De aanhouding in Rotterdam |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten wat er op dit moment feitelijk bekend is over de aanleiding voor de achtervolging, de aanhouding, het toegepaste geweld en het moment waarop de man onwel werd (gemaakt), alsook hoe daarna gehandeld is?
Welke handelingskaders hebben politieagenten wanneer een aangehouden persoon tijdens een fysieke aanhouding aangeeft hulp nodig te hebben of mogelijk in medische nood verkeert?
Binnen welke termijn verwacht u dat het onderzoek van de Rijksrecherche naar het overlijden kan worden afgerond en bent u, mede gezien het grote maatschappelijke belang en het feit dat dergelijke onderzoeken in eerdere zaken soms één tot anderhalf jaar duurden, bereid zich ervoor in te zetten dat dit onderzoek zo spoedig mogelijk en waar mogelijk binnen zes maanden wordt afgerond, met behoud van de noodzakelijke onafhankelijkheid en zorgvuldigheid?
Kunt u bevestigen dat bij onderzoek altijd wordt betrokken of het verlenen en inschakelen van medische hulp tijdig heeft plaatsgevonden of dat eerder ingrijpen mogelijk en noodzakelijk was geweest?
Wordt in het Rijksrechercheonderzoek expliciet onderzocht of het toegepaste politiegeweld heeft bijgedragen aan het onwel worden en overlijden van de man, en welke protocollen gelden voor het met meerdere agenten tegen de grond brengen en onder controle houden van een persoon?
Kunt u bevestigen dat de bodycambeelden van alle bij de achtervolging en aanhouding betrokken politieagenten zijn veiliggesteld en volledig worden betrokken bij het verdere onderzoek?
Deelt u de opvatting dat wanneer politiegeweld is toegepast uiterste zorgvuldigheid noodzakelijk is in de eerste publieke communicatie, juist omdat op dat moment nog niet vaststaat welke relatie er bestaat tussen het toegepaste geweld en het overlijden?
Bent u bereid de Kamer zo spoedig mogelijk na afronding van het onderzoek te informeren over de bevindingen en mogelijke lessen voor politie-instructies en -training?
Bent u bekend met de artikelen «Corendon en TUI bieden aan met huidige regeringstoestel te blijven vliegen: «Scheelt belastingbetaler zeker 100 miljoen»» en «Tóch peperduur nieuw regeringstoestel na afwijzen aanbod Corendon en TUI: «Voldoen niet aan specifieke eisen»»?1 2
Klopt het dat het huidige regeringsvliegtuig slechts zeven jaar oud is en nog ongeveer twintig jaar in gebruik zou blijven, als KLM geen overstap op Airbus zou maken?
Klopt het dat de aanschaf van een nieuw regeringstoestel van Airbus minimaal 100 miljoen gaat kosten? Wat zijn de totale te verwachten kosten van de overstap inclusief uitfasering en verkoop van het huidige regeringstoestel?
Klopt het dat luchtvaartmaatschappijen als TUI en Corendon, die wel met de Boeing 737 blijven vliegen, aan alle eisen en regelgeving van de ILT en EASA voldoen? Zo ja, klopt het dat de keuze om ondanks de kosten met KLM te blijven vliegen is gemaakt vanwege vertrouwelijke «aangescherpte eisen aan de operatie van het regeringsvliegtuig zelf, waaronder specifieke security- en operationele eisen»?
Bent u bereid om alsnog met Corendon en TUI in gesprek te gaan, al dan niet in vertrouwelijke setting, om te onderzoeken wat er mogelijk is om aan deze aangescherpte eisen te voldoen in het geval dat een van deze luchtvaartmaatschappijen het vliegen met het huidige regeringstoestel zou overnemen van KLM? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de Kamer, al dan niet in vertrouwelijke setting, te informeren over de «aangescherpte eisen aan de operatie van het regeringsvliegtuig zelf, waaronder specifieke security- en operationele eisen» en wat dit betekent voor luchtvaartmaatschappijen die het uitvoeren van de vluchten van het regeringstoestel zouden willen aanbieden?
Het bericht ‘Terrorjeugd hangt bewoners Pittelo de keel uit: 'Ze plasten over mijn zoon heen'' |
|
Annelotte Lammers (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Terrorjeugd hangt bewoners Pittelo de keel uit: «Ze plasten over mijn zoon heen»» van 11 september 2026?1
Klopt het dat er bij de politie inmiddels meer dan honderd meldingen zijn gedaan door één gezin alleen al? Hoeveel meldingen van overlast, bedreiging, vernieling of geweld door jongeren zijn de afgelopen twaalf maanden in totaal geregistreerd voor de wijk Pittelo en hoe verhoudt zich dat tot voorgaande jaren? Hoe kan het dat deze overlast, ondanks een reeks meldingen die al vijf jaar loopt, nog altijd voortduurt?
Hoe beschouwt u in het licht van deze berichtgeving de effectiviteit van het toevoegen van meer boa-capaciteit, zoals in Assen begin dit jaar is gedaan?2
Bent u bereid zich er maximaal voor in te zetten dat de politie in Assen, maar ook in andere probleemwijken en -steden, strikter en steviger handhaaft tegen jongeren die zich schuldig maken aan overlast, intimidatie, vernielingen en geweld en dat notoire overlastgevers sneller worden aangehouden en strafrechtelijk worden aangepakt? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat dezelfde overlastgevers telkens opnieuw voor overlast, intimidatie en geweld kunnen zorgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat mede uit het voorbeeld van dit nieuwsartikel (wederom) blijkt dat Nederland kampt met een gezagscrisis en de politie effectief niet meer de baas is op straat? Zo ja, waar komt dat precies door? Zo nee, waarom niet?
Herkent u het beeld dat bewoners van Pittelo schetsen, waarbij het bij meldingen soms drie kwartier of langer duurt voordat de politie arriveert en overlastgevers dan allang zijn verdwenen, en wat doet dat volgens u met het gedrag van jongeren die weten dat ze weinig te vrezen hebben?
Bent u van mening dat het tekortschieten van de diensten in deze ook te wijten is aan de verkeerde prioritering van politietaken, zoals besproken in het recente rapport van de Algemene Rekenkamer? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel jongeren staan momenteel landelijk geregistreerd als notoire, herhaaldelijke overlastgevers of veelplegers onder de achttien jaar en is er zicht op de effectiviteit van de maatregelen die tegen hen en hun ouders worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
De bedreiging en intimidatie van familierechtadvocaten |
|
Fatihya Abdi (GroenLinks-PvdA), Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 dat familierechtadvocaten steeds vaker worden bedreigd en geïntimideerd? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Hoeveel meldingen van bedreiging en intimidatie van advocaten zijn er de afgelopen vijf jaar jaarlijks gedaan, en hoeveel daarvan betroffen familierechtadvocaten?
Hoeveel van deze meldingen over de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot resp. aangifte, strafrechtelijk onderzoek en vervolging?
Worden bedreigingen van advocaten vanwege hun beroepsuitoefening volgens het kabinet voldoende serieus en met voldoende urgentie opgepakt? Zo nee, waarom niet?
Waar kunnen advocaten die worden bedreigd laagdrempelig melden en welke ondersteuning krijgen zij vervolgens? Vindt u deze handelwijze afdoende?
Welke concrete acties zijn de afgelopen jaren ondernomen om bedreiging en intimidatie van advocaten tegen te gaan, en wat zijn daarvan de resultaten?
Deelt u de mening dat het risico bestaat dat deze bedreigingen ertoe leiden dat advocaten bepaalde zaken, bijvoorbeeld rond huiselijk geweld en complexe scheidingen, niet meer willen aannemen? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt bij bedreigde advocaten de dreiging beoordeeld en wanneer komen maatregelen vanuit het stelsel Bewaken en Beveiligen in beeld?
Kunt u aangeven hoe de na de moord op advocaat Derk Wiersum beloofde structurele aandacht voor de weerbaarheid en de bescherming van advocaten heeft geleid tot structurele verbeteringen? Zijn deze maatregelen nog steeds afdoende? Zo nee, welke aanvullingen stelt u zich voor?
Sluit de huidige aanpak en het vernieuwde stelsel Bewaken en Beveiligen voldoende aan bij bedreigingen van advocaten die niet rechtstreeks voortkomen uit georganiseerde criminaliteit, maar wel vanwege hun beroepsuitoefening worden bedreigd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, samen met de Nederlandse Orde van Advocaten, politie en het Openbaar Ministerie, te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om bedreigde advocaten beter te beschermen en ervoor te zorgen dat bedreigingen altijd serieus worden opgevolgd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze inventarisatie delen met de Kamer?
De veiligheidsrisico's van geavanceerde kunstmatige intelligentie |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Anthropic-onderzoeker neemt ontslag: OpenAI en Anthropic handelen onverantwoordelijk en gokken met ons leven»1 en het bericht «Anthropic-medewerker: kans bestaat dat AI de mensheid uitroeit»2, waarin onderzoekers van vooraanstaande AI-bedrijven waarschuwen voor ernstige veiligheidsrisico’s van steeds krachtigere AI-systemen?
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van deze onderzoekers dat de ontwikkeling van zeer geavanceerde AI-systemen sneller verloopt dan de ontwikkeling van adequate veiligheidsmaatregelen en beheersingsmechanismen? Welke conclusies verbindt u daaraan?
Heeft het kabinet scenarioanalyses laten uitvoeren naar de gevolgen van geavanceerde AI voor de nationale veiligheid, waaronder cyberaanvallen, beïnvloeding van democratische processen, sabotage van vitale infrastructuur, militaire toepassingen en andere hybride dreigingen? Zo ja, kunt u de belangrijkste bevindingen met de Kamer delen?
In hoeverre acht u het bestaande nationale, Europese en internationale normatieve kader, waaronder de AI Act, toereikend voor het beheersen van risico's die voortvloeien uit de ontwikkeling van zeer krachtige algemene AI-modellen en toekomstige frontier AI-systemen?
Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om de digitale weerbaarheid van Nederland te versterken tegen risico's die samenhangen met geavanceerde AI-systemen, in het bijzonder waar het gaat om vitale infrastructuur, overheidsorganisaties, defensie en de bescherming van burgers?
Hoe geeft het kabinet, mede in het licht van het streven naar een digitaal weerbare samenleving, invulling aan het voorzorgsbeginsel bij de ontwikkeling en toepassing van zeer geavanceerde AI-systemen waarvan de maatschappelijke gevolgen mogelijk verstrekkend en onomkeerbaar zijn?
Deelt u de zorg dat een internationale concurrentiestrijd tussen staten en marktpartijen kan leiden tot een situatie waarin veiligheidsbelangen ondergeschikt raken aan technologische en economische belangen? Zo ja, hoe wordt dit risico in het kabinetsbeleid geadresseerd?
Herkent u de zorgen die leven rondom superintelligente AI en het risico dat de mens niet meer in staat is deze ontwikkeling te stoppen? Deelt u de mening dat een verbod hierop wenselijk is?
Bent u bereid binnen de Europese Unie en internationale gremia te pleiten voor aanvullende afspraken over de ontwikkeling van geavanceerde AI, een verbod op superintelligente AI, en de mogelijkheid om tijdelijk een pas op de plaats te maken bij de ontwikkeling van krachtige AI-systemen zonder dat de risico’s voldoende helder zijn?
Kunt u de Kamer voor het einde van dit jaar informeren over de kabinetsinzet en de mogelijkheden en wenselijkheid van aanvullende waarborgen voor geavanceerde, superintelligente AI, waaronder de mogelijkheid van een tijdelijke ontwikkelpauze voor de krachtigste AI-systemen?
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er landelijk zicht komt op burgerwachten die overgaan tot intimidatie, bedreiging, stalking, laster, bekladding of doxing?1
Wat gaat u eraan doen dat er meerdere groepen door het land heen worden opgericht die overgaan tot bovengenoemde strafbare feiten om opvangbewoners, voorstanders van opvang en vrijwilligers in opvanglocaties te intimideren en online mensen oproepen om hieraan mee te doen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen bij opvanglocaties hun (vrijwilligers)werk kunnen blijven doen, veilig kunnen wonen en zich kunnen en durven uit te spreken voor een opvanglocatie?
Hoe zorgt u ervoor dat mensen die geïntimideerd zijn in hun dorp door anti-azc groeperingen veilig genoeg zijn en zich veilig genoeg voelen om zich wel nog uit te spreken tijdens bijvoorbeeld inspraakavonden?
Hoe zijn inspraakavonden nog een nuttig instrument als een groot deel van de bewoners niet meer durft te komen?
Bent u bereid te monitoren hoe vaak er strafbare feiten worden gepleegd door dit soort burgerwachten zodat u beleid kunt opstellen om deze tegen te gaan?
Bent u van mening dat het eenmalig voeren van een rechten- en plichtengesprek voldoende is om opvangbewoners op de hoogte te brengen van waar zij aangifte kunnen doen nu er op zoveel plekken in het land intimidatie, stalking en soms zelfs brandstichting plaatsvindt? Bent u bereid ervoor te zorgen dat opvangbewoners gericht geïnformeerd worden over wanneer er een strafbaar feit tegen hen wordt gepleegd gezien de huidige situatie? Zo nee, waarom niet?
Worden opvangbewoners ook gewezen op meldmogelijkheden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en de Autoriteit Consument & Markt, zodat zij zich kunnen beroepen op hun online- en privacyrechten?
Kunt u afspraken maken met deze autoriteiten om de bestaande meldmogelijkheden toegankelijk te maken voor opvangbewoners?
Bent u bereid om proactief gemeenten aan te bieden een gesprek te voeren wanneer er zulke groepen gevormd zijn om een gezamenlijke aanpak te formuleren? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van het feit dat raadsleden in Tholen niet naar buiten konden na de raadsvergadering dinsdagavond 1 september j.l. vanwege de veiligheid bij een anti-azc-demonstratie?
Maakt u zich zorgen dat intimidatie van raadsleden en wethouders rondom azc-besluiten kan leiden tot schade aan de veiligheid van deze mensen en aan onze lokale democratie?
Wat gaat u doen om dit soort escalaties in de toekomst te voorkomen en raadsleden en wethouders die een beslissing moeten maken over de komst van een azc te steunen – waartoe zij ook besluiten?
Wat vindt u van het feit dat in de nacht van 10 augustus j.l. 28 asielzoekers in Surhuisterveen werden tegengehouden om naar de nachtopvang te gaan om te slapen?
Zijn er meer van dit soort incidenten bij u bekend? Hoe vaak is dit voorgekomen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat asielzoekers in het vervolg niet worden tegengehouden en geïntimideerd worden als zij onderweg zijn naar hun aangewezen slaapplek?
Bent u bekend met de berichten over «Defend Den Bosch» en de intimidatie van Syrische jongeren op de Kermis in Den Bosch?
Wat vindt u van het feit dat een groep die linken lijkt te hebben met rechts-extremisme jonge Syriërs lastigvalt op de kermis in Den Bosch en online berichten verspreidt die hiertoe oproepen? Hoe gaat u helpen optreden tegen dit soort groepen?
Wordt er toezicht gehouden op de online oproepen die groeperingen zoals «Defend Den Bosch» online verspreiden om met groepen mensen jongeren te belagen op de kermis, of om bijvoorbeeld huizen te bekladden? Op welke manier wordt hiertegen opgetreden? Hoe wordt hierin samengewerkt met de lokale driehoek?
Is bij u bekend of en hoe vaak er melding wordt gemaakt van online oproepen die leiden tot strafbare feiten door groeperingen als «Defend Den Bosch»? Heeft u indicaties dat hier tijdig en effectief tegen wordt opgetreden?
Is bekend of «Defend Den Bosch» ook betrokken was bij de bekladdingen en intimidatie bij gemeente Engelen?
Gaat u zich inzetten om de inspraak over de komst van een azc rustiger te laten verlopen zodat zowel voor- als tegenstanders zonder angst en intimidatie zich kunnen laten horen?
Wat is uw reactie op de brandstichting bij het gebouw in Valkenswaard waar in de toekomst alleenstaande minderjarige vluchtelingen zouden worden opgevangen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze intimidatie stopt en niet de reden mag zijn dat er al dan niet een azc komt?
Kunt u nader ingaan op de rol van sociale media in het aanjagen van intimidatie van voor- en tegenstanders van een azc? In hoeveel gevallen zijn intimiderende acties aangesticht via online kanalen?
Bent u van mening dat grote online platforms hier voldoende tegen optreden, gezien u in eerdere beantwoording beschrijft dat er tegen meerdere bedrijven al aanwijzingen zijn gepubliceerd dat zij wet- en regelgeving niet naleven?2
Welke maatregelen kunt u nemen om intimidatie (aangejaagd) via sociale media tegen te gaan, bijvoorbeeld door bestaande wet- en regelgeving strenger te handhaven, met behoud van de vrijheid van meningsuiting?
Kunt u deze vragen binnen de geldende termijn beantwoorden?
Team Diverse Instroom en het selectiebeleid bij de politie. |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat hield de informele toetsing van de werkwijze rond diverse instroom bij het College voor de Rechten van de Mens concreet in, wanneer heeft deze plaatsgevonden, welke informatie is daarbij aan het College voor de Rechten van de Mens voorgelegd en welke conclusies of adviezen heeft het College voor de Rechten van de Mens gegeven?
Is het beleid waarbij tussen 2020 en 2025 streefcijfers van minimaal 35 procent respectievelijk 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond werden gehanteerd formeel juridisch getoetst aan Artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling? Zo ja, door wie, wanneer en wat was de conclusie? Zo nee, waarom is volstaan met een informele toetsing?
Op welke grond weigert u de gevraagde interne beleidsstukken, instructies, juridische adviezen, evaluaties en budgetoverzichten over Team Diverse Instroom aan de Kamer te verstrekken en hoe verhoudt deze weigering zich tot Artikel 68 van de Grondwet?
Bent u alsnog bereid de gevraagde beleidsstukken, instructies, juridische adviezen, evaluaties en budgetoverzichten over Team Diverse Instroom en de gehanteerde streefcijfers aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, welke concrete grond bestaat voor het niet verstrekken van deze informatie?
Aan de hand van welke concrete resultaten of prestatie-indicatoren wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid beoordeeld van de inzet van de ongeveer 17 fte die landelijk werkzaam zijn voor Team Diverse Instroom?
Hoeveel geld is sinds de oprichting daadwerkelijk besteed aan Team Diverse Instroom en welke externe bureaus, consultants, trainers of onderzoekers zijn daarbij ingezet? Bent u bereid dit alsnog door de politie te laten inventariseren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe verhoudt het uitgangspunt dat politieteams herkenbaar moeten zijn voor en moeten passen bij de lokale bevolkingssamenstelling zich tot het hanteren van streefcijfers van 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond in alle overige politie-eenheden?
Betekent het uitgangspunt dat politieteams moeten passen bij de lokale bevolkingssamenstelling dat in gebieden waar relatief weinig mensen met een migratieachtergrond wonen ook naar een relatief lage vertegenwoordiging van politiemedewerkers met een migratieachtergrond zou moeten worden gestreefd? Zo nee, waarom geldt het argument van een afspiegeling van de lokale bevolkingssamenstelling volgens u slechts één kant op?
Kunt u uitsluiten dat tussen 2020 en 2025 geschikte kandidaten zonder migratieachtergrond direct of indirect niet zijn aangenomen of een nadeliger positie hebben gehad met als doel de streefcijfers van 35 procent respectievelijk 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond te behalen? Zo nee, waarom kunt u dit niet uitsluiten?
Waarom heeft u de eerdere vraag of u kunt uitsluiten dat sollicitanten vanwege hun ras, huidskleur, afkomst, migratieachtergrond, culturele achtergrond of geloof een voorkeurs- of achterstandspositie hebben gekregen niet met ja of nee beantwoord, en kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
Waarom acht u gegevens over herkomst en migratieachtergrond relevant voor het monitoren en evalueren van diversiteitsbeleid bij de politie, en welke objectieve criteria hanteert u om te bepalen wanneer dergelijke achtergrondkenmerken relevant zijn voor registratie, analyse en publicatie door de overheid?
Welke concrete doelstelling rechtvaardigde volgens u het registreren en monitoren van de etnisch-culturele samenstelling van de politie, en waarom was het daarvoor noodzakelijk om onderscheid te maken naar migratieachtergrond?
Op welke objectieve en wetenschappelijke onderzoeken baseert u uw stelling dat een diverse en inclusieve politie de legitimiteit en het vertrouwen van burgers in de politie vergroot, en kunt u deze onderzoeken afzonderlijk noemen en aan de Kamer doen toekomen?
Uit welke wetenschappelijke onderzoeken blijkt specifiek dat een hogere etnisch-culturele diversiteit van het Nederlandse politiekorps op zichzelf leidt tot meer vertrouwen in en legitimiteit van de politie, en hoe groot is dit effect ten opzichte van factoren als politieprestaties, bereikbaarheid, responsiviteit en de wijze waarop burgers door de politie worden behandeld?
De veiligheid van kinderen in gezinshuizen |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kinderen uit Fries gezinshuis gehaald na veroordeling gezinshuisvader voor kindermisbruik»?1
Hoe kijkt u naar het feit dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft aangegeven geen veiligheidsrisico’s te zien voor kinderen die nog in het gezin verbleven zoals beschreven in bovenstaand artikel, terwijl de betrokken jeugdbeschermer hier – naar oordeel van de kinderrechter – terecht veel zorgen over had?
Onderschrijft u de oproep van onder andere de IGJ dat er beter toezicht moet komen op de inmiddels meer dan duizend gezinshuizen waar zorg wordt geboden aan kinderen die vaak zwaar getraumatiseerd zijn en ernstige opvoed- en/of gedragsproblemen hebben?
Bent u het met de indiener eens dat de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen minimaal zo streng, maar bij voorkeur nog strenger moeten zijn dan de kwaliteitscriteria voor pleegzorg, aangezien de complexiteit van de problematiek waar kinderen die in gezinshuizen worden opgevangen complexer is dan bij pleegzorg?
Hoe beoordeelt u de huidige situatie waarbij bovenstaande niet het geval is?
Bent u het met de indiener eens dat dit ernstige veiligheidsrisico’s kan opleveren voor de kinderen die op dit moment in gezinshuizen verblijven?
Kunt u toelichten of het klopt dat bij de screening van gezinshuisouders alleen een Verklaring Omtrent Gedrag opgevraagd kan worden, terwijl pleegouders een Verklaring van geen bezwaar moeten aanleveren, een zwaarder instrument waar ook onderzoeken zonder veroordelingen in staan?
Hoe beoordeelt u de signalen over aspirant pleegouders die afgewezen worden vanwege een negatieve Verklaring van geen bezwaar, maar zij dus wel op een andere plek in Nederland door de screening van gezinshuisouder kunnen komen omdat ze wel een Verklaring Omtrent Gedrag kunnen voorleggen?
Bent u het met de indiener eens dat dit hoogst onwenselijk is en tot hoge veiligheidsrisico’s voor kinderen kan leiden?
Wanneer verwacht u dat de herziening van de huidige kwaliteitscriteria voor gezinshuizen afgerond zal zijn en vanaf wanneer zullen deze herziene kwaliteitscriteria van kracht zijn?
Bent u het met de indiener eens dat de inzet gericht moet zijn op het strenger maken van deze kwaliteitscriteria, juist ook gezien de misstanden die aan het licht komen?
Kunt u garanderen dat in de kwaliteitscriteria die worden herzien minimaal wordt opgenomen dat vanaf de start van het gezinshuis een relevant hbo-diploma én een SKJ-registratie vereist is?
Bent u het met de indiener eens dat er in de herziening van de kwaliteitscriteria ook een maximumaantal kinderen vastgesteld moet worden die in een gezinshuis mogen verblijven?
Kunt u aangeven hoeveel gezinshuizen momenteel meer dan zes kinderen (inclusief biologische kinderen) opvangen?
Hoe kijkt u naar de signalen dat er momenteel gezinshuizen zijn waar tien of meer kinderen worden opgevangen, soms zelfs allemaal vanuit een crisisplaatsing?
Op welke wijze kan kwalitatief goede zorg gegarandeerd worden door twee gezinshuisouders wanneer zij zorg dienen te leveren aan tien kinderen in crisis?
Hoe beoordeelt u het feit dat we in de kinderopvang in de wet een beroepskracht-kindratio vastleggen en we momenteel geen beroepskracht-kindratio vastleggen voor gezinshuizen?
Bent u het met de indiener eens dat er grote risico’s bestaan in de bedragen die gezinshuisouders ontvangen voor de zorg voor deze kinderen waardoor ook foute aanbieders en criminelen aangetrokken worden die primair geld willen verdienen ten koste van kwetsbare kinderen?
Bent u het met de indiener eens dat het wenselijk zou zijn om één erkend keurmerk en één landelijk kwaliteitsregister te hebben van gezinshuizen die aan kwaliteitscriteria voldoen?
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk zou zijn als deze toetsing op kwaliteit zou gebeuren door een branchevereniging die (ook financieel) baat heeft bij een stijging van het aantal gezinshuizen?
Kunt u garanderen dat, ook in lijn met de eerder aangenomen motie Synhaeve c.s. om jeugdaanbieders en hun medewerkers altijd vooraf te screenen, ook voor gezinshuizen geldt?2
Kunt u garanderen dat deze screening wordt gedaan door een onafhankelijk instituut zoals de IGJ?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het Jeugddebat van 30 september aanstaande?
Wat is uw reactie op het bericht «Verplichte rijhulpsystemen zitten ambulances in de weg: «Onnodige noodstop kan levensgevaarlijk zijn»»?1
Hoe reageert u op de kritiek op de verplichting van Advanced Driver Distraction Warning systemen voor ambulances?
Deelt u de analyse dat automatische rijhulpsystemen, die bijvoorbeeld automatisch remmen of bijsturen, ongeschikt zijn voor ambulances, omdat die in spoedgevallen juist vaak harder en op ongebruikelijke manieren moeten rijden? Zo ja, bent u bereid ervoor te zorgen dat deze systemen niet in ambulances worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Hoe moeten ambulances omgaan met dit soort systemen in drukke verkeerssituaties, zoals in binnensteden, waar al snel automatisch kan worden ingegrepen wanneer er bijvoorbeeld voetgangers in de buurt zijn?
Heeft u signalen ontvangen dat er vergelijkbare problemen spelen bij andere hulpdiensten, zoals de brandweer en de politie? Zo ja, hoe wordt er daarbij omgegaan met dit soort systemen? Zo nee, bent u bereid om na te gaan in hoeverre dit daar ook speelt?
Bent u bereid om u in te zetten voor uitzonderingen voor ambulances als het gaat om verplichtingen voor dit soort systemen?
Bent u bereid om in gesprek te treden met ambulancepersoneel over welke problemen zij ervaren met verplichte waarschuwings- en rijhulpsystemen?
Moslimhaat aan de Universiteit van Utrecht. |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een stilteruimte van de Universiteit Utrecht is achtergelaten met bier en Korans onder een tafelpoot?1
Ja.
Wat is u bekend over de toedracht van deze haatactie en heeft u hierover contact gehad met de Universiteit Utrecht?
Naar aanleiding van dit incident heb ik contact opgenomen met de Universiteit Utrecht (hierna: UU). Zij heeft met mij gedeeld dat de stilteruimte respectloos is achtergelaten. Zij geeft aan dit onacceptabel te vinden, ervan geschrokken te zijn en zich te kunnen voorstellen dat studenten hier ook erg van geschrokken zijn.
De UU heeft mij laten weten dat zij van de situatie heeft vernomen via de instagrampost van de Islamitische Studentenvereniging INSAN op de betreffende dinsdagmiddag. Daarop is direct actie ondernomen. Medewerkers van de UU zijn bij de stilteruimte gaan kijken. Daar troffen zij een rommelige ruimte aan met de Korans inmiddels weer opgeborgen in de kast. De UU heeft ervoor gezorgd dat de stilteruimte de ochtend erna weer was opgeruimd zodat de ruimte weer in gebruik kon worden genomen. Voorts heeft de UU contact gezocht met INSAN en een gesprek met hen over deze gebeurtenis wordt op korte termijn ingepland.
Deelt u de mening dat het ontheiligen van religieuze geschriften onacceptabel is?
Ja, dat vind ik verwerpelijk.
Kunt u zich voorstellen dat het plaatsen van Korans onder een tafelpoot en het achterlaten van bier(resten) door islamitische studenten als moslimhaat en intimidatie wordt ervaren?
Ik vind het van groot belang dat we in onze samenleving, en daarmee ook in het onderwijs, respectvol met elkaar omgaan. Hier was dat niet het geval, dit was een onacceptabele en respectloze actie. Dit soort incidenten horen zich niet voor te doen.
Wordt onderzocht of sprake was van een islamofoob motief? Zo nee, bent u bereid hier bij de Universiteit Utrecht op aan te dringen?
De UU heeft mij laten weten dat zij dit incident serieus neemt en bekijkt of zij kan achterhalen wat er precies gebeurd is. Het is tegelijkertijd ook lastig omdat de stilteruimte een vrij toegankelijke ruimte is zonder een reserverings- of boekingssysteem en er geen camera’s in of rondom de stilteruimte zijn (in verband met onder meer de privacy).
De UU doet navraag bij gebruikers van het gebouw of men iets gezien heeft, en vraagt aan gebruikers van het gebouw om alert te zijn op oneigenlijk gebruik van de stilteruimte en te melden wanneer dit gebeurt. Ook vraagt zij haar facilitair medewerkers UU-breed om de stilteruimtes vaker te controleren. Tot slot gaat zij over deze gebeurtenis in gesprek met de Islamitische Studentenvereniging INSAN, die hierover als eerste aan de bel heeft getrokken via sociale media.
Het is goed dat de UU gedegen opvolging geeft aan deze acties.
Welke maatregelen neemt de Universiteit Utrecht om herhaling te voorkomen en de veiligheid van islamitische studenten te waarborgen?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u zicht op de omvang van islamofobie en discriminatie van moslims binnen het hoger onderwijs? Zo ja, kunt u de beschikbare cijfers hierover met de Kamer delen?
Onderzoek laat zien dat er moslimdiscriminatie plaatsvindt in de Nederlandse samenleving.2 Ondanks dat er geen sectorspecifieke monitor is die islamofobie en moslimdiscriminatie uitsluitend binnen het hoger onderwijs meet, geven bredere onderzoeken een beeld van de omvang van islamofobie en moslimdiscriminatie binnen het (hoger) onderwijs.3
Zo rapporteert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) met betrekking tot alle onderwijsrichtingen dat 45–55% van de moslimstudenten discriminatie ervaart in het onderwijs.4 Uit dit rapport blijkt ook dat 44% van de studenten met een Marokkaanse achtergrond stagediscriminatie ervaart.5 Stagediscriminatie in het hoger onderwijs kan voorkomen tijdens het sollicitatieproces en gedurende de stage zelf. Dit kan expliciet zijn, zoals het afwijzen van moslimstudenten vanwege een hoofddoek of via stereotyperende opmerkingen en micro-agressie.6
Moslimstudenten uit het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs geven aan, onder andere op basis van een eigen enquête7, dat (gebrek aan) thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is.
Bent u bereid met universiteiten en hogescholen afspraken te maken over het voorkomen, registreren en aanpakken van moslimhaat?
Moslimhaat is onacceptabel en een probleem dat aangepakt dient te worden. Ik verwacht van instellingen dat zij hier aandacht voor hebben vanuit hun verantwoordelijkheid voor een veilige leer- en werkomgeving. In het kader van de integrale aanpak sociale veiligheid voor alle studenten en medewerkers in het hoger onderwijs voer ik hierover regulier overleg met de sector. In dat gesprek zal ik ook aandacht vragen voor dit type incidenten bij instellingen. Vanuit OCW betrekken we de moslimgemeenschap bij relevante beleidsdossiers om te horen wat er leeft binnen de gemeenschap en om ervoor te zorgen dat alle Islamitisch Nederlandse jongeren zich veilig, gezien en gehoord voelen op de onderwijsinstellingen.8
De boerenprotesten op de snelwegen |
|
Laura Bromet (GroenLinks-PvdA), Fatihya Abdi (GroenLinks-PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Rob Jetten (D66), Vincent Karremans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Was u op de hoogte van het voornemen van boerenorganisaties LTO en Farmers Defence Force (FDF) om op vrijdag 14 augustus jl. te demonstreren op meerdere snelwegen en is er sprake geweest van een formeel kennisgeving richting de lokale driehoeken?
Mij was bekend dat enkele boerenorganisaties vrijdag 14 augustus jl. zouden protesteren bij de extra vergadering van de Staten van de provincie Noord-Brabant. De gemeente ’s-Hertogenbosch is van de demonstratie in kennis gesteld.
Waarom is ervoor gekozen om deze demonstraties niet te verplaatsen, een alternatief locatie aan te bieden en/of te verbieden, gelet op het feit dat er duidelijke gronden zijn in de wet openbare manifestaties om in te kunnen grijpen bij een demonstratie in het belang van het verkeer en/of voor de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden?
De besluitvorming over het verbieden dan wel verplaatsen van demonstraties geschiedt krachtens de Wet openbare manifestaties door de burgemeester, doorgaans na overleg in de lokale driehoek. De gronden voor het verbieden dan wel ontbinden van een demonstratie zijn gelegen in art.2 van de Wom; ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het kabinet treedt niet in de afwegingen die het lokale gezag moet maken. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Wat waren de instructies voor de politie op het moment dat de demonstranten met trekkers gingen protesteren op meerdere snelwegen en er risico’s waren voor andere burgers op de weg?
Voorafgaand aan de demonstratie heeft overleg plaatsgevonden tussen het lokaal gezag (burgemeester en officier van justitie) en de politie in ‘s-Hertogenbosch. Het beleidsuitgangspunt van de lokale driehoek ’s-Hertogenbosch was duidelijk: indien men in het kader van de demonstratie met een tractor de snelweg op rijdt of de weg blokkeert, en dit evident gevaar oplevert, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Afgesproken werd het met de tractor rijden op een snelweg in principe niet te tolereren. Vanzelfsprekend is de beslissing om tot handhaving over te gaan aan de lokale driehoek.
Zijn er instructies en/of afspraken gemaakt tussen de lokale driehoeken en Rijkswaterstaat over het bovensignaleren van de wegen en/of afsluiten van de wegen? Zo niet, kunt u uiteenzetten waarom dit is niet is gebeurd?
Op 12 augustus jl. is er contact geweest tussen de eenheid Landelijke Expertise en Operaties (LX) van de politie en Rijkswaterstaat, zowel op directieniveau als op operationeel niveau. Op verzoek van de politie heeft Rijkswaterstaat de potentiële impact op het wegverkeer in beeld gebracht en toegelicht wat het handelingskader van Rijkswaterstaat is bij verstoringen van de doorstroming of van de veiligheid op het hoofdwegennet.
Voor het beheer van het hoofdwegennet zijn er vaststaande communicatiestructuren en opschalingsprocedures. De politie staat in verbinding met Verkeerscentrum Nederland (VCNL) van Rijkswaterstaat.
Rijkswaterstaat heeft inmiddels aangifte gedaan van de gepleegde overtreding waarop de vragen betrekking hebben, zoals het rijden met een tractor op de autosnelweg (in strijd met artikel 42 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Rijkswaterstaat doet altijd aangifte als een snelweg moedwillig wordt geblokkeerd.
Op basis van welke jurisprudentie en informatie zijn de lokale driehoeken tot de afweging gekomen dat het is toegestaan om op de snelwegen te demonstreren en zij niet zullen handhaven hierop, gelet op het feit dat dit verboden is volgens de wet? Graag een gedetailleerd overzicht.
De vraag veronderstelt dat de afweging was dat demonstreren op snelwegen is toegestaan en dat op juridische gronden is afgezien van handhaven. Dat is onjuist. Zie daarvoor het antwoord op vraag 3. De snelweg is vanwege verkeersveiligheid en doorstroming geen plek om te demonstreren. Het rijden met een tractor of trekker op de snelweg is in Nederland verboden.
Welke voorbereidingen worden er getroffen om te voorkomen dat deze protesten nog verder escaleren en leiden tot nog meer (dodelijke) verkeersongelukken en/of ernstige wanordelijkheden? Graag een gedetailleerd overzicht.
De oorzaak van het noodlottige ongeval op de A59 is onderwerp van een lopend strafrechtelijk onderzoek. De politie en OM in Brabant-Oost hebben aangegeven de gebeurtenissen te evalueren.
Daarnaast heb ik de afgelopen weken overleg gehad met de (plv.) korpschef, het College van procureurs-generaal van het OM en de regioburgemeesters, ook in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie. Uit die overleggen is een helder statement gekomen, dat 25 augustus jl. op rijksoverheid.nl is gepubliceerd:
«Het blokkeren van een snelweg of het spoor of het veroorzaken van een file is gevaarlijk. Ook moeten hulpdiensten er altijd door kunnen. Het OM heeft op 19 augustus nogmaals bevestigd dat het demonstratierecht in beginsel niet in de weg staat aan strafrechtelijke vervolging. Gevaarzetting op een snelweg of het spoor is strafbaar, strafrechtelijk handhaven is dan ook aangewezen. Er wordt in beginsel strafrechtelijk opgetreden tegen gevaarzettend gedrag, zoals langzame verplaatsingen of het blokkeren van snelwegen of het spoor».
Bij de bezetting van de A12 door klimaatactivisten 29 augustus jl. is door de lokale driehoek van Den Haag ook overeenkomstig die lijn gehandeld.
Welke strafrechtelijke stappen worden er ondernomen richting eigenaren van tractoren die bewust hun kenteken hebben afgeschermd gelet op het feit dat dit verboden is volgens de wet?
De kentekenplicht voor motorvoertuigen volgt uit artikel 36 van de Wegenverkeerswet. Daarnaast verbiedt artikel 41 lid 1 van de Wegenverkeerswet onder meer het verhinderen van de herkenning van kentekens, bijvoorbeeld door die af te plakken. Als kentekens worden afgeschermd, dan zal strafrechtelijke handhaving in beginsel aangewezen zijn. Dit uitgangspunt geldt ook voor landbouwvoertuigen die sinds 1 januari 2022 een kentekenplicht kennen. Dit feit is ook opgenomen in de OM-uitgangspunten ten aanzien de strafrechtelijke handhaving van landbouwvoertuigen op de snelwegen bij demonstraties. De vraag of (en zo ja welke) stappen concreet genomen worden, hangt telkens af van de omstandigheden van het geval. Bij het rijden met landbouwvoertuigen op de snelwegen is gezien de gevaarzetting strafrechtelijk handhaving in beginsel aangewezen. Dat geldt ook voor het afplakken van kentekens. Dat is alleen anders als de demonstratie in de vorm van het rijden op de snelweg met landbouwvoertuigen is aangemeld bij de burgemeester en deze het niet heeft verboden.
Bent u nog in gesprek met organisaties die de stikstofplannen vergelijken met de jodenvervolging?1
De vergelijking die tijdens de demonstratie van 14 augustus jl. is gemaakt door een der voormannen van een boerenorganisatie is totaal ongepast. Een analogie met de holocaust trekken voert vele malen te ver. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is thans niet in gesprek met de organisatie wier voorman de aangehaalde uitspraak heeft gedaan.
Wat vindt u van het feit dat er stickers van davidsterren met het patroon van een rode boerenzakdoek en de letter B uitgedeeld zijn tijdens de protesten?2
De uiting van een davidster met een B erop is een evidente en ongekende schoffering aan het adres van de nabestaanden en slachtoffers van de Jodenvervolging en Holocaust gedurende de Tweede Wereldoorlog. Zoals de Minister-President op 14 augustus jl. heeft gezegd betreft dit een walgelijke en bijzonder ongepaste actie.
Het bericht van een man met 7 oktober shirt in de Albert Heijn in Amsterdam |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht en de foto gepubliceerd op 9 augustus 2026 door onder andere het Centrum Informatie- en Documentatie Israel (CIDI),waaruit blijkt dat een man in een rood shirt, met daarop aan de achterzijde duidelijk bedrukt «October 7», ongemoeid door de Albert Heijn aan de Jan Evertsenstraat in Amsterdam-West kon wandelen en winkelen en zo openlijk steun kon betuigen aan de Hamas-terreuraanslag van 7 oktober 2023, waarbij 1.200 onschuldige Israëlische burgers werden gemarteld, verkracht en vermoord?1
Bent u het ermee eens dat deze openlijke steun voor de grootste moord op Joden sinds de Holocaust, dan wel verheerlijking van de betrokken islamitische terreurgroepen walgelijk, schandalig en volstrekt ontoelaatbaar is en dat dergelijk virulent islamitisch antisemitisme niet thuishoort in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de dader zich blijkbaar onaantastbaar waant en denkt deze daad straffeloos te kunnen plegen? Waarom heeft Albert Heijn niet ingegrepen? Wat zegt dit over Albert Heijn in het algemeen en het betreffende Amsterdamse filiaal in het bijzonder? Waarom hebben de autoriteiten niet onmiddellijk tegen deze islamitische provocatie opgetreden? Zijn ze bereid dat alsnog binnen 24 uur te doen nu?
Bent u bereid om alle middelen die de Nederlandse staat tot zijn beschikking heeft tegen de dader aan te wenden en om, als dat nog niet is gebeurd, alles op alles te zetten om de dader onmiddellijk te identificeren, op te sporen, te arresteren en te vervolgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat er voor de dader, die op zo’n schaamteloze wijze de Nederlandse waarden vertrapt, islamitische terreur viert en zich daarmee onmiskenbaar tegen de Nederlandse samenleving keert, geen plek in Nederland is én dat hij na veroordeling onmiddellijk dient te worden gedenaturaliseerd en het land uit moet worden gezet? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de integratie en de opvoeding van dit sujet evident hopeloos is mislukt en dat dit ook onvermijdelijk consequenties moet hebben voor het gezin en familie waar deze dader uit afkomstig is, bestaande uit het deporteren van zijn familie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij naturalisatie en/of verblijfsrecht steun aan terrorisme of verheerlijking van 7 oktober als absolute uitsluitingsgrond te hanteren en bestaande verblijfsvergunningen op grond daarvan in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid met Albert Heijn in gesprek te gaan en dit bedrijf mede te delen dat er in Nederland geen plaats is voor bedrijven die niet optreden tegen dit soort walgelijke vormen van terreurverheerlijking
Welke maatregelen neemt u verder om te voorkomen dat dergelijke openlijke steunbetuigingen aan Hamas en haar terreur in Nederlandse openbare ruimten zich blijven voordoen? Bent u bereid om gerichte instructies te geven aan politie, Openbaar Ministerie (OM), gemeenten en andere autoriteiten om hierop onmiddellijk en hard op te treden, inclusief arrestatie, denaturalisatie en deportatie van dader én gezin? Zo nee, waarom niet?
Bent u ook Minister-President van de joodse Nederlanders? Zo ja, kunt u, mede gelet op het gestelde in de vragen 3 en 4 en het urgente karakter hiervan, deze vragen als Minister-President binnen 48 uur beantwoorden?
Rellen op de kermis in Purmerend |
|
Geert Wilders (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op de Kamervragen naar aanleiding van de rellen op de kermis in Purmerend waarin u zei dat de huidige aanpak voldoende handvatten biedt? Hoe verklaart u dan de nieuwe massale ongeregeldheden op de kermis in Dreumel?1
Ja. Zoals eerder toegelicht bij de vragen over Purmerend is de handhaving van de openbare orde primair een verantwoordelijkheid van de burgemeester. De lokale driehoek en andere partners bereiden zich bij (grote) evenementen voor met risico-inschattingen en passende maatregelen. Ook bij Dreumel zijn lokaal maatregelen getroffen. Helaas kunnen incidenten ondanks een goede voorbereiding niet altijd volledig worden voorkomen.
Bent u nu eindelijk bereid incidenten op kermissen en volksfeesten landelijk te registreren want tot op heden had u geen overzicht van soortgelijke incidenten? Zo nee, waarom niet?
Registratie van incidenten vindt plaats binnen de bestaande systemen van politie en OM en is niet specifiek gericht op het type evenement. Een aparte landelijke registratiesystematiek past niet in de huidige werkwijze. Op dit moment zie ik geen aanleiding om hier van af te wijken.
Wanneer komt er een landelijke aanpak in plaats van alleen lokaal maatwerk na wederom grootschalig geweld waarbij opnieuw ondernemers en bezoekers de dupe zijn geworden?
Op grond van artikel 172 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. Landelijk ondersteunen wij de lokale inzet, zo is in 2023 een wegwijzer gemeentelijk kermisbeleid opgesteld met financiering van het Ministerie van EZK en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers. Op 2 juli 2025 heb ik de wegwijzer bij het Strategisch Beraad Veiligheid onder de aandacht gebracht. Daaruit bleek geen behoefte aan aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat bij ordeverstoringen, zoals de eerdere sluiting van de kermis in Purmerend en het afgelasten van festiviteiten door een ondernemer in Dreumel, de financiële gevolgen nu vooral voor de ondernemers zijn en niet voor de relschoppers? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de kosten zoveel mogelijk worden verhaald op de relschoppers die verantwoordelijk zijn voor deze schade?
Ja.
Een beslissing tot eventuele compensatiemaatregelen is aan het lokaal bestuur in overleg met de kermisbranche.
Wanneer komt u met landelijke maatregelen tegen notoire ordeverstoorders, zoals gebiedsverboden, betere informatie-uitwisseling en het verhalen van schade op daders?
Hiervoor verwijs ik in de eerste plaats naar mijn eerdere antwoorden op Kamervragen gesteld door u, die ik op 22 juni jl. met uw Kamer heb gedeeld. Er zijn reeds diverse instrumenten beschikbaar. Zo kan de burgemeester op grond van artikel 172a van de Gemeentewet en lokale verordeningen gebiedsontzeggingen opleggen en bevelen geven ter voorkoming van ordeverstoringen. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Daarnaast is dit voorjaar het wetsvoorstel Wet gegevensvergaring openbare orde voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd. Het wetsvoorstel geeft de politie twee extra bevoegdheden om online gegevens te verzamelen uit publiek toegankelijke bronnen. Het gaat om het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen en online gegevens verzamelen van personen en hun openbare accounts voor zover dat noodzakelijk is om een ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen, te beletten of te beëindigen. Van deze personen moet het vermoeden bestaan dat zij een belangrijke rol spelen bij een (mogelijk) ernstige verstoring van de openbare orde. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de politie en het lokaal gezag beter toe te rusten om snel over voldoende informatie te beschikken om een dreigende ernstige verstoring van de openbare orde tijdig te kunnen voorkomen, beletten of beëindigen. Zo kan de politie bij aanwijzingen dat rellen dreigen uit te breken de noodzakelijke gegevens online verzamelen om tijdig in te grijpen en de verstoring te voorkomen of te stoppen. De burgemeester kan de bevoegdheden alleen inzetten na een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Na deze machtiging geeft de burgemeester een bevel aan de politie, die de bevoegdheden onder zijn gezag uitvoert.
Hoeveel incidenten zijn er nog nodig voordat u erkent dat dit geen op zichzelf staande voorvallen meer zijn, maar een landelijk veiligheidsprobleem rondom kermissen en volksfeesten?
Elk incident is er één te veel. Ieder incident wordt serieus genomen en waar nodig wordt opgetreden. Tegelijkertijd verloopt het overgrote deel van kermissen en volksfeesten ordelijk en veilig. Op dit moment is er geen aanleiding om te spreken van een landelijk veiligheidsprobleem.
Wanneer gaat u werkelijk benoemen dat dit geen «jongeren» zijn, maar allochtone jongeren, in dit geval Syriërs, variërend in leeftijden van 10 tot 20+ jaar die georganiseerd elke keer deze ellende veroorzaken?
De politie en het Openbaar Ministerie registreren geen migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten. Indien bekend kan nationaliteit worden geregistreerd, maar alleen wanneer dit noodzakelijk is voor opsporing of vervolging binnen de kaders van de wet. Deze gegevens worden dan ook niet categorisch verwerkt, omdat de verwerking niet voor alle situaties noodzakelijk zal zijn. Het is aan het lokaal gezag om passende maatregelen te treffen en herhaling te voorkomen.
Kunt U deze vragen met de grootst mogelijke spoed beantwoorden, aangezien het hoogseizoen voor de kermissen is en iedere dag uitstel ertoe kan leiden dat kermisondernemers opnieuw worden geconfronteerd met ordeverstoringen, schade en omzetverlies en goedwillende bezoekers niet langer de dupe zijn?
Ja.
Het artikel 'Palantir betaalt amper belasting door ‘agressieve strategie’, tot woede van Europese vakbonden' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Follow the Money-artikel «Palantir betaalt amper belasting door «agressieve strategie», tot woede van Europese vakbonden»1?
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palantir gebruik maakt van «allerlei geitenpaadjes», die ervoor zorgen dat in Europa behaalde winsten neerslaan in de Verenigde Staten, waar zij niet of nauwelijks worden belast?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. In dat verband zijn de maatregelen in de vennootschapsbelasting relevant die voortvloeien uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel, die met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden. Deze maatregelen bewerkstelligen namelijk dat bij belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden. Tot slot kan ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR niet ingaan op individuele fiscale dossiers, eventuele contacten tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst of de fiscale beoordeling van specifieke transacties.
Hoe beoordeelt u het feit dat het effectieve belastingpercentage voor Palantir in 2025 slechts 1,4% van de totale winst bedroeg, ver onder de internationale OESO-norm?
De OESO heeft met de wereldwijde minimumbelasting een systeem ontwikkeld dat beoogt te waarborgen dat grote multinationale ondernemingen effectief ten minste 15% belasting betalen over hun winsten. De berekeningswijze van het «effectieve» belastingpercentage in het rapport waar het genoemde artikel naar verwijst, verschilt van de methodiek die wordt gebruikt in de OESO-modelregels voor de berekening van de wereldwijde minimumbelasting. In het rapport wordt uitgegaan van een wereldwijd «effectief» tarief, waarbij factoren zoals verrekenbare verliezen, aftrekposten en belastingkredieten niet of slechts gedeeltelijk worden meegenomen. Het geschetste beeld is daardoor niet volledig. De OESO-modelregels stellen het effectieve tarief per jurisdictie vast en houden wel rekening met deze factoren. Door met dergelijke factoren rekening te houden, is er minder neerwaartse druk op het effectieve tarief. Het in het rapport genoemde effectieve belastingpercentage laat zich daarom lastig vergelijken met de internationale OESO-norm.
Kunt u motiveren waarom het Palantir, een bedrijf dat notabene antidemocratische retoriek verspreidt, wordt toegestaan hun diensten te verkopen aan overheidsinstanties in Europa, waaronder Nederland, maar vervolgens niet bij te dragen aan de maatschappij door belastingen te ontwijken?
Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen is aangegeven, is het kabinet van mening dat vrijheid van gedachten een recht is dat mensen toekomt, en dat bedrijven niet als zodanig politieke visies kunnen hebben. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.2
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is geworden tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Sinds 1 januari 2021 heeft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.3 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is de wereldwijde minimumbelasting. Hierbij is relevant dat alle EU-lidstaten de wereldwijde minimumbelasting verplicht zijn in te voeren op basis van de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing. Als gevolg hiervan wordt de wereldwijde minimumbelasting op een coherente en gecoördineerde wijze toegepast binnen de EU. In Nederland is de wereldwijde minimumbelasting in de Wet minimumbelasting 2024 geïmplementeerd.
Bent u van mening dat het extreem lage effectieve belastingpercentage bestaande en op te richten Europese alternatieven belemmert in hun concurrentie met Palantir? Zo ja, hoe gaat u dat probleem aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 3 kan op basis van de beschikbare informatie niet worden vastgesteld of het effectieve belastingtarief volgens de OESO-modelregels voor de wereldwijde minimumbelasting in de verschillende jurisdicties waar zich groepsentiteiten van Palantir bevinden, «extreem laag» zou zijn. Ik deel daarom de mening niet dat de wereldwijde minimumbelasting de concurrentiepositie van Europese multinationals zou belemmeren. Daarbij merk ik op dat de wereldwijde minimumbelasting weliswaar een ondergrens stelt aan belastingconcurrentie maar dat niet belemmert dat nationale wetgevers buiten die ondergrens gunstige fiscale regimes in de winstbelasting kunnen invoeren. Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd, heeft het Inclusive Framework (IF) als onderdeel van het Side-by-Side-akkoord van de wereldwijde minimumbelasting afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden geadresseerd om de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen te waarborgen. Een toekomstige evaluatie («stocktake»), die het IF in 2029 wil afronden, is hiervoor voorzien. Het kabinet blijft daarnaast in gesprek met het bedrijfsleven om tijdig signalen van mogelijke concurrentieverstoring op te vangen.
Bent u van mening dat als het kabinet geloofwaardig wil inzetten op afbouw van samenwerking met Palantir, en Europese alternatieven wil stimuleren, deze geitenpaadjes gedicht moeten worden? Waarom wel of niet?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 4 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat, mede als gevolg van de ingevoerde maatregelen, wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van een belastingplichtige.
Bent u voornemens met uw Europese collega's in gesprek te treden om Palantir eerlijk te laten bijdragen en te leren van het Franse voorbeeld?
In het artikel van Follow The Money wordt vermeld dat een onderzoeksrapport is verschenen, gericht op de belastingstructuur van Palantir. In dat rapport is aangegeven dat er geen financiële gegevens beschikbaar zijn van de Nederlandse activiteiten van genoemd bedrijf. Gelet op de geheimhoudingsverplichting van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik hier verder niet op ingaan, evenmin hoe de Belastingdienst in het specifieke geval toezicht houdt. In algemene zin geldt dat de Belastingdienst risicogericht toezicht houdt. Hierbij worden zowel interne als externe signalen meegenomen. De Belastingdienst hanteert voor het toezicht verschillende toezichtsinstrumenten, waaronder controles en boekenonderzoeken. Daarnaast werkt Nederland op Europees en internationaal niveau samen met andere landen om belastingontwijking tegen te gaan en een eerlijke belastingheffing te bevorderen. Daarbij wordt ook informatie van andere landen betrokken en besproken. Indien daartoe aanleiding bestaat, kunnen belastingautoriteiten tevens samenwerken via multilaterale belastingcontroles.
Kunt u aangeven waarom het Frankrijk wel lukt om de winst van Palantir, grotendeels behaald met publieke gelden, eerlijk te belasten?
In het eerdergenoemde onderzoeksrapport wordt melding gemaakt van een controle van Palantir door Franse belastingautoriteiten. De achtergrond en uitkomsten van dit onderzoek blijken niet uit het rapport en zijn evenmin openbaar. Daardoor kan door de onderzoekers niet worden vastgesteld welke betekenis hieraan moet worden toegekend of wat de relevantie daarvan zou zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Gelet op de geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR kan ik bovendien niet ingaan op de fiscale positie van genoemd bedrijf in Nederland.
Bent u bereid om een soortgelijke ingreep als de Franse belastingdienst te doen om te zorgen dat Palantir ook in Nederland een eerlijke belasting betaald? Waarom wel of waarom niet?
Gelet op de geheimhoudingsverplichting op grond van artikel 67 AWR kan ik niet ingaan op de fiscale positie van genoemd bedrijf. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid een overzicht te geven van de overheidsinstellingen die contracten hebben met Palantir en welke onderneming van Palantir daar de contractspartner is, bijvoorbeeld de Amerikaanse moeder, de Britse- of de Nederlandse tak?
Er is geen centraal overheidsbreed overzicht van dergelijke contracten. Departementen en decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering, waaronder ICT-beheer en dienstverlening. In antwoord op diverse Kamervragen van het lid Van Houwelingen (FvD), evenals van de leden Van Vroonhoven en Six Dijkstra (beiden NSC) en van de leden Jagtenberg en El Boujdaini (beiden D66) is aangegeven dat op dit moment binnen de Rijksoverheid de politie en Defensie gebruik maken van Palantir.
Kunt u deze vragen apart en binnen de termijn beantwoorden?
Ja.
De opname van aangiftes van slachtoffers die zich hebben verdedigd na een geweldsincident |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lizzy (21) uit het niets zwaar mishandeld door getinte spierbundel: «Hij stormde op me af en begon me in mijn gezicht te slaan»»?1
Ja.
Hoe vaak is sinds 1 januari 2026 geweigerd dan wel afgeraden een aangifte van een geweldsslachtoffer op te nemen omdat de politie meende dat sprake was van een conflict tussen beide partijen, wederzijds geweld of noodweer/zelfverdediging? Wordt dit geregistreerd? Zo nee, waarom niet?
Wanneer er vermoedens zijn van een strafbaar feit, wordt er altijd aangeraden en aangemoedigd om hiervan aangifte te doen bij de politie.
De politie is verantwoordelijk voor toegankelijke en zorgvuldige dienstverlening aan iedere burger. Aangiften worden, ongeacht de ernst van het misdrijf, opgenomen wanneer zij aan de wettelijke vereisten voldoen. Dit wordt niet geregistreerd, omdat de politie geen gegevens vastlegt over aangiftes die niet zijn opgenomen.
Kunt u aangeven op grond van welke wettelijke bepalingen, beleidsregels of werkinstructies de politie kan besluiten een aangifte van een geweldsincident niet op te nemen? Op basis van welke criteria beoordeelt de politie of een aangifte wel of niet wordt opgenomen?
Eenieder die kennis draagt van een strafbaar feit mag hiervan aangifte doen. Aangiften worden, ongeacht de ernst van het misdrijf, opgenomen wanneer zij aan de wettelijke vereisten voldoen. Bij de verdere opvolging en prioritering van zaken weegt de politie onder meer de ernst van het misdrijf, de situatie van het slachtoffer en het belang van eventueel opsporingsonderzoek mee.
Het maken van keuzes in de opsporing behoort standaard tot het werk van het Openbaar Ministerie en de politie en vindt plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.
Deelt u de opvatting dat slachtoffers die zich hebben verdedigd, niet ontmoedigd mogen worden om aangifte te doen? Zo nee, waarom niet?
Slachtoffers hebben altijd recht om aangifte te doen. De politie moedigt het juist aan om aangifte te doen wanneer er sprake is, of vermoedens zijn van een strafbaar feit. Er zijn verschillende manieren voor slachtoffers om aangifte te doen.
Zo ontwikkelt de politie haar dienstverlening steeds meer in een omnichannel-vorm, ook voor het doen van aangifte. Dat houdt in dat burgers, afhankelijk van de aard van hun melding, via de juiste route worden geholpen, zodat het contact aansluit bij hun situatie en behoefte. Voor het doen van aangifte zijn politie.nl en 0900-8844 in principe de primaire ingangen. Via deze kanalen kan voor een aantal strafbare feiten direct aangifte worden gedaan. In andere gevallen adviseert en verwijst de politie bijvoorbeeld om telefonisch aangifte te doen of een afspraak te maken voor een aangifte op het bureau.
Op welke wijze wordt de politie geïnstrueerd om onderscheid te maken tussen een aanvaller en iemand die uit noodweer of zelfverdediging heeft gehandeld?
De opleiding BOA Intake en Service van de Politieacademie leidt de deelnemers op als eerste aanspreekpunt voor burgers aan de telefoon of aan de balie. Wat betreft de opname van aangiftes wordt van de politiemedewerkers verwacht dat zij de richtlijnen volgen, maar hier ook beargumenteerd van kunnen afwijken als de situatie daarom vraagt.
De politiemedewerkers worden getraind om bij het opnemen van aangiftes gesprekstechnieken toe te passen en de hulpvraag en de situatie te verduidelijken, zodat de feitelijke gegevens zo goed mogelijk op papier komen. Het is aan het OM om op basis van alle verklaringen in het proces-verbaal te beoordelen of er sprake is van noodweer of zelfverdediging.
Acht u het wenselijk dat de politie slachtoffers actief informeert over de mogelijkheid om aangifte te doen, ook wanneer zij zich tijdens het incident hebben verdedigd? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat slachtoffers nooit de indruk mogen krijgen dat zij geen aangifte kunnen doen omdat zij zich tegen een aanval hebben verdedigd? Welke maatregelen neemt u om dit te waarborgen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de werkinstructies voor de politie aan te scherpen, zodat slachtoffers van geweld niet worden ontmoedigd aangifte te doen en aangiften in beginsel altijd worden opgenomen?
De politie heeft voldoende handvatten om aangiftes goed en professioneel op te pakken. Er zijn mij geen signalen bekend die vragen om aanscherping van de werkinstructies van de politie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk, in ieder geval vóór 9 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Het bericht ‘Drugs stromen via doodnormale post Nederland binnen: ‘Criminelen gebruiken meerdere routes tegelijk’ |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Eerenberg , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drugs stromen via doodnormale post Nederland binnen: «Criminelen gebruiken meerdere routes tegelijk»»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de drugssmokkel via (pakket)post zich steeds meer verplaatst van uitgaande naar inkomende en doorvoerzendingen, terwijl de bestaande aanpak van het Hit en Run Postteam (HARP), vooral op de uitgaande stroom is gericht en zo ja, deelt u de conclusie dat hier een blinde vlek in de huidige aanpak zit?
Het toezicht door de Douane vindt ook plaats op inkomende en doorvoerzendingen van pakketten. Op basis van risicoprofielen worden pakketten die binnenkomen via de luchtvracht op Schiphol en andere luchthavens gecontroleerd. Er worden significante vangsten gedaan, waaronder grote hoeveelheden marihuana en cocaïne. Er vindt ook opsporing en vervolging plaats. Op Schiphol gebeurt dat bijvoorbeeld door het Cargo HARC-team, een samenwerkingsverband van de Douane, de Koninklijke Marechaussee en de FIOD.
Daarnaast verricht de politie onder andere opsporingsonderzoeken naar verdachten die drugs vanuit het buitenland naar Nederland versturen. Het betreft hier niet een verplaatsing van uitgaand naar inkomend. De uitgaande stroom neemt niet af, maar lijkt eerder te groeien en professionaliseren. Daarnaast is er een trend ontstaan waarbij met name cannabisproducten per post binnenkomen. Een oorzaak ligt hier vooral in de (gedeeltelijke) legalisering van marihuana in delen vanuit Noord-Amerika. Binnen de EU is vrij verkeer van goederen. Hierdoor is relatief weinig toezicht op stromen binnen de EU.
Wat is volgens u de verklaring voor de forse stijging van respectievelijk 2.184 kilo marihuana, 212 kilo ketamine en 38 kilo crystal meth en welke aanvullende maatregelen treft u naar aanleiding van deze drie trends?
De Douane ziet de smokkel van marihuana via pakketten en postzendingen als een vast onderdeel van het verdienmodel van criminelen. Om deze reden heeft de Douane in 2025 de risicoprofielen op marihuana aangescherpt. Daarnaast is de samenwerking gezocht met andere landen om de aanpak van deze smokkel te versterken. De Douane heeft op 2 juni 2026 samen met België, Frankrijk en Canada een intentieverklaring voor nauwere samenwerking tegen internationale drugshandel ondertekend.
De stijging van ketamine is een wereldwijde trend. Ketamine is in veel landen geen lijst 1 drugs maar een geneesmiddel, zo ook in Nederland. Dit maakt ketamine kwetsbaar voor misbruik en weglek naar het illegale circuit, o.a. door het gebruik van bedrijfsconstructies waarmee de handel als legitiem wordt gepresenteerd.
De Douane heeft specifiek in de post- en pakketstroom de registratie van vangsten verdovende middelen verder verbeterd. Ook dit kan een reden zijn voor hogere geregistreerde vangsten in de eerste helft van dit jaar vergeleken met voorgaande jaren. De Douane blijft de vangsten ketamine en methamfetamine monitoren.
In hoeverre worden post- en pakketbedrijven verplicht of aangespoord om adresvalidatie toe te passen bij internationale zendingen en overweegt u aanpassing van regelgeving om dit te bereiken?
Een adresvalidatie is niet verplicht en het kabinet acht het niet proportioneel om de regelgeving aan te passen gelet op het totale volume, de inbreuk op de privacy en de verzwaring van de administratieve lasten.
Welke aanvullende afspraken bent u voornemens te maken in EU-verband om beter samen te werken om drugsverzendingen per post tegen te gaan en bent u bereid in dit kader analoog aan de Europese Havenalliantie ook een Europese Postalliantie te verkennen?
Op dit moment is er geen Europese Postalliantie zoals deze voor de havenautoriteiten bestaat, maar de Europese Commissie heeft voorgesteld een samenwerkingsverband op dit thema op te richten als onderdeel van de uitwerking van één van de acties onder het EU-actieplan2 tegen drugshandel dat afgelopen voorjaar door de Raad omarmd is. Het betreft het opzetten van een EU-forum door de Europese Commissie dat post- en pakketdiensten samenbrengt met nationale overheden, douane en rechtshandhaving. Het doel is de samenwerking te versterken om drugshandel en de stroom van verboden goederen via post- en pakketketens beter te detecteren en te verstoren. Daarbij is extra aandacht voor intra-EU-post- en pakketstromen.
Nederland staat positief tegenover deze actie, die overigens nog wel verder moet worden uitgewerkt door de Europese Commissie.
Daarnaast wordt binnen het European Customs Alliance for Borders (EUCAB) expertteam op het gebied van training in kaart gebracht waar de behoeftes bij lidstaten liggen; een daarvan is scan en detectie binnen het postproces. Eveneens worden er vanuit CEPOL trainingen aangeboden met betrekking tot drugs via de post.
Kunt u aangeven of de motie Michon-Derkzen inmiddels volledig is uitgevoerd en zo niet, of u dan bereid bent de motie alsnog uit te voeren en bijvoorbeeld de jaarlijkse inbeslagname per postbedrijf openbaar te maken?2
De motie van het lid Michon-Derkzen (VVD) c.s. over een integraal plan om de verzending van drugs per post of pakket een halt toe te roepen, is bij Kamerbrief van 21 juni 2024 afgerond (bijlage bij Halfjaarbrief aanpak georganiseerde, ondermijnende criminaliteit).
In het bericht wordt gesteld dat PostNL volledige medewerking verleent aan controles en investeert in preventie en samenwerking; geldt dit ook voor de andere grote post- en pakketbedrijven en kunt u de Kamer hierover per bedrijf informeren?
De post- en pakketdiensten doen waartoe ze verplicht zijn en ze zijn daarmee richting de opsporingsdiensten voldoende compliant.
Bent u bereid naast de antwoorden op deze vragen de Kamer voorafgaand aan het commissiedebat Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit van 15 oktober 2026 een geactualiseerde integrale voortgangsrapportage te sturen over drugs per (pakket)post?
Een dergelijke voortgangsrapportage heeft in de dagelijkse praktijk te weinig meerwaarde en het maken ervan kost veel capaciteit. De Staatssecretaris van Financiën en ik nodigen u daarom in plaats daarvan graag uit voor een werkbezoek, dat meer inzicht biedt dan in cijfers alleen.
Het uitblijven van een volledige strafrechtelijke afhandeling van de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR-/Palliebestormers stadhuis verdwenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het binnendringen van een gemeenteraad, het verstoren van een raadsvergadering en het intimideren van gekozen volksvertegenwoordigers een frontale aanval vormen op onze democratische rechtsorde en daarom keihard en maximaal moeten worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. Het intimideren van volksvertegenwoordigers is tevens volstrekt onacceptabel. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het OM om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering bestraft dient te worden.
Hoe kan het dat ruim een jaar na de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad, terwijl de gebeurtenissen volledig op beeld zijn vastgelegd en de identiteit van meerdere betrokkenen bekend is, nog altijd geen volledige strafrechtelijke afhandeling heeft plaatsgevonden?
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed mevrouw Hessel aangifte voor het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden. Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting, is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie over de voortgang bekend zal worden.
Hoe beoordeelt u het feit dat de burgemeester van Utrecht geen aangifte heeft gedaan van de ordeverstoring in de raadszaal zelf, de betrokken actievoerders publiekelijk voor de camera van RTV Utrecht in bescherming nam en later samen optrok met de organisator van het protest? Deelt u de mening dat hierdoor de burgemeester de ernst van deze aanval op de democratie enorm heeft gebagatelliseerd en dat dit een enorm dieptepunt is voor onze democratie?
Het is niet aan mij om de bestuurlijke keuzes en het optreden van de burgemeester in dezen te beoordelen.
Klopt het dat raadslid Yvonne Hessel wél aangifte heeft gedaan van de ordeverstoring in de raadszaal, dat de politie deze aangifte heeft onderzocht en vervolgens heeft doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie, terwijl het Openbaar Ministerie later heeft aangegeven deze aangifte niet te hebben ontvangen? Hoe kan een aangifte in een zaak van deze ernst in hemelsnaam verdwijnen? Bent u hierover al in gesprek geweest met het Openbaar Ministerie? Zo ja, wat is daarbij besproken?
Een paar weken na de aangifte van de burgemeester heeft het raadslid Hessel aangifte gedaan van het verstoren van diezelfde raadsvergadering. Dit betreft een ander strafbaar feit dan de aangifte van de burgemeester, Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord. In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen. De communicatie hierover richting mevrouw Hessel is niet goed geweest en daardoor is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aangeboden.
Er is dus geen sprake van een verdwenen aangifte.
Heeft de burgemeester van Utrecht vóór, tijdens of na de aangifte op enig moment contact gehad met het Openbaar Ministerie over de strafrechtelijke afhandeling van deze zaak? Zo ja, wanneer, met wie en wat is daarbij concreet besproken?
Het besluit om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak. Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
Bent u bereid volledig en onafhankelijk te laten onderzoeken hoe deze aangifte heeft kunnen verdwijnen, wie daarvoor verantwoordelijk is, of daarbij fouten, nalatigheid, beïnvloeding of belemmering een rol hebben gespeeld en welke consequenties hieraan verbonden worden en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren? Zo nee, waarom niet? . Deelt u de mening dat burgemeesters bij strafbare feiten die worden gepleegd tijdens een gemeenteraadsvergadering altijd aangifte behoren te doen om de lokale democratie te beschermen? Bent u bereid hierover landelijke afspraken of een richtlijn op te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5. Er is geen sprake van een verdwenen aangifte.
Waarom heeft het Openbaar Ministerie niet uit eigen beweging strafrechtelijk opgetreden tegen de personen die de Utrechtse gemeenteraad hebben bestormd en de vergadering hebben verstoord, terwijl deze gebeurtenissen uitgebreid op beeld zijn vastgelegd en publiekelijk bekend waren? Hoe rijmt u dit met de taak van het Openbaar Ministerie om strafbare feiten op te sporen en te vervolgen?
Het kabinet roept politieke ambtsdragers op om normerend op te treden en altijd aangifte te doen van intimidatie of van handelingen die de lokale democratie onder druk zetten. Het is aan de ambtsdrager zelf om daarbij alle omstandigheden af te wegen en een besluit te nemen.
Acht u het aanvaardbaar dat personen die een democratisch gekozen gemeenteraad hebben bestormd, de vergadering hebben verstoord en hiermee de democratie frontaal hebben aangevallen mogelijk geheel of gedeeltelijk buiten vervolging blijven? Zo nee, bent u bereid alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijken alsnog zo spoedig mogelijk strafrechtelijk worden vervolgd met maximale strafeisen?
Zie het antwoord op vraag 3. Het OM heeft ervoor gekozen om voor de zwaarste feiten vervolging in te stellen.
Indien uit onderzoek blijkt dat de burgemeester van Utrecht op welke wijze dan ook betrokken is geweest bij het verdwijnen van de aangifte of het frustreren van de strafrechtelijke afhandeling van deze aanval op de lokale democratie, deelt u dan de mening dat zij per direct niet langer houdbaar is als burgemeester en dat niet alleen een procedure tot schorsing en ontslag onmiddellijk in gang moet worden gezet, maar ook strafrechtelijke vervolging? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 3 en 9. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen voor welke feiten vervolging wordt ingesteld.
Het bericht 'Privacy terreurverdachte Muhammed K. (19) volgens rechter ontzettend belangrijk: ’Telefoon maximaal twaalf keer per jaar gecontroleerd’' |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Privacy terreurverdachte Muhammed K. (19) volgens rechter ontzettend belangrijk: «Telefoon maximaal twaalf keer per jaar gecontroleerd»»?1
Ja.
Wat is, los van de beleidstechnische inhoud, uw persoonlijke reactie op dit bericht? Zakt bij u ook de moed in de schoenen over de prioriteiten en capaciteiten van de overheid (en haar aanhangende organisaties) bij het lezen van dergelijke berichten?
Ik begrijp goed dat deze berichtgeving gevoelens van onbegrip kan oproepen. Dat iemand die eerder is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf opnieuw is aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf, is buitengewoon ernstig en zorgelijk.
De recente aanhoudingen onderstrepen de bevindingen in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland dat de jihadistische dreiging de belangrijkste en meest bepalende factor voor de terroristische dreiging is in Nederland. Alleen door een onverminderde inzet op zowel lokaal als nationaal niveau kunnen we de veiligheid blijven waarborgen. De politie en de inlichtingendiensten continueren hun inzet om potentiële dreigingen direct te verstoren, met als recent voorbeeld meerdere aanhoudingen van terrorismeverdachten de afgelopen maanden.
Tegelijkertijd kan geen enkele aanpak het risico op terroristisch geweld of recidive volledig uitsluiten. Dat mag echter nooit een reden zijn om daarin te berusten. Nieuwe signalen moeten steeds opnieuw worden beoordeeld en waar blijkt dat de aanpak, het toezicht of de samenwerking kan worden versterkt, moeten daar concrete lessen en maatregelen uit volgen.
Deelt u de mening dat in deze casus, en helaas veel vaker, de overheid tekortschiet in het beschermen van haar burgers en dat dit tekortkomen bij dit soort incidenten pijnlijk aan het licht komt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel terroristen (in wording) staan momenteel onder toezicht van de reclassering met een dergelijke beperking in het toezicht zoals bij Muhammed K.?
Reclassering Nederland draagt met een landelijk team van gespecialiseerde reclasseringsprofessionals, het zogeheten TER-team, bij aan het verkleinen van de dreiging die uitgaat van volwassen verdachten of veroordeelden van strafbare feiten die zij pleegden vanuit extremistische, terroristische en/of geradicaliseerde overtuigingen.
Het TER-team houdt momenteel toezicht op in totaal 26 volwassen personen aan wie de voorwaarde «meewerken aan controle gegevensdragers» is opgelegd. Hieronder vallen ook personen met links- en rechts-extremistische overtuigingen en personen die zich soeverein hebben verklaard.
Bij de Raad voor de Kinderbescherming staan 30 jeugd-CTER zaken geregistreerd. Er zit geen specifiek kenmerk op bijzondere voorwaarden in de registratie van Toezicht en Begeleidingszaken binnen Gecertificeerde Instellingen (GI’s) vanuit de jeugdreclassering.
Deelt u de mening mening dat dergelijke deradicaliseringstrajecten juist door deze terroristen misbruikt kunnen worden om hun dossier te verschonen door goed gedrag te vertonen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet uit te sluiten dat iemand bij een begeleidingstraject sociaal wenselijk gedrag vertoont of probeert de betrokken professionals te misleiden. Sociaal wenselijk of strategisch gedrag in dit werkveld is een bekend en onderkend fenomeen, hierin zijn de professionals die dergelijke trajecten uitvoeren dan ook getraind De beoordeling wordt daarom niet uitsluitend gebaseerd op wat een betrokkene tijdens gesprekken verklaart of op gedurende korte tijd vertoond positief gedrag, er wordt ook gekeken naar objectieve informatie en gebruikgemaakt van objectieve criteria. De ontwikkeling wordt over een lange periode bezien, waarbij verschillende waarnemingen, informatiebronnen en professionele inzichten worden betrokken. Daarbij kan onder meer worden gekeken naar de naleving van opgelegde voorwaarden, concrete gedragsveranderingen, relevante contacten, risico- en beschermende factoren en eventuele nieuwe signalen.
Daarbij is van belang dat onderscheid wordt gemaakt tussen deradicalisering en disengagement. Deradicalisering is gericht op het afstand nemen van extremistisch gedachtegoed en een verandering in waarden, attitudes en opvattingen, terwijl disengagement ziet op het beëindigen van extremistisch of terroristisch gedrag en het verbreken van banden met extremistische personen of netwerken. Een verandering van overtuigingen is niet altijd volledig vast te stellen en is ook niet in alle gevallen (direct) haalbaar. Daarom wordt in de praktijk tevens ingezet op concrete en duurzame gedragsverandering en op het verminderen van het risico op (extremistisch) geweld.
Een deradicaliserings- of disengagementstraject is bovendien geen op zichzelf staande garantie en komt niet in de plaats van strafrechtelijk optreden, reclasseringstoezicht of de inzet van politie en veiligheidsdiensten wanneer daar aanleiding voor bestaat. Volledige zekerheid over iemands overtuigingen en toekomstig gedrag kan niet worden gegeven. Nieuwe of afwijkende signalen kunnen daarom aanleiding geven om het risicobeeld opnieuw te beoordelen en de inzet waar nodig aan te passen of te intensiveren.
Deelt u de mening dat toezicht op mobiele apparaten totaal nutteloos is indien dit slechts één keer per maand plaatsvindt en de betreffende terrorist ook nog vrijuit andere toestellen kan gebruiken en chats/gegevens kan wissen voorafgaand aan de controle? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
De rechtbank bepaalt welke voorwaarden of vorm(en) van controle nodig zijn en in sommige gevallen ook hoe vaak. De partij die belast is met het uitvoeren van controles, bepaalt wanneer deze worden uitgevoerd. Deze controles kunnen onaangekondigd worden uitgevoerd. Dit vergroot de kans dat iemand zich structureel zal conformeren aan een opgelegde voorwaarde. Tegelijkertijd ben ik, zoals in mijn brief van 22 mei 20262 vermeld, met de reclassering in gesprek over de mogelijkheden om een vergelijkbare methodiek te ontwikkelen voor controle inzake online terrorisme en (gewelddadig) extremisme delicten, zoals de reclassering die heeft ontwikkeld om te controleren of een justitiabele zich houdt aan de bijzondere voorwaarde «vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik».
Daarnaast is het de taak van reclasseringswerkers om cliënten te motiveren om zich uit eigen beweging te houden aan opgelegde voorwaarden. Daarbij zijn de voorwaarden onderdeel van het kader om het gesprek aan te gaan over gedragsverandering. De reclassering zet zich immers in voor duurzame gedragsverandering en niet enkel het naleven van een tijdelijke voorwaarde.
Bent u van mening dat rechters bij hun aanstelling voldoende zijn toegerust om dit soort terrorismezaken met voldoende oog voor de bescherming van de samenleving te beoordelen? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, waar schiet het huidige kader tekort?
Rechters doorlopen een strenge selectie en een langdurig en intensief inwerktraject voordat zij zelfstandig als rechter aan het werk gaan. Een rechter in opleiding wordt opgeleid in verschillende rechtsgebieden met een daarbij passend cursusaanbod. Rechters in opleiding worden opgeleid en begeleid door ervaren collega’s. Ook na deze opleiding zijn rechters verplicht trainingen en cursussen te volgen. Door permanente educatie worden kennis en vaardigheden actueel gehouden en verder uitgebreid. SSR, het opleidingsinstituut van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie, biedt cursussen aan op het gebied van terrorisme en terrorismebestrijding zodat rechters goed in staat zijn om zaken op dit gebied aan te pakken en te beoordelen. Binnen het cursusaanbod is ook aandacht voor de verschillende fasen van het terrorismeonderzoek.
Wij zijn ons ervan bewust dat u geen harde kritiek op de Rechtspraak wilt leveren, maar kunt u zich ook niet aan de indruk onttrekken dat er in deze casus, en wellicht vaker, sprake is van flinke naïviteit bij de Rechtspraak? Zo nee, waarom niet?
De rechter kijkt bij de behandeling van iedere zaak naar alle relevante feiten en omstandigheden van de zaak. Bij het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf weegt de rechter steeds zorgvuldig of die voorwaarden noodzakelijk, geschikt en proportioneel zijn. Als een voorwaarde een inbreuk maakt op grondrechten – zoals de privacy – is het aan de rechter om de proportionaliteit te bewaken. Een begrenzing, zoals een maximumaantal controles, kan daarbij dienen om de inbreuk niet verder te laten gaan dan nodig is. Het past mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen en afwegingen die door rechters worden gemaakt in rechterlijke uitspraken.
"De Blauwe Haven" |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de voormalig projectleider van De Blauwe Haven disciplinair is bestraft met een terugzetting in rang en salaris en vervolgens wordt geplaatst in een andere, niet-leidinggevende functie?
Ja.
Wat is uw oordeel over deze disciplinaire maatregel? Acht u deze, gelet op de ernst van de geconstateerde misstanden en de voorbeeldfunctie van een leidinggevende binnen de politie, proportioneel?
In algemene zin vind ik het belangrijk dat meldingen van ongewenst gedrag en misstanden serieus worden onderzocht en dat de opgelegde maatregelen passend zijn. Ik heb vertrouwen in de werkwijze van het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO) en maatregelen die het bevoegd gezag neemt. In individuele casuïstiek doe ik geen uitspraken over de exacte gedragingen, overwegingen en opgelegde disciplinaire maatregelen.
Deelt u de opvatting dat van leidinggevenden binnen de politie mag worden verwacht dat zij actief zorgdragen voor een sociaal veilige werkomgeving en dat het niet ingrijpen bij seksueel grensoverschrijdend gedrag een ernstige schending van die verantwoordelijkheid vormt? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de relatief beperkte disciplinaire sanctie die in dit geval is opgelegd?
Ik deel de opvatting dat leidinggevenden bij de politie een belangrijke taak hebben bij het signaleren en voorkomen van ongewenst gedrag. Van hen wordt verwacht dat zij actief bijdragen aan een sociaal veilig werkklimaat. Hun houding en gedrag straalt af op andere politiemedewerkers. Ook de manier waarop zij met een melding van grensoverschrijdend gedrag omgaan, kan invloed hebben op het gevoel van procedurele rechtvaardigheid van betrokkene. Voor leidinggevenden is het herkennen en erkennen van ongewenst en (seksueel) overschrijdend gedrag belangrijk. Zij moeten in staat zijn om het gesprek hierover aan te gaan in het team, maar ook moeten zij weten bij wie een medewerker terecht kan en wat de formele stappen zijn voor het vervolgtraject. Samen met de korpschef zet ik mij ervoor in dat leidinggevenden worden getraind en opgeleid op een wijze dat zij hun rol goed kunnen vervullen en kunnen bijdragen aan een veilige en inclusieve werkcultuur.
Voor wat betreft de opgelegde disciplinaire maatregel verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Welke norm geldt volgens u voor leidinggevenden die op de hoogte zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag, maar nalaten in te grijpen? Wanneer is dergelijk nalaten volgens u aanleiding voor disciplinair ontslag?
Medewerkers die op de hoogte zijn van misstanden worden aangemoedigd dit te melden. Dit geldt nog meer voor medewerkers in een leidinggevende positie. Van hen wordt verwacht dat zij actief bijdragen aan een sociaal veilig werkklimaat. Het nalaten om in te grijpen en/of het laten voortbestaan van een ongewenste situatie in hun team kan hen worden aangerekend als een vorm van plichtsverzuim.
Deelt u de opvatting dat een disciplinaire maatregel bij ernstig plichtsverzuim door een leidinggevende niet alleen recht moet doen aan de individuele zaak, maar ook een duidelijke norm moet uitdragen richting de gehele politieorganisatie? Zo ja, bent u van mening dat de in deze zaak opgelegde maatregel aan die norm voldoet? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de opvatting dat een disciplinaire maatregel zowel recht moet doen aan een individuele kwestie maar ook normstellend moet zijn in algemene zin. Hierbij geldt dat medewerkers van de politie een veilige werkomgeving moeten hebben. Iedere vorm van ongewenst gedrag keuren de korpsleiding en ik af. Ik vind het daarom extra belangrijk dat meldingen van ongewenst gedrag en misstanden serieus worden opgepakt en er vanuit de organisatie een reactie volgt. Dit draagt bij aan een gevoel van procedurele rechtvaardigheid en bevestigt de norm.
In individuele casuïstiek doe ik geen uitspraken over de exacte gedragingen, overwegingen en opgelegde disciplinaire maatregelen.
Hoe verhoudt de uitspraak van de korpschef dat met de opgelegde maatregelen duidelijk wordt gemaakt dat grensoverschrijdend gedrag binnen de politie niet wordt geaccepteerd, zich tot de keuze om de betrokken leidinggevende niet disciplinair te ontslaan, maar over te plaatsen naar een andere functie?
Ik vind het belangrijk dat meldingen van grensoverschrijdend gedrag en misstanden serieus worden onderzocht en dat de opgelegde maatregelen passend zijn. Hiervoor wordt een zorgvuldig proces doorlopen waarbij verschillende waarborgen gelden, zodat op gelijke wijze wordt getoetst welke disciplinaire straf in een concreet geval passend is. Dit proces blijft maatwerk. Op basis van de uitkomsten van een disciplinair onderzoek kan aan de medewerker een straf worden opgelegd wegens plichtsverzuim.
Een straf wegens plichtsverzuim kan volgens artikel 77 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), variëren van een schriftelijke berisping, plaatsing in een lagere salarisschaal of ontslag. In individuele casuïstiek doe ik geen uitspraken over de exacte gedragingen, overwegingen en opgelegde disciplinaire maatregelen.
In de beantwoording van eerdere Kamervragen gaf u aan dat de politie lering zou trekken uit deze ernstige affaire. Welke concrete organisatorische of personele maatregelen zijn sinds het LTIO-onderzoek genomen om te voorkomen dat leidinggevenden opnieuw tekortschieten bij meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag?
De versterking van het leiderschap is een belangrijke beleidsontwikkeling in «Stevig staan in deze tijd», de strategische agenda van de politie voor de periode 2025–2030.1 In deze strategische beleidsontwikkeling wordt gewerkt aan leiderschapsontwikkeling, met aandacht voor onder meer een verbeterde selectie en ontwikkeling en beoordeling van leidinggevenden. Dit met het doel om de kwaliteit en professionaliteit van leiderschap binnen de politie te versterken.
Voor wat betreft De Blauwe Haven is door de politie ingegrepen. Deze plek moet bij uitstek een omgeving zijn waar politiemensen onder veilige omstandigheden kunnen werken of re-integreren. Naast de drie disciplinaire trajecten zijn er wijzigingen doorgevoerd bij de leiding van de Blauwe Haven. Dit bevat onder meer het verstevigen van het aantal leidinggevenden en een wijziging in de structuur van het team.
Is de mogelijkheid onderzocht om de betrokken leidinggevende disciplinair te ontslaan? Zo ja, waarom is daarvan afgezien? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 6.
Acht u het wenselijk dat een medewerker die disciplinair verantwoordelijk is gehouden voor ernstige tekortkomingen op het gebied van sociale veiligheid zijn loopbaan binnen de politieorganisatie kan voortzetten? Zo ja, waarom?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 6.
Welke concrete waarborgen bestaan er om te voorkomen dat medewerkers die disciplinair verantwoordelijk zijn gehouden voor ernstige integriteits- of cultuurproblemen op een later moment opnieuw een leidinggevende functie binnen de politie kunnen bekleden?
Er bestaat op basis van het Barp geen straf dat een persoon geen leidinggevende functie meer mag bekleden. Het is staand beleid dat disciplinaire besluiten tien jaar in het personeelsdossier worden bewaard. Men kan de sollicitanten hierop bevragen. Ook kunnen in de sollicitatieprocedure referenten worden bevraagd. Bij het solliciteren op een leidinggevende functie wordt de kandidaat standaard gescreend. Bij een interne kandidaat wordt hiervoor ook het personeelsdossier geraadpleegd.
Geeft de uitkomst van het disciplinaire onderzoek, waarbij meerdere medewerkers disciplinair zijn bestraft, aanleiding om de noodzaak van een onafhankelijk onderzoek door de Rijksrecherche opnieuw te bezien? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk te vermelden dat er een helder onderscheid wordt gehanteerd tussen strafrechtelijke en disciplinaire onderzoeken. Het strafrechtelijk traject staat onder gezag van het Openbaar Ministerie (OM) en wordt uitgevoerd door de Rijksrecherche en/of de afdeling VIK. Het disciplinaire traject is onder gezag van de Korpschef of diens gemandateerde en wordt uitgevoerd door de afdeling VIK.
In verband met de rechtszekerheid van de betrokken medewerker is het wenselijk dat deze trajecten van elkaar gescheiden zijn. Hierover zijn, mede naar aanleiding van de Review interne onderzoeken uit 2020, nadere afspraken gemaakt tussen het OM en de politie. Bij een disciplinair onderzoek is een politiemedewerker namelijk verplicht tot medewerking, terwijl deze verplichting bij een strafrechtelijk onderzoek niet geldt. Hierdoor kan een medewerker zich in een disciplinair traject onbedoeld incrimineren, wat gevolgen kan hebben in een eventueel strafrechtelijk traject. Zodra er namelijk in een disciplinair onderzoek een vermoeden van een strafbaar feit wordt geconstateerd, wordt het OM hierover geïnformeerd. Het OM kan vervolgens een strafrechtelijk traject gelasten en daadwerkelijk tot vervolging overgaan.
Bij een melding over het gedrag en handelen van (een) politiemedewerker(s), waarbij mogelijk sprake is van een vermoeden van plichtsverzuim, vindt altijd triage plaats. In de triage kan o.a. worden besloten dat er een (oriënterend, disciplinair, lijn-, dan wel een melding aan het OM) onderzoek moet plaatsvinden. Het formele besluit om een onderzoek te starten, ligt bij het bevoegd gezag. Dit is in de praktijk de korpschef of de door hem gemandateerde leidinggevende zoals een politiechef of directeur. In beginsel worden interne onderzoeken uitgevoerd door de decentrale afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK). Als het onderzoek naar integriteitsschendingen complex, eenheidsoverstijgend of anderszins voldoet aan de inzetcriteria wordt dit, in opdracht van het bevoegd gezag, gedaan door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO). De politie heeft mij laten weten dat naar aanleiding van de signalen medewerkers van het onderzoeksteam van het LTIO met tientallen mensen hebben gesproken. Op basis hiervan zijn drie disciplinaire onderzoeken gestart. Ook is er naar aanleiding van een aangifte, één strafrechtelijk onderzoek gestart in opdracht van de officier van justitie. Deze medewerker is uiteindelijk niet strafrechtelijk vervolgd, omdat het OM van mening was dat disciplinair ingrijpen de voorkeur genoot boven strafrechtelijk ingrijpen. Deze medewerker is door de politie in 2025 ontslagen vanwege ernstig plichtsverzuim.
Kunt u uitsluiten dat gedragingen die disciplinair zijn aangemerkt als ernstig plichtsverzuim ook strafrechtelijk relevant zijn? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel? Zo nee, is het Openbaar Ministerie gevraagd deze gedragingen zelfstandig te beoordelen?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de criteria die de politie hanteert bij de keuze tussen overplaatsing, degradatie en disciplinair ontslag bij ernstig plichtsverzuim van leidinggevenden? Zo nee, waarom niet?
Het disciplinair onderzoek is bij uitstek een werkgeversverantwoordelijkheid en een belangrijk instrument van de korpschef om de integriteit van haar personeel te waarborgen en te bevorderen.
Er zijn binnen de politie op dit gebied geen specifieke richtlijnen voor leidinggevenden. Voor elke politiemedewerker, leidinggevende of niet, geldt dat er een disciplinair onderzoek gestart kan worden om te bepalen of er in een bepaald geval plichtsverzuim is gepleegd. Op basis van de uitkomsten van het disciplinaire onderzoek kan vervolgens via een zorgvuldig proces een straf worden opgelegd. Het feit dat iemand een leidinggevende functie bekleedt kan wel leiden tot een zwaardere straf, omdat diegene een voorbeeldfunctie heeft. Het opleggen van een straf is altijd maatwerk, aangezien het afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van de casus.
In 2020 heeft de politie een interne evaluatie uitgevoerd naar Interne onderzoeken. Hieruit zijn meerdere aanbevelingen voortgekomen, die grotendeels zijn doorgevoerd. De politie heeft continu aandacht voor het proces rondom interne onderzoeken en hoe dit verbeterd kan worden. Ik heb uw Kamer hierover regelmatig geïnformeerd.
Bent u bereid de disciplinaire richtlijnen voor leidinggevenden die ernstig tekortschieten bij het waarborgen van een sociaal veilige werkomgeving te laten evalueren en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Deelt u de opvatting dat leidinggevenden binnen de politie die ernstig tekortschieten in het waarborgen van een sociaal veilige werkomgeving in beginsel ongeschikt zijn voor een leidinggevende functie binnen de politie? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 10.