Gepubliceerd: 6 maart 2024
Indiener(s): Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66)
Onderwerpen: bestuur onderwijs en wetenschap organisatie en beleid rijksoverheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36478-7.html
ID: 36478-7

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 6 maart 2024

De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel tot wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in verband met het repareren van wetstechnische en redactionele vergissingen en verschrijvingen (Reparatiewet OCW 20##). De regering is erkentelijk voor de vragen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, het CDA, de VVD en de SGP.

Deze nota naar aanleiding van het verslag volgt de indeling van het verslag en wordt gegeven mede namens de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

I. Algemeen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het uitgangspunt van de regering dat wetten toegankelijk moeten zijn, artikelen leesbaar en verwijzingen kloppend en verwijzen in dit verband naar de nota «Heerlijk, helder Hollands: Nederlanders hebben recht op duidelijke taal» van het toenmalige lid Van Gent1. De aanbeveling in die nota dat er een Taalpolitie zou moeten komen, is nog altijd niet een feit geworden. Deze Taalpolitie zou onbegrijpelijke taal van de overheid moeten opsporen, bij de Taalpolitie zouden burgers kunnen klagen over onbegrijpelijke teksten, de Taalpolitie zou bekend moeten maken wie onbegrijpelijke taal gebruikt, het tegen een organisatie zeggen als die het beter moet doen en ook adviezen moeten geven om duidelijker taal te gebruiken. In hoeverre moet de regering nu erkennen dat dit wetsvoorstel er eerder was gekomen, als de beoogde Taalpolitie er wel was gekomen?

Destijds reageerde de toenmalige Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties dat een notadokter per ministerie die functie zou kunnen invullen, ook voor klachten van burgers die de overheid niet begrijpen en hij verbond er graag een prijs aan: voor de minst begrijpelijke en de meest duidelijke voorlichtingstekst2. Hoe evalueert de regering deze reactie nu, mede in het licht van de onderhavige Reparatiewet?

De regering erkent het belang van het gebruik van begrijpelijke taal in overheidscommunicatie. In zoverre onderschrijft de regering dan ook de reactie van de toenmalige Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties.

De Reparatiewet OCW 20## is een wetsvoorstel van technische aard. Met reparatiewetgeving beoogt de regering verbeteringen aan te brengen in bestaande wetten om deze kloppend te houden. Het gaat daarbij in beginsel om het verbeteren van verschrijvingen en wetstechnische reparaties. Deze verbetering rechtvaardigen geen apart wetstraject, maar zijn wel van belang om de wetgeving toegankelijk, leesbaar en kloppend te houden. Met enige regelmaat worden dergelijke wijzigingen dan ook gebundeld aan uw Kamer voorgelegd in het kader van een verzamelwet of reparatiewet. In dat kader is het onwaarschijnlijk dat de invoering van een Taalpolitie invloed zou hebben gehad op de totstandkomingscyclus van de Reparatiewet.

De leden van de D66-fractie danken de regering voor de Reparatiewet OCW 2024. Specifiek complimenteren deze leden de regering met het voornemen om de taak voor NWO3 om wetenschappelijk onderzoek te stimuleren expliciet te verruimen voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Zij hebben over één onderdeel van de reparatiewet een aantal vragen. De regering is voornemens om in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en de Wet studiefinanciering BES (WSF BES 2000) «laagst vastgestelde draagkracht» te vervangen met «hoogst vastgestelde draagkracht». Heeft deze wetswijziging negatieve koopkrachteffecten voor studenten en zo ja, welke ordegrootte koopkracht en over hoeveel studenten gaat dit dan?

Het is al de huidige uitvoeringspraktijk dat bij samenloop van een studieschuld op grond van de WSF 2000 en op grond van de WSF BES aan de hand van de hoogste draagkracht wordt bepaald wat ten hoogste op de verschillende studieleningen per maand moet worden afgelost. Dit sluit aan bij één van de algemene uitgangspunten die gelden voor samenloop, namelijk dat een debiteur nooit meer aflost dan de hoogste draagkracht die geldt voor één van zijn studieleningen.4Als dat niet het geval zou zijn en de laagste draagkracht leidend zou zijn, dan zou er een rechtsongelijkheid ontstaan met studenten die enkel een schuld op grond van de WSF BES terugbetalen (de berekeningswijze van de draagkracht volgens de WSF BES leidt tot een hogere draagkracht dan die van de WSF 2000).5 Omdat dit al de huidige praktijk is, zal deze wijziging geen verschil maken voor oud-studenten en is er dus geen negatief koopkrachteffect.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hebben geen inhoudelijke vragen met betrekking tot het wetsvoorstel. Wel vragen zij naar aanleiding van het voorliggende wetsvoorstel wat de stand van zaken is met betrekking tot het van toepassing laten zijn van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek voor het mbo6.

In de Werkagenda mbo 2023–2027 «Samen Werken aan Talent» (Kamerstukken II 2022/23, 31 524, nr. 549, bijlage 1076458) is de doelstelling opgenomen om het mbo op het gebied van onderzoek en innovatie een volwaardige en gelijkwaardige partner, aanvullend op het hoger onderwijs, in de onderzoeks- en kennisnetwerken en kennisinfrastructuur te laten zijn. Om aan deze doelstelling invulling te geven is aangegeven dat kwalitatief en kwantitatief in kaart gebracht wordt waar het mbo staat op het gebied van onderzoek en innovatie. Daarnaast is in de motie Krul en Peters (Kamerstukken II 2022/23, 31 288, nr. 1043) de regering verzocht om een visie op te stellen over practoraten (praktijkgericht onderzoek in het mbo) en daarin ten minste op te nemen hoe mbo-instellingen dezelfde rechten als het hoger onderwijs kunnen krijgen om aanspraak te maken op onderzoeksprogramma’s en toegang tot voorzieningen.

Om aan het voorgaande invulling te geven is een brede verkenning nodig, op basis waarvan een visie op praktijkgericht onderzoek in het mbo kan worden opgesteld. Deze verkenning zal medio februari 2024 van start gaan. De vraag naar het van toepassing laten zijn van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek maakt deel uit van de verkenning en zal worden meegenomen in de visievorming. Het streven is om de verkenning voor de zomer van 2024 afgerond te hebben. De visie die op basis hiervan ontwikkeld wordt, zal uiterlijk in het najaar van 2024 aan de Tweede Kamer verzonden worden.

II. Artikelsgewijze toelichting

ARTIKEL V. WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten eraan dat onderwijspersoneel bevoegd is, maar waarderen ook dat mbo-docenten zich verbonden voelen met het beroepsleven waarvoor zij hun studenten opleiden. Ook willen deze leden dat mbo-docenten meer tijd krijgen voor het begeleiden van stages en het opzetten van praktijkgerichte opdrachten. Met de toevoeging van een zevende subonderdeel aan artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) wordt nu geregeld dat de bezitter van het getuigschrift bekwaamheidsonderzoek voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 7a.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW), tevens in het mbo bevoegd is om les te geven als docent. Zij-instromers dienen aan dezelfde bekwaamheidseisen te voldoen als studenten die hun bevoegdheid behalen via een reguliere eerste- of tweedegraads lerarenopleiding. De voorgestelde uitbreiding van bevoegdheden is uitsluitend van toepassing op degene die een bekwaamheidsonderzoek voor het voortgezet onderwijs met goed gevolg heeft afgerond. Welke gevolgen van deze kleine beleidsmatige verandering bij lesbevoegdheid voorziet de regering voor de mogelijkheden dat in het mbo meer zij-instromers komen die zich verbonden voelen met het toekomstige beroepsleven van hun studenten?

De opleidingsroute voor een docent die het zij-instroomtraject zoals geregeld in het Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs heeft gevolgd, maar daarna vanuit het voortgezet onderwijs wil overstappen naar het mbo, heeft naar verwachting geen gevolgen voor de verbondenheid van die docent met het toekomstige beroepsleven van studenten. Het bevoegd gezag dient hierop toe te zien in het kader van zijn personeelsbeleid. Wel formaliseert het een praktijk waarbij zij-instromers deze route volgen, maar uiteindelijk in het mbo les willen gaan geven in plaats van in het voortgezet onderwijs.

ARTIKEL VIII. WET MEDEZEGGENSCHAP OP SCHOLEN

De leden van de SGP-fractie hebben uit het veld van de medezeggenschap begrepen dat de beoogde verbetering van artikel 8 Wet medezeggenschap op scholen (hierna: WMS) over het informatierecht door de inwerkingtreding van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium onderwijs7 in de praktijk juist tot onduidelijkheid en zelfs een verslechtering kan leiden. Deze leden wijzen erop dat in de huidige tekst van artikel 8 WMS de situatie van door de medezeggenschap gevraagde informatie is weggevallen en dat slechts het ongevraagd informatie verstrekken wordt benoemd, terwijl in de regeling van de WHW, die als voorbeeld diende, beide situaties benoemd worden. Voorts merken zij op dat het criterium voor het verstrekken van informatie in de WHW en de WMS uiteenloopt, naar redelijkheid en billijkheid respectievelijk redelijkerwijze, terwijl daarvoor inhoudelijk geen aanleiding bestaat. De leden van de SGP-fractie vragen of de regering bereid is de tekst van artikel 9.32, zesde lid, WHW op identieke wijze in de WMS te verankeren.

De wijziging van artikel 8 van de Wet medezeggenschap op scholen vloeit voort uit het door uw Kamer aangenomen amendement.8 De bedoeling van dit amendement was om de informatiepositie van de medezeggenschap te versterken. De wijziging die door dit amendement is aangebracht nu reeds terugdraaien of daarin aanpassingen doen lijkt daarom prematuur. De Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium, waarin de gewijzigde bepaling is opgenomen, zal overeenkomstig de daarin opgenomen evaluatiebepaling in 2028 worden geëvalueerd.9

De regering deelt overigens niet het standpunt van deze leden dat als gevolg van voornoemde wijziging, de informatiepositie van de medezeggenschapsraad is verslechterd. In de bepaling staat thans niet meer expliciet opgenomen dat het bevoegd gezag bepaalde informatie op verzoek dient te verstrekken aan de medezeggenschapsraad. De bepaling schrijft alleen nog maar iets voor over het ongevraagd verstrekken van informatie. Informatie die ongevraagd dient te worden verstrekt, dient echter vanzelfsprekend óók te worden verstrekt als daar om wordt gevraagd.

ARTIKEL XI. WET OP DE EXPERTISECENTRA

De leden van de VVD-fractie onderschrijven de interpretatie van de regering van het amendement van de leden Heerema en Van Nispen10. Zij vragen in hoeverre scholen in dit schooljaar kunnen voldoen aan de norm voor twee lesuren bewegingsonderwijs, wanneer de Kamer daarover verder wordt geïnformeerd en of de lange termijn voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel ertoe heeft geleid dat scholen en gemeenten beter waren voorbereid op deze plicht.

De nieuwe norm van twee (les)uren bewegingsonderwijs per week in het primair onderwijs, is op 8 juli 2023 in werking getreden.11 De regering gaat er vanuit dat elke school de lesuren bewegingsonderwijs vanaf schooljaar 2023/2024 heeft ingeroosterd. De Inspectie van het Onderwijs ziet, als onderdeel van het integrale toezicht, toe op het bewegingsonderwijs.

De afgelopen jaren zijn scholen en gemeenten op diverse manieren geïnformeerd over de nieuwe urennorm. Onder andere bij de introductie van de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs in 202112 en door de partijen in het veld werden scholen geïnformeerd over de nieuwe wettelijke norm. Tevens is er een ondersteuningsteam aangesteld bij de subsidieregeling die scholen onder andere hielp met hoe de urennorm praktisch ingeregeld kon worden in het schoolprogramma.13

Daarnaast is op 15 juli 2022 de factsheet «Huisvesting Bewegingsonderwijs in het Primair Onderwijs» aan de Kamer gezonden.14 Uit dit rapport bleek dat 95 procent van de ondervraagde gemeenteambtenaren op dat moment op de hoogte was van de nieuwe urennorm bewegingsonderwijs. In het jaar daarna zijn nog aanvullende acties ondernomen om ervoor te zorgen dat alle gemeenten en scholen op de hoogte waren van de aanstaande wetswijziging zodat zij zich daarop konden voorbereiden. Ook is onder een breed publiek een brochure verspreid met alle informatie en veel gestelde vragen over de verplichte twee lesuren bewegingsonderwijs.15

Met de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs heeft de regering scholen ondersteund. Met deze subsidieregeling konden scholen capaciteit vrijmaken voor procesbegeleiders die op lokaal en regionaal niveau praktische oplossingen zochten voor bijvoorbeeld een tekort aan accommodaties. De procesbegeleiders werden landelijk ondersteund door de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding. Deze subsidieregeling wordt nu geëvalueerd.

