsregeling voor de digitale werkomgeving voor bewindspersonen en ambtenaren blijft op dit moment ongewijzigd. Zoals toegelicht in de beantwoording van het informatieverzoek van het lid Kathmann (GL-PvdA)3 heeft de Rijksoverheid voor medewerkers de gedragsregeling voor de digitale werkomgeving opgesteld en geactualiseerd in oktober 2025. De gedragsregeling geeft medewerkers een kader voor het gebruik van digitale middelen zoals berichtenapps, en geeft aan dat het gebruik van berichtenapps enkel voor informeel gebruik is. Het advies luidt: app met beleid maar niet over beleid. Dit advies is ook overgenomen en herhaald in het cyberadvies Phishing via chatapps Signal en WhatsApp.4 Deze lijn is ook onderdeel van de basisopleiding digitale weerbaarheid die verplicht is voor alle rijksmedewerkers. De gedragsregeling, in combinatie met de basisopleiding, draagt bij aan zorgvuldige omgang met communicatiemiddelen en heeft een risicoreducerend effect op het gebruik daarvan. Op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om de gedragsregeling te herzien en roept het alle medewerkers op deze na te leven, zodat een veilige digitale werkomgeving wordt gewaarborgd.5 Advies aan Nederlanders die gebruik maken van chatapps, is zich bewust te zijn van mogelijke veiligheidsrisico’s. Over de privacyrisico’s van WhatsApp is informatie beschikbaar op veiliginternetten.nl. Sinds kort is er ook de mogelijkheid een check te doen op de veiligheid van apps via www.appinspector.nl.
Voor bewindspersonen is er het handboek voor bewindspersonen (het «Blauwe boek»).6 Hierin staan aanwijzingen voor de omgang met digitale middelen.
Bent u bekend met de Amerikaanse CLOUD Act, op grond waarvan de Amerikaanse overheid van in de VS gevestigde bedrijven zoals Meta kan eisen dat zij toegang verlenen tot opgeslagen gebruikersdata, ook wanneer deze betrekking heeft op buitenlandse gebruikers? Zo ja, welke consequenties verbindt de regering hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Ja, ik ben bekend met de CLOUD Act. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4 blijft het beleid en bestaande gedragsregeling voor ambtenaren voor de digitale werkomgeving ongewijzigd.
Acht u het mogelijk dat vertrouwelijke communicatie – ondanks de maatregelen die voortvloeien uit de Archiefwet – via Whatsapp wordt verstuurd door ambtenaren en bewindspersonen?
De gedragsregeling voor de digitale werkomgeving resp. het handboek voor bewindspersonen geldt voor iedereen die voor de Rijksoverheid werkzaamheden uitvoert en daarbij gebruikt maakt van de digitale werkomgeving van de Rijksoverheid. Deze regeling sluit aan op de Gedragscode Integriteit Rijk en alle ambtenaren dienen zich hieraan te houden.
Welke concrete maatregelen treft u op korte termijn om te voorkomen dat vertrouwelijke bestuurlijke communicatie via WhatsApp plaatsvindt, mede gelet op de ernstige twijfels over de daadwerkelijke end-to-endversleuteling?
De diensten hebben recent een cyberadvies gepubliceerd. Daarnaast is er binnen de Rijksoverheid veel aandacht geweest om niet over beleid te communiceren per chatapplicaties en vooral geen gerubriceerde en gevoelige gegevens te versturen via chatapplicaties.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de vraag of WhatsApp-berichten daadwerkelijk end-to-end versleuteld zijn en niet toegankelijk zijn voor Meta, haar medewerkers, opdrachtnemers of andere derden? Zo nee, waarom niet?
We richten onze capaciteit en inspanningen op het realiseren van eigen, veilige digitale voorzieningen. De Rijksoverheid is bezig met een plan voor de ontwikkeling van een eigen, soevereine chatapplicatie voor communicatie tussen ambtenaren onderling. Hierbij maken we, onder andere via het Europees Consortium voor Digitale Infrastructuur (EDIC), gebruik van kennis en ervaring opgedaan door andere Europese lidstaten.
Zijn er op dit moment voor bewindspersonen en ambtenaren alternatieve communicatiediensten met end-to-end-versleuteling beschikbaar? Zo ja, welke, en worden deze in de praktijk gebruikt?
We draaien een pilot met een Europese, zakelijke berichtenapp, die voldoet aan hoge eisen op het gebied van veiligheid, privacy, datacontrole en opslag van berichten. Deze app wordt momenteel getest binnen een beperkte groep gebruikers. Op basis van die ervaringen bekijken we hoe we de kennis en ervaring kunnen onderbrengen in de eigen, soevereine chatapplicatie voor communicatie tussen ambtenaren onderling.
Hanteert u bij de selectie van communicatiediensten voor overheidsgebruik als criterium dat de implementatie van end-to-end-versleuteling onafhankelijk verifieerbaar moet zijn via openbare broncode, en zo nee, is de regering bereid dit criterium alsnog in te voeren?
De in te richten soevereine chatoplossing zal open source zijn.
Bent u bereid het NCSC te verzoeken een vergelijkende veiligheidsanalyse op te stellen van beschikbare open source communicatiediensten – waaronder Signal, Element/Matrix en Wire – met als specifiek doel te beoordelen welke dienst geschikt is voor vertrouwelijke bestuurlijke communicatie?
In 2025 heeft het CIO-beraad van de Rijksoverheid besloten tot het vergroten van soevereiniteit en autonomie via implementatie van een zelf ontwikkelde Rijkschatapplicatie op basis van Matrix/Elements. Matrix/Elements wordt tevens in andere Europese lidstaten gebruikt. In augustus wordt in het CIO-beraad het projectvoorstel voor de autonome chatvoorziening voor communicatie tussen ambtenaren onderling behandeld. Bij de implementatie hiervan wordt rekening gehouden met de noodzakelijke veiligheids- en privacy aspecten.
Bent u bereid een voorlichtingscampagne te starten gericht op burgers, ambtenaren en bewindspersonen, waarin wordt gewezen op de ernstige twijfels die bestaan over de vertrouwelijkheid van WhatsApp-berichten? Zo nee, waarom niet?
Ambtenaren en bewindspersonen worden regelmatig geïnformeerd over het gebruik van digitale diensten, zoals door het recent gepubliceerde cyberadvies van de AIVD en MIVD7.
Inwoners worden doorlopend geïnformeerd via campagnes die erop gericht zijn om de eigen digitale weerbaarheid te vergroten. Bijvoorbeeld via campagnes als «Dubbel beveiligd is dubbel zo veilig» en «Laat je niet interneppen». De beweringen van de onderzoeker vormen op dit moment onvoldoende aanleiding om een dergelijke campagne te kunnen verantwoorden.
Het bericht 'Gaswinning Warffum voorlopig niet hervat: werkzaamheden NAM mislukt' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de werkzaamheden van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aan de gasput bij Warffum zijn mislukt en dat de NAM aangeeft te kijken naar vervolgstappen?1
Ja.
Welke mogelijkheden biedt de huidige winningsvergunning de NAM nog om gas te winnen bij Warffum, naast werkzaamheden aan de bestaande put? Kunt u een volledig overzicht geven van wat de vergunning de NAM tot en met 2032 toestaat?
Met het besluit tot instemming met het winningsplan van maart 2025 mag de NAM tot en met 2032 maximaal nog 2213 miljoen Nm3 gas winnen.
Is het juridisch mogelijk dat de NAM op basis van de huidige vergunning een nieuwe put boort bij Warffum, zonder dat daarvoor een aanvullende vergunning of besluit van de overheid vereist is? Zo ja, welke democratische en inhoudelijke toets vindt dan nog plaats voordat met zo'n nieuwe boring begonnen mag worden?
Nee. Voor een nieuwe put zou een wijziging van het winningsplan nodig zijn en een omgevingsvergunning. De gebruikelijke juridische procedures, zoals vastgelegd in de Mijnbouwwet en de Omgevingswet, zullen in dat geval van toepassing zijn op deze aanvragen. Zo zal voor de wijziging van het winningsplan advies worden gevraagd aan TNO, SodM en de decentrale overheden. Tegen eventuele besluiten kan bezwaar en beroep worden aangetekend. Ik merk voor de volledigheid op dat ik op dit moment geen aanvraag voor een nieuwe put van de NAM heb ontvangen.
Heeft u een actuele risicoanalyse laten uitvoeren naar de seismische gevolgen van eventuele nieuwe boringen of andere ingrepen bij Warffum? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen voordat de NAM nieuwe stappen zet, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Bij een eventuele wijzing van het winningsplan zal de NAM informatie moeten aanleveren over het seismisch risico. Deze informatie wordt getoetst door TNO en SodM. Ik laat nu dan ook geen risicoanalyse uitvoeren naar een eventuele nieuwe boring.
Nu de NAM stelt dat dit niet het definitieve einde is van de gaswinning bij Warffum, deelt u de mening dat gaswinning in Groningen, inclusief Warffum, definitief beëindigd moet worden, gelet op de aanhoudende schade en onveiligheid voor omwonenden? Zo nee, op welke gronden acht u verdere winning verantwoord?
Nee. Ik kijk zeer zorgvuldig naar aanvragen voor activiteiten in de diepe ondergrond en vraag hierover advies aan onder meer TNO en SodM. Alleen als dit veilig en verantwoord kan, verleen ik een vergunning.
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat ook geen mogelijkheid om een algemene permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied.
Nu de rechtszaak bij de Raad van State nog twee jaar kan duren, wat gaat u doen om te voorkomen dat de NAM in die tussenliggende periode onomkeerbare stappen zet, zoals het boren van een nieuwe put, die de uitkomst van die procedure de facto zinloos maken?
Als de NAM een nieuwe put wil boren moet de NAM een omgevingsvergunning aanvragen en een aanpassing van het winningsplan indienen. Deze aanvragen zal ik indien dit zich zou voordoen toetsen aan het wettelijke kader. Het feit dat er een rechtszaak loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het huidige instemmingsbesluit op het winningsplan, staat buiten een dergelijke beoordeling.
Op welke wijze worden omwonenden, gemeenten en provincie Groningen betrokken bij de besluitvorming over eventuele vervolgstappen van de NAM?
Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Bent u bereid de winningsvergunning voor het Warffumer gasveld in te trekken of op te schorten, nu gebleken is dat de bestaande put technisch niet meer produceerbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van het geldende wettelijke kader is ingestemd met de aanvraag van de NAM om langer gas te winnen uit het gasveld Warffum. Ik kan voor een individuele aanvraag geen besluiten nemen buiten het wettelijke kader. Dit geldt ook voor het intrekken of opschorten van reeds genomen besluiten. Hiervoor moet een juridische grondslag zijn en die is niet aanwezig.
Deelt u de opvatting van de inspecteur-generaal van SodM dat het besluit om gaswinning bij Warffum toe te staan is genomen op basis van een advies van vóór de parlementaire enquête, en dat SodM op grond van de huidige bredere veiligheidsdefinitie nu anders zou adviseren? Zo ja, waarom is de vergunning dan niet alsnog ingetrokken of herzien?2
De vraag of SodM nu anders zou adviseren kan ik niet beantwoorden. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat zeer zorgvuldig naar de aanvraag van de NAM is gekeken, alvorens een besluit is genomen. Hiervoor is zoals gebruikelijk advies gevraagd aan onder meer TNO, SodM en de Mijnraad. Deze adviseurs hebben aangegeven dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Daarbij heeft het toenmalig kabinet recht willen doen aan de zorgen. Om deze reden is met de NAM afgesproken dat het seismisch risicobeheersplan wordt aangescherpt voor het gasveld Warffum. De NAM zal de winning uit het gasveld Warffum bij een beving eerder stilleggen dan bij de andere kleine gasvelden in Nederland.3
Zoals bij vraag 8 aangegeven, dient er een juridische grondslag te zijn om een vergunning in te trekken of te herzien en die is niet aanwezig.
Deelt u de gemengde gevoelens van de inspecteur-generaal van SodM over het vergunningsproces bij Warffum?
Zoals bij vraag 9 aangegeven heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat Warffum er volgens de eigen toezichthouder doorheen is geglipt?
Zoals bij vraag 9 aangegeven, heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u, net als bij de gaswinning onder de Waddenzee, bereid om met de NAM te zoeken naar een alternatieve oplossing zodat de gaswinning bij Warffum alsnog definitief niet wordt hervat?
Nee. Bij de aanvraag Ternaard speelden specifieke omstandigheden: juridisch, ruimtelijk en procedureel. Juist vanwege die unieke combinatie heeft het toenmalig kabinet aanleiding gezien om een afwijkend besluit te overwegen en uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst te komen. Dat besluit stond dus in directe relatie tot die bijzondere context. Dat betekent ook dat dit elders niet zal plaatsvinden; een uitzondering vormt geen nieuw beleidskader. Het uitgangspunt blijft dat beslissingen over gaswinning worden genomen binnen het bestaande wettelijke kader, de daarin vastgelegde verantwoordelijkheden en toetsingskaders. Daarbij wil ik benadrukken dat vergunningen voor activiteiten in de diepe ondergrond alleen worden verleend als dit veilig en verantwoord kan.
De toegankelijkheid van het notariaat op Bonaire |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Ministerie verwijst bij klachten notarissen Bonaire naar toezichthouder»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de in het artikel geschetste zorgen over aanhoudende lange wachttijden, de verminderde toegang tot het notariaat en de signalen van mogelijk ongelijke behandeling? Kunt u aangeven op welke wijze daar tot nu toe vanuit het ministerie aandacht voor is geweest?
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is stelselverantwoordelijk voor de toegankelijkheid van notariële dienstverlening, ook op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Uiteraard hebben de in het artikel geschetste ervaringen de aandacht van het kabinet. Met regelmaat is er contact met de notarissen op Bonaire. De toegang tot het recht, waaronder ook het notariaat, is van groot belang. Ik kan u aangeven dat een notaris ministerieplicht heeft en daarmee in beginsel geen onderscheid dient te mogen maken tussen het type zaken of cliënten dat op zijn kantoor in behandeling wordt genomen. Dienst weigeren is alleen met een gegronde reden toegestaan.2 Dit is niet uniek voor de Caribische delen van het Koninkrijk. De ministerieplicht kennen wij ook in de Wet op het notarisambt in Europees Nederland. Het is mij bekend dat de verplichte dienstverlening ook hier regelmatig leidt tot oplopende wachttijden.
Indien een notaris tekortschiet in de uitoefening van zijn wettelijke taken jegens een client in de Caribische delen van het Koninkrijk, dan heeft de client de mogelijkheid om zich te wenden tot de Kamer van Toezicht aan het Gemeenschappelijk Hof.
Bent u het ermee eens dat een goed functionerend en toegankelijk notariaat op Bonaire essentieel is voor niet alleen de lokale economie, maar ook voor de rechtszekerheid en rechtsbescherming op Bonaire?
Ja, het kabinet onderschrijft het belang van een goed functionerend en toegankelijk notariaat in de Caribische delen van het Koninkrijk. Dat is niet alleen belangrijk voor particuliere rechtshandelingen, zoals het opstellen van een testament of de overdracht van een huis, maar ook voor ondernemers. Daarom zet het kabinet in op onder andere ondernemerschap, bestaanszekerheid en een slagvaardige overheid in de Caribische delen van het Koninkrijk.3 Daarvoor is een goed werkend notariaat op alle eilanden randvoorwaardelijk.
Notarissen hebben een belangrijke functie in toegang tot het recht. Zij verschaffen rechtszekerheid door het verrichten van onderzoek naar rechtsfeiten voordat er een rechtshandeling notarieel wordt vastgelegd. Tevens fungeren notarissen als poortwachters in het rechtsverkeer en controleren zij transacties op mogelijke witwas- en frauderisico’s.
Kunt u, gezien het gegeven dat direct toezicht bij de Kamer van Toezicht van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie belegd is, aangeven hoeveel klachten bij de Kamer van Toezicht zijn binnengekomen over het functioneren van het notariaat op Bonaire en in hoeverre dit heeft geleid tot verdere maatregelen? Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag of naar uw oordeel de rol als toezichthouder voldoende bekend is om effectief te functioneren?
Volgens de informatie die het Gemeenschappelijk Hof aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid verstrekt heeft, zijn er over het jaar 2025 geen klachten tegen de notarissen ingediend.
De rol van de toezichthouder en de wijze waarop de klachten kunnen worden ingediend bij de Kamer van Toezicht staan benoemd in de Wet op het notarisambt BES.4 Op de website van de Kamer van Toezicht Notariaat staat de wijze waarop de klachten kunnen worden ingediend omschreven, evenals het verdere verloop van de procedure.5 Naar aanleiding van de recente berichtgeving over de onduidelijkheid van de klachtprocedure6 heeft het Gemeenschappelijk Hof deze informatie ook aan de pers verschaft en is de eerdergenoemde link naar de website van de Kamer van Toezicht Notariaat in een nieuwsartikel verspreid.7
Welke mogelijkheden ziet u om de situatie te verbeteren?
In opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) regelmatig contact met de notarissen op Bonaire, Saba en Sint-Eustatius. In 2024 heeft de KNB dan ook de grootste knelpunten van de notariële praktijk op de eilanden in kaart gebracht. Hieruit kwam naar voren dat de lange wachttijden en de hoge werkdruk primair te verklaren zijn door een ingewikkelde toegang tot informatie van cliënten (KvK, Kadaster en persoonsgegevens) en moeizame uitwisseling van notarieel personeel tussen de eilanden en Europees Nederland.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als stelselverantwoordelijke voor basisregistraties, werkt aan het opzetten van verschillende digitale registers.8 Hierbij wordt samengewerkt met de inhoudelijk verantwoordelijke departementen en openbare lichamen. Volgende stap is het digitaal toegankelijk maken van deze registers met derden waaronder notarissen. Ook wordt binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid momenteel verkend of de wettelijke eisen voor het uitwisselen van notarieel personeel kunnen worden geconcretiseerd en versoepeld. Hiermee pogen wij de notariële praktijk te voorzien van de juiste hulpmiddelen voor een efficiëntere bedrijfsvoering en daarmee een afname van de klachten die ten gronde van deze vragen staan.9
Het bericht 'Studenten gewaarschuwd voor phishing na hack softwarebedrijf' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat hackersgroep ShinyHunters, die eerder verantwoordelijk was voor de hack bij Odido, nu ook gegevens van miljoenen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers via onderwijsplatform Canvas heeft buitgemaakt?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de ernst van dit datalek, mede gelet op de gevoeligheid van de buitgemaakte persoonsgegevens en mogelijk ook privécommunicatie van studenten, docenten en onderwijsmedewerkers?
De hack en de tijdelijke ontkoppeling van het systeem Canvas zorgde voor een enorm vervelende situatie voor diegenen van wie mogelijk data is buitgemaakt en voor studenten en medewerkers die hiervan hinder hebben ondervonden in het onderwijs en hun werk. De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat het op dit moment niet volledig is vastgesteld welke gegevens de hackersgroep precies heeft buitgemaakt. Hierover is contact tussen de instellingen en het bedrijf Instructure als leverancier van Canvas. Dit betekent dat er op dit moment nog geen goede schatting kan worden gemaakt door de instellingen van hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers naar schatting zijn getroffen. De AVG is van toepassing op inbreuken in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalekken). Er is door instellingen een voorlopige melding gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers van Nederlandse onderwijsinstellingen zijn naar schatting getroffen en welke typen persoonsgegevens zijn daarbij buitgemaakt?
De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat op dit moment alleen bekend is welke instellingen getroffen zijn. Zij geven aan dat Instructure, de leverancier van Canvas, nog niet heeft aangegeven welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Vermoedelijk gaat het om gegevens zoals namen en e-mailadressen van studenten en medewerkers en berichtenverkeer. De instellingen staan in contact met Instructure om hier meer duidelijkheid over te krijgen. Dat doen zij afzonderlijk van elkaar in verband met de individuele contracten van instellingen met deze leverancier. Instructure heeft de instellingen toegezegd dit overzicht op korte termijn te zullen verschaffen. Op dit moment kan er daarom nog geen goede schatting worden gemaakt van het aantal personen dat is getroffen door de hack.
Welke gevolgen kan dit datalek hebben voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers, bijvoorbeeld in de vorm van phishing, identiteitsfraude of andere vormen van digitale criminaliteit en hoe kan worden voorkomen dat zij hiervan slachtoffer worden?
Als er sprake is van een datalek is het belangrijk om nu en in de komende tijd extra waakzaam te zijn voor mogelijke phishingmails en andere verzoeken waarbij persoonsgegevens of inloggegevens worden gevraagd. De instellingen wijzen hun studenten en medewerkers hier ook op. Op dit moment is nog niet volledig vastgesteld welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Zodra hierover meer duidelijk is, zullen betrokkenen volgens de geldende procedures door de instellingen hierover worden geïnformeerd. De instellingen hebben hun studenten en medewerkers ook opgeroepen om zich te melden als zij getroffen worden naar aanleiding van de hack en zullen waar nodig passende ondersteuning bieden.
Heeft u contact met de onderwijskoepels over wat nodig is om de gevolgen van dit datalek te beperken? Zo nee, bent u bereid hierover alsnog contact met hen op te nemen?
Het Ministerie van OCW heeft nauw contact met de onderwijskoepels en SURF over de situatie en gevolgen van de hack. De instellingen houden zelf, als contracthouders met Instructure voor deze onderwijssoftware, contact met de leverancier. Daarin is het ministerie geen partij. Voorts nemen de instellingen hun verantwoordelijkheid in het informeren van hun studenten en medewerkers over de situatie en de gevolgen van de hack.
Welke ondersteuning en informatie worden momenteel geboden aan getroffen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers om misbruik van hun persoonsgegevens te voorkomen? Acht u deze ondersteuning voldoende en welke rol ziet u hierin voor uzelf?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4 en vraag 5.
Is voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers voldoende duidelijk welke persoonsgegevens via onderwijsplatformen zoals Canvas worden verwerkt, met welke externe partijen deze gegevens worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd?
Het is de bevoegdheid van instellingen zelf om te bepalen of, en zo ja hoe, zij onderwijsplatformen zoals Canvas inzetten. Het is daarbij hun verantwoordelijkheid zich bewust te zijn van de gegevens die daarmee worden verwerkt. Daarbij zijn ze gehouden aan de hiervoor geldende wet- en regelgeving (AVG). Het verschilt per instelling welke keuzes zij daarbij hebben gemaakt en welke gegevens worden verwerkt, met welke externe partijen deze worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd. Conform de geldende wet- en regelgeving is de instelling vervolgens ook zelf verantwoordelijk om in een (privacy) statement aan de betrokkenen gebruikers aan te geven welke gegevens er worden verwerkt en hoe deze worden beschermd.
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse onderwijsinstellingen onderhandelen met hackersgroep ShinyHunters naar aanleiding van het ultimatum rondom de hack op Canvas, waarbij wordt gedreigd buitgemaakte gegevens van studenten, docenten en medewerkers openbaar te maken, of bent u van mening dat overheids- en onderwijsinstellingen nooit zouden moeten ingaan op dergelijke eisen van cybercriminelen?
Instellingen geven aan niet benaderd te zijn door de hackgroep om losgeld te betalen. Instructure heeft gemeld een akkoord te hebben gesloten met de hackers en dat de buitgemaakte gegevens zouden zijn vernietigd. Instructure zegt hiervan bewijs te hebben ontvangen. Of er losgeld is betaald door Instructure is mij en de instellingen niet bekend. Het is aan ieder bedrijf om een eigen afweging te maken. Het dringende advies vanuit de overheid is om geen losgeld te betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand en lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op organisaties uit.
Welke lessen trekt u uit dit incident en op welke wijze wordt deze kwestie betrokken bij de ontwikkeling van een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken?2
De instellingen hebben aangegeven dit incident zowel afzonderlijk als in de sector te evalueren en de lessen die hieruit getrokken worden mee te nemen in de verdere ontwikkeling van hun beleid. Ik blijf hierover met hen in contact.
Het kabinet geeft in overleg met betrokken toezichthouders en andere experts uitvoering aan de motie-Rajkowksi c.a. (36 800 VII, nr.78), opdat een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van grote datalekken beschikbaar is. Ook de relevante lessen uit dit incident worden daarbij betrokken. Het streven is om uw Kamer spoedig nader te informeren over de uitvoering van deze motie.
De prijsstijgingen van kunstmest als gevolg van de sluiting van de Straat van Hormuz |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD van 5 april 2026, getiteld «Raakt Iran-oorlog ook productie kunstmest en ons voedsel? «Het kan nijpend worden»»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Zoals ik ook heb aangegeven in de antwoorden op de Kamervragen van de leden Lohman en Koorevaar (CDA) is er op dit moment voor Nederland geen aanleiding om te twijfelen aan de leveringszekerheid van kunstmest2.
Bent u bekend met het artikel van RTV Noord van 17 april 2026, getiteld «Boeren voeren eigen mest af en kopen kunstmest: «Volslagen maf»»?2
Ja.
Welke concrete maatregelen neemt u op dit moment om te voorkomen dat de stijgende kunstmestprijzen zich vertalen in hogere voedselproductieprijzen en dalende rentabiliteit voor Nederlandse boeren?
Deze maatregelen worden vooral in Europees verband genomen. Op 19 mei jl. heeft de Europese Commissie het Actieplan Meststoffen (Fertiliser Action Plan) gepresenteerd waarin een scala aan maatregelen wordt gepresenteerd om zo de beschikbaarheid, betaalbaarheid en strategische autonomie van meststoffen in de EU te versterken. Hieronder vallen ook acties om de effecten van gestegen kunstmestprijzen te kunnen mitigeren4. Binnenkort zal de Kamer met een BNC-fiche worden geïnformeerd over het kabinetsstandpunt ten aanzien van de inhoud hiervan.
Kunt u bevestigen dat een Nederlandse boer die zijn gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft bereikt géén extra dierlijke mest meer mag uitrijden – ook niet als hij nog behoefte heeft aan extra stikstof – en daardoor wordt gedwongen kunstmest aan te kopen?
De agrariër mag stikstof aanwenden binnen de totale stikstofgebruiksnorm, waarbij de stikstof vanuit verschillende bronnen (dierlijke mest, minerale meststoffen en andere organische meststoffen dan dierlijke mest) kan worden gebruikt. Een agrariër die zijn stikstofgebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft bereikt mag geen extra dierlijke mest meer uitrijden, ook als er nog behoefte is aan extra stikstof voor de gewasgroei. Sinds 12 juni jl. mag bovenop de stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest onder voorwaarden tot 80 kg stikstof per hectare per jaar uit Renure-meststoffen worden aangewend (binnen de totaal stikstofgebruiksnorm).
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat een agrariër door deze stikstofgebruiksnormen wordt gedwongen extra kunstmest aan te kopen. Een agrariër zal hierin zelf een afweging maken en zal bij deze afweging de prijs van kunstmest en de extra opbrengst die extra stikstofbemesting kan opleveren betrekken. Ook kan worden gekozen voor andere stikstofhoudende meststoffen zoals compost of voor het inzaaien van klaver om stikstof uit de lucht te binden. Tenslotte is de inzaai van vanggewassen ook effectief voor het binden van overgebleven stikstof in de bodem en om deze vastgelegde stikstof in het nieuwe teeltseizoen beschikbaar te maken voor de hoofdteelt.
Acht u het wenselijk dat op dit moment grote hoeveelheden dierlijke mest uit Nederland wordt geëxporteerd, terwijl tegelijkertijd grote hoeveelheden kunstmest naar Nederland wordt geïmporteerd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat nutriënten zoveel mogelijk circulair moeten worden benut, op een manier die verantwoord is met het oog op het voorkomen van verliezen naar het milieu. Om deze reden is het in Nederland sinds 12 juni jl. toegestaan om enkele Renure-meststoffen (stikstof uit bewerkte dierlijke mest die voldoet aan de criteria uit bijlage III van de Nitraatrichtlijn) tot 80 kg stikstof per hectare per jaar te gebruiken bovenop de gebruiksnorm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest.
Er wordt inderdaad kunstmest in Nederland geïmporteerd. Een groot deel wordt echter doorgevoerd naar andere landen. Daarnaast wordt in Nederland zelf ook kunstmest geproduceerd. Per saldo is Nederland een netto exporteur van kunstmest.
Bent u het ermee eens dat het tegenstrijdig en onwenselijk is dat Nederlandse boeren worden gedwongen duurdere en steeds schaarser wordende kunstmest in te kopen terwijl in eigen land dierlijke mest beschikbaar is die deze kunstmest zou kunnen vervangen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 herken ik mij niet in het beeld dat een agrariër wordt gedwongen kunstmest aan te kopen. Het is belangrijk om de nutriënten uit beschikbare dierlijke mest op een verantwoorde manier zoveel mogelijk lokaal en circulair te benutten. De mogelijkheid om Renure-meststoffen aan te wenden bovenop de gebruiksnorm voor dierlijke mest is een goede ontwikkeling om de circulariteit te bevorderen.
Hoeveel kilogram (stikstof en fosfaat uit) kunstmest zou op dit moment per jaar kunnen worden vervangen door het dierlijke mestoverschot volledig uit te rijden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in het antwoord op vraag 4 reeds toegelicht, is het niet mogelijk om meer dierlijke mest aan te wenden dan is toegestaan op basis van de wettelijke stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest (170 kg stikstof per hectare per jaar) en additioneel de sinds 12 juni jl. mogelijke toepassing van enkele Renure-meststoffen. Het is dus niet aan de orde dat toepassing van kunstmest kan worden vervangen door dierlijke mest. Daarbij zijn er ook andere factoren die bepalen welke meststof kan worden aangewend. Zo bepalen onder andere voedselveiligheids- en kwaliteitsaspecten, de fase in het groeiseizoen en landbouwkundige overwegingen de keuze van het type meststof.
Hoeveel kosten zou de Nederlandse agrarische sector daarmee op dit moment per jaar kunnen besparen? Kunt u deze kosten uitsplitsen in afvoerkosten van het dierlijke mestoverschot en aanschafkosten van kunstmest? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunstmest en dierlijke mest zijn niet één-op-één uitwisselbaar en de agrariër is gehouden aan de wettelijke normen voor aanwending van dierlijke meststoffen. Zie ook mijn antwoord op vraag 7.
Wat is het verschil tussen stikstof (en fosfaat) afkomstig uit kunstmest, dierlijke mest en andere bronnen zoals Renure, oftewel verwerkte dierlijke mest?
Het verschil tussen stikstof afkomstig uit kunstmest, dierlijke mest en Renure betreft met name de mate waarin deze stikstof in minerale of in organische vorm aanwezig is. Dit bepaalt dus wanneer deze voedingsstof beschikbaar is voor een gewas. Wat betreft fosfaat is er geen verschil. Voor fosfaat wordt in de wet- en regelgeving dan ook geen onderscheid gemaakt in de herkomst van dit nutriënt.
Erkent u dat enkel de geplande maatregelen om Renure te mogen gebruiken bovenop de bestaande gebruiksnorm voor dierlijke mest onnodige kosten met zich meebrengen, omdat dierlijke mest van zichzelf al gebruiksklaar is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Onbewerkte dierlijke mest kent een hoger aandeel organisch gebonden stikstof dat bij gewassen met een beperkt groeiseizoen kan vrijkomen na de teelt, waardoor er een groter risico is op nitraatuitspoeling dan bij aanwending van Renure-meststoffen.
Bent u bereid de stikstof- en fosfaatgebruiksnormen voor meststoffen per direct te verruimen naar het niveau van vóór afschaffing van de derogatie en de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen te schrappen of tenminste te verhogen – al dan niet met goedkeuring van de Europese Unie – zodat Nederlandse boeren bij oplopende kunstmestschaarste niet zonder betaalbare bemesting komen te zitten, juist nu kunstmestprijzen in één maand met tientallen procenten zijn gestegen – en vervolgens niet zijn gedaald – en verdere schaarste dreigt door de oorlog in het Midden-Oosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De stikstof- en fosfaatgebruiksnormen zijn in algemene zin niet veranderd sinds het vervallen van de derogatie, alleen zijn de stikstofgebruiksnormen in bepaalde gebieden lager geworden. Met het vervallen van de derogatie zie ik geen mogelijkheid om de stikstofgebruiksnorm uit dierlijke mest te verruimen. Het kabinet volgt de ontwikkeling in de kunstmestprijzen en -beschikbaarheid nauwlettend. Op dit moment dreigt er in Nederland geen schaarste voor kunstmest.
Indien het antwoord op vraag 11 ontkennend luidt, bent u dan tenminste bereid zich zo spoedig mogelijk in Europees verband voor deze maatregelen in te zetten? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich in EU-verband jarenlang ingezet om beter gebruik te kunnen maken van stikstof uit dierlijke mest in de vorm van Renure-meststoffen. Dit heeft geresulteerd in een Europese toelating voor enkele Renure-meststoffen.
Ik ben niet voornemens mij in te zetten voor een verruiming van de stikstof- gebruiksnorm voor onbewerkte dierlijke mest, omdat ik hiervoor geen ruimte zie.
Wel zet het kabinet zich in om de reikwijdte van de circulaire productie en het gebruik van meststoffen afkomstig uit dierlijke mest uit te breiden. In het Actieplan Meststoffen van de Europese Commissie is een mogelijke verbreding van de reikwijdte van Renure naar bepaalde vormen van digestaat aangekondigd. De appreciatie van dit Actieplan door het kabinet wordt momenteel uitgewerkt via het traject Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC-fiche). Hierover wordt uw Kamer binnenkort separaat geïnformeerd.
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, bent u dan tenminste bereid zo spoedig mogelijk een tijdelijke ontheffing of verhoogde gebruiksnorm voor dierlijke mest aan te vragen bij de Europese Commissie, zodat boeren minder afhankelijk worden van geïmporteerde kunstmest? Zo nee, waarom niet?
Zoals recentelijk onder meer via mijn brief van 8 april 2026 aan de Tweede Kamer gemeld5, zie ik geen ruimte voor een nieuwe derogatie voor de toepassing van stikstof uit dierlijke mest op de Nitraatrichtlijn.
Kunt u bovenstaande vragen zo snel mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja. Met deze antwoorden beschouw ik tevens het verzoek van het lid ten Hove6 van 12 mei jl. als beantwoord.
Het bericht 'UWV ruilt Mistral Le Chat in voor Microsoft Copilot Chat' |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Aerdts |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het UWV vanaf half mei een pilot start met Microsoft Copilot en daarmee stopt met het gebruik van het Europese alternatief Le Chat?1
Hoe beoordeelt u het besluit van het UWV om een Europees AI-alternatief in te ruilen voor een Amerikaanse toepassing, mede in het licht van de kabinetsambities op het gebied van digitale soevereiniteit en het verminderen van afhankelijkheden van niet-Europese technologiebedrijven?
Deelt u de opvatting dat publieke organisaties, zeker wanneer zij werken met grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens, bij de inzet van generatieve AI, rekening zouden moeten houden met Europese datasoevereiniteit en strategische autonomie? Zo nee, waarom niet?
Welke risico’s ziet u in de keuze die het UWV heeft gemaakt om co-pilot in te gebruiken, in het bijzonder waar het gaat om toegang tot persoonsgegevens, vendor lock-in en geopolitieke afhankelijkheden?
Kunt u aangeven op welke wijze is beoordeeld of Microsoft Copilot voldoet aan de eisen rondom privacy, gegevensbescherming en gegevenssoevereiniteit en kunt u aangeven welke persoonsgegevens of interne gegevens van het UWV binnen deze pilot verwerkt kunnen worden?
Hoe verhoudt deze keuze zich tot eerdere signalen vanuit Europese landen, waaronder Duitsland en Frankrijk, waarin juist gezocht wordt naar alternatieven voor afhankelijkheid van Microsoft?
In referentie naar de aangenomen motie van het lid El Boujdaini c.s. over het principe «Europees tenzij» te hanteren en digitale soevereiniteit en digitale autonomie als expliciet criterium op te nemen in aanbestedingen, wat is de status van de uitvoering van die motie?2
Kunt u aangeven wat er momenteel al gebeurt om Europese en soevereine AI-oplossingen binnen de Nederlandse overheid te stimuleren? En bent u bereid om samen met uitvoeringsorganisaties en andere overheidsinstanties te werken aan het breder implementeren van Europese en soevereine AI-oplossingen binnen de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet?
Eind 2026 worden de uitkomsten van de pilot met Microsoft Copilot geëvalueerd, kunt u toezeggen dat de Kamer actief wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de pilot?
Het bericht ‘Niet alleen 110 banen weg: waarom het faillissement van Coldenhove heel Eerbeek raakt’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Niet alleen 110 banen weg: waarom het faillissement van Coldenhove heel Eerbeek raakt»?1
Ja.
Wanneer ontving u de eerste signalen dat na het faillissement van De Hoop ook Coldenhove failliet dreigde te gaan?
Het ministerie onderhoudt contact met de brancheorganisatie Vereniging van Nederlandse Papier- en Kartonfabrieken (VNP) maar heeft geen verzoek om steun van het bedrijf zelf ontvangen alvorens het bericht naar buiten kwam. Het investeren en de aanschaf van een e-boiler in het najaar van 2025, waarvoor ook een SDE++ subsidie is toegekend, gaf geen aanleiding te vrezen voor een aanstaand faillissement. Wel zijn er al langer signalen van overproductie in de Europese papierindustrie met consolidaties tot gevolg. In het bijzonder de kleinere producenten die in deze wereldwijde markt opereren hebben het lastig. Signalen met betrekking tot met name overproductie in de papierindustrie leiden echter niet direct tot ingrijpen van de overheid.
Welke stappen heeft u na deze signalen genomen? Indien u geen stappen heeft ondernomen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen hebben u of uw voorganger genomen om een faillissement zoals bij Coldenhove te voorkomen, na het plenaire Kamerdebat op 20 maart 2024 over problemen in de papier- en kartonindustrie in Nederland als gevolg van de hoge energieprijzen?2
Voor de Nederlandse en regionale economie zijn deze maakindustrie bedrijven van wezenlijke betekenis. De hoogte van de energieprijzen speelt in vele sectoren. Hiervoor heeft het kabinet nadrukkelijk aandacht. Met het coalitieakkoord zijn daarom aanzienlijke middelen vrijgespeeld. Enerzijds wordt de indirecte kostencompensatie (IKC-ETS) verhoogd om de elektriciteitskosten van energie-intensieve industrie te verlagen, Daarnaast zijn middelen beschikbaar gesteld voor het verlagen van de elektriciteitsprijs van de (basis) industrie die veel elektriciteit verbruikt, voor het creëren van een meer gelijk speelveld. De middelen zijn gereserveerd tot en met 2035. Daarnaast behoort de papier- en kartonindustrie in Nederland tot de zogenoemd cluster 6 of regionale industrie. Voor de verduurzaming van cluster 6 industrie is een specifieke aanpak ontwikkeld, het zogenoemde Actieplan 2.0 voor cluster 6; het ministerie voert dit Actieplan 2.0 Cluster 6 op dit moment uit.
Bovendien is er een uitgebreid instrumentarium subsidieregelingen voor verduurzaming waar bedrijven gebruik van kunnen maken. Hieronder vallen ook energiebesparende maatregelen die helpen om de energiekosten van een bedrijf te verlagen.
Hoeveel bedrijven in de Nederlandse maakindustrie dreigen door de opnieuw stijgende energieprijzen binnen het komende jaar ook failliet te gaan?
Het is onmogelijk om exact te voorspellen welke bedrijven failliet gaan door hoge energieprijzen. Faillissementen ontstaan vrijwel altijd door een stapeling van factoren, waarbij energiekosten een van die factoren kan zijn.
Wat doet u om dit te voorkomen?
Het kabinet werkt aan een versterking van de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie. Zie daarvoor ook de inzet van dit kabinet zoals genoemd in antwoord op vraag 4. Daarnaast is het kabinet in regulier overleg met VNO-NCW en de verschillende brancheverenigingen over de gevolgen van de hoge energieprijzen voor het Nederlandse bedrijfsleven.
Bent u het ermee eens dat de Nederlandse maakindustrie, waaronder de papier- en kartonproductie, essentieel is voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is een gezonde en vitale industrie essentieel voor Nederland en van substantieel belang voor de (regionale) economie in Nederland. De industrie draagt voor een belangrijk deel bij aan het verdienvermogen van Nederland en daarmee aan onze welvaart nu en in de toekomst. Voor de toekomst van de Nederlandse industrie is het van belang in te blijven zetten op de groene transitie, maar ook op nieuw verdienvermogen, en meer strategische autonomie. Het kabinet kiest dan ook voor een balans in het Europese en Nederlandse klimaat- energie- en industriebeleid. Hierin gaan concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid hand in hand.
Welke stappen neemt u om de ontslagen medewerkers van Coldenhove zo snel mogelijk aan nieuw werk te helpen?
Wanneer de curator overgaat tot ontslag van de werknemers kunnen zij afhankelijk van hun werkverleden bij UWV of hun gemeente terecht voor ondersteuning richting nieuw werk. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de dienstverlening en de publiek-private samenwerking in en via het Werkcentrum.
Bent u het ermee eens dat een eventuele doorstart voor de medewerkers van Coldenhove een oplossing zou kunnen zijn? Zo ja, welke stappen neemt u om een eventuele doorstart van Coldenhove mogelijk te maken?
Hierin is de rijksoverheid geen partij. Dit behoort tot de technische mogelijkheden maar dit is aan de curator.
Gaat u in gesprek met de provincie Gelderland om eventuele obstakels voor een doorstart van de papier- en kartonindustrie in Eerbeek weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 9 gegeven, is een eventuele doorstart aan de curator.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
VPN |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Is de Staatssecretaris bekend met deze uitspraken van mevrouw Virkkunen1, Vice-President van de Europese Commissie, waarin ze stelt dat het niet zo kan zijn dat straks in de Europese Unie VPN’s gebruikt kunnen gaan worden voor het omzeilen van leeftijdsverificatie op het internet?
Ja.
Overigens noemt mevrouw Virkunnen in deze persconferentie VPN’s niet, noch stelt zij dat VPN’s verboden zouden moeten worden. Zij stelt alleen dat er gekeken wordt hoe omzeiling van online leeftijdsverificatie mechanismen zo veel mogelijk kan worden voorkomen, en benadrukt dat ook een niet waterdicht systeem beter is dan geen systeem.
Wat is het standpunt hieromtrent van de Nederlandse regering? Is het beperken of zelfs verbieden van VPN’s in de Europese Unie voor de Nederlandse regering bespreekbaar?
Het kabinet is geen voorstander van het beperken dan wel verbieden van VPN’s, om daarmee eventuele omzeiling van een leeftijdsgrens te voorkomen. VPN’s zijn een belangrijke technologie voor het beveiligen van communicatie via het internet. Er zijn tal van legitieme toepassingen voor die communicatie via het internet veiliger maken, zoals beveiliging van bedrijfsnetwerken of bij het gebruik van openbare WiFi-netwerken.
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTI’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTIQ+’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland» waaruit blijkt dat opnieuw meerdere Instagramaccounts van LHBTIQ+-organisaties, activisten en gemeenschappen, waaronder accounts uit Nederland, offline zijn gehaald of ontoegankelijk zijn gemaakt?1
Ja, daar zijn we bekend mee.
Bent u eens met de stelling dat het blokkeren van specifieke LHBTIQ+ accounts en content onrechtmatig, discriminerend en onacceptabel is? Bent u het ook eens met de stelling dat het optreden hiervan, meermaals en herhaald in vrij korte tijd, niet steeds door Meta afgedaan kan worden als een incident maar dat het onderdeel lijkt te zijn van hun beleid?
Het zonder motivering blokkeren van lhbtiq+-accounts lijkt in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA), zeker als dit herhaaldelijk gebeurt. Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. De DSA verplicht online platforms om, bij het toepassen van inhoudsmoderatie (zoals het schorsen of verwijderen van een account), op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Het is aan de bevoegde toezichthouder of rechter om daar uiteindelijk een oordeel over te vellen.
Deelt u de ernstige zorgen dat het blokkeren van LHBTIQ+ personen en LHBTIQ+ organisaties, zonder geldige reden, discriminerend is, de vrijheid van meningsuiting aantast en de acceptatie en het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+-gemeenschap onder druk zet? Zo ja, waarom en welke acties onderneemt u om deze ernstige zorgen te adresseren?
Die zorgen delen we. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de organisaties en personen die dit overkomt, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Het kabinet is van oordeel dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementale Plan van aanpak tegen online discriminatie.2 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid, en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ook is er aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen online in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.3 Een van de doelstellingen is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Is het bij u bekend in hoeverre andere minderheidsgroepen dan LHBTIQ+ ook te maken hebben met structurele discriminatie en aantasting van hun vrijheid van meningsuiting door sociale media platforms?
Voor zover eventuele aantasting van de vrijheid van meningsuiting door socialemediaplatforms zelf plaatsvindt, zijn hierover geen cijfers bij ons bekend. Het recente rapport «Discriminatiecijfers in 2025» laat zien dat veel mensen regelmatig online discriminerende uitingen tegenkomen of zelf ervaren.4 Daarbij gaat het ook om andere minderheidsgroepen dan lhbtiq+ personen. De European Observatory of Online Hate laat eveneens zien dat er sprake is van online haat op socialemediaplatforms.5 Tegelijk weten we dat slechts een klein deel van deze ervaringen uiteindelijk wordt gemeld bij de bevoegde instanties. Online discriminatie is complex en wordt niet eenduidig geregistreerd. De aanwezigheid van online haat en discriminatie op platforms kan negatieve effecten hebben op de mate waarin minderheidsgroepen gebruik (kunnen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
Kunt u toelichten in hoeverre het blokkeren van deze LHBTIQ+ accounts en content zonder duidelijke uitleg in lijn is met de verplichtingen uit de Digital Services Act, met name ten aanzien van transparantie, motivering en effectieve bezwaarprocedures en welke stappen het kabinet en de Europese Commissie zetten om hier actief op te handhaven?
Het blokkeren van accounts en content zonder duidelijke uitleg is in strijd met de verplichtingen uit de DSA. Op grond van de DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Zij zijn verplicht om, bij het toepassen van dergelijke beperkingen, op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Ook moeten zij een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij een dergelijk besluit nemen. In dat geval moeten zij ook de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Afnemers kunnen op grond van de DSA ook geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.6
Welke acties zijn sinds de vorige blokkades (in december 2025) ondernomen door het kabinet of bevoegde toezichthouders naar aanleiding van deze signalen?
De Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft de signalen aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. In aanvulling daarop is ook op ambtelijk niveau navraag gedaan bij Meta over de blokkades om meer informatie te krijgen. Daarnaast is het signaal met de Europese Commissie gedeeld. De Europese Commissie kan naar aanleiding van deze signalen besluiten om nader onderzoek in te stellen naar de naleving van de DSA door Meta en, indien nodig, handhavend optreden.
Is er tevens contact geweest met belangenorganisaties van LHBTIQ+ personen om te vragen welke signalen er nog meer zijn en waar behoefte aan is?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie staat in goed contact met strategische samenwerkingspartners die de belangen van de lhbtiq+-gemeenschap behartigen. De strategische partners zijn zelf niet getroffen door ongemotiveerde schorsingen of verwijderingen. Zij staan wel in contact met de getroffen organisaties. Met hen bespreken we wat de getroffen organisaties hebben ervaren en ook gaan we in gesprek met een aantal van de getroffen organisaties om te horen wat hun ervaringen zijn en waar behoefte aan is.
Welke mogelijkheden ziet u voor zich om bij sociale media platformen de transparantie over het blokkeren van accounts af te dwingen zodat voor gebruikers duidelijk is op welke gronden een blokkade is ingesteld en waar ze terecht kunnen met klachten of vragen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u om platforms ertoe te bewegen geblokkeerde accounts te herstellen en/of gedupeerden te ondersteunen bij het herstellen van hun account?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen sociale media platforms die LHBTIQ+ personen en organisaties discrimineren? En welke aanvullende maatregelen overweegt u om het digitaal targetten van LHBTIQ+ gemeenschappen via sociale media platforms tegen te gaan en de LHBITQ+ gemeenschap beter te beschermen?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. Platforms als Meta moeten bij het toepassen van hun inhoudsmoderatie rekening houden met grondrechten in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, waaronder het recht op non-discriminatie. In het algemeen moeten zij de toepasselijke Europese wetgeving, waaronder de DSA, naleven. Het is aan de bevoegde toezichthouder, in dit geval de Europese Commissie, om deze regelgeving te handhaven. De lopende onderzoeken en procedures naar Meta tonen aan dat de Commissie dit doet. Voor de aanvullende kabinetsinzet op het gebied van het tegengaan van online discriminatie en het bevorderen van gender- en lhbtiq+-gelijkheid verwijzen we u naar antwoorden 3 en 7.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
André Flach (SGP), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Enneüs Heerma (CDA), van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Ja
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
De keuze tussen bezwaar en beroep is niet aan het bestuursorgaan of de verzoeker, maar volgt dwingend uit de wet. Tegen een beslissing op bezwaar staat volgens de Algemene wet bestuursrecht alleen beroep bij de rechtbank open. Bij Woo/2023/066 was op 17 februari 2026 al een beslissing op bezwaar genomen in de door de verzoeker gestarte bezwaarprocedure. Er kan dan geen sprake zijn van een nieuwe bezwaarfase. Er is voor betrokkenen voor dit Woo-verzoek geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar geboden, omdat deze mogelijkheid juridisch niet meer bestaat, als al een bezwaarfase open heeft gestaan.
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
In het primaire besluit van 24 maart 2025 is besloten het verzoek af te wijzen.2 Op 17 februari 2026 is in de beslissing op bezwaar besloten de gevraagde informatie over de jaren 1989 tot en met 2022 openbaar te maken.3 Deze wijziging ingegeven door het bezwaar op het primaire besluit en de bezwaargronden die daarbij zijn aangevoerd. Voor een uitgebreide toelichting verwijs ik u naar de betreffende besluiten.
Dit betekent niet dat de gegevens meteen openbaar zullen worden gemaakt. Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Helaas is de verwijzing van de belanghebbenden bij het Woo-verzoek naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Naar aanleiding van deze fout zijn interne processen aangescherpt.
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bezwaar (d.w.z. heroverweging door het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen) en beroep (rechtmatigheidstoetsing door een onafhankelijk rechter) verschillen op wezenlijke punten van elkaar. Bezwaar is laagdrempeliger, minder formeel en minder kostbaar dan beroep. Als op een bezwaar is beslist, zoals hier, dan staat alleen de weg naar de rechter nog open door middel van beroep. Hiermee is gewaarborgd dat de overheid eerst de kans krijgt zelfstandig een besluit te heroverwegen, voordat de onafhankelijke rechter de uiteindelijke rechtmatigheid toetst wanneer partijen er samen echt niet uitkomen.
Het maken van bezwaar is doorgaans kosteloos, terwijl voor beroep griffierecht verschuldigd is. Daarnaast liggen de proceskosten bij beroep doorgaans hoger, omdat de procedure complexer is en partijen zich vaker laten bijstaan door een advocaat of andere (rechts)bijstandsverlener.
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: Een verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar.
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Ik snap dat er verwarring kan zijn ontstaan doordat helaas in de brief werd gesproken over het instellen van «bezwaar» waar dat «beroep» had moeten zijn. Met de herstelactie is zo veel als mogelijk ingezet om deze verwarring weg te nemen. Alle bezwaarmakers zijn per brief geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie is daarom ook de ruimte om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank geboden om daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en kosten maakt.
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die opvatting niet. De termijn van zeven dagen is geboden aan betrokkenen zodat zij kunnen afwegen of zij hun bezwaar wel of niet willen laten doorzenden aan de rechtbank. De termijn van zeven dagen was daarmee geen voorbereidingstermijn voor een gerechtelijke procedure. Met de termijn van zeven dagen wordt tegemoetgekomen aan de verplichting uit artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht om zo spoedig mogelijk voor doorzending te zorgen. Na het doorzenden aan de rechtbank zal de rechtbank een factuur voor het griffierecht toezenden en – na betaling van het griffierecht – het als beroep in behandeling nemen. Er is dan nog voldoende voorbereidingstijd.
Daarnaast verwijs ik ook naar de beantwoording van vraag 2. Zolang er procedures rond voorlopige voorzieningen lopen worden van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar gemaakt.
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (7) hierboven.
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5) en (6). Uw vraag veronderstelt een keuzemogelijkheid die er (juridisch/bestuursrechtelijk) niet is.
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
De belanghebbenden die geïnformeerd zijn met de door RVO verzonden brief, waarin zij onjuist verwezen werden naar bezwaar, zijn opnieuw geïnformeerd als zij in navolging van die brief bezwaar hebben ingediend. Hiermee voorkomen we dat een veel grotere groep nogmaals wordt geconfronteerd met een brief over het Woo-verzoek, terwijl zij in eerste instantie geen rechtsmiddel hebben ingesteld.
Op grond van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht was de RVO verplicht om zo spoedig mogelijk de ontvangen bezwaarschriften, die beroepschriften hadden moeten zijn, door te zenden naar de rechtbank (de doorzendplicht). Betrokkenen is de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen aan te geven geen prijs te stellen op deze doorzending, de wet vereist dit niet. Hiermee is er nu een laagdrempeliger manier gevonden om tegemoet te komen aan de wensen van de betrokkenen. Ik wijs er verder graag op dat indien betrokkene nadien alsnog geen prijs stelde op het instellen van beroep bij de bestuursrechter, deze procedure kon worden beëindigd door het niet betalen van de griffierechten.
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5), (6), (7), (9) en (10).
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (4).
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Een betrouwbare en menselijke overheid toont zich door open te zijn over wat goed ging en wat niet. Het openstaande rechtsmiddel is in de beslissing op bezwaar juist opgenomen, maar in de kennisgevende brief aan betrokkenen hierover niet. Dat had niet mogen gebeuren. We geven daarom inzicht in de stappen die zijn gezet, leggen uit wat is misgegaan, en schetsen de vervolgstappen. Zo bieden we perspectief én laten we zien dat transparantie meer is dan woorden.
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
In het bestuursrecht is het een algemeen uitgangspunt dat besluiten onmiddellijk uitvoerbaar zijn (artikel 6:16 Algemene wet bestuursrecht). Het idee hierachter is dat het openbaar bestuur niet telkens kan worden vertraagd door elk bezwaarschrift. Het uitgangspunt draagt bij aan doelmatigheid van bestuur en rechtszekerheid. De Woo kent wel een vorm van uitgestelde openbaarmaking. Artikel 4.4 lid 5 van de Woo bepaalt dat als een bestuursorgaan besluit informatie openbaar te maken waartegen een belanghebbende naar verwachting bedenkingen heeft, de feitelijke openbaarmaking van de informatie pas mag plaatsvinden twee weken nadat het besluit is bekendgemaakt.
Deze mogelijkheid tot «uitgestelde openbaarmaking» bestaat om belanghebbenden de tijd te geven om een voorlopige voorziening (vovo) aan te vragen bij de rechter. Wordt de vovo-aanvraag binnen die twee weken ingediend, dan dient de feitelijke openbaarmaking in de praktijk te worden opgeschort totdat de voorzieningenrechter over het verzoek heeft beslist of het verzoek is ingetrokken. Hiermee wordt voorkomen dat de informatie al openbaar is gemaakt voordat een rechter de betrokken belangen heeft kunnen afwegen.
De huidige wetgeving biedt geen ruimte voor automatische opschorting gedurende de héle bezwaartermijn (van zes weken). Een kerndoel van de Woo is om informatie zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor de samenleving. Automatische opschorting in het geval van bezwaar zou betekenen dat elke derde een publicatie gedurende de volledige bezwaarprocedure – die inclusief beslistermijn en mogelijke verlenging al snel meerdere maanden kan beslaan – zou kunnen vertragen door enkel een bezwaarschrift in te dienen. Door een gang naar de rechter te eisen via de voorlopige voorziening, voorziet de wet in een rechterlijke toets om alleen bij een werkelijk spoedeisend en gewichtig belang de openbaarmaking langer dan twee weken op te schorten.
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Een voorzieningenrechter kan bij spoedeisend en gewichtig belang besluiten de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. Op basis van de naar voren gebrachte belangen kan een voorzieningenrechter besluiten de gevraagde voorlopige voorziening – het opschorten van de openbaarmaking van de gegevens voor de duur van de hoofdzaak, zoals beroep – toe te wijzen. Hierbij is relevant dat openbaarmaking van gegevens onomkeerbaar is, gezien ook de publicatie op het internet.
Een voorzieningenrechter kan echter ook tot de conclusie komen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook onmiddellijk uitspraak doen in het beroep (artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht). Bijvoorbeeld omdat de opgevraagde informatie emissiegegevens zijn en op deze emissiegegevens op grond van artikel 5.1 lid 7 Woo geen uitzonderingsgronden mogen worden toegepast.4
Of een voorlopige voorziening wordt toegewezen hangt daarmee af van de omstandigheden van het geval. Een algemene uitspraak dat voorlopige voorzieningen in Woo-zaken vrijwel altijd worden toegekend of vrijwel altijd worden afgewezen, kan dan ook niet worden gedaan. Systematische cijfers over de uitkomsten van dit soort procedures zijn niet beschikbaar.5
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Dit jaar wordt de wetsevaluatie van de Woo uitgevoerd. Het streven is om de Woo beter toepasbaar te maken. Eén van de onderdelen die daarin wordt meegenomen is het automatisch opschorten van openbaarmaking als er bezwaar is ingediend (motie-Van der Plas Kamerstuk 32 802, nr. 114).
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het onderzoek naar sociale veiligheid wordt uitgevoerd via het WODC, het kennisinstituut voor de rechtsstaat. Het onderzoek richt zich op de achtergrond en de aard en omvang van door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie en het daaruit voortvloeiende gevoel van onveiligheid. De resultaten verwacht ik begin 2028.
Recente berichtgeving over Palantir |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66), Fatimazhra Belhirch (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van Follow the Money waarin wordt gesteld dat de Kamer niet volledig is geïnformeerd over een contract met Palantir?1
Ja.
Erkent u dat het antwoord dat in augustus 2025 is gegeven door de Minister van Justitie en Veiligheid op de vraag of er buiten de bekende voorbeelden binnen Justitie en Veiligheid gebruik is of wordt gemaakt van software van Palantir onjuist of op zijn minst onvolledig was? En erkent u dat de Kamer onjuist en/of onvolledig is geïnformeerd?
De Kamervragen zijn destijds gesteld aan en beantwoord door de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), op basis van de toen geldende portefeuilleverdeling binnen het kabinet. Daarnaast werden er Kamervragen over het mogelijke gebruik van Palantir gesteld aan meerdere bewindspersonen van andere departementen (Defensie, VWS, IenW, FIN, BZK). Grenstoezicht door de KMar, waarvoor Palantir-software in het verleden is ingezet, viel onder verantwoordelijkheid van de Minister van AenM. Daarom is deze toepassing van Palantir niet meegenomen ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025.
Inmiddels is het Ministerie van Asiel en Migratie opgegaan in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daardoor is in navolging van een Woo-verzoek van JenV recent een contract verstrekt. Het Programma Vernieuwing Grensmanagement, onderdeel van de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI), had contracten afgesloten voor het gebruik van Palantir voor het API systeem dat gebruikt werd door de KMar voor het grenstoezicht. IDMI was onderdeel van het Directoraat Generaal Vreemdelingenzaken (DGVZ), thans DGM. Zoals hierboven uitgelegd, viel dit betreffende beleidsonderdeel ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025 niet onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van JenV.
De stukken die hierover inmiddels naar aanleiding van het Woo-besluit van JenV zijn gedeeld en de inzet van Palantir-softwarelicenties, zullen nader worden betrokken bij de afhandeling van het Woo-verzoek dat aan de Minister van Asiel en Migratie is gestuurd.
Kunt u precies uiteenzetten wanneer het contract tussen de Koninklijke Marechaussee (KMar) en Palantir is afgesloten, welke onderdelen van Defensie hierbij betrokken zijn en waarom de Kamer hier niet (volledig) vooraf over is geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u kennisgenomen van het 22-punten manifesto van Palantir dat zij op hun sociale media hebben gezet?2 Hoe beoordeelt u dat manifesto? Deelt u de mening dat dit manifesto direct ingaat tegen de normen en waarden van de Nederlandse overheid en dat er mede op basis daarvan geen samenwerking kan plaatsvinden tussen Palantir en de Nederlandse overheid?
Ja, daarvan is kennisgenomen.
Het kabinet stelt de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtsstaat voorop en zet zich daarvoor in, ook bij de inzet van technologie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
In relatie tot de huidige toepassing van Palantir bij de politie en Defensie hecht ik er, met de Staatssecretaris van Defensie, aan te benadrukken dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. Tegelijkertijd worden mogelijke alternatieven verkend om de toekomstbestendigheid en flexibiliteit te vergroten, zoals ook aan uw Kamer toegelicht door de Staatssecretaris van Defensie tijdens uw Vragenuur van 2 juni jl.
Voor een reactie op de vraag of de Nederlandse overheid zaken kan blijven doen met het bedrijf in kwestie wordt u verwezen naar de Kamerbrief3 van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025. Hierin is ingegaan op de uitvoering van de aangenomen motie4 van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van de Nederlandse overheid van Palantir.
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle samenwerkingen die er hebben plaatsgevonden of plaatsvinden tussen de Nederlandse overheid en Palantir sinds de oprichting in 2003? Mochten er nog lopende samenwerkingen zijn, liggen er exitstrategieën om als Defensie zo snel mogelijk te stoppen met het gebruik van de betreffende software?
Er is geen Rijksbrede overeenkomst met Palantir. Een overzicht van alle lopende, aanstaande en verlopen contracten is niet voorhanden. Aanbestede diensten zijn zelf verantwoordelijk voor de aanbestedingsprocedures en het contracteren van leveranciers, er is geen centraal overzicht dat door mijn ministerie kan worden aangeboden.
Wat betreft uw vraag inzake eventuele exitstrategieën van Defensie het volgende. Binnen de Nederlandse krijgsmacht wordt bij een aantal (operationele) defensieonderdelen gebruik gemaakt van de Palantir-software. Dit gebeurt onder strikte maatregelen en in volledige afgesloten omgevingen. Ook wordt in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners onderzocht in hoeverre deze technologie hieraan kan bijdragen. Het afbouwen van afhankelijkheden is een middel om operationele continuïteit te kunnen waarborgen, maar dat kan bijvoorbeeld ook door in de samenwerking met (niet-Europese) technologiebedrijven verschillende contractuele, organisatorische en technische maatregelen te treffen. Tegelijkertijd onderzoekt Defensie de mogelijkheden om, al dan niet samen met bondgenoten, Europese alternatieven te (helpen) ontwikkelen.
Het bericht 'Belgische winkels krijgen geen verplichte rustdag meer en mogen langer open' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Belgische winkels krijgen geen verplichte rustdag meer en mogen langer open»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe reflecteert u op het bericht dat onze Zuiderburen de stap willen nemen om ondernemers zelf te laten bepalen wanneer zij open willen?
Gezien de lopende evaluatie van de Nederlandse Winkeltijdenwet houd ik ook de ontwikkelingen in het buitenland in de gaten. Met dit besluit wil België meer aansluiten bij winkeltijden die veelal doordeweeks en op zaterdagavond in Nederland worden gehanteerd. Voor wat betreft de zondag geldt dat veel Belgische ondernemers in verband met arbeidswetgeving niet na 12.00 uur open mogen zijn. Alleen in bepaalde toeristische centra kunnen Belgische ondernemers langer open zijn als daarvoor specifieke regelingen zijn getroffen. In Nederland is het in veel gemeenten wel mogelijk om langer op zondag open te zijn op grond van gemeentelijke verordeningen.
Bent u het, net als de Belgische Minister Simonet, ermee eens dat ondernemers zelf capabel genoeg zijn om te bepalen wanneer zij wel of niet open gaan? Zo nee, waarom niet?
In Nederland mogen winkels in principe op werkdagen en zaterdagen open zijn. Ondernemers mogen binnen de wettelijk vastgestelde openingstijden zelf bepalen of zij wel of niet opengaan. Voor wat betreft zon- en feestdagen geldt dat gemeenten zelf mogen beslissen of en wanneer winkels die dag open mogen zijn. Veel gemeenten hebben de zondag volledig vrijgegeven, een aantal gemeenten stellen hieraan beperkingen of bieden winkels geen mogelijkheid om open te gaan. In de evaluatie van de Winkeltijdenwet, die loopt tot en met medio juni, wordt onderzocht of de huidige regels nog passen bij het gedrag van consumenten, de positie van winkeliers, werknemers en de rol van gemeenten. Per brief wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek en over het standpunt van het kabinet.
Wat zijn de gevolgen van het Belgische besluit voor de Nederlandse ondernemers in de grensregio die hun winkel op zondag gesloten of deels gesloten moeten houden?
Vooralsnog zie ik beperkte gevolgen voor Nederlandse ondernemers in de grensregio, omdat veel Belgische ondernemers op zondag niet na 12:00 uur ’s middags open zijn in verband met arbeidswetgeving. In bepaalde toeristische centra kunnen Belgische ondernemers langer open zijn als daarvoor specifieke regelingen zijn getroffen. In Nederland bestaat weliswaar een landelijk verbod op zondagsopening, maar op gemeentelijk niveau is het mogelijk om daarvan af te wijken. Veel gemeenten doen dat ook, waardoor veel Nederlandse ondernemers in de grensregio langer open mogen zijn waar Belgische dat niet mogen.
Wat is de voortgang van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en wanneer in het voorjaar van 2026 wordt deze, conform de aangenomen motie-Kisteman (Kamerstuk 26 419, nr. 113), met de Kamer gedeeld?
Onderzoeksbureau Sweco voert in samenwerking met Ipsos de evaluatie naar de Winkeltijdenwet uit. Er zijn inmiddels veel lokale verordeningen in relatie tot de Winkeltijdenwet onderzocht, enquêtes uitgezet, en interviews afgenomen met belanghebbenden. Zoals hierboven toegelicht worden de resultaten eind juni opgeleverd. Zodra ik het definitieve rapport heb ontvangen zal ik deze, samen met mijn bevindingen, in september met uw Kamer delen.
Wordt er tegelijk met het delen van de evaluatie van de Winkeltijdenwet een wetsvoorstel aan de Kamer voorgelegd indien de evaluatie daar voldoende aanknopingspunten toe biedt, zoals in dezelfde aangenomen motie-Kisteman om is verzocht? Zo nee, waarom niet?
Uw Kamer wordt in september geïnformeerd over de bevindingen van het kabinet, en indien daar aanleiding toe is, voorzien van een wetsvoorstel.
Het verlengen van het DigiD-contract |
|
Chris Stoffer (SGP), Henk Vermeer (BBB), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Klopt het dat op 27 maart 2026 besloten is om het DigiD-contract met Solvinity nogmaals voor twee jaar te verlengen?
Op dit moment heeft Logius een contract met Solvinity dat uiterlijk in augustus 2028 afloopt. Binnen het huidige contract kan er gebruik worden gemaakt van een tweede en laatste verlengingsoptie voor de periode van 7 augustus 2026 tot (uiterlijk) 6 augustus 2028. Het gaat hierbij om het contract met Solvinity voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden aan het platform waar onder andere DigiD op draait. Het is niet mogelijk om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen in gevaar komen. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 ingestemd met een contractverlenging voor de periode van 7 augustus 2026 tot 6 augustus 2028.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuze? Is het niet verlengen van het contract serieus overwogen?
De afgelopen maanden zijn er door Logius en BZK verschillende mogelijkheden verkend, zoals het versneld overstappen naar een andere leverancier of het zelf in beheer nemen van het platform waar voorzieningen als DigiD op draaien
Het beheer van het platform vraagt om een ervaren beheerorganisatie om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening blijvend te kunnen borgen. Op dit moment is het niet mogelijk om het platform in eigen beheer te nemen vanwege het feit dat Logius niet beschikt over voldoende kennis en capaciteit.
Het beheer van het platform versneld onderbrengen bij een andere beheerorganisatie kan ook leiden tot risico’s. De voornaamste reden hiervoor is dat een nieuwe beheerorganisatie kennis en ervaring moet opbouwen met het platform dat door Logius wordt gebruikt. Onder normale omstandigheden wordt hier een periode van 6 tot 12 maanden voor gehanteerd.
Deze overdracht kan plaatsvinden nadat een aanbestedingstraject is doorlopen en een nieuwe contractant is geselecteerd. Dat maakt het niet mogelijk om de overdracht naar een andere leverancier voor augustus 2026 af te ronden. Het vormgeven van een nieuwe aanbesteding en de overdracht naar een nieuwe leverancier is een langdurig traject dat zorgvuldig moet worden doorlopen, juist om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening te borgen.
Welke andere opties heeft u overwogen, behalve het contract met twee jaar verlengen? Waarom zijn deze opties afgevallen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft u om vóór het definitieve beslismoment begin mei alsnog af te zien van de contractverlenging van twee jaar? Kunt u een beroep doen op een voorwaarde in het contract of een wettelijke bevoegdheid om dit vervroegd te doen?
De Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-opdrachten (ARBIT) zijn op deze overeenkomst van toepassing en bieden middels artikel 30 (onder voorwaarden) mogelijkheden tot het tussentijds ontbinden of opzeggen van de overeenkomst.
Voor het definitieve beslismoment van 6 mei 2026 heb ik geen mogelijkheden om af te zien van de contractverlenging. Zoals in de beantwoording op vraag 2 beschreven, zijn er op dit moment geen mogelijkheden om per augustus 2026 over te stappen naar een andere partij die in voldoende mate continuïteit en veiligheid kan borgen.
Zo niet, heeft u de mogelijkheid om het contract slechts onder voorbehoud te verlengen zolang Solvinity niet door een Amerikaans bedrijf wordt overgenomen? Bent u bereid om zo’n voorbehoud te maken?
Zie antwoord op vraag 2 en 4.
Heeft u de aangenomen motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1467) en de twee moties-Kathmann c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1190) (Kamerstuk 26 643, nr. 1507) meegewogen in dit besluit? Zo ja, hoe?
Deze zijn meegenomen in het besluit. Het kabinet wacht het oordeel van de onafhankelijke toezichthouder in het kader van het driesporenbeleid zoals vermeld in de Kamerbrief van 10 februari 20261 en de kabinetsreactie van 21 april 20262 af, om vervolgens een besluit te kunnen nemen.
Om vanaf (uiterlijk) augustus 2028 over te stappen naar een contractant waarbij het zeggenschap in Nederlandse/Europese handen ligt3, 4, wor dt er door Logius samen met de Landsadvocaat gekeken naar onder welke voorwaarden de aanbesteding kan worden uitgezet in de markt. In juni 2026 zullen wij uw Kamer hierover informeren.
Kunt u concreet uitleggen hoe de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening in gevaar komt als het contract niet was verlengd? Op basis van welke onderzoeken concludeert u dat?
Logius heeft een leverancier nodig voor het leveren van diensten die benodigd zijn om het platform waarop voorzieningen zoals DigiD staan, te laten draaien. Logius moet daarom een contract afsluiten met een leverancier. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 2.
Is het mogelijk om de DigiD-diensten, die nu in beheer zijn bij Solvinity, binnen drie maanden over te schakelen naar een ander bedrijf? Is deze optie serieus onderzocht?
Zie beantwoording vraag 2.
Hoe kunt u het DigiD-contract met Solvinity in zo kort mogelijke tijd ontbinden, nog vóór 2028, als de Amerikaanse overname doorgang vindt? Kunt u de Kamer uiterlijk in juni 2026 informeren over de opties die u hiertoe heeft en wat hiervan de kosten zijn?
Zie antwoord op vraag 4 en 6. Ik zal uw Kamer in juni 2026 nader informeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het definitieve verlengen van het contract in begin mei beantwoorden?
Ja.
De raamovereenkomst met een Europees cloudbedrijf |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Kunt u meer toelichten over de raamovereenkomst die is gesloten met het Europese cloudplatform STACKIT?1
Strategisch Leveranciersmanagement (SLM) Rijk heeft de opdracht om, binnen de kaders van wet- en regelgeving en vigerend beleid, het afnemen van (cloud)diensten te faciliteren voor rijksorganisaties. Hiervoor sluit SLM Rijk de zogenaamde «Framework Agreements» (hierna: raamovereenkomst) af met cloud leveranciers waarin waarborgen zijn opgenomen voor het op verantwoorde wijze gebruiken van (cloud-)diensten.
De keuze voor aankoop en gebruik van een (cloud)dienst onder een door SLM Rijk gecontracteerde raamovereenkomst ligt bij de rijksorganisatie zelf. De raamovereenkomst bevat geen verplichtingen voor daadwerkelijke afname van diensten. De rijksorganisatie dient af te wegen of de aan te schaffen dienst past op haar specifieke vraag en situatie, waaronder de (gevoeligheid van) data die de organisatie wenst te laten verwerken.2
Rijksorganisaties die clouddiensten willen inkopen, kunnen gebruik maken van de door het Rijk afgesloten raamovereenkomst met STACKIT. Bij hun inkooporganisatie kunnen zij informeren hoe de verwerving van clouddiensten georganiseerd dient te worden.
Kunt u de raamovereenkomst aan de Kamer doen toekomen?
Nee. De raamovereenkomst met STACKIT bevat grotendeels bedrijfsvertrouwelijke informatie. Het delen van deze informatie zou nadelige consequenties voor de Staat hebben, omdat leveranciers (met de wetenschap dat bedrijfsvertrouwelijke contracten gedeeld zouden kunnen worden) niet meer genegen zouden zijn (maat-)werkafspraken met de Staat te maken. Er is ook een geldige Non-Disclosure Agreement (NDA) van kracht met de leverancier.
In vraag 4 en 5 wordt antwoord gegeven op een aantal specifieke inhoudelijke vragen.
Hoe ziet u de rol van de Rijksoverheid als lancerende klant van autonome Europese IT-diensten? Hoe draagt de raamovereenkomst met STACKIT bij aan dit doel?
Het kabinet kijkt naar de mogelijkheden om als launching customer op te treden bij de inkoop van clouddienstverlening en bij aanbesteding van dergelijke diensten de mogelijkheden van een Europees voorkeursprincipe te benutten met behoud van de voordelen van een open markt.
Zoals gesteld in beantwoording op vraag 1 kunnen rijksorganisaties met het sluiten van de raamovereenkomst onder veilige en gunstige voorwaarden clouddienstverlening afnemen bij leveranciers. Dit kan een drempelverlagend effect hebben op de inkoop van dienstverlening bij deze leveranciers. Met de inkoop van dienstverlening bij Europese leveranciers, zoals STACKIT, kan de overheid als lancerende klant bijdragen aan de concurrentiepositie van Europese cloudleveranciers. Ook kan dit bijdragen aan een meer divers leveranciersbestand, waarmee afhankelijkheden van niet-Europese aanbieders bij rijksorganisaties worden afgebouwd. Dit draagt bij aan de digitale autonomie van Nederland.
Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat het sluiten van de raamovereenkomst niet inhoudt dat de dienstverlening van STACKIT al daadwerkelijk door onderdelen van de Rijksoverheid is ingekocht.
Met welk doel is de raamovereenkomst gesloten? Zijn er ook afspraken gemaakt over de afname van deze diensten?
Het doel van de raamovereenkomst is om door SLM Rijk onderzochte Europese cloud-alternatieven op verantwoorde wijze beschikbaar te stellen voor rijksorganisaties.
SLM Rijk heeft geen afspraken gemaakt over de afname van diensten; die beslissing ligt bij de rijksorganisaties zelf. Zie ook de beantwoording op vraag 1.
Welke «veilige en gunstige voorwaarden» heeft u afgesproken met STACKIT? Op welke manier dragen deze voorwaarden bij aan de digitale autonomie van Nederland?
Doeltreffende maatregelen m.b.t. de bescherming van persoonsgegevens zijn getroffen naar aanleiding van de door SLM uitgevoerde Data Protection Impact Assessment (DPIA). Conform de uitgevoerde DPIA is in de raamovereenkomst vastgelegd dat alle data exclusief worden verwerkt binnen de EER, inclusief persoonsgegevens. Ook zijn er afspraken gemaakt over (voortijdige) contractbeëindiging bij wijzigingen in eigenaarschap, bijvoorbeeld als STACKIT wordt overgenomen door een buiten de EER gelegen eigenaar.
Zoals gesteld in beantwoording op vraag 1 kunnen rijksorganisaties met het sluiten van de raamovereenkomst onder veilige en gunstige voorwaarden clouddienstverlening afnemen bij leveranciers. Dit kan een drempelverlagend effect hebben op de inkoop van dienstverlening bij deze leveranciers. Met de inkoop van dienstverlening bij Europese leveranciers, zoals STACKIT, kan de overheid als lancerende klant bijdragen aan de concurrentiepositie van Europese cloudleveranciers. Ook kan dit bijdragen aan een meer divers leveranciersbestand, waarmee afhankelijkheden van niet-Europese aanbieders bij rijksorganisaties worden afgebouwd. Dit draagt bij aan de digitale autonomie van Nederland.
Hoe draagt het sluiten van een raamovereenkomst met één leverancier bij aan een eerlijk en open speelveld voor Nederlandse en Europese techbedrijven?
Zoals onder vraag 5 toegelicht kan het sluiten van de raamovereenkomst een drempelverlagend effect hebben op de inkoop van dienstverlening bij deze Europese leverancier. Daarnaast sluit het afsluiten van een raamovereenkomst met één partij de mogelijkheid tot het sluiten van gelijksoortige raamovereenkomsten met andere partijen geenszins uit.
Tegelijkertijd is meedingen in individuele aanbestedingstrajecten voor clouddienstverlening van de Rijksoverheid niet exclusief voorbehouden aan partijen die een raamovereenkomst met SLM Rijk hebben afgesloten. Dit betekent dat aanbieders zonder raamovereenkomst met SLM Rijk evengoed kunnen meedingen in aanbestedingen voor clouddienstverlening.
Het is tevens relevant te benadrukken dat SLM Rijk de intentie heeft met meer Europese cloudaanbieders een raamovereenkomst te sluiten. Zo is er reeds een onderzoek bezig naar OVHcloud en ESET, een Europese leverancier voor securitydiensten. Ook is SLM Rijk in gesprek met Nederlandse cloudbedrijven om de mogelijkheden voor het sluiten van een raamovereenkomst te verkennen.
Hoe borgt u in het sluiten van een raamovereenkomst de diversificatie en keuzevrijheid tussen leveranciers, zoals wel beoogd wordt door een privaat initiatief zoals de Open Cloud Alliantie?2
Er geldt geen afnameverplichting voor het gebruik van STACKIT door rijksorganisaties.
Dit betekent dat net als STACKIT iedere andere cloudaanbieder inclusief leden van bijvoorbeeld de Open Cloud Alliantie, kan meedingen in aanbestedingen.
Welke diensten levert STACKIT? Kunt u concreet maken voor welke belangrijke IT-processen u van plan bent de clouddiensten van STACKIT af te nemen?
STACKIT levert clouddiensten, bijvoorbeeld rekenkracht en opslag. Onder de reikwijdte van de raamovereenkomst zijn deze diensten meegenomen.
Zoals toegelicht in de beantwoording van vragen 1 en 4 zijn afspraken over de afname van diensten geen onderdeel van de raamovereenkomst.
Erkent u dat opslag binnen de Europese Economische Ruimte (EER) geen afdoende bescherming is tegen inzageverzoeken van niet-Europese overheden, als de bedrijven die de opslag beheren onder niet-Europese wetgeving vallen?
Ja, dat erken ik. Omdat dit risico niet van toepassing is op de diensten in scope van de raamovereemkomst met STACKIT, verwijs ik voor een gedetailleerde juridische analyse naar andere door SLM gepubliceerde DPIA’s.4 Zo wordt hierop in de recent gepubliceerde tweede update DPIA op M365 Copilot gedetailleerd ingegaan, specifiek in paragraaf 8.3.4.
Op dit moment zijn er geen afhankelijkheden van niet-Europese bedrijven geconstateerd voor de diensten van STACKIT die zijn opgenomen in de scope van de raamovereenkomst. Zie ook de beantwoording op vraag 11.
Is uitgesloten dat de clouddiensten van STACKIT op welke manier dan ook afhankelijk zijn van niet-Europese techbedrijven in het beheer, onderhoud, de beveiliging, of andere essentiële processen?
Dit is contractueel uitgesloten. Mocht er worden geconstateerd dat de feitelijke situatie in een later stadium zou afwijken van de contractuele waarborgen, dan kan het contract direct worden opgezegd.
Indien dit niet uit te sluiten is, kunt u dan toelichten welke afhankelijkheden STACKIT heeft van niet-Europese bedrijven? Zijn deze afhankelijkheden weg te nemen?
Op dit moment zijn er geen afhankelijkheden van niet-Europese bedrijven geconstateerd voor de diensten van STACKIT die zijn opgenomen in de scope van de raamovereenkomst.
Welke analyses heeft u gemaakt om te bevestigen dat STACKIT daadwerkelijk volledig Europees en autonoom is? Kunt u deze met de Kamer delen?
SLM Rijk heeft de DPIA op STACKIT door een extern bureau laten uitvoeren waarin de potentiële gegevensuitwisselingen met STACKIT zijn onderzocht. Conform de uitgevoerde DPIA is in de raamovereenkomst vastgelegd dat alle gegevens exclusief worden verwerkt binnen de EER, inclusief persoonsgegevens. Ook zijn er afspraken gemaakt over (voortijdige) contractbeëindiging bij wijzigingen in eigenaarschap, bijvoorbeeld als STACKIT wordt overgenomen door een buiten de EER gelegen eigenaar. Zie ook de beantwoording op vraag 5.
Hoe gaat de Rijksoverheid toezien of STACKIT zich aan de afspraken houdt? Welke toezichthouder is hiertoe aan zet?
SLM Rijk zal dat doen door middel van uitoefening van het bedongen auditrecht, dit is onderdeel van regulier contractbeheer. De toezichthouder is in casu dus niet aan zet.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: minister Van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Follow The Money-artikel «Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: Minister van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer»?1
Ja.
Was uw eerdere antwoord op Kamervragen in juli 2025 over gebruik van Palantir binnen de Nederlandse overheid correct en compleet?2 Zo nee, wat heeft u dan verzaakt te melden?
De Kamervragen zijn destijds gesteld aan en beantwoord door de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), op basis van de toen geldende portefeuilleverdeling binnen het kabinet. Daarnaast werden er Kamervragen over het mogelijke gebruik van Palantir gesteld aan meerdere bewindspersonen van andere departementen (Defensie, VWS, IenW, FIN, BZK). Grenstoezicht door de KMar, waarvoor Palantir-software in het verleden is ingezet, viel onder verantwoordelijkheid van de Minister van AenM. Daarom is deze toepassing van Palantir niet meegenomen ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025.
Inmiddels is het Ministerie van Asiel en Migratie opgegaan in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daardoor is in navolging van een Woo-verzoek van JenV recent een contract verstrekt. Het Programma Vernieuwing Grensmanagement, onderdeel van de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI), had contracten afgesloten voor het gebruik van Palantir voor het API-systeem dat gebruikt werd door de KMar voor het grenstoezicht. IDMI was onderdeel van het Directoraat Generaal Vreemdelingenzaken (DGVZ), thans DGM. Zoals hierboven uitgelegd, viel dit betreffende beleidsonderdeel ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025 niet onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van JenV.
De stukken die hierover inmiddels naar aanleiding van het Woo-besluit van JenV zijn gedeeld en de inzet van Palantir-softwarelicenties, zullen nader worden betrokken bij de afhandeling van het Woo-verzoek dat aan de Minister van Asiel en Migratie is gestuurd.
Was u op de hoogte van het contract tussen Palantir en de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI) in 2014?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, waarom heeft u dat contract niet genoemd in uw eerdere antwoord? Zo nee, waarom bent u niet voldoende op de hoogte over Amerikaanse tech-afhankelijkheden binnen uw eigen ministerie?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een kloppend overzicht geven van alle lopende, aanstaand of verlopen contracten tussen de Nederlandse overheid, inclusief sub-overheden en Zelfstandig Uitvoeringsorganen (ZBO’s), en het Amerikaanse Palantir?
Er is geen Rijksbrede overeenkomst met Palantir. Een overzicht van alle lopende, aanstaande en verlopen contracten is niet voorhanden. Aanbestedende diensten zijn zelf verantwoordelijk voor de aanbestedingsprocedures en het contracteren van leveranciers, er is geen centraal overzicht dat door mijn ministerie kan worden aangeboden.
Bent u van mening dat ongepaste of onethische uitspraken van het bestuur van een bedrijf een reden moet zijn dat de Nederlandse overheid geen zaken meer moet doen met het bedrijf in kwestie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet stelt de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtsstaat voorop en zet zich daarvoor in, ook bij de inzet van technologie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
In relatie tot de huidige toepassing van Palantir bij de politie en Defensie hecht ik er, met de Staatssecretaris van Defensie, aan te benadrukken dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. Tegelijkertijd worden mogelijke alternatieven verkend om de toekomstbestendigheid en flexibiliteit te vergroten, zoals ook aan uw Kamer toegelicht door de Staatssecretaris van Defensie tijdens het Vragenuur van 2 juni jl.
Voor een reactie op de vraag of de Nederlandse overheid zaken kan blijven doen met het bedrijf in kwestie wordt u verwezen naar de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025.3 Hierin is ingegaan op de uitvoering van de aangenomen motie4 (motie 5) van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van de Nederlandse overheid van Palantir.
Bent u voornemens alle lopende en aanstaande contracten tussen de Nederlandse overheid en Palantir in belang van nationale veiligheid te annuleren, dan wel niet te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen apart van elkaar en voor 12 mei 2026 beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht AI-model Mythos geprezen en gevreesd lijkt in handen gevallen van onbevoegden |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het NRC over het AI-model Mythos dat mogelijk in handen is gevallen van onbevoegden?1
Ja.
Deelt u de analyse dat ongecontroleerde verspreiding van geavanceerde AI-modellen risico’s kan vergroten op cyberaanvallen, geautomatiseerde fraude en andere schadelijke toepassingen? Zo ja, welke risico’s acht u het meest urgent? Zo nee, waarom niet?
Het is goed om te benadrukken dat de risico’s niet voortkomen uit één specifiek geavanceerd AI-model. Geavanceerde capaciteiten zijn niet enkel meer voorbehouden aan gesloten, zogeheten «frontier-only» modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen steeds dichterbij dergelijke geavanceerde capaciteiten. Zo laat gelekte broncode van Anthropic’s Claude Code product zien dat de capaciteiten van een AI-model niet enkel of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist uit de technische infrastructuur (het «harnas») om het AI-model heen.
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel afhankelijk. Eén van de risico’s die het kabinet ziet, is dat geavanceerde AI-modellen onder andere kunnen worden ingezet om technische kwetsbaarheden in software op te sporen. Dit kan dankzij dergelijke AI-modellen in veel kortere tijd en op grotere schaal worden gedaan dan eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking van een kwetsbaarheid en het moment dat deze wordt uitgebuit significant worden verkort.
Ook zijn geavanceerde AI-modellen tot dusver afkomstig van commerciële bedrijven en veelal afkomstig uit niet-Europese landen waar andere wet- en regelgeving geldt dan in de EU. Dat kan ertoe leiden dat (a) er weinig tot geen inzicht bestaat in de onderliggende systemen en software van dergelijke systemen en (b) die systemen niet voldoen aan Europese wet- en regelgeving. Het (verder) integreren van AI-modellen in Nederlandse digitale (kern)processen, waarbij de AI-modellen op infrastructuur van niet-Europese aanbieders draait, kan leiden tot toenemende afhankelijkheid.
Ook draaien veel geavanceerde AI-modellen op niet-Europese cloudinfrastructuur. Integratie in Nederlandse digitale processen vergroot daarmee de afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders, met bijbehorende risico’s op gebied van datasoevereiniteit, continuïteit, vertrouwelijkheid en strategische afhankelijkheid. Aanbieders kunnen toegang tot specifieke modellen beperken, updates kunnen de uitkomsten veranderen zonder dat de afnemer dat in de hand heeft, en de rekenkracht voor geavanceerde AI is geconcentreerd bij een klein aantal niet-Europese partijen.
Welke rol spelen geavanceerde AI-modellen op dit moment in het dreigingsbeeld? Welke gevolgen heeft de uitrol van Mythos, binnen afzienbare tijd ook aan het grotere publiek, voor dit dreigingsbeeld?
Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een rol in het huidige dreigingsbeeld. Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om systemen aan te vallen. Zo kan AI worden ingezet om kwetsbaarheden op te sporen, code te ontwikkelen, phishing te personaliseren of grote hoeveelheden data te verwerken. Dit kan ervoor zorgen dat actoren sneller en op grotere schaal cyberaanvallen kunnen uitvoeren. Anderzijds kunnen AI-modellen worden ingezet ter verdediging. Zo kan AI worden ingezet voor detectie van afwijkend netwerkverkeer, het geautomatiseerd controleren van systemen of het reageren op incidenten. Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen sneller en op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd. De mogelijke risico's zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 gelden voor de bredere trend waarbinnen dergelijke geavanceerde AI-systemen breder beschikbaar worden, waaronder de uitrol van Mythos.
Bent u van mening dat overheden toegang moeten krijgen tot Mythos zodat zij het kunnen gebruiken om preventief kwetsbaarheden op te sporen en te dichten? Kan dit op een veilige en verantwoorde manier?
Het kabinet bepleit terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie. Drie overwegingen liggen hieraan ten grondslag.
In de eerste plaats laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen in veel gevallen niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden. Het verschil tussen frontiermodellen en minder geavanceerde modellen is mogelijk minder groot dan de berichtgeving rond grote modelaankondigingen suggereert. In de tweede plaats zijn er nu aanbieders, van modellen zoals Mythos, die de toegang en voorwaarden bepalen. Toegang via dergelijke constructies kan daarmee ook de afhankelijkheid van die (niet-Europese) partijen vergroten. In de derde plaats kan preventieve kwetsbaarheidsdetectie via AI veilig en verantwoord worden ingericht, mits losgekoppeld van één specifieke leverancier. Het is afhankelijk van de specifieke omstandigheden, voorwaarden en afhankelijkheden en telkens een brede weging in welke mate toegang noodzakelijk is.
Hoe bereidt u overheidsorganisaties voor op de cyberveiligheidsrisico’s die gepaard gaan met de uitrol van Mythos? Kunt u uiteenzetten welke acties u neemt om de veiligheid van persoonsgegevens van burgers en de ICT-processen van de overheid te garanderen?
Het beschermen van persoonsgegevens van burgers en het waarborgen van de veiligheid van systemen van de overheid vraagt voortdurende aandacht. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 komen de risico’s die van invloed zijn op het waarborgen hiervan niet voort uit één specifiek geavanceerd AI-model zoals Mythos. Om die reden is het noodzakelijk dat overheidsorganisaties rekening houden met bredere ontwikkelingen die mogelijke risico’s zijn voor de bescherming van persoonsgegevens of de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen.
Voor de bescherming van persoonsgegevens geldt dat dit wordt geregeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De AVG kent onder meer de verplichting tot het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging bij de verwerkingen van persoonsgegevens. Daarbij geldt dat een beoordeling van het passende beveiligingsniveau moet worden uitgevoerd waarbij rekening wordt gehouden met de risico’s met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Voorafgaand aan een voorgenomen verwerking van persoonsgegevens, die waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van betrokkenen, moet voorts een data protection impact assessment (DPIA) uitgevoerd worden om de risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen in kaart te brengen. Daarbij moet onder meer worden beoordeeld welke maatregelen getroffen worden om de risico’s aan te pakken, waaronder veiligheidsmaatregelen en een mechanisme om de bescherming van persoonsgegevens te garanderen. Ook volgt uit de AVG de verplichting om voor het verrichten van verwerkingen van persoonsgegevens uitsluitend gebruik te maken van andere partijen die namens de overheid persoonsgegevens verwerken als verwerkers, indien zij voldoende garanties bieden met betrekking tot het toepassen van passende technische en organisatorische maatregelen, zodat aan de (andere) verplichtingen op grond van de AVG wordt voldaan. Op de naleving van verplichtingen uit de AVG houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht.
Vanuit de AI-verordening gelden bovendien regels voor de ontwikkeling en het gebruik van AI-systemen, ook aan de cyberveiligheid van hoog-risico systemen. Bovendien kent de AI-verordening de verplichting tot uitvoering van een Fundamental Rights Impact Assessment (FRIA) bij hoog-risico AI-systemen, om impact van deze systemen op fundamentele rechten van de mens te beoordelen. In de Kamerbrief van 20 april heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit u geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet voornemens is het toezicht op de naleving van de Europese AI-verordening vorm te geven.2
Vanaf het moment van inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet, waarin de Europese NIS2-richtlijn zal worden geïmplementeerd, gelden op grond van die wet verplichtingen voor de in die wet genoemde organisaties met betrekking tot de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen. Het voorstel voor deze wet ligt op dit moment ter behandeling voor bij de Eerste Kamer. Deze wet zal gaan gelden voor organisaties uit verschillende sectoren, waaronder ook de overheid. Onderdeel van deze wet zal een zorgplicht zijn die inhoudt dat organisaties die onder de wet vallen verplicht zijn tot het nemen van passende en evenredige, technische, operationele en organisatorische maatregelen, om de risico’s met betrekking tot de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Daarbij geldt dat organisaties maatregelen moeten nemen die zorgen voor een beveiligingsniveau dat is afgestemd op de risico’s die voor hun organisatie gelden. Deze risico’s kunnen voor die organisaties als gevolg van onder meer veranderende dreigingen of nieuwe technologieën wijzigen, waardoor zij aanvullende maatregelen zullen moeten nemen. Deze zorgplicht wordt in het Cyberbeveiligingsbesluit, de algemene maatregel van bestuur onder de Cyberbeveiligingswet, en in ministeriële regelingen van de voor de sectoren verantwoordelijke vakministers, nader uitgewerkt.
De maatregelen die organisaties, die onder de Cyberbeveiligingswet vallen, moeten nemen betreffen onder meer beleid over risicoanalyses en incidentenbehandeling en de beveiliging van de toeleveringsketen. Krachtens het Cyberbeveiligingsbesluit geldt als maatregel onder meer ook dat organisaties bij attenderingen op voor hun relevante kwetsbaarheden of, dreigingen en beveiligingsadviezen door relevante partijen zoals CSIRTs, moeten beoordelen of op basis hiervan aanpassingen of aanvullingen nodig zijn op hun maatregelen (art. 17 Cbb). Daarnaast is voor overheidsorganisaties die onder de Cbw vallen, voorzien dat in de regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als maatregel, die zij in het kader van de zorgplicht moeten nemen, komt te gelden dat zij de normen en overheidsmaatregelen in de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO2), het reeds bestaande normenkader voor informatiebeveiliging bij de overheid, toepassen. Op de naleving van de verplichtingen in de Cyberbeveiligingswet en de daar onderliggende regelgeving wordt toezicht gehouden. Voor overheidsorganisaties zal de Rijksinspectie voor Digitale infrastructuur (RDI) als toezichthouder optreden.
Terugkomend in bovengenoemde wet- en regelgeving is dat gegevensbescherming en beveiliging van netwerk- en informatiesystemen een continue en cyclisch proces is. Organisaties dienen voortdurend te toetsen of bestaande maatregelen nog steeds voldoende zijn om risico’s te beheersen. Ook risico’s als gevolg van het bestaan van AI-modellen, waaronder Mythos, zullen onderdeel zijn van deze continue risico-inschatting door organisaties.
Welke rol zou een onafhankelijke AI-raad, zoals voorgesteld in de motie-Kathmann/Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1403), kunnen spelen om de veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI te monitoren en af te dekken? Hoe wordt deze motie nu uitgevoerd?
Het kabinet onderschrijft het belang van het monitoren en beheersen van veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI en deelt de opvatting dat dit een aanpak vereist die stevig is verankerd in inhoudelijke expertise. Mede naar aanleiding van de aangenomen motie over een onafhankelijke AI-raad3, ingediend op 29 september 2025, is gekeken naar een passende structuur om hier invulling aan te geven.
Zoals eerder aan de Kamer gemeld4, werd in eerste instantie bezien welke rol de NDS-raad hierin kon vervullen. Nu besloten is om de oprichting van de raad niet te formaliseren5, worden alternatieve invullingen verkend. Zo loopt er tot september 2026 onder andere een interdepartementale verkenning, uitgevoerd door de Digitale Doetank, naar de inrichting van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut, naar voorbeeld van internationale initiatieven zoals het AI Safety Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. Het kabinet houdt daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten die de overheid en private organisaties reeds voorzien van advies en expertise op het gebied van AI.
Heeft u voldoende zicht op de risico’s van model leakage, model theft en ongeautoriseerde verspreiding van geavanceerde AI-systemen in Nederland en Europa? Zo ja, hoe wordt dit inzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Aanbieders van bepaalde AI-systemen, zoals systemen met een hoog risico en AI-modellen voor algemene doeleinden, inclusief modellen met een systeemrisico, moeten op grond van de Europese AI-verordening bepaalde informatie over deze systemen openbaar maken. De regels voor AI-modellen voor algemene doeleinden en die met een systeemrisico zijn op 2 augustus 2025 in werking getreden. Voor krachtige AI-modellen met systeemrisico’s gelden volgens deze verordening aanvullende verplichtingen om deze risico’s in kaart te brengen. Hierdoor hebben lidstaten en de Europese Commissie meer zicht op deze risico’s. De AI-verordening kent hiervoor een toezichtstelsel, waarbij zowel nationale toezichthouders als de Europese Commissie nauwlettend toezicht houden op deze risico’s. Zo kunnen zij hoog-risico AI-systemen die niet aan de verplichtingen voldoen van de markt halen. Daarnaast vindt er kennisuitwisseling plaats tussen (nationale) toezichthouders, de Europese Commissie en experts uit de lidstaten binnen de door de AI-verordening opgerichte Comité voor Artificiële Intelligentie (European AI Board).
Hoe beoordeelt u de toereikendheid van bestaande beveiligingsnormen en toezichtmechanismen voor ontwikkelaars en beheerders van krachtige AI-modellen, mede in relatie tot de implementatie van de AI-verordening?
De Europese AI-verordening stelt regels aan AI-modellen voor algemene doeleinden waarbij de regels steviger zijn voor dit soort modellen met systeemrisico’s, deze regels zijn op 2 augustus 2025 in werking getreden. Hier vallen de meest krachtige AI-modellen onder. Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Daarnaast moeten zij ernstige incidenten en mogelijk corrigerende maatregelen bijhouden. Het toezicht op al deze modellen is Europees centraal belegd bij de Europese Commissie. Daarnaast kunnen aanbieders aansluiten bij de Europese General-Purpose AI Code of Practice die op 10 juli 2025 is gepubliceerd. Deze vrijwillige praktijkcode bevat onder andere informatie over hoe aanbieders kunnen voldoen aan de beveiligingsnormen uit de AI-verordening. Het kabinet is positief over deze vereisten en stimuleert aanbieders om zich aan te sluiten bij de praktijkcode. Het is nog niet mogelijk een sluitend oordeel te vellen over de effectiviteit van deze eisen. Samen met de Europese Commissie en andere lidstaten houden we de werking van deze vereisten nauwlettend in de gaten en dragen we bij aan de evaluaties hiervan.
Welke kansen ziet u om via veilige ontwikkeling en deployment van AI de digitale veiligheid te versterken, bijvoorbeeld voor cyberdetectie, opsporing en publieke dienstverlening?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u in deze casus aanleiding om in Europees verband te pleiten voor versterkte samenwerking rond monitoring van toegangsbeheer, auditing en incidentrespons? Zo ja, op welke wijze?
Organisaties zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun eigen digitale weerbaarheid en daarmee onder meer ook voor het voorkomen en detecteren van cyberincidenten. De recente ontwikkelingen rondom AI benadrukken nogmaals het belang van het versterken van de digitale weerbaarheid van organisaties en de samenwerking daartoe bij digitale dreigingen, kwetsbaarheden en incidenten. In Nederland zijn er verschillende organisaties, zoals CSIRTS, die organisaties kunnen ondersteunen door het geven van adviezen en handelingsperspectieven, het verstrekken van informatie over dreigingen en incidenten en het assisteren bij incidentmanagement.
In het geval van grensoverschrijdende incidenten coördineert het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), vanuit de Nederlandse overheid, de samenwerking met internationale(cyber) partners en werkt daartoe intensief samen met die partijen in onder meer het Europese CSIRT-netwerk. Binnen dit netwerk kunnen CSIRTs snel en effectief operationele informatie met elkaar uitwisselen met ondersteuning door het European Network and Information Security Agency (ENISA). Bovendien wordt binnen dit netwerk en diverse andere EU-samenwerkingsverbanden (zoals de NIS Cooperation Group en het CyCLONe-netwerk) aandacht besteed aan de invloed van de ontwikkeling van AI-modellen op cybersecurity.
Hoe beoordeelt u de wenselijkheid van meer transparantieverplichtingen voor aanbieders van geavanceerde AI-systemen over beveiligingsmaatregelen, incidenten en misbruikrisico’s?
Zoals ook opgenomen in het antwoord op vraag 8 is het nog te vroeg om aanvullende eisen op te stellen. De verplichtingen vanuit de AI-verordening zijn immers pas recent van kracht geworden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en in ieder geval vóór het rondetafelgesprek cyberveiligheid en informatiebeveiliging van 20 mei 2026?
Aangezien niet alle benodigde informatie op tijd was ontvangen is het niet gelukt de beantwoording met uw Kamer te delen voor het rondetafelgesprek cyberveiligheid en informatiebeveiliging van 20 mei 2026.
Bent u bekend met de voorgenomen overname van Solvinity Group B.V. door Kyndryl Netherlands B.V., de rol van Solvinity als leverancier van het platform waarop DigiD draait, en de eerdere beantwoording van Kamervragen over deze casus?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunnen de Verenigde Staten volgens u gezien worden als een bondgenoot? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Verenigde Staten zijn een belangrijke bondgenoot van Nederland, zoals ik ook tijdens het vragenuur op dinsdag 26 mei heb benadrukt: «de Verenigde Staten zijn een belangrijke NAVO-partner, handelspartner en bondgenoot».
Acht u het waarschijnlijk dat een NAVO-bondgenoot als de Verenigde Staten doelbewust DigiD of vergelijkbare Nederlandse kritieke digitale overheidsinfrastructuur zou uitschakelen? Graag een onderbouwing op basis van dreiging, intentie, capaciteit, precedent en diplomatieke consequenties.
Het kabinet hecht grote waarde aan de aanwezigheid van buitenlandse, waaronder nadrukkelijk ook Amerikaanse, technologiebedrijven. Het kabinet waardeert hun bijdrage aan de Nederlandse economie en digitale infrastructuur.
Een afhankelijkheid van informatie en diensten uit derde landen, ongeacht welk land het is en of het een NAVO-bondgenoot is, kan onzekerheden met zich meebrengen. Dit blijkt ook uit het Cybersecuritybeeld Nederland Nederland 20251. Het is vervolgens aan de overheid om op een objectieve, risicogebaseerde, landenneutrale en proportionele manier risico’s te wegen. De gevraagde onderbouwing kan niet als generiek standpunt aangeleverd worden. Daarvoor is dit te situationeel afhankelijk en kan het alleen op case-by-case basis worden ingeschat.
Ieder departement is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar digitale overheidsinfrastructuur en het afwegen van de risico’s van de verschillende schakels binnen die infrastructuur.
Acht u een dergelijk scenario realistisch, of gaat het primair om een theoretische mogelijkheid die in de risicoanalyse wel moet worden meegenomen, maar niet gelijkgesteld mag worden aan een waarschijnlijke dreiging? Graag een expliciet onderscheid tussen «mogelijk», «aannemelijk», «waarschijnlijk» en «urgent».
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u per juridisch instrument, CLOUD Act, FISA Section 702, Executive Order 12333 en eventuele andere relevante Amerikaanse bevoegdheden, uiteenzetten wat de wettelijke grondslag is, welke autoriteit bevoegd is, welk type gegevens kan worden gevorderd of verzameld, welke rechterlijke toetsing plaatsvindt, of kennisgeving aan de betrokkene, Logius of de Nederlandse Staat verplicht, verboden of beperkt kan zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), verwerkersovereenkomsten en contractuele geheimhoudingsplichten?
De CLOUD Act is een amendement op de Stored Communications Act (SCA). De CLOUD Act maakt het mogelijk voor Amerikaanse autoriteiten om ten behoeve van wetshandhavingsdoeleinden toegang te verkrijgen tot elektronische communicatie en daaraan gerelateerde gegevens. Bevoegde autoriteiten die een verzoek kunnen indienen zijn bijvoorbeeld de FBI en het Department of Justice. De CLOUD Act kan worden ingezet voor het opvragen van elektronische gegevens in het kader van strafrechtelijk onderzoek en vervolging. Het gaat daarbij in beginsel om de opsporing en vervolging van zware criminaliteit, zoals terrorisme of drugshandel.
Op grond van de CLOUD Act kunnen ondernemingen die onder de Amerikaanse rechtsmacht vallen verplicht worden gegevens te verstrekken, ook wanneer deze gegevens zich (op servers) buiten de Verenigde Staten bevinden. Daarbij is bepalend of de onderneming «possession, custody or control» heeft over de gegevens. Het gaat hierbij onder meer om aanbieders van elektronische communicatie- en clouddiensten.
Voor verzoeken die betrekking hebben op de inhoud van elektronische communicatie of bestanden is in beginsel toestemming van een Amerikaanse rechter vereist. Voor bepaalde verzoeken tot verstrekking van metadata, zoals gegevens over gebruikers of toegangsgegevens, kan onder omstandigheden geen voorafgaande rechterlijke toestemming vereist zijn.
Een dienstverlener die een bevel tot gegevensverstrekking ontvangt, hoeft daaraan niet mee te werken indien de gegevens versleuteld zijn en de dienstverlener niet beschikt over de encryptiesleutel. De CLOUD Act verplicht ondernemingen namelijk niet om gegevens te ontsleutelen. Indien een onderneming feitelijk geen toegang heeft tot de gegevens vanwege encryptie, bestaat in beginsel dus ook geen verplichting om deze gegevens te verstrekken.
Daarnaast kan een dienstverlener de rechter verzoeken het bevel te vernietigen of te wijzigen, bijvoorbeeld wanneer de naleving daarvan strijd oplevert met de wetgeving van het land waar de gegevens zich bevinden of indien de persoon op wie het verzoek betrekking heeft geen Amerikaans staatsburger is.
FISA Section 702 is in 2008 ingevoerd en maakt onderdeel uit van de Foreign Intelligence Surveillance Act 1978. FISA Section 702 maakt het Amerikaanse inlichtingendiensten, zoals de NSA, CIA en FBI, mogelijk zonder gerechtelijk bevel informatie te verzamelen over niet-Amerikaanse staatsburgers waarvan wordt aangenomen dat zij zich buiten de Verenigde Staten bevinden en die mogelijk betrokken zijn bij terrorisme, spionage, massavernietigingswapens, beïnvloedingsactiviteiten in opdracht van een vijandige buitenlandse mogendheid of cybercriminaliteit. Kennisgeving aan de betrokkene is geen vereiste.
Onder het toepassingsbereik van deze wetgeving vallen alle Amerikaanse entiteiten die toegang hebben tot apparaten waarop communicatie wordt opgeslagen of via welke communicatie wordt verzonden, zoals telecommunicatiebedrijven, internet- en e-maildienstverleners, aanbieders van remote computing services. Zij kunnen worden verplicht toegang te geven tot gegevens, zoals e-mails, elektronische berichten en bestanden. Het kan zowel om de inhoud als metadata gaan.
Executive Order 12333 heeft het meest verstrekkende bereik. Deze regelgeving maakt het mogelijk dat Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen. Daarvoor is geen toestemming van een rechter vereist, mits het gaat om gegevens van niet-Amerikaanse personen. De regelgeving is primair gericht op buitenlandse inlichtingenvergaring ten behoeve van de nationale veiligheid van de Verenigde Staten.
Op grond van Executive Order 12333 kunnen Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen via uiteenlopende middelen, waaronder interceptie van communicatie, radiosignalen en andere elektromagnetische communicatie, maar ook via satellieten, camerasystemen, menselijke bronnen en samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten. Vereist is echter wel dat de verzamelde informatie uitsluitend voor rechtmatige doeleinden onder Amerikaanse wetgeving wordt gebruikt.
Kyndryl Inc. valt als Amerikaanse onderneming binnen het bereik van de bovengenoemde wetten. Kyndryl rapporteert periodiek hoeveel verzoeken om inlichtingen zij heeft ontvangen.2
Kyndryl’s US zeggenschap over haar buitenlandse dochters, Kyndryl Nederland B.V. en eventueel overgenomen partijen, heeft tot gevolg dat deze ook binnen het bereik vallen van de bovengenoemde wetten.
De verstrekking van persoonsgegevens door Nederlandse dochter(s) op basis van een bevel van een Amerikaanse rechter kan in strijd zijn met de AVG. Daarnaast houdt de Nederlandse dochter zich in dat geval ook niet aan de overeenkomst, inclusief de verwerkingsovereenkomst, met de Nederlandse opdrachtgever.
Kyndryl US heeft wel juridische mogelijkheden om zich te verzetten tegen verzoeken tot verstrekking van persoonsgegevens die worden beheerd door haar Nederlandse dochter(s) op grond van het feit dat voldoen aan een dergelijk verzoek in strijd is met de AVG en de gemaakte contractuele afspraken (o.a. in de verwerkersovereenkomst). Daarover moet de Amerikaanse rechter zich dan uitlaten.
Kunt u expliciet onderscheid maken tussen toegang tot gegevens enerzijds en operationele zeggenschap over systemen anderzijds? Klopt het dat wetgeving zoals de CLOUD Act primair ziet op toegang tot elektronische gegevens en niet zonder meer op het met «één druk op de knop» uitschakelen van infrastructuur?
Ja, dat klopt. De Amerikaanse wetgeving als bedoeld bij vraag 5 heeft betrekking op het verzamelen van bewijs c.q. inlichtingen. Deze wetgeving maakt het niet mogelijk om een opdracht te geven tot uitschakeling van infrastructuur.
De Amerikaanse overheid kan sancties tegen personen, organisaties of landen uitvaardigen, waarna Amerikaanse bedrijven de dienstverlening moeten staken. Dat gebeurt echter niet op grond van de bovengenoemde wetgeving.
Hoe verhoudt de stelling dat Solvinity in beginsel geen toegang heeft tot burgerservicenummers, adres en telefoonnummer van DigiD-gebruikers zich tot de eerdere kabinetsuitspraak dat Amerikaanse autoriteiten «in theorie» toegang kunnen krijgen tot gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt?
Medewerkers van Solvinity hebben bij het uitvoeren van reguliere beheerwerkzaamheden geen toegang tot de database waarin gegevens van burgers en gegevens over waar burgers inloggen staan opgeslagen. Dit sluit niet uit dat medewerkers toegang kunnen krijgen tot deze databases. Het zal hierbij dan gaan om (on)geautoriseerde toegang. Mogelijk is daarmee de medewerker strafbaar.
Bent u van mening dat er momenteel geen gelijkwaardige technologieën zijn op Nationaal/Europees gebied? Zo ja, bent u dan van mening dat hierdoor de continuiteit van de dienstverlening juist onder druk komt te staan?
Het kabinet is van mening dat er momenteel wel gelijkwaardige technologieën zijn van Nederlandse en Europese aanbieders. In een Kamerbrief in reactie op de motie van het lid Koekkoek (Volt) over «in EU verband pleiten voor versnelde investeringen in Europese cloudalternatieven en digitale infrastructuur» heeft het kabinet de Kamer vorig jaar geïnformeerd dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten op de markt beschikbaar zijn.
Specifiek ten aanzien van de dienstverlening die door de Rijksoverheid bij Solvinity wordt afgenomen, concludeerde de ACM in haar concentratiebesluit dat er ook na een eventuele overname voldoende concurrentie over zou blijven. Uit het onderzoek blijkt dat afnemers uit de publieke sector op het moment van een (her)aanbesteding voldoende keuze houden uit andere IT-dienstverleners die soortgelijke diensten leveren, waaronder zowel Nederlandse als Europese aanbieders.
Wel kan het versneld onderbrengen van de dienstverlening van Solvinity bij een andere beheerorganisatie leiden tot risico’s. In het geval van Logius geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden wanneer de dienstverlening die Solvinity levert, ondergebracht wordt bij een andere beheerorganisatie. Deze periode is nodig om een andere beheerorganisatie kennis en ervaring te laten opdoen met het beheer van het platform om zo de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen te garanderen. Deze overdrachtsperiode kan pas ingaan wanneer een nieuwe contractant is geworven.
Kunt u reflecteren op de gehele Amerikaanse verwevenheid met technologie, zoals de hardware waar de applicaties van Solvinity op draait, de datacenters en eveneens de zeekabels? Zijn deze componenten/diensten ook in handen van Amerikaanse bedrijven? Bent u het daarom eens met de mening dat het nationaliseren van Solvinity geen enkel effect heeft op deze risico’s, gezien de verwevenheid in de keten?
Het kabinet ziet dat de EU erg afhankelijk is geworden van een klein aantal niet-Europese tech-aanbieders, waarbij het kabinet de bijdragen van deze aanbieders aan de Europese en Nederlandse economie waardeert en in algemene zin openstaat voor zakendoen met buitenlandse partijen. Afhankelijkheden kunnen echter ook risico’s met zich meedragen, bijvoorbeeld als er geen alternatieven beschikbaar zijn of er risico’s zijn voor ongewenste toegang tot data. Voor risicovolle strategische afhankelijkheden zet het kabinet in op mitigatie van de risico’s, bijvoorbeeld door het versterken van de Europese markt.
De gevolgen van voortzetting van het huidige eigenaarschap en andere scenario’s zijn onderdeel van de analyses die vallen binnen het TFEV-onderzoek van deze casus.
Welke concrete risico’s bestaan er momenteel volgens u op het gebied van het opvragen van data, inzage in data en het (eenzijdig) stopzetten van dienstverlening, en van welke vormen van dienstverlening maakt de overheid op dit moment gebruik bij niet-Nederlandse of niet-Europese partijen?
Er wordt niet centraal bijgehouden welke overheidsorganisaties gebruik maken van diensten van niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers.
De Nederlandse overheid wil haar digitale autonomie en digitale soevereiniteit versterken om publieke waarden, veiligheid en continuïteit te waarborgen. Het onderbrengen van data bij niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers, kan in specifieke gevallen strategische, juridische en geopolitieke risico’s met zich meebrengen. Daarom kiest de overheid voor een risicogebaseerde, strategisch gecoördineerde aanpak.3
Welke aanvullende (theoretische) risico’s zouden volgens u kunnen ontstaan op deze punten als gevolg van de beoogde overname van Solvinity door Kyndryl?
Ik kan in deze openbare beantwoording niet ingaan op risico’s die er mogelijk zouden kunnen zijn ten aanzien van gegevensvergaring en stopzetting van dienstverlening. Ik verwijs u door naar de vertrouwelijke technische briefing van BTI. Inmiddels heeft de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit het besluit genomen om de overname te verbieden.
Kunt u allen de voorgaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Ukraine Creates UK-Backed «A1» AI Hub to Develop EW-Resistant Drones and Predict Russian Moves»?1
Ja.
Naar aanleiding van uw bezoek aan Oekraïne in maart 2026 werd bekend dat Nederland intensief gaat meekijken bij de Oekraïense inzet van drones op het slagveld, om meer te leren over de mogelijkheden voor Nederlandse productie en innovatie van onbemenste systemen; sluit dit aan op het initiatief in de berichtgeving?
Nee, dit staat los van het in de berichtgeving genoemde initiatief. Nederland is bekend met het Oekraïense AI-centrum A1, ook wel het Center of Innovations and Defence Technologies Development. Vanuit Defensie wordt contact gezocht met de initiatiefnemers van dit centrum, onder meer in het kader van lessons learned en mogelijke samenwerking.
Heeft de Nederlandse industrie toegang tot de beschikbare informatie en zo ja, hoe waarborgt u dat deze informatie eerlijk toegankelijk is voor alle geïnteresseerde marktpartijen?
Defensie heeft op dit moment zelf geen directe toegang tot deze specifieke informatie, omdat Nederland niet betrokken is bij dit initiatief. Daardoor beschikt Defensie ook niet over een informatiepositie die met de Nederlandse defensie-industrie kan worden gedeeld of waarvoor Defensie de toegang kan reguleren. Nederlandse bedrijven die zelf actief zijn in Oekraïne kunnen uiteraard via hun eigen contacten met Oekraïense eindgebruikers operationele feedback of gefilterde informatie ontvangen. Dat betreft echter geen door Defensie beheerde of via Defensie beschikbaar gestelde informatiepositie. Tegelijkertijd wordt verkend op welke wijze Nederland in de toekomst kan aansluiten bij initiatieven gericht op kennis- en informatie-uitwisseling, mede om lessen uit Oekraïense innovaties breder toegankelijk te maken voor relevante Nederlandse stakeholders.
Is Nederland ook voornemens om zelf een soevereine database aan te vullen voor het trainen van AI-modellen (al dan niet met Europese partners)? Wordt de Nederlandse industrie aangesloten bij een mogelijk initiatief?
Geschikte data voor het trainen van AI-modellen voor militaire doeleinden is schaars. Daarom erkent Defensie het belang van een database met dergelijke data. Defensie verkent verschillende mogelijkheden voor het verkrijgen van data van hoogwaardige kwaliteit, waarmee robuuste militaire AI kan worden ontwikkeld. Denk hierbij ook aan alternatieven zoals synthetische data. Industriepartners worden actief betrokken.
Ziet u ook een kans om als Nederland koploper in Europa te worden in het ontwikkelen van verantwoorde AI? Wat gaat u op korte termijn initiëren om dit te bewerkstelligen?
Nederland zet zich al geruime tijd in voor de verantwoorde ontwikkeling, verwerving en inzet van militaire AI. Met de eerste Responsible AI in the Military Domain (REAIM) Summit in het voorjaar van 2023 heeft Nederland het thema verantwoorde AI in het militaire domein voor het eerst op de internationale agenda gezet. Nederland was bij alle REAIM summits co-host, in 2023, 2024 en 2025. Daarnaast speelt Nederland een actieve rol in de Governmental Group of Experts on Lethal Autonomous Weapon Systems (GGE LAWS). Van 2024 tot en met 2026 zit Nederland deze groep voor. Het doel is om consensus te bereiken over elementen van toekomstige afspraken over autonome wapensystemen. Tijdens de GGE LAWS bijeenkomsten gaat het ook over de huidige en toekomstige rol van AI in LAWS. Nederland blijft nauw betrokken bij het mogelijke vervolg van REAIM en de GGE LAWS. Daarnaast is Defensie nadrukkelijk bezig met het proces van verantwoorde verwerving van AI. Tot slot wordt onderzocht hoe Defensie militaire AI kan verifiëren en valideren voor veilig gebruik en inzet.
Hoe weegt u het risico van het niet zelf hebben van een soevereine database voor het trainen van AI-modellen en van welke landen verwacht u afhankelijk te zijn?
De data waarop de AI-modellen worden getraind is grotendeels afkomstig en in beheer van Defensie. Daarnaast zullen er technische maatregelen worden getroffen om de daadwerkelijke uitkomsten van de AI-modellen te kunnen valideren, voordat deze daadwerkelijk (operationeel) worden ingezet. Bijvoorbeeld door eerst in een simulatieomgeving te werken. Op dit moment onderzoekt Defensie op Europees niveau met welke aanbieders en partnerlanden hiervoor een samenwerking kan worden gestart.
Sluit u aan bij de gedachten dat we de standaarden voor militair gebruik van AI niet aan externe machten overlaten, maar dat we die zelf bepalen?
Het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, is onverkort van toepassing op het militair gebruik van AI. Het gebruik van AI in het militaire domein mag niet leiden tot schendingen van dit recht. Dit zijn bestaande afspraken. Daarnaast onderschrijft Nederland bijvoorbeeld de NAVO-principes voor het verantwoord gebruik van AI. Voor de effectiviteit van nieuwe internationale afspraken, specifiek ten aanzien van AI in het militaire domein, is het van belang dat staten die actief zijn op het gebied van de ontwikkeling van state-of-the-art AI hieraan meedoen. Nederland zet zich op verschillende manieren actief in om nieuwe afspraken te maken, bijvoorbeeld in het kader van REAIM en van de GGE LAWS.
Ziet u mogelijkheden om aan te haken op het samenwerkingsverband tussen Duitsland en Oekraïne, die hun defensiesamenwerking verder hebben geïntensiveerd door een memorandum te tekenen op het gebied van delen van data van het slagveld, waarbij Duitsland ook toegang krijgt tot real-time DELTA battlefield management system?
Ja, Defensie ziet deze mogelijkheden. Defensie kijkt expliciet naar en werkt samen met Oekraïne om lessen van het slagveld te vertalen o.a. door het delen van relevante informatie. In het deel van de organisatie belast met de militaire steun aan Oekraïne wordt actief gekeken naar innovatie en zo genoemde Lessons Learned en de disseminatie daarvan. Daarnaast werkt Defensie aan het verbinden van Nederlandse en voor Defensie relevante kennisinstellingen met Oekraïense kennis en innovatie instituten
Ziet u het belang van in Europees verband initiatieven organiseren voor een strategisch autonome battlefield management architectuur die interoperabiliteit tussen de (gefragmenteerde) Europese systemen waarborgt?
Ja. Defensie onderschrijft het belang van samenwerking in Europees verband gericht op een meer strategisch autonome battlefield management architectuur. Interoperabiliteit tussen nationale systemen is essentieel voor het effectief gezamenlijk optreden van Europese krijgsmachten, onder meer binnen NAVO- en EU-verband.
Onderneemt Defensie andere initiatieven om een strategisch autonome battlefield management architectuur te maken? Zo niet, kunt u een risicoafweging van afhankelijkheden geven? Zo ja, bent u bereid een plan van aanpak te maken en te delen?
Defensie heeft reeds een aantal battlefield management architecturen in gebruik, zowel aangekocht als zelf ontwikkeld. De insteek is dat primaire componenten van toekomstige battlefield management architecturen in de basis door Defensie zelf ontwikkeld worden.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.