Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Het bericht 'Ook sportclubs openen jacht op gulle gever' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook sportclubs openen jacht op gulle gever»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een sportvereniging evengoed een goede bestemming is voor een gift als een gift aan een Goed Doel of culturele instelling?
Ja, sportverenigingen zijn een goede bestemming voor een gift. Zij brengen mensen samen, bevorderen de gezondheid en versterken de sociale cohesie van de samenleving.
Hoe duidt u dat sportverenigingen ondanks de grote geefbereidheid onder Nederlandse huishoudens nauwelijks van die geefbereidheid profiteren?
De Staatssecretaris van Financiën en ik herkennen dit beeld. Dit vloeit voort uit de voorkeur die gevers voor een maatschappelijk thema hebben. Uit het onderzoek Geven in Nederland 2024 blijkt dat elke geefbron zijn eigen voorkeur voor een maatschappelijk terrein heeft. Zo geven huishoudens relatief veel aan religie en levensbeschouwing, gezondheid en internationale hulp en bedrijven relatief veel aan sport en recreatie.2 Van het totaalbedrag € 485 miljoen aan giften aan sport en recreatie in 2022 was € 354 miljoen afkomstig van bedrijven en € 42 miljoen afkomstig van huishoudens en € 90 miljoen afkomstig van andere bronnen.3 Daarnaast kan worden gewezen op vrijwilligers – een bijdrage in tijd van huishoudens – die belangrijk zijn voor onder meer sportverenigingen.
Deelt u de mening dat hogere giftinkomsten van sportverenigingen een bijdrage kunnen leveren aan het kabinetsdoel om te bouwen aan de gezondste generatie ooit?
Sportverenigingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het realiseren van de gezondste generatie ooit. Meer financiële middelen stellen verenigingen in staat om meer en kwalitatief beter sportaanbod te organiseren. Hogere giftinkomsten zouden hier een bijdrage aan kunnen leveren.
Kunt u reflecteren op de vraag of het hebben van een ANBI-status en de daarmee samenhangende regeling waardoor een gewone gift aan een ANBI-instelling in tegenstelling tot een gewone gift aan een sportvereniging bij de inkomstenbelasting aftrekbaar is, bevorderlijk is voor het ontvangen van giften uit de samenleving?
Het doel van de giftenaftrek is het bevorderen van schenkingen aan instellingen die bijdragen aan het algemeen nut. Een gift komt in beginsel in aanmerking voor de giftenaftrek als deze is gedaan aan een ANBI of een steunstichting sociaal belang behartigende instelling (steunstichting SBBI). Verenigingen, zoals sportverenigingen, muziekverenigingen en buurtverenigingen, zijn doorgaans geen ANBI, omdat zij in eerste instantie het eigen, particuliere belang van de leden van die vereniging behartigen. Het ontbreken van de ANBI-status staat er echter niet aan in de weg een aftrekbare gift te doen aan een vereniging: periodieke giften aan verenigingen zijn namelijk wel aftrekbaar.
Beschikt u over cijfers over het gebruik van de regeling waarmee periodieke giften aan verenigingen en in het bijzonder sportverenigingen aftrekbaar zijn in de aangifte inkomstenbelasting, en zo ja, kunt u cijfers delen over het gebruik van de regeling voor periodieke giften aan verenigingen in de afgelopen vijf jaar, met daarin een uitsplitsing naar sportverenigingen?
Onderstaand vindt u de gegevens uit belastingaangiften over de jaren 2019 tot en met 2023 van periodieke giften die aan verenigingen, dus geen (culturele) ANBI’s, zijn gedaan (links). Rechts staan de aantallen en bedragen van deze giften die specifiek aan sportverenigingen zijn gedaan. Uit de tabel blijkt dat in 2023 in totaal € 38,5 miljoen periodieke giften aan verenigingen is aangegeven, waarvan € 4,3 miljoen periodieke giften aan sportverenigingen.
Totaal aan periodieke giften aan verenigingen
Totaal aan periodieke giften aan sportverenigingen
Jaar
Aantal
Bedrag
Aantal
Bedrag
2019
23.500
€ 17.200.000
5.900
€ 5.100.000
2020
19.300
€ 21.300.000
5.500
€ 4.900.000
2021
18.600
€ 27.300.000
5.300
€ 4.900.000
2022
18.500
€ 42.700.000
5.200
€ 4.500.000
2023
19.700
€ 38.500.000
5.000
€ 4.300.000
Er zijn overigens ook ANBI’s die sporten stimuleren, zoals NOC*NSF en het Nationaal Fonds voor de Sport. Deze zitten niet in deze gegevens.
Kunt u reflecteren op de vraag of een periodieke gift en de daarmee samenhangende voorwaarden zoals het laten opmaken van een overeenkomst en het vastleggen van een termijn van vijf jaar voor potentiële giftgevers als een drempel wordt ervaren, en zo ja, ziet u mogelijkheden om deze drempel te verlagen?
Het opmaken van een overeenkomst voor het doen van een periodieke gift aan een vereniging is sinds 2014 versimpeld, doordat sindsdien voor een periodieke gift geen notariële akte meer is vereist. Tegenwoordig kan worden volstaan met een onderhandse akte, die te downloaden is vanaf de website van de Belastingdienst.4 Het vastleggen van een termijn van minstens vijf jaar is onzes inziens gelet op het aantal gedane periodieke giften geen onoverkomelijke drempel en deze termijn geeft ANBI’s en verenigingen ook duidelijkheid over de verwachte inkomsten op de lange termijn. Dit maakt hen toekomstbestendiger.
Welke mogelijkheden ziet u om het geven aan sportverenigingen fiscaal aantrekkelijker te maken?
Een uitbreiding van de giftenaftrek met eenmalige giften aan verenigingen is niet in lijn met de ambitie van het kabinet om het belastingstelsel te vereenvoudigen. Daarnaast kent zo’n uitbreiding vele bezwaren zoals de voormalige Staatssecretaris van Financiën reeds heeft toegelicht.5 Zo zou een uitbreiding van de faciliteit leiden tot een aanzienlijke budgettaire derving en een toename van de uitvoeringslasten. Het is daarnaast aannemelijk dat degenen die al een periodieke gift aan hun vereniging doen, dat ook zullen blijven doen aangezien het fiscale voordeel van een periodieke gift ten opzichte van een gewone giften groter is. In tegenstelling tot een periodieke gift is voor de aftrekbaarheid van een eenmalige gift van belang dat de drempel van 1% van het verzamelinkomen met een minimum van € 60 wordt overschreden. Het maximum bedraagt 10% van het verzamelinkomen. Voor de aftrek van periodieke giften geldt geen drempel maar uitsluitend een maximum van € 1,5 miljoen per jaar (2026).
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de sportbonden, de bewustwording onder Nederlandse huishoudens over de mogelijkheid om te schenken aan sportverenigingen te verbeteren?
In 2021 is op initiatief van de sportbonden en NOC*NSF het Nationaal Fonds voor de Sport opgericht, met steun van het VSBfonds en steunbetuiging van het Ministerie van VWS. Dit fonds heeft een ANBI-status en biedt diverse geefvormen, zoals een eenmalige of periodieke gift, een nalatenschap of een eigen Fonds op Naam. Daarmee is voor gevers die sport een warm hart toedragen al een
toegankelijk loket beschikbaar. Langs die weg kan ook samen met deze partners de bewustwording over de mogelijkheden om aan sport te geven verder worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om vanuit de Rijksoverheid, bijvoorbeeld op de webpagina van de Belastingdienst, meer aandacht te besteden aan de mogelijkheid tot schenken aan een sportvereniging?
Goede en vindbare informatie helpt om aandacht te geven aan de bestaande mogelijkheden om onder voorwaarden aan een sportvereniging te schenken of na te laten. Op de website van de Belastingdienst zijn reeds de fiscale voorwaarden voor het doen van een gift aan een vereniging te vinden.6 Ook heeft de Belastingdienst bijvoorbeeld op de eigen webpagina een verwijzing opgenomen naar het Stichtingen en Verenigingen Loket. Op deze webpagina worden vragen beantwoord over stichtingen en verenigingen en belastingzaken. Deze beschikbare informatie kan ook door sportverenigingen of -koepels worden gebruikt voor het vergroten van de bekendheid over de mogelijkheden tot schenken.
Doucheverplichtingen voor minderjarigen bij sportverenigingen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ruzie tussen ouders en PSV Handbal escaleert: drie meisjes (11) uit club gezet», waarin drie minderjarige meisjes na een conflict over douchen bij de sportvereniging zijn geroyeerd?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Bent u bekend met de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland (MRWN), die namens de ouders heeft aangegeven dat binnen de betreffende sportvereniging sprake was van een doucheplicht voor minderjarige meisjes?
Ja, ik heb in het bericht gelezen over de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland.
Hoe beoordeelt u het feit dat in het huisreglement van de betreffende vereniging expliciet staat dat douchen na trainingen en wedstrijden verplicht is, terwijl de vereniging publiekelijk stelt dat van een doucheplicht geen sprake is?
Het is niet aan mij om een standpunt in te nemen over individuele zaken van sportverenigingen of beslissingen binnen een vereniging. Dat is aan verenigingen zelf. Daarbij is het aanbevelingswaardig dat sportverenigingen helder en consistent communiceren over hun reglement richting hun leden. Het is aan het bestuur van de vereniging om te bezien of de vastgelegde regels en de communicatie daarover voldoende op elkaar zijn afgestemd.
Kunt u aangeven of en onder welke voorwaarden sportverenigingen minderjarigen mogen verplichten zich uit te kleden en gezamenlijk te douchen, en hoe dit zich verhoudt tot het beleid rondom sociale veiligheid in de sport en het recht op lichamelijke integriteit van kinderen?
Sportverenigingen hebben de vrijheid om hier afspraken over te maken en dit vast te leggen in hun reglementen. Dat betekent dat zij leden in beginsel kunnen verplichten om na het sporten te douchen of zich op te frissen. NOC*NSF geeft aan dat douchen na trainingen en wedstrijden wordt gestimuleerd, onder meer vanuit hygiënisch oogpunt en ter bevordering van herstel en blessurepreventie.
Het is belangrijk dat sportverenigingen het beleid rondom sociale veiligheid zorgvuldig vormgeven, rekening houdend met persoonlijke grenzen, privacy en de ontwikkelingsfase van minderjarigen. In de praktijk gaan verenigingen in gesprek met leden, sporters en ouders, bieden ruimte voor maatwerk en maken alternatieven mogelijk. Diverse sportbonden adviseren en ondersteunen hun verenigingen daarbij, onder andere aan de hand van handreikingen en adviezen op hun websites.
Deelt u de opvatting dat het royeren van minderjarige sporters een zeer ingrijpende maatregel is?
Het is niet aan mij om een standpunt in te nemen over individuele zaken van sportverenigingen of beslissingen binnen een vereniging.
Bent u bereid te bezien of bestaande landelijke richtlijnen rondom Veilig Sporten voldoende duidelijk zijn over vrijwilligheid, maatwerk en ouderbetrokkenheid bij gevoelige kwesties zoals douchen door minderjarigen?
Het is aan verenigingen zelf om hun beleid te ontwikkelen en hierover reglementen te laten vaststellen door hun ledenvergadering. NOC*NSF voegt daaraan toe dat er geen landelijke, richtlijnen zijn die specifiek voorschrijven of en hoe sportverenigingen omgaan met het douchen door minderjarigen. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.
De BOSA-subsidie 2026 |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat 5 januari de eerste mogelijkheid in 2026 was om de subsidieregeling Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) aan te vragen?1
Dat klopt.
Klopt het dat de bereikbaarheid van de site slecht was en de server van de overheid er meerdere malen uit heeft gelegen?
Op 5 januari jongstleden om 09:00 uur opende het aanvraagloket van de subsidieregeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties. Vanwege de grote belangstelling raakte de server al snel overbelast waardoor het tijdelijk niet mogelijk was om een subsidieaanvraag in te dienen. Rond 10:15 uur was deze storing verholpen en was het weer mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen.
Klopt het dat op 5 januari voor 15:00 uur de BOSA al voor het gehele jaar overvraagd was?2
Zoals aangegeven in mijn brief over sluiten aanvraagloket BOSA 2026 sloot het loket om 15:00 uur, toen door 2.435 aanvragers voor € 109 miljoen aan BOSA-subsidie was aangevraagd.3 Het subsidieplafond van de BOSA voor 2026 is € 43,5 miljoen. Dat betekent dat de regeling al snel overvraagd was. DUS-I zal de binnengekomen aanvragen behandelen op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen. Zoals opgenomen in de BOSA-regeling volgt reactie op een aanvraag binnen 22 weken.
Wat is de huidige status met betrekking tot enerzijds de hoeveelheid aanvragen, en anderzijds het reeds aangevraagde bedrag?
Zie antwoord vraag 3.
De campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal. |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal en kunt u aangeven welke publieke middelen direct of indirect beschikbaar zijn gesteld aan deze campagne, de betrokken organisaties en de uitvoering daarvan?1
Welke concrete, meetbare doelstellingen zijn aan deze campagne verbonden, op basis van welke wetenschappelijke inzichten is gekozen voor deze aanpak en hoe wordt vastgesteld of de campagne daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de mentale gezondheid van jongeren?
