Gepubliceerd: 25 september 2018
Indiener(s): Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA)
Onderwerpen: economie ict openbare orde en veiligheid organisatie en beleid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34537-8.html
ID: 34537-8

Nr. 8 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 september 2018

Op 26 maart jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn voorgenomen wijziging van het bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel voor de invoering van een bewaarplicht voor telecommunicatiegegevens ten behoeve van de opsporing (Kamerstuk 34 537, nr. 7). In de voorliggende brief wil ik u informeren over een vertragende factor in het proces om tot een wijziging van het wetsvoorstel te komen. In dit proces is een nieuw technisch vraagstuk aan het licht gekomen – het gebruik van de zogenaamde Carrier Grade Network Address Translation (CGN) – waardoor de door mij voorgenomen aanbieding van een nota van wijziging aan de Raad van State voor advies vooralsnog niet heeft kunnen plaatsvinden.

Het gebruik van CGN door aanbieders van (voornamelijk) mobiel internet komt voort uit het tekort aan beschikbare publieke IPv4 adressen. Een publiek IP adres is nodig voor de communicatie met bijvoorbeeld een webpagina. Met CGN worden tientallen tot honderden internetverbindingen onder één publiek IPv4 adres gebundeld zodat met een relatief beperkt aantal publieke IP adressen toch voor alle gebruikers voldoende verbindingen mogelijk zijn. Omdat er zoveel gebruikers van een publiek IP adres gebruik maken, kan vooralsnog niet bepaald worden welke van de tientallen tot honderden gebruikers van dat publieke IP adres een specifieke website of internetadres bezochten op een bepaalde datum en tijdstip. Hierdoor kan de politie of andere opsporingsinstantie niet herleiden welke van de personen/gebruikers in casu het opsporingsonderzoek van belang zijn. Daarnaast is het opleveren van een grote hoeveelheid gebruikers per IP adres aan de opsporing mogelijk ook een onevenredige inbreuk op de privacy van deze personen, waarvan het overgrote deel niets met het opsporingsonderzoek te maken heeft.

Om een oplossing te vinden voor dit vraagstuk heb ik het WODC gevraagd om een onderzoek hiernaar uit te voeren. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten daarvan en wat deze betekenen voor de voorgenomen wijziging van het wetsvoorstel.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus