Kamerstuk 33990-61

Ontwerpbesluit houdende regels omtrent de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte

Dossier: Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169)

Gepubliceerd: 20 december 2016
Indiener(s): Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA)
Onderwerpen: organisatie en beleid recht staatsrecht zorg en gezondheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/33990/kst-33990-61?resultIndex=22&sorttype=1&sortorder=4
ID: 33990-61

Nr. 61 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Ontvangen ter Griffie op 20 december 2016.

De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur is aan de Kamer overgelegd tot en met 1 februari 2017.

De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan niet eerder worden gedaan dan op 2 februari 2017.

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 december 2016

Hierbij bied ik u aan het ontwerpbesluit, houdende regels omtrent de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte1. Voor de inhoud van het ontwerpbesluit verwijs ik u naar de ontwerp-nota van toelichting2.

Met de ratificatie van het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is een grote stap gezet naar een samenleving die voor iedereen toegankelijk is. De ratificatie had voor met name mensen met een handicap en hun vertegenwoordigers een grote betekenis omdat na tien jaar eindelijk tot ratificatie was gekomen. Een belangrijk amendement in de aangenomen wet is het amendement Otwin van Dijk (Kamerstuk 33 990, nr. 56), aangevuld met het subamendement Van der Staaij/Keijzer (Kamerstuk 33 990, nr. 57). Het eerste amendement bepaalt dat dit Verdrag allesbehalve vrijblijvend is: deze wet moet daadwerkelijk leiden tot concrete stappen die leiden tot algemene toegankelijkheid. Het kabinet onderschrijft deze ambitie. Het subamendement Van der Staaij/Keijzer bepaalt dat bij AMvB nadere regels worden gesteld over hoe tot deze concretisering van de norm van algemene toegankelijkheid wordt gekomen. Deze concretisering krijgt met onderhavig besluit zijn beslag.

Via voorliggend besluit wordt bevorderd dat plannen worden gemaakt waarmee wordt toegewerkt naar algemene toegankelijkheid. Belangrijk daarbij is dat deze plannen niet alleen in overleg met organisaties van en voor mensen met een handicap worden gemaakt, maar dat zij hierin tevens een formele positie hebben. Dit acht ik van groot belang. Op deze wijze worden concrete ambities met betrekking tot toegankelijkheid geformuleerd. Daarbij bevat dit besluit een stok achter de deur via de jaarlijkse monitoring en de mogelijkheid nadere regels te stellen.

Voorhangprocedure

Deze voorlegging geschiedt in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure (artikel 2a, derde lid, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte) en biedt uw Kamer de mogelijkheid zich uit te spreken over het ontwerpbesluit, voordat het aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden voorgelegd en vervolgens zal worden vastgesteld.

Op grond van de aangehaalde bepaling geschiedt de voordracht aan de Koning ter verkrijging van het advies van de Raad van State over het ontwerpbesluit niet eerder dan vier weken nadat het ontwerpbesluit aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Op grond van artikel 43a van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt deze termijn in verband met het kerstreces van uw Kamer verlengd tot 1 februari 2017.

Inhoudelijk

Met dit besluit wordt de ambitie verankerd om daadwerkelijk aan de slag te gaan met de geleidelijke verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid, die ertoe moet leiden dat mensen met een handicap of chronische ziekte zoveel mogelijk kunnen meedoen aan de samenleving en daarbij zo min mogelijk drempels – in de breedste zin des woords – ondervinden. Genoemde algemene toegankelijkheid is vastgelegd in de Wgbh/cz. Het is niet zo dat met dit besluit deze ambitie van vandaag op morgen bereikt zal zijn. Dit besluit biedt een goede basis om daar voortvarend mee aan de slag te gaan.

Er is de afgelopen weken, mede naar aanleiding van de aangenomen motie Volp (Kamerstuk 34 550 XVI, nr. 95), intensief overleg gevoerd met de cliëntorganisaties en andere maatschappelijk partijen, zoals VNO-NCW en MKB NL.

Gelet op de strekking van genoemde motie, ga ik in op de resultaten van het overleg met de cliëntorganisaties.

Het goede overleg heeft geleid tot aanpassingen van het besluit en de nota van toelichting, zoals die voorlagen in de consultatieronde. De cliëntorganisaties zijn nu van mening dat het bijgevoegde besluit perspectief en houvast biedt voor een ambitieuze implementatie. Het besluit is naar hun mening verbeterd door:

  • a. De stevige verankering van de positie van de cliëntorganisaties in het besluit zelf (artikel 2);

  • b. De monitoring door de Minister van de geleidelijke verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid en de totstandkoming en uitvoering van de actieplannen (artikel 5, eerste lid);

  • c. De jaarlijkse verslagverplichting van de Minister aan Uw Kamer, waarbij hij ook een uitspraak zal doen of, gelet op de bevindingen in de monitoring, aanpassing van het besluit noodzakelijk is (artikel 5, tweede lid).

Gezamenlijk is geconstateerd dat de verwezenlijking van de algemene toegankelijkheid vooral op de uitvoering aankomt. De gezamenlijke verwachting is dat dit besluit juist hier aan kan bijdragen, met name door de combinatie van de actieplannen en de monitorings- en verslagverplichtingen als borging van het structureel werken aan de algemene toegankelijkheid. Met «bevorderen» uit artikel 2 wordt bedoeld dat de Minister een aanjagende en stimulerende rol heeft in dit geheel en zich daarover ook aan Uw Kamer zal verantwoorden.

Tot slot hebben de cliëntorganisaties het belang van een adequate uitvoering van andere wetten in relatie tot de ambitie van de implementatie van het VN-verdrag benadrukt. Gezamenlijk is geconstateerd dat dit het bestek van dit besluit te buiten gaat. Ik zal hiervoor als coördinerend bewindspersoon voor het VN-verdrag te allen tijde aandacht blijven vragen, ook in het kader van de bredere monitoring en rapportage van de verdragsverplichtingen. Verder geldt dat allen die betrokken zijn bij het voorbereiden en tot stand komen van nieuwe wetgeving zich af dienen te vragen of het verdrag bij deze nieuwe wetgeving een rol speelt. Bij de totstandkoming van nieuw beleid of regelgeving is in het proces vastgelegd dat wordt getoetst hoe deze nieuwe voorstellen zich verhouden tot de verdragsrechtelijke verplichtingen die Nederland is aangegaan.

Ik ben alle betrokken organisaties dankbaar voor het constructieve overleg dat wij hebben gevoerd. Ik ben ervan overtuigd dat we met dit besluit een nieuwe stap zetten naar een Nederland waarin toegankelijkheid de norm wordt. Dat is de ambitie, daar gaan we nu samen verder aan werken.

Een gelijkluidende brief heb ik gezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn