Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 17 mei 2019

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de initiatiefnemer worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

 

I.

Algemeen

1

1.

Aanleiding voor het wetsvoorstel

3

2.

Doelstelling van het wetsvoorstel en gekozen middel

4

3.

Juridische aspecten

7

4.

Gevolgen van het wetsvoorstel

9

5.

Consultaties

12

II.

Artikelen

13

I. Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het initiatiefwetsvoorstel van het lid Raemakers om te bevorderen dat ouders kunnen kiezen tussen kindercentra die wel of niet kinderen toelaten die niet deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma. Allereerst spreken de leden van de VVD-fractie hun waardering uit voor de initiatiefnemer. Het recht van initiatief is een belangrijk instrument van de Tweede Kamer waarbij veel tijd en moeite gaat zitten in de totstandkoming. Op basis van het initiatiefwetsvoorstel hebben deze leden nu alvast de volgende aanvullende vragen.

De leden van de VVD-fractie zien en voelen de ongerustheid die bij ouders met jonge kinderen leeft in verband met een groep ouders die besluit hun kinderen niet te vaccineren, waardoor hun kinderen mogelijk risico lopen op besmetting van virussen zoals de mazelen. Zij zien dat de vaccinatiegraad de afgelopen jaren zorgelijk achteruit is gegaan en vinden het van belang dat de vaccinatiegraad weer zo snel als mogelijk naar de veilige dekking van 95% stijgt. Hier moet alle inzet en het beleid dan ook op gericht zijn. Dat is breder dan de kinderopvang, dat is een maatschappelijk probleem. Ook de Raad van State concludeert dat het maatschappelijke probleem uiteindelijk gelegen is in de daling van de vaccinatiegraad. De Raad van State adviseert de initiatiefnemer hier ook nadrukkelijk op in te gaan in het voorliggende voorstel. De leden van de VVD-fractie lezen dat het niet het beoogde doel is van de initiatiefnemer om met deze initiatiefwet de vaccinatiegraad te laten stijgen. Zij zijn, net als de initiatiefnemer, van mening dat ouders het recht hebben te weten of er kinderen zijn op het kinderdagverblijf die niet ingeënt zijn. Deze leden hebben echter begrepen dat kindercentra nu al aan ouders mogen vragen naar de vaccinatiestatus en ouders deze informatie geanonimiseerd mogen delen. Zij vragen de initiatiefnemer gegeven dit feit en het feit dat ook de Raad van State aangeeft dat voor het wegnemen van onzekerheid over de juridische toelaatbaarheid van een weigeringsbeleid door kinderopvangcentra een initiatiefwet niet noodzakelijk is, nut en noodzaak van deze initiatiewet nader te onderbouwen.

Momenteel werkt een onafhankelijke commissie, de commissie kinderopvang en vaccinatie, aan een advies over vaccinaties en kindercentra. De leden van de VVD-fractie willen dit advies graag betrekken bij de verdere behandeling van dit initiatiefwetsvoorstel. Kan de initiatiefnemer een reactie geven op het verzoek aan de vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid gedaan door de voorzitter van de commissie kinderopvang en vaccinatie van 9 april 2019 om bij de behandeling van het initiatiefvoorstel rekening te houden met de looptijd van de commissie tot 1 juli 2019? Op welke wijze wil de initiatiefnemer rekening houden met dit verzoek?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Zij maken zich net als de indiener van dit initiatiefvoorstel ernstig zorgen over de afnemende vaccinatiegraad en waarderen het dat de indiener de zorgen van ouders die bang zijn dat hun kinderen worden besmet door kinderen die niet gevaccineerd zijn, serieus neemt. Deze leden vragen zich wel af of dit initiatiefvoorstel het juiste middel is om deze zorgen weg te nemen en zij hebben daarbij evenals de Raad van State vragen over (praktisch) nut en noodzaak van dit initiatiefvoorstel.

De leden van de D66-fractie hebben met grote interesse en instemming kennisgenomen van het voorstel teneinde te bevorderen dat ouders kunnen kiezen tussen kindercentra die wel of niet kinderen toelaten die niet deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma. Deze leden achten het van groot belang dat ouders een geïnformeerde keuze kunnen maken over zaken die de gezondheid van hun kinderen aangaan. Bovendien achten zij het belangrijk om ondernemers in de kinderopvang die niet-gevaccineerde kinderen willen weigeren wettelijke zekerheid te bieden. De leden van de D66-fractie hebben nog enkele vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie danken de indiener voor het indienen van dit wetsvoorstel. Het schrijven van een initiatiefwet is een inspannende activiteit en dit is een compliment waard. Bovendien delen deze leden de zorgen over de dalende vaccinatiegraad wat de aanleiding was voor het schrijven van dit initiatiefwetsvoorstel. In beginsel staan zij dan ook positief ten opzichte van maatregelen om iets te doen aan de dalende vaccinatiegraad en de risico’s op uitbraak van infectieziekten. Desondanks hebben zij nog veel vragen bij dit wetsvoorstel, de juridische onderbouwing en de effecten.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggend initiatiefwetsvoorstel om transparantie te creëren met betrekking tot het vaccinatiebeleid van kinderopvangcentra. Zij maken graag van de gelegenheid gebruik om de indiener de volgende vragen te stellen.

1. Aanleiding voor het wetsvoorstel

De initiatiefnemer geeft aan dat de vaccinatiegraad voor de bof, mazelen en rode hond (BMR) 92% is en dat de totale vaccinatiegraad tegen alle infectieziekten onder de 90% dreigt te zakken. Verderop in het voorstel stelt de initiatiefnemer dat de vaccinatiegraad dalend is. De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer of hij kan aangeven op welk jaar deze cijfers zijn gebaseerd. Kan de initiatiefnemer tevens aangeven of de aanhoudende aandacht die het onderwerp de laatste periode heeft gehad al geresulteerd heeft in een hogere bereidheid van ouders om hun kinderen deel te laten nemen aan het rijksvaccinatieprogramma?

De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer in te gaan op de zorg dat met voorliggend initiatiefwetsvoorstel er mogelijk juist meer onveilige situaties gaan ontstaan omdat als gevolg van het initiatiefwetsvoorstel er mogelijk kindercentra kunnen zijn waar een grotere concentratie ongevaccineerde kinderen samenkomt. Zij vragen de initiatiefnemer juist op dit aspect nadrukkelijk in te gaan.

De leden van de SP-fractie onderschrijven de aanleiding voor het wetsvoorstel en zien met de initiatiefnemer de gevaren van het toenemende risico op de verspreiding van gevaarlijke infectieziekten als gevolg van een dalende vaccinatiegraad. Wel vragen zij zich af of het voorliggende wetsvoorstel een oplossing is voor de dalende vaccinatiegraad in zowel de kinderopvang als in geheel Nederland, dan wel de specifieke regio’s met lage vaccinatiegraden. Waarom stelt de initiatiefnemer geen oplossingen voor om de vaccinatiegraad te verhogen? Hoe onderbouwt de initiatiefnemer het maatschappelijk nut van het voorliggende wetsvoorstel? Welke zekerheid biedt het voorstel precies aan de ouders?

De leden van de SGP-fractie lezen dat de initiatiefnemer constateert dat er in de samenleving zorgen leven over de gevolgen van de dalende vaccinatiegraad voor de volksgezondheid. De initiatiefnemer wil ouders daarom de vrijheid geven om te kunnen kiezen voor een kinderopvang die slechts gevaccineerde kinderen en personeelsleden toelaat. De belangrijkste vraag die deze leden hebben is of er met het voorstel van de initiatiefnemer niet schijnzekerheid wordt gecreëerd voor ouders.

De Raad van State wijst de indiener er in de ogen van de leden van de SGP-fractie terecht op dat er altijd kinderen zullen rondlopen op kinderopvangcentra die niet alle vaccinaties hebben ontvangen. Er zijn talloze situaties denkbaar waardoor besmetting alsnog optreedt. Het BMR-vaccin wordt immers pas toegediend bij 14 maanden. Er is dus altijd een kans dat een besmet kind binnen deze centra onbeschermde kinderen infecteert. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheid dat niet-ingeënte familieleden (zoals broertjes, zusjes of ouders) een kind onder de 14 maanden dat bij de kinderopvang wordt gebracht, besmetten. Hoe ziet de initiatiefnemer in dit licht het al dan niet verplichten van vaccinatie van familieleden van kinderen op de opvang? De leden van de SGP-fractie willen met deze vragen aangeven dat met het voorstel van de initiatiefnemer geen waterdicht systeem wordt gecreëerd en dat dit ook niet mogelijk lijkt te zijn. Zij vragen de initiatiefnemer hierop te reageren.

De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat het eigenlijke probleem de dalende vaccinatiegraad zelf is en niet de eventuele zorgen die ouders daarover hebben. Volgens de initiatiefnemer dient de aanwezige kans op besmetting niet bepalend te zijn voor de beoordeling van het praktisch nut van het wetsvoorstel. De initiatiefnemer stelt zich nadrukkelijk ten doel om transparantie te creëren en ouders de mogelijkheid te geven om te kiezen voor kindercentra met een expliciet vaccinatiebeleid om zo hun zorgen over de veiligheid van het hun kind zoveel mogelijk weg te nemen. De leden van de SGP-fractie menen dat de aanwezige kans op besmetting er wel degelijk toe doet, omdat het niet zo mag zijn dat ouders onder het mom van transparantie slechts schijnveiligheid wordt geboden. De zorgen kunnen wel verdwijnen, maar met dit voorstel daalt de kans op besmetting vermoedelijk nauwelijks. Wat is dus het praktische nut van dit wetsvoorstel voor het verhogen van de vaccinatiegraad?

De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemer om in kaart te brengen hoe groot het probleem dat de initiatiefnemer wil oplossen daadwerkelijk is. Kan de initiatiefnemer aangeven hoe vaak het voorkomt dat de vaccinatiegraad op een kinderopvang onder respectievelijk 95%, 90%, 85% en <85% is gedaald? Hoe vaak komt het op dit moment voor dat kinderopvangcentra kinderen weigeren? Kan de initiatiefnemer vanuit dit perspectief nogmaals reflecteren op de proportionaliteit van zijn wetsvoorstel? De initiatiefnemer leidt uit het feit dat er weinig rechtszaken zijn over dit onderwerp af dat er nog relatief weinig kindercentra zijn die niet-gevaccineerde kinderen uitsluiten. Berichtgeving in de media suggereert dat het al vaker voorkomt dan de initiatiefnemer lijkt te vermoeden. Wijst dit er niet op dat er in de praktijk op dit moment weinig problemen zijn ontstaan?

De leden van de SGP-fractie menen dat in het voorstel van de initiatiefnemer sprake is van impliciete dwang. Ouders worden niet zozeer geprikkeld om hun kind te vaccineren vanwege mogelijke besmetting, maar vanwege het feit dat hun kind anders niet bij de kinderopvang kan worden gebracht. Deelt de initiatiefnemer deze analyse?

2. Doelstelling van het wetsvoorstel en gekozen middel

De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer nader te onderbouwen waarom zijn initiatiefwet alleen ziet op kindercentra en hij bewust kiest om gastouderopvang buiten beschouwing te laten.

De initiatiefnemer geeft aan dat houders van een kindercentrum ook al in de huidige situatie een weigeringsbeleid ten aanzien van vaccinatie kunnen voeren, zij het dat zij rechtsonzekerheid kunnen ervaren over de vraag of een dergelijk onderscheid bij de rechter standhoudt. De leden van de VVD-fractie vragen waarop de initiatiefnemer zich baseert wanneer er aangegeven wordt dat er op dit moment rechtsonzekerheid wordt ervaren door houders van kindercentra. Welke signalen heeft de initiatiefnemer gekregen? Betreft het hier juridische uitspraken?

De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer hoe het voorliggend voorstel de genoemde zorgen van kindercentra over juridische gevolgen bij het weigeren van niet-gevaccineerde kinderen weg zal nemen. Op welke manier biedt voorliggend voorstel deze rechtszekerheid? Dit ook bezien in het licht van de doelstelling van het voorstel zoals beschreven door de initiatiefnemer: het tot stand brengen van transparantie op de markt van kindercentra, in het belang van de ouders die zich er zorgen over maken of zij hun kinderen wel naar een veilige omgeving brengen. Kan de initiatiefnemer nader onderbouwen hoe het doel van het voorstel om transparantie te bewerkstelligen voldoende grond biedt om onderscheid te maken tussen gevaccineerde kinderen en niet-gevaccineerde kinderen?

In haar advies geeft de Raad van State aan dat kindercentra als private ondernemingen geen (expliciete) wettelijke bevoegdheid nodig hebben voor het formuleren van een toelatingsbeleid. De leden van de VVD-fractie lezen de opmerkingen van de Raad van State zo dat ook zonder voorliggend voorstel kan worden voldaan aan de gewenste doelstelling van de initiatiefnemer, omdat kindercentra als private onderneming een vrijheidsmarge hebben om kinderen te weigeren. De initiatiefnemer stelt in de reactie op de Raad van State dat wetgeving een zeer geschikt middel is om het doel van transparantie en het faciliteren van een keuzemogelijkheid te bereiken. Er volgt echter geen motivatie vanuit de initiatiefnemer waarom inhoudelijk, gezien de opmerkingen van de Raad van State, wetgeving in dit geval een geschikt en noodzakelijk middel is. De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer gezien de opmerkingen van de Raad van State waarom in de ogen van de initiatiefnemer wetgeving toch geschikt en noodzakelijk is.

De Raad van State geeft in haar advies aan dat een handreiking mogelijk duidelijkheid kan bieden aan kindercentra wat betreft de eisen die voortvloeien uit de bescherming van persoonsgegevens en de vrijheidsmarge binnen het toelatingsbeleid van kindercentra. Wetgeving zou hierbij niet direct noodzakelijk zijn. De initiatiefnemer gaat hier niet verder op in. De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer in te gaan op de opmerkingen van de Raad van State. Waarom zou een handreiking niet volstaan voor het bereiken van het doel van de initiatiefnemer?

De leden van de CDA-fractie waarderen het dat dit initiatief tegemoetkomt aan de zorgen van ouders over mogelijke besmetting van hun kinderen, maar zij wijzen erop dat kinderopvangorganisaties ook nu al de ruimte hebben om kinderen in het belang van de volksgezondheid te weigeren en deze ruimte inmiddels benutten. De vraag is dus wat de toegevoegde waarde van dit initiatief is ten opzichte van de reeds bestaande praktijk. Kan de indiener daar nader op ingaan?

De leden van de CDA-fractie vragen de indiener vervolgens aan te geven wat precies het praktisch nut is van zijn initiatiefvoorstel. Immers ook kinderopvangcentra met een weigeringsbeleid zullen kinderen jonger dan 14 maanden die nog niet gevaccineerd worden tegen bof, mazelen en rode hond blijven opvangen. Gelet op de besmettelijkheid van mazelen en de sterk verminderde werking van groepsimmuniteit binnen kinderopvangcentra, blijft de kans dat een besmet kind binnen deze centra onbeschermde kinderen infecteert dus altijd aanwezig. Is de indiener het met deze leden eens dat het praktisch nut van het voorstel daarom beperkt is?

De leden van de D66-fractie vragen of kinderopvangorganisaties niet-gevaccineerde kinderen niet al kunnen weigeren als ze dat willen. Kan de indiener toelichten waarom het nodig is deze mogelijkheid in de wet op te nemen? Waarom heeft de indiener voor dit middel gekozen en niet meteen voor een vaccinatieplicht op de kinderopvang?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) en de Raad van State aangeven dat er geen wet nodig is voor het creëren van de mogelijkheid dat kinderopvangcentra niet-ingeënte kinderen kunnen weigeren. Zij zijn immers private ondernemingen of stichtingen die zelf beleid formuleren over toelating tot hun diensten, en kunnen het College vooraf om een oordeel vragen over dit beleid. Wat vindt de indiener hiervan? Klopt het dat kinderopvangcentra dus nu ook al kinderen kunnen weigeren omdat zij niet zijn ingeënt, en dat zij dit beleid vervolgens zelf ook kenbaar kunnen maken? Als dat zo is, is dit wetsvoorstel dan niet overbodig?

De leden van de SP-fractie hebben moeite met het uitgangspunt van de indiener om keuzevrijheid van ouders en transparantie in de sector als doel aan te wijzen. Zij zijn van mening dat bij een wet als deze het belang van de publieke gezondheid en de bescherming van alle kinderen in ons land voorop dient te staan. Bescherming van kinderen tegen infectieziekten middels het Rijksvaccinatieprogramma is een zaak van collectief belang dat niet als optie kan worden overgelaten aan private eigenaren van kinderdagverblijven, zo menen deze leden.

Graag ontvangen de leden van de SP-fractie een reactie van de initiatiefnemer op de mening van deze leden dat het niet goed is om de keuze over te laten aan organisaties in de kinderopvang zelf, aangezien het niet gaat om keuzevrijheid of transparantie maar om de bescherming van álle kinderen in de kinderopvang. Daarnaast ontvangen zij graag een nadere toelichting op de manier waarop omgegaan wordt met kinderen jonger dan 14 maanden. Het klopt toch dat deze groep kinderen bij geen enkel kinderopvangcentrum geweigerd kunnen worden op dit punt?

De leden van de SP-fractie vragen of het voorliggende wetsvoorstel niet tot extra gezondheidsrisico’s kan leiden. Met name doordat niet-gevaccineerde kinderen geconcentreerd worden op kinderdagverblijven waar geen vaccinatieplicht geldt. Waarom verplicht de initiatiefnemer niet alle kindercentra om niet-gevaccineerde kinderen te weigeren? Vindt hij de mogelijkheid van het ontstaan van nieuwe brandhaarden een aanvaardbaar risico?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat transparantie over het toelatingsbeleid van kindercentra een belangrijke doelstelling is van het wetsvoorstel en dat het wetsvoorstel beoogt om juridische onzekerheid bij kinderopvangcentra weg te nemen over het mogen voeren van een weigeringsbeleid. Deze leden begrijpen het doel van de initiatiefnemer, ook vanuit de wens om niet-gevaccineerde kinderen te beschermen. Zoals ouders vanuit het principe van soevereiniteit in eigen kring in vrijheid de keuze moeten kunnen maken om hun kind niet in te enten, moet ook een kinderdagverblijf haar door de ouders gegeven verantwoordelijkheid vanuit soevereiniteit kunnen invullen om de groep kinderen als geheel te beschermen. De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het echter belangrijk om vooraleerst maatregelen te nemen die daadwerkelijk bijdragen aan het verhogen van de vaccinatiegraad. Zij vragen de initiatiefnemer om aan te geven hoe de door hem voorgestelde maatregelen bijdragen aan een hogere vaccinatiegraad en daarbij ook aan te geven welke alternatieve maatregelen hij heeft overwogen.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren met de Raad van State dat kindercentra ook zonder de voorgestelde wetswijziging een vrijheidsmarge hebben om kinderen te weigeren. In dat licht vragen zij de initiatiefnemer om nader toe te lichten waarom het wetsvoorstel nodig en proportioneel is. Zij vragen daarnaast reflectie van de initiatiefnemer op een mogelijk schadelijk effect van het voorstel: dat de meerderheid van de kindercentra niet-gevaccineerde kinderen zal weigeren (zoals de initiatiefnemer aangeeft te verwachten). Dan blijven er namelijk slechts enkele kindercentra of gastouders over waar niet-gevaccineerde heen kunnen gaan. Daar zal dan sprake zijn van een lage vaccinatiegraad, hetgeen een bedreiging kan vormen. Niet alleen voor de betreffende opvanglocatie, maar ook voor de rest van de omgeving, regio en uiteindelijk ons hele land.

In dit kader vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe het voorstel van de initiatiefnemer zich verhoudt tot de commissie kinderopvang en vaccinatie die door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is ingesteld om onderzoek te doen naar mogelijke oplossingsrichtingen die tegemoet komen aan de zorgen bij ouders over de veiligheid van kinderopvang in relatie tot de dalende vaccinatiegraad. Deze commissie verricht momenteel diepgaand onderzoek naar alle vragen die rond dit onderwerp spelen. Deelt de initiatiefnemer de mening van deze leden dat de uitkomsten van dit onderzoek essentieel zijn bij de behandeling van het wetsvoorstel en dat het daarom raadzaam is om het rapport van de commissie af te wachten?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de initiatiefnemer in de memorie van toelichting en de media in verschillende bewoordingen spreekt over het beoogde doel van zijn voorstel. In de memorie van toelichting maakt de initiatiefnemer duidelijk dat het voorstel transparantie op de markt van kinderopvangcentra tot stand wil brengen, zodat ouders een goed geïnformeerde keuze kunnen maken voor de opvang van hun kind. Het is echter op dit moment ook al mogelijk voor kinderopvangcentra om een beleid te voeren waarbij niet-gevaccineerde kinderen niet worden toegelaten. Zij doen dit ook, zo bleek de afgelopen weken uit de media. Is de indiener het met de leden van de SGP-fractie eens dat de daadwerkelijke meerwaarde van het wetsvoorstel daarin bestaat dat aan kinderopvangcentra rechtszekerheid wordt geboden om niet-gevaccineerde kinderen te weigeren, even los van de vraag hoe gewenst dergelijk beleid is? Waarom heeft de initiatiefnemer ervoor gekozen om die duidelijkheid voor kindercentra niet als expliciet hoofddoel van het wetsvoorstel op te nemen?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de initiatiefnemer denkt dat het gevolg van de ingediende wet kan zijn dat de vaccinatiegraad omhooggaat. Zo lezen genoemde leden in Trouw (19 oktober 2018) de uitspraak van de initiatiefnemer: «Natuurlijk gaan we anti-vaxxers niet overtuigen, maar veel twijfelende ouders wél. Zij twijfelen nu nog, omdat besmettelijke ziektes uit beeld zijn neus op de feiten gedrukt: actie is nu nodig, anders gaan er ook hier straks kindjes dood door de mazelen.» Zij vragen de initiatiefnemer om nader toe te lichten hoe hij precies verwacht dat zijn voorstel tot een hogere vaccinatiegraad leidt. Is een hogere vaccinatiegraad nu een expliciet doel van dit wetsvoorstel of niet?

3. Juridische aspecten

Is de initiatiefnemer het met de leden van de VVD-fractie eens dat ouders die om medische redenen hun kinderen niet laten vaccineren door het initiatiefwetsvoorstel in de situatie kunnen komen dat hun kind geen gebruik kan maken van kinderopvang indien zich in de omgeving alleen maar kindercentra bevinden die een weigeringsbeleid voeren? Hoe kijkt de initiatiefnemer hiertegen aan? Hoe kijkt de initiatiefnemer hiertegen aan als het kind bijvoorbeeld een indicatie heeft voor Sociaal Medische Kinderopvang (SMK) /Voorschoolse- en vroegschoolse educatie (VVE) en er geen andere aanbieders zijn? Kan de initiatiefnemer nader ingaan op de implicaties van de invoering van de wet voor zittende kinderen die niet ingeënt zijn door hun ouders en waarbij de houder van het kinderdagverblijf het contract kan ontbinden? Levert dit naar oordeel en mening van de initiatiefnemer pedagogische en emotionele schade voor het kind op? Kan de initiatiefnemer dit punt nader onderbouwen?

De leden van de VVD-fractie vragen in navolging van de Raad van State hoe met voorliggend voorstel wordt bewerkstelligd dat kindercentra een adequaat en betrouwbaar weigeringsbeleid voeren, waarbij ouders er vanuit kunnen gaan dat een weigeringsbeleid inhoudt dat geen kinderen tot de opvang worden toegelaten en daar verblijven die niet blijvend deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. De initiatiefnemer geeft aan dat kindercentra bij aanmelding van het kind, en later wanneer een vaccinatie gepland is volgens het schema van het Rijksvaccinatieprogramma, kunnen toetsen of voldaan is aan het weigeringsbeleid van het kindercentrum. Kan de initiatiefnemer onderbouwen hoe waterdicht deze methode van toetsing is en hoe ouders kunnen controleren of er inderdaad aan het beleid wordt voldaan, mede gelet op de opmerkingen van de Raad van State? Wat is de waarde van het weigeringsbeleid van een kinderdagverblijf wanneer ouders niet kunnen nagaan of er ook inderdaad voldaan is aan het opgestelde beleid?

Kan de initiatiefnemer nader onderbouwen met welke mogelijke kosten en administratieve lasten een kinderdagverblijf te maken krijgt indien zij er toch voor kiezen een herleidbaar en waterdicht systeem van registratie te hanteren om ouders gerust te kunnen stellen dat er geen ongevaccineerde kinderen aanwezig zijn op het kinderdagverblijf?

De initiatiefnemer heeft als doel meer transparantie te geven ten aanzien van het weigeringsbeleid van een kindercentrum. Dit gebeurt op basis van een vertrouwensrelatie tussen een kindercentrum en de ouders. De initiatiefnemer geeft aan dat mocht dit vertrouwen ontbreken en van de kindercentra meer transparantie wordt verlangd, er inderdaad een registratie bijgehouden moeten gaan worden. Hiermee lijkt de initiatiefnemer te erkennen dat voorliggend voorstel mogelijk tot gevolg kan hebben dat een kindercentrum een registratie moeten gaan voeren ten aanzien van de vaccinatie van de kinderen om voldoende transparantie en vertrouwen van de ouders ten aanzien van het weigeringsbeleid te hebben, en dat hier juridische gevolgen en uitvoeringslasten aan verbonden zijn. Het voorstel biedt echter geen oplossing voor dit mogelijke gevolg, anders dat het aan het kindercentrum kan worden overgelaten om wel of niet te kiezen voor registratie. De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over dit mogelijke effect van het voorstel. De genoemde leden vrezen dat hiermee het behalen van de doelstelling van het voorliggende voorstel juist verder weg komt te liggen en mogelijk tot meer onduidelijkheid kan leiden. Zij vragen de initiatiefnemer hier nader op in te gaan. Daarnaast vragen zij waarom de initiatiefnemer het niet noodzakelijk acht kindercentra via het voorstel de juridische middelen te geven om de eventueel meer verlangde transparantie te bewerkstelligen, wanneer dit als mogelijk gevolg van het voorstel wordt erkend.

De initiatiefnemer geeft in de memorie van toelichting aan dat ten aanzien van beleid dat uitsluitend of nagenoeg personeelsleden aanneemt en kinderen toelaat die deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma er nog geen jurisprudentie bestaat in relatie tot de Grondwet, het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), en dat wachten daarop geen optie is. De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer wat hiermee de juridische risico’s kunnen zijn van kindercentra die een weigeringsbeleid gaan voeren naar aanleiding van voorliggend voorstel. Is het hiermee mogelijk dat de eerder genoemde rechtsonzekerheid bij houders eerder zal toenemen? Heeft de initiatiefnemer zich hier op laten adviseren? Zo ja, wat is het advies geweest? Zo nee, waarom heeft de initiatiefnemer gezien het feit dat er wordt beoogd rechtsonzekerheid weg te nemen bij houders, er niet voor gekozen om hier advies op in te winnen?

In reactie op het advies van de Raad van State geeft de initiatiefnemer aan dat het niet onmogelijk en ook niet ongepast of bijzonder bezwaarlijk is om deze vorm van medewerking te verlangen. Hierbij wordt gedoeld op het verkrijgen van de uitdrukkelijke toestemming van de ouders voor de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens. De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer wanneer het niet onmogelijk, niet ongepast of bijzonder bezwaarlijk is om dergelijke medewerking van ouders te verlangen, er is overwogen een initiatiefvoorstel te richten op een grondslag voor verwerking van de orde zijnde persoonsgegevens en hierbij de medewerking van de ouders te verlangen. Kan de initiatiefnemer aangeven welke afweging er hierbij is gemaakt? Welke bezwaren zijn er tegen een dergelijk voorstel?

De leden van de D66-fractie vragen of zij goed hebben begrepen dat het voor het toepassen van een weigeringsbeleid geen verwerking van persoonsgegevens nodig is. Kan de initiatiefnemer dit nogmaals toelichten? Klopt het dat het voorstel dus ook geen extra administratieve lasten met zich meebrengt voor ondernemers in de kinderopvang?

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de belangrijkste doelen van dit wetsvoorstel transparantie en keuzevrijheid voor ouders om te kiezen voor een kinderopvangcentrum waar alle kinderen gevaccineerd zijn, zijn. Waarom heeft de indiener gekozen voor transparantie en keuzevrijheid van de ouders als belangrijkste doelen van dit wetsvoorstel?

Volgens het College maakt dit wetsvoorstel indirect onderscheid op grond van godsdienst of levensovertuiging. Ouders met bepaalde levensovertuigingen worden in het bijzonder door de maatregel getroffen. Dit onderkent de indiener. Indirect onderscheid is geoorloofd, mits dit voldoet aan de eisen van passendheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Hoe beoordeelt de indiener de conclusie van het College en de Raad van State dat de beoogde doelen van het wetsvoorstel (transparantie en keuzevrijheid) onvoldoende zijn om als rechtvaardigingsgrond te gelden voor inperking van de vrijheid en levensovertuiging? Waarom zijn transparantie en keuzevrijheid volgens de indiener wel voldoende grond voor deze inperking? Waarom heeft de indiener niet de link gelegd met het doel bescherming van de gezondheid uit artikel 9 EVRM en dat als doel van dit wetsvoorstel opgevoerd? Zou dat mogelijk wel voldoende zijn om het wetsvoorstel te rechtvaardigen?

De leden van de SP-fractie lezen dat de initiatiefnemer zowel artikel 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind, namelijk dat het kind recht heeft op bescherming en zorg in het bijzonder op het gebied van hun gezondheid, als artikel 1.49 van de Wet kinderopvang die de houders van een kindercentrum de verplichting oplegt om in een veilige en gezonde omgeving verantwoordelijke kinderopvang aan te bieden, aanhaalt. Is de initiatiefnemer niet van mening dat aan deze artikelen veel meer tegemoetgekomen wordt als alle kinderen op alle kinderdagverblijven in een veilige en gezonde omgeving kunnen verkeren, oftewel met enkel gevaccineerde kinderen? Dienen normen en eisen die de veiligheid van kinderen waarborgen niet per definitie voor iedereen te gelden en niet facultatief te zijn? Deze leden vragen hierop graag een uitgebreide toelichting.

Ook vragen de leden van de SP-fractie een nadere toelichting op de zinsnede «het kan immers nog vier jaren duren voordat op een kindercentrum de situatie is bereikt dat daar nog uitsluitend of nagenoeg uitsluitend kinderen aanwezig zijn die deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma.» Wat draagt het voorliggende voorstel volgens de initiatiefnemer de komende vier jaar bij aan een stijging van de vaccinatiegraad en daarmee een daling van het aantal besmettingen?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de initiatiefnemer erkent dat het wetsvoorstel kan leiden tot (indirect) onderscheid op grond van godsdienst of levensovertuiging. Zij vragen de initiatiefnemer om nader toe te lichten of en waarom hij dit onderscheid gerechtvaardigd acht. Ook vragen deze leden waarom de initiatiefnemer, anders dan het College, niet van mening is dat het weigeren van een niet-gevaccineerd kind bij een kindercentrum mogelijk een inbreuk oplevert op de godsdienstvrijheid.

4. Gevolgen van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het weigeringsbeleid door een kinderopvangcentrum slechts betekent dat van ouders wordt gevraagd vaccinatiebewijzen te laten zien. Hierbij hoeft er geen bestand te worden aangelegd waarin wordt vermeld welke kinderen zijn gevaccineerd. In haar advies geeft de Raad van State echter aan dat wanneer het voorstel werkelijk wil bewerkstelligen dat de kinderopvangcentra een adequaat en betrouwbaar weigeringsbeleid voeren, dit voorzien dient te zijn in een sluitende administratie die ook wordt bijgehouden. In reactie hierop stelt de initiatiefnemer dat een kindercentrum bij het sluiten van de overeenkomst tussen ouders en een kindercentrum moeten kunnen vaststellen of een kind gevaccineerd is. Volgens de initiatiefnemer kan dit zonder registratie. De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer of de aanname dan juist is dat wanneer een kind toegang wordt verschaft tot een kindercentrum met een weigeringsbeleid andere ouders er zeker van kunnen zijn dat het betreffende kind gevaccineerd is volgens Rijksvaccinatieprogramma. Zo ja, waarop is deze zekerheid gebaseerd? Wat gebeurt er op het moment dat dit toch niet het geval blijkt te zijn? Wie is er dan verantwoordelijk en aansprakelijk voor mogelijke gevolgen en kosten?

Vervolgens zal het kindercentrum ook rekening moeten houden met de verschillende vaccinaties verspreid over uiteenlopende jaren. Kinderopvangcentra zullen, zoals de Raad van State stelt, op verschillende momenten, die per kind verschillen, moeten controleren of de vereiste vaccinaties zijn verkregen. In haar advies geeft de Raad van State aan dat voorgaande niet goed uitvoerbaar lijkt zonder dat verkregen gegevens over de behaalde vaccinaties worden bijgehouden. In reactie op het advies van de Raad van State geeft de initiatiefnemer aan dat het kindercentrum op enigerlei wijze zou moeten bijhouden op welk moment het de ouders moet vragen om bewijzen van latere inentingen te laten zien. De leden van de VVD-fractie vragen of hier op enigerlei wijze bijhouden betekent dat er ten aanzien van de vaccinatie van de kinderen op een kindercentrum met een weigeringsbeleid een registratie en administratie zal moeten worden gevoerd en dat dergelijke registratie en administratie voor ieder kind apart zal moeten worden gevoerd aangezien de vaccinatiemomenten binnen het Rijksvaccinatieprogramma voor ieder kind verschillend zijn. Kan de initiatiefnemer hier nader op ingaan? De initiatiefnemer geeft immers zelf aan in reactie op de Raad van State dat er geen persoonsgegevens verwerkt zouden hoeven te worden.

Daarnaast stelt de Raad van State in haar advies dat voor de naleving van het weigeringsbeleid er ook toezicht moet worden uitgeoefend. De initiatiefnemer geeft hierop aan dat meer wettelijke regulering niet aan de orde hoeft te zijn, omdat het niet om naleving van overheidsregels gaat, maar om beleid waartoe een kindercentrum zelf heeft besloten. De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer voorgaande te bezien vanuit het mogelijk gevolg van het voorstel dat ouders meer transparantie zullen verlangen er een registratie bijgehouden zou moeten gaan worden. Is de initiatiefnemer van mening dat er op een dergelijke administratie toezicht noodzakelijk is?

De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer in te gaan op de vraag van de Raad van State hoe het weigeringsbeleid, zoals voorgesteld in het initiatief, gestalte moet krijgen als er geen gegevens over de behaalde vaccinaties worden bijgehouden. Graag zien zij een nadere toelichting tegemoet. Tevens vragen de leden van de CDA-fractie hoe er toezicht wordt gehouden op de naleving van het weigeringsbeleid. De indiener geeft op vragen van de Raad van State aan dat er geen toezicht van de Gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) nodig zou zijn, omdat het hier niet om naleving van overheidsregels gaat, maar om beleid waartoe een kindercentrum zelf heeft besloten. Dat kan toch geen reden zijn, om dan maar geen toezicht uit te oefenen op de naleving van het weigeringsbeleid? Ook hier zien zij graag een nadere toelichting van de indiener tegemoet.

De leden van de SP-fractie vragen de initiatiefnemer hoeveel kindercentra die vaccinatiebewijzen gaan vragen en niet gevaccineerde kinderen gaan weigeren, hij verwacht. Wat is een aanzienlijk deel van de kindercentra volgens de initiatiefnemer?

Baby’s tussen 4 maanden en 14 maanden zijn onbeschermd doordat zij te jong zijn om te vaccineren. Pas daarna worden ze ingeënt in het Rijksvaccinatieprogramma. In die periode is de kans op besmetting echter ook buiten het kinderdagverblijf groter, zeker nu de vaccinatiegraad in de samenleving daalt. Is de indiener het daarom eens met de leden van de GroenLinks-fractie dat het weigeren van niet-ingeënte kinderen op kindercentra slechts beperkt bijdraagt aan de veiligheid van kinderen op een kinderdagverblijf, aangezien er alsnog veel ongevaccineerde kinderen op een kindercentrum zullen zijn? Is de indiener het eens dat dit wetsvoorstel daarom de veiligheid voor niet-ingeënte jonge baby dus maar beperkt zal verhogen?

Voor de leden van de GroenLinks-fractie staat voorop dat de vaccinatiegraad in de samenleving hoog genoeg blijft. Dat is namelijk de beste manier om bescherming te bieden aan kinderen tegen infectieziekten. Is het wetsvoorstel ook gericht op verhoging van de vaccinatiegraad in de samenleving? Is de indiener het met de leden van GroenLinks-fractie eens dat dit wetsvoorstel slechts beperkt zal bijdragen aan het op peil houden van de vaccinatiegraad? Als het wetsvoorstel niet bijdraagt aan verhoging van de vaccinatiegraad in de samenleving en zowel het College als de Raad van State beoordelen dat het huidige voorstel weinig bijdraagt aan de bescherming van kinderen op kindercentra, deelt de indiener dan de conclusie dat een effect zal zijn dat inzichtelijk wordt op welke kindercentra kinderen ouder dan 14 maanden gevaccineerd zijn, en dat het daardoor mogelijk zal bijdragen aan een gevoel van veiligheid voor ouders, maar dat dit gevoel van veiligheid niet is gestoeld op een kleiner infectierisico voor hun kind?

De indiener stelt aan het einde in reactie op de Raad van State dat het wetsvoorstel vooral van belang is om zorgen van ouders weg te nemen en hen in die zin gerust te stellen. De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af of de maatregelen uit het wetsvoorstel proportioneel zijn als het enkel dit doel dient. Graag vragen zij de indiener nader in te gaan op de verhouding tussen de inspanningen die invoering van dit wetsvoorstel zal vergen ten opzichte van wat het daadwerkelijk oplevert.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de Raad van State aangeeft dat het voor een adequaat en betrouwbaar weigeringsbeleid nodig is dat kindercentra een sluitende administratie bijhouden van de behaalde vaccinaties per kind. Dit is een forse opgave voor kindercentra, omdat het Rijksvaccinatieprogramma verschillende vaccinaties bevat die verspreid over uiteenlopende jaren worden gegeven. Kan de initiatiefnemer nader toelichten waarom hij, in afwijking van de Raad van State, een dergelijke registratie niet nodig acht? Mist het wetsvoorstel zijn doel niet als er geen adequate registratie is die ten grondslag ligt aan het weigeringsbeleid?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de initiatiefnemer de concrete uitvoering van het wetsvoorstel voor rekening van kindercentra laat, niet in de laatste plaats omdat kindercentra private ondernemingen zijn. Deze leden begrijpen dit, maar vragen zich toch af hoe de indiener zijn wetsvoorstel in de praktijk voor zich ziet. Wat als ouders bij het aanmelden van hun kind bij het kindercentra nog niet precies weten of zij hun kind willen laten vaccineren? Is het de initiatiefnemer te doen om alle vaccinaties of spitst zijn zorg zich met name toe op het BMR-vaccin? Hebben kindercentra wat de initiatiefnemer betreft de vrijheid om een gediversifieerd beleid te voeren met betrekking tot de verschillende soorten vaccins? Kan de initiatiefnemer aangeven in hoeverre hij verwacht dat ouders hun kinderen door deze wetswijziging naar een ander kinderopvangcentrum zullen moeten sturen?

De leden van de SGP-fractie ondersteunen de lijn van de indiener om niet tot meer (wettelijke) regulering over te gaan dan nodig is. Het lijkt echter niet goed voorstelbaar dat kinderopvangcentra geen enkele registratie bijhouden van gevaccineerde kinderen. Genoemde leden vragen de indiener of hij een inschatting kan maken van de lasten die dit voor kinderopvangcentra met zich mee zal brengen.

Gastouders zijn niet ingesloten in dit wetsvoorstel. De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemer of hij nader kan toelichten waarom hij hiervoor heeft gekozen. Begrijpt de initiatiefnemer de zorg dat op termijn ook scholen zullen worden inbegrepen onder dit voorstel? Kan hij deze zorg wegnemen?

De initiatiefnemer verwacht dat ouders die tegenstander zijn en blijven van vaccinatie, hun kinderen bij familie of de gastouderopvang zullen onderbrengen (Trouw, 19 oktober 2018) en er geen kindercentra zullen ontstaan met een extra hoog percentage niet-gevaccineerde kinderen. De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemer waar deze verwachting op is gebaseerd.

Het wetsvoorstel spreekt over personeel in dienst van de kinderopvangorganisatie. Kan de initiatiefnemer aangeven wat deze zinsnede precies betekent voor personeel dat bijvoorbeeld op zelfstandige zonder personeel (zzp)-basis actief is voor de organisatie of bijvoorbeeld schoonmakers van een ander bedrijf die via een contract met de organisatie in het gebouw van de kinderopvang actief zijn? Geldt een dergelijk beleid ook voor hen?

5. Consultaties

In haar advies geeft het College, net als de Raad van State, aan dat voor het voeren van een weigeringsbeleid, zoals voorgesteld in het voorliggende voorstel, er geen wettelijke basis nodig is. Het College schrijft: «Ook zonder deze wetswijziging hebben kindercentra in beginsel de (ondernemers)vrijheid om niet-ingeënte kinderen te weigeren.» De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer waarom hij het voorliggend voorstel toch noodzakelijk acht, gezien de opmerkingen van het College en de Raad van State. Welke inhoudelijke redenen kan de initiatiefnemer aandragen om toch te kiezen voor de voorgestelde wetswijziging?

Het College geeft vervolgens in haar advies aan dat de introductie van een «kan-bepaling» middels het voorgestelde artikel 149a niks verandert aan de situatie die nu al bestaat, namelijk dat het gevoerde toelatingsbeleid van een kindercentrum door het College kan worden getoetst aan artikel 7 AWGB. Kan de initiatiefnemer nader toe lichten waarom de introductie van artikel 149a in de ogen van de initiatiefnemer toch noodzakelijk is? In zijn reactie op het advies van het College geeft de initiatiefnemer aan dat het wetsvoorstel er wel vanuit gaat dat een weigeringsbeleid op basis van het voorgesteld artikel 149a indirect onderscheid wegens godsdienst of levensovertuiging kan opleveren. Hoewel het College hierbij de vraag stelt aan de initiatiefnemer of met dit wetsvoorstel een bepaalde toepassing van de toets die het College op basis van artikel 7 AWGB wordt afgedwongen, acht de initiatiefnemer dit echter niet van belang omdat het primaire doel van het wetsvoorstel is beperkt tot het creëren van een keuzemogelijkheid van ouders. Daarom hoeft er volgens de initiatiefnemer geen afweging te worden gemaakt tussen het belang van volksgezondheid en enig godsdienstig of levensbeschouwelijk belang van ouders. Die belangen worden niet aangetast. De leden van de VVD-fractie vragen wat dit voorliggende voorstel doet voor de, ook door de initiatiefnemer aangehaalde, rechtszekerheid voor houders van kindercentra die een weigeringsbeleid voeren. Kan de initiatiefnemer aangeven hoe het voorliggende voorstel meer rechtszekerheid en duidelijkheid biedt wanneer de initiatiefnemer ook zelf constateert in de memorie van toelichting dat een weigeringsbeleid een indirect onderscheid kan opleveren wegens godsdienst of levensovertuiging? Betekent hiermee dat een weigeringsbeleid altijd nog na invoering getoetst kan worden door het College, zoals ook bestaande praktijk is?

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de commissie Vermeij gevraagd om onderzoek te doen naar de mogelijke oplossingsrichtingen die tegemoet komen aan de zorgen van ouders over de veiligheid van kinderopvang in relatie tot de dalende vaccinatiegraad. De commissie komt voor 1 juli 2019 met haar bevindingen. De leden van de CDA-fractie hechten veel waarde aan de uitkomst van dit onderzoek en zal deze meenemen in de uiteindelijke beoordeling van dit initiatief.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de indiener voorbeelden uit het buitenland heeft waar een dergelijke wetswijziging heeft plaatsgevonden. Zo ja, wat waren de gevolgen van de invoering? Heeft het geleid tot een hogere vaccinatiegraad? Heeft het geleid tot het wegnemen van zorgen bij ouders en hen in die zin gerust te stellen?

De leden van de SP-fractie vragen hoe de initiatiefnemer reageert op de adviezen van het College en de Raad van State dat er geen wet nodig is voor het creëren van de mogelijkheid dat kindercentra niet-ingeënte kinderen kunnen weigeren. Bevestigt de initiatiefnemer dat het bewerkstelligen van transparantie de doelstelling is van het voorliggend voorstel? Zo ja, hoe relateert de initiatiefnemer dit doel tot de legitieme doelen zoals geformuleerd in artikel 9 van het EVRM? Is de initiatiefnemer van mening dat het bewerkstelligen van transparantie voldoende is als grond voor artikel 9 van het EVRM? Waarom is bijvoorbeeld niet gekozen voor de grond die uitgaat van de bescherming van de gezondheid? Voorts vragen deze leden om een nadere toelichting op de onderbouwing dat het voorstel een categorische uitzondering op het gelijkebehandelingsrecht rechtvaardigt in de zin van artikel 2, lid 1 van de AWGB.

Op 19 december 2018 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de commissie kinderopvang en vaccinatie ingesteld om onderzoek te doen naar mogelijke oplossingsrichtingen die tegemoetkomen aan de zorgen bij ouders over de veiligheid van kinderopvang in relatie tot de dalende vaccinatiegraad. Dit vraagstuk raakt aan voorliggend initiatiefvoorstel. De looptijd van de commissie is verlengd tot 1 juli 2019. De commissie kinderopvang en vaccinatie heeft de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzocht om hiermee te houden bij de behandeling van het initiatiefvoorstel. Hoewel de deadline voor het leveren van inbreng voor het verslag desondanks toch is vastgesteld op 15 mei 2019, gaan de leden van de SGP-fractie er vanuit dat de initiatiefnemer dit verzoek van de commissie kinderopvang en vaccinatie respecteert. Zij ontvangen graag een bevestiging van initiatiefnemer en vragen hem vervolgens hoe hij de uitkomsten van het onderzoek van de commissie zal verwerken in zijn wetsvoorstel.

II. Artikelen

Artikel 1.49a

De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer hoe de zinssnede «die aantoonbaar deelnemen aan het vaccinatieprogramma» gelezen moet worden. Wat betekent in deze context aantoonbaar? In de toelichting bij het artikel gaat de initiatiefnemer niet nader in op wat moet worden verstaan onder aantoonbaar. Eerder in de memorie van toelichting staat dat het slechts zou gaan om het laten zien van de vaccinatiebewijzen. De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer nader te specificeren wat aantoonbaar is. Wanneer is hieraan voldaan? Gaat het hierbij om het eenmalig laten zien van een vaccinatiebewijs? Hoe wordt vastgelegd wat aantoonbaar is in de context van dit betreffende artikel en dat hieraan voldaan is?

De initiatiefnemer heeft in media laten weten dat het verplicht afstaan van een vaccinatiebewijs in het voorliggend voorstel is opgenomen: «Dit zit ook in het wetsvoorstel. Wat mij betreft is dat niet zo'n inbreuk op de privacy dat je er vanaf zou moeten zien.» (EenVandaag, 1 mei 2019). De leden van de VVD-fractie vragen op welke manier het verplicht afstaan van een vaccinatiebewijs is opgenomen in het voorliggend voorstel. Welke gevolgen worden er met het voorliggend voorstel verbonden aan het niet overhandigen van een vaccinatiebewijs? Op welke gronden in het voorliggend voorstel kan een kindercentrum een kind waarvan de ouders geen vaccinatiebewijs overleggen, weigeren? Daarnaast lijkt de opmerking van de initiatiefnemer aan te geven dat met voorliggend voorstel er sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Er kunnen redenen zijn waarom er in de afweging toch wordt gekozen om bijvoorbeeld het belang van de volksgezondheid te laten prevaleren over de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Hierbij dient wel een afweging te worden gemaakt. De initiatiefnemer geeft in reactie op het advies van het College aan een dergelijk afweging niet van belang is bij voorliggend voorstel omdat het slechts beperkts is tot het creëren van een keuzemogelijkheid voor ouders. De initiatiefnemer geeft hierbij specifiek aan dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet aan de orde is. De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer nader in te gaan op de opmerkingen gedaan in de media, de reactie op het advies van het College en de afweging tussen de verschillende belangen.

De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer waar de schriftelijke mededeling, zoals opgenomen in lid 2, aan moet voldoen. Daarnaast vragen zij hoe lid 2 zich verhoudt tot het huidige artikel 1.47 van de Wet kinderopvang, de registratie van een kindercentrum. Dienen de (nadere) regels die gesteld worden aan de schriftelijke mededeling niet in een algemene maatregel van bestuur te worden vastgelegd? Zo nee, waarom acht de initiatiefnemer dit niet noodzakelijk?

Met betrekking tot artikel 1:49a vragen de leden van de SP-fractie om een nadere toelichting op de mogelijkheid om te kiezen voor het toelaten van één of enkele kinderen die niet ingeënt zijn zolang de groepsimmuniteit in het kindercentrum niet in gevaar komt. Gaat het hier alleen om kinderen tot 14 maanden? Wie bepaalt dit bijvoorbeeld precies? Is transparantie hierbij ook vereist? Moet dit ook (vooraf) worden gecommuniceerd aan de ouders? Tevens vragen deze leden om een nadere duiding van de zinsnede «nagenoeg uitsluitend». Is de initiatiefnemer het met de leden van de SP-fractie eens dat door deze zinsnede alsnog een onderscheid wordt gemaakt, aangezien hierdoor bepaalde groepen ongelijk behandeld worden?

De voorzitter van de commissie, Rog

De adjunct-griffier van de commissie, Kraaijenoord