Het bericht 'Verkrachtingsacademie’ waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot' |
|
Etkin Armut (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot»?1
Deelt u de mening dat het verwerpelijk en onacceptabel is dat er wereldwijde netwerken bestaan van mannen die elkaar aanmoedigen om vrouwen te misbruiken en drogeren, en hier veelvuldig tips over delen?
Welke strafrechtelijke mogelijkheden bestaan er om beheerders en Nederlandse gebruikers van dit soort platforms op te sporen en te vervolgen?
Kunt u in kaart brengen hoeveel van dit materiaal op Nederlandse servers staan en in hoeverre soortgelijke «verkrachtingsacademies» in Nederland aan de orde zijn?
Hoeveel Nederlandse vrouwen zijn naar verwachting slachtoffer van drogering en verkrachting door hun partner en waar kunnen deze slachtoffers zich melden?
In hoeverre is het strafbaar om in groepchats tips te delen om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie? Kan hier specifiek op gehandhaafd worden en zo nee, welke belemmeringen zijn er?
Bent u van mening dat het wenselijk is om deelnemen aan of faciliteren van dergelijke online omgevingen explicieter strafbaar te stellen?
Hoe kunt u voorkomen dat anonimiteit op het internet ertoe leidt dat daders zich gemakkelijk kunnen verschuilen bij het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik, en welke ruimte biedt de Digital Services Act (DSA) om dit tegen te gaan?
Op welke manier werkt Nederland samen met andere Europese lidstaten bij de bestrijding van dit soort grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit?
Kunt u in kaart brengen wat Nederland als individuele lidstaat kan doen om dit aan te pakken, en wat nodig is in Europees verband?
Heeft u in beeld hoeveel meldingen worden gedaan bij de online platforms over dergelijke «verkrachtingsacademies» en op welke manier wordt hierop geacteerd door de platforms?
Vindt u dat Telegram de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen en schadelijke content te verwijderen naleeft, nu veelvuldig in groepchats concreet advies wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen, middelen worden verkocht om vrouwen in slaap te houden en livestreams worden gemaakt van seksueel misbruik?
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende wetgeving of bevoegdheden nodig zijn om sneller in te grijpen bij websites die seksueel geweld faciliteren?
Bent u bereid om, in samenwerking met Europese lidstaten, zich actief in te zetten voor het zo snel mogelijk offline halen van platforms zoals Motherless die seksueel geweld faciliteren of verheerlijken, en welke concrete stappen kunt u daartoe nemen?
Het bericht ‘Grote onrust in wijk om fatbiketerreur, bewoners bewapenen zich en dreigen met ‘wijkoorlog’ in brief aan politie’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat in steeds meer gemeenten, waaronder Delfzijl, sprake is van ernstige overlast en intimidatie door groepen «jongeren» in de openbare ruimte, waarbij het lokale gezag zichtbaar moeite heeft om grip te krijgen op de situatie?1
Wat vindt u ervan dat inwoners van Delfzijl kennelijk het vertrouwen verliezen dat de overheid hen nog voldoende kan beschermen? Deelt u de opvatting dat dit buitengewoon zorgelijk en beschamend is voor een rechtsstaat?
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten sprake is van vergelijkbare problematiek met overlastgevende of criminele jeugdgroepen waarbij het de gemeente of een wijk compleet ontwricht?
Deelt u de opvatting dat wanneer het bevoegd gezag aantoonbaar tekortschiet, of onvoldoende capaciteit en gezag heeft om hardnekkig overlastgevend en intimiderend tuig van straat te halen, het vanuit menselijk oogpunt voorspelbaar en logisch is dat bewoners zich uiteindelijk genoodzaakt voelen hun wijk zelf te verdedigen? Kunt u hier een heldere reactie op geven?
Welke rol spelen capaciteitsproblemen bij politie, boa’s en handhaving volgens u bij het ontstaan of voortduren van dit soort situaties?
Vanaf welk punt bent u bereid het geweldsmonopolie van de staat zichtbaarder, steviger en dwingender in te zetten om de openbare orde te herstellen en inwoners weer veiligheid te bieden? Kunt u daarbij een concreet tijdspad geven?
Welke extra maatregelen bent u bereid te nemen om gemeenten sneller en effectiever te helpen bij de aanpak van dit soort overlastgevende jeugdgroepen, zoals ruimere inzet van gebiedsverboden, groepsverboden, preventief fouilleren, snelle inbeslagname van voertuigen en persoonsgerichte maatregelen?
Waarom worden gemeenten die hun inwoners willen beschermen nog te vaak tegengewerkt door regels, procedures of terughoudende instanties wanneer zij extra camera’s, handhaving of andere veiligheidsmaatregelen willen inzetten, en hoe gaat u daar per direct verandering in brengen?
Wat doet u op dit moment actief richting gemeenten met vergelijkbare problematiek, en welk aanvullend pakket aan maatregelen bent u bereid op korte termijn beschikbaar te stellen?
Het bericht 'Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van 'democraat' Pahlavi'' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van «democraat» Pahlavi» van Nieuwsuur, d.d. 19 april 2026?1
Bent u bekend met signalen van intimidatie tegen Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, waar bestaan die signalen uit?
Staat u direct of indirect in contact met de Iraanse diaspora in Nederland, ook met de Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, ervaren deze groepen druk vanuit het Iraanse regime dan wel vanuit kringen rondom de zoon van de sjah? Zo nee, bent u bereid met deze groepen in contact te treden?
Hoeveel aangiftes zijn er gedaan vanwege misdrijven gericht tegen Iraanse Nederlanders waaronder doxing? Wat is de stand van zaken van deze aangiftes?
Acht u het nodig dat Iraanse Nederlanders beter beschermd gaan worden tegen vormen van intimidatie waaronder strafbare feiten? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Is de politie extra alert op bedreigingen van Iraniërs in Nederland? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
De uitspraak van het Kifid over de incassodienstverlening van Klarna |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Klarna geeft toe incassowerkzaamheden uit te voeren»1 en de bindende uitspraken van het Kifid2 waar geconcludeerd wordt dat uitgesteld betalen een vorm van kredietverstrekking is waarvoor een kredietwaardigheidstoets is vereist?
Zijn er door de Inspectie Justitie en Veiligheid handhavende maatregelen getroffen waardoor Klarna zich inmiddels heeft geregistreerd in het Incassoregister, of was de registratie uit eigen beweging?
Heeft u signalen van de Inspectie Justitie en Veiligheid gekregen over de effectiviteit en reikwijdte van hun instrumentarium om adequaat toe te zien op de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Voldoet Klarna, met de registratie in het Incassoregister, nu aan alle kwaliteitseisen uit de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening?
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Kifid in de zaak die consumenten hebben aangespannen tegen Klarna? Zijn er als gevolg van deze uitspraak mogelijke gevolgen voor andere klanten van Klarna? Zo ja, welke?
Hoe beoordeelt u de stellingname van het Kifid dat BNPL-dienstverlening een lening is waar een kredietwaardigheidstoets op vereist is, in relatie tot inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn consumentenkrediet? Wat betekent dit voor de periode tot inwerkingtreding van de richtlijn?
Op welke wijze wordt de kredietwaardigheidstoetsing in lagere regelgeving van de aanstaande Implementatiewet richtlijn consumentenkrediet verwerkt? Wat wordt hierbij de grens en verschillende niveaus van kredietwaardigheidstoetsing?
De rechtelijke uitspraak dat X (Twitter) volledige inzage moet geven in persoonsgegevens |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 april 2026 in de zaak tussen X (Twitter) en een individu om inzage te mogen krijgen in de gegevens die het bedrijf van hem bijhoudt?1
Wat is uw reactie op deze uitspraak en de gevolgen die het heeft voor de interpretatie van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zowel nationaal als in Europees verband?
Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen om een onafhankelijke analyse uit te voeren naar de gevolgen van de uitspraak voor de interpretatie, handhaving en uitoefening van het inzagerecht voor individuele gebruikers?
Bent u op de hoogte van meer (soortgelijke) rechtszaken die tegen grote techbedrijven als X (Twitter) lopen? Welke gevolgen heeft de uitspraak op deze lopende zaken?
Hoe wordt er op toegezien dat X (Twitter) de uitspraak van de rechter naar behoren uitvoert en (nagenoeg) volledige inzage geeft in de persoonsgegevens van de gebruiker, gezien het feit dat deze partij eerder al weigerde dit te doen?
Bent u op de hoogte dat X (Twitter) in deze zaak meermaals heeft geprobeerd om de andere partij een spreekverbod op te leggen? Erkent u dat deze handelingen vanuit een groot internationaal techbedrijf intimiderend is tegenover één individu?
Biedt de richtlijn tegen Strategic Lawsuit Against Public Participation (anti-SLAPP-richtlijn) genoeg bescherming tegen individuen die een zaak aanspannen richting grote internationale techbedrijven zoals X (Twitter)? Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen om individuen die procederen tegen dit soort bedrijven te beschermen?
Bent u bekend met de afwijzing van een handhavingsverzoek van de betrokken individu bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM), mede omdat er al een civiele zaak loopt?2 Kunt u er in samenwerking met de ACM op toezien dat handhavingsverzoeken en civiele zaken elkaar in het vervolg niet meer uitsluiten?
Welke gevolgen heeft het als X (Twitter) niet voldoet aan deze uitspraak? Kan het bedrijf worden gesanctioneerd of alsnog tot openheid gedwongen worden?
Zijn de huidige boetemogelijkheden voor het niet naleven van de AVG volgens u voldoende effectief? Bent u bereid te onderzoeken of er aanvullende handhavingsmogelijkheden, zoals het persoonlijk aansprakelijk maken van bestuurders zoals in andere EU-landen,3 wenselijk zijn voor bedrijven die stelselmatig de wet niet naleven?
Erkent u dat, na deze historische uitspraak, elke gebruiker het recht heeft om (nagenoeg) volledige inzage te verkrijgen in de gegevens die X (Twitter) over hem of haar bijhoudt? Voor welke andere (soorten) bedrijven zet deze uitspraak een precedent?
Bent u het met de indieners eens dat de toegang tot het inzagerecht voor alle gebruikers toegankelijk moet zijn en uitgeoefend kan worden, ongeacht juridische kennis en middelen?
Hoe kan de rechtspositie van individuele gebruikers versterkt worden om zich met gemak te beroepen op het inzagerecht richting grote techbedrijven? Welke maatregelen kunt u hiertoe nemen?
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor een eensgezinde uitleg van het inzagerecht van de AVG conform de rechtelijke uitspraak, en de Nederlandse interpretatie te erkennen als norm binnen alle EU-lidstaten?
Bent u het met de indieners eens dat grote techbedrijven zoals X (Twitter) zouden moeten meebetalen aan de handhaving van de wetgeving die zij overtreedt, zoals het geval is onder de Digital Services Act, maar nog niet het geval is onder de AVG?
Hoeveel belastinggeld betaalt X (Twitter) momenteel in Nederland?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het artikel 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland»?1?
Ja.
Hoe kwalificeert u het naar buiten treden van de Centrale Privacy Officer (CPO) van Logius in deze casus als het buiten de eigen rol treden door via media en procedures politieke druk uit te oefenen?
De berichtgeving in verschillende media is op persoonlijke titel gedaan en de mediaoptredens en de inhoud daarvan zijn niet afgestemd met het departement. Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Ten aanzien van de inhoud kan ik melden dat, zoals eerder is toegelicht aan uw Kamer, het niet mogelijk is om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening van Logius in gevaar komt. Een dergelijk traject is langdurig en vraagt een overdracht en een zorgvuldige voorbereiding en uitvoering. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 het besluit genomen dat Logius haar contract met Solvinity mag verlengen met twee jaar. De ondertekening van deze verlenging zal begin mei 2026 plaatsvinden. Op dit moment wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden Logius haar IT-fundament zo snel mogelijk opnieuw kan gaan aanbesteden. De Landsadvocaat is nauw bij dit proces betrokken. In juni zullen wij uw Kamer in meer detail informeren.
Welke formele interne escalatiekanalen stonden voor deze functionaris open, welke van deze kanalen zijn feitelijk benut en klopt de bewering dat toegang tot de bewindspersoon of de politieke leiding is geweigerd?
In het algemeen geldt dat voor het afgeven van een signaal of het doen van een melding over een vermoeden van een integriteitsschending of misstand de meldregeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties drie mogelijkheden beschrijft. In beginsel worden signalen of meldingen gedaan bij de direct leidinggevende van een medewerker. Een medewerker kan er ook voor kiezen een melding te doen bij het Meldpunt Integriteit. Tot slot kan een medewerker – desgewenst anoniem – een melding doen bij een vertrouwenspersoon. Meldingen worden vertrouwelijk in ontvangst genomen en behandeld. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het benutten van de genoemde kanalen of mogelijke acties die in individuele casuïstiek zijn genomen.
Is in deze casus formeel een melding gedaan op grond van de Wet bescherming klokkenluiders en, zo ja, onder welke kwalificatie of categorie is die melding gedaan?
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Kunt u aangeven of in deze casus onderzoek wordt gedaan naar mogelijke ongeoorloofde openbaarmaking van interne informatie en, zo nee, waarom niet? Indien daarvan wel sprake is, op basis van welke normen, procedures en mogelijke disciplinaire of strafrechtelijke kaders vindt dat onderzoek plaats?
Op dit moment wordt geen onderzoek gedaan. Het stuk waaruit geciteerd lijkt, is breder binnen het departement beschikbaar is. Het is niet duidelijk hoe de informatie openbaar is geworden. Er wordt aangifte gedaan van het vermoeden van een schending van de geheimhoudingsplicht. In artikel 9 van de Ambtenarenwet 2017 is vastgelegd dat ambtenaren verplicht zijn tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie, waarvan zij het geheime karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Een schending van deze verplichting kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. De aangifte is niet gericht tegen specifieke personen.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de voor ambtenaren geldende regels over contacten met de media, het in het artikel opgenomen citaat van een bron met jarenlange ervaring in de top van ministeries die volgens het artikel niet officieel met de media mocht spreken?2
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek. Onder andere de Gedragscode Integriteit Rijk geeft concrete kaders voor externe contacten en meningsuitingen. In algemene zin geldt dat van ambtenaren wordt verwacht dat zij zich in contacten met derden, zoals de media, horen te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. In de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren is hierover bepaald dat een ambtenaar in functionele contacten met derden, zich er rekenschap van moet geven dat hij als zodanig optreedt namens of ten behoeve van de Minister. Ambtenaren handelen of spreken niet voor zichzelf, maar met het oog op het door de Minister of ministerraad vastgesteld beleid. Een ambtenaar heeft overigens wel het recht op vrijheid van meningsuiting tenzij de goede vervulling van zijn functie of de het goede functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid is verzekerd (artikel 10 Ambtenarenwet 2017). Wanneer daar sprake van is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Deelt u de opvatting dat politiek wordt bedreven in de Tweede Kamer der Staten-Generaal en in het kabinet, en niet vanuit de ambtelijke organisatie via mediaoptredens en rechtszaken tegen de Staat?
In onze democratische rechtsstaat hebben ambtenaren een adviserende rol en besluit uiteindelijk de politiek. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Welke disciplinaire, integriteitsrechtelijke of rechtspositionele kaders gelden wanneer een ambtenaar vertrouwelijke of interne informatie gebruikt om lopende politieke besluitvorming publiekelijk te beïnvloeden?
Onder andere Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Ambtenarenwet 2017, de Cao Rijk en de Gedragscode Integriteit Rijk bieden onder meer integriteitsrechtelijke, rechtspositionele en disciplinaire kaders voor ambtenaren. Welke kaders van toepassing zijn en hoe deze worden ingezet, is afhankelijk van de omstandigheden in een specifieke zaak.
Acht u het, gelet op deze casus, verdedigbaar dat het kabinet de regie in dit dossier heeft, wanneer ambtenaren op deze wijze naar buiten treden, de Staat aanklagen en zich daarover ook openlijk uitlaten op sociale media?3
Verwezen wordt naar de antwoorden op vraag 6, 7, 8 en 10.
Is het kabinet bereid onomwonden uit te spreken dat ambtenaren mogen waarschuwen, adviseren en, waar de wet dat toestaat, melden, maar dat zij geen parallel politiek strijdtoneel via media en procedures mogen organiseren tegen het eigen kabinetsbeleid?
Rijksbreed wordt een werkklimaat bevorderd waarbij medewerkers op de werkvloer hun vragen en dilemma’s- bij collega’s en leidinggevenden kunnen uitspreken en samen met hen kunnen onderzoeken hoe hier het beste mee om te gaan. Het bieden van ruimte voor reflectie en dialoog op de werkvloer behoort volgens het kabinet niet alleen tot goed werkgeverschap, maar is juist ook noodzakelijk om als rijksdienst effectief te kunnen functioneren en de neutraliteit te behouden.
