Kamervraag 2023Z18154

Schade in Groningen

Ingediend 24 oktober 2023
Beantwoord 22 december 2023 (na 59 dagen)
Indiener Wybren van Haga (BVNL)
Beantwoord door Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken) (D66)
Onderwerpen bodem huisvesting natuur en milieu organisatie en beleid
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2023Z18154.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20232024-707.html
  • Vraag 1
    Klopt het dat de memorie van eis van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in de arbitrage van september 2022 niet is overgelegd aan de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen (PEAG)?

    Dat klopt. De enquêtecommissie heeft tussen 11 februari 2021 en 12 juli 2022 in een aantal vorderingen afschriften van documenten opgevraagd. De Minister van EZK heeft deze in alle gevallen verstrekt of de enquêtecommissie in staat gesteld kennis te nemen van deze documenten. Zoals uit het eindrapport van de enquêtecommissie blijkt, heeft de commissie in de zomer van 2022 van het Ministerie van EZK en van NAM informatie gevorderd t.a.v. de standpunten van beide betrokken partijen (zie in «Groningers boven gas», verwijzingen naar de gevorderde schriftelijke inlichtingen in Boek 4, hoofdstuk 9, pagina 1439–1442, voetnoten 394 en 402). Het onderwerp van de arbitrage als zodanig viel dus binnen de reikwijdte van de genoemde vorderingen. De memorie van eis van de NAM dateert van september 2022, viel om die reden buiten de reikwijdte van de vorderingen.

  • Vraag 2
    Klopt het dat in de memorie van eis van de NAM de formele standpunten van de NAM ten aanzien van de versterking van de gebouwen in Groningen is weergegeven en kunt u aangeven hoeveel pagina’s het processtuk betreft?

    Het klopt dat de memorie van eis de formele standpunten van de NAM bevat inzake de versterking van gebouwen in Groningen. Het stuk bevat ongeveer 180 pagina’s, exclusief bijlage.

  • Vraag 3
    Bent u er zeker van dat de wijziging van artikel 52g Mijnbouwwet geen kapitale schade toebrengt aan de schatkist van de Staat der Nederlanden en zo ja, kunnen we hiervan de toetsing ontvangen waarbij extensief ingegaan wordt op de gevolgen voor de vergoedingsplicht van de NAM en de gevolgen voor de periode vanaf 1 januari 2020 tot het invoeren van de heffing en de argumenten uitgewisseld in de arbitrageprocedure?

    De wijziging van artikel 52g van de Mijnbouwwet die op dit moment bij uw Kamer ligt heeft geen enkele invloed op de betalingsverplichting van NAM voor de versterkingsoperatie.
    Het artikel 52g is ingevoerd met de Wet van 17 oktober 2018, houdende wijziging van de Gaswet en van de Mijnbouwwet betreffende het minimaliseren van de gaswinning uit het Groningenveld (Stb. 2018, 371). Het derde lid hiervan, waarmee de zorgplicht voor de veiligheid, die de basis vormt voor de versterkingsoperatie, van de vergunninghouder is overgeheveld naar de Staat, is in werking getreden met ingang van 19 december 2018. Dat werd geregeld in het Besluit van 6 december 2018 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel C, artikel 52g, derde lid, van de wet van 17 oktober 2018, houdende wijziging van de Gaswet en van de Mijnbouwwet betreffende het minimaliseren van de gaswinning uit het Groningenveld (Stb. 2018, 371) (Stb. 2018, 471).
    In de nota van toelichting bij dat besluit werd toegelicht dat deze datum was gekozen in verband met het kort daarvoor sluiten van de overeenkomst tussen de NAM en de Minister van Economische Zaken en Klimaat over de financiering van het treffen van maatregelen (Interim betalingsovereenkomst versterken; IBOV) (bijlage bij Kamerstuk 33 529, nr. 535). Die overeenkomst regelde de betalingsplicht voor de NAM voor de versterkingsoperatie tot, met diverse verlengingen, 1 juli 2023, waarna artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen de heffing op NAM (ook) voor de versterkingsoperatie regelt. Artikel 52g, derde lid, is vervolgens per diezelfde datum overgeheveld naar artikel 13ba van de Tijdelijke wet Groningen. Noch de invoering van artikel 52g Mijnbouwwet noch de wijziging daarvan heeft gevolgen gehad voor de mogelijkheid van de Staat om kosten in rekening te brengen bij NAM.
    Op dit moment ligt het wetsvoorstel tot wijziging van de Gaswet en Mijnbouwwet in verband met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld (Kamerstuk 36 441) voor in uw Kamer. In dit wetsvoorstel wordt artikel 52g aangepast met het oog op de beëindiging van de gaswinning. De wijziging heeft geen invloed op de betaalverplichting van NAM, omdat deze reeds is overgeheveld naar artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen.

  • Vraag 4
    Kunt u toelichten hoe het heeft kunnen gebeuren dat in de zomer van 2022, dus tijdens de parlementaire enquête en ook in het dossier Groningen waar transparantie uitgangspunt is, door de Minister of de Staatssecretaris is besloten om -anders dan bijvoorbeeld een openbare arbitrageprocedure of een openbare rechtbankprocedure- een slot te zetten op de processtukken, de inhoud van de arbitrageprocedure?

    Er is geen sprake van een specifiek slot op documenten. Arbitrage is een bij wet gereguleerde manier van geschilbeslechting waarbij vertrouwelijkheid een uitgangspunt is. De keuze om in het gasgebouw geschillen te beslechten op basis van arbitrage is in het begin van de samenwerking, in de jaren ’60 gemaakt. Specifiek voor de kosten voor versterking is de arbitragebepaling opgenomen, in de onder vraag 3 genoemde IBOV, in 2018. Daarbij is bepaald dat de uitspraak cq. uitkomst van de arbitrage openbaar wordt gemaakt.
    De Kamer is in februari, juni 2022 en voor het laatst in september 2023 geïnformeerd over de arbitrages met NAM. In mijn brief van 13 september jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 1172) heb ik aangeboden de Kamer vertrouwelijk nader te informeren over de argumenten die in de procedures gebruikt worden door beide partijen. Openbaar informeren over inhoudelijke elementen van deze procedures schaadt de procespositie van de Staat.

  • Vraag 5
    Is de keuze om een slot op de arbitrageprocedure te zetten alleen uw keuze, of is dit ook besproken of gedeeld met het kabinet of de regering dan wel de Minister-President?

    Er is, zoals in antwoord op vraag 4 reeds toegelicht, geen sprake van een keuze voor een slot en daarover heeft dus ook geen afstemming met het kabinet dan wel de Minister-President plaats gevonden.

  • Vraag 6
    Zijn er nog andere afspraken gemaakt ten aanzien van de arbitrageprocedure in het kabinet of de regering en zo ja, zijn deze geheim of openbaar en in beide gevallen? Graag ontvang ik een afschrift van die afspraken.

    Nee, er zijn geen afspraken gemaakt in het kabinet of de regering over de arbitrageprocedure.

  • Vraag 7
    Klopt het dat een arbitrageprocedure met een slot erop nooit de betrokken bewindvoerders ontslaat van de plicht om de documenten aan de parlementaire enquêtecommissie te verstrekken?

    Er is, zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht, geen sprake van een specifiek slot op documenten van de arbitrageprocedure. Indien deze zouden zijn opgevraagd zou er geen belemmering zijn geweest om de arbitragedocumenten aan de commissie te verstrekken of, vanwege overwegingen van vertrouwelijkheid, in elk geval de enquêtecommissie in staat te stellen kennis te nemen van deze documenten.

  • Vraag 8
    Is de keuze van een slot op de arbitrageprocedure gemaakt vanwege de fouten van de opvolgend VVD-Ministers in de versterkingsprocedure en specifiek Minister Wiebes in het Akkoord op Hoofdlijnen en de interim Betalingsovereenkomst Versterken (IBOV)(+)?

    Nee, hiervan is geen sprake zoals reeds toegelicht in antwoorden op vraag 4, 5, 6 en 7.

  • Vraag 9
    Klopt het dat alle versterkingskosten op grond van artikel 52g Mijnbouwwet en 6:95 BW voor rekening van NAM dienen te komen voor de periode vanaf 1 januari 2020, het publiek worden van de versterkingsoperatie?

    Artikel 52g van de Mijnbouwwet vormt geen grondslag voor de vergoedingsplicht voor NAM van de versterkingsoperatie. Zoals toegelicht in antwoord op vraag 3 werd die vergoedingsplicht tot 1 juli 2023 gevormd door de IBOV en sinds die datum door artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen.

  • Vraag 10
    Bent u met mij eens dat onder de Wettelijke Vergoedingsplicht Versterken door NAM voor Groningen, dus op basis van artikel 52g Mijnbouwwet en het Burgerlijk Wetboek, alle versterkingskosten vallen, waaronder maar niet beperkt tot:

    Zoals toegelicht in antwoord op vragen 3 en 9 wordt de betalingsplicht van NAM niet beheerst door artikel 52g van de Mijnbouwwet. Alle genoemde posten vallen wel onder de betalingsverplichting van NAM onder de IBOV en de Tijdelijke wet Groningen. Deze kosten worden dan ook gewoon in rekening gebracht bij NAM.

  • Vraag 11
    Op mijn vraag of de versterkingskosten 11 miljard euro bedragen, komt u terug met het in rekening gebrachte bedrag bij NAM van 1,1 miljard euro plus nog 4 miljard euro versterkingsgeld voor de periode van 2023 t/m 2028. Ik ben daarom ook gaan rekenen en kom meer in de buurt van mijn bedrag van 11 miljard euro. Op basis van miljoenennota 2024 en 2023 + alle overige versterkingskosten, kom ik uit op: versterkingskosten 2020 (onbekend) + 5.847 miljoen + beleidsmatige ontwikkelingen PEAG+ Apparaatskosten NCG + Bestuurlijke Afspraken 2020 1.5 miljard + Nationaal Programma Groningen 1,15 miljard. Toelichting 5.874 miljoen euro: namelijk (miljoenennota 2023) voor het jaar 2021 – einde een bedrag van 5.386 miljoen euro plus 461 miljoen euro (bijstelling miljoenennota 2024) = 5.847 miljoen. Graag uw reactie op de door mij opgevoerde posten. Waar u het niet eens bent met een (volledige) doorbelasting aan de NAM?

    In de rekensom uit de vraag lopen verschillende elementen door elkaar, zoals de reguliere versterkingskosten, uitgaven rondom bestuurlijke afspraken, het Nationaal Programma Groningen en ontwikeling PEGA.
    In de Bijlage Groningen Schade en Versterken bij de Miljoenennota 2024 is in tabel 22.4 een raming opgenomen voor de resterende periode van de versterkingsoperatie. Over de periode 2023–2028 telt deze op tot een bedrag van € 4,8 miljard. Dit is inclusief de apparaats- en uitvoeringskosten van de NCG. De betaalverplichting van NAM is vastgelegd in artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen en daar handel ik naar.

  • Vraag 12
    Hoe heeft het kunnen gebeuren dat met de Wiebes-overeenkomsten, namelijk het Akkoord op Hoofdlijnen uit 2018, de IBOV uit 2018 en de IBOV+ uit 2019 met de NAM, de wettelijke vergoedingsplicht versterken door de NAM voor Groningen (hierna ook: WVVNG) is ingeperkt?

    Op grond van de genoemde overeenkomsten is de NAM aan de Staat verplicht om alle kosten voor de versterkingsopgave te vergoeden. De vergoedingsplicht is dus niet ingeperkt.

  • Vraag 13
    Kunt u aangegeven waarom in het Akkoord op Hoofdlijnen, specifiek vanaf artikel 5.5 is opgenomen dat de apparaatskosten voor personeel, gebruik gebouwen, ICT, externe inhuur medewerkers, programmatuur, gebruik van diensten zoals DICTU van NCG (hierna gezamenlijk: Apparaatskosten) van de Wettelijke Vergoedingsplicht Versterken door de NAM voor Groningen zijn uitgezonderd?

    Er is waarschijnlijk sprake van een misverstand. Ten tijde van het Akkoord op Hoofdlijnen (AoH) was de verwachting dat zowel schade-afhandeling als versterking zouden worden uitgevoerd door een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Het AoH bepaalt dat de kosten van het bestuur van dit ZBO niet in rekening worden gebracht bij NAM om iedere schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. Alle overige apparaatskosten zouden wel in rekening worden gebracht. Uiteindelijk is alleen voor schade voor het ZBO-model gekozen in de vorm van het IMG. Bij het IMG worden de kosten die verband houden met de bezoldiging en huisvesting van de leden van het Instituut en de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut, niet in rekening gebracht bij NAM. Voor versterken is er geen ZBO, dus geen onafhankelijk bestuur, en worden alle apparaatskosten volledig in rekening gebracht bij NAM.
    Zoals uit onderstaande tabel, uit de ontwerpbegroting EZK, blijkt worden de apparaatsuitgaven van de NCG doorbelast aan de NAM.

  • Vraag 14
    Had het onttrekken van de Apparaatskosten van de Wettelijke Vergoedingsplicht Versterken door de NAM voor Groningen niet expliciet gemeld moeten worden aan de Kamer en had dit bovendien niet als staatssteun voor toetsing gemeld moeten worden bij de Europese Commissie?

    Zoals uit het antwoord op vraag 13 blijkt is er geen sprake van het onttrekken van apparaatskosten en daarom waren een melding aan de Kamer en een melding aan de Europese Commissie voor een staatsteuntoets niet aan de orde.

  • Vraag 15
    Kunt u aangeven wat de Apparaatskosten van NCG zijn voor de publieke versterkingsoperatie, namelijk de periode 1 januari 2020 tot aan het einde, met een onderverdeling van Apparaatskosten in de periode van 1 januari 2020 tot nu en vanaf nu tot het einde van de versterkingsoperatie?

    In tabel 66 van de ontwerpbegroting 2024 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 2, blz. 181) zijn de apparaatskosten van het hele departement inzichtelijk gemaakt.
    In deze tabel zijn ten onrechte de personeelskosten van de NCG meegenomen onder het kerndepartement. Dat is onjuist, want de NCG is een zogenoemde buitendienst. In onderstaande tabel is de raming 2023–2028 opgenomen. Voor de uitgaven 2020–2022 wordt verwezen naar het antwoord op vraag 13.
    Personeel
    112.396
    112.256
    112.773
    112.748
    106.986
    101.574
    Materieel
    30.985
    23.168
    21.150
    19.548
    18.567
    18.568

  • Vraag 16
    Kunt u de, vanwege belangen van de Staat der Nederlanden, weggelakte artikelen 5.8 en 5.9 van het Akkoord op Hoofdlijnen alsnog openbaar maken en zo ja, dan graag een kopie en zo nee, waarom niet en kunt u dan tenminste aangeven of hierin ook een beperking van de Wettelijke Vergoedingsplicht Versterken voor Groningen door de NAM is opgenomen en zo ja, voor welke kosten?

    Artikel 5.8 van het AoH is in 2018 ongelakt aan de Kamer toegezonden en bevat de volgende tekst:
    Artikel 5.9 bevat de volgende tekst:
    Deze bepaling was gelakt, omdat de openbaarmaking van deze bepaling destijds mogelijk onrust zou veroorzaken bij bewoners van de genoemde batches. Inmiddels is er voor deze batches een aanpak in uitvoering waardoor de tekst nu niet langer vertrouwelijk hoeft te blijven. Beide bepalingen bevatten geen beperking van de vergoedingsplicht van NAM.

  • Vraag 17
    Waarom is de Kamer bij het Akkoord op Hoofdlijnen in 2018 niet expliciet geïnformeerd over het verkleinen van de wettelijke vergoedingsplicht door NAM?

    Zoals hiervoor toegelicht in reactie op de vragen 12 tot en met 16 is er geen sprake van een inperking van de vergoedingsplicht door NAM.

  • Vraag 18
    Hoe heeft het kunnen gebeuren dat in de IBOV(+) de Wettelijke Vergoedingsplicht Versterken door NAM voor Groningen is teruggebracht, namelijk van een niet-limitatieve wettelijke vergoeding van alle vermogensschade en ander nadeel in Groningen naar een limitatief aantal kostenposten van de versterkingsoperatie in Groningen namelijk:

    De genoemde posten omvatten alle kosten die door de NCG voor de versterking worden gemaakt (beoordelen van de veiligheid en uitvoeren van versterking indien nodig). Alle kosten worden bij NAM in rekening gebracht. Er is geen sprake van een inperking van de vergoedingsplicht door NAM.

  • Vraag 19
    Waarom is de Kamer in 2018 niet expliciet geïnformeerd over deze (tweede) fundamentele wijziging en afwijking van de wettelijke vergoedingsplicht door NAM?

    Zoals hiervoor toegelicht is er geen sprake van een inperking van de vergoedingsplicht door NAM. De Kamer is geïnformeerd over het publiek maken van de versterkingsoperatie en de betaalafspraken met NAM bij brief van 26 november 2018 (Kamerstuk 33 529, nr. 535).

  • Vraag 20
    Is de Minister in 2018 bij het aangaan van het Akkoord op Hoofdlijnen dan wel bij het aangaan van de IBOV door de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) geïnformeerd dat een inperking van de wettelijke vergoedingsplicht door de exploitant verboden staatssteun aan NAM en haar aandeelhouders is in de zin van artikel 107 e.v. VWEU?

    Zoals hiervoor toegelicht is er geen sprake van een inperking van de vergoedingsplicht en dus geen sprake van staatssteun.

  • Vraag 21
    Is er een verband tussen enerzijds de in de PEAG uitspringende keuze van Minister Wiebes tot het stilleggen van de versterkingsoperatie in 2018 en anderzijds de Wiebesovereenkomsten uit dezelfde periode, waarin het wettelijke kostenverhaal van de Staat op NAM is beperkt?

    Nee, dit verband bestaat niet.

  • Vraag 22
    Klopt het dat naast de door de PEAG genoemde keuze voor het stilleggen van de versterkingsoperatie met verstrekkende gevolgen voor de Groningers, eveneens door Minister Wiebes een fout lijkt te zijn gemaakt met verstrekkende gevolgen voor de schatkist?

    Nee, het geschetste gevolg doet zich niet voor.

  • Vraag 23
    Is niet de essentie van een melding bij de Europese Commissie van staatssteun dat de Wiebesovereenkomsten worden getoetst aan verenigbaarheid met de Europese regels van staatssteun en dat dit in essentie zal leiden tot een verplichting van de Staat der Nederlanden om alle versterkingskosten te verhalen op NAM?

    Dit gaat alleen op wanneer er sprake zou zijn van ongeoorloofde staatsteun en dat is niet het geval, omdat de Staat alle versterkingskosten in rekening brengt bij NAM.

  • Vraag 24
    Zou je kunnen stellen dat het op het eerste gezicht lijkt alsof NAM handiger en slimmer is geweest bij het verkleinen van haar vergoedingsplicht voor versterken over de band van de Wiebesovereenkomsten, maar dat deze inperking nietig is voor zover wordt afgeweken van de wettelijke verplichting tot betaling van de versterkingskosten door NAM?

    Zoals uit de beantwoording van eerdere vragen blijkt is er geen sprake van verkleining van de vergoedingsplicht van NAM en dus gaat de stelling in deze vraag niet op.

  • Vraag 25
    Is staatssteun gebruikt door de Staat der Nederlanden in de arbitrageprocedure over de facturen op grond van de Wiebesovereenkomsten?

    Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven is vertrouwelijkheid een wettelijk vastgelegd uitgangspunt van arbitrage. Desgewenst kan ik uw Kamer vertrouwelijk informeren over de argumenten die door de Staat zijn gevoerd in deze procedure.

  • Vraag 26
    Gaat de Staat der Nederlanden voor een verhaal van alle versterkingskosten vanaf 1 januari 2020, niet alleen de facturen maken op grond van de Wiebesovereenkomsten?

    Ik verwijs naar de antwoorden op vragen 2 en 25.

  • Vraag 27
    Heeft u namens de Staat der Nederlanden al een staatssteunmelding gedaan voor de totale versterkingskosten en de inperking van de Wiebesovereenkomsten en zo nee, is dit er niet een verplichting om dit alsnog te doen op grond van de inzichten van vandaag?

    Nee, er is geen melding gedaan en er zijn geen inzichten die er toe leiden dit alsnog te doen.

  • Vraag 28
    Was het niet nuttig en eigenlijk essentieel geweest als de PEAG en ook de Kamer op de hoogte was gebracht van de gevolgen van de Wiebesovereenkomsten voor het verhaal van versterkingskosten op NAM en de mogelijkheid om dit via een staatssteunmelding bij de Europese Commissie alsnog recht te zetten?

    Ik verwijs naar het antwoord op vraag 27.

  • Vraag 29
    U heeft zoals ook eerder aangegeven dat via het gashuis uiteindelijk een 30 (NAM): 70 (Staat der Nederlanden) verdeling van de kosten ontstaat. Klopt het dat in 1963 een verdeling van de kosten is afgesproken op 60 (NAM): (40) Staat der Nederlanden. Kunt u het verschil toelichten?

    In 1963 is afgesproken om opbrengsten en kosten te verdelen in de verhouding 60 (NAM) en 40 (EBN). NAM is over haar aandeel Vennootschapsbelasting en mijnbouwheffingen aan de Staat verschuldigd en samen bedraagt dat 50% over het door NAM behaalde resultaat. Hierdoor komt indirect de helft van NAM’s resultaat weer toe aan de Staat waardoor uiteindelijk de verdeling van opbrengsten en kosten plaatsvindt in de verhouding 70 (Staat)/30 (NAM). Voor een nadere toelichting op de inkomsten uit het gasgebouw verwijs ik u naar de brief van 13 december 2021 (Kamerstuk 33 529, nr. 932).

  • Vraag 30
    Kunt u, in dat kader, nog eens toelichten waarom de verhouding 70 tot 30 procent is zoals u aangaf, bijvoorbeeld bij de niet denkbeeldige situatie dat er weinig tot geen baten zijn voor NAM en wel versterkingskosten voor rekening van NAM?

    De Staat ontvangt via het aandeel van EBN 40% van de winst. Via het winstaandeel en Vpb ontvangt de Staat ook de helft van het aandeel van 60% van de vergunninghouder. Dit leidt ertoe dat de Staat over de winningswinst uiteindelijk 70% van de opbrengst verminderd met 73% van de kosten ontvangt en dat komt overeen met ongeveer 70% van de winst. Als de NAM verlieslatend is, is er geen winst te verdelen en dan is de verdeling 40/60.

  • Vraag 31
    Zijn in het Ministerie van EZK maatregelen genomen vanwege de uitkomsten van de PEAG ten aanzien van het kerndepartement?

    Hoofdstuk 4 «bouwen aan een betere overheid» van de kabinetsreactie «Nij begun» beschrijft een breed pallet aan maatregelen die genomen zijn naar aanleiding van de uitkomsten van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen.

  • Vraag 32
    Gezien de inhoud van de Wiebesovereenkomsten, het integriteitsonderzoek en de uitkomsten van de PEAG ten aanzien van het kerndepartement, kunt u de Kamer ervan verzekeren dat de onderhandelingen met Shell en Exxon niet worden gevoerd door een of meer medewerkers die de Wiebesovereenkomsten hebben geschreven of onderhandeld met NAM en haar aandeelhouders en zo nee, kunt u hiertoe maatregelen nemen?

    Over de inzet van individuele medewerkers op specifieke dossiers doe ik geen uitspraken. In algemene zin kan ik aangeven dat de gesprekken met Shell en ExxonMobil een brede inzet vragen van capaciteit en expertise binnen het kerndepartement, externe deskundigen en de uitvoeringsorganisaties. Vanuit het kerndepartement zijn meerdere directies betrokken. Denk daarbij naast de primair verantwoordelijke beleidsdirectie ook aan de directie Wetgeving en Juridische Zaken (DWJZ) en de directie Financieel Economische Zaken (DFEZ).

  • Vraag 33
    Gezien de inhoud van de Wiebesovereenkomsten, het integriteitsonderzoek en de uitkomsten van de PEAG ten aanzien van het kerndepartement, kunt u de Kamer ervan verzekeren dat u op het verhaal van de totale versterkingskosten en ook het doen van een staatssteunmelding niet wordt geadviseerd door een of meer medewerkers die de Wiebesovereenkomsten hebben geschreven of onderhandeld met NAM en haar aandeelhouders en zo nee, kunt u hiertoe maatregelen nemen?

    Ik verwijs naar het antwoord op vraag 32.

  • Vraag 34
    Met de focus op de versterkingsoperatie en het afwikkelen van schade, is het niet beter om -naast de huidige DG voor Groningen- een apart tijdelijk DG op te richten waarin de versterkingskosten en kosten door schade worden verhaald?

    Nee.

  • Vraag 35
    Kunt u toelichten hetgeen u op 12 oktober 2023 in de Kamer aangaf, namelijk dat de IBOV per 1 juli 2023 niet meer van toepassing is op de versterkingsoperatie vanwege de heffing die is opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen?

    Met het van kracht worden van de Wet van 19 april 2023 tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (Stb. 2023, 164) vervalt de werking van de IBOV. De kosten voor de versterkingsoperatie worden vanaf deze datum in rekening gebracht door middel van een heffing, op grond van artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen.

  • Vraag 36
    Bent u met mij eens dat een van de twee wettelijke grondslagen voor verhaal van de versterkingskosten fundamenteel worden aangepast met het wetsvoorstel (kamerstuk 36 441), waarbij in het voorstel bijvoorbeeld wordt verwijderd de tekst dat de «houder van de winningsvergunning Groningenveld neemt alle noodzakelijke maatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval voor mens en milieu te beperken»?

    Zoals hiervoor toegelicht is de verhaalbaarheid van de versterkingskosten geregeld in artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen, is artikel 52g van de Mijnbouwwet hiervoor niet van belang en heeft dus ook een wijziging van dat artikel geen gevolgen voor de vergoedingsplicht van de NAM.
    De bedoelde verplichting wordt met het wetsvoorstel onder Kamerstuk 36 441 overigens niet verwijderd uit artikel 52g, maar slechts aangepast naar de situatie waarin de gaswinning definitief is beëindigd. Het voorgestelde artikel 52g, eerste lid, aanhef en onder b, komt te luiden: De houder van de winningsvergunning Groningenveld dan wel indien deze vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om [...] te voorkomen dat als gevolg van een mijnbouwwerk dat buiten werking is nadelige gevolgen voor mens en milieu worden veroorzaakt.

  • Vraag 37
    Bent u met mij eens dat het oorspronkelijke wetsartikel 52g kan blijven staan zo lang er schade ontstaat of versterking nodig is en zo nee, kunt u uitleggen wat hierop tegen is?

    Het artikel kan in de huidige vorm niet blijven bestaan, omdat dit enkel verplichtingen oplegt aan een vergunninghouder. De vergunning voor het Groningenveld zal zijn gelding verliezen. Daarom moet de bepaling worden aangepast om te bereiken dat na het beëindigen van de gaswinning de NAM zijn verplichtingen voor een ordentelijke en veilige ontmanteling van de putten behoudt.

  • Vraag 38
    Bent u bereid zorg te dragen dat er een externe heroverweging plaatsvindt van de recente Kamerstukken van 5 oktober 2023 (Kamerstuk 36 441), met name het schrappen van artikel 52g Mijnbouwwet, een en ander om potentiële miljoenen of miljardenschade over de afgelopen jaren en nog te vergoeden kosten door NAM te voorkomen? Zo nee, waarom niet?

    Ik zie geen aanleiding voor een externe heroverweging van de wijziging (en dus niet het schrappen) van artikel 52g van de Mijnbouwwet.

  • Vraag 39
    Kunt u aangeven waarom er geen beslag is gelegd onder NAM voor de ingehouden substantiële betalingen op de facturen en waarom er geen staatssteunmelding is gedaan voor de versterkingskosten in de Wiebesovereenkomsten?

    De Staat laat geen enkel juridisch instrument onbenut om de NAM aan zijn betalingsverplichting te houden. In de Kamerbrief van 13 september jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 1172) is uw Kamer geïnformeerd over de juridische stappen die op dit moment zijn gezet met het oog op de niet volledige betaling door NAM. De afwegingen over het wel of niet nemen van juridische stappen kan met het oog op de procespositie van de Staat vertrouwelijk worden toegelicht aan de Kamer. Er is geen staatssteunmelding gedaan, omdat er geen sprake is van staatssteun.

  • Vraag 40
    Kunt u de Wiebesovereenkomsten waarmee u bij uw aantreden geconfronteerd werd met de kennis van nu beschouwen en aangeven of u de Wiebesovereenkomsten anders had geschreven voor wat betreft het verhaal van de versterkingskosten?

    Ik zie geen aanleiding om het AoH en de IBOV uit 2018 in een ander licht te bezien.

  • Vraag 41
    Kunt u aangeven waarom er naast de arbitrage met als eiser NAM, niet ook een juridische procedure door de Staat der Nederlanden voor de volledige versterkingskosten is ingesteld. Bent u bereid dit alsnog te doen?

    Zoals in Kamerbrief van 29 juni 2022 (Kamerstuk 33 529, nr. 1039) is gemeld, heeft de Staat der Nederlanden een tegenvoordering ingediend als onderdeel van de lopende arbitrage.

  • Vraag 42
    Kunt u aangeven of u, met de kennis van dit moment en de vragen hier gesteld, tot de conclusie komt dat er alsnog een verplichte staatssteunmelding moet worden gedaan vanwege de Wiebesovereenkomsten?

    Zoals hiervoor aangegeven is er geen sprake van staatssteun en dus ook geen aanleiding voor het doen van een melding.

  • Vraag 43
    Kunt u door het advocatenkantoor dat u inzake de onderhandelingen adviseert (en niet betrokken is geweest bij de Wiebesovereenkomsten) laten uitzoeken of het doen van een staatssteunmelding gunstige gevolgen heeft voor de arbitrageprocedure door bijvoorbeeld het verlies van belang of het stoppen hiervan vanwege de arbitrageafspraken uit medio 2022, ook gezien het integriteitsonderzoek bij directie Wetgeving en Juridische Zaken (WJZ) bij het onderdeel wat deze arbitrageprocedure heeft voorbereid?

    Ik heb begin 2023 (februari–maart) door twee externe deskundigen, die niet eerder betrokken zijn bij het dossier, laten beoordelen of er sprake is van staatssteun. Beide zijn van oordeel dat dit niet het geval is. Daarmee is de door u gesuggereerde check reeds uitgevoerd.

  • Vraag 44
    Kunt u aangeven welke andere belanghebbenden een staatssteunmelding over de Wiebesovereenkomsten kunnen doen bij de Europese Commissie?

    Aangezien er geen sprake is van staatssteun, is er geen aanleiding om aan te nemen dat andere partijen daar een melding over kunnen doen.

  • Vraag 45
    Kunt u er voor zorgen dat de procedure voor artikel 52g Mijnbouwwet, Kamerstukken van 5 oktober 2023 (Kamerstuk 36 441) met spoed aangepast wordt door intrekking dan wel een andere wijze van aanhouding en waarbij u extern onderzoek laat uitvoeren of dit wetsartikel zonder enig risico voor de staatskas, de arbitrageprocedure en de wettelijke vergoedingsplicht versterken door NAM voor Groningen kan worden aangepast?

    Zoals hiervoor toegelicht berusten de zorgen over de wijziging van artikel 52g op een onjuiste lezing van dit artikel. Ik zie geen aanleiding om de procedure voor de wijziging van dit artikel aan te passen.

  • Vraag 46
    Kunt u de Kamer met spoed informeren over de stand en planning van de arbitrageprocedure en het doen van een staatssteunmelding?

    De Kamer is per brief van 13 september 2023 reeds geïnformeerd over de planning van de arbitrageprocedure (Kamerstuk 33 529, nr. 1172). Zoals hiervoor aangegeven wordt er geen melding van staatssteun gedaan.

  • Vraag 47
    Kunt u aangeven welke verbeteringen binnen het Ministerie van EZK zijn doorgevoerd of welk traject hiervoor is ingezet, naar aanleiding van de opmerkingen die door de PEAG zijn gemaakt over het Ministerie van EZK met punten die verbeterd zouden moeten worden, bijvoorbeeld het niet informeren van de politiek bestuurder of het nemen van ambtelijke beslissingen die politiek bestuurlijke afstemming hadden moeten hebben?

    Zoals in antwoord op vraag 31 is aangegeven zijn er diverse maatregelen genomen om de uitkomsten van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen te adresseren.

  • Vraag 48
    Kunt u er voor zorgen dat er in de adviezen die uitgevraagd en aan u gegeven worden voor de staatssteunmelding, arbitrage en onderhandelingen met NAM en haar aandeelhouders, zich geen filters van medewerkers bevinden die betrokken zijn geweest bij het schrijven of onderhandelen van de Wiebesovereenkomsten of die onderdeel uitmaken van het integriteitsonderzoek?

    Ik verwijs hierbij naar de antwoorden op vraag 31, 32, 33 en 47.

  • Vraag 49
    Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?

    Ja.

  • Vraag 50
    Kunt u deze vragen met spoed, maar in elk geval ruim voor 22 november 2023 beantwoorden?

    Vanwege het aantal vragen is het niet gelukt om deze voor 22 november te hebben beantwoord. Conform artikel 12.2 van het reglement van orde van uw Kamer heb ik op 24 november 2023 een uitstelbrief gestuurd om aan te geven dat de termijn van 3 weken niet haalbaar is.

  • Mededeling - 24 november 2023

    Op 16 oktober 2023 heeft het lid Van Haga (Groep van Haga) tijdens de begrotingsbehandeling EZK schriftelijke vragen ingediend aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (kenmerk 2023Z17508). Op 24 oktober 2023 heeft het lid Van Haga een nieuwe set schriftelijke vragen ingediend over schade in Groningen (kenmerk 2023Z18154). In verband met de complexiteit van de vragen en de benodigde afstemming kunnen deze vragen niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken worden beantwoord. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk de antwoorden op de vragen doen toekomen.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2023Z18154
Volledige titel: Schade in Groningen
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20232024-707
Volledige titel: Antwoord op vragen van het lid Van Haga over schade in Groningen