Kamerstuk 34552-19

Antwoorden op vragen van de commissie, gesteld tijdens het wetgevingsoverleg van 31 oktober 2016, over het pakket Belastingplan 2017

Dossier: Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2017)

Gepubliceerd: 3 november 2016
Indiener(s): Eric Wiebes (staatssecretaris financiƫn) (VVD)
Onderwerpen: belasting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34552-19.html
ID: 34552-19

Nr. 19 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 november 2016

In deze brief treft u de schriftelijke antwoorden aan op een deel van de vragen die zijn gesteld tijdens het wetgevingsoverleg van 31 oktober 2016 over het pakket Belastingplan 2017. Aanstaande maandag, op 7 november 2016, zal op de overige vragen een mondeling antwoord volgen. Hierbij zal ik in ieder geval ingaan op de thema’s koopkracht en inkomensontwikkeling, vestigingsklimaat, belastingontwijking, vereenvoudigingen, vergroening, pensioen in eigen beheer en de bedrijfsopvolgingsregeling.

Belastingplan 2017 (Kamerstuk 34 552)

Koopkracht

De heer Omtzigt vraagt of ik bereid ben met mijn collega van VWS te bespreken of de verlaging van de eigen bijdrage voor specifieke voorzieningen van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) ook kan worden toegepast op de algemene voorzieningen in de WMO. Er zijn geen signalen dat de eigen bijdrage bij algemene voorzieningen een te grote drempel vormt. Dit wordt bevestigd door de uitkomsten van het kwalitatieve onderzoek naar algemene voorzieningen dat door de Staatssecretaris van VWS op 2 november 2015 naar de Tweede Kamer is gestuurd. 1 Daarbij geldt dat de diversiteit aan algemene voorzieningen groot is en per gemeente verschilt; van bingo tot aan huishoudelijke verzorging. Er geldt daarom ook geen nadere landelijke regelgeving voor de eigen bijdrage voor algemene voorzieningen.

Daarnaast is het zo dat gemeenten zelf belang hebben bij het (financieel) laagdrempelig maken van algemene voorzieningen, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. Ik zie daarom geen aanleiding om in overleg te treden met de Staatssecretaris van VWS.

De heer Omtzigt vraagt om twee wijzigingen in tabel 1 uit de nota naar aanleiding van het verslag van het Belastingplan 2017 (Kamerstuk 34 552, nr. 14). Deze tabel betreft de te betalen inkomstenbelasting voor personen met een brutojaarinkomen van € 35.000 in een aantal specifieke huishoudsituaties. De eerste wijziging betreft het niet meenemen van de algemene heffingskorting van de niet-werkende partner in het voorbeeld van een kostwinner met een kind onder de 12 jaar en een niet-werkende partner zonder inkomen. De tweede wijziging gaat om het opnemen van de te betalen belasting voor een uitkeringsgerechtigde met een brutojaarinkomen van € 35.000 en met een kind onder de 12 jaar. Beide wijzigingen zijn in de hierna opgenomen tabel verwerkt. Voor de uitkeringsgerechtigde is uitgegaan van een belastingplichtige met een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een werkloosheidsuitkering.

Tabel 1: te betalen belasting in de inkomstenbelasting in 2017

Te betalen belasting in euro’s

1. Alleenstaande werkende zonder kinderen

€ 8.099

2. Alleenstaande werkende met een kind onder de 12 jaar

€ 5.241

3. Alleenstaande werkende met een kind boven de 12 jaar

€ 8.019

   

4. Uitkeringsgerechtigde met een kind onder de 12 jaar

€ 11.896

   

5. Kostwinner met een kind onder de 12 jaar en een niet-werkende partner zonder inkomen

€ 8.099

6. Meestverdienende tweeverdiener met een kind onder de 12 jaar, waarvan de partner € 34.999 verdient

€ 8.099

7. Minstverdienende tweeverdiener met een kind onder de 12 jaar, waarvan de partner € 35.001 verdient

€ 5.321

   

8. Zzp’er

€ 3.677

9. Startende zzp’er met een kind onder de 12 jaar en met een partner met hoger inkomen

€ 67

   

10. Alleenstaande gepensioneerde

€ 4.808

11. Gehuwde gepensioneerde

€ 5.246

Vbi’s en APV’s

Mevrouw De Vries vraagt hoe na de aanpassing van de toerekeningsstop wordt voorkomen dat dubbele belasting wordt betaald. De toerekening kan zonder nadere maatregelen leiden tot internationale dubbele belasting. In de eerste plaats omdat naast de heffing door Nederland bij de inbrenger (of diens erfgenamen) ook het land waar een afgezonderd particulier vermogen (APV) is gevestigd belasting kan heffen over inkomen dat wordt behaald met het daarin afgezonderde vermogen. In de tweede plaats kan naast genoemde heffing sprake zijn van belastingheffing in het land waar het afgezonderde vermogen van het APV is belegd of geïnvesteerd. Wat betreft de eerstgenoemde vorm van dubbele belasting wordt in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (Bvdb 2001) een nieuwe regeling opgenomen die de mogelijkheid biedt om de door het land waar het APV is gevestigd geheven belasting te verrekenen met de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting over dat aan de inbrenger toegerekende afgezonderde vermogen. Voor de geheven belasting door het land waar het afgezonderde vermogen van het APV is belegd of geïnvesteerd, kan volgens de reguliere regels recht bestaan op een door Nederland te verlenen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting op basis van het Bvdb 2001 of op basis van een door Nederland gesloten belastingverdrag.

De heer Bashir vraagt of ik heb nagedacht over het uniformeren van de belastingen op kapitaalinkomen en of ik dit een goed idee vind. Kapitaalinkomen is een breed begrip. Het omvat onder andere winst uit onderneming, rente, dividend, royalty’s en vermogensmutaties, maar ook inkomsten uit de eigen woning en pensioen. Daarnaast gaat het bij het belasten van kapitaalinkomen niet alleen om de inkomstenbelasting, maar ook om de vennootschapsbelasting, de dividendbelasting, de overdrachtsbelasting, de onroerendezaakbelasting en de erf- en schenkbelasting. Het onderscheid in fiscale behandeling dat wordt gemaakt betreffende de verschillende inkomsten uit kapitaal is niet zonder reden. Op deze wijze is het mogelijk rekening te houden met de specifieke eigenschappen van bepaalde inkomsten uit kapitaal. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld beleidsmatige doelen worden nagestreefd of kan de economische verstoring van belastingen worden beperkt. Een algehele uniformering lijkt mij daarom ook geen goed idee.

De heer Bashir geeft aan dat in de literatuur is geschreven dat de voorgestelde maatregelen bijna een afschaffing van de vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) inhouden en vraagt hoe ik dit zie. Daarnaast vraagt de heer Bashir of de vbi niet gewoon moet worden afgeschaft. Met de vbi wordt een deel van de beleggersmarkt voor collectief beleggen bediend. Collectief beleggen leidt tot schaalvoordelen en een grotere risicospreiding. Naast aanmerkelijkbelanghouders maken ook particuliere collectieve beleggers en institutionele beleggers zoals verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen gebruik van de vbi. Door de in het Belastingplan 2017 opgenomen maatregelen wordt de vbi minder aantrekkelijk voor aanmerkelijkbelanghouders. Het vbi-regime blijft ongewijzigd voor bijvoorbeeld institutionele beleggers en blijft zodoende zijn belang behouden. Alleen al om die reden is het afschaffen van de vbi mijns inziens niet aan de orde. Overigens zou het afschaffen van de vbi de mogelijkheid openlaten om te beleggen door middel van een vergelijkbaar buitenlands beleggingslichaam, terwijl de voorgestelde maatregelen ook van toepassing zijn op een aanmerkelijk belang in een kwalificerend buitenlands beleggingslichaam. Hierdoor worden ook deze beleggingslichamen minder aantrekkelijk gemaakt voor een aanmerkelijkbelanghouder.

De heer Bashir vraagt of in de raming rekening is gehouden met een daling van het aantal vbi’s. De maatregel dat aanmerkelijkbelanghouders voortaan verplicht over de aanmerkelijkbelangclaim moeten afrekenen indien zij beclaimd box 2-vermogen willen onderbrengen in een vbi zal naar verwachting tot gevolg hebben dat het aantal vbi’s dat vanuit de box 2-sfeer wordt opgericht niet verder zal toenemen. De verwachting is namelijk dat deze verplichte afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim prohibitief zal werken. Op langere termijn zal het aantal vbi’s afnemen, omdat bestaande vbi’s op enig moment zullen ophouden te bestaan. Zoals opgemerkt in de nota naar aanleiding van het verslag is dit indirecte effect in de raming buiten beschouwing gelaten, omdat volgens de gangbare ramingssystematiek alleen met indirecte effecten die kwalificeren als substantiële eerste-ordegedragseffecten rekening wordt gehouden.

De heer Bashir vraagt om forse substance-eisen voor het criterium van een «reële actieve onderneming» in de aangepaste toerekeningsstop in de APV-regeling. Verder vraagt hij of de toerekeningsstop niet helemaal afgeschaft kan worden omdat in de praktijk geen casus bekend is waarin een activiteit van een APV als onderneming kwalificeert.

In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik opgemerkt dat afgezien van nijvere stichtingen geen enkele casus uit de praktijk bekend is waarin op basis van de criteria in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en in de rechtspraak een activiteit van een APV als een onderneming kan worden aangeduid. Dit neemt niet weg dat een dergelijke situatie zich wel kan voordoen. Voor zover de ondernemingsactiviteiten alsdan met Nederlandse vennootschapsbelasting belast worden (als de onderneming in Nederland wordt gedreven), zou zonder de beperkte toerekeningsstop sprake kunnen zijn van een ongewenste samenloop van de inkomstenbelasting met de vennootschapsbelasting. Voor zover de ondernemingsactiviteiten in het buitenland worden gedreven en het ondernemingsvermogen deel uitmaakt van een buitenlandse onderneming, past de beperkte toerekeningsstop in het Nederlandse internationale fiscale uitgangspunt dat ondernemingen primair behoren te worden belast in de staat waar deze worden gedreven. Hierbij gelden al voldoende substance-eisen omdat het moet gaan om een materiële onderneming. Het kabinet wil net als de heer Bashir voorkomen dat de toerekeningsstop wordt misbruikt en heeft om die reden strenge eisen wat betreft het bewijs gesteld. De inbrenger moet overtuigend aantonen («doen blijken») dat de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven tot een onderneming van het APV behoren. De toerekeningsstop is dus niet van toepassing op het vermogen en de winst waarvan de belastingplichtige niet overtuigend aantoont dat deze tot het ondernemingsvermogen van het APV behoren. Vervolgens moet hij ook nog eens overtuigend aantonen dat de winst uit deze onderneming in de staat of in de staten waarin deze wordt gedreven is onderworpen aan een belasting naar de winst.

De heer Bashir vraagt wat destijds de opbrengsten zijn geweest van de invoering van het APV-regime. Hij refereert daarbij aan de opmerking in de nota naar aanleiding van het verslag dat daarvoor in 2010 al aanzienlijke structurele opbrengsten zijn ingeboekt. De opbrengst van de APV-maatregelen is destijds geraamd op € 210 miljoen per jaar.

De heer Omtzigt vraagt of ik een overzicht kan geven van het aantal vbi’s waarmee momenteel naar mijn inschatting box 3-heffing wordt ontweken en het vermogen dat daarmee gemoeid is. Daarnaast vraagt de heer Omtzigt wat er is gebeurd met de trots waarmee het vbi-regime is ingevoerd. Het onbedoelde gebruik van de vbi ziet met name op het gebruik van een zogenoemde flits-vbi. In de afgelopen jaren zijn slechts enkele flits-vbi’s waargenomen, waarbij het daarmee gemoeide vermogen tot nu toe van beperkte omvang is geweest. De maatregel uit het wetsvoorstel zal naar verwachting een toename van het aantal flits-vbi’s in de toekomst voorkomen. Het gebruik van de flits-vbi en de andere voorgestelde vbi-maatregelen hebben alleen betrekking op het gebruik van de vbi door aanmerkelijkbelanghouders en raken andere (collectieve) beleggers in een vbi niet.

De heer Omtzigt vraagt of de vbi-maatregelen niet onverstandig zijn, aangezien het aanmerkelijkbelanghouders verleidt hun kapitaal weer in Luxemburg of in Cyprus onder te brengen. De voorgestelde maatregelen op het gebied van de vbi zijn ook van toepassing op een aanmerkelijk belang in een kwalificerend buitenlands beleggingslichaam. Hiervan is sprake indien het kapitaal van het buitenlandse lichaam in aandelen is verdeeld, de bezittingen grotendeels, direct of indirect bestaan uit beleggingen, de werkzaamheden van het lichaam niet aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden en het lichaam niet onderworpen is aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in het geval van een Luxemburgse SICAV. Naar de verwachtingen van het kabinet zullen de voorgestelde maatregelen daardoor niet resulteren in een kapitaalvlucht naar andere landen. Indien de vennootschap in het buitenland onderworpen is aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing, zijn de voorgestelde maatregelen niet van toepassing. Door de reële heffing zijn deze buitenlandse beleggingslichamen namelijk niet vergelijkbaar met een Nederlandse vbi. Het te behalen voordeel voor de belastingplichtige is in deze situaties wel minder groot, aangezien de winsten in de vennootschap zijn belast met een belasting naar de winst van ten minste 10%. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met de kosten van het opzetten en in stand houden van een dergelijke buitenlandse structuur.

De heer Bashir vraagt of het mogelijk is voor de vbi om indirect te beleggen in onroerende zaken en in hoeverre dit in de praktijk gebeurt. Het is de vbi niet toegestaan om direct te beleggen in onroerende zaken die in Nederland zijn gelegen, om te voorkomen dat Nederlandse heffingsmogelijkheden verloren gaan. De vbi mag, kort gezegd, behalve in banktegoeden slechts beleggen in financiële instrumenten in de zin van de Wet op het financieel toezicht. Hierbij kan met name gedacht worden aan verhandelbare aandelen of obligaties. Waar het gaat om indirect beleggen in vastgoed, mag een vbi bijvoorbeeld beleggen in aandelen in een fiscale beleggingsinstelling (fbi) die in onroerende zaken belegt. De door de fbi verplicht uit te keren dividenden zijn onderworpen aan dividendbelasting, die door de vbi niet kan worden verrekend. In hoeverre vbi’s in de praktijk indirect beleggen in vastgoed is niet bekend.

Start-ups

Mevrouw De Vries vraagt waarom bij de maatregel voor het stimuleren van start-ups een horizonbepaling is opgenomen en hoe de effectiviteit van de maatregel kan worden bepaald. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften is het uitgangspunt bij nieuwe belastinguitgaven dat de maatregel wordt geëvalueerd en dat hiervoor een horizonbepaling geldt. Daarom is ook deze maatregel voorzien van een evaluatiebepaling en een horizonbepaling. De maatregel zal worden geëvalueerd op doelmatigheid en doeltreffendheid. Bij de evaluatie zal worden gekeken naar het aantal bedrijven dat gebruik heeft gemaakt van deze maatregel. Verder zal worden gekeken in welke mate de maatregel bijdraagt aan de beoogde stimulering van innovatieve start-ups door te kijken naar het effect op de hoogte van het loon bij de doelgroep en als afgeleid effect daarvan de verbetering van hun liquiditeitspositie. Deze maatregel is voor innovatieve starters drie jaar beschikbaar. Mocht de regeling worden afgeschaft, dan zal voor op dat moment bestaande gevallen overgangsrecht worden opgenomen. Dit geeft innovatieve start-ups die van de regeling gebruikmaken zekerheid voor de hele periode van drie jaar.

De heer Van Vliet vraagt of er een tegenbewijsregeling komt bij de versoepeling van de gebruikelijkloonregeling voor innovatieve start-ups, omdat het minimumloon soms te hoog is. De versoepeling van de gebruikelijkloonregeling houdt in dat het loon van dga’s van innovatieve start-ups op het wettelijke minimumloon mag worden gesteld. Als de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het loon op een lager bedrag moet worden vastgesteld dan het wettelijke minimumloon, dan wordt dit lagere bedrag in aanmerking genomen. Daarmee is afwijken van het wettelijke minimumloon dus mogelijk en is een afzonderlijke tegenbewijsregeling niet nodig.

Innovatiebox

Mevrouw De Vries vraagt naar de gevolgen van de aanpassingen van de innovatiebox voor de werkgelegenheid. De precieze effecten voor de werkgelegenheid zijn niet te kwantificeren, maar met het in lijn brengen van de innovatiebox met internationale afspraken is de innovatiebox in elk geval een internationaal aanvaard instrument ter stimulering van innovatieve activiteiten door bedrijven. Dat zorgt voor zekerheid en is een positief signaal voor economische groei en werkgelegenheid. Nederland ondervindt geen nadeel ten opzichte van andere OESO-landen met een preferentieel regime voor immateriële activa, omdat die landen het regime ook in overeenstemming moeten brengen met de gemaakte afspraken. Verder wordt met een deel van de opbrengst van deze maatregel de verlenging van de eerste schijf van de ingevolge de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) voor vennootschapsbelastingplichtigen geldende tarieftabel gefinancierd. Van deze verlenging profiteren alle vennootschapsbelastingplichtigen met een belastbare winst van meer dan € 200.000.

De heer Bashir vraagt naar welk deel van de structurele opbrengst van de maatregelen in de innovatiebox zijn toe te rekenen aan de nexusbenadering en of het juist is dat er in het verleden veel voordeel is verleend aan bedrijven die veel R&D uitbesteedden binnen de groep. De structurele opbrengst van de maatregelen, waaronder de nexusbenadering, is een combinatie van de verschillende maatregelen in de innovatiebox in dit wetsvoorstel. Het is een combinatie, omdat de hoogte van de opbrengst van één maatregel afhankelijk is van de andere maatregel(en). Zo heeft bijvoorbeeld de eis van de verplichte S&O-verklaring ook een effect op de opbrengst van de nexusbenadering. Immers, om een S&O-verklaring te verkrijgen dient in ieder geval een deel van de activiteiten in Nederland verricht te worden. Uitbesteding aan een gelieerde onderneming wordt daarom enerzijds door de nexusbenadering en anderzijds door de S&O-verklaring beperkt en dit effect is integraal meegenomen in de raming. In lijn met de bevindingen van de evaluatie van de innovatiebox is voor de raming ervan uitgegaan dat in totaal circa 35% van de werkzaamheden wordt uitbesteed aan gelieerde ondernemingen in binnen- en buitenland.2

De heer Bashir stelt vragen over de kleinere belastingplichtige. Hij vraagt naar de grens om te kwalificeren als kleinere belastingplichtige en waarom deze belastingplichtige met alleen een S&O-verklaring toegang heeft tot de innovatiebox. Ook vraagt hij waarom voor die belastingplichtigen geen aanvullend juridisch ticket wordt geëist. In actiepunt 5 van het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS)-project van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is gedefinieerd wanneer sprake is van een kleinere belastingplichtige. Dit is het geval als een belastingplichtige voldoet aan het voordeelcriterium en het omzetcriterium. Het voordeelcriterium houdt – kort gezegd – in dat een belastingplichtige over vijf jaar ten hoogste € 37,5 miljoen aan brutovoordelen3 uit immateriële activa geniet. Het omzetcriterium houdt in dat de groep waartoe de belastingplichtige behoort over vijf jaar ten hoogste een netto-omzet heeft van € 250 miljoen. Overigens is een omzetcriteriumgrens van gemiddeld € 50 miljoen per jaar niet nieuw. In actiepunt 13 van het BEPS-project4 zijn documentatieverplichtingen opgenomen betreffende een landenrapport, een groepsdossier en een lokaal dossier. De verplichtingen aangaande het groepsdossier en het lokale dossier gelden voor een multinationale groep die in een jaar een totaal van ten minste € 50 miljoen aan geconsolideerde groepsopbrengsten heeft behaald. Deze verplichtingen zijn sinds 1 januari 2016 opgenomen in artikel 29g van de Wet Vpb 1969.

In OESO-verband is bij de opsomming van de zogenoemde toegangstickets voorzien in een zogenoemde restcategorie («niet voor de hand liggend, nieuw en nuttig»). Met betrekking tot die categorie geldt dat deze zeer breed is en zou kunnen worden misbruikt om niet-innovatieve activiteiten te laten profiteren van een verlaagd belastingtarief. Dit is juist niet de bedoeling van het BEPS-project. Daarom is het slechts voor voornoemde kleinere belastingplichtigen toegestaan met deze activa gebruik te maken van de innovatiebox, omdat mag worden aangenomen dat bij deze kleinere belastingplichtigen een dergelijk misbruik niet voor de hand ligt. Het kabinet vult deze restcategorie in door te vereisen dat een kleinere belastingplichtige ook toegang verkrijgt als hij over een S&O-verklaring beschikt. Op deze manier wordt niet alleen aangesloten bij wat in OESO-verband is afgesproken maar wordt tevens de binding van de kwalificerende innovatieve activiteiten met Nederland gewaarborgd (om een S&O-verklaring te verkrijgen dient immers in ieder geval een deel van de activiteiten in Nederland te worden verricht).

De heer Van Weyenberg vraagt waarom het kabinet geen tegenbewijsregeling heeft opgenomen voor de innovatiebox. In OESO-verband is overeengekomen dat de nexusbenadering als weerlegbaar vermoeden mag worden beschouwd. Dat betekent kort gezegd dat landen wettelijk kunnen vastleggen dat belastingplichtigen de mogelijkheid hebben tegenbewijs te leveren, indien vanwege uitzonderlijke omstandigheden de nexusbenadering geen recht doet aan de economische realiteit. Het OESO-rapport geeft weinig houvast in welke gevallen dat zou kunnen spelen. Wel is in zeer algemene termen opgemerkt dat zij in beeld kan komen wanneer de nexusbreuk, zonder de factor 1,3, gelijk of groter is dan 0,25. Dit houdt in dat, op basis van deze mathematische benadering, het weerlegbaar vermoeden in beeld kan komen in een afgekaderd aantal gevallen waarin sprake is van een bepaald niveau van uitbesteding. Vervolgens moet de belastingplichtige wel aantonen dat de toepassing van de nexusbreuk vanwege uitzonderlijke omstandigheden tot een resultaat zou leiden dat inconsistent is met het principe van de nexusbenadering. In de OESO-afspraken wordt de stellige verwachting uitgesproken dat het weerlegbaar vermoeden in een (zeer) beperkt aantal gevallen aan de orde zal komen. Of en zo ja hoe dat kan worden bereikt, is helemaal afhankelijk van de invulling van het begrip «uitzonderlijke omstandigheden». Over de beoogde reikwijdte tast het kabinet echter in het duister. Tijdens de totstandkoming van dit wetsvoorstel heeft zich, bijvoorbeeld in de internetconsultatie, geen praktijkcasus aangediend waarin het weerlegbaar vermoeden een oplossing zou kunnen zijn voor het onredelijk uitpakken van de nexusbreuk vanwege uitzonderlijke omstandigheden.

Verder is in OESO-verband afgesproken dat landen jaarlijks dienen te rapporteren in hoeveel en in welke gevallen op grond van het weerlegbaar vermoeden is afgeweken van de nexusbenadering. Het weerlegbare vermoeden brengt voor de belastingplichtige administratieve lasten en voor de Belastingdienst uitvoeringslasten mee.

Om voorgaande redenen is het kabinet van mening dat een reeds complexe regeling als de innovatiebox op dit moment niet nog verder gecompliceerd moet worden door het te beschouwen als weerlegbaar vermoeden. In dit verband merk ik verder op dat, voor zover op dit moment bekend, slechts een tweetal OESO-landen de keuze heeft gemaakt het weerlegbaar vermoeden in hun preferentiële regime voor immateriële activa op te nemen. De overige OESO-landen lijken er net als Nederland voor te kiezen het weerlegbare vermoeden niet te implementeren.

Tot slot blijf ik benadrukken dat, ingeval blijkt dat de nexusbenadering in voorkomende gevallen onredelijk uitpakt, het kabinet de betreffende belastingplichtigen door middel van begunstigend beleid tegemoet zal komen.

De heer Van Weyenberg vraagt verder hoe om wordt gegaan met procesinnovatie en of het wenselijk is dat er geen juridisch ticket is voor procesinnovatie behalve voor kwekersrechten. Afhankelijk van de belastingplichtige is naast de S&O-verklaring ook een juridisch ticket nodig met betrekking tot een immaterieel activum om te kwalificeren voor de innovatiebox. Voor een kleinere belastingplichtige is een S&O-verklaring voldoende, terwijl voor een grotere belastingplichtige ook een juridisch ticket noodzakelijk is voor toegang tot de innovatiebox. Op basis van de OESO-afspraken bestaat geen ruimte om de verplichting van dat juridische ticket achterwege te laten. Deze juridische tickets kunnen bestaan uit octrooien, naar hun aard met octrooien vergelijkbare rechten als utility models, kwekersrechten, (wees)geneesmiddelen, aanvullende beschermingscertificaten en programmatuur. Ook de aanvraag van octrooien en kwekersrechten of een exclusieve licentie op een van voornoemde immateriële activa kwalificeert. Indien een belastingplichtige beschikt over een octrooi of een met een octrooi vergelijkbaar recht, kwalificeren onder voorwaarden ook alle immateriële activa die samenhangen met het activum waarvoor het octrooi of een met een octrooi vergelijkbaar recht is afgegeven of geregistreerd. Met betrekking tot procesinnovatie is het onder omstandigheden mogelijk om een S&O-verklaring te ontvangen. In hoeverre de desbetreffende innovatie ook in aanmerking komt voor een van de genoemde juridische tickets is uiteindelijk afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Voor procesinnovatie is met het oog op de OESO-afspraken niet voorzien in een specifiek toegangsticket en om die reden ziet het kabinet geen ruimte daar in afwijking van de OESO-afspraken eenzijdig in te voorzien.

De heer Omtzigt vraagt of medicijnfabrikanten opnieuw voor de innovatiebox kwalificeren als zij hun patent vernieuwen. Een octrooi blijft in Nederland ten hoogste voor twintig jaren in stand. Voor sommige octrooien, waaronder medicijnen, kan een aanvullend beschermingscertificaat worden aangevraagd wanneer een octrooi is verlopen. Een aanvullend beschermingscertificaat is een certificaat waarmee de beschermingsduur van een octrooi kan worden verlengd voor maximaal vijf jaren. Ik neem aan dat de heer Omtzigt hierop doelt. Het vernieuwen van een octrooi is immers niet mogelijk. Ook met een aanvullend beschermingscertificaat kan een belastingplichtige toegang tot de innovatiebox verkrijgen, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Dit geldt ook indien de belastingplichtige ten aanzien van dat immateriële activum eerder toegang heeft verkregen door middel van een octrooi.

De heer Grashoff vraagt of de factor 1,3 bij de nexusbenadering voortvloeit uit de OESO-afspraken en of deze factor ook op 1,0 gesteld mag worden. De factor 1,3 is een factor die in OESO-verband is afgesproken. De OESO-afspraken zijn minimumstandaarden. Dit betekent dat landen gebonden zijn aan in ieder geval datgene wat is afgesproken, maar dat het landen ook vrijstaat verder te gaan dan de vastgestelde standaarden. De factor 1,3 werkt in het voordeel van belastingplichtige en heeft een verzachtende werking op het effect van de nexusbreuk. Het is mogelijk om een factor 1,0 te hanteren voor toepassing van de nexusbreuk. Ik meen echter, en dat is ook vastgesteld in OESO-verband, dat er ook zakelijke redenen kunnen zijn om speur- en ontwikkelingswerk uit te besteden binnen de groep, waarbij geen sprake is van belastingontwijking. Bijvoorbeeld omdat een bepaalde vennootschap binnen de groep beschikt over specifieke technologische kennis. Ik acht het daarom redelijk om aan te sluiten bij de factor 1,3, waardoor niet die gevallen worden getroffen waarbij het vanwege zakelijke overwegingen in de lijn der verwachting ligt dat het uitbesteden van speur- en ontwikkelingswerk binnen de groep plaatsvindt.

De heer Grashoff benoemt dat het bedrag dat is ingeboekt voor de innovatiebox minder is dan 10% van het totaal. Hij vraagt zich af of over de band van de S&O-tickets gehandhaafd wordt dat sprake is van innovatie en zo ja, of dan een groter bedrag ingeboekt kan worden. Bij de indiening van de aanvraag voor een S&O-verklaring vindt de toets plaats of sprake is van innovatieve activiteiten. Deze beoordeling vindt plaats door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). RVO.nl is bij uitstek de overheidsorganisatie die hierop is toegerust. Door de OESO-afspraken wijzigen de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een S&O-verklaring niet. In die zin raakt de uitvoering door RVO.nl de budgettaire reeks in dit wetsvoorstel niet. Zonder S&O-verklaring kan een belastingplichtige de innovatiebox per 1 januari 2017 niet toepassen. De Belastingdienst zal hier uiteraard op toezien. Dat de S&O-verklaring verplicht wordt voor alle belastingplichtigen is onderdeel geweest van de raming van de verwachte opbrengsten met de voorgestelde maatregelen. Het aanpassen van de raming zou leiden tot een onjuiste inschatting van de met de maatregelen gemoeide budgettaire opbrengst.

Renteaftrekbeperkingen

Mevrouw De Vries vraagt wat de gevolgen zijn van de maatregelen op het gebied van renteaftrek voor buitenlandse private-equityhuizen en de financiering van het Nederlandse bedrijfsleven. Verder vraagt mevrouw De Vries of het kabinet bereid is om de gevolgen te monitoren. Tot slot vraagt mevrouw De Vries of op deze manier alleen belastingontwijking wordt aangepakt, of dat ook reële activiteiten hierdoor worden geraakt en hoe dat wordt voorkomen.

Artikel 10a van de Wet Vpb 1969 is gericht op het tegengaan van winstdrainage door aftrek van groepsrente. Deze regeling is dus niet specifiek gericht op een bepaald type bedrijven, al zal de maatregel in de praktijk met name belang hebben voor private-equityhuizen en multinationals. Met de voorgestelde aanpassing van artikel 10a van de Wet Vpb 1969 wordt beoogd zeker te stellen dat ook sprake is van groepsrente als er in formele zin geen sprake is van verbondenheid, maar in materiële zin wel. Hierdoor ontstaat naar verwachting voor de toepassing van dat artikel een meer gelijk speelveld tussen Nederlandse overnamepartijen enerzijds en buitenlandse overnamepartijen anderzijds. Voor buitenlandse overnamepartijen wordt het minder aantrekkelijk te investeren via een agressieve overnamestructuur waarbij rentelasten worden gecreëerd die ten koste gaan van de belastinggrondslag in Nederland. Daarmee is niet gezegd dat vanwege deze maatregel de overname en deze wijze van financiering niet meer tot stand komen. In de kabinetsreactie op de initiatiefnota van de Tweede Kamerleden Nijboer en Groot «Private equity; einde aan de excessen»5 heeft het kabinet aangekondigd om een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de effecten van private-equityinvesteerders in Nederland. In het onderzoek wordt onder andere gekeken naar het belang en de toegevoegde waarde van private equity voor de Nederlandse economie. Het kabinet streeft ernaar om het onderzoek voor het einde van het jaar naar uw Kamer te verzenden. Wel is zeker dat het al dan niet behalen van een fiscaal voordeel niet de enige variabele is die de investeringsbeslissing beïnvloedt voor een private-equityhuis. Tal van macro-economische en micro-economische ontwikkelingen spelen hierbij een rol. Het is om die reden moeilijk, zo niet onmogelijk, om voor- of achteraf in te schatten wat de gevolgen zijn van de aanpassing van artikel 10a van de Wet Vpb 1969 voor investeringen in Nederlandse bedrijven.

Reële activiteiten zullen niet worden geraakt door de aanpassing van artikel 10a van de Wet Vpb 1969. Op basis van de al bestaande tegenbewijsregeling van artikel 10a van de Wet Vpb 1969, is geen sprake van beperking van renteaftrek indien een belastingplichtige aannemelijk maakt dat in overwegende mate sprake is van zakelijke overwegingen voor de rechtshandeling en financiering, dan wel als sprake is van compenserende heffing bij de crediteur. Indien sprake is van een compenserende heffing van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst heeft de inspecteur overigens de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat aan de schuld of aan de daarmee verband houdende rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. De rente wordt derhalve alleen in aftrek beperkt als de Nederlandse belastinggrondslag wordt uitgehold door het gekunsteld creëren van renteaftrek.

Het toepassingsbereik van artikel 15ad van de Wet Vpb 1969 (overnameholdingbepaling) is evenmin beperkt tot een bepaald type bedrijven. Private-equityondernemingen zullen echter door de aard van hun bedrijfsvoering, namelijk het verrichten van overnames gefinancierd met aanzienlijke leningen, relatief vaak met de mogelijke toepassing van de overnameholdingbepaling in aanraking komen. De overnameholdingbepaling maakt geen onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse partijen. Als een Nederlands bedrijf een andere Nederlandse onderneming door middel van een overnameholding wenst over te nemen, wordt deze overname onder dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze door de overnameholdingbepaling getroffen als een vergelijkbaar gestructureerde overname die door een buitenlandse investeerder wordt gedaan. De overnameholding beperkt de fiscale aftrekbaarheid van rente op bovenmatige schuldfinanciering. De renteaftrek tot een bedrag van € 1 miljoen wordt ongemoeid gelaten. Ook blijft de aftrek in stand als na de overname geen sprake is van te veel overnamerente. Van een bovenmatige deel aan overnameschulden is sprake voor zover de overnameschulden hoger zijn dan een percentage van de verkrijgingsprijs van het belang in de overgenomen maatschappij. Er is sprake van een gezonde financiering wanneer de overnameschuld in het jaar van de overname niet meer bedraagt dan 60% van de overnameprijs. In de daaropvolgende 7 jaren neemt de gezonde financieringsgrens af met 5%-punt per jaar naar 25%.

De heer Van Vliet begrijpt dat het begrip verbonden lichaam wordt uitgebreid met lichamen die tot een samenwerkende groep behoren, maar vraagt of dit niet leidt tot rechtsonzekerheid als inspecteurs zelfstandig gaan oordelen over feiten en omstandigheden. Ook het Register Belastingadviseurs vraagt hiernaar.

Hoewel het wettelijk vastleggen van een meer materiële toets als de samenwerkende groep, zoals voorgesteld, rechtsonzekerheid tot gevolg kan hebben, heeft dit naar de mening van het kabinet de voorkeur boven het exact omschrijven van de situaties die worden bestreden. In het laatste geval kan naar verwachting relatief gemakkelijk om de aanpassing heen worden gestructureerd. Daarnaast past het hanteren van een materieel begrip in artikel 10a van de Wet Vpb 1969, dat eerder «principle based» is dan «rule based». Ten slotte heeft het hanteren van een materiële toets als voordeel dat latere en nog niet voorziene ontwikkelingen effectiever kunnen worden bestreden. Dit maakt een dynamischere toepassing van de wet mogelijk. Met het implementeren van een criterium van een samenwerkende groep is de Belastingdienst beter in staat om ongewenst gebruik van renteaftrek te beperken ingeval rentelasten worden gecreëerd die de Nederlandse belastinggrondslag uithollen. Tot slot kan in het kader van de door de heer Van Vliet genoemde eenheid van rechtstoepassing worden opgemerkt dat de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering (CTC) is belast met de uitvoeringscoördinatie van artikel 10a van de Wet Vpb 1969.6 Dat betekent dat inspecteurs die feiten en omstandigheden moeten beoordelen voor de toepassing van artikel 10a van de Wet Vpb 1969 dit met de CTC afstemmen. Hiermee wordt bewerkstelligd dat deze bepaling zo consequent mogelijk wordt uitgelegd.

Bouwterreinen in de btw

De heer Van Vliet vraagt hoe de rechtszekerheid en rechtseenheid wordt gewaarborgd bij de maatregel die de definitie van een bouwterrein in de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) aanpast. De maatregel is bedoeld om de huidige definitie in de Wet OB 1968 te verruimen. Uitgangspunt van de BTW-richtlijn is namelijk om enkel de levering van onbebouwde gronden, niet zijnde bouwterreinen, vrij te stellen van btw. Deze wetsaanpassing maakt daarmee een eind aan de mogelijkheid om te kiezen tussen het wel of niet beroepen op de ruimere definitie van het Unierecht. Belastingplichtigen kunnen dan niet meer steeds voor de meest voordelige route kiezen. De nu volledig aan het Unierecht conforme wettelijke definitie van bouwterreinen biedt belastingplichtigen meer duidelijkheid, omdat het Unierecht in de hele EU dezelfde betekenis heeft. Het gaat namelijk om een Unierechtelijk begrip dat in elke lidstaat op dezelfde wijze moet worden uitgelegd.

Een bouwterrein dat vóór 1 januari 2017 kwalificeert als bouwterrein, is ook na inwerkingtreding van deze aanpassing een bouwterrein. Na 1 januari 2017 is voor alle belastingplichtigen doorslaggevend de beoordeling van alle omstandigheden die heersen op de datum van levering – met inbegrip van de intentie van partijen, als deze wordt ondersteund door objectieve gegevens – waaruit kan blijken dat op die datum het betrokken terrein daadwerkelijk bestemd is om te worden bebouwd. De intentie van partijen om een terrein te bebouwen, zal door de wetsaanpassing niet wijzigen.

De maatregel komt daarmee juist de rechtseenheid en daarmee ook de rechtszekerheid tegemoet.

Watersportvrijstelling

Mevrouw De Vries vraagt of dit voorstel praktisch uitvoerbaar is, voor de Belastingdienst en voor de watersportorganisaties. Zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Belastingplan 2017 heb geantwoord is de voorgestelde aanpassing van de wet praktisch uitvoerbaar, juist omdat niet naar het gebruik van het vaartuig wordt gekeken maar naar de geschiktheid ervan voor sportbeoefening. Dit geldt zowel voor de Belastingdienst als voor de watersportorganisaties. Ook zijn de eerder in de nota naar aanleiding van het verslag genoemde vaartuigen – waarmee gesport kan worden en die noodzakelijk zijn voor die sportbeoefening – duidelijk herkenbaar. Mevrouw De Vries vraagt in dit verband specifiek naar gemengde bedrijven. Gemengde bedrijven, waarmee in dit verband wordt bedoeld bedrijven die zowel van btw vrijgestelde als met btw belaste prestaties verrichten, komen veel voor in Nederland. De niet-winstbeogende watersportorganisaties zijn in die zin dus geen uitzondering. Bovendien hebben deze organisaties kennis van vaartuigen en weten zij waar deze vaartuigen voor geschikt en noodzakelijk zijn. Zij kunnen het onderscheid daarom goed maken tussen een van btw vrijgestelde dienst en een met btw belaste dienst bestaande uit het ter beschikking stellen van een lig- en bergplaats voor de diverse vaartuigen.

Verder vraagt mevrouw De Vries of over het voorstel overleg is geweest met bijvoorbeeld de HISWA. Dat is het geval. Ik heb in de toelichting bij dit voorstel ook melding gemaakt van het overleg dat met de betrokken organisaties heeft plaatsgevonden. Ook de HISWA behoort tot deze organisaties.

Mevrouw De Vries vraagt of het criterium voor de watersportvrijstelling nu is dat vaartuigen kunnen worden gebruikt voor watersport of daadwerkelijk worden gebruikt voor watersport. In de voorgestelde tekst is letterlijk het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de terbeschikkingstelling van lig- en bergplaatsen opgenomen. Zoals ik eerder in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag heb toegelicht, is het daadwerkelijk gebruik van het vaartuig voor sportbeoefening niet relevant voor de toepassing van de vrijstelling. Aansluiting bij het daadwerkelijk gebruik zou leiden tot een onuitvoerbare maatregel. Daarom geldt de door het Hof van Justitie van de Europese Unie in deze inbreukzaak gestelde objectieve maatstaf, de geschiktheid als uitgangspunt voor de sportbeoefening. De vrijstelling is in lijn met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dus alleen van toepassing op de terbeschikkingstelling van een lig- of bergplaats als het vaartuig op basis van objectieve kenmerken geschikt en noodzakelijk is voor sportbeoefening.

Mevrouw De Vries vraagt of elke willekeurige roeiboot onder de vrijstelling valt. Ik heb in de nota naar aanleiding van het verslag roeien als een sport genoemd. Het vaartuig dat voor de beoefening van die sport noodzakelijk en geschikt is, is bijvoorbeeld een roeiboot of een skiff. Door de vervulling van deze in de jurisprudentie gevormde voorwaarden vallen deze vaartuigen als categorie onder de sportvrijstelling. Zelfs een opblaasbare roeiboot zou in beginsel onder deze categorie vaartuigen kunnen vallen, ware het niet dat het niet waarschijnlijk is dat dit soort boten een lig- of bergplaats zullen gebruiken waarvoor een vergoeding betaald zal moeten worden.

Mevrouw De Vries vraagt waarom een boot voor sportvissen dan weer niet onder de categorie van de vrijstelling valt. In dat geval is weliswaar de voorwaarde dat sprake is van een sport vervuld, maar in beginsel kan vanaf elk vaartuig worden gevist. Dit maakt een vaartuig zelf nog niet onontbeerlijk voor sportvissen als sportbeoefening. Die onontbeerlijkheid (noodzaak) moet aanwezig zijn om met succes een beroep op de vrijstelling voor de ter beschikkingstelling van lig- en bergplaatsen te kunnen doen. Vissen vindt ook plaats vanaf bijvoorbeeld de walkant, het strand, een vlot of een steiger. Deze sport behoeft – anders dan bij roeien en zeilen – geen specifiek vormgegeven vaartuig om te kunnen worden beoefend en een vaartuig is voor deze sportbeoefening ook niet noodzakelijk. De functie van het vaartuig is hier eerder een vervoermiddel dan een noodzakelijk middel om mee te kunnen sporten en valt daardoor buiten de vrijstelling. Dit is slechts anders als het betreffende vaartuig op grond van geschiktheid en noodzakelijkheid voor andere sporten alsnog in de vrijstelling kan delen.

Exportheffing afvalstoffenbelasting

De heer Groot vraagt of het gaat lukken een exportheffing in 2018 in te voeren. Ook de heer Van Weyenberg vraagt of er alsnog een exportheffing komt. Het kabinet onderzoekt momenteel in samenwerking met de afvalbranche de mogelijkheid van een exportheffing binnen de Nederlandse afvalstoffenbelasting die zowel handhaafbaar als Europeesrechtelijk houdbaar is. In het kader van dit onderzoek is een werkgroep opgericht met vertegenwoordigers van de afvalbranche, het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat en de Inspectie voor Leefomgeving en Transport. Naar verwachting zal de werkgroep binnen enkele maanden haar bevindingen kunnen presenteren. De vraag of een exportheffing haalbaar is en het tijdpad van eventuele vervolgstappen zal afhangen van de conclusies van de werkgroep. Ik zeg toe uw Kamer daar dan over te zullen informeren.

Mevrouw De Vries vraagt of voor het schrappen van de exportheffing een andere dekking is overwogen dan via de verhoging van de afvalstoffenbelasting. De dekking van het schrappen van de exportheffing is meegenomen in de budgettaire besluitvorming die in augustus heeft plaatsgevonden. Hierbij is een integrale afweging gemaakt van de budgettaire effecten van verschillende maatregelen. Voor het schrappen van de exportheffing is de keuze gemaakt om de dekking binnen het domein van de afvalstoffenbelasting te houden, waar de derving zich ook voordoet.

Aftrek van huurderlasten

De heer Van Weyenberg vraagt op welke gronden ik de uitkomst van het arrest inzake de aftrek van huurderslasten7 anders ben gaan wegen. Ook de heer Omtzigt vraagt waarom alsnog tot een nota van wijziging is besloten. De heer Omtzigt vraagt verder waarom de wetswijziging al over dit jaar moet ingaan.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest een uitleg gegeven van de huidige wetgeving en dit heeft gevolgen voor de ondernemer voor de inkomstenbelasting (IB-ondernemer) en de resultaatgenieter. Het arrest vormt dus geen directe aanleiding om de wet aan te passen. Daarnaast heeft deze uitspraak geen terugwerkende kracht. Bestaande gevallen kunnen geen aanspraak maken op deze aftrek, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.8

Na verdere studie, mede naar aanleiding van de door de heer Bashir gestelde schriftelijke Kamervragen, meen ik evenwel dat de uitkomst van het arrest toch niet evenwichtig is, zoals ik in antwoord op die vragen heb aangegeven.9 De door de Hoge Raad in dit arrest erkende aftrekpost is riant. Daar komt bij dat het voor het recht op huurtoeslag niet relevant is of het huurrecht al dan niet tot het ondernemingsvermogen van een IB-ondernemer of een resultaatgenieter wordt gerekend. Het effect van de aftrekbaarheid van de huurkosten is dat het verzamelinkomen daalt en bijgevolg ook het toetsingsinkomen voor bijvoorbeeld het recht op huurtoeslag. Daardoor ontstaat voor IB-ondernemers en resultaatgenieters, naast een lager bedrag aan inkomensheffing, in voorkomende gevallen vaker en voor een hoger bedrag recht op huurtoeslag en andere toeslagen.

Verder ontstaat door het arrest van de Hoge Raad in de winst- en resultaatsfeer de facto een grotere tegenstelling tussen koop en huur. Zoals ik in mijn antwoorden op de Kamervragen van de heer Bashir heb toegelicht,10 merken IB-ondernemers en resultaatgenieters met een koopwoning die als hoofdverblijf dient en die tevens een onzelfstandige werkruimte bevat, deze woning in de praktijk zelden aan als ondernemingsvermogen. Bij de verkoop van de koopwoning zou de waardeverandering in dit geval immers in box 1 (progressief) worden belast.

Ten slotte is het huidige budgettaire beslag van de aftrek van de huurkosten op dit moment relatief beperkt. Op dit moment maakt minder dan één procent van alle IB-ondernemers en resultaatgenieters gebruik van deze aftrekpost. Het is echter de verwachting dat het budgettaire beslag op de korte termijn kan oplopen naar een veel hoger bedrag. Dat het beslag op korte termijn kan oplopen is omdat Nederlanders gemiddeld eens in de zeven jaar verhuizen en er jaarlijks nieuwe IB-ondernemers en resultaatgenieters bijkomen. De publiciteit rondom het arrest versterkt de verwachting van een oploop van het budgettaire beslag.

Om deze redenen acht ik de uitkomst van het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2016 niet evenwichtig en is het nodig de voorgestelde maatregel snel te treffen. Ter voorkoming van misverstanden wijs ik erop dat de betreffende nota van wijziging ziet op de situatie vanaf 2017 en derhalve geen terugwerkende kracht heeft.

Overige fiscale maatregelen 2017 (Kamerstuk 34 553)

Tijdklemmen

De heer Omtzigt vraagt waarom de tijdklemmen niet geheel worden afgeschaft. Tevens vraagt hij waarom een hypotheek niet geheel met geld in box 3 kan worden afgelost. Het algeheel bieden van een mogelijkheid om een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), een spaarrekening eigen woning (SEW), een beleggingsrekening eigen woning (BEW) of een Brede Herwaarderingskapitaalverzekering vroegtijdig tot uitkering te laten komen, kan gevolgen hebben voor de aanbieders van deze producten. Het geheel afschaffen van de tijdklemmen vergt dan ook een zorgvuldige voorbereiding en overleg met betrokkenen. Daarom is aan De Nederlandsche Bank (DNB) de vraag voorgelegd wat de impact van het geheel vervallen van de tijdklemmen zou zijn op aanbieders van de genoemde producten. In een eerste reactie geeft DNB aan dat naar verwachting het vervallen van de fiscale klemmen geen nadelige impact zal hebben voor banken. Ten aanzien van verzekeraars merkt DNB op dat naar verwachting de impact gering is wat betreft de KEW-polissen; voor de overige kapitaalverzekeringen bij verzekeraars wordt ook een geringe impact verwacht, maar deze verwachting is met meer onzekerheid omgeven. Mede daarom zal voordat daadwerkelijk tot een dergelijke maatregel wordt overgegaan overleg met de aanbieders van de betreffende producten plaatsvinden om de gevolgen beter te kunnen inschatten. Vanuit fiscaal oogpunt zijn er echter geen belemmeringen om de tijdklemmen geheel te laten vervallen.

Het al dan niet vervallen van de tijdklemmen staat overigens los van de mogelijkheid om box 3-vermogen zoals spaargeld aan te wenden voor het aflossen van een hypotheek. Fiscaal gezien bestaat deze mogelijkheid om af te lossen op een hypotheek onverkort. Banken brengen vaak wel boeterente in rekening als er in een jaar meer dan 10% van de oorspronkelijke hoofdsom wordt afgelost. Het aflossen van een hypotheek met bijvoorbeeld spaargeld kan wel gevolgen hebben voor de belastbaarheid van een uitkering uit KEW, SEW of BEW. Dat is niet het gevolg van de tijdklemmen, maar dit is vanwege de wettelijke eis dat een uitkering uit KEW, SEW of BEW moet worden gebruikt om af te lossen op de eigenwoningschuld. Als een hypotheek waaraan een KEW, SEW of BEW is gekoppeld geheel uit andere middelen – zoals met spaargeld – wordt afgelost en er bij uitkering van de betreffende KEW, SEW of BEW geen eigenwoningschuld meer resteert, dan is het rendement in de uitkering (de uitkering verminderd met de ingelegde premies of stortingen) belast. Het is echter niet gewenst om de eis dat de uitkering uit KEW, SEW of BEW moet worden aangewend voor aflossing van de eigenwoningschuld te laten vervallen. Dat zou immers betekenen dat er een van box 3 vrijgesteld vrij besteedbaar vermogen kan worden opgebouwd. Er bestaat dan geen ratio dit vermogen op andere wijze te behandelen dan ander regulier vermogen dat wel in box 3 wordt belast.

De heer Van Vliet vraagt om een reactie op de terugwerkende kracht waarmee voor tot het SNS-concern behorende vennootschappen zeker wordt gesteld dat deze ook belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting gedurende de laatste maanden van 2015. Het kabinet is het met de heer Van Vliet eens dat formele terugwerkende kracht, vanuit het oogpunt van rechtszekerheid, zoveel mogelijk vermeden moet worden. Dit neemt niet weg dat het kabinet van mening is dat de tot het SNS-concern behorende vennootschappen (en hun dochtermaatschappijen) vennootschapsbelastingplichtig behoren te zijn en te blijven. Dat is ook altijd de bedoeling geweest, maar door omstandigheden dreigde – zonder aanvullende maatregelen – een belastingvrije periode van 30 september 2015 tot en met 31 december 2015. Het kabinet acht een dergelijke belastingvrije periode niet acceptabel. Ook SNS zelf heeft aangegeven dat een belastingvrije periode onwenselijk is en heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de voorliggende maatregel. Deze omstandigheden maken de formele terugwerkende kracht naar de mening van het kabinet in dit geval gewenst en gerechtvaardigd.

Reparatie arrest over bedrijfsopvolgingsregeling bij indirecte aandelenbelangen van minder dan 5%

De heer Omtzigt vraagt op basis van welke wettelijke bepaling er voor de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) een nieuwe termijn gaat lopen voor de bezitseis voor bijgekochte aandelen. Dat is op basis van artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Successiewet 1956 (SW 1956). Daarin staat kort gezegd dat voor de toepassing van de BOR onder erflater of schenker wordt verstaan degene die gedurende één jaar respectievelijk vijf jaar aanmerkelijkbelanghouder was van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de SW 1956 en dat het lichaam gedurende de bezitstermijn de daar bedoelde onderneming dreef. Hieruit volgt dat voor bijgekochte aandelen een nieuwe termijn gaat lopen. Indien de aandelen in de werkmaatschappij worden bijgekocht door de holding, is sprake van een indirect aanmerkelijk belang. Hierop is de toerekeningsregel van toepassing. Als gevolg daarvan drijft de holding bij fictie een onderneming. Voor zover de holding aandelen in de werkmaatschappij bijkoopt, koopt zij dus als het ware een gedeelte van een onderneming. Net als het geval is in de winstsfeer, gaat voor de aanschaf van dit gedeelte van de toegerekende onderneming ook een nieuwe bezitstermijn lopen. Voor de reeds in bezit zijnde aandelen blijft uiteraard de oorspronkelijke termijn lopen. Dit vind ik ook een wenselijke uitwerking van de wetgeving. Hiermee wordt voorkomen dat privévermogen of beleggingsvermogen vlak voor schenken of overlijden aangewend wordt voor het bijkopen van aandelen, om zodoende de BOR op dit vermogen te kunnen toepassen.

Inzet controlemiddelen bij accijnscontroles

De heer Van Vliet vraagt wat tabakshonden zijn in het kader van het voorstel om het gebruik van dieren bij accijnscontroles op te nemen in de Wet op de accijns. Een tabakshond is een speurhond die getraind is tot het verrichten van een speciale taak. Bij een tabakshond is deze hond in het bijzonder getraind om tabak te detecteren, net zoals een geldhond gericht is op het detecteren van geld en een drugshond op het detecteren van drugs.

Ten aanzien van de implementatie van de nieuwe testmethode Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedures (WLTP) in de autogerelateerde belastingen vraagt de heer Omtzigt om een fictieve uitvoeringstoets voor 2018. Hij vraagt of de waarde die is gemeten volgens de WLTP-voorschriften, moet worden herrekend met toepassing van het rekenmodel CO2mpas of dat er kan worden volstaan met de zogenoemde «declared NEDC CO2 combined value». De implementatie van de nieuwe testmethode betreft een technische omzetting en heeft betrekking op auto’s die zijn getest volgens de nieuwe WLTP-voorschriften. Voor het kabinet is leidend dat de transitie naar deze nieuwe testmethode goed uitvoerbaar is en budgettair neutraal verloopt. Gelet op het voorgaande blijft in principe in de jaren 2017 en 2018 de CO2-uitstoot overeenkomstig de New European Driving Cycle (NEDC) leidend bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde belasting. Wanneer een auto is getest overeenkomstig de WLTP-voorschriften zal daarom de op de WLTP gebaseerde CO2-waarde moeten worden omgerekend naar een NEDC CO2-waarde. Hierbij kiest het kabinet voor aansluiting bij de Europese correlatiemethode CO2mpas die is ontwikkeld met het oog op de toetsing aan de Europese fabrikantennorm.

In de eerste nota van wijziging bij het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 201711 is geregeld dat de herrekening naar een NEDC CO2-waarde zal moeten plaatsvinden overeenkomstig de nog formeel vast te stellen Europese uitvoeringsverordening inzake de correlatiemethode CO2mpas. In deze verordening wordt bepaald op welke wijze een WLTP CO2-waarde moet worden gecorreleerd naar een corresponderende NEDC CO2-waarde. Ook schrijft de verordening voor welke resultaten van de correlatie worden gebruikt als NEDC CO2-waarde in de typegoedkeuring. Het gaat hierbij om de door de fabrikant opgegeven «declared NEDC CO2 combined value» (onder voorwaarde dat deze waarde binnen de in de verordening gestelde marges valt), de met CO2mpas berekende NEDC CO2-waarde of het resultaat van een aanvullende NEDC-test. De toetsing of de «declared NEDC CO2 combined value» binnen de in de verordening gestelde marges valt, vindt plaats aan de hand van het CO2mpas rekenmodel en eventueel een aanvullende NEDC-test.

De NEDC CO2-waarde wordt opgenomen op het Certificaat van Overeenstemming (CvO). Aan de hand van het CvO registreert de RDW de NEDC CO2-waarde. Deze geregistreerde NEDC CO2-waarde vormt het uitgangspunt voor de berekening van de verschuldigde belasting. Mede doordat de praktijk – net zoals nu reeds het geval is – kan uitgaan van de door de RDW geregistreerde NEDC CO2-waarden is de regeling uitvoerbaar en handhaafbaar.

Na de transitieperiode, met ingang van 2019, zal de echte omslag gaan plaatsvinden die ertoe zal leiden dat voor de autogerelateerde belastingen ter zake van WLTP-geteste auto’s wordt uitgegaan van de WLTP-waarde en niet langer meer van de (gecorreleerde) NEDC-waarde. Voor de periode na 2018 is dan ook aanvullende wetgeving noodzakelijk. Deze aanvullende wetgeving zal zoals gebruikelijk door de Belastingdienst worden beoordeeld met de uitvoeringstoets nieuwe stijl.

Informatieverstrekking door de Belastingdienst/Toeslagen

Mevrouw De Vries pleit ervoor in de wettelijke grondslag voor informatieverstrekking door de Belastingdienst/Toeslagen ook de doelen van die verstrekking op te nemen. Ik ben er geen voorstander van om nog een verandering aan te brengen in de wettelijke grondslag. Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag is voor wat betreft de vormgeving van de wettelijke grondslag in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) de keuze gemaakt om aan te sluiten bij de vormgeving van de grondslag voor informatieverstrekking door de inspecteur in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Voor de verstrekking van informatie door de Belastingdienst/Toeslagen betekent dit dat de doelen van de informatieverstrekking in lagere regelgeving zullen worden opgenomen, in casu in het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Hiermee wordt naar mijn mening voldoende geborgd dat in het kader van deze doelstellingen informatie uitgewisseld kan gaan worden.

De heer Bashir vraagt waarom het niet mogelijk is dat de Belastingdienst/Toeslagen een terugkoppeling krijgt van het bestuursorgaan waaraan informatie wordt verstrekt. In de regel zal de geheimhoudingplicht van het bestuursorgaan dat de informatie ontvangt zich ertegen verzetten dat een terugkoppeling plaatsvindt. Daarnaast zal het meestal zo zijn dat de te leveren informatie onderdeel vormt van een samenstel van gegevens afkomstig uit andere bronnen en het daarom vaak niet eenduidig terug te leiden zal zijn in hoeverre bepaalde informatie van de Belastingdienst/Toeslagen tot resultaten heeft geleid. De Belastingdienst/Toeslagen zou alleen een terugkoppeling kunnen krijgen als dat relevant zou zijn voor de uitvoering van de Awir. In meer algemene zin zal in ieder geval wel informatie beschikbaar komen over resultaten van activiteiten, bijvoorbeeld in jaarverslagen van samenwerkingsverbanden van bestuursorganen.

Fatale termijn voor herziening voorschot en vaststelling toeslag

De heer Van Vliet vraagt waarom de fatale termijn voor het toekennen van toeslagen op vijf jaar moet worden gesteld en hoe kan worden voorkomen dat hier op wordt gestuurd. De periode van vijf jaar voor het toekennen van de toeslag is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de maximale termijn die de Belastingdienst/Toeslagen heeft om het uiteindelijke recht op een toeslag vast te stellen op een lager bedrag dan het bedrag van het verleende voorschot. Deze termijn wordt nu onverkort in de Awir verankerd.

De laatste jaren heeft er een significante versnelling plaatsgevonden in het uitvoeringsproces waardoor het nog maar sporadisch voor zal komen dat mensen ook daadwerkelijk de hele termijn moeten wachten op de definitieve vaststelling van hun toeslag. In 85% van de gevallen vindt momenteel de vaststelling van de toeslag namelijk al plaats in het jaar dat volgt op het toeslagjaar en hebben mensen om die reden snel zekerheid over het al dan niet terug moeten betalen van een bij wijze van voorschot verstrekte toeslag. In 99% van de gevallen vindt momenteel de vaststelling plaats binnen drie jaar. Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen zal het langer duren om het uiteindelijke recht op toeslag vast te stellen. In veruit de meeste gevallen zal het gaan om gevallen waarvan het toezicht nog niet is afgerond, meestal fraudezaken. De nieuwe fatale termijn leidt er inderdaad toe dat in deze gevallen de Belastingdienst/Toeslagen minder tijd heeft om het recht op de toeslag vast te stellen dan voorheen het geval was. Ik begrijp de zorgen van de heer Van Vliet op dit punt. Vooralsnog is er echter geen aanleiding om te veronderstellen dat de Belastingdienst/Toeslagen hierdoor in de knel zal komen. De verwachting is dat de nieuwe termijn van vijf jaar voldoende tijd geeft om ook de vaststelling van de toeslag in langlopende fraudezaken naar behoren te kunnen afwikkelen. Ik zal echter wel de vinger aan de pols houden en zo nodig aanvullende maatregelen treffen als dat in de praktijk toch niet goed blijkt te lukken. Overigens wil ik in dit verband er nog op wijzen dat de vijfjaarstermijn onverlet laat dat een vastgestelde toeslag na afloop van die termijn toch nog kan worden herzien door de Belastingdienst/Toeslagen als sprake is van een wijziging van het inkomensgegeven dat aan de vaststelling ten grondslag heeft gelegen.

Fiscale vereenvoudigingswet 2017

Afschaffen fictieve dienstbetrekking voor commissarissen

De heer Groot vraagt naar de opting-in-regeling in de loonbelasting. Hij vraagt of het klopt dat buitenlandse commissarissen die daarvoor kiezen de 30%-regeling kunnen gebruiken, ook als ze niet in Nederland wonen. Hij vraagt daarnaast of er aanleiding is om de opting-in-regeling af te schaffen en waarom commissarissen mogen kiezen voor de opting-in-regeling en anderen niet. Zowel buitenlands belastingplichtigen als binnenlands belastingplichtigen kunnen, als aan alle voorwaarden van de regeling wordt voldaan, gebruikmaken van de 30%-regeling. Omdat de 30%-regeling een regeling in de loonbelasting is, moet de werknemer of commissaris wel onder de loonbelasting vallen. Commissarissen kunnen na het vervallen van de fictieve dienstbetrekking voor commissarissen vrijwillig onder de loonbelasting vallen door gebruik te maken van de opting-in-regeling. Zij kunnen dan tevens gebruikmaken van de 30%-regeling, als aan alle voorwaarden wordt voldaan. De opting-in-regeling staat open voor alle belastingplichtigen die resultaat uit overige werkzaamheden genieten, waaronder veel commissarissen. Het kabinet ziet geen aanleiding om deze regeling af te schaffen.

Stroomlijnen invorderingsregelgeving belastingen en toeslagen

De heer Groot vraagt waarom het pakket stroomlijning pas per 1 januari 2019 in werking treedt en welke mogelijkheden er zijn om de maatregelen sneller in te laten gaan. De belangrijkste oorzaak van de benodigde implementatietermijn van twee jaar is het feit dat het voorstel grote aanpassingen van de systemen en processen van de Belastingdienst vergt. Om de implementatie zorgvuldig te laten verlopen werkt de Belastingdienst stapsgewijs naar een volledig geautomatiseerde uitvoering van de regeling toe. Hiervan merkt de burger overigens niets. In de eerste fase is het uitgangspunt dat verzoeken om een betalingsregeling en kwijtschelding nog telefonisch en op papier worden gedaan. Deze aanvragen worden verwerkt op basis van gegevens die direct uit de inningsystemen komen. De verwerking geschiedt zoveel mogelijk geautomatiseerd, maar kan in die fase voor bepaalde verzoeken (zowel voor betalingsregelingen als kwijtschelding) nog tot handwerk leiden. In de tweede fase worden de telefonische en schriftelijke verzoeken geautomatiseerd verwerkt op basis van gestructureerde en verfijnde gegevens. In de derde fase worden deze gegevens gepresenteerd op de portalen MijnBelastingdienst en MijnToeslagen en kan het verzoek op basis daarvan (ook) digitaal plaatsvinden. Hoewel de Belastingdienst ernaar streeft dat fase drie per 1 januari 2019 gereed en operationeel is, is zekerheidshalve voor een stapsgewijze implementatie gekozen. Dit geeft de Belastingdienst twee terugvalmogelijkheden als zich onvoorziene omstandigheden voordoen, waardoor fase drie niet per 1 januari 2019 haalbaar blijkt; de Belastingdienst kan dan terugvallen op de mogelijkheden van fase twee of zelfs fase een; deze zijn niet optimaal, maar borgen wel dat de maatregelen in het kader van stroomlijnen kunnen worden ingevoerd. Naast de forse investering in de systemen en de processen, vergt stroomlijning een zorgvuldige begeleiding van burgers. Ook dit communicatietraject kost tijd. In antwoord op de vraag van de heer Groot zie ik geen mogelijkheden om de inwerkingtreding per 1 januari 2019 te versnellen.

De heer Omtzigt vraagt wat de kwijtscheldingsfaciliteit na de maatwerkregeling van 24 maanden betekent voor de mogelijkheden en werkwijze van de Belastingdienst om een zo groot mogelijk deel van de materiële belastingschuld te innen. Met de kwijtscheldingsfaciliteit geeft de Belastingdienst een deel van zijn vorderingen prijs. Het betreft in deze gevallen echter vorderingen op schuldenaren die wel willen, maar niet kunnen betalen en die gedurende 24 maanden van het bestaansminimum hebben geleefd zodat hun betalingscapaciteit is ingezet voor de aflossing van de schuld. Het kabinet is van oordeel dat het belang van uitzicht op een schone lei binnen een afzienbare periode voor deze burgers zwaarder weegt dan het belang van de Belastingdienst om de belastingschuld volledig te innen. De Belastingdienst zal de beschikbare capaciteit inzetten om een zo groot mogelijk deel van de belastingschuld te innen van schuldenaren die niet willen, maar wel kunnen betalen en van schuldenaren die niet actief meewerken aan het voorkomen van een stapeling van schulden.

Mevrouw Schouten en de heer Dijkgraaf vragen waarom gerechtsdeurwaarders wel aangesloten zijn bij het beslagregister en de Belastingdienst niet. Het beslagregister is een initiatief van de gerechtsdeurwaarders dat op 1 januari 2016 van start is gegaan. Sinds die datum worden door gerechtsdeurwaarders gelegde beslagen geregistreerd in het register. Het beslagregister draagt bij aan een goede afstemming tussen schuldeisers zodat de beslagvrije voet beter gehandhaafd kan worden. Het kabinet acht aansluiting van overheidspartijen op het beslagregister wenselijk. Ik ga ervan uit dat aansluiting op het beslagregister door de Belastingdienst realiseerbaar is. Daarvoor moet wel veel gebeuren op verschillende gebieden. Er spelen diverse aspecten een rol bij verbreding van het beslagregister. Denk aan privacy, veilige gegevensuitwisseling en digitale infrastructuur. Voor de Belastingdienst is het privacyaspect in het bijzonder aan de orde vanwege de geheimhoudingsplicht. Al deze aspecten vergen nader onderzoek. Om die reden beziet de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wat nodig is voor een verbreding van het beslagregister naar overheidspartijen. De verwachting is dat de eerste resultaten dit najaar door de Staatssecretaris van SZW naar uw Kamer worden gezonden.

Mevrouw Schouten en de heer Dijkgraaf vragen wanneer iemand in aanmerking komt voor een maatwerkregeling, ofwel wat is een «laag inkomen» en wat is «voldoende vermogen»? Om in aanmerking te komen voor een maatwerkregeling zijn de betalingscapaciteit en de vermogenspositie van de schuldenaar en zijn echtgenoot van belang. Voor beide begrippen geldt dat deze nog nader uitgewerkt moeten worden in lagere regelgeving. Bij deze uitwerking streeft het kabinet ernaar zoveel mogelijk aan te sluiten bij de definities in de kwijtscheldingsregeling, met dien verstande dat binnen de maatwerkregeling slechts eenvoudig liquide te maken vermogen dient te worden aangewend voor betaling van de belastingschuld. Onder eenvoudig liquide te maken vermogen wordt bijvoorbeeld verstaan het saldo op een bank- of effectenrekening dat uitstijgt boven een bepaald bedrag. Onder betalingscapaciteit wordt verstaan het verschil tussen het (verwachte) nettobesteedbare inkomen van de schuldenaar en zijn echtgenoot, waarbij enkele inkomensbestanddelen zijn uitgezonderd, verminderd met de kosten van bestaan. De kosten van bestaan zijn gerelateerd aan de toepasselijke bijstandsnorm en bedragen voor rijksbelastingen in beginsel 90% van die bijstandsnorm.

De heer Bashir geeft aan dat hij de besparingen als gevolg van stroomlijning van de invorderingsregelgeving van belastingen en toeslagen voorbarig vindt omdat er juist meer mensen nodig zouden zijn. Het stroomlijnen van de regelingen voor inning van belastingschulden en toeslagschulden vergt initieel inderdaad een investering. Structureel leiden de maatregelen echter tot een besparing in onder meer de personeelskosten. De kosten gaan hier voor de baten uit. De besparing in de uitvoeringskosten is juist een van de redenen waarom we tot harmonisering van de regelingen overgaan. Zonder stroomlijning zouden op termijn naar verwachting meer mensen en kosten gemoeid zijn met dienstverlening, handhaving, toezicht en automatisering dan nu het geval is.

Inhoudingsvrijstelling (delen van) Vpb-vrijgestelde lichamen

De heer Van Vliet vraagt waarom de inhoudingsvrijstelling in werking treedt per koninklijk besluit (KB). De inwerkingtreding van de inhoudingsvrijstelling is afhankelijk van de technische implementatie van de bijbehorende softwaresystemen van de Belastingdienst.Zodra deze technische implementatie rond is, zal de voorgestelde maatregel zo spoedig mogelijk daarna in werking treden. Naar de huidige stand van zaken is de verwachting dat dit in de loop van 2018 het geval zal zijn. Daarom is bij dit voorstel invoering bij KB voorgesteld.

Vereenvoudiging tabaksaccijns

Mevrouw De Vries vraagt waarom de variant om voor sigaretten de ad-valoremacacijns iets minder te verhogen, naar bijvoorbeeld 2%, en de specifieke accijns iets minder te verlagen, voor langere tijd bestendiger is dan het voorliggende voorstel. Het voorliggende voorstel is juist voor langere tijd bestendiger dan een variant waarin voor sigaretten de ad-valoremaccijns iets minder wordt verhoogd en de specifieke accijns iets minder wordt verlaagd. In een dergelijke variant zou na enkele accijnsverhogingen de ad-valoremaccijns weer moeten worden aangepast indien de specifieke accijns het door de EU verplicht gestelde maximumpercentage van 76,5% van de totale belastingdruk zou overschrijden. In de voorgestelde systematiek duurt het aanzienlijk langer voordat dit zich zal voordoen.

Uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (Kamerstuk 34 555)12

Mevrouw De Vries vraagt naar welke andere mogelijkheden dan de peildatum van 31 december 2015 is gekeken om anticipatie te voorkomen. Zij vraagt waarom niet is gekozen voor 31 december 2016 waarbij voorwaarden worden gesteld aan het bedrag dat in 2016 kan worden opgebouwd in het PEB. In het onderhavige wetsvoorstel is opgenomen dat bij afkoop van een PEB in 2017, 2018 of 2019 – na fiscaal geruisloze afstempeling tot de fiscale balanswaarde van de tegenover de pensioenaanspraak staande verplichting – een korting op de grondslag voor de loonbelasting wordt verleend. Deze korting wordt, om anticipatie-effecten te voorkomen, maximaal berekend over de fiscale balanswaarde van de tegenover de afgekochte aanspraak staande verplichting op de eindbalans van het in 2015 geëindigde boekjaar van het lichaam waar het PEB is ondergebracht. Voorbeelden van anticipatie, die ik ook in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34 555, nr. 5) heb genoemd, zijn (fors) hogere dotaties aan het PEB in 2016 of zelfs het voor het eerst opbouwen hiervan. Het fiscale voordeel zou er in dergelijke situaties uit bestaan dat de dotatie in 2016 voor de volledige (commerciële) waarde in mindering komt bij het bepalen van het fiscale loon, terwijl de aanspraak in 2017 vervolgens kan worden afgekocht voor de (lagere) fiscale balanswaarde van de hiertegenover staande verplichting met ook nog een korting op deze grondslag. Het kabinet acht dit een reëel risico en heeft daarom in het wetsvoorstel opgenomen dat de maximale korting die bij afkoop van een PEB in 2017 (of 2018 of 2019) van toepassing is, berekend wordt over de fiscale balanswaarde ultimo 2015. Er zijn ook andere mogelijkheden overwogen om dergelijke anticipatie-effecten te voorkomen. Zo zou de maximale korting berekend kunnen worden over de fiscale balanswaarde ultimo (boekjaar) 2016, voor zover de dotatie in 2016 zakelijk is of een bepaalde marge ten opzichte van eerdere jaren niet overschrijdt. Ook een tegenbewijsmogelijkheid waarbij de korting over de fiscale waarde ultimo 2015 wordt berekend, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de dotatie in 2016 zakelijk is geweest, is overwogen. Uiteindelijk is echter niet voor deze varianten gekozen, omdat deze (veel) complexer zouden zijn voor de uitvoering, bijvoorbeeld omdat dan veel discussie te verwachten is over de vraag in hoeverre een dotatie in 2016 al dan niet zakelijk is. De hiervoor genoemde anticipatie wordt daar bovendien niet mee voorkomen. Een hogere dotatie in 2016 is immers niet per definitie onzakelijk, maar dat neemt niet weg dat de dotatie mogelijk niet zou zijn gedaan zonder genoemd fiscaal voordeel. Ook het alleen beperken van de grondslag indien de dotatie in 2016 een bepaald percentage meer bedraagt dan de dotatie in 2015, brengt meer uitvoeringslasten mee dan de in het wetsvoorstel opgenomen regeling en voorkomt evenmin de genoemde anticipatie. Alternatieven zoals hiervoor besproken dragen niet of nauwelijks bij aan het voorkomen van anticipatie en zouden derhalve tot gevolg hebben dat de afkoop zou toenemen met de daaraan verbonden negatieve budgettaire gevolgen. Het kabinet geeft dan ook de voorkeur aan de thans opgenomen regeling voor het bepalen van de korting op de grondslag. Naar de mening van het kabinet is dit een eenvoudige regeling die het berekenen van de maximale korting niet onnodig ingewikkeld maakt. Er wordt namelijk aangesloten bij de fiscale balanswaarde op de eindbalans van het boekjaar dat eindigt in 2015. Dit is een vaststaand bedrag dat uit de eindbalans van 2015 is af te leiden. Een separate vaststelling of berekening is derhalve niet vereist.

Mevrouw De Vries pleit ervoor om voor de uitkering van een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting meer flexibiliteit te bieden. Zij vraagt waarom niet ook voor deze uitkeringen de mogelijkheid wordt geboden om hoge en lage uitkeringen te doen («hoog-laag-constructie»), zoals die bij reguliere pensioenuitkeringen wel wordt geboden. In dat kader vraagt mevrouw De Vries ook waarom de Belastingdienst dit niet aan zou kunnen, terwijl commerciële partijen dit wel kunnen. De oudedagsverplichting is onderdeel van het overgangsrecht op weg naar het volledig afschaffen van het PEB en geen nieuwe vorm van pensioenopbouw. De bedoeling van onderhavig wetsvoorstel is onder meer een vereenvoudigingslag. Daar past niet bij om in de uitkeringsfase van deze oudedagsverplichting flexibele mogelijkheden in de omvang van de uitkeringen te bieden. Dat maakt het namelijk ingewikkelder. Een dergelijke wijziging van het voorgestelde uitkeringspatroon zorgt voor meer administratieve lasten bij de besloten vennootschap (bv) en voor meer uitvoeringslasten bij de Belastingdienst en draagt daardoor niet bij aan de gewenste structurele vereenvoudiging.

Mevrouw De Vries vraagt waarop de budgettaire effecten van het hanteren van een middelloonfranchise bij eindloonregelingen zijn gebaseerd nu er bijna geen eindloonregelingen meer zijn. Graag stel ik voorop dat aan de omzetting van de bij beleidsbesluit,13 voorziene tijdelijke goedkeuring voor zogenoemde combinatieregelingen in een permanente aanwijzing geen budgettaire gevolgen zijn verbonden. De budgettaire effecten waar mevrouw De Vries naar vraagt, zien op het toestaan van het gebruik van de middelloonfranchise voor eindloonregelingen, hetgeen een verruiming van het fiscale kader voor eindloonregelingen zou betekenen. Het klopt dat het aandeel eindloonregelingen zeer gering is geworden, namelijk in de orde van grootte van 1% op basis van het aantal deelnemers aan contracten.14 Het gebruik van de middelloonfranchise bij eindloonregelingen betekent echter een toename van de pensioengrondslag met, bij benadering, gemiddeld 6,5%. Dit leidt, ondanks het relatief kleine aantal, nog steeds tot een budgettaire derving in de orde van grootte van € 10 miljoen. Dit is nog zonder de mogelijke aanzuigende werking. Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (Kamerstuk 34 555, nr. 5) ziet het kabinet geen aanleiding voor een dergelijke aanpassing. Het hanteren van één (middelloon)franchise in zowel middelloon- als eindloonregelingen leidt juist tot een verschillend pensioenresultaat ten opzichte van de in wet gehanteerde inbouwmethode.

De heer Groot vraagt naar de budgettaire gevolgen van het afschaffen van het doorwerkvereiste bij ouderdomspensioen en verwijst hierbij naar een eerdere vraag van de leden van de fractie van het CDA hierover. Het afschaffen van het doorwerkvereiste leidt tot gederfde AOW-premies voor de situatie waarin in de pensioenregeling nog een ingangsdatum is opgenomen die ligt vóór de AOW-gerechtigde leeftijd en de werknemer deze reglementaire pensioeningangsdatum zonder na die datum te blijven werken wil uitstellen tot de AOW-gerechtigde leeftijd of later. De budgettaire effecten zijn nader toegelicht in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel.15De vraag van de leden van de fractie van het CDA zag op de dekking voor de budgettaire derving. In de nota naar aanleiding van het verslag bij dit wetsvoorstel is aangegeven dat het pakket Belastingplan 2017 uit verschillende wetsvoorstellen bestaat, waarbij sprake is van budgettaire samenhang. De budgettaire effecten die betrekking hebben op het afschaffen van het doorwerkvereiste zijn daar onderdeel van. Het saldo aan opbrengsten en dervingen van de verschillende wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan 2017 is ingepast in het inkomstenkader zoals gepresenteerd in de Miljoenennota 2017.16

In het verslag hebben de leden van de fractie van de SP een uitwerking gevraagd van voorbeelden voor diverse dga’s, met name voor de gevolgen van een afkoop voor de bv wat betreft de balans en liquiditeit, de te betalen loonbelasting en werkgeversafdrachten en de belastingkorting die deze dga’s krijgen (Kamerstuk 34 555, nr. 4). Gevraagd werd om in de uitwerking uit te gaan van een jonge dga met een PEB-balans van € 20.000, een dga van middelbare leeftijd met een PEB-balans van € 100.000, een dga die bijna met pensioen mag met een PEB-balans van € 250.000 en tot slot een gepensioneerde dga van 80 jaar met een PEB-balans van € 200.000. De heer Bashir vraagt alsnog om een uitwerking van die voorbeelden. Ook de NOB heeft gepleit voor het alsnog opnemen van enkele voorbeelden. In de nota naar aanleiding van het verslag op het onderhavige wetsvoorstel heb ik aangegeven dat een dergelijke uitwerking veel veronderstellingen vereist met betrekking tot de gedane toezeggingen qua type pensioenregeling (eindloon- of middelloon, ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen) pensioeningangsdatum, het te verwachten rendement van de bv, alsmede de te gebruiken sterftetabel. Ik heb daaruit de conclusie getrokken dat enkele voorbeelden onmogelijk recht kunnen doen aan de diversiteit van alle dga’s met een PEB, hun voorkeuren en hun specifieke situatie. Op verzoek van de heer Bashir doe ik toch een poging een voorbeeld te geven op basis van de gegevens die de leden van de fractie van de SP in het verslag hebben gegeven. Dit voorbeeld is in onderstaande tabel uitgewerkt. Daarbij zijn aannames gedaan over bijvoorbeeld het jaar van de afkoop, het jaarloon van de dga en daarmee het tarief bijzondere beloningen in de loonbelasting dat op hem van toepassing is en dat de verplichtingen voor het PEB betrekking hebben op de fiscale balanswaarden. Daarbij merk ik op dat de loonheffing een voorheffing is. Het effectieve bedrag dat de dga betaalt over de afkoop, zal pas bij de aanslag inkomstenbelasting vastgesteld kunnen worden. Om dit in dit rekenvoorbeeld vast te stellen zijn ook aannames over overige inkomsten en aftrekposten en heffingskortingen nodig. Verder is ook aangenomen dat de dga enig aandeelhouder is, waardoor hij niet voor de werknemersverzekeringen verzekerd is. Ook is ervan uitgegaan dat de dga het geld dat vrijkomt volledig terugstort in de bv. Tot slot is geabstraheerd van de afstempeling van de commerciële waarde naar de fiscale balanswaarde en het effect daarvan op de commerciële balans, van de vraag of de bv onder water staat en van de liquiditeitspositie van de bv.

Leeftijd dga

30 jaar

45 jaar

60 jaar

80 jaar

Jaarloon

50.000

67.000

67.000

34.000

Voorziening pensioen eigen beheer

20.000

100.000

250.000

200.000

Grondslag voor loonheffing (korting 34,5%)

13.100

65.500

163.750

131.000

Te betalen loonheffing (inclusief loonheffingkorting)

6.601

36.418

91.045

59.055

Te betalen werkgeverslasten

0

0

0

0

         

Effect op liquiditeit

       

Netto afkoopbedrag

– 13.399

– 63.582

– 158.955

– 140.945

Te betalen loonheffing

– 6.601

– 36.418

– 91.045

– 59.055

Inbreng netto afkoopbedrag eigen vermogen

13.399

63.582

158.955

140.945

Totaal effect op liquiditeit

– 6.601

– 36.418

– 91.045

– 59.055

         

Effect op de fiscale balans

(+ hogere solvabiliteit)

       

Vermindering voorziening pensioen eigen beheer

20.000

100.000

250.000

200.000

Uitbetaling + loonheffing

– 20.000

– 100.000

– 250.000

– 200.000

Inbreng netto afkoopbedrag eigen vermogen

13.399

63.582

158.955

140.945

Totaal effect op de fiscale balans

13.399

63.582

158.955

140.945

Het voorbeeld geeft geen antwoord op de vraag in hoeverre de afkoop fiscaal aantrekkelijk is voor de dga zelf, zulks in relatie tot de belasting die verschuldigd zou zijn als het PEB niet zou worden afgekocht maar regulier tot uitkering zou komen. In dat geval zou ik veronderstellingen moeten doen over de hoogte van het pensioen dat tot uitkering komt (ervan uitgaande dat het geld dan ook daadwerkelijk beschikbaar is), of er op dat moment nog andere bronnen van inkomen (zullen) zijn, hoe de rente zich ontwikkelt en hoe de belastingtarieven zich ontwikkelen ten opzichte van de huidige tarieven. Maar zelfs een uitgewerkt voorbeeld waarin voor deze onzekere factoren een aanname is gedaan, leidt niet tot een antwoord op de vraag of een afkoop voor de dga aantrekkelijk is. In de memorie van toelichting op het onderhavige wetsvoorstel is al aangegeven dat er een groot aantal factoren speelt die voor de dga doorslaggevend kunnen zijn voor zijn besluit het PEB af te kopen. Dit zijn andere factoren dan bijvoorbeeld de mate waarin de geboden korting voor de dga voordelig is.

In het kader van de eis dat de partner van de dga akkoord moet gaan met de afkoop van het PEB stelt de heer Bashir dat de partner in de toekomst op een eerder gegeven instemming terug zou kunnen komen. Hij vindt het voorstel van de NOB om het PEB in twee delen te splitsen, namelijk een partnerdeel dat extern kan worden ondergebracht en een eigen deel van de dga dat afgekocht wordt, een goede suggestie en vraagt waarom ik daarvan geen voorstander ben. Een splitsing van de aanspraak wijzigt niets aan het instemmingsvereiste van de partner. Een aanspraak op een partnerpensioen kan extern worden ondergebracht en is dat in veel gevallen ook al. Daarnaast blijft het ouderdomspensioen van de dga in eigen beheer. Op dat ouderdomspensioen heeft de partner van de dga nog steeds een afgeleide aanspraak ter hoogte van 50% van dat pensioen. Wil de dga zijn ouderdomspensioen afkopen of omzetten, dan moet de partner nog steeds meetekenen. Dat het partnerpensioen is afgesplitst en ondergebracht bij een externe verzekeraar brengt daarin geen wijziging en levert dus geen voordeel op.

De heer Van Dijck vraagt wat er gebeurt als er niet genoeg geld in de bv aanwezig is om af te kopen en wat kan worden gedaan als de liquiditeitspositie van de bv de afkoop niet toelaat. Het wetsvoorstel voorziet in het uitfaseren van het PEB. In dat kader kan na het afstempelen van de commerciële waarde naar de fiscale balanswaarde de aanspraak worden afgekocht. Voor bv’s die hier niet voldoende liquiditeit voor hebben – en waarvan de dga ook niet voldoende liquiditeiten heeft om de verschuldigde loonheffing uit eigen middelen te betalen, in combinatie met het verstrekken van een lening aan de bv ter grootte van de nettoafkoopsom – is de mogelijkheid opgenomen om het PEB om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Hiervoor is geen liquiditeit in de bv of bij de dga noodzakelijk, terwijl de bv wel verlost is van de knelpunten die met het PEB gepaard gingen. Het afrekenmoment (dus de belastingheffing) wordt naar de toekomst verplaatst, wanneer uitkeringen van deze aanspraak plaatsvinden.

De heer Van Dijck vraagt of er sprake is van schenking als de dga zijn pensioen schenkt aan de kinderen. Ik neem aan dat bedoeld is dat de dga zijn pensioenaanspraak afwaardeert van de commerciële waarde naar de fiscale balanswaarde van de tegenover deze aanspraak staande verplichting en vervolgens afkoopt. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van wie de aandelen in bezit heeft. De afwaardering zal veelal leiden tot een hogere waarde van de aandelen, ter hoogte van het verschil tussen de commerciële waarde van de pensioenverplichting en de fiscale waarde van die verplichting. Als de aandelen op het moment van afwaardering geheel of voor een deel in handen zijn van de kinderen, zal de waardestijging die de aandelen van de kinderen ondergaan voor de schenkbelasting doorgaans een belastbare schenking aan de kinderen vormen. Als de dga het PEB afkoopt en de afkoopsom uitkeert aan de kinderen zal eveneens sprake zijn van een belastbare schenking. Hetzelfde geldt wanneer de dga de hogere waarde van de bv verzilvert door de aandelen te verkopen en vervolgens het bedrag aan zijn kinderen geeft.

De heer Van Weyenberg vraagt naar de mogelijkheden om het doorwerkvereiste ook voor prepensioenregelingen af te schaffen en welke nadelen daaraan zijn verbonden. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel is opgemerkt speelt harmonisering van de pensioeningangsdatum en de AOW-gerechtigde leeftijd geen rol bij prepensioenregelingen. De wens van uw Kamer17 tot het harmoniseren van de pensioeningangsdatum en de AOW-gerechtigde leeftijd was, naast de vereenvoudiging voor pensioenuitvoerders en het introduceren van (meer) flexibiliteit in de pensioeningangsdatum, een van de belangrijkste redenen om het doorwerkvereiste voor ouderdomspensioen af te schaffen. Bovendien geldt voor prepensioenregelingen de mogelijkheid om deze regelingen collectief om te zetten in ouderdomspensioenregelingen, waardoor het doorwerkvereiste in die gevallen vanaf 1 januari 2017 geen rol meer speelt. De toegevoegde waarde van het afschaffen van het doorwerkvereiste voor prepensioenregelingen is daardoor minder sterk aanwezig. Indien toch gekozen zou worden voor het afschaffen van het doorwerkvereiste voor prepensioenregelingen zal in overleg met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nader onderzoek moeten plaatsvinden naar de budgettaire consequenties aan de uitgavenkant voor de sociale zekerheid en aan de lastenkant.

De heer Omtzigt vraagt een nadere toelichting omtrent de partnercompensatie. Zowel de heer Van Weyenberg als de NOB vragen (onder andere) naar voorbeelden voor de berekening van de passende compensatie die als tegenprestatie voor de afstempeling aan de partner moet worden geboden. Ook het RB heeft hier een vraag over gesteld. In algemene zin is van voldoende compensatie sprake als de ene partner het bedrag van de mogelijke bevoordeling vergoedt aan de andere partner, zodat tussen bij beide partners geen verarming of verrijking plaatsvindt. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik aangegeven dat het geven van voorbeelden moeilijk is omdat de feiten en omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen van geval tot geval verschillen. In genoemde nota heb ik een aantal van die verschillende feiten en omstandigheden genoemd. Desondanks wil ik aan de hand van een sterk vereenvoudigde casus proberen enige verduidelijking te verschaffen. In het voorbeeld wordt uitgegaan van een in algehele gemeenschap van goederen gehuwde dga waarbij er geen voornemens tot scheiding zijn. De in de pensioenbrief, waarin de pensioenafspraken tussen de bv en de dga zijn vastgesteld, geregelde pensioenopbouw heeft volledig in de huwelijkse periode plaatsgevonden.

In dit voorbeeld gaat het om een volledig in eigen beheer opgebouwd pensioen (ouderdomspensioen en partnerpensioen) met:

  • een commerciële waarde van € 900.000

  • een fiscale waarde van € 300.000

  • de partner heeft een afhankelijk recht van 50% op het ouderdomspensioen en 100% van het partnerpensioen; de partner heeft – op basis van de actuariële berekeningen – recht op 73% van de totale (commerciële) pensioenaanspraak.

Als de dga en zijn partner beslissen het opgebouwde ouderdomspensioen en het partnerpensioen af te kopen, is alleen de waardestijging van de aandelen in de bv als gevolg van de afstempeling van belang. Indien de dga en de partner beiden voor de helft gerechtigd zijn in de bv, hoeft er niets gecompenseerd te worden. Immers van beiden stijgen de aandelen met € 300.000 in waarde (de helft van € 900.000 – € 300.000). Bij elke andere verhouding in het aandeelhouderschap zal de vermogensverschuiving wel gecompenseerd moeten worden. Hoe de beide partners dat doen is geheel aan hen.

Als de dga en zijn partner beslissen het opgebouwde ouderdomspensioen en het partnerpensioen om te zetten in een oudedagsverplichting dienen zij in lijn met het vorenstaande ook een verdeling ten aanzien van de oudedagsverplichting af te spreken, waardoor de partner feitelijk de 73% behoudt en de dga 27%. Deze verdeling is vormvrij. In dat geval zal, nu geen sprake is van een verarming van de ene partner in combinatie met een verrijking van de andere partner, geen sprake zijn van een schenking, noch van de dga richting partner, noch omgekeerd.

De heer Omtzigt vraagt hoe de aandelen in een pensioen-bv in box 2 gewaardeerd worden, indien de dga zijn pensioen in eigen beheer wil voortzetten. Hij vraagt voorts of dit tot meer te betalen inkomstenbelasting en erfbelasting leidt indien de partner van de DGA daarna overlijdt. Op grond van het onderhavige wetsvoorstel verandert de verkrijgingspijs van deze aandelen niet indien gekozen wordt voor afkopen of omzetten in een oudedagsverplichting. De bedoelde box 2-gevolgen door het overlijden van de – in gemeenschap van goederen gehuwde – partner worden daardoor ook niet anders dan voorheen. Voor de erfbelasting worden de aandelen gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Deze waarde zal in de regel bij een zogenoemd bevroren PEB lager zijn dan in de gevallen waarbij gekozen is voor afkoop of omzetten in een oudedagsverplichting.

De heer Omtzigt vraagt of ik heb overwogen toe te staan dat de externe verzekering een «dekkingspolis» wordt in plaats van een pensioenpolis, waardoor bij expiratie de verzekering dan aan de bv, die de pensioenverplichting heeft, betaalt en de polis niet stopgezet hoeft te worden. Een dekkingspolis is geen pensioenpolis, maar een verzekering waarbij de bv de begunstigde is. Dit is een fundamenteel verschil met een pensioenpolis, waar de dga de begunstigde is. Een dekkingspolis is – ter voorkoming van verdere misverstanden – evenmin het elders verzekerde deel van een pensioentoezegging. Indien de vennootschap, door middel van een besluit in de aandeelhoudersvergadering, de in eigen beheer gehouden aanspraken premievrij maakt en gelijk de dga een nieuwe pensioentoezegging doet, die aansluit bij het elders verzekerde deel hoeft de pensioenpolis niet te worden stopgezet.

De heer Omtzigt vraagt hoe moet worden omgegaan met een dga die een premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid heeft. In deze situatie zal het arbeidsongeschiktheidspensioen in eigen beheer zijn ondergebracht en niet bij een professionele verzekeraar. De gevolgen voor de bv bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid hangen sterk af van de financiële positie van de bv. De bv heeft het risico van arbeidsongeschiktheid niet herverzekerd en zal, zolang de financiële middelen van de bv dit toelaten de uitkeringen aan de dga moeten doen.

De heer Omtzigt vraagt naar de fiscale gevolgen van uitkeringen uit een oudedagsverplichting bij dga’s die uit Nederland zijn geëmigreerd en in Duitsland of België wonen. De concrete fiscale gevolgen hangen af van diverse factoren. In de eerste plaats is van belang aan welk land het belastingverdrag het heffingsrecht toewijst over de uitkeringen. Voor zowel uitkeringen uit het PEB als voor uitkeringen die voortvloeien uit de oudedagsverplichting is hiervoor naar Nederlandse opvatting in beginsel het pensioenartikel in het toepasselijke belastingverdrag bepalend. De verdeling van heffingsrechten hangt vervolgens onder andere af van de vraag of het al dan niet om reguliere uitkeringen gaat, of de drempelbedragen worden overschreden die in de verdragen met Duitsland en België zijn opgenomen en (in de relatie met België) de fiscale behandeling in het woonland. De verdragsrechtelijke fiscale gevolgen van de oudedagsverplichting verschillen dus in zoverre niet van de verdragsrechtelijke fiscale gevolgen bij het PEB. Binnen deze verdeling van heffingsrechten is voor de concrete belastingheffing vervolgens de toepassing van het lokale (belasting)recht bepalend op de precieze omstandigheden van het geval.

De vraag van de heer Omtzigt of de compensatie voor het verlies van pensioenrechten van de partner ook gedurende het huwelijk in de huwelijkse voorwaarden kan worden opgenomen, kan ik bevestigend beantwoorden. Met ingang van 1 januari 2012 is de eis vervallen dat bij het overeenkomen van huwelijkse voorwaarden in een staand huwelijk deze door de rechtbank moeten worden goedgekeurd. De echtelieden kunnen dit dus bij de notaris laten vastleggen.

De heer Omtzigt vraagt of het klopt dat in de raming niet is meegenomen dat kleine pensioenen in eigen beheer eerder afgekocht zullen worden dan grote pensioenen. In de raming is niet verondersteld dat kleine pensioenen eerder zullen worden afgekocht dan grotere pensioenen. Voor zowel kleine als grote pensioenen in eigen beheer kan afkoop aantrekkelijk zijn. Bij dga’s met een kleiner PEB zal de overweging mogelijk liggen in het feit dat zij met afkoop de beheerskosten kunnen verlagen, en bij dga’s met een grote aanspraak zal de overweging tot afkoop mogelijk vaker liggen in het feit dat de pensioenuitkering in de derde en vierde schijf zal vallen waardoor afkoop voor deze dga’s fiscaal gezien relatief gunstig is.

De heer Omtzigt vraagt in verband met de afkoop van het PEB of er een relatie zat tussen de raming en realisatie van de tijdelijke verlaging van het tarief van box 2, de afkoopmogelijkheid van bestaande stamrechten en de afkoopmogelijkheid van bestaande levensloopregelingen. Voor de tijdelijke verlaging van het tarief in box 2 is voor 2014 € 1,2 miljard opbrengst ingeschat. De extra opbrengst als gevolg van de tijdelijke tariefsverlaging ligt in de orde van grootte van wat indertijd in de Begrotingsafspraken 2014 geraamd is (circa € 1 miljard extra kasopbrengst in 2014).

Bij de 80%-regeling voor levensloop in 2013 werd verondersteld dat de helft van het bestaande levenslooptegoed zou worden opgenomen. Op basis van gegevens van DNB is gebleken dat het levenslooptegoed in 2013 inderdaad met ongeveer circa 50% is afgenomen met € 2,4 miljard van de € 4,8 miljard. Dit komt daarmee dus zeer dichtbij de verwachting van het kabinet.

In bestaande situaties kon het stamrecht in 2014 ineens worden uitgekeerd waarbij slechts 80% van de waarde tot de heffingsgrondslag werd gerekend. De banken hebben in mei 2014 aangegeven dat tot op dat moment ongeveer 10% van de bestaande stamrechten was uitgekeerd. De raming voor de afkoopregeling over heel 2014 gaat uit van afkoop van 25% van de bestaande stamrechten.

Het verzoek van de heer Omtzigt over de beantwoording van de vragen over de IORP-richtlijn is doorgeven aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De antwoorden zijn inmiddels verstuurd naar uw Kamer (Kamerstuk 33 931, nr. 19).

Wetsvoorstel uitwisseling inlichtingen over rulings (Kamerstuk 34 527)

Mevrouw De Vries vraagt of een belastingplichtige wordt geïnformeerd als de Belastingdienst het door de belastingplichtige ingevulde standaardformulier aanpast. De verantwoordelijkheid voor het invullen en uitwisselen van informatie over rulings ligt bij de Belastingdienst. Indien de belastingplichtige het formulier heeft ingevuld en de Belastingdienst twijfelt aan de volledigheid of juistheid van de informatie treedt de Belastingdienst in overleg met de belastingplichtige.

Mevrouw De Vries vraagt verder of de belastingplichtige de informatie die over hem wordt uitgewisseld mag opvragen of controleren. Belanghebbenden worden niet geïnformeerd over het feit dat informatie is verstrekt en niet over welke informatie is verstrekt. In zoverre hebben belanghebbenden dus geen controlemogelijkheden. Als informatie uit Nederland door een ander land wordt gebruikt bij het opleggen van een aanslag, kan de belastingplichtige zich tot de belastinginspecteur wenden om te vragen welke informatie over hem is uitgewisseld. Dit zal zich echter naar verwachting op basis van de informatie in het standaardformulier niet voordoen. Het standaardformulier bevat namelijk basisinformatie over een ruling en biedt onvoldoende basis om uitsluitend op basis daarvan een aanslag op te leggen.

Mevrouw De Vries vraagt wat de Belastingdienst gaat doen met de informatie die uit het buitenland wordt ontvangen. Dit betreft binnenkomende rulings. Zij vraagt tevens of voldoende capaciteit beschikbaar is om deze informatie te verwerken. De Belastingdienst zal de ontvangen informatie, in combinatie met informatie die reeds bij de Belastingdienst aanwezig is, analyseren op relevantie voor de Nederlandse belastingheffing, opnemen in de klantdossiers en in voorkomende gevallen voorzien van een behandeladvies, opgesteld door een groep specialisten. Het is aan de belastinginspecteur om dit, waar nodig in samenspraak met de relevante kennis- en coördinatiegroepen, in de klantbehandeling te verwerken. Het is nog niet bekend hoeveel informatie binnen zal komen, maar het uitgangspunt is dat voldoende – bestaande – capaciteit wordt ingezet voor de beoordeling van informatie. Bij de beoordeling zal gebruik worden gemaakt van de kennis en ervaring die al aanwezig is binnen de Belastingdienst.

Mevrouw De Vries vraagt wat de Europese Commissie (EC) wel en niet mag met de informatie over rulings. De EC houdt toezicht op de wijze waarop lidstaten de verplichtingen uit de richtlijn nakomen, houdt toezicht op het gebruik van het elektronische gegevensbestand en is verantwoordelijk voor de opzet van dat bestand. De richtlijn bepaalt uitdrukkelijk dat de EC de rulinginformatie niet voor andere doeleinden mag gebruiken dan om te beoordelen of en in hoeverre de lidstaten voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn. De informatie mag dus bijvoorbeeld niet gebruikt worden voor staatssteunonderzoeken.

De heer Omtzigt vraagt of een database is aangelegd nadat de EC rulings heeft opgevraagd. Rulings die zijn afgegeven door het APA/ATR-team zijn vastgelegd in een database. Dit is al jaren het geval. De overige (bestaande) rulings zijn niet centraal opgeslagen.

De heer Omtzigt vraagt wat er gebeurt als onverhoopt onjuiste informatie is uitgewisseld. De Belastingdienst zal, als een dergelijke situatie zich voordoet, conform de toelichting op artikel 26 van het OESO-modelverdrag, de landen waaraan informatie is verstrekt actief en onmiddellijk op de hoogte stellen. Verder kan een belastingplichtige die een aanslag uit het buitenland ontvangt die mede is gebaseerd op informatie van de Nederlandse belastingdienst zich vanzelfsprekend richten tot de belastinginspecteur en vragen welke informatie over hem is uitgewisseld.

De heer Van Weyenberg vraagt of het klopt dat Nederland geen gegevens uit Duitsland ontvangt, maar wel gegevens aan Duitsland verstrekt. Het is inderdaad zo dat Nederland tot op heden geen informatie over rulings uit Duitsland heeft gekregen. De uitwisseling van informatie over rulings waar in dit kader naar wordt gevraagd, vindt plaats op basis van een eerdere bilaterale overeenkomst tussen Duitsland en Nederland en niet op basis van de Europese richtlijn. De naleving van de verplichtingen op grond van de Europese richtlijn wordt gecontroleerd door de EC. Ik heb eerder dit jaar gesproken met de Minister van Financiën van de deelstaat Nordrhein-Westfalen over de uitwisseling van informatie. Vanzelfsprekend blijf ik Duitsland aanspreken op het nakomen van de bilaterale afspraken.

De heer Groot vraagt waarom de EC geen toegang heeft tot een database met rulings en waarom Nederland allerlei juridische bezwaren daartegen heeft opgeworpen. De EC krijgt toegang tot het elektronische gegevensbestand waarin informatie over rulings wordt opgenomen. De EC krijgt daarbij toegang tot die informatie die nodig is voor het uitoefenen van controle op de naleving van de richtlijn. Met andere lidstaten vindt het kabinet dat de bevoegdheden van de EC die voortvloeien uit de richtlijn niet moeten worden vermengd met bevoegdheden die voor een ander doel worden gegeven, zoals staatssteunonderzoeken.

Overige

Werkkostenregeling

Mevrouw De Vries vraagt of de werkkostenregeling voor het mkb moeilijk werkbaar is. Ook vraagt mevrouw De Vries of de evaluatie van de werkkostenregeling, die in 2018 is voorzien, met een jaar naar voren kan worden gehaald. De vormgeving van de huidige werkkostenregeling is voortgevloeid uit een overleg in 2014 met verschillende belanghebbendengroepen, waaronder MKB-Nederland.18 De werkkostenregeling is in 2015 verplicht geworden en is dus een relatief nieuwe regeling waar nog niet alle werkgevers aan gewend zijn. Pas als er wat ervaring met de werkkostenregeling is opgedaan, kan goed worden onderzocht hoe de werkkostenregeling bij het mkb uitwerkt. Bij de evaluatie van de werkkostenregeling zal een splitsing worden gemaakt naar de omvang van bedrijven, zodat eventuele knelpunten die specifiek in het mkb spelen naar voren zullen komen. Pas in 2018 zal er door alle werkgevers drie jaar ervaring zijn opgedaan met de werkkostenregeling. Het is niet wenselijk om de evaluatie naar voren te halen, omdat de evaluatie dan een te korte periode zal betreffen. Niet iedere werkgever zal bijvoorbeeld elk jaar dezelfde vergoedingen en verstrekkingen willen geven en een evaluatie over meerdere jaren heeft daarom vanuit kwalitatief oogpunt de voorkeur.

Pseudo-eindheffing voor excessieve beloningsbestanddelen

Mevrouw De Vries vraagt waarom binnen de pseudo-eindheffing voor excessieve beloningsbestanddelen geen uitzondering mogelijk is voor een specifieke sector, zoals de voetbalsector. Ook de heer Groot vraagt of een uitzondering kan worden gemaakt. Een uitzondering binnen de pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen voor de voetbalsector stuit op twee belangrijke juridische bezwaren. Beide bezwaren hangen samen met het feit dat binnen een fiscale maatregel, waarbij uit het doel en de strekking van de maatregel volgt dat deze maatregel voor alle sectoren geldt, toch een uitzondering wordt gemaakt voor een specifieke sector. Ten eerste wordt hiermee aangelopen tegen het gelijkheidsbeginsel. Naar verwachting zou een dergelijke maatregel resulteren in veel bezwaarschriften en juridische procedures van werkgevers in andere sectoren die zich op het gelijkheidsbeginsel beroepen, omdat zij zich voor wat betreft de pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen in een gelijke positie bevinden als werkgevers in de voetbalsector. Ten tweede is een dergelijke maatregel staatssteun. Dit komt omdat de Nederlandse overheid met deze uitzondering een fiscaal voordeel zou geven aan ondernemingen in een selectieve groep, namelijk de voetbalclubs. Dat voetbalclubs ondernemingen in Europeesrechtelijk zin zijn en daarmee onder de staatssteunregels van het Verdrag vallen, is nog recent bevestigd in besluiten van de Europese Commissie met betrekking tot staatssteun aan Nederlandse voetbalclubs.

S&O-afdrachtvermindering

De heren Groot en Van Weyenberg vragen of ik bereid ben in het eerste kwartaal van volgend jaar in een tussenrapportage in te gaan op de verdeling van het budget van de S&O-afdrachtvermindering tussen het mkb en het grootbedrijf. De Minister van Economische Zaken heeft uw Kamer met Prinsjesdag geïnformeerd over het gebruik van de S&O-afdrachtvermindering in 2016 en het budget en de parameters voor 2017.19 Op basis van de op dat moment voorhanden zijnde gegevens blijkt dat de verdeling van het budget tussen het mkb en het grootbedrijf zich in 2016 ontwikkelt conform de eerder geschetste verwachting. De definitieve budgetverdeling zal halverwege 2017 bekend zijn. De Minister van Economische Zaken zal naar aanleiding van het verzoek van de heren Groot en Van Weyenberg uw Kamer in 2017 eerder informeren over de S&O-afdrachtvermindering die in 2016 is toegekend en welk percentage van de S&O-afdrachtvermindering aan het mkb en het grootbedrijf is toegekend. Deze cijfers zijn naar verwachting in het eerste kwartaal van 2017 beschikbaar omdat bedrijven uiterlijk op 31 maart 2017 aan RVO.nl moeten mededelen wat de daadwerkelijk gerealiseerde S&O-uren en S&O-kosten in 2016 zijn geweest. Soms vindt er bij bedrijven een wijziging plaats in de R&D-plannen of lopen projecten vertraging op. Op Prinsjesdag zal uw Kamer door de Minister van Economische Zaken geïnformeerd worden over het definitieve gebruik (en de verdeling mkb/grootbedrijf) van de S&O-afdrachtvermindering in 2016.

Overgangsrecht schenkingsvrijstelling

Mevrouw De Vries vraagt wat het budgettaire beslag zou zijn als het overgangsrecht voor de schenkingsvrijstelling zodanig wordt vormgegeven dat de vrijstelling voor de eigen woning van € 100.000 wordt verminderd met vóór 1 januari 2017 van dezelfde schenker ontvangen schenkingen waarop een verhoogde vrijstelling schenkbelasting is toegepast. De budgettaire derving van een dergelijke vormgeving van het overgangsrecht bedraagt naar schatting eenmalig € 250 miljoen, die zich verspreid over 20 jaar zal voordoen. Voor deze raming is een inschatting gemaakt van de omvang van de groep die in de jaren 1996 tot en met 2014 een eenmalig verhoogde schenking heeft ontvangen en die in 2017 en volgende jaren nog aan het leeftijdscriterium van 18–40 jaar kan voldoen, alsmede van de omvang van het bedrag waarvoor nog aanspraak kan worden gemaakt op een aanvullende vrijgestelde schenking tot € 100.000 voor zover hier niet al op basis van het bestaande overgangsrecht aanspraak op bestaat. Aanvullend is verondersteld dat voor de helft van dit bedrag daadwerkelijk gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheid voor een aanvullende schenking. Recente ervaringen met de schenkbelastingvrijstelling eigen woning wijzen namelijk uit dat een verruiming van de regeling omvangrijke budgettaire effecten tot gevolg kan hebben.

De heer Omtzigt vraagt of ik het overgangsrecht bij de schenkingsvrijstelling eigen woning bij nota van wijziging simpeler kan maken. Ook vraagt hij waarom niet is gekozen voor een vaste vrijstelling van € 100.000 verminderd met eerdere schenkingen. De verhoogde vrijstelling van schenkbelasting voor de eigen woning van maximaal € 100.000 die vanaf 1 januari 2017 zal gelden, is een eenmalige vrijstelling. Om er rekening mee te houden dat niet elke schenker in een keer een groot bedrag kan schenken, is besloten dat de vrijstelling kan worden uitgesmeerd over drie opeenvolgende jaren. Het principe van deze vrijstelling is precies hetzelfde als bij de huidige verhoogde vrijstellingen voor kinderen. Het betreft namelijk een eenmalige vrijstelling, eventueel te verdelen over drie opeenvolgende jaren, tot ten hoogste het maximumbedrag. Dit principe komt ook tot uitdrukking in het overgangsrecht. Het vastgelegde overgangsrecht is goed uitvoerbaar vanwege het tijdelijke karakter en omdat het een relatief beperkte groep betreft. Een beperkter en eenvoudiger overgangsrecht voor de schenkingsvrijstelling eigen woning, zou er al gauw op neerkomen dat uitsluitend het bestaande recht wordt gecontinueerd hetgeen inhoudt dat een kind dat voor 2010 gebruik heeft gemaakt van een verhoogde vrijstelling, nog recht houdt op een verhoogde vrijstelling van € 27.500 (de inhaalvrijstelling). Dat zou een aanzienlijke beperking betekenen ten opzichte van het overgangsrecht dat is voorzien in het kader van de verhoogde vrijstelling zoals die per 1 januari 2017 van kracht wordt. Het kabinet is daar dan ook geen voorstander van.

Er zijn ook verschillende redenen waarom niet is gekozen voor een uitgebreider overgangsrecht, bijvoorbeeld een schenkingsvrijstelling eigen woning verminderd met eerdere schenkingen van dezelfde schenker waarvoor een beroep op een verhoogde vrijstelling voor 2017 is gedaan. Een dergelijk verdergaand overgangsrecht zou gepaard gaan met substantiële budgettaire effecten maar bovenal met veel hogere uitvoeringslasten voor de Belastingdienst. Deze uitvoeringslasten worden veroorzaakt doordat bij elk beroep op de schenkingsvrijstelling zou moeten worden nagegaan voor welk bedrag er eerder schenkingen onder een van de verhoogde vrijstellingen zijn ontvangen en of het maximum al is bereikt. De geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst zijn hierop niet toegerust. Tevens is dan sprake van een grote hoeveelheid extra aangiften schenkbelasting. Dit kan zich gedurende een periode van maximaal 22 jaar voordoen. Indien de heer Omtzigt het oog zou hebben op een structurele regeling waarbij de maximale vrijstelling schenkbelasting voor de eigen woning wordt verminderd met eerdere schenkingen onder de verhoogde vrijstelling, zouden de gevolgen op budgettair vlak en voor de uitvoering nog groter zijn. Zo’n structurele regeling is niet langer te kenschetsen als een eenmalige verhoogde vrijstelling maar veeleer als een periodevrijstelling. Tot slot wil ik de opmerking maken dat altijd gebruik kan worden gemaakt van de jaarlijkse vrijstellingen van circa € 5.000 voor kinderen en € 2.000 voor derden. Als dat gedurende tien jaar gebeurt, kunnen ook forse bedragen geschonken worden.

Landbouwregeling in de btw

Mevrouw De Vries vraagt waarom de afschaffing van de btw-landbouwregeling niet wordt meegenomen in het Belastingplan, wat de maatregel inhoudt en wat de gevolgen zijn. Verder vraagt zij naar de aanleiding van de maatregel en om hoeveel geld het gaat. Het geraamde budgettaire beslag van de btw-landbouwregeling is in 2017 € 17 miljoen. De Minister van Economische Zaken is (gedeeltelijk) beleidsverantwoordelijk. Om die reden is ervoor gekozen om ook bij de begrotingsbehandeling van Economische Zaken over dit beleidsvoornemen verantwoording af te leggen. In het Interdepartementale Beleidsonderzoek Agro is geconstateerd dat deze regeling beperkt bijdraagt aan de beleidsdoelen van het betreffende begrotingsartikel en het gebruik daarvan dalende is. Daarnaast betreft het voornemen tot afschaffen van de maatregel een vereenvoudiging van het fiscale stelsel. Gegeven de beoogde datum van de maatregel per 1 januari 2018, ligt het voor de hand de benodigde wetgeving voor deze maatregel mee te nemen in het Belastingplan voor 2018.

Volgens de btw-landbouwregeling zijn landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers geen btw verschuldigd over door hen geteelde en voortgebrachte goederen, gebruikte bedrijfsmiddelen en het verrichten van agrarische diensten. Zij hebben voor die prestaties geen recht op aftrek en zijn voor deze prestaties ontheven van administratieve verplichtingen. De afnemers hebben onder voorwaarden wel recht op een forfaitaire aftrek. De afschaffing van btw-landbouwregeling heeft tot gevolg dat landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers voor de btw gelijk worden behandeld als overige ondernemers.

Btw-vrijstelling examen

De heer Van Weyenberg vraagt wanneer er een voorstel komt om de bestaande btw-vrijstelling voor eindexamens uit te breiden naar andere vormen van examens in het onderwijs, zoals toelatingsexamens. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik al aangegeven dat ik bereid ben het komende jaar te beoordelen of tegemoet kan worden gekomen aan deze wens en een aantal andere wensen voor vereenvoudigingen in de btw.

Overdrachtsbelasting woningbouwcorporaties

De heer Groot vraagt naar een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor woningcorporaties en de budgettaire gevolgen daarvan. Allereerst benadruk ik dat tot 1 januari 2003 de Wet op belastingen van rechtsverkeer een vrijstelling kende voor de verkrijging van terreinen en bestaande woningen door woningcorporaties. Deze is echter afgeschaft, omdat de vrijstelling een concurrentievoordeel opleverde ten opzichte van de reguliere marktpartijen en dus een marktverstorende werking kan hebben. Onder de huidige wetgeving is er een vrijstelling van overdrachtsbelasting bij overdracht van onroerende zaken als onderdeel van een taakoverdracht tussen algemeen nut beogende instellingen (anbi’s). Voorwaarde voor toepassing van de vrijstelling is dat bij de overdracht commerciële factoren geen rol spelen. Dit betekent dat de onroerende zaken hooguit tegen de boekwaarde (op basis van historische kostprijs minus afschrijvingen) mogen worden overgedragen. Hoewel woningcorporaties kunnen kwalificeren als anbi en er sprake kan zijn van een taakoverdracht, wordt doorgaans niet voldaan aan de voorwaarde met betrekking tot de commerciële factoren. De vrijstelling is dan niet van toepassing. Het introduceren van een vrijstelling voor specifiek deze groep zou een selectieve begunstiging inhouden en daarmee staatssteunelementen bevatten. Door de bepalingen in het staatssteunbesluit van de Europese Commissie uit 2009 over staatssteun aan woningcorporaties, is een nieuwe steunmaatregel op korte termijn niet haalbaar. Een wijziging van de wetgeving zou dus generiek dienen te zijn en zich niet kunnen beperken tot woningcorporaties. Een dergelijke generieke uitbreiding van de vrijstelling leidt tot een budgettaire derving van minimaal € 70 miljoen waarvoor geen dekking voorhanden is.

Ombouw kantoren tot woonhuis

De heer Van Weyenberg vraagt of ik erken dat sprake is van een ongelijk fiscaal spelveld tussen nieuwbouw en herbestemming. Het klopt dat nieuwbouw enerzijds en het ombouwen van kantoorpanden naar woningen anderzijds in de overdrachtsbelasting verschillend behandeld worden. Dat is ook niet vreemd, want de situaties van nieuwbouw en transformatiebouw (of herbestemming) zijn in de praktijk zo verschillend van aard dat ook de wijze waarop de vaststelling of al dan niet sprake is van een woning verschilt. Bij de introductie van het verlaagde tarief voor nieuwbouw in de overdrachtsbelasting is in de memorie van toelichting expliciet aangegeven dat een onroerende zaak die geen woning is, maar wordt verbouwd tot woning, niet onder de maatregel valt.20 Om aan de wens van de heer Van Weyenberg tegemoet te komen zal de reikwijdte van het verlaagde tarief dus uitgebreid moeten worden naar het ombouwen van kantoorpanden naar woningen. Deze uitbreiding van de toepassing van het verlaagd tarief leidt tot een budgettaire derving van naar schatting € 30 miljoen op jaarbasis. Voor deze budgettaire derving is geen passende dekking voorhanden.

Indexatie accijnzen

De heer Omtzigt vraagt waarom brandstofaccijns wel en alcoholaccijns niet wordt geïndexeerd. Inflatiecorrectie is in ons belastingsysteem een heel gebruikelijk instrument en strekt ertoe de bedragen reëel constant te houden. Economisch en begrotingstechnisch ligt het dan ook voor de hand om bedragen in de wet te indexeren. De inflatiecorrectie wordt toegepast aan het begin van het kalenderjaar op een groot aantal in de wet aangewezen bedragen, zoals (sommige) tarieven, schijflengtes, heffingskortingen, vrijstellingsbedragen en dergelijke. Tarieven die in percentages zijn uitgedrukt worden om voor de hand liggende redenen niet geïndexeerd. In mijn brief van 16 september 2014 ben ik ook ingegaan op de vraag waarom er jaarlijks indexatie plaatsvindt op belastingen.21 In een enkel geval is er in het verleden voor gekozen om niet te indexeren. Voor zover mij bekend ging het daarbij altijd om een politieke afweging, zoals ook het geval is geweest bij de discussie over indexatie over alcoholaccijns in de jaren negentig.

Alcoholaccijns op biermixen

Mevrouw De Vries vraagt welke oplossingen er kunnen worden gevonden voor biermixen. Ook vraagt zij of dit in andere landen speelt en welke oplossingen daar worden gevonden. Voor mixen van bier en frisdrank is doorgaans een hoger tarief van de bieraccijns van toepassing dan voor bier met een vergelijkbaar alcoholpercentage. Dit komt door de suikers in de frisdrank die mede bepalend zijn voor de graden Plato die in Nederland de maatstaf van heffing zijn voor de bieraccijns. Zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag heb toegelicht, is de eenvoudigste oplossing voor mixen van bier en frisdrank om voor de maatstaf van heffing van de bieraccijns over te schakelen van graden Plato naar alcoholpercentage. Ik ben ook voorstander van een dergelijke omschakeling omdat het alcoholpercentage voor de Douane eenvoudiger is in de uitvoering en voor de burgers begrijpelijker is. Vijftien EU lidstaten gebruiken het alcoholpercentage als maatstaf van heffing en kennen dit probleem dus niet. In op één na alle EU lidstaten die graden Plato als maatstaf van heffing hebben, worden biermixen net zoals in Nederland belast naar de graden Plato van het eindproduct. Naar aanleiding van een rechtszaak in Polen wordt op dit moment in de relevante Europese gremia de discussie gevoerd hoe om te gaan met het bepalen van de graden Plato bij biermixen. Een andere mogelijkheid om biermixen onder een lager accijnstarief te laten vallen zou kunnen zijn om voor mixen tot een alcoholpercentage van bijvoorbeeld maximaal 2,8% het laagste tarief van de bieraccijns van toepassing te verklaren. Ik zal in EU-verband nagaan in hoeverre andere lidstaten van deze mogelijkheid gebruikmaken. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomst van dit onderzoek.

Vrijstelling mineralogische procedés

De heer Omtzigt vraagt waarom alleen het aardgas wordt vrijgesteld van energiebelasting en niet de elektriciteit die wordt gebruikt voor mineralogische procedés. Deze vrijstelling wordt ingevoerd met het oog op de concurrentiepositie van de mineralogische industrie. Aangezien de ons omringende landen een vrijstelling kennen, benadeelt de heffing van energiebelasting op aardgas de internationale concurrentiepositie van de mineralogische industrie. Voor mineralogische procedés is namelijk relatief veel aardgas nodig. De hoeveelheid elektriciteit gebruikt voor mineralogische procedés is veel kleiner. Daardoor is de invloed van de energiebelasting op elektriciteit op de internationale concurrentiepositie veel beperkter. Vanuit dit perspectief is er dan ook geen reden om een vrijstelling voor deze elektriciteit in de energiebelasting in te voeren.

Stadsverwarming

De heer Van Weyenberg en de heer Grashoff vragen naar de stadsverwarmingsregeling in de energiebelasting. De heer Van Weyenberg vraagt of het gasverbruik in een geothermie-installatie ook onder het fiscaal gunstige tarief valt en vraagt zich af in hoeverre de regeling past in de huidige visie op warmte. Ook vraagt hij wanneer het onderzoek naar een mogelijke uitbreiding van de stadsverwarmingsregeling zal worden afgerond. De heer Grashoff vraagt of ik bereid ben de stadsverwarmingsregeling uit te breiden naar het gasverbruik in hulpketels die gebruikt worden in biomassacentrales waarvan de basislast biomassa is. De huidige regeling is gericht op het stimuleren van het gebruik van restwarmte en niet op het stimuleren van duurzame energie in zijn algemeenheid. Een biomassa-energiecentrale of een geothermie-installatie die erop gericht is alleen warmte te produceren valt dan ook niet onder de regeling. Hetzelfde geldt voor een geothermie-installatie die bestemd is voor de winning van warmte ten behoeve van stadsverwarming. In beide gevallen is immers geen sprake van restwarmte. In het huidige warmtebeleid worden installaties die gebruik maken van duurzame hulpbronnen gestimuleerd via de Subsidieregeling Duurzame Energie Plus (SDE+) en de geothermieregeling. Het aanpassen van de regeling is geen kleinigheid. Aanpassing kan het doel van de regeling substantieel veranderen en gepaard gaan met budgettaire gevolgen en gevolgen voor de uitvoerbaarheid. Ik vind het dan ook onverstandig deze regeling nu op stel en sprong aan te passen. Wel ben ik zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bereid om samen met de Minister van Economische Zaken te onderzoeken of de bestaande fiscale regeling en de mogelijke uitbreiding economische efficiënt is en tot welke budgettaire derving dit leidt. In dit onderzoek zal ik ook kijken naar de samenhang met andere fiscale en niet-fiscale regelingen die de verduurzaming van de warmtevoorziening stimuleren, zoals de SDE+, vrijstelling in de energie- en kolenbelasting voor warmtekrachtkoppelinginstallaties, de warmtewet en nieuwe verplichtingen in het warmtebeleid.

Toeslagen

De heer Van Vliet vraagt of wordt nagedacht over het weghalen van de uitvoering van de toeslagen bij de Belastingdienst en of dat een verlichting zou kunnen betekenen voor de Belastingdienst. Het kabinet is voornemens om de huidige kinderopvangtoeslag te vervangen door een stelsel van directe financiering van kinderopvanginstellingen. In dat voornemen zou de Dienst Uitvoering Onderwijs de uitvoerder worden. Er zijn op dit moment geen plannen om de overige drie toeslagen in de huidige vorm buiten de Belastingdienst te positioneren.

De heer Groot vraagt of er signalen van misbruik van toeslagen bij verandering van adres zijn en hoe vaak dit voorkomt, of er signalen zijn dat dit misbruik toeneemt en welke bedragen ermee zijn gemoeid.

De Belastingdienst/Toeslagen participeert in het onderzoek Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA) onder leiding van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De LAA is een aanpak waarbij de adreskwaliteit in de Basisregistratie Personen (BRP) wordt bevorderd en adresgerelateerde fraude wordt voorkomen en bestreden en rechtmatigheid van uitkeringen en toeslagen wordt bevorderd. In dit verband is met gemeenten en andere overheidspartijen in kaart gebracht wat de mogelijke omvang van het misbruik van Toeslagen is. In mei 2016 is van dit onderzoek de rapportage verschenen.22 In de bijlage van dit rapport wordt wel al een inschatting gemaakt van de theoretische baten per regeling, maar concrete resultaten zijn nog niet beschikbaar. Door de LAA-aanpak, waarbij gemeenten alerter worden bij inschrijving in de BRP, wordt zeker geen toename van misbruik voorzien.

De heer Van Vliet vraagt naar de stand van het terugvorderen van het belastinggeld uit onder andere Bulgarije. De voortgang van de inspanningen die de Belastingdienst heeft geleverd om de openstaande toeslagschulden in het buitenland binnen te halen, worden toegelicht in de 18e Halfjaarsrapportage die binnenkort wordt gepubliceerd.

Bbz-problematiek

De heer Omtzigt vraagt het concept van het besluit waarin de Bbz-problematiek wordt opgelost naar de Kamer te sturen. De oplossing van de Bbz-problematiek (via de eindheffing) zal worden geregeld door middel van een aanpassing van artikel 8.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. De aanpassing zal deel uitmaken van de eindejaarsregeling van Financiën en op 1 januari 2017 in werking treden. Aan de tekst van de aanpassing wordt momenteel nog gewerkt. Zodra deze gereed is zal ik het concept van de tekst aan de Kamer doen toekomen.

Openbaarheid belastingrechtspraak

De heer Bashir vraagt of ik bereid ben om het wetsvoorstel openbaarheid belastingrechtspraak in te dienen. In mijn brief van 25 april 2014 heb ik aangegeven dat er verschillende redenen zijn waarom ik dit wetsvoorstel niet ga indienen, waaronder de kritische reacties op de internetconsultatie.23 Er is voor mij geen aanleiding om alsnog tot indiening over te gaan.

Pensioenen en btw

De heer Groot en de heer Omtzigt vragen naar een verduidelijking van de jaarlijkse budgettaire derving van € 285 miljoen indien defined benefit pensioenregelingen (DB-regelingen) voor de btw zouden worden aangemerkt als gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Bij een dergelijke maatregel wordt over de diensten van externe vermogensbeheerders voor individueel vermogensbeheer aan pensioenfondsen met DB-regelingen geen 21% btw meer voldaan. Tegelijkertijd vervalt de btw-aftrek die nu wel bestaat. Het budgettaire effect is gelijk aan de gederfde btw over de individueelvermogensbeheerdiensten minus de btw-aftrek die nu op grond van de wet plaatsvindt. De raming is gebaseerd op jaarverslagen van pensioenfondsen en gegevens van DNB.

De heer Groot wijst voorts op de verstoring van de keuze tussen DB-regelingen en de defined contribution-regelingen (DC-regelingen) en de mogelijke impact van de lopende procedure bij de Hoge Raad en vraagt of wij die uitspraak gaan respecteren. Ook mevrouw De Vries vraagt naar een uitgebreidere toelichting op de btw-vrijstelling in het licht van de lopende procedure en in het verlengde daarvan stelt de heer Omtzigt de vraag of ik kan erkennen dat zuivere DB-regelingen bijna niet meer bestaan.

In antwoord op de vraag van de heer Groot kan ik mededelen dat het arrest van de Hoge Raad zeker zal worden gerespecteerd. In antwoord op de vraag van mevrouw De Vries verwijs ik graag naar mijn reactie op de conclusie van Advocaat-generaal Ettema die ik op 27 oktober jongstleden als bijlage aan uw Kamer heb toegezonden en waarin naar mijn idee duidelijk is opgeschreven waarom het vermogensbeheer van DB-regelingen nu belast is met btw.24 In antwoord op de vraag van de heer Omtzigt naar zuivere DB-regelingen, kan ik aangeven dat de meeste Nederlandse pensioenregelingen voor de btw onder de noemer DB-regeling worden geschaard, omdat een nominale uitkering wordt toegezegd. Daarnaast zijn er zuivere DC-regelingen, die net als beleggingsfondsen geen toezegging kennen maar een individuele inleg, die rendeert conform het desbetreffende aandeel in de collectieve beleggingsresultaten. Deze zijn in Nederland zeldzaam en beperkt tot de opbouwfase van slechts enkele pensioenregelingen. Voor de toepassing van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen is overigens niet zozeer de benaming van een bepaalde pensioenregeling van belang, maar de vraag of al dan niet sprake is van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Op dit punt verwijs ik graag naar mijn reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal Ettema, waarin ik heb aangegeven dat het ontbreken van een bijstortverplichting van de werkgever er niet toe leidt dat sprake is van een gemeenschappelijk beleggingsfonds voor de btw. Ik kan de heer Omtzigt bevestigen dat zuivere DB-regelingen slechts in beperkte mate voorkomen. Het gaat daarbij dan om een vorm van een DB-regeling waarbij een harde nominale toezegging bestaat die niet kan worden gekort en waarbij een werkgever een ongelimiteerde bijstortingsverplichting heeft. Het is in dit stadium niet aan mij om vooruit te lopen op een rechtelijke uitspraak en daar reeds nu consequenties aan te verbinden. Ik wacht eerst de uitspraak van de Hoge Raad af. Zodra de uitspraak bekend is, zal ik deze zorgvuldig analyseren en uw Kamer over de gevolgen van het arrest informeren. De huidige verwachting is dat de uitspraak nog in 2016 zal verschijnen.

De heer Omtzigt vraagt mij te bevestigen of pensioenadministratie onder het begrip beheer valt. Voor de toepassing van de uitzondering op de koepelvrijstelling worden de volgende diensten onder pensioenadministratiediensten verstaan:

  • a. werkzaamheden die zien op de fondsspecifieke deelnemersadministratie en de werkgeversadministratie. Bij deze werkzaamheden gaat het om de financiële administratie, het beheer van gegevens en aanspraken, het vaststellen en innen van premies en het vaststellen en uitbetalen van pensioenen;

  • b. de activiteiten die rechtstreeks verband houden met genoemde administraties, zoals het opstellen van rapportages aan externe toezichthouders en het voldoen aan de door de toezichthouder opgelegde verplichtingen met betrekking tot (ex)deelnemers als ook het (desgevraagd) aanleveren van deelnemersgegevens aan maatschappelijk relevante instellingen, zoals de Stichting Pensioenregister en het CBS.

Deze pensioenadministratiediensten vallen onder het begrip beheerdiensten indien de afnemer van deze diensten een gemeenschappelijk beleggingsfonds is.

Fiscale consequenties van het nieuwe huwelijksvermogensrecht

De heer Omtzigt vraagt of zijn eerdere vragen over het nieuwe huwelijksvermogensrecht kunnen worden beantwoord. De heer Omtzigt doelt op het initiatiefwetsvoorstel tot invoering van een beperkte huwelijksgemeenschap.25 Dit initiatiefwetsvoorstel is op 14 juli 2014 ingediend bij de Tweede Kamer. Bij de behandeling in de Tweede Kamer is zowel door de initiatiefnemers als het kabinet gereageerd op een notitie van de leden van de fractie van het CDA met fiscale vragen. In die reactie is ook zoveel mogelijk ingegaan op de door de leden van de fractie van het CDA gestelde vragen. Zoals in de reactie van het kabinet ook is vermeld, zijn aan het initiatiefwetsvoorstel geen nieuwe fiscale gevolgen verbonden.26 Dit initiatiefwetsvoorstel is inmiddels in behandeling bij de Eerste Kamer. Op 20 oktober 2016 is de memorie van antwoord verschenen en bij brief van 31 oktober 2016 heeft het kabinet vragen uit het voorlopig verslag beantwoord.27 Ook in die reactie is benadrukt dat aan het initiatiefwetsvoorstel geen fiscale gevolgen verbonden zijn. Zoals in beide Kamers is aangegeven, komen de voorgestelde wijzigingen er per saldo op neer dat ook na de inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel alle mogelijkheden die thans op grond van het huwelijksvermogensrecht bestaan om de huwelijksgoederengemeenschap (nader) te regelen, blijven bestaan. De fiscale aspecten blijven afhankelijk van de door de (aanstaande) echtgenoten gemaakte keuzes met betrekking tot het huwelijksvermogensrecht. Het blijft daarom voor (aanstaande) echtgenoten van belang dat zij nadenken over de civielrechtelijke en fiscale gevolgen van hun huwelijk. Dat is nu ook al het geval en wordt straks niet anders. Van belang is dat in alle gevallen, dus zowel onder het huidige recht als onder het initiatiefwetsvoorstel, dezelfde fiscale gevolgen kunnen worden gerealiseerd. Er was dan ook geen aanleiding om in het Belastingplanpakket wijzigingen op te nemen als gevolg van het initiatiefwetsvoorstel.

Percentage eigenwoningforfait

Ik heb toegezegd uw Kamer jaarlijks te informeren over de indexering van het percentage van het eigenwoningforfait (EWF-percentage).28 De wettelijke indexering van het EWF-percentage vindt plaats aan de hand van de ontwikkeling van het indexcijfer van de woninghuren (stijging van 1,87% voor 2017)29 en de ontwikkeling van de woningwaarden (stijging van 3,3% voor 2017). Het aldus geïndexeerde EWF-percentage wordt naar beneden afgerond op 0,05%-punt. Het EWF-percentage voor 2017 bedraagt 0,75%. Dit is ongewijzigd ten opzichte van het jaar 2016.

Verhoging van de pensioenrichtleeftijd

Tevens wil ik uw Kamer informeren over de verhoging van de pensioenrichtleeftijd met ingang van 1 januari 2018. In de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP) is geregeld dat de ontwikkeling van de pensioenrichtleeftijd – een (reken)leeftijd die wordt gebruikt voor de berekening van de maximaal toegestane fiscale opbouwruimte – is gekoppeld aan de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting van de Nederlandse bevolking op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar dat is gelegen tien jaar na het kalenderjaar van wijziging. Op 31 oktober jl. heeft het CBS dit cijfer voor het jaar 2028 gepubliceerd.30 Op grond van artikel 18a, elfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 stijgt de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 als gevolg hiervan van 67 jaar naar 68 jaar. De nieuwe pensioenrichtleeftijd zal bij algemene maatregel van bestuur worden doorgevoerd.

De verhoging van de pensioenrichtleeftijd is in lijn met de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd per 1 januari 2022 naar 67 jaar en 3 maanden. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft uw Kamer hierover per brief van 31 oktober jl. geïnformeerd.31 De verhoging van de pensioenrichtleeftijd heeft geen invloed op de vóór 1 januari 2018 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten. Deze pensioenaanspraken en -rechten blijven ongewijzigd. Het volledige effect van de ophoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar is – uitgaande van een opbouwperiode van 40 jaar – daarom pas na 40 jaar gerealiseerd.

Additionele vereenvoudigingen

Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om aan te kondigen dat naast de wijzigingen in dit pakket wetsvoorstellen ook via lagere regelgeving vereenvoudigingen voor burgers, bedrijven en de Belastingdienst zullen worden doorgevoerd. Ik ben bijvoorbeeld voornemens om later dit jaar in de verzamelregeling voor 2017 een modernisering door te voeren bij het beschikbaar maken van de loonheffingstabellen. Deze worden ook formeel via de website van de Belastingdienst beschikbaar gesteld in plaats van nu via het fysiek beschikbaar stellen van inzage op het Ministerie van Financiën.

Commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs

De heer Omtzigt heeft mij gevraagd te reageren op het nadere commentaar van de NOB. Hierna zal ik op dit commentaar ingaan.

De NOB vraagt om een bevestiging dat de bv geen medische waarborgen hoeft te verlangen als een dga besluit tot afstempeling van het PEB, gevolgd door afkoop of omzetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting, voor zowel de situatie dat het (ouderdoms-)pensioen nog niet en al wel is ingegaan. Ik kan dit bevestigen. Voor de berekening van de afkoop dient te worden uitgegaan van de fiscale balanswaarde, waarbij wordt uitgegaan van de actuariële berekeningen en hetgeen in artikel 3.29 van de Wet IB 2001 is opgenomen. In deze waarderingsmethodiek zijn geen medische waarborgen opgenomen.

De NOB vraagt of de conserverende aanslag in overeenstemming is met de goede verdragstrouw in situaties waarbij het belastingverdrag een exclusief heffingsrecht toekent aan het woonland van de dga. De NOB vraagt dit naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011.32 Het arrest van 15 april 2011 ziet op een conserverende aanslag die is opgelegd vóór de inwerkingtreding van de wet van 8 juli 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten (reparatie in verband met arresten van de Hoge Raad inzake pensioen- en lijfrenteaanspraken) (Stb. 2009, 304). Aan het arrest kunnen om die reden geen conclusies worden verbonden met betrekking tot de huidige wetgeving op grond waarvan de conserverende aanslag in aansluiting op jurisprudentie wordt beperkt tot het terugnemen van de verleende fiscale faciliteiten op het moment van toekenning van de pensioenaanspraak als het toepasselijke belastingverdrag een exclusief heffingsrecht toekent aan het (nieuwe) woonland van de dga. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat er geen sprake zou zijn van goede verdragstrouw.

Commentaar van het Register Belastingadviseurs

De heer Omtzigt heeft mij gevraagd te reageren op het nadere commentaar van het RB. Hierna zal ik op dit commentaar ingaan.

Mijn opmerking dat een algemene rentedrempel ongewenst is tegen de achtergrond van de bestrijding van uitholling van de belastinggrondslag overtuigt het RB niet. Het RB geeft aan dat in het verleden dergelijke drempels immers ook zijn ingevoerd bij andere renteaftrekbeperkingen, zoals de bovenmatige deelnemingsrente (€ 750.000) en bij overnames (€ 1.000.000). Ook die bepalingen zijn gericht op bestrijding van uitholling van de belastinggrondslag.

Met de renteaftrekbeperking in artikel 10a van de Wet Vpb 1969 worden, kort gezegd, structuren bestreden waarin rentelasten worden gecreëerd die er vrijwel uitsluitend op gericht zijn de Nederlandse belastinggrondslag uit te hollen. Voor een deel vormt het artikel de codificatie van eerder gewezen (fraus legis)-jurisprudentie, voor een ander deel bevat het een verdergaande beperking van de renteaftrek. Tegen de achtergrond van de wens van het kabinet om grondslaguitholling te bestrijden is het opnemen van een algemene drempel in artikel 10a van de Wet Vpb 1969 ongewenst. Een drempel leidt er toe dat in meer gevallen gebruik kan worden gemaakt van structuren waarbij rentelasten worden gecreëerd die de Nederlandse belastinggrondslag uithollen. De aftrekbeperkingen voor bovenmatige deelnemingsrente (artikel 13l van de Wet Vpb 1969) en bovenmatige overnamerente (artikel 15ad van de Wet Vpb 1969) beperken de renteaftrek voor zover sprake is van excessieve schuldfinanciering. Bij artikel 10a van de Wet Vpb 1969 wordt de aftrek van rente geweigerd omdat het gaat om onzakelijke structuren in concernverband waarbij op gekunstelde wijze rentelasten worden gecreëerd die ten koste gaan van de Nederlandse belastinggrondslag. Op basis van de bestaande tegenbewijsregeling van artikel 10a van de Wet Vpb 1969 kan de beperking van renteaftrek reeds worden voorkomen indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat in overwegende mate sprake is van zakelijke overwegingen voor de rechtshandeling en financiering, dan wel sprake is van compenserende heffing. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat een algemene rentedrempel in artikel 10a van de Wet Vpb 1969 niet wenselijk en noodzakelijk is.

De heer Omtzigt vraagt of ik kan reageren op het commentaar van het RB met betrekking tot de schenkingsvrijstelling eigen woning. Het betreft vier verschillende punten.

Met betrekking tot het overgangsrecht toont het RB begrip voor de achterliggende redenen. Wel wijst het RB erop dat er gevallen zijn dat kinderen in 2013 of 2014 nog geen eigen woning hadden waardoor er gebruik is gemaakt van de «reguliere» verhoogde vrijstelling van afgerond € 25.000. Het RB beveelt aan om ook deze kinderen de mogelijkheid te geven om maximaal € 100.000 aan vrijstelling te kunnen benutten. Hieraan kan ik niet tegemoetkomen. Zoals al in de nota naar aanleiding van het verslag op het onderhavige wetsvoorstel is vermeld, is het de keuze van deze kinderen zelf geweest om gebruik te maken van de «reguliere» verhoogde vrijstelling van afgerond € 25.000 en niet te wachten op een later tijdstip wanneer zij een beroep hadden kunnen doen op de verhoogde vrijstelling voor de eigen woning van afgerond € 53.000 voor een schenking van de ouders (vanaf 2017 € 100.000).

Onder paragraaf 23, punt 7, van de hiervoor genoemde nota naar aanleiding van het verslag is ingegaan op de vraag of een schenking moet worden gesplitst over partners volgens artikel 26 van de SW 1956 die een gezamenlijke eigenwoningschuld hebben en of het daarbij uitmaakt of de partners in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd.33 In het antwoord is vermeld dat de schenker bepaalt of hij aan één van de partners wil schenken om zijn eigenwoningschuld af te lossen, of aan beide partners wil schenken om ieders eigenwoningschuld af te lossen. Naar de mening van het RB wekt deze zin de indruk dat zowel het kind als de partner een beroep zouden kunnen doen op de eenmalig verhoogde vrijstelling van € 100.000. Die indruk is niet correct. Bedoeld is te verduidelijken dat de schenker uiteraard de keuze heeft aan wie hij wil schenken. Dat laat onverlet dat uit artikel 26 van de SW 1956 voortvloeit dat de partners gezamenlijk van dezelfde schenker(s) maximaal € 100.000 vrijgestelde schenking voor de eigen woning kunnen ontvangen.

Het derde punt dat het RB noemt, ziet op de situatie dat een van beide partners een eigen woning heeft. Indien zij trouwen in algehele gemeenschap van goederen, heeft iedere partner voor de helft een eigenwoningschuld. Hierdoor kunnen ouders zowel aan hun eigen kind als aan de huwelijkspartner schenkingen doen, waarbij de verhoogde vrijstelling kan worden toegepast. Het RB vraagt zich af hoe het initiatiefwetsvoorstel tot invoering van beperking van de huwelijksgemeenschap uitpakt voor de schenkingsvrijstelling en raadt aan om de huidige vormgeving van de vrijstelling nog eens kritisch te bekijken.34 Op grond van dat initiatiefwetsvoorstel is in de geschetste situatie sprake van voorhuwelijks vermogen dat niet tot de gemeenschap behoort. De woning en de schuld blijven dus aan de betreffende persoon verbonden. Indien ouders uitsluitend aan hun eigen kind willen schenken, is niet langer een uitsluitingsclausule nodig. Zoals in de reactie van het kabinet op fiscale vragen bij dat initiatiefwetsvoorstel is aangegeven, maakt het voor de fiscale behandeling van een schenking of erfenis verder ook geen verschil of sprake is van de huidige wettelijke gemeenschap van goederen met een uitsluitingsclausule voor schenkingen en erfenissen of, na inwerkingtreding van het initiatiefwetsvoorstel, van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, waarbij erfenissen en schenkingen van rechtswege buiten de gemeenschap vallen. Voor de schenk- en erfbelasting is het derhalve niet van belang of men schenkt of nalaat met een uitsluitingsclausule, insluitingsclausule of aan beide echtgenoten.35 Overigens is op dat initiatiefwetsvoorstel ook ingegaan in de nota naar aanleiding van het verslag van het Belastingplan 2017.36

Tot slot beveelt het RB aan om in artikel 33a van de SW 1956, net als in artikel 33 van de SW 1956, aan te sluiten bij «18 tot 40 jaar» en expliciet te bevestigen dat ook schenkingen op de dag dat het kind de leeftijd van 40 jaar bereikt, nog onder de vrijstelling vallen. Het RB wijst hierbij op het antwoord onder paragraaf 23, punt 9, van meergenoemde nota naar aanleiding van het verslag.37

Op grond van artikel 33 van de SW 1956 geldt een verhoogde vrijstelling voor één kalenderjaar voor een kind tussen 18 en 40 jaar, die op grond van een tegemoetkomende uitleg ook nog kan worden genoten op de veertigste verjaardag. Artikel 33a, tweede lid, van de SW 1956 regelt dat het niet-gebruikte deel van de verhoogde vrijstelling in de direct op dat kalenderjaar volgende periode van twee kalenderjaren kan worden benut, voor zover de schenkingen plaatsvinden in de periode dat de verkrijger niet ouder dan 39 jaar is. Er is bewust gekozen voor de periode dat de verkrijger niet ouder is dan 39 jaar om tot uitdrukking te brengen dat de vrijstelling voor schenkingen verspreid over drie achtereenvolgende kalenderjaren kan worden benut zolang men de leeftijd van 40 nog niet heeft bereikt. Indien de tekst zou hebben geluid «de periode dat de verkrijger niet ouder is dan 40 jaar» zou dat hebben geïmpliceerd de periode totdat de verkrijger 41 jaar zou zijn geworden. Ook hier geldt echter de tegemoetkomende uitleg dat de vrijstelling nog kan worden genoten op de 40e verjaardag.

Het RB vraagt om een nadere toelichting op de debiteurgerichte betalingsregeling in de situatie waarin er sprake is van partnerschap. Concreet vraagt het RB of de conclusie juist is dat beide partners met een eigen schuld afzonderlijk in aanmerking komen voor een betalingsregeling, en hoe de betalingscapaciteit wordt berekend voor de maatwerkregeling en eventuele kwijtschelding van restschuld als er sprake is van twee betalingsregelingen.38 De conclusie van het RB dat beide partners met ieder een eigen belasting- of toeslagschuld in aanmerking komen voor een betalingsregeling is juist. De nieuwe debiteurgerichte betalingsregeling wordt individueel verleend. Er is daarbij geen onderscheid tussen een standaard- en een maatwerkregeling. Voor de standaardregeling geldt voorts dat noch het vermogen en de betalingscapaciteit van de schuldenaar, noch die van zijn partner een rol spelen. Voor de maatwerkregeling en kwijtschelding van eventuele restschuld is dit anders. Het bestaande kwijtscheldingsbeleid bepaalt dat bij de berekening van het recht op kwijtschelding het vermogen en de betalingscapaciteit van zowel de schuldenaar zelf, als die van zijn echtgenoot, bepalend zijn. Dit beleid blijft in de gestroomlijnde situatie ongewijzigd. Voor de nieuwe debiteurgerichte maatwerkregeling geldt straks dat op dit punt waar mogelijk wordt aangesloten op de kwijtscheldingsregeling. Dit betekent dat ook binnen de maatwerkregeling het vermogen, althans voor zover eenvoudig liquide te maken, en de betalingscapaciteit van zowel de schuldenaar als zijn echtgenoot bepalend wordt voor de hoogte van het maandelijkse termijnbedrag. De nadere uitwerking in lagere regelgeving van de begrippen vermogen en betalingscapaciteit in het kader van de maatwerkregeling moet overigens nog plaatsvinden. Dit is nog niet gebeurd omdat aansluiting op het kwijtscheldingsbeleid, met name voor de betalingscapaciteit, nader onderzoek en afstemming vergt in verband met de mogelijke gevolgen die dit voor individuele burgers, vooral als slechts één van hen een schuld heeft, en voor de lokale overheden kan hebben. In de door het RB genoemde situatie waarin er sprake is van twee tegelijkertijd lopende individuele maatregelen geldt overigens dat beide partners hun eigen betalingscapaciteit dienen aan te wenden voor de voldoening van de eigen schuld. Dit heeft tot gevolg dat de betalingscapaciteit van de partner geen invloed heeft op het te betalen maandelijkse termijnbedrag van de schuldenaar, zolang beide regelingen tegelijkertijd lopen.

Het RB besteedt in zijn nadere commentaar aandacht aan de vereenvoudiging van de regeling voor oninbare vorderingen in de btw en milieubelastingen. Het RB vraagt bevestiging van de aanname dat de teruggaaf voor oninbare vorderingen die onder het overgangsrecht vallen in 2017 ook plaatsvindt via de aangifte voor de btw. Dat is inderdaad het geval, zij het dat dit niet geldt voor overgedragen vorderingen omdat voor dergelijke vorderingen een apart teruggaafverzoek moet worden gedaan. Daarnaast stelt het RB enkele vragen rondom aanpassingen in de software voor het doen van aangifte voor de btw uitgaande van een nieuw invoerveld in de aangifte. In de nota naar aanleiding van het verslag is evenwel aangegeven dat er geen sprake is van een nieuw invoerveld, omdat de ondersteunende systemen bij de Belastingdienst voor de heffing van de btw vooralsnog geen mogelijkheid bevatten om in de aangifte een apart invulvakje te introduceren. Dat betekent dat voor het in aanmerking nemen van terug te krijgen btw gebruik zal worden gemaakt van een bestaand invoerveld in de aangifte. Het ligt daarbij voor de hand om vorderingen die oninbaar zijn gebleken in de aangifte te verwerken als negatieve omzet met het daarbij behorende negatieve bedrag aan btw. In het lopende overleg met het georganiseerde bedrijfsleven over de uitvoeringsmodaliteiten van deze maatregel wordt bezien of dit in de praktijk werkbaar is. Het RB wijst daarnaast op de noodzaak van een zogenoemde ouderdomsanalyse die van invloed is op de verwachte administratieve lastenverlichting voor bedrijven. Bij de inschatting van het effect voor de administratieve lastenverlichting is mede in aanmerking genomen dat bedrijven door de inhoudelijke wijziging een andersoortig, meer eenvoudig, controlebeleid ontwikkelen. Overigens zij daarbij bedacht dat dergelijke activiteiten ook in het kader van regulier debiteurenbeheer plaatsvinden.

Het RB heeft een aantal vragen gesteld die betrekking hebben op de verhouding tussen intern en extern verzekerde pensioenaanspraken. Deze vragen zijn met name gericht op de situatie waarin een onbepaald deel van een toegezegde pensioenaanspraak is herverzekerd bij een professionele verzekeraar. Ik begrijp dat het RB de vraag toespitst op de herverzekering van een onbepaald deel omdat (her)verzekering van een bepaald deel van de pensioenaanspraak in de praktijk relatief weinig voorkomt. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet in het stopzetten van het PEB met ingang van 1 januari 2017. Dat heeft tot gevolg dat verdere opbouw van het PEB niet langer mogelijk is. Dat geldt ook voor het onbepaalde deel van de pensioenaanspraak dat extern is herverzekerd – ook dat moet met ingang van 1 januari 2017 premievrij worden gemaakt. Uiteraard bestaat de mogelijkheid om dat deel van de pensioenaanspraak voor 1 januari 2017 terug te halen naar het eigenbeheerlichaam, verplicht is dat echter geenszins. Mocht de bv daar niet voor kiezen, dan zal het externe herverzekerde onbepaalde deel moeten worden omgezet in een andere vorm, bijvoorbeeld een beschikbare-premieregeling. Met andere woorden, in alle gevallen, of het externe onbepaalde deel nu wordt teruggehaald of niet, of het externe onbepaalde deel na het eventuele terughalen wordt afgekocht of omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsvoorziening, moeten voor 1 januari 2017 stappen worden gezet om zowel het intern verzekerde als het extern verzekerde deel «premievrij» te maken. Volgens mij kan hier weinig onduidelijkheid over bestaan.

Overigens kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de aantrekkelijkheid van het eventuele terughalen van het extern verzekerde deel van de pensioenaanspraak. Het terughalen leidt namelijk niet tot het verhogen van de pensioenaanspraak. De waarde in het economische verkeer van die aanspraak wijzigt dan ook niet. De aanspraak wordt slechts volledig ondergebracht in het in eigen beheer opgebouwde deel van de aanspraak. Hierdoor zal een deel van het teruggehaalde deel van de aanspraak leiden tot een vrijval in de winst waarover vennootschapsbelasting verschuldigd is39. Tegelijkertijd wordt, in geval van afkoop, geen korting verleend over het teruggehaalde deel dat heeft geleid tot een verhoging van de fiscale balanswaarde van de tegenover de aanspraak staande verplichting. Dat deel zal dan ook (weliswaar zonder revisierente) volledig worden betrokken in de heffing van de loonbelasting.

Ik kan mij voorstellen dat dit ingewikkeld oogt. Bij de advisering van de hiervoor uiteengezette financiële producten is een adviseur vereist die in het algemeen moet voldoen aan de vakbekwaamheidseisen van de Wet op het financieel toezicht. Deze adviseurs moeten in staat zijn de dga hierover adequaat te adviseren.

Het RB vraagt of lichamen met een gebroken boekjaar voor de oprenting van de oudedagsverplichting gebruik mogen maken van het gemiddelde U-rendement van het voorafgaande kalenderjaar of dat deze lichamen een gewogen gemiddelde moeten hanteren. Vennootschappen met een gebroken boekjaar moeten voor de oprenting van de oudedagsverplichting uitgaan van een gewogen gemiddelde van de marktrente die voor de betreffende kalenderjaren voor de oprenting van de oudedagsverplichting geldt. Indien een vennootschap bijvoorbeeld een boekjaar heeft dat loopt van 1 april 2017 tot 1 april 2018, dan past deze vennootschap over een deel van het boekjaar, namelijk voor de periode van 1 april tot en met 31 december 2017, het percentage toe dat voor 2017 geldt, en over de periode 1 januari tot en met 31 maart 2018, het percentage dat voor 2018 bekend wordt gemaakt.

Volgens het RB is de uitleg in de nota naar aanleiding van het verslag over de toepassing van artikel 3.125 van de Wet IB 2001 op de aanwending van de oudedagsverplichting voor een lijfrente door het eigen beheerlichaam duidelijk, maar wijkt deze zozeer af van de letterlijke tekst van artikel 3.125 van de Wet IB 2001 dat het RB een sterke voorkeur heeft voor een aparte wetsbepaling. Ik deel deze mening van het RB niet. Naar mijn mening volgt de uitleg over genoemde toepassing van artikel 3.125 van de Wet IB 2001 zoals die gegeven is in de nota naar aanleiding van het verslag uit dit wetsartikel. Ik zie dan ook geen aanleiding om hiervoor een afzonderlijke wetsbepaling op te nemen.

Het RB vraagt op welke relevante punten een dga met een in extern eigen beheer verzekerd pensioen verschilt van een dga met een in (intern) eigen beheer verzekerd pensioen. Eenzelfde vraag heeft het RB ten aanzien van het verschil tussen een (gewezen) werknemer van een vennootschap met een boekjaar dat afwijkt van het kalenderjaar en een werknemer van een vennootschap met een boekjaar dat gelijk is aan het kalenderjaar. Achterliggende reden van het RB voor deze vragen is mogelijke strijdigheid van de in het wetsvoorstel opgenomen fiscaal gefaciliteerde afkoopmogelijkheid met het gelijkheidsbeginsel. Het RB geeft namelijk aan dat het bezien vanuit de dga niet logisch is dat een pensioenaanspraak die in extern eigen beheer wordt afgekocht tegen een hogere fiscale balanswaarde moet worden afgekocht dan pensioenaanspraken die in intern eigen beheer zijn opgebouwd. Ook geeft het RB aan dat de loonbelasting over de afkoopsom niet door de vennootschap, maar door de (gewezen) werknemer wordt gedragen en dat voor de beoordeling van de kortingsregeling aan het gelijkheidsbeginsel niet relevant is dat een vennootschap met een gebroken boekjaar niet gelijk is aan een vennootschap met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar. Hierover merk ik het volgende op. In het wetsvoorstel wordt de mogelijkheid geboden een op 31 december 2016 bestaand PEB fiscaal gefaciliteerd af te kopen. Indien hiervoor wordt gekozen, wordt voor de heffingsgrondslag aangesloten bij de fiscale balanswaarde van de tegenover de pensioenaanspraak in eigen beheer staande verplichting bij het lichaam waar het PEB is ondergebracht. Hierop wordt een korting verleend die wordt toegepast op de waarde van genoemde verplichting op de eindbalans van het boekjaar dat eindigt in 2015 van dat lichaam. Voor de heffingsgrondslag bij afkoop wordt derhalve uitgegaan van waarden bij het lichaam waar het PEB is ondergebracht. Hierdoor kan een verschil ontstaan tussen een (gewezen) werknemer die zijn PEB wil afkopen afhankelijk van het lichaam waarin dat PEB is ondergebracht. Dit is naar mijn mening echter niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Een PEB dat is ondergebracht bij een eigenbeheerlichaam met een gebroken boekjaar is een ander geval dan een PEB dat is ondergebracht bij een eigenbeheerlichaam met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar. Bovendien zijn er goede redenen om deze gevallen verschillend te behandelen. Met deze vormgeving kan in beide gevallen worden uitgegaan van een waarde die om andere redenen reeds moet worden vastgesteld. Hiermee wordt voorkomen dat extra administratieve lasten ontstaan. Hetzelfde geldt voor het verschil tussen extern en intern eigen beheer. Het gaat daarbij om verschillende vormen van pensioenopbouw waarvoor partijen hebben gekozen; in de werkmaatschappij of fiscale eenheid vpb, respectievelijk in een apart eigenbeheerlichaam. Daaraan hoeven niet de gelijke fiscale gevolgen te worden verbonden Mijn conclusie is dan ook dat hier geen sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel.

Het RB vraagt naar aanleiding van de in de nota naar aanleiding van het verslag40 gegeven voorbeelden welke AOW-gerechtigde leeftijd in het voorgestelde artikel 38p, tweede lid, onderdeel a, onder 3, van de Wet LB 1964, bedoeld is. Het gaat om de AOW-gerechtigde leeftijd van de betreffende (gewezen) werknemer. Deze leeftijd is afhankelijk is van het geboortejaar van de betreffende persoon.

Uitvoerbaarheid amendementen

De Belastingdienst beoordeelt de amendementen met een quickscan. Bijgevoegd treft u de quickscans aan van de vier ingediende amendementen (bijlage 141). Deze amendementen zijn per 1 januari 2017 uitvoerbaar met uitzondering van het amendement inzake het maximeren van de 30%-regeling. Voor het amendement inzake de wijzigingen van de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de derde schijf van de inkomstenbelasting geldt dat dit amendement uitvoerbaar is, mits op uiterlijk 22 november 2016 bekend is of het amendement is aangenomen.

In het voorjaar heb ik uw Kamer een brief gestuurd over het proces van het Belastingplan en de zorgen die door uw Kamer en de Eerste Kamer waren geuit over de grote druk op de parlementaire behandeling van het (pakket) Belastingplan in het najaar door beide Kamers (Kamerstuk 34 302, nr. 118). Daarin heb ik aangegeven voortaan een betere spreiding van indiening en behandeling van fiscale wetgeving na te streven. Bij die brief is een overzicht bijgevoegd met de diverse data waarop wijzigingen van de parameters nog mogelijk zijn. Daarbij heb ik ook toegezegd te onderzoeken of het proces bij de Belastingdienst dusdanig kan worden aangepast zodat de gevolgen van amendementen die zien op parameterwijzigingen in de inkomsten- en loonbelasting nog verwerkt kunnen worden in de voorlopige massaal opgelegde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2017 die de Belastingdienst eind 2016/begin 2017 verstuurt respectievelijk de loonbelastingtabellen die inhoudingsplichtigen vanaf 1 januari 2017 toepassen. Daarover heb ik goed nieuws. Met het huidige tijdpad van de behandeling van het pakket Belastingplan in uw Kamer kunnen parameterwijzigingen in de inkomsten- en loonbelasting tot de geplande stemming van de Tweede Kamerbehandeling (17 november) worden verwerkt in de massaal opgelegde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2017 die de Belastingdienst eind 2016/begin 2017 verstuurt respectievelijk de loonbelastingtabellen die inhoudingsplichtigen vanaf 1 januari 2017 toepassen.

Amendementen kunnen leiden tot extra uitvoeringskosten (inclusief eventuele extra personele capaciteit) bij de Belastingdienst. Zoals ik uw Kamer al eerder heb aangegeven is er geen aanvullende post ten behoeve van uitvoeringseffecten bij de Belastingdienst van wijzigingen in (fiscaal) beleid. Dit betekent dat de reguliere begrotingssystematiek geldt voor aanvullende uitgaven als gevolg voor nieuwe/gewijzigde taken en dat deze binnen de begroting van de Belastingdienst gedekt moeten worden. Dit betekent dat uitvoeringskosten gemoeid met amendementen gedekt moeten worden binnen de bestaande capaciteit van de Belastingdienst. Gevolg is dat herprioritering binnen bestaande taken nodig is wanneer een amendement tot uitvoeringskosten leidt.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes