Het Instituut Mijnbouwschade Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen in Dagblad van het Noorden van 25 juli 2026 over de interne kritiek op het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de ervaringen van gedupeerden met vastgelopen dossiers? Deelt u de conclusie dat de inrichting van het huidige stelsel inherent op gespannen voet staat met de opdracht om de schadeafhandeling milder, menselijker en makkelijker te maken?1
Ik heb kennisgenomen van de publicaties in het Dagblad van het Noorden. Daarin spreekt onder meer een aantal (voormalig) medewerkers haar zorgen uit over de schadeafhandeling door het IMG. Sommige zorgen herken ik, bijvoorbeeld over het langzaam op gang komen van de nieuwe herstelregelingen. Hiervoor zijn ook de benodigde acties ondernomen. Inmiddels zien we dat de uitvoering steeds meer op gang komt.
In het artikel wordt tevens opgemerkt dat de veelheid aan wijzigingen en nieuwe regelingen van de afgelopen jaren op zichzelf al tot vertraging en onduidelijkheid hebben geleid, zowel bij bewoners als bij medewerkers in de uitvoering. Dat is ook één van de redenen dat ik heb aangegeven nu bewust te kiezen voor stabiliteit in de uitvoering, zodat het IMG zich kan concentreren op het zo goed mogelijk helpen van gedupeerden.
De conclusie dat de inrichting van het huidige stelsel inherent op gespannen voet zou staan met een mildere, menselijkere en makkelijkere schadeafhandeling deel ik niet, evenmin dat het IMG hier niet naar zou willen of kunnen handelen. Binnen de geldende kaders bestaat juist veel ruimte om schades ruimhartig af te handelen. Ik zie ook dat het IMG hier voortvarend invulling aan geeft. De organisatie heeft de afgelopen jaren ongeveer 700.000 schademeldingen afgehandeld en bijna 3,5 miljard euro uitgekeerd. Daarnaast zijn mede naar aanleiding van Nij Begun nieuwe regelingen ontwikkeld en geïmplementeerd, waarbij ook hard is gewerkt aan het verbeteren van de dienstverlening, met meer persoonlijk contact en een aanvragersgerichte aanpak. Rapporten, zoals de Staat van Groningen & Noord-Drenthe en de Bouwen aan Herstel-monitor, laten ook zien dat dit heeft geleid tot een toenemende tevredenheid over en vertrouwen in de schadeafhandeling.
Dit laat onverlet dat het duidelijk is dat de opgave in Groningen groot en complex is en daarin soms dingen niet goed gaan. Wanneer dat gebeurt, is het belangrijk om dat te erkennen en het in de toekomst beter te doen. Het IMG blijft hier alert op en verbeteringen doorvoeren waar nodig.
Hoe rijmt u de beschrijving van een eigen medewerker dat het IMG «in de kern een keiharde, juridische organisatie» is, en het gevoel van bewoners dat het loket «oogkleppen op heeft en alleen naar een toetsenbord kijkt», met de opdracht om de schadeafhandeling milder, menselijker en makkelijker te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat een verhouding waarbij bijna de helft van het geld niet bij gedupeerden terechtkomt, symptomatisch is voor een fundamenteel verkeerd ingericht stelsel van schadeafhandeling? Welk percentage uitvoeringskosten acht u wel acceptabel voor een publieke schadeorganisatie?
Het klopt niet dat bijna de helft van de uitgaven in de schadeafhandeling opgaan aan uitvoeringskosten. In 2025 heeft het IMG ca. € 640 mln. aan schade-vergoedingen uitgekeerd en daarnaast ca. € 298 mln. aan uitvoeringskosten gemaakt.2 In totaal ging vorig jaar dus iets minder dan een derde van de totale uitgaven in de schadeafhandeling naar de uitvoering. Daarbij vind ik het belangrijk om te benadrukken dat uitvoeringskosten nooit ten koste gaan van de schadevergoeding die aan gedupeerden wordt uitgekeerd. Ook het beeld dat de uitvoeringskosten relatief hoog zouden zijn, verdient nuancering. Een externe evaluatie in 2022 concludeerde immers nog dat de uitvoeringskosten van het IMG niet bijzonder hoog zijn, gelet op de opgave die zij heeft te vervullen.3
Ik wil daarbij benadrukken dat het terugdringen van uitvoeringskosten niet ten koste mag gaan van bewoners. Ik vind het namelijk belangrijk dat bewoners een goed geïnformeerde keuze kunnen maken tussen de verschillende schaderegelingen. Dit vraagt een persoonlijke benadering en begeleiding van bewoners en dat vergt extra tijd en daarmee geld. Daarbij weten we ook dat de uitvoeringskosten sterk samenhangen met de keuzes van bewoners. De vaste vergoedingen kennen aanzienlijk lagere uitvoeringskosten dan maatwerk en daadwerkelijk herstel.
Dat hoge uitvoeringskosten zouden voortkomen uit een systeem dat gebaseerd is op wantrouwen herken ik dan ook niet. Dit laat onverlet dat het ministerie uiteraard doorlopend in gesprek is met het IMG om te kijken of en hoe uitvoeringskosten redelijkerwijs verder verlaagd kunnen worden, zonder in te leveren op kwaliteit en persoonlijk contact.
Erkent u dat de hoge uitvoeringskosten in belangrijke mate voortkomen uit een systeem dat is gebouwd op wantrouwen? Op welke wijze gaat u het stelsel zo herzien dat eenvoud en vertrouwen het uitgangspunt worden, waardoor de uitvoeringskosten structureel dalen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat circa 40 procent van de ongeveer duizend medewerkers van het IMG extern wordt ingehuurd, tegen tarieven van 115 tot bijna 200 euro per uur? Hoeveel is er sinds de oprichting van het IMG in totaal uitgegeven aan externe inhuur?
Ja, dit percentage klopt. Dit betreft zowel uitzendkrachten als externe inhuur. Zowel deze ingehuurde als de ambtelijke medewerkers van het IMG worden via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) bekostigd op basis van gestandaardiseerde uurtarieven. Voor 2026 loopt de bandbreedte in uurtarieven van € 86,– tot € 191. Behalve loonkosten zijn alle andere kosten, zoals huisvesting en overhead, hierin ook verdisconteerd. RVO betaalt aan ingehuurde externen en uitzendkrachten de werkelijke kosten op basis van facturen. Deze kunnen dus afwijken van de gestandaardiseerde uurtarieven. Het IMG geeft aan dat er sinds de oprichting van het IMG op 1 juli 2020, ongeveer € 340 mln. is besteed aan inhuur van uitzendkrachten en externen.
Hoe verhoudt dit inhuurpercentage zich tot de Roemer-norm van maximaal tien procent? Bent u bereid de Roemer-norm bij het IMG alsnog af te dwingen?
Het inhuurpercentage van IMG ligt boven de Roemernorm. Ik zal in mijn gesprekken met IMG de inzet van externe inhuur meenemen en in gezamenlijkheid bekijken of en waar eventueel vermindering mogelijk is. Tegelijkertijd merk ik op dat een aantal onderdelen van het IMG de afgelopen jaren al fors is verambtelijkt: het gehele managementteam en vrijwel alle medewerkers die in direct contact staan met schademelders zijn inmiddels in dienst. Waar dat qua marktaanbod (kwantitatief en kwalitatief) kan en waar niet expliciet sprake is van tijdelijkheid komen mensen in ambtelijke dienst.
Hoe beoordeelt u de beschrijving van medewerkers van een «draaicarrousel» van externen die elkaar binnenhalen, kort blijven, werk overdoen dat al eerder is geprobeerd en vertrekken zonder overdracht? Erkent u dat een dergelijk verdienmodel voor consultancybureaus haaks staat op het publieke belang van een snelle en zorgvuldige schadeafhandeling?
Het IMG geeft aan zich niet in het geschetste beeld in het artikel te herkennen en neemt expliciet afstand van de suggestie dat de organisatie er belang bij zou hebben om problemen traag op te lossen. Ik sluit me daar volledig bij aan; ik zie in mijn contacten dat de medewerkers in de uitvoering zeer betrokken zijn bij het oplossen van de problemen van inwoners in Groningen en Noord-Drenthe. In het antwoord op vragen 1 en 2 gaf ik al aan dat er de afgelopen jaren hard is gewerkt aan de afhandeling van schademeldingen, het ontwikkelen en implementeren van nieuwe regelingen, en het continu verbeteren van de dienstverlening. Dit heeft veel gevraagd van het IMG en haar medewerkers. Het in twijfel trekken van hun intenties doet geen recht aan deze betrokkenheid en inspanningen.
Wat vindt u van de constatering van een manager binnen het IMG dat de organisatie er belang bij lijkt te hebben zichzelf langer in leven te houden dan nodig? Deelt u de analyse dat een organisatie die voor een groot deel draait op commerciële inhuur een ingebouwde prikkel heeft om problemen niet definitief op te lossen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de situatie bij het IMG geen incident is, maar past in een breder patroon waarbij de rijksoverheid en uitvoeringsorganisaties structureel leunen op dure externe inhuur?
Het klopt dat de omgang met externe inhuur een rijksbreed vraagstuk is. Voor toelichting van de inzet van het kabinet hieromtrent verwijs ik kortheidshalve naar de brief die de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de zomer naar uw Kamer heeft gestuurd.4
Erkent u dat decennia van inhuur, uitbesteding en het «tijdelijk» organiseren van publieke taken ertoe hebben geleid dat de overheid haar eigen uitvoeringscapaciteit heeft uitgehold, waardoor kennis wegvloeit naar de markt en vervolgens tegen commerciële tarieven moet worden teruggekocht? Wat gaat u doen om deze vicieuze cirkel te doorbreken?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het argument dat het IMG een tijdelijke organisatie is en daarom extern inhuurt niet opgaat, aangezien de schadeafhandeling in Groningen al jaren duurt en nog jaren zal duren, en het Rijk permanent behoefte heeft aan uitvoeringskennis op het gebied van schadeafhandeling, herstel en compensatie (denk ook aan de toeslagenaffaire)?
Het klopt dat de opgave van het IMG voor de voorzienbare toekomst blijft voortbestaan. Toch is een groot deel van de werkzaamheden die de organisatie op dit moment verricht, zoals bijvoorbeeld de (door)ontwikkeling van regelingen en de benodigde structuren daarvoor, wel degelijk tijdelijk en komen deze op termijn te vervallen. Daarbij is het ook de verwachting dat de hoeveelheid schade-meldingen op termijn zal afnemen, gelet op het dalend seismisch risico.
Uw Kamer is eerder geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet inzet op het verbinden en bestendigen van de aanwezige kennis over en capaciteit in (het uitvoeren van) de verschillende hersteloperaties.5
Bent u bereid deze kennis structureel in publieke dienst op te bouwen in plaats van steeds opnieuw in te kopen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de signalen dat het IMG een toplaag kent van ketenmanagers, kwartiermakers, programmaleiders en domeinmanagers, terwijl de zaakbegeleiders die daadwerkelijk contact hebben met bewoners zich een «boksbal» voelen en niet worden gehoord? Herkent u dit als een breder probleem binnen de rijksoverheid zoals ook de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties eerder concludeerde?2
Het artikel baseert zich op een relatief kleine groep (voormalig) medewerkers. Ik wil er daarom voor waken om op basis hiervan algemene conclusies over het sentiment onder de medewerkers van het IMG te trekken, laat staan over de Rijksoverheid in het algemeen. Dat laat onverlet dat dergelijke signalen serieus (moeten) worden genomen. Ik begrijp van het IMG dat zij dat doet en daarom in gesprek gaat met haar medewerkers over de onderwerpen uit het artikel teneinde eventueel bij medewerkers levende zorgen goed te adresseren. Ik heb er vertrouwen in dat dit zorgvuldig gebeurt.
Op wat voor manier worden de conclusies en aanbevelingen van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties geïmplementeerd bij het IMG?
Het IMG werkt op verschillende manieren in lijn met de aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties (hierna: TCU). Enkele voorbeelden staan hieronder genoemd:
Deelt u de mening dat uitvoerende medewerkers structureel betrokken moeten worden bij het ontwerp van nieuwe regelingen?
Ja.
Hoe verklaart u dat het aantal woningen dat via Duurzaam Herstel geholpen zou worden, is bijgesteld van 5.000–15.000 naar 800–900? Wat gebeurt er met het niet-bestede deel van het budget van 1,35 miljard euro, en bent u bereid te garanderen dat dit geld voor de regio behouden blijft?
Het budget voor Duurzaam herstel is bij Nij Begun aangevuld tot € 1,4 miljard. De inschatting was destijds namelijk dat maximaal 14.000 woningen in aanmerking zouden kunnen komen, met verwachte gemiddelde kosten van € 100.000 per woning. Daarbij was bekend dat er nog grote onzekerheden bestonden over de daadwerkelijke aard en omvang van de opgave. Er is daarom bewust gekozen om met een pilot te starten, zodat gaandeweg geleerd en bijgestuurd kon worden.
Inmiddels weten we dat Duurzaam herstel minder vaak nodig is om mijnbouwschade te voorkomen dan vooraf werd verwacht, maar ook dat de kosten per adres regelmatig hoger zijn dan gedacht. Vorig jaar is daarom besloten om de maximumbedragen fors te verhogen en de regeling gericht in te zetten voor de gebieden die het zwaarst getroffen zijn door de gaswinning.9 Aan het eind van dit jaar evalueert het IMG deze nieuwe werkwijze. Ik heb het IMG daarbij ook gevraagd om een reële raming en planning van de uitvoeringsopgave in de komende jaren. Op basis daarvan zal meer duidelijk worden over hoe dit zich verhoudt tot het gereserveerde budget. Ik kan daar nu nog niet op vooruitlopen.
Wat vindt u ervan dat de wirwar aan regelingen ertoe leidt dat aan de randen van het gebied relatief eenvoudig forse bedragen te claimen zijn, terwijl bewoners in het kerngebied met de zwaarste schade vastlopen in complexe trajecten? Erkent u dat dit het gevolg is van beleid dat per regeling is dichtgetimmerd in plaats van vanuit één samenhangende, rechtvaardige aanpak?
Het beeld dat het aan de randen van het effectgebied eenvoudiger zou zijn om een schadevergoeding te ontvangen dan in het kerngebied klopt niet. Binnen het effectgebied kunnen aanvragers met fysieke schade kiezen tussen maatwerk (met onderzoek naar de schadeoorzaak), daadwerkelijk herstel, en een forfaitaire vergoeding (beiden zonder onderzoek naar de schadeoorzaak). Alle inwoners van het effectgebied met fysieke schades hebben dus dezelfde opties voor de afhandeling van hun schade. Bij maatwerk zien we dat juist in het gebied waar nog steeds bevingen plaatsvinden relatief meer schades worden toegekend dan aan de randen, dat is ook logisch. Bij daadwerkelijk herstel en de vaste vergoedingen is ervoor gekozen om niet te differentiëren in de grensbedragen. Het is een bewuste keuze geweest om nieuwe grenzen en verschillen binnen het effectgebied te voorkomen. Zo geldt er overal een grensbedrag van € 60.000 bij daadwerkelijk herstel. Uit de praktijk weten we dat het zeer beperkt voorkomt dat schades als gevolg van de gaswinning dit grensbedrag overschrijden, ook in de kern van het bevingsgebied.
Wel is het zo dat er in de gebieden met de meeste bevingen vaker sprake is van samenloop van schade met andere opgaves, zoals de versterking. Die samenloop vergroot de complexiteit en maakt dat hier aanvullende aandacht en inzet nodig is. Dit gebeurt ook op verschillende manieren, bijvoorbeeld door de inzet van gezamenlijke steunpunten door IMG en NCG, de initiatieven onder Agenda voor Herstel en via aanvullende regelingen als Duurzaam herstel en de vaste herhaalvergoeding. Ook de regeringscommissaris Hersteloperatie Groningen en Noord-Drenthe heeft het verbeteren van de situatie van de inwoners in het kerngebied als één van zijn speerpunten benoemd in zijn opdrachtformulering.10
Wat is uw reactie op de situatie van Willeke Lode uit Midwolde die al 4,5 jaar wacht op duidelijkheid over 97 scheuren in haar woonboerderij maar uit beeld raakte?
Zoals bekend kan ik niet nader ingaan op individuele situaties.
Wat is uw reactie op de 329 vergelijkbare dossiers waarover de Nationale ombudsman aan de bel trok? Kunt u garanderen dat al deze 329 dossiers inmiddels weer actief in behandeling zijn en dat deze mensen persoonlijk zijn geïnformeerd?
Ik betreur het feit dat ca. 329 dossiers tijdelijk uit beeld zijn geraakt bij de uitvoering, dit had niet mogen gebeuren. Dit hing samen met ICT-aanpassingen als gevolg van de implementatie van nieuwe schaderegelingen. Inmiddels heeft het IMG met de bewoners in kwestie contact opgenomen en is de behandeling van hun meldingen weer opgepakt en in een aantal gevallen ook al afgehandeld.11 Het IMG is structureel in gesprek met de ombudsman en daarbij ook ingegaan op het aanbod van de ombudsman om te bespreken hoe dit soort situaties in de toekomst voorkomen kunnen worden.
Wat vindt u ervan dat een bewoner pas via een Woo-verzoek inzicht kreeg in zijn eigen schadedossier, nadat stukken bleken te missen en hij maandenlang niets hoorde? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat gedupeerden juridische middelen als Woo-verzoeken en rechtszaken moeten inzetten om überhaupt te weten waar ze aan toe zijn bij een organisatie die er voor hen is?
Zoals bekend kan ik niet nader ingaan op individuele situaties. Ten algemene geldt dat aanvragers hun eigen dossier online kunnen inzien via de pagina Mijn Dossier. Mocht de aanvrager daarin correspondentie zoals brieven of mails missen, dan kan hij hierover contact opnemen met de zaakbegeleider of het Serviceloket. Voor inzage in eigen dossiers is vanzelfsprekend geen Woo-verzoek nodig.
Wat is uw reactie op de signalen dat bewoners bij vertraging maandenlang geen brief krijgen, dossiers acht à negen maanden op de plank blijven liggen zonder uitleg, brieven verouderde informatie bevatten en bewoners data kregen toegezegd waarvan intern al bekend was dat die niet gehaald zouden worden?
Ik vind dat bewoners moeten weten waar ze aan toe zijn, ook als er nog geen oplossing is. Ook de Nationale ombudsman wees hier onlangs op. Het IMG neemt deze signalen serieus en blijft werken aan de verdere verbetering van haar dienstverlening richting aanvragers.
Het bericht ‘‘Ontluisterend en illegaal’: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht ««Ontluisterend en illegaal»: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen»?1
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare de cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van belastingplichtige. In algemene zin geldt dat het enkele feit dat een onderneming activiteiten verricht in een land met een laag belastingtarief, intellectuele eigendomsrechten centraliseert of gebruikmaakt van kostendelingsarrangementen niet automatisch betekent dat er sprake is van belastingontwijking of onzakelijke verrekenprijzen. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden, wet, beleid en regelgeving.
Heeft Shell de afgelopen 10 jaar winstbelasting betaald in Nederland? Zo ja, hoeveel en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Shell publiceert jaarlijks informatie over haar belastingpositie en belastingbijdragen in haar Annual Reports en Tax Transparency/Tax Contribution Reports.2 Op basis van artikel 67 AWR kan de Belastingdienst geen uitspraken doen over de betrouwbaarheid, volledigheid of fiscale juistheid van de in de door Shell gepubliceerde Tax Contribution Reports opgenomen informatie.
Was de Belastingdienst ervan op de hoogte dat Shell gebruik maakte van constructies waarbij er via grondstoftransacties winsten zijn verschoven naar de Bahama’s of via royalty’s naar Zwitserland?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten.
In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. Ingevolge de in de vennootschapsbelasting opgenomen maatregelen die volgen uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel welke met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden, merk ik het volgende op. De maatregelen in de vennootschapsbelasting die volgen uit deze wet bewerkstelligen dat bij de belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden.
Is er sprake van illegale praktijken bij de methodes die Shell gebruikt om zo min mogelijk winstbelasting te betalen?
In het artikel worden bepaalde structuren en verrekenprijzen als «illegaal» en «onzakelijk» gekwalificeerd. Of daarvan in dit geval sprake is, kan slechts worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.
Ook ten aanzien van royalty's, cost sharing arrangements en interne dienstverlening geldt dat de beoordeling afhankelijk is van uitgeoefende functies, gebruikte activa, gelopen risico's. In algemene zin geldt dat vennootschappen binnen een concern verplicht zijn hun onderlinge transacties vast te stellen op basis van het arm’s-lengthbeginsel. Zie voor verdere toelichting ook het antwoord op vraag 3.
Hoe reageert u op de uitspraak «Als Shell ten onrechte geen belasting betaalt in Nederland en de fiscus is daarvan op de hoogte, dan kan dat verboden staatssteun zijn»?
Om onder de definitie van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te vallen, moet er sprake zijn van een selectief voordeel voor een specifiek bedrijf dat afwijkt van de reguliere belastingwetgeving. Indien de reguliere belastingwetgeving (het zogenaamde referentiestelsel) is toegepast, kan geen sprake zijn van verboden staatssteun. Onder de normale belastingwetgeving valt in dat geval de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarvan ook het zakelijkheidsbeginsel een belangrijk onderdeel is.
Vindt u het acceptabel wanneer bedrijven die miljardenwinsten maken via belastingontwijking hun uiterste best doen om te voorkomen dat ook maar één cent daarvan ten goede komt aan de Nederlandse samenleving? Zo ja, waarom?
Ik acht het van belang dat alle belastingplichtigen, inclusief grote multinationale ondernemingen, belasting betalen overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. Tegelijkertijd moet onderscheid gemaakt worden tussen illegale belastingontduiking, ongewenste belastingontwijking en situaties waarin de fiscale uitkomst voortvloeit uit de toepassing van geldende wet- en regelgeving. Nederland heeft de afgelopen jaren, zoals hiervoor is uiteengezet, veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen en dit kabinet zal zich blijven inzetten om belastingontwijking te bestrijden. Daarvoor verwijs ik graag naar de monitoringsbrief over de effecten van en de aanpak van belastingontwijking.3 De monitoringsbrief beschrijft ook de lopende inspanningen op dit dossier, mede in de internationale context.
Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.4 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»).
Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal is daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Deelt u de analyse dat belastingontwijking via constructies waarbij winsten worden verplaatst naar landen met een lagere winstbelasting door verschillende dochterbedrijven rekeningen aan elkaar te laten sturen (transfer pricing) een groot probleem is? Zo ja, wat bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat er minder winstbelasting wordt ontweken via transfer pricing? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat multinationals die miljardenwinsten maken dit soort schimmige methodes gebruiken om te voorkomen dat zij moeten bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Bij transfer pricing (verrekenprijzen) gaat het om de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Verrekenprijzen vervullen een belangrijke functie binnen het internationale belastingsysteem. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt te voorkomen dat het mogelijk is om via verrekenprijzen met winsten te schuiven en zo winstbelasting te ontwijken. Daarom bestaan er nationaal en internationaal regels die beogen te waarborgen dat winsten worden toegerekend overeenkomstig een juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. Daarnaast ondersteunt Nederland de internationale afspraken die binnen de OESO en andere internationale gremia worden ontwikkeld om winstverschuiving verder tegen te gaan.
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is wanneer een oliebedrijf als Shell door belastingontwijking geen winstbelasting betaalt in Nederland, terwijl hun klanten zich wel blauw betalen aan de pomp? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders van Shell meer belasting gaan betalen en mensen aan de pomp minder? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de brandstofprijs aan de pomp kan niet rechtstreeks worden vergeleken met de vennootschapsbelastingpositie van een onderneming. Voor het jaar 2027 heeft het kabinet opnieuw middelen gereserveerd voor een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen. Verder kan ik vanwege artikel 67 AWR geen uitspraken doen over specifieke bedrijven. Belastingheffing bij ondernemingen en accijnzen en btw op brandstoffen kennen een verschillende grondslag en doelstelling.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat belastingontwijking harder wordt aangepakt, waardoor bedrijven zoals Shell eindelijk wél winstbelasting gaan betalen in Nederland?
Zoals in de beantwoording van vraag 1 is uiteengezet zijn er in de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om belastingontwijking te bestrijden. Nederland is daar effectief in geweest, zoals blijkt uit de monitoringsbrief waar ik in de beantwoording eerder naar verwezen heb. Mede vanwege deze aanpak krijgt Nederland ook geen landenspecifieke aanbeveling meer van de Europese Commissie om belastingontwijking aan te pakken. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. In de volgende monitoringsbrief zal ik hier ook weer aandacht aan besteden.
Wat is de positie van Nederland ten opzichte van het initiatief van een groep Afrikaanse landen om te komen tot een mondiaal belastingverdrag?
Nederland steunt de doelstellingen achter het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag over internationale belastingsamenwerking, namelijk het versterken van de inclusiviteit en effectiviteit van internationale belastingsamenwerking.5 Hiertoe zet Nederland zich in de onderhandelingen in voor een breed gedragen resultaat. De opzet van een raamwerkverdrag moet basisafspraken en een samenwerkingsstructuur bevatten. De huidige concepttekst van het VN-raamwerkverdrag bevat echter concrete afspraken waaronder afspraken die heffingsrechten verdelen over inkomen van burgers en bedrijven. De huidige opzet van het VN-raamwerverdrag is daarmee gericht op onderwerpen waaraan veel VN-lidstaten zich in een multilateraal raamwerkverdrag niet kunnen binden. Nederland staat daarom nog niet achter deze huidige opzet. De focus in de onderhandelingen op bindende afspraken over de verdeling van heffingsrechten kan resulteren in een raamwerkverdrag dat een groot aantal VN-lidstaten niet kan ondertekenen, waarmee de inspanningen de komende jaren tevergeefs zouden zijn. Om deze bezwaren weg te nemen, heeft Nederland samen met de andere EU-lidstaten een aantal voorstellen gedaan. De essentie van die voorstellen is dat de focus in het raamwerkverdrag gericht moet zijn op afspraken die breed worden gedragen. Alleen op die manier kan een groot deel van het VN-lidmaatschap een effectief raamwerkverdrag overeenkomen en tot een succes voor de praktijk maken. Deze voorstellen zijn vooralsnog niet overgenomen. In het vervolgproces ziet Nederland nog altijd ruimte voor een goede uitkomst en zal Nederland zich blijven inzetten om tot een breed gedragen raamwerkverdrag te komen. Dit project is overigens niet primair gericht op de bestrijding van belastingontwijking, al wordt er wel gewezen op het belang van bestrijding van onwettige geldstromen.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De digitale weerbaarheid van het Nederlandse elektriciteitsnet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stroomnet kwetsbaar voor cyberaanval: «Geen kwestie van óf, maar wanneer»»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van cybersecurity- en energiespecialisten dat de toenemende digitalisering van het elektriciteitssysteem, waaronder slimme netten, thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en andere verbonden apparaten, ook leidt tot een groter aanvalsoppervlak voor kwaadwillenden?
De ontwikkeling naar een meer decentrale energievoorziening maakt lokale opwek en opslag mogelijk en is onderdeel van een succesvolle energietransitie. Deze decentralisatie gaat gepaard met een digitaliseringsslag. Zo kunnen decentrale assets bijvoorbeeld op afstand een (beveiligings)update ontvangen of op afstand worden aangestuurd. Dit is onder meer noodzakelijk om de beveiliging van de assets up-to-date te houden en biedt kansen voor bijvoorbeeld een slimmer gebruik van het elektriciteitsnet. Naast deze voordelen brengt de digitalisering van het energiesysteem ook risico’s met zich mee.
Digitale verbindingen maken de toegang tot deze assets op afstand makkelijker waardoor deze verbindingen een aanvalsoppervlak kunnen vormen voor kwaadwillenden om decentrale assets te manipuleren. Daarom gelden voor (consumenten)apparatuur cybersecurity eisen op basis van wet- en regelgeving zoals de Radio Equipment Directive 3.3 en de Cyber Resilience Act. Om de digitale weerbaarheid van het energiesysteem verder te verhogen en risico’s te mitigeren, treft het kabinet daarnaast nog andere maatregelen. Deze maatregelen zijn toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
In hoeverre wordt digitale weerbaarheid momenteel als randvoorwaarde meegenomen bij de uitvoering van de energietransitie en de uitbreiding van het elektriciteitsnet?
In het ontwerp van het energiesysteem houdt het kabinet rekening met digitale risico’s. Zo worden cybersecurityeisen gesteld aan digitale systemen van energiepartijen en wordt kritieke (digitale) energie-infrastructuur geïdentificeerd en weerbaarder gemaakt. Een concreet voorbeeld is het meenemen van (digitale) weerbaarheid als voorwaarde bij de vergunningsverleningsinstrumenten van nieuwe windparken op zee. Hierbij zijn weerbaarheid en nationale veiligheidszorgen onderzocht en zijn vervolgens veiligheidsmaatregelen genomen, zoals het stellen van voorwaarden voor de herkomst van windmolenonderdelen op basis van de Europese Net Zero Industry Act (NZIA).2
Ook voor bestaande energie-infrastructuur gelden strenge eisen en is er toezicht om de digitale weerbaarheid te verhogen. Met de inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) op 15 augustus jl. is het bestaande wettelijke cybersecuritykader voor energie-infrastructuur versterkt en worden energiebedrijven verplicht om zorg te dragen voor de beveiliging van hun (digitale) systemen om hun bedrijfscontinuïteit te waarborgen. Aanvullend op de Cbw geldt de Netcode voor Cybersecurity Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1366 (NCCS) ter versterking van de digitale weerbaarheid van het Europese elektriciteitsnet om de veiligheid, continuïteit en betrouwbaarheid ervan te waarborgen. Onderdelen van de NCCS zijn al geïmplementeerd; de NCCS wordt volledig van kracht per 2028.
Het kabinet werkt doorlopend aan het verder versterken van de weerbaarheid van het energiesysteem. Zo is er in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) aandacht voor een (digitaal) weerbaar energiesysteem om de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van energie te kunnen waarborgen. Het geactualiseerde NPE wordt met Prinsjesdag aan de Kamer verstuurd. Een verdere toelichting op de kansen en risico’s van de digitalisering van het energiesysteem, inclusief een uitwerking van benodigde acties, is opgenomen in de Actieagenda Digitalisering Energiesysteem (ADE)3.
Kunt u aangeven welke risicoanalyses zijn uitgevoerd naar de cybersecurity van decentrale energiebronnen, zoals thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en energiebeheersystemen, en welke conclusies daaruit zijn getrokken?
Het Ministerie van EZK werkt samen met andere overheidsorganisaties, netbeheerders, energiebedrijven en onderzoeksinstellingen om zoveel mogelijk kennis en inzichten te verzamelen over de risico’s in het decentrale energiesysteem. Uit deze analyses komen kwetsbaarheden naar voren die worden vertaald naar beleid en wet- en regelgeving. Een voorbeeld is het rapport van Energy Innovation NL (in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) over de cyberveiligheid van zonnepanelen.4 Een conclusie uit dit rapport is dat het verhogen van de digitale weerbaarheid van decentrale energie assets een gedeelde verantwoordelijkheid is van alle spelers in de keten waarbij samenwerking essentieel is. Om uitvoering te geven aan de wet- en regelgeving op digitale weerbaarheid, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 2 en 3, werkt het kabinet samen met verschillende energiebedrijven en brancheverenigingen. Daarnaast stimuleert het kabinet de ontwikkeling van sectorale Information Sharing and Analyses Centers (ISACs), zoals de ISAC voor de zonne-energiesector. Het doel van een ISAC is om de digitale weerbaarheid te vergroten binnen een sector via vertrouwelijke informatie-uitwisseling over dreigingen en incidenten en het delen van handelingsperspectief en gedeelde lessen. Daarnaast bevordert het kabinet samenwerkingsinitiatieven zoals het sectorpact «Weerbaar Energiesysteem» van Energie Nederland en Netbeheer Nederland.
Het kabinet zet verschillende stappen om cybersecurity via wet- en regelgeving te versterken, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 3. Daarnaast voeren sectorpartijen zelf risicoanalyses uit en nemen zij indien nodig passende maatregelen om risico’s te mitigeren. Zo worden bijvoorbeeld bij grote aanbestedingen door de netbeheerders risicoanalyses gemaakt en passende maatregelen genomen.5 De Cbw en NCCS verplichten bedrijven om een risicoanalyse uit te voeren en rekening te houden met risico’s in hun toeleveringsketen en bij het verwerven, ontwikkelen of onderhouden van (digitale) producten en diensten in hun netwerk- en informatiesystemen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de Europese energie-infrastructuur steeds vaker doelwit is van cyberaanvallen? In hoeverre spelen achterstallige modernisering van systemen, verouderde technologie en tekortschietende basisbeveiliging daarbij een rol? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in het Cybersecurity Beeld Nederland 2025 is aangegeven, blijven alle vitale sectoren een aantrekkelijk doelwit voor kwaadwillende actoren. De digitalisering van het energiesysteem zorgt voor een nauwere verwevenheid tussen het digitale en fysieke energiesysteem. Zo wordt verouderde operationele technologie (OT) vaker gekoppeld aan slimme informatietechnologie (IT)-systemen. Het nemen van passende beheersmaatregelen om risico’s van mogelijk verouderde OT te mitigeren, zoals netwerksegmentatie, wordt met de Cbw en NCCS wettelijk verankerd. Energiepartijen dienen op grond van de Cbw en NCCS in hun IT- en OT-architectuur rekening te houden met deze risico’s en passende en evenredige maatregelen te nemen, ook voor de beveiliging van OT. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) houdt toezicht op de energiesector vanuit deze verplichtingen in de Cbw en NCCS. Het National Cyber Security Center (NCSC) deelt daarnaast diverse kennis- en informatieproducten met de energiesector, onder meer vanuit samenwerking met Europese partners, over basisbeveiliging voor digitale weerbaarheid en over risicomanagement van verouderde OT-systemen.
Op welke wijze werken de ministeries van Klimaat en Groene Groei en Economische Zaken en Klimaat samen om ervoor te zorgen dat investeringen in de energietransitie gepaard gaan met investeringen in digitale veiligheid?
Investeringen in de energietransitie gaan onlosmakelijk gepaard met investeringen in digitale veiligheid omdat slimme energienetten en hernieuwbare bronnen sterk afhankelijk zijn van digitale aansturing. Binnen het Ministerie van EZK wordt het onderwerp van digitale weerbaarheid en energie (security) daarom integraal opgepakt.
Worden er regelmatig gezamenlijke crisisoefeningen gehouden waarbij zowel een fysieke verstoring van het elektriciteitsnet als een cyberaanval wordt gesimuleerd? Zo ja, welke lessen zijn daaruit getrokken? Zo nee, waarom niet?
Ja, op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau vinden regelmatig crisisoefeningen over stroomuitval plaats. Het betreft wisselende scenario’s, variërend van fysieke verstoringen, cyberaanvallen en een combinatie daarvan. Daarnaast wordt er deelgenomen aan PENTA6 oefeningen, waarbij de Europese verordening voor risicoparaatheid in de elektriciteitssector centraal staat. In het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) zijn daarnaast afspraken gemaakt om regelmatig gezamenlijk of per organisatie te oefenen. De Algemene Rekenkamer heeft mede op basis van bovengenoemde crisisoefeningen recent geconstateerd dat het Ministerie van EZK en TenneT goede maatregelen hebben getroffen om crises op het hoogspanningsnet te voorkomen en dat zij goed zijn voorbereid op mogelijke storingen.7
Een vast onderdeel van een crisisoefening is een evaluatie door de betrokken organisaties. Uit de evaluaties van de crisisoefeningen van de afgelopen jaren zijn verschillende lessen getrokken met betrekking tot de crisisstructuur en werkprocessen. Zo kwam bijvoorbeeld naar voren dat de Rijksoverheid in crisissituaties beter kan afspreken welke informatie wanneer wordt gedeeld en dat sommige plannen te abstract zijn. Deze lessen worden meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) naar een Landelijk Crisisplan Elektriciteit, dat naar verwachting begin 2027 met de Kamer zal worden gedeeld.
