Kamervraag 2026Z13395

Het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen

Ingediend 17 juni 2026
Beantwoord 31 augustus 2026 (na 75 dagen)
Indiener Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA)
Beantwoord door Hans Vijlbrief (D66)
Onderwerpen bestuur organisatie en beleid parlement werk
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z13395.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2860.html
  • Vraag 1
    Kunt u uitdrukken welke groepen door de aanscherping van de referte-eis geen recht meer hebben op Werkloosheidswet (WW-)uitkering (in de huidige situatie wel WW zouden krijgen, maar door de aanscherping niet meer)? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot Algemene Ouderdomswet (AOW-)leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?

    In 2024 heeft het CBS voor de WW-instroom in 2022 en 2023 een analyse gemaakt van de gevolgen van een aanscherping van de referte-eis.1 Ten behoeve van de beantwoording van deze Kamervraag heeft UWV op basis van WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2024 en 2025 een nieuwe, recentere analyse gemaakt van de effecten van een eventuele aanscherping van de referte-eis van 26 uit 36 weken naar 42 uit 52 weken. UWV heeft gekeken hoeveel mensen in deze jaren geen recht zouden hebben gehad op een WW-uitkering indien de aangescherpte referte-eis toen van kracht zou zijn geweest. Uit de analyse van UWV volgt dat zowel voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2024 als 2025, circa 12% geen recht zou hebben gehad op een WW-uitkering door de aanscherping van de referte-eis. Dit percentage is in lijn met de analyse van het CBS. Die vond 14% voor 2022 en 11% voor 2023.
    De gevolgen voor verschillende groepen zijn in de tabellen hieronder weergegeven. Deze zijn weergegeven voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025. De tweede kolom van onderstaande tabellen geeft steeds de verdeling van de groep die bij een aangescherpte referte-eis het recht op een WW-uitkering zou verliezen. De derde kolom geeft ter vergelijking de verdeling van de groep die ondanks een strengere referte-eis het recht op WW zou behouden. De kolommen tellen verticaal op tot 100%. Bijvoorbeeld voor tabel 1: van alle WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025 die bij een aangescherpte het recht op WW-uitkering zou verliezen, was 22% tussen de 35 en 44 jaar. Voor de WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025 die ondanks een aanscherping van de referte-eis het recht op WW zouden behouden, was 23% tussen de 35 en 44 jaar.
    Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
    Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
    Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
    Gemiddelde leeftijd
    38 jaar
    40 jaar
    t/m 24 jaar
    14%
    10%
    25 t/m 34 jaar
    32%
    31%
    35 t/m 44 jaar
    22%
    23%
    45 t/m 54 jaar
    17%
    18%
    55 t/m 59 jaar
    7%
    9%
    60 t/m 64 jaar
    6%
    7%
    65 tot AOW-leeftijd
    1%
    2%
    Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
    Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
    Gemiddelde maandloon2
    € 2.701
    € 3.954
    Minder dan € 2.054 per maand
    33%
    18%
    € 2.054 tot € 2.697 per maand
    29%
    19%
    € 2.698 tot € 3.421 per maand
    20%
    20%
    € 3.422 tot € 4.751 per maand
    12%
    21%
    € 4.752 of meer per maand
    7%
    22%
    Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
    Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
    Vast contract
    6%
    36%
    Tijdelijk contract
    50%
    44%
    Oproepcontract
    14%
    7%
    Uitzendcontract
    27%
    13%
    Overig/onbekend
    3%
    1%
    Bij deze cijfers horen enkele kanttekeningen. Allereerst bevat de loonaangifte van werkgevers uitsluitend informatie over het aantal uren per loonaangiftetijdvak en niet over het aantal uren per week. In de uitvoeringspraktijk (en voor deze exercitie) verdeelt UWV het aantal verloonde uren per loonaangiftetijdvak evenredig over het aantal weken in het loonaangiftetijdvak.
    Ten tweede is, om de analyse behapbaar te houden, voor het bepalen of een werknemer zou voldoen aan de aangescherpte referte-eis een vereenvoudigde berekeningswijze gehanteerd die afwijkt van de daadwerkelijke uitvoeringspraktijk. Er is alleen gekeken naar het aantal verloonde uren in de periode van 36 dan wel 52 kalenderweken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag. Er is geen rekening gehouden met uitzonderingsgevallen, zoals bijvoorbeeld een verlengde referteperiode als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid of uren waarover geen loon is ontvangen maar wel recht bestond op loon. De cijfers moeten dus als een indicatie van de effecten worden gezien.

  • Vraag 2
    Kunt u uitdrukken wat de gevolgen zijn van de inkorting van de maximale WW-duur en de vertraagde opbouw van WW op de gemiddelde WW-duur? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot AOW-leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?

    Ten behoeve van de beantwoording van deze Kamervraag heeft UWV voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025 berekend wat het WW-recht zou zijn geweest indien een maximale WW-duur van 12 maanden zou gelden en de opbouw van WW-recht een halve maand per jaar arbeidsverleden zou zijn.2 De uitkomst van deze analyse is dat het gemiddelde toegekende WW-recht zou dalen van 12 maanden naar 7 maanden. De gevolgen voor verschillende groepen zijn in de tabellen hieronder weergegeven.
    Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
    Daadwerkelijk toegekend WW-recht
    Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
    t/m 24 jaar
    5 maanden
    3 maanden
    25 t/m 34 jaar
    8 maanden
    5 maanden
    35 t/m 44 jaar
    12 maanden
    7 maanden
    45 t/m 54 jaar
    18 maanden
    10 maanden
    55 t/m 59 jaar
    21 maanden
    11 maanden
    60 t/m 64 jaar
    22 maanden
    11 maanden
    65 tot AOW-leeftijd
    22 maanden
    11 maanden
    Daadwerkelijk toegekend WW-recht
    Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
    Minder dan € 2.054 per maand
    10 maanden
    6 maanden
    € 2.054 tot € 2.697 per maand
    10 maanden
    6 maanden
    € 2.698 tot € 3.421 per maand
    12 maanden
    7 maanden
    € 3.422 tot € 4.751 per maand
    14 maanden
    8 maanden
    € 4.752 of meer per maand
    17 maanden
    8 maanden
    Daadwerkelijk toegekend WW-recht
    Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
    Vast contract
    17 maanden
    9 maanden
    Tijdelijk contract
    11 maanden
    6 maanden
    Oproepcontract
    8 maanden
    5 maanden
    Uitzendcontract
    10 maanden
    6 maanden

  • Vraag 3
    Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW daadwerkelijk werkloos is?

    Van alle lopende WW-uitkering in maart 2026 was 64% op dat moment niet werkzaam in loondienst.3

  • Vraag 4
    Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW een baan naast de WW heeft?

    Van alle lopende WW-uitkering in maart 2026 was 36% op dat moment naast de WW-uitkering werkzaam in loondienst.4

  • Vraag 5
    Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst binnen keuringen er wordt bespaard door de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) af te schaffen? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?

    In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de WIA van afgelopen december5 is een schatting gemaakt van het aantal extra WIA-beoordelingen dat kan worden gedaan als de IVA wordt afgeschaft. Het gaat om ca. 7.500–12.000 extra beoordelingen per jaar. Afgezet tegen een beschikbare jaarlijkse capaciteit van ca. 60.000 beoordelingen betekent dat een gemiddelde versnelling van de beoordeling met ca. eenzesde oftewel 16%, of ca. 13% als wordt uitgegaan van de laagste schatting van 7.500 extra beoordelingen per jaar.
    Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.

  • Vraag 6
    Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst het oplevert dat mensen binnen de IVA niet herkeurd hoeven te worden, terwijl dit voor andere populaties binnen de WIA wel geldt? Kunt u aangeven hoe vaak er gemiddeld herkeuringen plaatsvinden binnen de periode dat mensen in de WIA zitten? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?

    Het is niet zo dat mensen binnen de IVA niet herbeoordeeld hoeven te worden. Zowel in de WGA als in de IVA geldt het uitgangspunt dat een herbeoordeling moet plaatsvinden als daartoe aanleiding is, bijvoorbeeld als iemands gezondheidssituatie is veranderd of als blijkt dat iemands inkomen uit werk is toegenomen. Daarbij komt dat het bestaan van de IVA er juist toe leidt dat meer herbeoordelingen worden aangevraagd in de WGA, omdat de werknemer en de werkgever (of diens verzekeraar) beide een financieel belang hebben bij een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. In de periode 2013–2021 werden per WGA-gerechtigde gemiddeld 0,4 herbeoordelingen gedaan als de werkgever publiek verzekerd was, en 0,8 herbeoordelingen als de werkgever eigenrisicodrager was voor de WGA.6
    Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2026Z13395
Volledige titel: Het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20252026-2860
Volledige titel: Antwoord op vragen van het lid Patijn over het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen