Het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie d.d. 8 april aangaf dat het ontbreken van middelen op de begroting de doorslaggevende reden was om niet deel te nemen aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Ja, ik herinner mij het debat. Daarin heb ik onder andere aangeven dat er geen middelen zijn om aan de Europese tender voor een gezamenlijke inkoop van rekenkracht mee te doen. Daarnaast heb ik aangegeven positief te staan tegenover AI-infrastructuur die vanuit private middelen gefinancierd kan worden, zoals ook in het rapport-Wennink wordt aangegeven. Ook heb ik aangegeven dat ik daarom in gesprek blijf met de partijen die AI-infrastructuur initiatieven proberen te realiseren en over de randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn.
Klopt het dat in de beslisnota d.d. 23 maart bij de Kamerbrief «Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief» (Kamerstuk 26 643-1499) staat dat in de StafEZ van 10 maart 2026 is vastgesteld dat binnen de huidige begroting geen ruimte bestaat voor de vereiste financiële verplichtingen?
Ja.
Klopt het dat eerst is geconcludeerd dat er geen geld beschikbaar was, en dat pas daarna inhoudelijke argumenten, waaronder een verwijzing naar het rapport-Wennink, zijn gebruikt om dit besluit te onderbouwen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies uiteenzetten in welke volgorde de budgettaire en inhoudelijke afwegingen zijn gemaakt?
Nee. De conclusie dat er geen middelen beschikbaar waren, is niet los van de inhoudelijke afwegingen bereikt. In 2025 heeft Ecorys in opdracht van EZK de potentiële meerwaarde van een AI-gigafabriek onderzocht. Dit rapport schetst verschillende scenario’s en benoemt zowel kansen als onzekerheden en randvoorwaarden voor publieke betrokkenheid. Daarbij plaatst het rapport kanttekeningen bij de publieke meerwaarde en wijst het onder meer op de verhouding tussen training en inferentie, en de rol die marktpartijen zelf kunnen vervullen. Ook andere inzichten, waaronder het rapport-Wennink, geven aan dat substantiële private betrokkenheid bij de realisatie van dergelijke infrastructuur voor de hand ligt.
Parallel hieraan heeft EZK de budgettaire mogelijkheden verkend. Daaruit bleek dat er geen middelen beschikbaar waren. In samenhang hebben deze inhoudelijke bevindingen en de budgettaire beperkingen geleid tot het besluit om niet deel te nemen aan een gezamenlijke aanbesteding via EuroHPC.
Kan de Staatssecretaris alsnog de stukken openbaar maken die ten grondslag lagen aan het overleg in de StafEZ van 10 maart 2026, conform het eerder gedane informatieverzoek van de Kamer gedaan tijdens het commissiedebat Digitale infrastructuur en economie, waaronder memo’s, notities, berekeningen, scenario’s en de stukken waarmee de Staatssecretaris en de betrokken ambtenaren dat overleg zijn ingegaan? Indien volledige openbaarmaking niet mogelijk is, is de Staatssecretaris dan bereid om ten aanzien van het deel waarvan openbaring niet mogelijk is, deze stukken vertrouwelijk ter inzage te geven?
De belangrijkste basis voor de inhoudelijke afweging waren diverse gesprekken met consortia over hun plannen, de Europese EuroHPC regelgeving en het Ecorys-rapport, dat in opdracht van het Ministerie van EZK is opgesteld en op 19 december jl. met de Tweede Kamer is gedeeld. Ook andere inzichten, zoals het rapport-Wennink, dat ook openbaar is, zijn hierin meegenomen.
Herinnert u zich dat u zich zowel in het debat, als in de Kamerbrief betreft de Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief, beriep op het rapport-Wennink, en dat dat rapport volgens het kabinet geheel in lijn zou zijn met het standpunt van het kabinet om AI-gigafabrieken volledig door de markt te laten financieren?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nieuwe initiatieven [...] zijn (nog) niet volledig privaat te financieren door hoge opstartkosten en lange, onzekere terugverdientermijnen.»?
Ja. Daarbij wordt echter op pagina van 90 van het rapport de kanttekening gemaakt dat dit met name geldt voor nieuwe initiatieven in nog onbewezen markten. Tegelijkertijd vermeldt het rapport dat de AI Gigafabriek, vanwege haar sterke commerciële oriëntatie, in beginsel wél volledig privaat gefinancierd kan worden en marktconforme rekenkracht kan aanbieden.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Publieke financiering – en cofinanciering door EU-instrumenten – kan een vliegwieleffect hebben.»?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nederland heeft grootschalige private én publieke investeringen nodig.»?
Ja.
Deelt u de mening dat u stelt te handelen in lijn met het rapport-Wennink, terwijl datzelfde rapport expliciet aangeeft dat grootschalige digitale infrastructuur juist níet volledig privaat te financieren is en publieke cofinanciering noodzakelijk is om investeringen los te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink maakt een onderscheid tussen verschillende typen digitale infrastructuur. Waar het voor een deel van de grootschalige infrastructuur inderdaad wijst op het belang van publieke cofinanciering, wordt in het geval van AI-gigafabrieken expliciet benoemd dat deze in beginsel volledig privaat gefinancierd kunnen worden. Dat beeld wordt ondersteund door recente marktontwikkelingen. Zo halen Europese AI-(neo)cloudbedrijven zelfstandig kapitaal op voor de bouw van AI-infrastructuur. Dit laat zien dat er binnen dit specifieke segment voldoende private investeringsbereidheid bestaat.
Is hier niet gewoon sprake van het gebruiken van het rapport-Wennink als dekmantel voor een besluit dat puur budgettair is genomen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink is niet gebruikt als dekmantel voor een budgettaire keuze. Aan de kabinetspositie ligt, naast de gesprekken met de geïnteresseerde consortia, in de eerste plaats het rapport van Ecorys ten grondslag, waarin de relevante economische en investeringsafwegingen zijn geanalyseerd, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dit de indruk wekt van «cherry picking»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Die indruk deel ik niet, omdat er niet uitsluitend naar het rapport-Wennink is gekeken om tot deze conclusie te komen.
Herinnert u zich dat u zich in het debat ook beriep op het Ecorys-rapport? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Ecorys niet concludeert dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is, maar juist dat de meerwaarde afhangt van ontwerp, gebruiksdoel en strategische inbedding? Waarom wordt dit rapport dan door het kabinet wel gebruikt als argument om af te haken?
Ja, dat kan ik mij herinneren en dat kan ik bevestigen. Het Ecorys-rapport stelt inderdaad niet dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is. Het benadrukt juist dat de meerwaarde en businesscase sterk afhangen van het ontwerp, het beoogde gebruik en de strategische inbedding. Ecorys geeft daarbij aan dat een gecentraliseerde AI-gigafabriek vooral meerwaarde kan hebben voor de training van zeer grote modellen, maar plaatst daar tegelijkertijd de kanttekening dat het aantal partijen dat deze schaal van trainingscapaciteit daadwerkelijk benut in de Nederlandse context gering is.
Het kabinet gebruikt dit rapport niet als oordeel dat dergelijke infrastructuur «niet wenselijk» zou zijn, maar als onderbouwing voor de conclusie dat voor de varianten die juist meerwaarde hebben en op de Nederlandse markt zijn gericht, publieke financiering niet noodzakelijk is, omdat de markt daarin zelf kan voorzien. Op basis daarvan, tezamen met de budgettaire situatie, is de afweging gemaakt om geen publieke rol te nemen in een aanbesteding met financiële verplichtingen waarbij het initiatief in de specifieke vorm nog onduidelijk is.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat ook in dit geval dit de indruk wekt van cherry picking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de toelichting in de beantwoording op vraag 12.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet ervan uitgaat dat Nederlandse partijen later ook rekenkracht kunnen inkopen bij AI-gigafabrieken elders in Europa? Waarop baseert het kabinet de aanname dat die capaciteit bij toenemende schaarste daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden, in plaats van dat Nederland achteraan aansluit in de rij?
Ja, het kabinet gaat er in beginsel van uit dat Nederlandse partijen toegang kunnen krijgen tot rekenkracht bij AI-gigafabrieken elders in Europa. Die aanname is gebaseerd op de afspraken en de EuroHPC-verordening, het wetgevingskader dat de EuroHPC Joint Undertaking reguleert.
Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat dit geen vanzelfsprekendheid zonder voorwaarden is. Het kabinet onderkent dat bij toenemende schaarste in rekencapaciteit private aanbieders geneigd kunnen zijn om prioriteit te geven aan contractueel gebonden gebruikers.
Kan de Staatssecretaris ingaan op de analyse van het The Hague Centre for Strategic Studies dat toegang tot kritieke digitale infrastructuur in toenemende mate afhankelijk is van geopolitieke verhoudingen en dat bij schaarste landen primair hun eigen belangen zullen beschermen? Hoe rijmt de Staatssecretaris dit met de aanname dat Nederlandse partijen bij toenemende vraag en schaarste probleemloos gebruik kunnen blijven maken van rekenkracht in andere lidstaten of daarbuiten?
Zoals ik bij de vorige vraag heb toegelicht, baseer ik mij op de afspraken binnen de EuroHPC Joint Undertaking en het daarbij behorende Europese wettelijke kader. Dat kader is er juist op gericht om gezamenlijke Europese toegang tot high-performance computing en aanverwante digitale infrastructuur te borgen, ook in situaties van toenemende schaarste of geopolitieke spanning. Lidstaten hebben zich daaraan gecommitteerd, inclusief afspraken over beschikbaarheid en gedeeld gebruik van capaciteit.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet kiest voor AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd? Hoe realistisch acht de Staatssecretaris dat, gelet op het feit dat het rapport-Wennink juist wijst op achterblijvende private investeringen?
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
In de genoemde Kamerbrief schrijft het kabinet dat het kiest voor een ontwikkeling van AI-infrastructuur die meegroeit met de marktvraag; hoe verhoudt zich dat tot de constatering in de onderliggende analyses dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur juist sterk aanbodgedreven kan zijn, en dat investeringen in capaciteit zelf vraag, innovatie en ecosysteemvorming aanjagen? Loopt Nederland door deze afwachtende houding niet juist het risico achter te blijven omdat vraag pas ontstaat waar capaciteit al aanwezig is?
Ik ben het met u eens dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur in bepaalde gevallen aanbodgedreven kan zijn en daarmee juist ook vraag, innovatie en ecosysteemvorming kan stimuleren. Dat is ook precies de reden dat het kabinet wél inzet op de realisatie van de publiek gefinancierde AI-fabriek in Groningen, waar sprake is van een strategische Europese investering in rekenkracht en kennisopbouw.
Tegelijkertijd geldt dat niet alle typen AI-infrastructuur dezelfde dynamiek kennen. In veel segmenten kan de markt zelf goed inspringen op groeiende vraag, mits de randvoorwaarden op orde zijn, zoals voldoende beschikbare energie, ruimte en een voorspelbaar vergunningsproces.
Is de Staatssecretaris, gelet op het feit dat de doorslaggevende overweging blijkens de beslisnota budgettair was en rapporten waarachter het kabinet zich verschuilt het kabinet lijken te tegenspreken, bereid het besluit alsnog te heroverwegen en de Kamer een scenario te sturen waarin Nederland wél, al dan niet gefaseerd, kan aansluiten bij het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Nee. Deelname aan de door EuroHPC geleide aanbesteding zou een substantiële financiële verplichting met zich meebrengen, die het kabinet op dit moment niet wil aangaan. De inhoudelijke afwegingen zoals toegelicht in deze beantwoording geven geen aanleiding om de positie van het kabinet te herzien. Daarbij wil ik bovendien benadrukken dat deelname aan het Europese traject geen garantie biedt op de realisatie van een AI-gigafabriek in Nederland, maar primair ziet op het indienen van een voorstel in competitie met voorstellen uit andere lidstaten.
Kunt u deze vragen in ieder geval voor het tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie, een voor een, beantwoorden?
Ja.
De hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen |
|
Marc Vervuurt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1
Ja.
Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?
Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?
Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.
Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?
Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.
Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?
Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.
In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?
Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.
Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?
De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.
In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?
Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.
Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.
Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?
Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?
In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.
De wanordelijkheden rond de wedstrijd Go Ahead Eagles – PEC Zwolle |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de wanordelijkheden rond Go Ahead Eagles – PEC Zwolle, waaronder het bericht dat uiteindelijk moest worden ingegrepen door de ME?1 Wat is uw reactie op het verloop van deze gebeurtenissen?
Ja.
Hoe kan het dat, ondanks vooraf aangekondigde strengere controles en overleg met supporters, toch wanordelijkheden zijn ontstaan? Waar is het volgens u concreet misgegaan?
Voordat ik deze vragen beantwoord, wil ik schetsen hoe de beslisstructuur op het gebied van veilig en gastvrij voetbal plaatsvindt. De wedstrijdvoorbereiding is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek, bestaande uit de burgemeester, het Openbaar Ministerie, de politie en de betaald voetbal organisatie (BVO). Hier ben ik niet bij betrokken en hier hoor ik ook niet bij betrokken te zijn. De landelijke overheid neemt wel deel aan de Regiegroep Voetbal en Veiligheid.2 Binnen de Regiegroep worden afspraken gemaakt en adviezen gegeven om de veiligheid en gastvrijheid in en rond Nederlandse voetbalstadions te verbeteren en de samenwerking tussen de deelnemende partners te bevorderen. De Regiegroep treedt echter niet in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van decentrale overheden. Tegen deze achtergrond beperk ik mij tot een toelichting op algemene beleidslijnen en ga ik niet in op de concrete omstandigheden van deze situatie. De burgemeester van Deventer legt daarover desgevraagd verantwoording af aan de gemeenteraad.
In de wedstrijdvoorbereiding op decentraal niveau worden er heldere afspraken gemaakt over de voorwaarden voor de toelating van het maximaal aantal supporters in het gastenvak. Het verdient waardering dat op decentraal niveau vooraf in goede onderlinge afstemming alles in het werk is gesteld om een gastvrije en veilige ontvangst van supporters te waarborgen. Helaas hebben deze voorwaarden in dit geval niet het beoogde effect gehad op het gedrag van een deel van de uitsupporters. De evaluatie van de wedstrijd is nog niet afgerond. Op dit moment valt daarom niet aan te geven waarom deze groep supporters de gemaakte afspraken en regels heeft genegeerd.
Zoals aangegeven is de wedstrijdvoorbereiding een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek waar ik vanuit mijn rol niet betrokken bij ben. Van de voetbalvierhoeken van Deventer en Zwolle heb ik overigens begrepen dat zij voorafgaand aan deze wedstrijd nauw met elkaar samen hebben gewerkt om de derbywedstrijd veilig en gastvrij te laten verlopen. De lokale vierhoeken zien deze derby namelijk al jaren als een hoog-risicowedstrijd.
Welke risico-inschatting is vooraf gemaakt ten aanzien van deze wedstrijd, en in hoeverre is daarbij rekening gehouden met de specifieke spanningen rond deze derby?
Zie antwoord vraag 2.
Welke rol heeft het advies van de politie gespeeld in de voorbereiding, en in hoeverre zijn deze adviezen overgenomen door de gemeente mede in het licht van het latere besluit om zonder uitpubliek te spelen?
In het algemeen kan ik aangeven dat de politie deel uitmaakt van de lokale vierhoek en dat hun adviezen bij de wedstrijdvoorbereiding worden meegenomen en direct invloed hebben op de besluitvorming over de voorwaarden waaronder een wedstrijd gespeeld wordt.
Kunt u toelichten hoe de voorbereiding en afstemming tussen burgemeester, politie, Openbaar Ministerie, clubs en de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) is verlopen, en of er op enig moment daarin is bijgestuurd?
Zoals hierboven aangegeven heb ik inhoudelijk geen bemoeienis met de wedstrijdvoorbereidingen van de verschillende wedstrijden. Dat betekent dat ik niet beschik over de bevoegdheid om in dit proces bij te sturen en dat ik niet kan ingaan op de wijze waarop de afstemming in dit specifieke geval is verlopen.
Hoe beoordeelt u het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot het uiteindelijk spelen zonder uitpubliek? Had dit besluit, gelet op de beschikbare informatie en risico-inschattingen, eerder genomen kunnen dan wel moeten worden?
De wedstrijdvoorbereiding en het besluitvormingsproces is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek. Het past niet dat ik daar een oordeel over geef. Het is aan de gemeenteraad van Deventer en/of Zwolle om hier desgewenst een oordeel over te vellen. Wel vind ik het lovenswaardig dat de vierhoeken hier nauw hebben samengewerkt.
Waren de getroffen maatregelen, waaronder toegangscontroles, supportersscheiding en inzet van stewards en politie, naar uw oordeel voldoende en proportioneel gezien het risicoprofiel? Zo nee, waar schoot dit tekort?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete lessen trekt u uit dit incident voor de voorbereiding en besluitvorming rond risicowedstrijden, en hoe worden deze vertaald naar structurele verbeteringen en betere verankering van risicobeperking?
Op dit moment is de gemeente Deventer de casus aan het evalueren. De burgemeester van Deventer zal hierover, indien door de gemeenteraad gewenst, verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.
De gemeenten met een BVO overleggen na iedere speelronde gezamenlijk over incidenten, en komen daarnaast tweemaal per jaar bij de KNVB bijeen en onderhouden onderling goed contact. De geleerde lessen na incidenten worden doorgaans onderling gedeeld en meegenomen bij wedstrijdvoorbereidingen. Binnen dit proces heeft mijn departement via de Regiegroep enkel een ondersteunende rol.
Kunt u verklaren hoe vuurwerk en rookbommen ondanks een dubbele fouillering het stadion zijn binnengekomen? Zijn er aanvullende maatregelen of best practices bekend om deze producten nog beter te kunnen weren?
In het algemeen kan ik aangeven dat het fouilleren bij de toegangscontrole tot een (voetbal)stadion wettelijk is beperkt tot een oppervlakkige controle van kleding en controle van tassen en jassen. Ontkleding en het fouilleren van intieme zones is niet toegestaan. De ervaring leert dat compact vuurwerk daardoor lastig is op te sporen. In hoeverre dit in dit geval een rol heeft gespeeld, zal mogelijk uit de evaluatie blijken.
Zoals aangegeven in de Voortgangsbrief veilig en gastvrij betaald voetbal van 19 december 2025 voert het Auditteam Voetbal en Veiligheid3 momenteel een onderzoek uit naar de impact van het illegaal gebruik van vuurwerk bij voetbal.4 Tevens heeft mijn ministerie verzocht om een aanvullend onderzoek uit te voeren naar de samenstelling van vuurwerk en de mogelijke effecten op de gezondheid van stadionbezoekers en medewerkers. De resultaten zullen in samenhang worden bezien met het onderzoek van het Auditteam, zodat beide trajecten elkaar kunnen versterken en kunnen worden meegenomen bij het nieuwe plan van aanpak. De uitkomsten van deze onderzoeken worden naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 opgeleverd. Tevens worden hierbij de inzichten van de nieuwe, landelijk geldende KNVB-richtlijnen met betrekking tot het gebruik van vuurwerk in stadions meegenomen.
Het bericht ‘Waakhond fileert Haagse ontkenning: ’Hamas had wel degelijk vinger in de pap bij hulporganisaties’ |
|
Annelotte Lammers (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van NGO Monitor, «Analysis: How the Dutch Government is Evading Accountability for its Humanitarian Assistance Funding»?1, 2
Ja.
Welke maatregelen heeft het kabinet genomen, gelet op het jaarverslag van 2016 van het Palestinian Centre for Human Rights (PCHR), dat datzelfde jaar Nederlandse overheidsfinanciering ontving en waarin werd gesteld dat in Gaza «internationale organisaties werden lastiggevallen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Hamas)», organisaties «vaak concessies deden om hun werk te kunnen voortzetten», een «verbod gold op onderzoeksactiviteiten zonder toestemming van het ministerie» en dossiers «zonder wettelijke grondslag werden gecontroleerd», om te voorkomen dat door Nederland gefinancierde organisaties concessies doen aan Hamas of afhankelijk worden van goedkeuring door Hamas-ministeries?
Het kabinet heeft reeds aan uw Kamer toegelicht (Kamerstukken 2026Z03619 en 2026Z03619) dat besluiten om bepaalde organisaties te financieren altijd zorgvuldig worden genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Vraagstukken over due dilligence worden ook meegenomen in beoordelingsmemoranda, bijvoorbeeld in de risicoanalyse en intergriteitsbeoordeling. Het beoordelingsmemorandum kan niet worden geaccordeerd zonder een geldige ORIA. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluaties en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het ministerie daartegenop. Organisaties waar Nederland mee samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties.
Het kabinet heeft daarnaast vertrouwen in de neutraliteit en onafhankelijkheid van het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke omstandigheden, zoals die als Gaza, waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingssamenwerking voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen op orde zijn; deze processen moeten ervoor moeten zorgen dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn.
Kunt u gedetailleerd beschrijven welke due diligence-procedures momenteel gelden om te waarborgen dat door de Nederlandse overheid gefinancierde projecten en NGO’s niet, direct of indirect, worden misbruikt door terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 2.
Is het kabinet, gelet op het rapport van NGO Monitor waarin wordt gewezen op infiltratie van Hamas in het Ministerie van Sociale Ontwikkeling (MoSD) in Gaza, bereid toekomstige financiering, inclusief via aangepaste contractvoorwaarden, afhankelijk te maken van het uitsluiten van het MoSD uit de uitvoering van projecten, waaronder het verstrekken van begunstigdenlijsten voor financiële steun? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 2 en 3
Was het kabinet ervan op de hoogte dat Oxfam Novib, lid van de door Nederland gefinancierde Dutch Relief Alliance (DRA), nog steeds samenwerkt met de Union of Agricultural Work Committees (UAWC), een organisatie waarvan Nederland de financiering eerder stopzette na een audit waaruit bleek dat 34 medewerkers banden hadden met de terroristische organisatie PFLP, waaronder 12 in leidinggevende posities, en dat Nederlands geld werd gebruikt voor salarissen van twee medewerkers die betrokken waren bij de moord op Rina Shnerb in 2019?
Ja, het kabinet is hiervan op de hoogte. Het staat Oxfam Novib vrij om samen te werken met andere organisaties.
Uw Kamer is in 2022 uitgebreid geïnformeerd over de uitkomsten en kabinetsreactie op extern onderzoek naar UAWC (Kamerstuk 23 432, nr. 486). Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat er financiële stromen bestaan tussen UAWC en de PFLP, en evenmin kon worden geconstateerd dat sprake is van een organisatorische eenheid tussen UAWC en PFLP, dan wel aansturing van UAWC door de PFLP. Daarnaast is er geen bewijs gevonden dat suggereert dat stafleden van UAWC of bestuursleden hun positie bij UAWC gebruikt hebben voor terroristische activiteiten of om terroristische activiteiten te steunen.
Acht het kabinet het acceptabel dat Oxfam Novib nog steeds samenwerkt met UAWC? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 5.
Indien het kabinet dit onacceptabel acht, welke gevolgen heeft dit voor de financiering van Oxfam Novib en voor organisaties binnen de Dutch Relief Alliance?
Zie antwoord op vraag 5 en 6.
Op 17 maart 2026 stelde u dat het kabinet vertrouwen heeft in de neutraliteit en onafhankelijkheid van partnerorganisaties, blijft u bij dit standpunt in het licht van de bovenstaande informatie? Zo ja, waarom?
Ja. Zie antwoord op vraag 2, 3, 5 en 6.
Bent u het, gelet op bovenstaande informatie, eens met de stelling dat het onjuist is dat «geen aanwijzingen bestaan dat Nederlandse of Europese middelen bij onbedoelde bestemmingen zijn terechtgekomen»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bereid alle steun aan organisaties waar Hamas direct of indirect zeggenschap over heeft of op enige andere wijze invloed uitoefent, op te schorten?
Dit is hier niet aan de orde. Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Het bericht dat de Nederlandse politie een verdachte heeft gearresteerd in verband met explosies in Duitsland |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Dutch police arrest suspect linked to 2025 explosions in Germany1»? Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport «Between victimhood and offending» van de European insititute for crime prevention and control (HEUNI)2?
Bent u, met Europol, van mening dat het fenomeen geweld op bestelling een groeiend probleem is waarbij ook in Nederland kwetsbare jongeren worden geronseld? Deelt u de analyse van Europol dat hierbij ook sprake kan zijn van criminele uitbuiting? Hoeveel (minderjarige) Nederlandse plegers die over de grenzen heen actief zijn geweest, zijn er binnen deze taskforce inmiddels in beeld? Hoeveel zijn dat er in de afgelopen vier jaar, buiten deze taskforce om, in beeld geweest? Hoeveel van deze (minderjarige) plegers zijn tevens slachtoffer van criminele uitbuiting?
In hoeverre hebben de Nederlandse opsporingsdiensten voldoende zicht op criminele netwerken die kwetsbare jongeren ronselen en over landsgrenzen heen opereren? In hoeverre is er, naast de Europol-taskforce GRIMM, sprake van samenwerking tussen opsporingsdiensten in verschillende Europese landen om dit probleem het hoofd te bieden? Heeft u binnen het programma Preventie met Gezag, de ondermijningsaanpak en het programma Samen tegen Mensenhandel voldoende middelen om het fenomeen geweld op bestelling het hoofd te bieden? Zijn er aanvullende maatregelen nodig? Zo ja, welke?
Met welke online techbedrijven werkt Europol samen om zicht te krijgen op online ronselpraktijken en hoe zien deze programma’s eruit? Welke mogelijkheden ziet u om dergelijke techprogramma’s ook hier in Nederland uit te rollen? Ziet u hier mogelijkheden om mede ter uitvoering van de motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 VII, nr. 81) hier nader vorm aan te geven? Zo ja, welke?
Op welke wijze wordt er binnen de genoemde taskforce van Europol aandacht besteed aan de aanpak van criminele uitbuiting en de bescherming van slachtoffers, waaronder de toepassing van het non-punishmentbeginsel? Welke beschermingsmaatregelen worden binnen deze taskforce geboden? Is er daarnaast sprake van samenwerking met hulpinstanties over de grenzen heen, en zo ja, hoe ziet deze samenwerking eruit?
Kunt u aangeven op welke wijze het amendement aangaande de wettelijke verankering van het non-punishmentbeginsel3, in lijn met een aanbeveling van GRETA4, naar verwachting zal bijdragen aan het verminderen van de angst van slachtoffers om samen te werken met de politie? Op welke wijze gaat u, bijvoorbeeld binnen het programma Samen tegen Mensenhandel dat middels het regeerakkoord wordt voortgezet, er zorg voor dragen dat dit in de praktijk adequaat wordt toegepast? Ziet u op basis van het genoemde rapport best practises uit Scandinavië die we in Nederland zouden kunnen toepassen?
Op welke wijze past Nederland de lessen uit de uitspraak van het EHRM inzake V.C.L/A.N.5 waarin het Verenigd Koninkrijk werd veroordeeld voor het schenden van artikel 4 en 6 van het Handvest omdat een slachtoffer van criminele uitbuiting werd veroordeeld voor een drugsdelict terwijl signalen van uitbuiting onvoldoende werden opgevolgd? Komt het in Nederland bijvoorbeeld voor dat een slachtoffer van criminele uitbuiting eerst wordt veroordeeld voor een delict terwijl in een separate strafzaak duidelijk wordt dat er sprake is van slachtofferschap mensenhandel?
Bent u van mening dat jongeren die vastzitten in de criminaliteit, waaronder van geweld op bestelling, over adequate mogelijkheden beschikken om hulp te krijgen? Welke hulpmiddelen zijn er voor deze jongeren beschikbaar? Ziet u op basis van het genoemde rapport van Heuni6 best practises uit Scandinavië die in Nederland kunnen worden toegepast?
Kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in Hoenderloo»?1
Ja
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»? Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
De IGJ beschrijft hoe een optelsom van factoren maakt dat ze een terrein met potentiële grote risico’s voor jongeren zien. Dit herken ik en dit baart mij zorgen.
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat er op dit moment 16 unieke zorgaanbieders gevestigd zijn op het terrein. Dit verschilt van de 20 zorgaanbieders die de IGJ voor het recente toezicht heeft kunnen herleiden. Het verschil laat zich verklaren door twee factoren: een aantal aanbieders heeft het terrein in de afgelopen periode verlaten en de gehanteerde telwijze verschilt, waarbij soms wordt uitgegaan van unieke aanbieders met meerdere vestigingen en soms van de afzonderlijke vestigingen of locaties zelf.
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar later de situatie nog steeds zorgelijk is?
De bevindingen van de IGJ zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is het niet zo dat er sinds 2024 niets is gebeurd. De IGJ is al langere tijd actief bij een aantal aanbieders op het Hoenderloo-terrein. Er zijn sinds 2024 meermaals meldingen opgepakt, deze worden echter niet gepubliceerd.
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat het platform nog steeds actief is en eens per 6 weken samenkomt. Een afvaardiging van de zorgaanbieders op het terrein, dorpsbelangenverenigingen, De Vos Groep, gemeente Apeldoorn en de wijkagent sluiten aan bij dit overleg. Binnen het platform worden signalen, bijzonderheden en actuele ontwikkelingen in Hoenderloo gedeeld en waar nodig afgestemd. Samenwerking wordt hier gestimuleerd en er worden afspraken over communicatie gemaakt. De korte lijnen hebben bijgedragen aan begrip en een adequate afhandeling bij meldingen. Het platform heeft daarmee vooral een signalerende en verbindende functie, gericht op het delen van informatie, afstemmen tussen partijen en tijdig agenderen van relevante ontwikkelingen.
Aanvullend vindt iedere vier weken overleg plaats met de gebiedswethouder en gebiedsdirecteur. In dit overleg worden de belangrijkste signalen en actualiteiten uit het dorp besproken en, indien nodig, vertaald naar bestuurlijke aandacht of vervolgacties. Concreet gaat het onder meer om een bemiddelende rol van een gebiedsbestuurder, communicatie naar inwoners en (nieuwe) samenwerkingsafspraken.
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet opgeleverd?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als dat nodig is. De gemeente is niet altijd inhoudelijk betrokken bij een casus. Vanuit hun toezichthoudende rol is het nodig dat gemeenten weten van welke aanbieder de jongere de zorg ontvangt. Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is echter niet altijd bekend op welke locatie de cliënt verblijft, dat is voor dit type toezicht ook niet noodzakelijk. De jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp. En de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
In de zoektocht naar passende hulp wordt, bij gebrek aan passende zorg, soms gekozen voor plaatsingen op een zorglocatie ver buiten de regio die oorspronkelijk niet door de gemeente is gecontracteerd. Dergelijke plaatsingen zijn kwetsbaarder. Zo worden er bijvoorbeeld meestal minder eisen gesteld aan plaatsingen via maatwerkcontracten. Het is daarom belangrijk dat er beter zicht komt op deze plaatsingen. Samen met de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) zet ik daarom stappen om één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen buiten de regio die niet in het belang zijn van de jeugdige, in beeld te krijgen en zo veel als mogelijk tegen te gaan. Gemeenten worden daarvoor op zeer korte termijn verzocht om deze zomer deze jongeren per jeugdregio in beeld te brengen, als zijnde een nulmeting. Daarna gaan jeugdregio’s stapsgewijs toe werken naar meer zicht op de jongere en diens zorgbehoefte met als doel dat zij zoveel mogelijk in eigen regio hulp ontvangen. Ook wordt gekeken of er een verklarende analyse is, of de huidige zorg passend is én hoe toegewerkt wordt naar passende zorg voor deze jeugdige. Gemeenten kunnen hier per direct ondersteuning bij krijgen vanuit een landelijk programma vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Ik volg de inspanningen van de gemeenten en verwacht uw Kamer in het najaar te kunnen informeren over de eerste bevindingen.
Vanuit de Hervormingsagenda wordt daarnaast onverminderd ingezet op het verbeteren van het (landelijk) inzicht in het stelsel en het verbeteren van datagedreven werken. Het CBS werkt nu aan een data-infrastructuur voor een centrale monitor van het jeugdstelsel (met o.a. een dashboard en statistieken) en is voornemens na de zomer een eerste versie te lanceren. Deze bevat waar mogelijk cijfers op landelijk, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarnaast zet de VNG in op het stimuleren en verbeteren van datagedreven werken bij gemeenten, waarbij de centrale monitor ook gebruikt kan worden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Ik herken de constateringen uit het onderzoeksrapport van de IGJ. Het organiseren en bieden van passende hulp is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen (overheden/aanbieders/professionals).
Dat er voor jongeren met de meest zware problematiek nog te vaak onvoldoende passende jeugdhulp beschikbaar is, heeft verschillende oorzaken die uiteenlopen van onvoldoende goede (verklarende) analyse aan het begin van een traject tot aan het ontbreken van het benodigd aanbod. Zie daarvoor ook mijn recente brief over acties m.b.t. aanpak t.b.v. passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek.3 Het is niet eenvoudig om passende zorg te organiseren voor jongeren met complexe problematiek en onze inzet zal daarom niet in alle gevallen direct resultaat hebben.
Vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp is volgens de Jeugdwet niet toegestaan. Er wordt volop ingezet op het voorkomen hiervan, onder meer middels het informeren van de sector met de handreiking «Omgaan met dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de open jeugdhulp met verblijf». Deze is in opdracht van VWS opgesteld. Tegelijkertijd zullen er specifieke omstandigheden blijven bestaan waarin de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen nodig is om te zorgen dat een jongere passende hulp kan krijgen. Daarom werk ik, zoals mijn voorganger heeft aangekondigd, aan een wetswijziging om de toepassing van vrijheidsbeperking in specifieke omstandigheden in de open residentiële jeugdhulp mogelijk te maken.
Vanuit de transformatie van de gesloten jeugdhulp wordt gewerkt aan de realisatie van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Onderdeel daarvan is ook het voorkomen dat kinderen gesloten geplaatst worden. Om hier een impuls aan te geven gaan we de bestuurlijke afspraken over de transformatie gesloten jeugdhulp uit 2024 aanvullen en verder concretiseren. Tot slot treffen we vanuit de Hervormingsagenda verschillende maatregelen om de jeugdhulp te verbeteren. Zoals de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, de verbetering van kwaliteit in de sector en de ombouw van residentiële jeugdhulpinstellingen naar kleinschaligheid.
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari 2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik navraag gedaan bij de gemeente Apeldoorn en de politie. De categorieën die in de vraag beschreven zijn, worden niet als dusdanig geregistreerd. Daarom is voor de beantwoording van deze vraag aangesloten bij meldingen zoals deze worden geregistreerd bij de politie.
Sinds 1 januari 2025 heeft de politie in totaal 1.160 meldingen gehad op het Hoenderloo-terrein. Deze waren van de volgende aard:
Daarnaast zijn er in totaal 13 incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van middelengebruik. Er zijn 5 incidenten geweest waarbij sprake was van bedreiging.
Er zijn 19 incidenten geweest waarbij er sprake was van vernieling. Er wordt niet geregistreerd of een bepaald incident een gevoel van onveiligheid bij jongeren tot gevolg heeft. Een gesprek met een politieagent kan bovendien door de ene jongere als beschermend, maar door de ander als onveilig worden ervaren.
Ik heb deze vraag eveneens voorgelegd aan de IGJ. De IGJ beschikt niet over een totaaloverzicht van het aantal incidenten dat sinds 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden op het Hoenderloo-terrein. De IGJ heeft in het toezicht op het Hoenderloo-terrein bij de 20, destijds bij de IGJ bekende zorgaanbieders, het aantal incidenten in de jeugdhulp uitgevraagd. In de periode 2024 tot mei 2025 hebben deze zorgaanbieders 319 incidenten gerapporteerd. Ook zijn zorgaanbieders gevraagd voorbeelden van incidenten te geven. De genoemde voorbeelden heeft IGJ gecategoriseerd in «middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen». De IGJ beschikt echter niet over cijfers over het aantal incidenten per hiervoor genoemde categorie of het aantal incidenten waarbij jongeren zich onveilig voelden.
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Jeugdhulpaanbieders moeten een calamiteit of geweld bij de verlening van jeugdhulp verplicht melden bij de IGJ. Aanbieders hoeven dus niet alle incidenten bij de inspectie te melden. Het is wel belangrijk dat aanbieders deze zelf registreren en analyseren. Tijdens het toezicht kan de inspectie deze incidentenregistratie inzien en meenemen in het toezicht.
In het jaarbeeld van de IGJ staat dat er in 2025 in totaal 1.240 meldingen binnen de jeugdzorg zijn gedaan, waarvan 160 meldingen over calamiteiten, 410 meldingen over geweld en 670 «andere meldingen». De IGJ registreert deze meldingen niet volgens de categorieën middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen.
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
De IGJ publiceert rapporten over individuele aanbieders naar aanleiding van haar toezicht op een hiertoe bestemde website4. Daarbij kan gezocht worden op sector jeugdzorg, publicatiejaar en het soort toezichtdocument. In de rapporten is te lezen wat de aard van het toezicht was en welke opvolging de IGJ hieraan heeft gegeven. Daarnaast publiceert de IGJ overkoepelende rapporten op haar website. Sinds 1 januari 2025 zijn (thematische) rapporten verschenen over de uitvoering van jeugdbescherming, gesloten jeugdhulp, gezinshuizen, pleegzorg, eetstoornissenzorg en het Hoenderloo-terrein. Dergelijke rapporten worden vanuit de IGJ gepubliceerd op haar website. De aanbevelingen uit de rapporten richten zich op de jeugdhulpverleners en landelijke partijen die hier opvolging aan moeten geven.
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben.
Het stelsel van toezicht en controle is in ontwikkeling en er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen. Vanaf 1 januari 2026 moeten bijvoorbeeld (bepaalde) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, op grond van de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, een interne toezichthouder hebben. Daarnaast heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een wettelijke toezichtstaak gekregen op het terrein van de Jeugdwet voor het toezicht op de openbare jaarverantwoording en transparantie financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen (inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027).
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Inspecties en de NZa hebben diverse bestuurlijke, maar ook informele instrumenten om te zorgen dat jeugdzorgaanbieders zich aan de wet- en regelgeving houden. Ook gemeenten hebben bestuursrechtelijk instrumenten tot hun beschikking en kunnen vanuit hun rol als inkoper maatregelen nemen om te zorgen dat kwaliteitseisen worden nageleefd. Het is hierbij van belang dat bestaande bevoegdheden/instrumenten optimaal worden benut en dat multidisciplinaire samenwerking tussen partijen wordt bevorderd. Er zijn en worden nog stappen gezet om samenwerking tussen toezichthouders beter mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van regelgeving die toezichthoudende partijen beter in staat stelt gegevens met elkaar uit te wisselen. Voor meer informatie hierover verwijs ik u ook naar de Kamerbrief over zorgfraude die nog voor de zomer aan uw Kamer wordt toegestuurd. Daarin staat ook dat ik naast het versterken van het toezicht heb besloten een vergunningsplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren. Door toelating, screening en toezicht beter met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhangende aanpak waarbij risico’s en misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Ten slotte zijn er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt met betrokken partijen over de aanpak van zorgfraude. Deze maatregelen dragen in brede zin bij aan een effectief stelstel van toezicht en controle. Er wordt o.a. ingezet op het verder verstevigen en professionaliseren van het gemeentelijk toezicht. Ik ben voornemens om dit met een stimuleringsprogramma verder vorm te geven. Over de invulling hiervan ben ik met de VNG in overleg.
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.
SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Zie vraag 1 en 2.
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.
Het bericht 'Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs»?1
Hoe duidt u de stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld, van 673 gevallen in 2024 naar 757 in 2025?
In hoeverre is volgens u sprake van een daadwerkelijke toename van eergerelateerd geweld, los van een toename aan meldingen?
Klopt het dat in een aanzienlijk deel van de gemelde zaken personen met een Syrische achtergrond betrokken zijn, zoals gemeld in het artikel? Zo ja, hoe duidt u die cijfers?
Klopt het dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor het asiel- en integratieproces?
Wordt in de asielopvang en bij gemeenten actief gesignaleerd op risico’s of verdenkingen van eergerelateerd geweld? Zo ja, welke instrumenten en protocollen worden hiervoor gebruikt en hoe wordt expertise gedeeld met politie, Veilig Thuis en andere betrokken instanties?
Hoe is de samenwerking georganiseerd tussen politie, Veilig Thuis, gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken organisaties wanneer signalen van eergerelateerd geweld ontstaan binnen migrantengemeenschappen of in de asielopvang?
Welke maatregelen worden genomen om potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en LHBTI-personen, tijdig te beschermen?
Deelt u de opvatting dat eergerelateerd geweld een ernstige aantasting vormt van de Nederlandse rechtsorde en fundamentele vrijheden?
Welke gevolgen kan betrokkenheid bij eergerelateerd geweld hebben voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning, ook wat betreft verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd?
In hoeverre kan een verdenking, vervolging of veroordeling voor eergerelateerd geweld aanleiding zijn om een verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken vanwege betrokkenheid bij geweld binnen de familie- of eersfeer?
Acht u het huidige instrumentarium binnen het vreemdelingenrecht voldoende om op te treden tegen personen die zich schuldig maken aan eergerelateerd geweld, of ziet u aanleiding om dit aan te scherpen?
De toename van eerwraak in Nederland |
|
Marjolein Faber (PVV), Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat eerwraak onacceptabel is?
Welke prioriteit geeft de politie aan dergelijke zaken? Aan hoeveel meldingen van eerwraak wordt opvolging gegeven binnen de strafrechtsketen?
Bent u het ermee eens dat eerwraak uitzetting tot gevolg moet hebben, niet alleen de dader maar ook het hele gezin?
Bent u het ermee eens dat eerwraak een cultureel probleem is en haaks staat op het eigen kabinetsbeleid van tolerantie?
Wilt u een overzicht verstrekken en daarbij het volgende opnemen: het aantal meldingen uitgesplitst naar strafbaar feit met daarin een onderverdeling van het aantal daders uitgesplitst naar land van herkomst?
Bent u het ermee eens dat de islam hier een duidelijke rol inspeelt en botst met de westerse democratie? Bent u het ermee eens dat de ongebreidelde asielinstroom uit veelal islamitische landen een directe oorzaak vormt van de toename van deze misdrijven in Nederland? Zo ja, wanneer gaat u eindelijk een asielstop en een stop op nareis invoeren?
Het Jaarverslag van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld 2025 |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het jaarverslag 2025 van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEG EGG)?
Hoe duidt u de stijging van het aantal gemelde zaken bij het LEC EGG van 674 in 2024 naar 757 in 2025? In hoeverre is deze toename volgens u het gevolg van een daadwerkelijke toename van het aantal zaken of van een betere herkenning en meldingsbereidheid?
Hoe verhoudt het aantal zaken van 757 zich tot het totale aantal eergerelateerde geweldszaken dat bij de politie in beeld komt, inclusief zaken die niet aan het LEC EGG worden voorgelegd?
Kunt u de 757 zaken uitsplitsen in hoeveel zaken er een vrouwelijk slachtoffer en in hoeveel zaken een mannelijk slachtoffer? Kunt u met de Kamer delen wat potentiële motieven kunnen zijn voor eergerelateerd geweld met mannelijke slachtoffers?
Hoe verklaart u de regionale verschillen waarbij de politie-eenheden in Den Haag, Midden-Nederland en Oost-Nederland de meeste zaken aandragen? Is er voor deze politie-eenheden meer onderwijs geweest voor een betere en snellere herkenning van de problematiek?
Welke maatregelen worden genomen om basiskennis over eergerelateerd geweld voor alle politie-eenheden op een vergelijkbaar niveau te brengen?
Wat is uw beeld van waar eergerelateerd geweld het eerst in beeld komt? Is dit bij de politie of bij hulpverleningsinstanties?
Hoe ziet de huidige samenwerking tussen politie, hulpverlening en opvanginstellingen eruit bij vermoedens van eergerelateerd geweld?
Kunt u de checklist waarover wordt gesproken in het jaarverslag met de Kamer delen?
Hoe beoordeelt u het feit dat in bijna de helft van de zaken deze checklist ontbreekt? Worden er op dit moment nog maatregelen genomen om het gebruik van de checklist te bevorderen, na een eerdere poging in 2019?
Hoe duidt u dat de meeste meldingen vanuit de Syrische gemeenschap komen? Wordt er in beleid specifiek aandacht besteed aan deze groep om voorlichting te geven over deze problematiek?
Zijn er op dit moment wensen en/of plannen om de capaciteit of de middelen van het LEC EGG uit te breiden, gezien de jaarlijkse stijging van het aantal zaken?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Becker voor een nieuw meerjarenplan zelfbeschikking en een versterkte aanpak van schadelijke praktijken (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 17)?
Welke rol speelt eergerelateerd geweld binnen het beleid rond femicide en geweld tegen vrouwen?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een gerechtelijk uitreisverbod bij risico op genitale verminking in het buitenland?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een strafverzwaringsgrond voor strafbare feiten als het plegen of medeplegen van eergerelateerd geweld?
Bent u bereid binnen twee maanden de uitwerking naar de Kamer te sturen van de regeerakkoordafspraak dat er een adviesplicht komt bij signalen van huiselijk geweld en andere schadelijke praktijken voor onderwijs- en zorgprofessionals?
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.
Bent u bekend met de documentaire van het YouTube-kanaal Dutch Travel Maniac, waarin anonieme beveiligers, (voormalige) bewoners en winkeliers uitgebreid verklaren over structurele misstanden op COA-locaties, waaronder het aanmeldcentrum Ter Apel en AZC Budel?
Kunt u bevestigen dat er op COA-locaties, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, op structurele basis drugs worden verhandeld, waaronder cocaïne, speed en hasj?
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, op welke locaties is dit het geval en welke maatregelen zijn er tot dusver genomen om dit te bestrijden?
Indien het antwoord op vraag twee ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Klopt het dat er bij het betreden van AZC-terreinen geen standaard fouillering of controle op contrabande plaatsvindt, met uitzondering van het gebouw van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Indien het antwoord op vraag vijf bevestigend luidt, acht u dit verantwoord gegeven de aanhoudende signalen over wapenbezit en drugshandel op deze locaties en bent u bereid structurele toegangscontroles in te voeren?
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Hoe verklaart u dat bewoners van AZC’s wapens zoals machetes, keukenmessen en glasscherven in hun bezit kunnen hebben op het terrein?
Welke maatregelen worden getroffen om wapenbezit op COA-locaties te voorkomen en te bestrijden?
Is het u bekend dat beveiligers op COA-locaties verklaren dat er op wekelijkse basis massale vechtpartijen en steekincidenten plaatsvinden en dat er dagelijks kleinere opstootjes zijn?
Kunt u een overzicht geven van het aantal geregistreerde geweldsincidenten op COA-locaties over de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar type incident en locatie?
Klopt het dat beveiligers op COA-locaties structureel te maken hebben met fysiek geweld, waaronder bijten, bespugen en bedreigingen met wapens?
Wat doet u om de veiligheid van COA-medewerkers, daarmee dus ook de beveiligers, te waarborgen?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat het COA verantwoordelijkheid hiervoor afschuift naar de externe inhurende beveiligingsorganisatie?
Herkent u het beeld dat beveiligers vrezen voor hun baan indien zij misstanden naar buiten brengen?
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom geven anonieme beveiligers dit dan aan?
Bent u bereid een klokkenluidersregeling specifiek voor personeel op COA-locaties in te richten of te versterken, zodat misstanden veilig kunnen worden gemeld?
Hoe reflecteert u op de stelling dat asielzoekers die daadwerkelijk uit oorlogsgebieden zijn gevlucht, verklaren zich structureel onveilig te voelen op COA-locaties en dat sommigen meubels tegen hun kamerdeur plaatsen om veilig te kunnen slapen?
Hoe reflecteert u op het feit dat vrouwen en gezinnen met kinderen in AZC’s aangeven zich niet vrij te kunnen bewegen vanwege intimidatie en seksuele intimidatie door medebewoners?
Kunt u bevestigen dat er gevallen bekend zijn waarin bewoners van AZC’s zich schuldig hebben gemaakt aan aanranding en dat de betreffende daders slechts een zogenaamde «time-out» kregen, bestaande uit een tijdelijke overplaatsing naar een soberere kamer, waarna zij terugkeerden naar dezelfde locatie?
Indien het antwoord op vraag twintig bevestigend luidt, acht u dit een passende sanctie bij zedendelicten?
Indien het antwoord op vraag twintig ontkennend luidt, waarom geven beveiligers en (oud)bewoners dit dan aan?
Klopt het dat de zogenaamde Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) op het terrein van Ter Apel zodanig is ingericht dat bewoners eenvoudig over het hek kunnen klimmen en zich weer vrij in het centrum van Ter Apel kunnen begeven?
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, welke maatregelen worden getroffen om dit te voorkomen?
Kunt u reflecteren op de verklaring van beveiligers dat naar schatting 80% van de incidenten niet wordt gerapporteerd of openbaar gemaakt?
Kunt u uitsluiten dat het COA tijdens inspectiedagen of bezoeken van Tweede Kamerleden bewust bewoners per touringcar laat wegrijden van locaties om de bezettingsgraad en de situatie gunstiger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is?
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, op basis waarvan kunt u dit uitsluiten?
Indien het antwoord op vraag 26 ontkennend luidt, bent u bereid hier onafhankelijk onderzoek naar te laten doen?
Klopt het dat bewoners die bij dergelijke verplaatsingen worden betrokken financiële compensaties ontvangen?
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, om welke bedragen gaat het en uit welke begrotingspost worden deze gefinancierd?
Bent u bereid structurele, onaangekondigde inspecties op COA-locaties in te voeren, zodat een realistisch beeld van de dagelijkse situatie kan worden verkregen?
Klopt het dat de eerste screening door de IND in sommige gevallen bestaat uit slechts een beperkt aantal ja/nee-vragen?
Indien het antwoord op vraag 32 bevestigend luidt, acht u dit toereikend om potentiële veiligheidsrisico’s te identificeren?
Wordt er bij de aanmelding in Ter Apel gebruikgemaakt van gezichtsherkenning of biometrische verificatie? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit in te voeren?
Wat is uw reactie op het signaal dat asielzoekers massaal paspoorten en identiteitsdocumenten weggooien of verscheuren voorafgaand aan hun aanmelding en dat er gehandeld wordt in valse paspoorten via mensensmokkelnetwerken?
Welke maatregelen worden getroffen om identiteitsfraude tegen te gaan?
Kunt u toelichten waarom de politie, zoals door meerdere bronnen uit de documentaire wordt gesteld, beperkt in staat is om op te treden tegen bewoners van AZC’s die zich schuldig maken aan strafbare feiten, omdat deze geen Nederlandse identiteit hebben?
Is het u bekend dat winkeliers in de omgeving van AZC’s te maken hebben met bedreigingen, bespuging, diefstal en seksuele intimidatie door bewoners?
Bent u bereid met de betrokken gemeenten in gesprek te gaan over aanvullende maatregelen ter bescherming van lokale ondernemers?
Hoe beoordeelt u het feit dat omwonenden van het AZC in Lochem een vergoeding van 1.000 euro van de overheid ontvangen om hun woningen beter te beveiligen? Wat zegt dit volgens u over de veiligheidssituatie rondom AZC’s?
Deelt u de mening dat het onverantwoord is om nieuwe AZC’s te openen zolang de veiligheid op bestaande locaties niet op orde is, zowel voor bewoners als voor omwonenden en personeel?
Indien het antwoord op vraag 41 ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de wijze waarop het COA omgaat met veiligheidsincidenten, de registratie daarvan en het functioneren van interne klachtenprocedures?
Hoe luidt uw reactie op de berichten «PA drafts constitution, omits Jewish ties to Jerusalem, calls for Sharia legal system»1 en «PA paid half a billion shekels to terrorists in pay-for-slay scheme, sources reveal -exclusive»2?
Het kabinet heeft de berichten voor kennisgeving aangenomen.
Wat is de etymologische geschiedenis van de benaming «Jeruzalem»?
Er zijn verschillende theorieën over de etymologische geschiedenis van de benaming van Jeruzalem.
Klopt het met uw informatie dat de Joodse banden met Jeruzalem in de ontwerp-Grondwet, zoals opgesteld door de Palestijnse Autoriteit (PA), worden weggelaten en bijvoorbeeld enkel het beschermen van islamitische en christelijke heiligdommen wordt benoemd? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat er in de conceptgrondwet geen referentie wordt gemaakt naar de bescherming van Joodse heilige plekken in Jerusalem, maar wel naar Islamitische en Christelijke heiligdommen. Het kabinet is van mening dat vrije, veilige en niet-discriminerende toegang tot heilige plaatsen van alle religies – waaronder de Joodse heiligdommen in Jeruzalem – een essentieel onderdeel is van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Het kabinet zal de ontwikkelingen omtrent de Grondwet nauwkeurig blijven volgen. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Meent u dat in een toekomstige situatie de Joodse banden met Jeruzalem nooit mogen worden ontkend en bent u bereid dit standpunt randvoorwaardelijk uit te dragen voor de toekomst?
Jeruzalem heeft historisch gezien en vandaag de dag een speciale status in het jodendom, de islam, en het christendom. Het respecteren van verschillende religieuze plaatsen in Jeruzalem is ook vastgelegd in de al lang bestaande Status Quo-overeenkomst. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een fundamenteel mensenrecht en een prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Nederland draagt dit uit en zet zich in om dit recht te beschermen, ook in Israël en de Palestijnse Gebieden. Deze conceptgrondwet is wat het kabinet betreft geen bewijs van ontkenning van de geschiedenis van Jeruzalem door de Palestijnse Autoriteit (PA). Zie ook het antwoord op vraag 3.
Welke historische banden heeft het Joodse volk en het judaïsme wetenschappelijk-historisch gezien volgens dit kabinet ten aanzien van de vroege geschiedenis van Jerusalem en aanwezigheid door de eeuwen heen tot op heden? Hoe verhoudt dit zich tot de uitingen van de PA? Is er sprake van bewuste geschiedvervalsing volgens dit kabinet door de PA en zo ja, op welke onderdelen? Bent u bereid de PA hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt invulling gegeven aan de gewijzigde motie-Ceder/Stoffer over het standpunt dat Joden welkom en veilig moeten zijn in Jeruzalem innemen en uitdragen (Kamerstuk 26 150, nr. 239)?
Nederland geeft uitvoering aan deze motie. Het standpunt van het kabinet is dat iedereen het recht heeft om zijn of haar religieuze of levensbeschouwelijke keuze te maken, en dit in vrijheid en veiligheid te doen. Dat geldt wereldwijd, en daarmee ook in Jeruzalem.
Klopt het dat de ontwerp-Grondwet shariawetgeving implementeert? Zo ja, hoe beoordeelt het kabinet dit? Erkent het kabinet dat dergelijke wetgeving op zeer gespannen voet staat met internationale mensenrechtenverdragen zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Wat betekent dit voor de omgang van dit kabinet met de PA?
De conceptgrondwet voorziet geen directe implementatie van de sharia. Wel wordt in de conceptgrondwet aangegeven dat bepaalde principes van de sharia als inspiratiebronnen gelden voor wetgeving. Dit is gebruikelijk in islamitische landen en heeft geen invloed op de betrekkingen die het kabinet onderhoudt met de PA.
Bent u bekend met de uitspraken van uw ambtsvoorganger over dat «de systematiek van betalingen aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood [is] herzien» en dat de «de betalingen onder het vorige systeem (...) zijn gestopt»?3
Daar ben ik mee bekend.
Klopt het met uw informatie dat de ontwerp-Grondwet de voorzetting van het «pay-for-slay-programma» lijkt te formaliseren? Zo nee, hoe interpreteert u het grondwetsartikel zoals genoemd in het artikel van 13 februari jl.?
Er staat dat «rechten van gevangenen zullen worden bewaard». Er wordt in de conceptgrondwet niet gerefereerd aan het sociale zekerheidssysteem waar betalingen aan achterblijvende families van gevangenen onderdeel van zijn op basis van financiële behoeften. Zie ook het antwoord op vraag 10 en 11.
Heeft u signalen ontvangen dat de PA het «pay-for-slay-programma» in 2025 heeft voortgezet, zoals uiteengezet in het artikel van 25 februari jl.? Wat vindt u daarvan?
De Palestijnse president Abbas ondertekende op 11 februari 2025 een decreet waarin dit systeem werd vervangen door een nieuw sociaal systeem. Het decreet stelt dat deze families in aanmerking komen voor uitkeringen op basis van hun financiële behoeften, net zoals andere Palestijnen die steun behoeven. De hervorming op dit vlak is doorgevoerd en wordt gehandhaafd. President Abbas ontsloeg op 10 november 2025 zijn Minister van Financiën, die volgens berichtgeving goedkeuring had gegeven voor een beperkt aantal betalingen volgens het oude systeem. Daaropvolgend publiceerde president Abbas een verklaring waarin hij de hervormingen t.a.v. het sociale zekerheidssysteem nogmaals bevestigde en waarin hij benadrukte dat alle betalingen volgens dit hervormde systeem zullen plaatsvinden. Het kabinet heeft geen recente signalen ontvangen dat de PA het eerdere systeem van uitkeringen voortzet. Het hervormde systeem wordt momenteel in opdracht van de Palestijnse Autoriteit door een onafhankelijk auditbureau beoordeeld. Daarnaast wordt een onafhankelijke audit uitgevoerd in opdracht van de EU.
Kunt u met zekerheid stellen dat het «pay-for-slay-programma» echt is gestopt? Zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Zie antwoord vraag 10.
Mocht u niet met zekerheid kunnen stellen dat het «pay-for-slay-programma» daadwerkelijk is gestopt, kunt u toezeggen om, in lijn met de aangenomen motie-Ceder (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2948), enkel in te stemmen met EU-steun aan de PA als het geld dat de PA uitgeeft aan de uitkeringen wordt afgetrokken van het bedrag aan steun? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend zijn de uitbetalingen in het kader van het meerjarensteunprogramma van de EU aan de Palestijnse Autoriteit afhankelijk van de voortgang op de implementatie van de hervormingen van het sociale systeem, waaronder op het gebied van betalingen van de Palestijnse Autoriteit aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood. Het kabinet dringt er bij de Commissie op aan dat deze afspraken nauwgezet worden gemonitord.
Kunt u toezeggen om de Kamer proactief te informeren als u signalen krijgt dat de PA bedragen uitkeert in het kader van «pay-to-slay» en uit een te zetten welke stappen u gaat ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet informeert de Kamer geregeld over de voortgang van de hervormingen van de PA en zal dit blijven doen.
Het bericht ‘Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers»1?
Dit zijn berichten die helaas tekenend zijn voor de toenemende druk waaronder (christelijke) Palestijnen staan. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is hieraan expliciet aandacht besteed, de situatie in de Oude Stad van Jeruzalem in het bijzonder.
Klopt het dat de Israëlische autoriteiten voor het schooljaar 2026–2027 geen werkvergunningen meer willen verstrekken aan Palestijnse leraren uit de Westelijke Jordaanoever die werkzaam zijn op christelijke scholen in Jeruzalem?
Naar verluidt staat inderdaad in de brief van het Israëlische Ministerie van Onderwijs van 10 maart jl. aan schooldirecties in Jeruzalem dat voor het schooljaar 2026–2027 alleen leraren mogen worden aangenomen die in Jeruzalem wonen en beschikken over Israëlische onderwijsbevoegdheden.
Deelt u de zorg dat deze maatregel gevolgen heeft voor meer dan tweehonderd leraren en daarmee de continuïteit van de ongeveer vijftien christelijke onderwijsinstellingen in Jeruzalem onder druk zet?
Ja. De meeste docenten op deze scholen zijn christelijke Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever. Als zij niet meer kunnen werken in Jeruzalem zullen de scholen gedwongen op zoek moeten gaan naar nieuwe docenten.
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van deze maatregel op de positie van christelijke minderheden in Jeruzalem en het behoud van religieuze en culturele diversiteit in de stad?
De maatregel zorgt ervoor dat minder christenen toegang hebben tot Jeruzalem. Dit heeft een verder negatieve impact op de pluriformiteit van de stad.
Op welke wijze en hoe hard raakt deze maatregel de financiële situatie van deze leraren en hun gezinnen? Op welke wijze raakt deze maatregel de Palestijnse economie?
Het gaat om tientallen families die potentieel een bron van inkomen kwijt raken, maar niet om een dusdanig grote groep dat het een significante invloed heeft op de al zwakke Palestijnse economie. Wel zal het in het bijzonder impact hebben op een groep mensen die voornamelijk uit de regio van Bethlehem komt, waar het al slecht gaat met de economie door de afhankelijkheid en afwezigheid van toerisme. In die zin heeft het een relatief grote impact op een specifieke gemeenschap op de Westelijke Jordaanoever. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat als reden wordt aangevoerd dat de diploma’s niet zouden voldoen aan de academische standaarden die nodig zouden zijn? Hoe beoordeelt u dit argument? Mocht dit argument valide zijn, welke rol kan Nederland spelen om eventueel aan deze eis tegemoet te komen?
Op 21 januari jl. heeft de Knesset een wet aangenomen die het tewerkstellen van leraren met diploma’s uit de Palestijnse Gebieden beperkt. De wet zorgt ervoor dat deze groep leraren niet kan worden aangesteld als leraar, schooldirecteur of inspecteur in Jeruzalem. De wet beschouwt deze groep als personen zonder de vereiste academische graad voor dergelijke functies. In de toelichting van het wetsvoorstel staat: «de academische opleiding in de Palestijnse Autoriteit vindt plaats in een omgeving waarin sprake is van ophitsing tegen de staat Israël, en die niet overeenkomt met de principes en waarden waarop het onderwijs in de staat Israël is gebaseerd.»
Er zijn enkele uitzonderingen en overgangsregelingen binnen de wet, namelijk: i) personen die al voor inwerkingtreding van de wet als leraar werkten en in hun bestaande functie blijven; ii) personen die al een diploma hadden van de Palestijnse Autoriteit of een volledig academisch jaar hebben afgerond, voor hen geldt dat zij in sommige gevallen alsnog, onder strengere voorwaarden, kunnen worden aangesteld; en iii) de directeur-generaal van het Israëlische Ministerie van Onderwijs kan toch iemand toelaten als een persoon ook beschikt over een Israëlisch diploma. Personen die worden afgewezen hebben recht om in beroep te gaan tegen de beslissing.
Het kabinet erkent niet dat Israël soevereiniteit kan uitoefenen over Oost-Jeruzalem. Het bezettingsrecht is van toepassing en kent strenge voorwaarden voor het aanpassen van lokale wetgeving. Bovendien dient de bezetter het bezette gebied te besturen ten behoeve van de lokale bevolking. Deze maatregel staat hier haaks op.
Bent u bereid deze kwestie zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen bij de Israëlische autoriteiten en te pleiten voor het behoud van het werk voor deze leraren?
Nederland blijft zich inzetten zowel bilateraal als multilateraal voor de vrijheid van minderheden. Waar opportuun zal het kabinet deze specifieke casus onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om, samen met internationale partners en kerkelijke organisaties, te bezien hoe deze scholen ondersteund kunnen worden indien deze maatregel wordt doorgezet?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah onderhoudt contact met lokale kerkgemeenschappen, volgt de situatie nauwgezet en beziet steeds in overleg hoe de verschillende zorgen die leven kunnen worden geadresseerd.
Ziet u een ontwikkeling dat minderheden in Jeruzalem, inclusief (Palestijnse) christenen, steeds verder onder druk komen te staan, door situaties zoals deze en zoals in eerdere schriftelijke benoemd?2 Welke stappen onderneemt u en gaat u ondernemen om deze ontwikkelingen tegen te gaan?
Ja, minderheden in Jeruzalem staan onder toenemende druk. Nederland dringt aan op handhaving van de status quo rond heilige plaatsen. Hierbij steunt Nederland de rol van Jordanië als beschermer van de Christelijke en Islamitische Heilige plaatsen in Jeruzalem, zoals ook erkend door Israël in het Vredesverdrag. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor (Palestijnse) christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem.
Het Concertgebouw dat musici en orkesten weert die direct of indirect betrokkenheid hebben bij oorlogsmisdaden en genocide |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt het dat het Concertgebouw nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd waarbij artiesten, musici en orkesten kunnen worden geweerd indien zij (direct of indirect) betrokken zouden zijn bij discriminatie, geweld of ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder oorlogsmisdaden en genocide?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dat Het Concertgebouw nieuwe richtlijnen hanteert waarbij artiesten, musici of complete orkesten kunnen worden geweerd op basis van vermeende betrokkenheid bij internationale misdrijven, zonder dat daar een juridisch oordeel of individueel onderzoek aan voorafgaat?
Voorop staat dat culturele instellingen zelf gaan over hun programmering, verhuur en richtlijnen die ze daarvoor hanteren. Naar ik begrijp heeft Het Concertgebouw ervoor gekozen om de richtlijnen aan te vullen zodat transparant is hoe de organisatie bepaalde toekomstige situaties weegt. Het gaat daarbij om keuzes die alle instellingen maken op basis van het profiel van de instelling. Instellingen zijn daar vrij in.
Klopt het dat deze richtlijnen zijn opgesteld naar aanleiding van activistische druk rondom het optreden van een cantor van het Israëlische leger en dat deze richtlijnen zonder openbare toelichting of consultatie zijn ingevoerd?
Het Concertgebouw is een privaatrechtelijke onderneming. Ze zijn niet gebonden aan openbare consultaties om hun richtlijnen aan te passen.
Acht u het passend dat een gesubsidieerde culturele instelling beleid formuleert dat in de praktijk kan leiden tot collectieve uitsluiting van artiesten uit bepaalde landen of culturele groepen en daarmee het risico loopt op discriminatoire besluitvorming of zelfs (juridisch relevante) groepsbelediging?
Culturele instellingen zijn vrij in het bepalen wat zij programmeren. Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving. Vanuit dat uitgangspunt gaan culturele instellingen dus ook over hun eigen programmering/samenwerkingen. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat voor deze artistieke vrijheid. Deze vrijheid is uiteraard wel begrensd daar waar de wet wordt overtreden. Keuzes in samenwerking mogen – ook door culturele instellingen – bijvoorbeeld nimmer gebaseerd zijn op gronden die wettelijk als discriminatie worden aangemerkt. In dat geval kan men aangifte doen. Ik kan als Minister echter niet op de stoel van de rechter gaan zitten.
Kunt u toelichten op welke wijze een instelling als Het Concertgebouw, dat geen internationaal-juridische bevoegdheid heeft, kan vaststellen of een artiest schuldig is aan oorlogsmisdaden of misdrijven tegen de menselijkheid en ziet u risico’s in deze vorm van zelftoegeëigende morele rechtspraak?
Zie antwoord 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke uitsluiting kan leiden tot (juridisch relevante) groepsbelediging, omdat hiermee een volledige bevolkingsgroep of nationale culturele sector collectief wordt weggezet als medeplichtig aan internationale misdrijven? Zo ja, overtreedt Het Concertgebouw hier dan niet gewoon de wet?
Het is aan de rechter om te beoordelen of Het Concertgebouw de wet overtreedt.
In hoeverre zijn deze richtlijnen verenigbaar met de wettelijke non-discriminatienormen en de Governance Code Cultuur?
Het is aan de rechter om te beoordelen of de richtlijnen verenigbaar zijn met de wettelijke non-discriminatienormen.
Wat betreft de Governance Code Cultuur: ik zie niet direct reden om aan te nemen dat de richtlijn hiermee in strijd is. De code doet geen uitspraken of aanbevelingen over specifieke zaken rond de bedrijfsvoering, zoals het opstellen van een huishoudelijk reglement. Ook stelt de code niet verplicht dat culturele instellingen met iedereen moeten samenwerken, of dat niemand mag worden buitengesloten op grond van bijvoorbeeld ethische overwegingen.
Overigens wil ik benadrukken dat de code is opgesteld door de sector zelf. Het is een richtlijn over de principes van goed bestuur en toezicht in de culturele en creatieve sector, alleen het onderschrijven hiervan is verplicht binnen de basisinfrastructuur voor de periode 2025–2029. De naleving is in beginsel niet juridisch afdwingbaar.
Acht u het wenselijk dat een instelling die (zelfs beperkt) wordt gefinancierd met publieke middelen, circa 4% gemeentelijke subsidie, een politiek-activistische boycot kan effectueren, met verstrekkende maatschappelijke gevolgen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan 2025–2028 van de gemeente Amsterdam staat dat subsidie wordt geweigerd of ingetrokken wanneer een instelling in strijd handelt met wet- of regelgeving en bent u het ermee eens dat deze richtlijnen strijdig zijn met deze subsidievoorwaarden, en dus een grond vormen voor ingrijpen richting Het Concertgebouw?
Ik heb geen rol, noch bevoegdheid in de relatie tussen de gemeente Amsterdam en Het Concertgebouw. Interventie door de rijksoverheid in subsidierelaties tussen gemeenten en hun instellingen is bovendien onwenselijk, omdat het in strijd is met de bestuurlijke autonomie van de gemeente.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat Het Concertgebouw zich in de aanvraag van de subsidie presenteert als toegankelijk huis «voor alle Amsterdammers», met nadruk op diversiteit en inclusie en bent u bereid om tijdens een overleg met de gemeente Amsterdam te pleiten voor een onderzoek naar mogelijke schendingen van subsidievoorwaarden door Het Concertgebouw?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u toezeggen de gemeente Amsterdam expliciet te adviseren de subsidie te heroverwegen of in te trekken zodra wordt vastgesteld dat Het Concertgebouw met dit boycotbeleid buiten zijn statutaire doel treedt én in strijd handelt met de aan de subsidie verbonden normen van non-discriminatie en diversiteit en inclusie?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat deze richtlijnen een precedent kunnen scheppen waardoor andere musea en culturele instellingen onder activistische druk vergelijkbare uitsluitingscriteria overnemen, met alle gevolgen voor artistieke vrijheid, publieke toegankelijkheid en maatschappelijke polarisatie?
Zie antwoord op vraag 4.
Klopt het dat u bevoegd bent om in te grijpen wanneer gesubsidieerde instellingen handelen op een wijze die strijdig is met wettelijke normen en bent u bereid dit te doen wanneer blijkt dat Het Concertgebouw met deze richtlijnen de grenzen van non-discriminatie overschrijdt?
Als een rechter vaststelt dat een instelling die door mijn ministerie wordt gesubsidieerd in strijd met de wet handelt bij het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten kan ik de subsidie (al dan niet gedeeltelijk) proberen in te trekken. Mijn ministerie heeft echter geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw. Dit is aldus niet aan de orde.
Ziet u aanleiding om Het Concertgebouw erop aan te spreken dat hun richtlijnen mogelijk buiten hun statutaire doelstelling vallen nu in de statuten van Het Concertgebouw is vastgelegd dat de instelling tot doel heeft het geven van concerten, het instandhouden van het gebouw en educatie en uitdrukkelijk géén taak heeft op het gebied van internationale politieke oordeelsvorming of sanctiebeleid?
Nee. Ik zie hier geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Zoals gezegd heb ik geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw.
Kunt u toezeggen te laten onderzoeken of de richtlijnen van Het Concertgebouw in strijd zijn met het discriminatieverbod en/of strafrechtelijke bepalingen rond groepsbelediging en de Kamer te informeren over de juridische beoordeling?
Nee. Ik heb geen subsidierelatie met het Concertgebouw en zie aldus ook geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Bovendien is het aan de rechter om vast te stellen of sprake is van een strafbaar feit. Het is m.i. onwenselijk en strijdig met onze democratische rechtsstaat als politici op de stoel van de rechter gaan zitten.
Kunt u toezeggen om bij gemeenten die, ondanks evidente schendingen van subsidievoorwaarden door musea of andere culturele instellingen, deze subsidies toch in stand houden, te onderzoeken op welke wijze kortingen op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds kunnen worden gedaan?
De middelen uit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. Over de besteding van deze middelen hoeft dan ook geen verantwoording te worden afgelegd aan het Rijk. Het is aan het college van B&W om de subsidievoorwaarden te controleren. Het is aan de gemeenteraad om het college te controleren.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over eventuele uitkomsten van dergelijke onderzoeken en eventuele maatregelen, inclusief financiële consequenties voor Het Concertgebouw, indien blijkt dat de richtlijnen onrechtmatig of onwenselijk zijn?
Zoals bij antwoord 16 aangegeven, dit is aan het college van B&W en de gemeenteraad.
Het bericht 'Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek»?1
Ja.
Wat is volgens u de verklaring voor deze ernstige ontsnappingsincidenten in korte tijd?
De twee genoemde incidenten waarbij gedetineerden zich tijdens het vervoer door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) naar een ziekenhuis aan het toezicht hebben onttrokken, zijn twee op zichzelf staande incidenten. Beide incidenten worden door DJI op dit moment nader onderzocht.
Klopt het dat sinds de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) uitspraak van 7 januari 2022 ongeboeid vervoer bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) het uitgangspunt is?2
Naar aanleiding van meerdere uitspraken waaronder de genoemde uitspraak van de Raad voor Sanctietoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), wordt een justitiabele tijdens het vervoer in beginsel niet geboeid. Indien de DV&O op basis van een risicoanalyse voorafgaand aan het vervoer de inschatting maakt dat geboeid vervoer noodzakelijk is wordt tot boeien overgaan. Ook kan dit tijdens het vervoer worden besloten als de justitiabele zich dusdanig gedraagt dat de inzet van handboeien of andere geweldsmiddelen noodzakelijk wordt geacht. Voor de risicoanalyse die voorafgaand aan het vervoer plaatsvindt, wordt gebruik gemaakt van informatie van de locatie waar de justitiabelen zich bevindt, van ketenpartners en van informatie die bekend is bij de DV&O, bijvoorbeeld naar aanleiding van een eerder vervoer.
DJI beziet momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien tijdens het vervoer aangepast dient te worden van een nee tenzij noodzakelijk, naar een ja tenzij niet noodzakelijk. Voor de zomer van 2026 zal duidelijk zijn of het uitgangspunt aangepast dient te worden. Indien dat het geval is zal de geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen hierop aangepast worden en voorgelegd worden aan de RSJ voor advies.
Waarom is er in november 2025 voor gekozen om niet langer het hoofd van DV&O, maar de directeur van een inrichting verantwoordelijk te laten zijn voor het toezicht tijdens vervoer en tijdens medisch bezoek?
Met het aanpassen van de Regeling vervoer Justitiabelen in november 20253 heeft er in de praktijk geen wijziging in de bevoegdheden van de directeur van de inrichting of de directeur DV&O plaats gevonden. Wel zijn deze bevoegdheden in de betreffende regeling verduidelijkt. In de wetssystematiek kennen we alleen het handelen namens de directeur van de inrichting en namens de Minister (voor enkele specifieke taken). In de Penitentiaire beginselenwet is opgenomen dat de directeur van de inrichting zorgdraagt voor de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis of andere instelling voor een medische behandeling.4 Dit impliceert dat de directeur van de inrichting verantwoordelijk is voor de beslissing over aanwezigheid van beveiligers bij het bezoek. Op grond van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen is de directeur DV&O namens de directeur van de inrichting bevoegd. Daarmee is de directeur DV&O verantwoordelijk voor de belangenafweging en beslissing of beveiligers al dan niet in de behandel- of spreekkamer aanwezig zijn tijdens de behandeling van een justitiabele door een arts buiten de inrichting.
Hoeveel onttrekkingen en pogingen daartoe zijn er geweest per maand tijdens vervoer in 2024, 2025 en 2026 met daarbij een onderscheid tussen (pogingen tot) onttrekkingen tijdens geboeid en ongeboeid vervoer?
In 2024 zijn er 5 (pogingen tot) onttrekking geweest. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2025 zijn er 7 (pogingen tot) onttrekking geweest. 4 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2026 zijn er 3 (pogingen tot) onttrekking geweest tot en met 15 april 2026. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
Bij alle pogingen tot onttrekkingen was er sprake van ongeboeid vervoer.
Waarom wordt, gelet op het bepaalde in artikel 10 Geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen, niet als uitgangspunt genomen dat gedetineerden geboeid vervoerd worden?
Zoals bij vraag 3 is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt aangepast dient te worden.
Bent u bereid om per omgaande te realiseren dat geboeid vervoer wederom het uitgangspunt wordt? Zo nee, waarom bent u dan niet bereid om risico’s voor de samenleving en de medewerkers van DV&O te beperken?
Zoals bij de beantwoording van vraag zes is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien aangepast dient te worden. Vooruitlopend hierop zal het uitgangspunt niet worden aangepast. Reden hiervoor is dat hiervoor regelgeving aangepast dient te worden. Daarnaast heeft het aanpassen van het uitgangspunt naast de impact die dit heeft op de justitiabelen, ook impact op de medewerkers en dient daarom voorgelegd dient te worden aan de Ondernemingsraad.
Wel wordt vooruitlopend op de aanpassing van het uitgangspunt bekeken of en hoe de bestaande juridische ruimte benut kan worden zodat eerder tot het gebruik van handboeien kan worden overgegaan. De uitkomsten van de in vraag 2 genoemde onderzoeken worden hierin meegenomen.
Wat vindt u ervan dat gedetineerden sinds november 2025 zonder enige vorm van toezicht contact kunnen hebben tijdens een medisch bezoek?
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat de bepaling waarin stond dat een medisch onderzoek altijd in het bijzijn van de transportbegeleider plaatsvindt zich niet verhoudt tot het beginsel van de geheimhoudingsplicht van de arts dat in diverse (internationale) regelgeving is vastgelegd. Deze uitspraken hebben tot wijziging van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen geleid. Volgens de beroepscommissie dient het uitgangspunt bij een bezoek van een justitiabele aan een arts te zijn dat er geen toezichthoudend personeel aanwezig is in de behandel- of spreekkamer. Op dit uitgangspunt wordt slechts een uitzondering gemaakt indien de aanwezigheid van personeel in de behandel- of spreekkamer uit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. De aanwezigheid van toezichthoudend personeel wordt bepaald op basis van een zelfstandige belangenafweging tussen enerzijds het individuele belang van de justitiabele bij raadpleging van/behandeling door een arts zonder dat daarbij toezichthoudend personeel aanwezig is en anderzijds het algemene belang van handhaving van de orde en veiligheid dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. In het kader van deze belangenafweging maakt DV&O vooraf een risicoprofiel van de justitiabele ten behoeve van de veiligheid.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat voortgezet crimineel handelen tijdens medische bezoeken niet kan plaatsvinden?
Zoals bij de beantwoording van vraag acht is aangegeven, kan toezichthoudend personeel aanwezig zijn in de behandel- of spreekkamer indien dit vanuit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. Het risico op voortgezet crimineel handelen vanuit de justitiabelen, maakt onderdeel uit van het risicoprofiel dat wordt opgemaakt ten behoeve van de belangenafweging.
Wanneer wordt eindelijk het wetsvoorstel strafbaarstelling zelfbevrijding en onttrekking aan elektronisch toezicht naar de Raad van State gestuurd?
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat strekt tot het strafbaar stellen van zelfbevrijding uit een penitentiaire inrichting, tbs-kliniek en justitiële jeugdinrichting. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een strafbaarstelling van het onttrekken aan elektronisch toezicht (de enkelband) in het Wetboek van Strafrecht. Op 19 september van 2025 is het wetsvoorstel in consultatie gegeven. De consultatieadviezen en uitvoeringstoetsen worden momenteel verwerkt. Na deze verwerking kan de volgende stap in het wetgevingsproces worden gezet, dat wil zeggen het vragen van advies aan Raad van State voor advies. Ik verwacht uw Kamer hier voor de zomer van 2026 over te informeren.
De toezegging inzake de tenuitvoerlegging van vonnissen over in Nederland veroordeelde Pakistanen |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw gedane toezegging tijdens het debat over de regeringsverklaring van 25 februari 2026, dat u de Kamer zou informeren over of én welke stappen Nederland heeft gezet om de gerechtelijke vonnissen, waaronder die zijn opgenomen onder ECLI:NL:RBDHA:2023:13579, ECLI:NL:RBDHA:2024:14348 en ECLI:NL:RBDHA:2024:14347, waarin een aantal Pakistanen zijn veroordeeld voor ernstige misdrijven gericht tegen ondergetekende waaronder het uitvaardigen van fatwa’s door imams om mij te vermoorden, ten uitvoer te leggen én of de desbetreffende veroordeelden aan Nederland uitgeleverd te krijgen?
Wij kunnen bevestigen dat de Minister-President bij het debat over de regeringsverklaring op 25 februari jl. heeft toegezegd zich ertoe te zullen inspannen om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen.
Kunt u de Kamer op korte termijn op de hoogte stellen van alle concrete stappen de regering sinds voornoemde vonnissen heeft genomen om de onherroepelijk veroordeelde Pakistanen hun straf te laten uitzitten respectievelijk aan Nederland te laten uitleveren? Welke stappen heeft de regering inmiddels genomen om de veroordelingen effectief ten uitvoer te leggen? Welke stappen bent u nog voornemens te nemen?
Nederland heeft Pakistan eind 2024 formeel verzocht om de uitlevering van diverse in Nederland veroordeelde personen. Het is aan Pakistan om op de uitleveringsverzoeken te reageren. We kunnen uw Kamer verzekeren dat Nederland de uitleveringsverzoeken met grote regelmaat op alle geëigende niveaus nadrukkelijk onder de aandacht brengt bij de Pakistaanse autoriteiten.
Over welke inspanningen precies zijn gepleegd, doen wij gezien de vertrouwelijke aard van het diplomatieke verkeer met buitenlandse autoriteiten, geen verdere uitspraken. Dit kan de internationale strafrechtelijke samenwerking met andere landen en het land in kwestie, zowel in het algemeen als met betrekking tot deze specifieke zaken, belemmeren.
Bij brief van 2 september 2024 is geschetst welke inspanningen worden geleverd in geval van rechtshulp- en uitleveringsverzoeken.1 Daarnaast wordt ingegaan op de diplomatieke inzet van het kabinet indien landen niet meewerken aan de opsporing, vervolging of berechting van personen die verdacht worden van, of veroordeeld zijn voor, het bedreigen van politieke ambtsdragers.
Nederland zal niet schuwen om te blijven aandringen op uitvoering. Het belang dat Nederland aan deze verzoeken hecht wordt duidelijk overgebracht en er kan aan de zijde van Pakistan geen misverstand bestaan over de noodzaak van een adequate opvolging van de Nederlandse verzoeken.
Deelt u nog steeds de mening dat het onaanvaardbaar is als personen, waaronder imams, die zijn veroordeeld door een Nederlandse rechtbank vanwege het uitbrengen van een of meerdere fatwa’s waarin moslims wordt opgeroepen mij te vermoorden, hun straf niet hoeven uit te zitten omdat de Pakistaanse autoriteiten niet meewerken?
We zijn ons ervan bewust dat het lid Wilders al jarenlang wordt geconfronteerd met ernstige bedreigingen. Het kabinet keurt fatwa’s en bedreigingen nadrukkelijk af. Bedreigingen tegen politieke ambtsdragers door of vanuit andere landen die niet meewerken aan opsporing, vervolging of berechting hiervan, worden niet geaccepteerd en hierop wordt geacteerd. Dit uitgangspunt staat buiten kijf.
Het kabinet spant zich maximaal in om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen. Nederland brengt de verzoeken op alle geëigende niveaus veelvuldig en nadrukkelijk onder de aandacht van de Pakistaanse autoriteiten.
Welke politieke en diplomatieke stappen bent u bereid te nemen tegen Pakistan als dat land blijft weigeren mee te werken aan het effectueren van het vonnis van de Nederlandse rechtbank? Bent u bereid sancties te overwegen? Zo ja welke, zo neen waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland’ |
|
Annabel Nanninga (JA21), Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel van Elsevier Weekblad «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de in het artikel geschetste signalen en stellingen over buitenlandse inmenging, beïnvloeding en intimidatie in Nederland?
Het kabinet vindt alle vormen van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI, of: statelijke inmenging) in Nederland volstrekt onacceptabel. Iedereen in Nederland moet in vrijheid kunnen leven en keuzes kunnen maken, zonder daarin door autoriteiten van andere landen te worden beperkt.
Welke instrumenten heeft het kabinet om buitenlandse inmenging tegen te gaan?
Het kabinet werkt Rijksbreed doorlopend aan het tegengaan van statelijke inmenging in Nederland binnen de landenneutrale aanpak OBI. Hierbinnen wordt Rijksbreed de dreiging tegen de nationale veiligheid in kaart gebracht. Landen die zich schuldig maken aan ongewenste buitenlandse inmenging worden daar consequent op aangesproken. Bij dreigende incidenten of verdenking van strafbare feiten wordt niet geschroomd om binnen eigenstandige taken en bevoegdheden op te treden via bestuurlijke dan wel strafrechtelijke maatregelen. Daarnaast wordt doorlopend gewerkt aan het verhogen van de weerbaarheid van diasporagemeenschappen. Dit gebeurt onder meer door transparant te zijn over de dreiging en zodoende de bewustwording te vergroten.
Wat doet het kabinet aan het beschermen van onze samenleving voor buitenlandse inmenging?
Zie graag het antwoord op vraag 3.
Ziet u een verhoogde dreiging door de onrust in het Midden Oosten?
Momenteel zijn bij het kabinet geen signalen bekend dat de dreiging van buitenlandse inmenging van Marokko zou zijn toegenomen door de onrust in het Midden-Oosten. Het kabinet monitort de ontwikkelingen in het Midden-Oosten, bijvoorbeeld via bilaterale en multilaterale contacten en het postennetwerk. Mocht dit conflict aanleiding geven tot het vaststellen van een verhoogde dreiging van ongewenste buitenlandse inmenging, dan zullen de onder het antwoord op vraag 3 genoemde stappen worden ondernomen om de dreiging tegen te gaan.
Welke acties onderneemt het kabinet nu de Wet transparantie maatschappelijke organisaties (Wtmo) niet door de Eerste Kamer is aangenomen?
Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dienen instrumenten zich op specifieke vormen van financiering te richten. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland, die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan notes verbales over financieringsstromen, die zij ontvangen van Golfstaten, doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Daarnaast blijft in de aanpak van ongewenste buitenlandse financiering Europese samenwerking essentieel om dit probleem aan te pakken. Binnen het Radicalisation Awareness Netwerk (RAN) en diens opvolger: de Knowledge Hub van de EU, wordt gewerkt aan bewustwording over het onderwerp binnen de lidstaten onder andere in de vorm van het delen van best practices en het komen tot mogelijke maatregelen. Er zal nader worden bezien of een aanvullend instrument passend is.
Welke instrumenten, wetgevende maatregelen en samenwerkingsvormen gebruiken andere landen (met name Duitsland) om buitenlandse inmenging te voorkomen, en hoe kunnen deze voorbeelden Nederland helpen zijn eigen weerbaarheid te versterken?
Om de weerbaarheid van gemeenschappen tegen ongewenste buitenlandse inmenging te vergroten hebben enkele landen centrale punten opgericht waar signalen van OBI kunnen worden gemeld, waaronder Duitsland.
Gelijkgezinde landen spreken andere landen op vergelijkbare wijze aan op OBI als de Nederlandse overheid. De wijze waarop vergt altijd een per casus bekeken benadering. Dat kan voor, of achter de schermen plaatsvinden. Deze gesprekken zijn altijd onderdeel van een bredere afweging.
Nederland onderhoudt contact met gelijkgezinde landen om ervaringen in de aanpak van OBI te delen en mee te nemen in de praktijk. In vergelijking met gelijkgezinde landen is Nederland een van de koplopers in het hanteren van een gecoördineerde whole-of-governmentbenadering van het fenomeen ongewenste buitenlandse inmenging, door de Rijksbrede aanpak OBI zoals beschreven in het antwoord op vraag 3.
Wat is de stand van zaken van het toegezegde meldpunt waar slachtoffers anoniem terecht kunnen, gelet op het feit dat de Kamer reeds in oktober 2023 heeft verzocht om de inrichting van een dergelijk meldpunt? Waarom laat dit zo lang op zich wachten?
Zoals beschreven in de kamerbrief2 over de stand van zaken rondom het centraal meldpunt OBI is het kabinet gestart met de inrichting van een centraal OBI-meldpunt buiten de rijksoverheid. Onder coördinatie van de NCTV is het afgelopen jaar een projectstructuur op touw gezet voor het realiseren van dit meldpunt. Deze projectstructuur bevindt zich momenteel in een afrondende fase.
Uw Kamer wordt conform het verzoek van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van 16 april 2026 zo spoedig mogelijk integraal geïnformeerd over de stand van zaken OBI inclusief de voortgang van het centraal OBI-meldpunt.
Wat is het handelingskader van de overheid als er dreigingen zijn? Hoe vaak is het strafrecht ingezet in de afgelopen vijf jaar? Wat is een alternatieve route via bestuursrecht?
De bij de OBI-aanpak betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties kunnen passende maatregelen treffen of voor opvolging zorgen in het kader van hun eigenstandige taken en bevoegdheden. Deze maatregelen kunnen zien op diplomatieke actie, bestuurlijke maatregelen, dan wel verhoging van de weerbaarheid van personen die te maken hebben met OBI.
Daar waar sprake is van een verdenking van strafbare feiten, kunnen OM en politie strafrechtelijk onderzoek doen, mede op basis van de uitgebreide strafbaarstelling spionage. De Minister van Justitie en Veiligheid doet geen uitspraken over individuele strafzaken, dat is aan het OM. Er vindt geen aparte registratie plaats ten aanzien van de vraag of een strafrechtelijk onderzoek verband houdt met een mogelijk motief vanuit de context van statelijke inmenging of diasporaproblematiek.
In algemene zin kunnen onder voorwaarden maatregelen uit het bestuursrecht van toepassing zijn in het optreden tegen dit type dreiging, al vindt hiervan ook geen aparte registratie plaats.
Wat doet het kabinet aan de uitspraak van de Kamer om het Moslimbroederschap te verbieden?
Op 17 maart jl. heeft uw Kamer de motie van de leden Boon en Wilders (beiden PVV) aangenomen die de regering verzoekt om de Moslimbroederschap en daaraan gelieerde organisaties in Nederland te verbieden.3 Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Van drugs tot pijnstillers: met hun uitgebreide menukaart slaan WhatsApp-dealers een pijler weg onder het drugsbeleid»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat drugsdealers via WhatsApp en andere sociale media uitgebreide drugsmenu’s aanbieden waarin zowel softdrugs, harddrugs, designerdrugs als geneesmiddelen worden verkocht? Zo ja, hoe groot is voor zover bekend deze vorm van handel in Nederland?
Ik herken dit beeld. In Nederland verloopt de onlinehandel via sociale media platforms, het dark net en het openbare web. Onder jongvolwassen gebruikers blijken mobiele apps, zoals WhatsApp, Telegram of Snapchat een populair kanaal om contact te leggen met verkopers. De drugsmenu’s die op grote schaal verspreid worden via interpersoonlijke communicatiediensten door aanbieders, zijn al geruime tijd een bekende modus operandi.
Hoe groot deze vorm van handel is, is lastig te zeggen. Er is bij georganiseerde criminaliteit sprake van een «dark number» en daardoor is het sowieso lastig om een schatting van de totale omvang van de markt te maken. Daarnaast registreren OM en politie niet of een drugsdelict zich geheel in de fysieke wereld of (deels) online heeft afgespeeld, aangezien dit geen verschil maakt in de strafbaarheid van de handelingen.
In hoeverre deelt u de analyse dat de online verkoop via berichtendiensten het klassieke uitgangspunt van het Nederlandse drugsbeleid, de scheiding tussen soft- en harddrugsmarkten, in de praktijk ondermijnt?
Deze scheiding wordt onder andere gekenmerkt door het bestaan van coffeeshops waar mensen cannabis kunnen kopen zonder dat ze met Lijst I-producten in aanraking komen. Het Nederlandse beleid leidt tot een grotere scheiding van de markt van Lijst I- en Lijst II-middelen, maar uiteraard niet tot een volledige. Desondanks blijft er helaas sprake van een illegale (straat)markt die parallel aan de verkoop in coffeeshops plaatsvindt.
Volgens de Nationale Drug Monitor (NDM) koopt «het merendeel van de cannabisgebruikers die hun cannabis zelf kopen» in een coffeeshop. Aankoop via illegale verkooppunten, zoals thuisdealers en straatdealers komt onder de algemene bevolking minder voor. Het aantal coffeeshops is in Nederland sinds 2017 stabiel.2 Vooralsnog zijn er dus geen aanwijzingen dat er een (grootschalige) verschuiving plaatsvindt van mensen die hun cannabis bij coffeeshops kopen naar versleutelde berichtendiensten. Daarmee lijkt er op dit moment geen sprake van ondermijning van dit klassieke uitgangspunt van het Nederlandse beleid.
Welke mogelijkheden hebben politie en justitie momenteel om op te treden tegen dealers die via WhatsApp, Snapchat of andere berichtendiensten drugs aanbieden en bezorgen?
Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op dit soort strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan – indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat – communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
Er zijn op dit moment geen effectieve, schaalbare oplossingen om drugshandel tegen te gaan die één op één verloopt via end-to-end versleutelde berichtendiensten zoals WhatsApp of Signal. In Nederland zijn telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering;3 voor nummeronafhankelijke communicatiediensten, zoals WhatsApp of Signal, geldt deze verplichting niet. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De Digital Services Act (DSA) biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. WhatsApp is een hybride dienst, omdat de aangeboden functie «kanalen» kwalificeert als online platform, waardoor WhatsApp voor dat specifieke gedeelte onder de DSA valt. Echter, de functie voor privéberichten is uitdrukkelijk uitgezonderd, omdat deze niet voldoet aan de definitie van een online platform.
De situatie waarbij niemand toegang heeft tot de inhoud van communicatie behalve de gebruiker zelf en de personen waarmee deze communiceert, heeft uiteraard veel voordelen. Zo biedt het privacy. De keerzijde hiervan is uiteraard dat dit het de bestrijding van criminaliteit bemoeilijkt. Communicatie over strafbare feiten komt immers meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon in beslag kan worden genomen én kan worden gekraakt.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft uw Kamer op 29 augustus 2025 hierover geïnformeerd.4 Het is op dit moment nog moeilijk te zeggen wat de uitkomsten daarvan zullen zijn en of dit een oplossing gaat bieden voor het geschetste probleem.
Klopt het dat het verbod op reclame voor drugs in de praktijk online nauwelijks handhaafbaar is? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om online marketing van drugs effectiever te bestrijden?
Voor zover reclame voor drugs als illegale inhoud kwalificeert en is geplaatst op een tussenhandeldienst waarop de Digital Services Act (DSA) van toepassing is, kan daarvan melding worden gedaan bij de desbetreffende hostingdienst of het online platform. Een tussenhandeldienst is bijvoorbeeld een website of app waarop anderen op eigen initiatief content kunnen plaatsen. Denk aan websites of apps waarop gebruikers zelf video’s, afbeeldingen of reviews kunnen plaatsen of hun producten of diensten kunnen aanbieden. Hostingdiensten en online platforms zijn gehouden actie te ondernemen zodra zij op de hoogte zijn gebracht van de aanwezigheid van illegale inhoud op hun dienst.
Welke afspraken bestaan er momenteel met platforms en berichtendiensten zoals WhatsApp en Snapchat over het signaleren en verwijderen van accounts die drugs aanbieden?
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen platforms en berichtendiensten. Voor de handhaving van illegale inhoud op platforms, zoals reclame voor drugs, is de DSA van toepassing.
De DSA biedt echter geen uitkomst bij het tegengaan van illegale inhoud die één op één wordt verstuurd via nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (zoals WhatsApp of Signal); deze functie valt expliciet buiten de reikwijdte van de DSA. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of platforms en berichtendiensten een grotere verantwoordelijkheid kunnen krijgen bij het opsporen en verwijderen van drugshandel via hun diensten?
Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn uitgezonderd van de reikwijdte van de DSA. Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 4 worden eventuele technische mogelijkheden in Europees verband onderzocht. Of dit traject werkbare oplossingen zal opleveren om het geschetste probleem aan te pakken, is nog onduidelijk.
In de DSA zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten, zoals hostingdiensten en online platforms, geregeld. Via deze diensten kunnen gebruikers online teksten, afbeeldingen, video’s of andere content doorgeven, opslaan of openbaar maken. De DSA is een EU-verordening met maximumharmonisatie. Binnen haar toepassingsgebied bestaat geen ruimte voor lidstaten om aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden.5 Op nationaal niveau kunnen daarom geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Het kabinet zet in op een effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 wordt de DSA geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. De regels omtrent verantwoordelijkheden van online platforms zullen dan ook worden geëvalueerd en verdere aanscherping kan zo nodig worden overwogen. Mijn ministerie zal aan deze evaluatie actief bijdragen en ervaringen, zoals op dit thema, inbrengen.
Hoe beoordeelt u de signalen dat dealers naast drugs ook geneesmiddelen of nagemaakte medicijnen verkopen, waaronder mogelijk zeer gevaarlijke stoffen zoals nitazenen?
Deze signalen zijn zeer verontrustend. De problematiek van het online aanbod van illegale (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs heeft de expliciete aandacht van het kabinet. Inmiddels is breed bekend dat het OM onderzoek doet naar het verband tussen het online bestellen van (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs en sterfgevallen met betrekking tot de websites Funcaps.nl en Slaappillen.net. Om te komen tot een effectieve aanpak van deze problematiek heeft mijn ministerie samen met het Ministerie van VWS intensief overleg gevoerd met alle betrokken instanties die belast zijn met de opsporing en handhaving. Uw Kamer zal voor de zomer een brief ontvangen over deze problematiek.
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s van de nitazenen, zeer sterke synthetische opioïden. Er zijn inmiddels al meerdere nitazenen onder de Opiumwet gebracht na internationale risicobeoordelingen. Het gevaar is echter dat er steeds nieuwe nitazenen op de markt worden gebracht die nog niet onder de Opiumwet vallen. Om deze reden werkt het kabinet aan regelgeving waarbij de nitazenen als stofgroep worden toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Dat is mogelijk geworden met de wijziging van de Opiumwet van 1 juli 2025. Als een stofgroep wordt verboden zijn alle nieuwe varianten binnen die stofgroep automatisch verboden. Het kabinet streeft ernaar om de AMvB die de nitazenen als stofgroep toevoegt aan deze Opiumlijst IA toevoegt per 1 juli in werking te laten treden. Vanaf dat moment heeft de politie meer mogelijkheden om te handhaven op dit soort gevaarlijke synthetische opioïden.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren via sociale media laagdrempelig in contact komen met dealers die naast softdrugs ook harddrugs en farmaceutische middelen aanbieden?
Onder de DSA bestaan verschillende verplichtingen en maatregelen die beogen de toegang van jongeren tot illegale of anderszins schadelijke online content tegen te gaan. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft hierover recent richtsnoeren gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november 2025 over geïnformeerd.6 Aangewezen zeer grote online platforms (zogeheten Very Large Online Platforms – VLOPs) dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van BZK heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s van een digitale dienst in kaart te brengen.
Daarnaast is het van belang dat ouders en opvoeders al vroeg betrokken zijn bij de online activiteiten van hun kinderen, zodat kinderen mediawijs opgroeien en daarbij ondersteund kunnen worden. Daarom heeft het Ministerie van VWS in juni 2025 de richtlijn gezond schermgebruik voor ouders en opvoeders gelanceerd, met als doel ouders en opvoeders te ondersteunen bij het gezond opvoeden en opgroeien van kinderen online.
Het Ministerie van VWS financiert drugspreventieprogramma’s specifiek voor jongeren en sociale media. Deze richten zich vooral op voorlichting en schadebeperking. Dit is onderdeel van het preventiebeleid van het kabinet om middelengebruik bij jongeren te voorkomen, uit te stellen of te verminderen.
Acht u het huidige instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders toereikend genoeg om de combinatie van online marketing en offline drugshandel effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Het huidige wettelijke instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders is in mijn ogen toereikend genoeg als het gaat om illegale content op platforms en opsporing van offline drugshandel, maar als het gaat om handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten zie ik belemmeringen. De politie brengt altijd prioritering aan in de inzet van opsporingscapaciteit op basis van professionele inschattingen, dat geldt ook voor opsporing in het digitale domein. De politie doet in veel gevallen onderzoek naar criminele organisaties en niet naar online marketing van drugs. Door de verschuiving van offline criminaliteit naar online criminaliteit, verschuift ook de aandacht van de politie meer naar online criminaliteit. Zoals aangekondigd wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. De aanpak van online drugshandel is een van de diverse vormen van online criminaliteit die extra aandacht vragen. Daarnaast kan worden gedacht aan het delen van naaktbeelden van onwetende slachtoffers, het oplichten of afpersen van burgers en andere vormen van cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit die aandacht vragen van de opsporingsinstanties.
Voor wat betreft de bestrijding van criminaliteit die verloopt via grote berichtendiensten zoals Whatsapp en Signal verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4. Waar het gaat om de rol van platformen en het tegengaan van illegale online content, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7 waarin ik aangeef actief te zullen bijdragen aan de evaluatie van de DSA.
Deelt u de zorg dat de combinatie van online bestellen en snelle bezorging de toegankelijkheid van drugs vergroot en daarmee mogelijk ook het gebruik en verslavingsproblematiek doet toenemen, met name onder jongeren die actief zijn op deze platforms?
Ik deel die zorg. Zoals bij het antwoord op vraag 10 is beschreven, maakt het kabinet extra middelen vrij voor de aanpak van online drugshandel. Daarnaast zet het kabinet in op het denormaliseren en voorkomen van drugsgebruik.
Kun u onderzoeken of de huidige aanpak van online drugshandel en digitale marketing van drugs moet worden aangescherpt en de Kamer hierover informeren?
Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen. De investering in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs op platforms ten goede komen. De knelpunten in de online handhaving liggen over de hele linie onder andere in het gebruik van veelal versleutelde platforms of interpersoonlijke berichtendiensten, schaarste in capaciteit bij betrokken (opsporings)diensten en het bestaan van open grenzen. Voor het openbaar toegankelijke internet moet in de komende periode in de praktijk verder blijken hoe de Digital Services Act (DSA) uitwerkt, waarbij richting 2027 de werking wordt gemonitord en uiteindelijk geëvalueerd (zie ook het antwoord op vraag 7). Ik zal de Kamer nader informeren over de huidige aanpak van online drugshandel en de uitdagingen die daarmee samenhangen.
Voor de digitale marketing van drugs is het voor de handhaving van belang dat er meer waarborgen komen, waarmee er een zelfreinigend mechanisme vanuit de platforms zelf gecreëerd zou worden. Voor zover op Europees niveau wordt gezocht naar veilige en privacy-vriendelijke manieren om gericht toegang te verkrijgen tot versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Meer genitale verminking door migratie: Nederlandse cijfers vrouwenbesnijdenis stijgen’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen zijn er sinds het WODC-rapport «over grenzen» gezet om slachtoffers van genitale verminking beter in beleid te krijgen én beter te beschermen?1
Wat is de stand van zaken van het toegezegde voorstel voor een beschermingsmaatregel in de vorm van een uitreisverbod bij een verdenking van genitale verminking? Wanneer wordt een voorstel hiertoe naar de Kamer gestuurd?
Hoe verklaart u dat sinds het strafbaar stellen van vrouwenbesnijdenis in Nederland er nog nooit een strafzaak heeft plaatsgevonden? Welke maatregelen neemt u om de opsporing en strafrechtelijke aanpak van genitale verminking te versterken?
Hoe beoordeelt u de signalen dat slachtoffers moeilijk hulp kunnen vinden, bijvoorbeeld omdat zij de taal niet kennen of in een asielzoekerscentrum verblijven? Welke maatregelen neemt u om op korte termijn de toegang tot zorg voor deze groep te verbeteren?
Welke stappen zet u om de kennis in het onderwijs en bij zorgverleners, met name bij huisartsen, te vergroten? Hoe wordt daarbij ook de handelingsverlegenheid binnen deze groep wordt weggenomen?
Kunt u de Kamer periodiek blijven informeren over de voortgang van de aanpak van genitale verminking?
Wat is de voortgang van de verbeterinitiatieven die zijn genomen voor en door de Koninklijke Marechaussee (KMar) om de indicatoren voor het onderkennen van een risico op vrouwelijke genitale verminking?
Heeft u de mogelijkheden met Schiphol geïnventariseerd om samen op te trekken in campagnes tegen vrouwelijke genitale verminking?
Hoe staat het met de verkenning vanuit SZW, VWS, JenV, OCW en AenM met partijen in het veld zoals toegezegd in de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Becker op 22 mei 2025?
Bent u bereid te kijken of en hoe het aanbevelen van genitale verminking strafbaar kan worden gesteld, dan wel beter kan worden vervolgd onder het huidige strafrecht?