Deelt u de opvatting dat een succesvolle energietransitie alleen mogelijk is wanneer burgers en bedrijven erop kunnen vertrouwen dat het energiesysteem digitaal veilig en weerbaar is? Zo ja, welke aanvullende stappen bent u bereid te zetten om dit vertrouwen te versterken?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Daarom werkt het kabinet aan het digitaal veilig en weerbaar houden van het energiesysteem, zoals beschreven in de beantwoording bij de vorige vragen. Aanvullend worden in opdracht van het Ministerie van EZK Nederlandse Technische Afspraken (NTA's) ontwikkeld door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) voor het slim en interoperabel maken van netintensieve apparaten. Dit voorziet dat laadpalen, zonne-omvormers, thuisbatterijen, warmtepompen en overkoepelend de Home Energy Management Systemen (HEMS) als aansturend systeem slim ingesteld kunnen worden en met elkaar kunnen communiceren. Deze afspraken worden opgesteld volgens Europese cybersecuritystandaarden, zodat eindgebruikers kunnen rekenen op een veilige aansturing.8
Welke gevolgen heeft de toenemende cyberveiligheidsopgave voor de huidige opgave rond de uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnet? Worden aanvullende eisen aan digitale veiligheid meegenomen in de planning, uitvoering en kosten van deze uitbreidingen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om alle risico’s volledig uit te sluiten. Tegen deze achtergrond zet het kabinet in op het zoveel mogelijk minimaliseren van risico’s via een risico gebaseerde aanpak die de weerbaarheid effectief en efficiënt verhoogt. Dit betekent dat wordt gekeken naar de doelmatigheid, proportionaliteit en evenredigheid van maatregelen. Voor toekomstige energie-infrastructuur geldt dat maatregelen ten behoeve van (digitale) weerbaarheid het meest effectief en het meest kostenefficiënt zijn wanneer ze aan de voorkant van een traject worden geïmplementeerd. In het vormgeven van ruimtelijk beleid en het fysieke ontwerp van het energiesysteem wordt het aspect (digitale) weerbaarheid ook meegenomen. Binnen het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem gaat dit bijvoorbeeld om het wel of niet clusteren van energieproductielocaties en het wel of niet bundelen van energie-infrastructuur. De effecten van het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem op weerbaarheid zullen nader worden onderzocht, waarna keuzes zullen worden vastgelegd in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH II). De hoofdlijnenbrief hierover zal begin 2027 naar de Tweede Kamer worden verzonden en het programma zal in 2028 worden vastgesteld.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en de digitale weerbaarheid van de Nederlandse energie-infrastructuur?
Aankomende Prinsjesdag wordt de Tweede Kamer verder geïnformeerd over het toekomstige energiesysteem, onder andere middels het geactualiseerde NPE en de kabinetsreactie op het Energy Innovation NL rapport «Autonoom en Veilig». Hierin wordt de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en digitale weerbaarheid nader toegelicht.
Kunt u de vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Sluiting Twentekanaal |
|
Renilde Huizenga (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven voor welke binnenvaartwegen, naast de in de artikelen «Twentekanaal vanaf zaterdag dicht voor scheepvaart vanwege lage waterstand» en «Maatregelen Kanaal Almelo-De Haandrik vanwege de droogte» genoemde vaarwegen, in Nederland op dit moment sluiting of stremming geldt of dreigt?1 2
Op dit moment geldt een sluiting of stremming alleen voor de volgende vaarwegen in beheer van het Rijk: de Twentekanalen en de uitlopers daarvan. Bij verdere beperking van de wateraanvoer wordt steeds bezien of vaarwegen zonder beperking open kunnen blijven, met inachtneming van de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks. Het instellen van eenrichtingsverkeer op de IJssel is voorbereid.
Welke gevolgen voorziet u voor de regionale economie, logistieke ketens en werkgelegenheid in (Oost-) Nederland als scheepstransport over diverse kanalen (gedeeltelijk) stilvalt, en hoe zijn deze geraamd (bijvoorbeeld qua extra kosten, vertragingen en CO2-uitstoot door verplaatsing naar wegtransport)?
Wat de gevolgen zijn voor de regionale economie, logistieke ketens, en werkgelegenheid in (Oost-)Nederland, is niet exact in te schatten. Dit is onder andere afhankelijk van de duur van een stremming, of er alternatieve vervoersmogelijkheden zijn, hoe laag het water staat en de maatregelen die in de toekomst mogelijk nog genomen worden. Op dit moment heeft IenW nog geen eigen cijfers over kosten en gevolgen. Er zal een economische evaluatie worden gedaan dit najaar. Op de korte termijn is in ieder geval wel te verwachten dat transport duurder wordt voor verladers, in verband met omvaren, inzet van meerdere vrachtwagens en latere leveringen. Op de lange termijn is de impact (nog) niet goed in te schatten. Op lange termijn zouden logistieke ketens anders ingevuld kunnen gaan worden. In de Beleidsagenda Goederenvervoer is uiteengezet dat een weerbaar en veerkrachtig logistiek systeem nodig is.
Hoe vaak zijn kanalen in de afgelopen vijf jaar (geheel of gedeeltelijk) gesloten of beperkt inzetbaar geweest als gevolg van lage waterstanden en is er een trend zichtbaar die duidt op toenemende kwetsbaarheid door klimaatverandering?
Een beperking als gevolg van lage waterstanden wordt niet centraal bijgehouden. Een vaarwegbeheerder (gemeente, provincie, waterschap) neemt daarover zelfstandig een besluit. Ook voor de vaarwegen in het beheer van het Rijk wordt stremming wegens droogte niet afzonderlijk geregistreerd. Voor bijvoorbeeld het Twentekanaal is het tussen 2018 en 2025 zes maal voorgekomen dat de gemalen als gevolg van een te lage waterstand in de IJssel zijn afgeschakeld (jaren 2018, 2019, 2020, 2022, 2023 en 2025). Als het gemaal vanwege te weinig water niet meer kan draaien, dan is er een pomp nodig om extra water aan te voeren om het gemaal weer te laten functioneren. Om te voorzien in voldoende wateraanvoer naar de Twentekanalen wordt er dan zo lang als mogelijk gebruik gemaakt van een Tijdelijke Pompinstallatie (TPI). In de huidige situatie is het kanaalpeil te snel en te ver doorgezakt. Daarom konden TPI’s niet voorkomen dat het kanaal volledig gestremd werd.
Deelt u de mening dat Nederland zich moet voorbereiden op vaker voorkomende droogteperiodes? Wat zijn de concrete maatregelen van het kabinet om de wateraanvoer naar cruciale vaarwegen zoals het Twentekanaal klimaatbestendig te borgen (bijvoorbeeld middels bufferbekkens, slimme sturing en koppeling met regionale waterreserves)?
Ja, deze mening deel ik. Programma’s als het Deltaplan Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» helpen ons voor te bereiden op waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken. Daarnaast neemt het programma «Ruimte voor de Rivier 2.0» maatregelen in het hoofdwatersysteem om te voorzien in verschillende socio-economische functies, waaronder zoetwatervoorziening, natuur en bevaarbaarheid. Bij de Twentekanalen is er dit jaar bijvoorbeeld preventief gebaggerd zodat er langer kon worden doorgevaren. Daarnaast zijn er tijdelijke pompinstallaties geïnstalleerd voor extra wateraanvoer.
Hoe borgt het kabinet dat bij waterschaarste een eerlijke verdeling plaatsvindt tussen belangen als scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur en landbouw, conform de landelijke afspraken over waterverdeling (Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling)?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte (pdf, 1.2 MB) staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Bent u bereid om, samen met provincies, waterschappen en gemeenten, een regionaal waterbufferplan Twentekanaal te ontwikkelen dat specifiek gericht is op het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen door lage waterstand?
Het Rijk werkt binnen het Deltaplan zoetwater al nauw samen met de provincies, waterschappen en gemeenten om voorbereid te zijn op periodes met lage aanvoeren en zo vaarwegsluitingen door lage waterstand zoveel mogelijk te voorkomen, zie het antwoord op vraag 4. Zo is er al onderzocht of het aanleggen van regionale waterbuffers kan bijdragen aan het voorkomen van watertekorten. De mogelijkheden hiervoor blijken echter beperkt. Het gebied is hooggelegen en zandig, waardoor de buffers relatief snel weer leeglopen. Door de sterk drainerende werking van de bodem zou ook in de winter extra water moeten worden aangevoerd om de buffers goed te vullen en zo te houden. Dit is kostbaar en kan lokaal leiden tot wateroverlastproblemen door interacties met het grondwatersysteem. De inzet ten aanzien van het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen is daarom primair gericht op het robuuster maken van de wateraanvoermogelijkheden.
Om de wateraanvoer te verbeteren wordt vanuit het Deltafonds een tweejarige planstudie gefinancierd. Deze planstudie is samen met partners uit de regio voorbereid. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de vervanging van het gemaal bij sluis Eefde, zodat de inzet van noodpompen op termijn zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Bij een positief besluit over de uitkomsten van de planstudie zullen het Rijk, de provincie Overijssel, de provincie Drenthe en de waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel de uitvoering ervan gezamenlijk financieren.
Hoe verhoudt de huidige afhankelijkheid van het binnenvaarttransport zich tot de plannen voor multimodaal transport (spooraansluitingen, overslagpunten) en welke versnelling is nodig om bij sluitingen alternatieven te bieden?
Het Ministerie van IenW zet zich al langer in voor het versterken van het multimodale karakter van het goederenvervoer. De modaliteiten weg, binnenvaart, spoor en buisleidingen werken daarbij nauw samen om leveringszekerheid te garanderen, zoals recent ook uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer. Onderdeel daarvan is een veerkrachtig en weerbare logistieke keten die in staat is om disrupties, zoals laagwater, zo goed mogelijk op te vangen. Elke modaliteit heeft daarbinnen een eigen rol en voorziet in een bepaalde transportbehoefte.
Binnen het programma Topcorridors wordt in het kader van veerkracht momenteel onderzocht wat op multimodale knooppunten nodig is om verstoringen van de goederenstromen op te vangen. Daarin wordt specifiek gekeken naar de situatie waarin één modaliteit niet beschikbaar is. De resultaten worden in het laatste kwartaal van 2026 verwacht. De Kamer wordt hierover na publicatie geïnformeerd.
Wat doet het kabinet om bedrijven te stimuleren hun logistiek te verduurzamen (bijvoorbeeld een modal shift naar spoor, elektrificatie van wagenparken en slimme logistieke planning) zodat de impact van toekomstige sluitingen van vaarwegen kleiner wordt?
Zoals gemeld in de Beleidsagenda Goederenvervoer is één van de leidende principes voor het goederenvervoer dat deze duurzaam is (TK 2025–2026, 34 244, nr. 13). De inzet is daarbij dat het vrachtvervoer over de weg, het water en het spoor geheel emissieloos is in 2050. Het kabinet zet daarom concreet in op verduurzaming van de vervoersystemen en het creëren van de juiste omstandigheden voor het duurzaam organiseren van transporten. Dat gebeurt onder meer door het stimuleren van een modal shift naar duurzamere transportwijzen, de elektrificatie van het wegtransport, de verduurzaming van de binnenvaart en het realiseren van een netwerk van laad- en tankfaciliteiten voor herwinbare brandstoffen langs de grotere transportroutes. Voor een overzicht van de maatregelen voor het verduurzamen van het goederenvervoer verwijs ik u kortheidshalve naar de Voortgangsbrief Duurzaam vervoer 2025 (TK 2025–2026, 31 305, nr. 524). Het is de bedoeling dat de regeling voor de verduurzaming van de binnenvaart (Tijdelijke subsidieregeling vroege opschaling energietransitie binnenschepen 2026–2029) opengaat in het vierde kwartaal van 2026.
Op welke wijze worden ondernemers en vervoerders tijdig en eenduidig geïnformeerd over (dreigende) sluitingen van vaarwegen, de verwachte duur, alternatieve routes en alternatieve capaciteit?
Gebruikers van vaarwegen worden standaard geïnformeerd door een zogenaamd BAS-bericht (berichten aan de scheepvaart). Hierin wordt zoveel mogelijk informatie verstrekt over oorzaak, aard en duur van de stremming. Daarnaast vindt rechtstreeks informatie-uitwisseling plaats met brancheorganisaties, georganiseerd bedrijfsleven, individuele bedrijven, overheden, recreatievaart, omwonenden en andere belanghebbenden zoals bijvoorbeeld de sportvisserij. Afhankelijk van de aard en de omvang van de stremming worden aanvullende zaken georganiseerd, zoals informatiebijeenkomsten. Ook ben ik in gesprek met ondernemers, zoals boeren, tuinders, schippers en de industrie en houd ik komende periode vinger aan de pols. Verder wordt actief gebruik gemaakt van de media om met algemene berichtgeving en uitleg zoveel mogelijk mensen te bereiken.
Bestaan er afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte en bent u bereid hier actief op aan te sturen?
Er bestaan geen afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte. Het Ministerie van IenW kent geen specifieke compensatie voor extreme droogte maar wel een algemene «Beleidsregel nadeelcompensatie 2024» op grond waarvan ondernemers, ook in geval van droogte, een aanvraag kunnen doen. Situaties van (extreme) droogte worden in de toekomst vaker voorzien als gevolg van verandering van het klimaat. Het is daarom van groot belang dat we daarmee om leren gaan. Het Ministerie van IenW stuurt daarom aan op het versterken van veerkracht en weerbaarheid van de logistieke ketens, zoals uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer.
Hoe borgt u dat lessen uit de huidige sluiting van het Twentekanaal en het kanaal Almelo-De Haandrik structureel worden meegenomen in het nationale mobiliteit- en waterbeleid (bijvoorbeeld via het Nationaal Waterprogramma)?
Voor wat betreft de borging in het nationale waterbeleid, zie het antwoord op vraag 4. Voor wat betreft de borging in het nationale mobiliteitsbeleid, wordt er gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050, waarover de Kamer wordt geïnformeerd. Het leren van deze situatie helpt om te komen tot scenario’s en keuzes in het hoofdvaarwegennetwerk. Voor wat betreft het kanaal Almelo-De Haandrik is de provincie Overijssel het bevoegd gezag en voert deze het vaarwegbeheer.
Bent u bereid om in overleg te treden met belanghebbenden (bedrijven, vervoerders, waterschappen, natuurorganisaties en medeoverheden) over een langetermijnvisie voor kanalen als klimaatbestendige, schone transportas in Nederland?
Ik praat nu al regelmatig met ondernemers die getroffen zijn doordat sluis Eefde is gestremd. Verder vooruitkijkend wordt binnen IenW ook gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050 waarover de Kamer later wordt geïnformeerd. Belanghebbenden worden reeds betrokken en in de Binnenvaarttafel zijn de contouren van de visie aan bod gekomen en strategisch besproken. Hierbij gaat het over het hele vaarwegennetwerk, een klimaatbestendige en schone transportas beslaat immers niet alleen kanalen.
Uitkomsten van het rapport van accountantsbureau BDO |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 20 juli 2026: «Rapport weerspreekt «toevallige vondst» datakluis, ministerie ontkent kwade trouw1»?
Ja.
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 21 juli 2026: «Woede over verzwegen datakluis: «Wat is een parlementaire enquête nog waard2»?
Ja.
Het accountantskantoor BDO concludeert in zijn rapport dat de Belastingdienst onterecht de datakluis met miljoenen documenten over haar eigen fraudeaanpak buiten het zicht heeft gehouden van het parlement en toezichthouders. Wat vindt u hiervan?
Het BDO-rapport laat zien dat op basis van de uitgangspunten die zijn vastgesteld voor de levering van informatie aan de PEFD in 2022, de datakluis in de zoekslag betrokken had moeten zijn. Aangezien op dit moment nog niet duidelijk is wat de inhoud van de documenten in de datakluis is, is nu nog onduidelijk of deze documenten vervolgens relevant zijn om daadwerkelijk aan te leveren aan de PEFD. Het heeft onze prioriteit om op kortst mogelijk termijn op zorgvuldige wijze inzicht te geven in de exacte inhoud van de datakluis.
In het artikel van 20 juli is vermeld dat u er «op dit moment» niet van uitgaat dat er opzettelijk informatie is achtergehouden. Waarop baseert u dit uitgangspunt?
De inrichting van de datakluis is, zoals het BDO-rapport ook beschrijft, voortgekomen uit achterstand op het gebied van archiefbeheer en de AVG die tot deze als tijdelijk bedoelde oplossing hebben geleid. In het rapport komen geen aanwijzingen naar voren dat bij de levering aan de PEFD, of in andere onderzoeken, de datakluis bewust buiten beschouwing is gebleven met de bedoeling informatie achter te houden.
Uit het onderzoek van BDO blijkt dat de ambtelijke top deze afgeschermde kluis in liet 2019 maken voor alle documenten die niet aan de nieuwe privacywet (AVG) voldeden, om zo een hoge boete van de Autoriteit Persoonsgegevens te ontlopen. Wat vindt u van deze keuze van uw voorgangers? Heeft u er tijdens uw periode als bewindspersoon ook voor gekozen om een afgeschermde kluis op te zetten? Zo ja, wanneer?
Onze voorgangers hebben gehandeld met de inzichten en mogelijkheden die destijds beschikbaar waren. In onze periode zijn wij niet voor een dergelijke keuze komen te staan.
Bent u het ermee eens dat dit wel zeer sterk de indruk wekt dat de ambtelijke top deze documenten – waar tevens onbewerkte brondata in zaten van discriminerende fraudelijsten – bewust heeft willen verbergen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wij delen deze indruk niet. Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. De datakluis is indertijd als tijdelijke maatregel ingericht, met de bedoeling om de documenten in de kluis volgens geldende regels voor archiefbeheer te ordenen en te archiveren. Er is op dit moment geen zicht op de inhoud van de bestanden die in de datakluis zitten en veilig zijn gesteld van vernietiging.
Wel laat het BDO-rapport wat ons betreft zien dat de Belastingdienst te maken had met verouderde systemen, veel achterstallig werk, processen die niet goed werkten en onvoldoende op orde waren en dat er onvoldoende sensitief werd gewerkt.
Klopt het dat ambtenaren hebben gewaarschuwd? Klopt het dat deze waarschuwingen in de wind zijn geslagen? Kunt u alle onderliggende stukken die betrekking hebben op dit besluit naar de Kamer sturen?
Het klopt dat een medewerker van de Belastingdienst in juni 2022 in het kader van de PEFD tweemaal heeft gevraagd hoe wordt omgegaan met de datakluis. De laatste mail is opgenomen in de bijlage bij de kamerbrief van 10 juli 2026. Voor een volledig beeld treft u ook de eerste e-mail als bijlage bij deze beantwoording.
Uit het rapport van BDO blijkt dat er signalen zijn geweest over het bestaan van de datakluis. Dit zijn dezelfde signalen als waarvan ik in het voorgaande antwoord aangaf, dat het BDO-rapport noch de tijdlijn aanwijzingen bevat dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. BDO beveelt aan om onderzoek te doen naar signalen in het proces van informatievoorziening. In onze brief van 10 juli 2026 hebben wij genoemd dat wij deze aanbeveling onverkort overnemen. Wij willen deze signalen onafhankelijk onderzoeken, door het onderzoek en het opdrachtgeverschap daarvan, onafhankelijk te organiseren. Daarmee gaan we ervan uit dat we dit overzicht van signalen op een later moment aan uw Kamer kunnen verstrekken.
Ook blijkt dat er informatie van ouders in de kluis is gestopt omdat deze niet mocht worden gebruikt volgens de AVG. Wat vindt u hiervan?
Er zijn in dit stadium geen conclusies te trekken, omdat de inhoud van de datakluis nog wordt onderzocht. De datakluis werd gevuld met data afkomstig van netwerkschijven. Deze netwerkschijven betroffen een gedeelde werkomgeving waarop meerdere medewerkers bestanden kunnen opslaan en openen. Deze schijf bevat verschillende type documenten, zoals Word- en PDFdocumenten en PowerPointpresentaties. Deze schijf kan documenten bevatten die ongestructureerd zijn opgeslagen of waarvan de status niet te achterhalen is. De datakluis is niet gevuld vanuit de primair proces systemen. In primair proces systemen zijn fiscale- en toeslaggegevens van burgers en bedrijven opgeslagen. Er kan echter niet uitgesloten worden dat data uit een primair proces systeem is opgeslagen op een netwerkschijf en zodoende ook of als kopie alsnog in de datakluis terecht is gekomen.
Hoe kijkt u terug op uw eerdere verklaringen in mei, toen u verklaarde dat de datakluis «bij toeval» was ontdekt tijdens een opschoningsactie van de harde schijf? De documenten waren volgens u door een «technische fout in de zoeksoftware» ook onvindbaar geworden. Staat u nog steeds achter deze woorden, ondanks het feit dat het BDO-rapport dit tegenspreekt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken niet dat in mei 2026 door mij is gezegd dat de datakluis «bij toeval» is ontdekt. Ik verwijs hiervoor naar de handelingen van het twee minutendebat van 16 april 2026 met uw Kamer.
In 2017 waarschuwde Sandra Palmen als toenmalige Belastingdienst-jurist dat de fiscus intern onrechtmatig handelde bij ouders met kinderopvangtoeslag. Hoe kijkt u naar uw eigen handelen in uw huidige rol als Staatssecretaris ten aanzien van dit onrechtmatig handelen?
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Bent u het ermee eens dat het achterhouden van informatie over de fraudeaanpak raakt aan het vertrouwen van mensen in de overheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het vertrouwen van mensen in de overheid is gebaat bij een overheid die open en transparant handelt. Het achterhouden van informatie kan afbreuk doen aan dat vertrouwen. Het uitgangspunt blijft dat de regering tijdig, volledig en juist informeert en transparant communiceert over de afwegingen die daarbij worden gemaakt.
Dat er mogelijk relevante informatie in de datakluis in de afgelopen jaren niet is doorzocht bij leveringen van informatie aan onder andere de PEFD en daarmee uw Kamer, betreuren wij zeer. Met onze brief van 10 juli 2026 geven wij aan hoe relevante bestanden uit de datakluis zo snel, transparant en zorgvuldig mogelijk alsnog aan uw Kamer en aan burgers en bedrijven kunnen worden geleverd.
Het onderzoek geeft aan dat het Ministerie van Financiën al zes jaar aangaf dat de originele e-mails, spreadsheets en fraudelijsten (RAM, FSV en PIT) niet meer bestaan. Maar in de datakluis blijken nu zelfs de onbewerkte, historische brondata te zitten van de discriminerende selectiecriteria die de Belastingdienst gebruikte. Deze data werden zonder wettelijke basis, dus illegaal, gedeeld met andere overheidsinstanties en particuliere organisaties, zoals banken. Deelt u deze analyse? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het BDO-rapport is er een overzicht van de mappenstructuur van de datakluis. Er is echter nog geen volledige inventarislijst van de inhoud van de datakluis, omdat de datakluis nog niet volledig is geïndexeerd. Deze indexatie wordt op dit moment nog uitgevoerd. Na indexatie zal een inventarislijst worden opgesteld. Ook is nog onbekend of data uit de datakluis zijn gedeeld met andere partijen.
Of de door u genoemde informatie daadwerkelijk in de datakluis zit, zal moeten blijken uit de 3-sporen aanpak zoals we die in de Kamerbrief van 10 juli 2026 op hoofdlijnen hebben geschetst.
Weet u welke straf er staat op het achterhouden van informatie voor een parlementair ondervragingscommissie en een parlementaire enquête?
In artikel 192a van het Wetboek van Strafrecht is het opzettelijk niet voldoen aan een vordering tot inzage of het nemen van afschrift van documenten door een parlementaire enquêtecommissie strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Wat vindt u ervan dat er op het Toeslagendossier een patroon is van informatie achterhouden voor de Kamer? Welke stappen gaat u zetten om dit patroon te doorbreken?
De informatiehuishouding van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen was niet op orde en is dat momenteel ook nog niet volledig. Er zijn inmiddels diverse maatregelen genomen om hier verbeteringen in te realiseren. Denk hierbij aan bewustwording binnen deze diensten over de juiste manier van omgaan met informatie, betere ICT ondersteuning voor document- en archiefbeheer en regelmatige beoordelingen van ontwikkelingen rondom informatiehuishouding en zo nodig aanpassing van processen. Met het programma Informatie op Orde worden de Wet open overheid en de Archiefwet verder geïmplementeerd bij de Belastingdienst. Het streven is om de informatiehuis-houding bij de Belastingdienst per 2026 naar een hoger volwassenheidsniveau te brengen.
Wat zijn volgens u de regels rondom het vertrekken van informatie aan de Kamer? Bent u het ermee eens dat het achterhouden van deze informatie het de Kamer onmogelijk maakt haar controlerende taak uit te voeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In artikel 68 van de Grondwet is de inlichtingenplicht opgenomen. Naast een passieve inlichtingenplicht wordt ook een actieve inlichtingenplicht onderscheiden. Wij zijn ons terdege bewust van deze inlichtingenplicht en daarom is het te allen tijde ons streven om daaraan te voldoen. Juist ook omdat de inlichtingenplicht voortvloeit uit de verantwoordingsplicht voor Ministers en Staatssecretarissen die in het parlementaire stelsel ligt besloten. Als blijkt dat inlichtingen ten onrechte (toch) niet aan uw Kamer zijn verstrekt, dan zal dat alsnog gebeuren. Het tijdig, juist en volledig informeren van uw Kamer staat voor ons voorop.
Hoe reflecteert u op uw eigen handelen in dit dossier het afgelopen jaar?
Het afgelopen jaar is ingezet op het zorgvuldig voortzetten van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagaffaire, de informatievoorziening aan ouders en aan uw Kamer verder te verbeteren en knelpunten waar mogelijk weg te nemen.
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Welke gevoelens roept het bij u op dat ouders tot in de miniemste details informatie verstrekken, terwijl de Belastingdienst zelf een kluis met 64 miljoen documenten verborgen heeft gehouden? En welke gevoelens roept dit volgens u op bij deze ouders?
Het is begrijpelijk dat de berichtgeving over de datakluis ouders raakt en mijn aandacht gaat altijd uit naar de getroffen ouders. Daarom wordt er blijvend ingezet op een zorgvuldige en volledige afhandeling van informatieverzoeken en het verbeteren van de informatiehuishouding. Het uitgangspunt is en blijft dat ouders recht hebben op een zo volledig mogelijke inzage in de informatie die op hun situatie betrekking heeft, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders. Daarbij willen wij benadrukken dat herstel- en compensatiekaders worden gevormd door gebeurtenissen en gevoelens uit iemands levens. Dit staat niet in documenten. De hersteloperatie gaat uit van het verhaal van ouders. Het in de vraagstelling gesuggereerde beeld dat ouders «tot in de minieme details» informatie moeten verstrekken wordt niet herkend.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Oliebedrijven en raffinaderijen die extra winsten (overwinsten) maken tijdens de Iran-oorlog |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het AD, gepubliceerd op 20 juli 2026: «Marktwaakhond zet prijsopbouw van benzine en diesel online, zoveel verdienen raffinaderijen per liter»?1
Ja.
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben de hogere brandstofprijzen geleid tot overwinsten bij olieproducenten. Vindt u deze overwinsten acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet begrijpt het ongemak dat bedrijven profiteren van de oorlog in het Midden-Oosten. Voor de olieproductie geldt dat de winsten voor het overgrote deel in het buitenland neerslaan en in Nederland niet kunnen worden belast. Voor de Nederlandse raffinagesector is aannemelijk dat de winstmarges zijn toegenomen. Het kabinet heeft echter geen zicht op individuele prijsafspraken. Doordat raffinaderijen deels met vaste-prijscontracten werken, blijft de invloed van actueel hogere marktprijzen op hun winsten mogelijk uit. Bovendien is deze markt nauw verweven met die van andere Europese landen. Het kabinet heeft daarom eerder aangegeven eerst in Europees verband te willen optrekken
De ACM geeft aan dat de winstmarge van oliebedrijven en raffinaderijen hoger ligt dan vóór de oorlog in Iran. Hoe verklaart u dit?
Als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten is een deel van de olie- en raffinagecapaciteit weggevallen wat leidt tot hogere marktprijzen. Dit stimuleert oliebedrijven en raffinaderijen om zo veel mogelijk te produceren, wat zij op dit moment gelukkig ook doen. Op termijn zal dit de prijsstijging beperken. Specifiek voor diesel geldt hierbij dat Europa netto-importeur is geworden en de raffinagecapaciteit schaars is. Dit onderstreept het belang van voldoende raffinagecapaciteit in Nederland om leveringszekerheid te garanderen. De dieselprijs is de afgelopen maanden daardoor harder gestegen dan de benzineprijs. Het is hierbij wel belangrijk om de huidige cijfers in perspectief te plaatsen: de energiesector is sterk cyclisch en deze marges volgen op periodes waarin de raffinagesector juist aanzienlijk slechtere tijden heeft gekend.
Bent u het ermee eens dat de automobilist en consumenten via hogere transportkosten de prijs betalen voor de hoge winsten van oliebedrijven en raffinaderijen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, schaarste van een bepaald goed, in dit geval olie en olieproducten, leidt altijd tot hogere prijzen. De oorlog in het Midden-Oosten zorgt ervoor dat olie tegen een hogere prijs ingekocht moet worden. Dit leidt tot extra opbrengsten in het buitenland en zorgt ervoor dat we collectief armer worden. Ook in de raffinagesector is er sprake van schaarste, wat zorgt voor een verdere stijging van de brandstofprijs. Dit is met name bij diesel het geval. Belangrijke kanttekening daarbij is dat dit slechts één klein onderdeel vormt van de totale koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Volgens de laatste cijfers van het CPB komt de mediane koopkrachtgroei van huishoudens in 2026 uit op +0,6%.
Bent u het ermee eens dat de automobilist lagere prijzen aan de pomp zou kunnen betalen, mits daar politiek toe wordt besloten? Zo ja, hoe zou dit volgens u het beste kunnen? Zo nee, waarom niet?
De oorlog in het Midden-Oosten zorgt ervoor dat we collectief armer worden, want als land betalen we meer voor de olie die we moeten importeren uit het buitenland. De toegenomen marges in de olieproductie en raffinage zijn de reden dat automobilisten een hogere prijs aan de pomp betalen. In het voorjaar heeft het kabinet breed gewogen welke maatregelen genomen worden om de koopkracht van burgers en bedrijven te ondersteunen. Het kabinet heeft toen gekozen voor een gerichte aanpak, zoals het verhogen van de onbelaste reiskostenvergoeding van 23 naar 25 cent per kilometer. Ook heeft het kabinet een tijdelijke korting op treinreizen geïntroduceerd, waar bijna 400 duizend mensen deze zomer gebruik van hebben gemaakt. Een verlaging van de brandstofaccijns heeft als nadeel dat het ongericht is en de prikkel om brandstof te besparen vermindert, terwijl er sprake is van een aanbodcrisis en brandstof besparen dus belangrijk is. Mede door deze ongerichtheid heeft het verlagen van de brandstofaccijns een groot budgettair beslag. Het verlagen van de accijns op diesel en benzine met 1 cent kost circa 0,1 mld. per jaar, wat in de begroting gedekt zou moeten worden.
Wat maakt dat u deze overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen niet méér belast dan nu het geval is? Wat maakt dat u nog niet over bent gegaan tot het invoeren van een overwinstbelasting zoals u eerder aangaf te overwegen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat er sprake zou zijn van overwinsten?
Het kabinet begrijpt het ongemak dat er bedrijven zijn die profiteren van de oorlog in het Midden-Oosten. Er zijn duidelijke signalen dat de commerciële winstmarges in de oliesector zijn toegenomen. Voor Nederlandse bedrijven gaat het voornamelijk om de raffinagesector. Het is hierbij wel belangrijk om de huidige cijfers in perspectief te plaatsen: de energiesector is sterk cyclisch en deze marges volgen op periodes waarin de raffinagesector juist aanzienlijk slechtere tijden heeft gekend. Tegelijkertijd is de winst uiteindelijk een uitkomst van de prijs die op de markt tot stand komt. Hierop ingrijpen is verstorend voor de markt, terwijl de Nederlandse raffinagesector met een marktaandeel van circa 10% in de totale Europese raffinageproductie belangrijk is voor de Europese leveringszekerheid. Ingrijpen vermindert de prikkel voor bedrijven om te investeren. Als bedrijven verwachten (al dan niet achteraf) dat extra winsten worden afgeroomd, zullen ze minder geneigd zijn om risico’s te nemen of te investeren in nieuwe energieprojecten. Dit heeft mogelijk een negatief effect op het investeringsklimaat in Nederland. Een nationale overwinstbelasting voor de oliesector moet daarom zorgvuldig worden gewogen, temeer omdat de vormgeving juridisch niet eenvoudig is en de hogere winsten al worden belast via de vennootschapsbelasting. Het kabinet heeft daarom eerder aangegeven eerst in Europees verband te willen optrekken. Tot nu toe heeft de Europese Commissie geen nadere uitgebreidere analyse gedeeld. Het kabinet geeft nog steeds de voorkeur aan een Europese analyse en aanpak, waarbij er ruimte is voor de specifieke nationale omstandigheden.
Deelt u de mening dat de belasting op de overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen omhoog moet om voor financiële verlichting te zorgen aan de pomp? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Vindt u het belangrijker dat oliebedrijven gigantische winsten maken of dat de automobilist een acceptabele prijs aan de pomp betaalt?
Zie het antwoord op vraag 6.
Op 13 juli 2026 kostte een liter benzine aan een Nederlandse pomp gemiddeld 2,27 euro. Daarvan ging 0,40 euro naar btw en 0,85 euro naar accijns. Vindt u het rechtvaardig dat een automobilist in Nederland veel meer btw en accijns aan de pomp betaalt dan in andere Europese landen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De brandstofaccijns zijn een belangrijke inkomstenbron voor de overheid en zorgt ervoor dat de Nederlandse overheid geld uit kan geven aan bijvoorbeeld de zorg en goed onderwijs. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de zorgen over de hoge brandstofprijs. De afgelopen paar jaar is de brandstofaccijns daarom tijdelijk verlaagd en voor 2027 heeft het kabinet opnieuw geld gereserveerd voor een tijdelijke verlaging. Voor 2027 is hiervoor 0,9 mld. euro gereserveerd. Een verdere verlaging van de brandstofaccijns betekent dat de belastingen op andere grondslagen omhoog moet of dat bezuinigd moet worden op de uitgaven. Dat vindt het kabinet onwenselijk en kiest hier daarom niet voor.
Bent u bereid om de komende weken een overwinstbelasting voor oliebedrijven en raffinaderijen in te voeren? Zo ja, per wanneer? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet begrijpt het ongemak dat er bedrijven zijn die profiteren van de oorlog in het Midden-Oosten. Er zijn duidelijke signalen dat de commerciële winstmarges in de oliesector zijn toegenomen. Voor Nederlandse bedrijven gaat het voornamelijk om de raffinagesector. Het is hierbij wel belangrijk om de huidige cijfers in perspectief te plaatsen: de energiesector is sterk cyclisch en deze marges volgen op periodes waarin de raffinagesector juist aanzienlijk slechtere tijden heeft gekend. Tegelijkertijd is de winst uiteindelijk een uitkomst van de prijs die op de markt tot stand komt. Hierop ingrijpen is verstorend voor de markt, terwijl de Nederlandse raffinagesector met een marktaandeel van circa 10% in de totale Europese raffinageproductie belangrijk is voor de Europese leveringszekerheid. Ingrijpen vermindert de prikkel voor bedrijven om te investeren. Als bedrijven verwachten (al dan niet achteraf) dat extra winsten worden afgeroomd, zullen ze minder geneigd zijn om risico’s te nemen of te investeren in nieuwe energieprojecten. Dit heeft mogelijk een negatief effect op het investeringsklimaat in Nederland. Een nationale overwinstbelasting voor de oliesector moet daarom zorgvuldig worden gewogen, temeer omdat de vormgeving juridisch niet eenvoudig is en de hogere winsten al worden belast via de vennootschapsbelasting. Het kabinet heeft daarom eerder aangegeven eerst in Europees verband te willen optrekken. Ter uitvoering van de motie van de leden Klaver en Paternotte2 heeft het kabinet tijdens de Ecofinraad van 4 en 5 mei opgeroepen tot een nadere analyse van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gasbedrijven als gevolg van de huidige hoge prijzen. Daarnaast heeft het kabinet opgeroepen op EU-niveau de juridische mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten als er inderdaad sprake is van overwinsten, op zowel de Ecofinraad van 4 en 5 mei als op de informele Energieraad van 12 en 13 mei. Tot nu toe heeft de Europese Commissie geen nadere uitgebreidere analyse gedeeld. Het kabinet geeft nog steeds de voorkeur aan een Europese analyse en aanpak, waarbij er ruimte is voor de specifieke nationale omstandigheden.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
De vragen zijn zoveel mogelijk één voor één beantwoord.
De aanpak van nepreviews |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
In 2021 zijn nepreviews verboden bij wet, in 2024 werd echter geconcludeerd dat de problemen met nepbeoordelingen niet afnemen maar toenemen, herkent u dit beeld?1
Ik ben bekend met de publicatie van BEUC uit december 2025. BEUC geeft daarin aan dat consumenten nog steeds worden blootgesteld aan nepbeoordelingen en dat de huidige regelgeving nog onvoldoende effectief is om deze praktijken tegen te gaan.
Consumenten gebruiken online reviews bij het vergelijken van producten en diensten en wegen deze informatie mee bij hun aankoopbeslissing. De betrouwbaarheid van reviews is daarbij van belang. Nepbeoordelingen kunnen consumenten daarom misleiden en ertoe leiden dat zij een andere aankoopbeslissing nemen dan zij zouden hebben gedaan wanneer zij over betrouwbare informatie hadden beschikt.
Ik herken het beeld dat de aanpak van nepbeoordelingen in de praktijk complex is. Het is mij niet bekend dat deze problemen zouden zijn toegenomen. De opkomst van AI kan ervoor zorgen dat nepreviews makkelijker opgesteld kunnen worden. Tegelijkertijd biedt AI ook mogelijkheden om dergelijke content sneller op te sporen.
Erkent u dat consumenten misleid worden en de verkeerde keuzes maken doordat de aanpak van nepreviews nog niet afdoende werkt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat lidstaten nu voldoende mogelijkheden hebben om nepreviews aan te kunnen pakken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en welke extra maatregelen zijn volgens u nodig?
Het (laten) plaatsen van valse beoordelingen of aanbevelingen is sinds mei 2022 in Nederland expliciet verboden voor handelaren.2 Ook is het voor handelaren verboden om te beweren dat beoordelingen van producten zijn ingediend door consumenten die het product daadwerkelijk hebben gebruikt of aangekocht, zonder dat de handelaar redelijke en proportionele stappen heeft genomen om dit na te gaan. Dit geldt ook voor review-websites. Ik ben daarom van mening dat er voldoende wettelijke mogelijkheden zijn om handelaren aan te kunnen pakken die gebruik maken van nepbeoordelingen.
De Autoriteit Consument & Markt (ACM), die belast is met de handhaving van onderhavige wetgeving, concludeert dat het nog zeer lastig is om op te treden tegen het aanbieden en verkopen van nepinteracties en -recensies, erkent u dit en steunt u hun wens voor uitbreiding van de Digital Fairness Act?
De ACM heeft in 2024 handhavingsacties ondernomen rondom nepbeoordelingen.3 In dit kader heeft de ACM onder meer 14 verkopers verzocht te stoppen met het aanbieden en plaatsen van nepreviews. De helft van de aangesproken partijen heeft dit ook daadwerkelijk gedaan. De ACM beoordeelde dit als een geschikte eerste stap met impact.4
Optreden tegen partijen die nepbeoordelingen verkopen is voor de ACM gecompliceerd, onder meer omdat deze partijen regelmatig vanuit een ander land (ook buiten de EU) opereren. Ook moet de ACM aannemelijk maken dat de nepbeoordelingen daadwerkelijk geplaatst zijn (door de verkoper van nepbeoordelingen of door de handelaar die de nepbeoordelingen heeft gekocht).
De ACM verzoekt in haar inzet rondom de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA) om ook het verkopen van nepbeoordelingen zelf te verbieden.5 Ik heb begrip voor deze wens van de ACM, omdat de ACM daarmee effectiever zou kunnen optreden. Het aanbieden van nepbeoordelingen is namelijk makkelijker te bewijzen dan het (laten) plaatsen van deze nepbeoordelingen. Een complicerende factor hierbij is echter dat de verkoop van nepbeoordelingen een transactie tussen twee bedrijven is en daardoor lastig binnen de reikwijdte van het consumentenrecht past. Het consumentenrecht ziet namelijk op de relatie tussen de handelaar en de consument en in principe niet op een transactie tussen een handelaar en toeleverancier. Een mogelijk alternatief zou kunnen zijn om het opstellen van nepbeoordelingen op verzoek van een handelaar als oneerlijke handelspraktijk aan te merken.
Steunt u het voorstel van de ACM om het aanbieden en verkopen van neprecensies of -interacties te verbieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke stappen wilt u zetten om de Europese Commissie te overtuigen van een verbod op de verkoop van neprecensies en -interacties?
De inzet van de Nederlandse regering6 en van de ACM7 rondom de DFA is separaat in een eerdere fase van het proces aan de Europese Commissie (hierna: EC) kenbaar gemaakt. Door de ACM is haar voorstel rondom de verkoop van nepbeoordelingen hierin meegenomen. Het wetgevend voorstel van de EC voor de DFA wordt in het vierde kwartaal van dit jaar verwacht. Het wetgevingsproces bevindt zich reeds in een vergevorderd stadium waarbij zeer beperkt ruimte is voor de Commissie om nog aanvullende beleidsvoorstellen mee te nemen. Het kabinet zal de verdere inzet rondom de DFA bepalen nadat het wetgevend voorstel van de EC is gepubliceerd en daartoe een BNC-fiche opstellen.
Hoe beoordeelt u het voorstel van de ACM om externe leveranciers of tussenpersonen aansprakelijk te stellen voor de oneerlijke beïnvloedingstechnieken die zij ontwikkelen of helpen ontwikkelen en faciliteren?
Het voorstel van de ACM voor de aansprakelijkheid van derde partijen is breder van aard dan de problematiek rondom nepbeoordelingen. Het zou hierbij bijvoorbeeld kunnen gaan om verkopers van designs en templates voor websites waar mogelijk verboden handelspraktijken in worden gebruikt. Volgens de ACM maakt een groot deel van Nederlandse online webwinkels gebruik van dergelijke derde partijen, waardoor het de effectiviteit van handhaving ten goede kan komen om ook deze leveranciers rechtstreeks aan te kunnen spreken.
Het is goed de mogelijkheid van een wettelijke aansprakelijkheid van externe leveranciers in ogenschouw te nemen en in Europees verband de voor- en nadelen daarvan te beoordelen, als ook te kijken naar andere oplossingen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen plaatsvinden in het kader van de aankomende onderhandelingen over de DFA. Dit zou dan moeten gebeuren tegen de achtergrond dat consumenten onder het huidige consumenten- en contractenrecht een hoog niveau van bescherming hebben.
Het consumentenrecht kent al regels inzake oneerlijke handelspraktijken, zoals misleidende handelspraktijken (bijv. artikel 6:193 g BW). Als er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, dan kan de consument de overeenkomst vernietigen. Daarnaast kunnen consumenten voor producten die zij online hebben gekocht gebruik maken van het herroepingsrecht en het product binnen 14 dagen retourneren. Ook hebben consumenten in Nederland recht op een goed product zolang zij dat redelijkerwijs mogen verwachten. Als het product bij normaal gebruik toch snel kapotgaat, dan moet de verkoper dit probleem verhelpen (bijvoorbeeld door het product te repareren, vervangen of het geld terug te geven). Als het product stuk gaat binnen een jaar, dan wordt aangenomen dat het product ondeugdelijk was op het moment van de aankoop. Het is dan aan de verkoper om het tegendeel te bewijzen. Na een jaar is het aan de consument om te bewijzen dat hij het product normaal heeft gebruikt en niet door zijn toedoen kapotgegaan is. Schade die door een product wordt veroorzaakt, dient de verkoper op grond van wanprestatie te vergoeden (artikel 7:24 lid 1 BW).
Hierbij merk ik nog op dat een consument op grond van het huidige recht ook een derde (iemand met wie hij geen contractuele relatie heeft) kan aanspreken op grond van onrechtmatige daad. Dit lijkt in het geval van bijvoorbeeld nepreviews wel een moeizame weg voor de in de vraag genoemde externe leveranciers. Niet alleen zal het voor een consument moeilijk zijn om te achterhalen wie de nepreviews heeft verstrekt aan de verkoper, als dit al mogelijk is. Ook zal de consument aan dienen te tonen dat hij schade heeft als gevolg van de nepreviews (schade en causaal verband). Bij de aankoop van een product zijn immers meer aspecten van belang dan de nepreviews, waaronder de prijs, de kwaliteit en de door de verkoper verstrekte informatie.
Deelt u onze mening dat schade die aangebracht wordt aan consumenten vergoed moet kunnen worden?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u voorstander van een uitbreiding van het consumentenrecht met een wettelijke aansprakelijkheid voor externe leveranciers?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u voorts onze mening dat consumenten meer mogelijkheden moeten krijgen om gepersonaliseerde content van grote bedrijven te weigeren?
Ik vind dat consumenten effectieve controle moeten hebben over het gebruik van (persoons)gegevens en hun voorkeuren voor gepersonaliseerde data. Voor consumenten kan het soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer en hoe zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Dit kan onder andere het gevolg zijn van een gebrek aan transparantie over hoe de personalisatie van content precies tot stand komt, of van misleidende patronen, ingewikkelde formulieren of toestemmingsmoeheid. Hierdoor bestaat het risico dat consumenten hun ware voorkeuren niet (kunnen) uiten. Het kabinet zet zich daarom in voor de verbetering van deze situatie, onder meer binnen het kader van de DFA en ePrivacyrichtlijn.8
Gepersonaliseerde content staat nu standaard ingeschakeld, deelt u de mening van de ACM dat dit moet worden omgedraaid en dat algemene content de standaardinstelling moet zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De ACM schetst in haar document9 een drietal beleidsopties die niet logischerwijs allemaal gelijktijdig zouden moeten worden ingevoerd. Één daarvan is dat algemene, niet-gepersonaliseerde content de standaardinstelling zou moeten zijn.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 ben ik van mening dat consumenten effectieve controle moeten hebben over hun personalisatievoorkeuren. Ik sta daarom in de basis positief tegenover een «opt-in» of «opt-out» systeem zoals geschetst door de ACM en dit is ook een richting die door de EC verkend lijkt te worden in het kader van de DFA. Of een dergelijk systeem een effectieve en proportionele maatregel zou zijn, moet daarom ook blijken uit de impact assessment van de EC voor de DFA. Hierbij vind ik het van belang dat de maatregel ook realistisch uitvoerbaar moet zijn voor kleinere handelaren en dat de maatregel de effectieve controle van consumenten daadwerkelijk vergroot. Ik wacht de voorstellen van de EC en de resultaten van de impact assessment daarom met interesse af.
De AMC wil ook dat er meer transparantie en consistentie wordt geëist van handelaren over hoe ze gepersonaliseerde content aanbieden, deelt u deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u zich inzetten voor verbetering van de EU-wetgeving over consumentenbescherming en privacy zodat dit kan worden afgedwongen?
Ja, deze mening deel ik. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 10 kan het voor consumenten soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Conform mijn inzet voor de aankomende DFA ben ik in dit kader ook van mening dat algemene voorwaarden makkelijker te begrijpen moeten zijn, bijvoorbeeld via standaardisatie.10 Dit kan consumenten helpen betere keuzes te maken voordat ze zich aanmelden voor digitale diensten.
Daarnaast zet het kabinet zich op het gebied van privacy in om het voor burgers makkelijker te maken om hun rechten uit te oefenen. Dit doet zij in de lopende onderhandelingen over de Omnibus Digitaal.
Tot slot stelt de ACM voor om consumenten een «één-klik» optie te geven om gepersonaliseerde reclame te weigeren, wilt u zich hiervoor inzetten?
De «één-klik» optie is een van de andere opties die door de ACM geschetst is om meer grip te krijgen op gepersonaliseerde content. Ik ben van mening dat consumenten controle moeten hebben over hun (persoonlijke) data en personalisatie voorkeuren, en dat er keuzevrijheid moet zijn voor de consument. Dat wil zeggen: de consument moet zelf kunnen bepalen of hij gepersonaliseerde content of niet-gepersonaliseerde/standaard content wil zien. Zoals weergegeven in het BNC-fiche over de Omnibus Digitaal, welke op 12 december 2025 met uw Kamer is gedeeld, staat het kabinet positief tegenover oplossingen om het voor burgers makkelijker te maken hun rechten uit te oefenen. Het steunen van deze voorstellen in Europees verband is daarom reeds onderdeel van de kabinetsinzet. Voor een «opt-out» voor de gepersonaliseerde content zou het vooral van belang zijn dat deze effectief is en op een makkelijke manier toegankelijk. Daarnaast moet het ook voor kleinere handelaren realistisch zijn om een dergelijke opt-out te realiseren.
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
De economische activiteiten van Spar in Rusland |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Rusland opent de ene na de andere Spar zijn deuren: hoe kan dat?» in het Algemeen Dagblad d.d. 10 juli 2026?1
Ja.
Is het voor Nederlandse supermarkten juridisch toegestaan om in Rusland direct, dan wel via licenties economisch actief te zijn?
Het kabinet doet geen uitspraken over individuele gevallen. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat economische activiteiten van Nederlandse bedrijven in Rusland niet verboden zijn. Wel moeten zij volledig voldoen aan de geldende EU-sancties en andere toepasselijke wet- en regelgeving. Er gelden omvangrijke sancties tegen Rusland. Binnen de kaders van de sanctiemaatregelen is het ontplooien van economische activiteiten in Rusland juridisch toegestaan.
Vindt u het moreel laakbaar als Nederlandse supermarkten in Rusland actief zijn? Zo nee, waarom niet?
Naast de bestaande sanctiemaatregelen hanteert het kabinet een actief ontmoedigingsbeleid voor Nederlandse bedrijven die actief zijn op de Russische markt of dat overwegen, vanwege de voortdurende Russische agressieoorlog in Oekraïne. Het ontplooien van economische activiteiten kan de inkomsten van de Russische regering vergroten en die kunnen worden ingezet om de oorlog tegen Oekraïne te financieren. Daarnaast brengt zakendoen in Rusland aanzienlijke risico’s met zich mee, zoals het aanwenden van de onteigende activa van Europese bedrijven voor de oorlogsvoering en risico op sanctieovertreding. In het geval van onteigening kan de Nederlandse overheid niets voor de betrokken Nederlandse bedrijven doen.
Bent u bereid zich in te spannen voor een expliciet verbod voor Nederlandse supermarkten om in Rusland direct, dan wel via licenties economisch actief te zijn? Zo ja, welke stappen onderneemt u daartoe? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spant zich voortdurend in voor het verzwaren van de EU sancties op Rusland. Voor aanvullende sancties is altijd EU-unanimiteit noodzakelijk. Daarbij ligt de prioriteit van het kabinet bij maatregelen met een directe impact op het Russische militair-industrieel complex en het Russische verdienvermogen op mondiale grondstoffen- en energiemarkten. Tot op heden zijn minder sancties aangenomen die de Russische voedselsector raken, mede vanwege het belang dat een groot aantal lidstaten – waaronder Nederland – hecht aan het beperken van de impact van sancties op de mondiale voedselzekerheid. Tegelijkertijd liggen wat het kabinet betreft in principe alle opties op tafel.
Bent u het eens met sanctierechtadvocaat Yvo Amar, die stelt dat overeenkomsten altijd kunnen worden beëindigd, al kost het «soms alleen wel veel geld en moeite»? Bent u het eens met de observatie in het artikel dat «een vermoeden van mogelijke schending van de sancties tegen Rusland» al een legitieme onderbouwing kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Van ondernemingen mag worden verwacht dat zij passende maatregelen treffen om naleving van de sanctieregelgeving te waarborgen en waar nodig risico's op overtredingen zorgvuldig te beoordelen. Of in een concreet geval een vermoeden van een mogelijke schending van sanctieregelgeving een toereikende grond vormt voor het beëindigen van de contractuele relatie is afhankelijk van diverse factoren: de feiten en omstandigheden van het geval, de toepasselijke contractuele afspraken en het geldende recht. Over contractuele afspraken tussen commerciële partijen kunnen door het kabinet geen uitspraken worden gedaan.
Bent u het eens met sanctierechtadvocaat Heleen over de Linden, die stelt dat Europese bedrijven tegenwoordig steeds beter beschermd zijn tegen claims uit Rusland, waardoor het «voor Russische bedrijven inmiddels «nagenoeg onmogelijk» is om succesvol juridisch verhaal te halen»? Zo nee, waarom niet? Bent u in dat geval bereid zich in te spannen voor nog betere bescherming van Europese bedrijven tegen schadeclaims naar aanleiding van contractbreuk wegens (vermoedens van) sanctieovertredingen?
De EU heeft de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen om Europese bedrijven meer rechtszekerheid te bieden bij de naleving van sancties. Zo bevat de EU-sanctieregelgeving onder meer bepalingen die beogen te voorkomen dat claims worden toegewezen voor schade die voortvloeit uit de naleving van EU-sancties. Tegelijkertijd geldt in algemene zin dat de juridische positie van ondernemingen afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het individuele geval, waaronder de inhoud van contracten, het toepasselijke recht en de relevante nationale en internationale regelgeving. Het is aan ondernemingen om, zo nodig met juridisch advies, hun eigen positie te beoordelen.
Het invoeren van chatcontrole |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europees Parlement stemt in controversiële spoedprocedure alsnog voor het checken van berichten op beelden van kindermisbruik»?1
Wat vindt u van het verlengen van «chatcontrol 1.0»2 en de manier waarop dit via een spoedprocedure, mede onder druk van de Europese Commissie en grote techbedrijven, is geforceerd?
Wat is de zienswijze van dit kabinet op deze vorm van chatcontrole? Volgt u nog steeds de beide aangenomen moties-Kathmann (Kamerstukken 32 317, nr. 891 & 32 317, nr. 981) die vragen om zich tegen chatcontrole te verzetten?
Wat zijn de gevolgen van deze stemming voor de privacy van Nederlandse burgers, nu vrijwillige chatcontrol niet alleen opnieuw is ingevoerd, maar is uitgebreid ten opzichte van de vorige vrijstelling?
Op welke manier mogen techbedrijven AI toepassen om berichtenverkeer tussen burgers te surveilleren? Kunt u duidelijk maken wat voor techniek hiervoor wordt toegepast door de relevante bedrijven?
Hoe wordt voorkomen dat onschuldige burgers op basis van valse positieven verdacht worden gemaakt en worden gemeld bij de politie of Europol?
Deelt u de zorgen van de indiener dat, zolang het scannen van online berichtenverkeer is toegestaan, er een reëel risico is dat deze techniek ook voor andere doeleinden zal worden gebruikt als gevolg van «mission creep»?
