Kamerstuk 35200-XV-1

Jaarverslag Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2018

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2018

Gepubliceerd: 15 mei 2019
Indiener(s): Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35200-XV-1.html
ID: 35200-XV-1

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (XV)

Aangeboden 15 mei 2019

Gerealiseerde begrotingsgefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 34.412.240.000,–

Gerealiseerde begrotingsgefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 34.412.240.000,–

Gerealiseerde begrotingsontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 1.845.340.000,–

Gerealiseerde begrotingsontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 1.845.340.000,–

Gerealiseerde premiegefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 301.000.000,–

Gerealiseerde premiegefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 301.000.000,–

Gerealiseerde premieontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 301.000.000,–

Gerealiseerde premieontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 301.000.000,–

INHOUDSOPGAVE

A.

ALGEMEEN

6

 

1.

Aanbieding en dechargeverlening

6

 

2.

Leeswijzer

8

       

B.

BELEIDSVERSLAG

11

 

3.

Beleidsprioriteiten

11

 

4.

Beleidsartikelen

36

   

Artikel 1 Arbeidsmarkt

36

   

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

47

   

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

64

   

Artikel 4 Jonggehandicapten

72

   

Artikel 5 Werkloosheid

77

   

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

85

   

Artikel 7 Kinderopvang

91

   

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

98

   

Artikel 9 Nabestaanden

106

   

Artikel 10 Tegemoetkoming ouders

110

   

Artikel 11 Uitvoering

115

   

Artikel 12 Rijksbijdragen

121

   

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

124

 

5.

Niet-beleidsartikelen

130

   

Artikel 96 Apparaatsuitgaven kerndepartement

130

   

Artikel 98 Algemeen

134

   

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

137

 

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

138

       

C.

JAARREKENING

146

 

7.

Departementale verantwoordingsstaat

146

 

8.

Saldibalans

147

 

9.

WNT-verantwoording

156

       

D.

DEPARTEMENTSPECIFIEKE INFORMATIE

157

 

D1.

Sociale fondsen SZW

157

 

D2.

Koopkracht

160

       

E.

BIJLAGEN

164

 

E1.

Toezichtrelaties ZBO’s en RWT’s

164

 

E2.

Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

168

 

E3.

Inhuur externen

182

 

E4.

Lijst van afkortingen

183

ONDERDEEL A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) over het jaar 2018 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid decharge te verlenen over het in het jaar 2018 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport op. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieel beheer;

  • b. de bijgehouden administraties van het Rijk;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2018;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2018 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2018, alsmede over de saldibalans over 2018 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

2.1 Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag van SZW bestaat uit vijf onderdelen: algemeen, beleidsverslag, jaarrekening, departementspecifieke informatie en bijlagen.

Algemeen

Het onderdeel algemeen omvat:

  • 1. het verzoek tot dechargeverlening en

  • 2. deze leeswijzer.

Beleidsverslag

Het beleidsverslag is opgebouwd uit vier onderdelen.

  • 3. De paragraaf beleidsprioriteiten bevat een uiteenzetting op hoofdlijnen van de bereikte resultaten.

  • 4. De beleidsartikelen verantwoorden meer in detail in hoeverre de doelstellingen van SZW zijn behaald. Tevens is hier de toelichting te vinden op opmerkelijke verschillen tussen de financiële realisatie en de vastgestelde begroting.

  • 5. De niet-beleidsartikelen verantwoorden de financiële afwikkeling van de apparaatsuitgaven kerndepartement, de algemene uitgaven die niet aan de beleidsartikelen zijn toe te rekenen, en de onvoorziene uitgaven en loon- en prijsbijstellingen.

  • 6. De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft informatie over de bedrijfsvoering.

Jaarrekening

De jaarrekening is opgebouwd uit drie onderdelen:

  • 7. De verantwoordingsstaat van het Ministerie van SZW.

  • 8. De saldibalans, met de bij dit onderdeel behorende financiële toelichting.

  • 9. De paragraaf WNT-verantwoording.

Departementspecifieke informatie

De departementspecifieke informatie gaat over de sociale fondsen SZW en over de gerealiseerde koopkrachtontwikkeling.

Bijlagen

De bijlagen betreffen de ingevolge de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) verplichte bijlagen over de toezichtsrelaties en ZBO’s en RWT’s, over afgerond evaluatie- en overig onderzoek en over externe inhuur. Daarnaast is een lijst van afkortingen opgenomen.

2.2 Specifieke aandachtspunten

Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen

In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke tabel «Budgettaire gevolgen van beleid». In de paragraaf beleidsprioriteiten wordt ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven. De begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten komen een-op-een voort uit de administratie van SZW. De premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten zijn afgeleid uit de jaarverslagen van het UWV en de SVB.

Rol en verantwoordelijkheid: taakverdeling Minister en Staatssecretaris

In de Comptabiliteitswet is in artikel 3.2 geregeld dat de Minister verantwoordelijk is voor het beheer van de begroting(en) van een ministerie. Daarom wordt de begrotingswet ondertekend door de Minister. Dit komt in de beleidsartikelen tot uitdrukking onder het kopje «Rol en verantwoordelijkheid». De Staatssecretaris wordt hier niet expliciet genoemd. Het begrip Staatssecretaris komt in de Comptabiliteitswet niet voor. De verhouding tussen Minister en Staatssecretaris is in de Grondwet (artikel 46) geregeld. De Staatssecretaris wordt belast met een deel van de taken van de Minister. Minister en Staatssecretaris verdelen de taken onderling op aanwijzing van de Minister. Voor SZW betekent dit dat de Staatssecretaris verantwoordelijk is voor een groot aantal beleidsinstrumenten die in het jaarverslag zijn opgenomen, zoals in de beleidsartikelen 2 (o.a. macrobudgetbudget participatiewetuitkeringen), 4 (Wajong), 7 (kinderopvang), 9 (Anw), 10 (tegemoetkoming ouders) en 11 (uitvoeringskosten SVB).

Focusonderwerp

De Tweede Kamer heeft als focusonderwerp voor de verantwoording over 2018 «onderbouwing van ramingen van uitgaven en ontvangsten» vastgesteld (Tweede Kamer, 31 865, nr. 112). Het kabinet zal, zoals vermeld in de brief van 18 oktober 2018 (Tweede Kamer, 31 865, nr. 122), in het Financieel Jaarverslag Rijk 2018 inhoudelijk op dit onderwerp ingaan. Daarbij worden casussen van verschillende beleidsterreinen belicht, waarvan de casus AOW-ramingen op het domein van het Ministerie van SZW ligt.

Aantreden Rutte-III na de ontwerpbegroting

De ontwerpbegroting SZW 2018 is opgesteld tijdens het demissionaire kabinet Rutte-Asscher. De vaststelling van de begroting vond plaats nadat het kabinet Rutte-III aantrad. Dit jaarverslag spiegelt daarom niet noodzakelijkerwijs overal met de (memorie van toelichting van de) ontwerpbegroting 2018. Waar dit jaarverslag spreekt van de «stand Begroting», wordt de vastgestelde begroting bedoeld bij budgettaire cijfers. Dat betekent de ontwerpbegroting plus amendementen en nota’s van wijziging naar aanleiding van het regeerakkoord. Bij niet-financiële informatie wordt vergeleken met de raming ten tijde van de ontwerpbegroting. Hierin zit dus een minder actueel beeld. De ramingen van de volumes en de prijzen ten tijde van begroting 2018 sluiten dus soms niet volledig aan bij de ramingen van het budgettaire beslag.

Gegevens oude jaren

In dit jaarverslag worden ook kerncijfers gepresenteerd over jaren vóór 2018. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van voorlopige gegevens die in vorige jaarverslagen werden gepresenteerd.

App SZW-cijfers

Meer kwantitatieve gegevens over de ontwikkelingen op het beleidsterrein van SZW zijn te vinden in de app «SZW-cijfers». Deze app bevat een groot aantal gegevens die SZW regelmatig actualiseert.

Afwijkingen van de RBV

Bij de budgettaire tabellen in het beleidsverslag wordt het verschil tussen de budgettaire raming uit de begroting 2018 en de realisatie voor het jaar 2018 toegelicht indien de afwijking tussen raming en realisatie groter is dan 5% van het begrotingsbedrag of groter is dan € 25 miljoen. Hiermee wordt afgeweken van de RBV-model 3.22e.

Geen agentschappen meer

Groeiparagraaf

Sinds 1 januari 2018 vallen onder het Ministerie van SZW geen agentschappen meer. Hiermee is de Jaarverantwoording Agentschappen uit het Jaarverslag SZW verdwenen.

Gewijzigde kerncijfers in de beleidsprioriteiten

Net als in begroting 2019 staan enkele tabellen met kerncijfers niet meer in de beleidsprioriteiten, maar in de beleidsartikelen. De paragraaf beleidsprioriteiten kan op deze wijze gerichter en leesbaarder worden gemaakt, zonder dat informatie verloren gaat. De tabel «Werkloosheid» staat nu in artikel 1 – Arbeidsmarkt. De tabel «Re-integratie gemeenten» staat in artikel 2 – Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet.

Een aantal kerncijfers vervalt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de kerncijfers over sectorplannen. Tevens vervallen de kerncijfers «Beloningverschillen tussen mannen en vrouwen», omdat de meest recente beschikbare cijfers uit 2016 zijn. De overige tabellen blijven in de paragraaf beleidsprioriteiten gehandhaafd, een deel in andere vorm.

Koopkrachtparagraaf uitgebreid

Vanaf dit jaarverslag is de beschrijving van de koopkrachtontwikkeling uitgebreider dan voorheen. Net als in de begroting kent het jaarverslag vanaf heden een zogenoemde boxplottabel, die de spreiding van de koopkrachtontwikkeling in beeld brengt. Bovendien is de toelichting in de koopkrachtparagraaf vanaf heden uitgebreider.

Bijlage Toezichtrelaties ZBO's en RWT's gewijzigd

De RBV verplicht sinds dit jaar een nieuwe vorm voor de bijlage Toezichtsrelaties ZBO’s en RWT’s.

Overgangsrecht Comptabiliteitswet

Op grond van het overgangsrecht in artikel 10.2 van de Comptabiliteitswet 2016 blijven voor de presentatie en inrichting van de jaarverslagen en slotwetten over 2018 de bepalingen uit de Comptabiliteitswet 2001 en de daarop berustende bepalingen van toepassing zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Comptabiliteitswet 2016 per 1 januari 2018. Voor de dechargeverlening inzake het jaar 2018 over het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer zijn de bepalingen van de Comptabiliteitswet 2016 en de daarop gebaseerde regelgeving van toepassing. Dit is conform de brief aan het parlement over het overgangsrecht in de Comptabiliteitswet 2016 (Vergaderjaar 2018–2019, 34 426, nr. 33). Om die reden moet telkens bij de verwijzingen naar de bepalingen van de Comptabiliteitswet worden gelezen de artikelen van de Comptabiliteitswet 2001 voor de presentatie en inrichting en voor de begrotingsuitvoering de artikelen van de Comptabiliteitswet 2016 conform de transponeringstabel bij de Comptabiliteitswet 2016, Stb. 2017, 139.

Tabel 2.1 Overgangsrecht Comptabiliteitswet

Art. in CW 2016

Art. in CW 2001

3.2–3.4

19, eerste lid; 21, eerste en tweede lid

3.5

22, eerste lid; 26, eerste lid

3.8

58, eerste lid, onderdeel a, en derde lid; 61, derde lid

3.9

58, eerste lid, onderdeel b en c

2.37

60, tweede en derde lid; 63, eerste en vierde lid

2.35

61, tweede tot en met vierde lid

2.40

64

7.12

82, eerste lid; 83, eerste lid

7.14

82, vijfde lid; 83, tweede tot en met vierde lid

ONDERDEEL B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

3.1 Het beeld van 2018

Regeerakkoord

Dit jaarverslag kijkt terug op het eerste volledige jaar van deze kabinetsperiode. Het afgelopen jaar stond in het teken van het uitwerken en voorbereiden van de regeerakkoordmaatregelen. De benodigde trajecten op SZW-terrein zijn zoveel mogelijk in gang gezet.

Stand van het land

Het gaat in veel opzichten steeds beter met Nederland. SCP-publicatie De Sociale Staat van Nederland 2018 laat zien dat er sinds 2018 weer een meerderheid van de Nederlanders is die vindt dat het land de goede kant op gaat. Tegelijkertijd zijn er ook zorgen over scheidslijnen in de samenleving, en over spanningen en tegenstellingen tussen groepen. Het kabinetsbeleid is er op gericht mensen kansen te bieden om die scheidslijnen te overbruggen. Iedereen moet de kans krijgen zichzelf te ontwikkelen; zowel in het onderwijs als op het werk en door deel te nemen aan de samenleving.

We hebben een goed economisch jaar achter de rug...

De economische groei kwam in 2018 uit op 2,5% (tabel 3.1). De gunstige economische ontwikkelingen van de laatste jaren waren duidelijk zichtbaar op de arbeidsmarkt. De werkloosheid is opnieuw sterk gedaald en lag het afgelopen jaar met 3,8% nagenoeg op het niveau van voor de crisis (figuur 3.1). De werkgelegenheid is toegenomen en er zijn steeds meer mensen aan het werk gekomen; dit geldt gelukkig ook voor langdurig werklozen. Het aantal openstaande vacatures is verder gestegen. De aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt ging samen met een stijging van de lonen. Daarnaast is het aantal mensen met een vaste arbeidsovereenkomst voor het derde jaar op rij toegenomen (tabel 3.2.1). De keerzijde van de krapte op de arbeidsmarkt is dat steeds meer bedrijven moeite hebben om nieuw (geschikt) personeel te vinden. Door de aantrekkende economie is tegelijkertijd ook de inflatie toegenomen. Dit heeft tot gevolg dat de mediane koopkrachtstijging met 0,3% relatief beperkt was.

Tabel 3.1 Kerncijfers economische groei, werkgelegenheid en koopkracht
 

2016

2017

2018

Economische groei (in %)1

2,2

2,9

2,5

       

Werkgelegenheid in uren (mutaties in %)2

2,0

1,9

2,3

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000, jaargemiddelde)1

8.403

8.579

8.774

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000, jaargemiddelde)1

538

438

350

Werkloze beroepsbevolking (in % beroepsbevolking)1

6,0

4,9

3,8

Openstaande vacatures (x 1.000, jaargemiddelde)1

156

201

248

       

Contractloon bedrijven (mutaties in %)2

1,5

1,6

2,0

Loonvoet bedrijven per uur (mutaties in %)2

0,7

1,2

2,3

Koopkracht, statisch, mediaan, alle huishoudens (in %)2

2,6

0,3

0,3

X Noot
1

CBS, Statline.

X Noot
2

CPB, Centraal Economisch Plan 2019.

Figuur 3.1 Werkloosheidspercentage door de jaren heen

Figuur 3.1 Werkloosheidspercentage door de jaren heen

Bron: CBS, Statline

...maar onderliggend zijn er ontwikkelingen die vragen om aanpassingen

Nog niet iedereen heeft geprofiteerd van het herstel. Er zijn nog steeds mensen die mee willen doen maar onvoldoende kansen krijgen, of mensen die het niet helemaal op eigen kracht redden op de arbeidsmarkt. Zoals mensen met een beperking, ouderen, mensen met problematische schulden, statushouders en mensen met een migratieachtergrond. Daarom is een brede aanpak in gang gezet om een inclusieve arbeidsmarkt te creëren, waarin iedereen kansen krijgt.

Daarnaast hebben de gunstige economische ontwikkelingen de structurele onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt extra zichtbaar gemaakt. Hoewel het in sommige sectoren lastig is om (geschikt) personeel te vinden, staan er tegelijkertijd grote groepen mensen langs de kant of kunnen minder uren werken dan zij willen. Globalisering, technologische ontwikkeling en flexibilisering hebben de samenleving en de arbeidsmarkt veranderd. De scheidslijnen in de samenleving lijken daardoor dieper te worden. De kloof wordt groter tussen enerzijds groepen die profiteren van de bescherming van een vast contract of de vrijheid van het werken als zelfstandige, en anderzijds groepen die de onzekerheid ervaren van een flexibel contract of schijnzelfstandigheid. Juist nu het economisch goed gaat, heeft het kabinet het afgelopen jaar belangrijke eerste stappen gezet om de arbeidsmarkt te moderniseren en meer in balans te brengen.

3.2 Het beleid in 2018

Deze paragraaf gaat in op het beleid dat in 2018 is uitgevoerd of in gang is gezet. Het kabinet werkt aan kansen voor iedereen. Op het terrein van sociale zaken en werkgelegenheid gelden daarbij twee inhoudelijke hoofdlijnen: 1) stimuleren van zekerheid en kansen in een nieuwe economie en 2) stimuleren dat mensen naar vermogen meedoen in de samenleving. Hierbij is aandacht voor uitvoering en handhaving essentieel. Deze paragraaf is volgens deze hoofdlijnen ingedeeld.

3.2.1 Zekerheid en kansen in een nieuwe economie: naar een nieuwe balans

Balans op de arbeidsmarkt

Arbeidsmarktindicatoren zoals de werkloosheid, werkgelegenheid (tabel 3.1) en het aantal vaste contracten (tabel 3.2.1) hebben zich het afgelopen jaar opnieuw gunstig ontwikkeld. Toch zijn er structurele onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt. Het afgelopen jaar is een ambitieuze agenda in gang gezet om de balans op de arbeidsmarkt op alle onderdelen te herstellen. Hierbij geldt een programmatische aanpak met vijf samenhangende routes (Tweede Kamer, 2017–2018, 29 544, nr. 813): 1) arbeidsmarkt van de toekomst; 2) vernieuwing van het pensioenstelsel; 3) vast/flex en arbeid en zorg; 4) zzp-kwalificatievraagstuk en het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid en 5) maatregelen rond de Participatiewet.

Tabel 3.2.1 Kerncijfers positie in de werkkring (gemiddeld, x 1.000)
 

2016

2017

2018

Werknemers

7.000

7.154

7.322

 

waarvan werknemers met vaste arbeidsrelatie

5.158

5.206

5.352

 

waarvan werknemers met flexibele arbeidsrelatie

1.841

1.948

1.970

Zelfstandigen

1.403

1.425

1.452

CBS, Statline

Wet arbeidsmarkt in balans

Op 7 november 2018 is het wetsvoorstel Wet Arbeidsmarkt in balans ingediend bij de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 074, nr. 2). Dit wetsvoorstel bevat een pakket aan maatregelen op het terrein van flexibele arbeid, het ontslagrecht en de financiering van de WW om de kloof tussen vast en flexibel werk te verkleinen. Voor een evenwichtigere arbeidsmarkt is het van belang dat het minder risicovol wordt om mensen in vaste dienst aan te nemen, en dat er tegelijkertijd ruimte is voor flexibiliteit. Met dit wetsvoorstel wordt het voor werkgevers aantrekkelijker om een vast contract aan te bieden. Tegelijkertijd wordt de ruimte voor flexibiliteit op verschillende manieren uitgebreid. Het is de bedoeling dat flexibel werk wordt gebruikt waar de aard van het werk daarom vraagt en niet alleen omdat het een kostenvoordeel oplevert. Negatieve effecten van specifieke vormen van flexibele arbeid, zoals onzekerheid over werk en inkomen en afwenteling van kosten en risico’s, worden beperkt of beprijsd.

Om te bevorderen dat het MKB weer meer personeel in (vaste) dienst durft te nemen, heeft het kabinet ook belangrijke stappen gezet om de scherpe randen af te halen van de verplichting tot het betalen van een transitievergoeding. Dit wetsvoorstel regelt ook dat kleine werkgevers worden gecompenseerd voor de transitievergoeding bij ontslag als gevolg van bedrijfsbeëindiging, pensionering of ziekte. Dit komt bovenop de wet die vorig jaar is aangenomen waarin de transitievergoeding gecompenseerd kan worden bij ontslag na 2 jaar ziekte (Stb. 2018, 234).

Loondoorbetaling bij ziekte

Met name kleine werkgevers ervaren knelpunten rond de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Dit is niet alleen nadelig voor werkgevers maar ook voor werknemers, die daardoor minder snel een vast contract aangeboden krijgen. In het regeerakkoord is een voorstel gedaan om deze knelpunten te verzachten, waarbij gelijktijdig sociale partners uitgenodigd zijn alternatieve voorstellen te doen. Eind 2018 zijn er met werkgevers afspraken gemaakt over een uitvoerbaar pakket aan maatregelen om de loondoorbetalingsverplichtingen makkelijker, duidelijker en goedkoper te maken (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 873). Hiermee worden werkgevers ontlast bij het traject om een zieke werknemer weer terug te laten keren op de werkvloer. Voorts stelt het kabinet jaarlijks € 450 miljoen beschikbaar voor een tegemoetkoming in de kosten van loondoorbetaling. Vooral kleine werkgevers van profiteren hiervan. Tegelijkertijd blijven alle rechten van de zieke werknemers hetzelfde. Bovendien moet dit leiden tot het aannemen van meer vast personeel.

Maatregelen rond «werken als zelfstandige»

Het toegenomen aantal zzp’ers past bij de veranderende arbeidsmarkt. Veel opdrachtnemers hebben er welbewust voor gekozen om als zelfstandige aan de slag te gaan en leveren zo een belangrijke bijdrage aan de samenleving en de economie. De regels met betrekking tot zzp’ers verdienen echter verbetering.

Vorig jaar is het kabinet gestart met de uitwerking van de maatregelen uit het regeerakkoord (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 311, nr. 207) waarmee, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt, schijnzelfstandigheid en oneerlijke concurrentie tussen werkenden wordt tegengegaan. Tevens beogen de maatregelen meer duidelijkheid te geven aan zelfstandigen en hun opdrachtgevers of er al dan niet sprake is van een dienstbetrekking. Hierbij is het ook de bedoeling om aan de bovenkant van de arbeidsmarkt meer zekerheid te geven aan zelfstandigen die werken tegen een hoog uurtarief. Ook de Europese Commissie beveelt Nederland in de landenspecifieke aanbevelingen uit 2018 aan om maatregelen te nemen om de prikkels te verminderen die leiden tot het werken met tijdelijke contracten en zelfstandigen zonder personeel. De commissie beveelt tevens aan om schijnzelfstandigheid aan te pakken en passende sociale bescherming voor zelfstandigen te bevorderen.

Het verduidelijken van het gezagscriterium is het afgelopen jaar conform de motie Wiersma/Van Weyenberg (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775-XV, nr. 32) versneld uitgevoerd, en geldt per 1 januari 2019. De uitwerking van de overige maatregelen bleek echter geen gemakkelijke opgave. In de tweede voortgangsbrief (Tweede Kamer, 2018–2019, 31 311, nr. 212) is gemeld dat een aantal belangrijke stappen is gezet, maar op onderdelen nog nadere verkenning nodig is.

Commissie regulering van werk

Met het ingediende wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans, de afspraken met werkgevers om de knelpunten rond loondoorbetaling bij ziekte te verlichten en de uitwerking van de maatregelen uit het regeerakkoord rond zelfstandigen, pakt het kabinet urgente knelpunten op de arbeidsmarkt aan. Voor de uitdagingen op lange termijn zijn grotere en fundamentelere aanpassingen nodig van de wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscaliteit. Daarom heeft het kabinet een onafhankelijke adviescommissie ingesteld om te onderzoeken of ons huidige stelsel nog aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst (Stcrt. 2018, 64 358).

Leven lang ontwikkelen (LLO)

In diverse sectoren op de arbeidsmarkt deed zich in 2018 krapte voor. Tegelijkertijd kon nog steeds een deel van de werkzoekenden niet aan het werk komen en verloren anderen hun baan. Dit komt doordat werkgevers als gevolg van als digitalisering, robotisering en globalisering andere kennis en vaardigheden vragen dan in het verleden. Mede in het licht van deze ontwikkelingen en de snel veranderende arbeidsmarkt wil het kabinet een doorbraak realiseren op het gebied van een Leven lang ontwikkelen en een positieve en sterke leercultuur tot stand brengen. Zoals in de Kamerbrief «Leven lang leren» is aangegeven, wil het kabinet dit bereiken door te stimuleren dat iedereen een individueel budget voor algemene scholing en ontwikkeling tot zijn of haar beschikking krijgt (Tweede Kamer, 2018–2019, 30 012, nr. 92). Het afgelopen jaar zijn overleggen gestart met sociale partners en andere betrokken partijen om meer duidelijkheid te krijgen over de fiscale behandeling van leerrekeningen.

Arbeid en Zorg

Wet invoering extra geboorteverlof (WIEG)

Beide ouders moeten werk en zorg voor de kinderen goed kunnen combineren. Het is belangrijk dat ouders na de geboorte van hun kind tijd met hun gezin doorbrengen. Zo maken ouders en kind een betere start. Ook kunnen de taken in en rond het huis vanaf het begin gelijker worden verdeeld. Dit draagt bij aan de arbeidsparticipatie van vrouwen. Deze modernisering op het gebied van arbeid en zorg is hard nodig, ook als we Nederland in een internationaal perspectief bekijken.

De Wet invoering Extra Geboorteverlof (WIEG) (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 697, nr. 2) is in 2018 door zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer met brede steun aangenomen. Hiermee krijgt de partner vanaf 1 juli 2020 na de geboorte van een kind recht op zes weken geboorteverlof. Per 1 januari 2019 is het betaalde geboorteverlof al verhoogd van twee naar vijf dagen. Verder gaat met deze wet het adoptie- en pleegzorgverlof voor ouders van vier naar zes weken.

Betere en betaalbare kinderopvang

Goede kinderopvang biedt kinderen een vertrouwde en veilige omgeving waarin zij zich kunnen ontwikkelen en het bevordert de arbeidsparticipatie van beide ouders (tabel 3.2.2 en 3.2.3). In 2018 vonden verschillende ontwikkelingen plaats.

Op 1 januari 2018 traden de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang (Stb. 2017, 251) en de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelwerk (Stb. 2017, 252) in werking. Deze aanpassingen verhogen de kwaliteit van de kinderopvang verder en trekken de kwaliteitseisen van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang gelijk. Door de harmonisatie van peuterspeelzalen en kinderopvang komen ook werkende ouders van peuters in voormalig peuterspeelzalen in aanmerking voor kinderopvangtoeslag.

Verder heeft dit kabinet vorig jaar na zorgvuldige afweging besloten het wetsvoorstel Wet nieuw financieringsstelsel kinderopvang (hierna: directe financiering) niet in te dienen bij de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 322, nr. 361). Het kabinet heeft besloten het aantal (hoge) terugvorderingen te verminderen door het huidige stelsel van kinderopvangtoeslag te verbeteren. De Tweede Kamer is vorig jaar geïnformeerd over concrete verbetervoorstellen (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 322, nr. 361).

Tabel 3.2.2 Kerncijfers netto arbeidsparticipatie (%)
 

2016

2017

2018

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar1

65,8

66,7

67,8

       

Moeders (lid van ouderpaar)1

77,6

78,5

79,0

Vaders (lid van ouderpaar)1

90,8

91,2

91,7

       

Alleenstaande moeders1

62,2

63,1

65,9

Alleenstaande vaders1

76,3

73,8

76,6

       

Moeders met jonge kinderen (0–11)2

76,5

77,2

77,6

Vaders met jonge kinderen (0–11)2

93,3

93,5

94,0

X Noot
1

CBS, Statline.

X Noot
2

CBS, Enquête beroepsbevolking (EBB).

Tabel 3.2.3 Kerncijfers gewerkte uren per week (gemiddelde binnen de groep vrouwen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)1
 

2016

2017

2018

Vrouwen 15 tot 75 jaar

25,6

25,9

26,1

Moeders met jonge kinderen (0–11 jaar)

25,8

26,4

26,6

X Noot
1

CBS, Enquête beroepsbevolking (EBB).

Verhoging kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en kinderbijslag

In 2018 is het besluit aan de Tweede Kamer aangeboden waarmee de kinderopvangtoeslag per 2019 is verhoogd met € 248 miljoen (Stb. 2018, 327). Dit verbetert de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de kinderopvang. Hiermee wordt het voor ouders van jonge kinderen aantrekkelijker om te gaan en te blijven werken. Tevens is een wetsvoorstel (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 010, nr. 2) ingediend voor de verhoging van het kindgebonden budget per 2020 en is er een besluit (Stb. 2018, 478) aangeboden waarmee de kinderbijslag per 2019 is verhoogd. Het kindgebonden budget voor paren met middeninkomens gaat vanaf 2020 met bijna € 500 miljoen omhoog. Ouders die blijven werken of meer gaan werken, gaan zo meer geld overhouden. Het in 2018 aangeboden besluit (Stb. 2018, 478) om de kinderbijslag te verhogen, verhoogt het budget voor deze regeling vanaf 2019 met structureel € 250 miljoen. Hiermee geeft het kabinet gezinnen met kinderen een extra steun in de rug.

Beleidsdoorlichting Tegemoetkoming ouders

In 2018 vond een beleidsdoorlichting plaats op het terrein van tegemoetkomingen aan ouders (kinderbijslag en kindgebonden budget) (Tweede Kamer, 2018–2019, 30 982, nr. 46). Uit het rapport kwam naar voren dat er in sommige gevallen een discrepantie is tussen de hoogte van de tegemoetkomingen in de kosten van kinderen en de daadwerkelijke kosten van kinderen. Een evenwichtiger en effectiever stelsel van tegemoetkomingen kan daarom meer gericht zijn op de feitelijke kosten van kinderen in verschillende situaties (leeftijd, huishoudsituatie en aantal kinderen in het gezin). Naar aanleiding van de uitkomsten wordt nader onderzoek gedaan naar een evenwichtigere kostendekkendheid van de regelingen voor verschillende groepen en de mogelijke effecten voor verschillende groepen.

Pensioenstelsel

Het Nederlandse pensioenstelsel behoort tot de beste ter wereld, maar moet meebewegen met de veranderende arbeidsmarkt en samenleving om toekomstbestendig te zijn. Ook de Europese Commissie beveelt Nederland aan om het stelsel van aanvullende pensioenen transparanter, eerlijker tussen de generaties en schokbestendiger te maken.

In 2018 waren er intensieve gesprekken tussen het kabinet en de sociale partners om tot een robuuster en persoonlijker pensioenstelsel te komen. Helaas hebben deze gesprekken uiteindelijk niet tot een akkoord geleid. Na het vastlopen van het pensioenoverleg is zowel in de Kamer, als in de sector en de wetenschap benadrukt dat hiermee de urgentie van vernieuwing van het stelsel niet verdwenen is. Ook het kabinet blijft ervan overtuigd dat een hervorming van het pensioenstelsel noodzakelijk is. Het huidige stelsel leidt tot een discussie tussen generaties over de verdeling van het beschikbare pensioenvermogen en is onvoldoende toegerust op de veranderende arbeidsmarkt en op toegenomen verschillen in persoonlijke omstandigheden en voorkeuren van deelnemers. Om geen tijd te verliezen gaat het kabinet aan de slag om noodzakelijke aanpassingen aan het pensioenstelsel te bewerkstelligen. Het kabinet zoekt hierbij nadrukkelijk het gesprek met sociale partners, pensioenuitvoerders, toezichthouders, de wetenschap en jongeren- en ouderenorganisaties, om uiteindelijk tot breed gedragen aanpassingen van het pensioenstelsel te komen.

3.2.2 Meedoen in de samenleving

Werk is cruciaal om mensen mee te laten doen in de samenleving. Werk biedt mensen bestaanszekerheid, vergroot het gevoel van eigenwaarde en helpt om een sociaal netwerk op te bouwen. Meedoen is niet alleen gunstig voor individuen, maar ook voor de samenleving als geheel. Mensen kunnen drempels ervaren om mee te doen, door bijvoorbeeld een arbeidsbeperking, schulden, geringe taalvaardigheid of afkomst. Daarom is het kabinet in 2018 verdergegaan met het verlagen van de drempels, zodat de stap naar meedoen makkelijker wordt.

Breed offensief

Mensen met een arbeidsbeperking aan het werk helpen

Ongeveer de helft van de mensen met een beperking (mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen) had afgelopen jaar geen werk. Het kabinet heeft stappen gezet naar een inclusieve arbeidsmarkt zodat meer mensen met een arbeidsbeperking mee kunnen doen. In het afgelopen jaar heeft het kabinet het voornemen uit het regeerakkoord om over te gaan op loondispensatie in de Participatiewet, nader uitgewerkt. Tijdens deze uitwerking is gebleken dat het niet mogelijk is om loondispensatie in de Participatiewet zo in te richten dat het voor iedereen simpeler en beter wordt. Het kabinet zag daarom af van invoering van loondispensatie in de Participatiewet. Het doel van het kabinet blijft ongewijzigd: meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk. Daarom heeft het kabinet in 2018 het Breed Offensief gelanceerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 115 en nr. 138) met verschillende maatregelen die er voor moeten zorgen dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Hierbij gelden vier ijkpunten: 1) eenvoudiger voor werkgevers en werkzoekenden, 2) werken aantrekkelijker maken voor mensen met beperkingen, 3) werkgevers en werkzoekenden moeten elkaar makkelijker kunnen vinden en 4) het bijdragen aan duurzaam werk. Belangrijke onderdelen zijn het vereenvoudigen van het instrument loonkostensubsidie, het bevorderen van ondersteuning op maat, bijvoorbeeld door een adequate inzet van het instrument jobcoach en werken lonender maken voor mensen met een arbeidsbeperking. Ook moeten werkzoekenden en werkgevers elkaar gemakkelijker kunnen vinden in de arbeidsmarktregio’s. Een ander belangrijk onderdeel is het verbeteren en vereenvoudigen van de banenafspraak en de quotumregeling.

Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

Het afgelopen jaar hebben overheid en markt samen de afgesproken aantallen voor de banenafspraak gehaald. De markt heeft ruimschoots voldaan aan de banenafspraak, de overheid loopt nog achter. Als onderdeel van het Breed Offensief heeft het kabinet voor de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten een eenvoudiger systeem aangekondigd (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nrs. 115, 136 en 137). Deze vereenvoudiging zal meer perspectief geven om banen te creëren door werkgevers te belonen voor de banen die ze realiseren en de administratieve lasten voor hen en de uitvoering te verminderen. Hierdoor krijgen meer mensen met een beperking een kans op een baan bij een reguliere werkgever. De vereenvoudiging maakt ook meer samenwerking tussen werkgevers mogelijk. Uitgangspunt is dat het er niet langer toe doet waar een baan wordt gerealiseerd, maar dat de baan er komt. Om die reden heeft het kabinet besloten het onderscheid tussen overheid en markt los te laten, conform de motie Nijkerken-de Haan c.s. (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 126). Een ander belangrijk uitgangspunt is dat de doelstelling van 125.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking overeind blijft. Dat geldt zowel voor de werkgevers in de markt als voor de overheidswerkgevers. De overheidssector blijft daarbinnen ook aan de lat staan voor zijn aandeel in de banenafspraak.

Project Simpel Switchen in de Participatieketen

Vorig jaar is het project Simpel Switchen in de Participatieketen gestart. Dit project beoogt de drempels voor mensen om vanuit de uitkering werk te aanvaarden weg te nemen en de overgangen tussen dagbesteding, beschut werk, banenafspraak en een reguliere baan te versoepelen, ook in de weg terug als het even tegen zit. In de brief aan de Tweede Kamer van 27 december 2018 is geschetst hoe het kabinet, samen met vele partners, dit wil doen (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 142). Dit gebeurt langs vier sporen: 1) makkelijker maken om terug te vallen op de oude uitkering, mocht de stap naar werk toch (even) niet lukken; 2) beter inzicht in financiële gevolgen van aan het werk gaan; 3) meedoen op de best passende plek; 4) continuïteit in begeleiding en meer integrale ondersteuning.

Beleidsdoorlichting Jonggehandicapten

In 2018 vond ook een beleidsdoorlichting plaats op het terrein van jonggehandicapten (Tweede Kamer, 2017–2018, 30 982, nr. 40). Uit de beleidsdoorlichting kwam naar voren dat de Wajong, met drie verschillende regelingen en verschillen in rechten en plichten tussen deze regelingen, complex is geworden. Het kabinet heeft naar aanleiding van de beleidsdoorlichting een reeks concrete acties in gang gezet. Het uitgangspunt is dat (meer) werken lonend moet zijn en dat mensen die gaan studeren er niet op achteruit gaan. Daarnaast gaat het kabinet de Wajong zo aanpassen dat het voor mensen die vanuit die uitkering gaan werken makkelijker wordt om er weer op terug te vallen als de stap naar werk toch niet – of even niet – lukt. Het doel van de voorgestelde maatregelen is om belemmeringen voor mensen met een arbeidsbeperking om te participeren weg te nemen en te bevorderen dat zij kunnen deelnemen aan de maatschappij, waarbij aandacht is voor bestaande rechten.

Intentieverklaring Perspectief op werk

Zoals aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer over het Breed Offensief (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 138), is in het najaar van 2018 de Intentieverklaring Perspectief op Werk opgesteld (bijlage bij Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352 nr. 138). Deze geeft de afspraken weer die namens de ministers van SZW en OCW zijn gemaakt met werkgevers, gemeenten, onderwijsveld en het UWV. Dit initiatief is erop gericht mensen een baan, leerwerkplek of aangepaste functie aan te bieden. Dit project richt zich op alle mensen die nog aan de kant staan. Daarnaast wordt de werking van de arbeidsmarkt praktisch ondersteund door meer publiek-private samenwerking in de uitvoering vorm te geven.

Programma Matchen op werk

Eén van de vier ijkpunten in het kader van het breed offensief is dat werkzoekenden en werkgevers elkaar makkelijker moeten kunnen vinden in de arbeidsmarktregio’s. In het programma «Matchen op werk werkt» heeft SZW in 2018 samen met de landelijke en regionale partners gewerkt aan het verder versterken van de werkgeverdienstverlening. De 35 arbeidsmarktregio’s zijn daarbij op maat ondersteund om de gecoördineerde werkgeversdienstverlening te verbeteren. Conform het amendement Nijkerken-de Haan (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775-XV, nr. 17) was hiervoor € 5 miljoen beschikbaar gesteld, verdeeld over regiospecifieke en regio-overstijgende ondersteuningsprojecten. Bij de regio-overstijgende projecten was er in 2018 sprake van onderuitputting, omdat enkele activiteiten niet tot uitvoering zijn gekomen. Omdat er nog kansen liggen voor verdere verbetering, krijgen de activiteiten rond werkgeversdienstverlening een vervolg met bestuurlijke afspraken en met het actualiseren en verhelderen van de SUWI-regelgeving. Doel is om werkgevers te bedienen vanuit één regionaal werkgeversloket, met een geharmoniseerd regionaal pakket van instrumenten en voorzieningen en met inzicht in de profielen van alle werkzoekenden in de regio.

Sociaal domein

Programma sociaal domein

In het programma sociaal domein werken Rijk (de ministeries van BZK, SZW, VWS, J&V en OCW) en gemeenten samen met andere betrokken organisaties integraal aan oplossingen voor de transformatie-opgaven (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 477, nr. 46). Het doel is het wegnemen van dilemma’s en knelpunten vanuit de lokale praktijk, zodat (kwetsbare) mensen de ondersteuning krijgen die nodig is. Er zijn 16 trajecten opgestart (https://www.programmasociaaldomein.nl/). Gemeenten zijn in de verschillende trajecten aan de slag met thema’s zoals bijvoorbeeld: kansen voor jongeren, eenvoudig maatwerk bij gestapelde problemen, betere ondersteuning voor mensen met een licht verstandelijke beperking, basis arbeidsmarkt en uitwisseling persoonsgegevens en privacy. Door vanuit één overheid samen te werken en te innoveren, doorbreken we schotten. De oplossingen die we ontdekken, delen we zodat ook andere gemeenten daarvan kunnen leren.

Sociale werk-/ontwikkelbedrijven

Uitgangspunt bij de Participatiewet is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering en daarmee voor de inrichting en vormgeving van de regionale sociale infrastructuur. Dit uitvoeringslandschap is sinds de inwerkingtreding van de Participatiewet per 1 januari 2015 fors in beweging. Veel gemeenten zijn bezig met een heroriëntatie op de uitvoering in het domein van werk en inkomen. In de eerste plaats is er een beweging waarbij de uitvoering van de re-integratieonderdelen van de Participatiewet en de Wsw samengaan, vaak in een nieuw werkbedrijf. Op andere plaatsen vindt juist een verdere verzelfstandiging van Sw-bedrijfsonderdelen plaats. De infrastructuur en expertise van de sociale werkvoorziening, die ook in 2018 nog volop in transitie is naar sociale ontwikkelbedrijven, kan een belangrijke rol blijven vervullen bij de ondersteuning van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Gemeenten maken steeds vaker gebruik van de infrastructuur van de voormalige Sw-bedrijven om de brede doelgroep van de Participatiewet te kunnen bedienen.

Werkloosheid en arbeidsongeschiktheid

Afspraken met sociale partners over de WIA

Het kabinet heeft overeenstemming bereikt met werknemers en werkgevers over het afzien van de bezuinigingen op de WIA. Deze bezuinigingen bestonden uit de aanpassing van het schattingsbesluit en het invoeren van een inkomenseis voor (toekomstige) arbeidsongeschikten die tussen de 80 en 99 procent arbeidsongeschikt zijn bevonden (WGA80–99). Vanwege de afspraak met werkgevers over een nieuw pakket aan maatregelen rondom loondoorbetaling bij ziekte (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 873), heeft het kabinet de balans in de maatregelen uit het regeerakkoord opnieuw bezien. Hierbij is ook meegewogen dat de verwachte instroom in de WIA lager uitvalt door de nieuwe afspraken op het gebied van loondoorbetaling bij ziekte.

Om te stimuleren dat WGA-gerechtigden zoveel mogelijk deelnemen aan het arbeidsproces, gaan de andere maatregelen uit het regeerakkoord (niet herbeoordelen van een arbeidsongeschikte tot vijf jaar na werkhervatting en experiment met scholingsaanbod voor arbeidsongeschikten) wel door. Tevens is besloten een werkgroep in de Stichting van de Arbeid in te stellen om de arbeidsparticipatie van geheel- en gedeeltelijk arbeidsongeschikten te bevorderen.

Intensivering persoonlijke dienstverlening UWV

In het regeerakkoord is vanaf 2019 extra geld gereserveerd voor het versterken van de dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers om meer mensen aan het werk te helpen. Het UWV is in 2018 reeds gestart met het intensiveren van de dienstverlening om te groeien richting de afspraken voor 2019 en later. In de brief over de stand van de uitvoering (Tweede Kamer, 2018–2019, 26 448, nr. 608) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken rond de voorbereidingen. Zowel op het terrein van de WW- als van de WGA-dienstverlening bleek dat een zorgvuldige inpassing en beheersing van de intensivering van de dienstverlening veel tijd en inspanning vraagt. Voor de WW-dienstverlening is meer tijd nodig om de dienstverlening op het gewenste niveau te krijgen. Bij de WGA speelt dat de uitbreiding van de capaciteit wel goed is gegaan, maar dat de productiviteit van de professionals druk zet op de ruimte om aanvullende dienstverlening te bieden.

Integratie

Nederland is een land met mensen uit veel verschillende herkomstlanden (WRR-rapport «De Nieuwe Verscheidenheid»). De verscheidenheid naar herkomst is in relatief korte tijd een structureel kenmerk van de Nederlandse samenleving geworden (CBS «Jaarrapport Integratie»). Uit dit CBS-rapport blijkt dat het op alle onderzochte terreinen de goede kant op gaat. Op het gebied van onderwijs, werk, gezinsvorming en ook criminaliteit zijn de verschillen tussen Nederlanders met en zonder migratieachtergrond langzaam maar zeker steeds kleiner geworden. Op de arbeidsmarkt is het verschil helaas nog steeds aanzienlijk. Het kabinet heeft gewerkt aan onderstaande maatregelen om nieuwkomers zo snel mogelijk te laten meedoen in de samenleving.

Nieuw inburgeringsstelsel

Vorig jaar zijn de hoofdlijnen geschetst voor de verbetering van het inburgeringsbeleid (Tweede Kamer, 2017–2018, 32 824, nr. 223). De conclusies en aanbevelingen uit de evaluatie van de Wet inburgering die vorig jaar aan de Tweede Kamer is aangeboden (Tweede Kamer, 2017–2018, 32 824, nr. 222), zijn bij de uitwerking van het nieuwe stelsel betrokken. Het nieuwe beleid moet de effectiviteit en doelmatigheid van inburgering vergroten en stelt hogere taaleisen aan nieuwkomers. Elementen van het nieuwe stelsel zijn een verhoging van het taalniveau bij inburgering van niveau A2 naar B1, regie en inkoop van opleidingstrajecten bij de gemeenten (waarmee het leenstelsel wordt afgeschaft), ontzorging van inburgeraars en de voorbereiding op deelname aan de arbeidsmarkt.

De geïntroduceerde aanpak houdt meer rekening met – zoals de WRR dat noemt – het «doenvermogen» van inburgeraars. Voor iedere nieuwkomer zal de gemeente daarom een persoonlijk plan opstellen: het Plan Inburgering en Participatie (PIP). Dit is een maatwerkprogramma voor het leren van de Nederlandse taal in combinatie met werk, vrijwilligerswerk, studie of stage. Een inburgeraar die zich onvoldoende inzet, zal vaker en sneller dan in het huidige stelsel geconfronteerd worden met sancties (zoals een boete). Hier staat tegenover dat de inburgeraar ook meer dan nu kan rekenen op begeleiding van de gemeente. Het kabinet wil dat iedereen meedoet, het liefst via betaald werk.

Het kabinet heeft aangekondigd vooruitlopend op de nieuwe regelgeving gemeentes te faciliteren om nieuwe werkwijzen te ontwikkelen die in lijn zijn met het huidige stelsel, maar ook recht doen aan het nieuwe stelsel. Tevens is een inventarisatie van good practices aangekondigd zodat kennis zoveel als mogelijk wordt gedeeld.

Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering

In mei 2018 is in een Kamerbrief (Tweede Kamer, 2017–2018, 29 614, nr. 78) aangekondigd dat gemeenten in staat gesteld moeten worden om problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering goed en tijdig aan te pakken. Gemeenten moeten daarvoor over de juiste informatie beschikken en weten hoe te handelen. Daarvoor moet de kennis en informatie binnen het Rijk nog verder op orde en bijeengebracht worden, zowel met betrekking tot het fenomeen, casuïstiek als mogelijke handelingsperspectieven. Gemeenten hebben behoefte aan enerzijds informatie over wat speelt binnen hun gemeente en anderzijds advies over hoe hiermee om te gaan. Daarnaast wordt ingezet op het verder versterken van het samenwerkingsverband van alle relevante partijen binnen het Rijk. En waarvan uit ook proactief naar aanleiding van ontvangen signalen wordt geadviseerd richting gemeenten. Hiermee kunnen we voortbouwen op het samenwerkingsverband dat er reeds is.

Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA)

Het afgelopen jaar is het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) van start gegaan. Dit programma is opgezet om kennis te vergaren over wat werkt om de arbeidsparticipatie en arbeidsmarktpositie van Nederlanders met een migratieachtergrond te verbeteren. Via een achttal experimentele pilots wil het kabinet weten wat écht werkt en deze kennis in een later stadium verspreiden. Om inzicht te krijgen in de effectiviteit is een specialistisch onderzoeksbureau gevraagd mee te denken met de opzet van de pilots (vanuit het evalueerbaarheidsvraagstuk) en een evaluatiekader op te stellen, per individuele pilot en voor het programma als geheel. Vorig jaar is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het programma (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 848). Van de acht pilots is één in 2018 reeds gestart. De overige pilots starten in de loop van 2019.

Armoede en schulden

Uit onderzoek van het CBS (2018) bleek dat er in Nederland 292.000 kinderen opgroeien met kans op armoede. Dit is een op de negen kinderen. Daarnaast had een op de tien huishoudens te maken met problematische schulden en voor een op de vijf huishoudens bestaat het risico om met problematische schulden te maken te krijgen. Dit is nadelig voor zowel de schuldenaar als de schuldeiser én de samenleving als geheel. Het afgelopen jaar zijn verschillende acties ondernomen om de aanpak van schulden te verbeteren.

Actieplan Brede Schuldenaanpak

In mei 2018 is de brede schuldenaanpak met een bijbehorend actieplan gepresenteerd door het kabinet. In dat kader is in 2018 ook het startsein gegeven voor het Samenwerkingsverband Brede Schuldenaanpak (Tweede Kamer, 2017–2018, 24 515, nr. 431). Hierin werken veel organisaties samen die nauw betrokken zijn bij de schuldenproblematiek. Het actieplan richt zich op drie pijlers: 1) het voorkomen van problematische schulden; 2) het terugdringen van problematische schulden; en 3) het bevorderen van zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. In 2018 is € 27 miljoen extra beschikbaar gesteld aan gemeenten voor verdere professionalisering van schuldhulpverlening en het versterken van de regiefunctie van het (kindgericht) armoedebeleid. In 2018 is onder andere een aanpassing van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voorbereid waardoor vroegsignalering beter wordt gefaciliteerd (Tweede Kamer, 2017–2018, 24 515, nr. 431). Verder zijn vele pilots en initiatieven gestart om te bezien hoe de dienstverlening aan mensen met financiële problemen kan worden verbeterd. Zo is in november 2018 het startsein gegeven voor Schuldenlab.nl. Een initiatief waar publieke en private partijen in gezamenlijkheid werken aan landelijke opschaling van succesvolle projecten rond armoede en schulden.

