Gepubliceerd: 27 februari 2015
Indiener(s): Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA)
Onderwerpen: energie europese zaken internationaal internationale samenwerking natuur en milieu
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34115-6.html
ID: 34115-6

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 27 februari 2015

De regering dankt de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor haar verslag met betrekking tot het voorstel van wet tot goedkeuring van bovengenoemd verdrag. De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de desbetreffende fracties. In deze nota naar aanleiding van het verslag worden de vragen van de commissie, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, beantwoord, waarbij de volgorde van de vragen wordt aangehouden en vragen met dezelfde strekking worden samengevoegd.

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre de associatieakkoorden mogelijkheden bieden om fundamentele waarden zoals mensenrechten, vrijheid, democratie en de rechtsstaat aan de orde te stellen. Meer specifiek vragen deze leden in hoeverre ook taalkwesties in relatie tot de bescherming van de rechten van minderheden in de betreffende landen aan de orde kunnen worden gesteld.

Georgië heeft zich met het aangaan van de associatieovereenkomst verbonden aan het respecteren van Europese waarden zoals democratie, rechtsstaat en mensenrechten. De bescherming van de rechten van minderheden vormen hiervan een integraal onderdeel. Deze fundamentele waarden maken standaard deel uit van associatieovereenkomsten van de EU. Mensenrechten zijn bovendien zoals gebruikelijk zelfs als opschortende voorwaarde verankerd in de overeenkomst. In praktijk betekent dit dat de EU de mensenrechtensituatie nauwgezet zal blijven volgen, waaronder de bescherming van minderheden en de gerelateerde taalkwesties. De Associatieraad en het Associatiecomité bieden een passend platform om de regering van Georgië hierop aan te spreken. De eerste zitting van de Associatieraad met Georgië vond plaats op 17 november 2014. Tijdens deze zitting werd het commitment voor de gedeelde waarden en de noodzaak tot verdere consolidering van de democratie van beide kanten bevestigd. Verder voorziet de associatieovereenkomst in de oprichting van een subcomité op het gebied van mensenrechten, democratisering en goed bestuur. Via dit comité zal de voortgang op de hervormingsagenda worden besproken met als doel het land in zijn hervormingsproces te ondersteunen en tekortkomingen aan te kaarten.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering welke landen tot op heden zijn overgegaan tot ratificatie. Tevens vragen deze leden in hoeverre het van belang is dat het ratificatieproces in Nederland en andere EU-lidstaten wordt afgerond voorafgaand aan de Riga Top.

De associatieovereenkomst is ondertekend op 27 juni 2014 en wordt, wat betreft de delen die onder de competentie van de EU vallen, voorlopig toegepast vanaf 1 september 2014. Het verdrag zal in werking treden nadat de laatste partij zijn ratificatie heeft afgerond. Op dit moment hebben, naast Georgië zelf, tien EU-lidstaten hun ratificatie afgerond, en staat een aantal andere lidstaten op het punt dit te doen. Het streven binnen de EU is de nationale ratificatieprocessen af te ronden vóór de Top van het Oostelijk Partnerschap in Riga in mei 2015, uiteraard afhankelijk van het verloop van de nationale ratificatieprocedures. De regering heeft de verdragen met voorrang behandeld. Afronding van het Nederlandse ratificatieproces voorafgaand aan de Riga Top zal zowel binnen de EU als in de betreffende landen van het Oostelijk Partnerschap worden gewaardeerd.

De leden van de SP-fractie vragen naar de houding onder de bevolking van Georgië betreffende verdere toenadering tot de EU, onder andere onder de meer op Rusland gerichte bevolking in Abchazië en Zuid-Ossetië.

De Georgische regering en oppositie zijn verenigd in de keuze tot toenadering tot de EU, gesteund door een ruime meerderheid (volgens een peiling in augustus 2014 steunde 69% van de bevolking de ondertekening van de associatieovereenkomst met de EU1). De associatieovereenkomst wordt niet geïmplementeerd in die gebieden waar Georgisch effectief gezag ontbreekt.

In de huidige situatie wordt het akkoord dus niet toegepast in Zuid-Ossetië en Abchazië (zie ook de beantwoording van de vraag van de leden van de VVD-fractie over territoriale toepassing).

De leden van de SP-fractie vragen naar een overzicht van relevante ontwikkelingen in beide regio’s en naar het perspectief voor een politieke oplossing van de geschillen. Deze leden vragen hoe het recente akkoord tussen Rusland en Abchazië wordt beoordeeld en of een vergelijkbaar akkoord met Zuid-Ossetië tot stand kan komen. Deze leden vragen of het Russische akkoord met Abchazië kan worden gezien als een reactie op ondertekening / implementatie van de associatieovereenkomst.

Ook de leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre het akkoord tussen de de facto afgescheiden Georgische provincie Abchazië en Rusland een reactie is op het associatieakkoord.

Op 24 augustus 2014 waren er de-facto presidentsverkiezingen in Abchazië. De winnaar was Raul Khadhzimba, voorstander van goede relaties met Rusland. De Georgische regeringscoalitie de Georgian Dream streeft een constructieve relatie met Rusland na. Het akkoord «Alliance and Strategic Partnership» dat op 24 november 2014 tussen Rusland en de Georgische regio Abchazië werd ondertekend zet dit echter onder druk. De Russische inmenging in de twee Georgische regio’s is al langer gaande. Het akkoord is een politiek signaal dat Rusland de grip op Abchazië wil versterken. Een vergelijkbaar akkoord zou ophanden zijn tussen Rusland en de Georgische regio Zuid-Ossetië. Deze zogenoemde akkoorden zijn schendingen van de Georgische soevereiniteit en territoriale integriteit en doen afbreuk aan de inspanningen de veiligheidssituatie in de regio te stabiliseren. Ondanks de ondertekening van het akkoord tussen Rusland en Abchazië was er in december een nieuwe ronde van de «Geneva International Discussions» waarvan de OVSE, de VN en de EU covoorzitters zijn en waar alle betrokkenen (Rusland, Georgië, vertegenwoordigers Soechoemi en Tschinvali en de VS) aanzitten. De besprekingen moeten bijdragen aan het effenen van de weg naar een oplossing.

De leden van de SP-fractie vragen naar de economische relatie tussen Georgië en Rusland en naar de wederzijdse economische afhankelijkheid. Ook vragen deze leden naar de verwachte economische gevolgen van implementatie van de associatieovereenkomst voor de economische relatie tussen Georgië en Rusland en naar de maatregelen van Rusland die kunnen worden verwacht indien het akkoord verder geïmplementeerd wordt. Deze leden willen weten welke gevolgen dit zal (kunnen) hebben voor de economie en de bevolking van Georgië.

In 2014 ging 10% van de totale Georgische export naar Rusland. Op de lijst van buitenlandse investeerders in Georgië staat Rusland op de 9e plaats2. Dit is deels het gevolg van eerdere handelsembargo’s door Rusland sinds 2006. Sinds het aantreden van de nieuwe Georgische regering in oktober 2012 is op niet-politieke dossiers toenadering gezocht met Rusland (bijvoorbeeld handel en transport), waarna embargo’s op bepaalde producten stapsgewijs zijn opgeheven. Deze toenadering geschiedt via een informeel overleg tussen de Russische Deputy Minister van Buitenlandse Zaken G. Karasin en de Georgische speciaal gezant voor relaties met Rusland Z. Abashidze. Sind oktober 2014 heeft dit overleg niet meer plaatsgevonden (na ondertekening van het akkoord tussen Rusland en de Georgische regio Abchazië). Beide kanten zeggen dat het overleg niet is opgeschort, al is nog geen datum afgesproken voor een volgende ontmoeting.

In de eerste vijf maanden van 2014 groeide de export naar Rusland 3,5-voudig ten opzichte van dezelfde periode in 20133. Vooral de wijnsector heeft geprofiteerd van het opheffen van het embargo eind 2012.

Rusland heeft geen concrete maatregelen aangekondigd in reactie op de ondertekening van de associatieovereenkomst, inclusief een Deep and Comprehenzive Free Trade Area (DCFTA), tussen de EU en Georgië. In juli 2014 werd door de Russische overheid een bericht verspreid dat het een bilateraal vrijhandelsakkoord met Georgië (uit 1994) zou opheffen4. Dit bericht werd niet opgevolgd en het akkoord is nog van kracht. Karasin heeft aangegeven dat beide landen de gevolgen voor de bilaterale economische betrekkingen van de associatieovereenkomst tussen Georgië en de EU zullen moeten onderzoeken.

De leden van de SP-fractie vragen in welke mate de associatieovereenkomst onverenigbaar is met politieke en economische instrumenten van Rusland voor de nabuurlanden, waaronder de douane-unie.

De associatieovereenkomst, inclusief de Deep and Comprehensive Free Trade Area (DCFTA) die hier onlosmakelijk deel van uitmaakt, laat Georgië vrij om vrijhandelsakkoorden met derde landen af te sluiten. Dit is een soevereine beleidskeuze. Deelname aan de DCFTA is dan ook geheel verenigbaar met de bestaande vrijhandelsverdragen die Georgië heeft gesloten met andere GOS-landen. Lidmaatschap van een douane-unie zoals de Euraziatische Economische Unie (EEU) is echter juridisch niet verenigbaar met een DCFTA. Om de bepalingen van het vrijhandelsdeel in de associatieovereenkomst te kunnen uitvoeren, moeten landen immers soevereiniteit hebben over hun handelsbeleid. Met deelname aan de EEU wordt deze soevereiniteit beperkt doordat landen de zeggenschap over hun handelsbeleid overdragen aan een externe, supranationale instantie. Zoals de vorige EU-commissaris Stefan Füle te kennen gafin september 2013 in een discussie met het Europees parlement over dit onderwerp: «Je kunt niet tegelijkertijd je douanetarieven verlagen als gevolg van de DCFTA en verhogen als gevolg van de Euraziatische douane-unie.» Dit sluit samenwerking met de EEU geenszins uit. Georgië heeft overigens niet de intentie toe te treden tot de EEU.

De leden van de SP-fractie vragen waarom Rusland zich zo nadrukkelijk tegen implementatie van het akkoord opstelt en welke (economische) maatregelen Rusland reeds tegen Georgië heeft genomen vanwege de associatieovereenkomst en wat hiervan de gevolgen zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen eveneens naar de bezwaren die Rusland opvoert tegen het associatieakkoord met Georgië.

Rusland werpt bezwaren op tegen een vergaande associatie van Georgië met de Europese Unie. Rusland wijst hierbij vooral op vermeende negatieve gevolgen voor zijn economische belangen, zonder deze te kwantificeren of te kwalificeren. Rusland ziet daarnaast ook zijn invloed in/op Georgië afnemen, wat in de ogen van Moskou wordt bestendigd door de maatregelen in de overeenkomst gericht op politieke associatie, in de vorm van een toenadering tot Europese waarden en standaarden op het gebied van mensenrechten, rechtsstaat en democratie. Rusland heeft geen concrete maatregelen genomen tegen Georgië (zie ook beantwoording van de vraag hierboven over de economische relatie met Rusland en eventuele economische maatregelen door Rusland tegen Georgië).

De leden van de CDA-fractie vragen naar de invloed van de associatieovereenkomst op de handelsstromen tussen de EU en Georgië.

Door de associatieovereenkomst zal de handel direct worden geliberaliseerd. Alle invoerrechten worden immers verwijderd op de dag van de inwerkingtreding van het akkoord. Als gevolg daarvan zullen de EU-importeurs jaarlijks 11 miljoen euro en hun Georgische collega’s ongeveer 85 miljoen euro besparen op de invoer uit respectievelijk Georgië en de EU. De eerste cijfers na de voorlopige toepassing per 1 september 2014 van de overeenkomst zijn optimistisch: de export van Georgië naar de EU steeg met meer dan 50% in september.

De EU is de grootste handelspartner van Georgië. Bilaterale handel in goederen bedroeg 2,7 miljard dollar in 2013. Volgens onafhankelijke economische voorspellingen zal de volledige uitvoering van de overeenkomst het BBP van Georgië op de lange termijn met meer dan 4% verhogen (bijna 300 miljoen euro). Voor de EU zullen deze effecten uiteraard veel kleiner zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen of Georgië op dit moment voldoet aan de politieke criteria om in aanmerking te komen voor een associatieakkoord.

De associatieovereenkomst met Georgië is gericht op het versterken van de banden met de Unie door middel van politieke associatie en economische integratie. De fundamentele waarden van de Unie op het gebied van de rechtsstaat, democratie en mensenrechten vormen de grondslag van het akkoord. Een belangrijk deel van het akkoord is daarmee ook gericht op toenadering tot deze Europese waarden. Uit de overeenkomst vloeien hervormingen voort op deze terreinen, waaronder versterking van de rechtsstaat en bestrijding van corruptie. Bovendien geeft de overeenkomst de EU verdere mogelijkheden de dialoog aan te gaan over zorgpunten of misstanden en worden de mogelijkheden van de EU deze ontwikkelingen positief te beïnvloeden vergroot.

Tijdens de eerste zitting van de Associatieraad met Georgië op 17 november 2014 stonden rechtsstatelijke ontwikkelingen hoog op de agenda. Naast het verwelkomen van de geboekte voortgang werd van beide zijden ook het belang onderstreept van verdere consolidering van de democratie in Georgië. Hoge Vertegenwoordiger Mogherini benadrukte daarbij namens de EU onder meer het belang van het verbeteren van het politieke klimaat door politieke vergelding en polarisatie te vermijden en te werken aan een meer onpartijdige rechtsgang, vrij van politieke inmenging. De regering ziet verdere versterking van de rechtsstaat als een prioriteit en zal zich hier zowel bilateraal als via de EU voor blijven inzetten.

Het afsluiten van een associatieovereenkomst is niet te vergelijken met het uitbreidingsproces, waar vastgestelde politieke en economische criteria aan ten grondslag liggen. Deze trajecten zijn – terecht – gescheiden. Het Oostelijk Partnerschap, inclusief de associatieovereenkomsten, vormen geen voorportaal voor EU-lidmaatschap.

De leden van de CDA-fractie achten het opvallend dat de regering pas ingaat op de binnenlandspolitieke situatie in Georgië en de relatie met Rusland na kritiek van de Raad van State op de toelichting van het wetsvoorstel. Zij vragen waarom de regering dit in eerste instantie niet heeft gedaan.

De actuele situatie in Georgië is regelmatig onderwerp van gesprek tussen het kabinet en het parlement. Het parlement wordt door middel van brieven of in algemene overleggen geïnformeerd. De regering acht deze informatieverstrekking en het debat dat daarover wordt gevoerd de aangewezen weg: een memorie van toelichting bij een wetsvoorstel is geen politiek document en leent zich hiervoor ook niet, aangezien de Memorie een tijdloos document is dat de bepalingen van de overeenkomst, die immer dezelfde blijven, toelicht. De actuele situatie daarentegen is – per definitie – aan verandering onderhevig. De relatie met Rusland en hoe deze zich heeft ontwikkeld is op zichzelf niet relevant voor de bepalingen die zijn opgenomen in de associatieovereenkomst en die zijn overeengekomen door de soevereine partijen die zich aan de overeenkomst hebben gebonden.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts wat de EU-strategie is ten aanzien van Rusland, en hoe de associatieakkoorden met Oekraïne, Georgië en Moldavië hier in passen.

De betrekkingen tussen de EU en Rusland zijn sterk verslechterd naar aanleiding van de schendingen van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne door Rusland. Nederland en de EU willen Rusland, met zowel druk als dialoog, bewegen tot een andere opstelling ten aanzien van Oekraïne. Uiteraard wordt het conflict in Oekraïne hierbij niet als geïsoleerd geval beschouwd, maar bezien in een trend van toenemend Russisch revisionisme hetgeen zich uit in een assertieve opstelling jegens buurlanden, waaronder de landen van het Oostelijk Partnerschap. De EU heeft consequent benadrukt en aangetoond dat het Oostelijk Partnerschap, inclusief de overeengekomen associatieovereenkomsten, geen bedreiging vormen voor Rusland.

De leden van de CDA-fractie vragen wat zijn de geopolitieke consequenties zijn als het associatieakkoord daadwerkelijk van kracht wordt?

Nederland en de EU wijzen de gedachte af dat Rusland het recht zou hebben om de soevereine beslissingsbevoegdheid van derde landen om betrekkingen met de EU aan te knopen op welke wijze dan ook in te perken. Het zou derhalve oneigenlijk zijn om Russische dreigementen mee te wegen in de analyse of een associatieovereenkomst met een soevereine staat al dan niet wenselijk is; hiermee zou de facto een Russische invloedssfeer worden erkend.

Daarnaast is de regering van mening dat afzien van een associatieovereenkomst, met als argument Rusland niet voor het hoofd te willen stoten, in het geheel niet zou bijdragen aan vermindering van de spanningen in de regio. Een dergelijke handelwijze zou Rusland alleen maar bevestigen in het streven naar een post-Sovjet «invloedssfeer» waarin buurlanden van Rusland slechts een beperkte soevereiniteit mogen uitoefenen.

Georgië is voor de EU een belangrijke partner, niet vanwege een gefingeerde geopolitieke competitie met Rusland, maar omdat Georgië een onmisbare partner is voor de EU voor het creëren van stabiliteit en welvaart aan de Oostgrens. Dat is in het voordeel van de gehele regio. De EU heeft dan ook steeds open gestaan voor besprekingen met Rusland om de betekenis en opzet van het Associatieakkoord uit te leggen en de eventuele Russische bezwaren aan te kaarten. Ook nu houdt de EU de deur voor dialoog, bijvoorbeeld met de Euraziatische Economische Unie, open.

Overigens worden grote delen van deze associatieovereenkomst, waaronder de meeste handelsbepalingen, reeds voorlopig toegepast. Inwerkingtreding van het verdrag zal naar verwachting dan ook geen wezenlijk verschil uitmaken ten aanzien van de Russische opstelling.

De leden van de VVD-fractie hebben vragen aangaande de territoriale toepassing van de associatieovereenkomst, vastgelegd in artikel 462. Deze leden vragen of de Europese Unie en/of Georgië in gesprek zijn met de autoriteiten in Tblisi om de implementatie en naleving van de associatieovereenkomst te garanderen in Zuid-Ossetië en Abchazië, aangezien de Republiek Georgië hier geen effectief gezag heeft en welke omstandigheden aanleiding zouden kunnen vormen voor de Associatieraad om te beslissen om de toepassing van het akkoord in de genoemde regio’s op te schorten.

De associatieovereenkomst tussen de EU en Georgië bepaalt dat deze van toepassing is op het gehele grondgebied van Georgië binnen de internationaal erkende grenzen, maar de facto niet wordt geïmplementeerd in die gebieden waarover effectief gezag ontbreekt, tot het moment dat het gezag van Georgië aldaar weer is hersteld. Deze bepaling geldt voor alle gebieden waar Georgië thans niet het effectief gezag uitoefent. In de huidige situatie wordt het akkoord niet daadwerkelijk toegepast in Zuid-Ossetië en Abchazië. Van het overgaan tot opschorting in deze regio’s is dus, conform het gestelde in de bepaling, geen sprake.

De leden van de SP-fractie naar de hervormingsagenda van Georgië die in de associatieovereenkomst ligt besloten en in welke mate voortgang voorwaardelijk is gemaakt aan implementatie van (onderdelen) van de associatieovereenkomst.