Na het ambtelijk advies besluit uiteindelijk de bewindspersoon. De politieke weging kan tot een ander besluit leiden dan ambtelijk werd geadviseerd. De bewindspersoon legt daarover verantwoording af aan het parlement. Vervolgens voeren ambtenaren uit wat politiek is besloten, ook als de politieke weging tot een ander besluit heeft geleid dan werd geadviseerd. Als de uitvoering van een politiek besluit onbedoelde gevolgen heeft, is het de taak van ambtenaren om die signalen terug te leggen bij de verantwoordelijk bewindspersoon zodat die het besluit kan heroverwegen. Ook dan besluit uiteindelijk de politiek.
Verder wordt verwezen naar het antwoord bij vraag 6.
Zou u de vragen afzonderlijk van elkaar willen beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel?1
Kunt u zich herinneren dat in het plenaire debat van 11 februari 2026, in reactie op vragen van het lid Heutink over het driesporenbeleid, u heeft geantwoord dat er, totdat de processen van die drie sporen zijn doorlopen, er niets zou gebeuren? Zo nee, wat heeft u dan wel gezegd?
Klopt het dat er na afronding van spoor twee al een handtekening door de koper en verkoper gezet zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Als blijkt dat er na afronding van spoor twee al een handtekening gezet zou kunnen worden, hoe kunt u dan zeggen dat er totdat de drie sporen zijn doorlopen er niets zou gebeuren?
Bestaat er een mogelijkheid dat u in uw reactie geantwoord heeft vanuit de context? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten en de context delen met de Kamer? Zo nee, waar komt dit antwoord dan vandaan?
Deelt u de mening dat u de Kamer destijds gerust heeft gesteld door te stellen dat er niets zou gebeuren, en er dus ook geen handtekening zou worden gezet, totdat de drie sporen zijn afgerond? Deelt u deze mening, nu u dit artikel leest, nog steeds? Zo ja, waarom? Zo nee, wat was dan de mening van het kabinet ten tijde van het debat geweest?
Uit welke wet blijkt dat het treffen van mitigerende maatregelen randvoorwaardelijk is om tot koop en verkoop door partijen over te gaan? Graag een uitgebreide toelichting.
Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te zetten en dus geen goedkeuring te verlenen inzake de overname van Solvinity door Kyndril voordat alle feiten op tafel liggen en voordat de Kamer hier een uitspraak over heeft gedaan?
Kunt u garanderen dat deze klokkenluider beschermd wordt en op geen enkele wijze benadeeld wordt en nu en in de toekomst op een veilige plek zijn werk kan verrichten?
'De Blauwe Haven' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente mediaberichten over grensoverschrijdend gedrag binnen politieonderdeel De Blauwe Haven, waaruit blijkt dat meerdere medewerkers zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ongewenst gedrag richting (vrouwelijke) collega’s?
Klopt het dat er eerder melding is gemaakt van ten minste meerdere slachtoffers binnen de politieorganisatie? Wat is op dit moment het totaal aantal bekende meldingen en slachtoffers binnen dit dossier?
Herkent u de signalen dat het daadwerkelijke aantal slachtoffers hoger ligt dan tot nu toe publiekelijk bekend is gemaakt? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, waarop baseert u dat?
Kunt u aangeven op welke wijze slachtoffers binnen de politieorganisatie momenteel worden ondersteund, en of u van mening bent dat deze ondersteuning toereikend is?
Klopt het dat het lopende onderzoek zich momenteel richt op slechts een beperkt aantal (circa twee) medewerkers? Zo ja, waarom is ervoor gekozen om het onderzoek in eerste instantie tot deze groep te beperken?
Deelt u de opvatting dat, gezien de ernst van de signalen en het mogelijke grotere aantal betrokkenen, een breder en diepgaander onderzoek noodzakelijk is om alle misstanden binnen deze eenheid boven tafel te krijgen? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zijn bij u signalen bekend dat de korpschef, Janny Knol, reeds eerder op de hoogte was van (een deel van) deze meldingen? Zo ja, sinds wanneer? Welke acties zijn naar aanleiding daarvan ondernomen? Acht u dit handelen adequaat?
Hoe beoordeelt u de informatiepositie van de korpsleiding in dit dossier? Zijn er aanwijzingen dat signalen onvoldoende zijn opgepakt of intern zijn gebleven?
Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om het onderzoek niet volledig onafhankelijk extern te laten uitvoeren, maar (deels) binnen of in opdracht van de politieorganisatie zelf plaatsvindt?
Deelt u de mening dat, gezien de aard van de beschuldigingen en de mogelijke cultuurproblemen binnen de organisatie, een volledig onafhankelijk onderzoek noodzakelijk is om vertrouwen van slachtoffers en de samenleving te waarborgen? Zo ja, bent u bereid alsnog een onafhankelijk extern onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt momenteel geborgd dat slachtoffers en betrokkenen zich veilig voelen om zich te melden, mede gezien signalen van angst en terughoudendheid?
Wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat alle (mogelijke) slachtoffers en getuigen zich anoniem, veilig en laagdrempelig kunnen melden, bijvoorbeeld via onafhankelijke meldpunten buiten de politieorganisatie?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om drempels voor melden weg te nemen, zoals:
Hoe wordt geborgd dat meldingen die alsnog binnenkomen ook daadwerkelijk worden betrokken bij het lopende onderzoek en niet buiten beschouwing blijven vanwege de huidige afbakening van het onderzoek?
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dergelijke situaties zich in de toekomst opnieuw voordoen binnen de politieorganisatie?
De hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen |
|
Marc Vervuurt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1
Ja.
Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?
Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?
Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.
Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?
Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.
Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?
Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.
In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?
Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.
Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?
De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.
In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?
Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.
Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.
Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?
Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?
In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.
De wanordelijkheden rond de wedstrijd Go Ahead Eagles – PEC Zwolle |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de wanordelijkheden rond Go Ahead Eagles – PEC Zwolle, waaronder het bericht dat uiteindelijk moest worden ingegrepen door de ME?1 Wat is uw reactie op het verloop van deze gebeurtenissen?
Ja.
Hoe kan het dat, ondanks vooraf aangekondigde strengere controles en overleg met supporters, toch wanordelijkheden zijn ontstaan? Waar is het volgens u concreet misgegaan?
Voordat ik deze vragen beantwoord, wil ik schetsen hoe de beslisstructuur op het gebied van veilig en gastvrij voetbal plaatsvindt. De wedstrijdvoorbereiding is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek, bestaande uit de burgemeester, het Openbaar Ministerie, de politie en de betaald voetbal organisatie (BVO). Hier ben ik niet bij betrokken en hier hoor ik ook niet bij betrokken te zijn. De landelijke overheid neemt wel deel aan de Regiegroep Voetbal en Veiligheid.2 Binnen de Regiegroep worden afspraken gemaakt en adviezen gegeven om de veiligheid en gastvrijheid in en rond Nederlandse voetbalstadions te verbeteren en de samenwerking tussen de deelnemende partners te bevorderen. De Regiegroep treedt echter niet in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van decentrale overheden. Tegen deze achtergrond beperk ik mij tot een toelichting op algemene beleidslijnen en ga ik niet in op de concrete omstandigheden van deze situatie. De burgemeester van Deventer legt daarover desgevraagd verantwoording af aan de gemeenteraad.
In de wedstrijdvoorbereiding op decentraal niveau worden er heldere afspraken gemaakt over de voorwaarden voor de toelating van het maximaal aantal supporters in het gastenvak. Het verdient waardering dat op decentraal niveau vooraf in goede onderlinge afstemming alles in het werk is gesteld om een gastvrije en veilige ontvangst van supporters te waarborgen. Helaas hebben deze voorwaarden in dit geval niet het beoogde effect gehad op het gedrag van een deel van de uitsupporters. De evaluatie van de wedstrijd is nog niet afgerond. Op dit moment valt daarom niet aan te geven waarom deze groep supporters de gemaakte afspraken en regels heeft genegeerd.
Zoals aangegeven is de wedstrijdvoorbereiding een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek waar ik vanuit mijn rol niet betrokken bij ben. Van de voetbalvierhoeken van Deventer en Zwolle heb ik overigens begrepen dat zij voorafgaand aan deze wedstrijd nauw met elkaar samen hebben gewerkt om de derbywedstrijd veilig en gastvrij te laten verlopen. De lokale vierhoeken zien deze derby namelijk al jaren als een hoog-risicowedstrijd.
Welke risico-inschatting is vooraf gemaakt ten aanzien van deze wedstrijd, en in hoeverre is daarbij rekening gehouden met de specifieke spanningen rond deze derby?
Zie antwoord vraag 2.
Welke rol heeft het advies van de politie gespeeld in de voorbereiding, en in hoeverre zijn deze adviezen overgenomen door de gemeente mede in het licht van het latere besluit om zonder uitpubliek te spelen?
In het algemeen kan ik aangeven dat de politie deel uitmaakt van de lokale vierhoek en dat hun adviezen bij de wedstrijdvoorbereiding worden meegenomen en direct invloed hebben op de besluitvorming over de voorwaarden waaronder een wedstrijd gespeeld wordt.
Kunt u toelichten hoe de voorbereiding en afstemming tussen burgemeester, politie, Openbaar Ministerie, clubs en de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) is verlopen, en of er op enig moment daarin is bijgestuurd?
Zoals hierboven aangegeven heb ik inhoudelijk geen bemoeienis met de wedstrijdvoorbereidingen van de verschillende wedstrijden. Dat betekent dat ik niet beschik over de bevoegdheid om in dit proces bij te sturen en dat ik niet kan ingaan op de wijze waarop de afstemming in dit specifieke geval is verlopen.
Hoe beoordeelt u het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot het uiteindelijk spelen zonder uitpubliek? Had dit besluit, gelet op de beschikbare informatie en risico-inschattingen, eerder genomen kunnen dan wel moeten worden?
De wedstrijdvoorbereiding en het besluitvormingsproces is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek. Het past niet dat ik daar een oordeel over geef. Het is aan de gemeenteraad van Deventer en/of Zwolle om hier desgewenst een oordeel over te vellen. Wel vind ik het lovenswaardig dat de vierhoeken hier nauw hebben samengewerkt.
Waren de getroffen maatregelen, waaronder toegangscontroles, supportersscheiding en inzet van stewards en politie, naar uw oordeel voldoende en proportioneel gezien het risicoprofiel? Zo nee, waar schoot dit tekort?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete lessen trekt u uit dit incident voor de voorbereiding en besluitvorming rond risicowedstrijden, en hoe worden deze vertaald naar structurele verbeteringen en betere verankering van risicobeperking?
Op dit moment is de gemeente Deventer de casus aan het evalueren. De burgemeester van Deventer zal hierover, indien door de gemeenteraad gewenst, verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.
De gemeenten met een BVO overleggen na iedere speelronde gezamenlijk over incidenten, en komen daarnaast tweemaal per jaar bij de KNVB bijeen en onderhouden onderling goed contact. De geleerde lessen na incidenten worden doorgaans onderling gedeeld en meegenomen bij wedstrijdvoorbereidingen. Binnen dit proces heeft mijn departement via de Regiegroep enkel een ondersteunende rol.
Kunt u verklaren hoe vuurwerk en rookbommen ondanks een dubbele fouillering het stadion zijn binnengekomen? Zijn er aanvullende maatregelen of best practices bekend om deze producten nog beter te kunnen weren?
In het algemeen kan ik aangeven dat het fouilleren bij de toegangscontrole tot een (voetbal)stadion wettelijk is beperkt tot een oppervlakkige controle van kleding en controle van tassen en jassen. Ontkleding en het fouilleren van intieme zones is niet toegestaan. De ervaring leert dat compact vuurwerk daardoor lastig is op te sporen. In hoeverre dit in dit geval een rol heeft gespeeld, zal mogelijk uit de evaluatie blijken.
Zoals aangegeven in de Voortgangsbrief veilig en gastvrij betaald voetbal van 19 december 2025 voert het Auditteam Voetbal en Veiligheid3 momenteel een onderzoek uit naar de impact van het illegaal gebruik van vuurwerk bij voetbal.4 Tevens heeft mijn ministerie verzocht om een aanvullend onderzoek uit te voeren naar de samenstelling van vuurwerk en de mogelijke effecten op de gezondheid van stadionbezoekers en medewerkers. De resultaten zullen in samenhang worden bezien met het onderzoek van het Auditteam, zodat beide trajecten elkaar kunnen versterken en kunnen worden meegenomen bij het nieuwe plan van aanpak. De uitkomsten van deze onderzoeken worden naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 opgeleverd. Tevens worden hierbij de inzichten van de nieuwe, landelijk geldende KNVB-richtlijnen met betrekking tot het gebruik van vuurwerk in stadions meegenomen.
Het bericht 'Nederlands grootste pensioenfonds stapt uit techbedrijf dat zaken doet met ICE' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het besluit van het grootste Nederlandse pensioenfonds (ABP) om zich terug te trekken uit Palantir vanwege zorgen over mensenrechten en ethisch verantwoord investeren?1
Deelt u de zorg dat afhankelijkheid van buitenlandse technologiebedrijven zoals Palantir de digitale soevereiniteit van Nederland kan ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten waar binnen de overheid de diensten en producten van Palantir worden gebruikt en waarvoor deze worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het gebruikmaken door Nederlandse (semi-)overheidsorganisaties van technologie van bedrijven zoals Palantir, waarover ernstige zorgen bestaan over betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen? En op welke gronden wordt dit beoordeeld?
Welke ethische kaders hanteert het kabinet bij de inkoop en inzet van data-analyse- en AI-systemen van commerciële partijen zoals Palantir, en hoe worden deze kaders in de praktijk toegepast en gehandhaafd?
Welke concrete waarborgen, zoals toezicht, impact assessments en transparantiemechanismen, worden ingezet om te voorkomen dat het gebruik van dergelijke technologie leidt tot discriminatie, profilering of schending van privacyrechten?
Bent u bereid om aanvullende richtlijnen of toetsingskaders te ontwikkelen voor samenwerking met technologiebedrijven die actief zijn in veiligheids- en surveillancedomeinen, die de digitale soevereiniteit ten goede komen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in navolging van het besluit van ABP, voortaan expliciet en vooraf te toetsen of samenwerkingen met technologiebedrijven zoals Palantir verenigbaar zijn met Nederlandse en Europese normen, en deze toets openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zou u deze vragen afzonderlijk van elkaar kunnen beantwoorden?
Jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Ja.
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?
School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten, en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten. Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School & Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een veilig schoolklimaat.
Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente, school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie. Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit (afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen handelen.
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd. In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen uit te voeren.
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere – gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve) politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.
Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen zij een kwart miljoen euro.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.
De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse Preventie met Gezag Inspiratiedag.
Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep. In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten. Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad. Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang in de jaarlijkse monitor.
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Over deze laatste categorie spreekt het KEI.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort AJB).2
Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten, inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt. Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding. Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren, waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren, evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak van (jeugd)criminaliteit.
Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies, die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?
Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier. Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI. Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl. is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen betrokken organisaties.
Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen. Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?
Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden een onderdeel van zal uitmaken.
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?
Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel 35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.
Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.
Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat. In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk, best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP).
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.
Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging, ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online. Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht. Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen, waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie van geweld onder jongeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?
Hier streven wij naar.
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen , Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
Het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie d.d. 8 april aangaf dat het ontbreken van middelen op de begroting de doorslaggevende reden was om niet deel te nemen aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Ja, ik herinner mij het debat. Daarin heb ik onder andere aangeven dat er geen middelen zijn om aan de Europese tender voor een gezamenlijke inkoop van rekenkracht mee te doen. Daarnaast heb ik aangegeven positief te staan tegenover AI-infrastructuur die vanuit private middelen gefinancierd kan worden, zoals ook in het rapport-Wennink wordt aangegeven. Ook heb ik aangegeven dat ik daarom in gesprek blijf met de partijen die AI-infrastructuur initiatieven proberen te realiseren en over de randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn.
Klopt het dat in de beslisnota d.d. 23 maart bij de Kamerbrief «Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief» (Kamerstuk 26 643-1499) staat dat in de StafEZ van 10 maart 2026 is vastgesteld dat binnen de huidige begroting geen ruimte bestaat voor de vereiste financiële verplichtingen?
Ja.
Klopt het dat eerst is geconcludeerd dat er geen geld beschikbaar was, en dat pas daarna inhoudelijke argumenten, waaronder een verwijzing naar het rapport-Wennink, zijn gebruikt om dit besluit te onderbouwen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies uiteenzetten in welke volgorde de budgettaire en inhoudelijke afwegingen zijn gemaakt?
Nee. De conclusie dat er geen middelen beschikbaar waren, is niet los van de inhoudelijke afwegingen bereikt. In 2025 heeft Ecorys in opdracht van EZK de potentiële meerwaarde van een AI-gigafabriek onderzocht. Dit rapport schetst verschillende scenario’s en benoemt zowel kansen als onzekerheden en randvoorwaarden voor publieke betrokkenheid. Daarbij plaatst het rapport kanttekeningen bij de publieke meerwaarde en wijst het onder meer op de verhouding tussen training en inferentie, en de rol die marktpartijen zelf kunnen vervullen. Ook andere inzichten, waaronder het rapport-Wennink, geven aan dat substantiële private betrokkenheid bij de realisatie van dergelijke infrastructuur voor de hand ligt.
Parallel hieraan heeft EZK de budgettaire mogelijkheden verkend. Daaruit bleek dat er geen middelen beschikbaar waren. In samenhang hebben deze inhoudelijke bevindingen en de budgettaire beperkingen geleid tot het besluit om niet deel te nemen aan een gezamenlijke aanbesteding via EuroHPC.
Kan de Staatssecretaris alsnog de stukken openbaar maken die ten grondslag lagen aan het overleg in de StafEZ van 10 maart 2026, conform het eerder gedane informatieverzoek van de Kamer gedaan tijdens het commissiedebat Digitale infrastructuur en economie, waaronder memo’s, notities, berekeningen, scenario’s en de stukken waarmee de Staatssecretaris en de betrokken ambtenaren dat overleg zijn ingegaan? Indien volledige openbaarmaking niet mogelijk is, is de Staatssecretaris dan bereid om ten aanzien van het deel waarvan openbaring niet mogelijk is, deze stukken vertrouwelijk ter inzage te geven?
De belangrijkste basis voor de inhoudelijke afweging waren diverse gesprekken met consortia over hun plannen, de Europese EuroHPC regelgeving en het Ecorys-rapport, dat in opdracht van het Ministerie van EZK is opgesteld en op 19 december jl. met de Tweede Kamer is gedeeld. Ook andere inzichten, zoals het rapport-Wennink, dat ook openbaar is, zijn hierin meegenomen.
Herinnert u zich dat u zich zowel in het debat, als in de Kamerbrief betreft de Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief, beriep op het rapport-Wennink, en dat dat rapport volgens het kabinet geheel in lijn zou zijn met het standpunt van het kabinet om AI-gigafabrieken volledig door de markt te laten financieren?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nieuwe initiatieven [...] zijn (nog) niet volledig privaat te financieren door hoge opstartkosten en lange, onzekere terugverdientermijnen.»?
Ja. Daarbij wordt echter op pagina van 90 van het rapport de kanttekening gemaakt dat dit met name geldt voor nieuwe initiatieven in nog onbewezen markten. Tegelijkertijd vermeldt het rapport dat de AI Gigafabriek, vanwege haar sterke commerciële oriëntatie, in beginsel wél volledig privaat gefinancierd kan worden en marktconforme rekenkracht kan aanbieden.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Publieke financiering – en cofinanciering door EU-instrumenten – kan een vliegwieleffect hebben.»?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nederland heeft grootschalige private én publieke investeringen nodig.»?
Ja.
Deelt u de mening dat u stelt te handelen in lijn met het rapport-Wennink, terwijl datzelfde rapport expliciet aangeeft dat grootschalige digitale infrastructuur juist níet volledig privaat te financieren is en publieke cofinanciering noodzakelijk is om investeringen los te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink maakt een onderscheid tussen verschillende typen digitale infrastructuur. Waar het voor een deel van de grootschalige infrastructuur inderdaad wijst op het belang van publieke cofinanciering, wordt in het geval van AI-gigafabrieken expliciet benoemd dat deze in beginsel volledig privaat gefinancierd kunnen worden. Dat beeld wordt ondersteund door recente marktontwikkelingen. Zo halen Europese AI-(neo)cloudbedrijven zelfstandig kapitaal op voor de bouw van AI-infrastructuur. Dit laat zien dat er binnen dit specifieke segment voldoende private investeringsbereidheid bestaat.
Is hier niet gewoon sprake van het gebruiken van het rapport-Wennink als dekmantel voor een besluit dat puur budgettair is genomen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink is niet gebruikt als dekmantel voor een budgettaire keuze. Aan de kabinetspositie ligt, naast de gesprekken met de geïnteresseerde consortia, in de eerste plaats het rapport van Ecorys ten grondslag, waarin de relevante economische en investeringsafwegingen zijn geanalyseerd, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dit de indruk wekt van «cherry picking»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Die indruk deel ik niet, omdat er niet uitsluitend naar het rapport-Wennink is gekeken om tot deze conclusie te komen.
Herinnert u zich dat u zich in het debat ook beriep op het Ecorys-rapport? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Ecorys niet concludeert dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is, maar juist dat de meerwaarde afhangt van ontwerp, gebruiksdoel en strategische inbedding? Waarom wordt dit rapport dan door het kabinet wel gebruikt als argument om af te haken?
Ja, dat kan ik mij herinneren en dat kan ik bevestigen. Het Ecorys-rapport stelt inderdaad niet dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is. Het benadrukt juist dat de meerwaarde en businesscase sterk afhangen van het ontwerp, het beoogde gebruik en de strategische inbedding. Ecorys geeft daarbij aan dat een gecentraliseerde AI-gigafabriek vooral meerwaarde kan hebben voor de training van zeer grote modellen, maar plaatst daar tegelijkertijd de kanttekening dat het aantal partijen dat deze schaal van trainingscapaciteit daadwerkelijk benut in de Nederlandse context gering is.
Het kabinet gebruikt dit rapport niet als oordeel dat dergelijke infrastructuur «niet wenselijk» zou zijn, maar als onderbouwing voor de conclusie dat voor de varianten die juist meerwaarde hebben en op de Nederlandse markt zijn gericht, publieke financiering niet noodzakelijk is, omdat de markt daarin zelf kan voorzien. Op basis daarvan, tezamen met de budgettaire situatie, is de afweging gemaakt om geen publieke rol te nemen in een aanbesteding met financiële verplichtingen waarbij het initiatief in de specifieke vorm nog onduidelijk is.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat ook in dit geval dit de indruk wekt van cherry picking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de toelichting in de beantwoording op vraag 12.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet ervan uitgaat dat Nederlandse partijen later ook rekenkracht kunnen inkopen bij AI-gigafabrieken elders in Europa? Waarop baseert het kabinet de aanname dat die capaciteit bij toenemende schaarste daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden, in plaats van dat Nederland achteraan aansluit in de rij?
Ja, het kabinet gaat er in beginsel van uit dat Nederlandse partijen toegang kunnen krijgen tot rekenkracht bij AI-gigafabrieken elders in Europa. Die aanname is gebaseerd op de afspraken en de EuroHPC-verordening, het wetgevingskader dat de EuroHPC Joint Undertaking reguleert.
Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat dit geen vanzelfsprekendheid zonder voorwaarden is. Het kabinet onderkent dat bij toenemende schaarste in rekencapaciteit private aanbieders geneigd kunnen zijn om prioriteit te geven aan contractueel gebonden gebruikers.
Kan de Staatssecretaris ingaan op de analyse van het The Hague Centre for Strategic Studies dat toegang tot kritieke digitale infrastructuur in toenemende mate afhankelijk is van geopolitieke verhoudingen en dat bij schaarste landen primair hun eigen belangen zullen beschermen? Hoe rijmt de Staatssecretaris dit met de aanname dat Nederlandse partijen bij toenemende vraag en schaarste probleemloos gebruik kunnen blijven maken van rekenkracht in andere lidstaten of daarbuiten?
Zoals ik bij de vorige vraag heb toegelicht, baseer ik mij op de afspraken binnen de EuroHPC Joint Undertaking en het daarbij behorende Europese wettelijke kader. Dat kader is er juist op gericht om gezamenlijke Europese toegang tot high-performance computing en aanverwante digitale infrastructuur te borgen, ook in situaties van toenemende schaarste of geopolitieke spanning. Lidstaten hebben zich daaraan gecommitteerd, inclusief afspraken over beschikbaarheid en gedeeld gebruik van capaciteit.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet kiest voor AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd? Hoe realistisch acht de Staatssecretaris dat, gelet op het feit dat het rapport-Wennink juist wijst op achterblijvende private investeringen?
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
In de genoemde Kamerbrief schrijft het kabinet dat het kiest voor een ontwikkeling van AI-infrastructuur die meegroeit met de marktvraag; hoe verhoudt zich dat tot de constatering in de onderliggende analyses dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur juist sterk aanbodgedreven kan zijn, en dat investeringen in capaciteit zelf vraag, innovatie en ecosysteemvorming aanjagen? Loopt Nederland door deze afwachtende houding niet juist het risico achter te blijven omdat vraag pas ontstaat waar capaciteit al aanwezig is?
Ik ben het met u eens dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur in bepaalde gevallen aanbodgedreven kan zijn en daarmee juist ook vraag, innovatie en ecosysteemvorming kan stimuleren. Dat is ook precies de reden dat het kabinet wél inzet op de realisatie van de publiek gefinancierde AI-fabriek in Groningen, waar sprake is van een strategische Europese investering in rekenkracht en kennisopbouw.
Tegelijkertijd geldt dat niet alle typen AI-infrastructuur dezelfde dynamiek kennen. In veel segmenten kan de markt zelf goed inspringen op groeiende vraag, mits de randvoorwaarden op orde zijn, zoals voldoende beschikbare energie, ruimte en een voorspelbaar vergunningsproces.
Is de Staatssecretaris, gelet op het feit dat de doorslaggevende overweging blijkens de beslisnota budgettair was en rapporten waarachter het kabinet zich verschuilt het kabinet lijken te tegenspreken, bereid het besluit alsnog te heroverwegen en de Kamer een scenario te sturen waarin Nederland wél, al dan niet gefaseerd, kan aansluiten bij het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Nee. Deelname aan de door EuroHPC geleide aanbesteding zou een substantiële financiële verplichting met zich meebrengen, die het kabinet op dit moment niet wil aangaan. De inhoudelijke afwegingen zoals toegelicht in deze beantwoording geven geen aanleiding om de positie van het kabinet te herzien. Daarbij wil ik bovendien benadrukken dat deelname aan het Europese traject geen garantie biedt op de realisatie van een AI-gigafabriek in Nederland, maar primair ziet op het indienen van een voorstel in competitie met voorstellen uit andere lidstaten.
Kunt u deze vragen in ieder geval voor het tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie, een voor een, beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Waakhond fileert Haagse ontkenning: ’Hamas had wel degelijk vinger in de pap bij hulporganisaties’ |
|
Annelotte Lammers (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van NGO Monitor, «Analysis: How the Dutch Government is Evading Accountability for its Humanitarian Assistance Funding»?1, 2
Ja.
Welke maatregelen heeft het kabinet genomen, gelet op het jaarverslag van 2016 van het Palestinian Centre for Human Rights (PCHR), dat datzelfde jaar Nederlandse overheidsfinanciering ontving en waarin werd gesteld dat in Gaza «internationale organisaties werden lastiggevallen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Hamas)», organisaties «vaak concessies deden om hun werk te kunnen voortzetten», een «verbod gold op onderzoeksactiviteiten zonder toestemming van het ministerie» en dossiers «zonder wettelijke grondslag werden gecontroleerd», om te voorkomen dat door Nederland gefinancierde organisaties concessies doen aan Hamas of afhankelijk worden van goedkeuring door Hamas-ministeries?
Het kabinet heeft reeds aan uw Kamer toegelicht (Kamerstukken 2026Z03619 en 2026Z03619) dat besluiten om bepaalde organisaties te financieren altijd zorgvuldig worden genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Vraagstukken over due dilligence worden ook meegenomen in beoordelingsmemoranda, bijvoorbeeld in de risicoanalyse en intergriteitsbeoordeling. Het beoordelingsmemorandum kan niet worden geaccordeerd zonder een geldige ORIA. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluaties en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het ministerie daartegenop. Organisaties waar Nederland mee samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties.
Het kabinet heeft daarnaast vertrouwen in de neutraliteit en onafhankelijkheid van het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke omstandigheden, zoals die als Gaza, waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingssamenwerking voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen op orde zijn; deze processen moeten ervoor moeten zorgen dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn.
Kunt u gedetailleerd beschrijven welke due diligence-procedures momenteel gelden om te waarborgen dat door de Nederlandse overheid gefinancierde projecten en NGO’s niet, direct of indirect, worden misbruikt door terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 2.
Is het kabinet, gelet op het rapport van NGO Monitor waarin wordt gewezen op infiltratie van Hamas in het Ministerie van Sociale Ontwikkeling (MoSD) in Gaza, bereid toekomstige financiering, inclusief via aangepaste contractvoorwaarden, afhankelijk te maken van het uitsluiten van het MoSD uit de uitvoering van projecten, waaronder het verstrekken van begunstigdenlijsten voor financiële steun? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 2 en 3
Was het kabinet ervan op de hoogte dat Oxfam Novib, lid van de door Nederland gefinancierde Dutch Relief Alliance (DRA), nog steeds samenwerkt met de Union of Agricultural Work Committees (UAWC), een organisatie waarvan Nederland de financiering eerder stopzette na een audit waaruit bleek dat 34 medewerkers banden hadden met de terroristische organisatie PFLP, waaronder 12 in leidinggevende posities, en dat Nederlands geld werd gebruikt voor salarissen van twee medewerkers die betrokken waren bij de moord op Rina Shnerb in 2019?
Ja, het kabinet is hiervan op de hoogte. Het staat Oxfam Novib vrij om samen te werken met andere organisaties.
Uw Kamer is in 2022 uitgebreid geïnformeerd over de uitkomsten en kabinetsreactie op extern onderzoek naar UAWC (Kamerstuk 23 432, nr. 486). Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat er financiële stromen bestaan tussen UAWC en de PFLP, en evenmin kon worden geconstateerd dat sprake is van een organisatorische eenheid tussen UAWC en PFLP, dan wel aansturing van UAWC door de PFLP. Daarnaast is er geen bewijs gevonden dat suggereert dat stafleden van UAWC of bestuursleden hun positie bij UAWC gebruikt hebben voor terroristische activiteiten of om terroristische activiteiten te steunen.
Acht het kabinet het acceptabel dat Oxfam Novib nog steeds samenwerkt met UAWC? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 5.
Indien het kabinet dit onacceptabel acht, welke gevolgen heeft dit voor de financiering van Oxfam Novib en voor organisaties binnen de Dutch Relief Alliance?
Zie antwoord op vraag 5 en 6.
Op 17 maart 2026 stelde u dat het kabinet vertrouwen heeft in de neutraliteit en onafhankelijkheid van partnerorganisaties, blijft u bij dit standpunt in het licht van de bovenstaande informatie? Zo ja, waarom?
Ja. Zie antwoord op vraag 2, 3, 5 en 6.
Bent u het, gelet op bovenstaande informatie, eens met de stelling dat het onjuist is dat «geen aanwijzingen bestaan dat Nederlandse of Europese middelen bij onbedoelde bestemmingen zijn terechtgekomen»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bereid alle steun aan organisaties waar Hamas direct of indirect zeggenschap over heeft of op enige andere wijze invloed uitoefent, op te schorten?
Dit is hier niet aan de orde. Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Het bericht dat de Nederlandse politie een verdachte heeft gearresteerd in verband met explosies in Duitsland |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Dutch police arrest suspect linked to 2025 explosions in Germany1»? Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport «Between victimhood and offending» van de European insititute for crime prevention and control (HEUNI)2?
Bent u, met Europol, van mening dat het fenomeen geweld op bestelling een groeiend probleem is waarbij ook in Nederland kwetsbare jongeren worden geronseld? Deelt u de analyse van Europol dat hierbij ook sprake kan zijn van criminele uitbuiting? Hoeveel (minderjarige) Nederlandse plegers die over de grenzen heen actief zijn geweest, zijn er binnen deze taskforce inmiddels in beeld? Hoeveel zijn dat er in de afgelopen vier jaar, buiten deze taskforce om, in beeld geweest? Hoeveel van deze (minderjarige) plegers zijn tevens slachtoffer van criminele uitbuiting?
In hoeverre hebben de Nederlandse opsporingsdiensten voldoende zicht op criminele netwerken die kwetsbare jongeren ronselen en over landsgrenzen heen opereren? In hoeverre is er, naast de Europol-taskforce GRIMM, sprake van samenwerking tussen opsporingsdiensten in verschillende Europese landen om dit probleem het hoofd te bieden? Heeft u binnen het programma Preventie met Gezag, de ondermijningsaanpak en het programma Samen tegen Mensenhandel voldoende middelen om het fenomeen geweld op bestelling het hoofd te bieden? Zijn er aanvullende maatregelen nodig? Zo ja, welke?
Met welke online techbedrijven werkt Europol samen om zicht te krijgen op online ronselpraktijken en hoe zien deze programma’s eruit? Welke mogelijkheden ziet u om dergelijke techprogramma’s ook hier in Nederland uit te rollen? Ziet u hier mogelijkheden om mede ter uitvoering van de motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 VII, nr. 81) hier nader vorm aan te geven? Zo ja, welke?
Op welke wijze wordt er binnen de genoemde taskforce van Europol aandacht besteed aan de aanpak van criminele uitbuiting en de bescherming van slachtoffers, waaronder de toepassing van het non-punishmentbeginsel? Welke beschermingsmaatregelen worden binnen deze taskforce geboden? Is er daarnaast sprake van samenwerking met hulpinstanties over de grenzen heen, en zo ja, hoe ziet deze samenwerking eruit?
Kunt u aangeven op welke wijze het amendement aangaande de wettelijke verankering van het non-punishmentbeginsel3, in lijn met een aanbeveling van GRETA4, naar verwachting zal bijdragen aan het verminderen van de angst van slachtoffers om samen te werken met de politie? Op welke wijze gaat u, bijvoorbeeld binnen het programma Samen tegen Mensenhandel dat middels het regeerakkoord wordt voortgezet, er zorg voor dragen dat dit in de praktijk adequaat wordt toegepast? Ziet u op basis van het genoemde rapport best practises uit Scandinavië die we in Nederland zouden kunnen toepassen?
Op welke wijze past Nederland de lessen uit de uitspraak van het EHRM inzake V.C.L/A.N.5 waarin het Verenigd Koninkrijk werd veroordeeld voor het schenden van artikel 4 en 6 van het Handvest omdat een slachtoffer van criminele uitbuiting werd veroordeeld voor een drugsdelict terwijl signalen van uitbuiting onvoldoende werden opgevolgd? Komt het in Nederland bijvoorbeeld voor dat een slachtoffer van criminele uitbuiting eerst wordt veroordeeld voor een delict terwijl in een separate strafzaak duidelijk wordt dat er sprake is van slachtofferschap mensenhandel?
Bent u van mening dat jongeren die vastzitten in de criminaliteit, waaronder van geweld op bestelling, over adequate mogelijkheden beschikken om hulp te krijgen? Welke hulpmiddelen zijn er voor deze jongeren beschikbaar? Ziet u op basis van het genoemde rapport van Heuni6 best practises uit Scandinavië die in Nederland kunnen worden toegepast?
Kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in Hoenderloo»?1
Ja
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»? Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
De IGJ beschrijft hoe een optelsom van factoren maakt dat ze een terrein met potentiële grote risico’s voor jongeren zien. Dit herken ik en dit baart mij zorgen.
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat er op dit moment 16 unieke zorgaanbieders gevestigd zijn op het terrein. Dit verschilt van de 20 zorgaanbieders die de IGJ voor het recente toezicht heeft kunnen herleiden. Het verschil laat zich verklaren door twee factoren: een aantal aanbieders heeft het terrein in de afgelopen periode verlaten en de gehanteerde telwijze verschilt, waarbij soms wordt uitgegaan van unieke aanbieders met meerdere vestigingen en soms van de afzonderlijke vestigingen of locaties zelf.
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar later de situatie nog steeds zorgelijk is?
De bevindingen van de IGJ zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is het niet zo dat er sinds 2024 niets is gebeurd. De IGJ is al langere tijd actief bij een aantal aanbieders op het Hoenderloo-terrein. Er zijn sinds 2024 meermaals meldingen opgepakt, deze worden echter niet gepubliceerd.
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat het platform nog steeds actief is en eens per 6 weken samenkomt. Een afvaardiging van de zorgaanbieders op het terrein, dorpsbelangenverenigingen, De Vos Groep, gemeente Apeldoorn en de wijkagent sluiten aan bij dit overleg. Binnen het platform worden signalen, bijzonderheden en actuele ontwikkelingen in Hoenderloo gedeeld en waar nodig afgestemd. Samenwerking wordt hier gestimuleerd en er worden afspraken over communicatie gemaakt. De korte lijnen hebben bijgedragen aan begrip en een adequate afhandeling bij meldingen. Het platform heeft daarmee vooral een signalerende en verbindende functie, gericht op het delen van informatie, afstemmen tussen partijen en tijdig agenderen van relevante ontwikkelingen.
Aanvullend vindt iedere vier weken overleg plaats met de gebiedswethouder en gebiedsdirecteur. In dit overleg worden de belangrijkste signalen en actualiteiten uit het dorp besproken en, indien nodig, vertaald naar bestuurlijke aandacht of vervolgacties. Concreet gaat het onder meer om een bemiddelende rol van een gebiedsbestuurder, communicatie naar inwoners en (nieuwe) samenwerkingsafspraken.
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet opgeleverd?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als dat nodig is. De gemeente is niet altijd inhoudelijk betrokken bij een casus. Vanuit hun toezichthoudende rol is het nodig dat gemeenten weten van welke aanbieder de jongere de zorg ontvangt. Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is echter niet altijd bekend op welke locatie de cliënt verblijft, dat is voor dit type toezicht ook niet noodzakelijk. De jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp. En de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
In de zoektocht naar passende hulp wordt, bij gebrek aan passende zorg, soms gekozen voor plaatsingen op een zorglocatie ver buiten de regio die oorspronkelijk niet door de gemeente is gecontracteerd. Dergelijke plaatsingen zijn kwetsbaarder. Zo worden er bijvoorbeeld meestal minder eisen gesteld aan plaatsingen via maatwerkcontracten. Het is daarom belangrijk dat er beter zicht komt op deze plaatsingen. Samen met de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) zet ik daarom stappen om één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen buiten de regio die niet in het belang zijn van de jeugdige, in beeld te krijgen en zo veel als mogelijk tegen te gaan. Gemeenten worden daarvoor op zeer korte termijn verzocht om deze zomer deze jongeren per jeugdregio in beeld te brengen, als zijnde een nulmeting. Daarna gaan jeugdregio’s stapsgewijs toe werken naar meer zicht op de jongere en diens zorgbehoefte met als doel dat zij zoveel mogelijk in eigen regio hulp ontvangen. Ook wordt gekeken of er een verklarende analyse is, of de huidige zorg passend is én hoe toegewerkt wordt naar passende zorg voor deze jeugdige. Gemeenten kunnen hier per direct ondersteuning bij krijgen vanuit een landelijk programma vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Ik volg de inspanningen van de gemeenten en verwacht uw Kamer in het najaar te kunnen informeren over de eerste bevindingen.
Vanuit de Hervormingsagenda wordt daarnaast onverminderd ingezet op het verbeteren van het (landelijk) inzicht in het stelsel en het verbeteren van datagedreven werken. Het CBS werkt nu aan een data-infrastructuur voor een centrale monitor van het jeugdstelsel (met o.a. een dashboard en statistieken) en is voornemens na de zomer een eerste versie te lanceren. Deze bevat waar mogelijk cijfers op landelijk, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarnaast zet de VNG in op het stimuleren en verbeteren van datagedreven werken bij gemeenten, waarbij de centrale monitor ook gebruikt kan worden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Ik herken de constateringen uit het onderzoeksrapport van de IGJ. Het organiseren en bieden van passende hulp is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen (overheden/aanbieders/professionals).
Dat er voor jongeren met de meest zware problematiek nog te vaak onvoldoende passende jeugdhulp beschikbaar is, heeft verschillende oorzaken die uiteenlopen van onvoldoende goede (verklarende) analyse aan het begin van een traject tot aan het ontbreken van het benodigd aanbod. Zie daarvoor ook mijn recente brief over acties m.b.t. aanpak t.b.v. passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek.3 Het is niet eenvoudig om passende zorg te organiseren voor jongeren met complexe problematiek en onze inzet zal daarom niet in alle gevallen direct resultaat hebben.
Vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp is volgens de Jeugdwet niet toegestaan. Er wordt volop ingezet op het voorkomen hiervan, onder meer middels het informeren van de sector met de handreiking «Omgaan met dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de open jeugdhulp met verblijf». Deze is in opdracht van VWS opgesteld. Tegelijkertijd zullen er specifieke omstandigheden blijven bestaan waarin de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen nodig is om te zorgen dat een jongere passende hulp kan krijgen. Daarom werk ik, zoals mijn voorganger heeft aangekondigd, aan een wetswijziging om de toepassing van vrijheidsbeperking in specifieke omstandigheden in de open residentiële jeugdhulp mogelijk te maken.
Vanuit de transformatie van de gesloten jeugdhulp wordt gewerkt aan de realisatie van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Onderdeel daarvan is ook het voorkomen dat kinderen gesloten geplaatst worden. Om hier een impuls aan te geven gaan we de bestuurlijke afspraken over de transformatie gesloten jeugdhulp uit 2024 aanvullen en verder concretiseren. Tot slot treffen we vanuit de Hervormingsagenda verschillende maatregelen om de jeugdhulp te verbeteren. Zoals de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, de verbetering van kwaliteit in de sector en de ombouw van residentiële jeugdhulpinstellingen naar kleinschaligheid.
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari 2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik navraag gedaan bij de gemeente Apeldoorn en de politie. De categorieën die in de vraag beschreven zijn, worden niet als dusdanig geregistreerd. Daarom is voor de beantwoording van deze vraag aangesloten bij meldingen zoals deze worden geregistreerd bij de politie.
Sinds 1 januari 2025 heeft de politie in totaal 1.160 meldingen gehad op het Hoenderloo-terrein. Deze waren van de volgende aard:
Daarnaast zijn er in totaal 13 incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van middelengebruik. Er zijn 5 incidenten geweest waarbij sprake was van bedreiging.
Er zijn 19 incidenten geweest waarbij er sprake was van vernieling. Er wordt niet geregistreerd of een bepaald incident een gevoel van onveiligheid bij jongeren tot gevolg heeft. Een gesprek met een politieagent kan bovendien door de ene jongere als beschermend, maar door de ander als onveilig worden ervaren.
Ik heb deze vraag eveneens voorgelegd aan de IGJ. De IGJ beschikt niet over een totaaloverzicht van het aantal incidenten dat sinds 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden op het Hoenderloo-terrein. De IGJ heeft in het toezicht op het Hoenderloo-terrein bij de 20, destijds bij de IGJ bekende zorgaanbieders, het aantal incidenten in de jeugdhulp uitgevraagd. In de periode 2024 tot mei 2025 hebben deze zorgaanbieders 319 incidenten gerapporteerd. Ook zijn zorgaanbieders gevraagd voorbeelden van incidenten te geven. De genoemde voorbeelden heeft IGJ gecategoriseerd in «middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen». De IGJ beschikt echter niet over cijfers over het aantal incidenten per hiervoor genoemde categorie of het aantal incidenten waarbij jongeren zich onveilig voelden.
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Jeugdhulpaanbieders moeten een calamiteit of geweld bij de verlening van jeugdhulp verplicht melden bij de IGJ. Aanbieders hoeven dus niet alle incidenten bij de inspectie te melden. Het is wel belangrijk dat aanbieders deze zelf registreren en analyseren. Tijdens het toezicht kan de inspectie deze incidentenregistratie inzien en meenemen in het toezicht.
In het jaarbeeld van de IGJ staat dat er in 2025 in totaal 1.240 meldingen binnen de jeugdzorg zijn gedaan, waarvan 160 meldingen over calamiteiten, 410 meldingen over geweld en 670 «andere meldingen». De IGJ registreert deze meldingen niet volgens de categorieën middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen.
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
De IGJ publiceert rapporten over individuele aanbieders naar aanleiding van haar toezicht op een hiertoe bestemde website4. Daarbij kan gezocht worden op sector jeugdzorg, publicatiejaar en het soort toezichtdocument. In de rapporten is te lezen wat de aard van het toezicht was en welke opvolging de IGJ hieraan heeft gegeven. Daarnaast publiceert de IGJ overkoepelende rapporten op haar website. Sinds 1 januari 2025 zijn (thematische) rapporten verschenen over de uitvoering van jeugdbescherming, gesloten jeugdhulp, gezinshuizen, pleegzorg, eetstoornissenzorg en het Hoenderloo-terrein. Dergelijke rapporten worden vanuit de IGJ gepubliceerd op haar website. De aanbevelingen uit de rapporten richten zich op de jeugdhulpverleners en landelijke partijen die hier opvolging aan moeten geven.
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben.
Het stelsel van toezicht en controle is in ontwikkeling en er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen. Vanaf 1 januari 2026 moeten bijvoorbeeld (bepaalde) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, op grond van de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, een interne toezichthouder hebben. Daarnaast heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een wettelijke toezichtstaak gekregen op het terrein van de Jeugdwet voor het toezicht op de openbare jaarverantwoording en transparantie financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen (inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027).
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Inspecties en de NZa hebben diverse bestuurlijke, maar ook informele instrumenten om te zorgen dat jeugdzorgaanbieders zich aan de wet- en regelgeving houden. Ook gemeenten hebben bestuursrechtelijk instrumenten tot hun beschikking en kunnen vanuit hun rol als inkoper maatregelen nemen om te zorgen dat kwaliteitseisen worden nageleefd. Het is hierbij van belang dat bestaande bevoegdheden/instrumenten optimaal worden benut en dat multidisciplinaire samenwerking tussen partijen wordt bevorderd. Er zijn en worden nog stappen gezet om samenwerking tussen toezichthouders beter mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van regelgeving die toezichthoudende partijen beter in staat stelt gegevens met elkaar uit te wisselen. Voor meer informatie hierover verwijs ik u ook naar de Kamerbrief over zorgfraude die nog voor de zomer aan uw Kamer wordt toegestuurd. Daarin staat ook dat ik naast het versterken van het toezicht heb besloten een vergunningsplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren. Door toelating, screening en toezicht beter met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhangende aanpak waarbij risico’s en misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Ten slotte zijn er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt met betrokken partijen over de aanpak van zorgfraude. Deze maatregelen dragen in brede zin bij aan een effectief stelstel van toezicht en controle. Er wordt o.a. ingezet op het verder verstevigen en professionaliseren van het gemeentelijk toezicht. Ik ben voornemens om dit met een stimuleringsprogramma verder vorm te geven. Over de invulling hiervan ben ik met de VNG in overleg.
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.
Het bericht 'Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs»?1
Hoe duidt u de stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld, van 673 gevallen in 2024 naar 757 in 2025?
In hoeverre is volgens u sprake van een daadwerkelijke toename van eergerelateerd geweld, los van een toename aan meldingen?
Klopt het dat in een aanzienlijk deel van de gemelde zaken personen met een Syrische achtergrond betrokken zijn, zoals gemeld in het artikel? Zo ja, hoe duidt u die cijfers?
Klopt het dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor het asiel- en integratieproces?
Wordt in de asielopvang en bij gemeenten actief gesignaleerd op risico’s of verdenkingen van eergerelateerd geweld? Zo ja, welke instrumenten en protocollen worden hiervoor gebruikt en hoe wordt expertise gedeeld met politie, Veilig Thuis en andere betrokken instanties?
Hoe is de samenwerking georganiseerd tussen politie, Veilig Thuis, gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken organisaties wanneer signalen van eergerelateerd geweld ontstaan binnen migrantengemeenschappen of in de asielopvang?
Welke maatregelen worden genomen om potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en LHBTI-personen, tijdig te beschermen?
Deelt u de opvatting dat eergerelateerd geweld een ernstige aantasting vormt van de Nederlandse rechtsorde en fundamentele vrijheden?
Welke gevolgen kan betrokkenheid bij eergerelateerd geweld hebben voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning, ook wat betreft verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd?
In hoeverre kan een verdenking, vervolging of veroordeling voor eergerelateerd geweld aanleiding zijn om een verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken vanwege betrokkenheid bij geweld binnen de familie- of eersfeer?
Acht u het huidige instrumentarium binnen het vreemdelingenrecht voldoende om op te treden tegen personen die zich schuldig maken aan eergerelateerd geweld, of ziet u aanleiding om dit aan te scherpen?
De toename van eerwraak in Nederland |
|
Marjolein Faber (PVV), Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat eerwraak onacceptabel is?
Welke prioriteit geeft de politie aan dergelijke zaken? Aan hoeveel meldingen van eerwraak wordt opvolging gegeven binnen de strafrechtsketen?
Bent u het ermee eens dat eerwraak uitzetting tot gevolg moet hebben, niet alleen de dader maar ook het hele gezin?
Bent u het ermee eens dat eerwraak een cultureel probleem is en haaks staat op het eigen kabinetsbeleid van tolerantie?
Wilt u een overzicht verstrekken en daarbij het volgende opnemen: het aantal meldingen uitgesplitst naar strafbaar feit met daarin een onderverdeling van het aantal daders uitgesplitst naar land van herkomst?
Bent u het ermee eens dat de islam hier een duidelijke rol inspeelt en botst met de westerse democratie? Bent u het ermee eens dat de ongebreidelde asielinstroom uit veelal islamitische landen een directe oorzaak vormt van de toename van deze misdrijven in Nederland? Zo ja, wanneer gaat u eindelijk een asielstop en een stop op nareis invoeren?