De evaluatie van de subsidieregeling, die eind 2024 wordt uitgevoerd, geeft voor een deel een beeld van in hoeverre scholen de urennorm bewegingsonderwijs halen. Ook zal blijken in hoeverre de subsidieregeling effectief is geweest. Over de resultaten van de evaluatie wordt uw Kamer begin 2025 geïnformeerd. Daarnaast wordt uw Kamer in 2024 geïnformeerd over het vervolg op de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs.

De leden van de VVD-fractie vragen verder nog of er bijvoorbeeld een stijging te zien is in de beschikbare faciliteiten voor bewegingsonderwijs? Is de regering daarnaast bereid om met de VNG in gesprek te gaan als blijkt dat nog onvoldoende faciliteiten beschikbaar zijn?

Op dit moment is onduidelijk of er een stijging te zien is in het aantal beschikbare faciliteiten. Wel weten we uit gesprekken met de vakverenigingen en de Vereniging Sport en Gemeenten dat efficiënter gebruik wordt gemaakt van ruimtes, zowel gymzalen als gemeentelijke sportaccommodaties en sportvelden.

Met de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) wordt regelmatig gesproken over prangende kwesties en vraagstukken zoals de aanwezigheid van voldoende beschikbare huisvesting voor bewegingsonderwijs. Indien blijkt dat er sprake is van een structureel tekort aan beschikbare faciliteiten voor bewegingsonderwijs, zal de regering verder met de VNG/VSG het gesprek aangaan om na te denken over geschikte oplossingen.

Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of daarnaast bij het evalueren van de deugdelijkheidseisen ook de mogelijke gezondheidswinst van ten minste twee lesuren bewegingsonderwijs wordt meegenomen?

In diverse onderzoeken wordt aandacht besteed aan de motorische ontwikkeling en beweegvaardigheden van kinderen. Zo besteedt de Inspectie van het Onderwijs aandacht aan bewegingsonderwijs in haar periodieke peilingsonderzoek. Eind 2025 wordt weer een peilingsonderzoek naar Bewegen en Sport gepubliceerd.16 Ook onderzoekt het Mulier Instituut regelmatig de ontwikkeling van motorische vaardigheden bij kinderen. De deugdelijkheidseis zal niet eigenstandig en in relatie tot mogelijke gezondheidswinst worden geëvalueerd. De toegenomen onderwijstijd rondom sport en bewegen zal wel een factor zijn in de onderzoeken naar de motorische ontwikkeling en beweegvaardigheden van kinderen.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering kan toelichten waarop de stelling berust dat in het basis- en speciaal (basis)onderwijs een lesuur over het algemeen uit 45 minuten bestaat. Deze leden merken op dat dit uitgangspunt juist in het voortgezet onderwijs gebruikelijker is, met roosters van bijvoorbeeld 45 of 50 minuten, maar dat dit in het basisonderwijs eerder het klokuur het ritme van de dag lijkt te bepalen.

De urennorm bewegingsonderwijs geeft een voorschrift aan scholen over de wijze waarop zij hun onderwijs moeten inrichten. De uitleg van het begrip uur in deze bepaling als lesuur sluit aan bij de context waarbinnen scholen in het primair onderwijs hun onderwijs organiseren. Uit het peilonderzoek bewegingsonderwijs uit 2016 van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat 50% van de scholen die twee lesuren bewegingsonderwijs geven dit aanbieden in lesuren van 45 minuten.17 Het staat scholen vrij om meer bewegingsonderwijs te geven en dit te harmoniseren met de lengte van hun lesuren, indien het past in hun lesrooster.

De leden van de SGP-fractie vragen de regering te reflecteren op het gegeven dat in de wet in beginsel geen urennormen voor vakken of aandachtsgebieden zijn opgenomen en dat de regeling voor bewegingsonderwijs dus een merkwaardige uitzondering vormt. Hoe beoordeelt de regering deze situatie in het licht van de discussie over aansturing van het onderwijs? Is het bijvoorbeeld voor de hand liggend dat de wet zelfs geen urennormen kent voor basisvaardigheden, maar wel voor bewegingsonderwijs?

De urennorm bewegingsonderwijs voor scholen is opgenomen in de onderwijswetgeving naar aanleiding van het amendement Heerema/Van Nispen bij het wetsvoorstel actualisering deugdelijkheidseisen.18 De wetgever heeft er hierbij voor gekozen om voor het bewegingsonderwijs een uitzondering te maken ten opzichte van de gebruikelijke sturingssystematiek om te waarborgen dat scholen voldoende tijd besteden aan de lichamelijke opvoeding. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt hier geen wijziging in aangebracht maar slechts de bekostigingsnorm bewegingsonderwijs voor gemeenten gerepareerd.