De associatieovereenkomst bevat twee soorten bepalingen: politieke en handelsgerelateerde. Op deze beide terreinen schrijft het akkoord een vergaande toenadering tot de standaarden en normen van de EU voor. Op politiek vlak valt hierbij te denken aan het verbeteren van het functioneren van de democratie, rechtsstaat, corruptiebestrijding en mobiliteit. Voor wat betreft de handelsparagrafen wordt de oprichting van een Deep and Comprehensive Free Trade Area beoogd, wat betekent dat landen een groot deel van het economische EU-acquis dienen over te nemen en op die terreinen onderdeel worden van de Europese interne markt. Dit houdt onder andere in de geleidelijke afschaffing van invoerheffingen, aanpassing van wetten en regels voor productstandaarden in de landbouwsector, maakindustrie, etc. Via de associatieovereenkomst zegt de EU toe de hiermee gepaard gaande hervormingsagenda in Georgië te zullen ondersteunen. Bestaande conditionaliteiten blijven daarbij uiteraard van kracht.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de tegen ex-bewindslieden gestarte rechtszaken worden beoordeeld. Deze leden willen weten hoeveel ex-bewindslieden nu worden vervolgd of reeds zijn veroordeeld of vrijgesproken sinds de machtswisseling. Deze leden vragen of de zorgen van ngo’s over de politieke motivering van deze rechtszaken worden gedeeld.

Na de machtswisseling als gevolg van de parlementsverkiezingen in 2012 zijn rechtszaken gestart tegen een aantal ex-bewindslieden wegens machtsmisbruik. Het is moeilijk een volledig beeld te krijgen van het aantal rechtszaken aangezien er tegen sommige personen meerdere strafzaken lopen en er een aantal rechtszaken in verschillende fases van hoger beroep is. Het kabinet deelt de zorgen van NGO’s en benadrukt regelmatig in bilaterale gesprekken met de Georgische autoriteiten en in EU-verband dat rechtszaken eerlijk en transparant dienen te verlopen. De OVSE(ODIHR) heeft in 2013–2014 op uitnodiging van de Georgische overheid 14 rechtszaken tegen ex-bewindslieden waargenomen (medegefinancierd door Nederland met MATRA-fondsen). In het eindrapport in december 2014 concludeerde ODIHR dat vanwege een aantal tekortkomingen «respect voor het recht op eerlijke rechtsgang … niet volledig is gegarandeerd door het Georgische justitiesysteem»5. Georgië heeft de aanbevelingen in het rapport geaccepteerd en besteedt veel aandacht aan doorlopende hervormingen van het justitieapparaat, hierbij ondersteund door de EU en ook de Nederlandse ambassade in Tbilisi (MATRA).

De leden van de SP-fractie vragen of het aangaan van een associatieakkoord met Georgië op geen enkele manier kan worden opgevat als voorstadium van een uiteindelijk EU-lidmaatschap voor het land en of dit besef ook in Georgië bestaat.

Zoals aangegeven in het schriftelijk overleg voor de informele Raad Buitenlandse Zaken (Gymnich) van augustus 2014 [Kamerstuknr. 21 501-02, nr. 1410], mag elke Europese staat die de fundamentele beginselen van de EU onderschrijft en in staat is deze waarden uit te dragen, op basis van artikel 49 van het EU-Verdrag een aanvraag doen voor EU-lidmaatschap. Dit geldt ook voor de drie landen van het Oostelijk Partnerschap die een associatieovereenkomst zijn aangegaan met de Unie, waaronder Georgië. De regering acht het echter onverstandig hen hiertoe aan te moedigen. Voor deze landen is een lidmaatschapsperspectief niet aan de orde. Dat zou ook geen antwoord bieden op de huidige problematiek in de regio. De EU dient vast te houden aan de eigen strategie: namelijk deze landen door middel van een associatieovereenkomst en vrijhandelszone te helpen bij hun transitie en hen een bijzondere en sterke band met de EU te geven. Het Oostelijk Partnerschap is dan ook niet bedoeld als voorportaal voor EU-toetreding. Hier wordt in de associatieovereenkomsten ook op geen enkele manier op gezinspeeld. De associatieovereenkomst is nadrukkelijk gericht op politieke associatie en economische integratie. Met de uitvoering van deze akkoorden zal de toenadering tot Europese normen en standaarden reeds een aanzienlijke impuls krijgen. Hier zou nu alle aandacht naar uit moeten gaan. Deze lijn draagt de regering ook consequent uit in EU-verband en in bilaterale gesprekken met Georgië.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader kan ingaan op de bepalingen in het associatieakkoord over meer samenwerking op het gebied van buitenland- en veiligheidsbeleid (GBVB en GVDB) met Georgië.