Hoe staat het met de onderhandelingen voor de CSAM-verordening, waar een vorm van chatcontrole tot dusver altijd een onderdeel van is geweest? Wanneer verwacht u dat hierover een stemming zal plaatsvinden?
Bent u bereid de Kamer een beslismoment voor te leggen als er een belangrijke (voor)stemming nadert met betrekking tot chatcontrole, zodat zij tijdig en goed geïnformeerd de kabinetsinzet kan sturen?
Kunt u bevestigen dat Nederland zich ten alle tijden en onomwonden zal verzetten tegen voorstellen die het scannen van versleutelde berichten mogelijk maken, al dan niet via een omweg?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het bericht “Ondernemers investeren minder door stijgende kosten en onzekerheid” |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondernemers investeren minder door stijgende kosten en onzekerheid»?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat het midden- en kleinbedrijf (mkb) goed is voor ongeveer twee derde van de toegevoegde waarde en driekwart van de werkgelegenheid in Nederland2, en onderschrijft u dat een kabinet dat dit fundament laat verzwakken daarmee de kern van de Nederlandse economie op het spel zet?
Het kabinet erkent dat het midden- en kleinbedrijf (mkb), dat een cruciale bijdrage levert aan onze welvaart, momenteel kampt met hoge lasten, toenemende regeldruk en beleidsonzekerheid. Uit het in het artikel genoemde onderzoek, overige onderzoeken en signalen uit het veld blijkt dat deze factoren ertoe leiden dat ondernemers investeringen uitstellen.
Het is onze opgave om te zorgen voor een stabiel en stimulerend ondernemings- en investeringsklimaat. Het kabinet is daarom actief bezig met het aanpakken van deze knelpunten en het verbeteren van het ondernemingsklimaat.
Via onder andere de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) en Qredits verbeter ik de toegang tot financiering voor het mkb. Daarnaast houdt het kabinet belangrijke fiscale regelingen, zoals de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO), stabiel om innovatie te blijven stimuleren. Deze regeling wordt door veel mkb’ers gebruikt. Hiermee versterk ik het fundament van het mkb in Nederland. Ook heb ik oog voor de regeldruk voor mkb’ers.
Het kabinet richt zich ook op het verhogen van de arbeidsproductiviteit van het mkb. Hiervoor wordt bijvoorbeeld, in samenwerking met de provincies en de Europese Commissie, ruim 27 miljoen euro beschikbaar gesteld voor advies en ondersteuning via de European Digital Innovation Hubs (EDIH’s). Daarnaast wordt een Productiviteitsraad ingesteld om verdere stappen te zetten op dit vlak en heeft het kabinet net zijn tweede productiviteitsagenda naar u gestuurd.3 De Productiviteitsraad zal, conform het instellingsbesluit, specifiek aandacht besteden aan het mkb in zijn adviezen.
Het kabinet is zich ervan bewust dat het mkb, boven de bestaande uitdagingen, te maken kan krijgen met extra uitdagingen als gevolg van geopolitieke omstandigheden, zoals hoge brandstofprijzen. Om bedrijven hierbij te ondersteunen, heeft het kabinet tijdelijk de vrachtwagenheffing en de motorrijtuigenbelasting voor vracht- en bestelwagens verlaagd. Om gezonde bedrijven betere toegang tot financiering te bieden, verruimt het kabinet de BMKB, met o.a. een hoger garantiepercentage. Daarnaast introduceert het kabinet voordeligere financieringsmogelijkheden voor duurzame investeringen via Qredits.
Erkent u dat de combinatie van stapelende regels, milieueisen en een hoge belastingdruk ertoe leidt dat een groep die driekwart van de banen in dit land verzorgt, massaal investeringen uitstelt? Bent u bereid deze regel- en lastendruk substantieel te verlagen? Zo nee, waarom niet?
Ondernemers noemen regeldruk vaak als één van de grootste knelpunten in hun dagelijkse bedrijfsvoering. Hoewel de bedoelingen achter regels goed zijn, kunnen ze in de praktijk te veel worden, ingewikkeld zijn of niet goed op elkaar aansluiten. Dit kost ondernemers tijd en geld, leidt tot frustraties en vermindert het plezier in het ondernemen.
Het kabinet werkt daarom aan een structurele verlaging van de regeldruk. In dat kader heeft het kabinet zichzelf het ambitieuze doel gesteld om jaarlijks minimaal 500 regels voor bedrijven, professionals en burgers te schrappen of te vereenvoudigen. Met het oog op deze inzet heeft het kabinet de ministeriële Taskforce Slagvaardige Overheid ingericht die de noodzakelijke verandering aanjaagt en aanstuurt om met het gehele kabinet te werken aan het fundamenteel vereenvoudigen van beleid en regelgeving. De verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de vereenvoudigingsopgave en daarmee ook voor de coördinatie van deze jaarlijkse doelstelling ligt bij de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid. Als Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) blijf ik verantwoordelijk voor het verminderen van de regeldruk voor het bedrijfsleven. Daarom voer ik nieuwe MKB-indicatorbedrijvenonderzoeken uit om knelpunten beter in beeld te brengen en gerichter aan te pakken. Zo komen op korte termijn de uitkomsten beschikbaar van de onderzoeken naar de sectoren Groene en Circulaire bedrijvigheid, Maritiem en Schoonmaak. Hierover bent u recent geïnformeerd.4
Bij toekomstige fiscale wijzigingen blijft het kabinet oog houden voor de lastenontwikkeling van het mkb.
Bent u bereid te (laten) onderzoeken of ondernemen buiten Nederland – in andere EU-lidstaten én daarbuiten – qua belastingdruk, regeldruk en snelheid van vergunningverlening daadwerkelijk aantrekkelijker is geworden, mede gezien signalen van VNO-NCW en MKB-Nederland dat het Nederlandse vestigingsklimaat verslechtert en Nederland is gezakt op de ranglijst van aantrekkelijkste investeringslanden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met de kritiek dat de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) de afgelopen jaren stapsgewijs is versoberd, waardoor bedrijfsoverdracht aan de volgende generatie fiscaal onaantrekkelijker is geworden, en bent u bereid dit te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Ik houd al jaarlijks een vinger aan de pols met de Monitor Ondernemingsklimaat. Met deze monitor houd ik onder meer in de gaten hoe ondernemers denken over het ondernemingsklimaat en wat de grootste knelpunten voor ondernemers zijn, in hoeverre bedrijven overwegen om bedrijfsactiviteiten naar het buitenland te verplaatsen en hoe Nederland het doet op belangrijke ranglijsten. De meest recente monitor laat zien dat voor ondernemers de belangrijkste uitdagingen liggen op het gebied van voorspelbaarheid van beleid en politieke stabiliteit, het sentiment over het bedrijfsleven, verschillende vormen van schaarste – waarbij arbeid en energie momenteel het zwaarste wegen – en de ervaren regeldruk. Ik heb u afgelopen 9 december 2025 over de uitkomsten hiervan geïnformeerd.5
Nederland is in de laatste editie van de jaarlijkse World Competitiveness Ranking – een veelgebruikte ranglijst voor het concurrentievermogen van landen, opgesteld door het International Institute for Management Development (IMD) – gestegen van plek 10 naar plek 8. Dat is goed nieuws, maar maakt niet dat we nu minder hard gaan werken aan het verbeteren van randvoorwaarden die voor ondernemers belangrijk zijn.
Bent u bereid een fundamentele schoning van regels en fiscale lasten voor het mkb door te voeren, in plaats van ondernemers die twee derde van onze welvaart creëren verder te belasten en te reguleren, om te voorkomen dat Nederland hen definitief verliest aan het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft met verschillende wijzigingen in de BOR de doelmatigheid van de regeling verbeterd en onbedoeld gebruik verkleind, waarbij de regeling voor een belangrijk deel overeind is gebleven. De BOR voorziet nog steeds in een ruime vrijstelling van schenk- en erfbelasting bij de overnemer van een onderneming, zodat voorkomen wordt dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt door belastingheffing, waarvoor mogelijk liquide middelen aan de onderneming zouden worden onttrokken. In het coalitieakkoord is aangekondigd dat de BOR in zijn huidige vorm wordt voortgezet.
‘Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties’ |
|
Erwin Prickaertz (PVV), Emiel van Dijk (PVV) |
|
Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarbij goede doelen op basis van minimale input (zoals enkel een gedeelde postcode en huisnummer) persoonsgegevens verrijken met buurtkenmerken, WOZ-waarden en leefstijlen zonder dat donateurs hiervan op de hoogte zijn of hier vooraf toestemming voor hebben gegeven?
Goede doelen opereren bij de verwerking van persoonsgegevens binnen het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In de casus zoals deze wordt geschetst in de vraag zou sprake kunnen zijn van gegevensverrijking en profilering ten behoeve van directe marketing. Het verwerken van persoonsgegevens is alleen toegestaan als daarvoor een grondslag bestaat. Artikel 6 van de AVG noemt in dit verband toestemming van de betrokkene, maar ook gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Hiervan kan sprake zijn als de verwerking van gegevens noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang en als de rechten en vrijheden van de betrokkenen niet zwaarder wegen. Of hier sprake is van een gerechtvaardigd belang en of is voldaan aan de overige vereisten die de AVG stelt, is niet aan mij om vast te stellen. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval, in de eerste plaats door de goededoelenorganisatie zelf als verwerkingsverantwoordelijke. De Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en uiteindelijk de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houden toezicht op de naleving van de AVG.
Daarnaast geldt dat – ongeacht de verwerkingsgrondslag – de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikelen 12–14 AVG verplicht is transparantie te bieden over de gegevensverwerking. Dit gebeurt doorgaans met een privacyverklaring, waarin onder andere staat welke gegevens worden verwerkt, voor welke doelen dat gebeurt, welke grondslag van toepassing is, hoe lang de gegevens bewaard worden en met wie deze worden gedeeld. Zoals aangegeven is het toezicht hierop belegd bij de FG en uiteindelijk de AP. Ook daarin is voor mij geen rol weggelegd.
Voor ruim zevenhonderd erkende goede doelen geldt dat het CBF, de onafhankelijke toezichthouder op de goededoelensector, het privacy- en informatiebeveiligingsbeleid van de organisaties controleert en handhaaft waar nodig.2 Het CBF kan daarbij vragen naar de onderbouwing van het beroep op gerechtvaardigd belang. Sinds 2026 houdt het CBF hier scherper toezicht op en doet dat, waar nodig, in afstemming met de AP.
Deelt u de mening dat het gebruik van voorspellende AI-software (zoals Dataro) om specifiek de «nalatenschapsbereidheid» of toekomstige erfenissen van individuele donateurs te voorspellen, een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer die nooit onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)-grondslag «gerechtvaardigd belang» mag vallen? Acht u het ethisch verantwoord dat goede doelen dergelijke technologie inzetten?
De AVG is technologie-neutraal en kent aan artificiële intelligentie (hierna: AI) geen aparte status toe. Wel verplicht artikel 35 van de AVG tot het doen van een DPIA (Data Protection Impact Assessment) als de verwerking waarschijnlijk een hoog risico inhoudt, zoals bij systematische en grootschalige profilering of innovatie met nieuwe technologie. Daarvan kan sprake zijn bij AI-toepassingen. Of sprake is van verantwoord gebruik van technologische verwerkingsmiddelen of -methoden moet in eerste instantie worden beoordeeld door de goededoelenorganisatie als verwerkingsverantwoordelijke, aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval. Artikel 5 van de AVG kent daarbij een verantwoordingsplicht, op grond waarvan de verwerkingsverantwoordelijke het voorgaande moet kunnen aantonen. De AP houdt daarop toezicht.
Met de inzet van AI door organisaties of bedrijven is in principe niets mis, ook niet als goede doelen dat doen. Sterker nog, AI kan in bepaalde situaties juist helpen om dienstverlening of bescherming van consumenten, donateurs en burgers te verbeteren. De inzet van AI dient daarbij plaats te vinden binnen de wettelijke kaders. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders om te bepalen of de inzet rechtmatig plaatsvindt.
Hoe beoordeelt u het belangenconflict dat kan ontstaan wanneer goede doelen via investeringsfondsen financieel deelnemen in commerciële AI-bedrijven die worden ingezet voor het analyseren van hun eigen donateurs? Deelt u de zorg dat hierdoor maatschappelijke en commerciële belangen met elkaar verstrengeld raken, ten koste van de privacy van donateurs?
Het staat stichtingen en verenigingen vrij om investeringen te doen mits de opbrengst daarvan volledig ten goede komt aan het statutaire doel. Stichtingen en verenigingen kunnen ook een ANBI (algemeen nut beogende instelling) status hebben wanneer zij aan verschillende voorwaarden voldoen. Zo moet de organisatie zich onder andere voor minstens 90% inzetten voor het algemeen nut, geen winstoogmerk hebben, en aan strikte integriteits- en transparantie-eisen voldoen. Het is bij investeringen in leveranciers van data- en AI-diensten van belang dat schijn of feitelijke verstrengeling worden voorkomen via transparantie, strikte functiescheiding, onafhankelijke toetsing van privacy- en ethische risico’s en naleving van de toepasselijke wettelijke en sectorspecifieke normen. Dit is vastgelegd in het normenkader van het CBF waaraan erkende goede doelen moeten voldoen (normen 5.3.1 en 5.3.2).
Hoe beoordeelt u de praktijk dat sommige goede doelen na opzegging van een periodieke schenking wel de incasso beëindigen, maar de relatie met de voormalige donateur voortzetten door deze te blijven benaderen voor nieuwe donaties?
Het moet eenvoudig zijn voor donateurs om relaties met en periodieke donaties aan goededoelenorganisaties te beëindigen of aan te passen. Sinds 1 januari 2025 geldt hiervoor ook een aparte norm voor erkende goededoelenorganisaties, inclusief voor commerciële bureaus die werken in opdracht van erkende goede doelen. Hier houdt het CBF toezicht op.4 Daarbij kijkt het onder andere naar de aanwezigheid, vindbaarheid en laagdrempeligheid van de opzegmogelijkheden. Goede doelen hebben daarnaast onder de AVG en Reclame Code de mogelijkheid om oud-donateurs te benaderen na het opzeggen van de relatie, mits dit binnen de door de Reclame Code gestelde klanttermijn valt. Onder de Code Telemarketing geldt bijvoorbeeld een maximum klanttermijn van drie jaar.5 Donateurs en voormalige donateurs hebben daarbij altijd de mogelijkheid van bezwaar.
Donaties aan goede doelen vallen niet onder het algemene consumentenrecht. Dit zijn namelijk overeenkomsten zonder tegenprestatie en kwalificeren niet als dienst in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, onderdeel d, Burgerlijk Wetboek. Ik zie geen aanleiding om het consumentenrecht uit te breiden naar goededoelenorganisaties. Uw Kamer heeft ook in 2024 en 2026 verzocht om goede doelen uit te zonderen van aanscherpingen ter bevordering van consumentenbescherming.6
De Wet Van Dam2 beschermt consumenten tegen onnodige belemmeringen bij het beëindigen van doorlopende overeenkomsten. Hoe beoordeelt u het feit dat goede doelen, die hun fondsenwerving veelal uitbesteden aan commerciële bureaus, in de praktijk drempels hanteren die in de commerciële sector juist zijn uitgebannen? Deelt u de opvatting dat donateurs dezelfde bescherming zouden moeten genieten als consumenten en dat ook op deze praktijken op vergelijkbare wijze zou moeten worden toegezien?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om samen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te bezien of de huidige consumentenbescherming voldoende aansluit bij de werkwijze van goede doelen en de commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan zij gebruikmaken? Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat een donateur een periodieke donatie net zo eenvoudig kan beëindigen als een consument een commercieel abonnement? 2 Burgerlijk Wetboek, boek 2, artikelen 35, 36 en boek 6, artikelen 236, 237.
De ACM is een onafhankelijke toezichthouder. De ACM houdt geen toezicht op (de fondsenwervingsactiviteiten van) goede doelen omdat deze niet onder het algemene consumentenrecht vallen. Het CBF houdt wel toezicht op de werkwijzen van goede doelen, waaronder de wervingsmethoden van commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan goede doelen gebruik maken. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vragen 5 en 6, geldt sinds 1 januari 2025 een aparte norm voor het gemakkelijk kunnen opzeggen van een donateursrelatie of periodieke donatie. Ik heb nauw contact met het CBF, onder andere over haar toezicht en ontwikkelingen in de filantropische sector.
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , van Essen , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
De ontvangen aanbiedingsbrief van vertrouwelijke stukken inzake Solvinity |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, die ziet op de Regeling vertrouwelijke stukken?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity pas gedurende het zomerreces worden gedeeld?
Ik achtte het wenselijk om de Kamer dezelfde informatiepositie te geven als de bij het verzoek om voorlopige voorziening inzake Solvinity betrokken stichtingen. De betreffende stukken zijn kort voorafgaand aan de zitting op maandag 6 juli jl. vertrouwelijk beschikbaar gesteld, daarmee samenvallend met de start van het zomerreces.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity slechts kunnen worden ingezien tot en met 31 juli 2026, aangezien het stellen van een dergelijke termijn zeer ongebruikelijk is?
Het stellen van een termijn aan de ter inzagelegging van vertrouwelijke stukken is verplicht onder artikel 4b van de regeling vertrouwelijke stukken.
Kunt u beamen dat indien de vertrouwelijke stukken gedurende het zomerreces worden gedeeld en anderzijds slechts inzichtelijk zijn tot en met 31 juli 2026 (midden in het zomerreces), dit negatieve invloed heeft op de informatiepositie van de Kamerleden gezien de afwezigheid van de vele Kamerleden?
De voorgestelde ter inzagelegging was gebaseerd op de dan beschikbare informatie t.a.v. de voorlopige voorzieningszitting op 6 juli. Ik hecht eraan de kamer zo ruim mogelijke inzage te geven binnen de kaders die er zijn. Om uw Kamer tegemoet te komen en te voorzien van een betere informatiepositie, heb ik de termijn van ter inzagelegging verlengd tot 31 augustus. Dit heb ik ook opgenomen met de griffie van de Kamer.
Kunt u toelichten waarom de door u gekozen termijn voor inzage van 31 juli 2026, niet is onderbouwd in de aanbiedingsbrief? Volgens Artikel 4b van de Regeling vertrouwelijke stukken, moet namelijk duidelijk gemotiveerd worden waarom het stuk slechts tijdelijk ter inzage wordt gebracht.
Deze onderbouwing is abusievelijk niet meegenomen in de aanbiedingsbrief. Zie voor de onderbouwing van deze termijn het antwoord op vraag 4.
Kunt u deze Kamervragen zo spoedig mogelijk beantwoorden in verband met het spoedeisende belang van het feit dat Kamerleden gedurende deze resterende periode met zomerreces zijn, en de informatiepositie van de Kamerleden niet ondermijnd mag worden?
Ja.
Kunt u de Kamervragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
De zorgen rondom de Data Privacy Framework tussen de EU en de VS |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof in de zaak Trump v. Slaughteren het bericht van privacywaakhond noyb hierover?1 2
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof en de inhoudelijke analyse van noyb, die stelt dat de uitspraak de onafhankelijkheid van Amerikaanse toezichthouders aantast en dit grote gevolgen kan hebben voor de Data Privacy Framework tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten?
De uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof van 29 juni 2026 in
De Commissie heeft in de context van de meest recente raadswerkgroep gegevensbescherming d.d. 6 juli jl. lidstaten geïnformeerd en aangegeven de impact van de beslissing van Hooggerechtshof te onderzoeken, en ziet dat in dit verband ook een brede evaluatie van het functioneren van de VS-rechtssysteem nodig is. Tegelijkertijd benadrukt de Commissie daarbij dat het adequaatheidsbesluit tot nader order van kracht blijft. Indien de Commissie zou besluiten over te gaan tot (gedeeltelijke) intrekking, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Heeft u vertrouwen in de houdbaarheid van de Data Privacy Framework in het licht van de uitspraak in de zaak Trump v. Slaughter?
Het is aan de Commissie om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, actuele ontwikkelingen te wegen in het licht van het adequaatheidsbesluit en de houdbaarheid daarvan. Zij is daartoe niet alleen bevoegd, maar ook bij uitstek toegerust. Ik vind het niet verstandig vooruitlopend op de bevindingen van de Commissie zelfstandig een oordeel te vormen. Als zou blijken dat structurele doorgiften onder het DPF niet langer een met het EU recht vergelijkbaar beschermingsniveau bieden, kan de Commissie bij uitvoeringshandeling het adequaatheidsbesluit (gedeeltelijk) schorsen, wijzigen of intrekken. Dit is een besluit van de Commissie dat in het op artikel 93 AVG gebaseerde comitologie comité met de lidstaten, waaronder Nederland, wordt besproken. Uw Kamer wordt daarover geïnformeerd.
Deelt u onze zorgen dat deze uitspraak gevolgen kan hebben voor de rechtmatige data-uitwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten? Wat zouden die gevolgen volgens u kunnen zijn?
Het is vanzelfsprekend van groot belang dat doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen in overeenstemming met de AVG plaatsvinden. De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming, in Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), zien daar op toe. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, beoordeelt de Commissie de implicaties van de uitspraak van het Hooggerechtshof van de VS in het kader van haar verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten. Als de Commissie het besluit (gedeeltelijk) zou intrekken of schorsen, dan zouden voor doorgiften niet langer op het DPF kunnen worden gebaseerd. Doorgiften zouden dan plaats moeten vinden op basis van andere AVG-instrumenten, zoals mogelijk model contractbepalingen (SCC), bindende bedrijfsvoorschriften (BCR)4 of, bij uitzondering, de uitzonderingen van artikel 49 AVG.
Bent u bereid de gevolgen van de uitspraak te bespreken in Europees verband met oog op mogelijke juridische stappen die de Data Privacy Framework ongeldig kunnen maken?3
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3, ligt de verantwoordelijkheid voor de beoordeling of het DPF en de vraag of het adequaatheidsbesluit al dan niet gedeeltelijk dient te worden ingetrokken primair bij de Commissie. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, volgt Nederland de ontwikkelingen op de voet.
Is Nederland voorbereid op een scenario waar de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard? Welke maatregelen kunt u nemen om hier op voor te bereiden, zoals ook uiteengezet door uw voorganger?4
Na het ongeldig verklaren van het DPF kunnen doorgiften niet langer op het DPF berusten. Welke gevolgen dit voor Nederland heeft, hangt af van de desbetreffende sector en de verwerkingen van persoonsgegevens die daarbinnen plaatsvindt. Een algemeen antwoord valt hierop dan ook niet te geven.
Zonder adequaatheidsbesluit zal elke verwerkingsverantwoordelijke een doorgifte van persoonsgegevens aan een (gecertificeerde) partij in de VS op een ander doorgifte-instrument uit de AVG moeten kunnen baseren. Hierbij kan gedacht worden aan SCC, BCR of aan de uitzonderingen zoals benoemd in artikel 49 AVG.
Verwerkingsverantwoordelijken kunnen voorzorgsmaatregelen treffen om te voorkomen dat een eventuele ongeldigverklaring van het DPF ertoe leidt dat de doorgifte van persoonsgegevens moet worden gestaakt. Een geheel of gedeeltelijke intrekking of ongeldigverklaring van het DPF hoeft niet te betekenen dat Amerikaanse clouddienstverleners niet meer gebruikt kunnen worden. Wel is het voor clouddiensten die gegevens in de VS opslaan of verwerken, of waarbij een Amerikaanse partij rechtstreeks toegang heeft tot gegevens, in ieder geval nodig om een passende oplossing te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door data te hosten in Europese datacenters van dezelfde aanbieder en/of de rechtstreekse toegang door Amerikaanse partijen te beperken of, als dat niet mogelijk is, met aanvullende technische maatregelen zoals sterke encryptie of het inrichten van autonome voorzieningen.
Voor de rijksdienst geldt op basis van het cloudbeleid dat opslag en verwerking van gegevens in principe binnen de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland plaatsvinden.7 Gebruik buiten deze landen kan alleen met een formele uitzondering, onderbouwd met een goede reden, een risicoanalyse en zo nodig aanvullende mitigerende maatregelen. Voor bestaand cloudgebruik is bovendien een exitplan verplicht dat rekening houdt met het wegvallen van een voorziening en dus verder reikt dan alleen het hiervoor beschreven scenario. Dit exitplan kan ook worden ingezet als een verwerking om andere redenen niet kan worden voortgezet. Onderdeel hiervan is dat organisaties zelf een actueel overzicht bijhouden van alle gebruikte clouddiensten.
Als de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard, welke autoriteit moet dan toezien op de (on)rechtmatige uitwisseling van data met Amerikaanse partijen? Kunt u deze autoriteit vragen om advies om dit scenario samen uit te werken?
De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming blijven bevoegd; in Nederland is dat de AP. Zij houden toezicht op verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, inclusief internationale doorgiften. Coördinatie tussen toezichthouders verloopt in EU-verband via de EDPB. De Commissie gaat over het adequaatheidsbesluit zelf, niet over individuele handhaving.
Als het DPF ongeldig zou worden verklaard, zou dat betekenen dat de bepalingen uit de AVG voor doorgifte aan derde landen waarvoor geen adequaatheidsbesluit geldt, opnieuw van toepassing worden. De AP heeft voor dergelijke situaties uitgebreide informatie op haar website staan.8 Mocht het zo ver komen, dan ben ik bereid de AP te vragen of zij een gedeelte daarvan specifiek zouden willen toespitsen op de VS. Als het adequaatheidsbesluit zou komen te vervallen, blijft te allen tijde de verwerkingsverantwoordelijke zelf verantwoordelijk voor naleving van de normen uit de AVG, ook bij doorgifte aan derde landen.
Zijn er scenario’s denkbaar waarin aanvullende maatregelen niet volstaan en data niet meer rechtmatig met Amerikaanse partijen gedeeld kan worden? Welke implicaties heeft dat?
Ja. Als aanvullende maatregelen niet volstaan, rest uitsluitend een incidentele doorgifte op basis van een toepasselijke bepaling in artikel 49 AVG (zoals expliciete geïnformeerde toestemming, noodzaak voor een overeenkomst met de betrokkene, zwaarwegend algemeen belang, rechtsvorderingen, vitale belangen of openbaar register). Deze uitzonderingsbepalingen zijn uitzonderlijk, niet bedoeld voor structurele of grootschalige stromen, en vereisen strikte proportionaliteit, transparantie en volledige documentatie. Past geen derogatie voor de specifieke doorgifte, dan is de doorgifte niet toegestaan.
Deelt u de mening dat de enige zekere maatregel om onrechtmatige data-uitwisseling met de Verenigde Staten te voorkomen is om veel minder afhankelijk te worden van Amerikaanse techbedrijven?
Nee. Minder afhankelijk worden van Amerikaanse leveranciers kan risico’s verkleinen, maar is niet de enige mogelijke maatregel. Rechtmatige doorgifte kan ook worden geborgd met doorgifte instrumenten onder de AVG, zoals SCC of BCR. Als die combinatie de risico’s niet voldoende wegneemt, is doorgifte niet toegestaan en moet deze worden beëindigd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
De bevindingen zijn zeer zorgelijk. Antisemitisme, zowel offline als online, is onacceptabel. Joden moeten zich in Nederland vrij en veilig kunnen voelen. Het kabinet zet zich daarom actief in voor de bestrijding van antisemitisme, waaronder online antisemitisme.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Dat het onderzoek laat zien dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media in enkele jaren is verdubbeld en het aantal directe bedreigingen zelfs is vervijfvoudigd, is een uiterst ernstige ontwikkeling. Hoewel het kabinet terughoudend is met het trekken van conclusies uit één onderzoek, sluiten de bevindingen aan bij bredere signalen van onder meer politie, het Openbaar Ministerie, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en maatschappelijke organisaties dat online antisemitisme de afgelopen jaren is toegenomen.
Antisemitisme tast niet alleen de veiligheid van Joden aan, maar ook de open en democratische rechtsstaat. Het kabinet veroordeelt deze ontwikkeling daarom nadrukkelijk.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Het kabinet beoordeelt deze ontwikkeling als buitengewoon ernstig. Oproepen tot moord, uitroeiing of geweld tegen Joden zijn niet «slechts» kwetsende uitingen, maar kunnen afhankelijk van de inhoud en context strafbare feiten opleveren, zoals het aanzetten tot haat of geweld of bedreiging. Dergelijke uitingen dragen bovendien bij aan een online klimaat waarin intimidatie en discriminatie worden genormaliseerd en kunnen ook leiden tot reële veiligheidsrisico's voor Joden.
Waar sprake is van strafbare uitingen en een aangifte daarvan, is het aan politie en OM om daartegen op te treden. Wanneer uitingen kwalificeren als terroristische online-inhoud kan er daarnaast melding worden gemaakt bij het online meldpunt van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). De ATKM is bevoegd om verwijderbevelen uit te vaardigen aan platformen en hostingbieders om terroristische content binnen één uur offline te halen of ontoegankelijk te maken.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Het klopt dat antisemitisme zich breed manifesteert en dat dit zeker niet alleen uit rechts-radicale en complotgerichte online kringen komt. Vanuit allerlei extremistische ideologische hoeken, van links tot rechts, alsook vanuit religieus extremisme, komt jodenhaat voor. Internationale spanningen werken daarbij door in het publieke debat en op sociale media, waar antisemitische uitingen in sommige kringen steeds vaker openlijk worden geuit of genormaliseerd. Antisemitisme is onacceptabel, waar het ook vandaan komt.
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Het kabinet onderkent dat buitenlandse extremistische netwerken en influencers steeds meer gebruik maken van sociale media om antisemitische propaganda, complottheorieën en haatdragende narratieven internationaal te verspreiden. Online platformen kennen geen landsgrenzen, waardoor dergelijke boodschappen ook Nederlandse gebruikers bereiken en polarisatie kunnen versterken.
De Digital Services Act (DSA) verplicht zeer grote online platformen om illegale content te modereren en systeemrisico's, waaronder de verspreiding van illegale content alsook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten met name o.a. het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrecht op non-discriminatie, te analyseren en passende maatregelen te nemen. Daarnaast werkt Nederland nauw samen met de Europese Commissie en andere lidstaten om grensoverschrijdende online risico’s op beïnvloeding aan te pakken. Tegelijkertijd blijft het versterken van digitale weerbaarheid en mediawijsheid essentieel om gebruikers weerbaarder te maken tegen dergelijke beïnvloeding.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan. De aanpak van online antisemitisme maakt deel uit van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–20302. Deze strategie vormt het samenhangende beleidskader voor de bestrijding van antisemitisme en omvat maatregelen op het gebied van bescherming en handhaving, onderwijs, preventie en het versterken van Joods leven en herdenken.
Ten aanzien van de online omgeving zet het kabinet in op een combinatie van regulering, handhaving en samenwerking met nationale en internationale partners.
Online platformen zijn gebonden aan de DSA. Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Voor dat doel bevat de DSA verschillende zorgvuldigheidsverplichtingen voor verschillende typen tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Zo moeten zij een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14). Zij moeten verder een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud, waaronder haatzaaiende of discriminerende inhoud, en dat leidt tot tijdige en zorgvuldige besluiten over die meldingen (artikel 16). Zeer ernstige strafbare feiten moeten worden gemeld bij de bevoegde rechtshandhavende autoriteiten (artikel 18). De verordening verplicht aanbieders van online platforms verder om gebruikers die frequent kennelijk illegale inhoud verspreiden, tijdelijk te schorsen (artikel 23 van de verordening).
De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie,3 moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten, waaronder het grondrecht op non-discriminatie. Risicobeperkende maatregelen van zeer grote online platforms kunnen onder meer de naleving van gedragscodes omvatten. In dat kader is relevant dat de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online+ in 2025 in de DSA is geïntegreerd. Deze gedragscode heeft tot doel de verspreiding van illegale haatzaaiende uitlatingen op onlineplatforms te voorkomen en aan te pakken door middel van toezeggingen op het gebied van algemene voorwaarden, herziening van de tijd van kennisgevingen, transparantie van inhoudsmoderatieacties, samenwerking tussen meerdere belanghebbenden en bewustmaking. De ondertekenaars,4 waaronder zeven zeer grote online platforms, verbinden zich ertoe de verbintenissen uit de code na te leven.
In Nederland is Meld Online Discriminatie (MOD) aangewezen als betrouwbare flagger onder de DSA. MOD beoordeelt meldingen van mogelijk illegale discriminatoire content en kan platforms verzoeken deze content te verwijderen.
Daarnaast blijft het kabinet online platforms aanspreken op hun verantwoordelijkheid om een veilige online omgeving te creëren. Nederland neemt deel aan internationale samenwerking, waaronder een meerjarige werkgroep van de Europese Commissie over de bestrijding van antisemitisme. Ook heeft het kabinet tijdens het ministeriële EU Internet Forum5 van 4 maart aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van platforms om online antisemitisme effectief tegen te gaan.
De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) speelt eveneens een belangrijke rol. De NCAB zit een internationale werkgroep voor van nationale coördinatoren en speciaal gezanten die online platforms aanspreekt op de aanpak van online antisemitisme en organiseert jaarlijks de International Prosecutors Summit on Antisemitism (IPSA), waarin Europese openbaar aanklagers samenwerken aan de versterking van de strafrechtelijke aanpak van onder meer online antisemitisme. Ook laat de NCAB jaarlijks onderzoek naar online antisemitisme in Nederland.
Voor wat betreft het tegengaan van online radicalisering, extremisme en terrorisme coördineert de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de Versterkte Aanpak Online (VAO). De aanpak omvat diverse interventies onder andere op het gebied van preventie en bewustwording, normerende gesprekken met de internetsector, en de inzet van het bestaande wettelijke kader – waaronder de DSA en de verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI). Ook wordt door middel van ondersteunende bijeenkomsten, regionale adviezen via lokaal adviseurs en een verkenning naar een communicatie aanpak over online gevaren, gewerkt aan het versterken van de digitale weerbaarheid van de samenleving. Over deze beleidsinzet en recente ontwikkelingen is uw Kamer op 22 mei jl. geïnformeerd via de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content.6
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Nee. Voor het onderzoek heeft Textgain data van Twitter/X Facebook, Instagram, TikTok en YouTube geanalyseerd, maar ook kleinere sites als Dumpert, geenstijl.nl en Marokko.nl en internetfora als 4chan en Soyzellig. De onderzoekers concluderen dat antisemitisme op deze platforms zou zijn toegenomen, maar het onderzoek betreft geen juridisch onderzoek naar de naleving van de DSA door zeer grote online platforms. Het is aan de Europese Commissie als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms- en zoekmachine, om te beoordelen of zij hun verplichtingen onder de DSA naleven. De Commissie is daarin onafhankelijk.
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, biedt de DSA een belangrijk Europees kader voor een veiligere online omgeving. De DSA bevat enerzijds een kader voor aansprakelijkheid en anderzijds zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Deze verplichtingen zijn erop gericht illegale inhoud op online platforms terug te dringen en ervoor te zorgen dat met name zeer grote online platforms hun verantwoordelijkheid nemen om systeemrisico’s te beperken. De integratie van de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online in de DSA draagt bij aan de naleving en doeltreffende handhaving van de DSA op dit gebied.
Op dit moment heeft het kabinet geen reden om te twijfelen aan de toereikendheid van dit kader. Het toezicht op de DSA begint op stoom te komen, zoals onder meer blijkt uit de handhavingsacties van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders. Tegelijkertijd vormt de DSA één onderdeel van een bredere aanpak. Effectieve bestrijding van antisemitisme vraagt eveneens om strafrechtelijke handhaving, internationale samenwerking, onderwijs en maatschappelijke weerbaarheid.
Het kabinet blijft de werking van de DSA volgen. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Deze evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA maar kan desalniettemin kansen bieden om de werking in de praktijk te verbeteren. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse betrokkenheid bij de evaluatie en gaat hiervoor in gesprek met betrokken ministeries en toezichthouders.
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
Het kabinet blijft de dialoog met de internetsector zoeken over zowel schadelijke als illegale content, waaronder trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. In alle gesprekken die we met online platforms voeren worden deze onderwerpen, waaronder ook de bestrijding van antisemitische content, aan de orde gesteld. Daarnaast ondersteun ik, samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken – Digitale Economie en Soevereiniteit, de Publiek private Samenwerking Online Content onder neutraal voorzitterschap van ECP.
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Voor zover mij bekend, betreffen 4chan en Soyzellig beide user-generated content platforms, waarop gebruikers tekst, afbeeldingen en reacties kunnen plaatsen. Of zij onder de reikwijdte van de DSA vallen, hangt af van de vraag of zij kwalificeren als «tussenhandeldienst», meer specifiek als «hosting dienst» en «online platform» als subcategorie van hostingdiensten. Hoewel het aan de bevoegde toezichthouders en/of rechter is om dit vast te stellen, lijkt dit voor beide platforms voorshands het geval, in welk geval zij zullen moeten voldoen aan de verplichtingen in de DSA die gelden voor online platforms. Het betreft onder meer de zorgvuldigheidsverplichtingen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, met de kanttekening dat 4chan en Soyzellig niet zijn aangewezen als «zeer groot online platform» en dus niet aan de verplichtingen inzake systeemrisico’s hoeven te voldoen. Die verplichtingen gelden enkel voor de platforms met een gemiddeld aantal maandelijks actieve afnemers van 45 miljoen of meer.
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Zowel de politie als het OM hebben expertisecentra gericht op de aanpak van discriminatiezaken. Bij de politie levert het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie-Politie (ECAD-P) op verschillende manieren expertise met betrekking tot de aanpak van discriminatie (waaronder antisemitisme) aan de politieorganisatie. De capaciteit van het ECAD-P is het afgelopen jaar uitgebreid en bestendigd met structurele middelen. Bij het ECAD-P leveren discriminatierechercheurs ondersteuning aan collega’s in regionale eenheden bij de behandeling van discriminatiezaken en helpen zij de basisteams proactief bij het herkennen en oppakken van meldingen en aangiftes met een discriminatoir karakter. Wanneer iemand melding of aangifte doet van discriminatie in een politie-eenheid dan pakt de medewerker uit die eenheid deze zaak op en rondt deze zelf af. Bij complexere zaken kan een beroep worden gedaan op de discriminatierechercheur die aan de eenheid is gekoppeld. Daarnaast zijn thematische discriminatierechercheurs bij het ECAD-P werkzaam, onder andere specifiek op de thema’s antisemitisme en online discriminatie.
Het Landelijk Expertisecentrum Discriminatie (LECD) van het OM zorgt voor het adviseren en informeren van officieren en andere medewerkers binnen het OM op het gebied van de aanpak van discriminatiezaken. Elk arrondissementsparket heeft officieren van justitie die gespecialiseerd zijn in strafbare discriminatie. Zij behandelen complexe discriminatiezaken en zijn vraagbaak voor andere collega’s. De discriminatieofficieren en andere gespecialiseerde OM-medewerkers komen meerdere keren per jaar met het LECD samen om geïnformeerd te blijven en tijdig nieuwe ontwikkelingen rondom strafbare discriminatie, waaronder online antisemitisme, te signaleren. Het OM is op dit moment bezig om de aanpak van online discriminatie te intensiveren. Binnen het huidige beleid bestaat ruimte om in uitzonderlijke gevallen ook ambtshalve discriminatiezaken op te pakken. Die ruimte wordt binnen het OM de komende periode beter benut door vanuit de discriminatieaanpak nadrukkelijker samen te werken met de aanpak van (online) terrorismezaken.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor de strijd tegen (online) antisemitisme en voor de veiligheid van Joden in Nederland. De bevindingen van dit onderzoek neemt het kabinet dan ook serieus en zal deze betrekken bij de verdere uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 en het Plan van aanpak online discriminatie waar antisemitisme deel van uitmaakt.
Het artikel dat de stikstofplannen van het kabinet bedrijven hard gaan raken en zorgt voor een economische bom voor Nederland. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat uw stikstofplannen ook de industrie keihard zullen raken? Kunt u aangeven welk effect uw stikstofplannen op de Nederlandse economie hebben? Zo nee, waarom niet?1
Uw eerste vraag refereert aan een bericht in de Telegraaf (van 25 juni jl.) dat «bijna 100 bedrijven in de buurt van Natura 2000 gebieden een verplichting opgelegd krijgen om hun stikstofuitstoot radicaal omlaag te brengen». In dit artikel wordt ingegaan op de economische impact van de stikstofmaatregelen. In de Kamerbrief van 26 juni jl. wordt het stikstofbeleid verder toegelicht. Hierin is ook rekening gehouden met economie. De vergunningverlening weer op gang krijgen vraagt iets van alle sectoren die bijdragen aan de uitstoot van stikstof en dus ook van de industrie. Industriële bedrijven doen al veel, omdat ze moeten voldoen aan milieu- en klimaatmaatregelen. Voor industrie geldt bijvoorbeeld dat de vergunning periodiek wordt vernieuwd en de fabriek zich moet aanpassen naar de beste beschikbare techniek (BBT). Daarom daalt de stikstofuitstoot van de industrie al lange tijd gestaag en deze ontwikkeling zet zich de komende periode voort, en dat geldt ook voor bedrijven in de nabijheid van natura 2000 gebieden. Het kabinet heeft gekeken naar wat de industrie aanvullend kan doen. Zo is het kabinet voornemens om aanvullend middelen beschikbaar te maken voor de (bestaande) subsidieregeling Beperking Ammoniakemissies Industrie, en bieden we industriële bedrijven binnen de vastgestelde zones rondom natura 2000 gebieden, een kans om een vrijwillige bijdrage te leveren door bovenwettelijk extra stikstofoxide te verminderen.
Doordat er momenteel geen vergunningen kunnen worden verleend loopt de Nederlandse economie schade op. Voor de periode van 2024 tot 2030 is dat rond de 4,1 miljard euro voor projecten die geen vergunning kunnen krijgen. (Jaarlijks 0,1% van het BBP). En de economische schade van stikstofemissies op gezondheid en natuur komt in 2023 neer op jaarlijks minstens 15,1 miljard euro (Jaarlijks 1,6% van het BBP) (Stikstofuitstoot en stikstofbeperkingen; Wat is de schade? SEO 20252). Dit maatregelenpakket zorgt ervoor dat vergunningverlening weer op gang kan komen. Dit zal stap voor stap en gebied voor gebied gaan.
Kunt u een opsomming geven van de bijna honderd bedrijven in de buurt van Natura 2000-gebieden die een verplichting opgelegd blijken te krijgen om hun stikstofuitstaat radicaal omlaag te brengen, inclusief cijfers van al gerealiseerde stikstofreductie per bedrijf? Indien dit niet kan, waarom niet?
Het aantal bedrijven in de zones rondom Natura 2000-gebieden is te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp (https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/KN-2025-0016.pdf). Op individueel bedrijfsniveau zijn de emissiegegevens van agrarische activiteiten om privacy-redenen niet openbaar.
Voor industriële bedrijven in zones worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld. Het kabinet is wel voornemens om stikstofimpact van industrie te verminderen door voor bedrijven die zich dicht bij natuurgebieden bevinden een tenderregeling open te stellen voor bovenwettelijke reductie.
Wat zijn de gevolgen voor de betreffende bedrijven? Wat zijn de gevolgen economisch gezien? Hoeveel werknemers gaan hier de gevolgen van merken? Hoeveel gezinnen betreft dit?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld voor industriële bedrijven in zones.
Is er voor uw plannen een brede impactanalyse gedaan, waarin in ieder geval de impact op de Nederlandse economie, de voedselzekerheid, de voedselautonomie, de werkgelegenheid, de schade aan bedrijven, de impact om de burgers en de impact op de woningbouw zijn meegenomen? Zo ja, kunt u deze delen voor het plenair debat over de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Indien nee, hoe bestaat het dat deze er niet is?
In de plannen heeft het kabinet zich gebaseerd op de diverse onderzoeken en rapporten die de afgelopen jaren verschenen zijn over mogelijke oplossingen en effecten van de stikstofproblematiek. Het kabinet kiest nu voor deze aanpak, juist ook vanwege de hoge maatschappelijke kosten waar de economie momenteel onder gebukt gaat en de onzekerheid die daarmee gepaard gaat.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in de Tweede Kamer een reflectie op het maatregelpakket publiceren, die het kabinet zal benutten bij de verdere uitwerking van de verschillende maatregelen en besluiten. Het kabinet zal ook scherp zicht houden op mogelijke (regionale) sociaaleconomische effecten, onder meer via de reguliere monitoring.
Houdt u er rekening mee dat er meer dan 30 rioolwaterzuiveringsinstallaties binnen de plannen vallen? Hoe gaat u voorkomen dat bedrijven die buiten de zones vallen, maar wel lozen op deze zuiveringen ook gedwongen moeten krimpen en niet meer kunnen uitbreiden of starten? Kunt u een lijst van alle bedrijven die dit betreft sturen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, komen er met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels voor industriële bedrijven, en ook niet rioolwaterzuiveringen. Veel rioolzuiveringsinstallaties worden al vernieuwd door waterschappen om te kunnen voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Welke consequenties heeft dit voor de nieuw aan te sluiten woningbouw in deze gebieden, want die lozen ook op de rioolwaterzuiveringen?
Aangezien er geen nieuwe regels zijn voor rioolwaterzuiveringen, is er ook geen sprake van een effect op aan te sluiten woningbouw.
Beseft u dat u met deze stikstofmaatregelen de Nederlandse economie, de Nederlandse voedselvoorziening en de Nederlandse boeren de nek omdraait? Waarom doet u dit?
Het kabinet realiseert zich dat met dit pakket veel wordt gevraagd van (onder meer) agrarische ondernemers. Tegelijkertijd is dit pakket ook noodzakelijk om weer perspectief te bieden. De ondernemer staat er niet alleen voor. Het kabinet biedt ruimhartige ondersteuning gericht op verschillende ontwikkelrichtingen. En als onderdeel van de aanpak investeert in de sociale en economische vitaliteit van het platteland.
Waarom legt u het rapport van prof. dr. Meester2 aangaande de statistische relevantie van de berekende stikstofdepositie naast u neer? Waarom kiest u niet, zoals het rapport aangeeft, voor instandhouding van onze natuur zonder radicaal stikstofbeleid waar u op inzet? Waarom blijft u vasthouden aan uw huidige koers van afbraak, terwijl Europa dat niet van ons vraagt?
Het vorige kabinet heeft de heer Meester gevraagd om analyse naar de statistiek onder de modellen die gebruik worden voor het verkrijgen van inzicht in stikstofdepositie die o.a. gebruikt is in de natuurdoelanalyses. Deze analyse is onderhevig geweest aan een uitgebreide review. Het vorige kabinet constateerde reeds dat de bevindingen van de heer Meester niet allemaal berusten op voldoende wetenschappelijke onderbouwing, en dit blijkt ook uit de review van dhr. Petersen.4 Ik sluit mij hierbij aan en vind het belangrijk dat beleid, zeker als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de samenleving, gebaseerd is op een degelijke wetenschappelijke onderbouwing.
Wilt u deze vragen uiterlijk op dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden, maar in ieder geval ruim voor aanvang van het plenaire debat samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Zo nee, waarom niet?
Ja
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
Ja.
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Soevereiniteit is een belangrijk aandachtspunt wanneer sprake is van afhankelijkheid van een leverancier.
Om digitale soevereiniteit te waarborgen hanteert het Ministerie van Defensie een tweesporenbeleid2. Het primaire spoor richt zich op de realisatie van een Europees AI-Decision Support System (DSS), waarbij juridische soevereiniteit, open standaarden en datasoevereiniteit belangrijke uitgangspunten zijn. Om te voorkomen dat de Krijgsmacht operationele risico’s loopt op zowel tactische als strategische gebied en om de operationele continuïteit, flexibiliteit en interoperabiliteit o.a. binnen NAVO te borgen, voorziet het tweede spoor in de tijdelijke toepassing van Palantir totdat het door Spoor 1 ontwikkelde Europese AI-DSS operationeel is.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Wat betreft de toepassing van Palantir bij de politie moet worden benadrukt dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt niet met de leverancier gedeeld. Het gaat hierbij alleen om politiedata. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra. De thema’s waarop de analyses uit «de Raffinaderij» worden ingezet zijn zeer belangrijk en hebben grote maatschappelijke impact, namelijk bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen. Met voorgenoemde werkwijze is het gebruik van Palantir door de politie van veel waarborgen voorzien.
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie is in contact met o.a. Frankrijk om tot een gezamenlijke ontwikkelagenda voor een Europees AI-DSS te komen.
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Specifiek voor het Ministerie van Defensie geldt dat er op dit moment een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven wordt uitgevoerd.
Vanuit het oogpunt van continuïteit en verhoging van de weerbaarheid is de politie met betrekking tot het totale palet van IT-dienstverlening reeds actief bezig met initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de digitale autonomie.3 Er worden stappen gezet om technologieën te ontwikkelen die beter aansluiten bij de behoeften door op zoek te gaan naar robuuste alternatieve oplossingen voor bestaande systemen, zodat de politie altijd kan beschikken over de best mogelijke tools. Deze zoektocht is essentieel om de operationele flexibiliteit en veiligheid te waarborgen in een steeds veranderende digitale omgeving. Het ontwikkelen en implementeren van dergelijke alternatieven is een complex proces dat tijd, financiële middelen en specialistische kennis vraagt en moet passen binnen de kaders van bijvoorbeeld privacy, proportionaliteit en beschikbare financiën. De politie weegt voortdurend de risico’s die verbonden zijn aan het gebruikt van IT-systemen.
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Zoals reeds in antwoord 4 gesteld, zijn zowel het Ministerie van Defensie als de politie actief bezig met het verkennen van alternatieven.
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Dat kan niet in zijn algemeenheid zo gesteld worden. Dit is afhankelijk van de use case en de gevraagde functionaliteiten.
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Zoals reeds in antwoord 4 en 5 gesteld werken bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie en de politie aan een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven die tegemoetkomen aan het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s).
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Ja, het kabinet is van mening dat een sterke AI-industrie van strategisch belang is om de digitale soevereiniteit, weerbaarheid, het innovatievermogen en economische concurrentiekracht van Europa te versterken. Om deze reden zet het kabinet zich in Europees verband in voor de ontwikkeling van een concurrerend Europees AI-ecosysteem. Daarbij wordt onder meer ingezet op investeringen in AI-onderzoek en innovatie, versterking van de Europese reken- en data-infrastructuur en ondersteuning voor startups en scale-ups, zoals geschetst in het Europese AI Continent Actieplan.4 Nationaal werkt het kabinet via de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. AI speelt een toenemende rol in uiteenlopende capaciteiten waar het Ministerie van Defensie nu en in de toekomst over moet beschikken. Het Nederlandse voortzettingsecosysteem dat we hiervoor opbouwen via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie voorziet daarom ook in op te bouwen Nederlandse en Europese AI-capaciteiten. Ook kunnen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling (NII) en de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) bijdragen aan het versterken van het AI-ecosysteem. Eerder is via het Nationaal Groeifonds in AI-programma’s geïnvesteerd (o.a. AiNed en NOLAI), evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer op 31 maart jl.5, heeft het kabinet er voor gekozen om niet mee te doen met een gezamenlijke Europese publieke aanbesteding van rekencapaciteit bij nog te selecteren AI-gigafabrieken. AI-gigafabrieken kunnen vanwege hun commerciële oriëntatie in beginsel volledig privaat gefinancierd worden. De achterliggende inhoudelijke overwegingen zoals genoemd in de brief en de budgettaire situatie hebben samen geleid tot de afweging om geen publieke financiële verplichting aan te gaan in deze gezamenlijke Europese aanbesteding. Ambitieuze private initiatieven en investeringen in AI-infrastructuur die het Nederlandse en Europese AI-ecosysteem versterken worden door het kabinet aangemoedigd. Voor het kabinet ligt voornamelijk een taak om de randvoorwaarden te versterken.
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Zoals in het wetgevingsoverleg over de Jaarverslagen en Slotwetten 2025 van de Ministeries EZ, BZK en JenV voor zover het onderwerpen betreft die zien op digitalisering is toegezegd, krijgt uw Kamer binnenkort een brief over de inzet op digitale ambities, met prioritering en de benodigde keuzes.6 Die brief komt na Prinsjesdag.
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Het schetsen van concrete tijdspaden is daarbij niet realistisch, onder meer vanwege de snelle technologische ontwikkelingen. Bovendien wordt er niet in het openbaar gecommuniceerd over RSA’s. Het kabinet acht het afbouwen van een afhankelijkheid als voldoende als het geen RSA meer is. Dit is het geval wanneer het risico van een waardeketenverstoring niet meer als hoog wordt ingeschat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de Verenigde Staten ASML beschuldigen van de verkoop van EUV-technologie aan China |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van Bloomberg dat Amerikaanse regeringsfunctionarissen zorgen zouden hebben geuit over de mogelijke aanwezigheid van EUV-technologie in China ondanks geldende exportbeperkingen?1
Ja.
Kunt u toelichten of het kabinet voorafgaand aan deze berichtgeving bekend was met deze specifieke beschuldigingen?
Heeft de Amerikaanse regering concrete informatie, bewijs of nadere onderbouwing met Nederland gedeeld?
Is er bij het kabinet op dit moment enige aanleiding om te veronderstellen dat de genoemde beschuldigingen onderbouwd zouden kunnen zijn?
Hoe beoordeelt het kabinet de verklaring van ASML dat het bedrijf zich volledig inzet voor naleving van alle toepasselijke regelgeving en eerdere geruchten over niet-naleving reeds heeft weersproken?
Het kabinet heeft goed en regelmatig contact met bedrijven in de halfgeleidersector. In die relatie is er voortdurend aandacht voor de naleving van exportcontroleregels.
Het kabinet gaat in het openbaar niet in op individuele bedrijven en gaat dus ook in het openbaar geen inhoudelijke beoordeling geven van specifieke uitspraken of verklaringen.
Deelt het kabinet de opvatting dat bij berichtgeving over een strategisch Nederlands bedrijf als ASML grote zorgvuldigheid past, gelet op de positie van het bedrijf, en het belang van vertrouwen in zowel Nederlandse exportcontrole als de bredere trans-Atlantische samenwerking?
Ja.
Deelt het kabinet de opvatting dat Nederland open moet staan voor signalen van internationale partners, maar dat Nederlandse exportcontroles niet mogen worden gestuurd door onbewezen aantijgingen of buitenlandse druk?
Ja.
Hoe bewaakt het kabinet in gesprekken met internationale partners dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen feitelijke nalevingskwesties en bredere beleidsdiscussies over exportrestricties richting China?
Zie het antwoord op vraag 2,3 en 4.