De Joint Letter of Intent met Tata Steel en het vervolg van de maatwerkafspraak |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke rol u voor de Expertgroep Gezondheid IJmond ziet in de verdere uitwerking van de maatwerkafspraak met Tata Steel en de opvolging van de afspraken?
Kunt u toelichten hoe u de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft meegewogen – en waarom bepaalde adviezen wel of niet zijn overgenomen – bij het opstellen van de Joint Letter of Internt (JLoI) met Tata Steel?
Bent u van plan om in lijn met de motie-Tijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond, ook voor zover deze niet in de JLoI zijn opgenomen, als harde voorwaarde mee te nemen in de onderhandelingen en uitwerking van de uiteindelijke maatwerkafspraak?
Kunt u een toelichting geven op het proces, inclusief de tijdlijn, om te komen tot een MER en een GER, en op de rol die beide instrumenten hebben bij vergunningverlening en het al dan niet verstrekken van subsidie?
Indien de maatwerkafspraak in september wordt ondertekend, heeft u, en daarmee de Kamer, dan voldoende inzicht in de gezondheidseffecten van de afspraken, afrekenbare garanties op vermindering van schadelijke effecten, vergunningverlening en de mogelijk te verstrekken subsidie?
Wordt de GER, naast een informatief instrument, ook een sturend instrument?
Zullen, zoals geadviseerd door de Expertgroep Gezondheid IJmond, naast de MER ook de resultaten van de GER voorwaardelijk worden gemaakt voor vergunningverlening?
Hoe gaat u de kennis- en meetlacunes ten aanzien van gezondheidseffecten, bijvoorbeeld van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en ultrafijnstof, adresseren?
Hoe gaat u de noodzakelijke omvang van het meetnetwerk, nieuwe meetmethoden en de resultaten daarvan een integraal en afdwingbaar onderdeel maken van de maatwerkafspraken?
Bent u van plan om, in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond, afdwingbare gezondheidsdoelen op te nemen in de uiteindelijke maatwerkafspraak, en hoe worden deze doelen vastgesteld (bijvoorbeeld op basis van waarden voor een gemiddelde stad of WHO-richtlijnen)?
Gaat u naast emissiedoelen ook immissiedoelen opnemen in de maatwerkafspraak?
Hoe bent u voornemens op dergelijke doelen te handhaven, en welke consequenties – zoals ontbindende voorwaarden, boetes of terugvorderingen – worden verbonden aan het niet behalen van de gezondheidsdoelen?
Bent u voornemens om periodieke evaluatiemomenten (bijvoorbeeld elke twee jaar) vast te leggen, waarin wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Bent u van plan om in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond naast gezondheidsafspraken en -doelen voor nieuwe installaties ook afspraken over bestaande installaties op te nemen in de maatwerkafspraak?
Hoe gaat u de weging en toetsing van het kosteneffectiviteitsbeginsel specifiek voor investeringen in Best Beschikbare Technieken (BBT) voor ZZS, versterken en verbreden met maatschappelijke waarden zoals gezondheid?
Heeft u Tata Steel verzocht om in de MER-alternatieven op te nemen die bijvoorbeeld de gezondheidswinst of de CO2-reductie maximaliseren, zodat een betere afweging kan worden gemaakt?
Waarom hanteert Tata Steel in de MER een andere productiecapaciteit – en daarmee mogelijk een andere uitstoot – dan in de JLoI, en wat zijn daarvan de consequenties?
Hoe (juridisch) zeker zijn de vergunningen voor emissies van Tata als de gezondheid en dus het belang van omwonenden onvoldoende is meegewogen? Kunt u bij het beantwoorden van deze vraag de jurisprudentie van de RBV-zaak van omwonenden tegen Schiphol meewegen, waarbij de rechter oordeelde met verwijzing naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?
Hoe houdbaar zijn de maatwerkafspraken als deze vergunningen vereisen die niet vergunbaar zijn of door de rechter worden vernietigd? Wat zijn de gevolgen van een vernietigde vergunning voor de maatwerkafspraken en de subsidies of andere incentives?
Kunt u toelichten hoe de economische en maatschappelijke baten van Tata Steel voor Nederland zich verhouden tot de NOx-emissie en welke maatschappelijke baten gegenereerd kunnen worden door deze emissie te verminderen of anders «te besteden»?
Kunt u toelichten op welke wijze de voorgenomen maatwerkafspraak met Tata Steel leidt tot additionele CO2-reductie ten opzichte van de geldende Nederlandse en Europese klimaatdoelstellingen?
Onderschrijft u dat binnen het EU ETS productbenchmarks worden toegepast om de hoeveelheid gratis emissierechten voor individuele installaties te bepalen en niet bepalend zijn voor de hoeveelheid emissierechten binnen het EU ETS?
Onderschrijft u dat ETS-benchmarks primair gebaseerd zijn op de prestaties van bestaande installaties en daarmee een afspiegeling vormen van de huidige stand van de techniek, niet het reductiepotentieel of de beschikbare transitie- of mitigatieopties?
Kunt u toelichten welke rol ETS-benchmarks spelen in de beoordeling of de voorgenomen CO2-reductie door Tata Steel additioneel is ten opzichte van wat reeds door het EU ETS wordt afgedwongen, en heeft een aanpassing van de benchmarks – zoals aangekondigd door de Europese Commissie – hier invloed op?
Welke criteria hanteert u om te bepalen of sprake is van «versnelde» CO2-reductie in het geval van Tata Steel, en hoe verhouden deze criteria zich tot het reductietempo dat reeds volgt uit het EU ETS?
Kunt u toelichten welke rol deze criteria, en specifiek de ETS-benchmarks, spelen in de beoordeling of Tata Steel in aanmerking komt voor staatssteun?
Hoe weegt u in dit kader de Europese CO2-grensheffing (CBAM) en de versnelde afbouw van gratis rechten en de prikkel die daarmee ontstaat, ongeacht mogelijke staatssteun, om te investeren in verduurzaming?
Is er nog steeds sprake van «versnelde» CO2-reductie, en voldoende onderbouwing voor staatssteun, als Tata Steel slechts de overstap van kolen naar aardgas maakt in fase 1 – en niet overstapt op groen gas of -waterstof?
Worden er harde doelen en tijdlijnen opgenomen over CO2-reductie en investeringen in fase 2 – de tweede helft van de fabriek – of staat het Tata Steel vrij om die investeringen niet te doen of zelfs de tweede helft van de fabriek te sluiten?
Worden er met het oog op de strategische autonomie en importafhankelijkheid harde garanties opgenomen in de maatwerkafspraak dat Tata Steel ten laatste voor 2032 overstapt op hernieuwbare energie en dat nieuwe installaties niet nog vele jaren op aardgas draaien?
Hoe worden de ketenemissies van aardgas – zoals methaanlekkage en transportkosten – meegenomen in de afspraken? Zijn daar analyses van en worden ook daar doelen voor gesteld?
Kunt u bevestigen dat Tata Steel, afgaande op afspraken in de intentieverklaring, de 200 miljoen euro staatssteun kan gebruiken om, mogelijk zelfs buiten Nederland, certificaten voor groen gas te kopen en dus kan beslissen om fysiek door te draaien op aardgas?
Hoe wordt de businesscase van wind op zee meegewogen in de beslissing om te kiezen voor groen gas of groene waterstof?
Waarom wordt wat betreft groen gas of waterstof enkel gekozen voor optionele subsidiering, in plaats van, of in combinatie met afdwingbare afspraken – en wordt dit in de maatwerkafspraak aangepast?
Is er door u een vergelijking gemaakt tussen de (maatschappelijke) kosten van het huidige plannen en een scenario waarbij afspraken worden gemaakt met andere landen of producenten over de import van met hernieuwbare energie geproduceerde Hot Briquetted Iron (HBI), dat vervolgens door Tata Steel IJmuiden wordt verwerkt tot groen staal?
Hoe weegt u de maatschappelijke kosten, zoals werkgelegenheid, benodigde subsidie en investeringen met een scenario met (ten dele) HBI-import?
Hoe weegt u consequenties van de import van HBI tegenover de import van aardgas, kolen, groen gas, waterstof en ijzererts voor de Nederlandse en Europese strategische autonomie?
In hoeverre wordt de ambitie uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben meegenomen in de uitwerking van de intentieverklaring?
Worden er circulaire (tussen)doelen opgenomen in de afspraken – zowel in fase 1 als 2 – en die afrekenbaar gemaakt?
Hoe betrekt u de rest van de keten – denk aan afspraken over het oplopend gebruik van schroot, maar ook vraagcreatie voor circulair- en groen staal – bij de uitwerking van de intentieverklaring?
Ziet u het borgen van de financiële verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Tata Steel Ltd. als een belangrijk onderdeel van de maatwerkafspraak?
In hoeverre zal Tata Steel Ltd. financieel bijdragen aan de investeringen aan de kant van Tata Steel en op welke manier?
Wat zijn de financiële consequenties voor de staat als de vergunningverlening vertraging oploopt en daarmee afspraken zoals nu uitgewerkt niet meer haalbaar blijken?
Maakt u zich in de onderhandelingen hard voor een financiële garantstelling – een zogenaamde 403-verklaring – van Tata Steel Ltd voor zaken als schulden, schoonmaakkosten of een sociaal plan?
Hoe wordt het Sociaal Contract Groen Staal – bedoeld om de werknemers zekerheid te verschaffen over hun toekomst – betrokken in de uitwerking van de intentieverklaring?
Gaat u een koppeling maken tussen de ondertekening van de maatwerkafspraak en de activering van het Sociaal Contract Groen Staal?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de intentieverklaring met Tata Steel?
De voortgang van de vermindering in regeldruk voor ondernemers |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat vermindering van de regeldruk voor ondernemers heel belangrijk is voor het verbeteren van het ondernemersklimaat? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel die mening. Alhoewel de bedoeling achter regels meestal goed is – vaak ter bescherming van een gerechtvaardigd belang, zoals de bescherming van werknemers, consumenten en ons milieu – hebben ondernemers momenteel te maken met onnodige regeldruk. Dit belemmert het ondernemerschap en verslechtert het ondernemingsklimaat. Wanneer ondernemers worden geconfronteerd met complexe administratieve verplichtingen, gaat dat ten koste van de tijd om te ondernemen en soms ook ten koste van innovatie, investeringen en groei. Ondernemers moeten minder tijd en geld kwijt zijn aan administratieve verplichtingen en meer ruimte krijgen om te doen waar zij goed in zijn: ondernemen.
Vindt u het ook zorgelijk dat de productiviteit van het midden- en kleinbedrijf achterblijft en deelt u de mening dat meer ruimte voor ondernemers door een afname van de regeldruk de productiviteit kan verhogen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het ook zorgelijk dat de productiviteit van het midden- en kleinbedrijf achterblijft, omdat juist daar een belangrijk deel van ons verdienvermogen en onze brede welvaart wordt gerealiseerd. Een afname van de regeldruk kan de productiviteit van het mkb verbeteren doordat ondernemers zich dan weer kunnen richten op waar zij het verschil maken: vakmanschap, innovatie en groei. Tegelijkertijd zet het kabinet breder in op het versterken van productiviteit, onder meer via de oprichting van de Productiviteitsraad. Deze adviesraad zal het kabinet tenminste jaarlijks informeren over de ontwikkeling van de productiviteit in Nederland en concrete beleidsaanbevelingen te doen om de productiviteitsgroei, zowel binnen en buiten het mkb, te bevorderen. Ook dienen de aanbevelingen van de raad als basis voor de jaarlijks terugkerende Productiviteitsagenda van het kabinet.
Wat is uw interpretatie van het begrip «voor de zomer», in de afspraak met de Kamer om «voor de zomer» 500 ondernemersregels af te schaffen of te versoepelen?1
Dit kabinet zet de aanpak voor regeldrukvermindering voor ondernemers, die is gestart in september 2025, voort. Het is een aanpak waarbij álle ministeries die regels hebben voor ondernemers meedoen. Het doel is om voor de zomer 500 regels aan te pakken voor ondernemers om de regeldruk te verminderen. Ook wanneer het kabinet bezig is om regelgeving aan te passen of te schrappen, wordt dit opgenomen in de lijst. Regelgeving is namelijk niet zomaar aangepast. Voor het schrappen of aanpassen van regels moet hetzelfde wetgevingsproces worden doorlopen als voor het maken van regels (dat duurt vaak minimaal 1 à 2 jaar). Ik zal uw Kamer in juli 2026 informeren over de tussenstand.
Klopt het dat de vermindering van regeldruk door het wijzigen van 32 ondernemersregels het meest recente getal betreft?2 Zo niet, wat is dan het actuele aantal aangepaste of afgeschafte ondernemersregels?
Nee, het genoemde getal van 32 ondernemersregels is niet meer actueel. Inmiddels is voor 78 regels de regeldruk daadwerkelijk verminderd. Voor de kerst heeft het vorige kabinet aangekondigd aan de slag te gaan om voor 218 regels de regeldruk te verminderen. Ook dit kabinet blijft de komende maanden werken aan de doelstelling om voor de zomer 500 regels aan te pakken door ze te schrappen of te vereenvoudigen. De voortgang hiervan wordt weergegeven via de regeldrukteller op de regeldrukmonitor.3 Op 9 april is de regeldrukmonitor geactualiseerd waaruit blijkt dat dit kabinet nog eens 97 aanvullende regels aanpakt die ondernemers onnodig belasten. In totaal komt dit neer op 315 regels.
Van die 315 regels is de regeldruk voor 78 regels al verminderd. Ondernemers kunnen hier al de eerste effecten van merken. Het verschil tussen aangekondigde en gerealiseerde regels komt doordat juridische en praktische stappen tijd kosten. Ondernemers merken pas echt minder regeldruk als de wijzigingen in de praktijk zijn doorgevoerd. In de tabel hieronder staat de voortgang per ministerie. De kolom «lopend» laat zien voor hoeveel regels de wijziging al in gang is gezet. De kolom «gerealiseerd» geeft weer voor hoeveel regels de regeldrukvermindering is doorgevoerd (en waar ondernemers nu al profijt van hebben).
Lopend
Gerealiseerd
Totaal
1
1
1
1
40
5
45
30
2
32
30
39
69
33
3
36
14
1
15
3
9
12
2
2
52
13
65
11
1
12
20
5
25
237
78
315
Wat is de voortgang van het schrappen of vereenvoudigen van de andere geïnventariseerde ondernemersregels in de brief aan de Kamer van 15 december 2025?3
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Wanneer kan de Kamer een inventarisatie ontvangen van de overige 282 ondernemersregels die nog voor de zomer 2026 moeten worden vereenvoudigd of afgeschaft?
De regeldrukmonitor is op 9 april geactualiseerd. Het doel is om voor de zomer van 2026 500 regels aan te pakken om de regeldruk te verminderen. Ik zal uw Kamer in juli 2026 informeren over de tussenstand.
Gaat u de doelstelling van het aanpakken van 500 ondernemersregels voor de deadline halen?
De inzet van dit kabinet is om de Aanpak Regeldruk die door het vorige kabinet is gestart door te zetten en voor de zomer 2026 500 regels aan te pakken om de regeldruk te verminderen. Het kabinet werkt hard aan die doelstelling en er is al substantiële voortgang geboekt. Tegelijkertijd is het structureel verminderen van onnodige regeldruk niet eenvoudig. De regelgeving die we hebben, is een ingewikkeld bouwwerk geworden. Of we de 500 regels voor de zomer dit jaar precies halen weet ik niet, maar ik hecht grote waarde aan het vasthouden aan de doelstelling. Die stimuleert namelijk de noodzakelijke actie. Belangrijker nog is dat ondernemers horen, zien en ervaren dat het kabinet werkt aan vermindering van regeldruk.
Juist daarom blijft de focus voor de komende jaren zo belangrijk. Dit is geen eenmalige actie, maar een structurele opgave om regelgeving eenvoudiger en werkbaarder te maken. Ik blijf mij inzetten om knelpunten die ondernemers ervaren aan te pakken en zoveel mogelijk regels te vereenvoudigen of te schrappen, zodat ondernemers in de praktijk merken dat regeldruk afneemt en ze minder tijd kwijt zijn aan de verplichtingen.
Het bericht ‘PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op het bericht dat PostNL met winsten zou schuiven tussen het post- en het pakketdeel van het bedrijf?
Ik herken dat de geïntegreerde bedrijfsvoering van PostNL een eenduidige scheiding van kosten en winsten binnen PostNL complex maakt. Op dit moment hebben zowel de ACM als ik geen concrete aanwijzingen dat PostNL met winsten schuift tussen het post- en het pakketdeel van het bedrijf. In de beantwoording van vraag 4 ga ik nader in op het gehanteerde systeem en het toezicht van ACM.
Artikel 22 van de Postwet 2009 verplicht – overeenkomstig artikel 14 van de Postrichtlijn – PostNL als UPD-verlener een boekhoudkundige scheiding aan te brengen tussen kosten en opbrengsten van de UPD en andere activiteiten, en deze inzichtelijk te maken aan de ACM. Nadere regels over de inrichting en toerekening van de boekhouding en over de wijze waarop de toerekening van kosten en opbrengsten inzichtelijk moet worden gemaakt, zijn vastgelegd in de Postregeling 2009 (artikelen 13 en 13a). Binnen deze wettelijke kaders houdt ACM toezicht en kan PostNL bepalen welke kosten aan de UPD worden toegerekend.
Voor de kostentoerekening hanteert PostNL een kostentoerekeningsysteem (KTS) dat in 2015 is goedgekeurd door de ACM. Onder het door de ACM goedgekeurde KTS vallen alle kosten die uitsluitend worden gemaakt voor het uitvoeren van diensten die onder de UPD vallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de kosten die PostNL maakt voor het legen van de brievenbussen. Andere kosten die zowel worden gemaakt voor de uitvoering van UPD-diensten als voor andere activiteiten, mag PostNL uitsluitend toerekenen voor zover de Postregeling 2009 dit toestaat. PostNL legt hier jaarlijks achteraf een door een accountant gecontroleerde financiële verantwoording over af.
Hoe kijkt u naar het subsidieverzoek van PostNL, met deze verschuivingen in het achterhoofd?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 uiteengezet, hebben de ACM en ik geen aanwijzingen dat PostNL in strijd met het KTS handelt. Ik zie verder geen direct verband tussen deze berichtgeving en het subsidieverzoek van PostNL. Het subsidieverzoek van PostNL is door mijn ambtsvoorganger in 2025 afgewezen, omdat subsidie onnodig is bij realistische kaders voor de uitvoering van de UPD. Realistische kaders ontstaan door de voorgenomen versoepelingen van de bezorgeisen in het Postbesluit 2009.2
Bent u er nog steeds van overtuigd dat het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat of de Autoriteit Consument & Markt (ACM) een duidelijk beeld hebben van de omrekeningfactor van de universele postdienst (UPD) binnen het bedrijf? Hebben zij een duidelijk beeld van de feitelijke omzetten en winsten binnen de stromingen bij PostNL?
De ACM houdt toezicht op een juiste toerekening van kosten door PostNL binnen het KTS. De ACM heeft het KTS in 2023 globaal bekeken en geen afwijkingen ten opzichte van de huidige wet- en regelgeving geconstateerd. Wel geeft de ACM aan dat er vooraf een bepaalde toerekeningsratio voor gedeelde kosten wordt vastgesteld en dat deze niet altijd in lijn hoeft te zijn met de daadwerkelijke ratio aan kosten die voor UPD en niet-UPD werkzaamheden gemaakt worden. Zo kan het bijvoorbeeld wettelijk toegestaan zijn om 50% van de kosten van het loon van de postbode of de kosten van het sorteercentrum toe te rekenen aan de UPD, terwijl de tas van de postbode en de sorteermachine niet altijd voor 50% met UPD-post gevuld hoeft te zijn. Naast de toerekening van kosten is er sprake van onderlinge leveringen tussen de post- en pakketdivisie (en vice versa). Deze worden in eerste instantie op marktconforme tarieven bij elkaar in rekening gebracht. Aan het einde van het jaar worden deze onderlinge leveringen tegen (integrale kostprijs) opnieuw berekend en als zodanig in de financiële verantwoording verwerkt. Volgens ACM is deze werkwijze van herberekening naar integrale kostprijs in overeenstemming met het KTS. Ten slotte ziet de ACM dat het huidige KTS-model complex en onnodig gedetailleerd is.
Ik ben in gesprek met de ACM om te verkennen of en hoe dit systeem versimpeld kan worden, zodat toezicht door de ACM eenvoudiger en effectiever kan worden uitgevoerd.
Wat doet dit bericht met uw visie op de toekomst van de postmarkt? Geeft dit bericht aanleiding om in de Postwet 2009 op te nemen dat de aanbieder van de UPD een gescheiden boekhouding moet voeren zodat de ACM goed toezicht kan houden?
Artikel 22 van de Postwet 2009 verplicht PostNL al om een boekhoudkundige scheiding aan te brengen tussen kosten en opbrengsten van de UPD en andere activiteiten en deze inzichtelijk te maken aan de ACM. Zoals in de beantwoording van vraag 2 en 4 nader toegelicht houdt ACM hierop toezicht.
Daarnaast kan de ACM in principe op ieder moment besluiten tot een herbeoordeling van het kostentoerekeningsysteem dat wordt gehanteerd; de specifieke meldingen en informatieverplichtingen in de Postregeling zijn slechts voorbeelden van logische momenten voor toetsing, en doen niets af aan haar bevoegdheid om ook tussentijds gegevens op te vragen en handhavend op te treden. Naast deze specifieke informatiebepalingen heeft de ACM ook de algemene bevoegdheid om alle gegevens en inlichtingen op te vragen die zij nodig heeft om het toezicht op de Postwet 2009 uit te kunnen voeren.3 Zoals hierboven beschreven ziet de ACM dat het huidige KTS-model complex en onnodig gedetailleerd is. Herbeoordeling is daarom een intensief proces waarbij discussies kunnen ontstaan tussen de ACM en PostNL over de noodzaak en proportionaliteit van een herbeoordeling.
In gesprekken met de ACM wordt bekeken of zij in de praktijk voldoende toegerust is om toezicht te houden op de kostentoerekening en de naleving van de regels rond de UPD. Als uit de gesprekken blijkt dat aanvullende taken of bevoegdheden nodig zijn om het publiek belang beter te borgen, zal ik bezien hoe hieraan opvolging kan worden gegeven. De ACM geeft aan dat om toezicht te houden op (de ontwikkeling van) de kosten van de UPD het van belang is dat er een transparant KTS door PostNL wordt opgesteld dat vooraf wordt goedgekeurd door de ACM. Na ingebruikname is het van belang dat dit KTS periodiek wordt geactualiseerd en opnieuw vooraf wordt beoordeeld door de ACM.
Wanneer kan de Kamer uw visie op de postmarkt verwachten?
Zoals verzocht in de motie van Kisteman c.s.4 zal ik een routekaart uitwerken voor de toekomst van de postmarkt. Mijn voornemen is om deze voor de zomer naar de Kamer te sturen.
Een visie op de postmarkt op hoofdlijnen, waaronder het creëren van ruimte voor concurrentie en de transitie naar een brede bezorgmarkt is op 10 februari jl. gegeven in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Postwet 20095. Kort samengevat is deze visie dat het primair aan marktpartijen is om te bepalen hoe zij actief zijn op de postmarkt. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om de wettelijke kaders zó vorm te geven dat zij ruimte bieden voor vernieuwing, samenwerking en nieuwe vormen van dienstverlening. Alleen zo kan een bredere bezorgmarkt ontstaan waarin niet alleen efficiëntie, maar ook innovatie en toekomstbestendige werkgelegenheid een plek krijgen, en waarin het ook in de toekomst vanzelfsprekend blijft dat mensen elkaar een kaartje of brief kunnen sturen. Deze transitie naar een bredere bezorgmarkt vraagt om realisme. De UPD is geen exclusief recht en kan niet worden ingezet als instrument om marktposities te verdelen. Door het wettelijk kader te moderniseren, ontstaat ruimte voor meer partijen om op een verantwoorde manier postdiensten aan te bieden. Dat vergroot de kans dat nieuwe aanbieders – zoals folder en pakketbezorgers – daadwerkelijk toetreden tot relevante postsegmenten, zoals brievenbuspakketjes, aangetekende post en prioriteitspost, voor zover daar in de markt blijvend vraag naar bestaat. De rol van de overheid is in dit proces het wegnemen van belemmeringen en het bewaken van een evenwichtig speelveld, zodat deze ontwikkeling kan plaatsvinden zonder dat de continuïteit van de UPD in gevaar komt. Zo kan de bezorgmarkt zich geleidelijk verbreden, terwijl de publieke dienstverlening geborgd blijft.
Het Argos-bericht 'Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Derk Boswijk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen» van Argos?1
Ja.
In uw Kamerbrief (Kamerstuk 36 592, nr. 60) geeft u aan: «Bij wijze van uitzondering en omdat ik in deze casus extra waarde hecht aan transparantie, informeer ik uw Kamer vooraf.» Klopt het dat u tot een brief over bent gegaan na vragen van Argos? Zo nee, waarom maakt u dan deze uitzondering?
Het besluit om de Kamer vooraf te informeren is gemaakt omdat ik voornemens ben om een Letter of Acceptance (LOA) te tekenen op 8 april aanstaande en zoals in de brief vermeld, waarde hecht aan transparantie en het tijdig informeren van de Kamer.
Welke commitment geeft Nederland aan het CCA-programma, nu en in de toekomst, bij het tekenen van de letter of acceptance?
Defensie gaat met het tekenen van de LOA een eenmalige verplichting aan richting de Amerikaanse overheid in de bandbreedte 50–250 miljoen2. Daarmee krijgen Defensie en betrokken kennisinstellingen TNO en NLR als deelnemer aan het programma kennis en toegang tot data over het CCA testprogramma.
In hoeverre zullen de vergaarde kennis en onderzoeksresultaten uit dit programma intellectueel eigendom zijn van de Nederlandse overheid?
Het programma deelt de experimentele data en analyses van het Amerikaanse testprogramma CCA met Nederland. Op grond van de LOA worden nadere samenwerkingsafspraken, onder andere op gebied van intellectueel eigendom, uitgewerkt.
Op welke manier zullen de vergaarde kennis en onderzoeksresultaten later gebruikt kunnen worden ter bevordering van een Europees alternatief?
De opgebouwde kennis stelt Defensie in staat om in de toekomst beter geïnformeerde afwegingen te maken t.a.v. toekomstige materiaalverwerving. En geeft Nederland de mogelijkheid om beter geïnformeerd in eventuele andere Europese programma's te kunnen deelnemen, indien dit opportuun is in de toekomst.
Kunt u aangeven waarvoor het benodigde budget van € 50–100 miljoen wordt gebruikt?
Om als partner in het Amerikaanse programma deel te nemen, betaalt Defensie een Buy in Fee in de vorm van een financiële bijdrage. Defensie en betrokken kennisinstellingen TNO en NLR krijgen als deelnemer aan het programma kennis en toegang tot data over CCA.
Bent u voornemens om twee testtoestellen aan te schaffen?
Door Defensie worden geen testtoestellen aangeschaft, maar wordt toegang verkregen tot het Amerikaanse CCA-programma.
Oorspronkelijk, voorafgaand aan het ondertekenen van de LOI op 16 oktober 2025, ging Defensie er vanuit dat deelname aan het onderzoeksprogramma mogelijk was door middel van aanschaf van twee testtoestellen. Dit bleek anders, zoals ook in de LOA is verwoord. Er is door de Verenigde Staten gevraagd om een financiële bijdrage ter hoogte van de aankoop van twee testtoestellen voor deelname aan het CCA programma, waarna Nederland de beschikking krijgt over de testdata en analyse. De testtoestellen blijven eigendom van de Verenigde Staten.
Waarom is de Kamer in de voorgaande Kamerbrief (Kamerstuk 36 592, nr. 56) over CCA niet ingelicht over het aanschaffen van testtoestellen?
Het aanschaffen van testtoestellen is niet aan de orde, zie vraag 7.
Worden er binnen het ministerie momenteel al vervolgstappen besproken om het inkooptraject van het CCA te vorderen, naast het aanschaffen van de twee testtoestellen? Zo ja, welke?
Nee, daar is hier geen sprake van.
Op basis van welke gronden kan de Nederlandse overheid nog uit het project stappen?
Na ondertekening van de LOA zullen nadere afspraken gemaakt worden over de inrichting van de Nederlandse deelname middels een Project Arrangement. Volgens de LOA is het mogelijk om uit het project te stappen met inachtneming van annuleringskosten. De details van de annuleringsgronden- en kosten staan in de LOA toegelicht en zijn commercieel vertrouwelijk.
Welke afspraken zijn daaromtrent gemaakt en welke kosten zijn daarmee gemoeid?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de zorg dat de verdere integratie van CCA met de vijfde generatie jachtvliegtuigen onze afhankelijkheid van het Amerikaanse defensie-ecosysteem vergroot? Waarom wel, waarom niet?
De doorontwikkeling van het vijfde generatie jachtvliegtuig staat los van Nederlandse deelname aan dit Amerikaanse CCA programma. Nederland maakt op dit moment geen aanschafkeuze in onbemenste jachtvliegcapaciteit.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is, gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen, dat Nederland verder geïntegreerd raakt in het Amerikaanse defensie-ecosysteem? Indien u deze zorg deelt, kunt u dan uitleggen hoe deze verdere integratie bijdraagt aan het onafhankelijker worden?
Als Nederland en Europa nemen we meer verantwoordelijkheid t.a.v. onze veiligheid en de verdediging van ons eigen continent. In het regeerakkoord is afgesproken om afhankelijkheden van buiten Europa af te bouwen en dat we voorop blijven in het toewerken naar een versterkte Europese pijler binnen de NAVO. Het Kabinet streeft daarom naar een meer gelijkwaardige trans-Atlantische relatie en een meer evenwichtige verdeling van de lasten binnen de NAVO. Echter houdt Defensie belang bij materieel- en industriesamenwerking met de VS, omdat we op bepaalde capaciteitsgebieden voorlopig afhankelijk zijn van kennis, onderdelen en ondersteuning vanuit de VS.
Bent u ermee bekend dat Anduril nauw samenwerkt met Palantir?
Ja.
Bent u bekend met de uitspraken van Anduril CEO Palmer Luckey: «So, to me, there's no moral high ground in using inferior technology, even if it allows you to say things like, «We never let a robot decide who lives and who dies,»» en van Palantir CEO Alex Karp «I love the idea of getting a drone and having light fentanyl-laced urine spraying on analysts that tried to screw us.»? In hoeverre bent u comfortabel met het uitbesteden van onze AI-defensiecapaciteiten aan deze personen?
Met deelname aan het programma wil Defensie kennis en data vergaren voor de mogelijke aanschaf, integratie en inzet van CCA in de verdere toekomst. Het gaat hier niet over het uitbesteden van defensiecapaciteiten. Daarnaast ga ik niet in op uitspraken van personen die geen betrekking hebben op CCA of de overeenkomst die ik van plan ben te sluiten met de Amerikaanse overheid.
Kunt u reflecteren op de uitspraak over Palantir van Italiaanse onderzoeker Francesca Bria in Follow the Money: «Het is een arm van de Amerikaanse veiligheidsstaat: een particulier instrument van geopolitieke macht. Als Europese overheden hun tools kopen, kopen ze niet alleen software: ze geven soevereiniteit op. Als je in zo’n bedrijf investeert, financier je de oorlog tegen Europese democratie.»?
Er is geen sprake van aanschaf van Amerikaans materiaal, enkel deelname aan een programma. Hiermee kan Defensie de benodigde kennis en data vergaren om later de juiste investeringskeuzes te kunnen maken. Door deelname aan het Amerikaanse programma, vergaren we ook kennis die we in Nederland en in Europees verband kunnen benutten of inzetten. Binnen het programma krijgen de kennisinstituten TNO en NLR mogelijkheden voor samenwerking, het opdoen van de nodige kennis en het vergaren van data.
Hoe verhoudt de samenwerking met deze bedrijven zich tot de verklaring over het gebruik van AI op Responsible AI in the Military Domain (REAIM), welke Nederland wel en de VS niet getekend hebben?
De software is gebaseerd op een open architectuur en geen eigendom van betrokken bedrijven, maar van de Amerikaanse overheid. Defensie behoudt de mogelijkheid om in samenwerking met de Nederlandse en Europese kennisinstellingen en industrie software te ontwikkelen conform de verklaring over Responsible AI in the Military Domain (REAIM).
Hoe verhoudt de samenwerking zich met de uitspraken van Pete Hegseth, Amerikaanse Minister van Oorlog: «De AI van het Ministerie van Oorlog zal niet woke zijn.» en «Geen domme gevechtsregels, geen moeras van natie-opbouw, geen oefening in het bouwen van democratie, geen politiek correcte oorlogen»?
Defensie voert zijn activiteiten op het gebied van AI uit conform de verklaring over Responsible AI in the Military Domain.
Heeft het ministerie contact gezocht met Italië, het Verenigd Koninkrijk, dan wel met Japan, om te verkennen wat hun plannen zijn voor onbemenste vliegtuigen en of Nederland daaraan kan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Defensie doet sinds 2023 onderzoek en heeft veelvuldig informeel contact gehad met verschillende partijen. Hieruit blijkt o.a. dat het Global Combat Air Program (GCAP) in een conceptstadium zit met een initiële focus op bemenste zesde generatie vliegtuigen als opvolger van de vierde generatie jachtvliegtuigen van Italië, het Verenigd Koninkrijk en Japan. Dit past nu niet bij de wens van Defensie om kennis te vergaren over onbemenste gevechtsvliegtuigen en daarom is niet formeel de vraag gesteld voor samenwerking.
