Topmannen van Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen |
|
Ewout Irrgang |
|
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen vaker van bestuursvoorzitter wisselen dan buitenlandse?1
Het is primair een aangelegenheid van de Nederlandse beursvennootschappen en hun bestuursvoorzitters om te bepalen hoe lang een bestuursvoorzitter aanblijft. Een wisseling van bestuursvoorzitter kan zijn gepland, maar kan – om verschillende redenen – ook tussentijds plaatsvinden. Wanneer een bestuurswisseling tussentijds plaatsvindt omdat een bestuursvoorzitter niet langer de steun geniet van de raad van commissarissen en/of de algemene vergadering, is dat op zichzelf niet onbegrijpelijk.
Het Nederlandse corporate governance raamwerk bevat waarborgen voor een efficiënt toezicht op het bestuur via onder meer regels inzake benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen, toezicht door de raad van commissarissen, het agenderingsrecht en het enquêterecht. Uitoefening van dit toezicht kan onder omstandigheden aanleiding geven tot een tussentijdse bestuurswisseling.
Wat is volgens u, naast het hoge percentage gedwongen vertrekken, de reden voor het fors hoger aantal wisselingen bij Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen?
Er kunnen tal van redenen zijn voor een wisseling van bestuursvoorzitter. In verband met het onderzoek waaraan wordt gerefereerd, zijn verschillende redenen voor een wisseling van bestuursvoorzitter onderscheiden: regulier vertrek (waarbij de bestuursvoorzitter aftrad als gevolg van reguliere en geplande opvolging (meestal pensioen), om gezondheidsredenen, of overleed), vroegtijdig vertrek (waarbij de bestuursvoorzitter vroegtijdig aftrad, meestal vanwege een verschil van inzicht met de raad van commissarissen) en vertrek wegens een fusie of overname (waarbij de bestuursvoorzitter vertrekt nadat het bedrijf is overgenomen of is samengegaan met een ander bedrijf).
In het onderzoek is gekeken naar de 10 wisselingen van bestuursvoorzitters van Nederlandse AEX en AMX ondernemingen die in 2009 hebben plaatsgevonden. Uit deze gegevens blijkt dat 5 wisselingen gepland waren. Van de in totaal 5 tussentijdse vertrekken blijkt dat 3 wisselingen samenhingen met slechte bedrijfsresultaten en 2 wisselingen met een verschil van inzicht met de raad van commissarissen. Uit deze gegevens kan niet worden afgeleid dat Nederlandse beursondernemingen relatief meer onder druk zouden staan van aandeelhouders dan elders.
Kan het hogere percentage wisselingen erop duiden dat het bestuur in Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen relatief meer onder druk staat van de aandeelhouders dan elders? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is volgens u de reden dat in Nederland bestuursvoorzitters bijna twee keer zo vaak gedwongen moeten vertrekken en ook steeds slechter zijn gaan presteren in vergelijking met bestuurders die hun termijn afmaken? Kan dit erop duiden dat het orgaan dat de bestuurders benoemt die taak niet goed uitvoert, dan wel steeds slechter uitvoert? Zo nee, wat is dan de reden? Zo ja, hoe kunnen de prestaties op het gebied van het benoemen van bestuurders verbeterd worden?
Het komt mij niet onlogisch voor dat de bestuursvoorzitter van een beursvennootschap met slechte bedrijfsresultaten en/of waar verschil van inzicht bestaat met de raad van commissarissen wordt verzocht om af te treden voorafgaand aan de geplande vertrekdatum. Het is aan de vennootschap en haar raad van commissarissen om een geschikte opvolger te vinden en in dat verband het selectie- en benoemingsproces vorm te geven. Ik verwijs overigens naar het antwoord op vraag 3.
Betekent het feit dat bestuursvoorzitters die van buiten het bedrijf worden aangetrokken ieder jaar minder goed presteren dan bestuursvoorzitters die van binnen het bedrijf komen dat het veel gehoorde argument voor hoge salarissen en bonussen, namelijk dat Nederlandse bedrijven mee moeten kunnen concurreren voor buitenlands talent, aan kracht inboet? Zo nee, waarom niet?
Het is van groot belang dat Nederlandse beursvennootschappen in staat zijn om goed gekwalificeerde bestuursvoorzitters aan te trekken. Dit kunnen zowel insiders als outsiders zijn. Het is aan de vennootschap en haar raad van commissarissen om hun selectie- en benoemingsproces vorm te geven en te bepalen wie in het gegeven geval de meest geschikte kandidaat is. Datzelfde geldt voor de beloning van de bestuursvoorzitter die normaliter door de raad van commissarissen – binnen de kaders van het door de aandeelhoudersvergadering vastgestelde bezoldigingsbeleid – wordt bepaald.
Deelt u de conclusie van het aangehaalde onderzoek dat Nederlandse beursfondsen de minst beschermde ondernemingen ter wereld zijn? Zo nee, kunt u dan uitleggen waarom dit niet het geval zou zijn? Kunt u daarbij tevens een gedetailleerd overzicht geven van de bevoegdheden die de vergadering van aandeelhouders heeft in Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, België en de Verenigde Staten?
Ik heb deze conclusie niet terug kunnen vinden in de onderzoeksresultaten. Ik heb wel gelezen dat het aantal wisselingen van bestuursvoorzitters van Nederlandse beursvennootschappen niet vaak samenhangt met een fusie of overname.
In hoeverre een Nederlands beursvennootschap gebruik maakt van zogenoemde beschermingsconstructies is overigens aan de vennootschap zelf. Voor zover beursvennootschappen in de afgelopen jaren hebben gekozen voor de afschaffing van statutaire beschermingsconstructies, heeft dat uit eigen beweging plaatsgevonden.
Aangezien de hiervoor gestelde vragen verband houden met de benoeming en het ontslag van bestuursvoorzitters van Nederlandse beursvennootschappen, is hetgevraagde overzicht van de bevoegdheden van de algemene vergadering toegespitst op de besluitvorming inzake benoeming en ontslag van bestuurders. In het algemeen geldt dat de wijze van benoeming en ontslag van bestuurders in Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, België en de Verenigde Staten op hoofdlijnen veel overeenkomsten vertoont.
In Nederland heeft de algemene vergadering de bevoegdheid om bestuurders te benoemen (artikel 2:132 BW). Iedere bestuurder kan te allen tijde worden geschorst en ontslagen door degene die bevoegd is tot benoeming (artikel 2:134 BW). Voor deze besluiten volstaat een gewone meerderheid, tenzij statutair is bepaald dat het besluit tot schorsing of ontslag slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid of een quorumeis.
Indien het volledige structuurregime van toepassing is, heeft de raad van commissarissen de bevoegdheid om bestuurders te benoemen en te ontslaan (artikel 2:162 BW).
In het Verenigd Koninkrijk kan de algemene vergadering de bestuurders benoemen met een volstrekte meerderheid van de stemmen. Aandeelhouders kunnen bestuurders op dezelfde wijze ontslaan, ook wanneer een overeenkomst tussen de onderneming en de bestuurder anders bepaalt2.
In Duitsland benoemt de algemene vergadering de leden van de raad van commissarissen. De raad van commissarissen benoemt en ontslaat de bestuurders3.
In Frankrijk hebben de meeste beursvennootschappen de rechtsvorm van een Société Anonyme met een one tier structuur. In dat geval worden bestuurders benoemd en ontslagen door de aandeelhoudersvergadering, die met een gewone meerderheid kan besluiten4.
Indien sprake is van een two tier structuur met een aparte raad van commissarissen, worden bestuurders benoemd door de raad van commissarissen, maar kunnen zij worden ontslagen door de algemene vergadering.
Op grond van de Belgische wet beschikt de algemene vergadering van een NV over de bevoegdheid tot benoeming en het ontslag (te allen tijde) van bestuurders5.
In de Verenigde Staten geldt het recht van de Staat dat van toepassing is op de onderneming. In de meeste staten geldt dat de algemene vergadering het recht heeft om bestuurders te benoemen en te ontslaan. Vaak wordt in de statuten bepaald dat daarvoor een meerderheidsbesluit vereist is.
Forse overschrijdingen van budgetten voor IT-projecten bij de overheid |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Publieke sector betaalt zich blauw door wanbeheer IT» in de Automatiseringsgids?1
Ja.
Worden de budgetten van IT-projecten van de Nederlandse publieke sector inderdaad met het in het onderzoeksrapport van «Public Sector: IT Project Evaluations» genoemde bedrag van 675 miljoen euro jaarlijks overschreden? Zo ja, hoe verklaart u dit? Zo nee, waarom niet? Hoeveel is dit bedrag dan wel?
Naar aanleiding van het bericht in de Automatiseringsgids is contact opgenomen met het bedrijf dat het rapport heeft gepubliceerd waarnaar de Automatiseringsgids verwijst. Desgevraagd meldde dit bedrijf dat de gepresenteerde gegevens zijn gebaseerd op informatie verstrekt door eigen contacten en openbare informatie. Het bedrijf vraagt € 1 500 (exclusief BTW) voor het beschikbaar stellen van het rapport. Dat vind ik veel geld, terwijl ik niet overtuigd ben van de waarde van het rapport. Ik heb het rapport dan ook niet besteld.
Ik merk voorts op dat uw Kamer bij brief d.d. 9 juni jl. de rapportage over de grote ICT-projecten van de rijksoverheid is aangeboden. In de rapportage en de bijlage daarbij wordt uw Kamer geïnformeerd over de projectplannen, externe kwaliteitstoetsen, de doorlooptijd en de kosten van deze projecten van het Rijk. Op ICT-projecten van de publieke sector buiten het Rijk heb ik geen zicht.
Is het waar dat bij 80% van de IT-projecten van de overheid het budget wordt overschreden? Zo ja, bent u dan ook geschrokken van deze conclusie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de budgetten voor IT-projecten bij de centrale overheid het meest worden overschreden? Zo ja, waarom presteert de centrale overheid op dit punt het slechtst? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusie van de samenstellers van het genoemde rapport dat «IT-projecten en politiek [...] gewoon niet samen gaan»? Zo ja, welke gevolgen verbindt u daaraan? Zo nee, waaruit blijkt het tegendeel?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de Kamer een uitgebreide reactie te doen toekomen op bevindingen en conclusies uit het genoemde rapport, inclusief maatregelen die ertoe moeten leiden dat deze overschrijdingen voortaan voorkomen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Het niet aanbestedingsplichtig zijn van vertaaldiensten |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de brief van het Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) betreffende Europese aanbestedingen in de sector tolken en vertalers?1
Uit de brief blijkt dat het Platform Zelfstandige Ondernemers verzoekt om in het wetsvoorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet de IIB-diensten buiten de reguliere werkingssfeer van het wetsvoorstel te houden, bijvoorbeeld door een motiveringsplicht op te nemen in het wetsvoorstel voor het Europees aanbesteden van IIB-diensten. Het Platform Zelfstandige Ondernemers geeft verder aan dat overheidsopdrachten worden geclusterd en slechts aan enkele grote bemiddelingsbureaus worden gegund.
Het verbeteren van de toegang van ondernemers, met name het midden- en kleinbedrijf en zelfstandigen zonder personeel, tot overheidsopdrachten heeft mijn aandacht. In het Regeerakkoord is opgenomen dat het midden- en kleinbedrijf en zelfstandigen zonder personeel meer kansen verdienen bij aanbestedingen van de overheid. Dit is ook één van de ambities van het wetsvoorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet. Voor het midden- en kleinbedrijf en zelfstandigen zonder personeel is het van belang dat geen onredelijke eisen worden gesteld aan de opdracht, maar ook dat opdrachten niet onnodig groot zijn door samenvoeging, en de lasten niet onnodig hoog zijn. Het wetsvoorstel bevat daartoe een aantal maatregelen. In het wetsvoorstel is een bepaling over het clusteren van opdrachten opgenomen. In dit artikel staat dat de aanbestedende dienst bij de keuze omtrent het al dan niet samenvoegen van opdrachten acht slaat op de marktverhoudingen op de relevante markt. Daarnaast is in het wetsvoorstel een proportionaliteitsbeginsel opgenomen, waarmee de eisen, criteria en voorwaarden die aan een onderneming worden gesteld in redelijke verhouding moeten staan tot het voorwerp van de opdracht. Tenslotte wordt in het wetsvoorstel een aantal lastenverminderende maatregelen voorgesteld. Al deze maatregelen zullen de toegang van het midden- en kleinbedrijf en zelfstandigen zonder personeel tot deelname aan aanbestedingen vergroten.
Zoals het Platform Zelfstandige Ondernemers in haar brief ook schrijft, is het daarnaast belangrijk dat gewerkt wordt aan een cultuuromslag bij de aanbestedende diensten. Om dit te bereiken zet ik ook in op aanvullend beleid dat is bedoeld om de toegang van kleine bedrijven en zelfstandigen zonder personeel tot aanbestedingen te vergroten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een handreiking die de aanbestedende diensten bij de invulling van het proportionaliteitsbeginsel richting moet gaan geven.
Naar aanleiding van het Regeerakkoord bezie ik momenteel in hoeverre ik het midden- en kleinbedrijf en zelfstandigen zonder personeel nog betere kansen kan geven om deel te nemen aan overheidsopdrachten.
Voor IIB-diensten geldt volgens de Europese aanbestedingsrichtlijnen in beginsel een licht regime, waardoor aanbestedende diensten zelf kunnen bepalen op welke wijze zij deze opdrachten in de markt zetten. Dit is alleen anders als er sprake is van opdrachten met een duidelijk grensoverschrijdend belang. In dat geval moet de aanbestedende dienst in ieder geval een passende mate van openbaarheid hanteren.
Het opnemen van een verbod op het Europees aanbesteden van IIB-diensten in het wetsvoorstel vind ik niet wenselijk. Vanzelfsprekend moeten aanbestedende diensten het overheidsgeld zorgvuldig besteden. Aanbesteden is maatwerk en het is de verantwoordelijkheid van aanbestedende diensten om goed na te denken op welke wijze zij een opdracht in de markt zetten. De keuze voor een bepaalde procedure moet wat mij betreft dan ook ter beoordeling van de aanbestedende dienst gelaten worden. Dat is een beslissing waar ik niet in wil treden. In sommige gevallen zullen aanbestedende diensten kiezen voor een Europese aanbestedingsprocedure en in andere gevallen voor een onderhandse gunning. PIANOo, het expertisecentrum aanbesteden, dat als doel heeft om de aanbestedingspraktijk verder te professionaliseren, kan aanbestedende diensten ondersteunen in deze afweging.
Bent u bereid om het werk dat verricht moet worden door tolken en vertalers niet langer aan te besteden, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dit toch te doen, zoals een duidelijk grensoverschrijdend belang? Zo neen, bent u dan tenminste bereid om in deze sector geen aanbestedingen meer te organiseren waarin eisen zijn opgenomen waardoor zelfstandigen op voorhand worden uitgesloten?
Gezien mijn antwoorden onder vraag 1 vind ik het niet nodig maatregelen in het wetsvoorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet te nemen om het Europees aanbesteden van tolk- en vertaaldiensten te verbieden.
Wel neem ik in het kader van het wetsvoorstel Aanbestedingswet maatregelen om de toegang van het midden- en kleinbedrijf en zelfstandigen zonder personeel tot aanbestedingen te verbeteren, zoals het tegengaan van onnodig disproportionele eisen en het onnodig clusteren van overheidsopdrachten.
Wat is uw reactie op de berichten dat vanwege de onderbezetting bij TNT er geregeld post blijft liggen1 en dat de leiding van TNT sjoemelt met post?2
Ik heb kennis genomen van dit artikel.
Wat betreft de falende postbezorging geldt dat OPTA hiernaar onderzoek doet in het kader van de plicht van TNT Post ervoor te zorgen dat het briefgeheim niet wordt geschonden (onbeheerd achterlaten van poststukken op steunpunten). OPTA heeft voorts op 13 september jl. kritische vragen aan TNT Post gesteld naar aanleiding van het toenemende aantal klachten bij OPTA over problemen met de kwaliteit van de postbezorging (in het kader van de 95% overkomstduur-verplichting). Gemiddeld 95% van de brieven (gemeten over een kalenderjaar), die worden aangeboden door de consument in de rode/oranje TNT brievenbussen of op de TNT-postvestigingen, moet de volgende dag worden bezorgd. Dit is de zogenaamde 95% overkomstduur-verplichting. OPTA heeft aangegeven in het onderzoek naar de postbezorging door TNT Post het mogelijk door TNT Post niet voldoen aan de 95%-norm mee te zullen nemen.
De berichtgeving over de sjoemelende leiding van TNT Post valt onder de interne bedrijfsverantwoordelijkheid van TNT Post.
Kan de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) deze berichten bij het onderzoek naar de falende postbezorging betrekken?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de onderbezetting bij TNT en het sjoemelen met post door de leiding het zoveelste bewijs is dat de concurrentie in de postsector is mislukt, na de eerdere berichten over de falende postbezorging, de verhoging van de prijs van de postzegel, werknemers die te maken krijgen met intimidatie op de werkvloer, 15 000 mensen die hun baan dreigen te verliezen en postwerkers die niet eens het minimumloon krijgen?
De door u gesignaleerde problemen verschillen sterk van aard en oorsprong en zijn zeker niet (enkel) op te hangen aan de openstelling van de postmarkt. De openstelling van de postmarkt heeft, zoals aangegeven bij de totstandkoming van de Postwet 2009, vooral effect op de tarieven voor de zakelijke markt, omdat concurrentie zich op deze markt concentreert. De openstelling van de postmarkt heeft in de praktijk voor 92% betrekking op de zakelijke post (meer keuze, lagere prijzen en innovatie ten doel).
Wat betreft deze (zakelijke) post heeft de klant/verzender van de poststukken, juist door de openstelling van de postmarkt, de mogelijkheid om naar een andere postvervoerder over te stappen. Het lijkt mij dan ook in het belang van TNT Post (en de medewerkers) om zorg te dragen voor een goede kwaliteit in hun postbezorging.
Zoals ik ook in het AO van 29 juni jl. heb aangegeven, sta ik nog steeds achter de openstelling van de postmarkt.
Malafide doorstarters in de transportsector |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten over fraude en andere misstanden in de transportbranche?1
Wij beschikken niet over actuele cijfers over fraude en misbruik bij faillissementen in de transportsector. Volgens de stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) waren er in 2009 ongeveer 155 faillissementen op een totaal van circa 12 000 vergunninghouders in de transportsector. Het aandeel faillissementen daarbinnen waarin eventueel sprake was van wederrechtelijk handelen zal dus, afgezet tegen het totaal aantal vergunninghouders, relatief gezien beperkt zijn. Wij zijn van mening dat wel aandacht voor de problematiek dient te blijven bestaan, gelet op de schade voor betrokkenen en de imagoschade voor de gehele sector. Voor de al genomen en onderhanden zijnde maatregelen verwijzen wij naar het antwoord op de vragen 2 en 5.
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen van 27 maart 1996 over nagenoeg dezelfde problematiek?2 Wat is er in de tussenliggende veertien jaar gebeurd? Wat is er bijvoorbeeld gedaan met de toezegging dat met name de doorstartersproblematiek aandacht verdient, waarmee ondernemers bedoeld werden die na een faillissement, met achterlating van schulden, de bedrijfsactiviteiten onder een andere naam voortzetten?
Ja. Destijds is ervoor gekozen de doorstartersproblematiek aan te pakken via de regelgeving op het terrein van (fraude bij) faillissementen en sociale premies en belastingen. Dat betekent dat vooral curatoren een belangrijke rol vervullen.
Daarnaast maakt de NIWO sinds 2003 zoveel mogelijk gebruik van het Bibob-instrumentarium bij het beoordelen van aanvragen voor (verlengingen van) vervoersvergunningen.
Op 13 september 2004 heeft de toenmalige Minister van Justitie het Actieplan bestrijding faillissementsfraude toegezonden aan uw Kamer (TK, 2003–2004, 27 244, nr. 22). Verder heeft het Wetenschappelijk onderzoek en documentatiecentrum (WODC) van het toenmalige Ministerie van Justitie onderzoek gedaan naar de aard en omvang en mogelijkheden van bestrijding van fraude en misbruik bij faillissementen (TK, 2005–2006, 27 244, nr. 25). Beide vormen mede het uitgangspunt voor de Aanwijzing opsporing en vervolging faillissementsfraude (2009A001) van het Openbaar Ministerie (OM), die op 1 maart 2009 in werking is getreden.
Thans willen sociale partners gezamenlijk nog een stap verder zetten in het bestrijden van malafide doorstarters in de transportsector. Zij zijn bezig een stichting op te richten die faillissementen in de transportsector nauwgezet gaat volgen en in geval van vermoedens van malafide praktijken de curator en/of rechter-commissaris zal verzoeken geen doorstart te laten plaatsvinden.
Is het waar dat het in de transportwereld vaak dezelfde ondernemers zijn die in opspraak komen door allerlei verplichtingen te negeren die een bedrijf heeft, zoals pensioenafdrachten doen en salaris betalen, en na een faillissement zomaar nieuwe vennootschapen kunnen starten? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat malafide ondernemers met een «kerstboom van besloten vennootschappen» hun bedrijfsvoering verbergen? Welke mogelijkheden zijn er dergelijke malafide doorstarters aan te pakken?
Ja. Op basis van de informatie van de NIWO kan worden geconstateerd dat het vaak gaat om dezelfde ondernemers. Vanzelfsprekend delen wij de mening dat het zeer onwenselijk is dat malafide ondernemers via niet transparante constructies hun bedrijfsvoering moeilijk inzichtelijk en controleerbaar maken. De politie, de FIOD-ECD en het OM kunnen de bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering inzetten om te proberen constructies met rechtspersonen te ontrafelen. Zie verder het antwoord op de vragen 2, 5 en 6.
Hoe ernstig zijn naar uw mening de genoemde wantoestanden in het vrachtvervoer? Welke maatregelen gaat u nemen om een einde te maken aan deze wantoestanden?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er naar uw mening voldoende mogelijkheden om de vervoersvergunning van een vervoerder in te trekken? Maakt de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) voldoende gebruik van deze mogelijkheden? Heeft de NIWO ook de mogelijkheid door vennootschappen heen te kijken en te beoordelen of er sprake is van een stroman om een malafide ondernemer af te dekken? Zo nee, zou dat niet mogelijk gemaakt moeten worden?
Ja. De Wet Wegvervoer goederen en de Wet Bibob bieden voldoende juridische mogelijkheden om de vervoersvergunning in te trekken. Bovendien worden de mogelijkheden voor het toetsen van de betrouwbaarheid van een vervoersonderneming met EU-Verordening 1071/2009 uitgebreid.
Als de NIWO twijfelt aan de betrouwbaarheid van een vervoersonderneming, eist zij een nieuwe integriteitsverklaring beroepsvervoer. Als de integriteitsverklaring niet wordt overgelegd, leidt dit tot intrekking van de vergunning.
In geval de NIWO twijfelt aan de vakbekwaamheid en/of de reële vestiging van de onderneming, wordt een nader onderzoek – al dan niet ter plaatse – ingesteld. Hierbij kan worden gekeken naar de vraag of sprake is van een stromanconstructie.
Wat is uw reactie op de constatering dat het onderzoek naar faillissementsfraudes onder druk staat, waardoor veel malversaties bij faillissementen onbestraft blijven?3
Het opsporings- en vervolgingsbeleid inzake faillissementsfraude is opgenomen in de in antwoord 2 genoemde Aanwijzing en in de afspraken die het OM (periodiek) maakt met de politiekorpsen en de FIOD-ECD. Strafvorderlijk optreden is in beginsel complementair aan maatregelen die de curator kan nemen om de boedel te herstellen.
In heb geen zicht op het aantal malversaties bij faillissementen waartegen niet langs deze sporen wordt opgetreden.
Waarom is er nog steeds geen oplossing voor het feit dat de faillissementsboedel vaak ontoereikend is om de curator uit te betalen, waardoor de curator vermoedens van onregelmatigheden niet nader uitzoekt of aangifte doet bij het OM? Wordt ook actief onderzoek verricht naar ondernemers die een faillissement zien naderen en bewust zorgen voor een kleine boedel zodat nader onderzocht achterwege blijft? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat al vele jaren de mogelijkheid voor curatoren om een beroep te doen op de garantstellingsregeling die wordt uitgevoerd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Deze regeling geeft curatoren onder voorwaarden de zekerheid dat zij betaald worden voor het verrichten van bepaalde handelingen als zij een lege boedel aantreffen. Het is niet aan de overheid om in alle gevallen garant te staan als de boedel leeg is.
Noch curatoren, noch het OM hebben zicht op ondernemers die een faillissement zien naderen. Het is dan ook niet mogelijk preventief onderzoek te doen naar mogelijk nog te plegen faillissementsfraude.
Heeft de aanpak van faillissementsfraude prioriteit? Is het waar dat er een lijst bestaat met een rangorde in regio’s waarin faillissementsfraude aandacht krijgt, waarop bijvoorbeeld Drenthe onderaan staat?3 Welke maatregelen gaat u nemen de aanpak van faillissementsfraude te verbeteren?
De bestrijding van faillissementsfraude heeft geen afzonderlijke prioriteit. In het kader van het Intensiveringsprogramma Finec worden kennis, aandacht en alertheid voor het bestrijden van financieel-economische criminaliteit versterkt. Dat komt ook ten goede aan het bestrijden van faillissementsfraude. Ik ben niet bekend met het bestaan van een lijst met een rangorde van regio’s. De in antwoord 2 genoemde Aanwijzing is leidend en geeft richting aan de opsporing en vervolging van faillissementsfraude. Daarbij bepaalt de aard van de zaak of en zo ja, op welk moment, opsporing aangewezen is en welke opsporingsinstantie daarmee moet worden belast.
Het bericht dat ICTRegie mogelijk dreigt te verdwijnen |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maria van der Hoeven (CDA) |
|
|
|
|
Is het bericht dat ICTRegie mogelijk dreigt te verdwijnen waar?1
Het mandaat van ICTRegie zal na 31 december 2010 niet worden verlengd.
Kunt u, in ogenschouw genomen dat er een bezuinigingsbehoefte is, aangeven wat uw overwegingen zijn om de subsidie voor dit innovatieve projectbureau stop te zetten?
Zoals wij in onze brief van 29 juni jl.: Eindevaluatie van het Nationaal Regieorgaan voor ICT-onderzoek en -innovatie (ICTRegie) Kamerstuk 26 643 nr. 162 hebben aangegeven, is het besluit tot niet verlengen van ICTRegie onder andere ingegeven door de resultaten van de eindevaluatie. Daaruit blijkt dat structurele versterking van het ICT-onderzoek, onder meer bij gebrek aan (gerichte) overheidsmiddelen, niet is gerealiseerd; tevens achten wij voor succesvolle regie de omstandigheden niet aanwezig. Enkele waardevolle elementen worden voortgezet.
De mislukte concurrentie in de post en het gebruik van aanhangwagentjes als postdepot door TNT |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de vragen over het gebruik van garages als postdepot door TNT?1 Wat is uw reactie op het bericht dat TNT nu ook aanhangwagentjes op een parkeerplaats inzet als postdepot?2
Ja. In de beantwoording van de vragen over het gebruik van garages als postdepot door TNT Post (van 18 januari 2010) is aangegeven dat een postdepot de laatste schakel is in het bezorgingsnetwerk van TNT Post. TNT Post brengt voor een bepaalde wijk of bezorgronde gesorteerde en voorbereide poststukken naar een depot, waar de medewerkers de poststukken voor hun bezorgronde afhalen.
Over de inzet van aanhangwagens als postdepot heeft TNT Post de volgende informatie verstrekt. In geval tijdelijk geen schuur, garage of andere eenvoudige ruimte kan worden gebruikt, vormt een mobiel depot een uitkomst. Met de Ondernemingsraad van TNT Post is afgesproken dat mobiele depots als tijdelijke oplossing worden gezien.
Zoals in de beantwoording van de vragen over de kwaliteit van de postbezorging van 17 september jl. is aangegeven, doet OPTA onderzoek naar de postbezorging door TNT Post. Een onderdeel daarvan betreft het mogelijk door TNT Post niet zorgvuldig behandelen van de post (zoals het onbeheerd achterlaten van postzakken op steunpunten) in het kader van haar plicht ervoor te zorgen dat het briefgeheim niet wordt geschonden. De resultaten van het onderzoek dienen te worden afgewacht. Ik heb OPTA gevraagd het aspect van mobiele depots mee te nemen in het onderzoek.
In welke mate acht u post die is opgeslagen in dergelijke aanhangwagentjes goed beschermd tegen inbraak en/of diefstal van post, zoals bijvoorbeeld bankpassen en/of pincodes? Meent u dat er op deze manier voldoende waarborg is voor het met zorg behandelen van de post en daarmee met het naleven van de Postwet?
TNT Post heeft aangegeven dat bij de aanschaf van deze mobiele depots rekening is gehouden met het veiligheidsaspect: er is geselecteerd op een degelijke opbouw, een goed rolluik en een gekeurd slot. Van deze waterdichte depots, die als tijdelijke oplossing dienen, zijn circa 20 in gebruik op verschillende plaatsen in het land.
OPTA doet onderzoek naar het mogelijk door TNT Post niet zorgvuldig behandelen van de post (zoals het onbeheerd achterlaten van postzakken op steunpunten) in het kader van haar plicht er voor te zorgen dat het briefgeheim niet wordt geschonden. Zoals aangegeven in antwoord 1 heb ik OPTA gevraagd het aspect van mobiele depots mee te nemen in dit onderzoek. De resultaten van het onderzoek dienen te worden afgewacht.
Deelt u de mening dat het onfatsoenlijk is dat TNT een werkplek aan zijn werknemers biedt, waar elementaire voorzieningen ontbreken? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de beantwoording van de vragen over het gebruik van garages als postdepot door TNT Post (van 18 januari 2010) is aangegeven, zijn depots geen plekken waar gewerkt wordt, maar dienen depots als op- en overslagpunt. TNT Post medewerkers zijn gemiddeld 10 minuten in cq. bij een depot aanwezig om de post op te halen en de fiets te beladen.
Nigeriaanse vrouwenhandel naar Nederland |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Weer handel in vrouwen naar Nederland; route niet meer via Schiphol»?1
Ja.
Is het bericht waar dat de Nigeriaanse vrouwenhandel naar Nederland weer op het oude niveau van drie jaar geleden is? Zo ja, hoe verklaart u dat?
De cijfers in het bericht komen niet helemaal overeen met de cijfers die het Coördinatiecentrum Mensenhandel (CoMensha) zelf in zijn jaarverslagen heeft gepubliceerd. De correcte cijfers van CoMensha over het aantal Nigeriaanse slachtoffers van mensenhandel dat in ons land is aangemeld zijn: 91 in 2006, 102 in 2007, 64 in 2008, 101 in 2009, en 83 in de eerste acht maanden van 2010. Bij dit laatste cijfer moet worden aangetekend dat het aantal meldingen per maand sterk kan fluctueren. Uit deze reeks blijkt een vrij grote mate van stabiliteit over de jaren, waarbij het relatief lage aantal slachtoffers in 2008 opvalt. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat deze tijdelijke verbetering het gevolg was van het oprollen van een mensenhandelbende in oktober 2007, en dat sindsdien andere criminele netwerken in het ontstane gat zijn gesprongen.
Wat is uw mening over het in het genoemde bericht gestelde dat «als één gat wordt gedicht criminelen een ander gat [zoeken]. Om mensenhandel effectiever aan te pakken is meer Europese samenwerking nodig»?
Mensenhandelaren gaan steeds weer op zoek naar mogelijkheden om de tegen hen opgeworpen hindernissen te omzeilen. Mede om die reden onderschrijf ik de noodzaak van meer Europese samenwerking bij het tegengaan van mensenhandel. Daarbij gaat het niet alleen om aanscherping van de Europese regelgeving, maar moet er ook meer werk worden gemaakt van het verbeteren van de uitvoeringspraktijk. Met het oog op dat laatste heeft Nederland de afgelopen jaren diverse initiatieven ondernomen en zal dat ook blijven doen. Met name zijn in bilateraal en multilateraal verband diverse samenwerkingsprojecten gestart om mensenhandel tegen te gaan, waaronder een project met Nigeria. Verder onderhoudt mijn departement contact met de Europese Commissie bij de voorbereiding van een nieuwe geïntegreerde Europese strategie ter bestrijding van mensenhandel, die de Commissie voor 2011 heeft aangekondigd. Wat Nederland betreft zou een belangrijk doel van deze strategie moeten zijn om Lidstaten meer te committeren aan een gezamenlijke aanpak, en de onderlinge contacten en samenwerking op uitvoeringsniveau te verbeteren.
Deelt u de mening dat bestrijden van mensenhandel weinig effectief is als blijkt dat mensenhandelaren door het verleggen van hun «aanvoerroute» hun activiteiten naar de Europese Unie (EU) kunnen blijven voortzetten? Zo ja, bent u bereid om in overleg met uw Europese collega’s een sluitende Europese aanpak van mensenhandel tot speerpunt te maken van de justitiële samenwerking binnen Europa? Op welke wijze gaat u dit bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de stand van zaken van Kaderbesluit inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers (COM(2009)136)?
Op 4 juni 2010 heeft de JBZ-Raad een akkoord bereikt over een algemene benadering ten aanzien van deze richtlijn. Van de zijde van het Europees Parlement zijn in september amendementen ingediend. Thans wordt in de triloog tussen de Raad, het Europees Parlement en de Commissie getracht om te komen tot een voor ieder aanvaardbare compromistekst. Naar verwachting zal de richtlijn in zijn definitieve vorm nog dit jaar tot stand kunnen worden gebracht.
De mogelijke overname van Crucell door Johnson & Johnson |
|
Paulus Jansen |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
Onderschrijft u dat het Leidse biotechbedrijf Crucell een sleutelbedrijf is op het gebied van biotechnologische/farmaceutische research? Wat is in dit licht uw mening over de mogelijke overname van het bedrijf door Johnson & Johnson?1
Crucell is een belangrijk en succesvol Nederlands bedrijf op het gebied van de farmaceutica en de biofarmaceutische research. Een overname door Johnson & Johnson biedt het bedrijf waarschijnlijk meer mogelijkheden om sneller door te groeien dan Crucell op eigen kracht zou kunnen. Mede gezien de gezamenlijk gedane uitspraken van de bestuurders van Crucell en Johnson & Johnson over het behoud van het management, de naam en vestiging in Leiden, lijkt dit een goede ontwikkeling.
Bezitten de Universiteit Leiden, Universiteit Utrecht of enige Nederlandse overheid aandelen in het bedrijf? Zo nee, waarom is er bij deze spinoff van de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht niet gekozen voor een vorm van publieke participatie?
De overheid heeft geen aandelen in Crucell. Vanuit het publieke belang is er geen aanleiding voor een staatsdeelneming in deze onderneming. Bovendien wordt door bedrijven zelf een overheidsdeelname veelal niet positief beschouwd, bijvoorbeeld bij het aantrekken van privaat risicodragend kapitaal om verdere groei te kunnen financieren.
De beide universiteiten hebben nooit aandelen in het bedrijf Crucell gehad. Wél waren zij mede aandeelhouder in de bedrijven Introgene (Universiteit Leiden) en Ubysis (universiteit Utrecht), waaruit in 2000 het bedrijf Crucell is voortgekomen. Alle aandelen van Crucell zijn bij de beursgang van Crucell in handen gekomen van beleggers.
Hoeveel hebben de Universiteit Leiden en/of de Universiteit Utrecht bij de afsplitsing van het bedrijf ontvangen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke subsidies heeft het bedrijf sinds de oprichting ontvangen?
Crucell heeft in de periode 2003–2009 voor diverse technologie samenwerkingsprojecten in totaal € 11,6 miljoen subsidie ontvangen.
Over de fiscale bijdrage in het kader van de WBSO wordt geen informatie verstrekt omdat het hierbij gaat om bedrijfsvertrouwelijke informatie.
Wat gaat u doen om te verzekeren dat een mogelijke overname geen voorbode is voor het wegsluizen van Nederlandse kennis en patenten, die voor een flink deel met publieke middelen zijn opgebouwd?
De aangekondigde overname behoort tot de ontwikkelingen in de private sector. Er is thans geen sprake van het eventueel wegsluizen van kennis en patenten. Integendeel, Crucell zal blijkens de berichten van Crucell het vaccincentrum worden van Johnson & Johnson.
Aanvullende vraag over de mogelijke overname van Crucell door Johnson & Johnson |
|
Paulus Jansen |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de bestuursvoorzitter van Crucell, de heer Brus, 11,9 miljoen euro ontvangt als het bedrijf wordt overgenomen?1 Bent u van mening dat bij een dergelijk persoonlijk financieel belang bij overname, het bedrijfsbelang in de verdringing kan komen? Is dit te verenigen met de strekking van het door de Tweede Kamer aangenomen amendement Tang/Irrgang?2 Zo ja, wilt u dit toelichten? Zo nee, welke maatregelen bent u bereid te nemen?
Het bericht is gebaseerd op een inschatting door derden van het optiepakket van de heer Brus dat voortvloeit uit de beloningsstructuur van Crucell. Het is niet aan mij om te beoordelen of door een persoonlijk financieel belang het bedrijfsbelang in het gedrang komt. Het bedrijfsbelang wordt bij een overname niet alleen beoordeeld door de bestuurders maar ook door de commissarissen en aandeelhouders. Uiteraard zal bij de overname aan de wetgeving moeten worden voldaan.
De onafhankelijkheid van de advocaat in loondienst |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Loorbach: Akzo-uitspraak dwingt tot discussie onafhankelijkheid Cohen-advocaat»?1
Ja.
Welke praktische gevolgen heeft de genoemde uitspraak van het Hof van Justitie2voor de advocaat in dienstbetrekking (bij niet-advocaten)?
De uitspraak van het Hof van Justitie heeft als praktisch gevolg dat een advocaat die in dienstbetrekking is bij zijn cliënt geen beroep op de bescherming van vertrouwelijkheid kan doen bij verificatieprocedures verricht door de Europese Commissie op grond van het Europese mededingingsrecht.
Wat is uw mening over het in het arrest gestelde dat het begrip onafhankelijkheid van de advocaat niet enkel positief – door een verwijzing naar de gedragsrechtelijke voorwaarden – maar ook negatief – door de nadruk op het ontbreken van een dienstbetrekking – omschreven wordt?
De reikwijdte van deze uitspraak is thans nog niet goed te overzien. Deze uitspraak dwingt tot een bezinning over de onafhankelijkheid en het verschoningsrecht van advocaten in dienstbetrekking. Daartoe zal ik overleg voeren met betrokken partijen als de NOvA, het Verbond van Verzekeraars en het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen. Over de uitkomsten hiervan zal ik u nader informeren.
Kan als gevolg van deze uitspraak een advocaat in dienstbetrekking bij een niet-advocaat nog langer onafhankelijk worden genoemd? Zo ja, waarom? Zo nee, kan een dergelijke advocaat dan nog wel voldoen aan de kernwaarden, zoals die met voorliggend wetsvoorstel over de positie van de advocaat in de rechtsorde (Kamerstuk 32 382) moeten worden verankerd?
Zie antwoord vraag 3.
Subsidies van het Europees Sociaal Fonds (ESF) aan TNT ter waarde van meer dan vier miljoen euro |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is precies de inhoud van een aantal projecten waarvoor subsidie uit het Europees Sociaal Fonds aan TNT is verstrekt, met een totale waarde van boven de vier miljoen euro?1
De desbetreffende projecten maken onderdeel uit van het ESF-programma 2007–2013. Daarbinnen bestaat een specifiek programma-onderdeel ten behoeve van additionele toerusting en bemiddeling van werklozen met een achterstand op of
tot de arbeidsmarkt (ESF-Actie A). Dit betreft in casu de re-integratie van werkzoekende niet-uitkeringsontvangers (nuggers), mensen met een arbeidsbelemmering respectievelijk gedeeltelijk arbeidsgeschikten of wajongeren en werkloze 55-plussers.
Het doel van de projecten van TNT is het aantrekken en begeleiden van met name niet-uitkeringsontvangers (nuggers) naar een betaalde baan als postbezorger. De doelgroep 55+ en gedeeltelijk arbeidsgeschikten betreft personen met een WWB en/of uitkering van het UWV die ofwel rechtstreeks door TNT geworven worden ofwel door de gemeenten of het UWV worden aangedragen. In die zin past dit project binnen het doel van actie A van het ESF programma 2007–2013 te weten het vergroten van duurzame arbeidsinpassing van personen die tot de bovengenoemde doelgroep horen.
De deelnemers worden door TNT geworven en binnen een periode van 4 weken opgeleid om de functie van postbezorger te kunnen uitoefenen.
Het grootste deel van de subsidie wordt aangewend om deze interne training te bekostigen. De opleiding duurt drie dagen in de eerste week waarin de nieuwe postbezorger werkt. In de drie weken daarna wordt een aantal coachingsgesprekken gevoerd.
Bestaat de kans dat de overheid een project subsidieert waarbij vaste krachten worden vervangen door flexwerkers? Kunt u uw antwoord toelichten?
De betreffende projecten hebben tot doel om moeilijk plaatsbare werklozen aan het werk te helpen. Het creëren van mogelijkheden voor deze specifieke groep is van groot belang, zeker in economisch mindere tijden.
Ik heb navraag gedaan bij TNT. Uit die informatie is mij gebleken dat het niet zo is dat vaste krachten worden vervangen door flexwerkers. Specifiek voor TNT geldt dat de ESF-projecten los staan van de reorganisatie. Dat is een bedrijfsinterne aangelegenheid waarbij – door marktontwikkelingen als volumedaling – banen verdwijnen. De nieuwe medewerkers wordt een parttime, maar vaste baan aangeboden op basis van een cao en arbeidsovereenkomst.
Wat is het totaalbedrag aan dergelijke subsidies verstrekt in de afgelopen tien jaar, zowel door de Europese Unie als door Nederland? Kunt u een overzicht geven van alle projecten die subsidie hebben gekregen, met het bedrag en een beschrijving van de inhoud?
De desbetreffende subsidies worden verstrekt in het kader van het ESF-programma 2007–2013, onderdeel Actie A (zie vraag 1). Dit betreffen Europese middelen, die via een nationale subsidieregeling (Subsidieregeling ESF 2007–2013, herzien) worden verstrekt. De ESF-subsidie bedraagt 40% van de projectkosten, de aanvrager moet 60% uit eigen middelen bijdragen.
Dit programma is gestart in 2007. In de jaren 2007 en 2008 konden alleen gemeenten deze subsidie aanvragen. Vanaf het jaar 2009 kunnen ook UWV en sectorale Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fonds) als aanvragers optreden, als zij door de minister van SZW als ESF-aanvrager zijn erkend. Eén van de erkenningsvoorwaarden is dat het een samenwerkingsverband per bedrijfstak of bedrijf moet zijn dat wordt beheerd door vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. De Stichting TNT Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voldoet daaraan.
In 2007 is € 8 369 092 toegekend aan alleen gemeenten. In 2008 is in totaal € 27 220 618 toegekend, eveneens alleen aan gemeenten. In 2009 is € 48 990 793 (aanvraagtijdvak maart) plus € 73 854 751 (aanvraagtijdvak november 2009), in totaal € 122 845 544 toegekend, waarvan € 90 743 047 aan gemeenten, € 18 000 940 aan UWV en € 14 101 557 aan O&O-fondsen. Jaarlijks is een overzicht aan de Tweede Kamer gezonden, met daarin een beschrijving van de programmaonderdelen op hoofdlijnen, met als bijlage een overzicht van alle verleende subsidie per project, inclusief bedragen. Zie hiervoor TK 2007–2008, 26 642, nr. 108 (2007) TK 2008–2009, 26 642, nr. 112 (2008) en TK 2009–2010, 26 642, nr. 113.
Zijn er nog meer subsidies uit het Europees Sociaal Fonds verstrekt aan TNT in de afgelopen tien jaar? Om wat voor bedragen en projecten ging het? Kunt u daar een overzicht van verstrekken?
Onderstaand treft u een overzicht van 5 subsidies die in de afgelopen 10 jaar zijn verstrekt aan TNT in het kader van ESF-programma’s gericht op scholing voor werkenden.
1.
2003
SAP trainingen TNT
€ 273 224
Het ESF3-project «SAP Trainingen TNT bestaat uit verschillende in gebruikerstrainingen (Back Office medewerkers) in het geautomatiseerde ERP-systeem SAP.
2.
2004
TNT Management Traject
€ 1 264 336
Het ESF-3 project «TNT Management Traject» bestaat uit trainingen die zich richten op het scholen en ontwikkelen van het middle management.
3.
2007
TNT Challenge 2007
€ 1 892 105
Binnen dit project bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– zorg en veiligheid
– management en diversity
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
4.
2008
TNT Challenge 2009
€ 2 999 605
Binnen dit project bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– zorg en veiligheid
– management en diversity
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
– vakopleidingen.
Een belangrijk onderdeel is het mobility project van TNT dat erop gericht is medewerkers te laten uitstromen naar andere sectoren en hen hiervoor een passende opleiding aan te bieden om hun kansen op een functie binnen een andere sector te vergroten.
5.
2010
TNT Challenge 2010
€ 2 544 504
Binnen dit programma Challenge 2010 bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– veiligheid
– management
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
– vakopleidingen.
Een belangrijk onderdeel van het project betreft het mobility project van TNT. Dit project is erop gericht medewerkers additionele competenties te laten ontwikkelen, eventueel ook buiten het eigen werkveld.
De kwaliteit van de postbezorging |
|
Afke Schaart (VVD) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Hele wijken zonder post» waarin wordt beweerd dat de postbezorging in Nederland niet naar behoren verloopt?1
Ja.
Is het waar dat hele wijken in Nederland te laat, of helemaal geen post ontvangen?
De media hebben een interne brief van de TNT-manager van area West aan de medewerkers aangehaald waarin wordt vermeld dat er teveel «lopen» blijven staan. Het lijkt mij echter niet correct om op basis van deze brief de conclusie te trekken dat hele wijken te laat of helemaal geen post ontvangen.
OPTA heeft aangegeven een onderzoek naar de kwaliteit van de postbezorging door TNT Post te doen. De resultaten van dit onderzoek dienen te worden afgewacht. Ik heb OPTA verzocht het onderzoek met voortvarendheid op te pakken en mij zo spoedig mogelijk over het resultaat te informeren.
Bent u van mening dat TNT Post zijn taken ten aanzien van zijn verantwoordelijkheid voor de Universele dienstverlening van de postbezorging in Nederland, naar behoren uitvoert? Zo niet, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Gemiddeld 95% van de brieven (gemeten over een kalenderjaar), die worden aangeboden door de consument in de rode/oranje TNT brievenbussen of op de TNT-postvestigingen, dient de volgende dag te worden bezorgd.
TNT Post rapporteert elk jaar aan OPTA over het behaalde percentage van de overkomstduur over het voorafgaande jaar. Voor het vaststellen van het percentage is een methodiek opgesteld welke door een onderzoeksbureau wordt uitgevoerd. Daarbij worden de uitvoering en uitkomsten geaudit door de onafhankelijke accountant PricewaterhouseCoopers.
De post die onder de Universele Dienst valt, is de afgelopen jaren constant tussen 96% en 97% de volgende dag bezorgd. Het door TNT gerapporteerde resultaat over 2009 is 96,4%. Op basis van deze cijfers kan ik op dit moment niet anders concluderen dan dat TNT Post zijn verantwoordelijkheid voor de Universele Dienst naar behoren uitvoert.
Kunt u bevestigen dat de laatste kwaliteitsmeting van postbezorging van vorig jaar dateert?
Indien uit het onderzoek van OPTA zou blijken dat TNT Post niet aan de 95% overkomstduur-verplichting voldoet, dan kan OPTA op basis van de Postwet bepalen of inzet, en zo ja welke, van haar formele bevoegdheden (het geven van bindende aanwijzingen, het toepassen van bestuursdwang of het geven van een bestuurlijke boete) mogelijk en passend is.
Deelt u de mening dat gezien de perikelen rond de reorganisatie van TNT Post een meer recente kwaliteitsmeting wenselijk is?
TNT Post heeft laten weten dat gedurende het hele jaar kwaliteitsmetingen naar de overkomstduur plaatsvinden. De cijfers tot en met augustus liggen volgens TNT Post boven de wettelijke norm.
Zoals aangegeven bij antwoord 2, heeft OPTA aangegeven een onderzoek naar de kwaliteit van de postbezorging te doen. De resultaten van dit onderzoek dienen te worden afgewacht. Ik heb OPTA verzocht het onderzoek met voortvarendheid op te pakken en mij zo spoedig over het resultaat te informeren.
Welke maatregelen zou u kunnen nemen om dergelijke misstanden in de postbezorging tegen te gaan? Bent u voornemens deze maatregelen uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
De mislukte concurrentie in de postsector en de falende postbezorging |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten over de falende postbezorging, onder andere in de gemeenten Den Haag, Rotterdam, Leiden, Gouda, Delft en andere grote steden in de Randstad?1
Naar aanleiding van de berichtgeving heb ik contact opgenomen met TNT Post en OPTA. De reactie is verwerkt in de beantwoording van de verdere vragen.
Kloppen de berichten dat OPTA al sinds vorig jaar onderzoek doet naar de falende postbezorging van TNT? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van dit onderzoek? Als die nog niet bekend zijn, wanneer kunnen wij de resultaten van dit onderzoek verwachten? Welke consequenties verbindt u aan het onderzoek indien mocht blijken dat de norm van 95 procent van de brieven de volgende dag bezorgd, niet gehaald wordt?
OPTA heeft op basis van de Postwet mogelijkheden om de kwaliteit van de postbezorging van de Universele Dienst aan consumenten (8% van de postmarkt) te borgen. Mede omdat consumenten voor de bezorging van hun poststukken aangewezen zijn op de verlener van de Universele Postdienst (zijnde TNT Post), is in de Postwet de kwaliteit voor de Universele Dienst geregeld. Gemiddeld 95% van de brieven (gemeten over een kalenderjaar), die worden aangeboden door de consument in de rode/oranje TNT brievenbussen of op de TNT-postvestigingen, moet de volgende dag worden bezorgd. Dit is de zogenaamde 95% overkomstduur-verplichting. TNT Post rapporteert elk jaar aan OPTA over het behaalde percentage van de overkomstduur over het voorafgaande jaar. OPTA beoordeelt dit percentage. De post die onder de Universele Dienst valt, is de afgelopen jaren constant tussen 96% en 97% de volgende dag bezorgd. Het door TNT gerapporteerde resultaat over 2009 is 96,4%. Voor zakelijke post (dat 92% van de markt betreft) heeft OPTA deze bevoegdheid ten aanzien van de kwaliteit van de postbezorging niet, omdat consumenten hier de mogelijkheid hebben over te stappen naar andere aanbieders. Het is dan dus in het belang van TNT Post zelf om de kwaliteit van postbezorging hoog te houden.
OPTA heeft in november 2009 bevestigd onderzoek te doen naar de postbezorging door TNT Post. Dit onderzoek heeft zich in de eerste maanden van 2010 voornamelijk gericht op het mogelijk door TNT Post niet zorgvuldig behandelen van de post (zoals het onbeheerd achterlaten van postzakken op steunpunten) in het kader van haar plicht ervoor te zorgen dat het briefgeheim niet wordt geschonden. In het kader van dit onderzoek heeft schriftelijke en mondelinge communicatie tussen OPTA en TNT Post plaatsgevonden. In aanvulling op dit onderzoek heeft OPTA op 13 september jl. kritische vragen aan TNT Post gesteld naar aanleiding van het toenemende aantal klachten bij OPTA over problemen met de kwaliteit van de postbezorging.
OPTA heeft aangegeven in het reeds gestarte onderzoek naar de postbezorging door TNT Post het mogelijk door TNT Post niet voldoen aan de 95%-norm voor de Universele Dienst mee te zullen nemen. OPTA doet in beginsel geen uitspraken over lopende onderzoeken, ook niet over de verdere duur van het onderzoek. Ik heb OPTA verzocht het onderzoek met voortvarendheid voort te zetten en mij zo spoedig mogelijk over het resultaat te informeren. Na afronding van het onderzoek moet worden bezien of en welke consequenties eventueel moeten worden verbonden aan de resultaten.
Indien zou blijken dat TNT Post niet aan de 95% overkomstduur-verplichting voor de Universele Dienst voldoet, dan kan OPTA op basis van de Postwet bepalen of inzet, en zo ja welke, van haar formele bevoegdheden (het geven van een bindende aanwijzing, het toepassen van bestuursdwang of het geven van een bestuurlijke boete) mogelijk en passend is.
Was een van de doelen bij de introductie van concurrentie in de postsector niet dat de kwaliteit van de dienstverlening voor de klant erop vooruit zou gaan? Deelt u de mening dat de falende postbezorging het zoveelste bewijs is dat de concurrentie in de postsector is mislukt, na de eerdere berichten over de verhoging van de prijs van de postzegel, werknemers die te maken krijgen met intimidatie op de werkvloer, 15 000 mensen die hun baan dreigen te verliezen en postwerkers die niet eens het minimumloon krijgen?
De openstelling van de postmarkt heeft in de praktijk voor 92% betrekking op de zakelijke post (meer keuze, lagere prijzen en innovatie ten doel). Voor wat betreft deze (zakelijke) post heeft de klant/verzender van de poststukken de mogelijkheid om naar een andere postvervoerder over te stappen. Het lijkt mij dan ook in het belang van TNT Post (en de medewerkers) om zorg te dragen voor een goede kwaliteit in haar postbezorging. OPTA borgt de kwaliteit van postbezorging voor de Universele Dienst aan consumenten.
Zoals ik ook in het AO van 29 juni jl. heb aangegeven, sta ik nog steeds achter de openstelling van de Postmarkt.
Kent u de uitzending «Flitsleningen nog steeds niet aangepakt»?1
Ja.
Is het waar dat er steeds meer mensen in de problemen komen door dit soort leningen, zoals de Nederlandse vereniging voor volkskredieten stelt?
Bij dergelijke kredieten gaat het om vaak kleinere bedragen die voor een korte tijd geleend worden. Problematische schulden zullen daardoor vaak niet alléén door dit soort kredieten ontstaan. Het is echter zeer aannemelijk dat een belangrijk deel van de consumenten die nu gebruik maken van flitskrediet dat doet omdat niet -meer- op een andere manier een krediet kan worden verkregen (bijvoorbeeld doordat -beduidend goedkopere- roodstandmogelijkheden zijn uitgeput). Hoewel de omvang van flitskredieten doorgaans te klein is om alleen door een flitskrediet problematische schulden te veroorzaken, kan flitskrediet juist in schrijnende gevallen de problematiek wel flink verergeren. Een indicatie van de omvang kan worden afgeleid uit het rapport van Research voor beleid over deze markt.2 In de zomer van 2009 is dit rapport van over de flitskredietaanbieders op de Nederlandse markt aan uw Kamer aangeboden inclusief het kabinetsstandpunt. In het rapport is onder andere weergegeven dat het afschrijfpercentage als gevolg van niet inbare leningen 22% is, 16% betaalt te laat terug. Deze gevallen zouden zich dus als probleemgevallen kunnen kwalificeren.Daarom heeft het kabinet er voor gekozen om flitskredieten na de implementatie van de richtlijn consumentenkrediet in Nederlandse wetgeving niet alleen onder financieel toezicht te laten vallen, maar ook de maximum kredietvergoeding hierop van toepassing te verklaren. Deze maximum kredietvergoeding bepaalt de maximale rente en andere kosten die de kredietgever aan de consument mag doorberekenen. Voor de flitskredietaanbieders betekent dit dat de kosten die zij rekenen voor hun kredieten fors naar beneden moeten worden bijgesteld om op de Nederlandse markt te mogen blijven aanbieden. De toepasselijkheid van de Wet op het financieel toezicht betekent dat bijvoorbeeld de reclameregels voor kredieten van toepassing zijn. In het antwoord op de eerdere vragen terzake van de leden Plasterk en Spekman (PvdA), ingezonden 7 september 2010, (vraagnummer 2010Z12350) ben ik ook ingegaan op de gevolgen van het wetsvoorstel voor deze kredieten.
Kunt u achterhalen welke bedrijven, naast DVB Investment Oy, dit soort leningen aanbieden en hoeveel omzet en winst deze bedrijven maken op de Nederlandse markt?
In de zomer van 2009 is een rapport van Research voor beleid over de flitskrediet-aanbieders op de Nederlandse markt aan uw Kamer aangeboden inclusief het kabinetsstandpunt.2 Er waren ten tijde van het onderzoek zes aanbieders (met elk verschillende websites) op de Nederlandse markt actief. In het rapport is de opbrengsten- en kostenopbouw van de op dat moment op de Nederlandse markt aanwezige flitskredietaanbieders weergegeven. De door u genoemde Finse aanbieder was op dat moment nog niet actief op de Nederlandse markt. Overigens was wel een andere Finse aanbieder onderdeel van het onderzoek. Voor een nadere toelichting verwijs ik kortheidshalve naar het genoemde rapport. Over een aanvullend onderzoek naar de flitskredietaanbieders op de Nederlandse markt beschik ik niet. Gezien het feit dat er nog geen vergunningplicht is, en dus geen register van alle aanbieders wordt bijgehouden, kan op dit moment geen overzicht gegeven worden van alle aanbieders. Aangezien de inwerkingtreding van het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn consumentenkrediet ingrijpende gevolgen zal hebben voor de sector, waardoor naar verwachting hun gehele bedrijfsvoering zal moeten worden aangepast, is een aanvullend onderzoek mijns inziens ook niet vereist.
Het aanbieden van beleggingsrekeningen als spaarrekeningen door Het Pensioenfonds voor Werk en Re-Intergratie (PWRI) |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PWRI-fonds zegt te sparen, maar belegt?»1
Ja.
Hoe groot zijn de financiële gevolgen die ontstaan door de verliezen op de beleggingen van het Pensioenfonds voor Werk en Re-integratie voor de wsw’ers die een Arbeidsongeschiktheid Verzekering (AOV) ontvangen?
De deelnemers in de Aanvullende Oudedagsvoorziening, die wordt uitgevoerd door het pensioenfonds Werk en (re-)Integratie, zijn in 2009 voor het eerst geconfronteerd met een negatief rendement (–18,2%).
Dit negatieve rendement is in 2010 voor deelnemers en recent gepensioneerden gevolgd door een rendementstoekenning van 22,2%. Geen van de AOV-uitkeringsgerechtigden is gekort op de uitkering. Er is ook niet gekort op de in het vooruitzicht gestelde uitkering.
Was de Autoriteit Financiële Markten (AFM) eerder op de hoogte van onjuiste informatievoorzieningen door het PWRI-fonds? Zo ja, waarom heeft de AFM dan afgezien van het nemen van maatregelen hiertegen?
Allereerst zij opgemerkt dat de AFM geen toezichtstaak heeft met betrekking tot de AOV-regeling. Deze regeling is aan te merken als een spaarfonds in de zin van de (per 1 januari 2007 vervallen) Pensioen- en spaarfondsenwet (Psw). De Psw bood werkgevers de mogelijkheid om de werknemers pensioen toe te zeggen, of hen de gelegenheid te geven «te sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening» in een spaarfonds (artikel 3, eerste lid van de Psw). Voor zowel pensioenfondsen als spaarfondsen gold op grond van artikel 9b van de Psw dat de ingelegde premies konden worden belegd.
De mogelijkheid van een dergelijk spaarfonds is sinds de inwerkingtreding van de Pensioenwet komen te vervallen. Bij de vervanging van de Psw door de Pensioenwet is geregeld (artikel 5 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet) dat bestaande spaarfondsen – waaronder dus de AOV-regeling – mogen blijven bestaan, en dat daar met ingang van 1 januari 2008 geen premies meer mogen worden ingelegd.
Het pensioenfonds voert de AOV-regeling uit naast de «gewone» pensioenregeling van het fonds. Het toezicht op deze activiteit van het pensioenfonds ligt, nu het in feite de uitvoering betreft van een spaarfondsregeling, geheel bij DNB en vindt plaats op basis van de oude pensioenwetgeving.
Het fonds heeft de deelnemers aan de AOV-regeling eind 2009, voorafgaand aan de media-aandacht, een brief gestuurd waarin het negatieve rendement van 2009 werd gecommuniceerd. Voorts hebben zij in april 2010 wederom uitleg van het fonds ontvangen hoe de regeling werkt en dat er geen sprake is van een gegarandeerd rendement maar van beleggen. In juli 2010 is er in Flits, de nieuwsbrief van het pensioenfonds, een artikel opgenomen over de AOV-regeling en het negatieve rendement van 2009. Het reglement van de AOV-regeling zal in november 2010 worden aangepast, onder andere voor wat betreft de term «sparen». Die blijkt namelijk verwarring op te roepen.
Bij DNB (en AFM) zijn naar aanleiding van het negatieve rendement over 2009 drie klachten binnengekomen over de AOV-regeling. De klachten zijn betrokken in het lopend toezicht. Over eventuele handhavende maatregelen kan ik geen mededeling doen, omdat deze informatie vertrouwelijk is.
Gaat de AFM de klachten over het PWRI-fonds verder onderzoeken om eventueel passende maatregelen te treffen? Zo nee, bent u bereid de AFM hiertoe te verzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier vindt u dat de huidige gedupeerden worden geholpen door de mogelijkheid van de AFM om sancties op te leggen aan de pensioenfondsen als er een overtreding wordt geconstateerd?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er bij u andere situaties bekend waarbij beleggingsrekeningen door pensioenfondsen ten onrechte als spaarrekeningen worden aangemerkt?
Nee.
Vindt u dat de huidige wet- en regelgeving voldoende waarborgen biedt om zulke onjuiste informatievoorziening in de toekomst te voorkomen? Zo nee, welke maatregelen bent u bereid te nemen zodat deze situatie voortaan toch voorkomen kan worden?
De vigerende wetgeving op het terrein van aanvullend pensioen, de Pensioenwet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, bevatten uitgebreide informatiebepalingen. Mocht dat niet afdoende blijken te zijn, kan dat worden meegenomen in bijvoorbeeld de evaluatie van de pensioenwet.
Het opleggen van een boete door de Nederlandse Mededingingsautoriteit aan de Landelijke Huisartsen Vereniging |
|
Henk van Gerven , Renske Leijten , Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat was uw gedachte bij het horen van het nieuws dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) een boete van 51 000 euro heeft opgelegd aan de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) omdat de zegels van een deur zijn verbroken?1
Ik heb kennis genomen van het betreffende besluit van de NMa.
Kunt u zich de woede van de LHV voorstellen dat, doordat een bewaker van een extern beveiligingsbedrijf per ongeluk s nachts het zegel heeft verbroken hetgeen ook is toegegeven zij toch een dergelijke boete krijgt opgelegd? Zijn hier niet de grenzen van redelijkheid en billijkheid overschreden? Zo nee, waarom niet?
De NMa verzegelt ruimtes wanneer een onderzoek op locatie, waarbij gezocht wordt naar bewijs van een overtreding van de Mededingingswet, nog niet is afgerond. Op deze wijze kan het onderzoek op een later moment worden voortgezet zonder risico op verlies of beschadiging van het in de verzegelde ruimte aanwezige onderzoeksmateriaal. Bij het aanbrengen van een zegel benadrukt de NMa altijd dat het intact houden van een zegel de verantwoordelijkheid is van de onderzochte organisatie. De reden hiervoor is dat zij als enige in staat is om de hiertoe geëigende waarborgen te treffen, zoals het afsluiten van kamers.Door verbreking van een verzegeling heeft de NMa geen zekerheid meer dat het in de verzegelde ruimte aanwezige bewijsmateriaal niet is gemanipuleerd of verwijderd. Als in een bepaald geval blijkt dat een verzegeling is verbroken, kan de betreffende organisatie daarop aangesproken worden, omdat het haar verantwoordelijkheid is om te waarborgen dat de verzegeling intact blijft.
Hoe kijkt u aan tegen de signalering van de LHV dat, als de medewerkers van de NMa een uur hadden overgewerkt, de losse papieren in de ruimte hadden kunnen worden weggewerkt, waardoor had kunnen worden volstaan met de verzegeling van twee kasten en twee ladeblokken, waardoor de verzegeling van de gehele ruimte overbodig was geworden (waardoor de risicos vrijwel uitgesloten zouden zijn)?2 Hoe beoordeelt u de werkopvatting van de NMa om met acht man sterk om 18.00 uur het pand te verlaten en niet te willen overwerken, teneinde de risicos voor de LHV te beperken?
Het besluit van de NMa in deze zaak is inmiddels gepubliceerd op de website van de NMa. Uit het besluit blijkt onder meer dat de NMa na 18.00 uur nog vier uur had moeten doorwerken om het onderzoek op locatie af te ronden en dat de NMa met instemming van de LHV de ruimte heeft verzegeld. Daarbij heeft de NMa meegedeeld dat het verstandig zou zijn om de schoonmaakdiensten en de beveiliging te informeren over de risico’s omtrent het verbreken van de verzegeling.
Bent u bereid uw invloed aan te wenden om deze boete, die uiteindelijk weer opgebracht wordt door premiegelden van de Nederlandse burger, van tafel te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Het betreft hier een individuele zaak, waarin de NMa als onafhankelijke toezichthouder de discretionaire bevoegdheid heeft om ruimtes te verzegelen en om een boete op te leggen wanneer een verzegeling verbroken is.
Het is aan de betrokken partij om bij de NMa in bezwaar te gaan tegen de boete, danwel de bezwaarprocedure over te slaan en direct in beroep te gaan bij de rechter. Uiteindelijk is het aan de rechter om, aan de hand van de omstandigheden van het geval, te oordelen over de grondslag van het door de NMa genomen besluit alsook de hoogte van de daarbij opgelegde boete. Op geen enkel moment is daarbij een rol weggelegd voor de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Economische Zaken.
Vindt u het optreden van de NMa in het algemeen een bijdrage leveren aan de verbetering van de (huisartsen)zorg? In hoeverre acht u de kans aanwezig dat de NMa met haar optreden het paard achter de wagen spant, omdat huisartsen de lust zal ontgaan te ondernemen omdat de NMa op de loer ligt?
Het optreden van de NMa levert een bijdrage aan de verbetering van (huisartsen)zorg, omdat de NMa bewaakt dat patiënten niet worden belemmerd in hun vrijheid om zelf een huisarts te kiezen. Een dergelijke belemmering vermindert namelijk de prikkel voor huisartsen om zich positief van elkaar te onderscheiden. Omdat huisartsen zich voornamelijk kunnen onderscheiden op het gebied van kwaliteit van het aanbod (medisch inhoudelijk, maar ook op serviceaspecten zoals ruimere openingstijden), zal een gebrek aan prikkels om zich positief te onderscheiden vooral de verbetering van de kwaliteit en het doorvoeren van innovaties in de huisartsenzorg belemmeren.
De Mededingingswet en het toezicht daarop door de NMa staan niet in de weg aan (innovatief) ondernemerschap. Enkel afspraken tussen huisartsen die de concurrentie belemmeren en waar geen voordelen voor de patiënt tegenover staan die daar tegen op wegen, zijn op grond van de Mededingingswet verboden. Onder goed ondernemerschap verstaan wij dan ook niet het onderling belemmeren van toetreding voor nieuwe huisartsen of het maken van prijsafspraken. Dit gaat ten koste van (de keuzevrijheid van) de patiënt.
Wat is uw oordeel over het standpunt van de LHV en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) dat de Mededingingswet niet van toepassing moet worden verklaard op de huisartsenzorg, omdat concurrentie tussen huisartsen schadelijke effecten heeft?3 Bent u bereid te onderzoeken welke positieve en negatieve effecten marktwerking in de huisartsenzorg met zich meebrengt om op basis daarvan een afweging te maken? Zo ja, bent u bereid een dergelijk onderzoek uit te besteden aan een daartoe deskundig en geheel onafhankelijke onderzoeksorganisatie?
De afweging waar naar gevraagd wordt is al gemaakt in de Zorgverzekeringswet, waarin ruimte wordt gemaakt voor vraaggestuurde zorg. Dit is onder meer gebeurd door afschaffing van de contracteerplicht, de vervanging van de puntstarieven en de invoering van financiële risico’s in de beroepsuitoefening. Waar de overheid kiest voor meer ruimte voor (gereguleerde) marktwerking en ondernemerschap in de zorg, is de Mededingingswet er om die ruimte te beschermen. Het daarmee nagestreefde doel van het overheidsbeleid in de huisartsensector is hogere kwaliteit, meer keuzevrijheid en betere beheersbaarheid van de kosten. Deze doelen worden in gevaar gebracht als de vrije ruimte voor concurrentie door huisartsen weer wordt ingeperkt. Op dit moment onderzoekt de NMa of daarvan binnen de huisartsensector sprake is.
De effectiviteit van besteding van belastinggeld door btw-verlaging in de bouw |
|
Wouter Koolmees (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de analyse van de steunmaatregelen in de bouw?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de analyse van de steunmaatregelen in de bouw van ABN AMRO. ABN AMRO becijfert dat de impuls van de tijdelijke btw-verlaging circa 330 miljoen euro bedraagt. Daarbovenop komt nog een inhaalslag van uitgestelde verbouwingen, die door de btw-verlaging alsnog doorgang vinden. In totaal schat ABN AMRO de impuls in op 845 miljoen euro. Het algemene beeld dat ABN AMRO schetst bevestigt mijn conclusie dat het verlagen van het btw-tarief op arbeidskosten bij renovatie en herstel van woningen zorg kan dragen voor een tijdelijke extra vraag, productie en werkgelegenheid in de bouwsector. Dat is ook wat het kabinet beoogd heeft met deze stimuleringsmaatregel en is in lijn met de wens van de Tweede Kamer.2 Verder verwacht ABN AMRO dat door de stimuleringsmaatregelen van de overheid de woningverkopen licht zullen stijgen. Daarbij verwijst ABN AMRO naar het verlengen van de verhoging van de Nationale Hypotheek Garantie en het verlengen van de periode van dubbele hypotheekrenteaftrek tot eind 2012. In een woningmarkt die zo onder druk staat, is dit goed nieuws. Het EIB voert momenteel een onderzoek uit naar de daadwerkelijke effecten van diverse stimuleringsmaatregelen.
Heeft u kennisgenomen van de verschillende schattingen van de opbrengsten van de btw-maatregel?2 Kan u aangeven wat uw eigen schatting is van de effecten? Kunt u daarbij ingaan op mogelijke concurrentie-effecten op andere sectoren, daar het hier een geïsoleerde maatregel betreft?
Van het artikel in het Financieele Dagblad heb ik kennisgenomen. In het artikel becijfert ABN AMRO de omvang van de toename van opdrachten als gevolg van de tijdelijke btw-verlaging op arbeidskosten bij renovatie en herstel van woningen op 8504 miljoen euro.
Bouwend Nederland daarentegen rekent op een toename van 6 miljard euro. Bouwend Nederland baseert zich hierbij op een rapport van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB).5 In dit rapport brengt het EIB de effecten van verschillende steunmaatregelen in kaart die in augustus 2009 ter discussie stonden. De maatregelen die het kabinet in de brief van 30 augustus jl. heeft aangekondigd6 wijken overigens op bepaalde punten af van het pakket dat het EIB heeft doorgerekend in het rapport.
Het kabinet heeft ervoor gekozen om onder meer de bouwsector te ondersteunen, omdat juist in deze sector het economisch herstel nog zeer wankel is en deze sector van groot belang is voor de werkgelegenheid en de economie. De bouw is een sector waar de gevolgen van de crisis relatief laat voelbaar zijn geworden, maar die relatief hard is geraakt, en waar de gevolgen van het inzakken van de productie jaren voelbaar zullen blijven. Stabilisatie van de bouwsector en de woningmarkt kan een belangrijke bijdrage leveren aan het bredere economische herstel, de werkgelegenheid en het vermijden van toekomstige krapte op de woningmarkt. Het geïsoleerde effect van de btw-verlaging kan vooraf niet exact worden bepaald.
Bent u van mening dat hier sprake is van effectief en efficiënt besteden van belastinggeld?
Zoals het kabinet in de hiervoor aangehaalde brief van 30 augustus jl. heeft opgemerkt, beoogt het pakket aan tijdelijke maatregelen de woningmarkt een impuls te geven, mede vanwege de omzetdaling in de bouwsector en de gevolgen daarvan voor de economie en de werkgelegenheid. Juist bij de btw-verlaging gaat het om een tijdelijke stimulans die net als de overige fiscale maatregelen snel en gericht ingevoerd kan worden. Daar komt bij dat de branche op aandringen van het kabinet heeft toegezegd zich bij de leden ervoor te zullen inzetten dat het voordeel wordt doorberekend aan de consument. Het kabinet gaat er dan ook vanuit dat de maatregel zijn effect niet zal missen.
Hoe effectief en efficiënt de maatregel uiteindelijk zal blijken te zijn is iets om na afloop van de maatregel te bezien. De door ABN AMRO en EIB geschetste positieve effecten van de stimuleringsmaatregelen zijn slechts hun verwachtingen en betreffen niet daadwerkelijk gemeten effecten van het pakket aan maatregelen.
Herinnert u zich de toezegging om de effectiviteit van stimuleringsmaatregelen in kaart te laten brengen door het CPB?3 Wanneer kunnen wij de evaluatie over de maatregelen op de woningmarkt verwachten?
Ja. De Minister voor WWI heeft het EIB opdracht gegeven de effecten van diverse maatregelen met betrekking tot de woningbouw te onderzoeken. Het onderzoek is inmiddels van start gegaan. Om de effecten van de maatregelen zo goed mogelijk te kunnen onderzoeken, is het noodzakelijk een relatief lange onderzoeksperiode in acht te nemen, mede omdat de maatregelen nog lopen. In de loop van 2011 zal de eindrapportage naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de Algemene Financiële Beschouwingen?
Ja.
Uitbuiting door toeleveranciers van C&A en H&M |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Joël Voordewind (CU), Sjoera Dikkers (PvdA), Bruno Braakhuis (GL), Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen, «Indiase textielarbeidsters uitgebuit voor C&A en H&M»?, «Gevangen tussen fabrieksmuren voor bruidsschat»? en «Betaalde inspecteur is niet te kritisch»?1
Ja.
Deelt u de mening van de Speciale Vertegenwoordiger van de Verenigde Naties voor Mensenrechten en het Bedrijfsleven John Ruggie2, dat bedrijven eerst maximaal hun invloed moeten aanwenden om de schending van mensenrechten bij een leverancier ongedaan te maken alvorens de relatie te verbreken?
Wij kunnen ons goed vinden in de visie van de Speciale Vertegenwoordiger dat bedrijven verantwoordelijkheden hebben om mensenrechten te eerbiedigen. Als bedrijven betrokken raken bij een mensenrechtenschending in een zakelijke relatie, dan zou een bedrijf moeten bezien hoe het vanuit de relatie invloed kan uitoefenen om de schending te beëindigen en de schade te herstellen. Beëindiging van de relatie -waartoe overigens geen verplichting bestaat- kan aan de orde zijn als een verbetertraject niet heeft gebaat. Het is aan het bedrijf deze inschatting te maken.
Welke conclusies verbindt u aan berichten dat het bedrijf KPR Mills is gecertificeerd door Social Accountability 8 000, maar dat de grootscheepse schending van arbeidsrechten bij dit bedrijf blijkbaar gewoon door gaat? Zou een kritischer toetsing van dit door «inspecties» gewenst zijn? Zo ja, welke gevolgen zou dit kunnen hebben voor het Nederlandse beleid op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen?
Het certificaat SA8000 wordt uitgegeven onder de vlag van het multistakeholder initiatief Social Accountability International (SAI). SAI heeft ervoor gekozen om te werken met de private Social Accountability Accreditation Service (SAAS), die onder meer Social Accountability 8 000 accrediteert. Certificaten uitgegeven door organisaties in de private sector, zoals het certificaat SA8000, zijn bedoeld om afnemers te informeren over relevante aspecten van de bedrijfsvoering van de leverancier. De acceptatie van deze certificaten onder het toezicht van SAAS vloeit voort uit een acceptatie van dit systeem door de belanghebbende partijen en derhalve ook uit een zelfreinigend vermogen binnen dat systeem. Dit betekent dat de bij SAI aangesloten stakeholders en belanghebbende partijen het SAAS aan kunnen spreken op zaken die de SA8000 accreditatie betreffen. Wij zien hierbij geen rol voor de overheid.
Bent u bereid met C&A en H&M in gesprek te gaan over hun verantwoordelijkheid om zich maximaal in te zetten voor verbetering van de situatie bij KPR Mills, wat bovendien in lijn is met de door de bedrijven zelf opgestelde gedragscodes?
Zoals bekend hecht de Nederlandse regering sterk aan de naleving door Nederlandse bedrijven in het buitenland van de normen zoals vastgelegd in de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen. De nieuwsberichten vormden aanleiding om in gesprek te gaan met de genoemde bedrijven C&A en H&M. Uit gesprekken met deze bedrijven is ons gebleken dat zij zich inzetten om goede arbeidsomstandigheden bij hun Indiase toeleveranciers te bewerkstelligen. Hierbij betrekken zij een brede groep belanghebbenden, waaronder lokale NGO’s en brancheorganisaties en de Indiase overheid.
C&A heeft aangegeven, in tegenstelling tot de indruk die in het genoemde artikel wordt gewekt, geen contractuele relatie met KPR Mills te hebben. Tot 2007 heeft C&A wel met KPR Mills samengewerkt, maar volgens C&A is deze relatie verbroken toen bleek dat KPR Mills onvoldoende medewerking wilde geven aan gezamenlijke verbetertrajecten van de arbeidsomstandigheden. Medio 2010 ontving C&A het verzoek van een Duitse tussenpersoon om het Indiase bedrijf Quantum Knits toe te voegen aan hun lijst van leveranciers. Bij nader onderzoek door C&A bleek Quantum Knits een dochter te zijn van KPR Mills. Daarop heeft C&A de tussenpersoon laten weten samenwerking met Quantum Knits niet goed te keuren. De tussenpersoon had echter alvast een technisch evaluatieproces in gang gezet en zogeheten «colour and size samples» aangevraagd. Deze monsters zijn geproduceerd in KPR Mills en de Volkskrant journalist heeft waarschijnlijk een voorbeeld hiervan gezien tijdens haar bezoek aan KPR Mills. Er is volgens C&A echter geen sprake geweest van een opdracht of order.
H&M heeft aangegeven in het verleden negatieve ervaringen met KPR Mills te hebben gehad en heeft naar aanleiding daarvan geen zakelijke relatie. Echter, medio 2010 heeft Quantum Knits, dochterbedrijf van KPR Mills, H&M benaderd en daarbij aangegeven te kunnen voldoen aan de gedragscode van H&M. Na controle bleek er volgens H&M geen reden te zijn om niet samen te werken met Quantum Knits en is een eerste testorder geplaatst. De artikelen over de slechte arbeidsomstandigheden in KPR Mills waren voor H&M een belangrijk signaal om een diepgaander onderzoek uit te voeren naar de mate waarin Quantum knits, als dochter van KPR Mills, zich aan de H&M gedragscode houdt en aan te dringen bij KPR Mills op gezamenlijke verbetertrajecten. H&M stuurde volgens eigen zeggen hierbij aan op breed gedragen initiatieven in dialoog met het management van KPR Mills, de werkneemsters en lokale NGOs. Het management van KPR Mills bleek echter niet bereid om voldoende informatie te delen en samen te werken, waardoor de vertrouwensrelatie tussen beide dermate werd aangetast dat beide kanten zich genoodzaakt zagen om de relatie op te zeggen.
Gegeven de relatie tussen KPR Mills en beide bedrijven en de gerapporteerde inspanningen, hebben laatstgenoemden naar onze mening met de nodige inzet getracht hun invloed bij de leverancier aan te wenden om de situatie te verbeteren. Daarnaast werken beide bedrijven aan verbeteringen in de arbeidsomstandigheden in de textielsector in zuid India. Voorbeelden hiervan zijn de structurele samenwerking van C&A met Terre des Hommes, de actieve rol van H&M in de Brands Ethical Working Group gericht op dialoog en acties om arbeidsomstandigheden te verbeteren, verschillende trainingprojecten en overleg met de Apparel Export Promotion Council over arbeidsomstandigheden in de Indiase textielindustrie.
Geeft de Nederlandse overheid steun of verleent zij diensten aan C&A en H&M? Zo ja, bent u bereid om toe te zien op de inzet om de situatie bij de leveranciers te verbeteren?
De overheid geeft geen subsidies en verleent geen diensten aan C&A en H&M op basis waarvan zij in de positie is om toe te zien op het MVO -beleid van genoemde bedrijven.
Wordt de door uw kabinet aan de Kamer toegezegde lijst van risicoproducten en risicolanden al in de praktijk toegepast? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke ervaringen zijn hiermee opgedaan?
Bij vergelijking van het rapport van het Amerikaanse International Labour Affairs Bureau (ILAB) met invoerstatistieken van het CBS is gebleken dat het rapport niet simpelweg kan worden gelezen als een lijst van landen en producten waarin de kans op kinder- of dwangarbeid relatief groot is. Het brengt internationale documenten over kinderarbeid en dwangarbeid bijeen, ingedeeld naar landen en sectoren.
Dit neemt niet weg dat het product/land -overzicht van het rapport, vooral in samenhang met een andere jaarlijks ILAB-rapport, de zogenaamde «Findings on the Worst Forms of Child Labour» 3, wel nuttig kan zijn vanwege de uitgebreide referenties daarin, onder meer naar programma's van lokale overheden en NGO’s voor aanpak van kinderarbeid waar bedrijven bij kunnen aansluiten. Daarbij moet wel rekening gehouden worden met de zeer brede indeling in de land- en productcategorieën die niet vergelijkbaar is met de veel productspecifiekere indeling van de CBS statistieken. Zoals ook de opstellers van het Amerikaanse rapport aangeven, is het door incompleetheid van gerapporteerde informatie lastig om het relatieve risico op kinderarbeid in de categorieën vast te stellen4. Over gebruik van het ILAB rapport geeft de U.S. Secretary of Labour in haar voorwoord het volgende aan: «It is my strong hope that consumers, firms, governments, labor unions and other stakeholders will use this information to translate their economic power into a force for good that ultimately will eliminate exploitive child labor and forced labor.»5Vanwege de omvang van de investeringen in het Amerikaanse onderzoek en de toepasbaarheid van het rapport voor de Nederlandse context ligt het niet in de bedoeling om als Nederlandse overheid een vergelijkbare uitgebreide databank te onderhouden. Nederland pleit evenwel voor het opzetten van een centrale informatiebron voor kinderarbeid door de Europese Commissie die relevant en bruikbaar is voor Europese bedrijven, in goede samenwerking met het Amerikaanse ILAB. In de conclusies van de Europese Raad van 14 juli 2010 is hierover een eerste aanzet opgenomen6.
Het rapport van het Amerikaanse International Labour Affairs Bureau (ILAB) met landenprofielen en een uitgebreide literatuurbeschrijving is beschikbaar gesteld via de internetsite van de Rijksoverheid, het Agentschap NL in aansluiting op de bestaande landentoolkits MVO7 en via de OESO Richtlijnen navigator site8. De Nederlandse ambassades en consulaten-generaal zijn gewezen op de gebruikswaarde van het Amerikaanse rapport als informatiebron over de situatie ten aanzien van kinderarbeid in het betreffende land.
Ziet u mogelijkheden om deze lijst aan te vullen met de kledingindustriesector? Ziet u mogelijkheden om de risicolijst in de nabije toekomst aan te vullen met alle fundamentele arbeidsrechten, naast uitsluiting van kinderarbeid?
De kledingindustriesector komt al voor op de lijst van het Amerikaanse International Labour Affairs Bureau. De Amerikaanse wetgeving waaronder ILAB deze twee rapporten publiceert, betreft uitsluitend kinderarbeid en gedwongen arbeid. De International Labour Organisation vormt hiernaast de aangewezen internationale informatiebron voor de naleving van alle fundamentele arbeidsrechten.
Bent u bereid met de Nederlandse kledingbranche in gesprek te gaan over hun verantwoordelijkheid voor het naleven van mensen- en arbeidsrechten in «risicolanden» als India, Bangladesh en China?
De Nederlandse overheid spreekt regelmatig met de brancheorganisaties uit de textielsector over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in de internationale keten. De sector geeft aan zich bewust te zijn van zijn verantwoordelijkheden en beseft het belang van transparantie en de noodzaak om waar mogelijk bij te dragen aan verbeteringen in de arbeidsomstandigheden bij de toeleveranciers. Tegelijkertijd geeft de sector aan dat de specifieke invulling van deze verantwoordelijkheid een continu verbeterproces is en dat garanties op het zich niet voordoen van onvolkomenheden in de keten niet kunnen worden gegeven. De brancheorganisaties hebben aangegeven graag het reguliere contact met de overheid hierover voort te zetten en waar mogelijk samen te werken. Wij zijn bereid hierop in te gaan.
In dit kader vinden wij het raamwerk van de Speciale Vertegenwoordiger van de Verenigde Naties voor Mensenrechten en het Bedrijfsleven (John Ruggie) een goede referentie voor internationaal opererende bedrijven. Hij stelt dat bedrijven een verantwoordelijkheid hebben om de mensenrechten te respecteren en de risico’s in de handelsketen te onderzoeken en het bedrijfsproces zo in te richten dat deze risico’s verminderen. In dit licht heeft John Ruggie in zijn rapport van augustus 2010 aangegeven dat bedrijven meer invloed in de handelsketen hebben, indien zij samen met andere bedrijven invloed op de toeleverancier proberen uit te oefenen. Dit is een optie die de textielsector verder kan exploreren.
Bent u van mening dat bedrijven die in landen opereren waar het risico op schending van mensen- en arbeidsrechten groot is, zouden moeten rapporteren over hoe zij het mogelijk schenden van mensenrechten vermijden en bestrijden?
In het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen verwachten wij van bedrijven dat zij transparant zijn over de wijze waarop zij de schending van mensen- en arbeidsrechten zoveel mogelijk voorkomen.
Zijn de regelmatig verschijnende rapporten over schending van arbeidsrechten in India met betrokkenheid van Nederlandse bedrijven voor de regering een reden deze ook in het kader van het Nederlandse MVO-diplomatie met India te bespreken en zo mogelijk samen aan oplossingen te werken?
Maatschappelijk verantwoord ondernemen is een belangrijk aandachtpunt in de economische samenwerking met India en van de ambassade in New Delhi. Zo initieert de ambassade bijeenkomsten voor Nederlandse en Indiase bedrijven, werkgevers- en werknemersorganisaties en lokale maatschappelijke organisaties en stimuleert de ambassade het bedrijfsleven om zelfstandig het thema MVO op te pakken. Tijdens economische missies wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan MVO, onder meer tijdens informatiebijeenkomsten en door het laten zien van goede voorbeelden van bedrijven.
Met het Indiase ministerie van Corporate Affairs wordt gewerkt aan een intentieverklaring voor samenwerking op het gebied van «Corporate Governance en Corporate Social Responsibility». Deze MVO-samenwerking zal zich richten op het ondersteunen van bedrijven om hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen binnen de zakelijke relaties tussen India en Nederland door middel van uitwisseling van expertise en ervaringen. De manier waarop MVO gerelateerde zaken kunnen worden opgepakt binnen deze samenwerking zal afhangen van de verschillende betrokkenen, zoals het Nederlandse en Indiase bedrijfsleven, de Indiase overheid en maatschappelijke organisaties.
Het invoeren van een meldplicht voor datalekken |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Creditcardgegevens dj Armin van Buuren gestolen»?1 Wat vindt u er van dat het slachtoffer door de onderzoekers moest worden ingelicht en dat de financiële instelling die de creditcard heeft versterkt dat kennelijk nog niet gedaan had?
Ja, ik ken het bericht. De precieze feiten en omstandigheden van dit geval zijn mij evenwel niet bekend. In het algemeen geldt dat de eerste verantwoordelijkheid voor het inlichten over datalekken ligt bij de gegevensbeheerder.
Deelt u de mening dat de klant altijd geïnformeerd zou moeten worden over het feit dat zijn of haar persoonsgegevens zijn gestolen door het bedrijf dat deze gegevens beheert? Wanneer denkt u de door u toegezegde meldplicht voor datalekken in te kunnen voeren?2en3
Ik ben van oordeel dat alle verantwoordelijkenvoor de verwerking van persoonsgegevens, waaronder ook bedrijven zoals financiële instellingen, hun wettelijke verplichting tot het treffen van technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of onrechtmatige verwerking dienen na te komen. Ik ben ook van oordeel dat een expliciete wettelijke verplichting voor hen om in ieder geval de betrokkenen en mogelijk ook de toezichthouder in te lichten over de door hen geconstateerde inbreuken op deze beveiligingsmaatregelen, een nuttige ondersteuning van de door de beveiligingsverplichting beschermde belangen betekent.
Ik streef ernaar de door mij reeds in het algemeen overleg met de vaste kamercommissie voor Justitie op 3 februari 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 31 051, nr. 7) toegezegde wettelijke verankering van deze aanvullende verplichting in de Wet bescherming persoonsgegevens volgend jaar aan de Kamer voor te leggen. De wijze waarop de meldplicht voor geconstateerde doorbraken van de beveiliging van persoonsgegevens moet worden vormgegeven, zal nog nader moeten worden bepaald.
Dit laat onverlet dat een invoering van een specifieke meldplicht voor inbreuken op de beveiliging van persoonsgegevens in de elektronische communicatiesector, neergelegd in richtlijn nr. 2009/136/EG, door Nederland naar verwachting in mei volgend jaar zal worden geïmplementeerd.
De wijziging van de Telecommunicatiewet die daarvoor nodig is, zal nog dit najaar aan uw Kamer worden aangeboden. Het is inderdaad zo dat deze wijziging van de Telecommunicatiewet alleen betrekking heeft op beveiligingsinbreuken die gepaard gaan met verlies van persoonsgegevens door de invoering van een meldplicht die alleen geldt voor aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten. Dat vloeit voort uit de beperking van de reikwijdte van de hierboven bedoelde richtlijn.
Deelt u de mening dat een breed geldende meldplicht ook zal bevorderen dat bedrijven dergelijke gevoelige gegevens nog beter zullen beveiligen?
Een breed geldende meldplicht is geen garantie voor een betere beveiliging, maar kan de optimalisering van beveiliging wel stimuleren. Dit neemt niet weg dat instellingen, organisaties en bedrijven die gevoelige gegevens beheren, los van welke eventuele meldplicht ook, gehouden zijn hun systemen tegen inbreuken van buitenaf adequaat te beveiligen.
Op welke wijze zal de meldplicht voor datalekken voor de overheid en voor de private sector worden geregeld? Bent u inmiddels nagegaan «of er aanvullende wetgeving nodig is of convenanten of een combinatie daarvan»?2
De wijze waarop de meldplicht voor geconstateerde doorbraken van de beveiliging van persoonsgegevens moet worden vormgegeven, zal nog nader moeten worden bepaald. Overleg met het bedrijfsleven, het College bescherming persoonsgegevens en de Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit zal daarvoor ook noodzakelijk zijn.
Is het waar dat de aangekondigde wijziging van de Telecommunicatiewet slechts regelt dat er een meldplicht gaat gelden voor de Internet Service Providers? Deelt u de mening dat in geval van verlies van persoonsgegevens uit datasystemen deze meldplicht ook zou moeten gelden voor bedrijven (zoals financiële instellingen) die persoonsgegevens beheren? Zo nee, waarom neet? In welke wet zou dat kunnen worden geregeld en op welke wijze?
Zie antwoord vraag 2.