Verbreding beslagregister

Om problemen rond schulden op te lossen heeft het kabinet gewerkt aan herziening van het beslag- en executierecht en verbreding van het beslagregister. Het register maakt het mogelijk het proces rond de beslagvrije voet beter uit te voeren en helpt onnodige kosten van (gerechtelijke) procedures en incasso-acties te voorkomen. De verwachting was dat overheidsorganisaties in 2019 op dit systeem konden aansluiten. Vorig jaar is de Tweede Kamer geïnformeerd dat deze verwachting helaas moest worden bijgesteld (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 453). Om ervoor te zorgen dat de vaak privacygevoelige gegevens toch op een zeer zorgvuldige manier kunnen worden uitgewisseld, is in 2018 aanvullend onderzoek verricht naar hoe de gegevensuitwisseling het best kan worden vormgegeven.

Wet vereenvoudiging beslagvrije voet

In 2018 is gewerkt aan de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet(Stb. 2017, 110). Deze wet regelt dat de beslagvrije voet met geautomatiseerd beschikbaar gestelde gegevens kan worden vastgesteld. Dit moet het bestaansminimum beschermen. Op 15 november 2018 is aan de Kamer bericht dat de inwerkingtreding van deze wet met ingang van 2019 op problemen stuit (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 453). Daarom werkt het kabinet aan tussenmaatregelen (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 468). Deze zijn erop gericht dat in de periode tot de implementatie van de nieuwe wet zo min mogelijk schuldenaren te maken krijgen met een te lage beslagvrije voet.

Tussentijdse evaluatie inzet extra middelen voor kinderen in armoede

Met ingang van 1 januari 2017 is structureel € 100 miljoen extra per jaar ter beschikking gesteld ten behoeve van kinderen die opgroeien in armoede. In 2018 is een tussentijdse evaluatie naar deze middelen afgerond (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 455). Hieruit kwam naar voren dat er positieve stappen zijn gezet in het bereiken van meer kinderen die opgroeien in armoede, maar ook nog verbetering mogelijk en nodig is. Daarom zijn – zoals aan het parlement gemeld – hernieuwde afspraken met de VNG gemaakt om te bevorderen dat álle kinderen in armoede worden bereikt.

Extra ondersteuning kwetsbare mensen

Naar aanleiding van de motie Segers c.s. (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 000, nr. 25) was in 2018 eenmalig € 25 miljoen beschikbaar voor ondersteuning van kwetsbare mensen. Hiervan was € 4 miljoen bestemd voor bestrijding van armoede onder kinderen, € 4 miljoen voor dienstverlening door vrijwilligersorganisaties op het terrein van schulden en € 17 miljoen voor het creëren van baankansen voor kwetsbare jongeren uit het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs.

Verbetering leefomstandigheden Caribisch Nederland

In 2018 is onderzoek gedaan naar een ijkpunt voor het sociaal minimum in Caribisch Nederland. Uit dit onderzoek bleek dat een aanzienlijk deel van de mensen in Caribisch Nederland moeite heeft om rond te komen (Eerste Kamer, 2017–2018, 34 775-IV nr. S). Daarom heeft het kabinet besloten om samen met de openbare lichamen aldaar aan de slag te gaan met maatregelen om de levensomstandigheden in Caribisch Nederland verder te verbeteren. Het kabinet heeft in 2018 een breed pakket aan maatregelen aangekondigd dat bestaat uit drie pijlers: 1) het verhogen van inkomens en uitkeringen; 2) het verlagen van kosten van levensonderhoud; en 3) het versterken van de economie en arbeidsmarkt van de eilanden (Eerste Kamer, 2017–2018, 34 775-IV nr. S). In 2018 is een aantal concrete maatregelen in gang gezet. Zo konden per 1 januari 2019 de kinderbijslag, het wettelijk minimumloon en de uitkeringen worden verhoogd. Zoals in de brief van 7 december 2018 aan de Eerste Kamer gemeld (Eerste Kamer, 2018–2019, 35 000-IV-C), wordt het parlement voor de zomer van 2019 in een voortgangsrapportage geïnformeerd over de benodigde stappen om een norm voor het sociaal minimum te kunnen vaststellen. Hierbij wordt bezien of het dan mogelijk is om een ijkpunt voor het sociaal minimum te kiezen als referentiepunt voor gerichte maatregelen de komende jaren.

3.2.3 Aandacht voor uitvoering en handhaving van beleid

Inleiding

Handhavingsbeleid van SZW is zowel gericht op de sociale zekerheid als de arbeidswetten. Het gaat over het bestrijden van fraude met uitkeringen en over handhaving op het terrein van veilig, gezond en eerlijk werk. Handhaving is een belangrijke randvoorwaarde voor een goed werkende arbeidsmarkt en een goed functionerend stelsel van sociale zekerheid. In de Handhavingskoers 2018–2021 – die op 9 april 2018 aan de Tweede Kamer is gestuurd (Tweede Kamer, 2017–2018, 17 050 nr. 541) – is uiteengezet hoe het handhavingsbeleid van het Ministerie van SZW wordt versterkt.

Inspectie control framework (ICF)

In de Handhavingskoers 2018–2021 aangegeven hoe aan de hand van vier hoofdlijnen het handhavingsbeleid van het Ministerie van SZW versterkt wordt (Tweede Kamer, 2017–2018, 17 050 nr. 541). Eén van de hoofdlijnen in dit beleid is het versterken en verbinden van de handhavingsketen. In het regeerakkoord is hiervoor geleidelijk oplopend naar 2022 € 50 miljoen extra per jaar beschikbaar gesteld. Deze middelen worden gebruikt om de handhavingsketen te versterken op het gebied van eerlijk werk, veilig & gezond werken en het ontwikkelen van informatie/datagestuurd werken.

In 2018 was een bedrag van € 13 miljoen beschikbaar voor de versterking en verbinding van de handhavingsketen. Deze middelen zijn ingezet om extra inspecteurs en rechercheurs te werven. Daarnaast is een programma gestart dat bedrijven ondersteunt bij preventieve activiteiten op het terrein van eerlijk, gezond en veilig werk. Ook is begonnen met het ontwikkelen van informatiegestuurd werken. Een deel van de middelen is ten slotte ingezet om ondersteunende functies te versterken via werving van extra personeel (HRM, financiën en juridische zaken).

Een uitgebreide verantwoording van de ICF-middelen over 2018 is opgenomen in het jaarverslag van de Inspectie SZW.

Arbeidsmarktdiscriminatie

Op 19 juni is de Hoofdlijnenbrief Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie 2018–2021 aan de Tweede Kamer gestuurd (Tweede Kamer, 2017–2018, 29 544, nr. 834). In dit actieplan is de inzet van het kabinet beschreven om arbeidsmarktdiscriminatie in de komende jaren te voorkomen en tegen te gaan en bestaat uit drie pijlers: 1) toezicht en handhaving; 2) onderzoek en instrumenten en 3) kennis en bewustwording. In het implementatieplan van 22 november 2018 is dit nader uitgewerkt (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 849). Een van de actiepunten is om de bevoegdheden van de Inspectie SZW te verruimen zodat toezicht en handhaving mogelijk worden met betrekking tot de aanwezigheid van wervings- en selectiebeleid bij werkgevers, waarin voldoende waarborgen moeten worden opgenomen om discriminatie van sollicitanten te voorkomen en tegen te gaan.

Stand van de uitvoering UWV en SVB

In de «Stand van de uitvoering» is gemeld dat de dienstverlening vanuit de SVB en het UWV er afgelopen jaar over het algemeen goed uit zag en verder is verbeterd (Tweede Kamer, 2018–2019, 26 448, nr. 608). Zo zijn bijvoorbeeld weer grote stappen zijn gezet in het moderniseren en vernieuwen van de ICT. Beide organisaties leverden daarnaast veel inzet bij de voorbereiding en implementatie van nieuw beleid, waaronder maatregelen uit het regeerakkoord. Tegelijkertijd zijn er aandachtspunten en uitdagingen.

Capaciteit verzekeringsartsen

Een van de aandachtspunten uit de «Stand van de uitvoering» is het tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV voor sociaal-medische beoordelingen (Tweede Kamer, 2018–2019, 26 448, nr. 608). De voorraad van de belangrijkste sociaal-medische beoordelingen is stabiel gebleven, maar de voorraad herbeoordelingen is in 2018 opgelopen. Dit betekent dat de tot nu toe ondernomen acties door het UWV vooralsnog onvoldoende hebben opgeleverd. De krapte op de arbeidsmarkt voor (verzekerings)artsen is hier een belangrijke oorzaak. Een expertgroep heeft gerichte voorstellen aan het UWV gedaan die kunnen bijdragen aan het verkleinen van het capaciteitstekort. De voorstellen worden verder uitgewerkt. Met de ingezette maatregelen beoogt het UWV een trendbreuk te realiseren. In juli 2019 wordt hiervan de balans opgemaakt.

Aanpak fraude met uitkeringen

Op het gebied van handhaving was vorig jaar veel aandacht voor uitkeringsfraude met de WW door arbeidsmigranten. Fraude met uitkeringen is kwalijk en ondermijnt het draagvlak voor de sociale zekerheid. Naar aanleiding daarvan is een strengere aanpak van de geconstateerde fraude aangekondigd (Tweede Kamer, 2018–2019, 17 050, nr. 545). Deze bestaat onder andere uit het leidend maken van de Basisregistratie Personen (BRP) bij het UWV, intensievere controle op verblijf in het buitenland zonder toestemming en verwijtbare werkloosheid. Ook is de aandacht voor fraude breder getrokken dan alleen deze vorm, door het laten doen van een extern onderzoek naar misbruikrisico’s in het algemeen bij het UWV en de ontwikkeling van een afwegingskader. Daarnaast is vanaf 2019 een signaleringsbrief aan de Tweede Kamer aangekondigd. Deze brief, die wordt opgesteld door het UWV, de SVB, gemeenten en de Inspectie SZW, is bedoeld om de informatievoorziening aan de Tweede Kamer over handhaving te intensiveren.

Participatiewet

Vermogensfraude buitenland

Handhaving op verzwegen vermogen in het buitenland is complex. Aangekondigd is dat samen met betrokken uitvoeringspartijen wordt gewerkt aan een set van maatregelen om tot een effectieve aanpak te komen. Het samenwerkingsverband Onderzoek Vermogen Buitenland (OVB) is opgericht, dat in 2019 met een handreiking, kennisloket en regiobijeenkomsten voor gemeenten komt. De SVB is gestart met een pilot om beslaglegging in het buitenland makkelijker te maken. Tot slot is toegezegd dat de mogelijkheden worden onderzocht om tot een wetswijziging van de Participatiewet te komen die het knelpunt moet aanpakken dat vermogenden na aangetoonde fraude alsnog recht krijgen op bijstand.

Taaleis en tegenprestatie

De taaleis en tegenprestatie in de Participatiewet zijn belangrijke instrumenten om mensen uit hun isolement te halen, mee te laten doen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. In 2018 bleek uit de CBS-rapportage BUS-N Wet Taaleis 2017 dat registratie en uitvoering van de taaleis niet overal goed gebeurt. Het CBS is gevraagd vervolgonderzoek te doen. Daarnaast is in 2018 ook de evaluatie van de taaleis gestart. Deze evaluatie wordt in 2019 afgerond. Verder is het CBS gevraagd om onderzoek te doen naar het gebruik van de tegenprestatie. Met de VNG is afgesproken dat in gesprekken met gemeenten opgehaald gaat worden wat werkt en wat niet werkt en wat goede voorbeelden zijn van gemeenten die actief uitvoering geven aan de taaleis en de tegenprestatie.

Inburgering

In de loop van 2018 is het aantal meldingen van fraude bij inburgering gestegen. Alle meldingen worden serieus genomen en zijn door de Inspectie SZW geanalyseerd. Er is een projectgroep aanpak fraude inburgering ingesteld. Deze projectgroep treft samen met ketenpartners maatregelen om fraude tegen te gaan, zoals het stopzetten en vervolgen van malafide scholen, het opsporen van fraude binnen het huidige bestand van taalscholen en het werpen van extra barrières voor nieuwe fraude. Vorig jaar is een aantal maatregelen aangekondigd om de gesignaleerde modi operandi tegen te gaan (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 824, nr. 244). De verwachting is dat met de aangekondigde afschaffing van het leenstelsel het risico op nieuwe fraudegevallen wordt verkleind.

Gezond en veilig werken

Programma Beroepsziekten

In 2018 is het vierjarige programma Preventie Beroepsziekten gestart. Het programma richt zich op het voorkomen van nadelige gezondheidseffecten van het werken met gevaarlijke stoffen. In samenwerking met andere partijen is in 2018 ingezet op de versterking van de bewustwording en de aanpak van gezondheidsrisico’s van het werken met gevaarlijke stoffen.

Arbeidsgerelateerde zorg en bedrijfsartsen

Op 29 juni is de eerste kwaliteitstafel bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde geopend. Aan de kwaliteitstafel nemen relevante stakeholders deel om de kennis- en kwaliteitsontwikkeling van de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde te verbeteren en de aantrekkelijkheid van het beroep van bedrijfsarts en verzekeringsarts te vergroten. Het doel van de kwaliteitstafel is dat stakeholders gezamenlijk werken aan de ontwikkeling van een structureel kennis- en kwaliteitsbeleid en daarmee bijdragen aan het inlopen van de tekorten aan bedrijfs- en verzekeringsartsen.

Asbest

In 2018 is een beleidsreactie over een onderzoek naar het functioneren van het asbeststelsel naar de Tweede Kamer gestuurd (Tweede Kamer, 2018–2019, 25 834, nr. 150). Hierin is aangegeven dat het systeem van certificatie blijft, en dat een aantal verbeteringen wordt doorgevoerd binnen het huidige asbeststelsel. Het gaat dan onder meer om het meer eenduidig en risicogericht maken van regelgeving en toezicht, meer ruimte maken voor innovatie en het verduidelijken van de stand van de wetenschap en het in balans brengen van belangenvertegenwoordiging.

Chroom 6

In 2018 is de Tweede Kamer geïnformeerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 000-XVI, nr. 119) over de voortgang van de aangekondigde maatregelen ter voorkoming van gezondheidsrisico’s bij blootstelling aan chroom-6. SZW zet in op versterking van het preventiebeleid en op intensivering van toezicht en handhaving om te komen tot een proactieve benadering gericht op maximale preventie van blootstellingen op de werkplek, zodat de werknemer gezond en veilig kan werken.

Kerncijfers handhaving en naleving sociale zekerheid

Bij het ontvangen van een uitkering gelden diverse verplichtingen, zoals het tijdig verstrekken van gegevens over het inkomen en het melden van samenwonen. De naleving van deze verplichtingen is een belangrijke voorwaarde voor een goed werkend stelsel van sociale zekerheid. Het UWV, de SVB en de gemeenten zetten diverse instrumenten in om de naleving en handhaving van wet- en regelgeving te bevorderen. Het gaat zowel om preventie (bijvoorbeeld door gedragsbeïnvloeding en voorlichting) als controleren en sanctioneren (bijvoorbeeld opleggen van boetes). In tabellen 3.2.4 en 3.2.5 is een overzicht gegeven van de kerncijfers op het gebied van handhaving bij UWV, SVB en gemeenten.

De kerncijfers opsporing van de SVB laten een lichte groei zien van het aantal opgespoorde overtredingen en een kleine daling van het opgelegde boetebedrag. De incassoratio is stabiel. De kerncijfers opsporing van de gemeenten tonen een lichte groei in het aantal vorderingen wegens geconstateerde overtreding van de inlichtingenplicht. Het totale benadelingsbedrag is de laatste jaren stabiel. De incassoratio van gemeenten blijft iets achter bij UWV en SVB. Dit is te verklaren door het vangnetkarakter van de Participatiewet.

De kerncijfers opsporing van het UWV zijn sterk gedaald. Dit is vooral terug te voeren op een daling van het aantal geconstateerde overtredingen bij uitvoering van de Werkloosheidswet (zie ook de toelichting in artikel 5). De berekening van de incassoratio van het UWV is gewijzigd. In de voorafgaande jaren was de incassoratio gebaseerd op een representatieve steekproef, vanaf 2018 wordt de werkelijke incassoratio berekend op basis van de complete set van gegevens. Hierdoor is sprake van een trendbreuk, waarbij de incassoratio in eerdere jaren waarschijnlijk licht is overschat. Hierdoor komt het bij sommige uitkeringen voor dat de incassoratio in 2018 iets terugloopt ten opzichte van 2017 (Wajong, artikel 4 en Ziektewet, artikel 6).

Tabel 3.2.4 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeenten
 

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)

Totaal opgelegd boetebedrag (x € 1 mln.)

 

2016

2017

2018

2016

2017

2018

2016

2017

2018

UWV1

19

19

8,3

41

47

26

9,7

7,6

4,4

SVB2

3,1

3,5

3,9

8,8

7,8

7,9

1,9

1,7

1,3

Gemeenten3 , 4

30

31

33

71

69

70

9,0

8,8

8,7

Totaal

4

4

4

121

123

104

21

18

14

X Noot
1

UWV, Jaarverslag, berekening SZW.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag, berekening SZW.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

X Noot
4

Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het aantal overtredingen ligt dus lager. Om die reden toont deze kolom geen totaal. Het CBS onderzoekt momenteel de verhouding tussen het aantal vorderingen en het aantal overtredingen.

Tabel 3.2.5 Kerncijfers incassoratio en geïnd bedrag UWV, SVB en gemeenten
 

2016

2017

2018

2015

2016

2017

2014

2015

2016

Incassoratio (%)

na 1 jaar

na 1 jaar

na 1 jaar

na 2 jaar

na 2 jaar

na 2 jaar

na 3 jaar

na 3 jaar

na 3 jaar

UWV1

26

23

28

54

48

51

59

65

63

SVB2

24

23

21

41

42

43

46

46

48

Gemeenten3

15

14

14

23

25

25

28

29

31

Totaal

20

18

23

38

35

36

48

46

44

                   

Geïnd bedrag4 (x € 1 mln.)

 

 

 

UWV

13

13

14

42

24

28

85

50

32

SVB

2,6

2,2

1,9

4,6

4,5

4,1

4,9

5,2

5,1

Gemeenten

12

11

11

18

20

20

23

23

25

Totaal

28

26

27

66

50

51

112

78

62

X Noot
1

UWV, Jaarverslag.

X Noot
2

SVB, Jaarverslag.

X Noot
3

CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek. Vanwege definitiewijzigingen zijn cijfers uit voorgaande jaren beperkt gewijzigd.

X Noot
4

Berekeningen SZW op basis van Jaarverslagen SZW, UWV en Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek CBS.

3.3 Uitgavenplafond Sociale Zekerheid

De paragraaf presenteert een totaaloverzicht van de uitgaven in de budgetdisciplinesector Sociale Zekerheid (SZ) in het jaar 2018. Eerst wordt de opbouw van de totale uitgaven onder het SZ-plafond weergegeven, onderverdeeld naar begrotings- en premiegefinancierde uitgaven. Daarna wordt inzicht gegeven in de onderverdeling van de uitgaven onder het SZ-plafond naar de verschillende regelingen. Ten slotte worden de uitgavenmutaties sinds de begroting 2018 gegroepeerd weergegeven en vindt toetsing van de SZ-uitgaven aan het plafond plaats.

Allereerst volgt een vergelijking van de gerealiseerde SZ-uitgaven ten opzichte van de uitgaven zoals geraamd in de begroting 2018 (zie tabel 3.3.1). Om een goede vergelijking te maken tussen begrote en gerealiseerde uitgaven, zijn de begrote uitgaven (prijzen 2017) omgerekend naar prijzen 2018. Daarnaast worden in deze paragraaf de ontvangsten in mindering gebracht op de uitgaven (netto SZ-uitgaven). Om deze twee redenen wijken de gepresenteerde uitgaven af van de uitgaven zoals opgenomen in de beleidsartikelen.

Uit tabel 3.3.1 is af te leiden dat de totale uitgaven onder het SZ-plafond € 0,3 miljard lager zijn uitgekomen dan voorzien bij de begroting 2018. De uitgaven onder het SZ-plafond bestaan uit begrotingsgefinancierde uitgaven (€ 34,4 miljard) en premiegefinancierde uitgaven (€ 56,9 miljard). De begrotingsgefinancierde uitgaven worden uit belastinginkomsten betaald, de premiegefinancierde uitgaven worden voornamelijk door middel van premies gefinancierd. Het merendeel van de uitgaven van de SZW-begroting valt onder het uitgavenplafond SZ.

Tabel 3.3.1 SZ-uitgaven 20181 (x € 1 mld)
 

Realisatie

2018

Begroting

2018

Verschil

2018

Totaal uitgaven begrotingsgefinancierd

34,4

32,4

2,1

-/- Correctie dubbeltelling rijksbijdragen

13,9

11,6

2,3

-/- Uitgaven Rbg-eng

0,5

0,6

– 0,1

-/- Correctie ontvangsten begrotingsgefinancierd

0,6

0,7

– 0,1

A. SZ-uitgaven begrotingsgefinancierd

19,5

19,6

– 0,1

       

Totaal uitgaven premiegefinancierd

56,9

57,2

– 0,3

-/- Correctie ontvangsten premiegefinancierd

0,3

0,3

0,0

B. SZ-uitgaven premiegefinancierd

56,6

56,9

– 0,3

       

C. Integratie-uitkering sociaal domein

2,6

2,5

0,1

       

Totaal SZ-uitgaven (A + B + C)

78,6

78,9

– 0,3

X Noot
1

Als gevolg van afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.

Op de totaaltelling van de uitgaven vindt een correctie plaats om dubbeltelling te voorkomen die ontstaat doordat sociale fondsen voor een deel gefinancierd worden uit begrotingsmiddelen. Deze zogeheten rijksbijdragen worden verantwoord op artikel 12 van dit jaarverslag. Dit betreft hoofdzakelijk een bijdrage aan het Ouderdomsfonds. De opbrengsten van de AOW-premie zijn namelijk onvoldoende om de ouderdomsuitgaven (AOW) te dekken.

De apparaatsuitgaven en enkele andere uitgaven, waaronder subsidies en opdrachten, behoren tot de uitgaven onder het plafond Rijksbegroting-eng en zijn daarom niet relevant voor het SZ-plafond. Deze uitgaven worden in mindering gebracht op de totaaltelling.

Voor het gedeelte van de ontvangsten dat tot de niet-belastingontvangsten wordt gerekend, wordt eveneens gecorrigeerd. De gerealiseerde begrotingsontvangsten onder het SZ-plafond wijken af van de totale ontvangsten (€ 1,9 miljard). De ontvangsten onder budgetdisciplinesector Rbg-eng en de niet-plafondrelevante ontvangsten (voornamelijk werkgeversbijdragen kinderopvangtoeslag) worden immers niet onder het SZ-plafond meegenomen.

Uitgavenontwikkeling

Tabel 3.3.2 toont een onderverdeling van de uitgaven die vallen binnen het SZ-plafond naar de verschillende regelingen. Wederom is het startpunt de begroting 2018. Ontvangsten worden in mindering gebracht op de uitgaven.

Tabel 3.3.2 Uitgaven SZ-plafond 2016–2018 (x € 1 mln)
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Werkloosheid en Bijstand

         

WW-uitgaven

5.478

4.810

4.102

3.919

183

Macrobudget participatiewetuitkeringen (bijstand) en intertemporele tegemoetkoming

5.711

5.901

6.216

5.863

353

           

Arbeidsongeschiktheid en Ziekte en zwangerschap

         

WIA/WAO/WAZ/Wajong

12.253

12.569

12.806

12.738

68

ZW/WAZO

2.626

2.683

2.806

2.718

88

           

Ouderdom en Nabestaanden

         

MKOB

1

0

0

0

0

AOW

36.004

36.466

37.195

36.710

485

Inkomensondersteuning AOW

936

946

930

926

4

Anw

424

399

377

366

11

           

Kinderopvang en Kindregelingen

         

KOT

2.006

2.273

2.651

2.463

188

AKW/WKB/TOG

5.205

5.195

5.273

5.330

– 56

           

Re-integratie en Participatie

         

Re-integratie arbeidsongeschiktheid

221

89

175

223

– 48

Wsw-budget

17

0

0

0

0

Participatiebudget gemeenten

0

2

0

0

0

Integratie-uitkeringen sociaal domein

2.761

2.636

2.556

2.483

72

           

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

         

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)

1.944

2.023

1.950

1.916

34

Overige uitgaven

1.018

1.153

1.587

1.839

– 252

           

Nominale ontwikkeling

0

0

0

1.443

– 1.443

           

Totaal SZ-uitgaven

76.607

77.142

78.625

78.937

– 312

Werkloosheid en Bijstand

De uitkeringslasten WW komen € 183 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie € 46 miljoen hoger dan begroot. De hogere uitkeringslasten komen met name doordat de gemiddelde jaaruitkering hoger is uitgevallen.

De uitgaven aan het Macrobudget participatiewetuitkeringen en de intertemporele tegemoetkoming vallen samen € 353 miljoen hoger uit dan begroot. De doorwerking van de hoger uitgevallen realisaties in 2017 had een opwaarts effect op de uitgaven in 2018. De doorwerking van de gestegen lonen en prijzen in de uitkeringen heeft ook een opwaarts effect gehad op de uitgaven.

Arbeidsongeschiktheid en Ziekte en zwangerschap

De uitgaven voor arbeidsongeschiktheid en ziekte en zwangerschap zijn € 156 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie ongeveer € 290 miljoen lager dan begroot. De hogere uitgaven aan de ZW, WAO en IVA worden slechts deels gecompenseerd door lagere uitkeringslasten in de WGA.

Ouderdom en Nabestaanden

De AOW-uitgaven zijn € 485 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie € 173 miljoen lager dan begroot. Dit wordt voornamelijk verklaard doordat het aantal AOW’ers lager is uitgevallen dan geraamd. Daarnaast valt de gemiddelde hoogte van de AOW-uitkeringen iets lager uit dan eerder geraamd, doordat de indexatie van de AOW-uitkering, de uitgaven aan AOW-partnertoeslag, en het aandeel alleenstaanden (die recht hebben op een hogere AOW-uitkering) lager zijn uitgevallen.

De uitkeringslasten Anw zijn € 11 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie € 7 miljoen hoger dan begroot.

Kinderopvang en Kindregelingen

Het saldo van de uitgaven en ontvangsten Kinderopvangtoeslag is € 188 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie € 110 miljoen hoger dan de begroting. Dit wordt grotendeels verklaard door twee effecten met tegenovergestelde werking. Het gebruik van kinderopvang is hoger dan voorzien, deels omdat de conjunctuur zich in 2018 gunstiger heeft ontwikkeld dan verwacht. Daarnaast hebben ouders waarschijnlijk sterker gereageerd op de intensivering van de kinderopvangtoeslag in 2017 (gedragseffecten), waardoor het gebruik in 2018 meer is toegenomen dan was voorzien.

De uitgaven AKW en WKB zijn € 56 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling, is de realisatie ongeveer € 99 miljoen lager dan begroot. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door lagere uitkeringslasten voor de WKB. Dit komt onder andere doordat de inkomensontwikkeling van WKB-gerechtigden gunstiger is uitgekomen dan verwacht waardoor het beroep op de WKB afneemt.

Re-integratie en Participatie

In 2018 is € 48 miljoen minder uitgegeven aan re-integratie arbeidsongeschikten dan begroot. Dit bestaat uit lagere uitgaven aan re-integratie Wajong (€ 21 miljoen) en lagere uitgaven aan re-integratie WIA/WAO/WAZ (€ 27 miljoen).

Uitvoeringskosten en overige uitgaven

De uitvoeringskosten van onder andere het UWV en de SVB komen € 34 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstellingen, is de realisatie € 3 miljoen lager dan begroot.

De overige uitgaven zijn € 252 miljoen lager uitgekomen dan begroot. De overige uitgaven betreffen verschillende kleinere regelingen, voornamelijk de AIO en TW. Een deel van de lager dan begrote uitgaven is te verklaren door lagere uitgaven aan het COA (€ 54 miljoen), de TW (€ 33 miljoen) en de overgangsregeling aanpassing dagloonbesluit (€ 42 miljoen).

Toetsing aan het plafond

Tabel 3.3.3 laat de ontwikkeling van het SZ-plafond en de netto SZ-uitgaven zien voor het jaar 2018. De SZ-uitgaven worden getoetst aan het plafond.

Tabel 3.3.3 Bijstellingen SZ-uitgaven en plafond sinds de vaststelling begroting 2018 (x € 1 mld)

Uitgaven

 

SZ-uitgaven bij vaststelling begroting

78,9

Budgettaire mutaties

– 0,3

SZ-uitgaven jaarverslag 2018

78,6

   

Uitgavenplafond

 

SZ-plafond bij vaststelling begroting 2018

78,9

Plafondmutaties

0,2

SZ-plafond jaarverslag 2018

79,2

   

Plafondtoetsing (over-/onderschrijding) bij vaststelling begroting 2018

0,0

Plafondtoetsing (over-/onderschrijding) jaarverslag 2018

– 0,6

Uitgaven

Sinds de stand van de vastgestelde begroting 2018 zijn er budgettaire mutaties opgetreden op grond van uitvoeringsinformatie over 2018. De geraamde SZ-uitgaven van € 78,9 miljard ten tijde van de begroting 2018 zijn uitgekomen op € 78,6 miljard bij het jaarverslag 2018 (tabellen 3.3.1 en 3.3.2).

Uitgavenplafond

Het plafond 2018 is € 0,2 miljard hoger vastgesteld dan in de begroting 2018 is opgenomen. De voornaamste oorzaak is een bijstelling van het plafond als gevolg van de ontwikkeling van de prijs van de nationale bestedingen. Daarnaast is het plafond bijgesteld vanwege overboekingen tussen de plafonds en statistische correcties. Het plafond voor 2018 is uiteindelijk vastgesteld op € 79,2 miljard.

Toetsing SZ-uitgaven aan uitgavenplafond

Door de lagere SZ-uitgaven ten opzichte van de begroting en de opwaartse bijstelling van het plafond is er sprake van een onderschrijding van het plafond. Per saldo is er bij jaarverslag 2018 € 0,6 miljard minder uitgegeven dan het voor 2018 geldende plafond.

3.4 Realisatie beleidsdoorlichtingen

Tabel 3.4 Realisatie beleidsdoorlichtingen

Nummer en naam artikel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Geheel artikel?

1 Arbeidsmarkt

X 1

X 1

         

Nee1

2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet2

             

Ja2

3 Arbeidsongeschiktheid

   

X

   

X 3

 

Nee3

4 Jonggehandicapten

           

X

Ja

5 Werkloosheid

       

X

   

Ja

6 Ziekte en zwangerschap

         

X

 

Ja

7 Kinderopvang

     

X

     

Ja

8 Oudedagsvoorziening

 

X

         

Nee

9 Nabestaanden

 

X

         

Ja

10 Tegemoetkoming ouders

 

X

       

X

Ja

11 Uitvoering

     

X

     

Ja

12 Rijksbijdragen4

             

N.v.t.

13 Integratie en maatschappelijke samenhang

         

X

 

Ja

X Noot
1

De doorlichting uit 2012 besloeg het toenmalige artikel 44 van de begroting van SZW, «Gezond en veilig werken». De doorlichting uit 2013 besloeg het toenmalige artikel 43 van de begroting van SZW, «Arbeidsverhoudingen».

X Noot
2

De doorlichting van dit artikel staat gepland voor 2019.

X Noot
3

De beleidsdoorlichting is als IBO (Interdepartementaal Beleidsonderzoek) «Geschikt voor de arbeidsmarkt» in april 2017 opgeleverd.

X Noot
4

Het artikel Rijksbijdragen is een technisch artikel. Er wordt op basis van dit artikel geen specifiek beleid gevoerd. Om die reden wordt dit artikel niet doorgelicht. De evaluatie van het beleid waarvoor deze rijksbijdragen zijn bedoeld, vindt plaats wanneer de artikelen waar dit beleid onderdeel van is, worden doorgelicht.

Voor het meest recente overzicht van de programmering van beleidsdoorlichtingen, klik op deze link. Voor de realisatie van andere onderzoeken, zie de bijlage «evaluatie en overig onderzoek».

3.5 Overzicht van risicoregelingen

In 2007 is de tijdelijke SZW-borgstellingsregeling «startende ondernemers vanuit een uitkering» van kracht geworden. Een garantie heeft een maximale duur van zes jaar. Er worden geen nieuwe garanties meer verleend. Onder invloed van nieuwe instrumenten is besloten de regeling te sluiten. De laatste uitstaande garantiestellingen zijn per oktober 2018 verlopen.

De regeling beoogde te onderzoeken hoe starters voor krediet bij het bankwezen terecht konden. Met de regeling konden starters (aanvankelijk alleen vanuit een uitkering) onder gedeeltelijke en aflopende borgstelling van het rijk een bankkrediet voor hun bedrijf verwerven. De starter betaalde een rente en de bank liep een beperkt risico met weinig uitvoeringskosten.

Door het verlopen van de laatste garantiestellingen staat SZW ultimo 2018 niet meer borg. In 2018 is er door de banken geen aanspraak gemaakt op de borgstelling.

Tabel 3.5.1 Overzicht verstrekte garanties (bedrag x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2017

Verleend 2018

Vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Garantieplafond

Totaal plafond

Totaalstand risicovoorziening

2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Startende ondernemers

10

0

– 10

0

0

0

0

Tabel 3.5.2 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedrag x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2017

Ontvangsten 2017

Saldo 2017

Uitgaven 2018

Ontvangsten 2018

Saldo 2018

Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2018 en 2017

2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Startende ondernemers

5

0

5

0

0

0

0

Asielgerechtigde nieuwkomers die inburgeringsplicht hebben, kunnen via het sociaal leenstelsel een bijdrage krijgen om hun inburgeringsonderwijs te bekostigen. Slechts ingeval de nieuwkomers onvoldoende inspanningen hebben verricht om het inburgeringsdiploma of NT2-diploma tijdig te behalen, dient de lening terugbetaald te worden.

Overige nieuwkomers kunnen een beroep doen op het sociaal leenstelsel wanneer zij niet over voldoende middelen beschikken om hun inburgering zelf te bekostigen. In tegenstelling tot de eerste groep dienen zij de lening wel terug te betalen. De looptijd van deze leningen is divers.

In beide gevallen geldt dat de lening niet wordt uitbetaald aan de nieuwkomer maar rechtstreeks aan de onderwijsinstantie.

Voor deze leningen is er geen risicovoorziening ingesteld omdat eventuele verliezen via de begroting worden opgevangen.

Tabel 3.5.3 Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)1

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

Totaalstand risicovoorziening 2018

Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2018 en 2017

13 Integratie en maatschappelijke samenhang

Leningen inburgering

408.629

divers

0

0

X Noot
1

DUO.

4. BELEIDSARTIKELEN

1. Arbeidsmarkt

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • Gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);

  • Arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • Arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • Toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);

  • Maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;

  • De vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;

  • Het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;

  • Het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;

  • Het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;

  • Het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;

  • Het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;

  • De handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Loonkostenvoordelen (LKV) en het minimumjeugdloonvoordeel (jeugd-LIV)

Beleidsconclusies

Sinds 1 januari 2018 kunnen werkgevers gebruik maken van loonkostenvoordelen (LKV). Het gaat om een tegemoetkoming in de loonkosten voor ouderen en mensen met een arbeidsbeperking, zoals een ziekte of handicap. Het LKV vervangt de premiekortingen voor arbeidsbeperkte en oudere werknemers en heeft als doel om werknemers met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen of te houden. Daarnaast kunnen werkgevers vanaf 1 januari 2018 een tegemoetkoming krijgen voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar (minimumjeugdloonvoordeel). De tegemoetkoming compenseert werkgevers voor de verhoging van het minimumjeugdloon die vanaf 1 juli 2017 is ingevoerd. Voor beide regelingen geldt dat uitbetaling voor het eerst plaats vindt in 2019, na afloop van het kalenderjaar waarin de verplichting ontstaat. In 2018 zijn er dus geen uitgaven aan deze regeling.

Implementatie richtlijn onderzoekers, studenten, stagiairs, vrijwilligers

Op 23 mei 2018 is conform het voornemen in de begroting 2018 de richtlijn (EU) 2016/801 (PbEU 2016, L 132) over de toelating van niet-EU-onderzoekers, -studenten, -stagiairs en -vrijwilligers geïmplementeerd. Daartoe zijn het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen gewijzigd. Uit de richtlijn vloeit een meer uniforme procedure voor toelating, verblijf en arbeid voort. Met de implementatie van de richtlijn is het onder meer mogelijk geworden voor buitenlandse studenten om meer uren per week te werken en is de stageregeling verruimd. Tot slot zijn bepalingen gewijzigd die zien op mobiliteit binnen de EU voor onderzoekers en studenten.

Van toepassing verklaring van de Wet minimumloon op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht

De voornemens die waren opgenomen in de begroting voor 2018 ten aanzien van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wml) zijn volledig gerealiseerd. De wijzigingen van de wet en het besluit hebben als doel oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen.

De wijziging die de Wml van toepassing verklaarde op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht (OVO) is per 1 januari 2018 in werking getreden (Stb. 2017, 290). Tevens is per 1 januari 2018 door middel van een algemene maatregel van bestuur geregeld dat ook andere arbeidsverhoudingen als dienstbetrekking in de zin van de Wml moeten worden beschouwd, waardoor het minimumloon van toepassing is op die arbeidsverhoudingen (Stb. 2017, 359).

Programma beroepsziekten

In 2018 is het vierjarige programma Preventie Beroepsziekten conform plan in de begroting 2018 gestart. Het programma richt zich op het voorkomen van nadelige gezondheidseffecten van het werken met gevaarlijke stoffen. In samenwerking met andere partijen is in 2018 ingezet op de versterking van de bewustwording en de aanpak van gezondheidsrisico’s van het werken met gevaarlijke stoffen.

Arbeidsgerelateerde zorg en bedrijfsartsen

Op 29 juni is de eerste kwaliteitstafel bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde gestart. De doorlooptijd is voorzien tot uiterlijk 1 mei 2020. Aan de kwaliteitstafel nemen relevante stakeholders deel om de kennis- en kwaliteitsontwikkeling van de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde te verbeteren en de aantrekkelijkheid van het beroep van bedrijfsarts en verzekeringsarts te vergroten. Het doel van de kwaliteitstafel is dat stakeholders gezamenlijk werken aan de ontwikkeling van een structureel kennis- en kwaliteitsbeleid en daarmee bijdragen aan het inlopen van de tekorten aan bedrijfs- en verzekeringsartsen. De eerste resultaten worden naar verwachting eind 2019 verwacht.

Ondersteuning ontwikkeling gedragscode schadeverhaal bij beroepsziekten

In 2018 is een subsidie verstrekt aan de Letselschaderaad om te onderzoeken of er voldoende draagvlak is in de letselschadesector om tot afspraken te komen om het proces van schadeverhaal te stroomlijnen. Uit de verkenning komt dat de noodzaak om tot nadere afspraken te komen breed wordt onderschreven. Het overgrote deel van de sector ziet dit het liefst in de vorm van een gedragscode.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.1.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

16.545

15.444

20.914

20.064

486.041

508.873

– 22.832

Uitgaven

14.103

17.487

19.385

15.854

486.149

509.873

– 23.724

               

Inkomensoverdrachten

0

0

3.427

1.805

473.582

493.000

– 19.418

Vakantiedagen

0

0

3.427

1.805

21

0

21

Lage-inkomensvoordeel

0

0

0

0

473.561

493.000

– 19.439

               

Subsidies

2.090

3.558

3.049

3.173

1.712

2.920

– 1.208

               

Opdrachten

11.823

13.737

8.948

6.807

6.716

8.930

– 2.214

               

Bekostiging

190

192

145

125

100

100

0

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

0

0

0

1.092

– 1.092

Ministerie van EZ

0

0

0

0

0

100

– 100

Ministerie van VWS

0

0

0

0

0

992

– 992

               

Bijdrage aan agentschappen

0

0

3.816

3.944

4.039

3.831

208

RIVM

0

0

3.816

3.944

4.039

3.831

208

               

Ontvangsten

29.645

22.203

24.552

29.240

16.717

24.000

– 7.283

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1 Vakantiedagen

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat vergoedingen uitgekeerd moeten worden aan werknemers die tijdens ziekte te weinig vakantiedagen hebben opgebouwd. Het vaststellen en uitbetalen van de vergoedingen heeft langer geduurd dan beoogd. Hierdoor is een klein gedeelte van de uitgaven voor deze regeling onvoorzien nog in 2018 uitbetaald.

A2 Lage-inkomensvoordeel

Het LIV is per 1 januari 2017 ingevoerd en in 2018 voor het eerst uitbetaald. Het doel van het LIV is het stimuleren van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De tegemoetkoming in de loonkosten wordt betaald aan werkgevers die werknemers in dienst hebben met een loon tussen 100% en 125% van het Wml. Er is in 2018 in totaal € 474 miljoen uitgekeerd aan ruim 93.500 werkgevers ten behoeve van ruim 413.000 werknemers.

B. Subsidies

Het subsidiebudget is niet volledig uitgeput. Een deel van de middelen is overgeboekt naar opdrachten en doorgeschoven naar 2019. Het betreft met name middelen voor het Programma Beroepsziekten waarvan enkele activiteiten vanuit de opdrachten worden bekostigd of later zijn gestart.

C. Opdrachten

Het budget voor uitgaven aan «Opdrachten» is niet volledig uitgeput. Dit is veroorzaakt door enkele onderzoeken en voorlichtingscampagnes die niet zijn doorgegaan of waarvan het kasbeslag geheel of gedeeltelijk in 2019 valt.

D. Bekostiging

De uitgaven voor bijdragen aan de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) zijn conform begroting 2018.

E. Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het Ministerie van VWS heeft een bedrag van bijna € 1 miljoen ontvangen onder andere in verband met de jaarlijkse bijdrage aan de Gezondheidsraad. Daarnaast is een bijdrage van € 0,03 miljoen van SZW via een budgetoverheveling naar het Ministerie van EZK gegaan ten behoeve van het College toelating gewasbescherming. De uitgaven worden door de desbetreffende departementen in hun jaarverslag verantwoord.

F. Bijdragen aan agentschappen

De uitgaven voor bijdragen aan agentschappen zijn vrijwel conform begroting 2018. Het betreft hier de bijdrage aan het RIVM.

G. Ontvangsten

De boeteontvangsten van de Inspectie SZW komen ruim € 7 miljoen lager uit dan de raming. Dit komt vooral doordat het aandeel reactieve inspecties verder toeneemt. Reactieve inspecties kosten meer tijd, waardoor er minder inspecties plaatsvinden en dus minder boetes worden opgelegd.

De boeteontvangsten van de Inspectie SZW zijn lastig te ramen. Deze hangen onder andere af van het aantal inspecties en wat er wordt waargenomen bij deze inspecties. Tevens zijn de boeteontvangsten niet taakstellend voor de Inspectie SZW, waardoor niet wordt gestuurd op het behalen van de geraamde boeteontvangsten. De Inspectie stuurt uiteraard wel op het innen van de opgelegde boetes.

Algemeen

Kerncijfers

De arbeidsmarkt bevindt zich in een hoogconjunctuur. In 2018 was het aantal werkenden groter dan ooit. De werkloosheid daalt al jaren gestaag voor alle leeftijdscategorieën, en was in 2018 bijna weer op het niveau van voor de crisis (3,7% of 318.000 werklozen in 2008).

Tabel 4.1.2 Kerncijfers arbeidsmarkt1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Werkloosheidspercentage

7,4

6,9

6,0

4,9

3,8

 

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

12,7

11,3

10,8

8,9

7,2

   

Waarvan migrantenjongeren

21,7

19,9

18,1

14,9

11,3

 

25 tot 45 jaar

6,3

5,6

4,6

3,7

2,8

 

45 tot 75 jaar

6,6

6,5

5,6

4,4

3,6

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

660

614

538

438

350

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.214

8.294

8.403

8.579

8.774

X Noot
1

CBS, Statline.

Gezond en veilig werken

In 2018 heeft 1,5% van de werknemers een arbeidsongeval gehad met ten minste een dag verzuim. Het ziekteverzuim is in 2018 ten opzichte van 2017 met 0,3%-punt toegenomen. Het betreft een beperkte toename; het ziekteverzuim is in de periode 2014–2018 0,5%-punt toegenomen. Werknemers verzuimden in 2018 gemiddeld 4,3 op de honderd werkdagen.

In 2018 vond 1 incident met gevaarlijke stoffen plaats. In meerjarig perspectief schommelt het aantal tussen 3 en 6.

Het aantal werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte is in 2018 ten opzichte van 2016 met een half procentpunt gestegen.

Tabel 4.1.3 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,7

1,4

1,4

1,6

1,5

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

1,2

1,1

Ziekteverzuim (%)3

3,8

3,9

3,9

4,0

4,3

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

4

2

6

3

1

Naleving zorgplicht Arbowet (%)5

79

80

81

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)6

3,2

3,2

3,7

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)2

1,6

1,9

X Noot
1

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. Door gewijzigde opzet en vraagstelling van de enquête zijn de percentages vanaf 2014 niet goed vergelijkbaar met eerdere jaren. In 2015 is de meting van arbeidsongevallen verbeterd. Er wordt een extra controle uitgevoerd of het arbeidsongeval wel in de afgelopen 12 maanden heeft plaatsgevonden. Hierdoor valt het aandeel werknemers met een arbeidsongeval in 2015 iets lager uit. Wanneer deze verbetering niet was doorgevoerd zou het percentage in 2015 zijn uitgekomen op 1,6%. Deze verbetering wordt voor het jaar 2015 en latere jaren toegepast.

X Noot
2

CBS/TNO, zelfstandigenenquête arbeidsomstandigheden. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd. TNO maakt de realisatie in 2018 in de tweede helft van 2019 openbaar.

X Noot
3

CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

X Noot
4

Inspectie SZW administratie, conform de waarde uit het EU-systeem. Een incident uit de realisatie 2017 heeft in 2016 plaatsgevonden.

X Noot
5

Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. De monitor wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

X Noot
6

CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt, kan deels worden toegeschreven aan cao’s die in het ene jaar wel, en het andere jaar geen actuele looptijd kennen, en deels aan cao’s waaronder het ene jaar meer dan wel minder werknemers vallen dan in het andere jaar.

Tussen 2017 en 2018 was er sprake van een toename van het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen. Er is een stijging in met name twee categorieën waargenomen, te weten tewerkstellingsvergunningen voor bijkomende werkzaamheden voor buitenlandse studenten en tewerkstellingsvergunningen voor kennismigranten voor kort verblijf.

Tabel 4.1.4 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Aantal werknemers onder cao1 (x 1.000, ultimo)

5.486

5.500

5.551

5.518

5.615

 

waarvan direct gebonden bedrijfstak- en ondernemings-cao’s

4.850

4.743

4.793

4.714

4.790

 

waarvan gebonden door algemeen verbindend verklaring

636

757

758

804

825

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) (x 1.000, ultimo)2

7,2

7,0

7,7

8,9

10

X Noot
1

SZW, administratie.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

Handhaving van Inspectie SZW

De Inspectie SZW is de toezichthouder op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat toezicht is gericht op de naleving van de wet- en regelgeving over arbeidsomstandigheden, de arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen. Daarnaast onderzoekt de Inspectie SZW de werking van het stelsel van sociale zekerheid en signaleert ontwikkelingen en risico’s op de beleidsterreinen van het Ministerie van SZW. Ook werkt de Inspectie SZW op het gebied van pgb- en declaratiefraude als opsporingsorganisatie voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

In het regeerakkoord is € 50 miljoen vrijgemaakt voor de handhavingsketen van de Inspectie SZW. Hiermee wordt het belang van handhaving als een randvoorwaarde voor een werkende arbeidsmarkt en een functionerend stelsel van sociale zekerheid bevestigd. Conform de brief aan te Tweede Kamer over de uitbreiding van de inspectieketen Inspectie SZW worden de middelen de komende jaren vooral benut om extra inspecteurs en rechercheurs te werven. Inspecteurs en rechercheurs worden ingezet op de thema’s waarop de komende jaren prioriteit ligt: de bevordering van eerlijk werk, waaronder het voorkomen van arbeidsuitbuiting en onderbetaling, de borging van de procesveiligheid en bestrijding van acute en chronische blootstellingrisico’s aan gevaarlijke stoffen bij zowel BRZO-bedrijven als overige (chemische) bedrijven. Ook zal de extra capaciteit bijdragen aan het herstellen van de balans tussen ongevalsonderzoeken en preventieve inspecties op het terrein van gezond en veilig werken. Tenslotte wordt intensiever ingezet op de aanpak van arbeids(markt)discriminatie.

In 2018 is ingezet op het verstevigen van het fundament van de organisatie (HRM, analysecapaciteit, juridische en beleidsmatige capaciteit). Ook zijn de eerste stappen gezet om de inspectieketen in de handhaving met inspecteurs en rechercheurs te versterken.

De Inspectie organiseerde in 2018 haar activiteiten in circa 20 programma’s. Per programma formuleert de Inspectie wat de beoogde maatschappelijke effecten zijn, met welke resultaten de Inspectie wil bijdragen aan de realisatie ervan en met welke (mix van) interventies zij die resultaten wil realiseren. Hierbij maakt ze gebruik van een breed handhavingsinstrumentarium, variërend van (grensoverschrijdend) opsporingsonderzoek, stilleggingen, boetes, ketenafspraken en branchevoorlichting. Daarbij werd de samenwerking gezocht met relevante publieke en private partners in de handhavingsketen. Dit alles gericht op maximaal maatschappelijk effect. De resultaten en effecten die in 2018 zijn bereikt beschrijft de Inspectie SZW in het jaarverslag 2018. Daarbij gaat het niet om het aantonen van een causaal verband tussen interventies en effect, maar om informatie die de resultaten van de Inspectie weergeeft. En waarvan het plausibel is dat deze resultaten bijdragen aan het realiseren van het beoogde maatschappelijk effect.

Inspectie Control Framework

Kerncijfers

Naast het benoemen van de resultaten en effecten van de toezichtsprogramma’s, hanteert de Inspectie SZW een set indicatoren zoals opgenomen in tabel 4.1.5. Deze indicatoren geven op hoofdlijnen de ontwikkelingen van de in het Inspectie Control Framework (ICF) genoemde punten weer en de bijdrage van de Inspectie SZW aan de realisatie van maatschappelijk effect.

Door het groot aantal reactieve (ongevals)onderzoeken «gezond en veilig» in 2018 is de verhouding actieve inspecties/reactieve inspecties verder onder druk komen te staan. Ongevalsonderzoeken zijn door hun complexiteit – vaststelling van de mate van verwijtbaarheid en getuigenverhoren – vaak arbeidsintensief en daarmee tijdrovend. In de brief aan de Tweede Kamer over de uitbreiding inspectieketen Inspectie d.d. 31 oktober 2018 is deze ontwikkeling aangegeven (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 846). Dit is aanleiding geweest om in het kader van de verdeling van de € 50 miljoen vanuit het regeerakkoord extra in te zetten op het verhogen van de capaciteit voor veilig en gezond. Zo zal ook de preventieve kant van het werk van de Inspectie SZW weer worden verstevigd en zal de verhouding tussen de inzet op actief en reactief onderzoek meer in evenwicht worden gebracht. Een analyse van de reactieve activiteiten wordt opgenomen in het jaarverslag Inspectie SZW 2018.

In 2018 heeft de Inspectie SZW minder vaak deelgenomen aan de gezamenlijke Brzo-inspecties dan in 2017 (56% versus 60%). Dit wordt veroorzaakt doordat per saldo minder capaciteit beschikbaar was. De uitbreiding van het aantal medewerkers in 2018 resulteert, conform de in 2017 benoemde n+1 regel, eerst in 2019 tot extra inzetbare capaciteit. In 2018 is – naast het formuleren van een visie op informatiegestuurd werken en een meerjarenaanpak – gestart met het op orde brengen van de verwerving en van het beheer van informatie.

Capaciteitsinzet

De kerncijfers «Capaciteitsinzet» geven weer hoe de beschikbare capaciteit is verdeeld over de diverse domeinen.

Effect

De bijdrage van de Inspectie aan de realisatie van het beoogd maatschappelijk effect wordt op hoofdlijnen afgemeten aan de informatie over het handhavingspercentage. Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt een indicatie voor de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om werkgevers te bezoeken die de wet overtreden. Het streven is dat bij meer dan de helft bij eerste inspectie bezochte bedrijven hiervan sprake is. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om een gedragsverandering te realiseren bij werkgevers die de regels niet naleven.

Tabel 4.1.5 Kerncijfers ICF, capaciteitsinzet en effecten
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Raming 20181

Verschil

Inspectie Control Framework

         

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

42:58

30:70

24:76

30:70

– 6:6

Deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke Brzo-inspecties (%)

59

60

56

60

– 4

Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0–5)2

2

2

Inspectiedekking Eerlijk werk (%)3

1

1

Capaciteitsinzet

         

Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

42

4

43

45

– 2

Brzo (%)

11

4

11

8

3

Eerlijk (%)

44

4

43

44

– 1

Werk en Inkomen (%)

3

4

3

3

0

Effect

         

Handhavingpercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

58

55

57

>50

Handhavingpercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

9

21

12

<50

Handhavingpercentage Brzo5

43

44

47

40

7

Handhavingpercentage eerste inspectie Eerlijk

48

50

52

>50

2

Handhavingpercentage herinspectie Eerlijk (%)

43

39

27

<50

X Noot
1

Deze tabel is per begroting 2018 geïntroduceerd, hoewel toen geen raming beschikbaar was. De weergegeven raming 2018 is afkomstig uit het Jaarplan 2018 van de Inspectie SZW.

X Noot
2

Definitie niveau 2: «Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is». Definitie niveau 3: «Interne en externe informatie wordt gestructureerd verzameld en geanalyseerd. Informatie heeft een sturende rol». Voor 2018 is geen realisatie beschikbaar. Een implementatieplan is opgesteld om in stappen van activiteiten in 2022 niveau 3 te bereiken.

X Noot
3

Dit betreft het aandeel van alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is en waar de Inspectie SZW toezicht heeft gehouden. Voor 2017 en 2018 is geen realisatie beschikbaar. Het kengetal wordt komende jaren geconcretiseerd waarbij naast inspecties ook het bereik van andere interventies meegenomen kunnen worden.

X Noot
4

Er is geen realisatie voor 2017 beschikbaar. Het betreft een kerncijfer dat in de SZW-begroting 2018 is geïntroduceerd. De Inspectie SZW heeft haar administratie zo aangepast dat realisaties voor het eerst over 2018 beschikbaar komen.

X Noot
5

Bij Brzo-inspecties is er geen zinvol onderscheid tussen eerste en tweede inspectie. De werkwijze is dat het toezicht blijft totdat een onvolkomenheid of overtreding is opgeheven.

Tabel 4.1.6 geeft productiecijfers weer, onder andere aantallen inspecties, opsporingsonderzoeken en onderzoeksrapporten. De aantallen zijn een uitvloeisel van de programmering en geen doel op zich. Het gehanteerde handhavingspercentage in deze tabel betreft het samengesteld handhavingspercentage van de eerste inspectie en herinspectie. De Inspectie SZW heeft de afgelopen jaren geïnvesteerd in risicogestuurd en effectgericht programmatisch werken. De Inspectie SZW stuurt daarbij op het behalen van resultaten en effecten die bijdragen aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. De bijdrage van de Inspectie is gekoppeld aan de mate waarin de Inspectie erin slaagt regelovertreders te vinden en de mate waarin de Inspectie erin slaagt om van deze regelovertreders nalevers te maken. Om deze reden is het handhavingspercentage uitgesplitst naar eerste en herinspectie (zie tabel 4.1.5). In de SZW-begroting 2018 is aangekondigd dat vanaf de SZW-begroting 2019 de beleidsinformatie beperkt blijft tot de kerncijfers opgenomen in tabel 4.1.5.

Tabel 4.1.6 Kerncijfers handhaving1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Raming 20182

Verschil

Aantal inspecties en onderzoeken Gezond en Veilig (excl. Brzo)

17.134

16.288

15.491

12.150

8.232

>10.000

– 1.768

Handhavingspercentage Gezond en Veilig (excl. Brzo)

60

49

51

51

50

>50

               

Aantal inspecties en onderzoeken Brzo

453

350

541

542

289

>250

Handhavingspercentage Brzo

43

43

43

44

47

40

7

               

Aantal inspecties Eerlijk

5.054

4.500

2.890

2.727

1.947

>1.500

Handhavingspercentage Eerlijk

19

26

48

50

49

>50

– 1

               

Aantal programmarapportages Werk en Inkomen

6

5

3

7

3

6

– 3

Aantal overige producten Werk en Inkomen

10

17

16

0

0

4

– 4

               

Aantal afgeronde opsporingsonderzoeken

65

61

62

60

46

50–60

– 4

Aantal bij het OM aangemelde verdachten

221

169

167

210

113

130–150

– 17

Vastgesteld nadeel (x € 1 mln)

32

66

49

10

21,6

10–20

1,6

X Noot
1

Inspectie SZW, jaarverslag 2017.

X Noot
2

Inspectie SZW, jaarplan 2018.

Zoals hiervoor aangegeven is de verhouding actieve inspecties/reactieve inspecties in 2018 verder onder druk komen te staan. Dit resulteert in een lager aantal inspecties op het terrein van gezond en veilig. Ongevalsonderzoeken zijn door hun complexiteit – vaststelling van de mate van verwijtbaarheid en getuigenverhoren – vaak arbeidsintensief en daarmee tijdrovend.

Op het vlak van werk en inkomen is een aantal onderzoeken gestart op verzoek van het Ministerie van SZW. Dit heeft geleid tot enkele verschuivingen in de programmering en tot minder rapportages. Sinds 2017 worden alle producten Werk en Inkomen als «programmarapportage Werk en Inkomen» gepubliceerd. Dit verklaart de afwezigheid van «overige producten werk en inkomen» sinds 2017.

Er zijn stappen gezet om met de opsporingsinzet meer effect te bereiken. Voor het thema Arbeidsuitbuiting is de inzet verhoogd. In vergelijking met voorgaande jaren is het aantal intakegesprekken en aangiften arbeidsuitbuiting aanzienlijk toegenomen. Inherent is dat een substantieel deel van deze inzet zich niet vertaalt in vervolgonderzoeken met voldoende bewijs voor strafrechtelijke vervolging. Waar mogelijk wordt bezien of bestuursrechtelijke handhaving mogelijk is. Ook is geïnvesteerd in complexere opsporingsonderzoeken met een grotere impact. Voorbeelden daarvan zijn onderzoeken naar werkgeversfraude in relatie tot malafide woonbemiddelaars of fraude met WW-uitkeringen waarvoor in 2018 de samenwerking met het UWV is versterkt. Daarnaast is gekozen voor een gecoördineerde aanpak rond fenomenen. In 2018 heeft de Inspectie SZW een analyse van de meldingen over misstanden en fraude bij inburgering verricht. Op basis hiervan is een signaal afgegeven over fraude met financiering van taallessen voor statushouders. In 2018 zijn meerdere opsporingsonderzoeken op dit thema gestart. Met deze aanpak vergroot de Inspectie het effect van de inzet van haar opsporingscapaciteit. Dit heeft tot gevolg gehad dat er minder opsporingsonderzoeken zijn afgerond dan geraamd.

2. Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid ernaar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert hij de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor startende zelfstandigen;

  • Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • Het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt en of, en zo ja, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;

  • De budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en het UWV (TW);

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget voor de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Dit budget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet, kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering, dat een louter gemeentelijke aangelegenheid is.

Breed Offensief

Beleidsconclusies

In het afgelopen jaar heeft het kabinet het voornemen uit het regeerakkoord om over te gaan op loondispensatie in de Participatiewet nader uitgewerkt. Daarbij is gebleken dat het niet mogelijk is om loondispensatie in de Participatiewet zo in te richten dat het voor iedereen simpeler en beter wordt. Het kabinet ziet daarom af van invoering van loondispensatie in de Participatiewet. Het doel van het kabinet blijft ongewijzigd: meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk. Daarom heeft het kabinet in 2018 een breed offensief gelanceerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 115 en nr. 138) met verschillende maatregelen die er voor moeten zorgen dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Belangrijke onderdelen zijn het vereenvoudigen van het instrument loonkostensubsidie, het bevorderen van ondersteuning op maat, bijvoorbeeld door een adequate inzet van het instrument jobcoach en werken lonender maken voor mensen met een arbeidsbeperking.

Ook moeten werkzoekenden en werkgevers elkaar gemakkelijker kunnen vinden in de arbeidsmarktregio’s. In het programma Matchen op Werk heeft SZW in 2018 samen met de landelijke en regionale partners gewerkt aan het verder versterken van de werkgeverdienstverlening. De 35 arbeidsmarktregio’s zijn daarbij op maat ondersteund om de gecoördineerde werkgeversdienstverlening te verbeteren. Conform het amendement Nijkerken-de Haan (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 XV, nr. 17) is hiervoor € 5 miljoen beschikbaar gesteld, verdeeld over regiospecifieke en regio-overstijgende ondersteuningsprojecten. Bij de regio-overstijgende projecten was er sprake van onderuitputting, omdat enkele activiteiten niet tot uitvoering zijn gekomen. Aangezien er nog kansen liggen voor verdere verbetering, krijgen de activiteiten rond werkgeversdienstverlening een vervolg met bestuurlijke afspraken en met het actualiseren en verhelderen van de SUWI-regelgeving. Doel is om werkgevers te bedienen vanuit één regionaal werkgeversloket, met een geharmoniseerd regionaal pakket van instrumenten en voorzieningen en met inzicht in de profielen van alle werkzoekenden in de regio.

Zoals aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer over het Breed Offensief, is in het najaar van 2018 de Intentieverklaring Perspectief op Werk opgesteld (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 138). Deze geeft de afspraken weer die namens de ministers van SZW en OCW zijn gemaakt met werkgevers, gemeenten, onderwijsveld en UWV. Dit initiatief is erop gericht mensen een baan, leerwerkplek of aangepaste functie aan te bieden. Dit project richt zich op alle mensen die nog aan de kant staan. Daarnaast wordt de werking van de arbeidsmarkt praktisch ondersteund door meer publiek-private samenwerking in de uitvoering vorm te geven.

Quotumregeling/Banenafspraak

De banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Met de sociale partners is afgesproken 125.000 banen voor de doelgroep te creëren. De opgave voor markt en overheid tot en met 2017 was om 33.000 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting; 23.000 in de sector markt en 10.000 in de sector overheid. De doelstelling van 33.000 banen is met 36.904 extra banen ruim gehaald. Met 30.432 banen heeft de sector markt de doelstelling van 23.000 banen overtroffen en de overheidswerkgevers hebben 6.471 extra banen ten opzichte van de nulmeting gerealiseerd (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 352, nr. 113).

Tabel 4.2.1 Indicatoren banenafspraak
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20181

Streefwaarde 20182

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

15.604

18.957

30.432

31.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheid t.o.v. nulmeting op 1-1-2013

5.453

3.597

6.471

12.500

X Noot
1

Realisatiecijfers komen in juni 2019 beschikbaar en worden opgenomen in de begroting van 2020.

X Noot
2

Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten, Tweede Kamer, 2013–2014, 33 981, nr. 3, blz. 6, <tabel: aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing>.

In 2018 heeft het kabinet een eenvoudiger systeem aangekondigd (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nrs. 115, 136 en 137). Deze vereenvoudiging stimuleert het halen van de banenafspraak door werkgevers te belonen voor de banen die ze realiseren en de administratieve lasten voor hen en de uitvoering te verminderen. Hierdoor krijgen meer mensen met een beperking een kans op een baan bij een reguliere werkgever. De vereenvoudiging maakt ook meer samenwerking tussen werkgevers mogelijk. Uitgangspunt is dat het er niet langer toe doet waar een baan wordt gerealiseerd, maar dat de baan er komt. Om die reden heeft het kabinet besloten het onderscheid tussen overheid en markt los te laten, conform de motie Nijkerken-de Haan c.s. (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 126). Een ander belangrijk uitgangspunt is dat de doelstelling van 125.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking overeind blijft. Dat geldt zowel voor de werkgevers in de markt als voor de overheidswerkgevers. De overheidssector blijft daarbinnen ook aan de lat staan voor zijn aandeel in de banenafspraak.

Structureel worden van de middelen no-riskpolis per 2021 voor de gemeentelijke doelgroep

In de begroting 2018 is verwerkt dat de no-riskpolis voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk vanaf 2021 structureel is gemaakt (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 514, nr. 8). Dit moet de aarzeling wegnemen bij werkgevers om duurzame dienstverbanden aan te gaan. In het kader van het Breed Offensief worden door experts van betrokken partijen voorstellen uitgewerkt om gesignaleerde administratieve knelpunten rond de no-riskpolis voor de werkgever te verminderen als een werknemer met loonkostensubsidie ziek wordt.

Experimenten Participatiewet

Verschillende gemeenten hebben van SZW de bevoegdheid gekregen om te experimenteren bij de uitvoering van de Participatiewet. Het centrale doel is te onderzoeken wat werkt om bijstandsgerechtigden volledig onafhankelijk te laten worden van de bijstand via uitstroom naar werk. Nadat in 2017 is begonnen met de voorbereidingen, zijn gemeenten in 2018 gestart met het uitvoeren van de experimenten. De bevindingen uit de voortgangsverslagen zijn nog beperkt en indicatief van aard. Waar mogelijk faciliteert SZW de gemeenten en hun onderzoekers om voorwaarden te creëren voor een zo hoog mogelijke wetenschappelijke kwaliteit van de onderzoeken. In dit verband heeft SZW ZonMw gevraagd om de gemeentelijke onderzoekers te helpen om de experimenten uit te voeren binnen een wetenschappelijk kader, deze opdracht is in de zomer 2018 aangepast. Daarnaast is ook het CPB in september 2018 verzocht een overkoepelende kwantitatieve analyse uit te voeren.

Kansrijk opgroeien

De bestuurlijke afspraken met de VNG over de € 85 miljoen per jaar voor armoede onder kinderen zijn in 2018 tussentijds geëvalueerd (Bureau Bartels, 2018 – bijlage bij Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 455). Deze evaluatie laat een positieve ontwikkeling bij gemeenten zien als het gaat om de aandacht en concrete inzet voor het aanpakken van armoede onder kinderen. Negen van de tien gemeenten bieden voorzieningen aan in natura, zoals een sportabonnement of een bibliotheekpas. Ze weten daarbij meer kinderen in armoede te bereiken dan het jaar ervoor. Ook zetten gemeenten in op voorzieningen om overerving van armoede tegen te gaan. Maar er liggen ook nog uitdagingen. Nog niet alle kinderen in armoede worden bereikt en ondersteund (Bureau Bartels, 2018).1 Daarmee is de gezamenlijke ambitie van SZW en VNG op het gebied van (kinder)armoede nog niet bereikt. Daarom zijn de bestuurlijke afspraken met de VNG hernieuwd. In 2021 vindt de eindevaluatie plaats. Dan kunnen we zeggen of de hernieuwde bestuurlijke afspraken behaald zijn.

Vier samenwerkende landelijke armoedepartijen, Vereniging Leergeld Nederland, Nationaal Fonds Kinderhulp, Stichting Jarige Job en Jeugdfonds Sport & Cultuur, krijgen samen gedurende 4 jaar jaarlijks € 10 miljoen om kinderen in armoede te bereiken. Uit evaluatie blijkt dat zij intensief samenwerken, zowel landelijk als op lokaal niveau (met gemeenten), en het afgelopen jaar meer kinderen hebben bereikt.

Nog eens € 5 miljoen per jaar is als subsidie beschikbaar voor projecten gericht op kinderen in arme gezinnen, waarvan € 4 miljoen in Europees Nederland en € 1 miljoen in Caribisch Nederland. Evaluatie laat zien dat de gesubsidieerde projecten in Europees Nederland nauwelijks meerwaarde hebben. Bovendien bleef een deel van het beschikbare budget door gebrek aan geschikte projecten onbenut (Bureau Bartels, 2018).2 Voor de Staatssecretaris is dit reden om deze middelen per 2019 anders in te zetten (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 455).

Actieplan Brede Schuldenaanpak

In mei 2018 is de brede schuldenaanpak met een bijbehorend actieplan gepresenteerd door het kabinet. In dat kader is in 2018 ook het startsein gegeven voor het Samenwerkingsverband Brede Schuldenaanpak (Tweede Kamer, 2017–2018, 24 515, nr. 431). Hierin werken veel organisaties samen die nauw betrokken zijn bij de schuldenproblematiek. Het actieplan richt zich op drie pijlers: 1) het voorkomen van problematische schulden; 2) het terugdringen van problematische schulden; en 3) het bevorderen van zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. In 2018 is € 27 miljoen extra beschikbaar gesteld aan gemeenten voor verdere professionalisering van schuldhulpverlening en het versterken van de regiefunctie van het (kindgericht) armoedebeleid. In 2018 is onder andere een aanpassing van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voorbereid, waardoor vroegsignalering beter wordt gefaciliteerd. Verder zijn vele pilots en initiatieven gestart om te bezien hoe de dienstverlening aan mensen met financiële problemen kan worden verbeterd. Zo is in november 2018 het startsein gegeven voor Schuldenlab.nl. Een initiatief waar publieke en private partijen in gezamenlijkheid werken aan landelijke opschaling van succesvolle projecten rond armoede en schulden.

Vereenvoudiging beslagvrije voet en verbreding beslagregister

In 2018 is de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet verder ter hand genomen. In dat kader hebben de betrokken uitvoeringsorganisaties – op basis van een eerder verzoek – een uitvoeringstoets uitgebracht op de lagere regelgeving behorend bij de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (het Besluit beslagvrije voet). De resultaten van deze uitvoeringstoets en de gevolgen daarvan op de voorziene inwerkingtreding zijn bij brief van 15 november 2018 met de Kamer gedeeld (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 453). Tezamen met de Staatssecretaris van Financiën zijn daarna de mogelijkheden van het treffen van tussenmaatregelen bezien. De tussenmaatregelen beogen in de periode tot aan de inwerkingtreding effect te sorteren bij de op dit moment met een te lage beslagvrije voet geconfronteerde groep schuldenaren. De resultaten van dit onderzoek zijn 13 februari 2019 met de Kamer gedeeld (Tweede Kamer, 2018–2019, 24 515, nr. 468). Vrijwel gelijktijdig is het Besluit beslagvrije voet gepubliceerd (Stb. 2019, nr. 45).

Binnen het traject tot verbreding van het beslagregister is in samenspraak met stakeholders een businesscase opgesteld, waarbij verschillende scenario’s zijn onderzocht om te komen tot de met een verbreed beslagregister beoogde zeer zorgvuldige gegevensuitwisseling van vaak privacygevoelige gegevens. Op basis van deze businesscase is een tweetal voorkeurscenario’s onderscheiden. Vervolgens heeft een verdere verdieping plaatsgevonden op basis waarvan begin 2019 een definitieve scenariokeuze kan worden gemaakt. Met de definitieve scenariokeuze in de hand, kan een verder traject richting implementatie worden uitgestippeld. De Kamer wordt hierover in het tweede kwartaal van 2019 geïnformeerd.

Schuldhulpverlening

Het kabinet heeft naar aanleiding van de evaluatie van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voor de jaren 2016, 2017 en 2018 in totaal € 7,5 miljoen ter beschikking gesteld voor de verbetering van de gemeentelijke schuldhulpverlening. De beoogde resultaten en prestaties van deze tijdelijke middelen zijn gehaald. Met het professionaleringsprogramma Schouders Eronder is het vakmanschap van schuldhulpverleners en de gemeente als lerende organisatie versterkt. Schouders Eronder heeft onder meer de beroepsopleiding schuldhulpverlening ontwikkeld, heeft in zo’n 20 gemeenten onder leiding van «gangmakers» ontwikkelprogramma’s uitgevoerd en heeft schuldhulpverlening aan laaggeletterden, ondernemers en mensen met een licht verstandelijke beperking op diverse wijzen ondersteund. Zo’n 150 gemeenten hebben hulp gekregen bij het beter en sneller bereiken van mensen met schulden door vroegsignaleringsprojecten. De benchmark armoede en schulden helpt gemeenten de dienstverlening te verbeteren. In 2018 hebben 140 gemeenten meegedaan. De benchmark wordt voortgezet.

Voor de proeftuin digitale communicatie in de minnelijke schuldregeling blijkt meer tijd nodig. Het voornemen is daarom Schouders Eronder voort te zetten, waarbij nieuwe activiteiten worden toegevoegd, mede gefinancierd uit de tijdelijke middelen voor schulden en armoede uit het regeerakkoord. Deze middelen zijn ook ingezet om met gemeenten en erkende vrijwilligersorganisaties een landelijk dekkend netwerk van vrijwilligersprojecten te ontwikkelen, gericht op schuldhulp en financiële begeleiding. Deze activiteit loopt nog en wordt in 2019 uitgebreid met de tijdelijke middelen voor schulden en armoede uit het regeerakkoord en naar aanleiding van de motie Segers (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 000, nr. 25).

Jeugdwerkloosheid

In het programma Sociaal Domein is in 2018 een proeftuin opgezet in Enschede en Apeldoorn, waar aan de hand van concrete casuïstiek domeinoverstijgende problemen van jongeren worden opgelost. Daarnaast is de rijksoverheid het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) «Jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt» gestart, waarin het beleid van de verschillende ministeries gericht op participatie van jongeren tegen het licht wordt gehouden (bijlage bij Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775, nr. 80). Aanpalend zijn in het uitvoeringsprogramma 16–27 in het hele land pilots gestart om te innoveren en te versnellen in situaties waar verschillende beleidsterreinen samen komen, zoals bij overgangen van school naar werk of bij multiproblematiek. Ook wordt geïnvesteerd in professionalisering. Aanleiding voor de proeftuin, het IBO en het uitvoeringsprogramma zijn knelpunten aangedragen door gemeenten, scholen en werkgevers. Na de decentralisaties blijken de nieuwe beleidsuitgangspunten «eigen regie» en «maatwerk» in de praktijk soms lastig te realiseren door verkokering van beleid en wet- en regelgeving en beperkingen in het doenvermogen van jongeren en professionals.

Wsw-pensioenen

Als gevolg van de invoering van de Participatiewet treden er sinds 2015 geen nieuwe deelnemers meer toe tot het pensioenfonds voor de Wsw, PWRI. Ter compensatie van de schade die het fonds daardoor lijdt, namelijk een toename van de kostendekkende premie, ontvangt het PWRI jaarlijks vanaf 2018 onder voorwaarden een bijdrage van € 10 miljoen van het Ministerie van SZW (Stcrt. 2017, 21 339).

2018 is het eerste jaar waarover het pensioenfonds PWRI een financiële tegemoetkoming heeft ontvangen. In 2019 legt PWRI verantwoording af over de besteding hiervan in haar jaarverslag over 2018. Het bestuur van PWRI heeft eind 2017 de voorwaarde van de Minister bevestigd, dat sociale partners zelf tot een structurele oplossing komen voor PWRI door samen te gaan met een ander fonds. In 2018 heeft dat nog niet geleid tot nieuwe ontwikkelingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.2.2 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 2 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

6.333.698

913.002

6.543.926

6.751.201

7.009.665

6.664.158

345.507

waarvan garantieverplichtingen

– 617

– 338

– 170

– 55

– 5

0

– 5

waarvan overig

6.334.315

913.340

6.544.096

6.751.256

7.009.670

6.664.158

345.512

Uitgaven

9.732.855

6.506.062

6.626.117

6.809.474

7.089.379

6.724.243

365.136

               

Inkomensoverdrachten

9.653.128

6.427.252

6.530.514

6.673.695

7.002.267

6.636.858

365.409

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.736.429

5.623.935

5.711.137

5.900.666

6.215.974

5.862.960

353.014

Participatiebudget

694.832

1.394

459

1.800

0

0

0

WSW

2.389.997

17.459

17.447

0

0

0

0

TW

555.000

484.700

496.400

456.000

448.000

481.234

– 33.234

AIO

208.000

234.062

245.067

268.134

295.480

253.938

41.542

Bijstand zelfstandigen

66.216

62.311

56.427

42.866

38.877

31.707

7.170

Bijstand overig

1.405

1.513

1.500

1.500

1.200

1.600

– 400

Onderstand en re-integratie (Caribisch Nederland)

1.249

1.878

2.077

2.729

2.736

5.419

– 2.683

               

Garanties

0

221

41

5

0

5

– 5

               

Subsidies

77.047

76.890

92.361

132.858

72.887

58.248

14.639

               

Opdrachten

2.376

1.238

2.183

1.553

1.509

16.873

– 15.364

               

Bekostiging

304

354

782

1.064

2.403

2.038

365

Nibud

304

304

304

0

0

0

0

ZonMw

0

50

478

1.064

2.403

2.038

365

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

107

236

299

313

221

92

ZonMw

0

107

236

299

313

221

92

               

Bijdrage aan sociale fondsen

0

0

0

0

10.000

10.000

0

Pensioenfonds Wsw

0

0

0

0

10.000

10.000

0

               

Ontvangsten

106.277

62.676

55.901

48.492

26.622

2.572

24.050

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

Tabel 4.2.3 Extracomptabel overzicht macrobudget participatiewetuitkeringen (x € 1.000)
 

Realisatie 20141

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.736.429

5.623.935

5.711.137

5.900.666

6.215.974

5.862.960

353.014

               

Macrobudget participatiewetuitkeringen2

5.736.429

5.623.935

5.691.569

5.889.610

6.215.974

5.865.407

350.567

Algemene bijstand en loonkostensubsidies3

5.498.231

5.308.470

5.336.390

5.497.394

5.806.690

5.447.592

359.098

IOAW

212.997

258.906

326.349

361.723

377.614

386.014

– 8.400

IOAZ

25.201

27.784

28.830

30.493

31.670

31.801

– 131

Correctie verdeelmodel

0

28.774

0

0

0

0

0

               

Intertemporele tegemoetkoming4

0

0

19.568

11.056

5

– 2.446

5

X Noot
1

Voor het jaar 2014 zijn de verantwoorde middelen het Wwb-inkomensdeel.

X Noot
2

Toelichting definitief macrobudget 2018; berekening SZW.

X Noot
3

Inclusief BBZ-levensonderhoud voor startende ondernemers.

X Noot
4

SZW, financiële administratie.

X Noot
5

De terugbetalingen Intertemporele tegemoetkoming zijn conform administratieve voorschriften onder de ontvangsten verantwoord en niet in mindering gebracht op de uitgaven.

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

De Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. Het Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies, waaronder de middelen voor bijstandsuitkeringen aan startende ondernemers. Dit budget wordt samen met de middelen voor IOAW en IOAZ over de gemeenten verdeeld. Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers bedraagt in 2018 € 32,5 miljoen en maakt onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen. In tabel 4.2.3 zijn deze middelen voor 2018 onder algemene bijstand en loonkostensubsidie begrepen.

Budgettaire ontwikkelingen

Het macrobudget participatiewetuitkeringen en de Intertemporele tegemoetkoming samen vallen in 2018 € 350 miljoen hoger uit dan begroot. Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand, de loonkostensubsidies en de intertemporele tegemoetkoming. De toelichting voor de IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud startende ondernemers volgt verderop in het artikel.

In 2018 zijn de gerealiseerde uitgaven aan gemeenten voor algemene bijstand en loonkostensubsidies per saldo circa € 360 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. Dit is met name het gevolg van de doorwerking van hoger uitgevallen realisaties in 2017 (€ 143 miljoen). Via de reguliere systematiek van het macrobudget werken realisaties in 2017 volledig door in het budget van het uitvoeringsjaar 2018. Daarnaast is de systematiek voor de verwerking van de verhoogde instroom van statushouders in 2018 aangepast in de bijstandsraming. Hierdoor is het macrobudget verhoogd (€ 118 miljoen). De uitgaven zijn voorts hoger uitgevallen vanwege de doorwerking van de gestegen lonen en prijzen (€ 66 miljoen) in de uitkeringen. Daarnaast had de conjunctuur een opwaarts effect op de bijstandsuitgaven van € 33 miljoen. Aan de andere kant was er een neerwaartse bijstelling van de bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers van € 1,6 miljoen.

Vanaf 2018 zijn er geen uitgaven meer voor de Intertemporele tegemoetkoming voor gemeenten. De terugbetaling van de Intertemporele tegemoetkoming bedraagt € 2,4 miljoen in 2018 en wordt verantwoord onder de ontvangsten.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het volume bijstandsgerechtigde huishoudens op grond van de Participatiewet is als gevolg van de gunstige conjunctuur gedaald ten opzichte van het volume in 2017. Deze daling is bovendien groter dan de daling zoals die ten tijde van de ontwerpbegroting 2018 werd verwacht.

Tabel 4.2.4 Kerncijfers Wwb/Participatiewet1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

371

383

395

399

379

383

– 4

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, ultimo)

377

387

399

394

367

3

 

waarvan verblijfsduur minder dan 1 jaar

96

95

92

80

60

3

 

waarvan verblijfsduur 1 tot 5 jaar

162

168

168

163

154

3

 

waarvan verblijfsduur 5 jaar of meer

118

125

139

151

153

3

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Betreft voorlopige CBS-cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2018 zijn geraamd.

X Noot
3

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de IOAW en de IOAZ zijn samen ruim € 8 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Bij de IOAW is dit het gevolg van enerzijds het verwerken van de realisaties van 2017 in de raming (- € 16 miljoen). Anderzijds is het budget opwaarts bijgesteld vanwege de hogere doorstroom vanuit de WW naar de IOAW (€ 3 miljoen) en de doorwerking van de gestegen lonen en prijzen (€ 4 miljoen) in de uitkeringen.

De IOAZ is per saldo met € 0,1 miljoen neerwaarts bijgesteld in 2018. Dat is het gevolg van de verwerking van de uitgavenrealisaties 2017 (– € 0,5 miljoen) en de doorwerking van de gestegen lonen en prijzen (€ 0,4 miljoen) in de uitkeringen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.5 Kerncijfers IOAW en IOAZ1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

16

19

22

24

24

26

– 2

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,7

1,7

1,8

1,9

1,9

2,0

– 0,1

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Betreft voorlopige CBS-cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2018 zijn geraamd.

Handhaving

De kengetallen op het gebied van preventie tonen een stabiel beeld. Ook de incassoratio terugvorderingen en boetevorderingen vanwege schending inlichtingenplicht tonen een vergelijkbaar beeld met voorgaande jaren. De kerncijfers opsporing van de gemeenten tonen een lichte groei in het aantal vorderingen wegens geconstateerde overtreding van de inlichtingenplicht. Het totale benadelingsbedrag is de laatste jaren stabiel.

Tabel 4.2.6 Kerncijfers Wwb/Participatiewet (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

         

Gepercipieerde detectiekans (%)

80

82

77

75

72

Kennis van de verplichtingen (%)

88

90

88

88

86

           

Opsporing2

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

n.b.

29

30

31

33

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

62

66

71

69

70

           

Terugvordering2

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

28

37

43

47

50

Incassoratio cohort 2014 (%)

12

21

28

32

36

Incassoratio cohort 2015 (%)

4

12

23

29

34

Incassoratio cohort 2016 (%)

4

4

15

25

31

Incassoratio cohort 2017 (%)

4

4

4

14

25

Incassoratio cohort 2018 (%)

4

4

4

4

14

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek. Vanwege definitiewijzigingen zijn incassoratio’s uit voorgaande jaren beperkt gewijzigd.

X Noot
3

Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Het CBS onderzoekt momenteel de verhouding tussen het aantal vorderingen en het aantal overtredingen.

X Noot
4

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A2. Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-aanvulling) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de TW komen € 33 miljoen lager uit dan begroot. Dit verschil wordt veroorzaakt door een tegengesteld prijs- en volume-effect.

Het TW-volume is 40.000 uitkeringsjaren lager uitgekomen dan geraamd (– € 53 miljoen). Dit wordt deels veroorzaakt doordat het aantal extra TW-aanvullingen aan Wajongers lager uitkomt dan geraamd. Begin 2018 is de Wajong-uitkering aan Wajongers met arbeidsvermogen verlaagd naar 70% WML, waardoor een deel van deze groep in aanmerking komt voor een aanvulling vanuit de TW. Ook na het versturen van herinneringsbrieven aan deze groep Wajongers is het aantal extra TW-aanvragen echter achtergebleven bij de raming. Daarnaast komt het aantal TW-aanvullingen op WW-uitkeringen lager uit dan geraamd.

De gemiddelde toeslag is € 800 hoger uitgekomen dan bij het opstellen van de begroting werd verwacht. Hierdoor komt de TW-raming € 11 miljoen hoger uit dan geraamd. Met name de gemiddelde toeslag bij de Wajong is hoger dan verwacht. De TW-aanvulling van Wajongers met arbeidsvermogen is relatief laag. Daarom is er in de raming rekening gehouden met een forse daling van de gemiddelde jaaruitkering. Omdat het aantal TW-aanvullingen aan Wajongers met arbeidsvermogen echter lager is uitgevallen dan geraamd, komt de gemiddelde TW-aanvulling hoger uit dan verwacht. Ook de gemiddelde TW-aanvulling op WW-uitkeringen is hoger dan verwacht. Ten slotte is de gemiddelde TW-aanvulling hoger uitgevallen dan begroot, omdat de TW-normen zijn aangepast voor gestegen lonen en prijzen (€ 8 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.7 Kerncijfers TW1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

205

198

155

103

105

145

– 40

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

2.707

2.448

3.203

3.703

3.503

3.355

148

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers.

Handhaving

Het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling en het benadelingsbedrag is in 2018 afgenomen ten opzichte van voorgaande jaren. De incassoratio is vergelijkbaar met voorgaande jaren.

Tabel 4.2.8 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Opsporing

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

3,2

2,4

1,7

2,0

1,2

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

7,2

5,8

5,6

6,7

4,5

           

Terugvordering

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

35

47

54

61

65

Incassoratio cohort 2014 (%)

15

39

48

56

56

Incassoratio cohort 2015 (%)

3

18

40

51

52

Incassoratio cohort 2016 (%)

3

3

17

33

44

Incassoratio cohort 2017 (%)

3

3

3

16

30

Incassoratio cohort 2018 (%)

3

3

3

3

18

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers

X Noot
3

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A3. Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten AIO zijn € 42 miljoen hoger uitgevallen dan geraamd ten tijde van het opstellen van de begroting. Zowel het aantal AIO-gerechtigden als de hoogte van de gemiddelde uitkering is ten tijde van het opstellen van de begroting onderschat. Tevens heeft er in 2018 een nabetaling van circa € 5 miljoen plaatsgevonden aan de SVB over 2017.

Het aantal AIO-gerechtigden valt met name hoger uit door een kleinere uitstroom in 2017 en 2018 dan geraamd. Ook heeft een groter aantal personen in 2017 en 2018 een AIO-uitkering aangevraagd dan waar in de begroting rekening mee werd gehouden.

De gemiddelde uitkering valt hoger uit door samenstellingseffecten. Ten tijde van het opstellen van de begroting is het effect van de afschaffing van de partnertoeslag op de gemiddelde uitkering onderschat. De afschaffing van de partnertoeslag zorgt er voor dat de groep met relatief een lager gemiddelde AIO-uitkering (onvolledige AOW met partnertoeslag) kleiner wordt en dat de groep met relatief een hoger gemiddelde AIO-uitkering (onvolledige AOW zonder partnertoeslag) groter wordt. Hierdoor is de gemiddelde uitkering hoger uitgevallen dan geraamd ten tijde van het opstellen van de begroting.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.9 Kerncijfers AIO1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

40

41

42

44

46

43

3

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2018 zijn geraamd.

Handhaving

De kerncijfers handhaving tonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren.

Tabel 4.2.10 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

         

Gepercipieerde detectiekans (%)

73

75

77

77

73

Kennis van de verplichtingen (%)

84

87

88

89

87

           

Opsporing2

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

0,6

1,0

0,9

1,2

0,9

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

1,7

2,2

2,0

2,3

2,0

           

Terugvordering2

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

42

49

53

56

58

Incassoratio cohort 2014 (%)

9

19

27

31

33

Incassoratio cohort 2015 (%)

3

14

31

38

43

Incassoratio cohort 2016 (%)

3

3

12

22

29

Incassoratio cohort 2017 (%)

3

3

3

6

23

Incassoratio cohort 2018 (%)

3

3

3

3

7

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A4. Bijstand zelfstandigen (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen onder voorwaarden voor financiële ondersteuning een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor gevestigde ondernemers of in bedrijfskredieten (starters en gevestigde ondernemers).

Budgettaire ontwikkelingen

De gerealiseerde uitgaven zijn ruim € 7 miljoen hoger dan begroot. De bijstandsuitgaven kunnen per gemeente van jaar op jaar sterk wisselen. Gevolg daarvan is dat een aantal gemeenten te weinig voorschot ontvangt en een ander aantal te veel en dat leidt tot nabetalingen respectievelijk terugontvangsten; zie ook onder onderdeel Ontvangsten. Rekening houdend met de hogere uitgaven van ruim € 7 miljoen en de terugontvangsten van bijna € 13 miljoen, is per saldo aan alle gemeenten samen bijna € 6 miljoen minder voor bijstand aan zelfstandigen uitgegeven dan begroot.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.11 Kerncijfers Bbz1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

4,1

3,9

3,8

3,8

3,5

3,8

– 0,3

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers. De cijfers van oktober tot en met december 2018 zijn ramingen.

A5. Bijstand overig

«Bijstand overig» bestaat vrijwel volledig uit bijstand buitenland. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer bijgekomen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de bijstand buitenland zijn in 2018 circa € 0,4 miljoen lager uitgekomen dan ten tijde van het opstellen van de begroting geraamd, vanwege een lager aantal gerechtigden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Er zijn eind 2018 nog 136 gerechtigden met een bijstandsuitkering in het buitenland.

Tabel 4.2.12 Kerncijfers Bijstand Buitenland1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume bijstand buitenland (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,2

0,2

0,2

0,1

0,1

0,1

0

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

A6. Onderstand en re-integratie Caribisch Nederland

De overheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand en waar nodig ook re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven zijn per saldo € 2,7 miljoen lager dan begroot. Dit wordt grotendeels verklaard doordat budget is overgeheveld naar het Ministerie van BZK voor armoedeprojecten in Caribisch Nederland (€ 1,8 miljoen). Daarnaast is nog eens € 0,5 miljoen naar BZK overgeboekt ten behoeve van afdracht aan de SVB. Deze uitgaven worden verantwoord in het BZK-jaarverslag. Er is daarnaast enige onderrealisatie op de uitgaven aan Onderstand als gevolg van een gunstigere koersontwikkeling van de euro ten opzichte van de dollar dan waar rekening mee is gehouden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.2.13 Kerncijfers Onderstand (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,4

0,5

0,5

0,6

0,5

0,4

0,1

X Noot
1

SZW-unit RCN.

B. Garanties

Dit betreft de garantstelling voor de borgstellingsregeling (pilot zelfstandigenbeleid). De toegang tot deze regeling is sinds 2011 beëindigd. De uitgaven hebben betrekking op de afwikkeling van garantieclaims en zijn € 5.000 lager dan begroot, doordat er geen claims zijn ingediend.

C. Subsidies

Er is per saldo door overlopende verplichtingen € 14,6 miljoen meer aan subsidies uitgegeven dan begroot. Van de bijna € 73 miljoen uitgaven aan subsidies heeft € 38 miljoen betrekking op de sectorplannen, ruim € 6 miljoen op de scholingsvouchers voor het verwerven van een baan in een kansberoep en € 4 miljoen voor de Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt (DWSRA), € 9 miljoen via de landelijke fondsen voor «Alle kinderen doen mee», bijna € 3 miljoen voor de regionale initiatieven om kinderarmoede tegen te gaan en ruim € 4 miljoen voor de Subsidieregeling armoede en schulden. Verder is er ruim € 2 miljoen uitgegeven aan de SBCM (het A&O-fonds voor de sociale werkvoorziening) en ruim € 6 miljoen voor overige (incidentele) subsidies, waaronder DIVOSA en het NIBUD.

D. Opdrachten

Ten opzichte van de begroting van € 16,9 miljoen is er € 15,4 miljoen minder uitgegeven. Dat komt voort uit enerzijds extra middelen van € 8,0 miljoen voor aanpak van matchen op werk in de arbeidsmarktregio’s (waaronder € 5,0 miljoen vanuit amendement Nijkerken-de Haan (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 XV, nr. 17)) en armoede en schulden uit de middelen regeerakkoord en anderzijds overboekingen van € 18,2 miljoen en onderbenutting van € 5,2 miljoen.

Van de budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting van € 10,9 miljoen zijn de grootste subsidies (€ 5,8 miljoen) en bijdragen Programmaraad en Schakelpunt werkgevers (€ 3,6 miljoen).

Verder hebben er diverse overboekingen (€ 5,1 miljoen) naar andere begrotingshoofdstukken plaatsgevonden, waarvan die naar BZK/Gemeentefonds met € 3,9 miljoen voor verbeteringen matchen op werk in de arbeidsmarktregio’s (€ 3,0 miljoen) de grootste is.

Tenslotte heeft een kasschuif plaatsgevonden van de regeerakkoordmiddelen armoede en schulden van € 2,0 miljoen.

De uitgaven van € 1,5 miljoen zijn besteed aan jeugdwerkloosheid (€ 0,1 miljoen), bevordering arbeidsparticipatie (€ 0,7 miljoen voor ondersteuningsprogramma Matchen op Werk, programma Sociaal Domein, samenwerking GGZ-Werk&Inkomen en begeleiding Experimenten Participatiewet), armoede en schulden (€ 0,3 miljoen voor onder meer gegevensuitwisseling beslag en incasso, beschermingsbewind), Bevorderen ondernemerschap (€ 0,1 miljoen voor onder andere impuls Bbz) en diversen (€ 0,3 miljoen aan Caribisch Nederland).

Voor € 5,2 miljoen is sprake van onderuitputting. Het merendeel hiervan hangt samen met geen doorgang vinden of niet tijdig tot stand komen van een aantal voorgenomen activiteiten op de terreinen van Matchen op Werk, Perspectief op Werk, Brede Schuldenaanpak en aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt.

E. Bekostiging

Aan het meerjarige kennisprogramma, dat door ZonMw wordt uitgevoerd, is in 2018 € 0,4 miljoen meer uitgegeven dan aanvankelijk geraamd.

F. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Voor de meerjarige uitvoering van het kennisprogramma door ZonMw is in 2018 € 0,1 miljoen meer uitgegeven dan aanvankelijk geraamd.

G. Bijdrage aan sociale fondsen

De bijdrage aan het Wsw-pensioenfonds PWRI is overeenkomstig het begrote bedrag uitgegeven.

H. Ontvangsten

De gerealiseerde ontvangsten zijn € 24 miljoen hoger dan begroot. De hogere ontvangsten hebben betrekking op terugvorderingen van te hoge voorschotten inzake Rijksvergoedingen, zoals Bijstand zelfstandigen (bijna € 13 miljoen) en TW (bijna € 3 miljoen). Verder gaat het vooral om terugvordering van te hoge voorschotten bij subsidies voor sectorplannen (ruim € 6 miljoen) en terugontvangsten van de intertemporele tegemoetkoming (ruim € 2 miljoen).

Kerncijfers

Tabel 4.2.14 bevat cijfers over re-integratie door gemeenten

Tabel 4.2.14 Re-integratie gemeentelijk domein1
 

Realisatie 20142

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000)

47

43

43

45

3

             

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)

37

33

35

44

524

 

waarvan personen met een loonkostensubsidie Participatiewet

5

1,2

2,2

9,1

134

 

waarvan personen met beschut werk6

5

<0,1

<0,1

0,6

1,44

 

waarvan tijdelijke loonkostensubsidie voor werklozen of ID/WIW

5

5,2

3,7

3,2

2,74

             

Werknemersbestand WSW (x 1.000)7

103

96

91

87

85

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen7

30

36

37

37

40

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen7

6,5

6,6

6,5

6,6

6,4

             

Aantal voorzieningen Participatiewet/WWB (x 1.000, ultimo)

214

209

222

256

270

Aantal personen met een voorziening Participatiewet/WWB (x 1.000, ultimo)

170

166

174

190

198

X Noot
1

CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

X Noot
2

Op 1 januari 2015 is de Participatiewet ingevoerd. De realisatiecijfers 2014 hebben betrekking op de WWB.

X Noot
3

Door leveringsproblemen van de Arbeidsongeschiktheidsstatistieken is dit cijfer op dit moment niet voorhanden.

X Noot
4

Stand ultimo derde kwartaal 2018.

X Noot
5

Deze cijfers zijn logischerwijs niet beschikbaar.

X Noot
6

Gegevens van het CBS: deze cijfers wijken af van realisatiegegevens van het UWV wegens verschillende meetmethoden.

X Noot
7

Panteia, Tussentijdse Wsw-rapportage. De cijfers 2018 geven de stand medio 2018 weer.

3. Arbeidsongeschiktheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.

De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.

Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratie-inspanningen aan het UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsongeschiktheidbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Afspraken met sociale partners over de WIA

Beleidsconclusies

Het kabinet heeft overeenstemming bereikt met werknemers en werkgevers over het afzien van de bezuinigingen op de WIA die in het regeerakkoord zijn opgenomen. Deze bezuinigingen bestonden uit de aanpassing van het schattingsbesluit en het invoeren van een inkomenseis voor (toekomstige) arbeidsongeschikten die tussen de 80 en 99 procent arbeidsongeschikt zijn bevonden (WGA80–99). Vanwege de afspraak met werkgevers over een nieuw pakket aan maatregelen rondom loondoorbetaling bij ziekte (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 873), heeft het kabinet de balans in de maatregelen uit het regeerakkoord opnieuw bezien. Hierbij is ook meegewogen dat de verwachte instroom in de WIA lager uitvalt door de nieuwe afspraken op het gebied van loondoorbetaling bij ziekte.

Om te stimuleren dat WGA-gerechtigden zoveel mogelijk deelnemen aan het arbeidsproces, gaan de andere maatregelen uit het regeerakkoord (niet herbeoordelen van een arbeidsongeschikte tot vijf jaar na werkhervatting en experiment met scholingsaanbod voor arbeidsongeschikten) wel door. Tevens is besloten een werkgroep in de Stichting van de Arbeid in te stellen om de arbeidsparticipatie van geheel- en gedeeltelijk arbeidsongeschikten te bevorderen.

WIA-claimcriterium

Het wetsvoorstel waarmee het WIA-claimcriterium wordt aangepast voor mensen die met loonkostensubsidie werken in de Participatiewet zou in 2019 in werking treden, maar is uitgesteld. De financiële consequentie van dit uitstel is zeer gering.

WGA-uitkering eindigt bij getoond herstel verdiencapaciteit

Op dit moment oordelen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige over de mate van arbeidsongeschiktheid. In situaties waar WGA-gerechtigden langer dan één jaar meer dan 65% van hun maatmaninkomen verdienen, heeft dat echter geen toegevoegde waarde; betrokkene laat namelijk door zijn inkomsten al zien dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% is. Daarom wordt geregeld dat de uitkering in deze situatie eindigt zonder tussenkomst van een verzekeringsarts of arbeidsdeskundige. Dit zou worden meegenomen in het wetsvoorstel waar het arbeidsongeschiktheidscriterium wordt gewijzigd voor werknemers die met loonkostensubsidie hebben gewerkt. Wegens uitstel van dat wetsvoorstel zal dit onderwerp komend jaar worden meegenomen in het wetsvoorstel waarin ook vijf jaar niet herbeoordelen meegenomen wordt (regeerakkoordmaatregel).

Beleidsevaluatie artikel 3

Met de brief aan de Tweede Kamer van 19 september 2018 (Tweede Kamer, 2017–2018, 30 982 nr. 42) is invulling gegeven aan de beleidsevaluatie artikel 3, in aanvulling op het IBO «Geschikt voor de arbeidsmarkt».

Reactie IBO arbeidsongeschiktheid

In april 2017 is het IBO «Geschikt voor de arbeidsmarkt» afgerond (Tweede Kamer, 2016–2017, 29 544, nr. 780). In de begroting 2018 is aangekondigd dat een inhoudelijke reactie door het volgende kabinet opgesteld zou worden. Deze reactie zal in 2019 door het kabinet worden opgesteld.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.3.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

616

703

682

804

813

824

– 11

Uitgaven

616

703

682

804

813

824

– 11

               

Inkomensoverdrachten

616

703

682

804

813

824

– 11

Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

616

703

682

804

813

824

– 11

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Tabel 4.3.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil

Uitgaven

9.037.660

9.040.645

9.199.616

9.455.806

9.701.073

9.850.289

– 149.216

               

Inkomensoverdrachten

8.960.618

8.967.297

9.138.683

9.394.789

9.625.415

9.560.795

64.620

IVA

1.170.506

1.408.374

1.712.782

2.036.404

2.425.658

2.294.369

131.289

WGA

1.883.004

2.076.296

2.327.604

2.492.840

2.646.644

2.730.425

– 83.781

WGA eigenrisicodragers

327.000

334.781

327.861

360.864

310.932

369.810

– 58.878

WAO

5.387.175

4.975.807

4.615.558

4.365.460

4.116.660

4.041.210

75.450

WAZ

192.933

172.039

154.878

139.221

125.521

124.981

540

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

77.042

73.348

60.933

61.017

75.658

102.317

– 26.659

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW

77.042

73.348

60.933

61.017

75.658

102.317

– 26.659

               

Nominaal

0

0

0

0

0

187.177

– 187.177

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De realisatie van de uitgaven aan de ongevallenverzekering in Caribisch Nederland komt nagenoeg overeen met de begrote uitgaven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.3.3 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000 personen, ultimo)

2

2

0,1

0,1

0,1

<0,1

0

X Noot
1

SZW-unit RCN.

X Noot
2

Cijfers voor deze jaren zijn vanwege een aanscherping in de gebruikte definitie niet vergelijkbaar met die voor latere jaren.

A2. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn, recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming. De WIA wordt uitgevoerd door het UWV.

De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of van wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun ex-werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan het UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van het UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.

Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten IVA komen € 131 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 42 miljoen, in tabel 4.3.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 89 miljoen hoger dan begroot. Dit komt door een hogere instroom en een hogere doorstroom vanuit de WGA (€ 97 miljoen). Daarnaast kwam de gemiddelde jaaruitkering hoger uit dan begroot (€ 23 miljoen). Anderzijds waren er ontvangsten uit het verhaal op uitkeringen en kwam de tegemoetkoming arbeidsongeschikten lager uit (– € 31 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

De instroom in de IVA kwam in 2018 hoger uit dan begroot, evenals de doorstroom vanuit de WGA. De uitstroom kwam lager uit. Deze drie ontwikkelingen leiden tot een toename van het bestand, dat 6.000 uitkeringen hoger is uitgekomen dan begroot.

Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) inclusief WGA eigenrisicodragers

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WGA komen € 143 miljoen lager uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 68 miljoen, in tabel 4.3.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 211 miljoen lager dan begroot. In de WGA was er een hogere doorstroom naar de IVA dan geraamd (– € 76 miljoen). Ook kwam de gemiddelde jaaruitkering lager uit (– € 71 miljoen). Daarnaast viel het aandeel nuluitkeringen (uitkeringen waar geen betaling tegenover staat) hoger uit (– € 45 miljoen). Tot slot waren er ontvangsten uit het verhaal op uitkeringen en kwam de tegemoetkoming arbeidsongeschikten hoger uit (per saldo – € 19 miljoen).

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal WGA-uitkeringen is 3.000 lager uitgekomen dan begroot. Dit komt voornamelijk door een hoger dan verwachte doorstroom naar de IVA. Het aandeel werkende WGA’ers met resterende verdiencapaciteit vertoont een stijgende trend.

A3. Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennialang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAO komen € 75 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 73 miljoen, in tabel 4.3.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 2 miljoen hoger dan begroot. Zowel prijs als volume kwamen licht hoger uit dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

De WAO is afgesloten voor nieuwe instroom. Het bestand neemt daardoor jaarlijks af en is in 2018 vrijwel op het begrote aantal uitgekomen.

Tabel 4.3.4 Kerncijfers IVA, WGA en WAO1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

IVA, WGA en WAO

             

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

553

545

546

550

556

553

3

 

waarvan IVA

61

72

85

98

113

107

6

 

waarvan WGA

148

158

168

179

190

193

– 3

 

waarvan WAO

343

315

293

273

254

253

1

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,1

8,1

8,1

7,9

7,8

8,0

– 0,2

                 

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

38

36

40

42

44

43

1

 

waarvan IVA

8,2

8,5

9,6

10,5

11,6

10,3

1,3

 

waarvan WGA

29

27

30

31

32

32

0

 

waarvan WAO

1,0

0,9

0,7

0,7

0,7

0,6

0,1

Instroomkans (%)

0,6

0,5

0,6

0,6

0,6

0,6

0

                 

Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)

45

45

40

39

39

40

– 1

 

waarvan IVA

4,9

6,2

6,5

7,2

8,6

9,3

– 0,7

 

waarvan WGA

9,2

9,9

10,1

11,2

10,2

10,5

– 0,3

 

waarvan WAO

31

29

23

21

20

20

0

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

6,6

8,5

10,1

10,1

11,7

9,4

2,3

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

7,6

7,6

6,7

6,7

6,5

7,2

– 0,7

                 

WGA

             

Aandeel werkende WGA’ers met resterende verdiencapaciteit (%)

42

42

43

44

46

3

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers.

X Noot
3

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Handhaving

De kengetallen op het gebied van handhaving vertonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren. De methodiek voor de bepaling van de incassoratio is vanaf 2018 verbeterd en is nu gebaseerd op de complete set aan gegevens, waar voorheen de berekening werd gemaakt op basis van een representatieve steekproef.

Tabel 4.3.5 Kerncijfers IVA, WGA en WAO (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

         

Gepercipieerde detectiekans (%)

78

83

79

79

74

Kennis van de verplichtingen (%)

89

91

88

89

88

           

Opsporing2

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

2,0

2,0

1,1

1,2

1,23

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

9,8

9,4

6,0

7,4

7,03

           

Terugvordering2

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

40

57

64

71

72

Incassoratio cohort 2014 (%)

20

49

56

61

64

Incassoratio cohort 2015 (%)

4

22

45

57

63

Incassoratio cohort 2016 (%)

4

4

24

44

52

Incassoratio cohort 2017 (%)

4

4

4

19

43

Incassoratio cohort 2018 (%)

4

4

4

4

29

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans». Kerncijfers preventie alleen van toepassing op WGA en WAO, IVA is buiten beschouwing gebleven.

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Betreft voorlopige cijfers.

X Noot
4

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A4. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)

De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAZ komen € 1 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 2 miljoen, in tabel 4.3.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 1 miljoen lager dan de begroting.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het gerealiseerde aantal WAZ-uitkeringen komt overeen met het geraamde aantal.

Tabel 4.3.6 Kerncijfers WAZ1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Bestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)

17

15

14

12

11

11

0

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers.

B. Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW

Voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ en ZW zet het UWV middelen in om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Het UWV zet deze middelen in voor de inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt het UWV voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoersvoorzieningen) in voor het ondersteunen van werkenden met een structureel functionele beperking. Het UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt jaarlijks aan het UWV beschikbaar gesteld en door het UWV verantwoord via de reguliere rapportages.

Budgettaire ontwikkelingen

SZW heeft in 2018 € 27 miljoen minder bijgedragen aan het UWV voor re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 2 miljoen, in tabel 4.3.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 29 miljoen lager dan begroot. Gedurende het jaar zijn op basis van realisatiecijfers van het UWV de uitgaven naar beneden bijgesteld. In 2018 zijn met het re-integratiebudget 18.372 re-integratietrajecten en 12.119 werkvoorzieningen ingekocht voor de WIA/WAO/WAZ/ZW doelgroep. In 2017 waren dit er respectievelijk 15.079 en 11.325. De in 2018 ingekochte trajecten komen in verband met de looptijd van deze trajecten ten laste van het re-integratiebudget 2018, 2019 en 2020.

4. Jonggehandicapten

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.

De Wajong bestaat uit drie groepen die elk een eigen doelstelling hebben: de «oude Wajong» (tot 2010), de «Wajong2010» (2010 tot 2015) en de Wajong2015. Het moment van instroom bepaalt tot welke groep iemand behoort. In de «oude Wajong» staat inkomensondersteuning voorop en is arbeidsondersteuning beschikbaar voor hen die kunnen werken. Voor de «Wajong2010» (mensen die in de periode 2010 tot 2015 zijn ingestroomd) heeft de overheid als eerste doel de arbeidsparticipatie van Wajongers te bevorderen. Als zij perspectief hebben op het verrichten van arbeid staat voor deze Wajongers arbeidsondersteuning centraal. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. De doelgroep van de Wajong2015 bestaat uit mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Zij zullen nooit kunnen werken, ook niet met ondersteuning. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening.

Als het totale inkomen van een Wajonger en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratie-inspanningen aan het UWV en de REA-instituten. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;

  • Het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV.

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het jonggehandicaptenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong

Beleidsconclusies

De beleidsdoorlichting van de Wajong heeft laten zien dat de Wajong, met drie verschillende regelingen en verschillen in rechten en plichten tussen deze regelingen, een complex geheel is geworden. Bovendien is er sprake van een aantal knelpunten die voor de participatie van mensen met een Wajong-uitkering een belemmering zijn. Naar aanleiding hiervan heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd die ervoor moet zorgen dat meer werken loont, dat Wajongers altijd terug kunnen vallen op de Wajong en dat Wajongers hun uitkering behouden als zij onderwijs volgen. De maatregelen zoals aangekondigd in de kabinetsreactie beleidsdoorlichting Wajong van d.d. 10 juli 2018 (Tweede Kamer, 2017–18, 30 982, nr. 40) worden uitgewerkt in wetgeving.

Afronding herindeling Wajong

Eind 2017 heeft het UWV de herindeling Wajong afgerond. Daarmee zijn alle Wajongers ingedeeld in de categorieën «arbeidsvermogen» of «duurzaam geen arbeidsvermogen». Vanaf 1 januari 2018 is de maximale uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen verlaagd van 75% naar 70%. Voor Wajongers van wie het totale inkomen door de verlaging onder het sociaal minimum is komen te liggen, is er de mogelijkheid om een toeslag te ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Activering Wajongers met arbeidsvermogen

Het UWV heeft in 2018 in totaal 9.000 Wajongers aan het werk geholpen. Hierdoor is het aantal Wajongers dat aan het werk is in 2018 verder gestegen van 57.523 naar 58.958. Het heeft daarbij de doelstelling van 8.000 plaatsingen, ondanks dat de doelgroep bestaat uit steeds moeilijker plaatsbare Wajongers, gehaald.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.4.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 4 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

3.019.261

3.112.006

3.274.182

3.202.010

3.280.192

3.298.349

– 18.157

Uitgaven

3.019.261

3.112.006

3.274.182

3.202.010

3.280.192

3.298.349

– 18.157

               

Inkomensoverdrachten

2.912.311

3.003.506

3.114.124

3.174.210

3.180.692

3.177.398

3.294

Wajong

2.912.311

3.003.506

3.114.124

3.174.210

3.180.692

3.177.398

3.294

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

106.950

108.500

160.058

27.800

99.500

120.951

– 21.451

Re-integratie Wajong

106.950

108.500

160.058

27.800

99.500

120.951

– 21.451

               

Ontvangsten

12.273

34.069

0

18.151

25.626

0

25.626

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. De Wajong wordt uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van de Wajong zijn in 2018 circa € 3 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. De hogere uitgaven kunnen worden verklaard door de loon- en prijsbijstelling 2018 (circa € 56 miljoen). Daartegenover staat dat de gemiddelde uitkering in 2018 lager uitviel dan geraamd. Dit komt onder andere doordat dat er gemiddeld een hoger inkomen uit arbeid is ontvangen door de werkende Wajongers dan in de oorspronkelijke raming was verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

De kerncijfers komen grotendeels overeen met de begroting 2018. Ten opzichte van 2017 zitten er minder mensen in de oude Wajong en Wajong2010 en meer mensen in de Wajong2015. Dit komt doordat er geen nieuwe mensen meer in de oude Wajong en Wajong2010 instromen. De stijgende lijn in het aandeel werkenden wordt in 2018 voortgezet.

Tabel 4.4.2 Kerncijfers Wajong1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)

251

249

247

245

245

245

0

 

waarvan oude Wajong (tot 2010)

184

181

177

174

172

166

6

 

waarvan Wajong2010 (2010 tot 2015)

67

67

66

65

64

70

– 6

   

waarvan werkregeling (%)

74

78

76

68

68

72

– 4

   

waarvan studieregeling (%)

18

12

9

7,3

5,8

3

2,8

   

waarvan duurzaam geen arbeidsmogelijkheden (%)

9

10

15

25

27

25

2

 

waarvan Wajong2015

1,3

3,5

6,2

9,1

9

0,1

                   

Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

17

4,5

4,2

4,7

5,2

5

0,2

Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)

5,7

6,4

6,1

6,1

6,5

6

0,5

                   

Aandeel werkenden in de oude en nieuwe Wajong (%)

23

23

25

26

27

27

0

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie tonen laten een afname zien ten opzichte van eerdere jaren. De kerncijfers op het gebied van opsporing wijzen op een lager benadelingsbedrag, waarbij het aantal geconstateerde overtredingen ook lager is dan 2017. De incassoratio voor 2013 en 2014 is afgenomen. Dit heeft te maken met een wijziging in de methodiek voor de bepaling van de incassoratio. Deze is vanaf 2018 verbeterd en is nu gebaseerd op de complete set aan gegevens, waar voorheen de berekening werd gemaakt op basis van een representatieve steekproef.

Tabel 4.4.3 Kerncijfers Wajong (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

         

Gepercipieerde detectiekans (%)

77

73

77

68

61

Kennis van de verplichtingen (%)

85

86

86

82

79

           

Opsporing2

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

2,1

1,6

1,6

2,4

2,2

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

4,3

4,0

4,6

7,5

5,6

           

Terugvordering2

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

46

59

65

72

70

Incassoratio cohort 2014 (%)

23

50

58

65

61

Incassoratio cohort 2015 (%)

3

18

41

51

56

Incassoratio cohort 2016 (%)

3

3

17

43

53

Incassoratio cohort 2017 (%)

3

3

3

13

31

Incassoratio cohort 2018 (%)

3

3

3

3

18

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

B. Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Re-integratie Wajong

Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de REA-instituten. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie. Specifiek voor jonggehandicapten met arbeidsmogelijkheden die vallen onder de Wajong2010 geldt een acceptatieplicht van passende arbeid. Het UWV beschikt vanaf 2015 over een geïntegreerd taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ en ZW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA, WAO, WAZ en ZW en wordt verantwoord in artikel 3.

Budgettaire ontwikkelingen

SZW heeft in 2018 op basis van realisatiecijfers van het UWV ruim € 21 miljoen minder bijgedragen aan het UWV voor re-integratie Wajong dan begroot. Ten opzichte van 2017 is de bijdrage fors gestegen. Dit wordt verklaard doordat het UWV in 2017 incidenteel ESF-gelden heeft ontvangen voor oude projecten (€ 36 miljoen). Daarnaast is in 2016 een deel van het re-integratiebudget 2017 (€ 45 miljoen) aan het UWV betaald. In 2018 zijn met het re-integratiebudget 10.202 re-integratietrajecten en 25.379 werkvoorzieningen ingekocht voor de Wajong-doelgroep. In 2017 waren dit er respectievelijk 11.694 en 26.968. De in 2018 ingekochte trajecten komen in verband met de looptijd van deze trajecten ten laste van het re-integratiebudget 2018, 2019 en 2020.

C. Ontvangsten

De ontvangsten betreffen een terugbetaling van het UWV aan te veel ontvangen middelen in 2017. Het voorschot dat in 2017 aan het UWV is overgemaakt met betrekking tot de Wajong en re-integratie Wajong bleek achteraf circa € 26 miljoen hoger te zijn dan de uitgaven van het UWV in dat jaar. Dit bedrag is in 2018 terugbetaald.

5. Werkloosheid

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk loonvervangend inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomensverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Het actieplan perspectief voor 50-plussers is erop gericht de arbeidsmarktpositie van 50-plussers te verbeteren en het risico op (langdurige) werkloosheid te beperken. Werklozen die bij instroom in de WW 60 jaar of ouder zijn, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW).

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • Het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

Beleidsconclusies

De wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen per 1 juli 2015 heeft geleid tot nadelige inkomensgevolgen voor WW-gerechtigden. Per 1 december 2016 zijn deze inkomensgevolgen gerepareerd. In 2017 is reeds een wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen gerealiseerd, waardoor het dagloon hoger uitkomt voor starters, herintreders, flexwerkers en werknemers die twee jaar ziek zijn geweest en aansluitend een beroep doen op de WW. De betaling van de eenmalige tegemoetkoming aan deze groepen is door het UWV uitgevoerd. Verder is het Dagloonbesluit met ingang van 1 januari 2018 ook aangepast voor de zogenoemde herlevers. Aan de herlevers (die hiervoor in aanmerking kwamen) is in 2018 tevens voor de tussenliggende periode een eenmalige tegemoetkoming verstrekt.

Ook is er gewerkt aan reparatie van het Dagloonbesluit voor WW-gerechtigden die wegens ziekte minder loon hebben ontvangen van hun werkgever in de dagloonreferteperiode of die een ZW-uitkering van minder dan 100% (van het ZW-dagloon) hebben ontvangen. Deze wijziging is medio 2018 gepubliceerd. Ook deze groep WW-gerechtigden kon in aanmerking komen voor een eenmalige tegemoetkoming. Het UWV heeft daartoe vanaf januari 2018 een registratiesysteem op zijn website opengesteld. De informatie over aantal betalingen van de tegemoetkoming en het gemiddelde bedrag volgt in de reguliere verantwoordingsrapportage van het UWV.

Conversie naar nieuwe Wwz-systematiek

Het Besluit eindconversie WW is eind november 2017 gepubliceerd. In dit besluit is opgenomen op welke manier de oude WW-uitkeringen, die toegekend zijn op grond van de WW zoals die luidde voor 1 juli 2015, worden omgezet naar de nieuwe Wwz-systematiek. Met de Wwz is inkomensverrekening ingevoerd, wat in de plaats kwam van een systeem van urenverrekening. In het besluit is onder andere bepaald dat vanaf 1 april 2018 oude WW-rechten die herleven, direct worden omgezet naar een WW-recht op grond van de systematiek zoals die vanaf 1 juli 2015 geldt. Deze eerste fase is zonder problemen verlopen. Vanaf 1 oktober 2018 zijn alle WW-uitkeringen op grond van de oude WW-systematiek omgezet naar de nieuwe WWZ-systematiek. Hiermee heeft het UWV ongeveer 2.500 WW-uitkeringen omgezet naar de nieuwe uitkeringssystematiek.

Actieplan Perspectief voor vijftigplussers

Het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» is erop gericht de arbeidsmarktpositie van vijftigplussers te verbeteren en het risico op (langdurige) werkloosheid te beperken.

De activiteiten uit het actieplan zijn in 2017 gestart en in 2018 voortgezet. Het gaat daarbij om activiteiten zoals de intensieve dienstverlening, werkgeversdienstverlening, betere matching en het creëren van ontmoetingen tussen werkgevers en werkzoekenden. De no-riskpolis ouderen (artikel 29d Ziektewet) is per 1 januari 2018 tijdelijk verlaagd naar 56 jaar en ouder.

In 2018 zijn ruim 1.200 ontwikkeladviezen verstrekt. Dit is minder dan vooraf is ingeschat, onder andere doordat het lastig is om oudere werknemers deel te laten nemen in trajecten gericht op ontwikkeling en door onbekendheid met het instrument. De subsidieregeling loopt in 2019 door en inmiddels is de doelgroep vergroot tot alle 45-plussers.

In het kader van het actieplan is subsidie gegeven aan AWVN, FNV en CNV voor het versterken van de duurzame inzetbaarheid in sectoren en bedrijven, waarbij een vraagbaak is ingesteld voor werkgevers met vragen over hoe zij mensen tot de AOW-gerechtigde leeftijd gezond, geschoold en mobiel kunnen krijgen en houden.

De innovatieve projecten in het kader subsidieregeling «Meer werk voor vijftigplussers» werden opgezet en uitgevoerd. Begin 2019 worden de projecten afgerond en geëvalueerd. Daarnaast zijn in het kader van de Ambachtsacademie 75 werkloze vijftigplussers gestart met de scholing naar de ambachten.

De campagne om vooroordelen over de werkloze vijftigplussers bij werkgevers weg te nemen en werkgevers en werknemers te stimuleren om te blijven investeren in de inzetbaarheid, is voortgezet.

Scholing

Sinds 1 juli 2018 is er een tijdelijk scholingsbudget voor WW-gerechtigden. Hiermee kunnen werkzoekenden met hoge kans op langdurige werkloosheid worden ondersteund bij het vinden van werk. Het gebruik van het scholingsbudget is in 2018 achtergebleven bij de verwachting. In totaal is 22% van het voor 2018 beschikbare budget uitgeput.

Alhoewel de achterblijvende uitputting deels te verklaren is door opstartproblemen, nemen SZW en het UWV gezamenlijk maatregelen om de uitputting voor 2019 en 2020 te bevorderen. Naast het intern promoten van de beschikbaarheid van de regeling onder adviseurs zullen de voorwaarden van de regeling verruimd worden zoals toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling van SZW op 28 en 29 november 2018. Zo zal de maximale duur van de scholing verhoogd worden van 1 naar 2 jaar, en zal het maximale toekenningsbedrag verruimd worden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.5.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

25.483

42.028

57.069

173.025

104.008

152.392

– 48.384

Uitgaven

25.483

42.028

56.986

166.729

108.108

156.490

– 48.382

               

Inkomensoverdrachten

20.483

29.428

40.297

157.961

98.120

137.742

– 39.622

IOW

20.480

29.403

40.280

65.037

69.600

67.640

1.960

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

3

25

17

24

20

102

– 82

Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit

0

0

0

92.900

28.500

70.000

– 41.500

               

Subsidies

5.000

12.600

16.189

7.506

4.947

18.098

– 13.151

               

Opdrachten

0

0

500

1.262

1.041

650

391

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

0

0

4.000

0

4.000

Scholing WW

0

0

0

0

4.000

0

4.000

               

Ontvangsten

627

2.961

0

1.171

3.398

0

3.398

Tabel 4.5.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil

Uitgaven

7.146.648

6.546.924

5.863.820

5.139.206

4.402.744

4.379.249

23.495

               

Inkomensoverdrachten

7.145.866

6.546.924

5.863.820

5.139.206

4.402.744

4.230.968

171.776

WW

7.145.866

6.546.924

5.863.820

5.139.206

4.402.744

4.230.968

171.776

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

782

0

0

0

0

0

0

Re-integratie WW

782

0

0

0

0

0

0

               

Nominaal

0

0

0

0

0

148.281

– 148.281

               

Ontvangsten

377.000

379.000

386.000

329.026

301.000

323.891

– 22.891

UFO

377.000

379.000

386.000

329.026

301.000

312.150

– 11.150

Nominaal

0

0

0

0

0

11.741

– 11.741

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsongeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW. De IOW is een tijdelijke regeling. In het regeerakkoord is afgesproken om de IOW met vier jaar te verlengen. Daarbij zal de IOW worden aangepast door de leeftijdsgrens te laten meestijgen met de AOW-leeftijd. De IOW wordt uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De IOW is vrijwel op het begrote bedrag uitgekomen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het volume van de IOW is licht lager uitgekomen dan ten tijde van de begroting geraamd.

Tabel 4.5.3 Kerncijfers IOW1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

1,8

2,5

3,6

5,0

5,7

5,8

– 0,1

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

A2. Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Cessantiawet Caribisch Nederland zijn lager dan begroot. Bij de uitgaven aan deze regeling kunnen tussen de jaren grote verschillen bestaan, afhankelijk van het aantal bedrijven dat failliet is gegaan en het aantal betrokken werknemers.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.5.4 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

0

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A3. Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit

Sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid kan het dagloon voor enkele groepen WW-gerechtigden lager uitkomen. Dit betrof in eerste instantie starters, herintreders, flexwerkers en werknemers die twee jaar ziek zijn geweest en aansluitend een beroep doen op de WW (1e tranche). Per 1 december 2016 is het Dagloonbesluit aangepast met voor deze groepen een dagloonverhogend effect. Over de tussenliggende periode kunnen betrokkenen in aanmerking komen voor een eenmalige tegemoetkoming. Het UWV voert deze overgangsregeling uit vanaf 1 april 2017. Daarnaast is er een groep van zogenoemde herlevers (2e tranche). Aan de herlevers die hiervoor in aanmerking kwamen is in 2018 voor de tussenliggende periode een eenmalige tegemoetkoming verstrekt. Tot slot is er een groep WW-gerechtigden die wegens ziekte minder loon hebben ontvangen van hun werkgever in de dagloonreferteperiode of die een ZW-uitkering van minder dan 100% (van het ZW-dagloon) hebben ontvangen (3e tranche). Ook voor deze groep is er – voor zover zij ervoor in aanmerking kwamen – in 2018 een eenmalige tegemoetkoming verstrekt.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit komen € 41,5 miljoen lager uit dan ten tijde van de begroting werd verwacht. De omvang van de doelgroep was ten tijde van het opstellen van de begroting zeer onzeker. Uit de realisatiecijfers blijkt dat het aantal mensen dat gebruik heeft gemaakt van de regeling lager ligt dan verwacht, uiteindelijk 12.000 in plaats van de verwachte 20.000.

Beleidsrelevante kerncijfers

De omvang van de doelgroep was ten tijde van het opstellen van de begroting zeer onzeker. Uiteindelijk kwamen veel minder mensen in aanmerking voor compensatie dan verwacht.

Tabel 4.5.5 Kerncijfers Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit (x 1.000 personen)1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 20183

Verschil 2018

Volume Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit (x 1.000 personen)

80,4

11,6

20

– 8,4

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Aantal voor tranche 2.

X Noot
3

Het deel van de raming dat betrekking heeft op tranche 2.

A4. Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. De WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur wordt vanaf 2016 stapsgewijs – één maand per kwartaal – teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden. Bovendien wordt de opbouw van WW-rechten vanaf 2016 aangepast. De maximale duur is daarbij afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer vanaf 2016 met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. De WW wordt uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WW komen € 172 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 148 miljoen, in tabel 4.5.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 23 miljoen hoger dan begroot. Dit wordt met name veroorzaakt doordat de gemiddelde jaaruitkering hoger is uitgevallen dan geraamd. Dit prijseffect is groter dan het effect van een lager gerealiseerd aantal uitkeringen dat bij het opstellen van de begroting werd verwacht. Hierdoor vallen de totale uitkeringslasten per saldo hoger uit dan verwacht.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.5.6 toont de belangrijkste kerncijfers voor de WW. Het aantal nieuwe uitkeringen is lager uitgekomen dan bij de opstelling van de begroting 2018 werd verwacht. De uitstroom valt juist hoger uit dan verwacht. De combinatie van deze ontwikkelingen leidt ertoe dat het WW-volume eind 2018 en het volume in uitkeringsjaren lager zijn uitgevallen dan werd geraamd.

Tabel 4.5.6 Kerncijfers WW1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

364

339

333

291

241

251

– 10

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

441

446

412

330

263

298

– 35

Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1.000)

605

584

491

390

332

347

– 15

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

602

579

525

472

378

385

– 7

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie tonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren, met een hoge kennis van de verplichtingen. De kerncijfers op het gebied van opsporing tonen een sterke daling in vergelijking met voorgaande jaren, aangezien het aantal overtredingen en het benadelingsbedrag is afgenomen. Dit is enerzijds het gevolg van het dalend aantal WW-uitkeringen. Anderzijds is dit veroorzaakt doordat er sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid al bij de uitkeringsverstrekking rekening wordt gehouden met de inkomsten van een WW-gerechtigde, door de inkomstenopgave te vergelijken met de informatie uit de polisadministratie.

Wat betreft de incassoratio’s is een trendbreuk zichtbaar. De methodiek voor de bepaling van de incassoratio is vanaf 2018 verbeterd en is nu gebaseerd op de complete set aan gegevens, waar voorheen de berekening werd gemaakt op basis van een representatieve steekproef.

In 2018 is fraude met de WW-uitkeringen uitgebreid voor het voetlicht geweest. In de bedrijfvoeringsparagraaf wordt hierop ingegaan.

Tabel 4.5.7 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

         

Gepercipieerde detectiekans (%)

84

84

81

79

78

Kennis van de verplichtingen (%)

94

97

96

97

96

           

Opsporing2

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

46

28

14

10

1,0

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

63

40

22

21

5,5

           

Terugvordering2

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

56

65

71

76

78

Incassoratio cohort 2014 (%)

23

49

60

68

68

Incassoratio cohort 2015 (%)

3

34

59

69

70

Incassoratio cohort 2016 (%)

3

3

29

52

63

Incassoratio cohort 2017 (%)

3

3

3

28

55

Incassoratio cohort 2018 (%)

3

3

3

3

30

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

B. Subsidies

Voor subsidieregelingen vanuit het actieplan Perspectief voor vijftigplussers is in 2018 circa € 18 miljoen beschikbaar gesteld: ruim € 15 miljoen voor de subsidieregeling voor het ontwikkeladvies, training voor leidinggevenden en een centraal aanspreekpunt, € 2 miljoen voor experimenten om kansen bij werkgevers te benutten en € 1 miljoen om de Ambachtsacademie te ondersteunen.

De uitgaven aan het ontwikkeladvies zijn circa € 13 miljoen lager uitgekomen dan begroot (€ 15 miljoen). Ten eerste is bij Voorjaarsnota 2018 circa € 1 miljoen van het budget vrijgemaakt voor uitvoeringskosten van het ontwikkeladvies. Omdat het gebruik van het ontwikkeladvies in 2018 lager was dan verwacht, is bij de Begroting 2019 ruim € 9 miljoen doorgeschoven naar 2019. In de tussentijd zijn maatregelen genomen om de bekendheid te vergroten. Ondanks deze maatregelen is het gebruik van de regeling lager uitgevallen dan verwacht (€ 3 miljoen).

C. Opdrachten

Dit betreft uitgaven voor de evaluatie en de campagne van het actieplan Perspectief voor vijftigplussers. Er is in 2018 meer ingezet op campagne, waardoor € 0,4 miljoen meer is uitgegeven dan eerder begroot (€ 0,6 miljoen).

D. Bijdrage aan ZBO's/RWT's

In de begroting 2018 was er niets begroot voor de bijdrages aan ZBO’s/RWT’s, maar bij de 1e suppletoire begroting is € 4 miljoen aan middelen voor scholing WW toegevoegd.

E. Ontvangsten

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. Het UWV verhaalt de uitkeringslasten op overheidswerkgevers. Deze lasten staan als ontvangsten op dit artikel van de begroting. De realisatie van de ontvangsten is € 6 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 12 miljoen, in tabel 4.5.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 18 miljoen lager dan begroot.

Daarnaast lagen de bedragen die in 2017 aan het UWV zijn bevoorschot voor de compensatieregeling dagloonbesluit en de IOW, hoger dan de gerealiseerde bedragen. Dit heeft in 2018 geleid tot een terugontvangst van € 3,2 miljoen bij de compensatieregeling dagloonbesluit en een terugontvangst van € 0,2 miljoen bij de IOW.

6. Ziekte en zwangerschap

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap.

De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.

Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering.

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door het UWV en de SVB;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Wet invoering extra geboorteverlof (WIEG)

Beleidsconclusies

Het oorspronkelijke wetsvoorstel uitbreiding kraamverlof, is door de Tweede Kamer in 2017 controversieel verklaard. Het huidige kabinet heeft het wetsvoorstel ingetrokken en gewerkt aan een nieuwe wet met een verdergaande verlenging van het verlof voor partners. Deze wet, de Wet invoering Extra Geboorteverlof (WIEG), is in het najaar van 2018 aangenomen door het parlement en regelt 6 weken geboorteverlof voor partners na de geboorte van hun kind. Verder gaat met deze wet het adoptie- en pleegzorgverlof voor ouders van vier naar zes weken.

Aanpassing transitievergoeding

De Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid is in de zomer van 2018 aangenomen door het parlement, nadat deze eerder in 2017 controversieel werd verklaard door de Tweede Kamer. De beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2019 is echter niet gehaald. Per 1 april 2020 worden werkgevers gecompenseerd voor verstrekte transitievergoedingen aan werknemers van wie de dienstbetrekking is geëindigd na langdurige arbeidsongeschiktheid. De compensatieregeling kent terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. UWV is reeds gestart met de implementatie van de compensatieregeling.

Ziekteverzekering BES uitgebreid

De Wet Ziekteverzekering BES is aangepast. Per 1 januari 2018 is de loondervingsvergoeding gedurende het wettelijk zwangerschaps- en bevallingsverlof omgezet naar een (gemaximeerde) 100% vergoeding.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.6.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

6.430

7.581

6.246

7.578

7.904

8.618

– 714

Uitgaven

6.430

7.581

6.246

7.578

7.904

8.618

– 714

               

Inkomensoverdrachten

6.430

7.581

6.246

7.578

7.904

8.618

– 714

TAS

3.900

4.368

3.830

4.508

4.716

4.702

14

Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)

2.530

3.213

2.416

3.070

3.188

3.916

– 728

               

Ontvangsten

836

0

429

0

0

0

0

Tabel 4.6.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil

Uitgaven

2.687.920

2.575.582

2.625.808

2.682.956

2.806.325

2.813.818

– 7.493

               

Inkomensoverdrachten

2.687.920

2.575.582

2.625.808

2.682.956

2.806.325

2.717.956

88.369

ZW

1.525.377

1.483.923

1.498.216

1.545.151

1.627.534

1.543.020

84.514

ZW eigen-risicodragers

54.307

0

0

0

0

0

0

WAZO

1.108.236

1.091.659

1.127.592

1.137.805

1.178.791

1.174.936

3.855

               

Nominaal

0

0

0

0

0

95.862

– 95.862

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van blootstelling aan asbest kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. Indien zij de ziekte maligne mesothelioom of asbestose hebben gekregen door te werken met asbest (in dienst van een werkgever) of maligne mesothelioom hebben opgelopen via werkkleding van een huisgenoot, dan is de (voormalige) werkgever hiervoor aansprakelijk en kunnen zij een schadevergoeding bij de werkgever eisen. Dit kan echter lang duren. Tegelijkertijd is de levensverwachting van mensen met de ziekte maligne mesothelioom vaak erg laag. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden in de vorm van een tegemoetkoming. Deze wordt vaak uitgekeerd in de vorm van een voorschot. Als de (voormalige) werkgever later alsnog een schadevergoeding betaalt, wordt de tegemoetkoming hiermee verrekend. De TAS wordt uitgevoerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de TAS-uitkering in 2018 zijn conform de prognose die in de begroting is opgenomen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal toekenningen van de TAS is in 2018 conform prognose uitgekomen.

Tabel 4.6.3 Kerncijfers TAS1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0

 

waarvan toekenning i.v.m. maligne mesothelioom

0,3

0,3

0,3

0,3

0,4

0,4

0

 

waarvan toekenning i.v.m. asbestose

<0,1

0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

0

                 

Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)

0,1

0,2

0,2

0,1

0,2

0,2

0

Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)

85

86

85

85

85

2

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Dit cijfer wordt niet geraamd.

A2. Ziekteverzekering (ZV) (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het loon van de werknemer.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Ziekteverzekering in Caribisch Nederland zijn ongeveer € 0,7 miljoen lager dan begroot. De lagere realisatie is een gevolg van een gunstigere koers van de euro ten opzichte van de dollar en een lager beroep op de regeling dan waar rekening mee was gehouden bij de begroting 2018.

Beleidsrelevante kerncijfers

Door de verhoging van de gerechtigde leeftijd van de Algemene Ouderdomsverzekering lopen de uitkeringen van de ZV langer door. Hierdoor neemt het volume van de ZV de komende jaren in enige mate toe.

Tabel 4.6.4 Kerncijfers Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie 20142

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20183

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume Ziekteverzekering CN (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)

65

56

61

63

71

– 8

X Noot
1

SZW-unit RCN.

X Noot
2

Dit cijfer is niet bekend.

X Noot
3

Gecorrigeerd cijfer op basis van berekening SZW.

A3. Ziektewet (ZW)

De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben die in geval van ziekte loon moet doorbetalen. De ZW bevat minimumnormen voor re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever, namelijk werknemers die tijdelijk ongeschikt zijn voor het verrichten van hun werk (wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en orgaandonatie) en werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat hij moet doorbetalen. De ZW wordt uitgevoerd door het UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager te zijn voor de ZW-uitkeringslasten.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten ZW komen € 85 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 55 miljoen, in tabel 4.6.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 29 miljoen hoger dan begroot.

Het aantal mensen dat beroep doet op de ZW is in 2018 hoger uitgekomen dan waar ten tijde van de begroting rekening mee werd gehouden (circa € 68 miljoen). Dit wordt voor het grootste gedeelte veroorzaakt door een hoger aantal flexkrachten in de ZW. Het aantal zieke werklozen valt daarentegen lager uit dan verwacht. Daarnaast zijn er meer bedrijven eigenrisicodrager geworden dan werd verondersteld en zijn er daarom minder ZW-verzekerden bij het UWV (circa € 8 miljoen lager). De gemiddelde jaaruitkering van mensen in de ZW is minder hard toegenomen dan de geraamde loon- en prijsbestelling (circa € 24 miljoen lager). Anderzijds waren er ontvangsten uit het verhaal op uitkeringen en boetes en vallen daarmee de totale uitkeringslasten lager uit (circa € 15 miljoen lager).

Beleidsrelevante kerncijfers

Het gemiddelde aantal ZW-uitkeringen is ongeveer 4.200 hoger uitgekomen dan verwacht. Dit verschil wordt vooral verklaard door een hoger aantal eindedienstverbanders.

Tabel 4.6.5 Kerncijfers ZW1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume ZW (x 1.000 uitkeringen, gemiddelde)

92

88

873

90

95

90

5

Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

203

204

2363

252

283

4

Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)

270

277

2853

300

322

4

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers.

X Noot
3

Dit cijfer is bijgesteld op basis van een verbeterde rekenmethode.

X Noot
4

Dit cijfer wordt niet geraamd.

Handhaving

De kengetallen op het gebied van handhaving vertonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren. De methodiek voor de bepaling van de incassoratio is vanaf 2018 verbeterd en is nu gebaseerd op de complete set aan gegevens, waar voorheen de berekening werd gemaakt op basis van een representatieve steekproef. Hierdoor loopt de incassoratio voor vorderingen ontstaan in 2013 en 2014 terug ten opzichte van het voorgaande jaar.

Tabel 4.6.6 Kerncijfers ZW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

         

Gepercipieerde detectiekans (%)

79

81

76

80

77

Kennis van de verplichtingen (%)

94

94

93

95

93

           

Opsporing2

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,3

0,8

1,1

2,8

2,63

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

3,5

2,3

3,0

3,4

2,93

           

Terugvordering2

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

49

58

68

76

70

Incassoratio cohort 2014 (%)

11

38

49

56

54

Incassoratio cohort 2015 (%)

4

26

44

51

56

Incassoratio cohort 2016 (%)

4

4

25

41

56

Incassoratio cohort 2017 (%)

4

4

4

24

48

Incassoratio cohort 2018 (%)

4

4

4

4

24

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

UWV, jaarverslag.

X Noot
3

Betreft voorlopige cijfers.

X Noot
4

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A4. Wet arbeid en zorg (WAZO)

De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Soms bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering (zwangerschaps- en bevallingsuitkering en adoptie- en pleegzorguitkering). Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door het UWV.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten WAZO komen nagenoeg overeen met begroting 2018. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 41 miljoen, in tabel 4.6.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie circa € 38 miljoen lager dan begroot. Het aantal toekenningen is circa 4.000 lager dan waar bij de begroting 2018 vanuit is gegaan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal toekenningen voor zwangerschaps- en bevallingsverlof is in 2018 4.000 lager dan bij begroting was verwacht.

Tabel 4.6.7 Kerncijfers WAZO1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Totaal aantal toekenningen zwangerschap- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000 uitkeringen)

140

137

140

134

1402

144

– 4

Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)

130

128

129

124

1292

133

– 4

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

9,8

9,8

10,5

10,4

11,42

11,0

0,4

X Noot
1

UWV, jaarverslag.

X Noot
2

SZW, berekening.

7. Kinderopvang

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren en kinderen goed toegerust zijn op het primair onderwijs. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.

Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten ter verbetering van de kwaliteit van kinderopvang. Dit om ervoor te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen sturen die van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de bevordering van de kwaliteit van kinderopvang. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • Het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag, de doeltreffendheid en doelmatigheid, en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;

  • Het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang;

  • Het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;

  • Het bevorderen van de kwaliteit van de kinderopvang.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT door de Belastingdienst.

DUO uitvoerder personenregister

Beleidsconclusies

DUO is aangewezen als uitvoerder voor de realisatie en invoering van het personenregister (een register waarin alle werknemers, vrijwilligers, zelfstandigen, uitzendkrachten, stagiaires in de kinderopvang en personen die structureel aanwezig zijn op de opvanglocatie, worden geregistreerd). Per 1 juli 2018 heeft DUO het volledige beheer over het personenregister.

Financiering werkende ouders geharmoniseerd

Op 1 januari 2018 is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk ingegaan. Sinds die tijd kunnen ouders die werken en hun kind naar een voormalige peuterspeelzaal brengen, kinderopvangtoeslag aanvragen. Bijna alle gemeenten hebben hun beleid hierop aangepast. Begin 2018 waren er 7 gemeenten die hun beleid nog niet hadden aangepast (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 322, nr. 372).

Wetsvoorstel Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang

Op 1 januari 2018 is de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK) in werking getreden. De Wet IKK verbetert de kwaliteit en de toegankelijkheid van de kinderopvang. De nieuwe kwaliteitseisen zijn opgedeeld in vier thema’s: de ontwikkeling van het kind centraal, veiligheid en gezondheid, stabiliteit en pedagogisch maatwerk, en kinderopvang is een vak. Een deel van de aangescherpte kwaliteitseisen is per 1 januari 2018 ingegaan. Aanpassingen in de beroepskracht-kindratio en de introductie van de pedagogisch beleidsmedewerker zijn per 1 januari 2019 in werking getreden. De gefaseerde invoering van de verschillende kwaliteitsverhogende IKK-maatregelen is vertaald in een evenredige aanpassing van de maximum uurprijzen. Het uitgangspunt hiervan is dat de sector in staat gesteld wordt de aangepaste kwaliteitseisen vanuit de eigen bekostiging te financieren. Per 1 januari 2018 is de maximum uurprijs voor de dagopvang en buitenschoolse opvang verhoogd, naast de indexatie van de maximum uurprijs in verband met de loon- en prijsontwikkeling.

Kinderopvangondernemers, gemeenten, GGD’s, ouders en SZW hebben zich in 2018 ingezet voor een goede implementatie van de Wet IKK. Momenteel vindt er een monitor plaats naar implementatie van de eisen die per 1 januari 2018 zijn ingegaan. De resultaten worden in de loop van 2019 verwacht. Ook de uurtarieven worden gemonitord en de Kamer wordt hierover in mei geïnformeerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 31 322 nr. 389).

Wetsvoorstel directe financiering kinderopvang

Op 25 april 2018 heeft de Staatssecretaris van SZW de Tweede Kamer geïnformeerd (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 222 nr. 361) dat het kabinet de problematiek van de hoge terugvorderingen bij de kinderopvangtoeslag gaat aanpakken door verbeteringen binnen het huidige stelsel van de kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst door te voeren. Een belangrijk element dat in de afweging heeft meegespeeld, is dat voor een zorgvuldige overgang de gehele keten gereed moet zijn. De overgang naar een nieuwe financiering vraagt veel van kinderopvangorganisaties, ook door de benodigde aanpassingen in hun administratie en automatisering. Het wetsvoorstel Wet nieuw financieringsstelsel kinderopvang (directe financiering) is in september 2018 ingetrokken.

Verhoging kinderopvangtoeslag

In 2018 is het besluit aan de Tweede Kamer aangeboden waarmee het budget voor de kinderopvangtoeslag vanaf 2019 structureel is verhoogd met € 248 miljoen (Stb. 2018, nr. 327). Bijna alle ouders krijgen een hogere toeslag, waardoor de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de kinderopvang verbetert. Hiermee wordt het voor ouders van jonge kinderen aantrekkelijker om te gaan en te blijven werken.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.7.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 7 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

2.192.340

2.118.056

2.410.340

2.610.668

2.955.372

2.853.198

102.174

Uitgaven

2.188.829

2.120.773

2.406.838

2.610.681

2.958.302

2.853.198

105.104

               

Inkomensoverdrachten

2.175.037

2.101.032

2.385.422

2.585.976

2.933.211

2.815.688

117.523

Kinderopvangtoeslag

2.175.037

2.101.032

2.385.422

2.585.976

2.933.211

2.815.688

117.523

               

Subsidies

4.150

5.560

4.879

5.624

4.812

5.106

– 294

               

Opdrachten

4.200

2.606

3.580

4.563

4.508

1.539

2.969

               

Bijdragen aan agentschappen

5.442

11.575

12.957

14.518

15.771

30.865

– 15.094

DUO

5.442

9.099

12.373

14.415

15.559

30.610

– 15.051

Justis

0

307

256

103

212

255

– 43

Centraal informatiepunt beroepen gezondheidszorg

0

2.169

328

0

0

0

0

               

Ontvangsten

1.503.008

1.539.131

1.490.499

1.464.185

1.510.526

1.548.224

– 37.698

Werkgeversbijdrage kinderopvang

1.053.309

1.082.043

1.111.430

1.150.719

1.203.577

1.195.862

7.715

Restituties en overige ontvangsten

449.699

457.088

379.069

313.466

306.949

352.362

– 45.413

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

Kinderopvangtoeslag (KOT)

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en daarom geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De KOT wordt uitgevoerd door Belastingdienst/Toeslagen. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan kinderopvangtoeslag (KOT) zijn in 2018 € 118 miljoen hoger uitgekomen dan in de begroting 2018 werd verwacht. In de begroting was nog gerekend in prijzen 2017. Indien rekening wordt gehouden met deze loon- en prijsbijstelling is de realisatie € 40 miljoen hoger dan begroot.

Dit bedrag is het gevolg van verschillende ontwikkelingen. Het gebruik van kinderopvang is in 2018 hoger uitgekomen dan verwacht. Het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag was hoger dan verwacht. Het aantal uren per kind kwam licht hoger uit. Het hoger dan verwachte gebruik leidt tot ruim € 115 miljoen meer uitgaven. De KOT kent een voorschotsystematiek: ouders ontvangen een voorlopig bedrag KOT. Dit bedrag is gemiddeld genomen (iets) te hoog, waardoor er na afloop van het jaar (bij het definitief vaststellen van de hoogte van de KOT) een terugvordering volgt. Naar verwachting sluiten in 2018 voorschot en definitieve toekenning beter bij elkaar aan; dit leidt tot ruim € 40 miljoen lagere kasuitgaven in 2018. Daarnaast zijn de nabetalingen over eerdere toeslagjaren in 2018 circa € 50 miljoen lager dan in de begroting was voorzien. Het resterende verschil (circa € 15 miljoen) wordt verklaard door overige posten.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal huishoudens is bijna 7% en het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag ruim 5% hoger uitgekomen dan in de begroting 2018 was geraamd (de raming was nog exclusief harmonisatie). Het aantal uren per kind is licht hoger dan verwacht. Het hogere gebruik wordt deels veroorzaakt doordat de conjunctuur zich in 2018 gunstiger heeft ontwikkeld dan verwacht. Daarnaast hebben ouders waarschijnlijk sterker gereageerd op de intensivering van de kinderopvangtoeslag in 2017 (gedragseffecten), waardoor het gebruik in 2018 meer is toegenomen dan was voorzien.