In de associatieovereenkomst zijn afspraken gemaakt over samenwerking op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB). Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan conflictpreventie en crisisbeheer, regionale stabiliteit, ontwapening, non-proliferatie, wapenbeheersing en wapenuitvoercontrole en aan een betere dialoog over ruimtevaart. Hiertoe wordt de wederzijdse dialoog en samenwerking geïntensiveerd, waaronder op het vlak van conflictpreventie en crisisbeheer, in het bijzonder met het oog op versterkte deelname van Georgië aan civiele en militaire operaties inzake crisisbeheer onder leiding van de EU en aan oefeningen en opleidingen, ook die in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB). Ook zal Georgië nauwe contacten met het Europees Defensieagentschap (EDA) onderhouden, onder andere over de verbetering van de militaire capaciteit, ook op technologisch vlak. Daarnaast zijn in de associatieovereenkomst afspraken gemaakt over samenwerking ten aanzien van de bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens, daarmee samenhangende materialen en de overbrengingsmiddelen daarvoor, alsook op het gebied van samenwerking op het vlak van ontwapening, waaronder de vermindering van hun voorraad overtollige handvuurwapens en lichte wapen en inzake de gevolgen voor de bevolking en voor het milieu van niet ontploft achtergelaten materieel.

De leden van de SP-fractie vragen de regering aan te geven in hoeverre op dit moment wordt voldaan aan de essentiële elementen (eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals gedefinieerd in internationale verdragen en eerbieding van de rechtsstaat) die opschortende werking hebben.

De regering is van mening dat schending van de essentiële elementen op basis waarvan tot opschorting van de overeenkomst zou dienen te worden overgegaan, niet aan de orde is. Dat wil niet zeggen dat het plaatje «af» is of dat er geen zorgpunten zouden bestaan. Georgië heeft in 2014 antidiscriminatiewetgeving en een mensenrechtenstrategie en actieplan (2014–2020) aangenomen. Ten aanzien van de implementatie blijven er op deelgebieden zorgen bestaan over religieuze tolerantie, gendergelijkheid, huiselijk geweld en gelijke rechten voor LHBT-personen. Ook de hervorming van het Ministerie van Binnenlandse Zaken blijft een aandachtspunt (o.a. de onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie en democratische controle op afluistertechnieken).

De leden van de SP-fractie vragen naar de formele procedure voor opschorting van het akkoord en of de EU tot op heden ooit een associatieovereenkomst heeft opgeschort.

Bij niet nakoming van verplichtingen biedt de associatieovereenkomst de mogelijkheid aan de andere partij om passende maatregelen te treffen. Het verdrag schrijft voor dat dit bij voorrang een passende maatregel is die de werking van de overeenkomst het minst verstoort. Bij niet naleving van essentiële elementen van de overeenkomst kan echter opschorting een passende maatregel zijn. Via de Associatieraad, het Associatiecomité en de subcomités houdt de EU toezicht op de voortgang van de hervormingen. Corruptiebestrijding is daar onderdeel van.

De EU heeft met tien landen in de nabuurschapsregio associatieoveeenkomsten afgesloten. Tot nu toe is opschorting van een van deze akkoorden niet aan de orde geweest.

De leden van de SP-fractie vragen of corruptiebestrijding een voorwaarde is voor implementatie van (onderdelen van) de overeenkomst. Zij vragen hoe corrupt Georgië is.

Op het terrein van corruptiebestrijding is door Georgië grote stappen gezet (o.a. reorganisatie van de politie, het onderwijs en overheidsuitgaven). Georgië staat op nummer 52 van de 174 landen op de «Corruption Perception Index» van Transparency International (2014). Volgens NGO’s bestaat er nog ruimte voor verbetering als het gaat over nepotisme bij aanbestedingen en het aanstellen van ambtenaren. Het is belangrijk dat Georgië zich blijft inzetten om corruptie te bestrijden.

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders