De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Hoe reageert u op dit bericht?
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?
Strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen gewijzigde motie van de leden Keijzer en Markuszower over het met grote spoed naar de Kamer sturen van het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State en het wetsvoorstel inzake de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme (Kamerstuk 23 432, nr. 662)?
Ja.
Kunt u toelichten waarom deze motie tot op heden nog niet is uitgevoerd en waarom het nader rapport en het wetsvoorstel nog niet aan de Tweede Kamer zijn toegezonden?
De Raad van State heeft op 30 maart jl. advies uitgebracht over het wetsvoorstel strafbaarstelling verheerlijken van terrorisme en openbare steunbetuiging aan terroristische organisaties. De afgelopen periode is benut om het advies van de Raad van State te verwerken. Inmiddels is dit gebeurd en zal het wetsvoorstel op zeer korte termijn – via het Kabinet van de Koning – bij uw Kamer worden ingediend.
Deelt u de opvatting dat spoedige behandeling van het wetsvoorstel, gelet op de maatschappelijke en nationale veiligheidsbelangen, noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die opvatting. Het wetsvoorstel beoogt aan deze belangen een bijdrage te leveren, door zowel het verheerlijken van de meest ernstige terroristische misdrijven als het in het openbaar betuigen van steun aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen. Zo kunnen boodschappen die radicalisering en de gevaren die daarvan uitgaan – zoals het oproepen tot en later plegen van geweld – tot gevolg kunnen hebben, in een vroeg stadium strafrechtelijk worden geadresseerd.
Op welke uiterste datum verwacht u het nader rapport en het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer te sturen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid deze vragen binnen enkele dagen te beantwoorden?
Ja.
De beantwoording op 24 april van schriftelijke vragen over het bericht ‘Gebruik van de C7NLD door het Russische Vrijwilligerskorps’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Welke stappen heeft u ondernomen om, ondanks de complexe situatie waar u naar verwijst in uw beantwoording op 24 april, te verifiëren of de berichtgeving van Left Laser1, 2 klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen? Kunt u specifiek aangeven wat u hebt gedaan en wanneer u dat heeft gedaan om te achterhalen of de berichtgeving klopt?
Bent u bereid om nader te onderzoeken of de berichtgeving van Left Laser klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen of nog steeds komen? Graag een toelichting.
Heeft u redenen om aan te nemen dat de berichtgeving van Left Laser niet zou kloppen? Zo ja, hoe weerlegt u de bewijsvoering binnen die berichtgeving van Left Laser dat Nederlandse wapens in handen komen van in ieder geval een Russische extreemrechtse militie? Graag een toelichting.
Op basis van de berichtgeving en geleverde bewijzen door Left Laser, deelt u de mening dat er in ieder geval een risico bestaat dat Nederlandse wapens terechtkomen bij het Russische Vrijwilligerskorps? Zo niet, kunt u dat onderbouwen? Zo wel, deelt u de mening dat er geen risico mag bestaan dat Nederlandse wapens in handen komen van extreemrechtse milities? Hoe verhoudt zich dit blootgelegde risico tot de Nederlandse wapenexportcriteria?
Indien u de berichtgeving van Left Laser niet kunt ontkrachten, waarom schrijft u dan in de antwoorden van 24 april: «het kabinet heeft geen eigenstandige informatie dat Oekraïne deze voorwaarden schendt», aangezien dit impliceert dat u over voldoende informatie beschikt om vast te stellen dat Oekraïne de voorwaarden niet schendt? Op basis van welke informatie baseert u dit?
Kunt u inzage geven in de toetsing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), zoals deze is opgenomen in de uitvoervergunning, van de leveringen die mogelijk in handen zijn gevallen van het Russische Vrijwilligerscorps?
Hoe verhoudt zich het gebruik van Nederlandse wapens door het Russische Vrijwilligerskorps tot de eindgebruikersverklaring ondertekend door de Oekraïense autoriteiten waarin zij verklaren de enige gebruiker van de goederen te zijn en deze enkel ten behoeve van zelfverdediging in te zetten?
Hoe wordt het gebruik van Nederlandse wapens die worden geleverd aan Oekraïne überhaupt door Nederland gecontroleerd?
Hoe onderzoekt en controleert u signalen van oneigenlijk gebruik van geleverde Nederlandse militaire goederen aan Oekraïne?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Aangezien u als antwoord aan Left Laser schrijft «Voor de rest is het aan Oekraïne hoe militair gezien het voormalige Nederlandse materieel wordt ingezet en bij welke eenheden», vallen hier wat u betreft ook militaire organisaties onder die los staan van het Oekraïense leger?» Kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Bent u bereid de Oekraïense regering te verzoeken Nederlandse wapens niet langer aan eenheden te verschaffen die niet tot het Oekraïense leger behoren en te vragen deze wapens af te nemen van het Russische vrijwilligerskorps? Zo nee, waarom niet?» Kunt u deze vragen alsnog expliciet beantwoorden?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het mogelijk bewapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne met Nederlandse wapens?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het ontwapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne?
Deelt u de mening van Lars Gerdes, vicedirecteur van Frontex, dat er «grote kans» is op wapensmokkel en dat dit een veiligheidsprobleem voor Europa en de rest van de wereld kan worden3? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Wat doet u om te borgen dat door Nederland geleverde wapens niet terecht komen in wapensmokkelnetwerken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
De negatieve BTI-toets in het kader van de overname van het bedrijf Solvinity (Platform DigiD) |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Wat betekent een negatief BTI-oordeel concreet voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van het bedrijf Solvinity en daarmee voor DigiD?
Op dit moment is er geen indicatie dat het besluit inzake Solvinity leidt tot een gevaar voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van DigiD en andere Logius voorzieningen. Logius heeft strenge contractuele afspraken met Solvinity dat zij de beschikbaarheid en veiligheid van DigiD moet garanderen.
Een besluit in het kader van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet ziet op de risico’s van een voorgenomen investering of overname voor het publiek belang. Een dergelijk besluit vormt geen oordeel over de operationele continuïteit, stabiliteit of financiële positie van een onderneming, dus ook in dit geval niet over Solvinity. Het kabinet blijft in contact met Solvinity over de verdere ontwikkelingen. Over de bedrijfseconomische situatie van individuele ondernemingen doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u uiteenzetten welke risico’s er bestaan voor burgers alsmede voor de overheidsdienstverlening als de huidige situatie langer voortduurt?
Logius actualiseert het risicoprofiel naar aanleiding van het verbod van de overname. Indien nodig zal het kabinet stappen nemen om de continuïteit van DigiD, en alle overige overheidsdienstverlening in afstemming met andere overheden te kunnen blijven garanderen.
Welke exitstrategie is er richting 2028, zeker omdat Logius/BZK zelf meldt dat het Solvinity-contract op 27 maart 2026 met twee jaar is verlengd omdat een overstap vóór augustus 2026 niet veilig werd geacht?
De huidige overeenkomst met Solvinity is op 6 mei 2026 verlengd en loopt uiterlijk af in augustus 2028. Op dit moment worden voor de aanbesteding vanaf 2028 voorbereidingen getroffen via de Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV). De reden hiervoor is dat de ADV meer mogelijkheden biedt dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Na het selecteren van een contractant geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden. Voor augustus 2026 had Logius niet de mogelijkheid om zowel het aanbestedingstraject als de overdrachtsperiode te voltooien.
Kunt u in het licht van de in de vorige vraag benoemde risico’s, de eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen omtrent de overname van Solvinity deze week beantwoorden, zodat de risico’s duidelijk in kaart kunnen worden gebracht?
De eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen zijn inmiddels beantwoord.
Kunt u toelichten op basis van welke criteria, risicoanalyses en wettelijke kaders het BTI-advies tot stand is gekomen?
Het BTI heeft de voorgenomen overname van Solvinity door Kyndryl getoetst op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Tw) en het Besluit ongewenste zeggenschap telecommunicatie.
De Tw biedt de bevoegdheid tot het verkrijgen of houden van overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij te verbieden indien het verkrijgen of houden van deze zeggenschap leidt tot een risico op een bedreiging van het publiek belang. Daarbij worden de omstandigheden van het specifieke geval beoordeeld aan de hand van de criteria die in de WOZT (artikel 14a.4) zijn vastgelegd. Hierbij wordt gekeken naar de combinatie van de kenmerken van de voorgenomen koper, de vormgeving van de transactie en de kenmerken van de activiteiten van de doelonderneming, in dit geval Solvinity.
Over de inhoud van de beoordeling en de daaraan ten grondslag liggende analyses in individuele gevallen worden geen nadere mededelingen gedaan.
Welke specifieke veiligheids-, afhankelijkheids-, governance- of soevereiniteitsrisico’s lagen ten grondslag aan het negatieve oordeel en speelt digitale autonomie hierin ook een rol?
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5. Het kabinet doet geen uitspraken over de specifieke risico’s, analyses of afwegingen die ten grondslag liggen aan de beoordeling van individuele zaken op grond van de Telecommunicatiewet.
Digitale autonomie is geen afzonderlijk wettelijk criterium binnen de WOZT. Voor zover aspecten die onder de noemer digitale autonomie worden geschaard relevant zijn voor de beoordeling van risico’s voor het publiek belang, kunnen deze worden betrokken in de integrale afweging. Over de toepassing daarvan in individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u het volledige BTI-advies, inclusief de onderliggende overwegingen en risicoanalyses met de Kamer delen?
Nee. Het kabinet maakt de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan beoordelingen op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie, toezichtvertrouwelijke informatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in vertrouwelijke technische briefing te worden geïnformeerd over de BTI-procedure.
Op welke exacte grondslag wordt de overname tegengehouden: Wet Vifo, hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet, beide, of andere gronden? Zo ja, welke specifieke gronden?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Besluit investeringstoetsing Solvinity» van 26 mei is de voorgenomen overname beoordeeld op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie, WOZT).
Kunt u toelichten welke Europese of nationale technologische alternatieven zijn onderzocht voor de overname van IT-dienst van DigiD? Kunt u tevens uitleggen of deze alternatieven van gelijkwaardige technologie zijn als die van Kyndryl, aangezien blijkt dat Europa en Nederland, de Verenigde Staten niet kunnen bijbenen op het gebied van technologische innovatie op vele gebieden?
In 2020 is door Logius een Europese aanbesteding uitgezet in de markt voor het leveren van IT-diensten. Deze aanbesteding is uitgezet onder strenge voorwaarden zodat de continuïteit en veiligheid van voorzieningen gewaarborgd blijft. Solvinity is destijds geselecteerd als contractant en met Solvinity zijn contractuele afspraken gemaakt. De diensten die Solvinity levert aan Logius zijn niet uniek en kunnen bij meerdere leveranciers worden afgenomen. Het voorbereiden van een aanbesteding en de overdracht kost echter tijd. Zoals in de beantwoording op vraag 3 aangegeven bereidt Logius nu de aanbesteding voor 2028 voor. Dit betekent niet dat we inleveren op kwaliteit van de dienstverlening en veiligheid van burgers.
Kunt u uitleggen dat indien het alternatief niet van gelijkwaardige technologische kwaliteit is, er voldoende rekening is gehouden met het verhoogde risico op cyberaanvallen en daarmee met de veiligheid van burgers?
Zie antwoord op vraag 9.
Welke gevolgen verwacht het kabinet dat dit oordeel heeft voor het investerings- en vestigingsklimaat voor internationale technologiebedrijven in Nederland?
Nederland heeft een open economie en een aantrekkelijk investerings- en vestigingsklimaat voor nationale en internationale ondernemingen. Het kabinet hecht grote waarde aan buitenlandse investeringen, die bijdragen aan innovatie, werkgelegenheid en economische groei.
Tegelijkertijd is het van belang dat de nationale veiligheid en andere zwaarwegende publieke belangen adequaat worden beschermd. Instrumenten zoals de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie zijn bedoeld voor situaties waarin dergelijke belangen in het geding kunnen zijn. Deze instrumenten worden indien nodig toegepast en de beoordeling vindt zorgvuldig plaats op basis van de wettelijke criteria en de specifieke omstandigheden van het geval.
Uit een evaluatie van de investeringstoetsen (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie en Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames) van najaar 2025 komt naar voren dat de impact op het investeringsklimaat door deze toetsen te overzien lijkt, mede door de gerichte aanpak. Het kabinet is van oordeel dat een helder, voorspelbaar en wettelijk verankerd toetsingskader bijdraagt aan een stabiel investeringsklimaat. Het is niet mogelijk om vast te stellen welke concrete gevolgen een individueel besluit heeft voor toekomstige investerings- of vestigingsbeslissingen van ondernemingen.
Binnen welke termijn verwacht het kabinet duidelijkheid te kunnen geven over een definitieve oplossing?
Met het besluit op grond van de WOZT vindt er thans geen wijziging van de zeggenschap van Solvinity plaats. Het is aan de betrokken marktpartijen te beoordelen welke vervolgstappen zij willen zetten. Het kabinet zal de situatie blijven monitoren zodat de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening van Solvinity geborgd blijft.
Kunt u uitleggen waarom betrokkenheid van internationale technologiepartijen binnen het GRIP-IT-project van Defensie wel verenigbaar werd geacht met nationale veiligheidsbelangen, nota bene bij de hervorming van de Defensie-ICT, terwijl in de onderhavige casus een negatief BTI-oordeel is afgegeven?
Deze situaties zijn niet rechtstreeks vergelijkbaar. Een contractuele samenwerking verschilt wezenlijk van een wijziging van zeggenschap over een onderneming. Iedere casus onder investeringstoetsing wordt beoordeeld op basis van de specifieke feiten en omstandigheden en het toepasselijke wettelijke kader. Over de onderliggende risicoanalyses in individuele dossiers doet het kabinet geen uitspraken. Voor de precieze inrichting en afweging ten aanzien van het GRIT project bij Defensie, verwijs ik u door naar de Minister en/of Staatssecretaris van Defensie.
Welke lessen worden getrokken voor toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur?
Wat betreft toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur bouwt het kabinet voort op het ABDTOPConsult rapport «Van kwetsbaar naar weerbaar. Geleerde lessen uit dreigende acute en langdurige uitval van uitbestede ICT-dienstverlening bij overheidsorganisaties» dat vorig jaar met de Kamer is gedeeld [29 362 nr.388]. Dit rapport verwoordt lessen en geeft concrete en bruikbare aanbevelingen om risico’s stapsgewijs te mitigeren, de eerste stappen daartoe zijn inmiddels gezet.
Wat wordt aan burgers verteld behalve «DigiD blijft werken»?
Gebruikers kunnen hun DigiD blijven gebruiken zoals altijd. Zoals in de beantwoording van vraag 1 beschreven zijn er strenge contractuele afspraken met Solvinity waarin staat vastgelegd dat zij de beschikbaarheid en veiligheid van DigiD moet garanderen. Logius communiceert actief op de DigiD website wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn rondom Solvinity.
Kunt u de vragen los van elkaar en op de kortst mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat op 7 mei 2026 twee vermoedelijk Oekraïense drones het Letse luchtruim hebben geschonden, waarvan één neerstortte op een brandstofdepot nabij de stad Rēzekne en een andere het Letse grondgebied raakte, hetgeen uiteindelijk leidde tot het aftreden van zowel de Letse Minister van Defensie als Minister-President Siliņa?1, 2
Deelt u de opvatting dat het herhaaldelijk betreden van het luchtruim van NAVO-lidstaten door Oekraïense drones een ernstig veiligheidsprobleem vormt, ook voor Nederland als lid van de NAVO?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u de herhaalde schending van NAVO-luchtruim door Oekraïense drones niet als een ernstig veiligheidsprobleem beschouwt?
Bent u het met ons eens dat het ernaar uitziet dat het Letse luchtruim beschikbaar is gesteld voor Oekraïense aanvallen op Russisch grondgebied?
Kunt u toelichten hoe u het voorgaande beoordeelt in het licht van het Nederlandse lidmaatschap van de NAVO?
Kunt u uiteenzetten welke juridische en militaire implicaties het heeft voor Nederland, indien blijkt dat wapensystemen of drones die Nederland heeft geleverd of gefinancierd, schade hebben veroorzaakt op het grondgebied van een NAVO-bondgenoot?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u meent dat Nederland in een dergelijk scenario geen juridische of militaire verantwoordelijkheid draagt?
Het stopzetten van het luchtalarm |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Aerdts , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u nader toelichten waarom er geen middelen zijn gevonden om het luchtalarm als middel in crisissituaties te behouden, zoals aangekondigd in uw brief van 18 mei 2026?1
Op 9 juni 2026 is er een brief gestuurd over de inrichting van een nieuwe civiel militaire waarschuwingsketen.2 In deze brief heb ik uw Kamer, mede namens de Minister van Defensie, geïnformeerd dat wij een nieuwe civiel-militaire waarschuwingsketen gaan realiseren. Onderdeel hiervan is een nieuw innovatief sirenenetwerk, in aanvulling op NL-Alert. Een nadere toelichting staat in deze brief.
Hoeveel geld zou het structureel kosten om het luchtalarm na 1 januari 2028 alsnog te behouden?
Zie antwoord vraag 1.
Ziet u mogelijkheden om het luchtalarm in de toekomst te dekken met de aanvullende Defensiemiddelen in het kader van de nationale weerbaarheid?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse dat het afsluiten van het luchtalarm onwenselijk is, gezien het belang van redundantie in de crisiscommunicatie? Is het niet in elke situatie beter als het luchtalarm en NL-Alert (of alternatieven) naast elkaar bestaan?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kijkt u naar het gegeven dat het horen van het luchtalarm en het ontvangen van een NL-Alert een andere lading heeft voor de toehoorder? Waarop baseert u dat het luchtalarm en NL-Alert dezelfde staat van paraatheid teweegbrengt bij burgers?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat, in een heftige ramp of crisis, ook sprake kan zijn van sabotage van mobiele netwerken? Waarop baseert u dat NL-Alert in dergelijke situaties altijd bruikbaar zal zijn?
NL-Alert is afhankelijk van de openbare mobiele netwerken. Uit onderzoek is gebleken dat NL-Alert volstaat als alerteringsmiddel in vredestijd. NL-Alert is robuust en er wordt gewerkt om aan het hoogste niveau van informatiebeveiliging te voldoen, maar geen systeem is onfeilbaar. Bij een scenario van ernstige hybride en militaire dreigingen, waarbij een statelijke actor zeer zware en geavanceerde middelen kan inzetten om infrastructuur (waaronder de mobiele netwerken) te ontwrichten, is het kwetsbaar om enkel over NL-Alert te beschikken. Vanwege het ontbreken van een civiel-militaire waarschuwingsketen (van detectie tot en met alertering van de bevolking) bij luchtdreigingen, is in 2025 een verkenning gestart naar wat er nodig is voor de inrichting van een robuuste en redundante civiel-militaire waarschuwingsketen. Hierbij is in beeld gebracht welke aanvullende mogelijkheden en middelen, naast NL-Alert, geschikt zijn om burgers te kunnen alerteren in dit specifieke scenario. Hieruit is een advies naar voren gekomen om deze civiel-militaire waarschuwingsketen robuust en redundant in te richten. Voor het inrichten van een robuust en redundante waarschuwingsketen is het nodig een tweede alerteringsmiddel naast NL-Alert te hebben. Dit tweede middel dient complementair te zijn aan NL-Alert, en op een andere infrastructuur te draaien. Een nieuw innovatief sirenenetwerk geeft het beste antwoord op de vraag.
Is het bereik van NL-Alert, met een stabiele dekking van 92%, voldoende om in een crisissituatie iedereen te bereiken? Hoe verwacht u dit bereik te vergroten?
Het primaire alerteringsmiddel bij rampen en crises in Nederland is al enige jaren NL-Alert. NL-Alert kent via de verschillende distributiekanalen al jaren een stabiel bereik van circa 92% van de bevolking. Naast alarmering biedt NL-Alert ook informatie over een crisis, handelingsperspectief en doorverwijzingen naar aanvullende informatiebronnen. Naast verspreiding van NL-Alerts via de mobiele telefoons worden NL-Alerts ook via andere kanalen verspreid om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Zo is NL-Alert te zien op digitale reclameschermen en digitale reisinformatieschermen van trein, bus, tram en metro en via schermen in publieke ruimten zoals huisartsenpraktijken en ziekenhuizen.
Er wordt continu gewerkt om het bereik van NL-Alert verder te vergroten. Onder andere via publiekscampagnes van NL-Alert, maar ook via eventuele technische en functionele aanpassingen van NL-Alert en de distributiekanalen zoals de NL-Alert app. Ook is de publiekscampagne van NL-Alert erop gericht dat bij ontvangst van een NL-Alert, men ook anderen hierover informeert. De NL-Alert app is mede ontwikkeld voor mensen die aan de grens wonen en soms verbonden zijn met buitenlandse zendmasten en hierdoor niet altijd NL-Alerts ontvangen en voor mensen voor wie een NL-Alert niet altijd duidelijk is. Voor mensen met een auditieve of visuele beperking kent de NL-Alert app toegankelijkheidsfuncties om het bericht te ontvangen en beter te kunnen begrijpen. De NL-Alert app wordt verder ontwikkeld en verbeterd waarbij specifiek rekening wordt gehouden met mensen met een auditieve of visuele beperking. Zo wordt momenteel samen met de belangengroepen gewerkt aan het verbeteren van toegankelijkheid van NL-Alert voor de dovengemeenschap door NL-Alert in de Nederlandse Gebarentaal toe te voegen aan de app.
Kunt u onderbouwen dat een alternatief systeem als NL-Alert, waar mensen een telefoon voor nodig hebben, goed digitaal toegankelijk is?
NL-Alert maakt gebruik van cell broadcast techniek waardoor tekstberichten direct naar mobiele telefoons worden doorgestuurd, ook bij overbelasting van het openbare telecommunicatienetwerk. Mensen hoeven zelf niets te doen om een bericht te kunnen ontvangen. Een NL-Alert bericht wordt in zo makkelijk mogelijke taal geschreven (B1-niveau). Daarnaast zijn er andere distributiekanalen waarlangs een bericht ontvangen kan worden (zie de beantwoording bij vraag 7). Ook is de publiekscampagne van NL-Alert erop gericht dat bij ontvangst van een NL-Alert, men ook anderen hierover informeert.
Daarnaast wordt NL-Alert continu doorontwikkeld en verbeterd. Zo wordt er gewerkt aan de informatiebeveiliging, maar ook aan de toegankelijkheid, waarbij specifiek rekening wordt gehouden met mensen met een auditieve of visuele beperking.
Bent u bekend met Project Särimner, een Zweedse infrastructuur waarin «datanodes» worden gebouwd die in het geval van sabotage of verstoring onafhankelijk van elkaar crisisinformatie kunnen uitwisselen?2
Ja, ik ben op hoofdlijnen bekend met dit project.
Bent u bereid om een oplossing zoals Project Särimner nader te onderzoeken als aanvulling op de nationale crisisinfrastructuur?
Op dit moment wordt daar in relatie tot het WAS niet naar gekeken omdat er vanuit mijn ministerie al een verkenning is gedaan wat er nodig is om een robuuste en redundante civiel-militaire waarschuwingsketen in te richten. Hieruit is het
advies voortgekomen om een nieuw sirenenetwerk in te richten naast NL-Alert.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing van 10 juni 2026 beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om deze beantwoording voor het commissiedebat nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing te beantwoorden.
De evacuatie van gedetineerden uit PI Vught |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat na de brand in de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught in korte tijd voor 162 gedetineerden elders plek is gevonden?1
Ja.
Hoe verklaart u dat binnen zeer korte tijd voor tientallen gedetineerden elders capaciteit beschikbaar bleek, terwijl al langere tijd wordt gewezen op een ernstig tekort aan celcapaciteit?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft alles op alles gezet om alle beschikbare plekken tijdelijk te benutten als noodoplossing. Er zijn vrije plekken in de Vreemdelingenbewaring en enkele isoleercellen ingezet. In een aantal gevallen is personeel van de PI Vught meegegaan met de gedetineerden omdat de ontvangende inrichting wel plekken maar geen personeel had. Dit was alleen voor enkele dagen mogelijk en is geen duurzame oplossing. Op 26 mei jl. is geconstateerd dat de unit in Vught weer veilig in gebruik kon worden genomen en zijn alle gedetineerden in de nacht van 26 op 27 mei weer ingesloten in hun eigen cel.
Betekent dit dat er feitelijk meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen aanwezig is dan eerder werd aangenomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, er is niet meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen dan eerder werd aangenomen. De capaciteit die nu is ingezet, biedt geen structurele oplossing en kon alleen voor enkele dagen worden ingezet als noodoplossing.
Deelt u de opvatting dat het onbegrijpelijk zou zijn wanneer enerzijds wordt gesproken over cellentekorten, terwijl anderzijds in crisissituaties kennelijk in korte tijd aanzienlijke capaciteit beschikbaar blijkt? Zo nee, waarom niet?
Zoals in vraag 2 en 3 aangegeven heeft DJI alles op alles gezet om deze groep gedetineerden kortdurend te verplaatsen, ook naar plekken die niet geschikt zijn voor een langere periode of waar geen personeel beschikbaar was. Dit was dus een tijdelijke noodoplossing.
Kunt u aangeven waar deze 162 gedetineerden precies zijn ondergebracht en op basis waarvan daar ruimte beschikbaar was?
Van de 162 gedetineerden is er voor circa 140 extern een plek gevonden. Deze gedetineerden zijn verplaatst naar zeven verschillende inrichtingen. Zoals hierboven vermeld is dit in een aantal gevallen gebeurd met het meesturen van personeel vanuit PI Vught. De overige gedetineerden zijn intern verplaatst.
Hoe is bij de overplaatsing van de 162 gedetineerden gewaarborgd dat hoogrisicogedetineerden of gedetineerden uit criminele netwerken niet in contact komen met personen met wie zij om veiligheidsredenen juist gescheiden dienen te blijven?
Het betrof de evacuatie van een unit waar geen hoog risico gedetineerden waren geplaatst. De tijdelijke overplaatsing heeft op een veilige manier plaatsgevonden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Schilder over het hanteren van meerpersoonscellen als norm waar dit veilig en verantwoord kan (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 127)?
Waar mogelijk wordt ingezet op het gebruik van meerpersoonscellen (MPC). Concreet betekent dit dat – indien de gebouwelijke voorzieningen en de veiligheid van zowel gedetineerden als het personeel dit toelaten – MPC’s worden ingezet.
Hoeveel extra celplaatsen zouden op korte termijn kunnen worden gerealiseerd indien meerpersoonscellen breder worden toegepast?
Er zijn op korte termijn geen extra MPC’s te realiseren binnen de bestaande capaciteit. Conform de motie Eerdmans2 wordt in het geval van renovatie en uitbreiding van capaciteit ingezet op de realisatie van zo veel mogelijk MPC’s.
Het artikel ‘Nieuwe Bulgarenfraude nog groter dan gedacht: met eerst geld en controle achteraf blijft Belastingdienst kwetsbaar voor zwendel’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over een nieuwe grootschalige Bulgarenfraude waarbij criminelen opnieuw misbruik zouden maken van Belastingen en toeslagen en gebrekkige controles bij de Belastingdienst?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de overheid fraude daadkrachtig moet aanpakken en dat georganiseerde fraudeurs geen ruimte mogen krijgen om misbruik te maken van publiek geld?
Ja.
Hoe verklaart u dat Nederland, ondanks de lessen uit eerdere fraudezaken, opnieuw kwetsbaar blijkt voor georganiseerde fraude?
In mijn brief van 18 mei 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over een patroon dat de Belastingdienst heeft geconstateerd van aangiften, verzoeken en bezwaren (hierna aanvragen) in de inkomensheffingen die onregelmatigheden bevatten. Ook heb ik in deze brief aangegeven dat er sprake lijkt te zijn van personen die zich in georganiseerd verband melden voor een DigiD.2
De Belastingdienst is een project gestart om meer inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Daaruit moet ook meer duidelijk worden over de opzet en organisatie achter dit patroon. Ik streef ernaar snel meer duidelijkheid te bieden over dit patroon en de vervolgacties en zal uw Kamer daarover periodiek informeren in de stand-van-zakenbrief Belastingdienst. Daarbij zal ik ook ingaan op de belangrijkste lessen uit eerdere fraudezaken.
In hoeveel gevallen is de afgelopen vijf jaar sprake geweest van vermoedens van georganiseerde fraude met belastingen of toeslagen? Hoeveel geldbedragen zijn hiermee gemoeid?
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren prioriteit gegeven aan de aanpak van (vermoedelijke) BTW-netwerkfraude, BTW-carrouselfraude, verschillende vormen van verhuld vermogen en BPM-fraude. Over de keuzes voor onderzoek naar en aanpak van fenomenen informeer ik de Tweede Kamer middels het jaarplan van de Belastingdienst. De resultaten van de aanpak leest u terug in de jaarrapportages van de Belastingdienst. Voor BTW-carrouselfraude, die per definitie in georganiseerd verband plaatsvindt, worden onder meer het aantal meldingen conform AAFD-protocol en het correctieresultaat uit toezicht gerapporteerd:
2022
2023
2024
2025
Correctieresultaat
€ 50 mln.
€ 142 mln.
€ 58 mln.
€ 78 mln.
Vanwege het inherent verhulde karakter van fraude kan ik geen onderbouwde uitspraak doen over de grootte van het totale fiscale nadeel. Voor Toeslagen geldt daarnaast dat het intensieve toezicht, in lijn met de aangenomen motie Van Eijk,3 pas recent is opgestart, waardoor voor Toeslagen nog geen actueel beeld te vormen is over de omvang van eventuele georganiseerde fraude in de afgelopen vijf jaar.
Is er volgens u binnen de Belastingdienst en betrokken uitvoeringsinstanties sprake van terughoudendheid of verlegenheid om stevig op te treden tegen fraude uit angst om fouten te maken richting burgers?
Nee, terughoudendheid en verlegenheid zie ik niet bij de Belastingdienst en Toeslagen. Wel zie ik dat er meer aandacht in deze organisaties is voor de juiste toepassing van wet- en regelgeving, waaronder de AVG. Dit betekent ook dat er soms voorzichtiger en zorgvuldiger wordt geopereerd. Na de Toeslagenaffaire, de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en het stopzetten van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) is er veel is veranderd in de werkwijze van Dienst Toeslagen en de Belastingdienst. Processen zijn of worden waar zij nog niet volledig voldeden aan wet- en regelgeving in snel tempo aangepast. Hier stuurt de Belastingdienst ook op via de Meerjarenstrategie Belastingdienst 2026–2030.
Dit heeft ook gevolgen gehad voor het intensieve toezicht en de fraudebestrijding. Zo heeft het proces van meldingen van mogelijke niet-compliantie na het stopzetten van FSV langere tijd stilgelegen, net als het intensieve toezicht voor Toeslagen. Het perspectief van burgers en bedrijven is meer dan daarvoor centraal komen te staan in het werk van de Belastingdienst. Medewerkers zijn zich er nu meer van bewust wat de gevolgen kunnen zijn van het ingrijpen van de overheid.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om fraude eerder te signaleren en frauduleuze aanvragen direct te blokkeren voordat uitbetaling plaatsvindt?
In de Kamerbrief die ik op 18 mei 2026 aan de Tweede Kamer stuurde heb ik de maatregelen voor personen die bij dit patroon betrokken zijn uiteen gezet.
Daarnaast worden aanvullende maatregelen onderzocht. U kunt hierbij denken aan een aanscherping van selectieregels bij beoordeling van aanvragen inkomensheffingen. Het bestrijden van fraude is een belangrijk onderdeel van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (UHS) en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. Hier ga ik in het antwoord op de vragen 12 en 13 nader op in.
Bent u bereid om risicogerichte controles (intensief toezicht) voorafgaand aan uitbetaling uit te breiden, zodat evident verdachte aanvragen sneller kunnen worden tegengehouden?
Zoals aangegeven is de Belastingdienst een project gestart met als doel inzicht te krijgen in de aard en omvang van de problematiek, om op basis daarvan een uitvoerbare aanpak in gang te zetten. Diverse onderdelen van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen onderzoeken het patroon. Daarbij wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen beschouwd, wordt onderzocht hoe onregelmatigheden als deze in de toekomst kunnen worden voorkomen en welke aanvullende maatregelen verder moeten worden genomen.
Hoe zorgt u ervoor dat georganiseerde fraudeurs hard worden aangepakt, terwijl tegelijkertijd goedwillende burgers zorgvuldig en rechtvaardig worden behandeld?
Ik sta voor een zorgvuldige en rechtvaardige behandeling van burgers en ondernemers. In de behandeling van aanvragen, die grotendeels geautomatiseerd afgehandeld worden door de Belastingdienst, moet een balans gevonden worden. Maatregelen moeten een zo beperkt mogelijk effect op goedwillende burgers hebben en tegelijk onterechte uitbetalingen zoveel mogelijk voorkomen. Om invulling te geven aan de zorgvuldigheid, kan de Belastingdienst in bepaalde gevallen eerst een vragenbrief sturen als er een aanvraag wordt gedaan die mogelijk onregelmatigheden bevat, waarna de aanvrager de mogelijkheid heeft om die aanvraag toe te lichten. Bij afwijzing van een aanvraag kan daartegen bezwaar worden gemaakt, zodat eventuele fouten hersteld kunnen worden. Mochten onjuiste aanvragen toch tot betaling zijn gekomen, dan probeert de Belastingdienst dat bedrag terug te vorderen.
Ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke aanpak met ketenpartners. Zo heeft een bank door het bevriezen van rekeningen het wegvloeien van publiek geld weten te voorkomen en worden maatregelen in samenspraak met Logius onderzocht. Over de strafrechtelijke kant en de inzet van de FIOD, gaat het Openbaar Ministerie (OM).
Welke concrete stappen onderneemt u in deze casus om het gestolen geld terug te krijgen?
Er wordt beslag gelegd op de rekeningen die door een bank zijn bevroren. Dit bedraagt circa € 2,3 miljoen. Op basis van eerdere ervaringen in soortgelijke en omvangrijke fraudezaken verwacht de Belastingdienst dat de resterende € 4,4 mln. waarschijnlijk als oninbaar beschouwd moet worden. Deze bedragen zijn, na uitkering, overgemaakt naar buitenlandse bankrekeningnummers, contant opgenomen of omgezet in crypto valuta. De Belastingdienst onderzoekt welke vervolgstappen mogelijk zijn met betrekking tot de invordering.
Heeft u aangifte gedaan tegen de praktijken van deze criminele Bulgaarse groep of bent u voornemens dat te doen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst is nu als fiscale toezichthouder aan zet om onderzoek te doen naar dit patroon. Op basis van het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen kan de Belastingdienst signalen van mogelijke belastingfraude aan de FIOD en het Openbaar Ministerie melden.4 In dit protocol zijn aanmeldings- en wegingscriteria opgenomen om te bepalen of een vermoeden van belastingfraude kwalificeert voor strafrechtelijke vervolging. Na een dergelijke melding kan de FIOD onder het gezag van het OM een strafrechtelijk onderzoek starten. Over individuele meldingen conform het Protocol wordt geen mededeling gedaan.
Bent u bereid in overleg te treden met uw Bulgaarse evenknie om deze kwestie te bespreken, daar het ook niet de eerste keer is dat dit met Bulgaarse ingezetenen gebeurt?
Zoals ik schreef in mijn brief van 18 mei 2026, wordt het patroon op dit moment nog verder onderzocht. Als ik meer duidelijkheid heb over wat er aan de hand is, dan informeer ik de Tweede Kamer daarover. Ik zal de Tweede Kamer dan ook informeren of ik meerwaarde zie in een overleg met Bulgarije.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat belastinggeld opnieuw op grote schaal in handen valt van fraudeurs?
Zoals ik in mijn brief van 18 mei 2026 heb aangegeven is in dit specifieke geval een project gestart waarin diverse onderdelen van de Belastingdienst deelnemen. Het doel van het project is inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Zo wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen onderzocht. De Belastingdienst zal uiteraard zorgvuldigheid betrachten in de te nemen maatregelen om zoveel mogelijk te voorkomen dat goedwillende burgers hierdoor worden benadeeld. Daarnaast wordt zoals hiervoor genoemd, gewerkt aan een aanpak met ketenpartners om fraude zoveel mogelijk te voorkomen.
In algemene zin merk ik op dat het bestrijden van fraude een belangrijk onderdeel is van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de UHS en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. De strategie is erop gericht om het gedrag van belastingplichtigen zo te beïnvloeden dat zij structureel uit zichzelf hun fiscale verplichtingen nakomen. En daar waar belastingplichtigen regels bewust niet willen naleven dwingt de belastingdienst naleving af. De aanpak van georganiseerde belastingfraude maakt onderdeel uit van de UHS en vraagt om een doorlopende inzet en voortdurende aanpassing van maatregelen aan nieuwe fraudefenomenen en patronen. Om die reden ligt een afzonderlijk plan van aanpak voor het bestrijden van georganiseerde belasting- en toeslagfraude op dit moment niet voor de hand. Uw Kamer wordt, zoals gebruikelijk, geïnformeerd over relevante ontwikkelingen, zoals ik ook heb gedaan in mijn brief van 18 mei 2026.
Kan de Kamer vóór de zomer een plan van aanpak ontvangen met concrete voorstellen om georganiseerde belasting- en toeslagen fraude daadkrachtiger te bestrijden?
Zie antwoord vraag 12.
Burgemeesters die meedoen aan Nakba-herdenkingen |
|
Ranjith Clemminck (JA21), Mona Keijzer , Annabel Nanninga (JA21) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Utrechtse burgemeester Dijksma, met ambtsketen, samen met wethouder Voortman namens het college van B&W van de gemeente Utrecht een krans heeft gelegd bij een zogenoemde Nakba-herdenking op het Domplein, bij het verzetsmonument? En dat de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem ook, met hun aanwezigheid danwel online, stilstonden bij een historisch onjuiste weergave van de zogenaamde «Nakba»?
Bent u ermee bekend dat de kransen die op 4 mei waren gelegd voor Nederlandse verzetsstrijders, bevrijders en slachtoffers van oorlog en Holocaust in Utrecht kennelijk moesten wijken en achter het monument op een hoop zijn beland?
Vindt u het normaal dat kransen voor verzetsstrijders en oorlogsslachtoffers nog geen twee weken na de Nationale Dodenherdenking worden weggekwakt om ruimte te maken voor een politieke herdenking over een buitenlands conflict?
Wie heeft hiertoe opdracht gegeven, wie was hiervoor verantwoordelijk en deelt u de mening dat dit nooit meer mag gebeuren?
Heeft u reeds contact gehad met het college van B&W van de gemeente Utrecht over de wijze waarop de 4 mei-kransen bij het verzetsmonument zijn behandeld?
Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het college van B&W van de gemeente Utrecht hierover alsnog om opheldering te vragen en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Deelt u de mening dat een verzetsmonument geen podium is voor actuele geopolitieke campagnes, zeker niet wanneer daardoor de herdenking van Nederlandse verzetsstrijders en slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog letterlijk opzij wordt geschoven?
Valt het volgens u onder de taakopvatting van Nederlandse burgemeesters om buitenlandse gebeurtenissen en conflicten te herdenken, zoals de zogenaamde «Nakba»?
Zo ja, waarom herdenken burgemeesters dan niet ook de Holodomor, de Ierse Troubles, de val van Constantinopel, de Grieks-Turkse bevolkingsuitwisseling, de deling van India en Pakistan of de verdrijving van honderdduizenden Joden uit islamitische landen?
Zo nee, bent u bereid burgemeesters erop aan te spreken dat zij hun ambt niet moeten misbruiken om buitenlandse conflicten de Nederlandse samenleving binnen te trekken?
Deelt u de mening dat burgemeesters, die in Nederland al niet rechtstreeks democratisch gekozen worden, juist een extra zware verantwoordelijkheid hebben om zichtbaar boven de partijen te staan en er voor álle inwoners van hun gemeente te zijn?
Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot het optreden van burgemeesters rond een eenzijdige, historisch incorrecte zogenoemde «Nakba»-herdenking?
Vindt u het gepast dat een burgemeester in functie stilstaat bij een herdenking waarbij de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 vanuit één politiek en inaccuraat perspectief wordt gepresenteerd?
Erkent u dat de zogenaamde «Nakba»-herdenking in deze vorm voor veel Joodse Nederlanders niet voelt als een neutrale herdenking, maar als een politieke aanklacht tegen het bestaansrecht van Israël?
Begrijpt u dat Joodse Nederlanders zich door dit optreden van burgemeesters gekleineerd, miskend en in de steek gelaten weten?
Deelt u onze zorg dat deze burgemeesters hiermee niet verbinden, maar polariseren?
Bent u bekend met het feit dat de organisator van de Utrechtse herdenking eerder een raadsvergadering in Utrecht verstoorde, waar de veiligheid dusdanig in het geding kwam, dat de politie moest ingrijpen?1
Vindt u het acceptabel dat een burgemeester zich voor het karretje laat spannen van dergelijke organisatoren?
Acht u het samenwerken met knokploegen zoals deze door de burgemeester bewust en dus kwalijk, of onbewust en dus bestuurlijk naïef?
Vindt u dat burgemeesters, voordat zij met ambtsketen bij dit soort bijeenkomsten verschijnen, ten minste behoren te weten wie de organisatoren, sprekers en betrokken netwerken zijn?
Heeft u zicht op welke organisaties en personen betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Zo nee, vindt u dat wenselijk, gezien de aanwezigheid van lokale bestuurders in functie bij deze bijeenkomsten?
Bent u bereid dit alsnog te laten nagaan?
Heeft het kabinet zicht op eventuele verbanden tussen deze organisaties of personen en netwerken waarover de AIVD, politie of het Openbaar Ministerie (OM) zorgen hebben geuit?
Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Hoe verhoudt deelname van lokale bestuurders aan dergelijke bijeenkomsten zich tot de waarschuwing van de AIVD dat in Nederland een Hamas-netwerk actief is?
Bent u bereid gemeenten actief te waarschuwen voor het risico dat bestuurders worden ingezet als legitimatie voor radicale, extremistische of antisemitische agenda’s?
Heeft u zicht op de financiering van de organisaties die betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Zo nee, acht u dat verantwoord, gelet op recente zorgen over buitenlandse en/of extremistische beïnvloeding van anti-Israëlische activiteiten in Nederland?
Bent u bereid te laten nagaan of de betrokken organisaties direct of indirect financiële steun ontvangen uit het buitenland, van aan Hamas gelieerde netwerken, of van organisaties waarover de AIVD, politie of het OM zorgen hebben geuit?
Kunt u uitsluiten dat bij de organisatie, financiering of ondersteuning van deze herdenkingen sprake is geweest van beïnvloeding door extremistische, antisemitische of aan Hamas gelieerde netwerken?
Deelt u de mening dat de versie van de «Nakba» die in dit soort bijeenkomsten centraal staat vaak een eenzijdig en historisch verdraaid beeld geeft van 1948, waarbij de aanval van Arabische legers op de pas opgerichte staat Israël buiten beeld blijft?
Zo nee, waarom klopt volgens u dan deze versie van de historie van het gebied?
Deelt u de mening dat het buitengewoon kwalijk is als Nederlandse bestuurders deze eenzijdige geschiedschrijving bestuurlijk legitimeren?
Bent u bereid uit te spreken dat burgemeesters zich niet behoren te lenen voor herdenkingen die het conflict tussen Israël en Hamas importeren in Nederlandse gemeenten?
Deelt u de mening dat deze herdenkingen, zeker wanneer zij plaatsvinden bij oorlogsmonumenten, overbodig, polariserend en ongepast zijn?
Bent u bereid de betrokken burgemeesters aan te spreken op hun optreden en hun verantwoordelijkheid tegenover alle inwoners, waaronder nadrukkelijk ook de Joodse gemeenschap?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en volledig beantwoorden?
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Ja.
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Op grond van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. De onderstaande inhoudelijke antwoorden zijn tot stand gekomen in afstemming met de gemeente Purmerend, de politie en het Openbaar Ministerie.
Door de gemeente is aangegeven dat voorafgaand aan en gedurende de kermis signalen zijn gedeeld – en besproken – tussen gemeente, politie, jongerenwerk en veiligheidspartners. Zoals gebruikelijk bij grote evenementen. Daarbij zijn ook signalen uit andere gemeenten meegenomen. Deze signalen waren echter niet concreet als het gaat om aantallen, samenstelling, exacte aankomstlocaties of voorgenomen gedragingen van specifieke personen of groepen. Er was zodoende geen concrete informatie die aanleiding gaf om gericht tegen specifieke personen of groepen op te treden.
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven is de inzet van maatregelen ter handhaving van de openbare orde een lokale aangelegenheid.
Gemeente en politie geven in casu aan dat van aangekondigde ongeregeldheden geen sprake is geweest. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 waren de signalen niet concreet. Wel zijn voorafgaand aan de kermis, zoals gewoonlijk, de inzet en aandachtpunten met alle betrokken (veiligheids)partners afgestemd. Er is, zoals bij elke editie, een dagelijkse multidisciplinaire veiligheidsbriefing ingepland, er vond live cameratoezicht plaats vanuit de commandopost, bus- en treinstations zijn gemonitord en er zijn waar nodig bestuurlijke maatregelen getroffen, waaronder het opleggen van verblijfsontzeggingen met een bijbehorend handelingskader. Verder is gedurende de avond actief gemonitord en ingezet op voorkoming van groepsvorming en mogelijke ordeverstoringen.
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Ondanks de omvangrijke voorbereiding en intensieve inzet van alle betrokken partners kunnen incidenten in de openbare ruimte niet altijd volledig worden voorkomen. Gedurende de avond zijn groepen jongeren fysiek actief gemonitord door politie, handhaving, jongerenwerk en beveiliging. Toen sprake was van ordeverstoringen heeft de politie opgeschaald en is opgetreden om verdere escalatie te voorkomen en reguliere bezoekers zoveel mogelijk te scheiden van de ongeregeldheden. Daarbij is uiteindelijk besloten de kermis een half uur eerder te sluiten om de openbare orde te herstellen en verdere risico’s voor bezoekers te beperken.
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Er zijn geen aanhoudingen verricht en het onderzoek is inmiddels gesloten.
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Purmerend geeft aan dat het zich realiseert dat het eerder sluiten van de kermis maatregel een grote impact heeft gehad op bezoekers en ondernemers en betreurt dat ten zeerste. Er zijn geen aanwijzingen dat kermisexploitanten betrokken zijn geweest bij de ongeregeldheden. Het overgrote deel van de bezoekers heeft de kermis op een normale en positieve manier bezocht. De beslissing om de kermis eerder te sluiten is echter genomen op advies van de politie en diende uitsluitend het belang van de openbare orde en veiligheid. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar het voorkomen van geweld en herhaling van escalaties en het beschermen van bezoekers, ondernemers, hulpdiensten en medewerkers. Door de kermis eerder te sluiten kon de openbare orde op het kermisterrein weer worden hersteld, kon de politie zijn inzet richten op de ordeverstoorders en werd herhaling op de zaterdag uitgesloten. De maatregel is nadrukkelijk niet gericht tegen bezoekers of exploitanten, maar bedoeld om escalatie en veiligheidsrisico’s te voorkomen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
De burgemeester heeft, na samenspraak in de lokale driehoek, het besluit genomen om de kermis de dag na het incident in zijn gemeente om 21:00 uur te sluiten. Dit besluit heeft hij genomen op basis van voorliggende informatie en afweging van risico’s.
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Er zal helaas zeker sprake zijn van economische schade voor de betrokken ondernemers. Een beslissing tot eventuele compensatie hiervoor is aan het lokale bestuur in overleg met de kermisbranche.
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
De burgemeester kan op basis van relevante feiten en omstandigheden besluiten tot het opleggen van gebiedsverboden. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Wanneer tijdens een politieonderzoek feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de politie de mogelijk invloed van georganiseerde groepen via sociale media betrekken.
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Hier heb ik geen overzicht van.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Naar aanleiding van een toezegging tijdens het Kamerdebat Toerisme en Recreatie van 11 mei 2022 heeft de Minister van Economische Zaken in samenwerking met de kermissector en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een handreiking voor de kermissector ontwikkeld. Deze is in oktober 2023 gepubliceerd. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Zware PCP-luchtdrukwapens en waarschuwingen van de AIVD |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarschuwt voor de risico’s rondom zware PCP-luchtdrukwapens (Pre Charged Pneumatic) en aangeeft dat deze wapens in beeld zijn bij extremisten? Kunt u nader toelichten in welke mate deze wapens momenteel een veiligheidsrisico vormen, mede gelet op de huidige dreigingssituatie?1
Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik geen uitspraken doen over de onderbouwing van het AIVD-jaarverslag. In het algemeen geldt wel dat de AIVD waarschuwt voor dit soort fenomenen wanneer er een dreiging is voor de nationale veiligheid. Dit signaal neem ik dus uiterst serieus.
Hoe beoordeelt u het feit dat zware PCP-luchtdrukwapens in Nederland relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn, terwijl deze wapens qua mondingsenergie en impact vergelijkbaar of zelfs zwaarder kunnen zijn dan bepaalde vuurwapens?
Lucht-, gas- en veerdrukwapens zijn voorwerpen die in de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) zijn aangewezen als categorie IV wapens. Meerderjarige personen mogen deze wapens zonder vergunning voorhanden hebben. Luchtdrukwapens zijn de afgelopen jaren sterk in kracht toegenomen en in handzame uitvoeringen te koop bij fysieke of online wapenwinkels. Zware luchtdrukwapens, waaronder PCP-buksen, kunnen tegenwoordig vele malen krachtiger zijn dan een regulier handvuurwapen. Mijns inziens horen deze luchtdrukwapens – gezien de gevaarzetting en letselpotentie – dan ook niet thuis in categorie IV, waarbij zij zonder vergunning voorhanden gehouden mogen worden.
De toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in 2016 aan uw Kamer in een brief een wetswijziging aangekondigd om het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens te verbieden en alleen via een vergunning een uitzondering op dit verbod toe te staan.2 Dit voornemen heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in 2020 nogmaals herhaald in een brief waarin een breder traject voor de aanpassing van de wet werd aangekondigd dat als doel had om een aantal knelpunten op te lossen. In reactie op de aankondiging van de voorbereiding van deze wetswijziging3 heeft uw Kamer in 2021 een motie aangenomen met het verzoek aan de regering om een commissie in te stellen voor het opstellen van een basisplan voor een nieuwe en gemoderniseerde Wwm.4 In haar beleidsreactie op het daaropvolgende rapport van de Commissie Wwm heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in 2023 aangekondigd om een wettelijk verbod voor het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens mee te nemen in de ontwikkeling van een nieuwe Wwm.5 Voor de stand van zaken van dit wetsvoorstel verwijs ik naar het antwoord bij vraag 10.
Het in wetgeving verbieden van zware luchtdrukwapens ondersteun ik. Het voorbereiden en behandelen van een wetsvoorstel heeft veelal een lange doorlooptijd. Gezien de urgentie vanwege de technologische ontwikkelingen van de laatste jaren met zeer krachtige luchtdrukwapens en de recente berichtgeving van de AIVD, verken ik – zoals aangekondigd in mijn brief van 17 juni jl. over de Hoofdlijnenvisie en de uitgangspunten voor de nieuwe wet wapens en munitie – of het mogelijk is om in een versneld traject het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens te verbieden door middel van een aanpassing van de Regeling wapens en munitie (hierna: Rwm), vooruitlopend op het wetsvoorstel voor de nieuwe Wwm.
Mijn voornemen is om alleen voor bepaalde toepassingen zware luchtdrukwapens met een vergunning toe te staan. In de verkenning zal ik binnen de regelgeving rekening houden met het huidige gebruik van lichte luchtdrukwapens voor paintball en schietsport alsook de maatschappelijke nuttige toepassingen met luchtdrukwapens die onder meer zijn opgenomen in de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving, zoals voor de bestrijding van ratten. Daarnaast treed ik in overleg met de belangenorganisaties voor wapenverkoop over de aanpassing van de Rwm.
Klopt het dat zware PCP-luchtdrukwapens op grond van de Wet wapens en munitie momenteel onder categorie IV vallen? Acht u deze classificatie nog passend, gezien de kracht en veiligheidsrisico’s van deze wapens?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in 2016 al door de toenmalige Minister is aangegeven via een Kamerbrief dat dit type wapens levensgevaarlijk kan zijn? Zo ja, hoe verklaart u dan dat tien jaar later nog altijd geen adequate aanscherping van de regelgeving heeft plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete stappen zijn sinds 2016 dan gezet om de risico’s van zware luchtdrukwapens te beperken, en wat hebben deze maatregelen opgeleverd?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat bij verkoop van zware PCP-luchtdrukwapens weliswaar persoonsgegevens van kopers moeten worden geregistreerd en bewaard, maar dat het huidige systeem beperkte waarborgen kent voor traceerbaarheid van wapens bij overdracht en doorverkoop? Acht u deze systematiek voldoende?
Op grond van artikel 12 van de Regeling wapens en munitie zijn erkende wapenverkopers verplicht een register bij te houden van de verkoop van wapens en munitie, waaronder zware luchtdrukwapens. In dit register worden onder meer de naam en het adres van de koper, de datum van de verkoop alsook het type wapen en serienummer geregistreerd. Er zijn geen regels gesteld over registratie bij verkoop door de eigenaar aan een ander persoon.
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2 tot en met 5, vind ik de huidige regels voor zware luchtdrukwapens, waaronder ook de voorschriften bij de verkoop, ontoereikend voor deze wapens en ben ik voornemens dat te veranderen.
Hoe beoordeelt u de huidige identificatie vereisten bij aanschaf van PCP-luchtdrukwapens, gelet op signalen dat deze controles in de praktijk beperkt of vrijblijvend kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Worden incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen afzonderlijk geregistreerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel gevallen betreft dit in de afgelopen vijf jaar?
Incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen, worden niet afzonderlijk geregistreerd. De systemen bij de politie en het Openbaar Ministerie zijn hiertoe niet ingericht.
Bent u bereid PCP-luchtdrukwapens anders te reguleren dan thans het geval is onder categorie IV van de Wet wapens en munitie? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vragen 2 tot en met 5.
Waarom is de aangekondigde herziening van de Wet wapens en munitie nog altijd niet naar de Kamer gestuurd? Wanneer kan de Kamer deze wet verwachten?
In mijn brief van 17 juni heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voorbereiding van de nieuwe Wwm en de planning daarvan.
Het bericht 'Désirée (38) haar donor eist vaderrol: 'In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Désirée (38) haar donor eist vaderrol: «In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig»»?1
Kunt u, zonder in te gaan op deze individuele zaak, uiteenzetten welk wettelijk toetsingskader geldt wanneer een bekende donor, ondanks vooraf mondeling en schriftelijk gemaakte afspraken dat hij géén vaderrol krijgt, later alsnog erkenning, omgang of een vaderrol opeist?
Klopt het dat een bekende donor niet automatisch recht heeft op omgang enkel omdat hij biologisch vader is, maar dat hij onder omstandigheden wel een beroep kan doen op een nauwe persoonlijke betrekking of family life? Welke juridische waarde heeft in dat kader een donorovereenkomst waarin expliciet is vastgelegd dat de donor geen juridische, opvoedkundige of verzorgende vaderrol zal krijgen?
Klopt het dat een donorovereenkomst niet volledig kan uitsluiten dat een rechter later alsnog omgang of family life aanneemt? Acht u dat voor alleenstaande wensmoeders voldoende duidelijk voordat zij met een bekende donor in zee gaan?
Hoe wordt in dit soort zaken het «belang van het kind» concreet vastgesteld? Kunt u aangeven welke factoren rechters en de Raad voor de Kinderbescherming daarbij in de praktijk meewegen?
Wordt bij de beoordeling van het belang van het kind ook meegewogen of sprake is van bedreiging, stalking, intimidatie, psychische druk, dwingende controle of andere signalen die kunnen wijzen op onveiligheid?
Deelt u de opvatting dat onveiligheid van de verzorgende ouder ook kan doorwerken in de veiligheid en ontwikkeling van het kind, en daarom niet los mag worden gezien van het belang van het kind?
Hoe voorkomt het huidige stelsel dat een juridische procedure over omgang of erkenning zelf wordt gebruikt als middel van druk, controle of intimidatie richting de moeder?
Hoe verhoudt de aanpak van femicide en psychisch geweld zich tot het familierechtelijke uitgangspunt dat contact met een ouder of biologische vader in beginsel in het belang van het kind kan zijn?
Aangezien de Raad voor de Kinderbescherming stelt dat contact met beide ouders alleen uitgangspunt is «als dat veilig kan»; hoe wordt geborgd dat dit uitgangspunt ook consequent wordt toegepast bij bekende donoren die geen oorspronkelijke vaderrol zouden hebben?
Beschikt u over cijfers van zaken waarin een donorovereenkomst door de rechter anders wordt gewogen dan de wensmoeder vooraf mocht verwachten? Zo nee, acht u het wenselijk hier meer inzicht in te krijgen?
Acht u de huidige informatievoorziening aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk over de juridische risico’s van donorconceptie met een bekende donor, waaronder het verschil tussen een donor, een juridische ouder, een erkenner, een gezaghebbende ouder en iemand met omgangsrecht?
Bent u bereid stappen te zetten om de rechtspositie en rechtszekerheid van alleenstaande wensmoeders bij gebruik van een bekende donor beter te borgen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen, bijvoorbeeld via wetgeving, betere voorlichting, richtlijnen of aanvullende waarborgen in de beoordeling van omgangs- en erkenningsverzoeken?
Het verheerlijken en normaliseren van drugsgebruik door minderjarigen in de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinderen, waarin minderjarige jongeren herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij harddrugs gebruiken?1
Hoe kan het dat een streamingdienst kennelijk zonder noemenswaardige beperkingen minderjarigen drugs laat gebruiken voor de camera en dit vervolgens als entertainment uitzendt?
Deelt u de opvatting dat het tonen van minderjarige drugsgebruikers zonder duidelijke afkeurende context bijdraagt aan de normalisering van harddrugsgebruik onder jongeren? Zo nee, waarom niet?
Acht u het acceptabel dat minderjarigen herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij strafbare en potentieel schadelijke gedragingen verrichten, ondanks de mogelijke gevolgen voor hun toekomst?
In hoeverre wordt onderzocht of dit soort content een aanzuigende werking heeft op jongeren en daarmee indirect bijdraagt aan drugsgebruik en drugsnormalisering?
Deelt u de mening dat streamingdiensten en producenten een grens overschrijden wanneer harddrugsgebruik door minderjarigen op deze manier wordt gefilmd en verspreid? Zo nee, waarom niet?
Wordt onderzocht of het herkenbaar in beeld brengen van minderjarige drugsgebruikers gevolgen moet hebben voor zowel de betrokken producenten als de minderjarigen die zichtbaar strafbare feiten plegen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Het zich niet uitspreken tegen extreemrechts geweld en het ontbreken van steun van het kabinet voor de getroffen vluchtelingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Erkent het kabinet dat er sprake is van een groei van extreemrechts, waarvoor de veiligheidsdiensten al langer waarschuwen?
De AIVD en NCTV constateren een groeiende normalisatie van het rechts-extremistische narratief. In het AIVD jaarverslag van 2025 staat dat, binnen de rechts-extremistische beweging, er veel personen en subgroepen zijn die het rechts-extremistische geluid willen normaliseren en dit breed geaccepteerd proberen te krijgen. Daarbij presenteren ze hun gedachtegoed veelal in een mildere vorm om zo acceptabeler over te komen, terwijl ze achter de schermen het rechts-extremistische doel van een «blanke etnostaat» nastreven.
Erkent u dat het kabinet een grote verantwoordelijkheid heeft om de groei van extreemrechts effectief tegen te gaan en het in elk geval niet verder te laten doorwoekeren?
Ja. Dit kabinet zet zich in voor het beschermen van de nationale veiligheid tegen de vele dreigingen die onze vrije Nederlandse samenleving kunnen ondermijnen. Daar waar het gaat om het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed acht het kabinet het van belang om zich daartegen uit te spreken en te normeren.
Voor het tegengaan van extremisme bestaat een breed instrumentarium. Sinds twee jaar is de Nationale Extremismestrategie van de Ministers van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van kracht. Hierin wordt een integrale inzet beschreven: van vroege preventie, tot het beschermen van bestuurders en hard optreden bij excessen. Deze strategie is van toepassing op alle vormen van extremisme, waaronder rechts-extremisme. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom rechts-extremisme nauwlettend om zo de ideologie-neutrale aanpak te kunnen versterken waar nodig.
Waarom heeft u het geweld en de brandstichting bij een noodopvanglocatie voor vluchtelingen niet veroordeeld als extreemrechts geweld, maar koos u ervoor om de daders slechts te bestempelen als «een groep relschoppers» die «zorgen» zouden hebben die je «altijd» mag «uitspeken» en heeft u alleen in algemene termen gezegd dat geweld nooit mag?
Het kabinet veroordeelt elke vorm van geweld. Op dit moment wordt er nog volop onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen van de afgelopen weken door het OM en de politie. De conclusies en exacte duiding moeten hieruit volgen, maar dat er meerdere uitingen zijn gedaan die geduid kunnen worden als rechts-extremistisch, zoals het tonen van prinsenvlaggen gecombineerd met bepaalde leuzen, is evident. Dit is absoluut verwerpelijk en onacceptabel. Zoals ook toegelicht in het debat van 26 mei 2026, richt dit geweld schade aan die veel dieper gaat dan alleen tastbare vernieling: het gaat om mensen. Inwoners van steden die niet meer over straat durven, de mensen in de opvanglocaties en medewerkers en vrijwilligers die in angst afwachten tot het geweld voorbij is, hulpverleners die in de vuurlinie staan en bestuurders die geïntimideerd en bedreigd worden. Het kabinet acht dit onacceptabel.
Bent u alsnog bereid om uit te spreken dat het hier ging om extreemrechts geweld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom hebben zowel u als mevrouw Yeşilgöz in haar rol als eerste vicepremier (en uw vervanger bij de persconferentie na de ministerraad van 13 mei) niet expliciet specifiek medeleven betuigd met de vluchtelingen en medewerkers in het pand die slachtoffer zijn geworden van dit intimiderende geweld en de brandstichting bij hun onderkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om op zeer korte termijn een bezoek te brengen aan de bewoners en de medewerkers van de noodopvanglocatie in Loosdrecht om hen alsnog een hart onder de riem te steken en persoonlijk uw medeleven over te brengen, namens het hele kabinet?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn beantwoord binnen de termijn.
Het bericht ‘Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt’. |
|
André Poortman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat er zware pijnstillers uit de reguliere farmaceutische keten worden verhandeld op de zwarte markt?
Hoe duidt u de constatering van Zembla dat er diverse kwetsbaarheden en lekken in de keten van geneesmiddelendistributie en afvalinzameling zijn zoals corrupte medewerkers binnen Nederlandse apotheken?
Hoe duidt u het in het bericht beschreven voorval waarin er door het HagaZiekenhuis in eerste instantie geen aangifte werd gedaan van diefstal van medicatie door een medewerker en er eveneens geen melding werd gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?
Bent u bereid met de sector in gesprek te gaan om te bezien of de huidige richtlijnen rondom het melden van diefstal en het doen van aangifte toereikend zijn en of deze voldoende worden nageleefd?
Hoe weegt u het verzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om de bevoegdheid om met een «fictieve identiteit» proefaankopen te doen en bent u bereid te onderzoeken of deze en andere instrumenten en maatregelen getroffen kunnen worden om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, al dan niet in samenwerking met het Openbaar Ministerie, instaat te stellen tegen deze problematiek op te treden?
Bent u van mening dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar illegale handel in legale medicatie? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen kunt u nemen om te achterhalen waar legale opiaten vandaan komen die uiteindelijk op de zwarte markt illegaal worden verhandeld?
Wat is uw mening over de rol die onlineplatforms zoals Telegram spelen in de illegale handel van medicijnen en wat kunt u, naast het aanspreken van deze platforms, verder doen om dit tegen te gaan?
In hoeverre is het strafbaar om legale medicijnen illegaal te verhandelen via online platforms en welke handvaten zijn er om deze handel aan te pakken?
Heeft u zicht op de omvang van de online handel in designerdrugs?
Acht u de huidige wetgeving rondom de aanpak van designerdrugs toereikend genoeg om juist ook de online handel ervan tegen te gaan? Welke knelpunten zijn hierbij nog aan de orde?
Het NRC-artikel ‘Website voor extreme ‘drogeerporno’ draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Website voor extreme «drogeerporno» draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze normloze grensoverschrijdende video’s walgelijk zijn en dat alles in het werk moet worden gesteld om vrouwen en meisjes te beschermen en daders op te sporen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Ja, die mening deel ik. De online netwerken waarin seksueel misbruik wordt gefaciliteerd, aangemoedigd en verspreid zijn misselijkmakend. Het is volstrekt onacceptabel dat mensen elkaar zouden aanmoedigen om anderen, soms zelfs hun eigen partner, te drogeren en te misbruiken, en daar vervolgens beeldmateriaal van te maken en te verspreiden. Het kabinet tolereert dergelijk gedrag in Nederland niet. De politie en het Openbaar Ministerie (OM) doen onderzoek naar de website. Ik kan daar niet op vooruitlopen.
De aanpak van (online) seksueel misbruik heeft hoge prioriteit binnen de politie. De politie beschikt over gespecialiseerde zedenrechercheurs die zijn opgeleid om dergelijke signalen te herkennen en op een sensitieve manier in gesprek te gaan met slachtoffers van seksueel misbruik. Zij helpen bij het in kaart te brengen wat het slachtoffer is overkomen, geven een beeld van de strafbaarheid van de feiten en brengen de verwachtingen, vragen en behoeften van het slachtoffer in kaart. Deze zedenrechercheurs staan in nauw contact met organisaties als Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Centrum Seksueel Geweld en Offlimits en zullen slachtoffers verwijzen indien bijvoorbeeld behoefte is aan herstelvoorzieningen.
De strafrechtelijke aanpak van online criminaliteit is complex door snelle technologische ontwikkelingen en het vaak grensoverschrijdende karakter van deze zaken. Omdat online criminaliteit niet ophoudt bij de landsgrenzen zit aan deze zaken vaak een internationale component. Deze complexe en tijdrovende onderzoeken vergen veel capaciteit van zowel politie als OM, terwijl die capaciteit schaars is. Politie en OM spannen zich ten uiterste in om deze vormen van criminaliteit aan te pakken.
Een concreet voorbeeld van een opsporingsonderzoek werd bekend op 4 juni jl. Nadat informatie was binnengekomen van overheidsdiensten uit Duitsland en Engeland is een onderzoek gestart door het Team Seksuele Misdrijven en de Dienst Regionale Recherche van de eenheid Rotterdam. Uit informatie bleek dat mogelijk meerdere vrouwen in Nederland gedrogeerd waren door iemand uit hun directe omgeving. Vervolgens zijn er seksuele handelingen bij de slachtoffers verricht, terwijl zij werden gefilmd. Het gaat hier niet om de website Motherless, maar om besloten social media-groepen waar de verdachten zich in begaven, informatie werd gedeeld en tips werden gegeven over hoe je slachtoffers het beste kan drogeren. Ook werden er beelden van het misbruik uitgewisseld. Rechercheurs van de eenheid Rotterdam konden acht verdachten identificeren. Op woensdag 27 en donderdag 28 mei heeft de politie op meerdere plaatsen in Nederland woningen doorzocht en vier verdachten aangehouden. De rechercheurs van Team Seksuele Misdrijven uit verschillende eenheden doen nu verder onderzoek naar de verdachten binnen hun eenheid.
Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers. De impact van seksueel misbruik op slachtoffers en hun omgeving is enorm en kan langdurig doorwerken.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit dit artikel, zeker gelet op de rol van Nederlandse bedrijven die de verantwoordelijkheid van zich afschuiven in deze zaak?
Elke website heeft een plek nodig om die website te laten draaien: een server. Servers wordt verhuurd door hostingproviders. Het artikel beschrijft dat de website waarop het illegale materiaal is aangetroffen, «Motherless», wordt gehost door een Nederlandse hostingprovider.
Nederland beschikt over een van de sterkste digitale infrastructuren ter wereld, mede dankzij het internetknooppunt AMS-IX, snelle verbindingen en een groot aantal datacenters. Daardoor heeft de Nederlandse hostingsector internationaal een sterke positie opgebouwd. De voordelen hiervan zijn groot voor legale digitale dienstverlening en economische activiteiten. Het hosten van de website in Nederland betekent overigens niet automatisch dat de personen die het materiaal bekijken of verspreiden zich in Nederland bevinden. Gebruikers en verspreiders kunnen zich overal ter wereld bevinden.
De keerzijde van onze sterke digitale infrastructuur, is dat deze helaas ook kan worden misbruikt voor criminele doeleinden, waaronder de verspreiding van illegale content, zoals materiaal van seksueel misbruik. Om deze reden heeft Nederland de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in een stevige infrastructuur voor meldingen, ondersteuning en bestrijding van online seksueel misbruik. Zo spelen organisaties als Offlimits en de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) een belangrijke rol bij het melden, laten verwijderen en tegengaan van illegaal online materiaal en het ondersteunen van slachtoffers.
Het kabinet acht het van groot belang om malafide hostingpraktijken en kwaadwillende klanten van hostingaanbieders effectief aan te pakken. Omdat digitale infrastructuur en online criminaliteit grensoverschrijdend zijn, is samenwerking op Europees en internationaal niveau daarbij essentieel. Mijn ministerie zet zich hier actief voor in. In het kader van de aanpak van zogenoemde «bad hosting» worden gesprekken gevoerd om de urgentie van een gezamenlijke Europese aanpak verder te vergroten. Daarnaast is in het recente non-paper over het Europese Tech Sovereignty Package aandacht gevraagd om misbruik van digitale infrastructuurdiensten tegen te gaan.
Bovendien werken de politie, het OM en verschillende publieke en private partners al jaren samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede helft van 2025 is de aanpak tegen bad hosting ook een speerpunt geworden van het European Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten brede bestrijding van schadelijke hosting.
Ten aanzien van de Digital Service Act (DSA) werkt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) vanuit haar rol als digitaledienstencoördinator (DSC) waar nodig samen met de Europese Commissie en de DSCs in andere lidstaten. Gezamenlijk vormen zij de Europese Raad voor digitale diensten. Verder zet de ACM als DSC zich in voor nationale samenwerking over toezichtsterreinen heen. Onder haar voorzitterschap is het Samenwerkingsplatform Digitale Toezichthouders (SDT) opgericht, waaraan twaalf organisaties deelnemen, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), het Openbaar Ministerie en de politie. Binnen het SDT is een DSA Kamer ingericht met als doel kennis en ervaring over toezicht en handhaving ten aanzien van online tussenhandelsdiensten te bundelen en uit te wisselen. Dit draagt bij aan versterking van verschillende vormen van handhaving, zoals bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. Wanneer tussenhandeldiensten niet goed meewerken met autoriteiten die illegale inhoud bestrijden of onvoldoende bereikbaar zijn, overtreden zij daar mogelijk de DSA mee. De DSA bepaalt echter niet welke inhoud illegaal is. De ACM kan dan ook geen verwijdering van illegale inhoud vorderen. Bevoegde autoriteiten, zoals het Openbaar Ministerie en de ATKM, kunnen dat wel. De DSA draagt indirect wel bij aan het tegengaan van illegale inhoud. Diverse verplichtingen die gelden voor tussenhandeldiensten maken het voor autoriteiten, betrouwbare flaggers (zoals Offlimits), en personen namelijk makkelijker om illegale inhoud te melden en tegen te gaan.
Deelt u de beoordeling dat het vervaardigen, verspreiden en bekijken van dergelijk beeldmateriaal kan vallen onder meerdere strafbare feiten, waaronder verkrachting, aanranding en het vervaardigen en verspreiden van strafbaar pornografisch materiaal? Zo ja, wat betekent dat voor alle betrokken bij NForce, motherless.com, vervaardigers, verspreiders en gebruikers?
Ik deel de beoordeling. Afhankelijk van de specifieke gedragingen en de context waarin deze zijn begaan, en of sprake is van een meerderjarig of minderjarig persoon waarvan het materiaal is gemaakt, kan sprake zijn van verschillende strafbare feiten, waaronder aanranding (240, 241, 245, 247, 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)), verkrachting (242, 243, 246, 248 en 250 Sr), misbruik van seksueel beeldmateriaal (254ba Sr) en seksueel kindermisbruik (252 Sr).
Zoals bij vraag 2 geantwoord, doen de politie en het OM onderzoek naar de website. Ik kan daar niet op vooruitlopen. Zie het antwoord bij vraag 8 over mogelijkheden tot aanpak in algemene zin.
Deelt u de opvatting dat het vervaardigen van deze beelden de lichamelijke en geestelijke integriteit van vrouwen en meisjes ernstig aantast? Zo ja, welke hulp is er voor deze vrouwen beschikbaar en hoe beschermd u hen in het vervolg? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die opvatting. Mocht iemand vermoeden slachtoffer te zijn van een soortgelijke situatie, dan kan diegene zich melden bij de politie. De politie zal dan in gesprek met het slachtoffer beoordelen wat zij voor het slachtoffer kan betekenen.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun, praktische hulp en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Centrum Seksueel Geweld, Fier, Offlimits en Fonds Slachtofferhulp vormen samen een consortium tegen online seksueel geweld. Dit consortium is opgericht in 2021 en heeft als doel online seksueel geweld te adresseren, te bestrijden en slachtoffers sneller en beter te kunnen helpen. Zo kunnen slachtoffers van (online) seksueel geweld bij het CSG terecht voor forensische, medische en psychische hulp. Fier is een ggz- en jeugdhulpinstelling en landelijk expert op het gebied van (seksueel) geweld, uitbuiting en eerkwesties. Offlimits biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik. Offlimits kan bijvoorbeeld helpen met het laten verwijderen van online illegaal materiaal.
De hulplijn van Offlimits heeft weinig meldingen ontvangen die specifiek betrekking hebben op deze netwerken. Offlimits merkt daarbij op dat het mogelijk is dat slachtoffers zich er niet altijd van bewust zijn dat zij slachtoffer zijn geworden, bijvoorbeeld wanneer zij buiten bewustzijn waren doordat zij waren gedrogeerd op het moment dat opnames werden gemaakt.
Bij het meldpunt van Offlimits – specifiek voor beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik – bestond een aanzienlijk deel van de meldingen over Motherless uit beeldmateriaal dat wordt gemeld, maar juridisch gezien niet direct als illegaal wordt gekwalificeerd, omdat het niet gaat om beeldmateriaal van seksueel kindermisbuik maar om seksueel beeldmateriaal van volwassenen, dat alleen illegaal is indien het zonder toestemming is gemaakt en verspreid.
Op grond van artikel 44 lid 4 van de Wet op rechtsbijstand heeft een slachtoffer van een ernstig seksueel misdrijf, zoals verkrachting, recht op kosteloze rechtsbijstand door een slachtofferadvocaat, indien het slachtoffer in aanmerking komt voor een tegemoetkoming van het Schadefonds geweldsmisdrijven en er een verdachte is.
In hoeverre is het bij u bekend dat Nederlandse mensen en/of bedrijven betrokken zouden zijn bij het uploaden dan wel verspreiden van dit beeldmateriaal, en wat betekent dit voor de opsporingsprioriteit?
De politie geeft aan bekend te zijn met het fenomeen van online «verkrachtingsacademies». De politie geeft daarbij aan meldingen te hebben ontvangen over beeldmateriaal waarbij het vermoeden is dat het slachtoffer is gedrogeerd en seksueel misbruikt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 2 heeft de politie op woensdag 27 en donderdag 28 mei op meerdere plaatsen in Nederland woningen doorzocht en vier verdachten aangehouden. Op dit moment is nog niet duidelijk hoeveel slachtoffers er zijn. Daarvoor is aanvullend onderzoek nodig. Het OM voert het gezag over het strafrechtelijk onderzoek en maakt daarbij een afweging over de inzet van capaciteit en de prioriteit die aan het onderzoek wordt gegeven.
De politie benadrukt dat als mensen vermoeden dat zij slachtoffer zijn van dergelijke zaken, zij zich kunnen melden bij de politie. De politie zal in gesprek gaan met deze (vermoedelijke) slachtoffers om te kijken wat zij in de betreffende situatie het beste kunnen doen en betekenen voor het slachtoffer.
Ook internationaal (o.a. in Europol-verband en bilateraal) werkt de politie samen voor het uitwisselen van ervaring, kennis en expertise op dit gebied, en wordt gezamenlijk opgetrokken in strafrechtelijk onderzoeken.
Deelt u de mening dat Nederland er wereldwijd slecht op staat als het gaat om de verspreiding van pornografisch materiaal? Zo ja, welke doelstelling heeft u om dit te veranderen?
Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3, betekent het enkele feit dat bepaalde websites met kinderpornografisch materiaal in Nederland worden gehost, niet dat Nederland ook relatief veel vervaardigers of verspreiders van dergelijk materiaal kent. Hostinglocatie en daderschap zijn twee verschillende zaken; vervaardigers en uploaders kunnen zich wereldwijd bevinden.
Ik ben trots op de aanpak die in Nederland is ingericht om online seksueel misbruik en de verspreiding van illegaal materiaal tegen te gaan. Er staat een brede en goed functionerende keten, waarin onder meer Offlimits, de ATKM, de ACM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de politie en het OM nauw samenwerken, samen met de hostingsector in publiek-private samenwerking. Deze keten zorgt ervoor dat meldingen worden opgepakt, materiaal waar mogelijk snel wordt verwijderd en strafrechtelijk wordt opgetreden waar dat kan.
Tegelijkertijd is het van belang dat de beschikbaarheid van illegaal materiaal, via in Nederland gehoste infrastructuur, wordt tegengegaan. Dat vraagt voortdurende inzet, zie in dat kader onder andere ook het antwoord op vraag 12 met betrekking tot hostingdiensten.
Relevant in dit verband is dat de DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. De DSA zal in november 2027 door de Europese Commissie worden geëvalueerd, wat kan resulteren in een herziening. Dat biedt een belangrijk moment om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten wenselijk en nodig zijn, en of een onderwerp zoals een «know your customer» verplichting voor hostingdiensten, daarin kan worden meegenomen. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat servers in Nederland worden gebruikt voor het hosten van websites waarop strafbaar materiaal wordt verspreid en welke wettelijke instrumenten bestaan er om hostingproviders te verplichten deze content te verwijderen of servers offline te halen?
Op grond van de DSA gelden diverse zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten. Deze verplichtingen beogen onder meer de verspreiding van illegale content tegen te gaan. Hostingdiensten en online platforms dienen meldingen van illegale content adequaat te behandelen en hierover tijdig een beslissing te nemen. Indien sprake is van systematische niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van het toezicht op de naleving van de DSA geldt dat de Europese Commissie de bevoegde toezichthouder is voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de ACM aangewezen als bevoegde nationale toezichthouder.
Wanneer iemand aangifte of melding doet van strafbare online content, dan kunnen het Openbaar Ministerie en politie een verzoek tot vrijwillige verwijdering doen, omdat dit het snelst resultaat biedt. De politie kan dit verzoek alleen doen als bekend is wie de aanbieder is van de content en waar die aanbieder is gevestigd. Als dit niet het gewenste effect heeft, kan de Officier van Justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken. Een wettelijk verwijderbevel kan nodig zijn als de aanbieder niet bereid is om op basis van een vrijwillig verwijderverzoek de gegevens ontoegankelijk te maken.
Voor zover de genoemde platforms kunnen worden gekwalificeerd als aanbieder van communicatiediensten, en indien beheerders en gebruikers als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek zijn aangemerkt, kunnen opsporingsdiensten onder voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen2. Als de identiteit van betrokkenen kan worden vastgesteld, kan strafrechtelijke vervolging volgen. Daders weten in de praktijk echter goed gebruik te maken van anonimiserings-technieken, waardoor veel rechtshulp nodig is om gegevens op te vragen. Dit bemoeilijkt het onderzoek.
Indien er sprake is van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, heeft de Officier van Justitie ook de mogelijkheid een doorzoeking te doen en gegevens in beslag nemen.
Welke bevoegdheden heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) en worden die als voldoende beoordeeld?
De ATKM werd in 2023 opgericht en bestrijdt de verspreiding van beeldmateriaal van kindermisbruik door actief onderzoek te doen en online content te beoordelen. Dit doet zij op basis van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, die de bevoegdheid geeft om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken. Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
De AP is aangewezen als de toezichthoudende autoriteit op de toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). De AP is een onafhankelijke toezichthouder die per geval – uit eigen beweging of op verzoek – beoordeelt of wordt voldaan aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). Om dat te kunnen doen, heeft de AP diverse onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving en in het kader daarvan audits uitvoeren en gegevensverwerkingen inzien. Wanneer de AP een overtreding constateert, zoals in het geval van niet-consensuele uitkleedbeelden, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzetten van gegevensverwerkingen. Het is de AP zelf die bepaalt of zij tot handhaving overgaat en zo ja, in welke vorm dat gebeurt. Belanghebbenden kunnen hier ook om vragen door middel van een handhavingsverzoek, waarin de AP wordt verzocht om van haar bevoegdheden gebruik te maken.
Deelt u de opvatting dat individuele gebruikers die strafbare content plaatsen moeten worden opgespoord en vervolgd?
Ja die opvatting deel ik. Individuele gebruikers die naaktbeelden die zonder toestemming zijn gemaakt of beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik plaatsen zijn strafbaar op grond van respectievelijk de artikelen 254ba en 252 Sr en dienen te worden opgespoord en vervolgd. Wel verdient het hierbij de opmerking dat opsporingscapaciteit bij politie en OM per definitie schaars is en dat soms de afweging gemaakt moet worden wat wel en niet verder onderzocht kan worden.
In hoeverre beschikken politie en Openbaar Ministerie over voldoende capaciteit, technische expertise en juridische mogelijkheden om deze vormen van online seksueel geweld effectief op te sporen en te vervolgen? Kunt u dit cijfermatig onderbouwen?
De Wet seksuele misdrijven, die op 1 juli 2024 in werking is getreden, gaat uit van het uitgangspunt dat online en offline handelingen even strafwaardig zijn. Hierdoor zijn meer vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, ook online, strafbaar gesteld en zijn straffen, onder andere voor seksueel misbruik van kinderen, verhoogd. Met deze verhoging van de strafmaxima wordt de ernst van deze vormen van misbruik benadrukt.
Binnen de politie zijn de teams opsporing seksuele misdrijven belast met de opsporing van seksuele misdrijven, zowel in de offline wereld als online. Op 31 december 2025 was de formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen zedenteams) 708fte en de bezetting was op dat moment 669 fte.
Een melding of aangifte komt in de meeste gevallen in eerste instantie binnen bij de gebiedsgebonden politie. De interne werkinstructie seksuele delicten3 schrijft voor dat alle meldingen van (online) seksuele misdrijven voor advies dienen worden voorgelegd aan de frontoffices van de teams opsporing seksuele misdrijven. De frontoffice beoordeelt de melding vervolgens, waarbij gekeken wordt naar spoedhandelingen, slachtofferbehoeften en passende interventies. In bepaalde situaties kan de inzet van een gespecialiseerde zedenrechercheur noodzakelijk of wenselijk zijn, terwijl in andere situaties een wijkagent bijvoorbeeld sneller en effectiever kan handelen. Daar waar het een minderjarig slachtoffer betreft, of in gevallen waar er bijvoorbeeld sprake is van dwang of een meer dan gering leeftijdsverschil tussen dader en slachtoffer, ligt de opsporing altijd bij de teams opsporing seksuele misdrijven.
De opsporing van online seksuele misdrijven heeft de volle aandacht van de politie. Door digitalisering, groeiend gebruik van online communicatiemiddelen en technologische ontwikkelingen (waaronder AI en end-to-end-encryptie) heeft de politie te maken met een enorme stijging van het aantal meldingen en is ook de complexiteit van zaken enorm toegenomen. Het aantal online seksuele misdrijven in 2025 met 46% gestegen is ten opzichte van het voorgaande jaar, naar ongeveer 3000 registraties. Ook benadrukt de politie dat online seksuele misdrijven een andere manier van opsporen vragen dan fysieke seksuele misdrijven, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal geen verdachte bekend is en er vaak meerdere slachtoffers gemaakt worden. Omdat bewijsverzameling vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten. Daarnaast kan de inzet van (nieuwe) technologische middelen helpen bij het in kaart brengen van eventuele seriematigheid in de meldingen. Daders die meerdere slachtoffers maken zullen hierdoor eerder in beeld komen en ook nieuwe fenomenen kunnen sneller worden herkent.
Anders dan bij kinderporno zijn de juridische mogelijkheden voor opsporing van verdachten in dit soort zaken zonder dat een (volwassen) slachtoffer zich heeft gemeld of bekend is, zeer beperkt. Op basis van alleen het materiaal zelf is vaak moeilijk vast te stellen of die beelden onrechtmatig tot stand zijn gekomen.
De politie en het OM hebben in het kader van het «Actieplan versterken ketenaanpak zedenzaken» extra geld gekregen om, waar mogelijk, de capaciteit voor de behandeling van zedenzaken binnen de organisatie uit te breiden. Ook wordt gewerkt aan het verkorten van de doorlooptijden en het verbeteren en verder professionaliseren van de aanpak van zedenzaken. Het OM hanteert bij de behandeling van deze dossiers het bestaande wettelijk kader. Op elk arrondissementsparket is een coördinerend officier seksuele misdrijven aangesteld en zijn alle officieren van justitie, die belast zijn met de behandeling van zaken met betrekking tot seksuele misdrijven, gecertificeerd.
De ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden, zal in de uitwerking dan ook een bredere invulling krijgen. Er wordt een impuls gegeven aan de aanpak van online seksuele misdrijven om te komen tot een meer multidisciplinaire aanpak, met verschillende specialismen (o.a. digitale en tactische expertise, en op het gebied van zeden), meer datagedreven en intel-gestuurd en met behulp van analysetools. In de beleidsbrief van het Ministerie van JenV over de nadere uitwerking van het coalitieakkoord4 is de Kamer geïnformeerd over de investeringen in de aanpak van onder meer online seksueel misbruik. Bij de presentatie van de JenV-ontwerpbegroting (Prinsjesdag) zal ik de Kamer informeren over hoe de middelen voor de politie precies worden besteed.
Welke rol ziet u voor hostingbedrijven en datacenters bij het voorkomen van misbruik van hun diensten voor de verspreiding van strafbaar materiaal en welke consequenties ervaren zij bij het verspreiden van deze mensonwaardige troep?
Voor zover het hier gaat om online diensten die kwalificeren als hostingdiensten onder de DSA zijn deze in beginsel niet verantwoordelijk voor hetgeen door gebruikers op hun servers wordt geplaatst. Dat zijn in eerste instantie hun gebruikers of klanten zelf. De DSA bevat enerzijds een kader voor (de uitsluiting van) de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten, voor informatie die door hun gebruikers wordt verstrekt en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze aanbieders aan moeten voldoen bij het verlenen van hun diensten. Het aansprakelijkheidskader voor tussenhandeldiensten harmoniseert binnen de Europese Unie de voorwaarden op grond waarvan deze aanbieders niet aansprakelijk zijn voor informatie van derden die zij opslaan of doorgeven. Om een beroep te kunnen doen op de aansprakelijkheidsvrijstelling voor hostingdiensten mag de aanbieder bijvoorbeeld niet daadwerkelijk kennis hebben van illegale inhoud die zijn klanten bij hem opslaan en moet hij, wanneer hij die kennis wel krijgt, prompt handelen om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Indien een hostingdienst hier niet aan voldoet, kan deze zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling.
Indien een strafbaar feit wordt begaan met gebruikmaking van een communicatiedienst, is strafrechtelijke vervolging van de tussenpersoon als zodanig uitgesloten indien hij voldoet aan een bevel tot ontoegankelijkmaking als bedoeld in artikel 125p Sv of een beslissing tot verwijdering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Verordening terroristische online-inhoud of een bevel tot ontoegankelijkmaking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Voldoet een tussenpersoon hier niet aan dan is aansprakelijkheid niet uitgesloten en kan vervolging mogelijk zijn.
In Nederland nemen veel hostingdiensten uit eigen beweging maatregelen om misbruik tegen te gaan op basis van de Gedragscode Abusebestrijding.5 Deze is enkele jaren geleden door de sector zelf opgesteld. Het zogeheten «Know your customer beleid» maakt onderdeel uit van de deze gedragscode. Hostingdiensten kunnen zich vrijwillig aan de code committeren.
De Kamer is eerder geïnformeerd over de aanpak van malafide hostingpartijen.6 Binnen deze aanpak worden verschillende maatregelen tegen aanbieders, die geen of weinig maatregelen nemen tegen het faciliteren van malafide activiteiten in de online omgeving, verkend. Als onderdeel hiervan wordt er onder andere gekeken naar de mogelijkheid om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid) voor de hostingsector wettelijk te verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten klanten van hostingpartijen sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten. De Kamer wordt hierover later dit jaar nader geïnformeerd.
Hoe wordt voorkomen dat slachtoffers opnieuw worden geschaad, bijvoorbeeld doordat beelden langdurig online blijven staan of telkens opnieuw worden gedeeld?
Er wordt in Nederland ingezet op het zo snel mogelijk verwijderen van online illegale content, zoals materiaal van seksueel kindermisbruik en naaktbeelden zonder toestemming, om hernieuwde schade bij slachtoffers te voorkomen. Daarbij is een duidelijke taakverdeling ingericht tussen Offlimits en de ATKM.
Offlimits doet, vanuit haar rol als trusted flagger, verwijderverzoeken richting aanbieders van hostingdiensten. In Nederland is via de Gedragscode Notice-and-Take-Down met de hostingsector afgesproken dat meldingen van Offlimits in principe binnen 24 uur worden behandeld. In de praktijk werken vrijwel alle hostingpartijen hier goed aan mee en wordt illegaal materiaal snel offline gehaald. Hoewel die 24-uursnorm met name bij kleinere partijen niet altijd volledig wordt gehaald, is de respons over het algemeen adequaat en wordt illegaal materiaal doorgaans snel verwijderd. Wanneer een hostingpartij structureel niet of onvoldoende reageert, kan de ATKM, in het geval van materiaal van seksueel kindermisbruik, bestuursrechtelijk optreden tegen deze partijen en een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen.
Sinds 7 april 2025 kan de ATKM formele verwijderbevelen uitvaardigen. Op grond van artikel 6, vierde lid, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet in zo’n bevel een concrete termijn worden opgenomen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt maximaal twaalf uur. Dit maakt het mogelijk om in hardnekkige gevallen snel en bindend in te grijpen.
Daarnaast geldt op grond van artikel 15 van de DSA dat aanbieders van online diensten jaarlijks transparantierapporten moeten publiceren over hun contentmoderatie. Daarin wordt onder meer inzicht gegeven in de mediane reactietijd op bevelen van autoriteiten en meldingen van trusted flaggers, waardoor de effectiviteit van de aanpak ook op systeemniveau inzichtelijk wordt gemaakt.
Bent u bereid aanvullende maatregelen te verkennen, zoals verscherpt toezicht op hosting van risicovolle content, snellere blokkadebevoegdheden of zwaardere sancties voor nalatige dienstverleners?
Zie hiertoe mijn antwoorden op vragen 7 en 12.
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat over mensenhandel en prostitutie op 20 mei 2026 informeren over eventuele vervolgstappen die u naar aanleiding van deze signalen overweegt?
Dit is helaas niet gelukt.
Effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Vindt u het zelf niet onthutsend dat u op meerdere volstrekt basale vragen over de politieorganisatie geen enkel concreet inzicht kunt geven?
Sinds wanneer is bij het ministerie bekend dat deze informatie ontbreekt?
Acht u dit niveau van informatievoorziening passend bij een organisatie met een begroting van ruim zes miljard euro?
Op basis waarvan maakt u beleidskeuzes of bezuinigingsafwegingen als deze cijfers ontbreken?
Hoe kan worden vastgesteld of beleid effectief is wanneer de onderliggende data niet beschikbaar is?
Kunt u garanderen dat er geen verspilling van publiek geld plaatsvindt op onderdelen waar nauwelijks inzicht in bestaat?
Welke andere onderdelen binnen de politieorganisatie kennen vergelijkbare «blinde vlekken» in de informatievoorziening?
Hoeveel geld en welk percentage van de totale politiebegroting wordt momenteel uitgegeven aan beleid of programma’s waarvan de exacte kosten niet inzichtelijk zijn?
Klopt het dat binnen de interne telefoongids en personeelsregistraties van de politie eenvoudig gezocht en gefilterd kan worden op tijdelijke functies, ingehuurd personeel, functiecategorieën en functieschaalniveaus? Zo ja, waarom heeft u de Kamer dan meegedeeld dat een uitsplitsing van extern ingehuurd personeel naar functiecategorieën of werkzaamheden «niet beschikbaar» zou zijn?
Waarom is er geen overzicht van externe bureaus en de bedragen die hiermee gemoeid zijn, terwijl het om aanzienlijke publieke uitgaven gaat?
Hoe controleert u op doelmatigheid en afhankelijkheid van externe partijen zonder gedetailleerd inzicht in inhuurstromen?
Herkent u het signaal dat de centralisering van de bedrijfsvoering sinds de reorganisatie van 2015 heeft geleid tot langere doorlooptijden bij reparaties en onderhoud van politievoertuigen, waardoor voertuigen vaker langdurig niet inzetbaar zijn? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u gehad voor de operationele inzetbaarheid van basisteams?
Hoe weet u dat het vervoer van arrestanten geen onevenredig beslag legt op politie-inzet als die uren niet worden geregistreerd?
Hoeveel politiecapaciteit gaat jaarlijks verloren aan het vervoeren van arrestanten naar cellencomplexen buiten het eigen district of de eigen eenheid wegens beperkte beschikbare celcapaciteit, en waarom wordt deze capaciteitsinzet niet structureel geregistreerd?
Hoe kan de politie gericht beleid voeren op mentale weerbaarheid, uitval en Posttraumatische stressstoornis (PTSS) als de aard en omvang van psychische problematiek niet inzichtelijk zijn?
Welke alternatieve indicatoren gebruikt u momenteel om de ontwikkeling van PTSS en psychische problematiek binnen de politie te monitoren?
Hoe kunt u stellen dat politiemedewerkers die dat nodig hebben beschikken over gehoorbescherming, terwijl signalen uit de praktijk erop wijzen dat diverse specialistische eenheden nog altijd werken met middelen waarvan de gehoorbeschermende werking volgens betrokkenen onvoldoende is en agenten daardoor onnodig risico lopen op blijvende gehoorschade? Bent u bereid dit uit te zoeken?
Hoeveel politiecapaciteit en publieke middelen zijn de afgelopen vijf jaar besteed aan externe diversiteits-, cultuur- en bewustwordingsprojecten binnen het programma «Politie voor Iedereen», inclusief ingehuurde theatergroepen, consultants en trainers? Graag een helder overzicht.
Hoe groot is het budget dat eenheden en diensten krijgen voor het realiseren van wervingsactiviteiten die effect hebben op de arbeidsmarkt precies en waaraan wordt dit besteed?
Bent u bereid alsnog een inventarisatie uit te voeren naar de volgende ontbrekende aspecten:
Het artikel 'VIDEO - ‘Jodenjager Ajax-Maccabi’ webcamt vanuit gevangenis: ‘We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg’' |
|
Maikel Boon (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Jodenjager Ajax-Maccabi» webcamt vanuit gevangenis: «We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg»»1?
Ja.
Klopt het dat de man die in de video te zien is betrokken was bij de Jodenjacht rond Ajax – Maccabi Tel Aviv in Amsterdam op 7 november 2024?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek en de identiteit van personen.
Klopt het dat deze persoon ten tijde van het videogesprek in detentie verbleef, zoals hij zelf beweert in de video? Zo ja, welke concrete maatregelen en sancties zijn tegen deze persoon getroffen?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft naar aanleiding van de video de beelden nader bestudeerd. Op basis van de beelden is het zeer onwaarschijnlijk dat de video afkomstig is uit een Nederlandse penitentiaire inrichting (PI). In zijn algemeenheid kan ik aangeven dat indien er een telefoon (of andere contrabande) wordt aangetroffen in een Nederlandse PI – die herleidbaar is tot een gedetineerde – de vestigingsdirecteur beslist welke disciplinaire straf wordt opgelegd. Er kan dan sprake zijn van plaatsing in een strafcel, het beperken van bezoekrechten, uitsluiting van deelname aan activiteiten en het intrekken van verloven. In regimes waar het Toetsingskader promoveren en degraderen geldt, kan de gedetineerde gedegradeerd worden naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd.
Indien deze persoon daadwerkelijk gedetineerd was: hoe is het mogelijk dat hij vanuit detentie toegang had tot een webcam- of chatplatform en van daaruit antisemitische uitingen kon verspreiden?
Zie het antwoord op vraag 3. Op basis van de beelden stelt DJI dat de beelden niet in een Nederlandse penitentiaire inrichting zijn opgenomen.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat iemand die betrokken was bij antisemitisch geweld vanuit detentie opnieuw antisemitische haat kan verspreiden?
Ja, het verspreiden van antisemitische of andere discriminerende opmerkingen, al helemaal vanuit detentie, is uit den boze.
Hoe kan het dat iemand die openlijk oproept tot Jodenhaat, trots zegt op Joden te hebben «gejaagd» en vanuit detentie opnieuw antisemitische propaganda verspreidt, überhaupt in aanmerking komt voor fasering, verlof of andere vrijheden?
Zoals in de beantwoording van vraag 3 is aangegeven, acht DJI het zeer onwaarschijnlijk dat de video afkomstig is uit een Nederlandse penitentiaire inrichting. Ik kan in algemene zin wel aangeven hoe wordt omgegaan met detentiefasering: het geleidelijk verlenen van meer externe vrijheden om zo te werken aan terugkeer in de samenleving. Hierbij kan gedacht worden aan verlof. DJI besluit omtrent het verlenen van verlof op basis van adviezen van de politie, het openbaar ministerie en de reclassering. Daarnaast kan er gedacht worden aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Hiertoe beslist het Openbaar Ministerie op basis van onder meer adviezen van de directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering, informatie van slachtoffers en andere relevante personen en eventuele informatie van het CJIB). In algemene zin wordt bij beslissingen over vrijheden onder meer het gedrag tijdens detentie betrokken als een van de criteria op basis waarvan een besluit wordt genomen. Dat geldt ook voor eventuele risico’s die worden gezien bij een mogelijke terugkeer in de samenleving. Zo wordt er gekeken naar het recidiverisico en het risico op verstoring van de openbare orde en veiligheid als de vrijheden worden verleend. Daarnaast worden ook de belangen van slachtoffers en nabestaanden meegewogen. Indien bijvoorbeeld risico’s bij terugkeer, met name ten aanzien van slachtoffers of andere beschermingsbehoeftige personen, niet voldoende kunnen worden beperkt en beheerst – ook niet met bijzondere voorwaarden zoals contact- of locatieverboden – wordt afgezien van het verlenen van vrijheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat veroordeelde daders van antisemitisch geweld die vanuit detentie opnieuw antisemitische haat verspreiden of openlijk aanhangen, niet in aanmerking komen voor versoepeling van hun detentie, fasering, verlof of voorwaardelijke invrijheidstelling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.