Tabel 4.7.2 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)1 , 2
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000)

406

415

444

483

528

494

34

               

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000)

             

0–12 jaar

621

631

672

728

790

749

41

waarvan 0–4 jaar

298

299

317

343

376

351

25

waarvan 4–12 jaar

323

332

355

385

414

397

17

               

Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)

             

0–12 jaar

28

29

31

33

36

34

2

0–4 jaar

42

43

46

49

54

50

4

4–12 jaar

21

22

24

26

28

27

1

               

Aantal uren per kind per maand

             

0–12 jaar

59,3

57,3

56,9

57,5

57,8

57,6

0,2

0–4 jaar

82,7

80,1

79,4

80,2

80,3

80,5

– 0,2

4–12 jaar

37,6

36,6

36,7

37,3

37,5

37,4

0,1

               

Gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen (aantal kinderen met kinderopvangtoeslag x 1.000)

             

Tot 130% Wml

62

61

65

69

72

68

4

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

160

160

167

179

188

181

7

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

309

317

340

371

414

389

25

3 x modaal en hoger

90

93

102

110

116

111

5

               

Aantal uren per kind met kinderopvangtoeslag

             

Tot 130% Wml

72

70

69

72

74

73

1

130% Wml tot 1 1/2 x modaal

56

54

53

54

55

54

1

1 1/2 x modaal tot 3 x modaal

57

55

54

54

54

55

– 1

3 x modaal en hoger

65

64

64

64

65

64

1

X Noot
1

SZW, berekening op basis van informatie van CBS en Belastingdienst.

X Noot
2

De cijfers van 2018 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers, die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik. Voor 2017 is het merendeel van de beschikkingen definitief vastgesteld. Voor 2016 en eerdere jaren zijn vrijwel alle beschikkingen en onderliggende gegevens definitief.

Tabel 4.7.3 Kerncijfers kinderopvangbijdragen sectoren en ouders1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Bijdragen sectoren (in %):

             

Collectief

63

62

67

70

69

69

0

Waarvan Overheid

24

21

30

35

38

35

3

Waarvan Werkgevers

38

41

37

35

31

34

– 3

Ouders

37

38

33

31

31

31

0

               

Gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen

(in €)2 , 3

             

Dagopvang

6,71

6,87

6,99

7,18

7,40

7,40

0

Buitenschoolse opvang

6,61

6,74

6,84

6,99

7,15

7,18

– 0,03

Gastouderopvang

5,49

5,63

5,68

5,83

5,90

5,91

– 0,01

               

Wettelijke maximum uurprijs (in €):

             

Dagopvang

6,70

6,84

6,89

7,18

7,45

7,45

0

Buitenschoolse opvang

6,25

6,38

6,42

6,69

6,95

6,95

0

Gastouderopvang

5,37

5,48

5,52

5,75

5,91

5,91

0

               

Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen4:

             

130% Wml

0,94

0,96

0,56

0,45

0,46

0,46

0

1 1/2 x modaal

2,11

2,15

1,77

1,70

1,77

1,77

0

3 x modaal

5,25

5,36

5,00

4,79

4,97

4,97

0

               

Ouderbijdrage volgend kind in € per uur voor gezinsinkomen4:

             

130% Wml

0,48

0,49

0,41

0,37

0,38

0,38

0

1 1/2 x modaal

0,82

0,84

0,45

0,47

0,48

0,48

0

3 x modaal

1,50

1,53

1,14

1,19

1,24

1,24

0

X Noot
1

SZW, berekening op basis van informatie van Belastingdienst.

X Noot
2

De cijfers over de gemiddelde uurprijs zijn gebaseerd op de uurprijzen die ouders aan de Belastingdienst/Toeslagen doorgeven. Deze kunnen afwijken van de door de ouders werkelijk betaalde uurprijzen.

X Noot
3

Het betreft de gemiddelde uurprijzen, waarbij gewogen is naar gebruik. Ter illustratie: de uurprijs van gebruikers die 60 opvanguren afnemen weegt drie keer zo zwaar mee bij bepaling van het gemiddelde als de uurprijs van gebruikers die 20 opvanguren afnemen.

X Noot
4

Kosten van kinderopvang per uur voor ouders, gegeven de maximum uurprijs en de toeslag die ouders ontvangen.

B. Subsidies

De uitgaven aan subsidies zijn € 0,3 miljoen lager dan begroot, door vertraging bij de vaststelling en toekenning op enkele subsidieprojecten. Het grootste deel van het subsidiebudget is uitgegeven aan de subsidieregeling Versterking Taal- en Interactievaardigheden Beroepskrachten en Gastouders in de Kinderopvang (circa € 2,9 miljoen).

C. Opdrachten

De uitgaven aan opdrachten zijn € 3 miljoen hoger dan begroot, doordat het eerder gereserveerde budget ontoereikend was voor de kosten van onderzoek en toezicht. Het budget voor opdrachten is voornamelijk besteed aan kosten voor toezicht door de GGD GHOR in 2018 (circa € 1,9 miljoen) en aan beleidsonderzoeken.

D. Bijdragen aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen zijn € 15 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Dit is voornamelijk het gevolg van het besluit van de Staatssecretaris om te stoppen met de voorbereiding op Directe Financiering. Aan de kosten voor de ontwikkeling van Directe Financiering is in 2018 circa € 8 miljoen uitgegeven. Daarnaast is er een reguliere bijdrage aan DUO voor de uitvoering van het Landelijk Register Kinderopvang en het Personenregister Kinderopvang.

E. Ontvangsten

De restituties en overige ontvangsten zijn € 45 miljoen lager uitgekomen dan verwacht. De ontvangsten uit terugvorderingen kinderopvangtoeslag in 2018 circa € 70 miljoen lager uitgekomen dan in de begroting 2018 was voorzien. Dit hangt vooral samen met minder terugontvangsten over toeslagjaren 2014 en 2017. Daarnaast is een tijdelijke subsidie uit 2004 aan het Waarborgfonds kinderopvang definitief vastgesteld. Een bedrag van ruim € 25 miljoen aan tijdelijk ter beschikking gesteld kapitaal is in 2018 terugbetaald ten gunste van de ontvangsten op artikel 7 (kinderopvang) van de begroting SZW.

De ontvangsten werkgeversbijdrage zijn vrijwel gelijk aan het niveau dat bij begroting 2018 werd verwacht.

8. Oudedagsvoorziening

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt een basisinkomen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

De overheid vindt dat iedere gepensioneerde minimaal een basisinkomen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Momenteel bouwt ruim 87% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door verplichte deelname aan pensioenregelingen die vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers meestal beheren. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen facultatief individuele pensioenproducten afsluiten.

De overheid biedt onder voorwaarden een inkomensondersteuning aan AOW-gerechtigden en biedt een overbruggingsuitkering aan mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV). Tevens kent de AOV een partnertoeslag.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen en de aanvullende arbeidspensioenen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • De vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspensioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het pensioenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Aangekondigde beleidswijzigingen

Beleidsconclusies

De in de begroting 2018 aangekondigde verlaging van de inkomensondersteuning AOW van € 10 per jaar om tot een evenwichtig koopkrachtbeeld te komen, is gerealiseerd. Ten aanzien van het aangekondigde wetsvoorstel fuserende bedrijfstakpensioenfondsen in de begroting 2018 is afgelopen jaar gebleken dat er onvoldoende draagvlak is bij zowel de Tweede Kamer als de pensioenfondsen. De Minister heeft daarom besloten het wetsvoorstel fuserende bedrijfstakpensioenfondsen in te trekken (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 801, nr. 12). De Minister heeft aangegeven zich te zullen beraden op alternatieven om de mogelijkheden voor schaalvergroting van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in de toekomst te faciliteren.

Hervorming pensioenstelsel

In de tweede helft van 2018 hebben intensieve gesprekken plaatsgevonden tussen het kabinet en de sociale partners verenigd in de Sociaal-Economische Raad, met als doel om tot een robuuster en persoonlijker pensioenstelsel te komen. Hoewel de gesprekken vergevorderd waren hebben deze gesprekken uiteindelijk helaas niet tot een akkoord geleid. Het kabinet blijft ervan overtuigd dat een hervorming van het pensioenstelsel noodzakelijk is. Om geen tijd te verliezen gaat het kabinet aan de slag om noodzakelijke aanpassingen aan het pensioenstelsel te bewerkstelligen. Het kabinet zoekt hierbij nadrukkelijk het gesprek met sociale partners, pensioenuitvoerders, toezichthouders, de wetenschap en jongeren- en ouderenorganisaties, om uiteindelijke tot breed gedragen aanpassingen van het pensioenstelsel te komen. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 043, nr. 443).

Beleidsdoorlichting artikel 8

In 2018 is gestart met de opzet en uitvoering van de beleidsdoorlichting van artikel 8, die in 2019 opgeleverd zal worden. De Tweede Kamer is over de opzet van de beleidsdoorlichting geïnformeerd (Tweede Kamer, 2017–2018, 30 982, nr. 41).

Aanvullende ontwikkelingen

Naast de in de begroting aangekondigde beleidswijzigingen, hebben de volgende ontwikkelingen en aanvullende beleidswijzigingen plaatsgevonden.

In 2018 hebben de evaluaties van de aanpassing van de Wet Financieel Toetsingskader, de Wet versterking bestuur pensioenfondsen en Wet verevening pensioenrechten bij scheiding plaatsgevonden. De aandachtspunten die uit de evaluatie van de Wet Financieel Toetsingskader naar voren zijn gekomen, worden meegenomen bij de gespreken over de herziening van het pensioenstelsel. Naar aanleiding van de evaluatie van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen heeft de sector de regels rond benoeming en ontslag in de Code Pensioenfondsen inmiddels aangepast en een plan van aanpak opgesteld en uitgerold om de diversiteit in de sector te vergroten. Ten aanzien van de uitkomsten van de evaluatie van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding is de Minister voornemens om een wetsvoorstel in te dienen bij de Tweede Kamer. Hierover is de Tweede Kamer in 2018 geïnformeerd (Tweede Kamer, 2017–2018, 32 043, nr.393).

In de verzamelbrief pensioenonderwerpen van november jl. (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 043, nr. 427) heeft de Minister de Tweede Kamer uitgebreid geïnformeerd over het meest recente onderzoek van het CBS naar de omvang van de witte vlek. Uit dit onderzoek blijkt dat in 2016 13% (circa 856.000 personen) van de werknemers geen pensioen opbouwt. Dat is een groter aandeel dan eerder werd verondersteld. Zoals de Minister de Tweede Kamer heeft gemeld, is de nieuwe onderzoeksmethode (de Pensioenaansprakenstatistiek van het CBS) de meest aannemelijke verklaring voor deze stijging. Dit betekent dat de onderzoeken naar de witte vlek van de afgelopen jaren een onderschatting hebben gegeven. Het kabinet vindt deze omvang van de witte vlek een zorgelijke constatering en wil bezien of er maatregelen mogelijk zijn die ertoe leiden dat de pensioenopbouw onder werknemers wordt vergroot.

Op 18 december 2018 is de Europese richtlijn 2016/2341 (IORP II) door de Eerste Kamer aangenomen (Tweede Kamer, 2017–2018, Staatsblad 2018, nr. 515). De IORP II richtlijn is per 13 januari 2019 in werking getreden. Het doel van de IORP II-richtlijn is het bevorderen van de verdere ontwikkeling van tweede pijler pensioenen in de Europese Unie. Voor Nederland heeft de richtlijn vooral gevolgen voor enkele bepalingen rondom de governance, risicomanagement, informatieverstrekking aan deelnemers en pensioengerechtigden en grensoverschrijdende pensioenactiviteit.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in mei 2016 een uitspraak gedaan in een zaak waarin op de belastingaanslag wel sprake was van een belastingschuld, maar geen AOW-premie verschuldigd was. De CRvB heeft geoordeeld dat er dan geen grondslag voor schuldig nalatigheid kan zijn. Er is sprake van schuldig nalatigheid wanneer blijkt dat er verwijtbaar geen of te weinig AOW-premie is betaald; er vindt dan een korting plaats op de (in de toekomst te ontvangen) AOW-uitkering. Belastingaanslagen met belastingschuld maar zonder AOW-premieschuld zijn achteraf bezien onterecht door de Belastingdienst aan de SVB voorgedragen om schuldig nalatig te worden verklaard. De SVB en Belastingdienst voeren een herstelactie uit, waarbij de schuldignalatigverklaringen die onterecht zijn afgegeven, worden ingetrokken. De Tweede Kamer is geïnformeerd over de herstelactie (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 043, nr. 426).

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.8.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

1.011.827

102.168

24.118

24.175

23.009

24.447

– 1.438

Uitgaven

1.011.827

102.168

24.118

24.175

23.009

24.447

– 1.438

               

Inkomensoverdrachten

1.011.606

101.951

24.118

24.157

23.009

24.447

– 1.438

MKOB

985.000

1.199

1.017

0

0

0

0

Overbruggingsregeling

11.300

6.378

3.900

4.363

4.006

3.642

364

AOV inclusief tegemoetkoming (Caribisch Nederland)

15.254

18.274

19.197

19.794

19.003

20.805

– 1.802

Tegemoetkoming wijziging inkomensbegrip AOW/Anw

52

0

0

0

0

0

0

Tijdelijke regeling inkomensondersteuning AOW

0

76.100

4

0

0

0

0

               

Opdrachten

221

217

0

18

0

0

0

               

Ontvangsten

32.212

621

2.124

0

0

0

0

Tabel 4.8.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil

Uitgaven

34.119.000

35.813.500

36.940.400

37.412.346

38.124.879

38.300.839

– 175.960

               

Inkomensoverdrachten

34.119.000

35.813.500

36.940.400

37.412.346

38.124.879

37.635.424

489.455

AOW

34.119.000

34.968.000

36.004.000

36.466.225

37.195.249

36.709.790

485.459

Inkomensondersteuning AOW (IOAOW)

0

845.500

936.400

946.121

929.630

925.634

3.996

               

Nominaal

0

0

0

0

0

665.415

– 665.415

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Overbruggingsregeling (OBR)

De OBR geldt voor mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De regeling is per 1 oktober 2013 in werking getreden, werkt terug tot 1 januari 2013 en sluit voor nieuwe instroom per 1 januari 2023. Vanaf 2016 is de OBR uitgebreid voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. De OBR overbrugt voor deze groep alleen het AOW-gat voor zover dat het gevolg is van de versnelde verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd omdat deze groep zich niet op die versnelling heeft kunnen voorbereiden (deze doelgroep heeft dus een kortere duur van de OBR dan de doelgroep die vóór 1 januari 2013 met vut- of prepensioen is gegaan). De OBR kent een inkomenseis en een partner- en vermogenstoets (exclusief eigen woning en pensioenvermogen). De OBR wordt uitgevoerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten OBR vallen enkele tonnen hoger uit dan geraamd. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de instroom in 2017 hoger ligt dan verwacht ten tijde van het opstellen van de begroting 2018. De hogere instroom in 2017 leidt tot hogere uitkeringslasten in 2018, omdat een groot deel van de mensen die instromen in 2017 ook in 2018 nog recht hebben op OBR. De uitkeringslasten vallen daarnaast hoger uit, doordat de instroom van personen die recht hebben op de OBR in verband met de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd (kortere duur OBR) in 2018 hoger uit is gevallen dan verwacht. Tegelijkertijd viel de instroom van personen die recht hebben vanaf 65 jaar (langere duur OBR) in 2018 lager uit dan aanvankelijk geraamd. Per saldo zijn de opwaartse factoren groter dan de neerwaartse factoren.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.8.3 Kerncijfers Overbruggingsregeling1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Instroom (x 1.000 uitkeringen)

8,2

2,4

1,5

1,5

1,0

0,9

0,1

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

A2. Algemene Ouderdomsverzekering (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een ouderdomspensioen op grond van de AOV. Naast het ouderdomspensioen wordt op St. Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die recht doet aan de prijsverschillen tussen de eilanden.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Algemene Ouderdomsverzekering in Caribisch Nederland zijn € 1,8 miljoen lager dan begroot. De lagere realisatie is een gevolg van een lager beroep op de regeling en een gunstigere koers van de euro ten opzichte van de dollar dan waar rekening mee was gehouden bij begroting 2018.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.8.4 Kerncijfers AOV (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume AOV (x 1.000 personen, ultimo)

3,9

4,1

4,1

4,2

4,2

4,4

– 0,2

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A3. Algemene Ouderdomswet (AOW)

De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De AOW wordt uitgevoerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten AOW komen € 485 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 658 miljoen, in tabel 4.8.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie circa € 173 miljoen lager dan begroot.

Dit wordt deels verklaard doordat het aantal AOW’ers lager uitviel dan waar bij het opstellen van de begroting vanuit is gegaan. Het lagere aantal AOW’ers hangt samen met hogere sterfte dan waar in de CBS-bevolkingsprognose vanuit werd gegaan. Daarnaast valt de gemiddelde AOW-uitkering lager uit doordat de indexatie van de AOW-uitkering, de uitgaven aan de partnertoeslag en het percentage alleenstaanden (die recht hebben op een hogere AOW-uitkering) lager uitvielen dan waar bij het opstellen van de begroting vanuit is gegaan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal personen met een AOW-uitkering is lager uitgekomen dan geraamd ten tijde van het opstellen van de begroting. Het percentage personen met een onvolledige AOW-uitkering en het gemiddelde kortingspercentage voor personen met een onvolledige AOW-uitkering komen afgerond overeen met de toenmalige raming.

Tabel 4.8.5 Kerncijfers AOW1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.259

3.329

3.364

3.387

3.411

3.418

– 7

Personen met een onvolledige AOW-uitkering (% van totaal, ultimo)

19

19

19

19

19

19

0

Gemiddeld kortingspercentage AOW-uitkering i.v.m. niet verzekerde jaren (%)

46

47

46

46

46

46

0

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

Handhaving

In de kerncijfers op het gebied van handhaving laten de metingen van de gepercipieerde detectiekans en de kennis der verplichtingen een daling zien. Dit is aanleiding voor de SVB om dit met communicatie en gedragsinterventies te verbeteren. Ook het aantal geconstateerde overtredingen met benadeling is gedaald, daarbij gaat het – gelet op de totale AOW-omvang – om een relatief kleine daling.

Tabel 4.8.6 Kerncijfers AOW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

         

Gepercipieerde detectiekans (%)

70

66

67

61

52

Kennis van de verplichtingen (%)

89

87

88

84

82

           

Opsporing2

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

0,9

1,0

0,9

0,9

0,7

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

2,7

4,0

3,2

3,3

3,1

           

Terugvordering2

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

65

72

74

75

76

Incassoratio cohort 2014 (%)

21

43

51

54

56

Incassoratio cohort 2015 (%)

3

22

44

50

53

Incassoratio cohort 2016 (%)

3

3

23

48

57

Incassoratio cohort 2017 (%)

3

3

3

31

52

Incassoratio cohort 2018 (%)

3

3

3

3

26

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A4. Inkomensondersteuning AOW

In 2015 is een inkomensondersteuning voor AOW-gerechtigden geïntroduceerd die afhankelijk is van de opbouwjaren op grond van de AOW. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB en gefinancierd uit het Ouderdomsfonds.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten inkomensondersteuning AOW komen € 4 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 7 miljoen, in tabel 4.8.2 onderdeel van de post nominaal) is de realisatie € 3 miljoen lager dan begroot.

Dit wordt voornamelijk verklaard doordat het aantal AOW-gerechtigden dat recht heeft op IOAOW lager is uitgekomen dan geraamd ten tijde van het opstellen van de begroting. Het lagere aantal IOAOW-gerechtigden hangt net zoals bij de AOW samen met hogere sterfte dan waar in de CBS-bevolkingsprognose vanuit werd gegaan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.8.7 Kerncijfers inkomensondersteuning AOW1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume inkomensondersteuning AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.329

3.364

3.387

3.411

3.418

– 7

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

Aanvullende arbeidspensioenen

Aanvullend pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de reikwijdte van pensioenregelingen. De overheid stelt regels om te bevorderen dat toezeggingen ook daadwerkelijk worden nagekomen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Als kerncijfers zijn het totaal aantal pensioenfondsen opgenomen en het aantal pensioenfondsen met een dekkingsgraad onder de 130%, alsmede de daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden. De maatstaf van 130% is gekozen omdat een dergelijke dekkingsgraad gemiddeld genomen toereikend is om de pensioenverplichtingen na te komen.

Het aantal pensioenfondsen neemt af. Het gaat hierbij vooral om de pensioenfondsen met een geringe omvang. Door schaalvergroting met andere pensioenfondsen kan beter worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een verantwoord beheer. Het aandeel pensioenfondsen met een dekkingsgraad lager dan 130% is weliswaar afgenomen in vergelijking met voorgaande jaren, maar het aantal bij die fondsen betrokken deelnemers en gepensioneerden is echter groter dan in voorgaande jaren.

Tabel 4.8.8 Kerncijfers aanvullende pensioenen1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Totaal aantal pensioenfondsen2

245

231

219

219

208

Aantal pensioenfondsen met dekkingsgraad ≤130%

227

212

208

201

197

Aantal bij deze fondsen betrokken deelnemers (x 1.000)

5.130

5.080

5.273

5.476

5.567

Aantal bij deze fondsen betrokken gepensioneerden (x 1.000)

2.943

3.144

3.192

3.164

3.224

X Noot
1

DNB, statistiek toezicht pensioenfondsen.

X Noot
2

Pensioenfondsen zonder eigen verplichtingen, bijvoorbeeld de volledig herverzekerde fondsen, kennen geen dekkingsgraad en zijn daarom niet opgenomen in de tabel.

9. Nabestaanden

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid beschermt nabestaande partners en wezen voor zover nodig tegen de financiële gevolgen van het verlies van partner of ouders.

De overheid vindt dat mensen die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s) en die vanwege de zorg voor een kind of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) in een eigen inkomen kunnen voorzien, verzekerd moeten zijn van financiële ondersteuning. Daarom regelt zij in deze gevallen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) een nabestaandenuitkering voor de overblijvende partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren.

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) recht op een uitkering.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidsconclusies

In 2018 is – conform het voornemen in de begroting – geen nieuw beleid gemaakt.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.9.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 9 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

864

1.110

1.072

1.111

1.020

1.348

– 328

Uitgaven

864

1.110

1.072

1.111

1.020

1.348

– 328

               

Inkomensoverdrachten

864

1.110

1.072

1.111

1.020

1.348

– 328

AWW (Caribisch Nederland)

864

1.110

1.072

1.111

1.020

1.348

– 328

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Tabel 4.9.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 9 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil

Uitgaven

594.282

452.437

424.300

398.729

377.000

369.891

7.109

               

Inkomensoverdrachten

594.282

452.437

424.300

398.729

377.000

365.607

11.393

Anw

584.645

444.437

417.300

391.797

370.478

359.272

11.206

Tegemoetkoming Anw

9.637

8.000

7.000

6.932

6.522

6.335

187

               

Nominaal

0

0

0

0

0

4.284

– 4.284

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Algemene weduwen- en wezenverzekering (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de AWW recht op een uitkering. De SZW-unit bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regeling in Caribisch Nederland.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan de Algemene weduwen- en wezenverzekering in Caribisch Nederland zijn ongeveer € 0,3 miljoen lager dan begroot. Dit komt onder andere door een gunstigere koersontwikkeling van de euro ten opzichte van de dollar dan waar rekening mee was gehouden bij begroting 2018.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.9.3 Kerncijfers AWW (Caribisch Nederland)1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume AWW (x 1.000 personen, ultimo)

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

0

X Noot
1

SZW-unit RCN.

A2. Algemene nabestaandenwet (Anw) inclusief tegemoetkoming Anw

De Anw is een volksverzekering en regelt, onder voorwaarden, bij overlijden een uitkering voor de partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren. Daarnaast ontvangt iedere Anw-gerechtigde maandelijks de Anw-tegemoetkoming. De Anw wordt door de SVB uitgevoerd.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten Anw komen circa € 11,4 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 4,3 miljoen, in tabel 4.9.2 de post nominaal) is de realisatie € 7,1 miljoen hoger dan begroot. De gemiddelde uitkering is iets hoger uitgekomen dan in de begroting geraamd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal Anw-gerechtigden is in 2018 conform verwachting afgenomen van circa 33.000 personen naar circa 31.000 personen.

Tabel 4.9.4 Kerncijfers Anw1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Volume Anw (x 1.000 uitkeringsjaren, jaargemiddelde)

382

322

29

26

26

26

0

Volume Anw (x 1.000 personen, jaargemiddelde)2

47

39

36

33

31

31

0

                 

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 uitkeringsjaren, jaargemiddelde), ingang recht voor 1 juli 1996

12

9,7

8,5

7,2

7,1

7,3

– 0,2

 

waarvan nabestaanden met kind

0

0

0

0

0

0

0

 

waarvan nabestaandenuitkering o.g.v. arbeidsongeschiktheid

12

9,7

8,5

7,2

7,1

7,3

– 0,2

                 

Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 uitkeringsjaren, jaargemiddelde), ingang recht na 1 juli 1996

25

20

19

18

17

18

– 1

 

waarvan nabestaanden met kind

9,0

8,2

7,8

7,3

6,9

7,6

– 0,7

 

waarvan nabestaandenuitkering o.g.v. arbeidsongeschiktheid

16

12

11

10

10

10

0

                 

Volume wezenuitkering (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

1,4

1,4

1,3

1,3

1,2

1,3

– 0,1

X Noot
1

Jaarverslag SVB

X Noot
2

Berekeningen SVB.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie tonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren. De kennis van de verplichtingen is weer bijna op hetzelfde niveau als in 2014. De cijfers voor 2018 op het gebied van opsporing tonen een iets gestegen benadelingsbedrag, terwijl het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling hetzelfde is gebleven. De incassoratio’s tonen een relatief stabiel beeld. Hierbij moet in ogenschouw worden genomen dat de incasso van een aantal relatief grote vorderingen van grote invloed kan zijn op de incassoratio.

Tabel 4.9.5 Kerncijfers Anw (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

         

Gepercipieerde detectiekans (%)

83

83

80

86

82

Kennis van de verplichtingen (%)

90

84

83

85

89

           

Opsporing2

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

0,1

0,2

0,1

0,1

0,1

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

1,9

2,2

2,6

1,2

1,3

           

Terugvordering2

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

30

33

37

39

43

Incassoratio cohort 2014 (%)

12

32

33

34

36

Incassoratio cohort 2015 (%)

3

11

30

33

35

Incassoratio cohort 2016 (%)

3

3

22

35

37

Incassoratio cohort 2017 (%)

3

3

3

7,7

30

Incassoratio cohort 2018 (%)

3

3

3

3

14

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

10. Tegemoetkoming ouders

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen.

De overheid biedt ouders of verzorgers een financiële tegemoetkoming voor de kosten voor verzorging en opvoeding van kinderen op grond van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) en de kinderbijslagvoorziening BES (Caribisch Nederland). Gezinnen met een laag of middeninkomen komen daarnaast in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget (WKB).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de tegemoetkoming met uitkeringsregelingen. Hij is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;

  • De vaststelling van het niveau van de tegemoetkoming op grond van de AKW, de WKB en de kinderbijslagvoorziening BES;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de SVB;

  • De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de WKB door de Belastingdienst.

Verhoging tweede kindbedrag kindgebonden budget

Beleidsconclusies

De in de begroting 2018 aangekondigde beleidswijziging is gerealiseerd. Het tweede kindbedrag van het kindgebonden budget is verhoogd met € 71 per jaar om de inkomenspositie van gezinnen met lage- en middeninkomens te ondersteunen.

Uitwerking plannen regeerakkoord

Verder is gedurende 2018 een wetsvoorstel (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 010, nr. 2) ingediend voor de verhoging van het kindgebonden budget per 2020 en is er een besluit (Stb. 2018, 478) aangeboden waarmee de kinderbijslag per 2019 is verhoogd. Hiermee wordt invulling gegeven aan de afspraken in het regeerakkoord om gezinnen te ondersteunen.

Beleidsdoorlichting

In 2018 vond een beleidsdoorlichting plaats over artikel 10 Tegemoetkoming ouders (Tweede Kamer, 2018–2019, 30 982, nr. 46). Uit het rapport kwam naar voren dat er in sommige gevallen een discrepantie is tussen de hoogte van de tegemoetkomingen in de kosten van kinderen (kinderbijslag en kindgebonden budget) en de werkelijke kosten van kinderen. Een evenwichtiger en effectiever stelsel van tegemoetkomingen kan daarom meer gericht zijn op de feitelijke kosten van kinderen in verschillende situaties (leeftijd, huishoudsituatie en aantal kinderen in het gezin). Naar aanleiding van de uitkomsten wordt nader onderzoek gedaan naar een evenwichtigere kostendekkendheid van de regelingen voor verschillende groepen en de mogelijke effecten voor verschillende (doel)groepen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.10.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 10 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

4.441.886

5.310.186

5.468.559

5.441.004

5.493.447

5.604.200

– 110.753

Uitgaven

4.441.886

5.310.186

5.468.559

5.441.004

5.493.447

5.604.200

– 110.753

               

Inkomensoverdrachten

4.441.886

5.310.186

5.468.559

5.441.004

5.493.447

5.604.200

– 110.753

AKW

3.202.671

3.238.238

3.323.000

3.320.400

3.360.989

3.330.784

30.205

Kinderbijslagvoorziening BES

0

0

1.868

2.050

1.857

1.871

– 14

WKB

1.213.415

2.063.020

2.143.517

2.118.554

2.130.601

2.271.545

– 140.944

TOG

21.900

5.428

0

0

0

0

0

TOG-kopje

3.900

3.500

174

0

0

0

0

               

Ontvangsten

205.454

217.589

261.245

244.399

218.189

272.478

– 54.289

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

A1. Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

De AKW biedt ouders een tegemoetkoming in de kosten die het opvoeden en verzorgen van kinderen onder de 18 jaar met zich mee brengt. De AKW wordt uitgevoerd door de SVB.

Budgettaire ontwikkelingen

De gerealiseerde uitkeringslasten AKW zijn € 30 miljoen hoger uitgekomen dan begroot. In de begroting 2018 was nog gerekend in prijzen 2017. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling van € 26 miljoen zijn de uitgaven € 4 miljoen hoger uitgekomen dan begroot.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal gezinnen met kinderbijslag is vrijwel gelijk uitgekomen aan de stand uit de begroting 2018. Het aantal telkinderen is iets lager uitgekomen dan ten tijde van opstelling van de begroting verwacht.

Tabel 4.10.2 Kerncijfers AKW1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Aantal gezinnen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

1.922

1.917

1.913

1.907

1.901

1.899

2

Aantal telkinderen2 AKW (x 1.000, jaargemiddelde)

3.416

3.423

3.405

3.386

3.372

3.378

– 6

X Noot
1

SVB, jaarverslag of SVB, administratie.

X Noot
2

Een administratieve teleenheid die gebruikt wordt bij het vaststellen van de hoogte van de kinderbijslag. Bijvoorbeeld: een gehandicapt kind geldt voor de kinderbijslag als twee telkinderen waardoor het in aanmerking komt voor dubbele kinderbijslag.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren. Het aantal geconstateerde overtredingen en het benadelingsbedrag zijn toegenomen. De incassoratio AKW met betrekking tot vorderingen opgevoerd in cohort 2018 bedraagt 34%. Bij de cohorten 2013 tot en met 2017 lag dit percentage in het eerste jaar van een cohort rond de 50%. Deze neerwaartse afwijking is tijdelijk van aard en hangt samen met de inzet van capaciteit voor de invoering van het nieuwe ICT-systeem voor de AKW (vAKWerk). Verder is het beeld van de incassoratio AKW door de jaren heen stabiel.

Tabel 4.10.3 Kerncijfers AKW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

         

Gepercipieerde detectiekans (%)

71

74

71

70

69

Kennis van de verplichtingen (%)

78

76

77

71

73

           

Opsporing2

         

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)

1,9

1,5

1,2

1,3

2,2

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

1,2

1,2

1,0

1,0

1,5

           

Terugvordering2

         

Incassoratio cohort 2013 (%)

72

76

79

80

82

Incassoratio cohort 2014 (%)

55

69

74

76

80

Incassoratio cohort 2015 (%)

3

50

69

75

80

Incassoratio cohort 2016 (%)

3

3

54

75

78

Incassoratio cohort 2017 (%)

3

3

3

49

71

Incassoratio cohort 2018 (%)

3

3

3

3

34

X Noot
1

Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

X Noot
2

SVB, jaarverslag.

X Noot
3

Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A2. Kinderbijslagvoorziening BES

De kinderbijslagvoorziening BES biedt ouders en verzorgers die op Bonaire, St. Eustatius en Saba wonen een tegemoetkoming voor de kosten van opvoeding en verzorging van kinderen die nog geen 18 jaar zijn. De kinderbijslagvoorziening BES wordt uitgevoerd door de RCN-unit SZW namens de Minister van SZW.

Budgettaire ontwikkelingen

De realisatie van de uitgaven aan de kinderbijslagvoorziening in Caribisch Nederland komt nagenoeg overeen met de begrote uitgaven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.10.4 Kerncijfers Wet kinderbijslagvoorziening BES1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Aantal kinderen kinderbijslagvoorziening BES (x 1.000, ultimo)

2

2

4,2

4,3

4,4

4,6

– 0,2

X Noot
1

RCN-unit SZW.

X Noot
2

Deze cijfers komen niet voor.

A3. Wet op het kindgebonden budget (WKB)

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen voor gezinnen tot een bepaald inkomen en vermogen. De WKB wordt uitgevoerd door Belastingdienst/Toeslagen. Indien sprake is van een aanvulling op buitenlandse gezinstoeslagen, is de SVB verantwoordelijk voor de uitbetaling van de WKB.

Budgettaire ontwikkelingen

De gerealiseerde uitkeringslasten WKB zijn € 141 miljoen lager dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de loon- en prijsbijstelling van € 24 miljoen zijn de uitgaven € 165 miljoen lager dan begroot. Tegenover deze meevaller staat een (daarmee samenhangende) tegenvaller van € 57 miljoen op de ontvangsten (zie onderdeel B). Verklaring voor de meevaller is allereerst dat de inkomensontwikkeling van WKB-gerechtigden gunstiger is uitgekomen dan verwacht. Dit verklaart circa € 95 miljoen van de neerwaartse bijstelling. Hogere inkomens leiden namelijk tot een lager kindgebonden budget. Daarnaast zijn de nabetalingen lager uitgekomen dan verwacht (circa € 70 miljoen). Hiervoor zijn verschillende redenen. Deze redenen leiden niet alleen tot lagere nabetalingen, maar ook tot lagere terugontvangsten (zie B); de verlaging van de nabetalingen en ontvangsten hangt dus samen. Een deel van de bijstelling wordt verklaard door de verlaging van beschikkingen als gevolg van economische ontwikkelingen. Daarnaast komt het niveau van nabetalingen lager uit dan geraamd bij opstelling van de begroting. Deels lijkt dit verklaard te worden uit een kleinere doorwerking van de invoering van de alleenstaande ouderkop (verhoging kindgebonden budget) op nabetalingen. Ook leiden verbeteringen in het vooraf inschatten van het verzamelinkomen bij de Belastingdienst tot lagere nabetalingen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal huishoudens en het aantal kinderen met kindgebonden budget is lager uitgekomen dan verwacht. De voornaamste oorzaak is een gunstiger inkomensontwikkeling dan verwacht. Hierdoor hadden minder huishoudens recht op WKB. Dit effect treedt met name op bij tweeoudergezinnen (paren). Een daling van het aantal gebruikers van kindgebonden budget is niet te zien bij alleenstaande ouders. Dit komt omdat alleenstaande ouders tot een relatief hoog inkomen recht hebben op kindgebonden budget, waardoor een gunstiger inkomensontwikkeling nauwelijks impact heeft.

Tabel 4.10.5 Kerncijfers WKB1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Aantal huishoudens WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

777

741

728

721

699

748

– 49

Aantal kinderen WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

1.418

1.361

1.337

1.324

1.283

1.370

– 87

Aantal alleenstaande ouders WKB (x 1.000, jaargemiddelde)

2

309

319

324

328

317

11

X Noot
1

Ministerie van Financiën, Belastingdienst. De cijfers van 2018 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers, die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van het recht. Voor 2017 is het merendeel van de beschikkingen definitief vastgesteld. Voor 2016 en eerdere jaren zijn vrijwel alle beschikkingen en onderliggende gegevens definitief.

X Noot
2

De alleenstaande ouderkop in de WKB is ingevoerd in 2015. Voor eerdere jaren is het aantal alleenstaande ouders in de WKB niet relevant.

B. Ontvangsten

De ontvangsten betreffen grotendeels de ontvangsten ten gevolge van terugvorderingen van het kindgebonden budget. Nadat de toeslagen definitief zijn toegekend worden terugvorderingen ingesteld bij de huishoudens die meer hebben ontvangen dan waar ze recht op hadden op basis van hun vastgestelde inkomen.

De ontvangsten zijn € 54 miljoen lager dan geraamd bij de begroting. Indien rekening wordt gehouden met de loon- en prijsbijstelling van € 3 miljoen zijn de ontvangsten € 57 miljoen lager uitgekomen dan begroot. De verklaringen voor de lagere ontvangsten komen grotendeels overeen met de verklaringen voor de lagere nabetalingen. Een deel wordt verklaard door lagere beschikkingen als gevolg van economische ontwikkelingen. Daarnaast lijkt, net als bij nabetalingen, de doorwerking op terugvorderingen van de invoering van de alleenstaande ouderkop in 2015 lager uit te komen dan verwacht. Omdat de definitieve afrekening achteraf plaatsvindt, komen de ontvangsten over de berekeningsjaren 2015 en verder met enkele jaren vertraging lager uit. Tevens leiden verbeteringen in het vooraf inschatten van het verzamelinkomen bij de Belastingdienst ook tot lagere terugvorderingen. Hierdoor komen ontvangsten lager uit.

11. Uitvoering

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid voorziet de uitvoeringsorganisaties van financiële middelen voor een rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering van socialezekerheidsregelingen, binnen de kaders die de overheid stelt.

De uitvoering van de socialezekerheidswetten vindt mede plaats door ZBO’s en RWT’s. De Minister van SZW bepaalt de kaders waarbinnen de uitvoering tot stand komt en stelt uitvoeringsbudget ter beschikking aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) inclusief het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Inlichtingenbureau (IB). Hij maakt daarbij prestatieafspraken en stuurt op rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering. Hiertoe is een planning- en controlcyclus ingericht tussen de uitvoeringsorganen en het ministerie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het doen uitvoeren van de socialezekerheidswetgeving door de uitvoeringsorganen en draagt zorg voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving (wet SUWI) waarbinnen de uitvoeringsorganen opereren;

  • De vormgeving van het stelsel van socialezekerheidswetten die het UWV en de SVB uitvoeren;

  • De vaststelling van de budgetten die aan het UWV, de SVB en het IB beschikbaar worden gesteld met daarbij passende prestatieafspraken;

  • De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering door het UWV, de SVB en het IB en de verantwoording daarover;

  • De vaststelling van de omvang van de middelen die aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR) beschikbaar worden gesteld.

Prestatie-indicatoren UWV en SVB

In onderstaande tabellen zijn indicatoren voor het UWV en de SVB weergegeven die de doelmatigheid, rechtmatigheid en klantgerichtheid van de uitvoering weergeven.

Tabel 4.11.1 Indicatoren uitvoering UWV
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20181

Begroting 20182

Verschil 2018

Doelmatigheid: % realisatie uitvoeringskosten binnen budget

<100

<100

100

96

100

≤100

0

Rechtmatigheid: % rechtmatigheid

98,9

99,3

99,0

99,2

98,9

99,0

– 0,1

Klantgerichtheid: Cijfer klanttevredenheid uitkeringsgerechtigden

7,0

6,9

7,1

7,2

7,1

7,0

0,1

X Noot
1

Jaarverslag 2018 UWV.

X Noot
2

Deze streefcijfers zijn opgenomen in het jaarplan 2018 van het UWV dat in december 2017 aan de Tweede Kamer is verstuurd (Tweede Kamer, 2017–2018, 26 446, nr. 600).

Tabel 4.11.2 Indicatoren uitvoering SVB
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20181

Begroting 20182

Verschil 2018

Doelmatigheid: reële efficiëntiegroei

3,4

3,5

0,0

– 2,5

0,2

1,53

– 1,3

Rechtmatigheid: % rechtmatigheid

99,9

99,8

99,9

99,9

100,0

99,0

1,0

Klantgerichtheid: Cijfer klanten

7,7

Niet gemeten

7,7

Niet gemeten

8,0

8,0

0,0

X Noot
1

Jaarverslag 2018 SVB.

X Noot
2

Deze streefcijfers zijn opgenomen in het jaarplan 2018 van de SVB dat in december 2017 aan de Tweede Kamer is verstuurd (Tweede Kamer, 2017–2018, 26 446, nr. 600).

X Noot
3

Norm is 1,5% efficiëntiegroei (kostenbesparing los van volume- en beleidswijzigingen) voor de grote wetten, uitzonderingen op specifieke wetten.

Beleidsconclusies

Voor de beleidswijzigingen per wet wordt verwezen naar de overige beleidsartikelen.

Implementatie wet- en regelgeving

De uitvoeringsorganisaties waren in 2018 nauw betrokken bij de uitwerking van nieuwe beleid en regelgeving uit het regeerakkoord. Hierdoor was er aandacht voor de complexiteit en impact van nieuwe wet- en regelgeving op de uitvoering. Dit leidt tot een betere uitvoering van beleid. Het UWV heeft in 2018 onder andere de benodigde werkzaamheden verricht om de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) te implementeren. Zowel het UWV als de SVB hebben in 2018 geïnvesteerd in maatregelen die de Algemene Verordening Gegevensbescherming voorschrijft om de privacy van burgers te waarborgen.

Stand van de uitvoering

In december 2018 is de «Stand van de Uitvoering Sociale Zekerheid» aan de Tweede Kamer gestuurd (Tweede Kamer, 2018–2019, 26 448, nr. 608). Hierin is de Kamer geïnformeerd over de prestaties van en de uitdagingen voor de uitvoering. De in 2018 voor het eerst gepresenteerde kernindicatoren (KPI’s) geven een overzicht van de prestaties van de uitvoeringsorganisaties. Het beeld is dat de dienstverlening van de SVB en het UWV er goed uitziet. Daar waar verbetering mogelijk is, is toegelicht welke stappen worden ondernomen. Uit de brief blijkt ook dat de uitvoering, na een periode waarin hier minder ruimte voor was, in 2018 in staat is gesteld om verder te investeren in de dienstverlening en ondersteunende processen, die voor de continuïteit en veiligheid van belang zijn.

Dienstverlening WW, WGA en Wajong

Het nieuwe WW-dienstverleningsmodel is uitgerold in het najaar van 2016. In de WW-dienstverlening is de online dienstverlening met een meer persoonlijke benadering aangevuld met als doel de kans op werkhervatting te vergroten. Eind 2017 is een onderzoeksbureau gestart met de effectmeting van de WW-dienstverlening, waarbij onderzocht wordt in welke mate de nieuwe persoonlijke dienstverlening kosteneffectief kan bijdragen aan de uitstroom van WW-gerechtigden. De eerste resultaten van het onderzoek zullen medio 2020 worden gepresenteerd aan de Tweede Kamer. Het UWV is in 2018 gestart met het opschalen van de capaciteit voor persoonlijke dienstverlening om te groeien richting de afspraken voor 2019 (Tweede Kamer, 2018–2019, 26 448, nr. 608). Ook zijn er gesprekken gestart over de invulling van experimenten voor de WGA-doelgroep om te onderzoeken welke manieren van persoonlijke dienstverlening effectief zijn.

Activerende dienstverlening aan de Wajong-doelgroep bestaat voornamelijk uit gesprekken om alle Wajong-gerechtigden actueel in beeld te hebben. In 2018 zijn ook voor de Wajong-dienstverlening voorbereidingen getroffen voor een effectmeting die start in 2019. In 2018 zijn 9.000 mensen met recht op een Wajong-uitkering uitgestroomd naar werk.

Artsencapaciteit UWV

Ook in 2018 is er een tekort in de artsencapaciteit voor sociaal-medische beoordelingen bij het UWV (Tweede Kamer, 2017–2018, 26 448, nr. 605). De voorraad van de belangrijkste sociaal-medische beoordelingen is stabiel gebleven, maar de voorraad herbeoordelingen is in 2018 opgelopen. Dit betekent dat de tot nu toe ondernomen acties door het UWV vooralsnog onvoldoende hebben opgeleverd. De krapte op de arbeidsmarkt voor (verzekerings)artsen is hier een belangrijke oorzaak. Een expertgroep heeft gerichte voorstellen aan het UWV gedaan die kunnen bijdragen aan het verkleinen van het capaciteitstekort. De voorstellen worden verder uitgewerkt. Met de ingezette maatregelen beoogt het UWV een trendbreuk te realiseren. In juli 2019 wordt hiervan de balans opgemaakt.

Fraude Werkloosheidswet

In oktober 2018 sprak de Minister van SZW met de Tweede Kamer over uitkeringsfraude in de Werkloosheidswet (WW) door arbeidsmigranten. WW-gerechtigden maskeren verblijf in het buitenland, al dan niet met behulp van tussenpersonen. Daarnaast zijn er uitkeringsgerechtigden die onterecht een uitkering ontvangen omdat zij verwijtbaar werkloos zijn of passende arbeid weigeren. Dergelijk misbruik is kwalijk en ondermijnt het draagvlak van het sociale stelsel. Samen met het UWV is een pakket maatregelen ingezet (Tweede Kamer, 2018–2019, 17 050 XV, nr. 545) om fraude met de WW beter te kunnen opsporen en aan te pakken. Verder is toegezegd om de Tweede Kamer beter te informeren over ontwikkelingen in signalen en vormen van fraude.

1 februari 2019 is de Tweede Kamer geïnformeerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 17 050, nr. 565) over zowel de voortgang van de maatregelen als over de opzet van de signaleringsbrief die SZW in juni 2019 naar de Tweede Kamer stuurt. Hierbij werd ook ingegaan op de toekomstbestendige aanpak van fraude in het algemeen door een extern onderzoek naar misbruikrisico’s bij het UWV en het ontwikkelen van een afwegingskader.

Veranderagenda SVB

De SVB heeft de eerder ingezette ICT-vernieuwing ten behoeve van een stabiele en wendbare organisatie in 2018 verder doorgezet. De vernieuwing van het ICT-systeem voor de AKW (vAKWERK) is afgerond en volledig operationeel. De vernieuwingen van ICT en werkprocessen uit hoofde van de Veranderagenda en het IT-plan zijn eveneens in gang gezet of verder doorontwikkeld. De planning van de ICT-vernieuwing is aangepast onder meer vanwege implementatie van complexe wet- en regelgeving als AVG en EESSI. Met de leverancier van het Multiregelingensysteem is een schikkingsovereenkomst getroffen. De uitkomst hiervan is aan de Kamer meegedeeld (Tweede Kamer, 2017–2018, 26 448, nr. 606). De financiële effecten van deze schikkingsovereenkomst zijn in de jaarrekening van de SVB verwerkt.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.11.3 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 11 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

445.088

438.181

433.006

490.919

496.490

498.574

– 2.084

Uitgaven

445.088

438.181

433.006

490.919

496.242

498.574

– 2.332

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

444.133

437.532

432.328

490.254

495.507

497.931

– 2.424

Uitvoeringskosten UWV

339.747

331.571

324.638

376.001

372.983

387.383

– 14.400

Uitvoeringskosten SVB

97.661

99.590

100.687

107.544

116.267

104.099

12.168

Uitvoeringskosten IB

6.725

6.371

7.003

6.709

6.257

6.449

– 192

               

Bijdrage aan nationale organisaties

955

649

678

665

735

643

92

LCR

955

649

678

665

735

643

92

               

Ontvangsten

6.522

10.144

16.367

15.649

11.638

0

11.638

Tabel 4.11.4 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 11 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil

Uitgaven

1.696.520

1.607.496

1.527.338

1.547.245

1.465.842

1.484.851

– 19.009

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

1.696.520

1.607.496

1.527.338

1.547.245

1.465.842

1.447.738

18.104

Uitvoeringskosten UWV

1.568.458

1.485.496

1.411.327

1.423.525

1.326.271

1.329.265

– 2.994

Uitvoeringskosten SVB

128.062

122.000

116.011

123.720

139.571

118.473

21.098

               

Nominaal

0

0

0

0

0

37.113

– 37.113

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Toelichting financiële instrumenten

De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor het UWV (inclusief BKWI), de SVB en het IB, waarbinnen deze organisaties hun jaarplannen dienen op te stellen. Deze financiële kaders hebben alleen betrekking op de uitvoering van SZW-taken door genoemde ZBO’s. In de jaarplannen nemen het UWV en de SVB een verdeling van de uitvoeringskosten naar wet en/of fonds op. De Minister stuurt in eerste aanleg op het totaalbudget per organisatie. Uitgangspunt daarbij is dat de organisaties zelfstandig de uitvoering organiseren en over de realisatie via het jaarverslag verantwoording afleggen aan de Minister van SZW.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitvoeringskosten van het UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en van volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten. Voor een nadere toelichting op de volumeontwikkelingen wordt naar de desbetreffende artikelen verwezen.

De uitvoeringskosten UWV komen € 17 miljoen lager uit dan begroot. Er is in 2018 incidenteel geen LPO aan het UWV uitgekeerd. De uitvoeringskosten SVB komen € 33 miljoen hoger uit dan begroot. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 3 miljoen) is de realisatie € 30 miljoen hoger dan begroot. Belangrijkste oorzaken hiervan zijn de toegekende middelen uit hoofde van het IT-plan en uitvoeringskosten die samenhangen met implementatie van Europese regelgeving zoals AVG en EESSI.

In de tabellen 4.11.5 en 4.11.6 zijn de gerealiseerde uitvoeringskosten van het UWV en de SVB toegedeeld aan de onderscheiden wetten en regelingen. Deze toedeling is extracomptabel.

Tabel 4.11.5 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten UWV (x € 1.000)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

UWV (incl. BKWI)

1.908.206

1.817.067

1.735.965

1.799.526

1.699.254

           

Begrotingsgefinancierd

339.748

331.571

324.638

376.001

372.983

IOW

1.325

1.775

1.907

2.000

2.068

Wajong

117.878

114.518

108.170

159.888

150.000

Re-integratie Wajong

70.496

78.642

86.631

85.000

96.000

Basisdienstverlening

100.322

85.056

80.053

84.627

91.640

Uitvoeringskosten WW 50+

19.550

15.450

13.600

240

0

Beoordeling gemeentelijke doelgroep

0

16.930

19.340

18.100

17.900

WSW-indicatiestelling

21.965

10.563

5.313

4.120

4.193

Scholingsvouchers kansberoep

0

0

900

4.100

0

Compensatieregeling musici en artiesten

11

0

0

0

0

Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit

0

0

0

9.210

2.050

Scholingsregeling WW

0

0

0

0

700

BKWI

8.201

8.637

8.724

8.716

8.432

           

Premiegefinancierd

1.568.458

1.485.496

1.411.327

1.423.525

1.326.271

WAO

87.750

79.568

80.358

80.253

82.777

IVA

80.630

91.822

98.874

96.107

101.955

WGA

235.878

230.600

244.844

221.657

242.184

WAZ

3.242

3.299

3.744

3.713

3.081

WW

853.176

731.623

649.324

620.660

539.084

ZW

269.309

260.412

270.853

263.765

294.935

WAZO

13.148

14.052

10.484

11.950

9.848

Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW

42.725

60.920

56.312

54.320

87.908

Toevoeging aan bestemmingsfonds

– 17.400

13.200

– 3.466

71.100

– 35.500

Tabel 4.11.6 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten SVB (x € 1.000)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

SVB

225.723

221.591

216.698

231.264

255.838

           

Begrotingsgefinancierd

97.661

99.591

100.687

107.544

116.267

AKW

64.032

71.075

67.722

74.344

84.088

TOG

1.924

– 540

0

0

0

TAS

1.492

477

821

1.023

1.023

KOT/WKB

4.650

4.551

4.375

5.527

4.333

AIO

19.383

19.610

22.647

22.571

23.299

MKOB

459

37

0

0

0

Bijstand buitenland

320

155

270

268

265

Overbruggingsregeling AOW

3.082

1.363

2.652

1.575

1.066

Remigratiewet

2.319

2.863

2.200

2.236

2.193

           

Premiegefinancierd

128.062

122.000

116.011

123.720

139.571

AOW

116.454

110.900

105.674

115.009

127.058

Anw

11.608

11.100

10.337

8.711

12.513

B. Bijdrage aan nationale organisaties

De Landelijke Cliëntenraad (LCR) is een overlegorgaan ingesteld bij Wet SUWI waarin landelijke cliëntenorganisaties, vertegenwoordigers van gemeentelijke cliëntenraden en vertegenwoordigers van de centrale cliëntenraden van de SVB en het UWV zitting hebben. De LCR heeft tot taak periodiek te overleggen met het UWV, de SVB, de gemeenten en de Minister van SZW over onderwerpen op het terrein van werk en inkomen. De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor de LCR, waarbinnen de LCR een jaarplan dient op te stellen.

C. Ontvangsten

De ontvangsten bedragen in 2018 circa € 11,6 miljoen. Dit betreffen verrekeningen over rijksvergoedingen met betrekking tot de uitvoeringskosten van het UWV en de SVB over 2017.

12. Rijksbijdragen

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid borgt voldoende dekking in sociale fondsen.

De financiering van de sociale fondsen loopt hoofdzakelijk via premie-inning. In een aantal gevallen acht de overheid premieheffing niet wenselijk, bijvoorbeeld om te voorkomen dat premiepercentages blijvend toenemen en daarmee een evenwichtige koopkrachtontwikkeling in de weg staan. In andere gevallen acht de overheid financiering van een regeling via de algemene middelen passender, maar wordt wel gekozen voor uitvoering via de sociale fondsen. De sociale fondsen worden in dat geval via rijksbijdragen voorzien van voldoende financiering.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de sociale fondsen uit de algemene middelen, al dan niet in aanvulling op premieheffing. Hij is in deze rol verantwoordelijk voor:

  • de vaststelling van de hoogte van de rijksbijdragen aan de desbetreffende sociale fondsen;

  • het betalen van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen.

Beleidsconclusies

In 2018 zijn er geen belangrijke wijzigingen geweest, conform de begroting.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.12.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 12 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

11.353.370

13.207.236

12.806.406

12.420.196

13.852.630

11.596.718

2.255.912

Uitgaven

11.353.370

13.207.236

12.806.406

12.420.196

13.852.630

11.596.718

2.255.912

               

Bijdrage aan sociale fondsen

11.353.370

13.207.236

12.806.406

12.420.196

13.852.630

11.596.718

2.255.912

Kosten heffingskortingen AOW

2.000.000

1.963.200

2.033.300

2.114.100

2.165.400

2.153.900

11.500

Vermogenstekort Ouderdomsfonds

9.073.100

11.003.900

10.525.800

10.083.600

11.462.600

9.221.900

2.240.700

Tegemoetkoming arbeidsongeschikten

208.480

173.802

175.574

147.471

154.140

147.082

7.058

Tegemoetkoming Anw-gerechtigden

9.336

8.318

7.075

6.643

0

6.335

– 6.335

Zwangere zelfstandigen

62.454

58.016

64.657

68.382

70.490

67.501

2.989

               

Ontvangsten

169

0

1.747

423

2.472

0

2.472

A. Bijdrage aan sociale fondsen

Toelichting financiële instrumenten

A1. Rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen (BIKK) AOW

Deze rijksbijdrage compenseert de gewijzigde premieopbrengst die het gevolg is van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. De hoogte van deze rijksbijdrage wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en wijzigingen van de belasting- en premietarieven in de eerste schijf.

Budgettaire ontwikkelingen

De ontwikkeling van de bijdrage volgt de ontwikkeling van de heffingskortingen.

A2. Rijksbijdrage vermogenstekort Ouderdomsfonds

De uitgaven uit het Ouderdomsfonds worden grotendeels gedekt door de premie-inkomsten. De hoogte van de AOW-premie is echter wettelijk gemaximeerd om te voorkomen dat de groeiende AOW-uitgaven leiden tot een alsmaar stijgende AOW-premie en een onevenwichtige koopkrachtontwikkeling. Dit leidt tot een jaarlijks exploitatietekort in het Ouderdomsfonds. De rijksbijdrage Ouderdomsfonds is bedoeld om het exploitatietekort in het Ouderdomsfonds aan te vullen zodat er een neutrale kaspositie voor dit fonds bestaat.

Budgettaire ontwikkelingen

De Rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds valt € 2,2 miljard hoger uit dan voor 2018 werd geraamd. Dat komt met name door de verrekening van het vermogensoverschot uit 2017 van ruim € 1 miljard. Daarnaast waren in 2018 de premie-inkomsten ruim € 1 miljard lager dan in de begroting was geraamd.

A3. Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De Wet Tegemoetkoming Chronisch zieken en Gehandicapten (Wtcg) is vanaf 2014 afgeschaft. De regeling van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten is overgeheveld van de Wtcg naar de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De tegemoetkomingen voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden gefinancierd uit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van het UWV opgenomen. De tegemoetkomingen voor arbeidsongeschikten worden verantwoord op de beleidsartikelen 3 en 4.

Budgettaire ontwikkelingen

De realisatie van de uitgaven komt nagenoeg overeen met de begrote uitgaven.

A4. Rijksbijdrage tegemoetkoming Anw-gerechtigden

Deze rijksbijdrage diende ter financiering van de in beleidsartikel 9 verantwoorde tegemoetkoming Anw. Deze tegemoetkoming wordt betaald uit het Anw-fonds, dat een fors vermogensoverschot heeft. Daarom is in 2017 de Anw-premie verlaagd en is vanaf 2018 het Anw-fonds niet meer gecompenseerd voor de uitgaven aan de Anw-tegemoetkoming.

Budgettaire ontwikkelingen

De rijksbijdrage voor de Anw-tegemoetkoming is nul omdat de rijksbijdrage in 2018 is afgeschaft.

A5. Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen (ZEZ)

De regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ) voorziet in een uitkering aan zelfstandigen voorafgaand aan en volgend op de bevalling (zie ook beleidsartikel 6). Deze regeling wordt gefinancierd via een rijksbijdrage aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Ook de uitkeringen voor zwangere alfahulpen worden via deze rijksbijdrage gefinancierd. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van het UWV opgenomen.

Budgettaire ontwikkelingen

De realisatie van de uitgaven komt nagenoeg overeen met de begrote uitgaven.

B. Ontvangsten

De ontvangsten zijn het gevolg van afrekeningen over voorgaande jaren van de rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten.

13. Integratie en maatschappelijke samenhang

Artikel

Algemene doelstelling

De overheid bevordert de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit door participatie en inburgering van iedereen met een migrantenachtergrond.

In het integratiebeleid ligt de nadruk op het doen ontstaan van een sociaal stabiele samenleving. Een sociaal stabiele samenleving houdt in dat:

  • Mensen zonder belemmeringen kunnen meedoen;

  • Zij in al hun verscheidenheid met elkaar samenleven;

  • Iedereen zich thuis voelt ongeacht herkomst, religie of levensovertuiging.

Daarbij is tevens aan de orde dat migranten en hun kinderen zelfredzaam zijn en nieuwkomers verantwoordelijk zijn voor hun inburgering. Dit wordt gerealiseerd door:

  • Het bevorderen van samenhang en het voorkomen van maatschappelijke spanningen;

  • Het werken aan een evenredige positie en participatie in de Nederlandse samenleving en aan een evenredig bereik en effectiviteit van voorzieningen voor alle burgers in Nederland;

  • Het ervoor zorgen dat nieuwkomers snel de Nederlandse taal machtig zijn en kennis hebben van de Nederlandse samenleving.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met behulp van onder andere financiële instrumenten de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving van migranten. Hij financiert een uitkeringsregeling (Remigratiewet) en een sociaal leenstelsel om eventuele financiële drempels om in te burgeren weg te nemen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • De vormgeving, het onderhoud en de werking van het inburgeringstelsel;

  • De visie en samenhang van het integratiebeleid en de daarvoor benodigde kennis;

  • Het aanspreken van de vakdepartementen op hun verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat reguliere voorzieningen toegankelijk en effectief zijn voor alle burgers;

  • De uitvoering van de Remigratiewet, de Wet inburgering en de Wet inburgering buitenland.

De uitvoering van het inburgering- (onder meer examens) en leenstelsel, en voorinburgering/maatschappelijke begeleiding is belegd bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) respectievelijk het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). De Minister van OCW is eigenaar van DUO en de Minister van J&V van COA. Vanuit deze rol zijn laatstgenoemde ministers verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van de uitvoering en daaronder valt de dienstverlening van COA respectievelijk DUO aan het Ministerie van SZW.

Veranderopgave Inburgering

Beleidsconclusies

Als stap 1 in de uitwerking van de in het regeerakkoord voorgestelde maatregelen op het vlak van de Inburgering is in juli 2018 een brief (Tweede Kamer, 2017–2018, 32 824, nr. 223) aan de Tweede Kamer gezonden. Daarin zet de Minister de hoofdlijnen van de hervorming van het inburgeringstelsel uiteen. In de brief zijn tevens de conclusies en aanbevelingen betrokken van de in het voorjaar 2018 opgeleverde evaluatie (Tweede Kamer, 2017–2018, 32 824, nr. 222) van de Wet inburgering 2013.

Doel van het nieuwe stelsel is dat inburgering moet bijdragen aan een samenleving waarin iedereen meedoet, liefst via betaald werk. Elementen van het nieuwe stelsel zijn een verhoging van het taalniveau bij inburgering van niveau A2 naar B1, regie en inkoop van opleidingstrajecten bij de gemeenten en ontzorging van inburgeraars, en de voorbereiding op deelname aan de arbeidsmarkt. De Tweede Kamer kon zich vinden in de voorgestelde richting met daarbij het verzoek om degenen die nog onder het oude stelsel moeten inburgeren extra aandacht te geven.

Eind oktober 2018 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de hoofdlijnen door middel van een tussenrapportage die een uitwerkingsagenda bevat. Naast een uitwerking van prioritaire vragen voor beleidsontwikkeling en uitwerking voor de nieuwe wet op de verschillende thema’s, bevat de Uitwerkingsagenda (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 824, nr. 238) ook een beschrijving van de werkwijze en samenwerking met andere departementen en stakeholders. De volgende tussenrapportage is toegezegd in het eerste kwartaal van 2019.

Evaluatie wijziging Remigratiewet

In november 2018 is het rapport (Tweede Kamer, 2018–2019, 33 085, nr. 18) van de evaluatie wetswijziging Remigratie aan de Tweede Kamer gezonden. De uitgevoerde evaluatie richtte zich enerzijds op de vraag of de beoogde doelen van de wet zijn bereikt (effectevaluatie) en anderzijds op hoe de wijziging van de Remigratiewet in de praktijk werkt (procesevaluatie).

In het kader van de (proces)evaluatie wordt geconcludeerd dat de wetswijziging goed is doorgevoerd. Een en ander betekent dat een van de achterliggende doelen die aan de wetswijziging ten grondslag lagen – namelijk het behouden van arbeidspotentieel in Nederland – is gerealiseerd. Dit betekent overigens niet dat de daadwerkelijke arbeidsparticipatie van groepen met een migratieachtergrond momenteel al tot tevredenheid stemt. Voor dit laatste was al eerder het programma Verdere integratie op de arbeidsmarkt (VIA) in gang gezet.

Programma VIA

In november 2018 is over de uitvoering van het programma – de onderzoeken, insteek en pilots – een brief (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 848) aan de Tweede Kamer gezonden. Zo is er een achttal pilots geïdentificeerd – waarvan er een in 2018 is gestart, die inzicht moeten bieden in de effectiviteit van maatregelen ter verkleining van achterstanden op de arbeidsmarkt van personen met een niet-westerse migratieachtergrond. De pilots worden geëvalueerd wat hun netto-effectiviteit betreft. Indien de maatregelen succesvol zijn, worden ze breder uitgerold en daarmee worden ze onderdeel van het reguliere beleid.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.13.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 13 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

97.515

148.410

278.628

309.023

278.398

317.108

– 38.710

Uitgaven

94.761

145.465

250.574

328.040

290.084

317.108

– 27.024

               

Inkomensoverdrachten

40.761

45.714

44.221

42.551

42.011

43.408

– 1.397

Remigratieregeling

39.266

44.834

44.105

42.500

42.000

43.408

– 1.408

Inburgering

1.495

880

116

51

11

0

11

               

Subsidies

8.504

6.641

7.546

11.931

8.397

10.482

– 2.085

Kennisinfrastructuur

5.546

2.845

2.708

2.841

2.644

2.450

194

Landelijk Overleg Minderheden

326

1.101

30

26

0

0

0

Vluchtelingenwerk

1.030

1.030

1.298

1.343

1.092

1.032

60

Overige subsidies

1.602

1.665

3.510

7.721

4.661

7.000

– 2.339

               

Opdrachten

12.504

8.738

9.310

12.118

9.241

14.202

– 4.961

Inburgering en Integratie

5.721

2.927

7.614

10.522

7.748

12.502

– 4.754

Programma integratie

5.083

4.111

0

0

0

0

0

Remigratie

1.700

1.700

1.696

1.596

1.493

1.700

– 207

               

Bijdrage aan agentschappen

7.950

8.943

10.640

14.661

17.771

14.598

3.173

DUO

7.950

8.943

10.640

14.661

17.771

14.598

3.173

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

8.759

27.282

74.577

76.073

22.212

76.258

– 54.046

COA

8.759

27.282

74.577

76.073

22.212

76.258

– 54.046

               

Leningen

16.283

48.147

104.280

170.706

190.452

158.160

32.292

DUO

16.283

48.147

104.280

170.706

190.452

158.160

32.292

               

Ontvangsten

7.933

4.357

4.727

10.378

3.191

1.200

1.991

Ontvangsten algemeen

6.466

3.263

3.587

7.955

702

200

502

Leningen

1.467

1.094

1.140

2.423

2.489

1.000

1.489

A. Inkomensoverdrachten

Toelichting financiële instrumenten

De Remigratiewet biedt een uitweg aan personen die naar Nederland kwamen voor arbeid en vestiging, maar nu een dringende wens tot terugkeer hebben, doordat zij in een uitzichtloze situatie van afhankelijkheid (uitkeringssituatie) verkeren en zelf hun remigratie niet kunnen bekostigen. Om daarvoor in aanmerking komende personen in staat te stellen naar hun herkomstland terug te keren, kan een remigratie-uitkering worden aangevraagd. De SVB voert de Remigratiewet uit.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2018 is ruim € 1 miljoen minder aan remigratie-uitkeringen uitgegeven dan bij begroting voorzien werd. Dit hangt samen met een daling in het aantal uitkeringen, die samenhangt met de wetswijziging in 2013, waardoor de eisen voor het verkrijgen van een uitkering verscherpt zijn.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.13.3 Kerncijfers Remigratie1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Aantal remigranten met een periodieke uitkering (x 1.000 personen, ultimo)2

14

15

14

14

14

14

0

X Noot
1

SVB, jaarverslag.

X Noot
2

Inclusief nihil-uitkeringen: remigrant heeft recht op remigratie-uitkering, maar na verrekening van andere, exporteerbare uitkeringsgelden wordt het bedrag op nihil vastgesteld.

B. Subsidies

In 2018 is circa € 2 miljoen minder uitgegeven aan subsidies dan begroot. Er zijn minder incidentele subsidies verstrekt dan op basis van eerder aangekondigde aanvragen verwacht werd. In één geval was de toekenning van het bedrag lager dan eerder verwacht werd.

C. Opdrachten

In 2018 werd om verschillende redenen voor circa € 5,0 miljoen minder aan opdrachten verstrekt dan bij de begroting werd voorzien. De middelen voor VIA en Nieuwkomersbeleid kwamen als gevolg van het beleidsbrieftraject pas in mei beschikbaar, waardoor voorstellen pas laat tot uitvoering konden komen. In enkele gevallen was meer tijd nodig voor inkooptrajecten. Verder is een aantal inkooptrajecten niet doorgegaan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 4.13.4 Kerncijfers Inburgering
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Inburgeringsplichtige nieuwkomers die een kennisgeving van DUO krijgen (x 1.000 personen, ultimo)1

19

26

34

23

20

26

– 6

Inburgeraars die slagen voor het inburgeringsexamen of NT2-examen (x 1.000 personen, ultimo)1

13

7

10

13

24

19

5

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de voorbereiding op inburgering in de opvang van COA (x 1.000 personen, ultimo)2

5,6

10,3

13

8,4

4,6

9,0

– 4,4

Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de maatschappelijke begeleiding door gemeenten (x 1.000 personen, ultimo)2

5,9

13

20

26

11

24

– 13

X Noot
1

DUO, informatiesysteem Inburgering.

X Noot
2

COA, voortgangsrapportages.

D. Bijdrage aan agentschappen

Aan DUO is in 2018 € 3 miljoen meer overgemaakt dan in de oorspronkelijke begroting was opgenomen. Deze meeruitgaven komen met name voort uit het sterk gestegen aantal examens dat sinds eind 2017 door DUO moet worden afgenomen in het kader van de Wet inburgering.

E. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Aan COA is in 2018 ten behoeve van voorinburgering en maatschappelijke begeleiding € 54 miljoen minder uitgegeven dan ten tijde van de begrotingsopstelling werd voorzien. Deze onderuitputting hangt samen met een volumedaling bij maatschappelijke begeleiding, die werd veroorzaakt door het achterblijven van plaatsingen van vergunninghouders (asielmigranten met verblijfstatus) bij gemeenten. Tevens werd de financieringssystematiek van de maatschappelijke begeleiding aangepast (achteraf op basis van realisaties).

F. Leningen

In 2018 werd ruim € 32 miljoen meer aan leningen verstrekt dan bij begroting was geraamd. De oorzaak daarvan is een toename van het aantal opgenomen leningen, terwijl ook het gemiddeld leenbedrag is toegenomen.

Tabel 4.13.5 Kerncijfers leningen1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Toegekende leningen

             
 

Aantal aan inburgeraars toegekende leningen (x 1.000 personen, ultimo)

10

18

26

23

23

21

2

 

Totaal bedrag toegekende leningen (x € 1 mln, ultimo)

16

48

104

170

190

158

32

                 

Terugbetaalde leningen

             
 

Aantal terugbetalende inburgeraars die in het betreffende jaar een terugbetaling op hun lening doen (x 1.000 personen, ultimo)

1

2

3

5

5

1

4

 

Totaal bedrag terugbetaalde leningen in het betreffende jaar inclusief rente (x € 1 mln, ultimo)

2

1

1

2

2

1

1

                 

Kwijtgescholden leningen

             
 

Aantal kwijtgescholden leningen (x 1.000 personen, ultimo)

0

0

2

5

10

10

0

 

Totaal bedrag kwijtgescholden leningen inclusief rente (x € 1 mln, ultimo)

0

1

8

32

78

80

– 2

X Noot
1

DUO, Informatiesysteem Inburgering.

G. Ontvangsten

In 2018 werd circa € 2 miljoen meer ontvangen dan aanvankelijk bij begroting voorzien werd. Zo werd er ruim € 1 miljoen meer aan leningen terugbetaald dan verwacht, en werd van UWV meer ontvangen aan verrekeningen van uitkeringen.

5. NIET-BELEIDSARTIKELEN

96. Apparaatsuitgaven kerndepartement

Artikel

Dit artikel bevat alle personele en materiële uitgaven en bijbehorende ontvangsten van het Ministerie van SZW. In beleidsartikel 11 zijn de bijdragen aan ZBO’s verder toegelicht.

Budgettaire gevolgen

Tabel 5.96.1 Apparaatsuitgaven kerndepartement budgettaire uitgaven (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

256.278

288.815

252.321

274.694

309.776

308.856

920

Uitgaven

250.857

291.218

255.510

265.018

302.402

308.856

– 6.454

                 

Personele uitgaven

179.912

186.049

197.625

206.042

244.120

243.745

375

 

waarvan eigen personeel

173.719

177.265

189.394

198.259

230.573

234.222

– 3.649

 

waarvan externe inhuur

3.470

6.427

5.846

5.004

11.348

6.636

4.712

 

waarvan overige personele uitgaven

2.723

2.357

2.385

2.779

2.199

2.887

– 688

                 

Materiële uitgaven

70.945

105.169

57.885

58.976

58.282

65.111

– 6.829

 

waarvan ICT

13.004

10.400

6.013

5.556

6.962

9.555

– 2.593

 

waarvan bijdrage aan SSO's

46.394

81.784

38.607

38.187

41.254

39.770

1.484

 

waarvan overige materiële uitgaven

11.547

12.985

13.265

15.233

10.066

15.786

– 5.720

                 

Ontvangsten

4.761

4.569

13.563

22.300

26.216

36.655

– 10.439

A. Personele en materiële uitgaven

Kerndepartement inclusief RSO

A1. Eigen personeel

De € 3,6 miljoen lagere uitgaven dan begroot worden verklaard door de latere aansluiting van departementen op de RSO. De latere aansluiting zorgt voor lagere personeelslasten van RSO.

A2. Externe inhuur

De € 4,7 miljoen hogere uitgaven dan begroot komen doordat er externe inhuur is ingezet op automatiseringsprojecten. De hiervoor beschikbare middelen zijn gedurende het jaar overgeboekt vanaf het ICT-budget.

A3. Overige personele uitgaven

De € 0,7 miljoen lagere uitgaven dan begroot worden verklaard door een sterke afname van het aantal WW-uitkeringen onder de post-actieven in 2018 en door een herziening van de eerdere toekenningen aan de post-actieven.

A4. ICT

De € 2,6 miljoen lagere uitgaven dan begroot worden aan de ene kant verklaard doordat begrote middelen op ICT niet zijn aangewend voor materiële ICT-uitgaven maar voor de inhuur van externen ten behoeve van automatiseringsprojecten en aan de andere kant door onderbenutting van het budget in 2018, waarvan een deel doorschuift naar 2019.

A5. Bijdrage aan SSO’s

De € 1,5 miljoen hogere uitgaven dan begroot worden verklaard door een herschikking binnen de budgetten van de RSO. Een deel van het budget onder overige materiële uitgaven heeft betrekking gehad op uitgaven die verantwoord worden onder bijdrage aan SSO’s.

A6. Overige materiële uitgaven

De € 5,7 miljoen lagere uitgaven dan begroot worden verklaard door een herschikking binnen de budgetten van RSO, zie onder bijdrage aan SSO’s en door de latere aansluiting van departementen op de RSO. Ten slotte wordt het deel van de materiële uitgaven dat betrekking had op directe doorbelasting van schoonmaakwerkzaamheden RSO verantwoord op een rekening buiten begrotingsverband.

B. Ontvangsten

De ontvangsten zijn in 2018 lager uitgekomen dan begroot met name doordat er minder departementen bij de RSO zijn aangesloten dan verwacht, wat leidt tot minder inkomsten voor de RSO. Daarnaast is de doorbelasting aan Brzo-bedrijven van de toezichtkosten van inspecties niet doorgegaan.

Rijksschoonmaakorganisatie (RSO)

De RSO is in 2016 gestart met het uitvoeren van de schoonmaakactiviteiten. De voorbereidingen zijn gestart in 2014. De opbouw van de organisatie zal in de komende jaren geleidelijk plaatsvinden naar gelang er meer departementen aansluiten. De bijbehorende uitgaven komen ten laste van de begroting van het Ministerie van SZW. De schoonmakers zijn in dienst van het Rijk.

Ter financiering van aanloopkosten van de RSO is voor de eerste jaren een transitiebudget voorzien, omdat de inkomsten in de eerste jaren onvoldoende zijn om de uitgaven te dekken.

Tabel 5.96.2 laat de apparaatuitgaven van RSO afzonderlijk zien. Zowel de uitgaven als ontvangsten kennen een lagere realisatie dan in de begroting werd voorzien, doordat bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie nog niet in 2018 is aangesloten. Daarnaast worden de uitgaven en vergoedingen die verband houden met directe doorbelasting van schoonmaakwerkzaamheden aan opdrachtgevers sinds 2018 verantwoord op een rekening buiten begrotingsverband. Ten slotte zal een deel van de overige schoonmaakvergoedingen niet in 2018 maar in 2019 worden ontvangen omdat de facturatie aan het einde van 2018 heeft plaatsgevonden.

Tabel 5.96.2 Extracomptabele tabel apparaatsuitgaven kerndepartement en apparaatsuitgaven RSO (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Kerndepartement exclusief RSO

             

Uitgaven

249.897

288.976

245.314

243.805

274.118

275.199

– 1.081

Ontvangsten

4.761

4.569

3.576

2.396

4.126

7.377

– 3.251

               

Rijksschoonmaakorganisatie

             

Uitgaven

960

2.242

10.196

21.213

28.284

33.657

– 5.373

Ontvangsten

0

0

9.987

19.904

22.090

29.278

– 7.188

Totaaloverzicht

Tabel 5.96.3 geeft een samenvatting van de apparaatsuitgaven van het kerndepartement, het (voormalig) Agentschap SZW en van de ZBO’s en RWT’s van het ministerie. De toelichting op de ontwikkeling bij het kerndepartement is te vinden bij tabel 5.96.1. Zie beleidsartikel 11 en bijlage E1 voor een toelichting op de ZBO’s/RWT’s, en artikel 98 voor Agentschap SZW.

Tabel 5.96.3 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en ZBO’s/RWT’s (x € 1.000)
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie

250.857

291.218

255.510

265.018

302.402

308.856

– 6.454

               

Totaal apparaatskosten agentschap

19.091

15.997

16.106

15.332

47

0

47

Agentschap SZW

19.091

15.997

15.997

15.332

47

0

47

               

Totaal apparaatskosten ZBO’s1 en RWT’s

2.134.164

2.035.028

1.943.346

2.021.872

1.949.782

1.982.602

– 32.820

UWV (inclusief BKWI)

1.908.187

1.807.067

1.726.331

1.784.939

1.695.784

1.751.078

– 55.294

SVB

219.405

221.590

210.012

230.224

247.7182

225.255

22.463

IB

6.572

6.371

7.003

6.709

6.280

6.269

11

X Noot
1

Dit betreft zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde kosten. De ontvangsten artikel 11 zijn in mindering gebracht op de uitgaven.

Bezetting

De bezetting is in totaal met 420 fte toegenomen ten opzichte van 2017. Dit doet zich enerzijds voor bij de Inspectie SZW ten gevolge van het Inspectie Control Framework dat zorgt voor een versterking van de handhavingsketen en anderzijds bij de RSO doordat steeds meer departementen aansluiten.

Tabel 5.96.4 Bezettingsoverzicht (fte)
 

Realisatie

2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Kerndepartement exclusief RSO

2.254

2.265

2.226

2.227

2.429

RSO

0

12

260

398

616

Bezetting totaal ultimo

2.254

2.277

2.486

2.625

3.045

Concrete maatregelen voor invulling van de taakstelling 2016–2018

Invulling taakstelling

De taakstelling is voor het kerndepartement SZW onder meer ingevuld door een verdere versobering van de bedrijfsvoering. Voorts zijn de processen rond het beroep en bezwaar van de Wet Arbeid Vreemdelingen vereenvoudigd en gestroomlijnd. SZW heeft de taakstelling van het kerndepartement extra verhoogd om hiermee formatieplaatsen te kunnen creëren voor medewerkers uit de doelgroep kwetsbare groepen.

De taakstelling van het UWV en de SVB is ingevuld door besparingsmogelijkheden als gevolg van aanpassing in werkprocessen en efficiëntiemaatregelen.

Tabel 5.96.5 Extracomptabele tabel invulling taakstelling (x € 1.000)
 

2016

2017

2018

Structureel

Departementale taakstelling (totaal)

23.354

52.803

64.978

64.978

         

Kerndepartement

3.354

7.703

9.378

9.378

         

ZBO’s totaal

20.000

45.100

55.600

55.600

UWV (inclusief BKWI)

17.700

39.700

48.900

48.900

SVB

2.300

5.400

6.700

6.700

98. Algemeen

Artikel

Op dit artikel worden de niet naar beleidsartikelen toe te rekenen budgetten verantwoord.

Budgettaire gevolgen

Tabel 5.98.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 98 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

42.548

23.605

36.414

35.474

28.335

29.041

– 706

Uitgaven

39.442

27.550

34.334

32.974

22.559

31.084

– 8.525

               

Subsidies

244

191

1.714

2.367

2.582

2.043

539

               

Opdrachten

14.271

9.186

12.075

9.040

14.430

22.998

– 8.568

Handhaving

851

724

627

641

478

4.984

– 4.506

Opdrachten overig

13.420

8.462

11.448

8.399

13.952

18.014

– 4.062

               

Bekostiging

2.260

3.295

3.666

4.010

4.158

3.170

988

Uitvoeringskosten Caribisch Nederland

2.260

3.295

3.666

4.010

4.158

3.170

988

               

Bijdrage aan medeoverheden

5.633

0

0

0

0

0

0

Verzameluitkering SZW

5.633

0

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan agentschappen

15.352

13.086

15.576

16.631

287

673

– 386

Agentschap SZW

14.898

12.694

15.077

16.234

47

0

47

Rijksdienst Ondernemend Nederland

454

392

387

286

144

513

– 369

Agentschap CJIB

0

0

112

111

96

160

– 64

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

1.682

1.792

1.303

926

1.102

2.200

– 1.098

Ministerie van Financiën

1.682

1.792

1.303

926

1.102

2.200

– 1.098

               

Ontvangsten

9.779

438

798

1.460

745

412

333

A. Subsidies

Toelichting

Gedurende de begrotingsuitvoering is door middel van budgettair neutrale herschikkingen budget toegevoegd aan artikel 98. Hierdoor komen de gerealiseerde uitgaven € 0,5 miljoen hoger uit dan begroot. De gerealiseerde uitgaven hebben betrekking op subsidies aan de VNG voor handhavingsactiviteiten en gegevensuitwisseling, aan TNO voor project Fieldlab, aan Stichting Nationale DenkTank, aan Landelijk Platform GGZ en de stichting Studeren op maat.

B. Opdrachten

B1. Handhaving

Van het handhavingsbudget op artikel 98 is als budgettair neutrale herschikking gedurende de begrotingsuitvoering € 1,9 miljoen naar andere budgetten overgeboekt. Dit is voor handhavingsactiviteiten uitgevoerd door de SVB en het UWV (€ 1,2 miljoen), naar artikel 1 (€ 0,1 miljoen), naar artikel 13 (€ 0,2 miljoen), ontvangen van andere departementen (-/- € 0,1 miljoen) en voor het verstrekken van subsidies binnen artikel 98 (€ 0,5 miljoen).

De gerealiseerde uitgaven voor opdrachten handhaving bestaan uit rentekosten en terugbetaling van opgelegde boetes (€ 0,5 miljoen). Van het resterend budget is € 2,6 miljoen niet uitgegeven.

B2. Opdrachten overig

De realisatie op het budget voor Opdrachten overig is € 4,1 miljoen lager dan begroot. De gerealiseerde lagere uitgaven treden op bij onderzoeksopdrachten, primaire processen, voorlichting en overige opdrachten. De gerealiseerde uitgaven voor opdrachten overig bestaan uit kosten auto’s van de Inspectie SZW (€ 2,8 miljoen), onderzoek (€ 2,8 miljoen), primair proces (€ 1,4 miljoen), voorlichtingscampagnes (€ 1,0 miljoen), voorlichting (€ 0,7 miljoen), beleidsinformatie aangeleverd door het CBS en Panteia (€ 4,3 miljoen) en overige opdrachten (€ 0,9 miljoen).

C. Bekostiging

De gerealiseerde uitgaven van de SZW-unit van de RCN zijn € 1,0 miljoen hoger dan begroot. In 2018 is voor het verbeterplan rechtmatigheid bij RCN € 1,4 miljoen aan het budget toegevoegd. Hiervan is € 0,7 miljoen middels een kasschuif overgeboekt naar 2019. Ter compensatie van de wisselkoersschommelingen tussen de euro en de Antilliaanse gulden is € 0,3 miljoen aan het budget toegevoegd.

D. Bijdrage aan agentschappen

D1. Agentschap SZW

Er is een eindafrekening geweest van het voormalige Agentschap SZW.

D2. Rijksdienst Ondernemend Nederland

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft € 0,4 miljoen minder doorbelast dan begroot. De kosten van certificering van de betaalaanvragen voor Europese subsidies bij de Europese Commissie en de uitvoeringskosten van de Borgstellingsregeling zijn in 2018 lager uitgevallen.

D3. Agentschap Centraal Justitieel Incasso Bureau

De realisatie voor 2018 voor de uitvoeringskosten voor het innen van door de Inspectie SZW opgelegde bestuurlijke boetes door het Agentschap CJIB is € 0,1 miljoen.

E. Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan het Ministerie van Financiën ten behoeve van controlewerkzaamheden ESF is € 1,1 miljoen lager dan begroot. De controlewerkzaamheden van de ESF-projecten 2007–2013 zijn aan het afnemen en voor het EGF 2018 worden de controles pas in 2019 gedaan, dit leidt tot lagere uitgaven dan ten tijde van de begroting was voorzien.

F. Ontvangsten

De gerealiseerde ontvangsten hebben betrekking op algemene ontvangsten en restituties op afrekeningen subsidies en opdrachten over voorgaande jaren (€ 0,7 miljoen).

99. Nominaal en onvoorzien

Artikel

Op dit artikel worden de uitgaven verantwoord voor loon- en prijsbijstelling en voor onvoorziene uitgaven.

Budgettaire gevolgen

Tabel 5.99.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 99 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Begroting 2018

Verschil 2018

Verplichtingen

0

0

0

0

0

68.718

– 68.718

Uitgaven

0

0

0

0

0

68.718

– 68.718

               

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

 

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

 

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

               

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

 

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

 

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

               

Onvoorzien

0

0

0

0

0

68.718

– 68.718

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

A. Overige beleidsuitgaven

Toelichting

De grondslag voor dit onderdeel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel op te nemen ten behoeve van de voorlopige verwerking van de loon- en prijsindexering, een taakstelling of een ander nog te verdelen begrotingsbedrag.

Onvoorzien

Gedurende de begrotingsuitvoering 2018 zijn diverse op dit artikel geplaatste bedragen, onder andere € 5,5 miljoen voor de uitbreiding van de examencapaciteit DUO, overgeheveld naar de desbetreffende beleidsartikelen. Daarnaast zijn er meerdere overboekingen met andere departementen en begrotingen verwerkt. Naar het Gemeentefonds is € 1,9 miljoen overgeboekt voor Groningen en € 2,2 miljoen voor herstructurering Wsw. Ook zijn diverse kasschuiven doorgevoerd (€ 39,5 miljoen) naar latere jaren om beter aan te sluiten bij het benodigde kasritme van de maatregelen. Bij de 2e suppletoire wet is reeds € 18,7 miljoen vrijgevallen. Uiteindelijk bleef een bedrag van € 1 miljoen over waar geen beroep meer op is gedaan.

6. BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

De bedrijfsvoeringsparagraaf bevat een rapportage over de bedrijfsvoering van het Ministerie van SZW. Hiermee geeft SZW aan in hoeverre er sprake is van beheerste bedrijfsprocessen en maakt SZW waar nodig melding van bijzonderheden, onvolkomenheden en onrechtmatigheden. De belangrijkste conclusie is dat de bedrijfsvoering en het financieel beheer binnen SZW in het algemeen goed op orde zijn. Dat is in lijn met voorgaande jaren. Teneinde de kwaliteit van de bedrijfsvoering te behouden en waar mogelijk verder te vergroten resteert nog een aantal aandachtspunten. Deze aandachtspunten en de acties die daarop lopen worden toegelicht, aan de hand van de onderwerpen genoemd in de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften.

6.1 Uitzonderingsrapportage

6.1.1 Rechtmatigheid

In 2018 zijn bij vier begrotingsartikelen met uitgaven voor de Rijksdienst Caribisch Nederland unit SZW (RCN-unit SZW) fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid vastgesteld die de rapporteringstolerantie overschrijden. Zie hiervoor tabel 6.1. In paragraaf 6.1.3 wordt verder ingegaan op het financieel en materieel beheer bij de RCN-unit SZW.

Tabel 6.1 Overzicht overschrijdingen rapporteringstoleranties fouten en onzekerheden

(1) Rapporteringstolerantie

(2) Verantwoord bedrag in € (omvangsbasis)

(3) Rapporteringstolerantie voor fouten en onzekerheden in €

(4) Bedrag aan fouten in €

(5) Bedrag aan onzekerheden in €

(6) Bedrag aan fouten en onzekerheden in €

(7) Percentage aan fouten en onzekerheden t.o.v. verantwoord bedrag = (6)/(2)*100%

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

812.079

81.208

38.084

58.417

96.501

11,9%

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

7.903.236

790.324

0

1.069.224

1.069.224

13,5%

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

23.008.910

2.300.891

445.760

1.783.040

2.228.800

1

Artikel 9 Nabestaanden

1.019.934

101.993

68.637

73.123

141.760

13,9%

X Noot
1

Rapporteringstolerantie wordt overschreden door maximale fout opgeteld met meest waarschijnlijke onzekerheid.

6.1.2 Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden te melden.

6.1.3 Financieel en materieel beheer

Inkoopbeheer

In 2018 heeft SZW het inkoopbeheer op onderdelen verbeterd, onder andere door het opstellen van een spendanalyse over 2017 en over de eerste helft van 2018. Met de spendanalyse kan SZW achteraf controleren of de inkoopuitgaven rechtmatig zijn uitgevoerd. SZW ontwikkelt de spendanalyse in 2019 verder door. Daarnaast heeft SZW in 2018 meer zicht gecreëerd op managementbesluiten door deze centraal vast te leggen in plaats van deze decentraal te laten registeren door de dienstonderdelen. In 2019 voegt SZW follow-upinformatie toe aan het overzicht van managementbesluiten. Bij het vaststellen van een managementbesluit (voorafgaand aan het inkooptraject) is nog niet alle informatie over de onrechtmatigheid bekend. De procedure voor managementbesluiten is eind 2018 herschreven en is begin 2019 vastgesteld. Met de herziene procedure verwacht SZW beter zicht te hebben op onrechtmatigheden en uitzonderingen die voortkomen uit de wetgeving.

Verschillende dienstonderdelen zijn in afstemming met de Haagse Inkoop Samenwerking (HIS) in 2018 overgestapt naar volledig inkopen via DigiInkoop Compact. In 2019 gaan ook de andere dienstonderdelen over op dit systeem. SZW werkte in 2018 met de HIS aan het toegankelijk maken van dossiers en het doorvoeren van verbeteringen in contractmanagement. Dit heeft in 2018 nog niet tot resultaat geleid. Naar verwachting worden de resultaten van deze verbeteringen in 2019 zichtbaar.

Financieel beheer Rijksdienst Caribisch Nederland

De Algemene Rekenkamer (AR) kende in het verantwoordingsonderzoek (VO) 2016 een onvolkomenheid toe aan het financieel beheer van de uitkeringen voor inwoners van Caribisch Nederland. Als reactie hierop is in 2017 door de RCN-unit SZW het Plan van aanpak verbetering rechtmatigheid en financieel beheer opgesteld en gedeeltelijk uitgevoerd. In 2018 is progressie gemaakt op het afronden van de archiveringsslag. De RCN-unit SZW heeft een controlejaarkalender opgesteld en deels geïmplementeerd en een contract voor een contentmanagementsysteem (een kennissysteem) afgesloten. Voor een aantal dossiers die in 2010 zijn overgedragen door de voormalige Sociale Verzekeringsbank van de Nederlandse Antillen is sprake van blijvende onvolledigheid, omdat bij deze dossiers zowel de aanvragen als de toekenningsbeschikkingen ontbreken. De genomen steekproef over 2018 bevat onder andere dossiers van voor 2010. Deze dossiers kunnen niet meer worden hersteld, maar zijn wel van invloed op de rechtmatigheid. Er wordt bezien in hoeverre in de controle voor het verantwoordingsjaar 2019 een onderscheid gemaakt kan worden tussen de dossiers van voor 2010 en de dossiers na 2010.

Het is de RCN-unit SZW niet gelukt alle beoogde maatregelen ter verbetering van de rechtmatigheid en het financieel beheer in 2018 te realiseren. Eén van de oorzaken is het tekort aan personele capaciteit. Een tweede oorzaak is de lange doorlooptijd voor de noodzakelijke ICT-aanpassingen. Een extern bureau ondersteunt de RCN-unit SZW bij het vinden van een passende oplossing. Ook biedt het externe bureau ondersteuning bij de voorbereiding op de aansluiting bij het betaalsysteem van de Belastingdienst Caribisch Nederland (BCN). Zoals vermeld in de Kamerbrief van 17 mei 2018 (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 XV, nr. 106) vergt het ICT-traject vanwege aanbestedingsrechtelijke aspecten meer tijd. Eind 2018 is als tussenmaatregel een steekproef gestart voor de controle van de juistheid van betalingen. Ten slotte, is de controlejaarkalender niet volledig uitgevoerd en zijn omissies in de uitvoering niet tijdig opgemerkt.

Financieel beheer 3F

Op aanbeveling van de AR heeft SZW afspraken gemaakt met SSC-ICT over de verantwoording van het gevoerde technische beheer van het 3F-systeem. In de kwartaalrapportages zijn zowel de incidenten als overige beheertaken door SSC-ICT opgenomen. Daarmee is voor SZW als systeemeigenaar inzichtelijk welke beheertaken in het 3F-systeem door SSC-ICT zijn uitgevoerd.

De Auditdienst Rijk (ADR) heeft in 2018 bij het 3F-systeem geconstateerd dat de beheersmaatregelen van SSC-ICT op het terrein van gebruikersbeheer en beveiliging van componenten niet effectief zijn. Het fundament voor een betrouwbare financiële administratie kan als gevolg daarvan ontbreken. Dit zorgt mogelijk voor risico’s bij de continuïteit van het 3F-systeem en de beveiliging van data. SZW en SSC-ICT hebben begin 2019 verbetermaatregelen afgesproken. SZW bewaakt de voortgang van de uitvoering van de verbetermaatregelen.

Financieel beheer Rijksschoonmaakorganisatie

Het financieel beheer bij de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) was in 2018 onvoldoende op orde. Dit heeft geleid tot onzekerheden in de verantwoording ten aanzien van zowel de uitgaven als de ontvangsten. Onzekerheden betreffen bijvoorbeeld uitbetaling van overwerk (uitgaven) en te laat vastgestelde dienstverleningsafspraken (ontvangsten). SZW heeft bijzondere aandacht voor het oplossen van de tekortkomingen. De aanbevelingen van de ADR in 2018 bieden goede handvatten voor verbetering. In 2018 is gestart met het aanpakken van tekortkomingen. In 2019 zet de RSO in op oplossingen die moeten leiden tot structurele verbeteringen. Begin 2019 zijn de uitkomsten beschikbaar van het aangevraagde ADR-onderzoek naar de sturing en beheersing van de RSO. Deze uitkomsten worden gebruikt bij de verdere verbetering van de bedrijfsvoering.

6.1.4 Overige aspecten van bedrijfsvoering

Informatiebeveiliging

De centrale inrichting van informatiebeveiliging is in 2018 versterkt door het aanstellen van een Veiligheid en Privacy-liaison (VP-liaison) per werkveld. In 2018 is de Zelfevaluatie Integrale Beveiliging en Privacy als toezichtsinstrument verder ontwikkeld. Op basis van de Zelfevaluaties van de organisatieonderdelen zijn geen substantiële risico’s geconstateerd ten aanzien van bedrijfskritische processen en informatiesystemen. SZW heeft over 2018 een positieve In Control Verklaring (ICV) afgeven voor informatiebeveiliging. De transitie van de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst (BIR) 2012 naar BIR 2017 vraagt in 2019 aandacht. De RCN-unit SZW heeft de verbetermaatregelen voor informatiebeveiliging grotendeels in 2018 uitgevoerd en pakt de resterende (meerjarige) verbetermaatregelen in 2019 verder op. De personele continuïteit in de organisatie van de informatiebeveiliging van de RCN-unit SZW is daarbij een aandachtspunt.

6.2 Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Misbruik en oneigenlijk gebruik (MenO) risico’s en ontwikkelingen betreffende het MenO-beleid

SZW heeft als uitgangspunt dat het regelgeving tot stand brengt die zo min mogelijk gevoelig is voor misbruik of oneigenlijk gebruik. Er is sprake van MenO-gevoeligheid bij elke regeling waarbij er afhankelijkheid is van (door derden geleverde) gegevens over bijvoorbeeld inkomen, vermogen, leefsituatie en door subsidieaanvragers verstrekte gegevens. SZW heeft maatregelen getroffen in de processen om MenO-risico’s te beheersen, bijvoorbeeld via voorlichting door SZW en uitvoerders aan aanvragers. Daarnaast zijn in de wet- en regelgeving voor uitvoerders bevoegdheden opgenomen om de rechtmatigheid van aanvragen vast te stellen. SZW brengt bij nieuwe en gewijzigde wet- en regelgeving de MenO-risico’s in kaart. Zo neemt SZW in de memorie van toelichting van nieuwe wetten een passage over MenO op. Bij elke regeling is in meer of mindere mate sprake van restrisico’s, bijvoorbeeld door afhankelijkheid van derden of beperkingen vanuit wet- en regelgeving (Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)). Deze restrisico’s worden conform standaard werkwijze indien mogelijk gekwantificeerd en door het verantwoordelijk management geaccepteerd. Met de uitvoerders zijn afspraken gemaakt over het melden van fraudesignalen aan SZW. Verder neemt SZW via de verantwoordingscyclus met de uitvoerders per regeling de geconstateerde fraude-aantallen en fraudebedragen op in het jaarverslag.