In de Kamerbrief van 19 maart schrijft u dat: «[twee Europese samenwerkingsprogramma’s] bieden op dit moment geen mogelijkheden tot deelname aan een kennis- en innovatieprogramma voor onbemenste gevechtsvliegtuigen.»; waarom heeft u er niet voor gekozen om deze in samenwerking met andere landen op te zetten en in plaats daarvan uit te wijken naar de Amerikanen?
Defensie verkent de mogelijkheden van deelname aan programma’s in de ontwikkeling van onbemenste systemen binnen en buiten Europa in het MOBIUS project, zoals vermeld in Kamerstuk 36 592 nr.60. Het doel is waar mogelijk kennis en ervaring op te doen, om in de toekomst beter geïnformeerde materiaalverwerving te kunnen doen. Het Amerikaanse CCA programma biedt nu de kans om kennis, data en analyses in de concept, test en ontwikkelfase te vergaren. Overige programma’s bieden dit vooralsnog niet, maar blijven nauwlettend gevolgd worden.
Kunt u deze vragen apart en voor 8 april 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power» van The New Republic?1
Hoe beoordeelt u het gegeven in het artikel dat het bedrijf Palantir doelbewust inzet op discriminerende aspecten van hun technologie waarmee democratische verhoudingen worden verslechterd?
Welke rol spelen bedrijven als Palantir Technologies momenteel in Nederlandse overheidsprocessen, bijvoorbeeld op het gebied van data-analyse, veiligheid of publieke dienstverlening?
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat technologiebedrijven die nauw samenwerken met overheden of veiligheidsdiensten ook uitgesproken politieke visies hebben over de werking van democratieën?
Hoe is er in de aanbesteding van de software van Palantir nagedacht over de impact van deze samenwerking op de democratie en maatschappij?
In referentie naar de aangenomen motie van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van Palantir, wat is de status van de uitvoering van de drie gevraagde actielijnen uit deze motie2?
Kunt u een plan aanleveren om de verschillende functionaliteiten van Palantir waar de Nederlandse overheid gebruik van maakt om te zetten naar volwaardige alternatieven, en welke EU-bedrijven dit kunnen leveren? Zo ja, kan er ook een overzicht gemaakt worden welke EU-bedrijven deze functionaliteiten kunnen leveren, en kunt u de Kamer dit doen toekomen?
Is het kabinet bereid, als de benodigde capaciteiten nog niet op de Europese markt beschikbaar zijn, om te verkennen of de talenten binnen JIVC (Joint Informatievoorziening Commando) benut kunnen worden om de benodigde capaciteiten zelf te ontwikkelen, al dan niet in samenwerking met het Nederlandse of Europese bedrijfsleven?
Is het kabinet bereid te onderzoeken of aanvullende transparantie- of governance-eisen nodig zijn voor technologiebedrijven die AI-systemen leveren aan overheden, zeker wanneer deze bedrijven ook actief zijn in defensie- en veiligheidssectoren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Henk Jumelet (CDA), Ulaş Köse (D66) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
Het bericht ‘Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen’ |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen»?1
Ja.
Hoe voorziet u, naast toetreding tot het Amerikaanse CCA-programma, concreet aan te sluiten op Europese ontwikkelingen? Kunt u een plan van aanpak aan de Kamer verstrekken?
In de brief van 19 maart jl. (Kamerstuk 36 592 nr. 60) is toegelicht dat Defensie door deelneming in het CCA-programma nu concrete kansen kan benutten voor het opdoen van kennis tijdens de fase van test, onderzoek en ontwikkeling van onbemenste gevechtsvliegtuigen die kunnen samenwerken met bemenste jachtvliegtuigen. De twee genoemde grotere internationale samenwerkingsprogramma’s voor toekomstige jachtvliegtuigen, waar eventuele onbemenste gevechtscapaciteit onderdeel van uitmaakt, zijn in een beginstadium en bieden deze mogelijkheden (nog) niet. Dit neemt niet weg dat Defensie in het programma MOBIUS de mogelijkheden blijft verkennen van deelname aan andere programma’s voor kennisopbouw en ontwikkeling van dit soort systemen, wereldwijd en specifiek in Europees verband. Defensie werkt daarnaast in NAVO en in EU-verband en bilateraal met verschillende partners nauw samen op kennis- en innovatiegebied in het luchtdomein en wisselt in dit kader informatie uit over het opzetten van kansrijke projecten en initiatieven, waaronder op de gebieden van onbemenste systemen en autonomie.
Wat betreft de ambitie om aan te sluiten op Europese alternatieven; hoe gaat u om met het risico dat het ene Europese alternatief, «Future Combat Aircraft System» met daarbij behorende onbemenste systemen («Remote Carriers»), zo goed als stukgelopen is, en het andere Europese alternatief «Global Combat Air Program» zich met name richt op een volgende generatie bemenste jachtvliegtuig?
Geïntegreerde onbemenste luchtsystemen kunnen de effectiviteit van bemenste gevechtsvliegtuigen aanzienlijk vergroten en zijn sneller en goedkoper te produceren dan traditionele bemenste gevechtsvliegtuigen. De ontwikkelingen gaan snel en het is daarom aannemelijk dat bestaande trajecten van Europese landen worden doorontwikkeld of aangevuld met nieuwe initiatieven voor de toekomstige integratie van onbemenste luchtsystemen. Door deelname aan het Amerikaanse programma kan Defensie nu kennis vergaren waarmee we voorop lopen in deze ontwikkeling. Dit kan ook van nut zijn bij eventueel toekomstige deelname aan programma’s met Europese partners.
De wet- en regelgeving voor het gebruik van kunstmatige intelligentie bij militaire inzet staat nog in de kinderschoenen; wat is uw plan als de kunstmatige intelligentie in het Amerikaanse CCA-programma niet aansluit op Europese of Nederlandse standaarden? Hoe gaat u om met de risico’s? Bent u voornemens om, indien het niet aansluit, zelf alternatieven binnen Europese standaarden te ontwikkelen?
Het Amerikaanse CCA programma ontwikkelt de software in een open architectuur. Defensie behoudt de mogelijkheid om in samenwerking met de Nederlandse en Europese kennisinstellingen en industrie software te ontwikkelen conform Nederlandse dan wel Europese standaarden.
In uw recente Kamerbrief van 19 maart 2026 (Kamerstuk 36 592, nr. 60) schrijft u mogelijkheden te onderzoeken om de Nederlandse innovatieve industrie aan te laten sluiten bij de ontwikkeling van CCA in de toekomst; bent u bereid te verkennen of Nederland het voortouw kan nemen in de Europese ontwikkeling van onbemenste systemen zoals «Collaborative Combat Aircraft» of «Remote Carriers», overwegende dat dit complementair kan zijn aan huidige internationale initiatieven en de kennis en kunde in Nederland beschikbaar is?
Defensie verkent de mogelijkheden van deelname aan programma’s in de ontwikkeling van onbemenste systemen binnen en buiten Europa in het MOBIUS project. Deelname aan het Amerikaanse CCA programma biedt unieke kansen op kennisopbouw om deze verkenning zorgvuldig uit te kunnen voeren.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De verhaalbaarheid van schadevergoedingen in het Groningse gasdossier |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving, onder andere in De Telegraaf, waarin aandeelhouders van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), te weten Shell en ExxonMobil, stellen dat de Nederlandse Staat mogelijk te ruimhartige schadevergoedingen uitkeert die buiten de contractuele afspraken vallen?1
Ja.
Waarop baseert u de veronderstelling dat de kosten van schadeherstel, versterking en compensatie volledig op de NAM kunnen worden verhaald?
Uit de Tijdelijke wet Groningen (TwG) volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de eisen uit de TwG kunnen worden geheven. Indien met compensatie wordt gedoeld op de uitgaven voor de sociale en economische agenda dan wijs ik erop dat deze uitgaven niet verhaald worden op de NAM.
In hoeverre bent u bekend met het standpunt van de aandeelhouders van de NAM dat bepaalde schadevergoedingen, zoals forfaitaire of ruimhartige regelingen, niet onder de oorspronkelijke aansprakelijkheidsafspraken vallen?
De standpunten van de NAM en de aandeelhouders van NAM dat bepaalde kosten in verband met de schadeafhandeling niet aan NAM zouden kunnen worden doorbelast op grond van de Tijdelijke wet Groningen zijn mij bekend. De standpunten van NAM zijn recent nog aan de orde gekomen tijdens de (openbare) zitting van de rechtbank Noord-Nederland van medio maart jl. inzake de beroepsprocedures van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021.
Kunt u uitsluiten dat een rechter of arbitragepanel uiteindelijk oordeelt dat (een deel van) de kosten van schadeherstel en compensatie niet op de NAM kan worden verhaald en daarom voor rekening van de Nederlandse Staat komt?
Nee.
Kunt u uiteenzetten welke categorieën van schade en compensatie het kabinet volledig verhaalbaar acht op de NAM?
De kosten voor de schadeafhandeling acht ik op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het Instituut Mijnbouwschade Groningen zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om schadevergoedingen die zijn uitgekeerd aan gedupeerden.
Kunt u tevens aangeven welke categorieën van kosten mogelijk buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen?
Kosten die buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen zijn bijvoorbeeld onverplichte tegemoetkomingen (zoals de verduurzamingsmaatregelen, de knelpuntenregelingen en een deel van de totale kosten van daadwerkelijk herstel) alsmede de kosten ter uitvoering van de sociale agenda en de economische agenda.
Kunt u, indien bepaalde kosten mogelijk niet verhaalbaar blijken, inzicht geven in de potentiële financiële omvang hiervan voor de Nederlandse Staat?
Ik kan op dit moment geen inschatting geven van de potentiële financiële omvang van niet verhaalbare kosten. Een groot deel van de kosten dat al aan NAM is doorbelast, staat ter discussie in bezwaarprocedures of ligt nu ter beoordeling voor bij een rechtbank of een scheidsgerecht. Voor andere kosten zal de omvang pas duidelijk worden bij het vaststellen van de eerstvolgende heffingsbesluiten.
Heeft het kabinet een actuele risicoanalyse gemaakt van het scenario waarin een rechter of arbitragepanel oordeelt dat een deel van de uitgekeerde schadevergoedingen niet op de NAM kan worden afgewenteld?
Gelet op de procespositie van de Staat is het niet in het belang van de Staat om hier nu concreet op in te gaan. Op basis van de meest recente berichtgeving van de scheidsgerechten wordt eind tweede kwartaal van 2026 een vonnis verwacht in eerste fase in de arbitrage versterken en in de arbitrage schade. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Nederland aangekondigd op 12 juni a.s. uitspraak te willen doen in het beroep van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021. Ik wil daar nu niet op vooruitlopen.
Zo ja, wat is de uitkomst van deze risicoanalyse en over welke orde van grootte spreken we dan? Gaat het hierbij om honderden miljoenen euro’s of daadwerkelijk om miljarden euro’s?
Zie antwoord op vraag 8.
Waarom is de presentatie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) uit de openbaarheid gehaald, en kan deze alsnog met de Kamer worden gedeeld?
Het document van het IMG is niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht van zijn advocaat. Dat betekent dat het gaat om vertrouwelijke informatie en persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in beroep2 bevestigd dat het IMG openbaarmaking op goede gronden heeft geweigerd.
Kunt u het rapport dat ten grondslag ligt aan de presentatie van het IMG waarnaar wordt verwezen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij tevens aangeven welke aanvullende bevindingen en analyses in dit onderliggende rapport zijn opgenomen die niet in de presentatie zijn verwerkt?
Nee, zie antwoord op vraag 10.
Beschikt het kabinet over andere rapporten, analyses of documentatie van vergelijkbare aard met betrekking tot bevingsrisico’s, schade-inschattingen of financiële risico’s in het Groningse gasdossier? Zo ja, kunt u deze documenten met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik op dit moment een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is indien de Nederlandse belastingbetaler uiteindelijk opdraait voor kosten die volgens het kabinet op de NAM verhaald zouden moeten worden?
Deze visie deel ik niet. Op dit moment wordt al het mogelijke gedaan om de kosten voor de schade-afhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen binnen de kaders van de Tijdelijke Wet Groningen te verhalen op de NAM. De schadeafhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen dienen evenwel een zwaarwegend doel. Het kabinet heeft dan ook besloten dat het koste wat het kost zo lang als het nodig is moet worden doorgezet. Gelet op de baten die de Nederlandse samenleving jarenlang heeft genoten van de Groningse gaswinning, is het acceptabel dat de kosten daarvoor – voor zover die niet op NAM kunnen worden verhaald – voor rekening van de Staat komen.
Is de Kamer eerder geïnformeerd over het risico dat een deel van de uitgekeerde schade niet verhaald kan worden op de NAM en dat daardoor de Staat een financieel risico loopt? Zo ja, wanneer en op welke wijze is de Kamer hierover geïnformeerd?
Ja, de Kamer is hierover geïnformeerd. Zo is de Kamer begin 2024 door de toenmalig informateur Plasterk geïnformeerd over de budgettaire tegenvallers en risico’s bij de verschillende departementen. In dat kader is door het Ministerie van EZK gewezen op risico’s voortvloeiend uit de arbitrageprocedures (zie Bijlagen bij eindverslag informateur Plasterk dd. 12 februari 2024 pagina 33). Ook in de meest recente Kamerbrief over de stand van zaken in de juridische procedures NAM, Shell en ExxonMobil is nadrukkelijk benoemd dat er afhankelijk van de uitspraken van het scheidsgerecht in de arbitrages sprake is van mogelijke budgettaire risico’s (zie Kamerstukken II, 2025–2026, 33 529, nr 1340).
Verder wijs ik er op dat op verzoek van de Eerste Kamer op 21 mei 2024 en 28 januari 2025 vertrouwelijke technische briefings hebben plaatsgevonden.
Is er op de Rijksbegroting een budget gereserveerd om mogelijke financiële risico’s op te vangen indien de kosten niet op de NAM kunnen worden verhaald? Zo ja, waar en om welke bedragen gaat het? Zo nee, waarom acht het kabinet dit niet noodzakelijk?
Nee, het kabinet acht dit niet noodzakelijk. De kosten voor de schadeafhandeling acht het kabinet op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het IMG zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Voor de aanvullende PEGA-maatregelen heeft het kabinet aan de voorkant geld gereserveerd. Voor kosten die nu zijn opgenomen in een heffing zijn geen voorzieningen of reserveringen getroffen. Ik wil niet vooruitlopen op uitspraken in de verschillende procedures.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer te verzoeken onderzoek te doen naar de vraag of de rijksoverheid in het kader van het Groningse gasdossier publiek geld zinnig, zuinig en zorgvuldig besteedt?
Jaarlijks ontvangt de Kamer reeds de onafhankelijk opgestelde Staat van Groningen en Noord-Drenthe waarin onder meer de stand van zaken rondom schadeafhandeling en de versterkingsoperatie uitvoerig wordt belicht. Daarnaast zal de Algemene Rekenkamer in zijn verantwoordingsonderzoek over 2025 opnieuw ingaan op de doelmatigheid en doeltreffendheid van maatregelen die zijn genomen om de schadeafhandeling en uitvoering van de versterking te verbeteren. Het verantwoordingsonderzoek verschijnt op de derde woensdag van mei (woensdag 20 mei 2026).
Op welke wijze is het fraudebeleid en het fraudedetectieprotocol bij schadeafhandeling aangepast naar aanleiding van de aanhouding van vijf verdachten door de FIOD in een onderzoek naar subsidiefraude?2
Het IMG kent met het Bureau Bijzonder Onderzoek (BBO) een gespecialiseerd team dat onderzoek doet naar fraudemeldingen en malversaties binnen de schadeafhandeling. De FIOD, onder leiding van het Openbaar Ministerie, heeft vijf verdachten aangehouden in het kader van een onderzoek naar subsidiefraude rondom aardbevingsschade in Groningen. Naar aanleiding van de aanhoudingen heeft het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) samen met het IMG maatregelen genomen om de kans op waardevermeerderingssubsidiefraude te beperken. De FIOD en het Openbaar Ministerie zijn nadere onderzoeken naar deze vorm van subsidiefraude aan het voorbereiden. Om potentiële fraudeurs niet wijzer te maken, wordt niet nader geduid om welke maatregelen het precies gaat. Het IMG blijft alle meldingen met een vermoeden van fraude onderzoeken en treft waar nodig maatregelen.
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de fraudebestrijding binnen het schadeherstel, waaronder cijfers over terugvorderingen, signalen van misbruik en het aantal aangiftes?
Ja. Het IMG rapporteert sinds 2024 in zijn jaarverslag al over de fraudebestrijding. Dit jaarverslag wordt uw Kamer jaarlijks door IMG aangeboden, laatstelijk op 27 maart jl.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk een week voorafgaand aan het commissiedebat Herstel Groningen van 22 april 2026?
Ja.
“Social leasing” als mogelijk instrument om huishoudens te beschermen tegen stijgende brandstofprijzen. |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Bertram , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het zogenoemde «social leasing»-programma in Frankrijk,1 waarbij huishoudens met een lager inkomen tegen een sterk gereduceerd maandbedrag een elektrische auto kunnen leasen?
Ja.
In hoeverre zou dit type maatregel ook in Nederland kunnen bijdragen als instrument om huishoudens te beschermen tegen stijgende brandstofprijzen en tegelijkertijd de transitie naar emissievrije mobiliteit te versnellen?
De invoering van een dergelijke maatregel zou vooral kunnen helpen om huishoudens met een lager inkomen op een gerichte manier te beschermen tegen de stijgende brandstofprijzen en om de transitie naar emissievrije mobiliteit te versnellen.
Bij het «social leasing»-programma uit Frankrijk wordt het leasen van een volledig elektrische auto (EV) sterk goedkoper gemaakt. Alleen huishoudens die onder een bepaalde inkomensgrens vallen (lage inkomens) en die een minimale hoeveelheid kilometers naar hun werk moeten reizen met een auto kunnen aanspraak maken op de regeling. In Nederland zou een vergelijkbare regeling gericht kunnen worden op huishoudens met een inkomensgrens van 23.000 per jaar. Deze huishoudens worden momenteel het meest getroffen door de hoge brandstofprijzen. Met de introductie van een soortgelijke regeling zou voor deze inkomensgroep een gemiddeld voordeel van € 91,– per maand (€ 1.092,– per jaar) bereikt worden. Op het ogenblik wordt bezien of (en hoe) een dergelijke regeling uitvoerbaar is, omdat er een controle vereist is op zowel het inkomen als de reisafstand van huis naar werk.
Hoe zou een dergelijke regeling bij kunnen dragen aan de betaalbaarheid van mobiliteit voor lagere inkomens, de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, de versnelling van de elektrificatie van het Nederlandse wagenpark en een rechtvaardige energietransitie?
Door een dergelijke maatregeling te richten op lagere inkomens wordt mobiliteit voor deze groep Nederlanders betaalbaarder en voorspelbaarder (door de onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen) gemaakt. Wel moet een keuze gemaakt worden over de afbakening van de groep (inkomensgrens). Daarnaast is een inkomenscheck nodig en een check op reisafstand, waarvan op het ogenblik wordt bezien of een dergelijke check uitvoerbaar is en zo ja hoe.
De afhankelijkheid van fossiele brandstoffen wordt, bij gebruik maken van deze regeling, voor deze inkomensgroep minder. Het is afhankelijk van de totale budgettaire omvang van een dergelijke maatregel en de afbakening van de doelgroep wat uiteindelijk het totale effect is op de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen.
Versnelling van elektrificatie wordt bereikt doordat een groep die eerder fossiel zou rijden overstapt op elektrisch rijden. In het Franse voorbeeld gaat het om kleinere auto’s (a/b segment) die nu nog beperkt aanwezig zijn in het totale wagenpark. Als dit wordt overgenomen zou het aantal kleinere EV’s toenemen, wat na verloop van tijd ook een positieve uitwerking heeft op de beschikbaarheid van dit type auto’s op de tweedehands markt.
Een rechtvaardige energietransitie kan worden bereikt door in een dergelijke maatregel gericht lagere inkomens als doelgroep aan te merken. Deze groep kan dan, ondanks de normaliter hogere aanschafkosten van een EV, toch profiteren van de voordelen zoals de lagere gebruikerskosten.
Hoe zou een eventuele Nederlandse variant van sociale leasing organisatorisch kunnen worden vormgegeven, bijvoorbeeld in samenwerking met leasemaatschappijen, aanbieders van deelmobiliteit en andere mobiliteitsaanbieders, en hoe kan daarbij worden voortgebouwd op bestaande Nederlandse regelingen en initiatieven?
Onderzoek naar een Nederlandse variant op het social leasing programma vindt plaats binnen het Formule E-Team (FET). In samenwerking met het FET is destijds de Subsidieregeling Elektrische Personenauto’s Particulieren (SEPP) ontwikkeld die de mogelijkheid bood voor een subsidie op leasing. De regeling is in 2024 komen te vervallen. Onderzocht moet worden wat de mogelijkheden zijn om de regeling opnieuw te activeren en zodanig aan te passen dat een inkomensgrens en een minimale reisafstand meegenomen kan worden in het beoordelingsproces. Gerichte ondersteuning van lage inkomens voor de gestegen energiekosten vraagt in de uitvoering om een inkomenstoets, bezien moet worden of het mogelijk is om aansluiting te vinden bij een al bestaande toets.
Welke bestaande Nederlandse regelingen (zoals subsidies of fiscale maatregelen voor elektrische voertuigen) zouden eventueel kunnen worden aangepast of gecombineerd om een vergelijkbare vorm van sociale leasing mogelijk te maken?
Er zijn op dit moment geen stimuleringsmaatregelen voor elektrisch vervoer in de particuliere markt meer actief in Nederland.
Wel wordt op het ogenblik een (inkomensafhankelijke) sloopvervangingsregeling van een fossiele auto voor een tweedehands EV uitgewerkt. Deze regeling gaat begin 2027 van start. Verschillen tussen deze regeling en een mogelijke social lease regeling zijn de afbakening van de doelgroep en het benodigde budget. Social lease is vooral gericht op de laagste inkomens en bij social lease kunnen ook mensen meedoen die eerder geen auto in het bezit hadden (bijv. financieel autolozen2 De sloopvervangingsregeling is gericht op de lage middeninkomens die in bezit zijn van een oude auto. Als dit niet het geval is, kan niet worden meegedaan aan de regeling. Na inruil van de oude auto ontvangt de aanvrager een bedrag dat gebruikt moet worden voor de aanschaf van een tweedehands elektrische auto. Beide maatregelen richten zich op verschillende doelgroepen en kunnen naast elkaar worden uitgevoerd.
Bent u bereid te onderzoeken of, onder welke voorwaarden, en op welke wijze een vergelijkbaar systeem van sociale leasing voor elektrische auto’s, gericht op huishoudens met een lager inkomen die afhankelijk zijn van de auto voor woon-werkverkeer, ook in Nederland overwogen zou kunnen worden als onderdeel van eventuele maatregelen ter compensatie van stijgende brandstofprijzen?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Opinie: «Laat de ondernemer scoren tijdens het WK voetbal»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tweede Kamer wil NOS verbieden geld te vragen voor uitzenden WK-duels Oranje in cafés en op pleinen»?2
Ja.
Deelt u de mening dat een groot sporttoernooi als het wereldkampioenschap (WK) voetbal het land bijeen brengt en dat het daarom belangrijk is dat er ruimte wordt geboden voor de beleving van zo’n toernooi?
Ja, ik deel deze mening. Het WK-voetbal is een mooie gelegenheid om mensen te verbinden en gezamenlijke herinneringen te creëren. Het is belangrijk dat dit voor iedereen toegankelijk en beleefbaar is.
Beaamt u dat het bieden van ruimte aan festiviteiten rondom sporttoernooien, zoals het aankomend WK-voetbal, de veiligheid kan vergroten, doordat supporters niet halverwege de wedstrijd gefrustreerd naar buiten worden gestuurd en er juist spreiding ontstaat bij het verlaten van cafés en evenementen?
Het is aan het lokaal bestuur om de openbare orde en veiligheid rondom grote evenementen en sporttoernooien in goede banen te leiden. En daarbij puttend uit eerder opgedane ervaringen. Georganiseerde festiviteiten en pragmatische keuzes in sluitingstijden voor horeca kunnen bijdragen aan een geordend verloop van grote evenementen en sporttoernooien, maar ook de bron zijn van onrust. Dit kan per situatie en locatie verschillen. Het lokaal bestuur zal altijd, samen met de politie, de handhaving van de openbare orde bij de vergunningverlening bij grote evenementen en sporttoernooien, zoals een WK voetbal, betrekken en zo nodig de openbare orde handhaven.
Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat aankomend WK-voetbal de leeuw niet in zijn hempje staat door ervoor te pleiten de openingstijden voor (horeca- en evenementen)ondernemers te verruimen als het Nederlands elftal speelt, bijvoorbeeld via de Vereniging Nederlandse Gemeenten of het samenwerkingsverband van grootte gemeenten (G40)?
De regulering van openingstijden is een verantwoordelijkheid die bij het lokaal bestuur berust. Het is aan gemeenten om, in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen en hun eigen lokaal beleid, passende afwegingen te maken.
Deelt u de mening dat het moeilijk uitlegbaar is dat er door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van programma’s die al met belastinggeld zijn verkregen of gemaakt?
De Mediawet 2008 kent het zogenoemde dienstbaarheidsverbod. Op grond hiervan is het voor publieke omroepen verboden om bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst of een concurrentievoordeel door commerciële partijen. Het dienstbaarheidsverbod is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van de staatssteunzaak over de financiering van de NPO aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.3 Commerciële exploitatie van (sport)uitzendingen kan daarom niet kosteloos plaatsvinden. Voor vertoningen buiten de huiselijke kring moet een marktconforme vergoeding gevraagd worden. Daarnaast geeft de NOS aan dat in het contract met de FIFA staat dat voor vertoningen van WK-wedstrijden buiten de huiselijke kring een vergoeding gevraagd moet worden.
De vertoning van wedstrijden komt neer op openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermd werk waarvoor Videma (de collectieve beheersorganisatie voor vertoningsrechten) de licentieverlening verzorgt namens rechthebbenden – in dit geval de NOS. De tarieven hiervoor zijn transparant en eenvoudig terug te vinden op de website van Videma. Voor het vertonen van wedstrijden in een publieke setting, zoals in cafés en op pleinen, gelden sinds het EK van 2024 aanzienlijk verlaagde tarieven. Deze verlaagde tarieven gelden in principe voor alle evenementmatige vertoningen buiten de huiselijke kring, behalve bij evenementenlocaties waar entree wordt gevraagd, bijvoorbeeld op een festival of in een stadion. In die situaties geldt het standaard evenemententarief.
Overigens hebben veel reguliere horecaondernemingen voor het vertonen van het WK-voetbal voldoende aan een zogenoemde doelgroeplicentie. Met deze licentie mogen ondernemers het hele jaar door televisiebeelden tonen van diverse omroepen waaronder ook alle wedstrijden van het WK-voetbal. Een onderneming tot bijvoorbeeld 50m2 horeca-oppervlakte betaalt hiervoor (bij eigen aanmelding) € 247,34 excl. BTW per jaar.
Snapt u de verontwaardiging dat er in Nederland door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van het EK- of WK-voetbal, terwijl dit in onze buurlanden (nagenoeg) gratis is?
Alle WK-wedstrijden blijven voor iedereen gratis te bekijken via de publieke omroep, zowel op televisie als online. De bijdrage geldt, vanwege het hiervoor geschetste juridische kader alleen voor publieke vertoningen buiten de huiselijke kring zoals in horecagelegenheden, op pleinen of bij evenementen. Dergelijke vertoningen worden vaak georganiseerd door ondernemers omdat zij daarmee extra inkomsten kunnen genereren. In die gevallen wordt een marktconforme vergoeding gevraagd. Daarmee wijkt Nederland niet af. Het kijken buiten huiselijke kring is in onze buurlanden vaak ook niet gratis. Ook daar geldt dat er een bijdrage kan worden gevraagd voor evenementmatige vertoning van WK-wedstrijden.
Onderschrijft u de mening dat het belasten van het uitzenden van een sporttoernooi als het aanstaand WK-voetbal, ondernemers ontmoedigt hun nek uit te steken om leuke activiteiten rondom zo’n toernooi te organiseren, temeer omdat ondernemers óók voor de uitzendrechten moeten betalen als het regent en er dus veel minder bezoekers komen opdagen om de kosten terug te winnen?
(Horeca-)ondernemers hebben vele overwegingen om al dan niet activiteiten te organiseren rondom sporttoernooien of andere grote evenementen. Dat het daarbij slecht weer kan zijn is een van deze overwegingen. Of de kosten van een evenementenlicentie ondernemers ontmoedigt om activiteiten rondom het WK-voetbal te organiseren, is lastig te beoordelen. Er zijn immers ook allerlei andere kosten zoals de inkoop van bier of de inhuur van personeel en technische faciliteiten die bij slecht weer wellicht niet terugverdiend kunnen worden. Tegelijkertijd is het aannemelijk dat veel ondernemers, ondanks deze kosten en risico’s, toch besluiten activiteiten te organiseren wanneer zij daar voldoende vraag of omzetkansen zien.
Bent u bereid zo snel mogelijk met de NOS en eventueel andere relevante partijen in gesprek te treden met als doel de kosten voor het uitzenden van programma’s waar al belastinggeld mee gemoeid is, zoals het aanstaand WK-voetbal, blijvend af te schaffen?
Zie het antwoord op vraag 6. Dat er een vergoeding betaald moet worden als WK-wedstrijden commercieel door derden geëxploiteerd worden, volgt onder meer uit de Mediawet 2008 en de Europese staatssteunregels, alsmede uit contractuele afspraken met de FIFA.
Onderneemt u, bovenstaande buiten beschouwing gelaten, nog andere maatregelen om te voorkomen dat het midden- en kleinbedrijf aankomend WK-voetbal buitenspel staat en Oranjesupporters juist optimaal kunnen genieten?
Nee. Er worden momenteel geen aanvullende maatregelen genomen.
Kunt u bovenstaande vragen, gezien de aanstaande start van het WK-voetbal, zo snel mogelijk en tenminste binnen de geldende beantwoordingstermijn beantwoorden?
Nee. Gelet op de benodigde tijd voor nadere interdepartementale afstemming was het niet mogelijk om binnen de gebruikelijke termijn van antwoorden te voorzien. Conform de procedure is hiervoor reeds een uitstelbrief verzonden.
Het bericht ‘Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Bart Bikkers (VVD) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat informatie van vrouwen over vruchtbaarheid, hun menstruatiecyclus en (het afbreken van) een eventuele zwangerschap wordt doorverkocht en gedeeld met bedrijven?
Dergelijke informatie zal in de regel kwalificeren als bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waarop de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing is. Als in de hier genoemde gevallen sprake is van een dergelijke doorverkoop zonder expliciete toestemming, en van een onrechtmatige verwerking van dergelijke bijzondere persoonsgegevens, dan vind ik dat verontrustend. Het verwerken van deze persoonsgegevens is immers verboden, tenzij er een uitzonderingsgrond van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld2 dat het begrip «bijzondere persoonsgegevens» in dit soort gevallen ruim dient te worden uitgelegd. Persoonlijke gegevens die bij het online bestellen van geneesmiddelen worden ingevoerd, zoals namen en adressen, zijn naar het oordeel van het HvJEU in beginsel gezondheidsgegevens. De verkoop daarvan aan derde partijen, zonder dat er een mechanisme bestaat dat de klant hiervoor vooraf uitdrukkelijke toestemming laat geven, is in strijd met de AVG.
Het beoordelen van een specifieke situatie is echter aan de bevoegde toezichthoudende autoriteiten; in Nederland is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP is bij uitstek bevoegd om stappen te ondernemen wanneer sprake is van een overtreding van de regels die zijn neergelegd in de AVG. Het kabinet beschikt niet over bevoegdheden om daarover uitspraken te doen en zou op de stoel van de toezichthouder gaan zitten als het dat deed.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze data lijkt te worden gedeeld met landen of bedrijven die zich buiten Europa bevinden en waar vrouwenrechten, zoals het recht op abortus, onder druk staan?
Persoonsgegevens mogen alleen naar zogeheten derde landen (landen buiten de Europese Economische Ruimte) worden doorgegeven als een van de in de AVG genoemde specifieke uitzonderingen van toepassing is. Dat kan het geval zijn als de Europese Commissie (EC) heeft vastgesteld dat dit land een passend beschermingsniveau biedt, of als de doorgifte is voorzien van passende waarborgen en de betrokkenen over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken. De beoordeling hiervan in specifieke gevallen vereist een juridische en feitelijke oordeelsvorming door de onafhankelijke toezichthouder.
Klopt het dat gegevens over onder andere menstruatie, miskramen, zwangerschapstesten en het gebruik van morning-afterpillen volgens de privacywetgeving als bijzondere persoonsgegevens gelden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, klopt het dat deze bijzondere persoonsgegevens niet zonder medeweten van degene waar het om gaat verkocht mogen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u onze zorg dat bedrijven die zichzelf profileren als vóór de vrouwengezondheid en als een betrouwbare partij, terwijl zij zonder uitdrukkelijke toestemming bijzondere persoonsgegevens van gebruikers doorverkopen, misleidend te werk gaan? Zo ja, welke rol ziet u hierbij voor de Autoriteit Consument & Markt of de Autoriteit Persoonsgegevens?
Deze zorg deel ik. Wanneer inderdaad sprake is van onrechtmatige verwerkingen van dergelijke bijzondere persoonsgegevens, dan vind ik dat verontrustend. Voor mogelijke schending van consumenten- en gegevensbeschermingsrecht kunnen gebruikers zich tot de toezichthoudende autoriteit wenden. Voor zover het de naleving betreft van de AVG is dat de AP. De AP kan onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving, kan boetes en dwangsommen opleggen alsook stopzetting van gegevensverwerkingen gelasten. Met betrekking tot de naleving van het consumentenrecht kan een melding worden gedaan bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de toezichthouders, en waar nodig partners op Europees niveau, om zo snel mogelijk de lichamelijke integriteit van vrouwen en mensen ook digitaal te beschermen zodat voorkomen wordt dat hormonale kwetsbaarheden worden geëxploiteerd voor commercieel gewin, zonder dat vrouwen dat weten? Zo nee, waarom niet?
Het arrest van het HvJEU d.d. 4 oktober 2024 waaraan ik heb gerefereerd in de antwoorden op de vragen 2 en 4, heeft de brede werkingssfeer van de AVG bevestigd door een ruime interpretatie van het begrip «gezondheidsgegevens», door ook online aankopen van receptvrije geneesmiddelen daaronder (en daarmee onder de strikte regels voor bijzondere persoonsgegevens) te brengen. Ik zou niet willen concluderen dat er sprake is van lacunes in de wetgeving; veeleer wringt het bij de naleving daarvan door verwerkingsverantwoordelijken. Het doen van onderzoek daarnaar is als gezegd een taak van de onafhankelijke toezichthouder. Op grond van artikel 52 AVG treedt de AP daarbij volledig onafhankelijk op en blijft zij vrij van al dan niet rechtstreekse externe invloed en vragen, noch aanvaardt zij instructies van wie dan ook. Deze onafhankelijkheid vind ik belangrijk en ik wil deze dan ook niet doorkruisen.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wetgeving afdoende is, of dat er nog aanvullende wetgeving of beleid nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bezoek van de ILT-IOD aan Tata Steel in het kader van een strafrechtelijk onderzoek |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het opsporingsteam van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) deze week op het terrein van Tata Steel is geweest in het kader van een strafrechtelijk onderzoek?1
Ja.
Kunt u toelichten op welke wijze u door de ILT-IOD of andere betrokken instanties op de hoogte bent gesteld en op welk moment? Kunt u vertellen wat de aard en reikwijdte van het onderzoek nu is? Zo nee, waarom niet?
In de loop van de ochtend van 12 maart jl. is de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat geïnformeerd door de Inspecteur-Generaal van de ILT, na het moment van de instap.
De ILT heeft medegedeeld2 dat de ILT-IOD strafrechtelijk onderzoek doet naar het productieproces van staal en de werking van de kooksgasfabrieken van Tata Steel. Het onderzoek richt zich op de vraag of het bedrijf verweten kan worden dat zij opzettelijk en onrechtmatig schadelijke stoffen in de bodem, de lucht of het oppervlaktewater heeft gebracht of laten brengen, met een mogelijk gevaar voor de gezondheid van mensen. De aanleiding voor het onderzoek is de aangifte van mr. Bénédicte Ficq namens ruim 800 omwonenden van het bedrijf. Het onderzoek vindt plaats onder leiding van het Functioneel Parket (FP) en met belangrijke inbreng van de politie en DCMR Milieudienst Rijnmond.
Klopt het dat artikel 15, derde lid, punt b, van de Joint Letter of Intent (JLoI) tussen de Staat en Tata Steel Nederland bepaalt dat een onderzoek, zoals dat van de ILT-IOD, een mogelijke opzeggingsgrond voor de Staat vormt? Zo ja, wordt opzegging overwogen? Zo nee, waarom niet?
In de JLoI tussen de Staat en Tata Steel Nederland is afgesproken dat de Staat de overeenkomst in bepaalde gevallen mag opzeggen. Uitkomsten van een onderzoek zoals dat van de ILT-IOD kunnen een mogelijke grond tot opzegging van de JLoI vormen, als de uitkomsten van het onderzoek daar reden toe zouden geven. Zoals gebruikelijk bij strafrechtelijke onderzoeken is de inhoud van het onderzoeksdossier niet bekend bij het kabinet. Het kabinet wacht de uitkomst van dit onderzoek af.
Kunt u toelichten of een eventuele maatwerksubsidie voor Tata Steel de Europese staatssteuntoets doorstaat nu de ILT-IOD deze stap in het strafrechtelijk onderzoek heeft genomen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de Europese Commissie om te beoordelen of de steun verenigbaar is met de interne markt. Het kabinet kan daar niet op vooruit lopen. Een lopend onderzoek is op zichzelf geen reden dat staatssteun niet goedgekeurd kan worden.
Kunt u toelichten of Nederland van de Europese Commissie een eventuele maatwerksubsidie terug moet vorderen als het tot een veroordeling komt? Zo nee, waarom niet?
Staatssteun kan niet met de interne markt verenigbaar worden verklaard als de gesteunde activiteit, de steunmaatregel zelf of de daaraan gekoppelde voorwaarden leiden tot een schending van relevante bepalingen van het Unierecht. Als na goedkeuring blijkt dat er sprake was van schending van bepaalde toepasselijke Europese regels bij de activiteit, steunmaatregel of de voorwaarden daarvan, dan kan de Europese Commissie een onderzoek starten om te bezien of zij het noodzakelijk acht om de staatssteun terug te vorderen.
Kunt u toelichten hoe deze situatie zich verhoudt tot eerdere toezeggingen aan de Kamer over de zorgvuldige omgang met publiek geld en de naleving van milieu- en strafrechtelijke normen door Tata Steel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hecht zeer aan de zorgvuldige omgang met publiek geld en aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven.
Is er op dit moment een interne of interdepartementale risicoanalyse (risk assessment) opgesteld of in voorbereiding waarin dit onderzoek, en de mogelijke gevolgen daarvan voor de afspraken met Tata Steel, wordt meegenomen? Zo nee, waarom niet, en bent u dan bereid om een dergelijke risicoanalyse uiterlijk vóór het komende debat over JLoI met Tata Steel aan de Kamer te doen toekomen, zodat de Kamer een actueel beeld heeft van de juridische en financiële risico’s die dit onderzoek voor de Staat met zich meebrengt? Zo nee waarom niet?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 3 en 6 hecht het kabinet zeer aan de zorgvuldige omgang met publiek geld en aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven. Mede daarom gelden bepaalde onderzoeken en strafrechtelijke veroordelingen als mogelijke opzeggrond voor de JLoI. Bij de vormgeving van de definitieve maatwerkafspraak wordt hier net als bij de JLoI rekening mee gehouden. De borging van de risico’s in de bindende maatwerkafspraak wordt momenteel nader uitgewerkt.
Kunt u deze vragen ruim voor het plenaire debat over de Joint Letter of Intent beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat 3,3 miljard euro aan IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid is stopgezet |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Rechter dwarsboomt IT-aanbesteding rijksoverheid van € 3 mrd» (Financieel Dagblad, 9 maart 2026)?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met de uitspraak van de rechter in Den Haag, die stelt dat twee IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid ter waarde van 3,3 miljard euro gestaakt moeten worden?2
Ja.
Wat is uw reactie op de berichtgeving en de rechterlijke uitspraak?
De Staat werkt momenteel aan verduidelijking en, waar nodig, aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden, in lijn met het vonnis.
Mede omdat de zaak onder de rechter is, wordt niet in algemene zin ingegaan op de berichtgeving. Dat is anders ten aanzien van concrete vragen die de Kamer stelt.
Kunt u toelichten welke aanpassingen u gaat doorvoeren of al heeft doorgevoerd in de aanbestedingsvoorwaarden om aan de rechterlijke uitspraak te voldoen?
Nee, op dit moment nog niet. Het onderzoek naar de mogelijkheden om de aanbestedingsvoorwaarden te verduidelijken danwel aan te passen loopt nog.
Zouden de IT-aanbestedingen, indien ze doorgang vinden, de digitale autonomie van Nederland vergroten of verkleinen? Kunt u dit onderbouwen?
Op dit moment kan niet concreet worden gezegd of de aanbestedingen de digitale autonomie van Nederland vergroten danwel verkleinen. Echter, op de Europese Aanbesteding Programmatuur 2025 (EAP-2025) aanbestedingen waren en blijven de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT) van toepassing. De ARBIT bevat ook voorwaarden die bijdragen aan digitale autonomie en soevereiniteit, zoals voorwaarden met betrekking tot exit, opzegging, ontbinding en informatieveiligheid.
Met de aanbestedingen wordt beoogd raamovereenkomsten te sluiten met daartoe geschikt bevonden resellers. Dat zijn resellers die zich aan de aanbestedingsvoorwaarden conformeren. De deelnemers doen binnen de raamovereenkomsten met de resellers nadere uitvragen voor de levering van specifieke producten. De impact op de digitale autonomie is vooral afhankelijk van de inhoud van deze nadere uitvragen.
Hoe houdt u de komende vier jaar de mogelijkheid om de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven via aanbestedingen te verkleinen conform de wens van de Tweede Kamer,3 nu u middels een raamovereenkomst de voorwaarden voor nieuwe inkoop jarenlang vastlegt?
Bij aanpassing van de aanbestedingsstrategie en -voorwaarden wordt, waar van toepassing en mogelijk, (nieuw) rijksbreed beleid geborgd, waaronder rijksbreed beleid inzake digitale autonomie en soevereiniteit.
Deelnemers moeten binnen hun inkoopvraagstukken borgen dat zij gericht besluiten nemen inzake de reductie van het risico op afhankelijkheid. Dat betekent dat zij bestaande producten vervangen door alternatieven die minder / geen risico op afhankelijkheid kennen. Voor nieuwe producten dienen zij voor hun nadere uitvragen binnen de raamovereenkomsten aanvullende eisen en voorwaarden op te nemen, passend bij de specifieke opdracht, om te borgen dat het risico op afhankelijkheid beheersbaar blijft.
Ziet u met de rechterlijke uitspraak en de noodzaak om de aanbestedingsvoorwaarden aan te passen ook de mogelijkheid om digitale autonomie zwaarder mee te wegen als criterium?
Deze vraag kan op dit moment nog niet worden beantwoord. De categorie Software Rijk onderzoekt nog of en zo ja, in welke mate de aanbestedingsvoorwaarden ten aanzien van digitale soevereiniteit en autonomie verder moeten worden aangepast.
Welke gevolgen heeft de rechterlijke uitspraak voor de twee IT-aanbestedingen ter waarde van 3,3 miljard euro? Kunt u een overzicht geven van lopende contracten waar deze uitspraak mogelijk ook gevolgen voor heeft?
Voor het antwoord op de eerste vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3. De aanbestedingen zijn gestaakt. De Staat onderzoekt de noodzaak en mogelijkheden voor aanpassing of herziening van de aanbestedingsvoorwaarden en neemt op basis van de bevindingen een besluit inzake de vervolgaanpak. Ter overbrugging zijn de bestaande raamovereenkomsten verlengd, om te voorkomen dat de inkoop van standaardprogrammatuur tussentijds stilvalt.
De uitspraak van de rechter heeft gevolgen voor alle opdrachten (nadere overeenkomsten) die worden afgesloten onder de verlengde raamovereenkomsten van het Ministerie van Defensie en van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De ministeries zijn hierover geïnformeerd.
Wat is het doel en de noodzaak van de twee IT-aanbestedingen? Welke diensten zouden precies ingekocht worden bij Microsoft en Oracle, en in welke ministeries en overheidsorganisaties zouden deze gebruikt worden?
Zoals toegelicht bij vraag 6 is het doel van de aanbestedingen om voor de inkoop van standaardprogrammatuur (zowel nieuwe, als uitbreidingen op bestaande software) een duidelijk en rechtmatig afsprakenkader te creëren. Deze aanbestedingen hebben niet specifiek betrekking op software van Microsoft of Oracle.
De noodzaak van de aanbestedingen is drieledig, namelijk:
Diensten die worden ingekocht zijn: de levering van standaardsoftware, onderhoud en support, helpdeskondersteuning, adviesdiensten, installatie en configuratie van standaardsoftware en trainingen en opleidingen.
De aanbestedingen worden uitgevoerd ten behoeve van het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De lijst met deelnemende organisaties staat onderaan de beantwoording van deze lijst met vragen en antwoorden.
Waarom vraagt u in de aanbesteding voor deze grote IT-projecten om «levering van standaardprogrammatuur van vendor Microsoft» in plaats van dat u de technische eisen uitvraagt van de software die u wil inkopen?4
Binnen de lopende raamovereenkomsten moet het voor deelnemers mogelijk zijn om, indien nodig, het aantal licenties voor het gebruik, onderhoud en/of beheer van deze programmatuur uit te kunnen breiden. Een uitvraag op basis van technische eisen kan leiden tot aanbod van een ander typen licenties, hetgeen praktisch niet wenselijk is en tot kostenverhoging kan leiden.
Wat bedoelt u met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft? Op welke toepassingen gaat dit, en waarom neemt u deze af via de tussenhandelaar?5
Met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft wordt de closed source- en open source, software bedoeld die softwareleveranciers gebruiken voor het leveren van hun software(diensten). Dat is ook van toepassing voor software(diensten) van Microsoft (Perceel6. Binnen deze aanbesteding is het leveren van open-source software(diensten) voorbehouden aan een ander Perceel, Perceel 2. Om te voorkomen dat dit voorbehoud ervoor zorgt dat de software van de softwareleverancier in Perceel 1 niet meer werkt, danwel wordt uitgesloten, omdat deze open source software bevat, is de uitzonderingsgrond toegevoegd dat ook software(diensten) met gerelateerde open source toepassingen in Perceel 1 kunnen worden aangeboden.
De Staat neemt deze oplossingen af via resellers omdat de Staat de software op deze wijze op basis van eenduidige voorwaarden (ARBIT) in kan kopen.
Hoe verhoudt het niet opnemen van technische eisen voor de af te nemen software zich tot artikel 2.75–2.77 van de Aanbestedingswet 2012, nu ook de term «of gelijkwaardig» (2.76, lid 4, subartikel b) ontbreekt?6
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (> 4.000) kunnen leveren. De concrete, technische eisen worden niet in de raamovereenkomst vastgelegd, maar pas bij elke afzonderlijke nadere offerteaanvraag van een deelnemer. Die offerteaanvraag kan:
Waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat, geldt die ook voor de betreffende nadere offerteaanvraag voor standaardprogrammatuur en bijbehorende dienstverlening. Dat kan bijvoorbeeld in de volgende situaties:
Samengevat: de technische specificaties worden per opdracht geformuleerd binnen het raamwerk, en waar de wet uitzonderingen of een lichter regime toelaat, wordt dat op die specifieke nadere offerteaanvraag toegepast.
Zijn de toepasselijke (verplichte of aanbevolen) standaarden van het Forum Standaardisatie uitgevraagd in deze aanbestedingen? Zo nee, waarom niet, en hoe verzekert u dan dat ook gegadigden naast Microsoft en Oracle aan de aanbesteding kunnen voldoen?
Ja, de standaarden van het Forum Standaardisatie zijn uitgevraagd.
Zijn de IT-aanbestedingen gericht op het inkopen van software of het vinden van softwareverkopers? Gaan deze aanbestedingen niet feitelijk over het aangaan van een licentieovereenkomst, waarbij het softwarebedrijf als rechthebbende eenzijdig de voorwaarden bepaalt?
De EAP-aanbestedingen zijn gericht op het contracteren van meerdere resellers (softwareverkopers) die binnen de raamovereenkomst in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (>4.000 softwareproducten) kunnen leveren.
De deelnemers doen binnen de (rijksinkoopvoorwaarden van de) raamovereenkomst bij de gecontracteerde resellers nadere offerteaanvragen die leiden tot het aangaan van licentieovereenkomsten. De licentieovereenkomsten worden echter gesloten onder de voorwaarden van de Rijksoverheid en niet eenzijdig onder voorwaarden van de softwareleverancier.
Zijn Microsoft en Oracle de énige techbedrijven die kunnen voldoen aan de technische en operationele eisen die u stelt in de aanbesteding? Zo ja, bent u het dan met de indieners eens dat de aanbesteding toeschrijft naar Microsoft en Oracle?
Nee, niet alleen Microsoft of Oracle kunnen aan de aanbestedingseisen voldoen.
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe een zeer breed scala aan standaardprogrammatuur (meer dan 4.000 producten) kunnen leveren. De EAP2025-aanbestedingen schrijven daarom niet toe naar Microsoft of Oracle.
Wat bedoelt de Staat met de stelling dat «80 tot 85% van de offerteaanvragen een productgerichte offerteaanvraag [betreft]»? Kan er sprake zijn van een open aanbesteding als het merendeel van offertes om één specifiek product vraagt?
Met «80–85%» wordt gedoeld op het aandeel nadere offerteaanvragen dat productgericht is en middels minicompetities binnen de raamovereenkomsten wordt uitgevraagd. Het doen van productgerichte uitvragen binnen een raamovereenkomst is wettelijk toegestaan in die gevallen waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat. Zie ook de beantwoording op vraag 12.
De aanbesteding is open want deze heeft tot doel meerdere opdrachtnemers te contracteren die in staat zijn om de gevraagde standaard programmatuur te kunnen leveren.
Hoeveel van deze 80 tot 85% van deze productgerichte offerteaanvragen worden uiteindelijk bij Microsoft en Oracle afgenomen? Kunt u dit inzichtelijk maken?
Nee, die informatie kan niet inzichtelijk worden gemaakt, omdat deze informatie niet centraal wordt geregistreerd.
Zorgen deze productgerichte offerteaanvragen ervoor dat het op voorhand vrijwel zeker is dat software van Microsoft en Oracle zal worden gekozen? Zo nee, waarom is er dan gekozen voor productgerichte offerteaanvragen? Zo ja, is het dan terecht om te stellen dat er sprake is van een vendor lock-in?
Nee, een productgerichte offerteaanvraag zorgt ervoor dat door één van de gecontracteerde resellers een specifiek product (standaardprogrammatuur) wordt uitgevraagd en geleverd. Dit kan Microsoft of Oracle betreffen, maar ook andere standaardprogrammatuur.
Voor een productgerichte uitvraag wordt gekozen, omdat er bijvoorbeeld sprake is van uitbreiding van de licenties van een oplossing die reeds in gebruik is. Zie ook de beantwoording van vraag 12.
Een productgerichte uitvraag betekent op zichzelf niet dat sprake is van een vendor lock-in.
Deelt u de analyse van de indiener dat deze mate van productgerichte offerteaanvragen een vendor lock-in van enkele grote techbedrijven in de hand speelt? Zo nee, kunt u onderbouwen dat dit niet het geval is?
Nee, de analyse wordt niet gedeeld.
In de vraag worden oorzaak en gevolg omgedraaid. Immers, het uitgangspunt is dat een deelnemer standaardprogrammatuur functioneel uitvraagt, tenzij op grond van de Aanbestedingswet 2012 voor de concrete opdracht een lichter regime of een uitzondering geldt. In dat geval kan de deelnemer een productgerichte uitvraag doen bij de gecontracteerde reseller.
Een vendor lock-in kan ontstaan ná ingebruikneming van de oplossing met de beste prijs-kwaliteitverhouding. In die situatie kan die afhankelijkheid een grond zijn om bij uitbreidingen of vernieuwing productgericht uit te (moeten) vragen.
Is software van Microsoft en Oracle de enige manier om uw dienstverlening te kunnen handhaven? Zo nee, waarom is dan gekozen voor de productgerichte offerteaanvragen?
Nee, software van Microsoft en Oracle is niet de enige manier om dienstverlening te kunnen handhaven. De vraag of een deelnemer zonder software van bijvoorbeeld Microsoft, Oracle of een andere fabrikant kan, wordt op deelnemer niveau vastgesteld.
Centraal inzicht in overwegingen die ten aanzien van besluitvorming over offerteaanvragen van individuele deelnemers ten grondslag ligt, ontbreekt; die gegevens zijn niet centraal bijgehouden en geregistreerd.
Is dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren, eerder toegepast bij IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid, zoals gesteld wordt in de berichtgeving? Zijn er lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is?
Ja, dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren is eerder toegepast bij uitgevoerde aanbestedingen voor raamovereenkomsten van de Rijksoverheid inzake de levering van standaardprogrammatuur.
Ja, er zijn lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is.
Hoe verhouden deze productgerichte offerteaanvragen bij Microsoft en Oracle zich tot de Aanbestedingswet 2012, artikel 1.10a, in het bijzonder lid 2, namelijk het verbod om opdrachten te ontwerpen «met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen»?7
In dit kader kan worden verwezen naar het antwoord op vraag 18. Overigens zien productgerichte uitvragen niet alleen toe op Microsoft en Oracle. De gronden om productgericht uit te vragen, gelden in gelijke mate voor de softwareproducten (> 4.000) van alle vendors.
Bent u bekend met (in omvang) vergelijkbare aanbestedingen van ICT die op een soortgelijke manier, door het noemen van de merknaam, een of meer Europese leveranciers bevoordelen? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom is dit bij Amerikaanse bedrijven dan wel het geval?
Nee. In dit kader kan verder worden verwezen naar de beantwoording op vraag 10.
De aanbestedingen richten zich niet specifiek op de levering van producten van Amerikaansen vendors, maar op producten (> 4.000) die de deelnemers via de gecontracteerde resellers afnemen.
Kunt u alle relevante stukken die betrokken zijn bij de (voorbereiding van) deze twee IT-aanbestedingen aan de Kamer doen toekomen, inclusief risico-analyses en voorbereidende notities?
Ja, in de bijlagen treft u de relevante aanbestedingsstukken en nota’s van inlichtingen aan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, en toezeggen dat u de IT-aanbestedingen niet doorzet totdat deze juridisch houdbaar zijn en de Kamer volledig is geïnformeerd?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Toegezegd wordt dat de aanbestedingen worden voortgezet nadat op basis van de resultaten van de in- en externe consultaties een besluit is genomen over de (mate van) aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden en de vervolgaanpak. De Kamer zal tegelijkertijd met de markt worden geïnformeerd op de wijze waarop de aanbesteding zal worden hervat.
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Ja.
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kan een persoonsgegeven zijn (artikel 4, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, AVG). Ook een MAC-adres of een apparaatnaam kan als persoonsgegeven worden beschouwd.
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Het is van belang dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Een verwerking is bijvoorbeeld rechtmatig, als er toestemming voor is gegeven, een gerechtvaardigd belang is of als de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst. Het is niet aan het kabinet binnen het stelsel van de AVG om in te gaan op individuele gevallen, maar in eerste instantie aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhavend optreden, advies verstrekken en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Doorgifte van persoonsgegevens naar een bedrijf dat buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd is op grond van de AVG alleen toegestaan onder voorwaarden. Persoonsgegevens mogen alleen buiten de EER worden verwerkt in overeenstemming met de voorwaarden voor dergelijke doorgiften die zijn vastgelegd in hoofdstuk V van de AVG. Bijvoorbeeld als de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen of dat er door het bedrijf passende waarborgen zijn genomen. Of in deze casus wel of geen grondslag was voor het al dan niet delen van deze gegevens buiten de EER, evenals de vraag of de waarborgen van hoofdstuk V van de AVG in acht zijn genomen, is niet aan het kabinet om te beoordelen, maar aan de toezichthouder. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Ja. Zie het antwoord op vraag 2. De AVG geeft algemene regels voor de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders.
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Een risico dat volgt uit het niet naleven van de AVG is in ieder geval dat de betrokkenen hun rechten niet (volledig) kunnen uitoefenen. Denk hierbij aan het inzien, corrigeren, of verwijderen van hun eigen persoonsgegevens.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido. Het is aan de AP om opheldering te vragen aan Odido.
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Dit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de AP. De AP toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. In zijn algemeenheid hangt het van meerdere factoren af. Onder andere de vraag of er een grondslag is voor het verwerken van deze gegevens en, indien er sprake is van doorgifte buiten de EER, of de waarborgen van de AVG in acht zijn genomen.
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Nee. De AVG geeft duidelijke regels voor de bescherming van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders. Ook de AI-verordening kent een duidelijke set van regels. Er is wel aanleiding om het gesprek te voeren met het veld, waaronder telecomaanbieders, over de bescherming van persoonsgegevens in de praktijk. Vervolgens zal dit betrokken worden bij het voornemen om de toepassing van de AVG in Nederland tegen het licht te houden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Dat is helaas niet gelukt.
De brief van meer dan honderd economen over de economische doelmatigheid van de maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de open brief van meer dan honderd economen, waaronder ruim tachtig hoogleraren, gepubliceerd op ESB.nu, waarin zij de economische doelmatigheid en effectiviteit van de voorgestelde maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland ter discussie stellen?1 Hoe beoordeelt u de daarin geuite kritiek?
Herinnert uw zich uw antwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt dat een maatwerkafspraak de snelste weg is om klimaatwinst en gezondheidswinst voor omwonenden te behalen? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u aangeven waar de economen volgens u dan verkeerd redeneren?
Herinnert u zich uw anwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt geen aanleiding te zien de intentieverklaring te beëindigen en de onderhandelingen voort te zetten, onder meer omdat uitstel of afstel zou leiden tot het later of niet optreden van klimaatwinst en gezondheidswinst? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u gemotiveerd toelichten waarom?
Erkent u dat Tata Steel Nederland over de periode 2023–2025 gemiddeld circa 157 miljoen euro per jaar operationeel verlies heeft geleden en daarmee structureel onvoldoende winstgevend is? Zo nee, op basis van welke cijfers of analyses komt u tot een andere beoordeling?
Hoe beoordeelt u het risico dat de voorgestelde eenmalige bijdrage van twee miljard euro zich ontwikkelt tot een open-eindverplichting, gezien de structureel zwakke financiële positie van Tata Steel Nederland?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat een Europese aanbesteding voor waterstofstaal economisch efficiënter is dan een nationale steunoperatie? Hoe kijkt u kabinet tegen een dergelijk Europees aanbestedingsproces, en bent u bereid zich hiervoor in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat Tata Steel Nederland, gelet op het feit dat negentig procent van de staalproductie wordt geëxporteerd, geen wezenlijk verschil maakt voor de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie en daarmee geen cruciale schakel vormt in een innovatief ecosysteem? Zo nee, op welke onderbouwing baseert u een ander oordeel?
Hoe beoordeelt u de juridische kwetsbaarheid van de maatwerkafspraken, zowel wat betreft de staatssteunrechtelijke verdedigbaarheid als de lopende juridische procedures rondom gezondheidsschade voor omwonenden, en kunt u daarbij ingaan op de stelling van de economen dat publieke middelen worden ingezet zonder het onderliggende gezondheidsprobleem op te lossen?
Hoe ziet u de voorgestelde maatwerkafspraken in het licht van het rapport van de Wetenschappelijke Klimaatraad (2026) dat stelt dat Nederland onvoldoende ruimte heeft om de huidige omvang van de energie-intensieve industrie in stand te houden, en het rapport-Wennink dat het kabinet oproept tot het maken van scherpe keuzes?
Gezien EU-ETS Tata Steel al tot CO2-neutraliteit vóór 2040 verplicht en de maatwerkafspraken sturen op 2045, kunt u aantonen dat de subsidie van twee miljard euro een transitie ondersteunt die aantoonbaar sneller of verder gaat dan waartoe Tata Steel al wettelijk verplicht is? Zo nee, hoe houdt deze staatssteun juridisch stand?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat de schaarse middelen die worden voorgesteld voor Tata Steel, waaronder technisch geschoolde arbeid, netcapaciteit, duurzame energie en stikstofruimte, doelmatiger kunnen worden ingezet voor innovatieve maakindustrie, netverzwaring en circulaire ketens. Deelt u deze analyse? Zo nee, waarom niet, en kunt u dit per punt uiteenzetten?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat strategische autonomie behoud van staalproductie in Europa vereist, maar niet specifiek in Nederland? Deelt u deze redenering? Zo nee, op welke gronden meent u dat staalproductie specifiek in Nederland noodzakelijk is voor onze strategische autonomie?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat afzien van steun aan structureel verliesgevende bedrijven in een economie met schaarste geen politieke keuze maar een economische noodzaak is? Deelt u deze kwalificatie? Zo nee, op welke analyse baseert het de conclusie dat steun aan Tata Steel per saldo welvaartswinst oplevert?
Deelt u de mening dat een nationale steunoperatie Europese coördinatie op basis van comparatief voordeel doorkruist? Zo ja, waarom kiest u hier toch voor in plaats van in te zetten op een Europese aanbesteding?
Gezien de nationale steunoperatie voor Tata Steel bijdraagt aan een Europese subsidierace waarbij lidstaten elkaar overbieden met publieke middelen, zoals Duitsland illustreert met zijn energieprijsplafond, erkent u dat deze wedloop per saldo duurder uitvalt voor Nederland dan wanneer het zou inzetten op Europese samenwerking en coördinatie?
Gezien de schaarse middelen die Nederland tot haar beschikking heeft en het essentiële belang van het steunen van de Nederlandse maakindustrie, erkent het kabinet dan dat de middelen die voor de maatwerkafspraken met Tata Steel worden gebruikt doelmatiger kunnen worden ingezet? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het debat over de maatwerkafspraken en/of binnen de geldende termijn beantwoorden?
De brief van 117 economen betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend de brief van 117 economen, waaronder 80 hoogleraren, betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland?1
Ja.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de businesscase voor staalproductie in Nederland ontbreekt en dat zonder structurele winstgevendheid Tata Steel opnieuw om publieke steun zal vragen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. Het doel van de maatwerkafspraak met Tata Steel is juist ook, naast de versnelde realisatie van schonere en groenere staalproductie in de IJmond, juist ook om een duurzaam verdienmodel te realiseren. Er moet zicht zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Daarbij is bij de maatwerkaanpak sprake van een wederkerig traject: het gaat om een grote investering van Tata Steel Nederland (TSN) en moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL) zelf in de verduurzaming en het schoner maken van de productie, ondersteund vanuit de staat. Het bedrijf en moederbedrijf zullen niet investeren zonder zicht op een lange termijn verdienmodel.
De businesscase van het bedrijf doorlopend uitvoerig getoetst door de staat, de financieel adviseur van de staat en de Europese Commissie (EC).2 Naast de beleidsmatige toets of het verantwoord is om steun te verlenen aan een specifiek bedrijf zijn er ook strenge voorwaarden verbonden aan een subsidie die verleend wordt door de overheid. Zo geldt op basis van de Europese regels voor staatssteun voor verduurzaming dat steun niet ingezet mag worden om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De EC toetst hier op. Verder biedt de maatwerkafspraak ook de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s, wat bij de huidige uitwerking van de maatwerkafspraak de aandacht heeft.
Deelt u de mening van de 117 economen dat wanneer het geld in Tata Steel wordt gestoken, er een reel risico is dat dit publieke geld verloren zal gaan omdat Tata Steel onvoldoende winstgevendheid heeft? Zo nee, kunt u toegelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangeven, wordt de businesscase uitvoerig getoetst door de staat, de financieel adviseur van de staat en de EC. Uitgangspunt hierbij is dat er zicht moet zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Daarbij zijn het bedrijf en moederbedrijf zelf ook voornemens een grote investering te doen. Dit geeft vertrouwen dat er ook na de transitie een winstgevende onderneming bestaat.
Het kabinet erkent dat er aan elke grote investering risico’s verbonden zijn. Als de investering risicovrij zou zijn, was steun vanuit de staat waarschijnlijk niet nodig geweest. Risico’s en onzekerheden zijn inherent aan de transitie. De maatwerkafspraak biedt de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s, bijvoorbeeld door afspraken te maken over financiële garanties en clawback-mechanismen.
Daarbij dient tevens opgemerkt te worden dat het scenario waarin de staat niks doet ook grote nadelige gevolgen kent. De huidige situatie is niet houdbaar en onwenselijk gezien de impact van de staalproductie op het klimaat en de gezondheid van omwonenden. Op basis van de adviezen van externe adviseurs Wijers en Blom3, de Expertgroep Gezondheid IJmond (Expertgroep)4 en de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI)5 is besloten om in te (blijven) zetten op een maatwerkafspraak met TSN omdat dit de snelste en effectiefste route is naar verduurzaming en verbetering van de gezondheid en leefomgeving.
Er wordt op dit moment nog nergens in de wereld op grote schaal groen staal geproduceerd. Zolang wij als samenleving staal blijven gebruiken, hebben we ook een verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het verduurzamen van de productie daarvan. Als we dit niet doen, zal dit betekenen dat we nog langdurig gebruik maken van grijs staal. De maatwerkafspraak met TSN maakt het mogelijk om in Nederland groen staal te kunnen produceren; dit zal een economische en strategische meerwaarde hebben voor Nederland en Europa. Tot slot draagt de eigen productie van staal bij aan onze weerbaarheid en het verminderen van de afhankelijkheid van landen buiten Europa.
Deelt de Minister de mening van de 117 economen dat de investeringen in Tata Steel investeringen in industrieën met hogere maatschappelijke opbrengsten verdringen omdat we te maken hebben met schaarse arbeid, energie en ruimte? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De onderliggende suggestie uit de vraag dat de schaarse arbeid, energie en ruimte vraagt om het maken van keuzes, deel ik. De aanname dat al deze productiemiddelen zonder enige frictie elders in de economie ingezet kunnen worden, is echter een te simpele weergave van de werkelijkheid. Daarbij leren eerdere ervaringen, bijvoorbeeld uit Limburg, ons dat het verdwijnen van grote industrie nog decennialang kan doorwerken in de sociaaleconomische structuur.
Het kabinet heeft de keuze gemaakt om in te zetten op een maatwerkafspraak met TSN en daarmee het realiseren van groenere, schonere en meer circulaire staalproductie in de IJmond.
Het kabinet heeft oog voor de maatschappelijke opbrengsten van verschillende industrieën. Onderdeel van deze maatschappelijke opbrengsten zijn ook weerbaarheid en zelfvoorzienendheid, zelf staal kunnen produceren draagt hieraan bij. Deze publieke waarden zijn de afgelopen jaren steeds belangrijker geworden in de nationale en vooral ook Europese context als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen die kwetsbare schakels in mondiale aanvoerlijnen hebben blootgelegd. Daarbij is staal extra relevant (maar ook brandstoffen en chemieproducten), omdat dit product deel uitmaakt van defensie-gerelateerde productieketens. Uit het onderzoek van Wijers en Blom is gebleken dat TSN binnen Europa een gunstige uitgangspositie heeft voor verduurzaming.
Basisindustrie is inherent energie-intensief, overal ter wereld. Zolang we deze producten gebruiken acht het kabinet het niet verstandig om voor onze consumptie (volledig) te leunen op productie in andere landen. Bovendien zou dat voorlopig neerkomen op weglek van productie, waarschijnlijk naar plekken waar staalproductie gepaard gaat met een relatief grotere klimaat- en milieu-impact dan in Nederland.6 Met de maatwerkafspraak met TSN kunnen we belangrijke stappen zetten op verduurzaming en verbetering van de gezondheid. Zoals ook in het vorige antwoord aangegeven draagt een groenere, schonere staalindustrie ook bij aan het concurrentievermogen en onze weerbaarheid.
Bent u bereid een plan B te onderzoeken voor het gebied, de ontwikkeling van maakindustrie, huizen, energieopwek (windmolens) en natuur?
Zoals ook in het antwoord op vergelijkbare vragen is aangegeven, is het kabinet hier niet toe bereid, omdat eerder al uitvoerig naar alternatieven gekeken is.7 In een eerder stadium zijn diverse scenario’s, waaronder een scenario waarin TSN sluit, door Wijers en Blom onderzocht en door het kabinet gewogen.8 Het is de prioriteit van dit kabinet om TSN te verduurzamen en om de gezondheidssituatie voor omwonenden in de IJmond zo snel mogelijk te verbeteren. Dat doet het kabinet door in te zetten op een maatwerkafspraak met TSN: dat is de snelste en effectiefste manier om, met de beschikbare middelen, de gezondheidsrisico's (flink) te verminderen en tot verduurzaming te komen. Daarbij draagt de eigen productie van staal bij aan onze weerbaarheid en het verminderen van de strategische importafhankelijkheid van Europa. Daarom is het niet opportuun om nu opnieuw onderzoek te doen naar (de potentie van) deze alternatieve denkrichtingen.
In het rapport van Wijers en Blom werd de sluitingsroute als ongunstig beoordeeld, met zeer hoge financiële (juist ook voor de staat) en uitvoeringsrisico’s. Het kabinet kiest, mede gelet op de economische en strategische waarde, voor behoud van staalproductie in de IJmond. Om die reden wordt de sluitingsroute niet verder uitgewerkt.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de maatwerkafspraken met Tata Steel de markt verstoren en staatsteunrechtelijk kwetsbaar zijn, aangezien de plannen om volledig te verduurzamen (2045) niet verder gaan dan huidige Europese wetgeving (EU ETS die afloopt in 2040)? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. De Nederlandse staat mag alleen staatssteun verlenen als wordt voldaan aan de voorwaarden van het toepasselijke Europese staatssteunkader, in dit geval de Guidelines on State aid for Climate, Environmental Protection and Energy (CEEAG). De EC toetst hierbij onder meer of de Nederlandse staat alleen maatregelen steunt die verder gaan dan Unienormen, alleen steun verstrekt die geschikt, proportioneel en niet marktverstorend is en geen steun verleent aan een onderneming die in financiële moeilijkheden verkeert. De beoogde steunmaatregel wordt zo vormgegeven dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader wordt voldaan. Hierover vinden ook gesprekken plaats met de EC in het kader van de prenotificatiefase van deze steunmaatregel. De EC moet de uiteindelijke steunmaatregel beoordelen en zal de voorgestelde maatregel toetsen aan de hand van het CEEAG kader. De steun mag niet worden verleend zonder dat de EC deze heeft beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij wordt opgemerkt dat het kabinet met verduurzamingssubsidies, zoals de maatwerksubsidies en ook de SDE++, juist beoogt om gedrag van bedrijven bij te sturen, in het publieke belang van een verduurzaming van de industrie en hele economie. De subsidie moet daarom worden afgezet tegen andere verduurzamingssubsidies, en niet tegen andersoortig beleid met andere doelstellingen.
Het ETS is een handelssysteem met een emissieplafond dat afloopt. Het feit dat er geen gratis rechten meer worden uitgekeerd betekent niet dat een bedrijf geen CO2 meer uit kan stoten. Zo kunnen rechten worden gekocht of overgehouden rechten van eerdere jaren worden meegenomen en later ingezet. Het ETS is een prikkel om CO2 te reduceren en zorgt ervoor dat er geen nieuwe rechten meer worden uitgegeven na 2039. Daarbij is het ETS alleen onvoldoende om tot investeringen in verduurzaming te leiden, zoals te zien is in de populariteit van de SDE++ en steunmaatregelen voor de industrie die buurlanden nemen. Ook andere Europese landen, waaronder België, Duitsland en Frankrijk, geven steun om hun staalproducenten te helpen met verduurzamen. Zoals door de AMVI geconcludeerd is het beoogde steunbedrag voor de verduurzaming van TSN laag ten opzichte van de steun die andere landen aan hun staalindustrie geven en ook zeer kosteneffectief.9
Deelt u de mening van de 117 economen dat medewerkers van Tata Steel waardevolle technische ervaring hebben die, met gerichte omscholing, inzetbaar kunnen zijn in sectoren met acute tekorten voor bijvoorbeeld de installaties van warmtepompen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De waardevolle technische kennis en ervaring van de medewerkers van TSN en het belang hiervan voor de energietransitie, onderschrijf ik. De medewerkers van TSN zijn een van de drijfveren van deze transitie: het plan is vroeg op tafel gelegd door de vakbonden en de werknemers zijn hard nodig om het project uiteindelijk uit te voeren. Mede dankzij het technisch geschoolde personeel kan TSN een belangrijke bijdrage leveren aan de innovatiekracht van Nederland en behoort TSN tot de Top 30 R&D bedrijven in Nederland.10 TSN draagt met haar eigen MBO opleiding ook bij aan het opleiden van technisch geschoold personeel.11
Gelet op het aantal vacatures in de techniek zal een deel van de werknemers bij een eventuele sluiting van het bedrijf elders werk kunnen vinden. Desalniettemin zal de impact op de regio groot zijn. Daarnaast is het omscholen van werknemers minder eenvoudig dan het met een macro-economische bril lijkt. Ook uit gesprekken die het kabinet voert met regionale belanghebbenden, waaronder werkgever- en werknemersorganisaties zoals de FNV, blijkt dat het lastig is om personeel in de regio naar ander werk te begeleiden met een vergelijkbaar inkomens- en kennisniveau.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de gezondheid van omwonenden onvoldoende wordt geborgd en hierdoor staatsteun economisch onverdedigbaar is en juridisch kwetsbaar? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Om de impact van het bedrijf op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden zo snel en ver mogelijk te reduceren zijn de meest kosteneffectieve maatregelen geselecteerd, waarmee de grootste reductie kan worden bereikt met de beschikbare middelen. Deze maatregelen leiden tot een forse reductie van de uitstoot van schadelijke stoffen en dragen daarmee bij aan de vermindering van de impact op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden. De juridische borging van het behalen van de gezondheidsdoelen wordt nu uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Wat betreft de economische verdedigbaarheid en juridische kwetsbaarheid van de staatssteun, geldt dat de steun binnen een Europees steunkader moet passen en dat alleen maatregelen die verder gaan dan Unienormen in aanmerking komen voor steun. De staat en de EC zien hier streng op toe. Voor de milieumaatregelen specifiek is een juridische analyse gemaakt door de Landsadvocaat, hieruit volgt dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet wettelijk afdwingbaar en dus bovenwettelijk zijn.12 Deze juridische analyse is samen met de JLoI met de Kamer gedeeld. De maatwerkafspraken zijn naar de overtuiging van het kabinet de snelste weg om tot verbetering te komen van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden.
In het licht van de opmerking in de brief over de kooksgasfabrieken (KGF's) is het nog relevant op te merken dat de maatwerkaanpak alleen ziet op bovenwettelijke maatregelen. Op 19 december 2024 is door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) een aanzeggingsbesluit genomen en openbaar gemaakt. Vanwege de handhavingsstappen van de OD NZKG is dit onderdeel in het wettelijke traject terecht gekomen en kan op dit moment daarom geen steun worden verleend voor vervroegde sluiting van KGF2. De maatwerksteun is voor de bouw van de nieuwe groenere en schonere installaties.
Deelt u de mening van de 117 economen dat Tata Steel geen cruciale schakel is in Nederlands hoogwaardige maakindustrie? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De economen stellen dat TSN geen cruciale schakel is in de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie omdat TSN veel staal exporteert. Dat TSN veel staal exporteert is juist een teken van concurrentiekracht. De Nederlandse industrie is grotendeels gericht op export en opereert in grote mate in een Europese context. TSN exporteert twee derde van de productie binnen Europa en draagt daarmee bij aan het verkleinen van de strategische importafhankelijkheid van Europa voor verschillende sectoren, waaronder de maakindustrie, zoals de automotive- en batterijensector. Zoals de economen terecht betogen, moet strategische autonomie altijd in een Europese context worden bezien. De activiteiten van TSN zorgen daarnaast voor veel omliggende bedrijvigheid in de regio en bij ketenpartners in verschillende sectoren13. De verduurzaming van TSN is een groot innovatief project en biedt ook kansen voor de regio en de Nederlandse economie.14
Deelt u de mening van de 117 economen dat strategische autonomie vereist dat we staalproductie in Europa hebben, maar dat in Nederland staal blijven produceren economisch juist irrationeel is? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Op dit moment is er in Europa voldoende staalproductie. Maar, zoals in het antwoord op vraag 3 ook aangegeven wordt voorlopig nog nergens in de wereld op commerciële schaal groen staal geproduceerd, onder meer door gebrek aan productie van (betaalbare) groene waterstof. In de Trajectverkenning Klimaatneutraal 2050 geeft PBL aan dat dit betekent dat import van onder andere groen staal naar Nederland voor 2050 niet erg waarschijnlijk is.15 Het opbouwen van nieuwe groene productiecapaciteit kost tijd en geld. Wijers en Blom16 gaven al aan dat het inderdaad zo is dat zon- en windenergie elders in Europa goedkoper kunnen zijn, maar er zijn ook studies die aangeven dat deze verschillen nog erg onzeker zijn17 en in de toekomst ook weer kleiner kunnen worden.18 Ook hebben zij in beeld gebracht dat Nederland juist een relatief logische plek is binnen Europa voor een staalfabriek. Daarnaast lopen ook nieuwe projecten, bijvoorbeeld in Zweden en Spanje, tegen vertraging en problemen aan, bijvoorbeeld met draagvlak voor de nieuwe fabrieken vanwege impact op de omgeving, de versterking van het elektriciteitsnet, infrastructuur, beschikbaarheid van water en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van groene waterstof, zoals een aantal andere economen in reactie op het ESB artikel ook beschreven.19, 20, 21 Daarbij is TSN gunstig gelegen ten opzichte van hernieuwbare energiebronnen (groene stroom uit wind op zee) en kan TSN gebruik maken van bestaande logistieke infrastructuur en de ligging aan zee, wat een concurrentievoordeel oplevert ten opzichte van de geheel nieuwe productielocaties.22
Vóór 2050 zal er naar verwachting geen substantiële groene staalproductie elders in Europa zijn die de productie van TSN kan vervangen. Het kabinet kiest ervoor om daar niet op te wachten en onze verantwoordelijkheid te nemen door in te zetten op een maatwerkafspraak om in Nederland groener en schonere staal te kunnen produceren.
Deelt u de mening van de 117 economen dat het gezien de feiten die voorliggen, het nu (economisch) verstandiger is om de stekker uit de Joint Letter of Intent te halen dan ermee door te gaan? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. Zoals eerder in de beantwoording aangegeven wil het kabinet verantwoordelijkheid nemen en hier groenere en schonere staalproductie realiseren middels een maatwerkafspraak met TSN om zo onder andere bij te dragen aan ons toekomstige verdienvermogen en onze weerbaarheid en zelfvoorzienendheid te versterken, naast de doelen van verduurzaming en verbetering van de leefomgeving.
Kunt u de vragen één voor één en in alle volledigheid beantwoorden?
Ja.
Kunt u de vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over de Joint Letter of Intent met Tata Steel?
Ja.
Het bericht 'Miljoenen belastinggeld voor stichting komen ook terecht bij bedrijf van eigen directeuren' |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Nieuwsuur waarin wordt gesteld dat miljoenen euro’s aan subsidiegeld voor de stichting ECP terechtkomen bij een bedrijf waarvan een aantal directeuren van die stichting mede-eigenaar zijn?1
Ja, ik ben ermee bekend.
Hoe beoordeelt u de gang van zaken rond de subsidieverstrekking aan stichting ECP?
In mijn antwoorden op de vragen van de Tweede Kamer naar aanleiding van het schriftelijk overleg2 dat ik gelijktijdig aan uw Kamer zend, ga ik dieper in op deze vraag. Op mijn rol als subsidieverstrekker ga ik in het antwoord op de vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA (vraag 16) in. In het antwoord op vraag 24 van de CDA-fractie geef ik aan dat de subsidierelatie in 2023 is geëvalueerd, en welke stappen ik na die evaluatie heb genomen.
Hoe reflecteert u op de rol en uw verantwoordelijkheid hierin?
In het antwoord op de vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA (vraag 16) in het genoemde schriftelijk overleg ga ik nader in op de rol van EZK als subsidieverstrekker.
Hoe heeft deze situatie kunnen ontstaan en waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
In het antwoord op eerdergenoemde vraag 16 is aangegeven dat de overeenkomst tussen ECP en LunaVia in 2023 is beoordeeld door externe advocaten op verzoek van het ECP-bestuur, wat voor EZK geen aanleiding gaf om de Kamer hierover te informeren of andere stappen te ondernemen.
Welke maatregelen worden naar aanleiding van deze situatie genomen? Hoe wordt voorkomen dat zich in de toekomst vergelijkbare gevallen voordoen?
In het antwoord op de vraag van GL-PvdA (vraag 16 in het genoemde schriftelijk overleg ga ik hier dieper op in.
Deelt u de opvatting dat activiteiten die structureel met publieke middelen worden gefinancierd in beginsel via een open en transparante aanbestedingsprocedure zouden moeten plaatsvinden, zodat voor alle partijen dezelfde regels gelden en meerdere organisaties kunnen meedingen?
Ik heb mij te houden aan de geldende subsidie- en aanbestedingsregels. Elk jaar maak ik de afweging of de activiteiten van ECP passen binnen de wettelijke kaders van een maatwerksubsidie, of het eventueel aanbesteden van (onderdelen van) de activiteit. Dit is ook beschreven in het antwoord op de vraag van uw fractie (vraag 3) in het genoemde schriftelijk overleg.
Bent u bereid te bevorderen dat de activiteiten die in opdracht van stichting ECP worden uitgevoerd en structureel met publieke middelen worden bekostigd, in de toekomst geheel of gedeeltelijk via een aanbesteding worden georganiseerd? Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoord op vraag 16 van GL-PvdA in het genoemde schriftelijk overleg heb ik toegelicht hoe ik hier als subsidieverstrekker tot nu mee ben omgegaan. Ook ga ik in op de gesprekken die ik heb met het ECP-bestuur over mogelijk aanpassingen in hun governance, ook op dit punt.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja. Voor de beantwoording wil ik wel doorverwijzen naar mijn antwoorden op de vragen van de Tweede Kamer naar aanleiding van het genoemde schriftelijk overleg.
Het bericht 'Onderzoek naar Amerikaanse cloud-risico’s door ministerie van overheidswebsite verwijderd' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Volkskrant-bericht «Onderzoek naar Amerikaanse cloud-risico’s door Ministerie van overheidswebsite verwijderd» (d.d. 5 maart 2026)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van experts dat de risico’s die overheden lopen door het gebruik van de nieuwe clouddienst van Amazon worden onderschat?
Het rapport beoogt een objectieve juridische beoordeling te geven van de juridische onderzoeksvragen die in het rapport geformuleerd zijn. Het onderzoek heeft samengevat de volgende bevindingen opgeleverd:
Bent u voornemens gebruik te maken van de nieuwe clouddienst van Amazon? Waarom wel of niet?
Zoals aangegeven in het coalitieakkoord is de inzet van het kabinet erop gericht om eenzijdige afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak. Vanuit deze inzet zullen ook nieuwe ontwikkelingen op de cloudmarkt overwogen worden.
Bent u bekend met de aangenomen motie van het lid Dassen (Kamerstuk 36 800, nr. 61) over het volledig overstappen op Europese, op open standaarden gebaseerde digitale alternatieven voor de digitale infrastructuur?2
Ja.
Hoe verhoudt het publiceren, en naar aanleiding van deskundige kritiek weer verwijderen, van dit rapport zich tot de aangenomen motie van het lid Dassen en de brede wens van de Kamer om grootschalig over te stappen naar Europese alternatieven?
Er is geen verband tussen de lopende uitvoering van de motie Dassen en het tijdelijk terugnemen van de publicatie van het rapport. De motie richt zich op het ontwikkelen van een routekaart voor het overstappen op Europese, open standaarden gebaseerde digitale alternatieven, terwijl het tijdelijk terugnemen van de publicatie van het rapport te maken heeft met onduidelijkheden in de interpretatie. Het begeleidende bericht is verduidelijkt en daarna opnieuw geplaatst. De inhoud van het rapport is geheel ongewijzigd.
Welke alternatieven zijn er al reeds om invulling te geven aan deze motie en hoe snel kunnen deze worden geïmplementeerd?
De motie roept op tot het ontwikkelen van een routekaart voor het overstappen op Europese, open standaarden gebaseerde digitale alternatieven. Deze is in ontwikkeling en zal uiterlijk in het laatste kwartaal van dit jaar aan de Kamer voorgelegd worden.
Hoe zou het eventueel aanschaffen van diensten van de nieuwe clouddienst van Amazon staan in relatie tot het coalitieakkoord, waarin staat dat het inkoopbeleid van de overheid gebruikt zal worden voor het aanjagen van Nederlandse en Europese ICT-industrie?
Zoals aangegeven in het coalitieakkoord is de inzet van het kabinet erop gericht om eenzijdige afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak.
Erkent u het risico voor onze digitale soevereiniteit als wij niet versneld overstappen op Europese alternatieven voor onze digitale infrastructuur? Waarom wel of niet?
Nederland en Europa zijn voor cruciale digitale infrastructuur sterk afhankelijk geworden van een klein aantal buitenlandse spelers. Dat maakt ons kwetsbaar in een wereld waarin technologie steeds vaker als geopolitiek machtsmiddel wordt ingezet. In algemene zin is de inzet van het kabinet erop gericht om het Europese aanbod van clouddiensten te vergroten en eenzijdige afhankelijkheden van partijen met een marktmacht en partijen uit derde landen af te bouwen.
Hier ziet het kabinet op in met verschillende beleidsinstrumenten zoals wetgeving (Dataverordening en de Digitalemarktenverordening) en innovatiebevordering (o.a. middels het IPCEI CIS). Het kabinet heeft als doel om bij digitale inkoop en aanbestedingen in het digitale domein te gaan standaardiseren en centraliseren, waarbij onder meer gestuurd wordt op waarden zoals security-by-design, zero-trust, soevereiniteit, open source en ketenveiligheid.
Kunt u deze vragen binnen een week en afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat een rapport over Amerikaanse clouddiensten is verwijderd |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Barbara Kathmann (PvdA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Onderzoek naar Amerikaanse cloud-risico’s door Ministerie van overheidswebsite verwijderd» (De Volkskrant, 5 maart 2026)?
Ja.
Kunt u verklaren waarom het onderzoek naar de risico’s van de Amazon «European Sovereign Cloud» tijdelijk offline is gehaald?1
Vanwege onduidelijkheden in de interpretatie is de publicatie tijdelijk teruggenomen voor verduidelijking in het begeleidende bericht en daarna opnieuw geplaatst; de inhoud van het rapport is geheel ongewijzigd.
Wat is uw reactie op het rapport?
Het onderzoeksrapport dat SLM heeft laten opstellen door het advocatenkantoor Greenberg Traurig bevat een objectieve juridische beoordeling van de AWS ESC ten aanzien van de soevereiniteit op data en soevereiniteit op de beschikbaarheid van het systeem.
Het onderzoek heeft samengevat de volgende bevindingen opgeleverd:
De conclusie van Greenberg Traurig dat de AWS European Sovereign Cloud compatibel kan zijn met de visie digitale autonomie en soevereiniteit, heeft alleen betrekking op een deel van de eisen ten aanzien van Nederlandse of Europese jurisdictie, maar niet op de overige autonomie doelstellingen van de Visie.
Wat is het doel geweest van het onderzoek van GreenbergTraurig? Wat wordt er gedaan met de uitkomsten?
Binnen de scope en mandaat van SLM Microsoft, Google Cloud en AWS valt het onderzoeken van het aanbod van de genoemde partijen. Zo voert SLM onder meer Data Protection Impact Assessments (DPIA’s) uit op diensten van deze partijen.
Gezien het beschikbaar zijn van de AWS European Sovereign Cloud (AWS ESC) per 15–01 jl. is dit aanbod in opdracht van SLM onderzocht.
Het onderzoeksrapport dat SLM heeft laten opstellen door het advocatenkantoor Greenberg Traurig bevat een objectieve juridische beoordeling van de AWS ESC ten aanzien van de soevereiniteit op data en soevereiniteit op de beschikbaarheid van het systeem.
Een belangrijke disclaimer is dat dit geen technisch onderzoek is naar de doeltreffendheid van technische en/of organisatorische maatregelen van AWS. Ook betreft dit geen beleidsadvies of een compliance-beoordeling.
Hoe reageert u op de kritiek dat het rapport eenzijdig is geschreven? Ziet u aanleiding om de risico’s nader te onderzoeken?
Het rapport beoogt een objectieve juridische beoordeling te geven van de juridische onderzoeksvragen die in het rapport geformuleerd zijn.
Momenteel is er geen aanleiding om de risico’s nader te onderzoeken. Nu wordt prioriteit gegeven aan onderzoek en contractering van EU leveranciers (momenteel STACKITt, ESET en OVH).
Hoe leest u de conclusies van het rapport, waaruit blijkt dat de Amerikaanse overheid via de Amazon «European Sovereign Cloud» nog steeds toegang kan krijgen tot Nederlandse data?
Zie beantwoording vraag 3.
Kunt u bevestigen dat het afnemen van de Amazon «European Sovereign Cloud» en soortgelijke initiatieven van Amerikaanse techgiganten niet bijdraagt aan het digitaal autonoom maken van Nederland? Wordt het afbouwen van het gebruik hiervan onderdeel van het kabinetsbeleid?
Zie antwoord op vraag 3 (voor eerste deelvraag).
Het kabinetsbeleid is er, middels de Nederlandse Digitalisering Strategie (NDS), op gericht een soevereine overheidscloud te realiseren, waar mogelijk en passend in samenwerking met de Nederlandse of Europese IT industrie.
In algemene zin is de inzet van het kabinet erop gericht om eenzijdige afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak.
Hebben ministeries, uitvoeringsorganisaties, zbo’s of andere overheidsdiensten reeds plannen om gebruik te maken van de Amazon «European Sovereign Cloud» of soortgelijke initiatieven? Zo ja, kunt u een overzicht geven van organisaties die van plan zijn om de dienst af te nemen of dit al hebben gedaan?
Overheidsorganisaties zijn verantwoordelijk voor hun eigen gebruik van clouddiensten. Op dit moment is mij niet bekend of er overheidsorganisaties voornemens zijn deze clouddienst te gaan gebruiken.
Zijn er nog andere risicoanalyses of onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen voor de digitale autonomie bij het afnemen van de Amazon «Sovereign European Cloud» of soortgelijke initiatieven? Zo ja, kunt u deze aan de Kamer doen toekomen?
In samenwerking met een werkgroep van het CIO Platform Nederland, waaraan ook een aantal overheid CIO’s deelnemen, is er een inventarisatie gedaan naar een aantal cloud diensten die als «soevereine cloud» worden aangeboden.
Deze inventarisatie is nog niet afgerond en indien een rapport wordt opgesteld, kan het gedeeld worden met de Tweede Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Cumulatieve hydrodynamische effecten van offshore windparken op de Noordzee |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recent gepubliceerde studie «Cumulative hydrodynamic impacts of offshore wind farms on North Sea currents and surface temperatures»1, waaruit blijkt dat offshore windparken substantiële veranderingen veroorzaken in stromingen, menging en temperatuur in de Noordzee?
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat grootschalige uitrol van windparken de gemiddelde oppervlakte-stromingssnelheid met 10% tot 20% kan verlagen, en lokaal zelfs meer dan 20%? Welke implicaties heeft dit volgens u voor veiligheid, scheepvaart, ecologie en morfologie?
Dit onderzoek draagt bij aan het vergroten van de wetenschappelijke kennis over de effecten van windenergie op zee op de omstandigheden op de Noordzee. Het sluit aan bij onderzoek dat ikzelf hiernaar laat uitvoeren, bijvoorbeeld via het Wind op Zee Ecologisch Programma (Wozep) en het Monitorings- en Onderzoeksprogramma Scheepvaartveiligheid Wind op Zee (MosWoz).
In het Wozep-programma wordt sinds 2019 onderzoek verricht naar effecten van windenergie op het Noordzee ecosysteem, waaronder de hydrodynamische effecten van de uitrol van offshore wind in de Nederlandse én de internationale Noordzee. Hieruit zijn meerdere rapportages2 voortgekomen.
Offshore windparken kunnen leiden tot (lokale) veranderingen in de waterkolom. Wat deze veranderingen daadwerkelijk inhouden voor het mariene leven, waaronder vis, is nog in onderzoek. De huidige kennis biedt vooralsnog geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.
Ik wijs er overigens op dat de door het lid Vermeer geciteerde studie uitgaat van deels hypothetische windparken, bovenop de werkelijke Nederlandse situatie. Naar verwachting zijn de uiteindelijke effecten dus kleiner dan deze studie schetst.
Voor scheepvaartveiligheid is in Nederland het MosWoz-programma opgezet. Binnen dit programma laat ik onderzoek uitvoeren naar de effecten op de scheepvaartveiligheid van windparken op zee. De door het lid Vermeer genoemde vragen met betrekking tot scheepvaartveiligheid komen in dit programma aan de orde.
De studie laat zien dat zowel wind- als getijwakes turbulentie en mengprocessen veranderen, met sterke lokale hotspots bij turbinefundaties en grootschalige afname van verticale menging buiten windparken. In hoeverre worden deze hydrodynamische veranderingen momenteel meegenomen in MER-procedures en vergunningverlening?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven worden deze effecten door het kabinet onderkend en vindt hier vervolgonderzoek naar plaats. De verschillende milieueffectrapportages (MER) bij de kavelbesluiten voor windenergie op zee besteden ook aandacht aan de hydrodynamische veranderingen als gevolg van windparken. Het is verplicht in de MER-procedures voor de kavelbesluiten de meest recente wetenschappelijke inzichten mee te nemen, inclusief alle onzekerheden, dus ook deze.
Welke risico’s ziet u voor zuurstofhuishouding, eutrofiëring en visbestanden, met name in kwetsbare gebieden zoals de Oyster Grounds, aangezien de studie aantoont dat stratificatie in grote delen van de Noordzee sterker wordt door verminderde verticale menging, inclusief het ondieper worden van de pycnocline met circa 2 meter?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 2. In de door het lid Vermeer geciteerde studie en de door mij aangehaalde studies worden veranderingen geconstateerd. Wat deze veranderingen ecologisch inhouden, onder andere ten aanzien van de visbestanden, is nog onderwerp van onderzoek. Zodra duidelijk is wat de effecten van de veranderingen zijn op de ecologie en de visbestanden neemt het kabinet deze kennis mee in haar beleid.
Waarom kent het Nederlandse ruimtelijke beleid momenteel geen minimale afstandsnormen gebaseerd op hydrodynamische of ecologische criteria, aangezien de studie benadrukt dat turbine-spacing (1.000 meter versus 3.000 meter) een cruciale factor is voor de omvang van hydrodynamische verstoring?
Tot op heden is de kennis van hydrodynamische of ecologische aspecten nog onvoldoende robuust om deze te vertalen naar minimale afstandsnormen. Bij het ontwerp van de Nederlandse windparken op zee wordt tot nu toe vooral gestuurd op relatief compacte windparken om buiten de windparken zoveel mogelijk ruimte over te laten voor andere activiteiten, zoals visserij. Overigens zijn de afstanden tussen de windturbines dan nog steeds groter dan 1.000 meter. Het vergroten van de onderlinge afstanden tussen de windturbines laat ik onderzoeken voor toekomstige windparken op zee vanwege de mogelijk positieve effecten op de businesscase van windparken op zee en op de Noordzeenatuur. Dit betekent echter wel dat bij een gelijkblijvende bijdrage van windenergie op zee aan ons energiesysteem meer ruimte op zee benodigd zal zijn.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de totale impact van toekomstige windparken lijkt op een additionele antropogene klimaatforcing, met hydrodynamische en thermische veranderingen die zich op bekkenniveau verspreiden? Vindt u dat dit type effecten voldoende worden erkend in internationale afspraken binnen Noordzeesamenwerking?
Ik kan nog geen conclusies beoordelen omdat het onderzoek hiernaar nog in volle gang is, waaronder binnen de programma’s Wozep en MONS. Daarnaast wordt hiervoor internationale samenwerking op het gebied van modelontwikkeling en -validatie opgezet. Ook de betekenis van de gemodelleerde veranderingen voor de Noordzeenatuur is nog in onderzoek bij de genoemde onderzoeksprogramma’s.
Acht u het wenselijk om conform de aanbeveling van de onderzoekers over te stappen op volledig gekoppelde atmosfeer-oceaanmodellen bij de beoordeling van offshore windprojecten, gezien het feit dat atmosferische terugkoppelingen (zoals veranderende windpatronen) de huidige resultaten nog kunnen versterken?
Vooralsnog is er vanuit het Wozep-programma geconcludeerd dat het nog niet zinvol is om in te zetten op dit type van modelverbetering, zolang nog niet duidelijk is of en hoe de doorwerking van effecten op hydrodynamische omstandigheden doorwerken in de voedselketen of naar beschermde diersoorten.
Kunt u aangeven hoe het huidige Nederlandse beleid borgt dat cumulatieve, grensoverschrijdende en langjarige hydrodynamische effecten voldoende worden meegenomen, aangezien de studie suggereert dat cumulatieve effecten een grotere rol spelen dan tot nu toe aangenomen en zich honderden kilometers van de windparken kunnen manifesteren?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om, samen met buurlanden rond de Noordzee, een actualisatie van de gezamenlijke strategische impactanalyses uit te voeren waarin deze nieuwe bevindingen expliciet worden geïntegreerd, zodat toekomstige windenergieontwikkeling niet leidt tot onvoorziene grootschalige veranderingen van het Noordzeesysteem?
In het kader van de internationale samenwerking neemt ons land onder andere deel aan een werkstroom binnen het Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI) om een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen van alle drukfactoren op de Noordzeenatuur. Daar wordt uitgewisseld over methodiekontwikkeling, tussen landen en andere regionale organisaties zoals OSPAR en ICES, om de cumulatieve druk van bijvoorbeeld visserij, scheepvaart, mijnbouw, maar ook windenergie op zee op vergelijkbare wijze inzichtelijk te maken.
Indien u dat niet van plan bent, waarom niet?
Ik onderken dat het belangrijk is om de effecten van windparken op de Noordzee en de daar aanwezige natuur in kaart te brengen en heb daar, in samenwerkingen met de andere departementen, onderzoeksprogramma’s voor opgezet. Ook internationaal vraag ik aandacht hiervoor. Met de huidige kennis is er echter geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.