De leden van de SGP-fractie constateren dat door het wetsvoorstel gebrek aan eenduidigheid gaat ontstaan die de leesbaarheid van de wet niet ten goede komt. Immers, in de bekostigingsbepalingen wordt uitdrukkelijk gesproken van klokuren, terwijl de bepalingen over de inhoud van het onderwijs blijven uitgaan van de onbepaalde aanduiding uren. Dat kan verwarring in de hand werken. Deze leden vragen of de regering de voorgestane lijn consequent wil doortrekken.

Binnen de onderwijswetgeving wordt op meerdere plaatsen gesproken over het begrip «uur». Telkens wordt daarmee een tijdseenheid van zestig minuten bedoeld. De urennorm bewegingsonderwijs geeft echter een voorschrift aan scholen over de wijze waarop zij hun onderwijs moeten inrichten. Scholen werken voor de inrichting van hun onderwijs veelal met lesuren. De uitleg van het begrip uur als een lesuur ten aanzien van deze specifieke bepaling sluit dan ook aan bij deze onderwijscontext.19

ARTIKEL XIX. WET STUDIEFINANCIERING BES

De leden van de VVD-fractie lezen dat de aanspraak op een opstarttoelage minder snel vervalt. Leidt dit in de praktijk tot een verruiming van deze regeling? Verwacht de regering dat dit tot extra kosten leidt?

De opstarttoelage is een eenmalig bedrag voor studenten uit Bonaire, Saba en Sint Eustatius die een vervolgopleiding gaan volgen in het Europese deel van Nederland. De toelage is bedoeld om de overtocht, uitrusting, inrichting en overbrugging in Europees Nederland mee te betalen. Het maakt voor het doel van de opstarttoelage in beginsel niet uit vanaf wanneer de student staat ingeschreven, nadat de opleiding is gestart. Uiteindelijk gaat het erom dat de student de opleiding daadwerkelijk in Europees Nederland is gaan volgen. Hoewel er wellicht een enkele student is voor wie de inschrijving niet in de eerste twee maanden is geregeld, zal dat echt een uitzondering zijn. De verwachting is dan ook dat deze wijziging geen noemenswaardige extra kosten met zich meebrengt. Wel levert dit een vereenvoudiging in de controle en uitvoering op.

ARTIKEL XXIII. WET VOORTGEZET ONDERWIJS 2020

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat voorgesteld wordt om in artikel 8.14, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs (hierna: WVO), dat gaat over schorsing in het voortgezet onderwijs, de term «onverwijld» toe te voegen voor de melding van de schorsing aan de Inspectie van het onderwijs (hierna: inspectie). Deze leden hechten eraan dat elk kind en elke jongere in Nederland in de leerplichtige leeftijd onderwijs krijgt, zelfs als zo’n jongere zich zo gedraagt dat de school deze leerling wenst te verwijderen. Zij vinden het dan ook een juiste regeling dat een school volgens artikel 8.15, lid 2 WVO een leerling pas definitief mag verwijderen nadat het bevoegd gezag ervoor heeft gezorgd dat het bevoegd gezag van een andere school bereid is de leerling toe te laten. Een schorsing van een leerling kan op zo’n verwijdering preluderen en daarom is het ook wenselijk dat de inspectie onverwijld een melding ontvangt van de schorsing van een leerling, zodat de inspectie ook tijdig erop kan toezien dat er wordt gezocht naar een andere school voor de eventueel te verwijderen leerling. De bepalingen in dezen waren opgenomen in de Inrichtingsbesluiten, maar niet langer in de wet. Dat is goed, maar onderschrijft de regering ook de overwegingen die de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hierbij aanvoeren?

Op grond van artikel 8.15 van de WVO 2020 kan het bevoegd gezag inderdaad slechts tot verwijdering van een leerplichtige leerling overgaan nadat het bevoegd gezag een andere school bereid heeft gevonden de leerling toe te laten. Bovendien dient het bevoegd gezag voordat het een leerplichtige leerling definitief van school verwijdert overleg te plegen met de inspectie, waarbij ook dient te worden nagegaan op welke manier de leerling onderwijs kan volgen. Ten tijde van dit overleg kan de leerling worden geschorst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.H. Dijkgraaf