Kunt u aangeven hoeveel vergelijkbare campagnes op het gebied van mentale gezondheid de afgelopen vijf jaar met publieke middelen zijn ondersteund, wat deze hebben gekost en welke aantoonbare resultaten zij hebben opgeleverd?
Hoe wordt voorkomen dat belastinggeld vooral terechtkomt bij campagnes, workshops, ambassadeurs en overlegstructuren, terwijl jongeren met psychische problemen nog steeds te maken hebben met wachtlijsten en beperkte toegang tot passende hulp?
Kunt u aangeven hoeveel jongeren momenteel wachten op geestelijke gezondheidszorg en hoe de uitgaven aan bewustwordingscampagnes zich verhouden tot investeringen in daadwerkelijke behandeling en ondersteuning?
Welke afspraken zijn gemaakt voor situaties waarin tijdens dergelijke bijeenkomsten signalen naar voren komen van ernstige psychische problemen, suïcidaliteit, huiselijk geweld of kindermishandeling en hoe wordt geborgd dat deze jongeren snel passende hulp krijgen?
Deelt u de opvatting dat het bespreekbaar maken van mentale problemen waardevol kan zijn, maar nooit een vervanging mag worden voor tijdige professionele hulpverlening? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat jongeren na signalering ook daadwerkelijk hulp ontvangen?
De BOSA-regeling |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bereid te kijken naar een compensatiemaatregel voor het uitvallen van de service van de BOSA-regeling, waardoor veel sportverenigingen de subsidie misliepen?
Hoe kijkt u naar de problemen voor twee voetbalverenigingen in het Friese Lemmer die willen fuseren, maar daarbij de BOSA-subsidie nodig hebben, en deze door de loting zijn misgelopen, terwijl deze eerst wel leek toebedeeld?1
Hoe kijkt u naar het feit dat de BOSA-regeling al jaren overvraagd is, waardoor veel sportverenigingen achter het net vissen?
Wat is volgens u het meest geschikte jaarlijkse BOSA-budget wat recht doet aan de noden van sportverenigingen in Nederland?
Deelt u de mening dat een loting een zeer onwenselijke manier is om het geld toe te wijzen uit de BOSA-regeling?
Kunt u al een doorkijk geven over hoeveel budget van het gereserveerde sportbudget uit het coalitieakkoord de komende jaren naar de BOSA-regeling gaat?
Bent u bereid in gesprek te gaan met sportverenigingen en de RVVB over de ernst en omvang van de problemen rondom de BOSA-regeling en te kijken naar het meldpunt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Sportbeleid van 30 juni?
Het Sportakkoord 2 en het rapport van de evaluatie Sportakkoord |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de evaluatie van het Sportakkoord?1
Kan worden toegelicht hoeveel meer mensen zijn gaan sporten of bewegen als gevolg van het Sportakkoord?
Kan nader worden toegelicht wat «landelijk is een strategisch kader voor topsport tot stand gebracht» concreet betekent voor de topsport?
Zijn topsporters tevredener, behalen ze betere prestaties of is hun positieve maatschappelijke impact toegenomen als gevolg van het Sportakkoord?
Kan nader worden toegelicht wat het concreet betekent dat «De ambitie om de governance van top- en breedtesport samen te brengen is deels waargemaakt; de fysieke samenvoeging van coördinatieteams is niet doorgezet, maar er vindt wel samenwerking op specifieke thema’s plaats»?
Wat zijn de consequenties van de «verbeterde samenwerking» tussen gemeentes en sportverenigingen? Hoe vertaalt deze verbetering zich concreet?
Wat zijn de concrete consequenties voor het sportaanbod als de breedtesport niet gebord wordt omdat de sportakkoordmiddelen wegvallen, zoals gesteld in de evaluatie?
Welke resultaten verdwijnen precies door het gebrek aan structurele financiering, zoals beschreven op pagina 5?
Hoe doelmatig en doeltreffend was het besteedde geld aan het Sportakkoord, uitgedrukt in toename in sporten en bewegen?
In hoeverre bent u van mening dat het effectief en doelmatig is om middelen niet gewoon lokaal in te zetten, maar aan adviseurs lokale sport, wanneer adviseurs aangeven dat toegang tot lokale en regionale netwerken lastig is?
Wat heeft de gemiddelde sportclub aan administratieve ontlasting gehad als gevolg van het Sportakkoord? Was dit doeltreffend en doelmatig?
Zijn gemeentes tevreden met het Sportakkoord? Of zijn er ook gemeentes die alternatieven aandragen?
Zijn sportverenigingen tevreden met het Sportakkoord – zij moeten immers de doelen waarmaken? Of zijn er ook sportverenigingen die de alternatieven aandragen?
Waarom is er geen enquête gehouden onder sportverenigingen over hoe de middelen zo goed mogelijk verdeeld kunnen worden?
Zijn sporters tevreden met het Sportakkoord?
Kan worden toegelicht wat er wordt bedoeld met een betere samenwerking tussen breedtesport en topsport? Kunt u dit toelichten aan de hand van drie illustratieve voorbeelden?
Wat betekent het volgende citaat concreet «Op basis van landelijke interviews en de casestudies concluderen we dat de sportinfrastructuur in Nederland de afgelopen jaren op verschillende vlakken merkbaar versterking heeft gekregen, maar de mate van robuustheid verschilt sterk tussen gemeenten»?
Zijn sportverenigingen tevreden over het ondersteuningsaanbod voor sportaanbieders, die duidelijk zijn toegenomen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Commissiedebat Sportbeleid d.d. 30 juni 2026?
Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Dagelijks bewegen als kerndoel in het basisonderwijs |
|
Marijke Synhaeve (D66), Renilde Huizenga (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderen dupe van besluit Ministerie Onderwijs? Scherder wil rechtszaak om dagelijks bewegen te verplichten»?1
Is het juist dat het Landelijk Expertisecentrum voor het curriculum (SLO) dagelijks bewegen had opgenomen in de kerndoelen voor het basisonderwijs maar dat het Ministerie van OCW daar twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen, na anderhalf jaar vergaderen, plotseling een streep doorheen heeft gezet?2 Zo ja, wat was de exacte reden voor dit besluit en wie heeft dit besluit genomen?
Wat is de onderbouwing van om dagelijks bewegen niet als verplicht kerndoel op te nemen terwijl er in Nederland 400.000 kinderen met overgewicht zijn en dat aantal de laatste jaren sterk is toegenomen?
De Nederlandse Sportraad, de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving en de Onderwijsraad riepen in 2018 gezamenlijk al op om het lange zitten te onderbreken door middel van beweegbreaks, maar geen van de aanbevelingen uit dat advies zijn overgenomen door de afgelopen twee kabinetten.3 Bent u wel van plan gehoor te geven aan deze herhaaldelijke adviezen, en zo ja, op welke manier?
De Gezondheidsraad adviseert dat kinderen en jongeren tot 18 jaar dagelijks minstens 60 minuten matig intensief bewegen.4 Hoe verhoudt het besluit om dagelijks bewegen niet te verplichten zich tot dit advies?
Neuropsycholoog Erik Scherder en belangenorganisatie Defence for Children verkennen juridische stappen tegen de staat, omdat zij vinden dat de gezondheid van kinderen onvoldoende wordt beschermd. Bent u bereid in gesprek te gaan met Scherder en Defence for Children over hun zorgen?
Recente studies tonen een relatie aan tussen fitheid van kinderen en hun prestaties op rekenen en taal.5 Deelt u de opvatting dat bewegen en cognitieve ontwikkeling onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, en zo ja, hoe weegt u dit mee in het curriculumbeleid?
Bent u bereid het besluit te herzien en dagelijks bewegen alsnog als kerndoel op te nemen in het curriculum voor het basisonderwijs? Zo nee, welke alternatieve maatregelen neemt u om de beweegachterstand van kinderen structureel aan te pakken?
(Dagelijks) bewegen vraagt om inbedding in de schooldag, maar leraren staan al onder grote werkdruk. Hoe voorkomt u dat de verantwoordelijkheid voor het beweegbeleid volledig op het bord van de individuele leraar terechtkomt en welke structurele ondersteuning, zoals gymdocenten, beweegcoaches of schoolbrede programma’s, stelt u hiervoor beschikbaar?
Het bericht 'Ook sportclubs openen jacht op gulle gever' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook sportclubs openen jacht op gulle gever»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een sportvereniging evengoed een goede bestemming is voor een gift als een gift aan een Goed Doel of culturele instelling?
Ja, sportverenigingen zijn een goede bestemming voor een gift. Zij brengen mensen samen, bevorderen de gezondheid en versterken de sociale cohesie van de samenleving.
Hoe duidt u dat sportverenigingen ondanks de grote geefbereidheid onder Nederlandse huishoudens nauwelijks van die geefbereidheid profiteren?
De Staatssecretaris van Financiën en ik herkennen dit beeld. Dit vloeit voort uit de voorkeur die gevers voor een maatschappelijk thema hebben. Uit het onderzoek Geven in Nederland 2024 blijkt dat elke geefbron zijn eigen voorkeur voor een maatschappelijk terrein heeft. Zo geven huishoudens relatief veel aan religie en levensbeschouwing, gezondheid en internationale hulp en bedrijven relatief veel aan sport en recreatie.2 Van het totaalbedrag € 485 miljoen aan giften aan sport en recreatie in 2022 was € 354 miljoen afkomstig van bedrijven en € 42 miljoen afkomstig van huishoudens en € 90 miljoen afkomstig van andere bronnen.3 Daarnaast kan worden gewezen op vrijwilligers – een bijdrage in tijd van huishoudens – die belangrijk zijn voor onder meer sportverenigingen.
Deelt u de mening dat hogere giftinkomsten van sportverenigingen een bijdrage kunnen leveren aan het kabinetsdoel om te bouwen aan de gezondste generatie ooit?
Sportverenigingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het realiseren van de gezondste generatie ooit. Meer financiële middelen stellen verenigingen in staat om meer en kwalitatief beter sportaanbod te organiseren. Hogere giftinkomsten zouden hier een bijdrage aan kunnen leveren.
Kunt u reflecteren op de vraag of het hebben van een ANBI-status en de daarmee samenhangende regeling waardoor een gewone gift aan een ANBI-instelling in tegenstelling tot een gewone gift aan een sportvereniging bij de inkomstenbelasting aftrekbaar is, bevorderlijk is voor het ontvangen van giften uit de samenleving?
Het doel van de giftenaftrek is het bevorderen van schenkingen aan instellingen die bijdragen aan het algemeen nut. Een gift komt in beginsel in aanmerking voor de giftenaftrek als deze is gedaan aan een ANBI of een steunstichting sociaal belang behartigende instelling (steunstichting SBBI). Verenigingen, zoals sportverenigingen, muziekverenigingen en buurtverenigingen, zijn doorgaans geen ANBI, omdat zij in eerste instantie het eigen, particuliere belang van de leden van die vereniging behartigen. Het ontbreken van de ANBI-status staat er echter niet aan in de weg een aftrekbare gift te doen aan een vereniging: periodieke giften aan verenigingen zijn namelijk wel aftrekbaar.
Beschikt u over cijfers over het gebruik van de regeling waarmee periodieke giften aan verenigingen en in het bijzonder sportverenigingen aftrekbaar zijn in de aangifte inkomstenbelasting, en zo ja, kunt u cijfers delen over het gebruik van de regeling voor periodieke giften aan verenigingen in de afgelopen vijf jaar, met daarin een uitsplitsing naar sportverenigingen?
Onderstaand vindt u de gegevens uit belastingaangiften over de jaren 2019 tot en met 2023 van periodieke giften die aan verenigingen, dus geen (culturele) ANBI’s, zijn gedaan (links). Rechts staan de aantallen en bedragen van deze giften die specifiek aan sportverenigingen zijn gedaan. Uit de tabel blijkt dat in 2023 in totaal € 38,5 miljoen periodieke giften aan verenigingen is aangegeven, waarvan € 4,3 miljoen periodieke giften aan sportverenigingen.
Totaal aan periodieke giften aan verenigingen
Totaal aan periodieke giften aan sportverenigingen
Jaar
Aantal
Bedrag
Aantal
Bedrag
2019
23.500
€ 17.200.000
5.900
€ 5.100.000
2020
19.300
€ 21.300.000
5.500
€ 4.900.000
2021
18.600
€ 27.300.000
5.300
€ 4.900.000
2022
18.500
€ 42.700.000
5.200
€ 4.500.000
2023
19.700
€ 38.500.000
5.000
€ 4.300.000
Er zijn overigens ook ANBI’s die sporten stimuleren, zoals NOC*NSF en het Nationaal Fonds voor de Sport. Deze zitten niet in deze gegevens.
Kunt u reflecteren op de vraag of een periodieke gift en de daarmee samenhangende voorwaarden zoals het laten opmaken van een overeenkomst en het vastleggen van een termijn van vijf jaar voor potentiële giftgevers als een drempel wordt ervaren, en zo ja, ziet u mogelijkheden om deze drempel te verlagen?
Het opmaken van een overeenkomst voor het doen van een periodieke gift aan een vereniging is sinds 2014 versimpeld, doordat sindsdien voor een periodieke gift geen notariële akte meer is vereist. Tegenwoordig kan worden volstaan met een onderhandse akte, die te downloaden is vanaf de website van de Belastingdienst.4 Het vastleggen van een termijn van minstens vijf jaar is onzes inziens gelet op het aantal gedane periodieke giften geen onoverkomelijke drempel en deze termijn geeft ANBI’s en verenigingen ook duidelijkheid over de verwachte inkomsten op de lange termijn. Dit maakt hen toekomstbestendiger.
Welke mogelijkheden ziet u om het geven aan sportverenigingen fiscaal aantrekkelijker te maken?
Een uitbreiding van de giftenaftrek met eenmalige giften aan verenigingen is niet in lijn met de ambitie van het kabinet om het belastingstelsel te vereenvoudigen. Daarnaast kent zo’n uitbreiding vele bezwaren zoals de voormalige Staatssecretaris van Financiën reeds heeft toegelicht.5 Zo zou een uitbreiding van de faciliteit leiden tot een aanzienlijke budgettaire derving en een toename van de uitvoeringslasten. Het is daarnaast aannemelijk dat degenen die al een periodieke gift aan hun vereniging doen, dat ook zullen blijven doen aangezien het fiscale voordeel van een periodieke gift ten opzichte van een gewone giften groter is. In tegenstelling tot een periodieke gift is voor de aftrekbaarheid van een eenmalige gift van belang dat de drempel van 1% van het verzamelinkomen met een minimum van € 60 wordt overschreden. Het maximum bedraagt 10% van het verzamelinkomen. Voor de aftrek van periodieke giften geldt geen drempel maar uitsluitend een maximum van € 1,5 miljoen per jaar (2026).
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de sportbonden, de bewustwording onder Nederlandse huishoudens over de mogelijkheid om te schenken aan sportverenigingen te verbeteren?
In 2021 is op initiatief van de sportbonden en NOC*NSF het Nationaal Fonds voor de Sport opgericht, met steun van het VSBfonds en steunbetuiging van het Ministerie van VWS. Dit fonds heeft een ANBI-status en biedt diverse geefvormen, zoals een eenmalige of periodieke gift, een nalatenschap of een eigen Fonds op Naam. Daarmee is voor gevers die sport een warm hart toedragen al een
toegankelijk loket beschikbaar. Langs die weg kan ook samen met deze partners de bewustwording over de mogelijkheden om aan sport te geven verder worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om vanuit de Rijksoverheid, bijvoorbeeld op de webpagina van de Belastingdienst, meer aandacht te besteden aan de mogelijkheid tot schenken aan een sportvereniging?
Goede en vindbare informatie helpt om aandacht te geven aan de bestaande mogelijkheden om onder voorwaarden aan een sportvereniging te schenken of na te laten. Op de website van de Belastingdienst zijn reeds de fiscale voorwaarden voor het doen van een gift aan een vereniging te vinden.6 Ook heeft de Belastingdienst bijvoorbeeld op de eigen webpagina een verwijzing opgenomen naar het Stichtingen en Verenigingen Loket. Op deze webpagina worden vragen beantwoord over stichtingen en verenigingen en belastingzaken. Deze beschikbare informatie kan ook door sportverenigingen of -koepels worden gebruikt voor het vergroten van de bekendheid over de mogelijkheden tot schenken.
Doucheverplichtingen voor minderjarigen bij sportverenigingen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Ruzie tussen ouders en PSV Handbal escaleert: drie meisjes (11) uit club gezet», waarin drie minderjarige meisjes na een conflict over douchen bij de sportvereniging zijn geroyeerd?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Bent u bekend met de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland (MRWN), die namens de ouders heeft aangegeven dat binnen de betreffende sportvereniging sprake was van een doucheplicht voor minderjarige meisjes?
Ja, ik heb in het bericht gelezen over de betrokkenheid van Muslim Rights Watch Nederland.
Hoe beoordeelt u het feit dat in het huisreglement van de betreffende vereniging expliciet staat dat douchen na trainingen en wedstrijden verplicht is, terwijl de vereniging publiekelijk stelt dat van een doucheplicht geen sprake is?
Het is niet aan mij om een standpunt in te nemen over individuele zaken van sportverenigingen of beslissingen binnen een vereniging. Dat is aan verenigingen zelf. Daarbij is het aanbevelingswaardig dat sportverenigingen helder en consistent communiceren over hun reglement richting hun leden. Het is aan het bestuur van de vereniging om te bezien of de vastgelegde regels en de communicatie daarover voldoende op elkaar zijn afgestemd.
Kunt u aangeven of en onder welke voorwaarden sportverenigingen minderjarigen mogen verplichten zich uit te kleden en gezamenlijk te douchen, en hoe dit zich verhoudt tot het beleid rondom sociale veiligheid in de sport en het recht op lichamelijke integriteit van kinderen?
Sportverenigingen hebben de vrijheid om hier afspraken over te maken en dit vast te leggen in hun reglementen. Dat betekent dat zij leden in beginsel kunnen verplichten om na het sporten te douchen of zich op te frissen. NOC*NSF geeft aan dat douchen na trainingen en wedstrijden wordt gestimuleerd, onder meer vanuit hygiënisch oogpunt en ter bevordering van herstel en blessurepreventie.
Het is belangrijk dat sportverenigingen het beleid rondom sociale veiligheid zorgvuldig vormgeven, rekening houdend met persoonlijke grenzen, privacy en de ontwikkelingsfase van minderjarigen. In de praktijk gaan verenigingen in gesprek met leden, sporters en ouders, bieden ruimte voor maatwerk en maken alternatieven mogelijk. Diverse sportbonden adviseren en ondersteunen hun verenigingen daarbij, onder andere aan de hand van handreikingen en adviezen op hun websites.
Deelt u de opvatting dat het royeren van minderjarige sporters een zeer ingrijpende maatregel is?
Het is niet aan mij om een standpunt in te nemen over individuele zaken van sportverenigingen of beslissingen binnen een vereniging.
Bent u bereid te bezien of bestaande landelijke richtlijnen rondom Veilig Sporten voldoende duidelijk zijn over vrijwilligheid, maatwerk en ouderbetrokkenheid bij gevoelige kwesties zoals douchen door minderjarigen?
Het is aan verenigingen zelf om hun beleid te ontwikkelen en hierover reglementen te laten vaststellen door hun ledenvergadering. NOC*NSF voegt daaraan toe dat er geen landelijke, richtlijnen zijn die specifiek voorschrijven of en hoe sportverenigingen omgaan met het douchen door minderjarigen. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.
De BOSA-subsidie 2026 |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat 5 januari de eerste mogelijkheid in 2026 was om de subsidieregeling Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) aan te vragen?1
Dat klopt.
Klopt het dat de bereikbaarheid van de site slecht was en de server van de overheid er meerdere malen uit heeft gelegen?
Op 5 januari jongstleden om 09:00 uur opende het aanvraagloket van de subsidieregeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties. Vanwege de grote belangstelling raakte de server al snel overbelast waardoor het tijdelijk niet mogelijk was om een subsidieaanvraag in te dienen. Rond 10:15 uur was deze storing verholpen en was het weer mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen.
Klopt het dat op 5 januari voor 15:00 uur de BOSA al voor het gehele jaar overvraagd was?2
Zoals aangegeven in mijn brief over sluiten aanvraagloket BOSA 2026 sloot het loket om 15:00 uur, toen door 2.435 aanvragers voor € 109 miljoen aan BOSA-subsidie was aangevraagd.3 Het subsidieplafond van de BOSA voor 2026 is € 43,5 miljoen. Dat betekent dat de regeling al snel overvraagd was. DUS-I zal de binnengekomen aanvragen behandelen op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen. Zoals opgenomen in de BOSA-regeling volgt reactie op een aanvraag binnen 22 weken.
Wat is de huidige status met betrekking tot enerzijds de hoeveelheid aanvragen, en anderzijds het reeds aangevraagde bedrag?
Zie antwoord vraag 3.
Burgermotorverkeersregelaars bij wielerkoersen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de wielerkalender onder druk staat door onder andere capaciteitsproblemen bij de politie, waardoor de inzet van motoragenten beperkt is?
Ja. Op 27 november 2024 heeft mijn ambtsvoorganger, samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), een brief over dit onderwerp aan uw Kamer gestuurd.1
Deelt u de mening dat de inzet van burgermotorverkeersregelaars vanuit de overheid gestimuleerd dient te worden, zodat wielerwedstrijden op de openbare weg doorgang kunnen vinden en de politie tevens ontlast kan worden?
De verantwoordelijkheid voor een veilig en ordelijk verloop van wielerwedstrijden ligt bij de organisator van het evenement. De politie adviseert het bevoegd gezag over het verlenen van de vergunning. De inzet van burgermotorverkeersregelaars moet plaatsvinden binnen de geldende wettelijke kaders. In bovengenoemde brief is aangegeven op welke wijze de Rijksoverheid daarbij ondersteunt, bijvoorbeeld door een subsidie aan de KNWU voor de ontwikkeling van een landelijke richtlijn.
Wordt de financiering vanuit de rijksoverheid voor de inzet van burgermotorverkeersregelaars bij wielerkoersen structureel, zoals het amendement-Van Dijk c.s. beoogd? Zo nee, waarom niet?1
In het amendement wordt het kabinet gevraagd om te verkennen of structurele ondersteuning mogelijk is, aanvullend op het eenmalige bedrag van 215.000 euro voor de ontwikkeling van een landelijke richtlijn. Mijn ambtsvoorganger heeft dit met de Minister van JenV en de Minister van IenW onderzocht. Ze zijn tot de conclusie gekomen dat het niet de verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid is om de inzet van burgermotorverkeersregelaars structureel te financieren. Hierover heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer op 18 juni jl. geïnformeerd.3
Wat is de status van de richtlijn voor de inzet van burgermotorverkeersregelaars bij wielerkoersen, waar financiering voor vrij is gemaakt via het eerder genoemde amendement-Van Dijk c.s.? Is de financiering al rond?
De KNWU heeft een start gemaakt met de ontwikkeling van de richtlijn, in samenspraak met MotorBegeleidingsTeams (MBT’s) en de politie. Doordat de subsidie van het Ministerie van VWS enige tijd op zich heeft laten wachten, zijn de activiteiten tijdelijk gepauzeerd. De subsidie is recentelijk aan de KNWU verstrekt, zodat de activiteiten kunnen worden hervat.
Hoe staat de politie tegenover de inzet van burgermotorverkeersregelaars bij wielerkoersen?
De korpschef heeft de Minister van JenV laten weten dat, overeenkomstig de huidige wetgeving, de politie van mening is dat de evenementenorganisator verantwoordelijk is voor een veilig en ordelijk verloop van een wielerwedstrijd. De invulling hiervan kan plaatsvinden met een breed maatregelenpakket, zoals statische verkeersmaatregelen en statische- en dynamische verkeersregelaars (burgermotorverkeersregelaars).
Vallen de collectieve kosten van de inzet burgermotorverkeersregelaars, ondanks een structurele rijksinvestering, lager uit dan de kosten voor de inzet van motoragenten bij wielerwedstrijden?
Deze vraag is niet goed te beantwoorden. Ten eerste zijn er geen collectieve kosten verbonden aan de inzet van burgermotorverkeersregelaars. Ten tweede zijn de kosten voor de inzet van motoragenten bij wielerwedstrijden niet sec te berekenen. De inzet van motoragenten gaat ten koste van de politiecapaciteit op andere plekken. Het betreft de inzet van schaarse capaciteit, middelen en opleidingen.
Waarom wordt de verdeling van politie-eenheden voor wielerkoersen nu lokaal belegd?
Een wielerkoers betreft een evenement waarvoor een vergunning wordt verleend door het bevoegd gezag. De eventuele inzet van politiecapaciteit bij een evenement wordt bepaald door dit bevoegd gezag, dat is veelal een gemeente of provincie. Het bevoegd gezag kan een afgewogen beslissing nemen omdat zij goed zicht heeft op de lokale context en andere evenementen in de omgeving die politie-inzet behoeven. De eventuele politie-inzet is niet gericht op het faciliteren van het evenement als zodanig.
Ontvangt u net als ons signalen dat het lokaal beleggen van de verdeling van politie-eenheden tot problemen leidt en het nationaal organiseren beter werkte?
In het verleden is geen sprake geweest van het nationaal organiseren van de verdeling van politie bij wielerwedstrijden. Wel vond afstemming plaats tussen de KNWU en een expertgroep van de politie. Hier werd op basis van de kalender van de KNWU besproken welke politiebegeleiding wenselijk zou zijn. In het gesprek tussen de politie en de KNWU konden geen toezeggingen worden gedaan. Het bevoegd gezag was niet betrokken bij deze gesprekken en daarom niet in de gelegenheid om de volle breedte van het evenement, de samenhang met andere evenementen en de context te overwegen. Om deze afweging goed te kunnen maken is het van belang dat het al dan niet verlenen van een vergunning voor een evenement bij het bevoegd gezag belegd is, inclusief het bepalen van de aard en omvang van eventuele aanvullende politie-inzet rond het evenement.
Bent u bereid deze keuze te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Nee, aangezien het bevoegd gezag een goed beeld heeft van de context en andere evenementen in de omgeving die politie-inzet behoeven, is het van belang dat het de keuze maakt en dat dat niet op nationaal niveau gebeurt.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het veld, onder andere met de KNWU, om te kijken naar een passende oplossing? Zo nee, waarom niet?
De Ministeries van IenW, JenV en VWS hebben de afgelopen jaren nauw samengewerkt met de betrokken stakeholders, waaronder de KNWU, om tot passende oplossingen te komen. Dit heeft geresulteerd in diverse acties waarover uw Kamer is geïnformeerd via de eerder genoemde brief. Wij blijven de ontwikkelingen volgen en blijven daarover regelmatig in gesprek met de partijen.
Het bericht ’UEFA gaf clubs in Rusland 10,8 miljoen euro, maar weigerde steun aan Oekraïense clubs’. |
|
Jan Paternotte (D66), Inge van Dijk (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «UEFA gaf clubs in Rusland 10,8 miljoen euro, maar weigerde steun aan Oekraïense clubs»?1
Ja.
Hoe ziet u de afweging tussen het behouden van een internationaal gelijk speelveld in de sport en het uitsluiten van landen die internationaal als agressor acteren?
Het kabinet is voor een internationaal gelijk speelveld in de sport. Solidariteitsbijdragen kunnen daar een rol in spelen. De solidariteitsbijdragen van de UEFA zijn financiële bijdragen die verdeeld worden uit opbrengsten van Europese Kampioenschappen en Europese clubcompetities (zoals de Champions League). Deze bijdragen zijn bedoeld voor de clubs die niet deelnemen aan die Europese clubcompetities en worden via nationale bonden verdeeld. Het doel hiervan is het verkleinen van de kloof tussen deelnemende en niet-deelnemende clubs.
Tegelijkertijd ziet het kabinet dat Rusland sport inzet voor politieke doeleinden. Het kabinet spant zich daarom in om deelname van Russische en Belarussische atleten onder nationale vlag aan internationale sporttoernooien te voorkomen. Het kabinet doet dit door waar mogelijk, in samenwerking met gelijkgestemde landen, alle beschikbare informele kanalen aan te grijpen om het standpunt in deze voor het voetlicht te brengen. Daarbij is het van belang om te benadrukken dat de internationale sport autonoom is en overheden geen formele bevoegdheid hebben om deelname van Russische en Belarussische atleten onder nationale vlag aan internationale sporttoernooien tegen te gaan.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een Europese organisatie als de UEFA, waar Nederland deel van uit maakt, nog steeds geld overmaakt naar Rusland ondanks de agressie oorlog die het voert in Oekraïne? Zo niet, waarom niet?
In antwoord op deze vraag hecht ik eraan te benadrukken dat de Nederlandse staat geen lid is van de UEFA. De leden van de UEFA zijn de nationale Europese voetbalbonden, in ons geval de KNVB.
Voorts deel ik uw mening dat het gezien de oorlog een onwenselijke situatie is dat Russische clubs geld ontvangen van de UEFA. Nederland veroordeelt de agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne en steunt de internationale sancties die zijn opgelegd om Rusland onder druk te zetten. In beginsel kunnen organisaties, zoals de UEFA, geld overmaken naar Russische clubs, mits zij voldoen aan de actuele regelgeving. Het is hierin belangrijk dat (Europese) organisaties zelf hun rol nemen in het naleven van internationale sancties. Op basis van de beschikbare informatie heeft het kabinet geen aanwijzingen dat het beleid conform de voorschriften van de UEFA strijdig is met sanctiemaatregelen.
Tegelijkertijd kunnen zowel sanctiewetgeving als financiële constructies complex zijn waardoor per geval bekeken moet worden wie de daadwerkelijke eigenaar van een Russische voetbalclub is en/of zeggenschap over de club heeft en of deze persoon of entiteit op de sanctielijst staat. In dat geval is het immers niet toegestaan om financiële steun te bieden aan de club.
Het kabinet moedigt echter aan dat organisaties zoals de UEFA ook buiten de sanctiemaatregelen ervoor kiezen om vanwege de illegale agressie tegen Oekraïne niet langer actief te willen zijn in Rusland, onder andere door haar standpunt nadrukkelijk en herhaaldelijk tijdens gesprekken met deze organisaties te bespreken.
Bent u van mening dat Rusland als lid van de UEFA voor onbepaalde tijd geschorst zou moeten worden als gevolg van de aanhoudende agressie oorlog tegen Oekraïne? Zo niet, waarom niet?
De UEFA heeft Russische clubs en het Russische nationale team geschorst sinds de Russische inval in Oekraïne op 24 februari 2022. Rusland is formeel nog wel lid van de UEFA, maar het kan geen actieve rol spelen bij internationale voetbaltoernooien. Russische clubs en het Russische nationale team mogen daardoor niet meer deelnemen aan internationale voetbalwedstrijden. Deze maatregel is bevestigd door het CAS (Court of Arbitration for Sport). Volgens de huidige regels van UEFA hebben Russische clubs – ondanks de schorsing – echter nog wel recht op de solidariteitsbijdrage.
Bent u bereid om zich in samenspraak met de KNVB ervoor in te zetten dat de UEFA niet langer geld overmaakt naar Rusland? Zo niet, waarom niet?
Zoals eerder benoemd in het antwoord op vraag 3 moedigt het kabinet aan dat organisaties zoals de UEFA ook buiten de sanctiemaatregelen ervoor kiezen om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te willen zijn in Rusland. Het kabinet zal alle beschikbare informele kanalen aangrijpen om zijn standpunt in deze voor het voetlicht te brengen en hierover ook contact hebben met de KNVB.
Deelt u de mening dat het verwerpelijk is dat Oekraïense clubs niet de steun ontvangen van de UEFA, die alle andere Europese competities wel ontvangen, omdat deze in een «zone van militaire operaties liggen» terwijl de agressor in het conflict wel steun ontvangt, ondanks de uitsluiting van Europese competities? Zo niet, waarom niet?
Het is opmerkelijk dat Oekraïense clubs niet de solidariteitsbijdrage van de UEFA hebben ontvangen, die andere Europese clubs wel ontvangen, omdat deze in een «zone van militaire operaties» zouden liggen. De achterliggende redenen hiervan zijn onduidelijk. Daarom heb ik contact opgenomen met de KNVB en om recht te doen aan uw vragen heeft de KNVB navraag gedaan bij de UEFA over de ontstane situatie. Daaruit blijkt dat de UEFA benadrukt dat zij nooit solidariteitsgelden heeft geweigerd aan Oekraïense clubs die daar aanspraak op zouden kunnen maken. Bij uitbetalingen aan nationale bonden moet UEFA de uiteindelijke begunstigde vermelden omdat dit vereist wordt door banken en autoriteiten. Voor bepaalde Oekraïense clubs kon de bank de transacties niet verwerken. UEFA geeft aan actief met banken en autoriteiten aan een oplossing te werken om deze blokkades op te heffen en de betalingen alsnog te realiseren.
Bent u bereid om zich in samenspraak met de KNVB ervoor in te zetten om de behandeling van Oekraïense betaald voetbalorganisaties gelijk te trekken met die van alle andere Europese landen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Judolessen niet langer te erkennen als volwaardige invulling van het bewegingsonderwijs |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Marleen Haage (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van de Inspectie van het Onderwijs om de door Judoschool Van der Hoek aangeboden judolessen op de Gooise Daltonschool niet langer te erkennen als volwaardige invulling van het bewegingsonderwijs en wat is daarop uw reactie?
Ja, het oordeel van de Inspectie is mij bekend. De Inspectie heeft, in lijn met de wettelijke bepalingen hierover, aangegeven dat het bestuur ervoor moet zorgen dat de school voor alle leerlingen ten minste twee lesuren per schoolweek bewegingsonderwijs verzorgt met als inhoud de wettelijk verplichte kerndoelen. Met het structureel aanbieden van judolessen als onderdeel van het bewegingsonderwijs kan een school niet voldoen aan de uitvoering van de kerndoelen.
Erkent u dat pedagogiek, motorische ontwikkeling, veiligheid en sociale vorming centraal staan bij judo en het daardoor juist geschikt is als gymles?
Het is goed voorstelbaar dat deze zaken een belangrijke plaats innemen bij judo. Aspecten van een sport als judo, en van andere sporten, kunnen geschikte onderdelen zijn van de gymles. Zoals ook in het antwoord op vraag 1 genoemd moet het bewegingsonderwijs gegeven worden volgens de wettelijk verplichte kerndoelen. Het staat scholen daarentegen altijd vrij om op niet-structurele wijze judoles aan te bieden of andere sporten (of elementen ervan) te integreren in de gymles. Met het structureel aanbieden van judolessen als onderdeel van het bewegingsonderwijs kan echter onvoldoende worden gewerkt aan de brede ontwikkeling van leerlingen waar de kerndoelen op zien.
Kunt u nader toelichten waarom u judo, mits gegeven door een gediplomeerde leraar, niet als een volwaardige vorm van bewegingsonderwijs beschouwt?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven kan met het structureel aanbieden van judolessen onvoldoende worden gewerkt aan de brede ontwikkeling van leerlingen waar de kerndoelen voor bewegingsonderwijs op zien. Judo kan wel ingezet worden als niet-structurele invulling van het bewegingsonderwijs, bijvoorbeeld als kennismaking met de sport tijdens de gymles.
Het gaat erom dat leerlingen een brede basis binnen bewegingsonderwijs krijgen en dat een bevoegd groeps- of vakleerkracht de gymles geeft. De kerndoelen voor bewegingsonderwijs zien toe op die brede basis. Het uitgangspunt van de kerndoelen voor bewegingsonderwijs is dat de leerlingen op een verantwoorde manier leren deelnemen aan de omringende bewegingscultuur en dat ze de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen leren ervaren en uitvoeren.
Waarom is het ontbreken van een onderwijsbevoegdheid bij een gediplomeerde judoleraar een gegronde reden om judo niet te erkennen als volwaardig bewegingsonderwijs, zelfs als er een bevoegde leraar bij aanwezig is?
De Wet op het primair onderwijs bepaalt dat de lessen bewegingsonderwijs moeten worden gegeven door leraren die daartoe bevoegd zijn. Leerkrachten zijn bijvoorbeeld bevoegd om gymles te geven als ze in het bezit zijn van een getuigschrift Lichamelijke Opvoeding (HBO-ALO), een PABO Getuigschrift van voor 1 september 2005 of een PABO Getuigschrift met post-initiële leergang bewegingsonderwijs.1 Een judodocent kan onder verantwoordelijkheid van een leraar die bevoegd is voor bewegingsonderwijs een judoles verzorgen als onderdeel van het bewegingsonderwijs.
Bent u bekend met de inhoud en kwaliteit van de opleidingen van Judo Bond Nederland en de pedagogische kaders waarbinnen de leraren opereren?
Het Ministerie van VWS is in grote lijnen bekend met de inhoud van de opleidingen in de sport. Met de Kwalificatie Structuur Sport (KSS) ziet sportkoepel NOC*NSF toe op de kwaliteit van deze opleidingen.
Bent u bereid in gesprek te aan met de judobond en te zoeken naar een oplossing? Zo nee, waarom niet?
De inzet van de Judobond om het onderwijs te inspireren en te ondersteunen bij bewegingsonderwijs is op zichzelf te waarderen.
Tegelijkertijd is het van belang te noemen dat de Judobond, als het gaat om onderwijsinhoudelijke activiteiten, een individuele aanbieder is. Vanuit de Ministeries van OCW en VWS is er geen beleidsmatige of structurele samenwerking met afzonderlijke aanbieders van lesprogramma’s op het gebied van sport of andere leergebieden. Dit past binnen het principe van gelijkwaardige behandeling van partijen en het voorkomen van voorkeursposities. Gegeven bovenstaande redenen is het niet gepast voor de ministeries om, voor deze specifieke casus, in gesprek te treden met één specifieke aanbieder zoals de Judobond.
Daarnaast zijn scholen vrij in de wijze waarop zij invulling geven aan de kerndoelen. Zij hebben te allen tijde de vrijheid samenwerking op te zoeken met (lokale) sportorganisaties. Zoals eerder aangegeven kunnen scholen de samenwerking opzoeken met partijen zoals de judobond voor een tijdelijke samenwerking. Daarbij wordt nogmaals opgemerkt dat het structureel aanbieden van judolessen als onderdeel van het bewegingsonderwijs niet volstaat om aan de kerndoelen te voldoen.
Heeft u inmiddels de gevolgen van de door u geschrapte subsidieregeling bewegingsonderwijs inzichtelijk? Hoeveel scholen en leerlingen worden hiervan de dupe?
Met de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs konden scholen een procesbegeleider aanstellen die hen hielp met het behalen van de urennorm voor bewegingsonderwijs of de integratie van meer bewegen tijdens de schooldag.
De opdracht van de procesbegeleiders binnen de subsidieregeling was tijdelijk van aard. Het aflopen van de subsidieregeling leidt niet tot vermindering van het aantal uur bewegingsonderwijs dat op scholen gegeven wordt.
Hoeveel minder uur bewegingsonderwijs kan er worden gegeven door het schrappen van deze regeling?
Zie antwoord vraag 7.
De storing bij de radiosystemen van de Kustwacht |
|
Arend Kisteman (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Tieman , Vincent Karremans (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Radiosystemen bij de Kustwacht werken niet»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Nederlandse Kustwacht een belangrijke rol vervult om de Noordzee veilig te houden en dat het daarom zeer belangrijk is dat radiocommunicatieproblemen snel worden opgelost?
Ja.
Kwalificeert u het communicatiesysteem voor de Kustwacht als mission critical?
Ja, in de zin dat de radiosystemen essentieel zijn voor het opereren van de Kustwacht.
Wie is er verantwoordelijk voor de communicatiesystemen? Als deze verantwoordelijkheid bij het Rijk ligt, wat gaat u eraan doen om storingen te voorkomen?
De Kustwacht is een samenwerkingsverband van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Defensie, Justitie en Veiligheid, Financiën, Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Het Ministerie van Defensie voert het beheer uit, waaronder dat van de communicatiesystemen.
Ja, de radiosystemen zijn op orde. De storing is verholpen. De oorzaak is onderzocht en geëvalueerd. Er zijn maatregelen genomen om de storing in de toekomst te voorkomen.
Heeft u het vertrouwen dat het communicatiesysteem op dit moment op orde is en bestand is tegen storingen?
Zie antwoord vraag 4.
Gezien de Kustwacht ook een rol speelt in het begeleiden van Russische schepen, kunt u garanderen dat de huidige communicatiesystemen adequaat zijn en we hier geen steken laten vallen?
Het begeleiden van niet-NAVO- en niet-partnereenheden door het Nederlandse deel van de Noordzee schepen is een taak van Defensie2. Waar gevraagd verleent de Kustwacht assistentie. De radiosystemen zijn op orde. De storing van de radiosystemen is verholpen. De oorzaak is onderzocht en geëvalueerd. Er zijn maatregelen genomen om de storing in de toekomst te voorkomen.
In het geval van een storing waaronder deze luisteren de varende en vliegende Kustwachteenheden alsmede de maritieme verkeerscentrales en de reddingstations van de Koninklijke Nederlandse Reddingmaatschappij (KNRM) het maritieme radionoodkanaal uit. De Kustwacht informeert dan ook omliggende landen. De Kustwacht kan reddingboten alarmeren. De communicatie verloopt dan via het telefoon- en/of C2000-netwerk.
Zijn er kritieke toestanden ontstaan door de storingen en zijn er hierbij mensen in gevaar gekomen?
Nee, er zijn geen kritieke toestanden ontstaan en geen mensen in gevaar gekomen door de storing van de radiosystemen. De Kustwacht heeft direct mitigerende maatregelen genomen om bij nood bereikbaar te blijven. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op de voorgaande vraag.
Hoe verhoudt deze storing zich tot de storing op 28 augustus 2024?2
De storing van 1 juli jl. en die van 28 augustus 2024 en de oorzaken daarvan staan los van elkaar. De eerste betrof een probleem met een routeringsprotocol op het netwerk tussen de radiosystemen van de Kustwacht. De storing van 28 augustus 2024 betrof een landelijke storing van het NAFIN4.
De NAFIN-storing op 28 augustus 2024 is geëvalueerd om herhaling te voorkomen5.
Zijn de problemen die deze storing toen veroorzaakten verholpen, zodat herhaling wordt voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe kan het zijn dat de back-upsystemen voor de communicatie ook uitvallen als het hoofdsysteem een storing heeft? Is hier inmiddels iets aan gedaan?
Het betrof een storing op het netwerk tussen de afzonderlijke radiosystemen («radiostations»). De afzonderlijke radiosystemen bleven werken. De storing werd ervaren als een storing van de radiosystemen als geheel. De radiosystemen op zich zijn redundant ingericht en kunnen elkaar opvangen bij uitval als het netwerk ertussen beschikbaar is.
Het heeft lang geduurd voordat de storing in het routeringsprotocol werd verholpen, is hierin voorzien om het routeringsprotocol redundant te maken? En zo niet, bent u voornemens dit te doen?
Het netwerk tussen de radiosystemen is drievoudig redundant ingericht. Het probleem met het routeringsprotocol had te maken met een verkeerde instelling en is niet met redundantie te voorkomen. Het probleem is onderzocht en verholpen. Er zijn maatregelen genomen om de storing in de toekomst te voorkomen.
Bent u bereid om de Kamer te informeren over uw inspanningen om een dergelijke storing in de toekomst uit te sluiten?
De storing is verholpen. De storing is onderzocht en geëvalueerd. Er zijn maatregelen genomen om de storing in de toekomst te voorkomen.
Hoe is het communicatiesysteem van de Kustwacht beschermd tegen cyberaanvallen?
Het communicatiesysteem van de Kustwacht is op verschillende manieren beveiligd tegen zowel interne als externe cyberaanvallen. Vanwege veiligheidsoverwegingen kan ik hierop verder niet ingaan.
In hoeverre zijn de opstelpunten essentieel voor goede radiosystemen voor de Kustwacht? Als dit zo is, wordt dit dan ook meegenomen in de gesprekken met de sector zoals beloofd in het commissiedebat Telecom van 30 januari 2025?
De opstelpunten zoals bedoeld in het commissiedebat zijn telecommunicatie-opstelpunten en hebben geen relatie met de storing of werking van de radiosystemen voor de Kustwacht.
Het bericht dat sportmedium Sport Knowhow XL wordt overgenomen door een Golazo Media |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Judith Tielen (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat sportmedium Sport Knowhow XL wordt overgenomen door Golazo Media?1
De overname betreft een overeenkomst tussen private mediapartijen. Vanuit de regering kan ik daar slechts in beperkte mate iets van vinden aangezien Nederlandse media onafhankelijk zijn en opereren binnen een vrije markt. De betreffende overname was niet meldingsplichtig bij de ACM, gelet op de geldende omzetdrempels.
Klopt het dat het bedrijf achter Golazo Media ook al meerdere andere sportmedia bezit en zelf meerdere sportevenementen organiseert?
Ja, ik heb begrepen dat Golazo Media onder andere de vakbladen zoals Sport & Strategie en Sport & Gemeenten uitgeeft. Daarnaast organiseert «Golazo Events», een zusteronderneming van Golazo Media, sportevenementen zoals de CPC Loop in Den Haag en de Marathon Rotterdam.
In hoeverre zijn er risico’s voor de onafhankelijkheid en diversiteit over de berichtgeving rondom sport en sportbeleid, wanneer een groot deel van de titels die daarover publiceren in handen zijn van hetzelfde concern?
Als Minister van OCW zet ik mij in voor het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod dat toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking. Onafhankelijke media zijn onmisbaar in onze democratische rechtsstaat en vrije samenleving. Vrije, onafhankelijke en toegankelijke media informeren de samenleving met betrouwbare informatie en bieden ruimte voor verschillende perspectieven en ideeën.
Ik constateer dat er op dit moment nog diverse andere (onafhankelijke) media-outlets zijn – zoals kranten, tijdschriften, radio, tv en websites – die berichten over sport en sportbeleid of waar vacatures geplaatst kunnen worden.
Welke stappen onderneemt u in het algemeen om ervoor te zorgen dat er diversiteit en onafhankelijkheid blijft bestaan als het gaat om het aanbod aan media die schrijven over sport(beleid)?
Zie het antwoord op vraag 3.
Het bericht dat Eurojackpot de nieuwe hoofdsponsor van de KNVB Beker wordt |
|
Mirjam Bikker (CU), Michiel van Nispen (SP) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) dat Eurojackpot de komende vijf jaar naamgevend hoofdsponsor van de KNVB Beker en de Vrouwen Eredivisie wordt?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat toch weer een groot gokbedrijf reclame gaat maken in het betaald voetbal, nadat de afgelopen jaren juist maatregelen zijn getroffen om de aanwezigheid van gokbedrijven in het betaald voetbal terug te dringen?
Met de inwerkingtreding van het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka) zijn sinds 1 juli 2023 de mogelijkheden om reclame te maken voor kansspelen op afstand sterk ingeperkt. Bedrijven met een vergunning voor kansspelen op afstand mogen sinds 1 juli 2023 geen reclame meer maken op televisie, de radio, of in de publieke ruimte. Op 1 juli 2024 is het verbod op sponsoring van evenementen ingegaan. Op 1 juli 2025 is het verbod op sportsponsoring ingegaan en mogen de online kansspelaanbieders geen sportbonden, sportcompetities of sportwedstrijden meer sponsoren.
Het Besluit orka is relatief kort na de opening van de markt voor online kansspelen tot stand gekomen om de grote hoeveelheid ongerichte reclame voor kansspelen op afstand binnen de bestaande wetgeving te beperken en mensen daarmee beter te beschermen tegen de risico’s van online gokken. Voor andere kansspelen, waaronder loterijen zoals Eurojackpot, zijn de reclameregels niet veranderd en is bijvoorbeeld sponsoring van de sport nog altijd toegestaan. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt of een loterij staatseigendom is of niet.
In mijn brief van 14 februari jl. heb ik nieuwe doelstellingen beschreven voor het kansspelbeleid. Een van de doelen is het beschermen van burgers tegen kansspelgerelateerde schade, zoals verslavings- en schuldenproblematiek.2 Ook deelname aan minder risicovolle kansspelen zoals loterijen is niet geheel zonder risico. Hoewel sponsoring door loterijen niet verboden is, vind ik in zijn algemeenheid dat organisaties met een maatschappelijke verantwoordelijkheid zich moeten afvragen of een overeenkomst met een kansspelaanbieder past bij die verantwoordelijkheid.
Klopt het dat deze sponsordeal niet onder het reclameverbod voor online gokbedrijven valt? Vindt u dit, ook als het naar de letter van de wet mag, niet hoogst onwenselijk? Hoe weegt u hierin mee dat Eurojackpot onderdeel is van de Nederlandse Loterij, waarvan de staat nota bene aandeelhouder is?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u in dit licht van plan om met nieuwe wetgeving te komen om de aanwezigheid van gokbedrijven en reclames voor hun bedrijfsactiviteiten in het betaald voetbal en andere sporten verder aan banden te leggen?
In mijn brief van 14 februari jl. heb ik de Kamer geïnformeerd dat ik de reclameregels voor kansspelen op afstand aanscherp, waarmee reclame beperkt moet worden tot het strikt noodzakelijke. Dat wil ik doen door een stelsel te creëren waarbij reclame verboden is, tenzij dit in beperkte gevallen expliciet is toegestaan.3 Ik focus mij daarbij op de online markt omdat de urgentie daar het hoogst is. Mocht uit de analyses en onderzoeken met betrekking tot het reclameverbod blijken dat voor meer onderdelen van de kansspelmarkt verdere reclamebeperkingen zouden moeten gelden, dan zal ik die uiteraard ter hand nemen.
Bent u bereid om in gesprek te treden met de KNVB, en deze bond te wijzen op de maatschappelijke verantwoordelijkheid die zij heeft, juist ook in het licht van de enorme toename van (online) gokken en de bijbehorende (verslavings)problematiek?
Het feit dat iets volgens de wet mag, betekent niet dat die wettelijke ruimte moet worden benut. Ik vind dat de KNVB en ook elke andere organisatie met een maatschappelijke rol, hier een afweging in moet maken. Aangezien de overeenkomst reeds is gesloten en geen reclameregels voor loterijen worden overtreden, zie ik geen aanleiding om hier een gesprek met de KNVB over te voeren. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het kansspelbeleid houd ik de ontwikkelingen met betrekking tot reclame voor minder risicovolle kansspelen zoals loterijen nauwlettend in de gaten. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, zal ik aanvullende maatregelen nemen als uit analyses en onderzoeken blijkt dat deze nodig zijn om burgers te beschermen tegen kansspelgerelateerde schade.
Het bericht dat bestuurders van sportclubs afhaken |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Inge van Dijk (CDA), Michiel van Nispen (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Struycken |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving op NOS: «Bestuurders sportclubs haken af: financiële risico's te groot»?1
Ja.
Deelt u de zorgen van berichten over verenigingsbestuurders die afhaken vanwege toenemende regelgeving en onderzoeken van Register voor Verenigingsbestuuders (RVVB) dat niet ingrijpen grote gevolgen gaat hebben voor ons verenigingsleven? Bent u van mening dat het noodzakelijk is op korte termijn met voorstellen te komen om deze bestuurders lucht te geven? En kunt u ook met een tijdslijn komen wanneer de Kamer hierover meer informatie gaat krijgen en dan concreet per voorgestelde regel?
De omvang van de regelgeving voor sportverenigingen en bestuurders heeft mijn aandacht. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg heeft samen met mij uw Kamer op 28 november 2024 geïnformeerd over de Aanpak regeldruk voor vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen.2In deze aanpak staat onder meer omschreven dat een extern begeleider samen met de sector de komende anderhalf jaar gaat onderzoeken hoe de top tien wettelijke verplichtingen die de meeste regeldruk veroorzaken voor vrijwilligersorganisaties (waaronder de sportsector) en filantropische instellingen vereenvoudigd kunnen worden in de uitvoering. Deze top tien is ontleend aan het onderzoeksrapport Regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen van Sira Consulting.3 De extern begeleider zal vanaf juli 2025 worden ingezet. Daarnaast wordt in de aanpak voorgesteld een adviseur voor vrijwilligerscentrales in te zetten. Deze adviseur zal de centrales adviseren over de verschillende wettelijke verplichtingen. Deze kennis kunnen de vrijwilligerscentrales doorgeven aan de vrijwilligersorganisaties vanuit het «teach the teacher» principe. De verwachting is dat deze adviseur in het vierde kwartaal van 2025 ingezet zal worden.
Bent u ervan op de hoogte dat de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Wbtr) een grote zorg is en er inmiddels een aantal casussen zijn waarbij vrijwillige bestuurders het risico te lopen financieel hoofdelijk aansprakelijk gesteld te worden?
Ik ben bekend met de zorgen die in het maatschappelijke debat leven over de gevolgen van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (hierna: WBTR) voor burgers die vrijwillig een bestuurlijke taak vervullen voor een vereniging. Mede naar aanleiding van die zorgen vindt er een onderzoek plaats door Significant Public in opdracht van het Ministerie van VWS en de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) in hoeverre de vrijwilligersverzekering bescherming biedt aan verenigingen en hun besturen, mede in het kader van de invoering van de WBTR. In dit onderzoek gaan de onderzoekers onder meer in op praktijkcasus, waaronder de specifieke casus uit het door de vragenstellers aangehaalde bericht van NOS. Het is de verwachting dat de uitkomsten van dit onderzoek voor het zomerreces naar uw Kamer worden gestuurd.
Verder worden de gevolgen van de WBTR voor het aantal aansprakelijkheidsstellingen van bestuurders en toezichthouders van verenigingen onderdeel van de reeds aangekondigde wetevaluatie van de WBTR. Hierbij wordt ook onderzocht wat precies de oorsprong is van de zorgen bij vrijwilligers over aansprakelijkheidsstelling. Zie over deze wetevaluatie ook het antwoord op vragen 6 en 7 en de onderzoeksnotitie in de bijlage.
Bent u van mening dat dit «de bedoeling» was van de Wbtr, dat vrijwillige bestuurders in principe gelijk worden gesteld aan professionele bestuurders?
Nee, het is niet de bedoeling van de WBTR dat vrijwillige bestuurders in principe gelijk worden gesteld aan professionele bestuurders. In de WBTR wordt voor wat de aansprakelijkheidsregeling van bestuurders in faillissement betreft een belangrijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds informele en niet-commerciële verenigingen (zoals sportverenigingen) en niet-commerciële stichtingen en anderzijds commerciële en formele verenigingen, commerciële stichtingen en semipublieke verenigingen en stichtingen.4 Het gaat daarbij om de regeling die bepaalt dat bij aansprakelijkheid in faillissement het zogenaamde bewijsvermoeden niet van toepassing is op bestuurders van informele verenigingen en niet-commerciële verenigingen en stichtingen.5 Het bewijsvermoeden houdt in dat wanneer niet aan de jaarrekeningplicht of boekhoudplicht is voldaan, er sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling en aannemelijk is dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De bestuurder is dan aansprakelijk jegens de vereniging of stichting, tenzij hij aantoont dat het faillissement niet veroorzaakt is door kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Het is met het bewijsvermoeden eenvoudiger voor de curator om de bestuurder aansprakelijk te stellen in geval van faillissement. Het bewijsvermoeden is dus niet van toepassing op bestuurders van informele verenigingen en niet-commerciële verenigingen en stichtingen. Dit betekent dat wanneer zij de boekhouding niet op orde hebben, dit niet automatisch leidt tot aansprakelijkheid. Daarmee is de drempel voor aansprakelijkheid in faillissement bij informele en niet-commerciële verenigingen en niet-commerciële stichtingen hoger dan bij commerciële en formele verenigingen, commerciële stichtingen en semipublieke verenigingen en stichtingen. In de WBTR is derhalve wel degelijk rekening gehouden met de verschillen in professionaliteit tussen bijvoorbeeld enerzijds vrijwillige bestuurders bij tennisverenigingen en anderzijds professionele bestuurders bij woningcorporaties.6
Bent u van mening dat de vrijwilligersverzekering die verenigingen kunnen afsluiten tegen deze risico’s (bestuursaansprakelijkheid en rechtsbijstand) de risico’s voldoende afdekt en kunt u dit ook onderbouwen met als voorbeelden de casussen zoals genoemd in het artikel?
In het kader van het Wetgevingsoverleg Sport en Bewegen op 2 december jongstleden is een motie aangenomen om de bescherming van de huidige vrijwilligersverzekering te onderzoeken7. Naar aanleiding van de motie voert Significant Public, conform de toezegging aan uw Kamer, het in het antwoord op vraag 3 bedoelde verkennende onderzoek uit naar de vraag in hoeverre de vrijwilligersverzekering de risico’s van aansprakelijkheid voldoende afdekt, mede in het kader van de invoering van de WBTR. De casus die in het artikel van de NOS wordt genoemd, wordt in dit onderzoek als voorbeeld meegenomen. De uitkomsten van dit onderzoek worden naar verwachting voor het zomerreces naar uw Kamer gestuurd.
Wanneer kan de Kamer de opdrachtbrief, waartoe het kabinet heeft aangegeven bereid te zijn, tegemoetzien?
In de bijlage bij deze beantwoording stuur ik uw Kamer de onderzoeksdoelstelling, de beleidscontext en de onderzoeksvragen zoals opgenomen in een door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) opgestelde notitie op basis waarvan het WODC onderzoekspartijen zal benaderen voor het uitvoeren van de evaluatie van de WBTR. Zoals uit de bijlage blijkt, wordt in de evaluatie uitdrukkelijk de vraag betrokken hoe de wet in de praktijk uitpakt. Daarbij wordt ook expliciet aandacht besteed aan de vraag of de WBTR mogelijke onbedoelde negatieve effecten heeft op het terrein van aansprakelijkheidstelling van vrijwilligers en de bereidheid van burgers om een vrijwilligersbestuursfunctie te vervullen. Het is aan de offrerende onderzoeksinstellingen om in hun onderzoeksplannen een specifieke methode voor te stellen. Ik voorzie hiervoor op dit moment geen grotere uitdagingen dan bij andere wetsevaluaties. De uiteindelijke inhoud van de opdracht wordt bepaald door het WODC in samenwerking met de onderzoeksinstelling die de evaluatie uitvoert en dus kan afwijken van deze bijlage. Conform Artikel XVIA van de WBTR zal de evaluatie van de wet voor 1 juli 2026 naar uw Kamer worden verzonden.
Worden bij de wetsevaluatie praktijkcasussen betrokken? Zo ja, hoe zorgt de onderzoeksinstelling dat ze hiermee voldoende bekend zijn, aangezien er momenteel al een aantal stevige casussen lopen maar het kabinet in antwoord op eerdere Kamervragen (december 2024) aangaf niet bekend te zijn met juridische uitspraken en dus niet verder kijkt dan dat wat de vragenstellers tot zorgen baart?
Zie antwoord vraag 6.
De beantwoording van schriftelijke vragen over de uitzending van de Oranjezondag van 9 maart (Kamerstuk 2025Z05070) |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat de drie sportbonden voor bodybuilding niet zijn aangesloten bij NOC*NSF? Is bekend welke overwegingen sportbonden maken om zich al dan niet aan te sluiten bij NOC*NSF? En welke voordelen heeft het om als sportbond niet aangesloten te zijn bij deze koepel?1
Sportorganisaties maken zelf een afweging of zij een lidmaatschap van NOC*NSF willen nastreven of niet. De voordelen van een lidmaatschap van NOC*NSF zijn dat gebruik gemaakt kan worden van collectieve voorzieningen en eventuele financiering die beschikbaar is via NOC*NSF. Daarnaast kan samen opgetrokken worden bij ontwikkelingen die individuele sporten overstijgen. Deze drie sportorganisaties geven aan dat zij als nadelen van een NOC*NSF-lidmaatschap zien dat het ten koste zou gaan van hun zelfstandigheid, dat zij niet meer hun eigen afwegingen kunnen maken en een eigen koers kunnen bepalen ten aanzien van bijvoorbeeld dit onderwerp. En er moet een contributie worden betaald aan NOC*NSF.
Hoeveel leden hebben de drie sportbonden voor bodybuilding, elk afzonderlijk en gezamenlijk? Hoe groot is de organisatiegraad binnen deze sport?
De drie organisaties die actief zijn in het Nederlandse bodybuilden zijn de Nederlandse tak van IFNB (International Federation for Natural Body-Building), de Nederlandse tak van IFBB (International Federation of Body-Building), en NPC-Worldwide. IFNB-NL, een organisatie waarbij zich sporters aansluiten die de sport bewust dopingvrij («naturel») willen beoefenen, heeft momenteel 115 actieve leden. IFBB-NL werkt in plaats van lidmaatschap met licenties, en schat dat er zo’n 100 licentiehouders via hen actief zijn. NPC-Worldwide schat in dat zij in Nederland zo’n 2.000 leden hebben.
Het is niet bekend hoeveel mensen in Nederland in totaal, structureel of incidenteel, en op amateurniveau of als topsport, aan bodybuilding doen. Daarmee kan ik geen uitspraak doen over de organisatiegraad binnen deze sport.
Is er toezicht mogelijk op de WADA-dopinglijst als een sportorganisatie het Nationaal Dopingreglement niet heeft opgenomen in de eigen reglementen? Deelt u de mening dat het vreemd is dat een sportorganisatie zich dan zo kan onttrekken aan algemene afspraken over doping- en middelengebruik? Op welke manieren is het alsnog mogelijk om toezicht op de WADA-dopinglijst te faciliteren? In hoeverre worden die toegepast?
Zonder juridische basis is geen toezicht mogelijk op het gebruik van middelen die op de WADA-dopinglijst staan. In Nederland wordt die juridische basis gecreëerd doordat sportbonden het Nationaal Dopingreglement (laten) vaststellen als eigen reglement, waarmee deze regels bindend worden voor de sporters die bij deze bonden zijn aangesloten. Een alternatieve juridische basis kan gecreëerd worden door de regels in wetgeving op te nemen. Sommige landen hebben dat gedaan. Een dergelijke stap zou de in Nederland geldende autonomie van de sport aantasten, in die zin dat sportbonden dan geen verantwoordelijkheid meer hebben voor de vaststelling van de dopingregels die gelden in hun sport. Het Wereld Anti-Doping Agentschap adviseert bovendien tegen het opnemen van de inhoudelijke dopingregels in nationale wetgeving, onder meer omdat wijzigingen minder snel zouden kunnen worden doorgevoerd dan nu het geval is vanwege de parlementaire processen die moeten worden doorlopen. Ook kan minder goed geborgd worden dat regels tijdens die processen ongewijzigd blijven, wat nodig is om tussen internationale sporters een gelijk speelveld qua dopingregels te hebben. Alles afwegende vind ik wetgeving daarom geen wenselijke stap.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat er een gezond en veilig sportklimaat is binnen de drie bonden voor bodybuilding als zij zich niet houden aan de richtlijnen van het Nationaal Dopingreglement? Hoe zetten die bonden zich in om wedstrijden veilig en gezond te houden?
De drie sportorganisaties zijn daar zelf voor verantwoordelijk. Zij vullen die verantwoordelijkheid in door te zorgen dat tijdens wedstrijden informatie voorhanden is over de effecten en risico’s van dopinggebruik, of faciliteren voorlichtingsbijeenkomsten (IFBB-NL). Soms wordt die informatie door de Dopingautoriteit gepresenteerd, zoals op wedstrijden van IFNB-NL. Daarnaast worden er, op verschillende schaal, door twee van de drie sportorganisaties (IFNB-NL en NPC-Worldwide) ook dopingcontroles ingezet op wedstrijden om gebruik te identificeren. Bij IFNB-NL wordt daarbij de lijst met niet toegestane middelen van het Wereld Anti-Doping Agentschap gehanteerd en worden er ook strikte consequenties verbonden aan een positieve uitslag van een controle.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat er sportwedstrijden georganiseerd worden door organisaties/bonden die niet het anti-dopingreglement hebben opgenomen in de eigen reglementen?
Natuurlijk vind ik dat onwenselijk. Daarom is er een subsidievoorwaarde voor sportsubsidies opgenomen dat er antidopingbeleid gevoerd wordt op een manier die aansluit bij het Nationaal Dopingreglement. Het staat eenieder echter vrij sportwedstrijden te organiseren, daaraan zijn op zichzelf geen specifieke voorwaarden verbonden. Zoals ik al aangaf vind ik het een verantwoordelijkheid van de sport om daarbij ook oog te hebben voor het welzijn van sporters en in het verlengde daarvan voor mogelijk dopinggebruik.
Deze drie organisaties ontvangen geen subsidies van VWS; er zijn de afgelopen jaren daartoe ook geen verzoeken gedaan door deze drie organisaties.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er sportwedstrijden in Nederland worden georganiseerd waarbij doping/anabolen worden gebruikt?
Zie antwoord vraag 5.
Krijgen deze drie sportbonden voor bodybuilding op enige manier subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, op welke wijze en om hoeveel geld gaat het?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe wordt de Wet op de economische delicten gehandhaafd binnen de bodybuildingwereld als het gaat om het zonder vergunning produceren en afleveren van geneesmiddelen? Hoe wordt deze wet gehandhaafd met betrekking tot het bereiden, verkopen, afleveren, invoeren, verhandelen of ter aflevering in voorraad hebben van ongeregistreerde geneesmiddelen?
Anabole steroïden zijn geregistreerde geneesmiddelen. Het produceren en verhandelen van geneesmiddelen is geregeld in de Geneesmiddelenwet. De Geneesmiddelenwet verbiedt het produceren en verhandelen van geneesmiddelen zonder vergunning; dit is vervolgens strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten.
Het toezicht op naleving van de Geneesmiddelenwet is belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De IGJ handhaaft de Geneesmiddelenwet in brede zin en hanteert geen specifieke aanpak voor de bodybuildingwereld.
De signalering en opsporing van handel in doping en de van toepassing zijnde wettelijke kaders worden in detail beschreven in het rapport Sterk Spul2, over de aard, omvang en ernst van handel in doping in Nederland, dat in 2020 aan uw Kamer is gezonden.
In hoeverre vindt er in Nederland opsporing en vervolging plaats naar mensen die zich schuldig maken aan de niet-gecertificeerde productie en/of handel in anabolen?
Zie antwoord vraag 8.
Is het de bedoeling dat het toezicht van doping straks onder het onafhankelijk integriteitscentrum gaat vallen? Zo ja, heeft de overheid hier dan een rol in en houdt zij dan toezicht, zoals overheden in meerdere landen om ons heen?
De verhouding tussen het toezicht op dopinggebruik en het onafhankelijk integriteitscentrum zal ik duiden bij het indienen van het wetsvoorstel dat dient ter oprichting van een onafhankelijk integriteitscentrum. Ik wil daar nu niet op vooruit lopen.
Ik ben op dit moment een internetconsultatie voor het conceptwetsvoorstel aan het voorbereiden. Het streven is het wetsvoorstel rond de zomer voor te leggen ter internetconsultatie.
Wat wordt er nu gedaan aan het tegengaan van doping/anabolengebruik bij wedstrijden en onder amateurs? Bent u bereid om meer te doen ter bevordering van een gezondere en veiligere sportomgeving voor bodybuilding, met name als het gaat om amateurwedstrijden? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover meer informatie ontvangen?
Voor de inzet van sportorganisaties bij bodybuilding wedstrijden en onder amateurs verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
In mijn beantwoording van eerdere schriftelijke vragen over dopinggebruik bij bodybuilding3 heb ik aangegeven dat ik, naar aanleiding van onderzoek naar middelengebruik in de kracht- en vechtsport, inzet op het goed informeren van sporters over de effecten en gezondheidsrisico’s van dopinggebruik.
Zijn ervaringsdeskundigen ook vertegenwoordigd binnen de organisaties (koepelorganisaties, sportbonden, NL Sporter en de overkoepelende atletencommissie van NOC*NSF) die aan tafel zitten bij de gesprekken over het wetsvoorstel, of alleen bestuurders en atleten zonder specifieke ervaringsdeskundigheid?
Een deel van de organisaties die om input wordt gevraagd ten behoeve van het wetsvoorstel dat de oprichting van het onafhankelijk integriteitscentrum regelt, neemt ook de stem mee van ervaringsdeskundigen. Of de contactpersonen die aan tafel zitten zelf ervaringsdeskundigen zijn, is om privacy-redenen niet bekend.
Hoe reflecteert u op de openbare aard van internetconsultaties aan de ene kant en het delen van ervaringsdeskundigheid aan de andere kant, gezien de zeer persoonlijke ervaringen en gevoelige informatie van ervaringsdeskundigen?
Een internetconsultatie geeft ruimte aan ervaringsdeskundigheid. Echter is het geen middel voor het delen van persoonlijke ervaringen. Wel kunnen mogelijke aandachtspunten worden meegegeven vanuit een persoonlijke ervaring.
Ziet u een internetconsultatie als een geschikt medium om deze ervaringen te delen?
Zie antwoord vraag 2.
Zo niet, wat zou een geschiktere manier zijn om ervaringsdeskundigen te betrekken in de oprichting van het onafhankelijke integriteitscentrum?
Het is belangrijk om ook de ervaringen van mensen die te maken hebben gehad met grensoverschrijdend gedrag in de sport mee te nemen bij het op- en inrichten van het onafhankelijk integriteitscentrum.
Bij de start van het ontwerpen van het onafhankelijk integriteitscentrum (doelen, taken, bevoegdheden) zijn gesprekken met ervaringsdeskundigen gevoerd. De opbrengst van deze gesprekken is meegenomen in het vervolgtraject. Op dit moment worden de algemene wettelijke kaders voor het integriteitscentrum geregeld in een concept wetsvoorstel dat rond de zomer in internetconsultatie wordt gebracht. Voor de verdere inrichting en uitwerking van bijvoorbeeld de werkprocessen van het centrum wordt een kwartiermaker aangesteld. Deze kwartiermaker zal expliciet worden gevraagd om hierbij opnieuw ervaringsdeskundigheid te betrekken en ervoor te zorgen dat deze ervaringen ook op de lange termijn worden meegenomen in de praktische werkwijze van het centrum.
Bent u bekend met de berichten «Nog steeds geen integriteitscentrum voor de sport? «Dit gaat over veiligheid, denk ik dan, over mensen»» en «Integriteitscentrum voor de sport op de lange baan»?1, 2
Ja, ik ben bekend met deze berichten.
Wat waren de ervaringen van de speciale behandeling op maat voor slachtoffers van misstanden in de turnsport die is opgezet door het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) in 2021?
Het behandeltraject bij het UMCG is als onderdeel van een breder hulp- en (na)zorgtraject voor (oud-)gymsporters intern geëvalueerd met de betrokken partijen. De Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie heeft daarover, alsmede over de opvolging van de andere aanbevelingen van het rapport «Ongelijke Leggers», in 2022 op haar website gepubliceerd.3 Begin 2023 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de evaluatie van de hulp en (na)zorg bij grensoverschrijdend gedrag.4
Hoe wordt ervoor gezorgd dat ervaringsdeskundigheid echt wordt betrokken in de oprichting van het onafhankelijke integriteitscentrum, dus niet enkel via de internetconsultatie als de basis van het wetsvoorstel er al ligt?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat ervaringsdeskundigheid wordt betrokken na de oprichting en het in bedrijf zijn van het onafhankelijke integriteitscentrum?
Zie antwoord vraag 4.
De uitsluiting van het Afghaanse vrouwen voetbalelftal van de kwalificatie voor het WK door de Taliban. |
|
Derk Boswijk (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Taliban verbieden deelname Afghaans vrouwenelftal aan WK-kwalificatie, Fifa grijpt nog niet in»?1
Ja
Hoe kijkt u naar de steeds verder onder druk staande vrouwenrechten in Afghanistan sinds de gewelddadige machtsovername van de Taliban in 2021?
De situatie voor Afghaanse vrouwen en meisjes sinds de machtsovername van het land door de Taliban in 2021 is zorgwekkend. Nederland veroordeelt met klem de systematische onderdrukking en uitsluiting van vrouwen en meisjes, in het bijzonder het gebrek aan toegang tot onderwijs en spreekt zich hier regelmatig over uit. Nederland heeft samen met Duitsland, Canada en Australië de staat Afghanistan aansprakelijk gesteld voor systematische en grove schendingen van het Vrouwenverdrag (CEDAW). Nederland blijft zich in internationaal verband en multilaterale fora inzetten op het waarborgen van mensenrechten in Afghanistan in het algemeen en de positie van vrouwen en meisjes in het bijzonder.
Bent u het ermee eens dat het recht om te mogen sporten waar ook ter wereld voor eenieder zou moeten gelden?
Het kabinet is van mening dat iedere vrouw de mogelijkheid zou moeten krijgen om te sporten, zoals ook is vastgelegd in het Vrouwenverdrag (CEDAW). Sport is van grote maatschappelijke waarde. Het is voor velen een belangrijk onderdeel van het dagelijks leven. Het draagt bij aan de fysieke en mentale gezondheid, creëert saamhorigheid en biedt kansen voor persoonlijke ontwikkeling.
Hoe kijkt u ernaar dat de Taliban het Afghaanse vrouwenvoetbalelftal, en alle vrouwen in Afghanistan, dit recht ontneemt? Bent u het eens dat dit onverteerbaar is in het kader van gelijke rechten voor vrouwen?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is de situatie voor vrouwen en meisjes in Afghanistan zorgwekkend. De Taliban ontneemt Afghaanse vrouwen en meisjes systematisch hun rechten en de mogelijkheid om te sporten. Het verbod op de deelname van het Afghaanse vrouwenvoetbalelftal aan de WK-kwalificatie is een voorbeeld van de bredere uitsluiting van Afghaanse vrouwen uit het publieke leven.
Bent u op de hoogte van de inhoud van de brief die de Fifa gestuurd zou hebben naar aanleiding van het rapport van de Sports & Rights Alliance? Kunt u achterhalen wanneer het plan dat daarin wordt aangekondigd, waarmee Afghaanse voetballers zowel binnen als buiten Afghanistan kunnen voetballen, gepresenteerd zal worden?
In een brief van 21 maart jl. gericht aan de Sport & Rights Alliance, benadrukt de FIFA het belang van het werk van deze organisatie en hun inzet voor mensenrechten in de sport. De FIFA geeft in deze brief aan samen te werken met internationale organisaties, nationale bonden en diplomatieke partners om de deelname en het welzijn van Afghaanse vrouwen in het voetbal te bevorderen.
In deze brief presenteert de FIFA een strategie en implementatieplan ten behoeve van de aanpak van voetbalkansen voor Afghaanse vrouwen, zowel binnen als buiten het land. Het plan omvat zowel steun aan Afghaanse vrouwen via projecten binnen Afghanistan, als het organiseren van speel- en ontwikkelingsmogelijkheden voor de gevluchte speelsters, zoals trainingen en oefenwedstrijden.
De FIFA stelt in de brief dat het tijd kan kosten om resultaten te boeken en geeft geen details over wanneer het plan precies tot uitvoering wordt gebracht. Het is voor het kabinet onbekend wat het tijdspad van dit plan is of wanneer het gepresenteerd wordt. De KNVB houdt de internationale ontwikkelingen binnen het voetbal in de gaten, ook die rond het Afghaanse voetbal.
Bent u het ermee eens dat de Fifa in actie moet komen om het Afghaanse vrouwenelftal te erkennen en te financieren, en daardoor de rechten van het Afghaanse vrouwenvoetbalelftal veilig te stellen, en daarmee ook de deelname aan de kwalificatie voor de Azië Cup en de WK-kwalificatie veilig te stellen? Zo nee, waarom niet?
Na de machtsovername van de Taliban in Afghanistan in 2021 werd het Afghaanse vrouwen en meisjes verboden om aan competitiesporten deel te nemen. Als gevolg hiervan moest het nationale vrouwenvoetbalteam Afghanistan verlaten en in het buitenland onderdak zoeken. Omdat het Afghaanse vrouwenvoetbalteam geen erkenning krijgt van de Afghaanse voetbalbond, die onder controle staat van de Taliban, kan het niet deelnemen aan internationale competities, tenzij de FIFA ingrijpt en hen erkenning verleent.
Het kabinet vindt dat elk vrouwenelftal zou moeten kunnen deelnemen aan grote toernooien. Het kabinet gaat echter niet over de besluitvorming of het beleid van de FIFA.
Bent u bereid om, zo mogelijk samen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB)), alle mogelijke diplomatieke en politieke invloed te gebruiken richting de Fifa, om deze hiertoe te bewegen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht “Lokale wielrenners balen van afgelast NK wielrennen” |
|
Inge van Dijk (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lokale wielrenners balen van afgelast Nederlands kampioenschap (NK) Wielrennen»?1
Ja.
Hoeveel (lokale) sportevenementen dreigen dit jaar niet door te gaan wegens een gebrek aan politiecapaciteit?
De NAVO-top die op 24 en 25 juni 2025 in Den Haag plaatsvindt, vraagt om een grote politie-inzet en heeft daarom gevolgen voor de beschikbare politiecapaciteit voor evenementen. Het lokaal gezag bepaalt mede op basis van de beschikbare politiecapaciteit welke evenementen rondom de NAVO-top doorgang kunnen vinden. Er is geen overzicht van het aantal sportevenementen dat niet kan doorgaan wegens een gebrek aan politiecapaciteit.
Hoe vaak is in 2023 en 2024 de politie en Mobiele Eenheid (ME) ingezet bij wedstrijden van betaaldvoetbalorganisaties (BVO’s)?
Gezien dit onderdeel is van de reguliere politietaak en de afwegingen gemaakt worden op lokaal niveau houdt de politie hier geen aparte cijfers van bij.
Hoe vaak wordt bijstand verleend door politie-eenheden uit andere (omliggende) regio's voor voetbalwedstrijden?
Politie uit andere eenheden leveren soms bijstand bij voetbalwedstrijden, voornamelijk bestaand uit ME-inzet. Daarnaast reizen supportersbegeleiders mee met de uitsupporters. Politie vanuit de eenheid waar de uitspelende voetbalclub vandaan komt, gaat dan naar de eenheid waar de thuisspelende club gevestigd is. De politie heeft alleen de algemene jaarcijfers met betrekking tot bijstand. Hierin staat geen specifieke informatie over de aard van de inzet.
Heeft deze bijstand in de basisregio's van de dienstdoende agenten geleid tot onderbezetting? Zo ja, kunt u specificeren hoe vaak dit heeft plaatsgevonden?
Er zijn geen gevallen bekend waarin bijstand heeft geleid tot onderbezetting in de basisregio’s op het reguliere politiewerk zoals incidentenafhandeling en heterdaadopsporing. De bijstand voor de inzet bij voetbalwedstrijden gaat wel ten koste van andere activiteiten van de politie bijvoorbeeld inzet in de wijken.
Kunt u aangeven hoeveel sportevenementen, inclusief amateur- en breedtesport, in gemeenten in 2023 en 2024 negatief zijn geadviseerd door de politie vanwege capaciteitsgebrek?
Deze afwegingen worden op lokaal niveau gemaakt. Ik beschik derhalve niet over de gevraagde cijfers.
Hoe beoordeelt u het feit dat kleinschalige sportevenementen, die aansluiten bij het beleidsdoel om sportparticipatie en maatschappelijke cohesie te bevorderen, soms niet door kunnen gaan vanwege een gebrek aan politiecapaciteit?
Sportevenementen, groot en klein, kunnen worden ingezet voor verschillende (lokale) maatschappelijke doeleinden, waaronder het bevorderen van sportparticipatie en maatschappelijke cohesie. Ik snap de teleurstelling als deze evenementen geen doorgang kunnen vinden door beperkte beschikbare politiecapaciteit. Dit betekent natuurlijk ook iets voor het behalen van de verschillende (lokale) maatschappelijke beleidsdoelen.
De bevoegdheid om te beslissen over de doorgang van evenementen ligt bij het lokaal gezag. Hierbij houdt het lokaal gezag rekening met de benodigde en de beschikbare politiecapaciteit. Wanneer er te weinig politiecapaciteit is, kan een evenement door aanpassingen mogelijk evengoed doorgang vinden met minder politie-inzet. Ook kan lokaal worden besloten om het behalen van de eerder genoemde beleidsdoelen anders in te richten.
Een goed voorbeeld van het anders organiseren van evenementen komt uit de wielersport. Eerder bent u geïnformeerd2 over het voornemen van de Koninklijke Nederlandse Wielren Unie (KNWU) om meer in te zetten op burgermotorverkeersregelaars bij professionele wedstrijden, zodat deze wedstrijden georganiseerd kunnen worden met minder politie-inzet. Met het amendement van het lid Inge van Dijk3 zijn middelen gereserveerd ter ondersteuning van het ontwikkelen van een landelijke richtlijn voor burgermotorverkeersregelaars. De subsidieaanvraag van de KNWU is momenteel in behandeling bij het Ministerie van VWS.
Welke mogelijkheden ziet u om ervoor te zorgen dat kleinschalige sportevenementen in gemeenten beter ondersteund worden?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid een gezamenlijk protocol op te stellen, samen met de relevante ministeries, waarin de politie-inzet bij kleinschalige sportevenementen gewaarborgd blijft, zodat dergelijke evenementen niet het slachtoffer worden van gebrek aan politiecapaciteit?
De afweging of en hoe evenementen doorgang vinden wordt door het lokaal gezag gemaakt. De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik zien daarom geen aanleiding om een protocol op te stellen.
Hoe kan volgens u de samenwerking tussen de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Justitie en Veiligheid versterkt worden om sport als middel voor inclusie, cohesie en preventie te ondersteunen?
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik hebben regelmatig contact over onderwerpen die invloed hebben op sport en de publieke veiligheid.
Sportcomplexen die zonder extra geld uit de BOSA snel verouderen |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het totale budget van 74 miljoen euro voor 2025 voor de subsidieregeling Stimulering Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties (BOSA) op woensdagavond 8 januari al volledig overtekend was?1
Voor de BOSA is in 2025 een budget beschikbaar van € 74 miljoen. Vanaf 6 januari konden amateursportorganisaties hiervoor een aanvraag indienen. Op 9 januari was er voor € 87,5 miljoen aangevraagd. Dat betekent dat er al snel meer was aangevraagd dan het beschikbare budget.
Klopt het dat het aanvraagformulier voor de BOSA wordt gesloten zodra het totaal aangevraagde subsidiebedrag in 2025 meer dan 155% van het jaarbudget bedraagt? Kunt u aangeven wat de meest recente stand van zaken is en of het aanvraagformulier daarmee al gesloten is?
Om te voorkomen dat onnodig nieuwe aanvragen worden ingediend en dat toekomstige aanvragers schijnzekerheid hebben ten aanzien van hun aanvraag is in de regeling opgenomen dat er met een marge van 155% van het totale subsidieplafond wordt gewerkt als peilmoment om het aanvraagloket te sluiten. Dat betekent dat het aanvraagportaal gesloten wordt op het moment dat er voor 155% van het subsidieplafond is aangevraagd. Dat gaat om een aanvraagbedrag van € 114,7 miljoen. Vanaf dat moment kunnen er geen aanvragen tot directe vaststelling en aanvragen tot verlening meer worden ingediend in dit kalenderjaar. Per 23 januari is er voor € 105,1 miljoen aangevraagd.
Deelt u de opvatting dat het feit dat de subsidieregeling binnen een paar dagen overtekend is, laat zien dat het een gemiste kans is dat er niet meer financiële middelen beschikbaar zijn om op zo kort mogelijke termijn zo veel mogelijk sportverenigingen te ondersteunen die momenteel al in de startblokken staan om hun accommodaties te vernieuwen en te verduurzamen? Zo nee, waarom niet?
Ik realiseer me dat een subsidie vanuit de BOSA voor veel sportverenigingen een belangrijke bijdrage is om te kunnen investeren in de bouw, het onderhoud en de verduurzaming van hun accommodaties. Zoals al aangegeven in de bijlage «Beleidsreactie NKP rapport Amateursport fit voor de toekomst» bij de Najaarsbrief Sport en Bewegen 2024 wordt de Subsidieregeling voor Verduurzaming van Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA) vanaf 2 juni 2025 ook opengesteld voor sportaccommodaties in eigendom van een amateursportorganisatie.2Op deze manier wordt de huidige druk en de korting op de BOSA vanaf 2026, die voorkomt dat we bijvoorbeeld moeten korten op andere subsidies zoals het jeugd- en cultuursportfonds, voor een deel opgevangen.
Kunt u zich herinneren dat u tijdens het wetgevingsoverleg over het Begrotingsonderdeel Sport en Bewegen van 2 december 2024 hebt gezegd dat u verwacht dat er een substantiële hoeveelheid geld naar de sport zal gaan zodra de subsidieregeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA) voor sportverenigingen wordt opengesteld?
Ik heb aangegeven dat we verwachten dat er een substantiële hoeveelheid geld vanuit de DUMAVA naar sportverenigingen zal gaan, maar dat we niet weten hoeveel dat precies is.
Wat is uw reactie op de opmerking van NOC*NSF dat de DUMAVA-regeling nog veel ingewikkelder is en dat verenigingen en vrijwillige sportbestuurders zonder gespecialiseerde juridische hulp er echt niet zomaar tussen zullen kunnen komen?
De voorwaarden en aanvraagprocedure verschillen tussen de BOSA en de DUMAVA en ik heb begrip voor de zorgen vanuit sportverenigingen. In de bijlage «Strategie Sportverenigingen» bij de Najaarsbrief Sport en Bewegen 2024 heb ik daarom aangegeven dat ik in aanloop naar openstelling van de DUMAVA in 2025 met de sportsector in gesprek gaan over de aanvraagprocedure en de inhoud van de regeling zelf.3 Op 20 februari organiseert de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland een webinar voor aanvragers uit de sportsector om de DUMAVA-voorwaarden en -aanvraagprocedure toe te lichten. Om de DUMAVA beter aan te laten sluiten bij de behoeften van verenigingen is ook de maatregelenlijst van de DUMAVA aangepast.
Op welke wijze worden aanvragers voor de BOSA die worden afgewezen vanwege het subsidieplafond, ondersteund bij een eventuele aanvraag bij de DUMAVA?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er voor amateursportorganisaties één overgangsjaar zal gelden waarin zij kunnen kiezen of zij subsidie op grond van de BOSA of op grond van de DUMAVA aanvragen voor verduurzamingsmaatregelen?2
Ja.
Kunt u aangeven of er bij een subsidieaanvraag voor de DUMAVA andere voorwaarden gelden en/of andere gegevens aangeleverd moeten worden dan bij een subsidieaanvraag bij de BOSA? Kunt u daarbij aangeven welke verschillen dit precies zijn?
Er bestaat een aantal verschillen tussen beide regelingen. Dat gaat onder meer om:
Subsidie aanvragen kan voor of na het uitvoeren van de maatregelen
Subsidie aanvragen kan alleen vooraf
De aanvrager hoeft geen eigenaar van het gebouw/terrein te zijn
De eigenaar moet aanvragen
Alleen losse maatregelen
Losse maatregelen en integrale projecten
Uitvoertermijn losse maatregelen 3 jaar (als u vooraf aanvraagt)
Uitvoertermijn losse maatregelen 2 jaar
30% subsidie voor verduurzamingsmaatregelen
• 20% subsidie voor losse maatregelen
• 30 of 40% subsidie voor integrale verduurzaming
80% voorschot of meteen vaststellen als onder € 25.000
70% voorschot of meteen vaststellen als onder € 25.000
Geen energieadvies nodig
Energieadvies, maatwerkadvies of portefeuilleroutekaart nodig
Minimaal subsidiebedrag € 2.500
• Minimaal subsidiebedrag losse maatregelen € 5.000
• Minimaal subsidiebedrag integrale projecten € 25.000
Maximum subsidiebedrag € 2.500.000 per jaar
Maximum subsidiebedrag € 1.500.000 per jaar
Meerdere aanvragen per jaar mogelijk
1 aanvraag per jaar mogelijk
Maximale behandeltijd voor verlening en vaststelling is 22 weken
Maximale behandeltijd voor verlening is 13 weken en voor vaststelling 22 weken
Uitvoerder is DUS-I
Uitvoerder is RVO
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Subsidiebudget 2025: € 74 miljoen
Subsidiebudget 2025: € 345 miljoen, waarvan € 81 miljoen voor losse maatregelen en € 264 miljoen voor integrale projecten
Subsidie aanvragen vanaf 6 januari 2025
Subsidie aanvragen vanaf 2 juni 2025
Kunnen amateursportorganisaties tijdens het overgangsjaar bij de DUMAVA eenzelfde subsidiebedrag aanvragen als bij de BOSA? Zo nee, welk verschil zit hiertussen?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat (in ieder geval) tijdens het overgangsjaar de DUMAVA alleen beschikbaar blijft voor het verduurzamen van gebouwen en dus niet voor het bouwen van bijvoorbeeld nieuwe sportaccommodaties?
De DUMAVA is inderdaad gericht op verduurzaming van maatschappelijk vastgoed en is niet gericht op nieuwbouw.
Is het voornemen om de DUMAVA-regeling in de toekomst ook open te stellen voor de nieuwbouw van (bijvoorbeeld) sportaccommodaties? Zo nee, waarom niet?
De DUMAVA is bedoeld om bestaand maatschappelijk vastgoed te verduurzamen. Nieuwbouw valt niet onder de scope van de subsidieregeling, omdat nieuwbouw al moet voldoen aan hoge eisen ten aanzien van verduurzaming.
Wel werk ik zoals toegelicht in de Najaarsbrief Sport en Bewegen 2024 voor de langere termijn aan een plan van aanpak gericht op het creëren van een toekomstbestendige sportinfrastructuur, om zo ook adequaat te kunnen ondersteunen bij de huidige en toekomstige opgave op het gebied van de bouw en het onderhoud van de sportaccommodaties.
Deelt u de mening dat nu u voornemens bent de BOSA de komende jaren af te bouwen en daartegenover de DUMAVA per 2 juni 2025 voor de sport open te stellen, het van belang is goed te monitoren of er in de praktijk voldoende financiële middelen naar de sport blijven gaan? Zo nee, waarom niet?
De verdeling van de middelen vanuit de DUMAVA wordt jaarlijks gemonitord. Hieruit zal blijken hoe groot het aandeel is dat vanuit de DUMAVA bij de sport terecht komt. Dit wordt na afloop van elke subsidieronde beschikbaar gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.5
Bent u bereid de Kamer uiterlijk Prinsjesdag 2025 te informeren welk deel van de DUMAVA 2025 in de praktijk tot op dat moment wordt toegekend aan de sport? Zo nee, waarom niet?
Ja, hiertoe ben ik bereid.