Om MenO actueel te houden heeft SZW in 2018 een aantal bijeenkomsten georganiseerd waarbij vertegenwoordigers vanuit de gehele keten van beleid tot uitvoering zijn uitgenodigd. Verder is SZW samen met het UWV een pilot gestart om te onderzoeken of het mogelijk is de restrisico’s voor de Wet arbeid en zorg (WAZO) te kwantificeren. SZW richt zich in 2019 op doorontwikkeling van de MenO-risicobeheersing, mede naar aanleiding van de fraude met de Werkloosheidswet die in 2018 aan het licht is gekomen (zie paragraaf 3 voor verdere toelichting). Voor de regelingen waarvoor nog geen inschatting van de MenO-risico’s en beheersmaatregelen is gemaakt, wordt dit alsnog in orde gemaakt. Onderdeel hiervan is het identificeren (en indien mogelijk kwantificeren) van de restrisico’s die – wanneer acceptabel – door het verantwoordelijk management worden geaccepteerd.

Grote lopende ICT-projecten

Het kerndepartement SZW kende in 2018 vier lopende projecten als onderdeel van de rapportage grote en risicovolle ICT-projecten: Wet tegemoetkoming loondomeinen (wtl), Inleenverbanden en Quotumwet (IQ), aansluiting van het UWV op Electronic Exchange of Social Security Information (EESSI) en aansluiting van de SVB op EESSI. Eind 2018 is vastgesteld dat zowel EESSI voor het UWV als EESI voor de SVB in aanmerking komen voor een toets door Bureau ICT-toetsing (BIT-toets). Deze zijn in het eerste kwartaal van 2019 aangevraagd. Bij het project Directe Financiering Kinderopvang zijn de voorbereidende werkzaamheden gestopt en het project is conform planning afgebouwd. Voor het project Continue Screening Kinderopvang, fase twee is in 2018 decharge verleend. Naar aanleiding van de motie Nijkerken-de Haan c.s. (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 126) is de implementatie van de inleenadministratie en de quotumheffing opgeschort.

De zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) van SZW leggen in hun jaarverslagen verantwoording af over grote en/of risicovolle ICT-projecten. Deze projecten worden op het Rijks ICT-dashboard opgenomen en minimaal éénmaal per jaar geactualiseerd. Het UWV heeft vijf projecten in uitvoering opgenomen: Basis Rapportage Voorziening, Verwerving Datacenter, Digitalisering Werkprocessen Bezwaar en Beroep, 1 UBO-ww en Transitie Werk.nl.

Betaalgedrag

SZW betaalde in 2018 93,9% van de facturen tijdig en voldeed daarmee niet aan de Rijksbrede norm van 95%. Hoewel het betaalproces binnen SZW in het algemeen goed verloopt, ondervond de RSO problemen in het tijdig betalen van de facturen. De forse stijging in het aantal ontvangen facturen bij de RSO in de tweede helft van 2018 leidde tot vertraagde betalingen. Diverse beheersmaatregelen zijn ingezet, zoals afspraken over de kwaliteit van facturen en monitoringsinformatie over openstaande facturen met derde partijen, vernieuwde procesafspraken en verstevigde monitoring waardoor knelpunten eerder worden gesignaleerd.

Activiteiten Audit Committee

Het Audit Committee (AC) is in 2018 vier keer samengekomen. Tijdens deze bijeenkomsten heeft het AC het management van SZW geadviseerd over risicomanagement, het borgen van de kwaliteit van de bedrijfsvoering en het auditbeleid. Bijvoorbeeld door kritisch mee te kijken op risicoanalyses en het conceptjaarverslag. Het AC heeft de tussentijdse bevindingen van de ADR besproken. In het bijzonder was er aandacht voor het financieel beheer bij de RCN-unit SZW. Tenslotte vervulde het AC haar zijlichtfunctie voor een aantal inhoudelijke onderwerpen, zoals de handhavingsketen en decentralisatie in het sociaal domein.

De in 2017 aangekondigde zelfevaluatie heeft in 2018 plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat het AC de samenwerking en haar functioneren als goed beoordeelt. Het AC heeft afgesproken om in 2019 enkele ontwikkelpunten op te pakken, zoals het steviger neerzetten van de betrokkenheid van het AC bij risicomanagement en het inbrengen van het Rijksbrede perspectief door de ADR in AC-overleggen.

Departementale checks and balances met betrekking tot subsidies

Ter bewaking en verbetering van de kwaliteit van het subsidie-instrument toetst SZW op juridische en financiële gevolgen, doelmatigheid en doeltreffendheid en op de uitvoering van het proces. SZW beschikt over een subsidieportaal op de intranetwebsite waar beleidsmedewerkers geïnformeerd worden over de afweging voor en de uitvoering van het subsidie-instrument. Op het subsidieportaal is onder meer een stappenplan voor de totstandkoming van een nieuwe subsidieregeling beschikbaar. Voor de uitvoering van incidentele subsidies is een werkproces met instructies voor medewerkers beschikbaar. Daarnaast is er sinds de uittreding van SZW uit de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I) periodiek overleg ingesteld over incidentele subsidies in het kader van procesverbetering en kennisdeling.

Normenkader financieel beheer

Er zijn geen beleidsmatige ontwikkelingen en algemene ontwikkelingen geweest in 2018 met betrekking tot het toezicht op het normenkader.

6.3 Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Ontwikkelingen in het kerndepartement SZW

Reorganisatie pSG-werkveld

Per 1 januari 2018 is de baten-lastendienst Agentschap SZW omgevormd tot Uitvoering Van Beleid (UVB), onderdeel van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering (DSU). In 2018 zijn de noodzakelijke stappen gezet om per 1 maart 2019 het nieuwe Organisatie en Formatie rapport (O&F-rapport) DSU formeel in te laten gaan.

Subsidiebeheer

Op 1 januari 2018 beëindigde SZW het partnerschap met DUS-I van VWS. DUS-I verzorgde vanaf 1 april 2016 de uitvoering van de nationale SZW-subsidies. Vanaf 2018 voert SZW de nationale subsidies van het eigen departement weer zelf uit. Het Financieel Diensten Centrum (FDC) heeft in 2018 het subsidieregister voor het bijhouden van tijdige verlening en vaststelling van subsidies handmatig bijgewerkt. Begin 2019 heeft het FDC een eerste stap gezet naar een digitaal subsidieregister. SZW heeft de werkprocessen en instructies voor medewerkers per 2018 aangepast aan de nieuwe situatie en eind 2018 aangescherpt. De beleidslijn voor het beoordelen van uurtarieven treedt voorjaar 2019 in werking. Daarnaast geeft SZW invulling aan de over 2017 benoemde verbeterpunten van de ADR voor het subsidiebeheer, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van staatssteuntoetsen en het bevoorschotten van subsidies.

Implementatie Algemene Verordening Gegevensbescherming

In 2018 is vervolg gegeven aan de implementatie van de AVG. Het AVG-implementatieproject heeft onder meer geleid tot de totstandkoming van het SZW-privacybeleid, een overzicht van alle gegevensverwerkingen, een reeks uitgevoerde Privacy Impact Assessments (PIA’s), een herzien proces rondom het melden van datalekken, vastgestelde afspraken met derde partijen omtrent de verwerking van persoonsgegevens en een verhoogd privacybewustzijn onder SZW-medewerkers.

Instroom arbeidsbeperkten

Vanaf 2018 geldt voor SZW, net als voor alle overheidswerkgevers, de quotumregeling. Om overheidswerkgevers de kans te geven een inhaalslag te maken, is bij activering bepaald dat over 2018 geen quotumheffingen worden opgelegd. In 2018 heeft SZW deze inhaalslag gerealiseerd door een dubbele aanpak te hanteren: SZW zocht kandidaten op basis van bestaande of nieuwe takenpakketten, maar zocht ook passende functies bij voorgedragen kandidaten. Hierbij heeft SZW onder andere gebruik gemaakt van Rijksbrede initiatieven. Op basis van het quotumpercentage moest SZW in 2018 78 banen voor arbeidsbeperkten realiseren. SZW startte begin 2018 met 45,1 banen. In de tweede helft van 2018 heeft SZW extra ingezet op het vergroten van de instroom en heeft hierdoor tot en met het derde kwartaal van 2018 61 banen gerealiseerd.

Re-integratie budget

De AR adviseerde SZW in het VO 2017 om op voorhand in de ontwerpbegroting de relatie te leggen tussen de uitgaven voor re-integratie, de verdeling tussen begrotings- en premiegefinancierde uitgaven en de gewenste doelstellingen. Ook was het advies om achteraf in het departementale jaarverslag een toelichting te geven op de relatie tussen de uitgaven aan re-integratie en de behaalde resultaten door het UWV. Vanaf de SZW-begroting 2019 staat daarom in de beleidsprioriteiten een tabel over re-integratie-inspanningen door het UWV. Daarbij neemt SZW in het jaarverslag 2019 bij artikel 3 Arbeidsongeschiktheid een extracomptabele tabel op met de verdeling van de re-integratiemiddelen bij het UWV over begrotings- en premiegefinancierde middelen.

Elektronische facturatie project vijf departementen

Conform de EU-Richtlijn «Elektronische facturering bij overheidsopdrachten» zijn alle aanbestedende diensten in Europa verplicht per november 2018 e-factureren te implementeren. Dit betekent dat de diensten e-facturen van leveranciers moeten kunnen ontvangen en verwerken. In Nederland is de EU-richtlijn uitgewerkt in de Aanbestedingswet en het Aanbestedingsbesluit. Deze wijzigingen gaan op 18 april 2019 in. Vooruitlopend op de EU-Richtlijn is in de Aanbestedingswet en het Aanbestedingsbesluit besloten dat de rijksoverheid vanaf 1 januari 2017 een elektronische factuur eist bij nieuwe overeenkomsten voor de levering van producten, verrichting van diensten of voor de uitvoering van werken van leveranciers. Dit ligt vast in het «Toepassingskader elektronisch factureren rijksoverheid». Tot nu toe werden leveranciers nog niet structureel aangesproken op de niet-naleving van de plicht tot e-facturatie. In 2018 zijn door de vijf bij het FDC aangesloten departementen de nodige voorbereidingen getroffen om de naleving van de inkoopvoorwaarde e-facturatie door leveranciers te stimuleren. De maatregelen starten in de loop van 2019.

Ontwikkelingen bij zelfstandige bestuursorganen en andere externe uitvoerders

Toezicht op zelfstandige bestuursorganen

In 2018 is tweemaal een stand van de uitvoering sociale zekerheid aan de Tweede Kamer aangeboden (Tweede Kamer, 2017–2018, 26 448, nr. 605 en Tweede Kamer, 2018–2019, 26 448, nr. 608). Het doel was om actief openheid te geven over prestaties en dilemma’s, ook bij de uitvoering. Daarom staan de brieven eveneens stil bij de uitdagingen die in de uitvoering spelen. In de brief van 20 december 2018 is aangegeven wat mogelijk risico’s zijn voor de uitvoering. Deze risico’s zijn opgenomen in de meerjarige risicoagenda’s die SZW heeft opgesteld in het kader van het toezichtbeleid en zijn onderwerp van gesprek met de ZBO’s. Daarnaast wordt bij de aanbieding van de SUWI-jaarverslagen 2018 een oordeel gegeven over de verslagen, waarbij wordt ingegaan op het doelbereik aan de hand van de prestaties van de reguliere uitvoering en de rechtmatige besteding van de publieke middelen. De bevindingen en risico’s vanuit het toezicht worden hierbij meegenomen.

Rechtmatigheidscontrole lage-inkomensvoordeel

SZW verantwoordt zich over de rechtmatige besteding van de lage-inkomensvoordeel-gelden (LIV-gelden). Het UWV is verantwoordelijk voor de beoordeling van het recht, hoogte en duur van het LIV en verwerkt dit op geheel geautomatiseerde wijze op basis van reeds bekende gegevens in de polisadministratie. De Belastingdienst betaalt de tegemoetkomingen vervolgens automatisch uit aan de werkgever. Voor het recht op LIV is daarom geen aanvraag van de werkgever nodig. Het UWV heeft, in opdracht van SZW, een onderzoek door de accountantsdienst van het UWV laten uitvoeren naar de rechtmatige besteding van de LIV-gelden. Uit het onderzoek zijn geen bijzonderheden gebleken.

Fraude Werkloosheidswet

In oktober 2018 sprak de Minister van SZW met de Tweede Kamer over uitkeringsfraude in de Werkloosheidswet (WW) door arbeidsmigranten. Betrokken WW-gerechtigden maskeren verblijf in het buitenland, al dan niet met behulp van tussenpersonen. Daarnaast zijn er uitkeringsgerechtigden die onterecht een uitkering ontvangen, omdat zij verwijtbaar werkloos zijn of passende arbeid weigeren. Dergelijk misbruik is kwalijk en ondermijnt het draagvlak van het sociale stelsel. Samen met het UWV is een pakket maatregelen ingezet (Tweede Kamer, 2018–2019, 17 050, nr. 545) om fraude met de WW beter te kunnen opsporen en aan te pakken. Verder is toegezegd om de Tweede Kamer beter te informeren over ontwikkelingen in signalen en vormen van fraude. Op 1 februari 2019 is de Tweede Kamer geïnformeerd over zowel de voortgang van de maatregelen als over de opzet van de signaleringsbrief die SZW in juni 2019 naar de Tweede Kamer stuurt (Tweede Kamer, 2018–2019, 17 050, nr. 569). Ook is ingegaan op de toekomstbestendige aanpak van fraude in het algemeen op basis van een extern onderzoek naar misbruikrisico’s bij het UWV en het daarbij ontwikkelen van een afwegingskader.

Inburgering

De Tweede Kamer is medio december 2018 geïnformeerd over een drietal kwesties in de uitvoering van het huidige inburgeringsstelsel en de getroffen beheersmaatregelen. Het betreft het verlaat opleggen van de inburgeringsplicht door problemen in de gegevensuitwisseling, het naar later bleek onterecht opleggen van de inburgeringsplicht in een aantal gevallen en het laat instellen van incasso’s (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 824, nr. 243). De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) rapporteert periodiek aan SZW over inburgeringsexamens. SZW werkt voor een beter beheer van de subsidie aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) vanaf 2019 met een jaaraanschrijving en een format voor de beoordeling van de jaarlijkse aanvraag en de verantwoording. Tenslotte zijn er in 2018 afspraken met DUO gemaakt om tot werkbare MenO procedures- en processen op het terrein van leningen te komen. DUO is daarbij gevraagd om over de voortgang te rapporteren in haar viermaandsrapportages aan SZW.

Governance van de persoonsgebonden budget-keten

Om de uitvoering van het trekkingsrecht persoonsgebonden budget (pgb) toekomstbestendig te maken is door de ketenpartijen (waaronder de SVB als uitvoerder) een nieuw PGB 2.0 systeem ontwikkeld. Voor de overdracht van het zorgdomein naar VWS is op 22 november 2018 een governancestructuur vastgesteld. Daarin zijn afspraken gemaakt over de verschillende rollen en verantwoordelijkheden, besluitvorming, samenwerking en de overlegstructuur. De governance blijft in 2019 onderwerp van gesprek, onder leiding van VWS als stelselverantwoordelijke.

Wet Kindgebonden Budget

Gebleken is dat de toekenning door Belastingdienst/Toeslagen op basis van de Wet op het Kindgebonden Budget (WKB) over 2018 en eerdere jaren niet goed is verlopen wanneer het kindgebonden budget eerder is stopgezet en de ouder op een later moment opnieuw aan de voorwaarden voor toekenning voldoet en reeds een andere toeslag ontvangt. Voor die situatie is ten onrechte aangenomen dat voor het herstarten van het kindgebonden budget het initiatief bij de ouder ligt. Als deze ouders niet zelf opnieuw kindgebonden budget hebben aangevraagd, hebben zij als gevolg van deze omissie geen kindgebonden budget ontvangen. Op 20 februari 2019 zijn Kamervragen beantwoord met betrekking tot dit onderwerp (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 010, nr. 7). In de bedrijfsvoeringsparagraaf van het Ministerie van Financiën is een nadere toelichting opgenomen.

ONDERDEEL C. JAARREKENING

7. DEPARTEMENTALE VERANTWOORDINGSSTAAT

Tabel 7.1 Departementale verantwoordingsstaat 2018 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) (bedragen x € 1.000)
   

(1)

(2)

(3) = (2) – (1)

Art.

Omschrijving

Vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

   

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

 

TOTAAL

31.935.422

32.002.648

1.885.541

34.327.100

34.412.240

1.845.340

2.391.678

2.409.592

– 40.201

 

Beleidsartikelen

31.528.807

31.593.990

1.848.474

33.988.989

34.087.279

1.818.379

2.460.182

2.493.289

– 30.095

1

Arbeidsmarkt

508.873

509.873

24.000

486.041

486.149

16.717

– 22.832

– 23.724

– 7.283

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

6.664.158

6.724.243

2.572

7.009.665

7.089.379

26.622

345.507

365.136

24.050

3

Arbeidsongeschiktheid

824

824

0

813

813

0

– 11

– 11

0

4

Jonggehandicapten

3.298.349

3.298.349

0

3.280.192

3.280.192

25.626

– 18.157

– 18.157

25.626

5

Werkloosheid

152.392

156.490

0

104.008

108.108

3.398

– 48.384

– 48.382

3.398

6

Ziekte en zwangerschap

8.618

8.618

0

7.904

7.904

0

– 714

– 714

0

7

Kinderopvang

2.853.198

2.853.198

1.548.224

2.955.372

2.958.302

1.510.526

102.174

105.104

– 37.698

8

Oudedagsvoorziening

24.447

24.447

0

23.009

23.009

0

– 1.438

– 1.438

0

9

Nabestaanden

1.348

1.348

0

1.020

1.020

0

– 328

– 328

0

10

Tegemoetkoming ouders

5.604.200

5.604.200

272.478

5.493.447

5.493.447

218.189

– 110.753

– 110.753

– 54.289

11

Uitvoering

498.574

498.574

0

496.490

496.242

11.638

– 2.084

– 2.332

11.638

12

Rijksbijdragen

11.596.718

11.596.718

0

13.852.630

13.852.630

2.472

2.255.912

2.255.912

2.472

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

317.108

317.108

1.200

278.398

290.084

3.191

– 38.710

– 27.024

1.991

                     
 

Niet-beleidsartikelen

406.615

408.658

37.067

338.111

324.961

26.961

– 68.504

– 83.697

– 10.106

96

Apparaatsuitgaven kerndepartement

308.856

308.856

36.655

309.776

302.402

26.216

920

– 6.454

– 10.439

98

Algemeen

29.041

31.084

412

28.335

22.559

745

– 706

– 8.525

333

99

Nominaal en onvoorzien

68.718

68.718

0

0

0

0

– 68.718

– 68.718

0

8. SALDIBALANS

Tabel 8.1 Saldibalans per 31 december 2018 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) (Bedragen x € 1.000)

Activa

31-12-2018

31-12-2017

 

Passiva

31-12-2018

31-12-2017

Intracomptabele posten

             

1)

Uitgaven ten laste van de begroting

34.412.233

31.816.559

 

2)

Ontvangsten ten gunste van de begroting

1.845.335

1.855.843

3)

Liquide middelen

0

0

         

4)

Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding

0

0

 

4a)

Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding

32.618.755

30.017.220

5)

Rekening-courant RHB Begrotingsreserve

0

0

 

5a)

Begrotingsreserves

0

0

6)

Vorderingen buiten begrotingsverband

65.820

70.189

 

7)

Schulden buiten begrotingsverband

13.963

13.686

8)

Kas-transverschillen

0

0

         

Subtotaal intracomptabel

34.478.053

31.886.748

 

Subtotaal intracomptabel

34.478.053

31.886.748

                 

Extracomptabele posten

             

9)

Openstaande rechten

0

0

 

9a)

Tegenrekening openstaande rechten

0

0

10)

Vorderingen

1.155.396

1.082.115

 

10a)

Tegenrekening vorderingen

1.155.396

1.082.115

11a)

Tegenrekening schulden

0

0

 

11)

Schulden

0

0

12)

Voorschotten

14.028.182

14.357.100

 

12a)

Tegenrekening voorschotten

14.028.182

14.357.100

13a)

Tegenrekening garantieverplichtingen

0

10

 

13)

Garantieverplichtingen

0

10

14a)

Tegenrekening andere verplichtingen

365.112

518.305

 

14)

Andere verplichtingen

365.112

518.305

15)

Deelnemingen

0

0

 

15a)

Tegenrekening deelnemingen

0

0

Subtotaal extracomptabel

15.548.690

15.957.529

 

Subtotaal extracomptabel

15.548.690

15.957.529

                 

Algeheel totaal

50.026.743

47.844.277

 

Algeheel totaal

50.026.743

47.844.277

Toelichting bij de Saldibalans

Het intracomptabele deel van de saldibalans (financiële posten 1 t/m 8) bevat het resultaat van de financiële transacties in de departementale administratie die een directe relatie hebben met de kasstromen. Deze kasstromen worden via de rekening-courant met het Ministerie van Financiën bijgehouden.

Het extracomptabele deel bevat het saldo van de overige rekeningen die met sluitrekeningen in evenwicht worden gehouden.

De cijfers in de saldibalans zijn vermeld in duizendtallen en afgerond naar boven. Hierdoor kunnen bij het subtotaal en het totaal afrondingsverschillen optreden.

Ad 1 en 2 Uitgaven ten laste van en ontvangsten ten gunste van de begroting.

Onder de posten uitgaven en ontvangsten zijn de per saldo gerealiseerde uitgaven en -ontvangsten opgenomen.

De bedragen komen overeen met de bedragen uit de verantwoordingsstaat. Door een andere afrondingssystematiek is er een verschil met de verantwoordingsstaat waar per artikel naar boven wordt afgerond.

Ad 3 Liquide middelen

De post liquide middelen is opgebouwd uit het saldo van de banken en de contante gelden.

Het Ministerie van SZW heeft geen contante gelden en geen saldo op haar bankrekeningen.

Ad 4 en 4a Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding

Deze post geeft per saldo de financiële verhouding met de Rijkshoofdboekhouding weer. Het bedrag per 31 december 2018 is in overeenstemming met de opgave van de Rijkshoofdboekhouding.

Ad 5 en 5a Begrotingsreserves

Een begrotingsreserve is een meerjarige budgettaire voorziening die op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën wordt aangehouden. Het Ministerie van SZW heeft geen begrotingsreserves.

Ad 6 Vorderingen buiten begrotingsverband

Deze post betreft het saldo van de uitgaven waarvan verrekening met derden nog zal plaatsvinden.

Tabel 8.2 Vorderingen buiten begrotingsverband (x € 1.000)
 

Openstaand ultimo 2018

Europese gelden

64.291

RSO doorbelasting

1.468

Omzetbelasting

38

Diversen

22

Totaal vorderingen buiten begrotingsverband

65.820

Ad 7 Schulden buiten begrotingsverband

Deze post betreft het saldo van de ontvangsten waarvan verrekening met derden nog zal plaatsvinden.

Tabel 8.3 Schulden buiten begrotingsverband (x € 1.000)
 

Openstaand ultimo 2018

Afdracht loonheffing

4.216

Afdracht sociale verzekeringspremies

4.661

Frictiekosten RWI

2.023

Europese gelden

2.858

Diversen

204

Totaal schulden buiten begrotingsverband

13.963

Ad 8 Kas-transverschillen

Op deze post worden bedragen opgenomen welke zijn verantwoord in de uitgaven en ontvangsten, maar nog niet daadwerkelijk per kas zijn uitgegeven en ontvangen. Het Ministerie van SZW heeft geen kas-transverschillen.

Ad 9 en 9a Openstaande rechten

Openstaande rechten zijn vorderingen die niet voortkomen uit met derden te verrekenen begrotingsuitgaven, maar die op andere wijze zijn ontstaan. Rechten kunnen ontstaan doordat conform wettelijke regelingen vastgestelde aanslagen aan derden worden opgelegd of op grond van doorberekening van de kosten van verleende diensten of geleverde goederen. Beiden doen zich bij het Ministerie van SZW niet voor.

Ad 10 en 10a Vorderingen

Vorderingen kunnen zijn voortgevloeid uit wettelijke heffingen, vorderingen van eerder gedane voorwaardelijke uitgaven en vorderingen uit verkoop of dienstverlening.

Tabel 8.4 Vorderingen totaal (x € 1.000)
 

Ministerie

UVB

Inspectie SZW

S&I

RSO

Openstaand

Ultimo 2018

Vorderingen

679.186

18.134

45.899

409.234

2.943

1.155.396

Tabel 8.5 Vorderingen naar opeisbaarheid (x € 1.000)
 

Ministerie

UVB

Inspectie SZW

S&I

RSO

Openstaand

Ultimo 2018

Direct opeisbaar

676.118

18.134

45.899

606

2.943

743.699

Op termijn opeisbaar

3.068

0

0

0

0

3.068

Geconditioneerde vorderingen

0

0

0

408.629

0

408.629

Totaal

679.186

18.134

45.899

409.234

2.943

1.155.396

Van de opeisbare vorderingen (niet de geconditioneerde vorderingen) worden onderstaand specificaties gegeven naar ouderdom.

Tabel 8.6 Opeisbare vorderingen naar ouderdom (exclusief toeslagen) (x € 1.000)

Insteljaar

Ministerie

UVB

Inspectie SZW

S&I

RSO

Openstaand

Ultimo 2018

t/m 2015

5.266

8.289

28.332

166

0

42.053

2016

188

2.850

4.569

90

0

7.696

2017

75

6.498

5.148

132

0

11.852

2018

1.167

497

7.850

218

2.943

12.675

Totaal

6.695

18.134

45.899

606

2.943

74.277

Tabel 8.7 Opeisbare vorderingen naar ouderdom (toeslagen) (x € 1.000)

Toeslagjaar

Openstaand

1 januari 2018

Bijstelling

Ingestelde

vorderingen

Ontvangsten

Afboekingen

Openstaand

Ultimo 2018

t/m 2015

502.798

0

43.526

105.833

55.643

384.847

2016

122.124

0

141.881

158.933

3.910

101.162

2017

68.281

0

206.259

161.682

4.053

108.806

2018

0

0

138.306

59.271

1.360

77.675

Totaal

693.203

0

529.972

485.718

64.966

672.490

Deze toeslagen hebben betrekking op Kinderopvangtoeslag en Kindgebonden Budget.

Onderstaand wordt per onderdeel een toelichting gegeven.

Ministerie

Van de openstaande vorderingen is een bedrag van € 4,5 miljoen toe te wijzen aan niet-bestuurlijke boetes. In dit bedrag is een openstaande vordering van € 3,1 miljoen opgenomen ten name van de SVB Nederlandse Antillen met betrekking tot boedelscheiding.

De door de Inspectie SZW opgelegde openstaande bestuurlijke boetes in 2006 of eerdere jaren tellen op tot € 2,1 miljoen. Dit bedrag is inclusief de aan de debiteuren in rekening gebrachte invorderingskosten.

De inning van de bestuurlijke boetes die na 2006 zijn opgelegd wordt door het CJIB verricht.

Vanaf verantwoordingsjaar 2017 zijn de vorderingen met betrekking tot de toeslagregelingen Kinderopvangtoeslag en Kindgebonden Budget niet meer opgenomen in de saldibalans van het Ministerie van Financiën maar verwerkt in de saldibalans van SZW (budgettair verantwoordelijke departement). Het totaal aan openstaande vorderingen KOT bedraagt € 516,7 miljoen en WKB € 155,8 miljoen.

UVB

Alle openstaande vorderingen bij UVB hebben betrekking op subsidies, inclusief de vorderingen uit hoofde van Europese gelden.

Inspectie SZW

Deze vorderingen bestaan uit de door de Inspectie SZW opgelegde boetes vanaf 2007.

S&I

DUO voert de administratie uit voor de directie Samenleving en Integratie ten behoeve van de Wet Inburgering.

Het openstaande bedrag van € 409,2 miljoen bestaat voor € 408,6 miljoen uit leningen en € 0,6 miljoen uit openstaande aflossingstermijnen. De vorderingen bij DUO betreffen de openstaande aflossingstermijnen welke aan de leningen onttrokken zijn.

Rijksschoonmaakorganisatie (RSO)

Vanaf 2016 valt de RSO onder budgettaire verantwoordelijkheid van SZW. De administratie is uitbesteed aan de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR). De RSO is verantwoordelijk voor de schoonmaak van de Rijkspanden van de aangesloten departementen. Het totaalbedrag van de openstaande vorderingen ad € 2,9 miljoen bestaat uit in rekening gebrachte bedragen voor verrichte schoonmaakwerkzaamheden.

Ad 11 en 11a Schulden

Het Ministerie van SZW heeft geen schulden.

Ad 12 en 12a Voorschotten

Onder de post voorschotten zijn per saldo de bedragen opgenomen die aan derden zijn betaald, vooruitlopend op later definitief vast te stellen of af te rekenen bedragen.

Tabel 8.8 Voorschotten incl. UVB (x € 1.000)
 

Ministerie

UVB

Openstaand ultimo 2018

Voorschotten

13.866.141

162.041

14.028.182

Ministerie

In de onderstaande specificaties worden de openstaande voorschotten van het Ministerie verantwoord naar ouderdom en artikel. Hiervan is een totaalbedrag van € 5.479,9 miljoen toe te wijzen aan voorschotten toeslagregelingen.

Vanaf verantwoordingsjaar 2017 worden de voorschotten met betrekking tot de toeslagregelingen Kinderopvangtoeslag en Kindgebonden Budget niet meer opgenomen in de saldibalans van het Ministerie van Financiën maar verwerkt in de saldibalans van SZW (budgettair verantwoordelijke departement). De uitgaven die hiermee samenhangen zijn verantwoord onder de post uitgaven van artikel 7 en 10 met respectievelijk KOT ad € 3.249,7 miljoen en WKB € 2.230,2 miljoen.

Tabel 8.9 Voorschotten naar ouderdom (exclusief toeslagen) (x € 1.000)
 

Saldo 1-1-2018

Verstrekt

Afgerekend

Openstaand ultimo 2018

t/m 2015

38.417

0

33.901

4.516

2016

112.823

0

84.218

28.605

2017

8.285.728

0

8.213.933

71.795

2018

0

8.289.682

8.308

8.281.374

Totaal

8.436.969

8.289.682

8.340.360

8.386.291

Tabel 8.10 Voorschotten naar ouderdom (toeslagen) (x € 1.000)
 

Saldo 1-1-2018

Verstrekt

Afgerekend

Openstaand ultimo 2018

t/m 2015

81.970

0

67.290

14.680

2016

945.171

0

872.715

72.456

2017

4.252.944

28.890

3.466.636

815.198

2018

407.130

3.735.544

0

4.142.673

2019

0

434.843

0

434.843

Totaal

5.687.214

4.199.277

4.406.641

5.479.850

De voorschotten van het toeslagjaar 2019 betreffen de eerste maandelijkse voorschottermijn, die in december 2018 is uitbetaald.

Tabel 8.11 Voorschotten naar artikel (x € 1.000)

Art

Omschrijving

Openstaand ultimo 2018

1

Arbeidsmarkt

9.074

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

878.935

3

Arbeidsongeschiktheid

0

4

Jonggehandicapten

3.279.800

5

Werkloosheid

108.702

6

Ziekte en zwangerschap

4.700

7

Kinderopvang

3.262.411

8

Oudedagsvoorziening

4.000

9

Nabestaanden

0

10

Tegemoetkoming ouders

5.591.378

11

Uitvoering

399.789

12

Rijksbijdragen

220.768

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

95.078

96

Apparaatsuitgaven kerndepartement

4.860

98

Algemeen

6.646

99

Nominaal en onvoorzien

0

 

Rekeningen buiten begrotingsverband

0

Totaal

13.866.141

Tabel 8.12 Voorschotten UVB (x € 1.000)
 

ESF/EGF/EUSF

Subsidies departement

Totaal 2018

Saldo 1 januari

107.519

125.399

232.917

Verstrekt

88.704

10.650

99.354

Subtotaal

196.223

136.049

332.271

Afgerekend

67.523

102.708

170.231

Saldo 31 december

128.700

33.341

162.041

Tabel 8.13 Voorschotten UVB naar ouderdom (x € 1.000)

Ontstaansjaar

Saldo 1-1-2018

Verstrekt

Afgerekend

Openstaand ultimo 2018

t/m 2015

48.143

0

41.198

6.944

2016

76.098

0

55.186

20.912

2017

108.676

0

57.541

51.135

2018

0

99.354

16.305

83.049

Totaal

232.917

99.354

170.231

162.041

Ad 13 en 13a Garantieverplichtingen

Onder deze post is het saldo van de garantieverplichtingen opgenomen. Een garantieverplichting wordt gezien als een voorwaardelijke financiële verplichting aan een derde, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Een verschil tussen een garantieverplichting en een andere verplichting is dat de hoofdsom van een garantie veelal niet of slechts gedeeltelijk tot uitbetaling zal komen.

In de onderstaande tabel is het verloop van de uitstaande garantieverplichtingen weergegeven.

Tabel 8.14 Opbouw garantieverplichtingen (x € 1.000)
 

Openstaand ultimo 2018

Garantieverplichtingen per 1 januari

10

Bij: Aangegane verplichtingen

0

Af: Tot betaling gekomen

0

Af: Vervallen borgstelling

10

Garantieverplichtingen per 31 december

0

In 2007 is de «tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering» van kracht geworden.

De laatste uitstaande garantiestellingen zijn per oktober 2018 verlopen, er zijn derhalve geen openstaande garantieverplichtingen meer in het kader van de «tijdelijke SZW-borgstelling startende ondernemers vanuit een uitkering».

In 2018 is er door de banken geen aanspraak gemaakt op de borgstelling.

Ad 14 en 14a Andere verplichtingen

De post andere verplichtingen vormt het saldo van de aangegane verplichtingen, hierop verrichte betalingen en negatieve bijstellingen van in eerdere begrotingsjaren aangegane verplichtingen.

Tabel 8.15 Opbouw andere verplichtingen (x € 1.000)
 

Ministerie

UVB

Totaal 2018

Saldo 1 januari

234.841

283.464

518.303

Aangegane verplichtingen in het verslagjaar inclusief negatieve bijstellingen

34.327.107

38.233

34.365.342

Subtotaal (A)

34.561.948

321.697

34.883.645

Tot betaling gekomen in het verslagjaar

34.412.234

106.299

34.518.533

Subtotaal (B)

34.412.234

106.299

34.518.533

Saldo 31 december (A–B)

149.714

215.398

365.112

Tabel 8.16 Andere verplichtingen Ministerie naar artikel (x € 1.000)
 

Omschrijving

Openstaand 1 januari 2018

Aangegaan 2018 (incl. negatieve bijstelling)

Betaald 2018

Openstaand ultimo 2018

Art

       

1

Arbeidsmarkt

10.906

486.040

486.149

10.798

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

157.001

7.009.674

7.089.379

77.296

3

Arbeidsongeschiktheid

0

812

812

0

4

Jonggehandicapten

0

3.280.192

3.280.192

0

5

Werkloosheid

6.379

104.007

108.107

2.279

6

Ziekte en zwangerschap

0

7.903

7.903

0

7

Kinderopvang

9.950

2.955.371

2.958.302

7.020

8

Oudedagsvoorziening

0

23.009

23.009

0

9

Nabestaanden

0

1.020

1.020

0

10

Tegemoetkoming ouders

0

5.493.447

5.493.447

0

11

Uitvoering

0

496.490

496.241

249

12

Rijksbijdragen

0

13.852.630

13.852.630

0

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

27.692

278.403

290.084

16.011

96

Apparaatsuitgaven kerndepartement

6.983

309.775

302.401

14.358

98

Algemeen

15.928

28.334

22.558

21.704

99

Nominaal en onvoorzien

0

0

0

0

Totaal

234.841

34.327.107

34.412.234

149.714

In 2018 heeft een omvangrijke negatieve bijstelling van € 33,5 miljoen plaatsgevonden op een eerder aangegane verplichting.

Deze bijstelling betreft artikel 2 in verband met de afwikkeling van de subsidies voor sectorplannen. Hierbij hanteren we een ondergrens van € 25 miljoen. Op het apparaat artikel zijn er geen omvangrijke bijstellingen geweest (uitgaande van een grens van 10% met een minimum van € 1 miljoen).

Door een verschuiving van verplichtingen van artikel 96 naar artikel 98 wijkt de eindstand 2017 af van de beginstand 2018.

Tabel 8.17 Andere verplichtingen UVB (x € 1.000)
 

ESF 2

EGF

EFMB

EUSF

Totaal 2018

Saldo 1 januari

7.827

0

2.676

272.961

283.464

Aangegane verplichtingen in het verslagjaar inclusief negatieve bijstellingen

210

1.746

0

36.277

38.233

Subtotaal (A)

8.038

1.746

2.676

309.238

321.697

Tot betaling gekomen in verslagjaar

210

387

665

105.037

106.299

Subtotaal (B)

210

387

665

105.037

106.299

Saldo 31 december (A–B)

7.828

1.359

2.011

204.201

215.398

Niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingen

Met ingang van 2012 is de bekostiging van de rijksgefinancierde wetten en regelingen, waarvan de uitvoering is opgedragen aan de SVB en het UWV, gewijzigd van kasbasis naar transactiebasis. Om budgettaire redenen is ervoor gekozen de per 1 januari 2012 door SZW op transactiebasis nog verschuldigde bedragen niet aan de SVB en het UWV uit te betalen. Deze permanente schulden bedragen ultimo 2017 € 848,3 miljoen aan de SVB en € 162,6 miljoen aan het UWV. Deze schulden worden niet eerder door SZW voldaan dan dat het desbetreffende fonds, wet of regeling is opgeheven c.q. beëindigd. Daarnaast is er in dit verband sprake van een permanente vordering op de SVB ter grootte van € 1,3 miljoen. De genoemde bedragen hebben in 2018 geen wijzigingen ondergaan.

Verplichting WKB

Gebleken is dat de toekenning van de WKB door de Belastingdienst in het verleden niet goed is verlopen (zie Bedrijfsvoeringsparagraaf). Het gaat om een omissie van enkele honderden miljoenen. Voor het herstellen van deze omissie is nog geen feitelijke verplichting aangegaan.

Ad 15 en 15a Deelnemingen

Onder de post deelnemingen zijn alle deelnemingen in besloten en naamloze vennootschappen en Internationale instellingen opgenomen. Het Ministerie van SZW heeft geen deelnemingen.

9. WNT-VERANTWOORDING

De Wet normering topinkomens (WNT) bepaalt dat de bezoldiging en eventuele ontslaguitkeringen van topfunctionarissen en gewezen topfunctionarissen in de publieke en semi-publieke sector op naamsniveau vermeld moeten worden in het financieel jaarverslag. Deze publicatieplicht geldt tevens voor topfunctionarissen die bij een WNT-instelling geen – al dan niet fictieve – dienstbetrekking hebben of hadden. Daarnaast moet van niet-topfunctionarissen de bezoldiging (zonder naamsvermelding) gepubliceerd worden indien deze het wettelijk maximum te boven gaan. Niet-topfunctionarissen zonder dienstverband vallen echter buiten de reikwijdte van de wet.

De bezoldigingsgegevens van de leden van de Top Management Groep zijn opgenomen in het jaarverslag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het algemeen bezoldigingsmaximum bedraagt in 2018 € 189.000.

Nieuw in 2018 is het vervallen van het begrip gewezen topfunctionaris en de inwerkingtreding van de anticumulatiebepaling, die bepaalt dat indien een topfunctionaris met verschillende WNT-instellingen een dienstbetrekking aangaat als topfunctionaris, niet zijnde een toezichthoudende topfunctionaris, de som van de bezoldigingen niet meer mag bedragen dan het algemeen bezoldigingsmaximum (€ 189.000).

Er zijn bij SZW geen functionarissen die in 2018 een bezoldiging boven het toepasselijke WNT-maximum hebben ontvangen.

ONDERDEEL D DEPARTEMENTSPECIFIEKE INFORMATIE

D1. SOCIALE FONDSEN SZW

Deze paragraaf presenteert de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen. De informatie is bedoeld als achtergrondinformatie bij het jaarverslag. De daadwerkelijke verantwoording van uitgaven en inkomsten van de fondsen vindt plaats via de jaarverslagen van de SVB en het UWV. De cijfers in deze paragraaf zijn gebaseerd op informatie van het CPB (CEP 2019) en sluiten niet precies aan op de jaarverslagen van het UWV en de SVB. De reden hiervoor is dat SZW een ander boekhoudstelsel (kas-verplichtingenstelsel) voert dan het UWV en de SVB (baten-lastenstelsel).

Een groot deel van de socialezekerheidsuitgaven loopt via de sociale fondsen. In tabel D1.1 en tabel D1.2 zijn de exploitatierekeningen van de fondsen weergegeven. Zowel de begrote bedragen als de gerealiseerde bedragen zijn weergegeven in prijzen 2018. Het exploitatiesaldo is het verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven van een fonds. Naast de premieontvangsten behoren ook de rijksbijdragen en renteontvangsten tot de inkomsten van een fonds. De uitgaven bestaan naast de uitkeringen voornamelijk uit uitvoeringskosten. Daarnaast vinden tussen de fondsen onderlinge betalingen plaats. Het saldo tussen ontvangen en betaalde onderlinge betalingen is voor de sociale fondsen negatief, omdat uit deze fondsen ook premies worden betaald voor de zorgverzekering van uitkeringsgerechtigden. Tegenover de negatieve saldi bij de sociale fondsen staan dus positieve saldi bij de zorgfondsen.

Tabel D1.1 laat zien dat het exploitatiesaldo van het Ouderdomsfonds iets lager is dan bij begroting werd verwacht. De lagere premie-inkomsten zijn grotendeels gecompenseerd door een hogere Rijksbijdrage. De uitkeringslasten kwamen vrijwel overeen met de raming. Het exploitatiesaldo van het Anw-fonds is ook iets lager dan verwacht. Dat komt met name door lagere premieontvangsten dan geraamd.

Tabel D1.1 Overzicht sociale verzekeringen SVB 2018 (x € 1 mln)1
 

Ouderdomsfonds (AOW)

Anw-fonds

 

Begroting

Realisatie

Begroting

Realisatie

Premies

27.763

25.243

306

242

Bijdragen van het Rijk

11.447

13.628

6

0

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

0

0

Saldo Interest

16

18

2

– 1

Totaal Ontvangsten

39.226

38.889

314

240

         

Uitkeringen / Verstrekkingen

38.265

38.125

370

378

Uitvoeringskosten

109

126

11

11

Betaalde onderlinge betalingen

524

523

23

25

Totaal Uitgaven

38.898

38.774

404

414

         

Exploitatiesaldo

328

115

– 89

– 174

X Noot
1

SZW (financiële administratie) en CPB (CEP 2019).

Het exploitatiesaldo van de arbeidsongeschiktheidsfondsen (tabel D1.2) is lager dan geraamd. Dat komt doordat de premie-inkosten lager waren dan geraamd en de uitgaven uit het fonds hoger. Het exploitatiesaldo van de geïntegreerde WW-fondsen is iets hoger verwacht. Ontvangsten en uitgaven waren lager dan verwacht, maar het verschil tussen begroting en realisatie was bij de uitgaven iets groter.

Tabel D1.2 Overzicht sociale verzekeringen UWV 2018 (x € 1 mln)1
 

Arbeidsongeschiktheidsfondsen

WW-fondsen

 

Begroting

Realisatie

Begroting

Realisatie

Premies

15.933

15.719

8.319

8.196

Bijdragen van het Rijk

211

221

135

3

Ontvangen onderlinge betalingen

1.112

1.116

754

748

Saldo Interest

58

33

20

19

Totaal Ontvangsten

17.314

17.089

9.227

8.966

         

Uitkeringen/Verstrekkingen

11.314

11.854

5.483

5.278

Uitvoeringskosten

424

466

932

775

Betaalde onderlinge betalingen

1.878

1.926

1.079

1.025

Totaal Uitgaven

13.616

14.246

7.495

7.077

         

Exploitatiesaldo

3.698

2.843

1.732

1.889

X Noot
1

SZW (financiële administratie) en CPB (CEP 2019).

Vermogensposities

In tabel D1.3 worden de vermogensposities van de vier sociale fondsen vermeld. Hierbij zijn wederom de arbeidsongeschiktheidsfondsen en de werkloosheidsfondsen geïntegreerd weergegeven. Het aanwezige vermogen neemt jaarlijks toe of af met het exploitatiesaldo (zie tabellen D1.1 en D1.2). Zoals reeds aangegeven in de inleiding zijn de cijfers in deze paragraaf gebaseerd op informatie van het CPB (CEP 2019). De vermogensposities sluiten daarom niet precies aan op de jaarverslagen van het UWV en de SVB.

Tabel D1.3 Vermogens sociale fondsen ultimo 2017 en 2018 (x € 1 mln)1

Regeling

Feitelijk vermogen ultimo 2017

Exploitatiesaldo 2018

Feitelijk vermogen ultimo 2018

Ouderdomsfonds (AOW)

10

115

125

Anw-fonds

3.806

– 174

3.632

Arbeidsongeschiktheidsfondsen

6.853

2.843

9.696

WW-fondsen

– 12.966

1.889

– 11.077

       

Totaal sociale fondsen

– 2.297

4.673

2.376

X Noot
1

SZW (financiële administratie) en CPB (CEP 2019).

De sociale fondsen hebben ultimo 2018 een gezamenlijk positief vermogen van € 2,4 miljard. Het feitelijk vermogen stijgt met € 4,7 miljard. Daarmee slaat het tekort van 2017 om in een overschot eind 2018.

Het vermogenstekort in eerdere jaren leidde overigens niet tot risico’s met betrekking tot de uitbetaling van de uitkeringen. De fondsen maken onderdeel uit van de totale Rijksbegroting en zijn in feite niets anders dan een rekening bij het Ministerie van Financiën. In het geval er een negatief vermogen ontstaat, zoals bij de WW-fondsen, betaalt het UWV hiervoor een rente aan het Ministerie van Financiën. Het Ministerie van Financiën garandeert dat het UWV altijd over voldoende middelen kan beschikken. Wel maken de exploitatietekorten onderdeel uit van het EMU-saldo in de desbetreffende jaren.

D2. KOOPKRACHT

Sinds Prinsjesdag 2018 hebben het CPB en het Ministerie van SZW de wijze waarop de koopkrachtontwikkeling wordt gepresenteerd aangepast. Een van de wijzigingen is dat in de MEV 2019 van het CPB en de SZW-begroting 2019 (Miljoenennota 2019) de boxplottabel zijn intrede heeft gedaan. In deze tabel is zowel de mediane koopkrachtontwikkeling (het middelste huishouden in een naar koopkrachtontwikkeling gerangschikte verdeling) als de spreiding en het percentage huishoudens met een positieve of negatieve koopkrachtontwikkeling af te lezen. Daarmee wordt de belangrijkste informatie over de verdeling van de koopkrachtontwikkeling tussen en binnen groepen in één plaatje inzichtelijk. Daarnaast is de set voorbeeldhuishoudens, zoals SZW deze presenteert in de standaardkoopkrachttabel in de Begroting en het Jaarverslag, uitgebreid om zo voldoende recht te blijven doen aan de diversiteit aan huishoudsamenstellingen en inkomensverdelingen in Nederland. Om de aansluiting tussen de koopkrachtraming zoals gepresenteerd in de Begroting en de koopkrachtrealisatie zoals te vinden in het Jaarverslag te borgen, zijn de eerdergenoemde wijzigingen ook doorgevoerd in dit Jaarverslag. Figuur D2.1 geeft de boxplot (zowel raming als realisatie) voor 2018 weer.

Figuur D2.1 Boxplot koopkrachtontwikkeling 2018, links raming bij Miljoenennota (MEV 2018), rechts realisatie bij Jaarverslag (CEP 2019)

Figuur D2.1 Boxplot koopkrachtontwikkeling 2018, links raming bij Miljoenennota (MEV 2018), rechts realisatie bij Jaarverslag (CEP 2019)

De mediane koopkracht komt in 2018 uit op 0,3 procent, dit is 0,3 procentpunt lager dan bij Begroting 2018 werd verwacht. 68% van de huishoudens behield de koopkracht of zag een (kleine) plus, 32% van de huishoudens leverde (licht) in.

De standaardkoopkrachttabel voor het jaar 2018 staat in tabel D2.1. De tabel beschrijft de meest recente stand, de CEP-raming van het CPB.

Tabel D2.1 Koopkrachtcijfers 2018 (mutatie in %)
 

Raming bij Miljoenennota 20181

Realisatie bij Jaarverslag 20182

Actieven

   

Alleenverdiener met kinderen

   
 

modaal

0,1

– 0,4

 

2 x modaal

0,1

– 0,2

Tweeverdieners

   
 

modaal + ½ x modaal met kinderen

0,3

0,2

 

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

0,6

0,3

 

2½ x modaal + modaal met kinderen

0,6

0,2

 

modaal + modaal zonder kinderen

0,3

0,0

 

2 x modaal + modaal zonder kinderen

0,5

0,2

Alleenstaande

   
 

minimumloon

0,5

0,1

 

modaal

0,3

0,0

 

2 x modaal

0,7

0,2

Alleenstaande ouder

   
 

minimumloon

0,8

0,4

 

modaal

0,3

0,0

Inactieven

   

Sociale minima

   
 

paar met kinderen

0,2

– 0,1

 

alleenstaande

0,1

– 0,2

 

alleenstaande ouder

0,3

– 0,1

AOW (alleenstaand)

   
 

(alleen) AOW

0,4

0,1

 

AOW + € 10.000

0,1

– 0,2

AOW (paar)

   
 

(alleen) AOW

0,2

– 0,1

 

AOW + € 10.000

0,1

– 0,2

 

AOW + € 30.000

– 1,3

– 1,3

X Noot
1

Berekeningen SZW op basis van CPB (MEV 2018) en gegevens Ministerie van VWS.

X Noot
2

Berekeningen SZW op basis van CPB (CEP 2019). Het CPB heeft vanaf het CEP 2019 een verbetering doorgevoerd in de vaststelling van het modale inkomen. Het modale inkomen komt hierdoor in 2018 uit op € 34.500. Bij de MEV 2018 was dit nog € 37.500.

Het jaar 2018 was, mede door de kabinetsformatie in het jaar ervoor, een beleidsarm jaar wat betreft koopkracht. De lager dan verwachte realisatie hangt samen met een hogere inflatie en lagere loonontwikkeling, terwijl de uitgaven aan de zorgpremie ook lager uitkwamen dan verwacht (tabel D2.2). De hogere inflatie (0,3% hoger) en de lagere contractloonontwikkeling (0,2% lager) hadden een drukkend effect op de koopkrachtontwikkeling, terwijl de lager dan verwachte nominale zorgpremie (€ 54 lager) positief was voor de koopkrachtontwikkeling voor huishoudens zonder recht op zorgtoeslag.

Tabel D2.2 Uitsplitsing verschillen tussen geraamde en gerealiseerde koopkrachtontwikkeling
 

Raming bij Miljoenennota (MEV 2018)

Realisatie bij Jaarverslag (CEP 2019)

Verschil

Inflatie (mutatie in %)

1,4

1,7

0,3

Contractlonen (mutatie in %)

2,2

2,0

– 0,2

Nominale zorgpremie (in €)

1.362

1.308

– 54

Tabel D2.1 laat zien dat gepensioneerde paren met een hoog aanvullend pensioen een negatieve koopkrachtontwikkeling van -1,3% hebben en hiermee aan de onderkant van de bandbreedte voor de groep gepensioneerden zitten (zie boxplot, Figuur D2.1). Dit hangt samen met het niet indexeren van aanvullend pensioen, dat voor dit huishouden een groot deel van het inkomen uitmaakt. De gerealiseerde koopkrachtontwikkeling voor dit huishouden is gelijk aan de raming omdat het effect van de hogere inflatie en de lagere zorgpremie hier tegen elkaar wegvallen.

De koopkrachtcijfers zijn dus sterk afhankelijk van macro-economische ontwikkelingen. Fluctuaties in de inflatie, rente of de loonontwikkeling hebben een grote invloed en de ontwikkeling hiervan is niet met zekerheid te voorspellen. De koopkrachtplaatjes veranderen daardoor bijna per definitie tussen verschillende ramingsmomenten in een jaar. Uit onderstaande tabel wordt duidelijk dat in 2015 en 2016 de gerealiseerde koopkrachtontwikkeling hoger lag dan eerder verwacht. In 2017 en 2018 kwam de realisatie lager uit dan de verwachting.

Tabel D2.3 Geraamde en gerealiseerde koopkrachtontwikkeling, mediaan alle huishoudens, 2015–2018 (mutatie in %)
 

2015

2016

2017

2018

Raming bij Miljoenennota (MEV)

½

1,4

1,0

0,8

Realisatie bij Jaarverslag (CEP)

1,0

2,6

0,3

0,3

ONDERDEEL E. BIJLAGEN

BIJLAGE E1. TOEZICHTRELATIES ZBO’s EN RWT’s

Deze bijlage bevat informatie over het toezicht op rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) en zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s), bedoeld in artikel 44a van de Comptabiliteitswet 2001. De bijlage wordt gesplitst in een overzichtstabel met RWT’s en ZBO’s die onder het desbetreffende moederdepartement vallen en een tabel met aanvullende (financiële) informatie voor grote RWT’s en ZBO’s (baten > 50 miljoen euro) – eveneens voor zover ze onder het moederdepartement vallen.

Tabel E1.1 Overzichtstabel inzake RWT’s en ZBO’s van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (bedragen x € 1.000)
 

(1) Vastgestelde begroting 2018

(2) Realisatie 2018

(3)=(2)-(1) Verschil realisatie en vastgestelde begroting

(4) Realisatie 2017

(5) Bijzonderheden

UWV1

       

ja

Totale baten

24.704.000

29.959.000

5.255.000

28.013.000

 

Totale lasten

25.026.000

25.003.000

– 23.000

25.230.000

 

Saldo van baten en lasten

– 322.000

4.956.000

5.278.000

2.783.000

 
           

BKWI

       

nee

Totale baten

10.308

9.901

– 407

10.308

 

Totale lasten

10.308

10.075

– 234

9.609

 

Saldo van baten en lasten

0

– 174

– 174

698

 
           

SVB2

       

ja

Totale baten

42.881.400

42.858.500

– 22.900

40.103.700

 

Totale lasten

43.205.000

43.029.600

– 175.400

42.278.000

 

Saldo van baten en lasten

– 323.600

– 171.000

152.500

– 2.174.300

 
           

IB

       

nee

Totale baten

11.633

12.437

804

13.686

 

Totale lasten

11.633

12.618

985

12.154

 

Saldo van baten en lasten

0

– 180

– 180

1.532

 
X Noot
1

De jaarrekening van UWV wordt afgerond op miljoenen.

X Noot
2

De jaarrekening van SVB wordt afgerond op honderdduizenden.

Toelichting

UWV – Rechtmatigheid

De totale UWV-brede rechtmatigheid komt over verslagjaar 2018 uit op 98,9% en valt hiermee net onder de afgesproken norm van 99%. Dit komt door de stijging van het percentage financiële fouten bij verrekening van inkomsten in de WW en de Ziektewet en onrechtmatigheden bij de externe inhuur. De onrechtmatige inhuur is geaccepteerd omwille van de continuïteit van de dienstverlening.

UWV – ontwikkeling reserves

In 2018 heeft UWV € 36 miljoen onttrokken uit hun bestemmingsfonds Frictiekosten (€ 20 miljoen) en egalisatiereserve (€ 16 miljoen) om tot een sluitend begrotingsresultaat te komen.

SVB – bijzondere baten

In 2018 heeft de SVB een schikkingsovereenkomst getroffen met de leverancier van het Multiregelingensysteem (MRS). Hierover is de Kamer geïnformeerd (Tweede Kamer 2017–2018, 26 448, nr. 606). De financiële effecten van deze schikkingsovereenkomst zijn in de jaarrekening van de SVB verwerkt.

Tabel E1.2 Uitgewerkt overzicht van baten en lasten van grote RWT’s en ZBO’s (>50 miljoen euro) van Ministerie van SZW (bedragen x € 1.000)1
 

(1) Vastgestelde begroting 2018

(2) Realisatie 2018

(3)=(2)-(1) Verschil realisatie en vastgestelde begroting

(4) Realisatie 2017

UWV (incl. BKWI)

       

Totale baten

24.704.000

29.959.000

5.255.000

28.013.000

Bijdrage moederdepartement

4.364.000

4.478.000

114.000

4.419.000

Bijdrage overige departementen

22.000

25.000

3.000

25.000

Tarieven/facturaties derden

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Premies

20.318.000

25.456.000

5.138.000

23.569.000

Overige baten

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

         

Totale lasten

25.026.000

25.003.000

– 23.000

25.230.000

Apparaatskosten

1.752.000

1.726.000

– 26.000

1.697.000

 

waarvan personele kosten

1.349.000

1.345.000

– 4.000

1.337.000

 

waarvan materiële kosten

403.000

381.000

– 22.000

360.000

Programmakosten

23.274.000

23.277.000

3.000

23.533.000

Overige lasten

0

0

0

0

           

Saldo van baten en lasten

– 322.000

4.956.000

5.278.000

2.783.000

X Noot
1

De bedragen worden afgerond op miljoenen.

Toelichting

De afwijking van de realisatie van de totale baten in 2018 ten opzichte van de begroting, wordt veroorzaakt door de rijksbijdrage van het Ministerie van OCW (bijdrage overige departementen) en de premies. De rijksbijdrage van OCW is ten opzichte van de begrote rijksbijdrage toegenomen door een stijging van de programmakosten onderwijsvoorzieningen, waaronder bijvoorbeeld de Tolkenvoorzieningen vallen. De premiebaten zijn toegenomen doordat de vastgestelde premies hoger liggen dan de vooraf ingeschatte calculatiepremies.

Tabel E1.3 Uitgewerkt overzicht van baten en lasten van grote RWT’s en ZBO’s (>50 miljoen) van Ministerie van SZW (bedragen x € 1.000)1
 

(1) Vastgestelde begroting 2018

(2) Realisatie 2018

(3)=(2)-(1) Verschil realisatie en vastgestelde begroting

(4) Realisatie 2017

SVB

       

Totale baten

42.881.400

42.858.500

– 22.900

40.103.700

Bijdrage moederdepartement

15.365.300

17.420.600

2.055.300

15.965.600

Bijdrage overige departementen

82.800

76.300

– 6.500

83.700

Tarieven/facturaties derden

5.300

27.100

21.800

5.400

Premies

27.428.000

25.299.800

– 2.128.200

24.020.700

Overige baten

0

34.700

34.700

28.300

         

Totale lasten

43.205.000

43.029.600

– 175.400

42.278.000

Apparaatskosten

336.000

319.800

– 16.200

310.100

 

waarvan personele kosten

254.900

252.900

– 2.000

246.900

 

waarvan materiële kosten

81.100

66.900

– 14.200

63.200

Programmakosten

42.869.000

42.700.700

– 168.300

41.963.400

Overige lasten

0

9.100

9.100

4.500

           

Saldo van baten en lasten

– 323.600

– 171.000

152.500

– 2.174.300

X Noot
1

De bedragen worden afgerond op honderdduizenden.

Toelichting

De «bijdrage moederdepartement» bestaat uit de begrotingsgefinancierde regelingen en uit aanvullende financiering door het Rijk voor de AOW. De stijging ten opzichte van de begroting betreft vooral een verschuiving tussen de omzet premies en omzet moederdepartement. Doordat de premies lager zijn uitgevallen dan oorspronkelijk begroot, stijgt de financiering door het Rijk, om de dekking van de uitkeringslasten te financieren.

De bijdrage vanuit overige departementen betreft grotendeels bijdragen in de uitvoeringskosten van het Persoonsgebonden budget en de regeling voor Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen voor het Ministerie van VWS.

De bijdrage facturatie derden is ten opzichte van de begroting 2018 en realisatie 2017 gestegen door een schikking van € 20,2 miljoen die in de jaarrekening is verwerkt. Dit is een gevolg van de overeenkomst die met de leverancier van het Multiregelingensysteem is getroffen en waarover de Kamer is geïnformeerd (Tweede Kamer 2017–2018, 26 448 nr. 606).

De overige baten bestaan uit interestbaten op de rekening-courant, invorderingsrente op de door de Belastingdienst geïnde premies AOW en Anw, boetes en uit maatregelen die de SVB heeft opgelegd aan klanten. De stijging van de overige baten wordt grotendeels veroorzaakt doordat de vrijval van de voorzieningen hoger is uitvallen dan in 2017.

Bij de apparaatskosten zijn de materiële kosten lager uitgevallen dan begroot. Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt doordat de automatiseringskosten ruim € 7 miljoen lager zijn uitgevallen dan begroot. Daarnaast zijn de apparaatskostenlager dan begroot vanwege lagere kosten voor energie, schoonmaak en beveiliging. Ook zijn de kosten voor diensten en diversen lager dan begroot.

BIJLAGE E2. AFGEROND EVALUATIE- EN OVERIG ONDERZOEK

Onderzoek van 2015 en eerder is vindbaar via het webarchief van rijksoverheid.nl. Alle onderzoeken aangeboden aan het parlement zijn ook te vinden op overheid.nl.

Tabel E2.1 Overzicht onderzoek artikel 1: Arbeidsmarkt
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 
 

Niet van toepassing

 

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Definitieve evaluatie duurzame inzetbaarheid in het MKB

20161

 

Evaluatie Wet aanpak schijnconstructies (WAS)

2016

 

Effecten van algemeen verbindend verklaring

2016

 

Functioneren certificatiestelsel asbest

2017

 

Profijt van de overheid: Voorzieningen verdeeld

2017

 

Evaluatie Handhavingsbeleid Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Foto van het beleid en de uitvoering van de handhaving sociale zekerheidswetten

20172

 

Evaluatie Handhavingsbeleid Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Lessen voor de toekomst voor de handhaving van de socialezekerheidswetten ten aanzien van de inlichtingenplicht (artikel 1 en 11)

2017

 

Evaluatie handhaving arbeidswetten, Lessen voor de toekomst voor de handhaving van de arbeidswetten

2018

 

Evaluatie Wet uniformering loonbegrip

2017

 

Monitor en tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

 

Evaluatie Informatievoorziening(structuur) grensoverschrijdende arbeid

20183

 

Tussenrapportage Effectmeting van de Brug-WW en scholingsvouchers (artikel 1 en 2)

2018

 

Tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2018

 

Gedragsexperiment Scholing stimuleren met kleine interventies

2018

 

Effecten van de verhoging van het minimumjeugdloon

2018

 

Evaluatie werken na de AOW (artikel 1, 5 en 8)

20194

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Invloed herziene Europese richtlijn drukapparatuur op nationaal regime

20165

 

Nulmeting arbeidsgerelateerde zorg

2016

3. Overig onderzoek

 

Verdringing op de arbeidsmarkt

2014

 

Praktijk en effecten van bovenwettelijke CAO-aanvullingen

2014

 

Markt voor Arbodienstverlening

2014

 

Beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen

2014

 

De Arbobalans 2014

2014

 

Verkenning arbeidsduuraanpassing

2015

 

RIE game (instrumentontwikkeling)

2015

 

Klinische arbeidsgeneeskunde – een verkenning

2015

 

De instroom van bedrijfsartsen

2015

 

Verkenning Kennisinfrastructuur Arbeid en Zorg

2015

 

Goed (genoeg) geleerd

2015

 

Toekomst onderkant arbeidsmarkt

2015

 

Preventie van beroepsziekten

2015

 

Haalbaarheid Persoonlijk Gezondheidsdossier

2015

 

Arbeidsomstandigheden van gedetacheerde medewerkers vanuit de sociale werkvoorziening

2015

 

Vijf jaar Caribisch Nederland

2015

 

Mantelzorg, Arbeidsparticipatie en Gezondheid

2016

 

Duurzame inzetbaarheid van werknemers met een lage sociaal economische status

2016

 

Witte vlekken op pensioengebied 2013 (artikel 1 en 8)

2016

 

Langer doorwerken met arbeidsbeperking

2016

 

Evaluatie ESF-regeling Duurzame inzetbaarheid voor bedrijven

2016

 

Kansen op uitstroom

2016

 

Evaluatie ontslaggronden WWZ

2016

 

Hoe vinden werkzoekenden met een arbeidsbeperking en werkgevers elkaar?

2016

 

Onderzoek verantwoord opdrachtgeverschap gezond en veilig werken

2017

 

Kansen taakdelegatie bedrijfsartsen

2017

 

Toegang beroepsmatige gezondheidgegevens

2017

 

Onderzoek naar (wijze implementatie van) MBO les-materiaal gezond en veilig werken

2017

 

Zelfstandigen Enquête Arbeid

2017

 

Verkenning scholingspremie en nationaal scholingsfonds

2017

 

Leeftijdsdiscriminatie op de Arbeidsmarkt in de Wervings- en Selectiefase

2017

 

Rapport aanpak dreigend tekort bedrijfsartsen

2017

 

Onderzoek samenhang arbocatalogus en branche RI&E

2017

 

Tweede monitor Wet aanpak schijnconstructies

2017

 

Onderzoek ketenaansprakelijkheid

2017

 

Onderzoek Naar een barometer voor cultureel diverse werknemers

2017

 

Onderzoeksrapport Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de Wwz

2017

 

De kosten van ontslag met wederzijds goedvinden voor werkgevers

2017

 

Sectoranalyse stagemisbruik na studeren

2018

 

Kwalitatief onderzoek effecten wwz op aanname-en ontslagbeleid van werkgevers en hun omgang met flexibele arbeidskrachten

20206

 

Persoonlijkheid en duurzame inzetbaarheid, jong geleerd oud gedaan

20197

 

Gedragsexperiment rondom tiptrack AWVN

2018

 

Eindevaluatie implementatie en uitvoering ESF-Actieve Inclusie

2018

 

Mid-term evaluation of the European Globalisation Adjustment Fund

2018

 

Monitor Wet Aanpak schijnconstructies

2018

 

Opkomst en groei kluseconomie in Nederland

2018

 

Karakteristieken en tarieven ZZP’ers

2018

 

Ervaren regeldruk werkgevers

2018

 

Aanvulling onderzoek samentelregeling

2018

 

Monitor loonverschillen mannen en vrouwen 2016

2018

 

De gewijzigde Arbowet

2018

 

Onderzoek naleving Wet op de Ondernemingsraden

2018

 

Werkgevers over diversiteit op de werkvloer

2019

X Noot
1

Met de oplevering van de evaluatie van fase 1 is het onderzoek geëindigd. Het in de begroting 2018 aangekondigde onderzoek «Definitieve evaluatie duurzame inzetbaarheid in het MKB (2e fase)» is niet meer uitgevoerd.

X Noot
2

In begroting 2017 opgenomen onder de titel «Evaluatie handhavingsbeleid SZW mbt sociale zekerheidswetten».

X Noot
3

Het onderzoek is toegezegd voor afronding in 2017. Het rapport is in januari 2018 aangeboden aan de Tweede Kamer.

X Noot
4

Dit onderzoek stond gepland voor 2018 maar wordt eind 2019 opgeleverd. De Tweede Kamer is hier in januari 2019 per kamerbrief over geïnformeerd.

X Noot
5

Het onderzoek is gedeeld met de betrokken branches en is in 2017 gepubliceerd op het Arboportaal.

X Noot
6

Het onderzoek naar de effecten van de Wet werk en zekerheid (Wwz) op het aanname- en ontslagbeleid van werkgevers en hun omgang met flexibele arbeidskrachten heeft nog niet plaatsgevonden. Er is voor gekozen om dit onderzoek mee te laten lopen in de evaluatie van de Wwz, die in 2020 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

X Noot
7

Dit onderzoek stond gepland voor 2018 maar wordt in 2019 opgeleverd.

Tabel E2.2 Overzicht onderzoek artikel 2: Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Niet van toepassing

 

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Uitkomsten en ervaringen experiment netto-effectiviteit re-integratie (artikel 2, 3 en 5)

2014

 

Langetermijneffecten van re-integratie (artikel 2, 3 en 5)

2014

 

Nulmeting monitor banenafspraak

2014

 

De uitgestoken hand: evaluatie van de samenwerking van UWV en gemeenten op het gebied van werk en inkomen 2012–2014 (artikel 2 en 11)

2015

 

Klantonderzoek monitor Participatiewet

2015

 

Onderzoek Participatiewet bij werkgevers

2015

 

Ervaringen gemeenten met participatiewet

2015

 

Beschut werk

2015

 

Onderzoek uitvoering algemene bijstand door SVB

2015

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2014 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2015

 

Evaluatie Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs)

2016

 

Thermometer Wsw (0-meting)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Evaluatie Regionale werkbedrijven

2017

 

Monitor en tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

 

Ervaringsonderzoeken Participatiewet

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Thermometer Wsw

2018

 

Eindrapport effecten bijzondere incassobevoegdheden en overheidspreferenties

2018

 

Tussentijdse evaluatie subsidieregeling armoede en schulden

2018

 

Tussentijdse evaluatie subsidie EFMB

2018

 

Effectiviteit en werking loonkostensubsidie en loondispensatie

2018

 

Evaluatie eerste bestuurlijke afspraken kinderen in armoede

2018

 

Evaluatie subsidieregeling Kansen voor alle kinderen

2018

 

Tussenevaluatie sectorplanne (artikel 1, 2, 5 en 11)

2018

 

Evaluatie individuele studietoeslag (artikel 2 en 4)

2018

 

Tussenrapportage Effectmeting van de Brug-WW en scholingsvouchers (artikel 1 en 2)

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Zelfstandig in en uit de bijstand

2019

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

 

Verkenning verdeelmodel participatiewet

2014

 

Verkenning systematiek gebundeld re-integratiebudget

2014

 

Onderzoek verdeelmodel WWB 2015

2014

 

Monitor Betalingsachterstand 2014

2014

 

Huishoudens in de rode cijfers, vervolgmeting 2014

2014

 

Gemeentelijke armoede- en schuldenbeleid

2014

 

De doorwerking van de financiële prikkel WWB binnen gemeenten

2014

 

Beschermingsbewind: kwantitatief onderzoek naar ontwikkelingen en kosten voor gemeenten

2014

 

Quickscan 1 Evaluatie Sectorplannen

2014

 

Quickscan 2 Evaluatie Sectorplannen

2015

 

Quickscan 3 Evaluatie Sectorplannen

2015

 

Verbeterslag verdeelmodel I-deel

2015

 

Inleenverbanden in het kader van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

2015

 

Oorzaken voor onder bewindstelling bij doelgroepen waarvoor gemeenten de kosten bij bijzondere bijstand betalen

2015

 

Onderzoek kindpakketten

2015

 

Jongvolwassenen en schulden («Voor mijn gevoel had ik veel geld»)

2015

 

Huishoudens in de rode cijfers 2015

2015

 

Vroegsignalering problematische schulden door gemeenten

2015

 

Signalen en klachten over de toegankelijkheid van het sociale domein

2015

 

Het telt wat wel en niet meetelt; verkennend onderzoek naar het meetellen van verloonde uren bij inkoop van diensten in de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

2016

 

Quickscan 4 Evaluatie Sectorplannen

2016

 

Inventarisatie verordeningen tegenprestatie

2016

 

Praktijkroute banenafspraak

2016

 

De weg naar extra banen

2016

 

Handhaving van de verplichtingen in de Participatiewet

2017

 

Quickscan 5 Evaluatie Sectorplannen

2017

 

Flextensie werken met behoud van uitkering

2017

 

Eindrapportage Schuldhulpverlening in Nederland

2017

 

Onderzoeksrapport Normbatenregeling Bbz

2017

 

Eindrapport van budget naar besteding

2017

 

Monitor betalingsachterstanden en huishoudens in de rode cijfers

2018

 

Vermogens en schulden van huishoudens

2018

 

Quickscan 6 Evaluatie Sectorplannen

2018

 

Wsw-jaarrapport 2017

2018

 

Onderzoek invordering schulden door rijksoverheidsorganisaties

2018

 

Prestatieindicatoren goed werkende arbeidsmarktregio’s

20181

 

Extra uitvraag Tegenprestatie

2019

 

Onderzoek wet taaleis 2018

2019

 

Verkennend onderzoek Europese incassomodellen

2019

X Noot
1

Dit onderzoek wordt vervangen door een verkenning naar de infrastructuur van de arbeidsmarktregio en bestuurlijke afspraken. Dit onderzoek wordt naar verwachting in 2019 opgeleverd.

Tabel E2.3 Overzicht onderzoek artikel 3: Arbeidsongeschiktheid
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Arbeidsongeschiktheid

20171

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Uitkomsten en ervaringen experiment netto-effectiviteit re-integratie (artikel 2, 3 en 5)

2014

 

Langetermijneffecten van re-integratie (artikel 2, 3 en 5)

2014

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2014 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2015

 

Verdiepingsonderzoek benutbare mogelijkheden WGA 80–100

2015

 

Evaluatie modernisering ZW (finale effectmeting) (artikel 3 en 6)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Aanvulling beleidsevaluatie artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

2018

 

Evaluatie Wet werken in inkomen naar vermogen (WIA)

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

 

UWV-Monitor Arbeidsparticipatie 2013

2014

 

UWV-Monitor Arbeidsparticipatie 2014

2015

 

Begrotingsakkoordonderzoeken loondoorbetaling (knelpunten werkgevers en verhogen verzekeringsgraad kleine werkgevers)

2015

 

UWV-monitor Arbeidsparticipatie 2015

2016

 

Instroom in de WIA

2018

 

Onderzoek beleid private aanbieders in het hybride stelsel WGA

20192

 

Onderzoek beweegredenen bewegingen hybride WGA- en ZW markt

20192

X Noot
1

De beleidsdoorlichting is als IBO (Interdepartementaal Beleidsonderzoek) «Geschikt voor de arbeidsmarkt» in april 2017 opgeleverd. Enkele onderwerpen van dit beleidsartikel (onder andere de WAZ) zijn niet aan de orde gekomen in het IBO. Deze onderwerpen zijn in de beknopte evaluatie «aanvulling beleidsevaluatie artikel 3 Arbeidsongeschiktheid» aan de orde gekomen.

X Noot
2

Beide onderzoeken worden in het voorjaar van 2019, samen met een kabinetsreactie, aanboden aan de Tweede Kamer.

Tabel E2.4 Overzicht onderzoek artikel 4: Jonggehandicapten
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Jonggehandicapten

2018

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2014 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2015

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Evaluatie ESB-regeling

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Evaluatie individuele studietoeslag (artikel 2 en 4)

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

 

Onderzoek naar het begrip «arbeidsvermogen»

2017

Tabel E2.5 Overzicht onderzoek artikel 5: Werkloosheid
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Werkloosheid

2016

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Uitkomsten en ervaringen experiment netto-effectiviteit re-integratie (artikel 2, 3 en 5)

2014

 

Langetermijneffecten van re-integratie (artikel 2, 3 en 5)

2014

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2014 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2015

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Regeling vrijwilligerswerk in de WW

20171

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Eindrapportage inhoudelijke effectevaluatie trainingen 50-plus WW

2017

 

Monitor en tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2018

 

Experiment premiekorting ouderen

2018

 

Tussentijdse evaluatie Overbruggingsregeling transitievergoeding kleine werkgevers

2018

 

Tussenrapportage evaluatie DWSRA

2018

 

Evaluatie werken na de AOW (artikel 1, 5 en 8)

20192

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

 

Zichtbaar maar niet in beeld

2016

 

Onderzoekskader Evaluatie Actieplan Perspectief voor vijftigplussers

2016

 

Monitorrapportages WW en WGA

2016

 

Eindrapport Evaluatiekader Actieplan Perspectief voor Vijftigplussers

2017

 

Onderzoek Achtergronden van beperkt gebruik van de Brug-WW

2017

X Noot
1

Dit onderzoek stond gepland voor 2016 maar is in 2017 naar de Tweede Kamer verstuurd.

X Noot
2

Dit onderzoek stond gepland voor 2018 maar wordt eind 2019 opgeleverd. De Tweede Kamer is hier in januari 2019 per kamerbrief over geïnformeerd.

Tabel E2.6 Overzicht onderzoek artikel 6: Ziekte en Zwangerschap
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Ziekte en Zwangerschap

2017

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Evaluatie van adviestrajecten bij problematisch ziekteverzuim

2015

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2014 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2015

 

Evaluatie modernisering ZW (artikel 3 en 6, finale effectmeting)

2016

 

Theorie en praktijk re-integratie tweede spoor

20161

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Effectiviteit van re-integratie in het tweede spoor

2017

 

Evaluatie pilots ZW

2017

 

Evaluatie flexibel bevallingsverlof

20182

 

Effectiviteit no-riskpolis

2018

 

Evaluatie Wet werken in inkomen naar vermogen (WIA)

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

 

Kanker & Werk: Problemen van werkgever en werknemer

2016

 

Verlofregelingen arbeid en zorg naar arbeidsrelatie

2018

 

Onderzoek beweegreden bewegingen hybride WGA- en ZW markt

20193

X Noot
1

Bij begroting 2016 aangekondingd onder de titel «Vervolgonderzoek loondoorbetaling bij ziekte».

X Noot
2

Bij begroting 2018 aangekondigd voor afronding in 2017. Het onderzoek plus de kabinetsreactie is in maart 2018 aangeboden aan het parlement.

X Noot
3

Dit onderzoek wordt in het voorjaar van 2019, samen met een kabinetsreactie, aanboden aan de Tweede Kamer.

Tabel E2.7 Overzicht onderzoek artikel 7: Kinderopvang
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Kinderopvang

2015

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Kwaliteitsonderzoek (monitor) peuterspeelzalen

2014

 

Effecten bezuinigingen kinderopvang «Krimp in de kinderopvang»

2014

 

Evaluatie kosten toezicht en handhaving kinderopvang 2014

2015

 

Rapportage Pilot Gemeentebrede dagarrangementen

2015

 

Evaluatie Wet ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie (OKE)

2015

 

Monitor gemeentebrede dagarrangementen

2016

 

Evaluatie Commissie Gunning (inclusief evaluatie <continue screening>)

20161

 

Subsidieregeling Versterking vaardigheden taal- en interactievaardigheden beroepskrachten en gastouders in de kinderpvang – een onderzoek naar de ervaren effecten

20172

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Verwachte maatschappelijke effecten van de bestuurlijke afspraken «een aanbod voor alle peuters»

20183

 

Verwachte kostenverandering baby-norm kinderopvang

20184

3. Overig onderzoek

 

Peuterspeelzaalwerk NL: feiten en cijfers 2014

2014

 

Onderzoek verband schaalgrootte kindcentra en omstandigheden waarin opvang plaatsvindt

2014

 

Ervaren regeldruk en toezichtslast kinderopvang

2014

 

Kinderopvang in aandachtswijken

2014

 

Kinderopvang en sociaal medische indicatie een scenariostudie

2014

 

Het risicomodel in het toezicht op de kinderopvang anno 2014

2014

 

CPB analyse alternatieve vormgeving kinderopvangtoeslag

2014

 

Aard en omvang van gelijkwaardige alternatieven in de Kinderopvang

2014

 

Aanbod en contracten in de kinderopvang

2014

 

Opvang van kinderen met een beperking

2015

 

Nulmeting aanwezigheid oudercommissies en alternatieve vormen van ouderparticipatie

2016

 

Het gebruik van kinderopvang door ouders met lagere inkomens

2016

 

Kwaliteit ouderparticipatiecreches (OPC's)

2016

 

Ouderbetrokkenheid bij de overdracht

2016

 

Condities voor kwaliteit kindvriendelijke overgang

2016

 

Wachtlijst en capaciteitsonderzoek

2017

 

Kwaliteitsonderzoek (monitor) Kinderopvang (KDV, BSO, PSZ, GO) (jaarlijkse monitor 2017–2023)

2017

 

Peuterspeelzaalwerk NL: Facts en Figures

2017

 

Interactievaardigheden in de kinderopvang

2017

 

Enquête monitoring transitie kinderopvang

2017

 

Wachtlijsten en wachttijden kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang – 8e meting

2017

 

De pedagogische kwaliteit van de ouderparticipatiecrèche in 2016

2017

 

Verschillen in GGD-toezicht in kaart gebracht

2018

 

Ketenregie bij continue screening kinderopvang

2018

 

Landelijk rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang 2017

2018

 

Kijk op kinderopvang

20185

 

Eindrapportage Vervolgonderzoek harmonisatie PSZ

2018

 

Kostprijsmonitor

20186

X Noot
1

Bij begroting 2016 aangekondigd onder de titel «Evaluatie continue screening».

X Noot
2

De in begroting 2018 aangekondigde eindevaluatie «Subsidieregeling versterking taal- en interactievaardigheden beroepskrachten en gastouders in de kinderopvang» wordt opgeleverd in 2020. De hyperlink verwijst naar de tussentijdse effectmeting.

X Noot
3

Dit onderzoek stond gepland voor 2017 maar is in maart 2018 gepubliceerd.

X Noot
4

Dit onderzoek is bij begroting 2018 aangekondigd als «Effecten beroepskracht-kindratio»

X Noot
5

Dit onderzoek is bij begroting 2018 aangekondigd onder de titel «Keuzes van ouders».

X Noot
6

De resultaten van de opzet voor een kostprijsonderzoek voor de kinderopvangsector zijn van dien aard dat is besloten om met de sectorpartijen opnieuw te bekijken hoe hieraan een alternatief vervolg kan worden gegeven. De Tweede Kamer is in maart 2018 per kamerbrief hierover geinformeerd.

Tabel E2.8 Overzicht onderzoek artikel 8: Oudedagsvoorziening
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Niet van toepassing

 

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Onderzoek optimalisering overgang van opbouw- naar uitkeringsfase en de inrichting daarvan in premie- en kapitaalovereenkomsten

2014

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2014 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2015

 

Onderzoek vrijwillige voortzetting pensioenfonds voor zelfstandigen

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Evaluatie Wet aanpassing financieel toetsingskader (FTK)

2018

 

Evaluatie Wet versterking bestuur pensioenfondsen

2018

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Evaluatie werken na AOW (artikel 1, 5 en 8)

20191

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Herverdelingseffecten van verschillende projectierentes in verbeterde premieregelingen

2016

3. Overig onderzoek

 

Effecten kostendelersnorm AOW op mantelzorg

2015

 

Monitor twee-woningenregel

2016

 

Witte vlekken op pensioengebied 2013 (artikel 1 en 8)

2016

 

Impact van een overstap van een uniform naar life-cycle beleggingsbeleid in de opbouwfase

2016

 

Onderzoek SVB gebruik en niet-gebruik OBR

2016

 

Flexibilisering AOW

2017

X Noot
1

Dit onderzoek stond gepland voor 2018 maar wordt eind 2019 opgeleverd. De Tweede Kamer is hier in januari 2019 per kamerbrief over geïnformeerd.

Tabel E2.9 Overzicht onderzoek artikel 9: Nabestaanden
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Niet van toepassing

 

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Eindrapport Verzekering overlijdensrisico

2014

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2014 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2015

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

 

Experiment Anw inlichtingenplicht

2017

Tabel E2.10 Overzicht onderzoek artikel 10: Tegemoetkoming ouders
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Tegemoetkoming ouders

2018

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2014 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2015

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2015 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2016

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2016 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2017

 

Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans 2017 (artikel 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10)

2018

 

Evaluatie wetsvoorstel hervorming kindregelingen

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Verkennend onderzoek TOG beoordelingskader

2014

3. Overig onderzoek

 

Monitor alleenstaande ouders

2016

Tabel E2.11 Overzicht onderzoek artikel 11: Uitvoering
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Uitvoeringskosten

2015

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Evaluatie Suwi-wet

2015

 

De uitgestoken hand: evaluatie van de samenwerking van UWV en gemeenten op het gebied van werk en inkomen 2012–2014 (artikel 2 en 11)

2015

 

Zijn de vooringevulde gegevens juist?: evaluatie van de Wet eenmalige gegevensuitvraag over de periode 2010–2014

2015

 

Evaluatie toegevoegde waarde leerwerkloketten

20161

 

SUWI dienstverlening en governance SVB

2016

 

Monitor en tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2017

 

Evaluatie Handhavingsbeleid Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Lessen voor de toekomst voor de handhaving van de socialezekerheidswetten ten aanzien van de inlichtingenplicht (artikel 1 en 11).

20172

 

Tussenevaluatie sectorplannen (artikel 1, 2, 5 en 11)

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Niet van toepassing

 

3. Overig onderzoek

 

Rekenkamerrapport UWV, balanceren tussen ambities en middelen

2016

 

Privacy Impact assessment toegang SUWI

20173

 

Regeldruk szw

2017

X Noot
1

Dit onderzoek stond gepland voor 2015 maar is in mei 2016 naar de Tweede Kamer verstuurd.

X Noot
2

In begroting 2017 opgenomen onder de titel «Evaluatie handhavingsbeleid SZW mbt sociale zekerheidswetten».

X Noot
3

Dit onderzoek stond gepland voor 2016 maar is in april 2017 naar de Tweede Kamer verstuurd.

Tabel E2.12 Overzicht onderzoek artikel 13: Integratie en maatschappelijke samenhang
 

Titel/onderwerp

Jaar van afronding

1. Ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

1a. Beleidsdoorlichtingen

 

Integratie en maatschappelijke samenhang

20171

     

1b. Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Evaluatie wijzigingen per 1-4-2011 Wet inburgering Buitenland

2014

 

Evaluatie Landelijk overleg minderhedenbeleid

2017

 

Evaluatie Kennisplatform Integratie en Samenleving

2017

 

Tussenmeting Actieplan zelfbeschikking

2017

 

Pre-evaluatie inburgering

2017

 

Tussentijdse evaluatie Taaleis

2017

 

Evaluatieonderzoek zelfbeschikking

2018

 

Evaluatie Wet inburgering 2013

2018

 

Evaluatie waardeoverdracht nieuwkomers

2018

 

Monitor inburgering buitenland

2018

 

Evaluatie wetswijziging remigratie

2018

2 Ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

2a. MKBA's

 

Niet van toepassing

 

2b. Ander ex-ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

 

Tussenrapport evaluatiekader VIA

2018

3. Overig onderzoek

 

Participatie van migranten op de arbeidsmarkt

2014

 

Onderzoek omvang huwelijksdwang

2014

 

Leefsituatie en migratieredenen van huwelijksmigranten

2014

 

Jaarrapport Integratie 2013

2014

 

Kwalitatieve aanvulling verdiepende studie 2014; achtergronden opvatting IS-steun onder Turkse jongeren

2015

 

Survey Integratie Migranten 2015

2015

 

Monitor inclusie (Roma)

2015

 

Monitoring en evaluatie pilots participatieverklaring

2015

 

Goede voorbeelden van culturele diversiteit

2015

 

Internationale juridische verkenning van participatieverklaringen en integratiecontracten

2015

 

Waarom en hoe leren mensen de Nederlandse taal?

2015

 

Antisemitisme onder jongeren in Nederland; Oorzaken en triggerfactoren

2015

 

Gewoon getrouwd. Onderzoek naar kindhuwelijken en religieuze huwelijken in Nederland

20162

 

Hoofdonderzoek maatschappelijke aansluiting kinderen EU-migranten

20173

 

Verdiepende studie 2015, de effecten van het integratiebeleid in Nederland

20164

 

Jaarrapport Integratie 2016

2016

 

Monitor anoniem solliciteren en netwerkbijeenkomsten

2016

 

De diverse samenleving door de ogen van burgers

2016

 

Verdiepend onderzoek inburgeraars (cohort 2013)

2016

 

Onderzoek asielzoekers statushouders vrijwilligerswerk

2016

 

Inburgering: Eerste resultaten van de Wet Inburgering 2013

2017

 

Deelonderzoek inburgeraars: inburgeringsonderwijs

2017

 

Onderwijs in het inburgeringsproces

2017

 

Monitor basisexamen Inburgering Buitenland 2016

2017

 

Barometer culturele diversiteit

2017

 

Doorwerking stagediscriminatie op rest van loopbaan

20185

 

Kansen op de arbeidsmarkt van hoger opgeleide migrantenjongeren

20186

 

Pilot-study niet actieve inburgeringsplichtige

2018

 

Actieonderzoek 5 pilots weerbaar opvoeden

2019

 

Rapport Verdere integratie op de arbeidsmarkt (VIA)

2018

 

Vrijwilligerswerk: stimulans voor tijdige participatie en integratie?

2018

 

Verkenning effecten aanpassingen minimum(jeugd)loon

2018

 

Barometer culturele diversiteit

20197

X Noot
1

Deze doorlichting stond gepland voor eind 2016, maar is in januari 2017 naar de Tweede Kamer verstuurd.

X Noot
2

In begroting 2016 stond dit onderzoek, genaamd «Informele (kind)huwelijken», gepland voor 2015 maar het is in februari 2016 naar de Tweede Kamer gestuurd.

X Noot
3

Dit onderzoek stond gepland voor 2016, maar is op 13 februari 2017 gepubliceerd door het SCP onder de titel «Van oost naar west (Poolse, Bulgaarse en Roemeense kinderen in Nederland: ouders over de leefsituatie van hun kinderen)».

X Noot
4

Dit onderzoek is gepubliceerd door het SCP onder de titel «Integratie in zicht».

X Noot
5

De aanpak van stagediscriminatie en daarbij behorend onderzoek worden opgepakt door OCW en binnen het programma Verdere Integratie op de Arbiedsmarkt in de pilot nudging, werving en selectie.

X Noot
6

Het onderzoek stond gepland voor 2018, maar zal in 2019 worden gepubliceerd.

X Noot
7

Dit onderzoek stond gepland voor 2018, maar is op 31 januari 2019 gepubliceerd door CBS.

BIJLAGE E3. INHUUR EXTERNEN

Uitgaven voor inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel

Vanaf 2011 geldt als norm voor externe inhuur 10% van de personele uitgaven (motie Roemer). In onderstaande tabel staan de totale uitgaven voor externe inhuur van het kerndepartement en de Rijksdienst Caribisch Nederland.

Tabel E3.1 Uitgaven voor inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel (x € 1.000)
 

2018

1. Interim-management

940

2. Organisatie- en formatieadvies

508

3. Beleidsadvies

884

4. Communicatieadvisering

1.347

Totaal beleidsgevoelig

3.679

   

5. Juridisch advies

227

6. Advisering opdrachtgevers automatisering

3.927

7. Accountancy, financiële en administratieve organisatie

159

Totaal (beleids)ondersteunend

4.313

   

8. Uitzendkrachten (formatie & piek)

3.528

Totaal ondersteuning bedrijfsvoering

3.528

   

Totaal uitgaven inhuur externen

11.521

In 2018 bedroeg het totaal van de personele uitgaven € 246,3 miljoen. Dit is de som van de personele uitgaven (€ 234,7 miljoen) en externe inhuur (€ 11,5 miljoen). Het percentage externe inhuur komt hiermee in 2018 op 4,7. De stijging ten opzichte van vorig jaar (2017: 3,0) komt aan de ene kant door de groei van de Rijksschoonmaakorganisatie (relatief veel externe inhuur) en aan de andere kant door een stijging van externe inhuur bij automatiseringsprojecten.

Rapportage overschrijding maximumuurtarief externe inhuur

Vanaf 2011 geldt dat ministeries rapporteren over het maximumuurtarief buiten de raamovereenkomsten om (motie De Pater-Van der Meer). Het maximumuurtarief vormt een aanvulling op het sturingsinstrumentarium externe inhuur (de procentuele uitgavennorm).

Tabel E3.2 Inhuur externen buiten raamovereenkomsten
 

2018

Aantal overschrijdingen maximum uurtarief

0

SZW heeft in 2018 buiten de mantelcontracten om geen externe krachten ingehuurd boven het afgesproken maximumuurtarief.

BIJLAGE E4. LIJST VAN AFKORTINGEN

A&O-fonds

Stichting Arbeidsmarkt en Opleidingsfonds

AC

Audit Committee

ADR

Auditdienst Rijk

AFM

Autoriteit Financiële Markten

AIO

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen

AKW

Algemene Kinderbijslagwet

Anw

Algemene Nabestaandenwet

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

AOV

Algemene Ouderdomsverzekering

AOW

Algemene Ouderdomswet

AR

Algemene Rekenkamer

Arbowet

Arbeidsomstandighedenwet

ATW

Arbeidstijdenwet

AVG

Algemene Verordening Gegevensbescherming

Avv

Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten

AWf

Algemeen Werkloosheidsfonds

AWVN

Algemene Werkgeversvereniging Nederland

AWW

Algemene Weduwen- en Wezenwet Caribisch Nederland

BBZ

Besluit Bijstand Zelfstandigen

BCN

Belastingdienst Caribisch Nederland

BES

Bonaire, St Eustatius en Saba

BIKK

Bijdrage In Kosten heffingskortingen

BIR

Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst

BIT

Bureau ICT-Toetsing

BKWI

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen

BRP

Basisregistratie Personen

BRZO

Besluit Risico’s Zware Ongevallen

BSO

Buitenschoolse Opvang

BZK

(Ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Cao

Collectieve arbeidsovereenkomst

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CEP

Centraal Economisch Plan

CJIB

Centraal Justitieel Incassobureau

CKA

Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen

CN

Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius, Saba)

CNV

Christelijk Nationaal Vakverbond

COA

Centraal Orgaan opvang Asielzoekers

CPB

Centraal Planbureau

CRvB

Centrale Raad van Beroep

DIVOSA

Vereniging van directeuren van gemeentelijke sociale diensten

DNB

De Nederlandsche Bank

DSU

Directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering

DUO

Dienst Uitvoering Onderwijs

DUS-I

Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen

DWSRA

Dienstverlening Werkzoekenden en projecten Samenwerking en Regie Arbeidsmarkt

EBB

Enquête Beroepsbevolking

EESSI

Electronic Exchange of Social Security Information

EFMB

Europees Fonds voor Meest Behoeftigen

EGF

Europees Globalisatiefonds

ESB-regeling

Subsidieregeling scholing en re-integratie van personen met arbeids-beperkingen en Ernstige Scholingsbelemmeringen

ESF

Europees Sociaal Fonds

EU

Europese Unie

EUSF

Europese Unie Solidariteitsfonds

EZ

(Voormalig Ministerie van) Economische Zaken

FDC

Financieel Dienstencentrum

Flex

Flexibele arbeidscontracten

FNV

Federatie Nederlandse Vakbeweging

FTK

Financieel Toetsingskader

GGD

Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst

GGZ

Geestelijke Gezondheidszorg

GHOR

Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie

GO

Gastouderopvang

HRM

Human Resource Management

IB

Inlichtingenbureau

IBO

Interdepartementaal Beleidsonderzoek

ICF

Inspectie Control Framework

ICV

In Controlverklaring

IKK

Wet innovatie kwaliteit en kinderopvang

IOAOW

Inkomensondersteuning AOW-gerechtigden

IOAW

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers

IOAZ

Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen

IORP II

Europese Pensioenfondsrichtlijn 2

IOW

Inkomensvoorziening Oudere Werklozen

IVA

Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten

J&V

(Ministerie van) Justitie en Veiligheid

Jeugd-LIV

Tegemoetkoming verhoging minimumjeugdloon, of Minimumjeugdloonvoordeel

KDV

Kinderdagverblijf

KOT

Kinderopvangtoeslag

KPI

Kritieke prestatie-indicator

LCR

Landelijke Cliëntenraad

LIV

Lage-inkomensvoordeel

LKV

Loonkostenvoordeel

LLO

Leven Lang Ontwikkelen

LRK

Landelijk Register Kinderopvang

MBO

Middelbaar Beroepsonderwijs

MenO

Misbruik en Oneigenlijk Gebruik

MEV

Macro-economische Verkenning

MKB

Midden- en Kleinbedrijf

MKBA

Maatschappelijke Kosten-batenanalyse

MKOB

Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming voor Oudere Belastingplichtigen

NIBUD

Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting

NT2

Nederlands als Tweede Taal

O&F-rapport

Organisatie- en Formatierapport

OBR

Overbruggingsregeling AOW

OCW

(Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OKE

(Wet) Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie

OM

Openbaar Ministerie

OPC

Ouderparticipatiecrêches

OV

Ongevallenverzekering Caribisch Nederland

OVB

Onderzoek Vermogen Buitenland

OVO

Overeenkomst van Opdracht

Pgb

Persoonsgebonden budget

PIA

Privacy Impact Assessment

PIP

Plan Inburgering en Participatie

PSZ

Peuterspeelzaal

PWRI

Pensioenfonds Werk en (Re)Integratie

Q

Kwartaal

Rbg-eng

Uitgavenplafond Rijksbegroting in enge zin

RBV

Rijksbegrotingsvoorschriften

RCN

Rijksdienst Caribisch Nederland (unit Sociale Zaken)

REA

(Re)integratie Arbeidsgehandicapten

RHB

Rijkshoofdboekhouding

RI&E

Risico-inventarisatie en -evaluatie

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RSO

Rijksschoonmaakorganisatie

RWI

Raad voor Werk en Inkomen

RWT

Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

S&I

Directie Samenleving en Integratie

SBCM

Stichting Beheer Collectieve Middelen

SCP

Sociaal en Cultureel Planbureau

SSC-ICT

Shared Service Center-ICT

SSO

Shared Service-organisatie

SUWI

Structuur Uitvoering Werk en Inkomen

SVB

Sociale Verzekeringsbank

SW

Sociale Werkvoorziening

SZ

(Uitgavenplafond) Sociale Zekerheid

SZW

(Ministerie van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TAS

Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers

TNO

Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek

TOG

Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende Gehandicapte kinderen

TW

Toeslagenwet

Twv

Tewerkstellingsvergunning

UBR

Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk

UFO

Uitvoeringsfonds voor de Overheid

UVB

Directie-onderdeel Uitvoering Van Beleid

UWV

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

V&J

(Voormalig Ministerie van) Veiligheid en Justitie

Vast

Vaste arbeidscontracten

VIA

Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt

VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

VO

Verantwoordingsonderzoek

VP-liaison

Veiligheid en Privacyliaison

Vut

Vervroegde uittreding

VWS

(Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Waadi

Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs

Wajong

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

WAO

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering

Was

Wet aanpak schijnconstructies

Wav

Wet arbeid vreemdelingen

WAZ

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen

WAZO

Wet Arbeid en Zorg

WGA

Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten

Wgs

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

WHK

Werkhervattingskas

WIA

Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen

WIEG

Wet Invoering Extra Geboorteverlof

WKB

Wet op het Kindgebonden Budget

Wko

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Wml

Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag / Wettelijk minimumloon

WNT

Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector

WOR

Wet op de Ondernemingsraden

WRR

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

Wsw

Wet sociale werkvoorziening

Wtcg

Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten

Wtl

Wet tegemoetkomingen loondomein

WW

Werkloosheidswet

WW-fondsen

Werkloosheidsfondsen

Wwb

Wet werk en bijstand

Wwz

Wet werk en zekerheid

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZEZ

Regeling Zelfstandig En Zwanger

ZonMw

Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie

ZV

Ziekteverzekering Caribisch Nederland

ZW

Ziektewet

Zzp

Zelfstandige zonder personeel