Kamerstuk 35367-12

Amendement van de leden Van den Berg en Bruins over een verduidelijking voor gevallen waarin er meerdere gronden zijn waarop de bedenktijd kan worden ingeroepen

Dossier: Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het inroepen van een bedenktijd door het bestuur van een beursvennootschap


98,7 %
1,3 %

D66

PvdD

VVD

vKA

50PLUS

PVV

FvD

Van Haga

DENK

PvdA

CDA

SP

Krol

GL

SGP

CU


Nr. 12 AMENDEMENT VAN DE LEDEN VAN DEN BERG EN BRUINS

Ontvangen 3 september 2020

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel A, wordt aan het voorgestelde artikel 114b lid 5 toegevoegd «De grond voor het inroepen van de bedenktijd in een van de in lid 2 genoemde gevallen laat de mogelijkheid tot het inroepen van een bedenktijd op een andere grond onverlet.».

Toelichting

Dit amendement brengt een verduidelijking aan voor gevallen waarin er meerdere gronden zijn waarop de bedenktijd kan worden ingeroepen, namelijk wanneer er een verzoek tot ontslag wordt ingediend én er een vijandig overnamebod wordt gedaan. Het is dan aan het bestuur van de vennootschap om te bepalen in welk geval de bedenktijd wordt ingeroepen. Er kan slechts één bedenktijd tegelijk actief zijn. Er moet geen onduidelijkheid bestaat over situaties waarbij er al een bedenktijd had kunnen worden ingeroepen, (bijvoorbeeld wanneer er een verzoek tot ontslag is ingediend) maar dit niet is gedaan, en er ook een vijandig overnamebod wordt gedaan.

Artikel 2:114b lid 2 formuleert de twee hoofdsituaties waarin een bedenktijd kan worden ingeroepen: (a) overeenkomstig artikel 2:114b lid 2 sub a bij een agenderingsverzoek van een aandeelhouder inzake de benoeming, schorsing of het ontslag van een bestuurder/commissaris, of een daarmee verband houdende statutenwijziging, danwel (b) overeenkomstig artikel 2:114b lid 2 sub b bij een vijandig bod.

Het behoeft verduidelijking dat de situaties als geformuleerd in sub a en sub b aparte gevallen zijn met een daarmee corresponderende eigen termijn en aanvangstijdstip. Denkbaar is dat de situaties zich beiden voordoen.

Ter illustratie: als er een vijandig bod wordt uitgebracht, begint de dag erna de 250 dagen bedenktijdtermijn te lopen, ongeacht of de bedenktijd ook daadwerkelijk wordt ingeroepen. Wanneer 100 dagen daarna een agenderingsverzoek wordt ingediend en de bedenktijd nog niet is ingeroepen vanwege het bod, zal voor die situatie een nieuwe termijn moeten gaan lopen. Het is dan niet zo dat die betreffende bedenktermijn ineens wordt ingekort met 100 dagen, omdat er als gevolg van het bod reeds een termijn was gaan lopen, terwijl de bedenktijd niet was ingeroepen. Uiteraard geldt hetzelfde ook andersom. Als de bedenktijdtermijn is gaan lopen in verband met een verzoek tot benoeming, schorsing of ontslag en er wordt nadien een openbaar bod gedaan dat naar de overtuiging van bestuur en commissarissen niet in het belang is van de onderneming en de daarbij betrokkenen, dan kan het niet zo zijn dat de bedenktijd met betrekking tot dat bod ineens geheel of gedeeltelijk reeds blijkt te zijn vervallen indien de bedenktijd niet is ingeroepen.

Aldus zou de voor het agenderingsverzoek benodigde bedenktijd onterecht worden ingekort en bovendien geen recht worden gedaan aan de doelstelling van dit wetsvoorstel om het bestuur van de vennootschap meer tijd en rust te gunnen voor de inventarisatie en weging van de belangen van de onderneming en haar stakeholders.

Om de redenen als geschetst dient artikel 2:114b lid 5 te worden aangepast zoals voorgesteld met dit amendement.

Van den Berg Bruins